willem van swaanenburg
Inhoud blog
  • Willem van Swaanenburg, Aan de Saffo onzer eeuw ( Barbara Ogier )
  • Willem van Swaanenburg, Jupyn, als vader aller goden, Verheerlijkt in Parnas Heiligdom
  • Willem van Swaanenburg, Zegeboog, gericht ter ere van de Onsterflijke God (2)
  • Willem van Swaanenburg, Zegeboog, Gericht ter ere van de Onsterflijke God (1)
  • Willem van Swaanenburg, Chaos (3)
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    02-05-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Chaos (1)

    Uit de keus van Een Hel Vol Weelde

    Chaös,
    of Swaanenburgs Overstelpte Dichtluim.

    Het lust mij op een bas, met hard gespannen snaren,
    Van stijve wind gezweept, de aardbol om te varen;
    Te zien van 't bruisend zout, hoe 't in de wereld gaat,
    En of Jupyn de vlag, als 't hoort, nog waaien laat:
    Of Mars in 't ijzer brult, bij 't blaffen der kartouwen,
    Die ruggen van arduin, met schorfte nagels krouwen;
    Of dat hij borsten kneedt, op dons van armelijn,
    En leliebronnen tapt uit tepels van robijn:
    Of hij Bellona treedt, met Mavors heldenspieren,
    Dan of hij Venus wil, op Mirt tapijten vieren.
    Het geldt mij evenveel, of Janus tempelslot
    Ligt, door een stalen vuist, van 't hardst Tyras geknot,
    Dan of dees Oorlogsdog blijft aan de band geklonken,
    Die hem van 't Capitool der sterren wordt geschonken;

    p. 2

    Als 't noodlot, moe van roof, naar slaapspelonken gilt,
    Waarin geen bar Orkaan Olijfstandaarden drilt.
    Een, die de lucht inrijdt, op Icarese pennen,
    En vleugelen van Was wil aan de zon gewennen,
    Die geeft op straalgoud acht, noch duizelig waterglas,
    Maar stuwt de wolken voort, door 't botsen van zijn as,
    En stelt de Schoft ten doel, gelijk een Reus zijn schonken,
    Op Typhons Burg neerplakt, in 't oog der bliksemvonken.
    Ja Donderaar ruk vrij met bars kanon te veld,
    En blaas alarm op 't plein daar gij slagorders stelt:
    Wij schromen, op geen kar, die Faëton zal mennen,
    Al zou Apollo's koets, ten valen afgrond rennen:
    Ik kom, ten Rijm gedost, het lauwerspoor inslaan,
    En 't scheelt mij niet, al kwam het onderst boven staan;
    Al moest de Parnas heel, gelijk een Etna roken,
    Al zou het schuim van 't Meir, op kille bodems koken;
    Al zou de hemel zelf verbranden, tot een pek,
    Dat uit de ketel dampt van zulk verwaand bestek;
    En ik, gebeukt van schrik; in Eridaanse golven,
    Voor eeuwig, lam gekneusd, van Marmer zijn bedolven;
    Nog hou 'k mij aan de toom der vaderlijke hand,
    Tevreden, zo op mijn zerk alleen slechts sta geplant:
    Dit was geen Aterling, geen averechtse jongen,
    Wijl hij voor zijne dood, zelf de oorzaak heeft doordrongen,
    Van al wat leven kweekt, en 't ware wezen kent,
    Dat zich heeft in de stof, tot kwik van geest geprent.
    Een ander zie dit spel vrij aan met bloodaards ogen,
    En guichel op zijn luit, om 't nietig onvermogen

    p. 3

    Van een verhitte ziel, die naar het zonhof rukt,
    En niets als akelig roest van heldere dreven plukt;
    Die winternachten spant, voor zomer diamanten,
    En vlokken floers borduurt, op 't ruimst der zilveren kanten;
    Die 't bos van ebbenhout, uit Indus armen rooft,
    En, met nog zwarter roet, de glans des lichts verdooft.
    Ja storm vrij, zo gij wilt, en stel uw domme krachten,
    ô Netelig grauw! te werk, om mijne Naam te slachten,
    Die ik op basten snij van Cederen der Natuur,
    En langs onnaakbaar drift, ten reine hemel stuur.
    Schakeer slechts spinnenzog, langs mijne bloemfestonnen,
    Die, uit wat vlotte inkt, zijn op papier geronnen,
    En spreeuw vrij met uw riet, gelijk 't een Boksvoet past,
    Die zijn bemorste poot in dauw van paarlen wast.
    'k Zal evenwel 't Saffier op blauwe boordsels zetten;
    De takken van koraal langs verre duinen pletten,
    Aurora blozen doen, gelijk een frisse maagd,
    Die 't Vrijsterschap, paarrijp, ten zoele oog uitdaagt.
    ô Schitterend levenssap, ô bloeisem van het minnen,
    Die, door uw prikkelend rood, een Herkules deed spinnen;
    Een Polypheem verzengde aan de oevers van de Zee,
    Ja zelfs Jupyn, hoe groots, ter wrange ziel inglee;
    Uw geestig maagdenvuur heeft mijne borst besprongen;
    Een Amazoon haar dolk, mij dwars door 't hart gewrongen.
    'k Ben razend verzot op Pindus Jufferrei,
    Waarom ik deze dag de dolste hengst beschrij;
    Mijn ader, sterk geport, braakt rotsen uit haar kaken,
    Sta vast, ô ruigt van zout, uw snuit zal sterren raken;

    p. 4

    De strompeling van mijn spoor, uw haren sidderen doen
    Voor 't snorrende gedruis van wijder Watervloên;
    Voor 't donderende zog van dik gepuilde prammen,
    Die sterk gelurkt, door vuur, tot Amber rompen strammen,
    Waar op de goudkloot fel gesolt zijn kiel stuk barnt,
    Als hij de kelders peilt van 't ongewrocht gestarnt,
    Waar uit de Beelden zijn in vormen vast gegoten,
    Om 't eerst geprente stip, door kleistof te vergroten.
    Dat 's nog een kluit dier taal, die 't volk in Babel sprak,
    Eer dat 's Lands tongenriem uit har, en grendels brak:
    Dat 's nog een Hemelval van neergestuwde Engelen,
    Die op een schrale haart vergeefs naar Nectar hengelen.
    Dat 's iets, 't geen ik verzwijg, dewijl geen waarheid geldt,
    Als die Paap Kalchas eerst heeft in de drom vertelt:
    De Mijter van Apol voegt op geen kale koppen,
    Die met Minerva's Uil in 't donker liever poppen,
    Als dat zij overkleed van 't bruin Orakelwoud,
    De Trommel daveren doen, door 't Choor hen toevertrouwd;
    Dan danst de taaie schors der halfvermolmde Eiken,
    Dan zit een vredig Lam op 't Leeuws harnas te prijken,
    Terwijl een Stroomgodes met kille lippen tukt
    Op 't joelend Esmerald, dat hare boezem drukt.
    Zo gordelt zich een duin om 't dartelen van de baren,
    En koestert met haar zand vrouw Thetis puimpilaren,
    Die overmast van lis, door wier bezwangerd zijn.
    Zo stooft een warme schoot de gietsels van robijn,
    En deelt zijn zilver mee aan 't sap van Suikerrieten;
    Aldus moet de ene bron gestaag in de ander vlieten,

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook :  www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    02-05-2011, 16:26 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    Foto

    Archief per week
  • 19/12-25/12 2011
  • 12/12-18/12 2011
  • 24/10-30/10 2011
  • 17/10-23/10 2011
  • 02/05-08/05 2011
  • 04/04-10/04 2011
  • 28/03-03/04 2011
  • 21/03-27/03 2011


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!