willem van swaanenburg
Inhoud blog
  • Willem van Swaanenburg, Aan de Saffo onzer eeuw ( Barbara Ogier )
  • Willem van Swaanenburg, Jupyn, als vader aller goden, Verheerlijkt in Parnas Heiligdom
  • Willem van Swaanenburg, Zegeboog, gericht ter ere van de Onsterflijke God (2)
  • Willem van Swaanenburg, Zegeboog, Gericht ter ere van de Onsterflijke God (1)
  • Willem van Swaanenburg, Chaos (3)
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    15-12-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Jupyn, als vader aller goden, Verheerlijkt in Parnas Heiligdom


    Ontgorder van de nacht, die uwe erewagen,
    Uit bloed van Vrouwnatuur, doet langs de luchtstof dagen,
    In 't aanzien ener drom van 't Hemelse gestarnt,
    't Welk met haar meir van vuur, langs uwe goudkloot barnt;
    Leen mij, één dag, uw kar, uw vlammende garelen,
    Die Zeemeermannen in hun marmeren groeven strelen;
    Als zij, de teugel wars, afzakken naar de kil
    Van 's werelds ingewand, en ongeooren spil,
    Zo kneus ik, niet alleen de muur der steilste wolken,
    En vel hun gevels af naar onderaardse kolken;
    Naar rompen van kristal, bezielt met Amberschat,
    Met golven, die Neptuin in bij zijne armen vat;
    Als hij, verhit van moed, de stranden gaat braveren,
    Om 't zandig stof eens duins, door water om te keren;
    Maar vest een Zegeboog, een Zuil van diamant,
    Voor die vier winden voor zijn as en wielen spant

    P. 2

    Op 't huppelende Azuur, en omtrek van Saffieren,
    Waar nimmer Noordewind kan op zijn vlerken gieren.
    Nooit was Clymene's Zoon van meerder moed gespoord,
    Als hij zijn Vader zag aan 't licht der Oosterpoort;
    Om op de dagkaros de stofbol om te draaien,
    Als ik genegen ben de roemstandaard te zwaaien:
    Te vesten op het vlak van 't groot en heerlijk Al,
    Die fiere spreuk: 't Is God, die nooit verwelken zal.
    De lendens van Jupyn, de zenuwen der starren,
    De windsels van de Maan zijn nimmermeer te ontwarren;
    't Draait alles op Arduin, op heilig Lucht-tyras,
    Gelijk onze aardkloot danst langs Thetys pekelplas.
    Die op zijn eigen wiek ten Hemel in kan varen,
    Als hij 't rinkinken vliet der worstelende baren;
    En daar het dons beklimt van ongestoorde rust,
    Waar op hij 't eigen hart met tedere vlammen kust:
    Is 't raadslot van de tijd, en wisse spil der dingen,
    Die teffens uit een vuist kan vuur, en water wringen,
    't Geen schuimende op zijn gest tot gruis en vezels stolt,
    Is 't middelpunt alleen waar langs de wereld rolt:
    Die diepe Oceaan van tintelende vonken,
    Waar aan de navelstreng van atlas leit geklonken,
    Wiens tepels, dik van zog, de koude Polen voeden,
    Als zij in 't winters van slinkse tochten woeden:
    Dat wezen zo volmaakt, uit eigen drift gesproten,
    En in een dunne vorm tot geestlijk zout gegoten,
    't Geen blijvend is, omdat het eeuwig zich herbaart,
    En ogenblikkelijk van stof in stoffen vaart.

    P. 3

    Zal nu een Zwaneveer met zwarte inkt genaken?
    Al zou de wuste pluim aan duizend splinters raken.
    Geen nood, zo daalt Apol door 't klimmen van mijn nacht,
    Naar 't Tegenvoeters-hof, hetgeen zijn intree wacht.
    't Gaat wel, daar stapt Auroor van 't bed, in slaapgewaden,
    De zilveren Morgendauw gaat zich in 't purper baden;
    De Nachtegaal die neurt op Pindus dubbele top,
    En veilt vrouw Daphnes groen ter hoogste Vierschaar op.
    Staat ruim, ô Hemellieden! ô volk van barse heuvelen!
    Zo zal zijn Echo, op uw ijzeren borstweer sneuvelen.
    Hoort toe: Nu slaat de krop gejuich voor 't pronkalbast,
    Dat in ivoren vloeden zijn heldere spieren wast,
    En 't bloedkoraal belonkt in natte wildernissen,
    Om de eigen leliegeur uit rozen op te vissen;
    En gilt om Ambersmeer langs 't Indiaanse strand,
    Hetgeen de vette hals aan paarlensnoeren spant,
    Tot altaardamp van hem, die tempelen doet ronnen
    Op 't strelend zielen-vocht van onbeweegbare bronnen.
    Hij wil het puimsteen rijk ontwijen van dat zweet,
    Waaruit dat Cythare weleer is tesaam gekneed,
    En rukt de Schilden los der kabbelende drommen,
    Om op de adem van wat zouts, Gods lof te brommen;
    Doch 't is vergeefs, want schoon dat Flora zelver kwam,
    Van God Zephier geleid, gelijk een Offerlam,
    Om met haar lieve lip dit Heiligdom te heffen;
    Nog zou haar lekkere zucht die heerlijkheid nooit treffen:
    Al steeg zelfs de Arabier tot boven op de kruin,
    Waar zich de Fenix schept uit zijn vermorzeld puin;

    P. 4

    En roofde al het Kaneel, waarop hij moet verbranden,
    Nog zou die Wierookschors naar schoonder leppertanden?
    Al kwam de Kaffer uit zijn Ebbenbos, in 't goud,
    En torste op zijne schoft, de schat die 't aardrijk spout;
    Het vlammend Bergkristal, en blozende Robijnen,
    Nog zou die rijke praal zijn heerlijkheid verkleinen?
    Dring verder met uw toon, of zwijg mijn Zangheldin!
    En geef uw Lier aan een verwoede Wout-Papin,
    Of norse Wichelaar, die heet op schorre klanken,
    De Slangen in hun hol doet van verbaasdheid janken;
    Wijl de Eiken sidderen gaan op brozen van metaal,
    Wanneer de Toverklok geklept, hen altemaal
    Verminkt, als Gras, 't geen wordt door droge wind vertreden.
    Die 't hoge niet verstaat, die stappe naar beneden,
    Alwaar dat Pluto's Reu op hete koolen bast,
    Wijl Charon langs 't moeras met zijne riemen plast.
    Hier zal een Etna, uit zijn keel, die klippen braken,
    Die met hun steile kap de Azuren vensters raken;
    Dat ijselijk steengevaarte verstrekken tot een naald!
    Waar op de Beeltenis mijns Wereld-keizers praalt.
    Maar neen, dat keiïg ras, die breedgebulte Spoken,
    Die uit de Moordspelonk van Typhon zijn gebroken,
    Zijn veel te klein tot lof van zulk een grote Heer,
    Die Kelders opwaarts jaagt, en bonst de Zolders neer,
    Als hy Orkanen spant voor zijnen Donderraden,
    Om 't Noordse Walvisspek in 't Oosten gaar te braden.
    Ruk herwaarts aan, ô wind! gij bulderend Reuzendom,
    En ploegt de Bodems van de steigerende Alpen om;

    P. 5

    Of beur ze met uw bast op Pyrenese Bergen,
    Die met hun schrale sneeuw de zomerrozen tergen;
    Zo rust de Godheid steeds, op eigen werken trots,
    Als Vader van de Goden, op 't opperst van die rots.
    Neen Faëton, keer om, of duik van uwe Wagen:
    Het Zonneros kan langs die steile Burcht niet jagen.
    De Schepper huist alleen in 't eeuwig Element;
    In ongeworden goud, van tijden nooit gekend;
    En paalt zijn eigen grond met Beer en halve Manen:
    Het vuur is zijn standaard, de Sterren zijn zijn vanen.
    Hij dekt zich met een schild van donderend metaal,
    Waar voor het al verstuift, en ik verschrikt neerdaal.

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    15-12-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    30-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Zegeboog, gericht ter ere van de Onsterflijke God (2)
    p. 5

    Die in zijn zelve daalt, die duikt naar Parel Mijnen,
    En voelt een zoeter vlam op teerder lonken schijnen,
    Die wezent zich in iets, hetgeen hij eertijds was,
    Of vaart de luchtbol om, een Zee van enkel glas,
    En ziet de Vezels op hun losse gronden springen,
    En de onstof uit zijn zijn, in alle dingen dringen,
    Zich telen in 't gestrem van allerlei geslacht,
    En schouwen, hoe het Eén heeft alles voortgebracht.
    Wat zal ik, aardeling, wat wil ik gaan beginnen?
    Keer ik mij zelve om? of wende ik 't buitenst binnen?
    Is dit een Zegenboog voor de Oppermajesteit,
    Die op een bliksem van het Oost naar 't Westen glijdt;
    En dondert langs de vest der wijffelende starren,
    Om de aardkloot, als 't hem lust, te beuren uit zijn harren.
    Is dit die grootse naald? die wolkenspits? 't gebouw,
    Dat, uit een vlugge pen, ten Hemel rijzen zou?
    Om uit te meten, wat God is in 't eigen wezen,
    Lang voor vele eeuwen al uit eigen drift gerezen;
    Die zich alleen verstaat, en die de dingen kent,
    Die uit zijn Beeld zijn, door de tijd, in was geprent.
    O neen, ik ben te zwak om zulk een klomp te beuren,
    Al kon ik uit de nacht een reeks van vonken scheuren:
    Al klonk ik vast aaneen, de Pool van Zuid en Noord;
    En rukte Bergen los, stiet Rotsen overboord;
    En wrong met klem tesaam de Tegenvoeters gronden,
    En greep een wereld, daar nooit wereld was gevonden;
    Of bond de baren in mijn riem, het vuur, de lucht
    In mijne vuist, met al 't gesnor, dat onder zucht:

    p. 6


    Afgrijslijkheid, waarvoor een dommekracht moet schrikken,
    Nog was ik maar een dwerg in 't aanzien zijner blikken;
    Een zand van 't zondig duin, een overschot van 't iet,
    Dat, op de minste wenk, weer straks in 't niet vervliet.
    Wroet dan geen Mijnen om, nog zuigt geen Pactoolsprammen,
    Die kroezen met metaal uit hunne tepels rammen.
    Nog vleit de Mexicaan om zijn verholen schat,
    Om 't stof, hetgeen hij uit de buik der holen vat;
    Om 't pronkbeeld naar de kunst, van louter goud te maken,
    Geen averechtse wil kan de eer van God genaken:
    Het wijs Athene zucht, wanneer het spreken zal
    Van 't Opperwezen, God, de grondslag van het Al.
    Ontduikt u eigen zelf in hete heldentonen,
    En laat het opperlicht zijn zelf met palmen kronen:
    Hij is zijn eigen roem, en geeft zijn zelf de eer,
    En kent, naast zijne lof, geen vonk tot prijzen meer.
    Ziet daar, daar krijgt hij vaart, en drijft op sneller pennen,
    Hij zet zich op mijn schoft, om boven 't oog te rennen;
    Mij dunkt hij buldert al, en bromt van trotse moed,
    Gelijk een Oorlogsheld, die 't onderste opwaarts wroet.
    Beeft Lezers! beeft van schrik: de Godheid is aan 't razen,
    Zijn fiere krop is vol van steile damp geblazen:
    Hy dondert langs de grond, en spouwt de adem uit,
    Gelijk een Zeegedrocht het water met zijn snuit.
    Straks is hij hoger, als de zon in 't middagbrallen,
    Doch zal, op éne keer, de aardbodem stukken vallen,
    En pletteren met zijn Rif de schors der hardste rots,
    Of beuken 't ondermaans aan spaanders, met zijn knots;

    p. 7

    Doorkloven zelfs de hel, door 't blussen van de kolen,
    Opdat haar brand, versmookt, zou in 't kristalplein dolen,
    Herleven in Saffier, in 't sneeuw van armelijn,
    Waardoor het vuilste zwart, het reinste wit zal zijn.
    Niet hoger met uw moed, ô bruine hersenspoken!
    Het eeuwig Wezen heeft weleer zijn zelf gewroken,
    Toen 't vliegende Idee de Godheid schilderen wou,
    En heuvels stapelen ging naar 't drijvende gebouw;
    Toen 't met een zwak penseel de geestkloot kwam bespringen,
    En, met 'n adem van zout, in 't ongeworden dringen.
    Voorwaar, die zelfde val, die slinkse wisselbeurt,
    Die voortijds 't Reusgedrocht heeft in het net gesleurd,
    Kromt ons de nek ineen, en doet mijne aderen stollen
    Van 't wuft begrip te dol, in 't zwenken op zijn rollen.
    ô Uitgeputte ziel, vol blindheid zonder end!
    Zo gaat het, als men spreekt van 't geen men niet en kent.
    De kiel gesolt van wind moet eindelijk stukken stoten,
    Om, door zijn ondergang, 't onmeetbaar te vergroten.
    Genaâ! ô Zonne-vorst! ô Temmer van 't groot Al!
    Ik beur u hoger, nu ik zelve nederval:
    Mijn Duikkunst is uwe eer, het stamelen uw verheffen;
    Het missen van de zaak de waarheid zelve treffen.
    Grootheilig Wondergod! die louter diepte zijt,
    En echter met uw spoor op luchten golven rijdt;
    Die aan uwe Assen knoopt de romp van al 't geschapen,
    En uit een niet, mocht klei tot duizend werelds rapen;
    Die zelf onttornen kunt al wat in wezen is,
    Of 't licht herscheppen uit een drom der duisternis;

    p. 8

    Daar ligt de lage pen, die hemelen zou heffen,
    De losse Zwanenpluim, die 't ongezien wou treffen;
    Die veer van Was, die schaft van 't breinlooste onverstand,
    Die, schoon ondeugend, naar uw deugden watertandt.
    't Is de eigenschap van u, u zelve af te malen;
    Te snorren langs de kust van onbekende palen:
    Te stuiven door de Zee, te wroeten met het staal
    In 't hart van 't diamant, en kluiten van metaal:
    Gij moet uw eigen beelt ten hogen Hemel beuren;
    Ons doffe Liergezang, te slecht, aan stukken scheuren;
    Uw eigen wagen zijn, en kronen met dat zweet,
    Hetgeen de stille rust uit eigen werken kneedt.
    Sleep Steden aan de kar, span Rijken voor uw wielen,
    En rij, als Zegenvorst, langs de omkring aller zielen;
    Zo standaardt zich uw Naam in 't denktuig der Natuur,
    Hetgeen zijn vliezen smeult in levend watervuur.
    Vier winden blazen lof: het Bos, de Velden dansen:
    De Wellust tooit zijn hals met groene Mirtekransen:
    De Liefde slaat de maat, zij neurt een Engelentoon,
    En bouwt het eigen zaad, voor u, ô God, ten troon.
    Tree op, klim hoger als gij plagt, op rijkssieraden,
    Zo ziet uw heerlijkheid het slot van al haar daden.
    Geen schoner eind is ooit aan zijn beginsel vast,
    Als daar het laaste uit 't eerste, en 't eerste uit 't laaste wast

    Willem van Swaanenburg, Parnas, of de zanggodinnen van een schilder 

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    30-10-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    26-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Zegeboog, Gericht ter ere van de Onsterflijke God (1)

    Ik wil, bestuwd met rook van Indiase geuren,                                                                            Het eeuwig diamant ter sterren op gaan beuren,
    En veizelen op een troon van drijvend wolktyras;
    Hem, die de aardbol zwaait, om 't goud der zonneas,
    En golven opwaarts perst, door 't drukken zijner handen,
    Dat zij aan 't Vuurgewelf hun kille zoutstroom branden:
    De Wereldvorst, die zo veel jaren heeft geleeft,
    Lang voor de schrale tijd op de eeuw gemetseld heeft;
     
    p.2
     
    En in zijn eigen zelf die zware stofkloot vormde,
    Die naderhand, door damp, de luchtkring fel bestormde;
    En uit een Mist opsteeg van felle razernij,
    Om zich te plaatsen aan Gods fiere rechterzij:
    Ik zeg, die Prins van 't Al, die draaier van vier winden,
    Die al de zielen kan in ene gordel binden;
    En duizend levens ent, op de ongeschapen struik
    Van 't ingebeelde ruim, in 's afgronds duistere buik;
    Zal ik vandaag doen zien op zilveren Bergkristallen,
    Met purper pluimgedos, langs dun Saffieren brallen;
    Gelijk een held, die bars op wakkere Oorlogsdaân,
    De omtrek van 't Heelal kan met zijn vuist verslaan.
    Ik zing geen lage toon, geen treur- nog minnetochten;
    De lauwer is om 't hoofd der Krijgslieden vastgevlochten:
    Mijn Hengst vertrapt de grond, hij springt van top tot top,
    En draaft met bruisend schuim ten hoogste hemel op.
    Zie daar, daar valt de nacht, hier tuimelen stalen Reuzen;
    De Hel, met al haar stoet, is door een bons te kneuzen,
    En 't volk van 't ijzer woud, dat spies en dolken breekt,
    En met een Sulfer toorts de Zee in vlammen steekt,
    Ja Berg en Duinen schrokt met opgespalkte vlammen,
    Is met een pen vol inkt, aanstonds aan stuk te rammen;
    Stuif ruggelings dan al wat is, of immers was,
    En zoek de oever van Natuurs vergetelplas,
    In zijn verholen hoek, om nieuwer stof te peilen;
    Die 't vocht der sterren op haar Meiren wil bezeilen,
    En varen naar Gods kim, in 't hoog Oranjeland,
    Daar 't welig Zonsrobijn op leliedreven strandt;

    p. 3

    En strooit zijn vlotte melk in 't diepst van Amberheuvelen,
    Moet ongeschapen zijn, of voor zijn sterven sneuvelen.
    De vliezen zijn te dik van 't fijn gezifte brein,
    En al 't verstand bijeen, is op zijn hiel te klein,
    Om 't heilig Hemelhof in zijne praal te aanschouwen.
    De liefde moet verrukt haar eigen oorzaak trouwen,
    En anderen beeld in beeld, tot dat de beeldelijkheid,
    Op 't laatst van 't ongebeeld, wordt als een niet verspreid.
    Maar zacht! waar ben ik? in wat hol? en wildernissen!
    waar halfgeboren lieden, naar propvolle uiers vissen,
    waar kinders, pas gestremd, en in wat wind gevat,
    De bronaar peilen, die hen eerst heeft uitgespat;
    De wortel kussen van de strelende gedachten,
    Het Vaders overschot, op 's Moeders haardstee slachten.                                                            Die wemeling der kwik, die stolling van 't begrip,
    Die schuiming van wat gist, en andering van stip,
    Die omkeer van het zout, of eb en vloed der delen,
    Wordt in de duisterheid gespeeld op draaitonelen.
    Gij blind en averechts volk, gij halfgebakken mans,
    Die nevelen bij 't spook, en schimmen voert ten dans;
    En u verwisselen moet bij ongeworden vrouwen,
    Die 't spinrok van 't groot rond in hunne handen houwen,
    En haspelen geesten af, voor 't Weeftouw der Natuur,
    Ei! voert mij door uw kolk, en plaatst mij aan 't azuur;
    Doet mij de vuurstreek zien, de bol van al de vonken,
    Die 't Bergmetaal, eerst vocht, uit dorst heeft ingedronken,
    En zijne strot verkoeld aan 't vloeibaar pekelnat
    Van 't Paarlemoer gewest, en geurig Amberbad,
     
    p. 4
     
    waar 't Zeemeermannendom belust op blanke leden,
    Ligt in een puimgewelf, van liefde neergegleden.
    Hier, hier groeit de Esmerald, hier geurt de Zomerroos;
    Want wasem is de ziel van 't lekkere minsgebloos.
    Men drijft door dons en schuim, naar 't hoogst der opperhemelen,
    Wie zal de sterren zien op bed en bultzak wemelen?
    Als die verzot op dauw, zijn eigen Rif verrookt,
    En op een altaar van plezier zijn zelf verstookt.
    Maar zacht! wat 's dit? ik hoor de plooi en vouwen kraken
    Van 't gloeiend karmozijn, en purperrood scharlaken;
    De Majesteit die bralt op zijne Staatkaros,
    En streelt mijn dageraad met ongewone blos;
    Hij lacht de wolken toe, door 't spartelen van zijn stralen,
    En wil de aardbol met een schoner dag onthalen;
    Hij dreunt Orakels in ons oor, door 't slaan der Lier,                                                                        En kamt, zijn eigen Pruik, met takken van laurier:
    Hij brandt op 't schoonste nest, zijn tintelende pluimen,
    En weet het vlammend puin, met bloed van goud te schuimen:
    Verjong u zelf, ô God! en trekt gestaag de eeuwen uit,
    Ja kus uw eigen beeld, ô zonneling! voor bruid;
    Bevrucht u, met u zelf, en wil u zelve baren,
    De duistere afgrond heeft zijn eigen toon, en snaren:
    De stronk van 't zijn wast op het veld der nietigheid,
    Het geen zijn eigen kleint, voor 's heersers bank bepleit.
    ô Ja, het tuimelrad, in al zijn draai en bochten,
    Is aan een doffe zwier van botheid vastgevlochten:
    Het loopt de heerbaan mis, en kent de grootheid niet,
    Van die zijn eigen zaad in duizend vormen giet.
     
    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    26-10-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    24-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Chaos (3)

    p. 9


    En, met soldaten moed, Vrouw Pallas Hut aanrandt,
    Die Ilus eertijds heeft in Trojens vest geplant;
    Ontziet geen hees geschrei der Aganipse spruiten,
    Al zou de Olympische kroon van hare bodem stuiten.
    Wij, stouter op ons daden, braveren 't Hemeldom,
    Met bulderend Luchtklaroen en onverzaagd gebrom.
    Of men de Hel borduurt met Ixionse raderen,
    Die niemand om 't gedruis durft met zijn Ponjaard naderen,
    En Leverpikkers maalt op wanden van Arduin,
    Waar 't steengerol nooit slijt tot vezelen van puin;
    Wijl 't eeuwig heksenwerk een Tantalus doet dorsten,
    In 't stalen middelpunt van twee volwassen borsten;
    Nog trekt mijn Klio voort op dat gezadeld paard,
    Waarvoor dat Pluto's Reu, met ingetrokken staart
    Wegkruipt, gelijk een knop van vroege lenterozen,
    Die 't hazenpad, uit vrees heeft voor zijn hiel gekozen,
    Alsmaar de Noordenwind zijn brakken sneukelen doet,
    Omtrent 't verborgen zog, dat zulke lippen voedt.
    Weg dan Tartaarse hoop, vol snode Kafferpluggen,
    Die met uw krauwels beult de huid der Moorse ruggen,
    Die gij in slavernij voor uwe ploegen spant,
    Als gij, met lasterspog, het heilig bed aanrandt;
    Waar in het Chaos slaapt, op Erebese spreien,
    'k Zal u, als Jupijns vaar de zijnen deed, berijen,
    Of lubben, op het veld, dat Mars is toegewijd,
    Om eens te zien wie 't best voor zijne Naneef pleit,
    Wie 't langste lemmer voert, de waarheid, of de logen?
    Een lonk van Maja's zoon sluit honderd Argus ogen,

     

    p. 10


    En boeit zijn osstandaard tot Juno's Pauwenpracht.
    Zodra de botheid duikt, staat wijsheid in haar kracht,
    En drukt Alcides knots op Hydra's drakenkoppen,
    Die Lernus sterke slot met weke grendels proppen;
    Dus vreugdegalmt Apol, gelijk een vedelaar,
    Wiens harp aan 't zeilen raakt naar de Acharese schaar,
    Om 't allerwreedst gebroet te dwingen door zijn zangen.
    Schep moed, verheven Prins! gij zult uw Bruid ontvangen,
    Gy tepelt haast van vuur, een flonkerend kristal:
    De Mexicaanse schoot staat voor uw tochten pal;
    Haar maagdom opent zich voor uw gewijde sporen;
    Wie zal, als gij alleen, haar rijke afgrond boren?
    Wie 't zilver wassen zien op velden van de nacht?
    Wie heeft het zeekoraal, het eerst, met bloed bevracht?
    Wie eieren toegerust in Thetis oesterschulpen?
    Die Zeemeermannen langs hun blauwe kruinen stulpen,
    Als zij de watermeid zien dobberen op de plas,
    Die God Neptuin regeert, door 't eggen van zijn as.
    Wie stolt de diamant? wie doet robijnen gloeien?
    Wie aast het berg Saffier? wie doet de winter broeien?
    Wie geeft de geest een tong, en lurkt zijn eigen wind?
    Als die, van nietig vlas, het dikste garen spint.
    Dat dan Arachne zwicht voor Pallas keurtapijten,
    Waar in men 't apendom dat vel ziet stukken rijten,
    't Geen 't Priesterlijke mes de Goden offeraart,
    Als de bekwaamste zak, die Bacchus drank bewaart.
    Nu krijgt 't Kaneel eerst geur, nu ziet men Wierook zwieren;
    Mijn Amber wordt geleid van Zefiers lijfstaffieren:

    p. 11


    De Boksvoet loeit, hij zwoegt, de Sater kan niet meer;
    Want vader Febus is, alleen, ons aller Heer.
    Het aardrijk geeuwt, het Meir dat gaapt, de lucht splijt open,
    En 't vuur te dol, dat zal zich zelf te barsten lopen:
    't Wil al Apol, 't wil al de held, die harten boeit,
    Ontvangen in een wel die naar zijn liefde vloeit.
    Rijdt dan Latona's telg, op frisser zwanenpennen,
    Nu Python, neergeveld, u niet meer na kan rennen;
    Nu Juno's Distelluim ligt door uw boog geknot,
    Gelijk een Rijmtiran, op Delos moordschavot;
    En sla uw eeuwig oog in ongebaande hoeken;
    Daar vindt uw kunst Penseel, palet, en verf, en doeken.
    Daar tekent Jupijns zoon zijn vader met karmijn,
    Als oorzaak der Natuur, in 's moeders vatbaar brein:
    Waaruit de hoofdstof daalt, die zich vermederd door 't gesten;
    Een ingeprente wind kan aard en water mesten,
    Zomaar de zon een vonk uit hare schatkist spuit,
    Dus rekt zich Danees schoot, voor 't zaad des Donders, uit:
    Gelijk Semeles kroost wordt door de vlam voldragen;
    Dat Nysa's Bouwheer nu dees godheid helpe schragen,
    Met zijn gehorend volk, in Tijgeren hersmeed,
    Uw Wagen staat voor lang op Indus zand gereed,
    Bij Ganges rijke vliet, ô Smuller van de Druiven!
    Wiens Olifanten reeds naar zegenzuilen snuiven;
    Die gij op 't hooggebergt, hebt tot uw eer gesticht:
    De Veldheer Pan is al zijn roem Apol verplicht.
    Osiris veile pluim werd eerst, door hem geboren!
    Gij van de Arabier, door hem, tot Vorst verkoren;


    p. 12

     

    Uw Rif, van Tijtans gaar gekookt, door hem bewaard
    In Parnas marmeren zerk, van Pallas geest dooraârd.
    Daar rust zich Libers zwerm ten dans, op paardenvoeten;
    Hoe zal de Geitenrei dees Hemelster ontmoeten?
    Die dodderig van wijn, thans struikelt zonder maat,
    Gelijk het Faunen past, waar voor Silenus gaat;
    Die 't Woudbordeel instapt, op grijze Ezels schonken:
    Mijn Dichtnimf schijnt, die wil bij dronken Snollen ronken,
    En morren op haar nest, gelijk een Smuigster doet,
    Die, overmand van damp, de dag eerst 's avonds groet.

     

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

     

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    24-10-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    21-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Chaos (2)

    p. 5


    Wijl dat een Herderin op klaverspreien wacht,
    Naar 't edelst mingenot van Tyrsis eerste kracht.
    Hoe teder lachen dan de rozen op hun stelen?
    Wat ziet men dan al bloed langs bleke vliezen spelen?
    Wat zwoegt de Westewind door wufte veren heen,
    Die kirrend op een struik, verfrissen door 't geween
    Van malse avonddauw, uit Febus kruik gegoten,
    Al 't water is het eerst uit godlijk bloed gesproten,
    Gelijk de wezens thans ontstaan uit vloeibare zucht,
    Die 't huwelijks echtaltaar besproeit met dunner lucht,
    Waar in het mannelijk zaad, of blik van feller driften,
    Zijn eigen beeltenis als in een vrouw doet schiften,
    Die vatbaar voor 't Idee, een wisse Fenix baart,
    Die, van het een door 't ander gesleurd, uit mist opklaart,
    Om langs de draaibank heen te stollen op zijn koten,
    En de eierschaal der Hen, met klem, tot gruis te stoten.
    Lui, Daphne, nu uw klok, en steek de Vaandels uit,
    Tooi flux met heldenblad het hoofd van zulk een bruid,
    Die uit een nevelkim op 't sierlijkst voort komt dagen,
    En met een gulle sleep dit rond wordt doorgedragen;
    Getakeld in 't Ivoor, verrukt ze 't Karmozijn,
    De vlammen onzer ziel zijn tot haar eer te klein:
    Zij breidt haar adem uit langs 't verste der vier winden,
    Daar Noord, en Zuider Pool de kou in zakken binden.
    Daar schiet een Beer zijn hom, de Walvis ijzeren kuit,
    In 't aanzien van het ijs, dat aan de starren stuit.
    De Walrus scherpt zijn tand op 't poezeligst van die schilden,
    Waar voor dat de Oorlogsgoden meer als voor monsters trilden;

     

    p. 6

    Daar helpen Pantser, Schild, of een gehard Helmet,
    Als Mars ligt door Vulkaan gesmeed op Venus bed.
    Dat ziet men aan de Nijl, waar wrede Krokodillen,
    Hoe grof geschubd van huid, langs hun moerasbak gillen,
    Door 't prikkeldrijvend gift, naar dat volmaakte wit,
    't Welk in de spiegeling van elk boetseersel zit.
    Een Olifant ploegt met zijn knots door 't dikst der Hagen,
    En wroet de kelders los, die eiken zolders dragen,
    Om door het worstelspel van twee, te zien dat een,
    Dat in de raking van zijn iet, tot niet verdween.
    Zo stampt op 't zien der Meer, de Hengst zijn krep aan stukken:
    Zo wil een Stier het merg van zijn begeerte plukken:
    Zo schrokt een Mijn zijn hart, tot kweking van 't kristal,
    De parel krijgt haar glans door innerlijk gebral:
    Al wat 'er is dat loeit naar onuitblusbare vonken,
    In welkers wortelgist haar oorsprong ligt verzonken.
    Ja Tijgers, giert van min! brult Leeuwen door het woud,
    Eén énige is 't alleen die alle schepsels trouwt.
    De Neger schouwt ze zwart en struikelt voor haar gitten,
    Wat moet 'er niet al sneeuw in 't brein der blanken zitten?
    Dat zo veel melk bevriest in kuipen van karmijn,
    Wat moet ons Chaös niet vol dappere spieren zijn?
    Eer het zijn zelf bespringt in afgelegen hoeken,
    Om 't geen het naaste is zo ver van huis te zoeken?
    ô Zonneling! die op uw Kar van hitte zweet,
    De natte Oceaan met droge duimen meet;
    En om een Zeemeermin verkwist uw levenskrachten,
    Wat zal ik tot uw roem voor Maro's tonen slachten?

     

    p. 7

    Waar drijf ik dit gareel, de tomen mijner vuist
    Thans heen? nu dat uw goud in zilveren kroezen bruist.
    Komt Moren voor mijn wiel, en sleept de dag door nachten;
    Dat Tegenvoeters op mijn wenk hun stem verkrachten;
    Dat aller Orgels treed met een gewijde voet,
    Nu dat de Keizer van het vuur zijn Vrouw ontmoet.
    Zag ooit Narcis zich zelf door weerstuit van zijn lonken?
    Wat moet gij, ronde god, op uw vierkanten pronken?
    Zoop ooit Hermafrodiet zijn eigen sluizen weer?
    Wat daalt er in uw schoot een onuitputbaar Meir?
    Al 't Ondermaans Saffier, 't korlijn van Flora's lippen,
    De Kersen van de min, en kleur der boezemtippen;
    Die regenboog der ziel, waar op vrouw Juno treedt,
    Zijn altemaal van u door deze echt gesmeed.
    Komt Bijen, laat uw korf, de tenten uwer jongen,
    De horzelen ten buit, die van de nijd besprongen,
    Vergallen op uw zoet, en zuigt van 't violet
    Het heilig Druivenwaas, dat deze hof blanket;
    Zo zal de Honingdauw herbotten in uw aderen,
    En gij op 't Wastapijt de schoonste kinderen baren,
    Waar op de Helikon zijn hoed van lauweren draagt,
    Geen groter Atlas, als die zulke velzen schraagt:
    Daar voor verstuikt de voet der Perinese bergen,
    Die met een grijns van ijs de grauwe wolken tergen,
    Als zij hun nek van 't juk der nederigheid ontslaan,
    En met een kroezen kop naar Jupijns zetel staan.
    Het Alpes Keigedrocht, dat met besneeuwde poten,
    De stralen van de zon tracht van het dak te stoten;

     

    p. 8


    Lilt op zijn dikke stronk, gelijk een tenger blad,
    Het welk een donderkloot in Arendsklauwen vat,
    Als slechts het Negental, een Bedevaart van Zangen
    Naar hare Dichter richt, om braver geest te ontvangen.
    Dan splijt de muur in twee van 't eeuwige cement,
    Waar achter dat de dag staat op de nacht geënt.
    Dan klappertandt geen kunst langs Pontus boerse stranden,
    Maar wichelaart het diepst van Febus ingewanden.
    Dan schenkt de Godspraak, uit zijn gapend wonderhol,
    Ons lege bekers, met zijn adem, boordevol.
    Dan moet een Wijnpapin voor woeder dolheid zwichten,
    Een ritse Veldbacchant ons tot de dans verplichten:
    Wij Priam waren doen langs 't lijkhout van zijn stad,
    En kletsen op 't Paneel meer als de wereld vat.
    Dat komt van Pindus koorts, van Parnas vege stuipen,
    Het maaksel wil de baas in nauwer duigen kuipen,
    Trotseren met zijn neb langs druppelen van wijn,
    En mesten 't logge lijf met geurig Ambrozijn.
    Zo breekt een Everzwijn Arkadische landsdouwen,
    Door zijne honger in, om 't leven te behouwen;
    En slokt in zijne balg de vruchtbare aren in,
    Die Damon had gebouwd tot spijs voor 't Huisgezin.
    Zo valt een vuile Wolf, in 't naarst der lange nachten,
    Verwoed de Kooien aan, waar 't nimmer Herders dachten,
    Om 't zwakke Lamsgeraamt te kneuzen door 't gebit,
    Dat vast aan de omtrek van zijn linkse kaken zit.
    Vrijbuiters, hoort gij wel? gij Stropers van de wegen,
    Die aan uw handgeweer de Rijmkunst hebt geregen,

     

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    21-10-2011, 17:06 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    02-05-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Chaos (1)

    Uit de keus van Een Hel Vol Weelde

    Chaös,
    of Swaanenburgs Overstelpte Dichtluim.

    Het lust mij op een bas, met hard gespannen snaren,
    Van stijve wind gezweept, de aardbol om te varen;
    Te zien van 't bruisend zout, hoe 't in de wereld gaat,
    En of Jupyn de vlag, als 't hoort, nog waaien laat:
    Of Mars in 't ijzer brult, bij 't blaffen der kartouwen,
    Die ruggen van arduin, met schorfte nagels krouwen;
    Of dat hij borsten kneedt, op dons van armelijn,
    En leliebronnen tapt uit tepels van robijn:
    Of hij Bellona treedt, met Mavors heldenspieren,
    Dan of hij Venus wil, op Mirt tapijten vieren.
    Het geldt mij evenveel, of Janus tempelslot
    Ligt, door een stalen vuist, van 't hardst Tyras geknot,
    Dan of dees Oorlogsdog blijft aan de band geklonken,
    Die hem van 't Capitool der sterren wordt geschonken;

    p. 2

    Als 't noodlot, moe van roof, naar slaapspelonken gilt,
    Waarin geen bar Orkaan Olijfstandaarden drilt.
    Een, die de lucht inrijdt, op Icarese pennen,
    En vleugelen van Was wil aan de zon gewennen,
    Die geeft op straalgoud acht, noch duizelig waterglas,
    Maar stuwt de wolken voort, door 't botsen van zijn as,
    En stelt de Schoft ten doel, gelijk een Reus zijn schonken,
    Op Typhons Burg neerplakt, in 't oog der bliksemvonken.
    Ja Donderaar ruk vrij met bars kanon te veld,
    En blaas alarm op 't plein daar gij slagorders stelt:
    Wij schromen, op geen kar, die Faëton zal mennen,
    Al zou Apollo's koets, ten valen afgrond rennen:
    Ik kom, ten Rijm gedost, het lauwerspoor inslaan,
    En 't scheelt mij niet, al kwam het onderst boven staan;
    Al moest de Parnas heel, gelijk een Etna roken,
    Al zou het schuim van 't Meir, op kille bodems koken;
    Al zou de hemel zelf verbranden, tot een pek,
    Dat uit de ketel dampt van zulk verwaand bestek;
    En ik, gebeukt van schrik; in Eridaanse golven,
    Voor eeuwig, lam gekneusd, van Marmer zijn bedolven;
    Nog hou 'k mij aan de toom der vaderlijke hand,
    Tevreden, zo op mijn zerk alleen slechts sta geplant:
    Dit was geen Aterling, geen averechtse jongen,
    Wijl hij voor zijne dood, zelf de oorzaak heeft doordrongen,
    Van al wat leven kweekt, en 't ware wezen kent,
    Dat zich heeft in de stof, tot kwik van geest geprent.
    Een ander zie dit spel vrij aan met bloodaards ogen,
    En guichel op zijn luit, om 't nietig onvermogen

    p. 3

    Van een verhitte ziel, die naar het zonhof rukt,
    En niets als akelig roest van heldere dreven plukt;
    Die winternachten spant, voor zomer diamanten,
    En vlokken floers borduurt, op 't ruimst der zilveren kanten;
    Die 't bos van ebbenhout, uit Indus armen rooft,
    En, met nog zwarter roet, de glans des lichts verdooft.
    Ja storm vrij, zo gij wilt, en stel uw domme krachten,
    ô Netelig grauw! te werk, om mijne Naam te slachten,
    Die ik op basten snij van Cederen der Natuur,
    En langs onnaakbaar drift, ten reine hemel stuur.
    Schakeer slechts spinnenzog, langs mijne bloemfestonnen,
    Die, uit wat vlotte inkt, zijn op papier geronnen,
    En spreeuw vrij met uw riet, gelijk 't een Boksvoet past,
    Die zijn bemorste poot in dauw van paarlen wast.
    'k Zal evenwel 't Saffier op blauwe boordsels zetten;
    De takken van koraal langs verre duinen pletten,
    Aurora blozen doen, gelijk een frisse maagd,
    Die 't Vrijsterschap, paarrijp, ten zoele oog uitdaagt.
    ô Schitterend levenssap, ô bloeisem van het minnen,
    Die, door uw prikkelend rood, een Herkules deed spinnen;
    Een Polypheem verzengde aan de oevers van de Zee,
    Ja zelfs Jupyn, hoe groots, ter wrange ziel inglee;
    Uw geestig maagdenvuur heeft mijne borst besprongen;
    Een Amazoon haar dolk, mij dwars door 't hart gewrongen.
    'k Ben razend verzot op Pindus Jufferrei,
    Waarom ik deze dag de dolste hengst beschrij;
    Mijn ader, sterk geport, braakt rotsen uit haar kaken,
    Sta vast, ô ruigt van zout, uw snuit zal sterren raken;

    p. 4

    De strompeling van mijn spoor, uw haren sidderen doen
    Voor 't snorrende gedruis van wijder Watervloên;
    Voor 't donderende zog van dik gepuilde prammen,
    Die sterk gelurkt, door vuur, tot Amber rompen strammen,
    Waar op de goudkloot fel gesolt zijn kiel stuk barnt,
    Als hij de kelders peilt van 't ongewrocht gestarnt,
    Waar uit de Beelden zijn in vormen vast gegoten,
    Om 't eerst geprente stip, door kleistof te vergroten.
    Dat 's nog een kluit dier taal, die 't volk in Babel sprak,
    Eer dat 's Lands tongenriem uit har, en grendels brak:
    Dat 's nog een Hemelval van neergestuwde Engelen,
    Die op een schrale haart vergeefs naar Nectar hengelen.
    Dat 's iets, 't geen ik verzwijg, dewijl geen waarheid geldt,
    Als die Paap Kalchas eerst heeft in de drom vertelt:
    De Mijter van Apol voegt op geen kale koppen,
    Die met Minerva's Uil in 't donker liever poppen,
    Als dat zij overkleed van 't bruin Orakelwoud,
    De Trommel daveren doen, door 't Choor hen toevertrouwd;
    Dan danst de taaie schors der halfvermolmde Eiken,
    Dan zit een vredig Lam op 't Leeuws harnas te prijken,
    Terwijl een Stroomgodes met kille lippen tukt
    Op 't joelend Esmerald, dat hare boezem drukt.
    Zo gordelt zich een duin om 't dartelen van de baren,
    En koestert met haar zand vrouw Thetis puimpilaren,
    Die overmast van lis, door wier bezwangerd zijn.
    Zo stooft een warme schoot de gietsels van robijn,
    En deelt zijn zilver mee aan 't sap van Suikerrieten;
    Aldus moet de ene bron gestaag in de ander vlieten,

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook :  www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    02-05-2011, 16:26 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    10-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Offergeur
    Uit de keus van Gerrit Komrij

    Offergeur, Ter 20ste Verjaring van de Heer Jacobus
    vander Streng.

    Schoon ik met toortsen vuur, op Pallas Helikon,
    Een diamanten Zee van Faebus Lauweren spon,
    En dreef mijn Stergareel langs 't pekel van die baren,
    Naar Orgels van Azuur, en donderende snaren;
    Ik bond de zeilen in van 't steigerende licht,
    En lonkte op de Trofee, die uw verdiensten sticht,
    Om met een Faenix veer de Wierooks geur te malen,
    Die uit de goudmijn barst van uw vergode stralen;
    ô Jonge Zonneling! van Parnas Ambertop,
    Nu gij vandaag herleeft, met vlammen om de kop,
    En ons een Etna toont van eindeloze sporen,
    Om met een dolk van geest, al 't vlees te ringeloren;
    Dat mij geen Kerk-koraal de pas afsnij door trom!
    Geen stormklaroen braveer van Jupyns Heiligdom!
    Dat niemand stouter dreun op 's werelds moordtrompetten!
    Uw Typhon zal een berg op 's afgronds naven zetten:

    p. 2

    Een Hercules pilaar rinkinken op 't ivoor.
    Daar rijdt mijn Memphis pluim de fierste wolken door;
    Het Firmament dat wijkt in 't aanzien van de Reuzen,
    Wijl Beren, los gedraaid, hun ijzeren Polen kneuzen,
    Om het Colos' te zien, dat ik in 't smalt borduur,
    Met bliksems van kristal, en vonken der Natuur.
    't Is Vander STRENG, die men boetseert op Atlas schouderen;
    Laat de Aardbol op zijn kruk, door 't stram Seizoen verouderen.
    Saturnus, kil van ijs, uitbraken 't jonge spier,
    Gij plant een ereboog, een Chaos van Laurier,
    En dreigt de Zon eerlang te zwepen met uw tonen.
    Laat Vrouw Arachne vrij uw beeld met spinrag kronen;
    Wij borstelen de Nijd, met hekelen van moed,
    En zien u aan de borst der Goden opgevoed;
    Gij tepelt Pindus melk uit puilende Robijnen:
    Geen Dageraad kan uit zijn kim ons schoner schijnen,
    Als uw Aurora bloost, door Roos en Leliekrans.
    Komt Bijen uit uw tent, op Marjolijn ten dans,
    En pluk een honingtak van eindeloze Bossen,
    Waar in het water joelt van Faebus Morgenrossen,
    Gelijk een dauw, die 't bed verlaat, om 't vroege goud
    Te teisteren met damp, uit kelders wind gespouwd.
    Ik zwijmel op mijn Kar, en kan geen Streng genaken
    Van Hemels Luchtsatijn, met mijn verhitte Draken;
    Want schoon ik al een Meir in uwe kroezen goot,
    Mij zwachtelde in t vuur, en voor mijzelve vlood,
    Om dus een keurtapijt van Hofmuziek te dartelen;
    Gij zag uw Faëton in Laethes stromen spartelen:

    p. 3

    Ik bleef een Ikarus, een Zoon van onverstand,
    Die met een kiel van Was voor uwe Duinen strandt.
    Dek mijne beenderen toe met uw gewijde golven,
    Voor 't bassen van de gal, en averechtse Wolven;
    En leef veel eeuwen door op zegenrijk Tyras!
    Tot gij, de schaduw wars, op 't laatst uw levensas
    In 't Elyzeum stuurt van dans en Zang-godinnen!
    Daar zal geen einde zijn van 't zalige beginnen:
    Hier wordt een troon gefokt, maar boven nooit gekeurd,
    Tenzij de ziel zich los van klei en vezels scheurt,
    En in een poort herschept van tintelende galmen,
    Gods Nectarbeker vat in bundelen van Palmen,
    En Mijterstempels slaat op trommels van de keel,
    De kunst heeft steeds de deugd, de deugt de kunst ten deel.
    Boei die in uwe Streng met rijk vergulde knopen,
    Zo mag uw gladde jeugd op Tithans jaren hopen,
    Die in een Krekel omgekeerd, steeds zingen zal:
    Minerva is mijn schat, Apol mijn enig al;
    Ja schoon de Lier al stierf, nog blijven geesten duren,
    Wijl de eeuwigheid steeds speelt op een toneel van uren.


    Willem van Swaanenburg, Parnas, of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl
     
     

    10-04-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    09-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Blijk van Liefde en Kinderplicht
     

    Uit de keus van Gerrit Komrij

    Blijk van Liefde en Kinderplicht , Opgesteld ter Verjaring van
    mijn lieve en waarde Moeder Margareta Voster ,
    Weduwe van Cornelius van Swaanenburg.

    Verlaat een Ooievaar de gevels van het land,
    En kiest voor Wintertijd een aangenamer strand;
    Hij torst het Vaderlijk geraamt op bij zijn schouders,
    En leert de sterveling de plicht eens Zoons, tot de Ouders.
    Ik die de Wetten ken, en de eer van Vrouw Natuur,
    Weet hoe het killig ijs zijn leven krijgt van 't vuur.
    Dies dek ik met mijn Ziel, de half bevrozen spieren
    Van u, wiens Jaardag, die ik tracht, als 't past, te vieren.
    Een Vogel neemt zijn streek, met Grijsaards, door de lucht;
    Maar ik, ik voer u Hemelwaarts, door mijn gezucht,
    En bid van God, voor u, al wat u kan behagen;
    Kan wel een zwakke Zoon een Moeder verder dragen?
    Zo 't mogelijk kon zijn, 'k gaf u uw hartenwens,
    Doch denk, die van een Vrouw voortkomt, is slechts een mens,
    En hangt gestaag van hem, die 't alles moet bepalen.
    God, die uit nietig niet, een wereld wist te halen,
    Die schept, om u, kan 't zijn, de allerblijdste dag!
    Een dag! die nooit geen oog te voren schoner zag!
    Een dag, die nimmer daalt! of zo ze toch moet zinken,
    Dat zij u leidstar strekt om schoner nog te blinken.


    Willem van Swaanenburg, Parnas of Zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    09-04-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnasdreun
    07-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Apollo's Majesteit
    Uit de keus van Gerrit Komrij

    Ap o l l o 's  M a j e s t e i t
    Van mij als een Bacchant begroet.

    Verzegel nu, Silvaan, het schraalst van alle Zangen,
    Door 't lommerige groen van uw gepuilde Hout,
    Waarin de BosPapin de duistere schimmen trouwt,
    Om 't heet Orakellicht met killig glas te prangen.
    Mijn Wagen, door Myrtil, de Lunzen afgeknepen,
    Die suizebolt, op 't zien van Febus viergespan,
    En kust de blankste Vliet, in 't bijzijn van God Pan,
    Omdat de Zon, thans stout, zijn Paarden komt te zwepen.

    p. 2

    De troelige Nimf in 't Leeuwenvel gedoken
    Van God Alcides moed, heeft Faunus aangepord,
    Om in een slaapgewelf, dat Nectardromen stort,
    Te tasten naar een borst waarin de aderen koken:
    Maar ag! een forse vuist heeft hem daarvan geslagen:
    Aanschouwt dees platte neus, mijn uitgeplukte kin,
    En let hoe 't Boksgedrocht, thans snelt ter Hagen in,
    Om op een Boerenriet zijn ongeval te klagen.
    Zal een bebloede bek de zilveren stralen leppen,
    En armen met zijn mond de tepelen van uw vuur:
    ô Delos Heilligdom! op 't altaar der Natuur,
    Daar hij pas durft zijn tong van ware schaamte reppen?
    Ik dronk mij in de Bend van zatte Saters dronken,
    En kreeg een volle roes van lekkere Malvezijn,
    Waardoor ik, al te dol, verzot op Pindus rei,
    Mij als een Andromeed zag aan haar hals geklonken.
    Wie helpt mij in dees nood? wie zal het Monster slachten?
    Wie 't Pegazese ros doen stampen met zijn voet?
    Om 't Hippocrene zog, dat Pindus lachen doet,
    Wijl 't droogste van mijn Hei, ligt naar een drup te wachten.
    Ik zou een Zegenboog van jonge Maagden rechten,
    En stellen God Apol, op Cliös zangarduin,
    Bepruikt van Daphnes haar, om 't breedste van zijn kruin,
    Tot blijdschap van de wijn, en zijn doornatte knechten.
    Ik zou een Bloedkaros uit Thetys Stallen roven,
    Getakeld tot een tocht, en zijn er Voerman van,
    Al spoog Gods Waterspuit mij tegen 't stardak an,
    En planten 't diamant, dat zielen streelt daarboven.

    p. 3

    Ik zou Cibeles romp, getorend in twee Leeuwen:
    Gebruiken voor een troon der gulden Majesteit,
    Die met haar Zomeras door Winterdreven rijdt,
    En doen vier Winden steeds de lof der Zon uitschreeuwen.
    Ik zou de blauwe hoed van Coelum zelf optomen,
    Met Beren van Saffier, tot hulsel van dat licht,
    Het welk in 't merg der stof een andere Tempel sticht,
    Als zich Minerva's Uil verbeeldt, door Kalchas dromen.
    Wat gilt mijn toverklok al vreemde hersenspoken,
    Wat brengt de razernij al dolheid aan de dag?
    Ik ben niet 't geen ik hoor, ik schijn niet die ik plach;
    Maar lijk een Woutbacchant, ter Kerker uitgebroken.
    Zo giert het Luchtkanon op zijn Donderwagen,
    Wanneer het, aangehitst, de kou trotseert met vuur;
    Zo schut verborgen rook de rotsen van zijn muur,
    Wanneer hun wortel knakt door onderaardse vlagen.
    Zo gaat het, als het brein bevracht met Tijgersappen,
    De Helikon opdringt, waar louter wijsheid wast,
    Die nooit geen Bok bekoort, die Midas oor vergast,
    Met een gemene Veel, gesnaard naar 't Eksterklappen.

    Willem van Swaanenburg, Parnas, of de Zanggodinnen van een schilder
    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    07-04-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    05-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Een schielijke overrompeling der Muzen
     
    Uit de keus van Gerrit Komrij

    Een schielijke overrompeling der Muzen,
    Of een buiten oogmerk uit de Pen vloeiende Dicht-zwier.

    Omperk uw troon, mijn God! met sluiers veler wolken,
    Zo stompt mijn wiek haar punt in 't draaien naar de lucht,
    Waar door het tuimelbrein, gesolt, zijn zelf ontvlucht,
    Om naar de eis gepaait, te stranden in uw kolken.
    De veder van de ziel, die drijft op Gods orakelen,
    En mijn geslepen neb proeft wierook van de zon;
    Ach! dat ik mocht, helaas! hetgeen ik niet en kon,
    Ik zou mijn vlotte Rif, aan uwe draaias schakelen.
    Dan bruiste mijne speen van 't zog der hoogste starren,
    Waar door al 't kruit verliefd, zou tanden naar die spijs,
    Die 't eeuwig Priesterdom geniet in 't pronkpaleis,
    Waar 't Wonderchoor, met licht, moet om de altaar warren.
    Hier 's 't Hof, waar 't eeuwig vuur zich baadt in koele stromen;
    Hier kust het vocht de vlam, en wemelt op de glans,
    Die gouden vonken schaft aan 's Hemels hoge trans,
    En doet een aardeling van duizend werelds dromen.

    p. 2

    De Weefkunst van Natuur bestaat in enkele beelden,
    De Vader van de kwik, die propt zijn zaad, in wit,
    Wiers teerste Maagdenbloem in purperen rozen zit,
    Waarvoor de hoofdstof eerst het malste snaarlied kweelde.
    De wortel van zich zelf herteelt zijn eigen tochten,
    En boort de Vezels door van 't keurlijk wisselveld,
    Als hij het denkgestel van 't driftig wiltuig knelt,
    En baart in ene stip een pronknaald van gedrochten.
    Ik trek al hoger op, en scheur de windsels stukken
    Van 't lustbed der Natuur, waar op de liefde pleit
    Met frisse rozengeur, voor Gods onsterflijkheid,
    Die 't enkel eigen zijn weet in haar zelf te drukken.
    Zo leunt de Vorst van 't Al op smook, en wufte winden,
    En zuigt zijn eigen borst, in 't aanzien van de dood,
    Waardoor hij wel doorvoed, zich zelf gestaag vergroot
    In alle ding, om zo zijn niet, uit 't al te vinden.
    Waar woont de Hoogheid nu, ik zal nog verder rijzen,
    Ik werp mijn pluimen weg, en tooi mijn rug met vuur:
    't Onnaakbaar heeft geen end, nog 't zeker zijn geen duur;
    Dies tree ik op de baan, die mij geen mens kan wijzen.
    ô Vale nacht! ô Mist! ô Moeder van 't vergeten!
    Ik ken mij zelf niet meer, en ben ten einde raad,
    De Godheid is een Zee, die niemand door en gaat,
    Als die zijn eigen klein- kan bij Gods grootheid meten.
    Wat vreemde kust is dit? waar de aardbol wordt verloren,
    Vervloekte ik, ik ben te ver, en kom niet thuis,
    Gods heerlijkheid te groot, die stolt in 't zacht geruis,
    En galmt, ik heb mij zelf tot eigen roem geboren.

    p. 3

    Ontleder van de geest, ontspiert mijn zwakke krachten,
    Uw Prentzaal stremt mijn inkt, en bonst mijn plompheid neer,
    Daar is voor mij geen heul alhier, in stof zo teer,
    Tenzij gij mij aanstonds doet, voor uw voeten, slachten.
    Dan parst uw vuist ons bloed in 't hol van zilveren kuipen,
    Terwijl de Hemelbeer zich mest met 't overschot
    Eens romps, door 't heilig mes van zijne steel geknot,
    Op dat rechtvaardigheid zou volle teugen zuipen.
    Is dan 't Azuur te nors, en kont gij niet meer donderen,
    ô Fiere Hemeling! op mijn verdoemde trots,
    Zo breek ik met mijn Ram de stalen bliksemrots,
    En ga het diep geheim van uwe wijsheid plonde
    ren.
    Ik heb 't u zelf gezegd, en duizendmaal gebeden:
    Sluit mij uw tempels toe, of ik ontwijd 't gordijn,
    Waar achter gij uw Groot verschuilt in 't kleinste klein,
    En gil de aardbol door: ik heb de goden bestreden.

    Willem van Swaanenburg, Parnas, of de zanggodinnen van een schilder

    05-04-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    04-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, PARNAS, Voorrede
    Voorrede

    (...)

    Ziet Vrinden, hier een kleine schets van de oorzaak van deze Werken, en van de
    voornaamste die nog onder mij berusten. Het is omtrent zes, of zeven jaar
    geleden, dat ik buiten enig voornemen, schielijk een stuip van dichten kreeg, die
    mij in mijn wederwaardigheden, een soort van vergenoeging schafte, zonder wetten
    te kennen, zonder de natuur der hedendaagse spraak te verstaan, zonder de
    behoorlijke smelting te kennen van de vokalen, zonder de woordenvitterij van
    robijn
    op klein, van zijt op heid, waar te nemen, zonder begrepen te hebben, dat men geen
    brande op stranden mag rijmen; met één woord, zonder te weten van de lana caprina
    der Poeëten, zo werd ik een papierbederver, die in stee van likken en herlikken,
    zijn jonge Beer werpt, om al 't schorremorrie van Pindus aan werk te helpen. Ik
    verkoop deze rollen niemand voor goed, en meen 'er ook geen rekenschap van te
    geven aan Buffels en Bokken, doch aan eerlijker lieden, als achterstraats Poëten, wil
    ik met eerbied verzekeren, dat geen schepsel bekwaam is om te oordelen over de
    Dichtkunst, tenzij het alvorens zijn Bul doet zien, waar het is gegradeerd, om voor
    Poëet te ageren. Ziet, een blauwbessenbrief van David, komt hier niet te pas. Men
    maakt wel een Doctor op de Hogeschool, maar geen Dichter met de Grammatica;
    en schoon men tegenwoordig bezig is om, op z'n Engels, de Poëzíe aan de Jongelingen
    in te enten, gelijk de Pokjes, zo zal het niet lukken, dewijl de mededeelzaamheid van de
    kwalen, en gebreken vrij gemakkelijker valt, als die van de deugd en goede zeden. Slaat
    je oog, Lezers, eens op de wereld, en ziet of één schurftig schaap niet een hele kudde
    bederft, en of één Lichtmis alleen niet een heel Oostindisch schip met een twee,
    driehonderd soldaten uitlevert; maar waar waarheid, liefde en wijsheid wordt
    geleraard, daar staat vaak de Wijsgeer alleen, en zo het van de toehoorders al wordt
    goedgekeurd door het begrip, zo zijn meestentijds de daden recht daar tegenaan.

    (....)

    p. 2

    Dit weinige moest ik zeggen, om de mening van deze volgende bladeren te
    verklaren, aan de domme Kalveren, die dit Boek licht al mee zullen bebulken, schoon
    het geen gras is voor pas geworpen Stieren. Kon het grauw van de Pindus geen
    PARNASDREUN beklimmen, toen het met Ezelsoren de alarm trompette, hoe
    veel te minder zal het weten van de beginselen der Natuur, en Wijsbegeerte,
    van Pythagoras Filosofie, van Tresmegistus hervormingen, en van de samenhortingen
    der eerste vezelen, de stremming der begrippen, de baarmoeders der Ideeën, en de
    wording der dingen. Van hier onzinnig gepeupel, laat ons het Theater vrij, kom niet
    in de Schouwburg der Goden, waar de sterren zich verzwageren met de elementen,
    en waar de gedaanten verwisselen. 't Is te heet in de zon! uw Uilenvlerken zouden
    verzengen, en de eieren barsten, die gij als Koekoeken broeit. Wat weet men van
    zielen, waar men klei ploegt, en waar men zijn hart verslaaft aan beuzelarijen?
    zijn de kisten en kasten der Goddelijkheid verzegelt? de ziel is een kleinood
    't geen ieder bezit, doch de meesten begraven 't onder de aarde? 't is de adem van uw
    opperste Heer? ô laag volk, die gij vergeet! wat is het? spreek? is gapen nu de boodschap?
    weet je niet wat je hebt, kent gij de waarde van u zelf niet? onsterflijke Goden!
    hoe is de wereld verblind (ik spreek van de grootste hoop) dat ze niet zien,
    dat ze blind zijn? we hebben een eeuwige gedaante van de ongeziene,
    een honger naar het Volmaakte, een Bron om in te verdrinken,
    een Bruid om ons mee te paren, en eeuwig te verjongen, een
    Ziel die alleen God, en niet ons toekomt, te bestieren.

    (...)

    p. 3

    Ik zie niet, Jongens, al stak ik de hele Ezelshuid
    van Midas in de Castalische Wel, dat er enige verandering van kleur, van trant,
    van zwier, en gedachten in zou kunnen komen; dus weest vernoegd met uw lot, met
    uw twee oren, en de knuppel die ik uw lendenen heb gewijd, en denkt, dat ik je
    oprecht de waarheit zeg, dat ik mij zelf in geen deel voor Poëet erken, als hier
    in alleen, dat ik kan zien dat ik het niet ben; doch echter nog veel liever wil blijven
    bij mijn onhebbelijke stijl, als bij die doodse tonen, welke onze Rijmjongens
    de Boeren verkopen, als wonderen van Apol. Ziet daar Vrinden, het Alsemwijntje
    dat ik u schaf, om de Poëtische slokdarm te prepareren tot het consumeren van
    enige dozijnen Orkanen, Pythons, Wangedrochten, en Poëtische stuipen; zijn ze wat
    hard en schobbig, ik heb ten respect van de onnozelen, daar achter wat Oleose vodden
    bijgedaan, om ze te beter te doen slokken. Het Heillig Bitter van Esculapius, vermengt
    dat met mijn laffe Minnezangen, en zijt verzekerd, dat, zo ik resolveer om nog iets
    anders uit te geven, dat 'er dan geen van zulke Prullen zullen onder lopen, dewijl
    we dan niets als Mosterd, Mierikswortel, en Duivelsaussen zullen schaffen;

    (...)

    maar waartoe mijn kop gebroken, met een werk, dat
    ieder de kop zal breken? waartoe mijn hof gemaakt bij onverstandige Lezers?
    waartoe Wijsaards onderricht? waartoe Braven verdedigd? waartoe mij zelf
    verdoemd? waartoe iets anders gezegd, als Swaanenburg is dol.
    Zie o mijn getrouwe veder, dat lijkt 'er bijget naar: dat is de grootste waarheid van
    mijn gehele Boek, en zal ontwijffelbaar ondersteund worden van alle gekken onzer
    eeuw, in wiens bescherming ik mij recommandeer, omdat alle Wijzen hun handen
    van mij trekken, volgens de statuten des tijds.

    Vaart wel.

    Willem van Swaanenburg,
    Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    04-04-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    02-04-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, PARNASDREUN, met toelichting van de Auteur (4)

    p. 11

    Bom Goden op malkaar, doet star, op starren horten,
    Gooi de Aardkloot, om de Zon, scheur wateren vaneen,
    Tap keien van het Noord, en melk Parnassus speen.
    O Wetstein, om mijn pen, door uw gestorm te korten;

    Wel, hoe zal de Man dat klaren? zullen de Platters al weer vragen. Hoort toe: neemt al het ouderwets gepeupel, de Poppen van de blauwe Tent, die zwerm van uitgediende Hemelreuzen, en Reuzinnen bij malkaar, en gooit er de wereld mee naar de kop, of kaatst om een zilveren Lepel, of een paar Gespen, gelijk er in de Kartuizersbaan, te Amsterdam wordt gedaan, in stee van met haar gevulde ballen, met de aardbol, en zwiert die om de zon, dat de sterren staan te kijken, als Piet Snot; haalt op een Kruiwagen de IJsduinen van het Noord, en tapt Keiwater uit de Uier van de Helikon, dat ik van dat rinkinken bedwelmd, uitschei met lollen, op het horen van uw heilig alarm, en stormlopen der Natuur.

    Zo stijgt gij beid ten top, als Vrouw Latona's telgen!
    Daar zij Diaan zal zijn, en gij steeds haar Apol!
    De blijdschap kreukt mijn bas, de zanglust maakt hem dol,
    En kan zijn eigen klank, door drang, niet meer verzwelgen.

    Dan klimt gij uit deze verwarde Baaierd, en die onweren van Pindus, naar het vervrolijkende smalt, als wettige erfgenamen van Jupyn, de één om voor Diana, en de andere om voor Apol te ageren. Ziet, deze vinding zet een plooi in mijn hersens van anderhalve span, en maakt het wand onklaar, zo dat ik, als een kind, door het al te gulzig lurken aan de Pijpkan van Pallas, bijna stik.

    Daar barst mijn bekkeneel! het orgel knarst aan stukken!
    Zijn zolder zakt uiteen! de toon van het gewricht,
    Mijn bundel wordt Laurier, en ik een enkel licht,
    Om Pindus van zijn steel, voor u alleen te plukken!

    En bleef het hier slechts bij, het was om over te komen; maar neen, de Poëtische windblaas wordt door een speld, zo groot als een Egyptische Piramide, in zyn ga... gestoken! en scheurt van een! De Erwten en Bonen, rollen er uit! de vliering van de Viool, raakt kapot! de Ra-

    p. 12

    tel stukken! al het Werk, het Vlas, het Wargaren, en die hele kraam zijn vervallen ten buit voor Apol, die met een oortje zwavelstokken mij verbrandend, zo kristalliseert, dat ik op, en top zo gek gelijk als David van Mechelen zelf is.

    Daar is de koperen berg, dat wonder aller wonderen,
    Ik maak er Meester van u, die mijn dwinger zijt,
    Doch bidt maar om een steen, als gij naar boven rijdt,
    Die wetten kan, hetgeen door botheid viel naar onderen!

    Men moet wel zorg dragen, Mannen, dat men in alle Kunsttaferelen, vooral niet vermindert, maar liever raast, dat de toehoorders horen, en zien vergaan; om die reden gil ik nu uit mijn Feniksnest, gelijk een Wijf van de Oostindische kust, die haar dode Man in de vlammen verzelt: daar is die onverslijtbare rots, die Atlas van onze wereld, dat ingebeelde ruim van de Dichters, hetgeen ik als een blauw bloemetje heb geplukt, op het Paardenveld van de zon, om het u op te dragen, die mijn voorganger in de Dichtkunst zijt. Blijft er Meester van, doch geeft mij maar een glimp van uw gunst, als gij het Paviljoen van de sterren nadert, om mij daar door te wijzen, op welke manier ik in vervolg van tijd mij mag leren schikken, om uw Tonelen te evenaren.

    Dat is mijn Wetstein zelf, die wetter van ons wetten,
    Die Mirte, en Laurier kon knopen, tot een tuil,
    En eeuwig brallen moet, als Chairo's ijzeren zuil,
    Geenszins, door nek, en schoft der tijden om te zetten.

    Die eis en bede is alleen het genegen hart van de Heer George Wetstein, die onze Dichters aanspoort om de brede heirbaan naar de steile Olympus in te slaan, en nu het geluk geniet van zijn Poëtische lauweren te knopen, om de aangename hals van zijn Vriendin, die ik wens dat met haar lieve Bruidegom mag vereeuwigd worden, gelijk Farao's Grafnaald, die het roest der tijden verduurt.

    Wat zeggen nu de Koffiehuizen, Wijncomparities, Bierkroegen, Jeneverwinkels, Mannen, oude Wijven en Jongens van deze notulen; zijn ze niet a Marveilje, en is het niet jammer, dat een Vers, dat in zich meer reden en waarheid bevat, als ik hen waardig oordeel te communiceren,

    p. 13

    door de Auteur zelf zo moet geradbraakt worden, om hen de maat van hun zotheid geheel vol te meten. Ik heb het niet gemunt op Kooplieden, Winkeliers, Ambachtslieden, en gemener mensen, die langs de weg van ellen, maten, en gewichten, niet naar de Helikon kunnen stijgen; maar ik heb het alleen op dezulken, ze zijn dan, wie ze zijn, die hen zelf de naam willen toeschrijven van Dichters, en net zo veel weten van de Poëzie, als een kwaadaardige zot die een half vat thuis brengt. 't Is schande, dat men malkander verscheurt, om de kunst te bederven, en dat Ezels de scepter van Apollo willen bestieren. Ik weet, dat alle die Helden, die het op waarheid en wijsheid munten, mij zullen toevallen, en dat de Heer Wetstein, in 't geheel niet is misdeeld, om te kunnen zien, dat ik in het zenden van dit Gedicht, alleen heb geoogt om hem enig plezier te verschaffen. Ik zweer heilig, bij al wat verheven is, dat dit mijn mening nog is, en dat ik door deze kanttekeningen alleen beoogt heb, te tonen dat men dwazen, met vertellingen van hemelse wijsheid niet kan verbeteren. O neen, grom al voort! wentel u in uw zwart A, B, in uw Spelboek, in uw Trap der Jeugd, en in uw Historie Davids; doch zijt verzekerd, dat gij nimmer in de Spreuken Salomons zult geraken, tenzij gij u allen met mij erkent voor eerste Beginners, die de Hanssop, Leiband, en Valhoed nodig hebben, om niet heel kapot te raken. Dat weet ik, dat ik niet weet, zei Socrates, de eerste der Grieken, en met reden; want die zijn krukken beschouwt, bij de treden van Apol, zal niets in zich gewaar worden, als ontbloting en armoede, in tegenstelling van die rijkdom, die de Vader des lichts bezit, omdat hij zich van geen andere Schoollessen bedient, als die de wortel der natuur in hem veroorzaakt. Ik beken, kon Faebus Spellen, Lezen, en Rijmen bij zijn geestige invloeingen, hij was een complete Poëet; doch, waar vindt men het doch juist zo volmaakt, als hier beneden, waar elk schepsel een volkomen zotheid vertoont. Hieraan zien we, Mannen, dat de onderste Wormen, de bovenste Helden overtreffen, en dat Swaanenburg ruim zo gek is, als zijn geburen.

    Einde.

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    02-04-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnasdreun
    Tags:swaanenburg
    30-03-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, PARNASDREUN, met toelichting van de auteur (3)
    p. 7

    Ik stak al 't ijs in brand, en deed de Zomer dansen
    Op klompen van robijn, langs vacht van elpenbeen,
    Ik deed de Aganip van zand, en wellen treên,
    Om u, met haar gekus, voor ieders oog te kransen:

    Die van de kunst is, beschaamt zijn Meester niet: Hokus, pokus, pas... ik stak al 't ijs in brand; ik deed de Dood met een jonge Meid trouwen, en liet de Zomer ('t is schande dat men 't zegt) zich wentelen in Lelies en Rozen; ja, maar die klompen van Robijn, waar daar mee gebleven? ik zal ze leggen neffens de schaal van Jupyn, die ons Vondel verhaalt, dat uit een enkele diamant is gedraaid. Een Poëzie zonder leugen, is geen duit waard, en een Dichter zonder stuipen, verdient geen plaats in David van Mechelens Verbeterhuis, en daarmee, laat lopen de Geuten, al zou de Castalische Wel van boven neer bruien, om u met haar Paardenvocht te verstrikken.

    O neen, ik deins terug, met golven van die ogen;
    Haar oevers zijn te fier, te bars, op schoen, en tred:
    Men sprei een andere dauw! een adem van Himet!
    En laat de Dichter daar zijn vuur, met water drogen!

    Maar foei, praat fatsoenlijk, als een Man, van die zoete lonkjes; och! de traantjes van de Aganip, hebben er zo veel mal gemaakt, en dienvolgens dienen die Baren op een paar stelten te lopen van Spaans Leer. Wij moeten gesuikerde Wijn uit Pijpkaneel zuigen, en laten onze Dichter zijn jeugdig levensvuur, die kwik der elementen, dat ingeprente Mins Idee, waardoor alle dingen vermeerderen, door uitwaseming doen bedaren. De Natuurkunde, men mag zeggen wat men wil, komt een Rijmer geen kleintje te pas, als hij apen scheert. De Auteur oogt hier op het uitschot van de Parnas, dat door uitlegging zoekt te geraken achter de gordijnen van de kunst en natuur; en het is een punt van de uiterste verwondering waardig, dat de meeste mensen henzelf, noch hun doeningen begrijpen; trouwens, wat scheelt mij een ander, ik ben zelf gek genoeg, gelijk verstandigen kunnen bemerken, uit verklaringen, die ik geef over woorden, die zo helder zijn als de middag, doch van geen Mollen moeten doorkropen worden: weg, naar de grond Pierenzoekers, ik moet voort. Jeu! Clavilenno, jeu!

    p. 8

    O wisseling van ziel, door tweedehandse vormen,
    Gy boeit ons aan uw as, en rukt mij uit mij zelf!
    De oceaan der min, die botst, op 't stargewelf
    En ademt eerst de vree, na een kartouw van stormen.

    O! kip ik hebje, ik leef in mijn tweedezelf, wij wisselen van beeld, de een krijgt wat van de Man, en de ander aast op de Vrouw. Hermafrodiet is enkel, doch scheidt zich in tweeën, en de Partijen komen van hun verrukking even zo zedig thuis, als St. Jacobs Pelgrims, die Kap, en Staf verwisselen voor een aangename rust; maar kinderen, eer men zo ver avanceert, dat de sluizen van onze verbeeldingen, met de eigenschappen van de Planeten in een Congres treden, om stilstand van wapenen te verschaffen, zo valt 0er wat te verhakstukken.

    Gelijk een bos, gesold door 't zwalpen van de baren,
    De bleke duinen groet, met sprenkelen van vreugd,
    Als het de hielen plant, na eindeloos ongeneugd,
    Op ankeren van rust, ter haven ingevaren.

    Want even, gelijk Deucalion met zijn sloep door de baren hebbend geworsteld, de bleke Duinen omhelsde, met huppelende blijdschap, toen hij zijn voeten vestigde, na zo veel uitgestaan verdriet, op de nieuw ondekte aarde.

    Zo zegeboogt mijn Held, op zijn vergode pluimen,
    Nu hij de standaard vest, op muren van albast,
    En als een Mars der Zon, langs marmeren schilden plast,
    Om 't amber smout der zee, uit ketels zout te schuimen.

    Zulke kapriolen maakt onze Vriend, op het matras van de wellust, nu hij de Vaderlijke Zegevaan plant op de zilveren wortelen van zijn min, en als een soldaat van Parnas, trots een Oesterduiker naar de grond zinkt, om uit de bloedkoralen van zijn aangename Thetys, de zilte geuren te trekken, die de bewegingen, en beroeringen van een Moederlijke Oceaan beloven. Is 't niet om razend te worden, voor een Poëet van fatsoen, dat hij zelfs dingen die verstaanbaar zijn voor Jongens, en Meiden van vijftien,

    p. 9

    of zestien jaar, moet met Lijsten versieren? ach! was ik een Kruier, een Schoenlapper, een Sleper, of zijn Paard, in stee van Dichter, wat zou ik zorgeloos mijn Bremer avondpint kluiven, daar ik nu als een Spreeuw, uit de Krieken word gejaagd, door de Molukken die mij verzellen: och, Vader Faebus! help me met ere van dit Vers, zo je er me aangeholpen hebt; want daar wordt sterk aan getwijfeld van uw benedenste Dozijnwerkers, die zo om een plaats voor mij in het Lazarus Huis lopen, dat ze door klinkklare liefde tot hun evennaasten, overdwarst, henzelf schijnen te vergeten.

    Wat zit daar voor een maan, in 't midden van Dianen!
    Wat is het voor een wolk, die hare zijde dekt?
    Het lijkt, of Leucothé, naar Delos haarsteê trekt
    Gemanteld in een drom van wakkere wierooksvanen;

    Welk een schone Diana! wat aanvallige Bruid! wat lieve Godin! zit daar als hoofdmeesteres, onder andere sterren te prijken? wat is het voor een zonneling? voor een nevel der Goden? voor een adem van Jupyn? die zijn Maan omringd? maar waartoe gevraagd? het is of de Wierooks-tak, die de zon heeft geënt, haar verwezent in de glans van het Delphi's Orakellicht, en die Majesteit onderschraagt, met een drom van verrukkende betoveringen.

    Kam vrij uw lokken uit, borduurder van mijn ramen,
    Met hekelen van groen, en val uw Anna toe;
    Die Otto van uw hart, nooit deugd, nooit stralen moe,
    En meer allenig waard, als al de Otto's samen.

    Doet uw haren langs de wolken zwieren, met een dartelende wind, gij die mijn veder dwingt uw lof te malen, daar ze Lauweren schept, en valt uw lieve Honingtent als een bij in de mond, welkers zoet al het suiker overtreft, om dat het ontbloot van gal, op deugd, en zeden boogt, en zo zeldzaam is, als de antieke Beeltenissen van Keizer Otto, welkers naam zij voert, en met geen gemene munt mag betaald worden.

    p. 10

    De laasten zijn metaal, slechts schakelen om de eeuwen
    Te knellen tot een riem, voor Naneef, en Geslacht;
    Doch hier heeft Vrouw natuur haar eigen schoot verkracht,
    Om een Godin te kneden, voor 't puik der waterleeuwen.

    Die van Caesar zijn gedreven, uit metaal, en dienstig om de Historiekenners de eeuwen te doen aan de ander knopen, door gedenkpenningen; maar hier heeft Paphos Lustgodes, haar zelf uitgeschudt, om een genoeglijke Cytherea te schaffen voor een meer als Batavische spruit, die onze waterplassen doet huppelen, als hij op zijn zilveren Lier, de gouden daden der Goden trompet.

    Ik bliksemde Jupyn, ik plunderde zijn wallen,
    Zo hij niet had gesmeed, dat gij die Otto kreegt,
    Die, door haar roem, te zwaar voor Zwanen vederen weegt,
    Doch, door uw harp gekroond, het allerschoonst zal brallen.

    Vrinden, sta nu een beetje ruim, om geen ongemak te krijgen; want zo beginnen de Poëten, als de Bonen bloeien, gelijk ik gedaan heb: het zijn de gemakkelijkste schepsels anders van de wereld; maar ze slachten de Herten, in de Bronstijd zijn ze niet te vertrouwen, gelijk je zult horen. Ze zullen in de Diergaardens hun eigen Baas niet ontzien, als ze springs zijn, maar vlooien er maar op toe, of het accordeert met de grondvesten van Parnas, of niet; dat heten de kenners de furien der kunst, dat zijn de Brombekkens der Woutpapinnen, de Lazaruskleppen der Haarlemieten, de Rommelpot van Poechionel, en de rinkels der Ouden. Nota bene, luister op deze uitlegging: de Zoon van Vorst Saturnus was zo veeg, als een luis op een kam, en zijn netennest was prijs, bijaldien hij niet had gebakken (ik spreek als een Heiden) dat gij dat volmaakte deel had ontvangen, het geen in roem mijn macht overtreft, als zijnde mijn Ganzenneb te slecht, om een lof uit te stameren, die u, als Puikdichter past te beginnen.

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl  

    30-03-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnasdreun
    25-03-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, PARNASDREUN, met toelichting van de Auteur (2)

    p. 4

    De steilte van uw hoed, ô reus! op dubbele bogen,
    En 't ros, dat gij beklimt, in 't krieken van de dag,
    Plant, langs mijn bruine hei, een Mantuaanse vlag,
    Die niemand naken kan, als met beschreide ogen.

    De vinding van uw geest, die zwieren van uw brein, ô Held! die reeds gezeten op de woningen van Pythius, zijn Harddraver doet galopperen langs de kimmen van Thythans gemalin, beschilderen het bruin paneel van mijn dof begrip, met Maros zegentekens, die niemand, zonder ontroering kan genaken.

    Spreek Erik uit de borst, hoe brulden de tonelen?
    Wat werd toen de aardbol week, toen gij, van gal gesard,
    Des noodlots polen dwongt, met een grootmoedig hart,
    Dat nog een wereld zou in duizend stukken delen!

    Treê Erik op 't Toneel, en doe de Schermen dreunen, door 't jammerlijk misbaar, het geen de Aanschouwer maakt, op 't horen van dat leed hetgeen u trof, toen gij van nijd begrimd, echter standvastig het noodlot scheen te willen overdwarsen, met een Alexanders moed, die meer als ene bol zoekt te trotseren.

    Hier draaft de deugd, gelaarsd op onverwelkbare brozen,
    En muilt de Choordog vast aan ketens van de nacht!
    De hofharpij bezwijmt, die 't kroonrecht had verkracht,
    En doet het grijze sneeuw van edele schaamte blozen.

    Hier stapt oprechte deugd met stoute treden, een vuile Wichelpaap, grootmoedig in 't gezicht, terwijl het Staatsbedrog, dat naar de scepter dong, neerduikt, en doet een Vader zelfs in 't lauwe bloed zich smoren.

    p. 5

    Hakt spaanders van Kaneel, en laat onze Atlas branden;
    Kleedt starren in civet tot amber van de zee.
    Zo daalt thans de Ygod van zijn koets, langs Amstels ree,
    En beurt uw beeld ten top der breedste luchtwaranden!

    Wat dunkje Mannen? verdient die Kool geen Rapen? of zou een weinig Specerij, mijn Boeren Bierpap bederven? neen: haal een Scheepslading Wierook, uit de Oostindische Komenij, om het Mierennest van de Myrmidonen te beademen, zo krijgen de bovenste Werelden, en bewoners van 't Azuur de damp, die voor geen Amber van de Zee, of Civet hoeft te zwichten, waar door de Sultan van het Y, uit zijn Waterserail opluikt, om zich te vervrolijken, onder de lommer van de vleugelen uwer beeld, door een drom Zuidermeer Poëten, reeds als een ster aan het Firmament van de Helikon gebeurd.

    Waar bolsters van Saffier uitbarsten tot juwelen,
    Genaveld aan een streng van blijder dageraad,
    Als Titan pruilen doet, daar zij het dons verlaat,
    Die 't morgenlied te paard, voor Febus slot moet kwelen.

    Waar 't op een miljoen tien of twintig diamanten, niet eens aankomt; want als onze verrukkingen naar de Volewijk varen, barsten de sluizen der afgrond vaneen met zulk een geweld, dat het vijfde wezen van de dageraad, aan de navelstreng der zotheid blijft zitten, tot spijt van die oude stumper, die in zijn luiers pruilt, als zijn wijfje op het paard voltigerend, een airtje zingt, om de gouden Vrijer in de Zaal der Natuur te nopen.

    Die tuilen van Azuur, gewonden om de spillen
    Van 't zwoegende gareel, karbonkelen uw Naam,
    O Wetstein van mijn rijm, met een doorluchte faam,
    Die, langs vier winden heen, zal op haar hoornen gillen
    :

    Die Kleinoden, die Influentien, die Arabische wildernissen, (ô Hemel! hoe noem ik best onze Dichtkraam) dewelke de Messieurs verzekeren, dat de Narrenslee van de zwoegende kunst, geen kleine luister bijzetten, breiden uwe naam, ô Slijpsteen van mijne gedachten, ten weinigste zo verre uit, als de Zon in vierentwintig uur kan bespannen! terwijl de twee IJspolen gillen op hun glazen Onweerklaroenen.

    p. 6

    Dus was de boog, ô Goôn! die Delius moest grijpen,
    Als hij gemijterd trad naar Pythons brakke huid,
    En aan zijn Daphne bood, als oorzaak van de buit,
    Die hij bevochten heeft, door 't vuur, op 't vocht te slijpen.

    Dus waren de brandende stralen, de heilige vonken van Latona's Zoon, toen hij, in een Valhoed van Laurieren gehuld, naar het zwadderig Canaille, en het Moerasveen der eerste Chaos trok, en aan zijn liefste Dulcinea schonk, als de enige oorzaak van het winnen van deze gevaarlijke avontuur, die de Ridder is te boven geraakt, door zijn partij zo droog te maken als een Poëtische kurk, of een uitgedroogde heiturf.

    Dat ik een Paradijs kon torsen, op mijn pennen,
    Ik bouwde een priëel van paarlen, en kristal,
    En cederde uwen hof tot een oranje wal,
    Waar in Zephirus zou zijn Flora's wagen mennen.

    Tot nog toe gaan mijne kanttekeningen voort, of ze van een Leien dakje rolden; maar bloed! nu zal het er beginnen op aan te komen: die Klompen, die Klompen, die beloven een zweetje; trouwens, Nil volentibus arduum: ik zal het je klaren, dat het Nageslacht zal verbaasd staan over de hedendaagse zotheid, en het superfijn oordeel onzer vlugge Rijmpedanten; dat's gang. Bijaldien ik op mijn Ooievaarsveren, het aloude Hybla, ja de gulden eeuw van Saturnus kon dragen, ik verbeelde de Liefhebbers een schoner gebouw, als ooit Don Quichot in het hol van Monte Sinos al dromende zag, om uw plezieren te onderschragen met de aangename koelte van een zoetblazende Westenwind, die de bloemgodes met zijne lipjes tukt. Jongens, ik word speels, uw Poëet begint te Naturen, het Kerveltje loopt uit, en de meeste Rijmers zijn mal.

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    25-03-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnasdreun
    23-03-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Parnasdreun, met toelichting van de auteur (1)
    PARNASDREUN, ter bruilofte van de here George Wetstein, en mejuffrouw Anna Otto.


    Het Opschrift, de Naam, en de Titel van dit Poëtische Monster, heeft het ongeluk gehad van al in den beginne, met een drukfout te pronken, gelijk er in het vervolg verscheidene onderlopen, die ik, zo veel ik kan, zal zoeken te verbeteren, naar het eerst toegezonden origineel, dat ik weerom gekregen hebbend, expres te dien einde bewaar. Het moet dan wezen Parnas voor Pernas, en het woord Dreun wil zo veel zeggen, als een generaal salvo van Kanon, Mortieren, Snaphanen &c. ter ere van de Heer Wetstein, die wij als een telg van Apollo invoeren, gelijk in het vervolg staat bewezen te worden.

    Zo ligt Apollo's Zwaan nu op het nest te ronken!
    En droomt een Ilias van bommen, en kartouw!
    Waar thans de gulden spits van 't diamant gebouw,
    Zich op zijn schenkels rekt, om Venus toe te lonken!

    Dus zit die lompe hond nu op zijn gemak te nagelbijten, om een zwerm drollige viezevazen in het licht te brengen, terwijl de braafste Zoon van Faebus zich in postuur stelt, om een liefdesbattailje te hazarderen.

    p. 2

    Waar Wetstein 't ijzer wet, tevoor geschaard langs rotsen
    Van steigerend Dichttyras, op vlokken van de Zon!
    En nu de tranen plukt der schoonste leliebron
    Uit kroezen van koraal, die Jupyns beker trotsen.

    Waar Wetsteins drift tevoor verrukt op het onverslijtbare Horendom, en Wallen van Pindus, neerdaalt in de omarmingen van een volmaakte Juffer, om uit haar lippen van koraal, die Jupyns beker in gloed overtreffen, een dauw te zuigen, die ons de wellust schenkt.

    Waar hij de mirte boeit aan eeuwige laurieren,
    En 't waterig ivoor omarmt met zog van vuur!
    Daar duikt mijn doffe bas in de afgrond der natuur,
    Ontsnaard van godenklank, die helden placht te sieren.

    Waar hij aan zijn Poëtische wonderen, Huwelijksaanvalligheden knoopt, en Pygmalions glinsterend elpenbeen besproeit met het aangename vocht, dat uit een brandende hitte vloeit; zo tuimelt de Overtoomse Zaag mij uit de vuist, beroofd van Deun en Voizen, waarmee ik als een Orpheus, eertijds de Boerendeernen, deed dansen.

    O ja, die slak kruipt in zijn schulp voor zulke stralen,
    Als gij, mijn Maro, schiet langs 't duizeligste git
    Van 's werelds dof kolos, met uw bezielde wit
    Om 't ongezien fornuis van Pallas af te malen.

    ô Ja! die Morgenkrekel, dat Alikruiks spook, schuilt achter een lommer voor het schone licht, 't geen mijne Heldendichter onze donkere wereld verschaft, door zijn uitgekeurde tonen, om het bovennatuurlijk Laboratorium der wijsheid af te schetsen.

    p. 3

    Schoon ik al Pelion weer ging op ossa knotsen,
    Als een Tipheüs van de kunst, die 't zoel gestarnt
    Van uwe hemel toetst, waar het op Pindus barnt,
    Ik zou met Ixion in damp en nevels klotsen.

    Schoon ik al, gelijk een dommekracht, de Os ging op de Ezel beuren, om langs die toppige schilden van Midas, als een hedendaags Rijmertje, te gluren naar de verheven trant van uw vloeiende Verzen; ik plofte als een Amersfoortse kei van 't Vorstelijk Rouwtoneel, in de Jan Pottasie-vliet der Zotten.

    Al sadelde lk een hoos, een leger van orkanen,
    En zweepte met mijn spoor de wolken tot arduin,
    Om van die barse trap te flikkeren op de kruin
    Van uw gezouten geest, ik zwikte voor uw vanen.

    Al kreeg ik, trots Don Quichot, een dolle gier, om op de wiek van een Windmolen los te gaan, met mijn gespoorde Ronsinand, om iets ongemeens te verrichten, en Amadis avonturen te evenaren, ik bleef als Arachne, door Minerva gestraft, in mijn eigen wargaren verstrikt.

    Al beukte ik met mijn eik de trommel der koralen,
    En wrong de lendens los van Delphos wonderhol,
    Door mokers van Parnas, en Faebus dolheid vol,
    Nog zou mijn barre dreun voor uwe palmen dalen.

    Al ritje, ditje, doude ik, gelijk een Trommelslager, die de Nachtwacht kraait, en bulkte nog sterker als een Rateldraaier, die, vol door het Pegasuse vocht van Schiedam, onraad schreeuwt, nog zou mijn brombekken op uw trofeën verstommen.

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    23-03-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnasdreun
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Parnasdreun, Verklaring

    Een eenvoudige, doch duidelijke verklaring over de zogenaamde onverstaanbare PARNASDREUN, ter bruilofte etc.

    Door de auteur zelve opgesteld. Alleen uit liefde en zucht voor de onbedreven poëten en dozijwerkers van zijn gelukkig Vaderland; beneffens een juiste voorrede, hiertoe dienende.

    (...)

    Ik zat dan, of ik stond, want op een Interrogatorium Poeticum, komt het op een komma, en op een punt aan, gelijk me onderricht is van enige Pothuis Poëten, ten huize van H. Bosch, als een Adeptus stultitiae, (geeft me de hand mannen) die op het vinden van een Drukker zijner Werken, meent de hele Lapis Philosophorum in zijn klauwen te knellen, (hoe ver vervoeren ons de verbeeldingen, en hoe ver vervallen we in een afgrond van armoede, als wij de schatten van Craesus daar menen te vinden) toen mij gezegd werd: daar is tegenwoordig één der eerste Poëten van onze stad de Bruidegom, die over vijf dagen staat te trouwen, en de hele Amsterdamse Pindus is bijna in de weer om Zegezangen, en Mirtefestonnen te vlechten; daar moest je mee een Versje op maken, en zenden het die Heer toe; want ik weet, je zou hem daardoor vermaken; doch NB. het moet morgen gedaan zijn, dewijl het anders te laat zou komen, om gedrukt te kunnen worden, waar het nu niet over hoeft te klagen, want het wordt nog alle dagen gedrukt. Ik die een sterke Sympathie van kindsbeen altoos heb gehad met de onredelijkheid, word Miraculeus zo redelijk, dat ik een onredelijk Vers, ja een Quintessens van alle onredelijke Gedichten, zo de Kenners getuigen, Ex tempore uit de pen lapte, zonder het naar behoren te likken, (og! dat likken weet wat) te hullen,

    p.2

    te zwachtelen, het achterste te poetsen, of op de juiste manier te havenen met komma's, en punten aan malkander te spellen, te dodijnen, in slaap te sussen, en van alle die donderende stuipen, hosen, en orkanen te bevrijden; zo zond ik het als een offergave, die in stee van als een Hercules, in drie nachten gefokt te worden, even in zo veel uren opdaagde (menig Mosterdhaler van Apollo, zou je zo een Bruilofts-boodschapje in drie minuten klaren) aan de beschaafde Rijmtempel van de Heer Georgio Wetstein, dewelke juist bij geval, naar mij gezegd is, door enige Priesters, en Levieten van het Sanhedrin der Poëten werd bewaakt, die aanstonds, als met één geest voor het recht van de hedendaagse duidelijke Rijmkunst ingenomen zijnde, zich overal gingen wenden, om zelfs de Poëten van een span, een halve span, ja van een halfzestiende deel groot, (daar zijn er nog al kleiner) in de Wapenen van Midas te steken, om de Gans te plukken, dat hij naar geen beest met ere zou gelijken: 't is, riepen ze, een Wangedrocht, dat een dolle beweging tot een Vader, en een malle kuur tot een Moeder hebbende gehad, aanstonds diende geslacht te worden, als een dodelijk Python voor het Palladium uwer wijsheid: De Boerenschepenen knikten, en dat was te zeggen, wij Oversten der blinde, keurlijke spellers, en handhavers der taal, die met twaalf benen, somtijds uren naar het dertiende zoeken; concluderen in de eis, van de Voorstanders der Poëtische dienstbaarheid, schoon we het hele Proces niet verstaan; daarmee raakten al de messen uit, om het dier te villen, als een Marsias die van Faebus wordt gehavend, en zekerlijk zou het al meer huiden hebben verloren gehad, als een Haas, die het spit zal passeren, hadden ze op het wel bezien van het zondige schepsel, de moed niet verloren om het aan te tasten; want niemand wou de eerste zijn om een gepinde Egel te grijpen; de Hydra heeft te veel koppen, mannen? wat gedaan? Nos plus ultra: het is, Veni, vidi, vici, zonder Wapens te gebruiken: recht een Zegeboog van oren, mijn pen! een Trofee voor duizend Uilen, en beur een Ezel in de wolken! zo wordt de wereld van een nieuwe Ster belonkt!
    Heel anders, moet ik bekennen, droeg zich in dit geval, de Heer G.W. die, hoe onwaardig mijn Gedicht ook in ziijn zelve gevonden werd, het uit bescheidentheid waardig keurde, onder de Wonderen te

    p. 3

    plaatsen, die hem Faebus kinderen tot lof hadden geschonken, als diamanten der onsterflijkheid. Ja Reuzen van Parnas, Helden, die de Hemel, trots Atlas, met hun vlerken torsen; mijn kleine horzeltent van schimmen, en hersenspoken, dat Mierennest van verwarringen, die Beukelaar van wind en damp, staat neffens uwe Piramiden, en eeuwige Grafspitsen, in gevaar; ik beken 't, voor een Pegasuse overstorting van Henkstenpis, zo de Castalische Wel van onderen opborrelende, naar boven draaft, om weer langs de trappen der Wolkgevaartes, naar onder te bruisen, om het heel te verzwelgen: neen Mannen, genaâ! neen Broeders, verdient geen Lauweren van mijn onnozelheid; maar denk, dat ik van een ander gemaakt, niet anders kan zijn, als ik ben.

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    23-03-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnasdreun
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Parnasdreun, Voorrede
     

    'Dit was geen Aterling, geen averechtse jongen'
    In herinnering aan Jacques van Alphen


    Voorrede

    Aan allen, die maar lezen of horen kunnen, die hun vijf zinnen, of geen hebben, die oordeel en rede verstaan, of die tussen mal en vroed wandelen, met één woord, aan al de onnozele Poëten onzer eeuw, zo wel als aan de deftige onzer tijden. Salut:


    AG! mijn lieve Zotjes, die u zelf met lijf en ziel hebt geconsacreerd aan de verkeerde meningen, en malle gewoontes van dit ons gelukkige Vaderland, mocht ik, volgens behoorlijk respect voor uw zever, en kwijllap u uitboezemen, de achting die de Schrijver van deze Werken voor u over heeft, gij zoudt hem nog meer haten, als ooit de Papen en Monniken Erasmus gedaan hebben, toen hij hen uit een oprechte genegenheid laurierde, met een kap met bellen; want Gijlieden zijt het nodigste volk dat er vereist wordt, om alle waarheid, deugd, en verstand van de aardbol te verdrijven. 't Is om die reden, dat ik, zonder mij in het begin, naar bescheidener Lezers te wenden, mij als overdwarst zie, om u een Janpotasies geheim te communiceren van de uiterste verwarring, en dat is, dat in dit gehele navolgende Boek, geen één letter voor u geschreven staat, als alleen de kanttekening, over mijn zogenaamde onverstaanbare PARNASDREUN, die haar luister en klaarheid aan uw oren verschuldigd blijft. Nooit zou een V(a)ers, hetgeen ik onderwerp aan keurlijker oordelen, als die van Ossen en Ezels, hebben hoeven met zulke toetsen te pronken, was gij de bewegende oorzaken van deze zeldzaamheden niet geweest. Het spijt mij niet, dat ik, ten regarde van uw botheid, moet voor dol lopen; maar dat ik de naam van een eerlijk Man, en brave Dichter moet zien vermengd zijn onder notulen, die wel ten delen, en spotsgewijs uitdrukken, wat onze mening is geweest, doch in ver na niet voldoen aan die zin, en de verwachting die men daar omtrent gehad heeft. Ik ben weerhouden om wijs te schijnen, als ik aan uw onnozelheden dacht, en vreesde mijn conscientie te bezwaren, als ik uw duistere hersens zou hebben willen zoeken te verlichten. Men moet niet redelijk zijn omtrent gekken, en 't is nog beter te zondigen tegen hen die fouten verstaan, als tegen degenen die van alle deugd ontbloot zijnde, het vergeven der misdaden niet begrijpen, om dat ze nooit op-

    p.2

    houden van hun verkeerde beginselen. Ik zou het respect aan de Heer Wetstein, en aan keurlijke Liefhebbers hebben te kort gedaan, bijaldien ik hen iets zou verklaard zoeken te hebben, dat ik weet, dat Heldendichters op hun duimpje hebben. Vrinden, die met Apollo zo gemeen zijn, als een Boeren Koster met de Poppen van zijn Parochie-kerk, moet men niet tracteren gelijk Momus u behandelt, die weten wiskundig, dat als een Dichter gaapt, dat 'er dan een stortregen van V(a)erzen, en Kalveren op het tipje staat, om de wereld zo kaal te scheren, dat er voor de Jutse Ossen en Stieren kwalijk brandnetels, distels, en schrale heistoppels overschieten; met één woord, mijn gesuikerde Sulletjes, en gekandijde Weetnieten, wij Poëten zijn doorgaans gauwer, als we zelf weten, en als we ons zelf niet verstaan, dan klagen we over de onnozelheid der tijden en eeuwen. Ziet, ik biecht recht op, want je vraagt me naar geen leugens Mannen; en daarom zeg ik je meer als ik zelf geloof, om u in het uwe te versterken, en dat is, dat Swaanenburg nooit verstaat, hetgeen hij schrijft, als hij het ongeluk heeft van niet begrepen te worden, en dat geschiedt hem meer als te veel, om dat er onder de menigte der mensen, zo weinig mensen te vinden zijn. ô Heilige Diogenes! bid voor ons! of we doen het zelf.

    Willem van Swaanenburg, Parnas, of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    23-03-2011, 00:00 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnasdreun
    Foto

    Archief per week
  • 19/12-25/12 2011
  • 12/12-18/12 2011
  • 24/10-30/10 2011
  • 17/10-23/10 2011
  • 02/05-08/05 2011
  • 04/04-10/04 2011
  • 28/03-03/04 2011
  • 21/03-27/03 2011


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!