Inhoud blog
  • Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    What's that voice
    Een Oud-Noors Epos
    22-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Ár var alda þar er Ýmir bygði,
    vara sandr né sær né svalar unnir,
    jörð fannsk æva né upphiminn,
    gap var ginnunga, en gras hvergi. (1)

     

                                                                                                - Völuspá

    1. Chaos

     

    In de kolkende oermassa werden licht en donker gescheiden. Een wervelend geheel uiteen gescheurd door de ongekende krachten van het universum. Bliksemstormen die uit het niets ontstonden en in het niets weer oplosten. Enorme hitte wisselde vreselijke koude af. Licht vocht met donker, donker met licht. In deze stormen begonnen de oerkrachten zich te meten. Licht en donker gaven weg tot goed en kwaad. Zwart en Wit. De zee van chaos draaide en wentelde zich in het niets, eeuwen lang vechtend met zichzelf. Vuur rees statig op uit de oermassa.

     

    Vuur gaf weg tot Aarde, Wind gaf weg tot Water. De wildernis van vuur en aarde zou vanaf nu Muspellheim heten. Vurige tongen likken er aan de hemel, de aarde is zwartgeblakerd en dor. Het gesmolten oppervlak wordt er voortdurend omgeploegd door genadeloze stromen magma en gesmolten metaal. Dikke, zwarte gaswolken kijken grijnzend neer op het schouwspel aan hun voeten. Licht en Donker, Goed en Kwaad.

         

    Wind botste met Water, het ijsland Niflheim eiste zijn plaats op in de oeverloze Leegte. Massa van onschendbare wind en eindeloze lagen ijs. Overschaduwd door Mist, ondoordringbaar en moordend. Gletsjers vreten zich een weg in de ijsbergen. Leven werd brutaal in de kiem gesmoord. Gewelddadig maar puur. Het zuivere IJs en de bijtende Wind.

     

    De oerkracht kolkt en draait. Muspellheim en Niflheim naderen elkaar…

    Raken zullen ze nooit: Licht en Donker. Goed en Kwaad. Waar Wind Aarde ontmoet en IJs Vuur, ontstond Ginnungagap. De Eeuwige leegte waar niets is en nooit iets was. Waar alles kan, maar alles gedoemd is ten onder te gaan. De wereld van Tumult en Chaos. Aan weerszijde werd Ginnungagap ingedamd. In het Oosten door de vaste ijsmassa Niflheim. In het Westen door het vurige land Muspellheim. Opgesloten in een statische kooi van loeiende wind en brandende assen. Hoog in de bergen van Niflheim ontsproot een eeuwige rivier vanonder een gletsjer. Langzaam maar zeker groef ze zich een weg naar Ginnungagap. Als tranen uit het Reine Land donderde ze kilometers diep in de maalstroom van chaos. Razende vulkanen grepen met vingers van vurige lava naar de hemel. Vol razernij vielen ook zij terug op de aarde en zetten hun verwoestende pad voort naar de kille leegte van Ginnungagap. De ravijnen in het Westen werden gekleed in een tapijt van vurig magma. Ook het grauwe Muspellheim eiste zijn plaats op in diepte van de wereld van Chaos en Tumult.

         

    Waar ijskoud witheet ontmoet ontstond de Kiem van alle leven. Magma en ijs werden één. Licht en Donker, Goed en Kwaad samengesmolten door chaos. Eitr, de geboorteplaats des leven. Negen dagen en negen nachten brulde Ginnungagap als een getoornde god. Brekende botten, kokend bloed, een orgie van ijzingwekkend gehuil. In de chaos die Ginnungagap was, ordende de Eitr zich tot een geheel: Ymir.

         

    Ogen zo koud als staal, een lavastroom kolkte door zijn hart. De trillende Vorstreus opende langzaam de ogen en staarde naar zijn omgeving. Hij opende zijn klauwen en greep de top van het ravijn met zijn linker. Chaos omsloot zijn gespierde benen en trok hem met alle macht terug de leegte in. Met een laatste krachtinspanning en een geweldige kreun slaagde Ymir erin te ontsnappen aan de wanorde van Ginnungagap. Het serene beeld van een nieuw wezen dat geboren wordt, was een welkome afwisseling in een wereld waar niets eindig lijkt.

     

    In zijn rechterklauw koesterde Ymir de koe die hem in leven zou houden. Ze was samen met Ymir uit het Eitr verrezen op de negende dag na de vorming van Ginnungagap. Audhumla likte aan de rijmstenen van Niflheim om zich in leven te houden met het zout, en warmde zich aan de vuren van Muspellheim. Uit de uiers van Audhumla stroomde vier gelijke rivieren melk die op hun beurt Ymir in leven hielden. Gevoed door de krachten van de Levensmelk was hij erin geslaagd zich los te rukken uit Chaos.

         

    Ymir verkende de landen die hij de zijne noemden. Op de hoogste toppen in Niflheim verbeet hij de koude van de snijdende wind om vervolgens de magmarivieren van Muspellheim te trotseren. Na negen dagen zwerven, vleide hij zich neer aan de voet van een reusachtige berg in een onbekend gebied. Ymir sloot de ogen en wikkelde zich in een gewaad van dromen en vrede. In de warmte van zijn oksels groeide een zoon en een dochter. Aan zijn voet ontstond de eerste reuzenvrouw. Eigenhandig had Ymir, de eerste reus, op miraculeuze wijze gezorgd voor het eerste Ras: het trotse Ras der Reuzen. Met zijn nieuwe familieleden trok Ymir naar het noordelijke land, dicht bij de diepe zee. Ze voedden zich met de vissen die speels rondzwommen in het diepblauwe water. Het Ras van de Eerste floreerde in Jotunheim. Maar ook Audhumla schiep op wonderbaarlijke wijze een Ras. Na haar vrijlating uit de krochten van Ginnungagap had ook zij een lange zwerftocht aangevat. Op de eerste dag dat ze zich met rijmsteenzout voedde groeide het haar van een man. De tweede dag het hoofd en op de derde en laatste dag het lichaam. Geschokt opende Borr de ogen en aanschouwde het land dat hij het zijne noemde.

         

    Borr, van het Ras der Mensen, trouwde met een reuzin. De vermenging van deze twee wonderbaarlijke creaturen leidde tot de fantastische geboorte van drie zonen. Half Mens, half Reus waren ze eigenlijk geen van beide. De Chaos van Ginnungagap stroomde door hun aderen, maar het Licht vulde hun hart. Zij bezaten een kracht die tot voordien ongezien was in het universum, een reïncarnatie van de oerkrachten in vleselijke wezens… Negen jaar lang zorgde de reuzin voor het kleine drietal; Odin, We, en Wili werden verbazingwekkende mannen. Ze doorzwierven het land zonder angst. Het was alsof het universum rond hen heen kolkte. Op een dag stond Odin te genieten van het uitzicht boven op een berg die hij zonet had beklommen met zijn twee broers. De Chaos borrelde naar boven en plantte een vreselijk idee in hun hoofd. Het licht werd gedoofd door het inktzwarte water…

         

    Uit het metaal van de berg smeedden de drie broers een gigantisch zwaard. De kling glansde in het kille ochtendlicht. Met een ruwe hand omsloot Odin het heft. Ymir opende de ogen, een walm van angst en ongeloof trof zijn magmahart. Met al zijn macht dreef Odin de punt van het zwaard in de borst van Ymir. Ymir was op slag dood en bloedde hevig. Zijn bloed stroomde verder, en vormde de rivieren en de oceanen. Een zondvloed van levenskracht overspoelde het Ras der Reuzen. Slechts enkelen van hen overleefden de dood van Ymir. Odin knielde, sloot de ogen, en wenste Ymir een goede reis toe. De Chaos werd verdreven door het licht en trok zich terug in de donkere krochten van de zielen van de drie broeders. Daar brandde het sluimerend in het donkere, wachtend tot het einde der dagen.

     

    Met een laatste krachtinspanning trok Odin het gigantische zwaard uit Ymirs hart. Keer na keer liet hij de machtige kling neerdalen op de aarde. Aardebevingen verscheurden het land, bergketens rezen en vielen. Als monsterlijke tanden beten ze de aarde in stukken. Drie dagen en drie nachten lang kliefde Odin het lichaam in stukken. Wili en We bewerkten Ymirs lichaam en creëerden zo Midgard, het Rijk der Mensen. Ymirs botten vormden bergketens, zijn tanden rotsblokken. Uit Ymirs haar groeiden bomen in alle soorten en maten. Hoge groene kruinen grepen als vingers naar de hemel. De maden uit zijn vlees kregen vorm en het Ras der Dwergen was geboren. Odin greep Ymirs schedel en gooide die de lucht in, op elke hoek plaatse hij een Dwerg om de schedel op zijn plaats te houden. Deze dwergen heetten Noord, Oost, Zuid, en West. Zo werden de hemel en de lucht geschapen. Vervolgens grepen de drie zonen van Borr vonken uit Muspellheim, en ze gooiden deze de hemel in. Voor eeuwig zouden ze als sterren schitteren in het niets.

         

    Odin, Wili en We bundelden hun krachten voor een laatste maal. De aarde en het universum daverden, Chaos en Licht doorkliefde de hemel in de vorm van withete bliksemschichten. Zo creëerden de drie broers de man Ask en de vrouw Embla om zich te vestigen in Midgard. Om hen te beschermen tegen de verschrikkelijke toorn van de Reuzen gebruikten de zonen van Borr hun laatste kracht om een fort te bouwen op het voorhoofd van het lichaam van Ymir. De Reuzenzonen zouden zich immers voor eeuwig proberen te wreken op Odin. Om hem te jennen zouden ze alvast beginnen met het brutaal afslachten van zijn schepping, de Mens.

         

    Chaos en Licht vonden zo een broos evenwicht. De wereld balanceerde op een dunne lijn in het Niets. Dagen, jaren en eeuwen lieten hun sporen na op de jonge aarde, die al die tijd bang afwachtte. De Chaos trok zich terug in haar donkere krochten…

     

     

    Áðr Burs synir bjöðum um ypðu,

    þeir er Miðgarð mœran skópu;
    sól skein sunnan á salar steina,
    þá var grund gróin grœnum lauki. (2)

     

                                                                                           - Völuspá

    22-10-2006 om 00:00 geschreven door Jeroen  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 16/10-22/10 2006

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!