KIES VOOR EEN PROFESSIONELE TOEKOMST Residentie "Aloha" Vina Bovypark 3
9000 GENT - TEL: 09-221 64 15 -
FAX: 09-221 64 10
26-01-2011
Deelneming
Brandweermannen Johan Van Ursel, Etienne Manise en duiker van de Civiele Bescherming Olivier Rouxhet zijn de voorbije week omgekomen terwijl ze hun job deden.
Wij willen hierbij ons oprecht medeleven betuigen aan de families van de overleden slachtoffers, alsmede aan hun vrienden en collega's, en hun laten weten dat het VSOA Brandweer Vlaanderen en al zijn leden hen in deze uiterst pijnlijke omstandigheden steunt."
Wij wensen aan al onze collega’s, en al diegene die hen dierbaar zijn, een goede engelbewaarder, zowel bij het uitoefenenvan onze job, als in defamiliale sfeer.
Ook willen wij u allen zalige kerstdagen en een spetterend eindejaar toewensen.
Veel geluk, werkplezier, een goede gezondheid , enpositieve brandweerhervormingen, en verder dat al uw wensen mogen uitkomen !
Gelukkig 2011 !!!
Vanwege alle afgevaardigden van het VSOA bij onze brandweerdiensten,het bestuur en zijn leden van VSOA werkgroep Brandweer Vlaanderen !
Brandweer op de 5e plaats van de slechtsbetalende beroepen
15 beroepen met een te laag loon
Welke beroepen zijn ondergewaardeerd? Die vraag werd gesteld aan de meer dan 63.000 deelnemers van onze grote Salarisenquête. De landbouwer voert het lijstje aan. Benieuwd wie er volgens onze deelnemers nog te weinig verdient en hoeveel meer loon ze zouden moeten krijgen?
De deelnemers aan de Salarisenquête kregen willekeurig drie beroepen uit een lijst van 100 onder ogen. Eerst schatte elke bevraagde hoeveel dat beroep opbrengt (het geschatte nettoloon), in een tweede fase gaf hij of zij aan hoeveel iemand voor datzelfde beroep zou moeten verdienen (het billijke nettoloon). Zet die twee tegen mekaar af, en je merkt welke beroepen jij en ik ondergewaardeerd vinden. Anders gezegd: wie moet meer krijgen?
Hoeveel zouden deze beroepen volgens jou meer moeten opleveren? (in %)
1.
landbouwer
+23%
2.
onthaalmoeder
+18%
3.
bejaardenverzorger
+16%
4.
huishoudhulp
+14%
5.
brandweerman
+14%
6.
verpleger
+14%
7.
kamermeisje
+14%
8.
kuisvrouw/man
+14%
9.
verpleegster
+13%
10.
ambulancier
+13%
11.
schoonmaker
+12%
12.
vuilnisophaler
+11%
13.
kelner
+11%
14.
vroedvrouw
+10%
15.
cipier
+10%
Bron: Salarisenquête Vacature/KU Leuven, 2010*
Professor Luc Van Liedekerke, directeur van het Centrum voor Economie en Ethiek aan de K.U.Leuven, boog zich over de resultaten rond de geschatte en billijke verloning voor 100 beroepen. Bij de lijst met ondergewaardeerde beroepen spelen compensatie en emoties (waardering, medelijden) een sterke rol, aldus Luc Van Liedekerke. “Denk aan een bejaardenverzorger of een onthaalmoeder. Zorg, voor kinderen en ouderen, waarderen we erg sterk. En willen we beter vergoed zien. Bij een vuilnisophaler denkt men allicht ‘je moet het maar willen doen’. En men compenseert. Die beroepen weerspiegelen op hun beurt de huidige sociale hiërarchie: we zien ze helemaal niet als ideale banen. De lage lonen maken dat soort jobs minder aantrekkelijk.”
Luc Sels, professor KU Leuven: “De ondergewaardeerde beroepen vinden we vooral in de zachte, de verzorgende sectoren. Die kunnen op veel respect rekenen omdat we er allen in min of meerdere mate van afhankelijk zijn. Ook de landbouwer scoort hoog. Het beeld dat de mensen krijgen is dat van een aftakelende sector waarin de boeren hard moeten werken. Zij betogen geregeld in Brussel om hun ongenoegen te uiten. Dat geldt evenzeer voor de verpleegsters en andere beroepen uit de verzorgingssector.”
* De Grote Salarisenquête wordt tweejaarlijks georganiseerd. Aan de enquête van 2010 namen 63.000 mensen deel. 42% daarvan zijn vrouwen, 58% mannen. 67% van de ondervraagden is in het bezit van een hoger diploma. Van de 63.000 deelnemers is 77% bediende, 14% ambtenaar en 9% arbeider.
Ik las op de site van VVSG met veel interesse de problematiek rond de ingediende ontwerpovereenkomsten betreffende de verschillende operationele prezones. Wat het gemeenschappelijk vakbondsfront betreft, zijn het niet alleen signalen, maar zijn wij overtuigd dat alles zeer onduidelijk is, niet alleen wat timing en procedure betreft, maar vooral het personeel wordt in de kou gelaten. Herhaalde vragen betreffende een eenheidstatuut, aanwerving van meer beroepspersoneel en bespreking eindeloopbaan problematiek, hebben tot op heden niets opgebracht. De onzekerheid wordt voor de mensen op de werkvloer echt ondraaglijk, vooral de vele vooroorlogse toestanden die er in sommige gemeenten nog heersen. Er wordt immers een loopje genomen met de arbeidstijden enz. Wanneer de beroeps zich hierover beklagen krijgen ze steevast te horen dat de vrijwilligers het dan wel zullen oplossen, enz! Terwijl wij al vakorganisatie trachten een goed en gelijkwaardig statuut af te dingen voor zowel het beroepspersoneel als voor de vrijwilligers, is uiteraard de bovenstaande oplossing niet echt bevorderlijk. Integendeel, het lijkt alsof men een strijd wil creëren tussen deze twee groepen. Wij hebben daarom meermaals aangedrongen bij de federale overheid om overleg te plegen met de sociale partners, zodat een degelijk statuut, voor iedereen gelijk, kan besproken worden.In een recent schrijven van ACV-OD werd eveneens gesteld dat het gemeenschappelijk vakbondsfront, in het kader van het informatierecht de stand van zaken wilde kennen betreffende de invulling van de budgettaire marges inzake de begrotingscontrole van maart. Tenslotte wijst het gemeenschappelijk vakbondsfront de Minister op de verpletterende verantwoordelijkheid betreffende het risicovolle werk van een brandweerman en het ontbreken van een eenheidstatuut. Wij hopen U hiermee ook wat meer inzicht te hebben gegeven betreffende het sociale aspect!
Met vriendelijke groeten. Rudi Somers Voorzitter Brandweer Vlaanderen Vaste gemachtigde
De Directie Lokale en Integrale Veiligheid (SLIV) van de FOD Binnenlandse Zaken is belast met de goedkeuring van de ontwerpovereenkomstenzoals ingediend door de verschillende operationele prezones. Op dit moment contacteert deze dienst alle operationele prezones (OPZ) telefonisch voor eventuele opmerkingen. Daarna krijgt de OPZ de kans een antwoord te formuleren. Verwacht wordt dat de overeenkomsten waar geen opmerkingen over bestaan spoedig ondertekend zullen worden door minister Turtelboom. De VVSG krijgt echter signalen van verschillende prezones dat dit alles gebeurt in de grootste onduidelijkheid wat betreft timing, procedure en volgens welke concrete criteria deze beoordeling gebeurt. Herhaalde vragen hebben echter niets opgeleverd. Daarom heeft de VVSG een brief gestuurd naar minister Turtelboom waarin zij deze gang van zaken betreurt. Wij vragen hierin dat de minister zo spoedig mogelijk duidelijkheid schept. Daarnaast vraagt de VVSG dat Binnenlandse Zaken overleg pleegt met de gewestelijke overheden die instaan voor het toezicht op de gemeentelijke financiën om eventuele problemen bij de goedkeuring van de gemeentebegrotingen te vermijden. Ten slotte vraagt de VVSG zeer spoedig duidelijkheid over de verderzetting van de operationele prezones in 2011. Bevatten de voorlopige twaalfden voor 2011 al regelingen voor de operationele prezones?
Alle Vlaamse brandweer-prezones hebben een ontwerpovereenkomst ingediend bij Binnenlandse Zaken voor de opstart van hun prezone en de daarbij horende subsidies. Hierbij een stand van zaken opgemaakt van de kandidaturen Antwerpen 1 en 2.
Voorwoord
Met de ministeriële omzendbrief van 11 maart 2009 werd de concrete implementatie van de
wet van 15 mei 2007 aangevat.
De omzendbrief betekende de start van de voorbereidende werkzaamheden zowel bij
brandweer zelf als bij de federale overheid. Natuurlijk werd er voordien ook niet stilgezeten. Binnen verschillende werkgroepen op het niveau FOD ADCV (Algemene Directie Civiele Veiligheid) werd, samen met vertegenwoordigers van de brandweer en de steden en gemeenten, hard gewerkt aan voorbereidende (juridisch noodzakelijke) teksten zoals de financiële werking van de zones en de verdeling van de kosten en middelen, een visie op en grote lijnen voor de uitwerking van een nieuw statuut, de harmonisering van de interventies met bijhorende minimale middelen, de organisatie van de Algemene Inspectie, de brandweerdispatching enz…
Deze ondersteunende werkzaamheden waren absoluut noodzakelijk om diverse initiatievenrond de zonewerking gestalte te kunnen geven. Door de installatie van een zonale coördinatiegroep (Task Force) en de bepaling van de opdrachten van deze Task Force werd een belangrijke stap gezet naar de concrete zonale werking.Met deze omzendbrief nam de federale overheid haar verantwoordelijkheid op.
Oorspronkelijk werd 1 januari 2010 door de toenmalige bevoegde minister in het vooruitzicht
gesteld voor de opstart van de zonewerking. Deze datum werd helaas met onbepaalde tijd uitgesteld. 31 december 2009 werd echter als einddatum voor de werkzaamheden van de Task Forces aangehouden.
Deze werkzaamheden betekenen bijgevolg hoogstens het eindpunt van een eerste fase, aangezien de opdracht niet meer omvatte dan het beschrijven van de bestaande toestand en het inventariseren van de actuele middelen. Om de verdere uitwerking van de wet te implementeren dienen nu de noodzakelijke
randvoorwaarden te worden gecreëerd. Vooral het bestuurlijk raamwerk, met in het bijzonder de juridische omkadering voor de installatie van de zones met rechtspersoonlijkheid, dient met spoed te worden opgenomen. Het is pas dan dat de doelstellingen van de wet kunnen worden gerealiseerd.
1. Inleiding
De ministeriële omzendbrief van 11 maart 2009 richt per zone een coördinatiegroep of Task Force op en geeft deze een aantal opdrachten. Deze opdrachten behelzen een eerste fase van de implementatie van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, met name het opstellen van een inventaris, een foto van de toestand van de zone.
Vanzelfsprekend dienen hierna nog verschillende andere fasen te volgen:
- het beschrijven van de optimale gewenste toestand, gelet op de budgettaire randvoorwaarden en beleidskeuzes
- het uitwerken van een stappenplan om van de huidige naar de gewenste toestand te evolueren op basis van een “gap”-analyse (analyse van het verschil tussen de TO BE en de AS IS-situatie)
- het uiteindelijk implementeren van dit stappenplan naar de nieuwe toestand toe.
Dit rapport is het eindrapport van de eerste fase en beschrijft dus de AS IS toestand in de zone “Antwerpen 1” met als enige brandweerkorps dat van de stad Antwerpen en met als betrokken gemeenten de stad Antwerpen en de gemeente Zwijndrecht. In het rapport werden niettemin een aantal bijkomende realisaties opgenomen, niet alleen omdat deze essentieel zijn om te komen tot een goed functionerende hulpverleningszone, maar ook omdat deze onontbeerlijk zijn voor een goed functionerende organisatie in het algemeen. Dit betekent geenszins dat de brandweerdienst van Antwerpen pas in actie is
getreden na het verschijnen van de omzendbrief. Wel integendeel.
Het rapport bestaat uit twee delen.
Het eerste deel moet gelezen worden als een samenvatting en bevat de belangrijkste
conclusies en aanbevelingen die kunnen worden getrokken uit de eerste fase.
In het tweede deel wordt per projectgroep uitgebreid gerapporteerd over de werkzaamheden
gedurende de looptijd van de federale ondersteuning (april-december 2009).
2. Conclusies en aanbevelingen
2.1 Algemene conclusies
De wet van 15 mei 2007 beschrijft in wezen wat de facto toepasselijk is voor elke
organisatie. Het gaat namelijk niet zozeer over hoe kerntaken dienen uitgevoerd, maar wel
over het opzetten van een behoorlijk beleids- en beheerskader om de toegewezen opdracht
kwaliteitsvol uit te voeren volgens de beginselen van goed bestuur, met name de
economische beginselen van zuinigheid, effectiviteit en efficiëntie en de democratische
beginselen van transparantie, legitimiteit, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid.
Meer expliciet beschrijft de wet de zogenaamde “veiligheidsketen” die begint bij pro-actie en
risicoanalyse en doorgaat over preventie en preparatie tot uitvoering en evaluatie. Met deze
laatste stap moet de keten overigens worden gesloten.
Helaas wordt deze veiligheidsketen, als noodzakelijke basis voor een kwaliteitsvolle en
integrale dienstverlening, sporadisch volledig geïmplementeerd. Te zelden wordt de
brandweer meegenomen in de strategische beleidscyclus van de respectievelijke overheden.
Al te vaak wordt deze veiligheidketen nog als een kapstok beschouwd, waaraan
fragmentarisch acties worden opgehangen.
Deze vaststelling is echter niet van toepassing voor brandweer Antwerpen
(hulpverleningszone Antwerpen 1). In het bestuursakkoord 2007-2012 werden aspecten van
deze veiligheidsketen opgenomen in de strategische doelstellingen, waardoor, voorafgaand
aan de wet op de hervorming van de civiele veiligheid, reeds pro-actief een eerste stap in de
integrale benadering van de brandweerzorg werd gezet.
Hierna volgen voor elke stap in de veiligheidsketen aandachtspunten voor verbetering,
vertrekkende vanuit de werkzaamheden zoals ze tot nu toe zijn uitgevoerd.
Voor elke schakel wordt het situatierapport in de hulpverleningszone Antwerpen 1
voorafgegaan door een algemene beschouwing (in cursief) die gebaseerd is op een analyse
voor het geheel van de Vlaamse brandweerzones uitgevoerd door de Brandweervereniging
Vlaanderen, de overkoepelende federatie van alle Vlaamse brandweerkorpsen.
Het is duidelijk dat niet alle conclusies gelden voor de hulpverleningszone Antwerpen 1.
Ten eerste door het feit dat er in Antwerpen reeds geruime tijd aandacht is voor de
optimalisatie van de werking van het korps en ten tweede doordat sommige issues slechts
van toepassing zijn op zones die bestaan uit meerdere brandweerkorpsen.
1. Pro-actie en risicoanalyse
Pro-actie en risicoanalyse voorzien het korps en het gemeentebestuur van
objectieve en elementaire basisgegevens in functie van het uittekenen van een
optimale organisatiestructuur en de te voorziene financiële en personele middelen
(strategie en beleid). De risicoanalyse geeft aan wat nodig is om de burger op een
effectieve maar ook efficiënte manier een adequate dienstverlening te
verzekeren.
In de praktijk beschikten de meeste brandweerdiensten tot voor kort niet over een
uitgewerkte risico-inventarisatie.
Deze is er in de meeste zones inmiddels wel, maar er ontbreken de (personele)
middelen om deze up-to-date te houden. Daarnaast is er dringend nood aan een
raamwerk van richtlijnen, methodes en tools om deze risico-inventarisatie
structureel om te zetten naar een werkbaar beleidsinstrument.
De risicoanalyse werd reeds in 1999 aangevat en leidde tot het dekkingsplan voor het
beschermingsgebied van de brandweer Antwerpen. Met het bestuursakkoord 2007-2012 een
belangrijke stap gezet naar te realiseren doelstellingen op basis van pro-actie en
risicoanalyse. Zo werd ondermeer de oprichting van twee nieuwe voorposten in de “zwarte
vlekken” als beleidsprioriteit voorzien.
Daarnaast wordt de brandweer nu ook meer structureel beschouwd als een belangrijke
partner in het stedelijk ruimtelijk beleid. Het stadsbestuur wil uitdrukkelijk dat brandveiligheid
in de planningsfase een onderdeel is van ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP’s) en van de
ontwikkeling van het openbare domein (pro-actie/preventie).
De vertaling van het bestuursakkoord in een financiële meerjarenplanning, met een strikte
politieke en administratieve opvolging van welomschreven strategische en tactische
doelstellingen dient de uitvoering ervan te verzekeren. In functie van de jaarlijkse
begrotingsopmaak, dient de korpsleiding haar voorstellen te kaderen in de strategische
meerjarenplanning.
2. Preventie
Brandpreventie wordt in de meeste brandweerkorpsen eng geïnterpreteerd.
Brandpreventie wordt zelden werkelijk gezien als een deel van de
veiligheidsketen. Preventie staat veelal los en wordt beschouwd als een aparte
opdracht.
Preventie kan echter een krachtig beleidsinstrument zijn om de gemeentelijke
doelstellingen inzake ruimtelijk beleid en veiligheid te realiseren. In de huidige
constellatie wordt preventie evenwel zelden in die zin aangewend.
Het stadsbestuur van Antwerpen en de preventiedienst van het Antwerpse korps namen de
laatste jaren heel wat initiatieven om een meer gecoördineerd preventiebeleid te realiseren:
- intensieve samenwerking met de dienst stedenbouwkundige vergunningen en
toezicht zorgen er mee voor dat preventie zijn plaats krijgt in het stedelijk veiligheidsen
ontwikkelingsbeleid
- integratie van de veiligheidszorg in het stedelijk evenementenbeheer
- oprichting van een interactief brandweerinformatiecentrum voor scholen en
verengingen
Ook hier geldt dat de grenzen om deze beleidsoptie voluit te ontwikkelen rechtstreeks
bepaald worden door de beschikbare (personele) middelen.
3. Preparatie
Inzake voorbereiding op de interventies bestaat er landelijk een enorme
verscheidenheid in het vormings-, trainings- en oefenbeleid (VTO) enerzijds en
de preplanning en de opmaak van standaard operatieprocedures (SOP’s)
anderzijds. Sommige korpsen leiden hun personeel meerdere honderden uren op,
met ruime aandacht voor praktijkoefeningen, zowel koud als warm. Andere
korpsen verkiezen veel minder te investeren in de preparatie, door de opleiding
en training te beperken tot veeleer theoretische kennis, zonder het voorzien van
tijdsintensieve en dure praktijkopleidingen.
Op het vlak van planning en voorbereiding worden zeer uiteenlopende
werkmethodes en procedures waargenomen: sommige korpsen hebben het
kleinste risico uitgebreid in kaart gebracht maar beschikken niet over de nodige
standaard operatieprocedures. Anderen hebben zo goed als geen informatie over
specifieke objecten en werken quasi uitsluitend met standaardprocedures.
Het VTO-beleid in het brandweerkorps van Antwerpen is, gelet op de specifieke risico’s van
hulpverlening in een grootstad met een zeer grote concentratie aan zware risico-industrie,
zeer specifiek afgestemd op deze risico’s.
Zowel in de basisopleiding van de rekruten, als deze van het middenkader en het
officierenkader, worden alle opleidingsmodules (ook de optionele modules zijn verplicht)
vereist. Bijkomend wordt de 90u basisopleiding, opgetrokken tot ca 540 uren (module
brandweer Antwerpen) waarvan 2/3 praktijktraining.
Instructie en dagelijks oefenen zijn verplichte onderdelen in de dagindeling van de
manschappen, en het volgen van specialisatieopleidingen is sinds 2008 een voorwaarde
voor elk personeelslid.
De volgende jaren zal nog meer aandacht worden besteed om het oefenbeleid af te
stemmen op de operationele noden, en dit op basis van informatie vanuit de risicoanalyse en
-evaluatie.
Met betrekking tot de preplanning concentreert de brandweer Antwerpen zich in de eerste
plaats op de kennis en het update houden van de informatie in het openbaar gebied
(hydrantenbeheer en stratenkennis).
De voorbije jaren werden verschillende RIE’s (risico inventarisaties en evaluaties) uitgevoerd
gericht op het veilig werken op de interventieplaats. Dit resulteerde ook in de opmaak van
meerdere SOP’s.
Recent werden ook twee softwarepakketten opgeleverd. Eén in functie van een real-time en
dynamische aansturing van de uitruk. Het andere als beleidsondersteunende software in het
kader van een internet-based en on-line informatieplatform bij interventiebeheer.
4. Uitvoering
Het uitvoeren van interventies is de eigenlijke kerntaak van de brandweer. Voor
deze opdracht worden dan ook het overgrote deel van de middelen ingezet.
Ondanks het feit dat de kwaliteit van de uitvoering in het algemeen als voldoende
wordt gepercipieerd, zijn er ook hier belangrijke vaststellingen te maken.
De belangrijkste is ongetwijfeld dat zo goed als nergens de kwaliteit van de
dienstverlening daadwerkelijk wordt gemeten. Men neemt aan dat men snel en
adequaat optreedt, dat men een daadwerkelijke bijdrage levert tot het
verminderen van de schade, maar dit wordt niet expliciet en transparant
gedocumenteerd. Het gevolg hiervan is dat het onmogelijk is om voor- of
achteruitgang in de kwaliteit van uitvoering vast te stellen.
Een tweede vaststelling is dat iedereen anders werkt. Procedures verschillen,
materieel verschilt, manieren van leiding geven en organisatiecultuur verschillen.
In normale omstandigheden, waarbij enkel die ene post of dat ene korps
betrokken is bij de interventie, is dit niet echt een zorg. Maar bij grootschalige
interventies wordt er wel samengewerkt tussen meerdere posten/korpsen. En dan
wreekt deze versnippering zich. Dit leidt ongetwijfeld tot een suboptimale
dienstverlening. Tenslotte moet ook opgemerkt worden dat geen enkel korps,
maar door de beperkte schaalvergroting zelfs zeer weinig zones, in staat zijn om
alle verplichtingen te voldoen, alle functies te leveren die voorzien zijn voor de
brandweer in het KB van 16 februari 2006 betreffende de nood- en
interventieplanning.
In de hulpverleningszone Antwerpen 1 stelt de gestelde problematiek zich in beperkte mate
aangezien het Antwerpse brandweerkorps, als enig korps met verschillende posten in de
zone, reeds decennia lang operationeel een hulpverleningszone “avant la lettre” vormt.
Het gebrek aan uniformiteit en harmonie stelt zich sporadisch wanneer in versterking
opgetreden wordt en meer frequent sinds de recente invoering van de snelste adequate hulp
(2007). Ter zake werden samenwerkingsovereenkomsten gesloten met alle omliggende
korpsen en besturen.
Inzake de analytische opvolging van de operaties door middel van kengetallen, indicatoren,
datamanagement,… werd zeer recent (najaar 2009) een specifiek en geïntegreerd
softwarepakket op maat van de brandweer Antwerpen ontwikkeld. Deze software moet de
brandweer Antwerpen in staat stellen om een doorgedreven kwaliteitsmeting in te voeren.
Deze waarden moet leiden tot een volwaardig IKZ-systeem met betrekking tot de operaties.
5. Evaluatie
Net zoals de eerste schakel (pro-actie) ontbreekt in de meeste korpsen ook de
laatste schakel (evaluatie) volledig. Zeker op structurele basis. Vaak wordt na een
interventie een debriefing gedaan, zeker als er opvallende leermomenten zijn of
als het om een (psychisch) zware interventie ging. Maar met de informatie wordt
quasi niets gedaan en zeker niet open getrokken in de vorm van lessons-learned
die kunnen gedeeld worden met de andere collega’s in het land en daarbuiten.
De terugkoppeling naar het begin van de keten en het sluiten van de cirkel
gebeuren dus niet.
Bovendien gebeurt er voor de meeste interventies geen enkele vorm van
kwaliteitscontrole. Zoals gezegd ontbreken de meetinstrumenten om deze
controle, borging en continue verbetering te garanderen .
De schakel “evaluatie” vormt ook in de hulpverleningszone Antwerpen 1 een aandachtspunt.
Evaluatie gebeurt teveel op ad hoc basis en is niet systematisch ingebed in de organisatie.
Het monitoringsysteem (2009) om objectieve en meetbare gegevens te betrekken uit de
interventierapporten zal al een eerste stap vooruit zijn in de kwaliteitszorg. Aandacht moet
ook geschonken worden aan het leren uit ervaringen en het sluiten van de veiligheidsketen.
6. Algemene vaststellingen
De veiligheidsketen is nu expliciet voorzien in de wetgeving en stelselmatig zijn er
meer en meer korpsen die de vijf schakels ervan (deels) hebben
geïmplementeerd, maar de vijf schakels vormen op zich geen ketting. Zo is
preparatie zelden gebaseerd op pro-actie en zeker niet op preventie. Zo is het
brandpreventiebeleid geschreven als reactie op ingrijpende gebeurtenissen en
wordt de aanpak van de brandpreventie niet continu bijgestuurd op basis van de
evaluatie van de dagelijkse praktijkervaringen. Sporadisch is er een
terugkoppeling van incidentinformatie naar preparatie (oefening en preplanning).
Soms gebeurt de terugkoppeling wel. Op zeer beperkte schaal en zelden
wetenschappelijk onderbouwd. Vandaar de nood aan schaalvergroting en op
vele vlakken zelfs een centralisatie van kennis, middelen en competenties.
Verder is de enorme diversiteit in bestuurlijke en organisatiemodellen een rem op
de ontwikkeling van een moderne brandweerzorg: spanningsveld tussen de
gewestelijke en federale voogdij inzake het personeelsbeleid, ongelijke
behandeling van besturen die kiezen voor professionele tewerkstelling en deze
die kiezen voor een vrijwilliger kader, diverse dienstregelingen die niet in regel
zijn met de arbeidstijdenwetgeving, scheefgetrokken verhoudingen tussen
continudiensten en dagdiensten, verschillen in verloning en
vergoedingsstelsels,… zelfs binnen één enkel korps.
Anders dan andere gemeentelijke diensten is de brandweerdienst actief op het
grondgebied van andere (beschermde) gemeenten en werkt zij werkt op
regelmatige basis samen met de collega’s van andere gemeenten. Hierdoor is
een bepaalde mate van uniformiteit absoluut noodzakelijk om een goede
Het rapport van de task force is gebaseerd op de werkzaamheden zoals voorzien in de M.O. van 11 maart 2009.
Het rapport bestaat uit 2 delen:
A. Vaststellingen en voornaamste conclusies
B. Rapport werkzaamheden: Overzicht van de werkzaamheden, bevragingen en cijfergegevens met specifieke vaststellingen
A. VASTSTELLINGEN EN VOORNAAMSTE CONCLUSIES
1. VASTSTELLINGEN
Proactie : De risico’s werden in kaart gebracht en bepaald. Dit gebeurde door het begeleidingsbureau Soresma. Er werd uitgegaan van de beschikbare kadastergegevens , de punctuele en recurrente risico’s
Preventie is het deel van de veiligheidsketen dat zeer divers wordt uitgevoerd (in aanpak, afspraken, inzichten, … ) en niet is aangepast aan de huidige evolutie. Diverse korpsen zijn overbelast waarbij de officieren meer administratieve pionnen zijn geworden waardoor hun operationele werkzaamheden opzij moeten geschoven worden. Vrijwilligers zien preventie als een administratieve belasting. Er is praktisch geen of slechts beperkte administratieve ondersteuning. Tijd voor studiedagen is er niet en enige bijscholing is niet voorzien.
Preparatie is het deel van de veiligheidsketen dat zeer divers wordt uitgevoerd. Het hangt van het korps af hoe en in welke mate de preparatie wordt ingevuld. Ieder korps heeft een andere uitrukprocedure. Opleidingen worden zeer divers gegeven zonder een minimum vereiste of evaluatie. Inventarissen worden zeer divers bijgehouden, het is dan ook moeilijk om een volledige inventarislijst in kaart te brengen.gezien het ontbreken van geschikte richtlijnen van de overheid.
Nood en interventieplannen werden op verschillende manieren gemaakt, hier is geen eenvormigheid in te vinden , hier ook geen richtlijnen van de overheid..
Het bureau Soresma heeft voor de inventarislijsten een structuur uitgewerkt
Ook de opkomst- en uitruktijd zal in kaart gebracht worden evenals de harmonisatie van uitrukprocedures.
Uitvoering is het deel van de veiligheidsketen waarvan gedacht wordt dat het goed uitgevoerd wordt. Wachtsystemen, uitrukprocedures en de aanpak van de interventie zijn verschillend van korps tot korps. Er is geen uniformiteit in een gestructureerde samenwerking. Deze vaststelling stelt zich bij samenwerking n.a.v. grotere interventies. Oproepprocedures verschillen eveneens.
De taken en opdrachten zoals die aan de discipline 1 worden toegewezen in het kader van de nood- en interventieplanning zijn praktisch moeilijk uitvoerbaar.
Evaluatie is het deel van de veiligheidsketen dat structureel ontbreekt.
Methodes voor debriefing en evaluatie van interventies worden in bepaalde korpsen toegepast, zij het niet systematisch, noch gestructureerd en zeker niet op eeneenduidige manier. De kwaliteit van interventies kan niet gemeten worden. Het referentiekader waarin dit gebeurt is beperkt tot het eigen korps.
Er is een grote verscheidenheid aan wachtsystemen, arbeidstijdregelingen, premies, toelagen, beloningssystemen, enz. die verschillen van korps tot korps, zelfs binnen het korps van beroeps tot vrijwilliger, van beroeps in continudienst tot beroeps in dagdienst,...
Personeel
Er werd een inventarislijst opgemaakt van het operationeel en administratief personeel. De werkgevers van de vrijwilligers werden in kaart gebracht.
2. VOORNAAMSTE CONCLUSIES
Spijts de grote inspanningen die werden en worden geleverd door de vele vrijwillige en beroepsbrandweermannen stellen we vast dat de vooropgestelde optimalisatie van de huidige brandweerwerking op federaal niveau tot een stilstand is gekomen. Integendeel, momenteel , worden alle problemen terug op het lokale vlak neergelegd, zonder enig toekomstperspectief voor de brandweer.
- Om de overstap te kunnen maken van 251 korpsen naar 32 hulpverleningszones, werd een coördinatiestructuur per zone uitgebouwd onder de vorm van Task Forces. De task force van onze zone heeft de reorganisatie, die de hervorming met zich meebrengt, uitvoerig voorbereid. Zo zijn wij onder meer een inventaris aan het opmaken van het beschikbare personeel en materieel en een analyse aan het maken van de risico’s in de zones. De analyses zijn nog niet afgerond
- Voor het invoeren van de zones dient deze wel over rechtspersoonlijkheid te beschikken en dienen er nog diverse KB’s zoals statuut , financiële regeling enz te worden gestemd.
- Zodoende kan de volgende logische stap NIET gezet worden: de inwerkingtreding van de zones.
- Er is nood aan een structuur die voor ondersteuning zorgt. Een brandweerkorps kan niet alles zelf doen. Er moet een schaalvergroting komen, die toelaat op een hoger niveau samen te werken en gemakkelijk kennis en knowhow te delen. Opdrachten inzake pro-actie, preplanning, preventie en evaluatie kunnen met de huidige organisatie niet of onvoldoende goed uitgevoerd worden. Hiervoor is de schaalvergroting de enige oplossing. Dit kan enkel door de zones rechtsgeldigheid te geven.
- De organisatie van de brandweer moet de volledige uitvoering van onze wettelijke taken mogelijk maken. Door gebrek aan middelen, personeel en een werkkader voert de brandweer niet alle taken uit die ze zou moeten uitvoeren. De wet van 2007 preciseert dat de brandweer nu instaat voor de volledige veiligheidsketen, en zich niet meer mag beperken tot interventie en preventie, maar de bestaande structuur laat dit niet toe. De manier waarop de brandweer vandaag georganiseerd is, belemmert de uitvoering van deze taken. Ook het KB betreffende de noodplanning is niet uitvoerbaar omwille van dezelfde redenen. Er is nood aan voldoende competent personeel, dat vanuit een zonestructuur kan opereren. Op die manier zal ook het preventiebeleid van de brandweer eenduidig en gestructureerd zijn, in tegenstelling tot vandaag.
- Er is nood aan een statuut voor het personeel dat rekening houdt met de eigenheid van de werking van de brandweer. Zo moet er een oplossing komen voor de arbeidstijd, die rekening houdt met de vaststelling dat de brandweerman nu meer dan 38 uur per week werkt, ter wille van de continue dienstverlening. Het statuut moet de complementaire werking van beroeps en vrijwilligers mogelijk maken en een maximale gelijkheid tussen alle medewerkers nastreven. Een mooi voorbeeld hiervan is dat een beroeps buiten zijn uren als vrijwilliger kan ingezet worden. Het statuut voor de vrijwilliger moet de inzet van vrijwilligers in de toekomst garanderen, daarom
moeten er voldoende motiverende factoren zijn opgenomen. Het is in dat opzicht belangrijk dat de vrijwilliger en zijn werkgever in een win–win situatie komen.
- Er is nood aan duidelijke afspraken over de financiering en over de invulling van de wettelijk voorziene 50/50 regeling, de zonale en federale dotaties. Hiervoor moet een duidelijk tijdspad afgesproken worden.
B. RAPPORT WERKZAAMHEDEN
B.1. PRO-ACTIE
Pro-actie
1. De inventaris opmaken van de te voorziene middelen in het kader van de pro-actie;
2. De inventaris opmaken van de recurrente risico’s op basis van de beschikbare statistieken en van de punctuele risico’s aanwezig op het terrein;
3. De analyse opmaken van de risico’s opgesomd in punt 2.
Een gedetailleerde inventaris van de potentiële risico’s up-to-date houden.
Opdracht.
De risico’s worden geïnventariseerd door een extern bureau dat hiervoor werd aangesteld in samenspraak met de korpsen .
Recurrente risico’s:
Voor de recurrente risico’s wordt uitgegaan van de statistiek van de laatste 3 jaar van de binnenbranden, buitenbranden en dringende interventies buiten brand. Voor de invulling hiervan zijn interpretatieregels door de FOD Binnenlandse Zaken opgelegd zodat de cijfers ook afhankelijk zijn van de toepassing van deze regels, vooral wat het aantal dringende interventies buiten brand betreft (de regels worden niet altijd op dezelfde manier ingevuld zodat de cijfers per korps iets kunnen verschillen, en de regels zorgen voor het niet opnemen van interventies die zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld massale oproepen bij overstroming, bijstand ziekenwagen met ladderwagen, wespenverdelging,...).
Vaststelling:
- De cijfers voor de dringende interventies hangen sterk af van de interpretatie van de vraagstelling en kunnen hierdoor afwijken van vergelijkbare sectoren.
- Het aantal branden heeft een goed beeld van de recurrente risicograad per sector.
Voor de recurrente risico’s wordt aan de hand van de reële tijden een gemiddelde uitruktijd berekend.
Door het begeleidingsbureau zullen dekkingskaarten en kaarten met opkomsttijden worden opgemaakt.
De gemiddelde uitruktijd voor onze zone is verschillend van 2 naar 10 minuten
De uitruktijden zullen eveneens getoetst worden aan de woonplaats van de vrijwilligers. Twee belangrijke bemerkingen in dit verband zijn:
- Voor de beschouwde jaren van de statistiek is er geen wettelijke basis voor de minimum bemanning van de voertuigen, zodat deze tijden geen garantie zijn voor de toekomst waar via een K.B. de minima zijn vastgelegd (o.a. autopomp met bezetting van 6!). - Het probleem van de beschikbaarheid van vrijwilligers tijdens de kantooruren wordt door het nemen van een gemiddelde uitruktijd uitgevlakt en zelfs niet inzichtelijk gemaakt. Er is geen enkele garantie dat tijdens de kantooruren kan voldaan worden aan de minima die worden opgelegd. Hiervoor is dus bijkomende bevraging noodzakelijk.
Punctuele risico’s:
Voor de punctuele risico’s wordt er gewerkt met lijsten met de indeling van de risico’s in “ernst” volgens bezetting, aantal bewoners, oppervlakte en via de kadastergegevens, ... Vermits hiervoor geen sluitende regels bestaan is hier een zeer ruime interpretatie mogelijk.
Vaststelling:
- De cijfers voor de punctuele risico’s hangen sterk af van de interpretatie van de vraagstelling en kunnen hierdoor sterk afwijken van vergelijkbare sectoren.
- Er werd gewerkt met een begeleidingsbureau die ervaring hebben in het uitwerken van risicomodellen
Dekking van punctuele risico’s en recurrente risico’s moet op het terrein zichtbaar gemaakt worden (en in de praktijk reëel uitvoerbaar) via een softwaretool. De inventaris van de risico’s moet leiden tot een organisatie van de interventie die deze risico’s aanpakt.
Vaststelling:
- Een softwarepakket, met de nodige handvaten/tools om de omslag ook in praktische aspecten bruikbaar te maken, ontbreekt.
- Het is opportuun om iedere zone hetzelfde pakket aan te bieden daar ook grensoverschrijdend zal moeten gewerkt worden (het delen van data en informatie moet mogelijk zijn).
Om de diversiteit van risico’s aan te kunnen hebben we nood aan een organisatie van onze interventies in het netwerk van posten waarbij tevens rekening gehouden kan worden met factoren zoals beschikbaarheid van personeel en materieel, opleidingsniveau personeel, procedures aangepast aan het risico, opschalingprocedures, enz. en dat alles het liefst nog op een dynamisch manier. We hebben dus nood aan een structuur die dit kan ondersteunen en middelen die zich niet beperken tot het opmaken van een dekkingsplan, maar die het dekkingsplan operationeel maakt en de risico’s effectief en efficiënt afdekt.
Algemene vaststelling:
Proactie is het deel van de veiligheidsketen dat nu slechts beperkt wordt uitgevoerd. De middelen en de structuur om dit uit te voeren ontbreken volledig.
B.2. PREVENTIE
Preventie
1. De inventaris opmaken van de beschikbare en te voorziene middelen in het kader van de preventie;
2. De werklast i.v.m. de preventie evalueren.
Analyse van de werklast betreffende de preventie.
Opdracht
De inventaris wordt opgemaakt aan de hand van een lijst, met onderscheid van dossiers op plan en na bezoek. De indeling in categorieën heeft de bedoeling niet alleen de werklast per type dossier te bepalen maar ook de risico-analyse te ondersteunen en de bepaling van de minimale normen te ondersteunen. Deze benadering zorgt ervoor dat er twee zaken door elkaar worden gemengd: preventie en pro-actie. Dit heeft als gevolg dat er categorieën worden voorzien die dubbel tellen mogelijk maken. Ook hier zijn er interpretaties mogelijk die de cijfers afhankelijk maken van de interpretatie.
Vaststelling:
- De cijfers voor de werklast van de preventie hangen af van de interpretatie van de vraagstelling en kunnen hierdoor sterk afwijken in vergelijkbare sectoren.
- De gemiddelde werklast per uur / per dossier varieert sterk van korps tot korps en zal in kaart worden gebracht. Ervaring is hier een belangrijke factor, maar ook de administratieve ondersteuning.
- De oorzaak ligt in de vage en open manier van vraagstelling, de manier van werken (aantal preventionisten die dossier behandelen,...), de ondersteuning (administratie), het al dan niet in rekening brengen van studietijd, de administratieve ondersteuning,
- Heel wat korpsen kampen met een achterstand op het vlak van preventie
- Het aantal preventionisten is niet op het niveau van het snel groeiende preventietakenpakket.
- De soort preventie verschilt ook, sommige doen alle horecazaken op hun grondgebied anderen niet, sommige hebben plaatselijke reglementeringen, anderen niet.
- Er wordt geen bijscholing georganiseerd en de materie is voor sommigen te complex. Speciale dossiers vragen enige achtergrondkennis.
- Sommige korpsen laten betalen voor brandpreventie anderen niet.
Algemene vaststelling:
Preventie is het deel van de veiligheidsketen dat zeer divers wordt uitgevoerd (in aanpak, afspraken, inzichten, … ). Het hangt van de gemeente af welke dossiers aan de brandweer worden overgemaakt,
Elke gemeente heeft andere plaatselijke brandpreventiewetgeving.
De interpretatie van de reglementering verschilt van korps tot korps, er is geen mogelijkheid tot “beroep” of vergelijking, de bevoegdheid is versnipperd (federaal, gewesten, gemeenschappen). Het overleg met bouwheren/architecten/bedrijven/…. vindt in functie van de mogelijkheden van het korps van uitgebreid tot helemaal niet plaats.
De structuur ontbreekt om dossiers thematisch en volgens specialiteit aan te pakken. De evolutie van de techniek (performed based) maakt die structuur bovendien noodzakelijk.
B.3. PREPARATIE
Preparatie
1. Een inventaris opmaken van de beschikbare middelen inzake operationeel personeel en een stand van zaken bepalen van de specialisaties en het opleidingsniveau van het personeel;
2. Een inventaris opmaken van de gebruikte praktijken in termen van een continue opleiding, training en oefeningen van de operationele agenten;
3. Een inventaris opmaken van het materieel, roerende en onroerende goederen, per brandweerdienst enerzijds en voor de hele zone anderzijds en voor elk element preciseren in welke staat het zich bevindt (kwaliteit, ouderdom, onderhoudsbeurten…);
4. De inventaris opmaken van de beschikbare middelen bij eerste uitruk in de verschillende posten, ook voor de gespecialiseerde interventies (gas, duikers, RISC-RED, …);
5. De verschillende wijzen inventariseren waarop de interventies gebeuren, met name via het monodisciplinair plan van de nood- en interventieplannen, met het oog op een toekomstige harmonisatie;
6. Een werkmethode voorstellen om aan de interventieteams alle nodige middelen ter beschikking te stellen om in de hele zone te interveniëren (stratenplan, omleidingen, waterpunten, interventieplan, enz.);
7. De inventaris opmaken van de algemene gemeentelijke nood- en interventieplannen van de zone;
8. De inventaris opmaken van de punctuele risico's die reeds het voorwerp uitmaken van interventiefiches of van een bijzonder nood- of interventieplan;
9. Per geografische sector van de zone, de interventietijd evalueren van de nodige middelen voor elk interventietype;
10. Een harmonisatie voorstellen van de eerste uitrukken en de interventiemethodes;
Het opstellen van een gedetailleerde inventaris inzake de personele, materiële en procedurele middelen waarover de zone op dit moment beschikt om haar interventies uit te voeren.
Opdracht
De invullijsten voor de inventarisatie van het personeel, de opleiding, het materieel en de beschikbare middelen voor gespecialiseerde interventies zijn in opmaak en bijna voltooid.
Het was de bedoeling dat de inventaris inzake opleiding, bedoeld , aangevuld werd met een open bevraging, waarvoor een gedetailleerdere richtlijn overgemaakt zou worden. Deze richtlijn is niet overgemaakt.
De inventaris van de beschikbare middelen voor een eerste uitruk, betreft de middelen die binnen de 2 of 5 minuten kunnen uitrukken in het kader van de snelste adequate hulp, wordt opgemaakt door begeleidingsbureau.
Vaststelling:
- De korpsen zijn zeer divers georganiseerd, bestaft en uitgerust.
- Bijscholing hangt volledig af van het korps en de verschillen zijn groot zowel in aantal uren, kwaliteit, invulling, methodiek, ...
- Er is geen uniforme structuur noch aanpak op het vlak van oefenbeleid en te bereiken doelstellingen (deze zijn vaak zelfs niet gedefinieerd)
- De vereiste bezetting van een autopomp met 4 persluchtdragers en 1 onderofficier kan in bepaalde gevallen problemen opleveren.
De open bevraging inzake deze opdrachten leidt tot volgende vaststellingen:
- Interventiedossiers kunnen momenteel niet als maatstaf gelden, daar er ofwel geen, dan wel enkel achterhaalde dossiers beschikbaar zijn.
- Er is nog steeds geen voorstel van BNIP ter beschikking gesteld, hetgeen alvast een basis/aanzet zou kunnen zijn om tot een gedegen en aangestuurde oplossing te kunnen komen.
Algemene vaststelling:
Preparatie is het deel van de veiligheidsketen dat zeer divers wordt uitgevoerd. Het hangt van het korps af hoe en in welke mate de preparatie wordt ingevuld.
Interventieplanning verschilt naar opmaak, inventarisering, prioriteiten, manier van inzetten, ... .
Bijscholing wordt niet systematisch georganiseerd volgens een gestructureerd oefenbeleid. Evaluatie en kwaliteitsmeting ontbreekt.
Operatieprocedures verschillen van korps tot korps, in opmaak, gebruik, aantal ...
Gegevens bijhouden ten behoeve van de interventie verschilt van korps tot korps.
Al deze vaststellingen verstoren de optimale samenwerking..
Er is dringend nood aan een structuur die harmonisatie en samenwerking mogelijk moet maken.
B.4. UITVOERING
Uitvoering
1. Een wachtsysteem voor de hele zone voorstellen teneinde de beschikbaarheid van de middelen bij eerste uitruk te verzekeren;
2. Ontmoetingen voorzien met de andere Task-Forces van de provincie en de naburige zones uit andere provincies om de coördinatie met de externe partners te vergemakkelijken (met name dispatchingdiensten, politie, civiele bescherming, volksgezondheid en ziekenwagens).
3. Het aanmoedigen van overeenkomsten een dubbele uitruk te vermijden
Efficiënt interveniëren op het terrein overeenkomstig het principe van de snelste adequate hulp.
Opdracht
In het kader van de arbeidstijd-problematiek is de tabel “arbeidstijd” opgesteld door sommige korpsen.
Vaststelling:
- Korpsen hebben meerdere personeelsleden die meer dan 48 u/week presteren hebben zeker ook meerdere personeelsleden die onder die 10 uur (in meer tov 38 u) zitten, maar toch bijvoorbeeld 45, 46, .56.. u/week presteren. Het “uitmiddelen” van het probleem geeft een onvolledig beeld van de situatie. Bovendien maakt men de aard van deze prestaties onvoldoende inzichtelijk om hier besluiten uit te trekken. Buiten de interventies worden er ook opleidingen, recyclages, wachten, oefeningen, … e.d. gepresteerd.
- Er zullen in de toekomst meer personeelsleden dan nu meer dan 48 u/week moeten presteren. De uitvoering van de opdrachten van de wet zal aanleiding geven tot meer werk. Het adequaat optreden en onderhouden van de vaardigheden (zowel basisvaardigheden als specialisaties) zullen aanleiding geven tot bijscholing die beter gedefinieerd moet worden dan nu het geval is en leiden tot een noodzakelijk en vastgelegd aantal uren bijscholing.
- Op regelmatige basis is er een structureel probleem van onderbemanning, waardoor de hulpverlening volgens de SAH niet verzekerd kan worden. Zelfs invulling van de reguliere taken volgens de wet van 1963 wordt niet steeds gehaald, laat staan dat we in staat zullen zijn de nieuwe opdrachten zonder extra personele inbreng of structurele veranderingen aan te pakken.
- De bevraging geeft dus een onvolledig zicht op de mogelijke arbeidstijdproblematiek in de toekomst.
Een open bevraging inzake de wachtsystemen in de verschillende korpsen werd gedaan leidt tot de uiteenlopende vaststellingen:
- wachtdiensten permanentie
- wachtdiensten “weekdienst”
- wachtdiensten officieren
- oproepsysteem
- uitrukprocedures
Algemene vaststelling:
Uitvoering is het deel van de veiligheidsketen waarvan gedacht wordt dat het goed uitgevoerd wordt (core-business). De wachtsystemen zijn verscheiden naar aanpak, organisatie en invulling.
Uitrukprocedures zijn zeer divers naar aantal, uitwerking, opvolging, ...
Bepaalde korpsen roepen veel personeel op om zeker te zijn van de opkomst, al dan niet gebruik makend van een systeem van “status”melding. Tijdens de kantooruren kan dat gaan tot het volledige korps voor gelijk welke oproep ! De structuur om in een netwerk van posten samen te werken ontbreekt volledig. We hebben geen traditie van gestructureerde samenwerking. Deze vaststelling verstoort de samenwerking n.a.v. grotere interventies.
Momenteel is het binnen de huidige organisatie niet mogelijk om tegemoet te komen aan de taken en opdrachten zoals die aan de discipline 1 worden toegewezen in het kader van de nood- en interventieplanning. Inzake arbeidstijd dringt zich een oplossing op die aangepast is aan de specificiteit van het werk van de brandweer. De bevraging bewijst dat er veel meer uren worden gepresteerd dan strikt 38 u per week. De onvoorziene prestaties opnemen in de maximale arbeidstijd kan voor problemen zorgen. We stellen vast dat in alle korpsen er grote overtredingen met betrekking tot de arbeidstijd zijn, maar als alternatief geldt momenteel alleen maar de keuze om op bepaalde momenten de dienstverlening niet langer te verzekeren. Het oplossen van deze problematiek lijkt ons dan ook essentieel. We stellen ook heel wat personeelsproblemen vast die moeilijk lokaal oplosbaar zijn en nood hebben aan een federale of Vlaamse oplossing. Zonder dat van bovenuit krijtlijnen worden uitgezet zal de diversiteit in oplossingen alleen maar toenemen.
Opdracht
Deze opdracht heeft geen zin zolang de structuur van de samenwerking in een netwerk van posten niet is vastgelegd.
B.5. EVALUATIE
Evaluatie
1. De verschillende wijzen analyseren waarop de interventieverslagen ingevuld en verwerkt worden met het oog op een toekomstige harmonisatie;
2. Een methode voor debriefing van interventies voorstellen;
3. Een procedure voor evaluatie van de interventies voorstellen;
4. De evaluatiefiches opgemaakt naar aanleiding van de gezamenlijke interventies overeenkomstig de snelste adequate hulp verzamelen en analyseren.
Verbetering en harmonisering van alle operationele interventiegerelateerde aspecten.
Er is aangekondigd dat de verbetering en harmonisering van interventieverslagen, debriefing van interventies en evaluatie van interventies, uitgevoerd zou worden door het kenniscentrum zelf. Het aspect evaluatie diende aldus niet door de task forces uitgevoerd te worden.
De evaluatiefiches opgemaakt naar aanleiding van de gezamenlijke interventies overeenkomstig de snelste adequate hulp verzamelen en analyseren is niet mogelijk vermits hier geen initiatief genomen is om de TF’s in het bezit te stellen van deze fiches.
Algemene vaststelling:
Evaluatie is het deel van de veiligheidsketen dat structureel ontbreekt.
Methodes voor debriefing en evaluatie van interventies worden in bepaalde korpsen toegepast, zij het niet systematisch, noch gestructureerd en zeker niet op een eenduidige manier. De vraag is wat er met de vaststellingen van een debriefing of evalautie wordt gedaan (aanpassing operatie-procedures, aanpassing oefenbeleid, opvang hulpverleners,...) of kan gedaan worden met de beperkte voorhande zijnde middelen.
De kwaliteit van interventies kan niet gemeten worden. Het referentiekader waarin dit gebeurt is beperkt tot het eigen korps. Schaalvergroting en structuur zijn noodzakelijk.
B.6. PERSONEEL
Personeel
1. Een inventaris opmaken van de beschikbare personeelsmiddelen en er voor elk lid, de functie en leeftijd aanduiden, dit voor elke post en voor het geheel van de zone;
2. De personeelsleden identificeren die deelnemen aan de administratieve of logistieke opdrachten, en de impact berekenen, in VTE, door middel van bijgevoegd formulier ;
3. De private of openbare werkgevers van de vrijwillige brandweermannen identificeren;
4. De mogelijkheden inzake interne mobiliteit binnen de zone evalueren.
Een optimale verdeling van het personeel mogelijk maken.
Voor de inventarisatie van het administratief en logistiek personeel, werd een invullijst voor de berekening van het aantal voltijdse equivalenten ter beschikking gesteld.
Vaststelling:
- Personeelslijsten per korps werden opgesteld. Ook hier blijken de cijfers sterk afhankelijk te zijn van de interpretaties van welke taken administratief of logistiek zijn en welke als regulier in functie van de operationele opdrachten moeten beschouwd worden.
- Er is gebleken dat het niveau van administratie voeren zeer verschillend is van korps tot korps en dat voor een optimale verdeling van het personeel men een duidelijk beeld zou moeten hebben van de opgelegde administratieve taken (taken die uiteraard alleen maar zullen toenemen gezien het takenpakket steeds wordt uitgebreid).
- Ook de ondersteuning van technisch personeel zal in kaart worden gebracht.
B.7. FINANCIEN
Financiën
1. De inventaris opmaken van de financiële verbintenissen van de gemeenten en de posten:
− huur- en leasingcontracten,
− voorzieningen van openbaar nut,
− verzekeringen,
− bijstandsovereenkomsten met buurgemeenten,
− …
2. De inventaris opmaken van de financiële verbintenissen voorzien door de gemeenten op korte termijn ten gunste van de brandweer:
- aanwerving van personeel,
- aankoop van materiaal,
- …
3. De inventaris opmaken van de verscheidene premies en toelagen toegekend aan professionele en vrijwillige brandweerlui
Een overzicht hebben van de financiële situatie van de zone
Vaststellingen:
- Er is een grote verscheidenheid aan premies en toelagen, maar ook in de verloning van specifieke opdrachten, oefeningen, prestaties,...
- Er zal een voorstel tot zone begroting worden opgesteld door het begeleidingsbureau Soresma.
Oefenen midden de rook en het lawaai in de plaats van in een klaslokaal
Alle vrouwen en mannen die in België een brandweeropleiding volgen, gebruiken vanaf nu dezelfde cursus. Voordien organiseerden de 11 brandweerscholen in ons land elk hun eigen versie van een basiscursus.
De vernieuwde opleiding telt 40 uren meer dan de vorige en wil de opleiding nog meer praktijkgetrouw maken. Annemie Turtelboom, minister van Binnenlandse Zaken: “Hoofddoel is ervoor zorgen dat jonge brandweerlieden echt klaar zijn voor de gevaren en problemen op het terrein zodat ze de mensen nog beter kunnen helpen en zodat het ook veiliger werken is voor hen zelf.”
De nieuwe cursus is samengesteld door specialisten uit de verschillende brandweerscholen onder leiding van het Federaal Kenniscentrum van de Civiele Veiligheid.
In het kader van de brandweerhervorming is het aantal uren van de brandweeropleiding verhoogd van 90 naar 130. Die extra 40 uren gaan vrijwel allemaal naar praktijkoefeningen in zo reëel mogelijke omstandigheden.
Minister Turtelboom: “Vroeger werd reanimatie van een slachtoffer bijvoorbeeld aangeleerdop een pop in een klaslokaal. Maar dat strookt helemaal niet met de werkelijkheid op het terrein. In de nieuwe cursus wordt de reanimatie aangeleerd op een plek dicht bij een brand, waar collega’s aan het blussen zijn, waar veel rook en lawaai is, waar je moet samenwerken met dokters of verplegers of politie enz.”
“De opleiding leert de kandidaten geïntegreerd werken, samen met andere disciplines, en is daardoor veel realistischer en doeltreffender geworden.”
Nood
Aan de nieuwe syllabus is anderhalf jaar gewerkt door een werkgroep met specialisten uit de elf Belgische brandweerscholen. Het Federaal Kenniscentrum van de algemene directie Civiele Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, had de leiding over de werkgroep.
Monique De Knop voorzitster van de FOD Binnenlandse Zaken en van de beheerraad van het Kenniscentrum: “Door de hervorming van de civiele veiligheid met de herschikking van 250 brandweerkorpsen naar 32 veiligheidszones, was de nood aan een eenvormige, verbeterde opleiding zeer groot geworden. De uitwerking van een nieuwe syllabus was dan ook één van de prioriteiten voor Binnenlandse Zaken: de brandweermensen beter opleiden zodat ze veiliger kunnen werken.”
Dankzij de hervorming van de civiele veiligheid zullen brandweerlieden ook gemakkelijker dan voordien van korps kunnen veranderen. Het feit dat een brandweercommandant dan precies weet welke opleiding zijn nieuw personeelslid heeft gehad, is een extra voordeel voor de operationele werking.
Digitaal platform
De cursus wordt ook on line aangeboden op een digitaal platform dat de studenten de mogelijkheid biedt verschillende modules te raadplegen wanneer en hoe ze maar willen. Studenten kunnen bijvoorbeeld kiezen of ze over een bepaald
onderwerp algemene informatie wensen “om te weten”of ze meer details willen “kennen”.
De syllabus bestaat uit vier modules en een reeks oefenkaarten.
De modules zijn:
1. Brandbestrijding en hulpverlening met onder andere:
• De brandweer en het wegverkeer.
• Het verloop van een interventie.
2. Persoonlijke bescherming met onder andere:
• Adembescherming.
• Valbeveiliging.
3. Levensreddende handelingen met onder andere:
• Reanimatietechnieken en verstikking.
• Het verschijnsel “shock”.
4. Geïntegreerde praktische oefeningen
De oefenkaarten zijn fiches die oefeningen beschrijven en beoordelingscriteria voor de oefeningen voorstellen. Hierdoor kan een brandweerkorps oefenen wanneer het dat wenst en daarbij trainen de brandweerlieden op dezelfde zaken als hun collega’s elders in het land.
Dit systeem biedt meteen ook een belangrijk voordeel voor vrijwilligerskorpsen die dankzij het digitale platform de cursus en oefeningen altijd bij de hand hebben, ook in het weekend wanneer de meeste vrijwilligers vrij zijn om te oefenen.
De syllabus bestaat momenteel in het Frans en in het Nederlands. De Duitse vertaling is in de maak.
De vernieuwde cursus loopt sinds begin september xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />2010 in de brandweerscholen en in het zevende jaar integrale veiligheid in het technische onderwijs worden ook delen van de syllabus gebruikt. De studenten zelf zullen de vernieuwing vooral merken wanneer later in de opleiding de geïntegreerde oefeningen aan bod komen.
Nieuwe zelfmoordmethode gevaarlijk voor hulpdiensten
Buitenlandse hulpdiensten (Japan, USA, UK, Australië, Frankrijk en Nederland) hebben het Kenniscentrum voor de Civiele Veiligheid van Binnenlandse Zaken (KCCE) gewaarschuwd voor een nieuwe zelfmoordvorm met een mogelijk gevaar voor hulpverleners die als eerste tussenbeide komen.
Door het mengen van huishoudelijke chemische producten ontstaat een giftig gas waarmee zelfmoord wordt gepleegd. Meestal gebeurt dit in relatief kleine ruimtes zoals wagens of badkamers.
Personen die hulp willen verlenen, riskeren zelf ook door het gas bevangen te raken.
Hulpverleners moeten dus extra voorzichtig zijn als ze een slachtoffer vinden in een kleine ruimte waar ook verpakkingen van huishoudchemicaliën (verf, pesticiden, desinfecterende middelen, zwavelhoudende middelen enz.) te zien zijn en/of eventueel een pot of emmer waarin de producten gemengd werden.
Deze manier van zelfmoord plegen heeft aan populariteit gewonnen dankzij websites waarop de methodes beschreven worden.
In België is, voor zover gekend bij het KCCE, nog geen enkel dergelijk incident gemeld.
Met dit flash-bericht wil het KCCE alle hulpdiensten die op het terrein met deze zelfmoordmethoden in contact kunnen komen, bewust maken van het mogelijke gevaar en enkele tips geven opdat de slachtoffers toch kunnen geholpen worden zonder dat de hulpverlener daarbij gevaar loopt.
Dit type interventie kan voorkomen op de meest ‘gewone’ plaatsen waar een kleine hoeveelheid gas snel tot dodelijke concentraties aanleiding kan geven zoals in voertuigen, in badkamers van woningen maar ook zelfs in hotelkamers.
In Japan zijn al ongeveer 500 dergelijke incidenten gemeld, in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk telkens een tiental en één in Nederland.
Meestal worden huishoudelijke chemische producten die zwavel bevatten gebruikt ter vorming van het giftig gas waterstofsulfide (H2S). Daarnaast, in uitzonderlijke gevallen echter, wordt ook gebruik gemaakt van producten die de giftige gassen waterstofcyanide (HCN) of fosfine (PH3) vormen.
Mogelijke herkenningspunten:
Deze situaties zijn moeilijk te herkennen, maar we willen toch een aantal mogelijke herkenningspunten opsommen.
·Een niet reagerend slachtoffer of een slachtoffer dat geen teken van leven meer vertoont en die zich in een kleine ruimte bevindt.
·Recipiënten waarin de chemicaliën gemengd werden; een emmer, een pot, een koelbox
·Lege verpakkingen van chemicaliën ter plaatse of in de onmiddellijke omgeving
·De geur van rotte eieren, een amandelgeur of een andere onaangename geur in de omgeving
·Kieren, verluchtingsgaten, openingen mogelijk met tape dicht gekleefd
·In het beste geval een waarschuwingsbericht voor de hulpverleners
·Een afscheidsbrief
xml:namespace prefix = v ns = "urn:schemas-microsoft-com:vml" />