U vindt op deze weblog een selectie uit mijn gedichten,zowel in vaste als in vrije vorm (niet geplaatst in chronologische volgorde van schrijven) en columns. U kan ook googlen op mijn naam, dan komt u bij enkele gedichtensites en digitale poëzietijdschriften, of u kan de links aanklikken in de linkerkolom.
"Op papier" kunt u mij vinden in Krakatau nr. 45, in enkele bundels met geselecteerde gedichten uit poëziewedstrijden, in "Het beste van Poëzie in het Park" (Amsterdam Wereldboekenstad), in Opspraak Magazine nrs. 38 en 41, in de jubileumuitgave "Blauwbilgorgel 65 jaar" (Uitgeverij Liverse) en in mijn in eigen beheer uitgegeven bundel "Verzinnen".
De leerlingen die in de Muziekacademie van Oudenaarde zangles volgen bij Marielle Creemers staan nu donderdag op het podium van "De Woeker". Om 20u begint een concert van solisten en het vocaal ensemble, met pianobegeleiding. Na het concert kan iedereen genieten van een receptie. Zelf zal ik "Milord" van Edith Piaf brengen en mijn gezongen gedicht "Voyeur". Van harte welkom!
Ik ben niet van de dikste, eufemistisch uitgedrukt. Niet dat
ze mij zomaar door een sleutelgat zouden kunnen trekken (zoals mijn lieve moeder
zaliger placht te zeggen), maar er steekt liefst geen krachtige wind op als ik
mijn wasgoed aan de draad hang. Ik was nooit een zwaargewicht en waar de meeste
vrouwen na een zwangerschap een paar kilo's extra meezeulen, was het bij mij net
het omgekeerde. Gelukkig ben ik na twee kinderen gestopt! Ook mijn bolle wangetjes verdwenen samen met het bolle buikje. Pas op, je hoort mij niet
klagen. Ik eet wat ik wil, zoveel als ik op kan, een luxe, quoi!
Onlangs hoorde ik twee collega's praten over revolutionaire
lingerie die alle vetrolletjes zou doen "verdwijnen". Goedele Liekens
zou in een TV-programma bekend hebben dat zij het ook droeg, ter demonstratie
haar jurkje omhoog schortend. Waar dat vet dan wel naartoe ging, vroegen die
collega's zich af. Het zou me worst wezen (lekker, met appelmoes en frietjes én
een grote schep mayonaise). Toen ik enkele dagen later in een pashokje het door
mij fel begeerde nauwsluitende jurkje over mijn hoofd had getrokken en mijn
spiegelbeeld een kritische blik toewierp, kon ik er echter niet naast kijken:
er waren kwabbetjes te zien! Van die kleintjes. Van die mini-loempiaatjes. De dochter werd inderhaast geïnterpelleerd. Ja, zij zag ze ook. Maar ze vielen toch
écht niet op. Volgens haar. Nu ben ik het volstrekt eens met het protest tegen
anorectische fotomodellen en tegen het ongebreidelde fotoshoppen dat van elke
levende vrouw een barbiepop maakt, maar als je zelf de pop bent, wil je er
liefst wat ordentelijk uitzien in je barbiejurkje. Wat zou er ongezond of
nadelig kunnen zijn aan het dragen van de moderne versie van het corset?
Dus kocht ik het kleedje en ging op zoek naar wat, zoals
internet mij leerde, "shapewear" heet. Zoveel merken, zoveel modellen,
zoveel winkels. Ik stapte er een binnen en een vriendelijke juffrouw begeleidde
mij naar het rekje met het onaantrekkelijke-maar-o-zo-efficiënte ondergoed. Ik
bekeek de diverse modellen en koos een slip uit die tot onder je oksels kwam, mét pijpjes om de kwabbetjes zover mogelijk naar beneden af te leiden. Zelfverzekerd nam ik een small van het haakje.
"Het zijn wel ultrakleine maatjes," kreeg ik als advies. De juffrouw haalde de
short uit het zakje en spreidde hem voor me open. Voor zover je van
openspreiden kon spreken: het ding was nauwelijks 15 cm breed! Okee, het was
elastisch, maar het gaf zich niet zomaar gewonnen toen ik er mijn armen
doorstak om het open te rekken. Voor de zekerheid dus ook een medium mee in het
pashokje. Ik wurmde me in de mediumshort, die ik optrok tot aan mijn boezem. Tot mijn verbazing zat die
dwangbuis niet oncomfortabel. Wat zag ik er strak uit! Alle loempiaatjes
gladgestreken. Overal een egaal laagje crème au beurre. Ik liet mijn handen
over mijn middel, buik en heupen glijden... Ik zag er natuurlijk niet uit, met
zo'n ultramegamaxislip. Maar niemand die ze zou zien, onder mijn jurkje.
Waarom is een mens nooit onmiddellijk tevreden? Waarom moet men altijd controleren of iets anders niet nóg beter is? Waarom probeerde
ik of ik me niet tóch in een small kon proppen? Toen ik mijn ene been
erin had geperst en ik het tweede tegenstribbelende pijpje met ál mijn kracht wou
optrekken, schoot er een pijnscheut in mijn rechterschouder die elke volgende
poging onmogelijk maakte. "Gaat het?" vroeg de juffrouw meelevend. Neen, het ging absoluut niet. Die small was enkel geschikt om
te vullen met gehakt, bereid met fijne kruiden, beschuiten en een eitje, en in
de oven langzaam te garen.
Hoe dan ook, ik zal er prachtig uitzien op het personeelsfeest, in mijn
auberginekleurige jurk. Dankzij mijn figuurcorrigerende short, maat medium, zal ik glad als een paling-in-roomsaus door de zaal glibberen. Wel
vervelend dat ik momenteel op stuntelige manier de wagen in achteruit of in
vijfde versnelling moet zetten met mijn linkerarm en dat zelfs een boterham snijden een beetje pijnlijk is. Hopelijk zijn er hapklare brokjes op het feest.
Zoals elk jaar zoeken in de lanen naar haar leegstaand rijtjeshuis. Het is al lang niet meer de verse kuil, de omgewerkte aarde, de bouwput van mijn wolkenkrabbend verdriet.
Ik plaats het bloemstuk met chrysanten op de marmeren stoep. Dit huis is doods, hoewel er licht brandt in de lantaarn.
Ze was nooit de porseleinen foto, die ik koos. Ze is de handtekening op elk vergeeld schoolrapport, ze is mijn handgebreide trui, modieus... zo'n twintig jaar geleden. Ze is het reçuutje "ijscreem 10 frank" uit het pre-smiley tijdperk. Ik weet niet meer welk studievak toen ze dat ijsje naar mijn kamer bracht en of ik haar de dikke fooi gegeven heb die ze verdiende.
(dit gedicht van mij staat op de achterkant van het blaadje 31 oktober van De Druivelaar 2011)
De griespardot staat wat te grroemen temidden van een protterveld, bezaaid met viezeschetenbloemen: hij heeft ze allemaal geteld.
“Ik pluk er vijf om vuur te stoken, dan knalt het -grroem- in mijn fornuis, en acht om -grroem- kaduuf te koken, dan ruikt het lekker bij mij thuis.
Nog tien voor -grroem- mijn jaarlijks bad en twaalf gestrikt met stinkend smik: een -grroem- boeket voor griespardat, die houdt van schoonheid... net als ik! “
De gezongen versie kunt u beluisteren op http://gorgelrijmen.punt.nl/, waar ook de mooie tekening van Jaap van den Born te bekijken is.
we zetten een tent en we hangen ballonnen
we plaatsen wat tafels, wat stoelen, een bar
we poetsen trompetten, hoorns, bombardon en
we oefenen samen in onze fanfare
er zijn hapjes en drankjes (dus biertjes en wijntjes en sap voor de kleintjes)
en slingers en vlaggen
met leeuwen die kláuwen
met leeuwen die BRULLEN
- geen poezemiauwen! -
met leeuwen... die dansen
in de Vlaamse wind
in Vlaanderen, dat ons allen bindt!
Op uitnodiging van de werkgroep "Vlaanderen Feest" van de cultuurraad van Ronse zal ik op zaterdag 9 juli twee maal een kwartier gedichten voordragen en zingen. Gezien het thema zullen het opgewekte Vlaamsgetinte gedichten zijn. Er is begeleiding van de gitaren van de muziekacademie. Als afsluiting is er een optreden van Kieviev (jazz en kleinkunst).
Plaats: binnenplein van het MUST (museum voor textiel), Bruulpark (ingang in Sint-Pietersnieuwstraat of Priesterstraat), Ronse
Datum: zaterdag 9 juli, 16u30.
Iedereen is van harte welkom. Om zeker te zijn van een plaatsje kunt u best reserveren bij de cultuurdienst op 055/23.28.01 of mailen naar cultuur@ronse.be.
de lage zon schildert een zebrapad in onze diepe, lege
tuin de buren leveren boomzwarte verf wij een grasgroene straat daar
waar het kippenhok niet staat komen er al paaltjes uit de grond met grijs
kippengaas errond
zal ik oversteken? gaan kijken waar ik later eieren
zal rapen stront van legstokken schrapen
ach, stel je voor dat het
noodlot de trein die ginder verder rijdt vandaag plots van de sporen
scheidt zoals een dooier van het wit dan tokken hier bij voorbaat zulke
intrieste weeskipjes
Voor de liefhebbers van Vlaamse dialecten zong ik het ook eens
in het dialect van mijn jeugd. Dit is de streektaal van de regio ten noorden van
Gent (Oostakker, Zaffelare, Lochristi...), niet te verwarren met het Gents, wat
totaal andere klanken kent.
In Nederland vindt elk jaar op vier mei de nationale dodenherdenking plaats. Mijn dichtvriend Daan de Ligt schreef naar aanleiding hiervan het mooie gedicht "Verdwenen passagiers", dat ik van een melodie voorzag.
Van moeder mocht ik hem weleens gaan wekken. Dan sloop ik stil, zijn deur stond op een kier, de kamer in... en sprong, ik was toen vier, op bed om mij fluks naast hem uit te strekken.
Toen wachtte ik tot hij me toe zou dekken en op de deur zou kloppen (voor de sier). "Dag Sinterklaas! Ons meiske? Is niet hier." Al goed dat Sint het dek niet weg wou trekken!
Pépé liet steeds weer nieuwe mensen komen: ook Zwarte Piet en Mie Katoen of Knudde en allen werden door hem beetgenomen.
Zo klein ik was, ik weet nog hoe het ging, hoe hard mijn buikje van het lachen schudde. Ik heb aan hem slechts één herinnering.
Mijn peter, de vader van mijn moeder, stierf toen ik nog geen vijf jaar oud was.
Winnaar autobiografische sonnettenwedstrijd Het Vrije Vers
Het Vrije Vers, dé site voor "licht verteerbare (vormvaste) gedichten", organiseerde onlangs een autobiografische sonnettenwedstrijd, n.a.v. het verschijnen van "De ziel is een pannenkoek" van Patty Scholten (een autobiografie in sonnetten). Het door mij geschreven "Plezant" werd op 3 april door Patty Scholten als winnend sonnet aangeduid. Quirien van Haelen werd tweede met "Twee linkerhanden" en Rob Feenstra derde met "Zalm".
De prachtige tekening "Spring Fairy" van de Amerikaanse tekenares Ruth Sanderson inspireerde mij tot het schrijven van het gedicht "La primavera". Ruth was zo vriendelijk mij toelating te geven haar tekening op mijn twee weblogs te plaatsen. De (vernieuwde) Nederlandstalige en Engelstalige gezongen versies van "La primavera" zijn hier te beluisteren.
La primavera
jaloerse minnaar je verjoeg de herfst met zijn warme kleuren uit schrik dat hij me zou bekoren je huilde in kale bomen omdat ik sliep in je paleis van ijs onder je witte deken je zuchtte op plassen en beken die onder je kille adem bevroren
nu je me wakker kust, hoor ik je vragen of ik dit jaar de kristallen kroon zal dragen die op de troon naast de jouwe rust neen, en toch ben ik jouw koningin want wat geen sterveling vermoedt wij zijn voorgoed geliefden al is ons samenzijn steeds kort omwille van ons groot verschil
buiten ligt het leven stil zolang ik hier bij jou vertoef lief, ontdooi je koude armen al dat dode maakt mij droef ik wil de aarde weer verwarmen hoor je de vogels die me roepen? open de poorten, dit is mijn dag! ik strooi bloemen langs mijn pad volg mij in je laatste oogopslag
La primavera
oh jealous lover you chased autumn with his warm colours frightened that he would charm me you wept in leafless trees because I slept in your castle of ice under your white blanket you sighed on puddles and brooks that froze under your cold breath
now that you wake me with a kiss I hear you asking if this year I will wear the crystal crown that lies on the throne next to yours no, and yet I'm your beloved queen whereas no mortal soul suspects we are for ever lovers although the moments we share are rare because of everything that parts us
outside life is standing still as long as I remain with you dearest, thaw your icy arms this lifeless nature makes me sore I want to warm the earth once more d'you hear the birds that are calling? open the gates,this is my day! I'll sprinkle flowers on my way follow me at your last glance
Met dit sonnet behaalde ik de zesde prijs in de Willem Wilminkdichtwedstrijd 2011 (NL). De door Gerard Haverkort opgelegde dichtregel die er onveranderd moest in voorkomen was: "in ieder einde schuilt een nieuw begin".
Het gras aan de Overkant
In ieder einde schuilt een nieuw begin,
dat willen veel religies doen geloven.
Dus na het ondermaanse volgt Hierboven
de zoete troost, Gods roze suikerspin.
Zo'n stelling geeft het leven toch meer zin?
Want ben je rijk of valt er niets te roven
en ben je clean of kierewiet gesnoven,
de hemeltram heeft plaats zat achterin.
Tenzij je het een tikje anders ziet,
dat al wie niet meer is, niet meer dan wás,
wie met of zonder zin het leven liet,
terugkeert als een bloem of geurig gras.
En dan gegeten wordt door geit of koe?
Ik ben dat nieuw begin op voorhand moe.
Een verslag van de prijsuitreiking, de namen van de winnaars en de gedichten van de eerste drie vindt u hier:
Ik kreeg het leuke nieuws dat ik één van de tien genomineerden ben in de Willem Wilminkdichtwedstrijd 2011. De prijsuitreiking vindt plaats op zondag 13 maart.
"Voor de vijftiende keer organiseert Bibliotheek Almelo, samen met De Twentsche Courant Tubantia de jaarlijkse dichtwedstrijd naar aanleiding van een gegeven regel door een gastdichter. Juryvoorzitter Gerard Haverkort neemt na 15 jaar afscheid en treedt nog eenmaal op als gastdichter. De regel die hij heeft bedacht luidt: In ieder einde schuilt een nieuw begin.
In de zomer van 1996 constateerde dichter Willem Wilmink, te gast in een radioprogramma vanuit de bibliotheek, dat poëzie in vroeger eeuwen een veel socialer karakter had dan nu. Hij verwees naar de 15e-eeuwse dichter / prins Charles d’Orleans die gasten op zijn kasteel pas toeliet nadat zij een gedicht hadden gemaakt op de vaste regel: “Ik sterf van dorst met de fontein voor ogen”. Het leek Wilmink een aardig idee om zoiets weer in ere te herstellen. De bibliotheek nam de uitdaging aan en vroeg Willem om een passende regel te bedenken die in de ingezonden gedichten moest voor komen. Via publicatie in met name De Twentsche Courant Tubantia resulteerde dat in 320 inzendingen. Wilmink vroeg vervolgens Jean Pierre Rawie om hem op te volgen. Dit leidde er toe dat achtereenvolgens Driek van Wissen, Drs.P., Patty Scholten, Jan Boerstoel, Ivo de Wijs, Kees Torn, Frank van Pamelen, Jan J. Pieterse, Katinka Polderman, Maarten van Roozendaal, Theo Nijland en Daniël Samkalden elkaar als gastdichter opvolgden."
Ik voorzag nogmaals een humorgedicht van Jan Haak van een melodie. De gezongen versie is - zoals steeds - te beluisteren op http://veradebrauwer.punt.nl/
Oppas
Het spijt mij dat U nu zo snel de weg naar huis weer vond dat de
scherven van de voordeur hier nog liggen op de grond dat de taart die ik
wou bakken leidde tot wat ongemakken die ik nu niet wil bespreken want
ik lig hier zwaargewond
maar het spijt mij van uw keuken en vooral ook van uw hond
Ik weet niet wat er waar te doen is rondom gorgelrijmen, ik stel alleen vast dat mijn weblog de laatste tijd regelmatig bezoekers over de vloer krijgt die de zoekterm "gorgelrijmen" ingetikt hebben.
Speciaal voor hen, die dan rechtstreeks in de rubriek "gorgelrijmen" belanden en de homepage niet zien:
ik heb sedert kort een nieuwe weblog waar al mijn gorgelrijmen terug te vinden zijn: http://gorgelrijmen.punt.nl/. Op bloggen.be staat enkel een selectie.
Er is een nieuw nummer beschikbaar van de periodieke internetpublicatie "De Vallei". Dit is een uitgave van François Vermeulen waarin telkens één schilder centraal staat. Aan vijf dichters wordt gevraagd een gedicht te schrijven bij een schilderij naar keuze. In De Vallei III zijn vijf schilderijen terug te vinden van Fokko Rijkens met bijhorende gedichten van Catharina Boer, Romain John van de Maele, Marleen van der Velden, Gerard Scharn en mezelf.
Om in te schrijven op de mailinglijst zodat u verwittigd wordt van elke nieuwe uitgave, gelieve te mailen naar Xfrançois.vermeulen1@Xtelenet.be (de letters X uit dit adres verwijderen).
Op zondag 30 januari mocht ik in Cultureel Centrum De Schakel in Waregem de eerste prijs ontvangen in de 18e Georges Leroy poëziewedstrijd, categorie volwassenen. De tweede prijs ging naar Rik Dereeper voor zijn gedicht "Begin". De prijsuitreiking maakte deel uit van een gevarieerd programma met muziek en dans, gebracht door de Stedelijke Kunstacademie. De tweejaarlijkse poëziewedstrijd wordt georganiseerd door Marnixring Leeuwercke Waregem.
Winnaars sonnettettewedstrijd van het Dagblad van het Noorden bekend
Ik kreeg daarnet volgend aangenaam bericht:
Met deze mail wil ik bekendmaken dat de jury van de Driek van Wissen Sonnettette Competitie - Jean Pierre Rawie, Jan Boerstoel, Bert Visscher - uw inzending wil belonen met een exemplaar van de bundel De laatste jaren van Driek van Wissen.
U krijgt het beloofde boek zo spoedig mogelijk thuisbezorgd.
De sonnettette (of het snelsonnet) is een door Driek van Wissen (voormalig Dichter des Vaderlands van Nederland, die vorig jaar overleden is) uitgedacht genre. Ter gelegenheid van het verschijnen van de bundel De laatste jaren, met de mooiste sonnettettes van Driek van Wissen organiseerde het Dagblad van het Noorden deze competitie. De sonnettette is een gedicht in vaste vorm, een tot zes regels verkort sonnet dat als rijmschema ABBA CC heeft. Het onderwerp moet uit de actualiteit komen. De uiteenzetting vindt plaats in de eerste vier regels en daarna volgt de conclusie, de clou. Het metrum is een vijfvoetige jambe, dus afwisselend onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen.
Er waren 483 inzendingen en de jury koos er de voor hen beste tien uit, waaronder mijn sonnettette. Deze tien werden gepubliceerd in het dagblad van 27 januari, gedichtendag. Als ik het goed heb, ben ik de enige Belg in het rijtje... én de enige vrouw.
Miss Belgiës doornenkroontje
Hoera, er is een nieuwe miss in 't land.
Het is - alweer - een Vlaamse jongedame.
Ze is tweetalig, hoeft zich niet te schamen.
Al vindt men het wat vals langs Waalse kant.
Ach, hadden zíj op 't Nederlands gezwoegd,
dan waren zij misschien niet zo missnoegd.
(Er was enige commotie bij de Waalse kandidaten voor de Miss België-verkiezing die de beoordeling van de jury niet onpartijdig vonden. Volgens de organisatoren van de wedstrijd moet Miss België tweetalig zijn, wat bij de meeste Waalse meisjes niet het geval was.)
Op verzoek van Jan Haak zette ik twee jaar geleden zijn gedicht "Holle" op muziek. Jan vroeg of ik ervoor voelde nogmaals een melodie te bedenken. Ik koos zijn gedicht "Poespas". Jans gedichten zijn te lezen op zijn weblog http://www.janhaak.web-log.nl/ Daar zijn eveneens de gezongen versies van 'Holle" en "Poespas" te beluisteren, alsook op mijn weblog met gezongen gedichten http://veradebrauwer.punt.nl/
Wie de bekendste scheurkalender van Vlaanderen in huis heeft hangen, leest op de achterkant van het blaadje van 31 december 2010 volgend gedicht van mij :
Gisteren maakte ik gebruik van mijn drie kwartier
middagpauze om twee boterhammen soldaat te maken (uitzonderlijk bleef de derde
gespaard omdat het zo druk was op de dienst dat ik eigenlijk geen honger had)
en daarna het centrum in te duiken om een kerstcadeautje te kopen. In het
kitscherige juwelenwinkeltje waar ik vaste klant ben, zag ik toevallig de muts
met pompon van mijn puberdochter passeren. Om het einde van de examens te
vieren maakte ze samen met enkele klasgenootjes een uitstap naar Gent.
Correctie: naar de Veldstraat, dé winkelstraat van Gent. Kijk eens wat een
mooie ring? Ik denk dat ik hem ga kopen. Ja, doe maar meisje. Zelf kocht ik een
paar oorringetjes voor het dochtertje van mijn zus: zilveren strikjes met
zirkoontjes. De bijzonder kleurrijke taartjes-met-slagroom of
regenboogjes-met-wolkjes zullen haar oorlelletjes niet sieren.
Nog veertien minuten over. Ik twijfelde of ik nog naar de
Lange Munt zou gaan en vertrok dan toch, in looppas. Ik sprong de winkel
binnen, liep naar achter, grabbelde in één der manden, haalde er een zwarte
legging uit met fronsboord en sierknoopjes onderaan en toog naar de kassa. De
lengte van de rij leek mee te vallen. De volgende klant. Een probleempje.
Probleempje opgelost. De volgende klant. Een babbeltje. Ik begon het warm te
krijgen. De vrouw vóór mij had een mand vol artikelen. Ik waagde de gok: of ik
misschien mocht vóórgaan? Ik had maar één artikel, het geld reeds in de hand en
ik moest vóór twee uur terug zijn op mijn werk... alstublieft mevrouw? Nee, dat
ging niet. Ze had zelf al óveral zólang moeten aanschuiven, zei ze pinnig. Dan
zal ik wel heel hard lopen, antwoordde ik. Waar al haar aankopen gebleven
waren, was mij een raadsel want ze had slechts één zakje bij en een handtas.
Het was haar beurt, alles werd één voor één uit het mandje geladen, ingescand.
Een stickertje zat niet goed, moest worden platgedrukt,... Ik begon eraan te
denken de legging gewoon aan de kassa te laten liggen. Een zakje?Alle artikels in de zak... bankkaart
uitgehaald... even wachten... code intikken. Toen ze vertrok, kon ik niet
nalaten haar te bedanken voor haar vriendelijkheid. Het was heel graag gedaan,
zei ze. Ik betaalde supersnel mijn éne artikeltje en spurtte naar het werk waar
ik net op tijd maar totaal buiten adem toekwam.
Ik wens alle mensen van goede wil een mooie kerst!
En de
anderen... Mag ik het even niet zo erg vinden mochten ze vandaag, wanneer ze
nog snel naar de winkel willen om dat doosje garnalen te kopen dat ze vergeten
waren, in een ellenlange rij moeten aanschuiven aan de kassa, met vóór hen
alleen maar mensen met bomvolle karren. En dan graag bovenop die kar telkens
één zwarte legging, met sierknoopjes uiteraard.
Wie hier af en toe komt lezen weet dat mijn moeder aan borstkanker overleden is. Bij mijn vier jaar jongere zus
werd er twee maanden geleden dezelfde ziekte vastgesteld. Er ging een
schokgolf door de familie. Na weken van twijfel en ongerustheid is er de
zekerheid dat er geen uitzaaiingen zijn, dat er geen chemotherapie moet, wel een
reeks van 30 bestralingen, het nemen van medicatie gedurende vijf jaar en het laatste
deel van de therapie, dat wij samen volgen: het proberen overwinnen van de
knagende angst.
Plots zijn bepaalde zaken nóg banaler dan ze soms leken.
Ach, wat woorden in een vorm gegoten, een paar zich herhalende klanken,
wat verzen in groep die zich gedicht noemen; het bejubelen of de grond in boren
van dichters in literaire bladen of op internet; de ergernis omwille van het omringen met een aura van
Grote Kunst van onbenullig of onbegrijpelijk proza dat in regeltjes gekapt
geserveerd wordt als Poëzie; de uitnodiging voor een voordracht of de afwijzing
voor een publicatie; het bijhouden van een weblog... Who cares?
Zeker als je ziet dat het overgrote deel van de verdwaalde voorbijgangers slechts een korte blik in de vitrine werpen omdat ze eigenlijk
op zoek zijn naar iets totaal anders. Bijvoorbeeld naar een artikel over een
vrouw die zwanger werd door kikkerdril (ik schreef een stanka over kikkerdril),
naar het recept van salade folle (die salade werd vernoemd in een column), naar
gedichten over Star Wars (ik schreef ooit dat mijn zoon fan is van Star Wars),
of waarom niet: naar sexy kerstgedichten, stoute sms-gedichtjes (misschien moet
ik een categorie met uitdagende gedichten openen?), grappige snuiten (kijk, ik
trek er weer een, gezien?), een pijnlijke nek, de Franse vertaling van
oogwallen (des poches sous les yeux, alstublieft, neem ze maar mee), wat je
moet doen "tegen" een puber van twaalf jaar (wil die persoon dringend
contact opnemen als die het antwoord gevonden heeft?), hoelang je een infrarood lamp moet
gebruiken bij pijnlijke spieren (ik raad aan: een kwartiertje), de flaptekst
van FC De Kampioenen (du-uh?), tafelkleden van 3 suisses, een groene smiley met
oortjes (ik had het in een column over een groene BRIL met oortjes, flapdrol!),
pijn in de rechterzij (proberen op de linkerzij te slapen?), Rosco voetbaden
(huh?), een trouwboeket om in Ronse aan de wagen te hangen (gefeliciteerd met
jullie huwelijk), tot zelfs een verwelkomingswoord op de koffie bij een
begrafenis (mijn innige deelneming).
Dankzij de statistieken van Statcounter kom ik zelf ook dingen
te weten, bv. dat de Cour du Nord zijn michelinster kwijt is. Als men nu denkt
dat ik mijn sonnet "Verzinnen" (waarin die michelinster ter sprake
komt) ga aanpassen, is men goed mis. "Oud Sluis" en "Het
hof" (van Cleve) rijmen nog steeds niet op loer of op snoer. Voor wie mijn bundel kocht: er wordt dus géén
geld teruggegeven omdat er vanaf nu in het titelgedicht een onwaarheid staat. Wie
een bundel met zulke titel koopt, vraagt om bedrogen te worden.
men mag gerust beweren dat ik in mijn schrijven niet kan relativeren
ik haal mezelf niet door het slijk ik maal mijn ganse zelf tot stof er hoeft niet eens geveegd de tijd verwaait me wel
veel liever dan het groot gelijk haal ik elke dag opnieuw de simpele zin tot leven in dit hol waar wolvenkreten schapenvacht doen beven
de hemel heb ik al geproefd en ook de hel heb ik gezien waar men in 't aanschijn van de dood zich schommelend troost en wiegelieden neuriet uit een onbestaande taal
heb geduld eens komt de dag waarop ook jij ze kan verstaan
Afgelopen zaterdag ben ik nog eens gaan eten met een vriendin. In juli dit jaar schreef ik volgende column.
Ik ga uit eten met Vriendin. Vroeger zagen we elkaar
wekelijks, maar sedert ik in Gent werk, zijn onze etentjes vrijwel de enige
momenten waarop we elkaar terugzien. Eigenlijk is dat eten bijzaak. Het
moet wel lekker zijn, maar we nemen
nooit een uitgebreid menu, anders blijft er tussen het knabbelen geen tijd over
om te babbelen.
We ontmoeten elkaar ergens halverwege, want we wonen een
heel eind vaneen. Vroeger gingen we naar de Soup- and Saladbar, tot die op
zekere dag zijn soepterrines met bloemetjes vulde. Hopelijk niet omdat veel
klanten net als wij na het eten profijtig met een paar drankjes bleven
kwebbelen tot sluitingstijd. We vonden een nieuwe tettertent in De oase. De eerste
keer dat we daar toekwamen, stond er een batterij motoren geparkeerd aan de
ingang. Het eet- en praatcafé was
blijkbaar het trefpunt van een motorclub. Een beetje onwennig beenden we tussen
de motoren door en passeerden langs de bar. Na het ruilen van piercingringetjes en het
bewonderen van elkaars tatoeages, lieten
Vriendin en ik de motards achter. In het aanpalende restaurantgedeelte lieten
we ons de maaltijd smaken en De oase werd ons vast adres. Enkele maanden
geleden stonden we echter voor een gesloten deur. Dan maar weer een andere
babbelstek gezocht. Zo één waar de witte gesteven tafelkleden tot op de grond
hangen. Waar naast het bord een heel arsenaal aan wapens wacht, waar voldoende
glazen van verschillende grootte op tafel staan om een glazenconcert te geven.
Iep iep iep, met onze wijsvinger rondjes draaiend op de randen van de glazen
bekeken we de menukaart. Een salade dan maar?
Een karafje witte wijn voor mij en naar gewoonte het horizontaalste water
voor Vriendin. Terwijl langs ons de meest succulente schotels passeerden,
prikten wij sobertjes in onze brokjes rauwkost. En hoe gaat het nu met...? Weet
je al iets van...? Herinner je je nog dat...?
waren de verschillende gangen van ons menu. Na afloop elk een Koffie met
hoofdletter-van-vier-euro-het-stuk en een met zoenen beklonken Tot weerziens,
niet gericht aan de kelner.
En nu hebben we weer eens afgesproken. Een telefoontje naar
ons motorcafé leert mij dat het uitzonderlijk gesloten is vanavond. Vriendin en
ik laten dus ons leren pakje in de kast hangen en kiezen voor een
"loungy" restaurant. Buiten of binnen? Vriendin wil graag binnen,
omwille van het vele lawaai buiten. Ik
bestel de "salade folle". De verkiezingsuitslag ten spijt zet de fiere Vlaming toch graag op zijn
minst één gerecht in het Frans op zijn menukaart. Vriendin kiest de linguine met
scampi's. Nog maar net is de traditionele
witte wijn en het water gebracht of Vriendin krijgt het te warm. Toch maar
buiten? Snel, er is nog één tafeltje vrij. We kapen het weg voor een koppel
dat komt aangeslenterd en we verhuizen
glazen en bestek. Nu zitten we op een groot rond punt. Letterlijk. Gelukkig zit
er nog een trottoir tussen of de chauffeurs konden de scampi's uit Vriendins
bord vissen. Na het eten blijven we een hele tijd plakken, aan de kunstlederen
stoelen. Wanneer de vriendelijke kelner een grote grijze plastic zak komt buitenzetten,
"met de was, want die moet ook gedaan worden", besluiten we op te
stappen, vóór we een doos Dash in onze handen gestopt krijgen.
Dit gedicht schreef ik toen Silke de overstap maakte van het lager naar het middelbaar onderwijs. Ondertussen zit ze reeds in het vierde jaar.
Jipsel
een boekentas en een rok zijn daar even zeldzaam als een nijlpaard met een slurf ! ze haalt de boekentas van haar schouders en buigt door blote knieën
zo ? vraagt de slechte moeder die haar voor de start op de middelbare school met twee beslurfde nijlpaarden heeft opgezadeld wat nu ?
ha ! ik ga ze drágen, mamsel ! maar ik ben niet de enige er is ook nog een jongen
met een rokje ? knipoog ik ja natuurlijk, toch niet met een boe-ken-ta-as !? ik kijk haar in mijn ogen en antwoord ondanks mijn hekel aan Engelstalige uitdrukkingen that's the spirit, girl !
jipsel ! lacht ze en gooit haar sproetjes in de lucht
Werelddag van verzet tegen armoede en sociale uitsluiting
Aan de vooravond van de werelddag van verzet tegen armoede en sociale uitsluiting organiseert VZW De Vrolijke Kring een samenkomst met toespraken, animatie, een hapje en een drankje.
Geïnteresseerden worden morgen verwacht in Ronse. Een gedetailleerd programma vindt u op hun website: http://www.devrolijkekring.be/
Er is twee maal een blok animatie voorzien: van 14u tot 15u en van 15u30 tot 16u30 (daartussen is er gelegenheid om bv. een koffie te gaan drinken). Zelf zal ik tijdens het tweede blok animatie mijn gedicht "Samen-slaan" voordragen en de gedichten "Hé" en "De Koeliebrom" zingen. De gedichten werden speciaal voor De Vrolijke Kring geschreven. De gezongen versies zijn te beluisteren op http://veradebrauwer.punt.nl/
Het gedicht "Samen-slaan" werd geïnspireerd door het project "Armoede, een blok aan ons been", waarbij iedereen in Ronse een stukje kon gaan afkappen van een groot betonblok om zo zijn solidariteit te betonen met mensen die in armoede leven.
Winnend gedicht Julia Tulkens poëziewedstrijd 2010
Ik kreeg daarnet te horen dat mijn gedicht "Voyeur" de hoofdprijs heeft gewonnen in categorie C (zonder leeftijdsbeperking) van de Julia Tulkens poëziewedstrijd 2010. Jammer genoeg werd het door de organisatoren ingesproken bericht in de spelonken van de gsm-telefonie achtergehouden, zodat ik hier niet tijdig van op de hoogte was om bij de prijsuitreiking aanwezig te zijn. Magere troost: ik lag zaterdag de hele namiddag en avond met migraine te bed, zodat ik hoe dan ook afwezig had moeten blijven.
Het toeval wil dat ik voor dit gedicht nog maar net een melodie bedacht heb, die te beluisteren is op http://veradebrauwer.punt.nl/
VOYEUR
tijdens een zonbestoven middagpauze
winkelwandel ik naar het tweedehands literair salon
waar ik nooit zonder gezelschap buiten kom
mijn flemende vinger streelt de namen van dichters
wiens bravoure verstilde
wiens bundel men kwijt wilde
wegens
te vernieuwend, te oud
te braaf, te stout
te hermetisch, te open
of gekregen wat men nooit zelf zou kopen
wie zal ik behoeden voor het onverschillige stof
dat noch de verwaande, noch de bescheiden dichter ontziet?
daar prijkt onverwacht de begeerde bundel
warmbloedige verzen, met kunde vertaald
ongeschonden, hij lijkt haast niet aangeraakt
gulzig sla ik het eerste blad om
struikel languit
over de opdracht
hoe zij met Valentijn 2007 wou verdrinken
in zijn blauwe ogen
ik voel me een indringer in hun verhaal
een dief, een voyeur, ik zou dit niet mogen...
en dan het besef dat dit boek werd verkocht
dat het lezen, bespotten en zelfs het verscheuren
van dit tweede blad mocht
geschreven na het kopen van de door August Willemsen vertaalde bundel "O amor natural" van Carlos Drummond de Andrade, in boekhandel De Slegte in Gent
Ik heb een pijnlijke nek. Dat is - letterlijk - een oud
zeer, ik sukkel er al jaren mee. Op vakantie had ik er weer meer last van en ik
besloot gebruik te maken van de "wellnessfaciliteiten" die het hotel
aanbood. Een rug-, nek- en schoudermassage zou mijn zeurende spieren wat
opbeuren. Nadat de masseur zijn handen
in mijn nek gelegd had, zei hij op zorgelijke toon iets in het Duits, waarvan
ik vermoed dat het de ernst van de situatie onderstreepte. Tenzij het een per
ongeluk luidop uitgesproken vaststelling was dat mijn nekhaar toch wel heel
diep doorgroeit op mijn rug. Feit is dat de massage deugd deed.
Terug thuis besluit ik eindelijk stappen te ondernemen voor het
definitieve wegwerken van het ongemak. Dus ga ik bij de huisarts. Ook die legt
zijn handen in mijn nek en doet een niet mis te verstane uitspraak:
kasseistenen. Hij wil me wel naar een kinesist sturen, maar dan moet ik ook aan
mijn houding werken. Anders heeft een behandeling geen nut, zegt hij vermanend.
Met het voorschrift in de hand, kom ik in kinesistenland.
Massage, ultrasone behandeling, wegwerken van verklevingen in de buik om de
houding te verbeteren, oefeningen, alles wordt uit de kast gehaald. Als het
maar helpt, denk ik.
De kinesiste gaat liggen op de behandeltafel om wat zij een
zware oefening noemt voor te doen. Ze legt een dikke rol onder haar
schouderbladen. Ruglig, de knieën geplooid, de armen in de nek en de ellebogen
de tafel laten raken. Diep inademen en tijdens het uitademen de borstkas naar
beneden drukken. Hoe moeilijk kan het zijn? Ik kruip na haar op de tafel. Onder
mijn schouderbladen legt ze een handdoek die in een rolletje gedraaid is. Dat
is gemakkelijker om mee te beginnen, zegt ze. Ik begrijp meteen waarom. Mijn
hele rug doet pijn, mijn ellebogen zweven minstens vijftien centimeter boven de
tafel. Het lukt me niet, hoe zeer ik het ook wil. Help! Als ik de oefening een
aantal dagen om de twee uren herhaal, zal ik grote vorderingen maken, belooft
ze.
Ondertussen zijn we twee weken verder. Zelfs de dagen dat ik niet buitenshuis ga werken, valt het me op hoe verbazend rekbaar het begrip "om de twee uren" is. Mijn dochter helpt af
en toe om mijn ellebogen, die zich nogal verheven blijven gedragen, met zachte
overtuigingskracht wat laagbijdegrondser te krijgen. Na enkele minuten rol ik op
mijn zij en kruip als een gebroken sperzieboon kreunend weer recht. Silke wil het zelf eens proberen. Ze gaat languit liggen op het matje, rolletje
onder de schouderbladen, de lange puberbenen geplooid, haakt in haar nek de
handen in elkaar en legt met een
zwierig gemak de ellebogen plat op de grond. Maar mama, je moet toch gewoon je
ellebogen laten vallen? Daar is toch niets moeilijks aan? Mijn wenkbrauwen
fronsen kan ik nog net zo energiek als zij.
Gisteren ging op het stadhuis van Gent de prijsuitreiking door van de sms-poëziewedstrijd georganiseerd door de mobiele operator Base en het Festival van Vlaanderen, in samenwerking met het Poëziecentrum Gent. Het thema was dit jaar "Beyond dreams" en Marleen Pauwels schreef het sms-gedicht dat de jury het meest kon overtuigen. Voor mij bleef het bij een nominatie voor het volgend gedichtje:
leg hier uw dromen af
deponeer ze in de kist
neem aan de balie uw ticket voor illusieloze realiteit
geef via dit luik uw <3 in pand
u raakt het nooit meer kwijt
We konden net als alle genomineerden genieten van het openingsfeest van het Festival van Vlaanderen: Odegand. We maakten een keuze uit de reeks concerten en vooral het laatst bijgewoonde zal me bijblijven. Het optreden van Lavinia Meijer, een Nederlandse harpiste, was ronduit práchtig. Ik werd tot tranen toe ontroerd en kocht na afloop haar CD "Divertissements", die zij met veel plezier signeerde.
Op de weblog van de Landelijke Gilde Etikhove is een korte videoreportage te bekijken van de hoevewandeltocht 2010. Wil u op een minder vermoeiende wijze de wandeling door het prachtige landschap van de Vlaamse Ardennen meemaken, klik dan zeker eens door. Het is de moeite waard.
Ik kijk heel
weinig televisie, maar zelfs mij ontgaat het niet dat er zoveel kookprogramma's
op de buis zijn. Op alle zenders, in alle talen moet er gekookt worden. Liefst
in competitie: moge de beste kok winnen. Ik laat me daardoor geen complex aanpraten,
maar toch word ik erdoor beïnvloed. Worst met spruitjes en patatjes... het is
lekker, maar het Hof Van Cleve zou het niet op zijn menu zetten. Ach Peter, prijs
u gelukkig dat ge mij niet moet jureren! Mijn huisgenoten zijn minder kieskeurig
en let wel: het is best smakelijk wat ik hen serveer. Maar het is gewone kost,
zoals mijn moeder die klaarmaakte.
Soms probeer
ik wel eens een receptje. Daar heb ik er overigens genoeg van. Als ik wil kan
ik voor de rest van mijn leven elke dag iets anders uit de pan of oven
toveren. Dat komt omdat ik niet alleen enkele kookboeken heb, maar ook
kaften vol met door de jaren heen verzamelde knipsels. Wanneer ik in een tijdschrift of een reclameblaadje een recept lees
waardoor mijn smaakpapillen aan het dansen slaan, dan moet ik het
toch bewaren? Je weet maar nooit dat het er eens van komt om het te proberen. Dan is er ook nog het internet. Soms laat ik het world wide web gewoon de inhoud van mijn koelkast kennen en onmiddellijk krijg ik een overvloed aan recepten. Spijtig genoeg zitten er altijd instinkertjes in. Likkebaardend ga ik het lijstje ingrediënten af. Ik heb alles in huis om het waterindemondopwekkend gerecht te bereiden, behalve één cruciaal ingrediënt. En dus wordt het weer: geef ons heden onze dagelijkse kost.
Het nagerecht waarvoor ik altijd wel de benodigde ingrediënten in huis heb, is chocolademousse. Mijn dochter is er verzot op. Toen ze de
eerste keer zelf chocolademousse wou maken, had ze de keuze uit wel acht
verschillende recepten uit moeders verzameling. Ze is ze nu één na één aan het
proberen. Valt het tegen, dan zijn we onverbiddelijk en belandt het recept in
de papiermand. Het ideale hebben we jammer genoeg nog niet gevonden. Nu ja,
jammer... slecht is het natuurlijk nooit en het is een mooi excuus om vaak chocolademousse te kunnen eten. En het komt de werkgelegenheid bij Côte d'Or ten goede.
Dit weekend
hadden we vrienden op bezoek. Voor de hoofdschotel zou ik hen confronteren met
de uitvoering van een recept in Vera groot, maar als voorgerechtje had ik - mea
culpa - iets uit de diepvries voorzien: bladerdeegmandjes met ham en kaas. De
oven tien minuutjes voorverwarmen en dan hetgeen voor een mandje moest doorgaan
vijfentwintig minuten bakken. Ondertussen acht bordjes klaargezet, elk voorzien
van één groot blad eikenbladsla waarop het mandje mocht rusten en daarnaast een
hoopje krulsla in stukjes geknipt. Ik zag in gedachten Peter Goossens een plukje sla
vastpakken en betitelen als "konijnenvoer", zodat ik het garnituur nog
snel besprenkelde met een in der haast geklutst vinaigretje.
Mama, waarom
liggen er maar zeven van die dingskes op de plaat? Zeven? Ik staar verbijsterd
naar de bakplaat die ik net uit de oven gehaald heb. Waar is nummer acht
naartoe? Er zaten er toch vier in één doos? Ik draai me om naar het aanrecht en
zie in de kleinste spoelbak een bladerdeegmandje liggen, nog mooi in de
verpakkingsfolie. 't Is niet waar hé! Ik gil het uit. Kom, schuif het snel in
de oven, zegt mijn man. Maar dat moet vijfentwintig minuten bakken, klaag ik. We besluiten om elk een halfje te nemen en het verloren gelopen mandje
te bakken en te houden voor de volgende dag. Lekker hoor, zeggen de vrienden
goedmoedig. Had ik niet zo'n zielig half hetlijktnieteensopeenmandje op mijn
bord gehad, dan had ik nog luchtigjes kunnen antwoorden dat zelfs de grootste
domoor ze uit de verpakking kan halen en in de oven kan schuiven. Hm, hm, knor ik
instemmend.
---
Recept van de heel
kleurrijke en lekkere hoofdschotel:
Voor vier personen:
2 courgettes
(of 1 grote)
1 gele en 1
rode paprika, zonder zaadlijst, in partjes
4 à 6 pruimtomaten,
gehalveerd (of in vier indien grote tomaten)
2 stevige
perziken, gehalveerd, ontpit, in partjes
2 à 3 eetlepels
pijnboompitten
zout,
zwarte peper, olijfolie
Voor de yoghurtsaus:
2,5 dl.
dikke, romige natuuryoghurt
2 à 3
teentjes knoflook, geperst (of droge knoflook uit strooibus)
sap van 1/4
citroen
---
Verwarm de
oven voor op 200°. Maak met een dunschiller in de lengte zebrastrepen in de
courgettes, snijd ze in de lengte doormidden en in plakken of snijd ze in
partjes. Doe de courgettes en paprika's in een ovenschaal. Besprenkel met olie
en bestrooi met zout. Bak 20 min. in de oven.
Haal de
schaal uit de oven en keer de groenten. Voeg de tomaten en perziken toe. Zet
nog 20 à 25 min. in de oven.
Maak intussen
de yoghurtsaus door alle ingrediënten te mengen. Breng op smaak met zout en
peper en zet in de koelkast.
Rooster de
pijnboompitten in een droog pannetje tot ze goudbruin zijn en naar noten
ruiken. Haal de schaal uit de oven en strooi de pijnboompitten erop. Serveer
met de yoghurtsaus.
Je kan dit
eten als groentengerecht, bv. met Turks brood of stokbrood. Of je kan het, zoals ik zaterdag deed, serveren met couscous en merguez-worstjes.
Hij is aan het lezen geslagen! Niet dat ik vreesde dat ze
hem in de materniteit met een andere baby verwisseld hadden, maar toch... Nu
heb ik tenminste zekerheid. Het zorgde voor enige gemoedsrust dat hij reeds
jarenlang strips las. Maar boeken, échte prentjesloze boeken kon ik hem niet
verkopen: te dik, te saai, te onplezierig. Vorig jaar deed hij reeds een
schijnbeweging in de goede richting toen we naar de première van de verfilming
van "Blinker en de Blixvaten" gingen. De kinderen kregen een
exemplaar van het boek en Marc de Bel signeerde.
Thuisgekomen begon onze zoon er onmiddellijk in te bladeren en zowaar... te
lezen. Hij las het in één ruk uit. Dat Marc de Bel nog veel andere, minstens
even spannende boeken geschreven heeft, kon hem er niet toe brengen zijn
huzarenstuk te herhalen. Ik berustte en zag de Jommekes, Suskes en Wiskes,
Kiekeboes en FC De Kampioenen in drommen door onze huiskamer marcheren.
Tot we op reis gingen en zijn zus uit haar goed gevulde
boekenkast voor hem een exemplaar van de schrijver Anthony Horowitz meenam,
voor het geval het pakket strips ontoereikend zou blijken. Na twee dagen waren
de strips inderdaad opgesoupeerd en begon broer met lange tanden aan een hem
onsmakelijk uitziende maaltijd. Maar hij las... en las door. Toen hij 's
ochtends wakker werd, nam hij het boek van het nachtkastje en lás. Wanneer we
gingen ontbijten moest ik hem zowaar verplichten om te stoppen met lezen. 144
bladzijden verorberd, verslónden in twee dagen tijd. En dan het mij niet
onbekend in de oren klinkende verwijt dat het verhaal gerust nog langer had
mogen duren. Daarom houdt zijn zus van series, vele turven met dezelfde
hoofdpersonages. Zij leest gewoon álles wat er van haar favoriete schrijvers te
verkrijgen is.
We waren nog maar net terug van reis of onze zoon bracht
zijn strips terug naar de bib. Tot mijn groot jolijt zat er bij het vers
aangesleepte leesvoer opnieuw een boek, terug van Horowitz. Eens hij de smaak
van boeken te pakken heeft, zullen er hopelijk nog andere auteurs volgen, dacht
ik.
Ondertussen zit hij halverwege het zesde boek en het zevende
ligt al binnen oogbereik in het leesmandje. Enthousiast vertelt hij me wat een
spannende verhalen het zijn. Er gebeurt in elk boek wel een moord, mama. Maar
het is niet echt héél erg, hoor, voegt hij eraan toe ter geruststelling. Misschien
zijn de slachtoffers slechts halfdood? Nog te reanimeren voor hergebruik in een
volgend boek? Tja, dan valt het inderdaad nog mee.
Er is een klarinet aan huis gekomen. En die had mijn dochter bij zich. Een prachtig instrument is het: donker hout en glimmende metalen
dingen erop waar Silke haar vingers op moet leggen. Het maakt mooie,
diepe, warme geluiden, af en toe onderbroken door een knerpend gefluit. Maar
dat is een kwestie van elkaar beter leren kennen. Broer brengt pas volgende week zijn nieuwe
koperen huisgenoot mee. Om het pijnlijke ongeduld te milderen, speelt hij af en
toe op de mondharmonica die ik deze zomer bij het leegmaken van een schuif gevonden
heb. Het instrument dat ik zelf vanavond voor het eerst in lesverband ga
bespelen heb ik al een leven lang: mijn stembanden.
Dit voorjaar was er een voorstelling van de verschillende
instrumenten in de muziekschool waar mijn zoon het eerste jaar notenleer volgde.
Zijn zus en ik gingen er naartoe. Wat jammer dat ik al te oud ben om nog met
muziekschool te starten, zei ze na afloop. Te oud? Te oud, zoals in teveel
jaren tellend? Voor een meisje dat nog veertien moest worden? Ututut,
repliceerde ik, je kunt gerust nog starten als je wil. Ja maar, wierp ze op,
ik ga voor school ook meer werk hebben, misschien lukt het niet. Ututut,
herhaalde ik (want ik ben een fervent liefhebber van het utututten), je hoeft
op het einde van het jaar niet op het ereschavotje geroepen te worden als
primus van de klas. Net voldoende om het te begrijpen, om je instrument te
kunnen bespelen en om over te kunnen gaan, is meer dan genoeg. Ik had voor mezelf beslist om in september te starten met notenleer en zang. Ik kan ervoor
zorgen dat we voor notenleer samen in de klas zitten, voegde ik eraan toe. Als
argument kan dat tellen! Welke puber wil niét samen met moeder in één klas
zitten, in één bank zelfs als het kan!
Het was beslist. Ze moest enkel nog een instrument kiezen.
Na enig twijfelen tussen saxofoon en klarinet, werd voor het laatste gekozen.
En nu vormen ze een koppel. De liefde is nog pril. Af en toe is er een
misverstandje, maar dat wordt met liefhebbende vingers en goed geplaatste
lippen weer gladgestreken.
Ik ben benieuwd hoe het mij vanavond zal vergaan, in mijn
eerste zangles. Wat de lessen notenleer betreft, hoop ik dat mijn slimme
dochter tijdens het schriftelijk examen groot genoeg schrijft zodat ik op haar
blad een fa van een la kan onderscheiden. Ik ben misschien zelf ook niet té oud
om nog met muziekles te starten, maar mijn ogen zijn toch niet meer van de
besten...
Als u een sfeerbeeld wil van de Hoevewandeltocht 2010 van de Landelijke Gilde Etikhove, die gisteren doorging, klikt u op de bijlage. Een 350-tal mensen namen eraan deel.
Op de prijsuitreiking van de wandelzoektocht, georganiseerd door de Landelijke Gilde Etikhove, werd gisteren het ingekaderde gedicht "Bassikounou" geschonken aan Leon en Lucie De Meyer. Met dit gebaar willen de Landelijke Gilde en ikzelf hen beiden bedanken voor hun belangeloze inzet. Klik op de foto om hem groter te zien.
Bassikounou
Hun dorp is aan de grens gelegen
van leefbaarheid en voor hun staat
bestaan ze niet, er zijn geen wegen,
het is woestijn waardoor men waadt.
De regen heeft hen doodgezwegen,
de hitte brandmerkt hun gelaat,
maar één van ons is hen genegen:
het hart, het plan, de steun, de daad.
Een waterput brengt hoop, doet leven,
machines worden aangevoerd....
en kijk, men kan er groenten telen!
Een man die door het lot van velen
tot in zijn diepste werd geroerd
wou water, maar ook toekomst geven.
Vera De Brauwer
De Landelijke Gilde Etikhove
organiseerde dit voorjaar een vertoning van de aangrijpende tweedelige
documentaire (1997/2009) “Les récoltes du désert" van Thierry Devillet en
Gérard Rivoalan. Daarin wordt een beeld geschetst van het door extreme droogte
geteisterde dorp Bassikounou. Dit ligt in Mauretanië, aan de grens met Mali,
volledig afgezonderd. De weg (“La route de l'espoir”) stopt 160 km van het
dorp.
Leon en Lucie De Meyer, dorpsgenoten van mij,
kwamen in contact met Baron del Marmol die een project had opgezet om het dorp
te helpen. Leon zamelde oude landbouwmachines in en bezocht Bassikounou twee
maal: een keer samen met de baron bij het begin van het project en een tweede
keer twaalf jaar later, na het overlijden van de baron. Het tweede deel van de documentaire toont de enorme
vooruitgang die geboekt werd.
Ik heb een kwaaie bui. Zo'n donkere, waar luttele momenten
geleden een reeks bliksems uit is geflitst, van het soort dat ik nooit wil
horen uit de mond van mijn kinderen. De oorzaak van dat innerlijke onweer is de
post. Als ze denken mijn humeur rooskleuriger te maken door nu in witte
autootjes te rijden met een nieuw logo erop in plaats van in hun vroegere knalrode, zijn ze
goed mis!
Al jarenlang zit er met enige regelmaat post in onze
brievenbus die niet voor ons bedoeld is. Een andere geadresseerde, een andere
straat, een ander nummer, één keer zelfs de optelsom van die drie varianten. In het begin bracht ik die te vondeling
gelegde brieven zelf naar de bestemmeling, maar na verloop van tijd bracht ik
ze naar het postkantoor. Zo ook het groot pak van Trois Suisses dat ik op een
dag aan onze voordeur vond, te grabbel voor wie het maar wou. De straatnaam
leek in de verste verte niet op die van ons, zelfs niet als je het in het
Hottentots uitsprak. Op het postkantoor bekeek men mij argwanend, alsof ik
slechts veinsde niet mevrouw De Witte te zijn of weigerde te bekennen dat ik
in de Huppeldepupstraat woonde.
Geen wonder dat af en toe een verjaardagskaart of per post
verstuurd cadeautje nooit bij mijn feestvarkens wordt afgeleverd. Niet iedereen
doet immers de moeite voor koerierdienst te spelen. Oh, er zit een leuke
boxershort met Happy Single erop in onze brievenbus! Okee, het adres klopt
niet en de maat evenmin, maar uhm, is nonkel Sjarel niet jarig volgende maand?
Zou die Extra Large groot genoeg zijn?
Maar deze keer zit er niets verkeerds in mijn bus.
Integendeel, ze blijft leeg. Ik heb producten besteld bij Yves Rocher. Omdat ik
niet altijd thuis ben, heb ik ervoor gekozen mijn pakje te laten afleveren bij mijn gepensioneerde
overburen. In de bevestigingsmail stond dat het binnen drie werkdagen
zou geleverd worden. De vierde dag was ik thuis en verwachtte ik elk moment
mijn vriendelijke overbuurman te horen aanbellen. Wat niet gebeurde.
Vandaag, de vijfde werkdag na de mail, kijk ik toevallig uit het raam, naar de brievenbus van mijn overburen. De gouden cijfers vier en één glanzen
mij tegemoet, overtuigd van hun onschuld. 41? Onmiddellijk weet ik dat het pakje
nooit zal toekomen. Ik heb me vergist. Zij wonen aan de overkant van
de straat en kunnen dus niet net als ikzelf een even huisnummer hebben. Hoe dom! Ik vat
het plan op te gaan aanbellen bij nummer 40. Nummer 46, 44, 42... Ik bel aan
bij het volgende huis. Een mij niet totaal onbekende dame doet de deur open.
Een pakje? Nee, daar weet ze niets van. Huisnummer 40? Nee, zij hebben nummer
36. Hoezo? Waar zijn de nummers 40 en 38 dan, vraag ik. Dat weet ze niet. Het is haar
nooit opgevallen dat er twee nummers ontbreken.
Ik snel naar het postkantoor. Als het huisnummer
niet bestaat, wordt de post teruggestuurd naar de afzender, zegt de man aan het
loket. Ik pruttel tegen. Hoe kan dat nu? De naam van mijn overbuurman staat er
duidelijk op, en tussen haakjes nog mijn naam erbij. Dat telt niet, ze kijken
naar het nummer. Het kan wel veertien dagen duren eer het ginder terug is hoor,
gooit hij er nog wat olie bovenop. Grommend stap ik buiten. Drie werkdagen in
de ene richting, tien in de andere? Brengen ze de post te voet terug? In witte
bottienen met hun nieuw logo erop? Mijn overbuurman woont al zijn hele leven in
deze gemeente, en al vijftig jaar op hetzelfde adres, samen met zijn vrouw. Als de man in zijn wit autootje aan éénder welk huis had aangebeld, dan had éénder wie die de
deur opendeed hem kunnen wijzen waar mijn overbuurman woont.
Is er dan niémand bij de post die ermee inzit dat ik nu nog
minstens veertien dagen verder moet zonder rimpelvervagende crème, zonder oogwallenreducerende
gel, zonder intensief hydraterende lipstick met plantaardige zijde en, oh ramp
voor mijn collega's, zonder de 24 uur durende bescherming van mijn deo roll-on
met kamperfoelie-extract? Heeft dan niémand ginds enig idee in welke belabberde
staat ik zal verkeren, ten prooi aan allerlei verzakkingen, tegen het moment dat ik met uitgedroogde handen mijn
pakje van Yves Rocher zal openmaken om er mijn pompflacon liftende versteviging voor de
buste uit te halen? Niémand?
Voor sommige van mijn gedichten heb ik melodieën bedacht. Dat zijn er reeds een veertigtal. Af en toe vind ik ook een melodie voor gedichten van anderen, zoals bijvoorbeeld voor het sonnet "Werkzoekende" van Daan de Ligt.
Wil je als dichter een beetje serieus genomen worden dan schrijf je geen sonnetten of light verse, knutsel je geen gorgelrijmen in elkaar, vind je geen "stanka" uit, doe je niet mee aan sms-poëziewedstrijden, verkneukel je je niet om je eigen dwaze columns en dan ga je (godbetert!) absoluut niet zingen.
Kan het nog erger? Ja hoor, je kunt nog meer verkeerd doen: een gedicht uitleggen! Persoonlijk vind ik ook wel dat gedichten op zich geen uitleg nodig hebben. Maar wie heeft zich nooit afgevraagd bij het lezen van een of ander gedicht wat de schrijver nu precies bedoelt? Waar hij aan dacht toen hij het schreef? Wat hij voelde, wat hem dreef?
Mijn gedichten zijn over het algemeen zeer toegankelijk. Gemakkelijke kost dus? Ik hoop dat het voor de lezer méér dan hap-slik-weg is. Voor één gedicht wil ik daarom zelfs klaarheid scheppen waar duisternis zou kunnen zijn. Zodanig dat die hap iets langer aan de kiezen blijft kleven, dat er meer kan op gekauwd worden en dat de smaak blijft hangen na het slikken.
Fractie
bakstenen op elkaar gestapeld
ik dicht er mortel tussen: het is een muur
schrijf ik “deur, raam, dak”, het wordt een huis
ik laat de zon erop schijnen
aan de overkant poot ik een paal
niet zomaar één
er hangt een bordje aan: Bus
niets laat vermoeden wat er
in dit tafereel besloten ligt
maar als ik zeg dat de afstand
tussen halte en huis
een lichtjaar bedraagt
een fractie van de eeuwigheid
die haar van mij zal scheiden
en dat besef
Mijn moeder stierf op 49-jarige leeftijd aan borstkanker, na een lijdensweg van 21 maanden die ik van heel dichtbij heb meegemaakt. Toen ik jaren na haar dood een eerste gedicht over haar schreef ("Ik herinner mij haar lach"), dacht ik dat het bij dat ene zou blijven. Maar regelmatig komt ze toch haar opwachting maken in gedichten.
"Fractie" vindt zijn oorsprong in een heel specifiek moment toen mijn moeder nog leefde. Eigenlijk spreekt de basis van ontstaan van "Fractie" één van de verzen uit "Ik herinner mij haar lach" vierkant tegen. "Herinneringen kiest men niet, toch niet bewust," zeg ik in dat laatste gedicht. Dat is ook zo: sommige feiten en situaties herinneren we ons en daar hebben we zelf niet in te kiezen. Ons geheugen slaat ze op, desnoods tegen wil en dank. Of soms, zoals gebeurde met het moment waarop het vals gebit van mijn moeder onder de kast schoof, tot troost of zelfs plezier.
Anderzijds kun je wel degelijk momenten uitkiezen die je je later wíl herinneren. Ogenblikken die je zo dierbaar zijn dat je ze niet wil vergeten, dat je het gevoel waarmee ze geassocieerd zijn steeds opnieuw wil kunnen oproepen. Dat heb ik een paar keer gedaan toen mijn moeder nog leefde: momenten uitkiezen om op te slaan op mijn eigen harde schijf. Eén ervan is de situatie beschreven in "Fractie".
Ik was bij haar op bezoek. Ik weet niet meer waarover we praatten. Wellicht had ik haar proberen opbeuren, had ik zo luchtig mogelijk gedaan. Ik woonde op een appartementje in Gent en had geen auto. Toen ik naar huis ging, was het prachtig weer. Mijn moeder ging mee naar buiten en leunde met haar rug tegen de bakstenen muur. Ik stak de straat over en wachtte aan de bushalte. Ik zag haar staan, in het zonnetje, en besloot die scène te bewaren voor de toekomst. Ze was nog dichtbij, ik hoefde maar de straat over te steken om weer bij haar te zijn en toch leek ze zo onnoemelijk ver van mij verwijderd. Een "voorproefje" van de onmetelijke afstand die ons zou scheiden.
Net als vorige jaren nam ik deel aan de sms-poëziewedstrijd van Base. In 2007 en in 2009 werd een sms-gedichtje van mij genomineerd. Ook dit jaar hoopte ik op een telefoontje dat mij het heuglijke nieuws zou brengen. Omdat de periode waarin ik vorige keren opgebeld werd ondertussen ruimschoots voorbij was, ging ik ervan uit niet bij de gelukkigen te zijn. Toen ik gisteren werd opgebeld en een dame "van Base" zich meldde, dacht ik eerder dat ze mij uit de doeken zou doen hoe hun tarifering in elkaar zit om mij vervolgens een uniéke promotie aan te bieden. Nee hoor, ze wenste mij proficiat met mijn nominatie. Dus toch... Alle genomineerde sms-gedichtjes worden opnieuw gebundeld, in samenwerking met het Poëziecentrum Gent, in een uitgave op 8000 exemplaren die verschijnt op 18 september.
Op die dag is het ook prijsuitreiking en kan ik weer genieten van een waaier aan optredens (wereldmuziek, klassieke muziek, jazz,...) tijdens OdeGand, het openingsfeest van het Festival van Vlaanderen. De avond wordt afgerond met een (gratis) concert op het water en een spectaculair vuurwerk in hartje Gent.
Ze is terug van kamp, zelfs eerder thuis dan het kaartje dat
ze opgestuurd heeft. Doodmoe, maar springlevend. Op de plaats van aankomst wordt
er ten afscheid geknuffeld, er wordt gezongen, gedanst, en opnieuw geknuffeld.
Je zou het haar de eerste uren niet aanzeggen dat ze maar een half uurtje
geslapen heeft op de bus tijdens de nachtelijke rit. Terwijl we naar huis
rijden worden we getrakteerd op wilde verhalen, aandoenlijke scènes en een gedetailleerde
beschrijving van het vorte eten, waaronder de voze croissants gevuld met
abrikoos en chocolade. Nu is onze dochter niet vies gevallen wat eten betreft,
dus geloven wij haar op haar woord dat het echt "vort en voos" was.
Maar het touwenparcours was dan weer zotsjiek, vertelt ze opgewonden. Oh, en er
was daar een meisje met een megacoole trui! Mijn man vraagt wat het verschil is
tussen zotsjiek en megacool. Wel ja, megacool is... mooi... en leuk... en
zotsjiek, ja, dat is... vetgaaf natuurlijk.
Dit is één van de twee gedichten die ik schreef naar aanleiding van het project "armoede een blok aan ons been" in het kader van het Europese jaar van verzet tegen armoede en sociale uitsluiting. Met dit project van VZW De Vrolijke Kring uit Ronse willen we dit doen, letterlijk en figuurlijk, samen 'het blok aan ons been aan stukken kappen'.
Het project loopt van 27/08/2010 t.e.m. 12/09/2010 en bestaat uit het gieten van een betonblok van twee kubieke meter. Op de voorzijde van het betonblok wordt in rode verf de slogan geschreven “Armoede, een blok aan ons been”.
Daarna begint iedereen, namelijk mensen met armoede ervaring, mensen zonder armoede ervaring, beleidsmensen, diensten en organisaties, kinderen en alle geïnteresseerden die hun steun willen betuigen, het blok aan stukken te kappen. Er wordt aan de steen gekapt tot er ongeveer 50 à 60cm breedte overblijft. Dit wordt dan een soort “herinneringsmuur” als monument. De steentjes van het afgekapte betonblok zullen in kleine plastieken zakjes worden gezet met de datum van 17/10/2010 erop, Werelddag én Europees jaar van de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting. Deze zullen worden uitgedeeld aan iedereen die heeft meegedaan, alsook aan de andere aanwezigen op de dag van het officiële moment (16/10 - daarover later meer).
Meer informatie, onder andere een overzicht van de uren waarop u mee kan helpen kappen, op http://www.devrolijkekring.be/
Het toeval wil dat de beste vriendin van onze dochter samen
met broer en ouders, die we ondertussen ook onze vrienden mogen noemen, in
dezelfde streek op vakantie gingen als wijzelf. Dus spraken wij af elkaar ginder
te ontmoeten. De jongelui wilden graag raften en de oudjes zouden mee
inschepen. Op de bewuste dag hesen we ons in sexy wetsuits, trokken een
reddingsvest aan en zetten een helm op. Alleen het plezier dat we hadden bij de
hilarische aanblik van onze gezinsgenoten en vrienden was het geld al waard.
Echt spannend kon je het gezellig dobberen van ons bootje op een kabbelende
basso Adige niet noemen, maar leuk was het wel. Een medewerkster van het team
stelde zich langs het parcours op strategische plekken op om foto's te nemen
die laten vermoeden dat het er véél avontuurlijker aan toeging dan het geval
was. Het staat natuurlijk goed op het dressoir, zo'n ingelijste foto van de
moedige familie in een steigerende boot op wild deinende golven. En dan
achteloos zeggen tegen degene die de foto bewonderend bekijkt dat het
"eigenlijk" wel meeviel hoor.
Na het raften gingen we rondkuieren in een stadje dichtbij,
ongeveer halverwege de vakantieplaats van onze vrienden en die van ons. Eerst
even een hapje eten. We bekeken de kaart van een etablissement en staptendoor naar de zaak ernaast om ook daar te
kijken wat ze te bieden hadden van kleine restauratie. We kozen voor het eerste
en keerden op onze stappen terug. We plaatsten onze bestelling en kregen te
horen dat de dame wat belegde broodjes en croques betrof, ons enkel twee
soorten kon aanbieden. Voor de rest was de kaart volledig uitverkocht. En dat
om half één 's middags? Maar we konden wel in de zaak ernaast terecht, die was
van hetzelfde huis. Daar hadden we veel meer keus, verzekerde ze ons. Dus verlieten
we haar terras en togen naar dat ernaast. De jongen noteerde wenkbrauwfronsend
onze bestelling. Ik grapte dat hij onmiddellijk terug zou komen uit de keuken om
te melden dat de helft van onze bestelling niet leverbaar was. Mijn glazen bol
was niet mee op reis en toch kwam de jongen, na overleg met een andere jongeman, even later melden dat er slechts drie soorten broodjes te verkrijgen waren.
Tussen het lachen door kozen we elk één van de drie voorradige broodjes. Samen
met onze drankjes kregen we de gemompelde mededeling dat er van één van de
broodjes ook echt maar één meer was. Dus veranderde iemand voor de tweede maal zijn keuze. En
toen... was het wachten geblazen...
Het ene van de niet uitgeputte broodjes was eigenlijk een toast met gesmolten kaas. De moeder
van mijn dochters vriendin zei dat ze wellicht maar een klein oventje hadden en dat er maar één toast tegelijk in kon. Haha, zó klein dat elke toast
er maar voor de helft in kan en dat ze halverwege de baktijd de toast eruit halen en hem
er met de ongebakken kant terug inschuiven. We lachten... en wachtten. Ha, een
toast! Begin maar al, wij wachten wel. Het begon ons te dagen: als deze zaak en
die van ernaast van hetzelfde huis waren, deelden ze misschien dezelfde keuken.
En als de broodjes hiernaast op waren, dan waren er hier evenmin. Die dame had
gewoon geen zin in werken! Die dacht: dat die jongens van hiernaast
maar opdraven. Ha, daar arriveerde nóg een toast, samen met het éne beschikbare Bauernbrot.
De jongen verontschuldigde zich ervoor dat het afhandelen van de bestelling zo traag vorderde. Ze
hadden namelijk maar een piepklein oventje in de keuken.
Bijlage: foto van het spectaculaire wildwaterraften
ik speel mijn leven niet in driekwartsmaat maar in een ritme dat geen constante kent behalve die van veel te snel en elke toon te zacht, te hard, te dof, te schel te levensecht
Na ons nat avontuur duurde het twee dagen eer onze
bergschoenen droog waren. Toen het eindelijk zover was, zat de gletsjer ook iets
minder in de wolken. Dus slikten we 's ochtends bij het ontbijt een
Hou-maar-alles-binnen-pilletje, namen de lijnbus en reden de Stelviopas op. Bij
elk van de 48 bochten toeterde de chauffeur even, kwestie van de tegenliggers
te verwittigen. Helemaal betoeterd stapten we boven aan de pas uit en voelden
onmiddellijk dat het eufemistisch gesproken aan de ietwat frisse kant was. De
regenjasjes werden uitgehaald, niet omwille van een dreigende bui, maar tegen de kou. De zonnepetten werden opgezet, niet tegen de zon, maar tegen de wind. Zo
begonnen we aan wat volgens de borden een wandeling van vier uur zou worden: de
Goldseewanderung.
We waren nog maar goed vertrokken of onze handen voelden
reeds versteven aan. Handschoenen en mutsen lagen veilig thuis, in onze Vlaamse kast, dus
moesten we inventief zijn. Een handdoekje kon rond een hand gewikkeld worden en
het nylon zakje waarin een regenjasje had gezeten paste ook net om een hand. En
hé... had mijn echtgenoot geen twee paar kousen aangetrokken? Huppekee, één
paar werd aangeslagen om mijn handen warm te houden. Tot slot werden enkele
wandelstokken ingeschroefd en in de rugzak gestoken zodat resterende handen in
broekzakken konden verdwijnen. De kapjes van onze regenjasjes werden over de
zonnepetten getrokken en met een sluiting vastgezet.
Een eindje verder kwam een dame in trainingpak ons tegemoet gejogd.
Ze stopte even en mijn man vroeg hoelang ze erover gedaan had om tot daar te
geraken. Eine Stunde! Wij knikten bewonderend. Eén uur in het doorgaan en één uur in het
terugkeren, voegde ze eraan toe. "Aber jetzt bin ich mude." Zo?
Aangemoedigd door de prestatie van deze dame probeerden we de pas erin te
houden, zonder daarom minder te genieten van het fabuleuze uitzicht of minder
onze zakdoek uit te halen om onze kille neuzen te snuiten. De Goldsee, riep
mijn man en wees naar een plas water in de diepte. Ik weigerde te geloven dat
dit buitenmaats voetbad een "See" kon zijn, maar toen ik met eigen
ogen het bord met de naam erop zag staan, capituleerde ik.
Nog steeds goed ingepakt volgden we het pad. Plots kwam ons
een dame tegemoet in short en topje met spaghettibandjes. Het strand kan nu niet
veraf meer zijn, verwittigde ik onze kinderen. De volgende tegenligger was een
kudde schapen. We lachten met de grappige snuiten die de schapen trokken tijdens
het kauwen. Na dik drie uur stappen kwamen we aan bij de Furkelhütte waar ik
met smekende blik informeerde of ze ook warme wijn serveerden. Of ik niet
liever Glühwein wenste? Minuten later legde ik mijn handen rond het dampend glas en snoof met
rode neus de kruidige geur op. Ah, wat kan een zomerwandeling in de bergen toch
heerlijk zijn.
We zouden een wandeling maken op grote hoogte. We konden met
een bus de Stelviopas oprijden, ginder het wandelpad nemen naar de
Furkelhütte en vandaar met de stoeltjeslift terugkeren naar het dal. Enig
probleem:het weer. De gletsjer zat in
de mist en de lucht was grijs met dreigende wolken. Volgens de hotelbaas zou
het absoluut niet regenen. Toch stelden we onze hoogtestage liever een
dagje uit en kozen voor een wandeling dichterbij, naar de Berglhütte. Die
wandeling overbrugde op een relatief korte afstand een hoogteverschil van 600
meter. Ik had de hele tijd het gevoel
dat ik aan het traplopen was. Na driekwart van de beklimming passeerde ons in
tegenovergestelde richting een Engelse familie die ons de Apfelstrüdel
(alweer...) aanraadde. Na 14.786 treden kwam de hut in zicht. Omdat ik zelf
meer zin had in iets hartigs, bestelde ik een kom Gulaschsuppe, de rest van het
gezin koos voor de Apfelstrüdel. De jongen noteerde de bestelling. Toen hij naar
de keuken wilde vertrekken, viel het hem te binnen dat de Strüdel op was. Leuke
Engelsen: de laatste porties verorberen en dan de wandelaars het water in de
mond laten komen! Dan maar een Linzer Torte. We lieten het ons smaken en vroegen
ons af hoe men toch al die spijzen en dranken naar de hut brengt. Ze ligt
onbereikbaar voor een helikopter en er is geen kabellift te bespeuren. Hoe men
het doet wanneer er veel proviand moet worden ingeslagen, weten we niet, maar
we hoorden van andere hotelgasten dat de zoon voor de kleinere boodschappen
"gewoon" even naar het dal loopt. U wenst Kaiserschmarren, mevrouw?
Geen probleem! Het poedersuiker is wel op, dus als u enkele uurtjes geduld
hebt, ga ik die snél even halen. Nog een thermosje koffie ondertussen?
Toen we uit de hut kwamen, zagen we nog wel een hand, maar lang
geen dal meer voor ogen. Hoho, wat een mist! Plezant, geheimzinnig,
spookachtig, dat hadden we nog niet eerder meegemaakt. We volgden, nog net niet
op de tast, het pad naar beneden. Toen we onder de mist kwamen, voelden we echter
- letterlijk - nattigheid. De lieflijke dropjes werden dikke druppels en
uiteindelijk werd het een Plensbui met hoofdletter, die met korte tussenpozen
twee uur aanhield. Al snel waren we een lopende voorstelling van de nieuwste
zegswijze "nat tot op het gat". Tot overmaat van ramp begon het te
onweren. De bliksem flitste rond onze oren, op luttele seconden gevolgd door de
donder. Doodsbang raceten we door het naaldbos, waarbij we bij elke looppas het
water tussen onze tenen voelden naar boven stromen in onze bergschoenen.
Kleddernat kwamen we toe in het hotel. De receptioniste wees
ons het Trockenraum aan, waar in de winter de skikledij en -schoenen gedroogd worden en waar wij onze natte kleren
van het lijf stroopten. In minimale kledij, om geen aanstoot te geven, ging
mijn echtgenoot onze badjassen halen. Rillend van de kou kropen we in de sauna en daarna onder het donsdeken. Omdat het Trockenraum 's avonds voortekenen van vijvervorming vertoonde, bood de hotelbaas (die gezien zijn
leeftijd gelukkig nooit de job van weerman zal ambiëren) aan om onze kleren in
de droogkast te stoppen. Onze schoenen, die we bij aankomst in het hotel hadden
leeggegoten in de bloembakken, werden gevuld met oude kranten en in het
chauffagehok geplaatst, dicht bij de ketel. Wat een geluk dat we die ochtend besloten hadden niet naar de Stelvio
te gaan, we waren de dans toch maar mooi onsprongen!
Ik heb een gezin van smulpapen. En ik ben de smulsmurf.
Gelukkig heeft niemand van ons aanleg om te verzwaren, anders rolden wij 's
ochtends de deur uit. Soms denk ik dat ik Watetenwevanavond heet, gezien dit
het eerste is dat ik te horen krijg wanneer de kinderen van school komen.
Maar zelfs voor ons is teveel teveel, dat hebben we tijdens
deze reis herontdekt. Bij het uitkiezen van een hotel zijn de beoordelingen van
de maaltijden door vroegere gasten van doorslaggevend belang. Als er gesproken
wordt over een karig ontbijt of als door een dame, die wij ervan verdenken aan
het lijnen te zijn, wordt geopperd dat het avondmaal "bescheiden maar zeer
smaakvol " is, dan haken wij af. Op reis wensen wij aan te zitten aan een
Bourgondische feestdis, rijkelijk voorzien van voorafjes en nadientjes. Dat was
net wat vroegere gasten van Hotel Madatsch ons beloofden.
De eerste dag kwamen we vier uur later toe dan voorzien. De
Duitsers wachten namelijk ieder jaar met het plannen van hun wegenwerken tot
wij onze reis geboekt hebben. Daarna is het als bij toeval steevast óns traject
dat moet vernieuwd worden. Blijkbaar hadden we via Zwitserland moeten rijden,
dan was de file-ellende ons bespaard gebleven. We geraakten echter veilig en
wel, zij het verlaat, met de stijve beentjes onder onze mooi gedekte tafel. Een
zesgangendiner bij kaarslicht? Na veertien uur en een half in een auto zegden
wij niet neen. Ook niet tegen het ontbijtbuffet de volgende ochtend. Uit alle
verse broodjes koos ik er één uit waarvan de smaak me verraste door een héél
lichte anijstoets. Ik ben niet zo gek op anijs, maar ik heb wel elke dag zo'n
aparte "Vinschgauer" gegeten (genoemd naar de streek in Zuid-Tirol
waar wij verbleven). Drie keer per week organiseerde de hotelbaas een kleine
receptie met aperitief en hapjes, tijdens dewelke we konden kennismaken met de
andere gasten, en waarna het gebruikelijke vijf- of zesgangendiner volgde.
Na enkele dagen overvloed lieten onze magen weten dat het
ook wel iets minder mocht zijn. Dus werd er al eens een portie soep geweigerd
of vroegen we tot geamuseerde verbazing van de kelner slechts twee
voorgerechten en twee lege borden om daarop de helft van de reuzenportie over
te scheppen. Op een dag gebeurde het onvoorstelbare: ik vroeg om mij geen
dessert te brengen. Wirklich
nicht? No thanks, these portions are too big. I really had enough. Dat de kelner even later toch met vier mooi gedresseerde borden uit
de keuken kwam, had niets te maken met een eventueel minder goede kennis van het Engels. Hij zette één bord neer voor de dochter, één voor de echtgenoot, één voor de
zoon... Daarna plaatste hij het laatste bord op zijn linkerhandpalm, op mijn
ooghoogte... en draaide het met rechterduim en- wijsvinger langzaam rond. Und? Was sagen Sie jetzt? fleemde hij glimlachend. Ach, kom hier met dat bord, zuchtte ik, ten teken van overgave. En zie: hij verstond zomaar Nederlands!
We hebben de bergen de bergen gelaten en zijn weer thuis. Eén berg is ons gevolgd: de vuile was. Nu ik
het propere sokken- en slipjesbestand weer tot normale proporties heb kunnen
doen stijgen (om van de quasi volledige iets-meer-stof-bevattende zomercollectie
te zwijgen), ga ik enige anekdotes voor de vergetelheid behoeden. Je maakt wat
mee wanneer je op reis bent. Twee weken uit huis bezorgen je een schat aan
inspiratie. Eerst moeten die hersencellen natuurlijk terug wennen aan het
Nederlands. De eerste dagen thuis had ik de neiging om
"Entschuldigung" te zeggen waar een "sorry" op zijn plaats
was.
Ik ken zeer weinig Duits, dus moet ik me uit de slag trekken met
Frans, Engels en bestoft Spaans. Vervelend vind ik dat! Wil je de kelner vragen
om de chef een compliment door te geven voor het superieure dessert, dan sta je
daar met je mond vol tanden waar de restanten Halbgefrorene Amarettomousse mit
Schokolade Blitze und marinierte Erdbeeren nog aan kleven.
Hoewel we volgens de
landkaart in Italië verbleven, konden we op elke hoek Apfelstrüdel mit
Vanillesauce krijgen, maar toen mijn dochter verlekkerd naar Tiramisu op zoek
ging, vond ze het niet op de menukaarten. De streek heet niet voor niets
Zuid-Tirol. Alle plaatsnamen staan er eerst in het Duits en dan in het
Italiaans. In elke winkel, hotel of restaurant word je in het Duits bediend
door personeel in typisch Tiroolse klederdacht.
Toen we met de auto de 48
haarspeldbochten van de Stelviopas namen (de genummerde borden wellicht gesponsord
door Touristil) en boven in een
Zuid-Tiroolse versie van Blankenberge terechtkwamen, spraken de verkopers in de
souvenirwinkeltjes echter Italiaans! Zo ook de kelner in de bar van het 3.170 meter hoog gelegen Hotel Livrio, dat ongetwijfeld genomineerd is voor de prijs van Lelijkste Hotel ter Wereld en enkel te
bereiken is via een peperdure kabellift. Heisse Schokolade mit Sahne? Daarvoor moest
hij een collega halen die Duits verstond. Een perfect tweetalige dame legde mij
uit dat het personeel boven aan de Stelvio Italiaans spreekt, omdat het afkomstig
is uit Bormio, het eerste dorp aan de andere kant van de bergpas... die in Zwitserland
ligt. Ik verpinkte niet eens. Ik kom uit België, wanneer het talen betreft, schrik
ik nergens meer van.
Op 8 april van dit jaar plaatste ik een stukje getiteld "De weg naar Gent". Deze tekst was de aanleiding tot het schrijven van volgend sonnet. Wie de tekst wil (her)lezen, kan in het archief in de rechterkolom op "4-2010" klikken. Daarna naar onder scrollen.
Wat heb ik een mottige nacht achter de rug. Ik ben doodop. Gisterenavond ben ik pas na het inventariseren van het hele schapenbestand van Schotland in slaap gevallen. Ontelbare keren wakker
geworden, onder andere van gesnurk aan gene zijde en van pijn in de knieën aan deze zijde (ik
heb dat de laatste tijd vaker, misschien zijn het krimppijnen). Uiteindelijk
het Grote Ontwaken, terwijl het nog pikdonker was. Zo pikdonker als slaand op het betreffende lichaamsdeel van een Afrikaan van tegen de evenaar. En dan wachten op het Licht en
op de wekkerradio.
Om, wanneer die laatste dan uiteindelijk begint te spelen en via gene
zijde direct het zwijgen wordt opgelegd, te denken dat ik de paar maten popmuziek enkel gedroomd heb. Nee hoor, het is dag! Een klets water in het gezicht, een paar koppen koffie en een paar boterhammetjes moeten me opkikkeren. Het gisterenavond uit de diepvriezer gehaalde half brood blijkt rozijnenbrood te zijn. Donderdag wordt plots een beetje zondag. De eerste, wat droge snee wordt gepromoveerd tot toast. Lekker, met goede boter, of boerenboter zoals wij thuis zegden. De broodrooster vindt echter dat het nog lang geen zondag is en spuwt een halfverbrande toast uit, die ik koppig toch naar binnen speel, na het afbreken van de zwartste stukken. 's Mans brooddoos wordt liefdevol gevuld en uitgewuifd. Straks ga ik boodschappen doen. De tassen hangen al klaar... onder mijn ogen.
Voetbal, ik word er niet koud en niet warm van. Enige jaren
terug mocht ik via het systeem van Chinese vrijwilliger als gezelschapsdame van een klant fungeren. De vrouw had via een wedstrijd, georganiseerd door de
bank waar ik toen aan het loket zat, een zitje in de Business seats gewonnen.
Eerst een lekker menuutje, overgoten met bijpassende wijntjes, dan een
comfortabele zetel om hoog en droog de match te volgen. Nu ja, droog... we
werden voldoende voorzien van allerlei natjes.
Of ze een voetballiefhebber was? Welnee, ze deed gewoon mee
aan alle wedstrijden in de hoop ooit iets te winnen, vertrouwde ze me toe. En
kijk, het was haar gelukt: ze had prijs! Naar het voetbal! We waren de enige
vrouwen in het gezelschap en amuseerden ons opperbest. Het eten smaakte, de
wijn ook. Verzadigd ploften we in de zachte zetels. De match begon, ons
babbeluurtje ook.
Oh? Was het al koffiepauze? Sorry, halftime bedoel ik. Time for
desert! En een pousse-cafeetje. Giechelend trokken we opnieuw
richting zeteltjes. Vreemd, dat onze ploeg blijkbaar in eigen doel trachtte te
shotten. Hoezo? Was dat ons doel niet meer? Hadden we gewisseld? We stoorden er
ons niet aan en babbelden verder. Plots stonden alle mannen in de kamer recht.
Beteuterd rondden de klant en ik ons gesprek af, niet wetend welke ploeg
gewonnen had.
Hieraan moest ik gisteren terugdenken toen ik het laatste
kwartier van de match Nederland-Spanje bekeek, de verlengingen en het doelpunt
van Spanje. De oranjegekte was misschien wat overdreven, anderzijds trad het
land toch als één natie naar buiten.
Stel je voor dat België mee had mogen doen aan het WK.
Veronderstel heel even dat we een paar matchen hadden gewonnen. Hoe zouden
"wij" gesupporterd hebben? Met de nationale driekleur in onze handen?
Met zwart-geel-rode strepen op onze gezichten? Met dito mutsen en pruiken? Of
zouden de straten gevuld geweest zijn met Vlaamse leeuwen en Waalse hanen? En wat
als het dan geen Iniesta was die de beslissende bal het net inschoot, maar zo'n
leeuwke, of zo'n haantje? Was het dan op slag toch een Belg geworden?
"Nee,
het is niet gemakkelijk. - Tuurlijk, tuurlijk! - Ja, ge kunt niet anders
hé." Haar helft van het gesprek is door iedereen te volgen. Een vrouw is
aan de balie gaan staan. De belster klemt haar gsm tussen oor en schouder en
praat verder. Ondertussen neemt ze het boek, scant het in, neemt het biljet van
20 euro, legt wisselgeld op de balie, steekt boek en kassabon in een plastic
zakje. Dat alles zonder één woord met de klant te wisselen, zonder haar een
blik te gunnen.
Een meisje
en een jongen komen naar de balie met een Bongobon en een boek in de vorm van
een pizza. "Ik ga u moeten laten. - Ja (zucht), het is druk." Of in
de Bongobon ook het proeven van de wijnen inbegrepen is? Nee, het is enkel een
bon om wijn mee te kopen. Of ze die bon met het proeven erbij misschien ook
heeft? Zou kunnen. Verveeld wijst ze naar het rek. Of het dezelfde prijs is?
Nee, het zijn allemaal verschillende prijzen. Overbluft door deze overdaad aan
hulp beslissen de jongelui de bon toch maar te kopen. Zou ze hem alstublieft
willen inpakken? Zonder te antwoorden neemt ze het doosje en draait zich om.
Wanneer ze het prijsetiket er heeft afgehaald komt de jongen opgewekt met een
ander doosje naar de kassa: gevonden! Met een gezicht alsof ze zelf azijn aan
het proeven is, hoort de onwillige sommelier het meisje vragen of ze
alstublieft déze bon wil inpakken en niet de andere.
Er wordt
afgerekend: Bongo in feestkostuum en pizza verdwijnen samen in een zakje. Blij
dat ze het perfecte cadeau gevonden hebben, zelfs zonder hulp van de boze heks,
wensen Hans en Grietje haar nog een fijne namiddag toe. Zij hoopt in stilte dat
ze verloren lopen in het grote winkelbos. Brr, dan is het mijn beurt om mijn
vinger door de tralies te steken.
Misschien
denkt ze dat alle boeken in haar winkel unieke exemplaren zijn. Dat alle
auteurs een nergens anders te verkrijgen boek hebben geschreven, speciaal voor
haar. Háár boeken dus, die ze eigenlijk liever niet verkoopt. Wat zal ze
gelukkig zijn dat ik voortaan mijn boeken elders ga kopen. Daar waar ik er een glimlach
als gratis bladwijzer bijkrijg.
Hij is op kamp
vertrokken. Alleen. Met een klasgenootje, met honderden andere kampgangers,
zonder ons. Zijn zus gaat al jaren op kamp. Die laat ons nog voor de
jaarwisseling al weten dat ze de volgende zomer weer op kamp gaat, samen met
haar vriendin. Voor het geval we zouden durven twijfelen.
Hij niet.
Toen ik begin dit jaar polste of hij dan nooit zin had een weekje te gaan
ravotten met leeftijdsgenootjes, besliste hij plots het ook eens te proberen.
Over hoeveel nachten spraken we? Zeven. Ik zag hem de zeven nachten ver van
huis afwegen tegenover het eventuele meerplezier. Het risico leek draaglijk...
als er iemand uit zijn klas meeging. Ik vroeg wiens ouders ik moest opbellen.
De moeder die ik aan de lijn had, was onmiddellijk enthousiast, net als de zoon.
En dus
staan we hen op de eerste dag van de grote vakantie samen uit te zwaaien. Een
half uur lang, omwille van de schijnbewegingen die de bus maakt. Twee moeders, twee
zonen. Twee slaapzakken, twee bomvolle tassen met ondergoed, T-shirts, shorts,
zonnemelk factor 50 omdat 100 niet bestaat, en alles wat nodig is om een week
te overleven vanonder moeders vleugels.
Thuisgekomen
zoek ik een kaartje. De dochter is het gewoon maffe post te krijgen van het
thuisfront. Hij niet. Twee schaatsende ijsberen onder een lucht vol sneeuw?
Ideaal. Op de sjaals van de beren schrijf ik respectievelijk zijn naam en die
van het klasgenootje. Kaartje geschreven, adres op de envelop, postzegel erop,
klaar op de keukentafel. Daarna leg ik de computer aan. Ah, een mailtje van de
muziekleraar. Dat onze zoon in september voor de start van zijn trompetlessen
misschien een gloednieuw instrument mag gebruiken want de school gaat er een
extra aankopen. Ondanks het half uur uitzwaaien en het schrijven van een
kaartje roep ik luidkeels YENTE! om hem het goede nieuws te melden.
Vorig jaar (of is het al twee jaar geleden, Vadertje Tijd
heeft tegenwoordig loopschoenen met vering) zouden we naar een optreden gaan
van een "human beatbox". Off the record heette die.Op het internet vonden we positieve
commentaren over de heren Vandeplaat en op Gijbuisvonden we te gekke filmpjes. Wij dus
dolenthousiast een fantastische avond tegemoet.
Dachten we.Aan de kassa
haalden we onze gereserveerde tickets af en daarna keuvelden we wat.
"Spijtig hé dat Off the record ondertussen gesplit is." Gesplit?
Hoezo, gesplit? Had de aangekondigde beatbox opgehouden te bestaan? Wie zou er
dan het podium bestijgen? "Een
groepje gitaristen. Afwachten wat het gaat worden want het is
experimenteel." Ikterug naar de
kassa . Men van het loket dacht dat wij op
de hoogte moesten zijn want Men van de reserveringen had Ons toch verwittigd?
Neen, Men van de telefoon had Ons overgeslagen. Men van de telefoon had niet
eens Ons nummer. "Oh. Maar het
wordt goed, hoor. Het is experimenteel!" We hadden nu toch al ons jaarlijks
bad genomen, dus konden we net zo goed blijven. Ons onderdompelen in het gitaristische experimentele.
Deuren open. Wij binnen. Een immens doek onttrok het podium
aan ons zicht. Licht uit, experiment aan. Er werden in hels tempo allerlei
beelden geprojecteerd op het scherm, een kakafonie aan kleuren, afgewisseld met
zwart-wit, oude beelden, nieuwe beelden, bewegend, stilstaand, portretten,
landschappen, en ondertussen schalden de gitaren. Voor ons onzichtbaar, maar
des te beter te horen. Gelukkig had ik in mijn jaszak kleine plukken watten
zitten. Die zitten daar vaak, om ze zeker niet te ontberen als we gaan wandelen
of gaan fietsen. Ik heb kouwelijke gehoorhangen. En gevoelige, zeker op experimenteel vlak.
Nochtansviel het best
te pruimen, dat optreden. Ik begreep dan ook niet waarom na elk stuk de zaal
een beetje verlatener oogde. Met watjes in de oren en de ogen gesloten (je weet
maar nooit of je niet voorbestemd bent voor epilepsie) viel het allemaal goed
mee. Je kunt niet overal een melodie willen in herkennen.
Na de laatste beproeving der watjeslozen kwamen de
gitaristen vanachter hun podiumbreed doek, kijken of er enig applaus te rapen
viel. Eén van hen had zowaar een filmcamera op de schouder en filmde het nog
aanwezige publiek. Als materiaal om te gebruiken wanneer ze zich gingen
voorstellen bij andere organisatoren van culturele evenementen. "Zie je
wel, er zat nog publiek in de zaal toen het optreden afgelopen was. En sommigen
applaudisseerden!"
Daarna gingen wij op een terrasje iets drinken, om te
bekomen van het experiment. Aan de tafeltjes rondom ons zaten enkele
mensen met een verwilderde blik in de ogen, het haar recht. Ook
proefkonijnen.
wanneer mijn bede wordt verhoord oranjerode wolken kolken vanaf mijn kruin tot aan mijn tenen dan sijpelt na verloop van tijd het overschot aan vrolijkheid langs wangen, armen, borst en benen weg
zo weg als rood nooit rood geweest en eens die stroom op gang gebracht wordt donderdonker nagedacht dat is een kwaal die nooit geneest ik val mezelf dan weer zo tegen en regen het oranjerood eruit
(Dit is één van de winnende gedichten in de categorie volwassenen van de poëziewedstrijd 2008 van vtb-vab Opwijk, gepubliceerd in de toen uitgebrachte bundel. Het staat ook in mijn eigen bundel Verzinnen.)
In het literair e-zine Meander verscheen afgelopen weekend een interview met mij. Er werden ook drie gedichten gepubliceerd: Kalme zee, Grind en Taalbarrière.
Als je in een stukje (20/4/2010 "Algemene vergadering cultuurraad Ronse") schrijft dat je het jammer zou vinden wanneer de streektalen volledig verloren zouden gaan, dan moet je zelf het goede voorbeeld geven. Dus zong ik mijn gedicht "Intriest" ook eens in het dialect van mijn jeugd. Dit is de streektaal van de regio ten noorden van Gent (Oostakker, Zaffelare, Lochristi,...), niet te verwarren met het Gents, wat totaal andere klanken kent.
De gezongen versie is - zoals altijd - te beluisteren op mijn weblog met gezongen gedichten:
wij spraken nooit dezelfde taal al peuterde de kleuter die ik was letters uit zijn mond ik kraaide nimmer zijn gemak noch zijn onvermogen wel eigen wisselwoorden die hij niet verstond
stappen, fietsen, autorijden: vreemde talen die hij sprak of liever, schreeuwde tot het kristallen lexicon van mijn kinderliefde brak
deelden wij geen idioom waarop we samen konden bogen nu het zijne is vergeeld de harde kaft heeft losgelaten aanhoren wij elkanders taal met mededogen
(Met dit gedicht won ik de derde prijs in de Hilarion Thans poëziewedstrijd 2008.)
Op vier mei hemelde ik het nieuwste boek van Bernard Dewulf op. Ik vond "Kleine dagen" een parel en ik wist niet eens dat het genomineerd was voor de Libris literatuurprijs. Toen ik vernam dat Bernard de prijs gekregen had, was ik enorm blij voor hem. Een verzameling columns over het dagdagelijkse leven, meestal over zijn
kindertjes, en dat wint zo'n prestigieuze prijs. Fantastisch toch? Geen
hoogdravende prietpraat, geen oeverloos geneuk, geen zwartmakerij van collega-schrijvers, geen would be-literatuur, gewoon lieflijke verhaaltjes, maar dan wel verteld op een onnavolgbare manier, met Stijl ! Haaa... verademing. Ik gun het hem zo!
En wat zie je dan? Dat een net-niet-winnaar groen uitslaat van jaloezie. Dat hij het niet kan verkroppen dat iemand die "maar" columns schrijft die prijs wint. Dat er op Knack.be op 18 mei een column verschijnt waarin hij de stijl van de winnaar (wiens naam hij vijf keer vernoemt) belachelijk maakt en daar bovenop nog de persoon zelf ook. Hij heeft het er in zijn kwaadwillig stukje onder andere over dat mensen stinken, dat ze zich door de stank verbonden kunnen voelen. Meneer Peter Terrin, zoals ù stinkt, kunnen alleen andere jaloerse dikke nekken zich met u verbonden voelen...
Ik ben geboren in 1964 en studeerde af als licentiate Romaanse Filologie aan de Universiteit Gent. Mijn hobby's zijn vooral lezen, wandelen en het schrijven van gedichten. Omdat ik zelf liefst toegankelijke gedichten lees waarin ik de gedachten of gevoelens kan herkennen, probeer ik ook in die trant te schrijven. Soms schrijf ik in vaste vorm (vooral sonnetten), soms in vrije vorm. Liefst van al laat een gedicht mij achter in de overtuiging dat het op geen enkele andere manier kon geschreven worden.