De dood is het lot van bijna alle levenden. Een van de uitzonderingen is Onze-Lieve-Vrouw die immers onbevlekt ontvangen is, wat inhoudt dat zij niet met de erfzonde is belast, terwijl het de erfzonde is die de sterfelijkheid meebrengt; zij is dan ook ten hemel opgenomen. Er moet ook nog tenminste één profeet zijn die de dood niet hoefde te smaken (1), zoals men dat soms zegt, en dan is er uiteraard nog Ahasverus, de wandelende jood. Aan deze laatste werd de rust van de dood ontzegd omdat hij een verpozing weigerde aan Jezus Christus onderweg naar Golgotha.
De intrede van de dood gaat gepaard met de ontbinding van het lichaam, het vergaan ervan tot stof en as. Het leven is sterfelijk of eindig maar tegelijk begrijpen wij, levenden, dit niet omdat de dood ook nooit de onze zijn kan: zoals de Ouden zegden is de dood er niet zolang wijzelf er zijn, terwijl bij de komst van de dood wijzelf er uiteraard niet meer kunnen zijn. Het kan bevreemdend klinken maar het staat als een paaltje boven water dat de levenden ook altijd levend zijn. De vraag, ook vaak gesteld door achterblijvende geliefden van een overledene, luidt dan wáár in godsnaam de levende zich ophoudt.
Misschien kan een eenvoudige vergelijking onze verbeelding een weinig onderstutten. Neem nu een kopje koffie, dus koffie in een kopje, dan kan men zien dat de koffie afgegrensd wordt door het kopje. Waar de koffie eindigt, begint het kopje, en waar het kopje eindigt, begint, althans aan één kant van die rand, de koffie. Het kopje grenst aldus de koffie in de ruimte af en het doet dat in precies dezelfde zin waarmee de data van onze geboorte en onze dood, die immers de randen van ons leven zijn, ons in de tijd begrenzen.
Als men zich afvraagt waar de koffie is, dan dient men te wijzen naar het kopje: de koffie bevindt zich binnen de randen van het kopje. Analoog wordt ook de vraag waar een mens gebleven is eens die is doodgegaan, beantwoord door te verwijzen naar de randen van diens leven, die immers de tijdspanne vastleggen waarbinnen hij bestaat. 'Bestond', zal men opmerken, want hij 'bestaat' niet méér. Maar dat is nu precies waar onze vergelijking zich van een gelijkheid onderscheidt: onze koffie situeert zich in de ruimte, het leven daarentegen bevindt zich in de tijd. Over een vergaan leven zegt men dat het niet meer bestaat, precies zoals men over die koffie zegt dat ze niet hier (doch daar) bestaat maar beide bestaan ze altijd ergens, hetzij daar, hetzij dan.
Maar wat is dan zo'n bestaan nog waard, zo kan men zich afvragen, als het er nu niet langer is? Want een kopje koffie dat zich elders bevindt, kunnen wij halen en het dan naar hier verplaatsen, terwijl wij daarentegen niet naar het verleden kunnen stappen om personen die zich aldaar ophouden vervolgens naar het heden te versassen. We kunnen ons met andere woorden wel in de ruimte verplaatsen maar helaas niet in de tijd.
Als we ons verplaatsen in de ruimte, hebben we tijd nodig omdat de snelheid waarmee wij handelen, altijd eindig is: onze energie is beperkt en wij moeten die hoe dan ook érgens halen, in dit geval nemen wij dus noodgedwongen een hap uit onze eigen levenstijd en zo wordt het ons ook mogelijk ons te verplaatsen in de ruimte. We geraken bij de koffie die elders staat mits de prijs van bijvoorbeeld één minuut van onze levenstijd.
En dit is nu precies de reden waarom wij ons niet verplaatsen kunnen in de tijd: opdat wij terug naar het verleden zouden kunnen, werd er vereist dat wij beschikten over voldoende kracht om alles wat tot stand gekomen is in tussentijd, teniet te doen. En alles wil dus zeggen: niet alleen onze eigen bewegingen, maar ook die van de aarde en de maan, de bewegingen van de planeten rond de zon, het uitdijnen der sterrenstelsels en de activiteit der zwarte gaten, kortom het heelal zelf diende door ons eerst gestopt te worden en vervolgens een paar uren, dagen, jaren achterwaarts gedraaid. Pas dan konden wij naar wens belanden in 't verleden.
En dat dit nimmer lukken kan, komt ook al hierdoor, dat de entropiewet dit verbiedt: als het al kon, dan ware het immers ontelbare keren moeilijker om alles achterwaarts te laten gaan dan om bijvoorbeeld alles met een verdubbelde snelheid naar de toekomst toe te doen bewegen. Een mens verbranden lukt ons wel, maar de rook en de asse opnieuw terug doen keren naar de status van het lichaam - nog gezwegen over 't leven - ware wel héél veel gevraagd. En hier belanden we opnieuw bij het begin met lege handen, want 't is ons niet gelukt om middels vergelijkingen hard te maken dat het begrip 'ooit' een begrip moet zijn zoals 'elders' en dat wij derhalve mochten blijven hopen dat er een weg bestond om wat voorbijgegaan is opnieuw naar ons toe te halen.
De asse drukt vrijwel volmaakt de vernietigende kracht uit van het vuur of van de energie in 't algemeen welke doet leven en vernietigt tegelijkertijd omdat wat brandt ook opbrandt, zodat het leven wezenlijk vernietigen is zonder meer. En hoezeer alle dingen dan vernietigd worden, kan ongetwijfeld nimmer beter worden vertolkt dan met het beeld van de onherroepelijkheid dat vastgesmeed is aan de gang zelf van de tijd. Andermaal brengt vergelijken geen soelaas en over asse valt niets meer te zeggen: het is een restant dat, vermengd met water, inkt oplevert en derhalve enkel nog kan dienen voor het optekenen van wat ooit was en niet meer is en ook nooit meer zal zijn.
Als er nog hoop is dan zal die moeten komen van een gigantische bron van energie welke de krachten die het uitspansel in zijn banen houdt nog verre overtreft. Men staat er immers niet bij stil totdat het eens hard wintert en de vorst de vraag doet rijzen naar het wezen van de warmte, want zij is niet even vanzelfsprekend als onmisbaar. De ganse kosmos immers is een ijskast met een temperatuur van 0 graden op de schaal der absolute temperatuur, de schaal van Kelvin, want overeenkomt met zowat min 273 graad Celsius. Kouder kan niet, want op dat punt staan alle moleculen stijf en stil, dat is de dood der dode stof omzeggens. De dood gewaande stof komt immers pas tot leven van zodra een bron van energie daarop wordt afgevuurd, bijvoorbeeld in de vorm van straling, en van zodra die bron ophoudt met schenken, valt het leven ook weer stil. De grote Ierse filosoof George bisschop Berkeley had het warempel bij het rechte eind toen hij beweerde te geloven dat het bestaan zonder meer er pas kan zijn omdat het op élk ogenblik opnieuw door de schepper wordt gewild of veroorzaakt. Maar als dat inderdaad de waarheid is, dan is ons recht op hoop niet langer ver te zoeken: de opstanding of de herschepping vergde dan immers helemaal geen uitzonderlijke stunt van God de vader, als men het voor een keer aldus mag zeggen, aangezien dan de schepping zelf reeds sowieso voortdurende herschepping is.
Noten:
(1) Met name Elia, die met een vurige wagen ten hemel voer. Henoch en Mozes zijn wellicht twijfelgevallen.
(J.B., assewoensdag 2012)
21-02-2012
Divide et impera!
Divide et impera!
"Ze maken ons rijk terwijl ze geloven de naastenliefde te beoefenen": dat is in wat andere bewoordingen de inhoud van de welbekende afspraak tussen de wereldlijke en de kerkelijke macht in nu vervlogen tijden: "Houdt gij ze dom, wij houden ze wel arm!" Maar zijn die tijden dan vervlogen, veranderd zijn ze geenszins omdat er op de keper beschouwd nooit iets nieuws onder de zon valt te bespeuren. Het "nihil nove sub sole" wil hier zeggen dat, vergeleken bij weleer, slechts de omkleding wat veranderde: in onze contreien bestaat de kerk niet echt meer, maar haar moraal blijft in ons binnenste nog wat hangen en die restant van wat ooit het geweten heette, wordt nu door de staat zelf benut om de burgers naar haar hand te zetten op terreinen waar controle niet meer kan, zeg maar om druk uit te oefenen 'van binnenuit'.
Solidariteit, zo heet de deugd die men dient te beoefenen en, zeg nu zelf: wie schaamt zich niet om voor laf en eerloos door te moeten gaan? Solidair moeten wij zijn met alle anderen, zo wordt ons geleerd, en in de context van de Europese politiek spreekt men over een solidariteit onder de Europese landen.
Toegegeven: het klinkt allemaal wel goed, maar dat is dan ook alle muziek die men met dat toverwoord kan maken. Want in feite is de zogenaamde solidariteit hier in het spel slechts een verkapping voor een heel andere gang van zaken welke feitelijk gevolg geeft aan dat aloude keizerlijk gebod dat heel wat minder ethisch klinkt, het "Divide et impera!" met name.
Hoe de vork hier aan de steel zit, wordt duidelijk mits een simpele analyse van de aan gang zijnde politiek die zich algauw als een doorwinterde carroussel ontpopt.
Om te beginnen is de loutere solidariteit helemaal geen morele kwestie - wat naastenliefde daarentegen wél is. Naastenliefde is een zaak van ethiek omdat zij onvoorwaardelijk is en vooral ook universeel: zij geldt voor állen, en dat principe is echt christelijk, het werd door Christus zelf geopperd, het gaat niet om een uitverkoren volk maar wel om álle mensen zonder meer. Immers, indien de naastenliefde iemand uit zou sluiten, dan bewees zij daarmee haar onechtheid want haar voorwaardelijkheid, haar gebrek aan universaliteit. Solidariteit daarentegen kan in dat licht slechts een uitgebreid egoïsme betekenen, een berekend altruïsme en een samenzwering van belanghebbenden onderling.
Hoezeer het dit soort van solidariteit aan universaliteit ontbreekt en dus ook aan ethiek, blijkt al waar nu een aantal rijkere Europese landen de lastpost Griekenland eruit willen, en de Grieken zullen het nu wel aan den lijve ondervinden: dat de Europese solidariteit slechts een verkapping is van een heel andere politiek. Solidariteit is slechts de mooie naam gegeven aan het middel waarmee de feitelijke bezitters van de koe Europa (!) haar probleemloos leegmelken.
Deze cowboys zetten alle landen onder een zogezegd morele druk, goed beseffend dat solidariteit een liedje is dat niet kan blijven duren en dat alras zal resulteren in net het tegenovergestelde, namelijk onenigheid. En die onenigheid hebben zij uiteraard nodig om absoluut te kunnen heersen, overeenkomstig het gebod van Caesar zelf: "Divide et impera!"
Men kon dit Europese spel wel vergelijken met wat op kleinere schaal inzake 'solidariteit' zoal schering en inslag is vandaag, en voor de hand ligt datgene waar nu allerlei verzekeraars op aansturen. De solidariteit op hun uithangbordje dekt de lading immers niet waar blijkt dat zij uitgerekend de noodlijdenden - dan toch de bestaansreden zelf van de verzekeringen - proberen uit te sluiten.
Ziekteverzekeraars, pensioenverzekeraars, ongevallenverzekeraars: allen trachten zij zoveel mogelijk clausules in te bouwen welke noodlijdenden a priori excommuniceren. Zo bijvoorbeeld kon men onlangs via de nieuwsberichten vernemen dat pensioenspaarders die op 't eind van hun carrière nog hun werk verloren en derhalve niet langer konden storten, prompt alles verloren wat zij ïnvesteerden. Elkeen weet dat het pensioensparen op zich reeds een verengde vorm van solidariteit is, tenminste als hier die term nog langer gelden kan, want het gaat om een solidariteit van een (jonge) enkeling met zichzelf (als oudere), een zaak waarvoor hij in principe helemaal geen derden nodig heeft.
En analoog handelen alle andere verzekeraars: zij houden voor een appeltje voor de dorst te zijn, maar in de praktijk eten ze dat appeltje helemaal zelf op nadat ze eerst de dorstigen de toegang tot de voorraadschuur ontzegden. Neem nu de verzekeraars van automobilisten: zij proberen stelselmatig al diegenen uit te sluiten die een hogere kans maken op ongevallen en het liefst wensten zij warempel een riante premie te ontvangen van een cliënteel dat de auto dag en nacht op stal liet staan.
Het behoeft geen illustratie: in deze wereld met zijn dubbele boekhouding bestaat het noodfonds helemaal niet omwille van noodlijdenden: het zijn in de eerste plaats zijn uitbaters die er flink wat garen blijken bij te spinnen. De nood is slechts het alibi waarmee zich diegenen verrijken die niet genoeg blijken te hebben en die derhalve allerminst lijden aan een nood doch veeleer aan een zucht: zij hebben immers nooit genoeg.
Oordeel nu zelf: is het Europese rad dat ons deze dagen voor de ogen wordt gedraaid geen vergelijkbare machinatie? Leveren de brave burgers hun laatste spaarcenten niet in onder de fatsoensdruk van een 'solidariteit' die in wezen niet bestaat, zoals uit de gebeurtenissen blijkt, maar die alsnog de werkzame façade is van banken die er slechts op uit zijn om ook het onderste uit de kan te halen? Want, gewis, via Griekenland melken zij vandaag de andere Europese burgers leeg, en morgen, als een leeggezogen Griekenland werd gedumpt, zullen ze dat doen via Spanje, overmorgen via Italië en zo voort totdat wij allemaal te kijk gezet vernemen zullen dat een anonieme macht met alles aan de haal is. En geef toe, het is niet meer de eerste keer dat zulks gebeurt.
(J.B., 21 februari 2012)
19-02-2012
Iran en P.N. Van Eyck
Iran en P.N. Van Eyck
't Is al economie wat de klok slaat vandaag en daarom kennen we het land meestal vrijwel uitsluitend als de nummer vier in de wereldranglijst der olieleveranciers, maar Iran daarmee te identificeren betekende een onrecht vergelijkbaar met het vereenzelvigen van België met zijn wapenfabriek in Herstal.
Intolerante autochtonen wensten het misschien anders, maar Iran betekent 'land der Ariërs', en de term 'Ariër' is het Sanskrit (Oud-Indisch) voor 'edele', wat slaat op de Indiërs. Op grond van taalverwantschappen meenden bepaalde filosofen, filologen en 'rassendeskundigen' (1) te mogen besluiten dat de Westerse cultuur uit het Oosten kwam en dat wij, Europeanen, (2) samen met de Indiërs, Ariërs waren of dus afstammelingen zijn van de Iraniërs.
De Ariërs of 'edelen' werden in door de nazi's benutte, pseudo-wetenschappelijke explicaties beschouwd als de (spirituele en dus te fokken) superieuren. Met de (materialistische en dus te steriliseren) 'inferieuren' bedoelde men dan logischerwijze de sprekers van de andere taalgroep, namelijk de Semieten, de joden.
Zichzelf opzwepend middels een waanzinnige ideologie, hielden de nazi's het dus niet bij alleen maar sterilisatie. Verder werd de rassenwaanzin ook gevoed door een welbepaalde en allesbehalve wetenschappelijke omgang met darwinistische theorieën over de survival of the fittest, waarvan machtige dwazen geloofden dat het van een hoogstaande cultuur getuigde om het recht van de sterkste ook nog een handje toe te gaan steken. (3)
Naast de waanzin die de feiten verkracht, is er ook de fantasie welke de feiten in nevelen hult. De Oude Grieken spraken over 'Pars' - vandaar 'Perzië' - en over een wet waaraan niet te tornen valt, zegt men dat het een Wet van Perzen en Meden is. Verkeerdelijk wordt vaak naar deze uitdrukking verwezen om de wiskunde der Perzen te roemen, want zij slaat allerminst op de een of andere wiskonstige waarheid, maar wel op de onherroepelijkheid der wet, zowat hetzelfde uitdrukkend als het romeinse gezegde 'dura lex sed lex'. Daniël (naar wie het Oud-Testamentische boek werd genoemd), werd zo onherroepelijk tot de leeuwenkuil veroordeeld op grond van een (onwrikbare) Wet (van Perzen en Meden) die met dat doel, na zijn aanstelling in dienst van koning Darius van Babylon, door naijverige hovelingen was gemaakt, stellende dat eenieder die een ander dan de koning aanbad, aldus gestraft moest worden. Bleek echter dat de god van Daniël de Wet van Perzen en Meden wezenlijk want in zijn effect teniet kon doen: de leeuwen spaarden de Joodse profeet maar allerminst zijn rivalen, waarop Darius zijn hele rijk tot het jodendom wilde bekeren. Godsdienstwaanzin is alvast wat door die vroege nevelen zichtbaar blijft.
Het grote Perzische rijk uit de zesde eeuw voor Christus, dat zich uitstrekte van Griekenland tot Indië (5), is één der hoofdbronnen van onze (Westerse) cultuur. Dat wij de Arabische en niet de Romeinse cijfers gebruiken, maar ook dat bijvoorbeeld ons woord 'chemie' op het Perzische 'al-kimia' teruggaat (4), suggereert dat de verhalen over onze Iraanse oorsprong, of alvast over zekere Iraanse bronnen van onze cultuur, niet helemáál uit de lucht gegrepen kunnen zijn.
Beroemd is het rijk van de Sassaniden, daterend van 226 tot 650 ná Christus, waarin de officiële staatsgodsdienst de leer was van de Perzische profeet Zarathustra, die leefde omstreeks de veertiende eeuw vóór Christus en die ons welbekend is uit het flamboyante filosofische semi-dichtwerk van Friedrich Nietzsche. Katholieken werden door de Sassaniden vervolgd omdat zij uit de schoot van Rome kwamen, dat immers vijandig was, maar de Nestoriaanse christenen werden geduld.
Toen dit Rijk werd verslagen door de Romeinen en anarchie dreigde na de moord op prins Khusro II in 628, bleef Perzië alsnog uit de greep van Rome omdat plotseling ándere legers in aantocht waren: de oprukkende legers van de nieuwgeboren islam. De macht werd gegrepen door het eerste Arabische Rijk, een Islamitisch Kalifaat gesticht door de profeet Mohammed en voortgezet door zijn opvolgers, de kalifen, dat zich uitbreidde van Spanje tot Indië. Het Gouden Tijdperk van de Islamieten dateert van de dynastie der Abassiden die regeerden van 750 tot 1258. Pas in 1492 namen de Christenen Spanje weer in.
Terug naar Perzië, dat in de dertiende eeuw onder het juk viel van de wrede Mongolen, eind veertiende eeuw onder massamoordenaar Timoer Lenk of Tammerlain. In één stad werden in die tijd tot een miljoen mensen afgeslacht, hun schedels werden op elkaar gestapeld tot hoge piramides.
Volgen dan de Safawiden, met onder koning Abas I de bloeiende hoofd- en cultuurstad Isfahan waarmee de Portugezen en de Oost-Indische Compagnie handel dreven in onder meer parels, zijde en Arabische gom, totdat in 1766 de Perzen opnieuw aan de macht kwamen.
Perzië handhaafde zijn onafhankelijkheid. In de twintigste eeuw regeerden de dictatoriale Pahlavi's die omwille van de oliebelangen gesteund werden door het Westen. Dat duurde tot in 1979 de zogenaamde Iraanse revolutie uitbrak.
Tijdens die revolutie liet de geestelijkheid de andere opstandelingen stikken en trok zij de macht naar zich toe waarbij ayatollah Khomeini de repressieve sharia oplegde aan het volk: Iran werd een islamitische republiek.
Van 1980 tot 1988 gaf het Westen aan Saddam Hoessein van Irak alle middelen om tegen buurland Iran oorlog te voeren, maar vruchteloos. In 1989 stierf Khomeini en ayatollah Kamenei volgde hem op. President Khatami voerde van 1997 tot 2005 enkele hervormingen door maar hij werd in 2005 opgevolgd door de conservatieve Ahmadinejad die in 2009 werd herkozen, wat rellen meebracht, die echter in de kiem werden gesmoord.
Vandaag lopen de spanningen tussen Iran en het Westen hoog op. Zoals bekend, verdenken de Verenigde Staten Iran ervan aan de bouw van kernwapens te werken. Het is een project waarvan sommigen berekend hebben dat die wapens er weldra al kunnen zijn. De na de Tweede Wereldoorlog gestichte jodenstaat Israël vreest er nu voor door zijn aartsvijand daadwerkelijk aangevallen te zullen worden.
Redenen tot juichen hebben de Israëlieten alvast niet, nu velen geloven dat de Noord-Afrikaanse en de Arabische revoluties gedragen worden door de fundamentalistische islam. Alvast promoveerde de Tunesische president Ben-Ali dankzij zijn optreden tegen de moslimfundamentalisten. De verdreven Egyptische president Moebarak liep gedurende zijn hele carrière trouw in het spoor van zijn (in 1981) door Islamfundamentalisten vermoordde voorganger Sadat die op de Camp Davidakkoorden (1978) de staat Israël erkende en hij was dan ook een doorn in het oog van die fundamentalisten. Kadafi schreef in zijn laatste machtsstrijd de opstand in zijn Lybië toe aan vechters van Al-Qaida en uit gegevens aangetroffen na de moord op Bin Laden bleek dat deze met de nieuwe revolutionairen sympathiseerde. (6)
Door die jongste historische wendingen verloor Israël in geen tijd in feite bijna alle moeizaam opgebouwde vredesgaranties en steeds nadrukkelijker moet nu voor de ogen der joden het dreigende beeld opdoemen van de uitroeiingskampen die allesbehalve fantasie waren: een herhaling van een dergelijke waanzinnige tragedie is niet ondenkbaar. Dat de joden het ernstig nemen met hun veiligheidsprobleem, blijkt uit het feit dat zij sinds W.O.II een van de sterkste legers ter wereld hebben opgebouwd, maar hun angst blijkt ook uit de fortuinen die zij aan beveiliging besteden, alom ter wereld. Zo bijvoorbeeld spendeerden zij ettelijke miljoenen aan het ombouwen van een joods ouderlingentehuis in Antwerpen tot een ware bunker, met name door het versterken van de straatgevel tegen mogelijke bomaanslagen. Dat zij relatief kort geleden na schermutselingen in Antwerpse wijken van bepaalde verantwoordelijke politici te horen kregen dat ze daar misschien beter konden vertrekken, betekent ondubbelzinnig dat ook derden hun veiligheid niet langer kunnen of willen garanderen. Is men de geschiedenis vergeten of heeft het revisionisme terrein gewonnen? Is de solidariteit zoek? Ontbreken de vereiste middelen? Capituleert men feitelijk voor gevreesde terreur? Speelt hier het Stockholm-syndroom? Talloze onbeantwoorde vragen scheppen een sfeer van dreiging, onzekerheid en overprikkeling die vruchteloos naar ontspanning hunkert en die nu wanhopig haar toevlucht zoekt in polarisering. Komt daarbij dat niet alleen de joden religieus zijn en geloven in de uitverkoring van hun volk: ook de islamieten geloven dat de toekomst aan hen is, en hetzelfde geloven - om slechts één voorbeeld te noemen - de Mormonen over zichzelf: zij zouden immers het eigenlijke godsvolk zijn, volgens het boek Mormon ooit per schip vertrokken uit Jeruzalem en na een lange reis in het beloofde land Amerika gestrand om daar de kiemen van de Godsstaat te zaaien met de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. De Laatste Dagen, en dat zijn, niet mis te verstaan, de in het slotstuk van de bijbel aangekondigde dagen van de eindstrijd, het Armageddon.
Een eindtijd kennen ook de Boeddhisten met een terugkeer van de Boeddha. In de islam keert Isa weer, die staat voor Jezus. Ook volgens het jodendom zal de messias terugkeren op aarde. En zelfs de Perzen kennen het begrip van de eindtijd in het heilige boek van het Zoroastrisme, de Avesta, dat van Zarathustra liederen bevat. In Wikipedia staat te lezen: "In de Avesta (...) verschijnt aan het einde der tijden de messias die het kwade overwint.
Hij zal een zalf van stierenvet en hamoa maken en daarmee onsterfelijkheid bewerken. Op de altaren van Mithras in het aan hem gewijde Taurobolium wordt deze zonnegod afgebeeld terwijl hij zich met stierenbloed wast". (7)
Self-fullfilling prophecy heet het wanneer bijvoorbeeld een waanzin ook écht gaat doorbreken in de werkelijkheid omdat allen daarin zijn gaan geloven en zij er daardoor ook op aansturen. Als twee spelgenoten doen alsof zij met een bal naar elkaar gooien en zij worden vergezeld van een hond, dan gaat die hond zich net zo gedragen alsof de bal er ook echt was. Maar op exact dezelfde manier als de bal voor de hond bestaat, komt ook een louter in de fantasie bestaande zaak tot leven voor de massa's die erom strijden. Het griezelige is wel dat het al dan niet echt bestaan van die zaak er helemaal niet blijkt toe te doen: kennelijk blijkt ten langen leste de strijd zelf - en zijn vernietigende kracht - een doel op zich...
Tenslotte nog een anecdote die de scepticus dan toch wel op de proef stelt. Menigeen leerde ooit op school het griezelig doch mooi gedicht van P.N. Van Eyck, getiteld De tuinman en de dood. (8) In dat gedicht vertelt een Perzisch edelman dat zijn knecht op een keer naar hem toe uit de tuin kwam rennen alwaar hij de rozen snoeide, hem smekend om de bruikleen van zijn paard: hij had in de tuin de dood ontwaard en wilde spoorslags vluchten richting Ispahan. Toen de knecht gegaan was, sprak de dood zijn verrassing aan de edelman uit: Ispahaan was namelijk de stad waar de dood de knecht diezelfde avond nog moest halen. Nu had die stad in dat gedicht zo'n schone naam dat menigeen wel zal hebben geloofd dat zij niet echt kon bestaan. Edoch, enkele jaren geleden weerklonk haar naam in het wereldnieuws als de plaats in Iran met de dertien universiteiten en de omstreden kerncentrales... (9)
(J.B., 19 februari 2012)
Noten:
(1) Onder meer: Friedrich von Schlegel, Max Müller, Arthur de Gobineau, nazi-ideoloog Gerhard Heberer en nog andere 'ariosofen' zoals Helena Blavatski en Rudolf Steiner...
(2) Volgens sommigen zijn de oorspronkelijke Arische Europeanen de Kaukasiërs en de Amerikanen benoemen de blanken overigens nog steeds als 'the Caucasian'. Volgens anderen komen de oorspronkelijke Arische Europeanen uit de Himalaya en zo werd Tibet geïdentificeerd met Xanadu, en Hitler stuurde naar de (sinds 1964 in Chinese handen gevallen) Tibetaanse hoofdstad Lhasa ('het dak van de wereld', letterlijk: 'de woonplaats van de goden') een expeditie om aldaar de bron der beschavingen te gaan ontdekken. Later echter bleek dat Lhasa in feite Rasa heette of 'plek der geiten', wat heel wat minder hoogdravend klinkt.
(3) Het is het mysterie - de tragedie maar ook de grootheid - van het mensdom (en op een ander niveau ook van het leven als zodanig) dat haar culturen de natuur moeten tegenwerken. De geneeskunde bijvoorbeeld houdt de zwakken in leven, maar dat doet ook de rest van de cultuur. Door de cultuur met de natuur te vergelijken, krijgt zij een bedrieglijke schijn van tegendoelmatigheid. Onverstand aan de macht dreigt aldus te resulteren in regelrechte barbarij.
(4) 'Al-kimia' of '(de leer van) het zwart' verwijst naar de scheikundige wetenschap voor het omzetten van onedele metalen in goud, de alchemie, de oorsprong van de chemie.
Tweehonderd jaar geleden, meer bepaald in 1813, en dat is nog vijf jaar vóór de geboorte van Karl Marx, richtte Napoleon Bonaparte een solidariteitsfonds op voor invalide mijnwerkers en voor hun achterblijvende gezinnen. Een verzekering voor gezinnen van zeelieden volgde in 1844. Dan kwamen de eerste voorbereidselen tot de oprichting van de vakbonden (het Communistisch Manifest dateert van 1848) en pas een eeuw geleden kregen de eerste sociale wetten in België vorm, met onder meer de belangrijke wet op de bescherming van het loon van 1896. Nu, amper honderd jaar oud, dreigt ons sociaal stelsel op sluikse wijze en mede door een maatschappij die Orwell's 1984 naar de kroon steekt, zonder al te veel verzet en in geen tijd volledig ondermijnd te worden.
Uitgerekend in het geboorteland van Marx behoren de minimumlonen dankzij de CDU van Merkel al tot het verleden: jobs worden steeds vaker toegekend aan die werknemers die geen looneisen stellen, zodat geleidelijk al het sociaal beschermde werk muteert in slavenarbeid. Maar ook bij ons worden de sociale wetten heden feitelijk afgeschaft. Enerzijds door het onbestraft laten van onderbetaald werk, verricht hetzij door illegalen, hetzij in landen waar geen sociale wetten gelden, maar anderzijds ook en vooral door het onder druk zetten van werklozen die dan in allerlei nepstatuten worden geperst. Werkzoekenden worden een eerste keer gestraft waar zij van een falende regering geen werk krijgen aangeboden, een tweede keer waar diezelfde regering hen onder druk zet om feitelijk ongeacht welk werk te aanvaarden tegen vergoedingen die het wettelijke minimumloon niet eens benaderen. Het PWA of de zogenaamde werkwinkel is hiervan een schoolvoorbeeld. Deze instelling zwaait naar de 'werknemers' toe met de welluidende terminologie van het "maatschappelijk engagement", terwijl alle participanten aan dit verraderlijke systeem zich de facto aansluiten bij de actieve ondermijning van het sociale zekerheidsstelsel op dezelfde manier waarop illegalen dit doen of werkgevers die produceren in wetteloze streken.
De huidige macht toont haar dictatoriaal, fascistisch en totalitair karakter vooral in haar onduldzaamheid jegens kritiek, oppositie of tegenkanting, alsook in de achterbakse manier waarop zij zichzelf bestendigt en uitbreidt. Voor de slechte verstaander: het gaat hier om de macht van het volstrekt anonieme geld dat zich voor haar blinde, onmenselijke en ontmenselijkende bewegingen helemaal niet verantwoordt en daartoe ook niet gedwongen kan worden. Het is die macht van de banken die ons Europa door de strot ramde met de bedoeling dat deze dictatuur van onverkozen ambtenaren zou fungeren als haar feilloze verzekeringsmaatschappij. Immers, banken halen hun winst uit leningen die corrupte politici in de naam der burgers bij hen aangaan en wanneer een land naar het failliet afglijdt en de banken dreigen te zullen moeten fluiten naar hun centen, worden de 'solidaire' buurlanden aangesproken om de tekorten bij te passen. Het rad dat de Europeanen vandaag voor de ogen wordt gedraaid, verkapt slechts die ongebreidelde roof van rijk op arm.
In Griekenland protesteerde Papandreou tegen deze vreselijke volksverlakkerij en hij werd prompt vervangen door gewezen bankdirecteur Papadimos. Hier ten lande riep ABVV-voorzitter Rudy De Leeuw op tot staking en hij werd door de kennelijk in het gareel van het gouden kalf lopende media publiekelijk aangevallen en hoe dan ook besmeurd zonder dat daartoe ook maar enige wettige grond bestond. Dit alles is uiteraard pas mogelijk door een grondige verdraaiing van de feiten in de beeldvorming van de huidige media, die ooit "de vierde macht" werd genoemd - een macht met name naast de wetgevende, de rechterlijke en de uitvoerende. Vandaag controleert het systeem niet alleen de media (en dat is heus niet alleen in het Italië van Berlusconi het geval) maar bovendien bewijzen de dagelijkse schandalen onder politici dat van het principe van Montesquieu - de driedeling der machten - in de praktijk niet veel meer overschiet.
Journalisten en mediafiguren die hun boekje te buiten gaan, worden afgezet, en sinds de affaire rond Tsjernobyl in 1986, toen weerman Armand Pien door Miet Smet gedwongen werd te liegen over de radio-actieve neerslag over ons land, weten we ook voor eens en voor altijd dat onze media leugens verkondigen onder politieke druk. De professionele selectie van bekwame lui via het mechanisme van de hogere studies wordt stelselmatig opzij geschoven en vervangen door de zich opdringende willekeur van politieke benoemingen, zodat geschoolde lui kunnen vervangen worden door meegaande marionetten. Om bij het onschuldige onderwerp van het weer te blijven: onlangs nog verkondigden een aantal weermannen voor miljoenen televisiekijkers dat het zeventig jaar geleden was dat het in februari nog zo hard vroor, waaruit men met kritisch observator Dirk Biddeloo in de Gazet van Antwerpen kan besluiten dat ze ofwel de winter van 1956 over het hoofd zagen, ofwel niet eens meer kunnen tellen. En als Het Laatste Nieuws vertelt aan zijn lezers dat de mensen hun vakbonden de rug hebben toegekeerd, gaan ze het op de koop toe geloven en sluiten zij zich alras bij de fictieve vakbondslozen aan, zodat middels dit louter psychologische trucje dat zinspeelt op de massahysterie, de vakbonden effectief worden geraakt. Ja, zo redeloos werkt macht, zo makkelijk laten wij ons in de doeken doen.
En nu ook echt de honger in Europa intreedt en de Grieken met steeds grimmiger massa's door de straten spoken van dit zopas nog cultureel zo hoog verheven land van Hellas - de bakermat onzer beschaving! - zal het er ook hier niet makkelijker op worden. In een land dat niet zo lang geleden de pilaren van de aula van een universiteit door zogenaamde kunstenaars heeft laten behangen met plakjes ham, wordt er om honger ten hemel geschreeuwd, zo wil het nu eenmaal de wet van de hubris. (1) Ja, nu ligt hij in al zijn glorie uitgerold, de rode loper, voor de intrede der slavernij.
Mondsnoerders van jan met de pet die de media bezetten, scanderen namens hem dat hij de staking doelloos vindt en afwijst!
De man in de straat is tot het inzicht gekomen
, zo schudden zij het uit hun pen, dat hij schuldig is aan het failliet der hebberige bankiers die zijn spaarcenten vergokten!
Hier ligt de fout,
zo klopt de arbeider zich op de holle borst: de verantwoordelijke voor de corrupte politiek, de uitlokker van de immorele economie en de veroorzaker van de casino-excessen der renteniers! Hier staat hij, koelt op hem uw woede! Mea culpa!
En in de koude ochtendmaan op het perron scanderen de werklieden: eindelijk kregen wij het inzicht dat we vaarwel moeten zeggen aan ons eigen recht! Alle begrip hebben wij voor de nooit voldane rijken en daarom ook trekken wij graag de broeksriem aan en willen wij inleveren zodat onze leiders kunnen doorgaan met bekvechten, cumuleren en tafelen!
Wij vragen met aandrang minder te verdienen en langer te werken, zo verklaren de uitgepersten, zodat bankiers en managers niet zonder riante uitstappremie vallen!
Wij, armen, die de banken redden van 't bankroet, betonen compassie met de rijken, en als kers op de taart nemen wij, slachtoffers, nu ook nog allen samen de schuld voor het hele debacle op ons! Wij die bijna niets meer hebben, willen nu ook nog het weinige dat we overhielden, wegschenken aan de albezitters, want zij hebben nooit genoeg!
Ja, morgen reeds gaan wij in de rij staan en bieden wij hen onze diensten aan: Tien euro per uur! Wie biedt minder? Negen! Negen euro per uur! Acht! Zeven, mijnheer ginder achteraan biedt zijn diensten aan voor zeven euro per uur! Wie biedt nóg minder? Zes! Zes euro per uur voor de klus! Komaan! Wie biedt nóg minder?
En jawel, de toekomst van onze kinderen laat ons koud: hebben zij geen rechten meer? Des te slechter! Adieu aan de sociale wetten, het heeft toch onze tijd geduurd en dat is immers lang genoeg! Wij willen nu dolgraag rechtsomkeert naar de middeleeuwen!
Ja, zij spreken nu namens jan met de pet, en zij bazuinen het door radio en televisie uit: dat de man in de straat zijn rechten veracht, dat hij op zijn vakbonden spuwt en dat hij ernaar verlangt om te kruipen voor die adders op hoge hakken die gewapend met de zweep van het geld hem het bloed vanonder de nagels persen. Het was al een fikse stunt dat ze van de arbeid het meest gegeerde product op de markt konden maken, maar dit is echt niet meer te geloven, dit zal onafwendbaar het einde zijn, alvast het einde van de mens. En hoe het wezen heten moet dat ernaar snakt in 't stof te kruipen, dat zullen we dan wel zien.
(J.B., 31 januari 2012)
28-01-2012
Staken tegen de achteruitgang
Staken tegen de achteruitgang
Wie heeft ze nog níet gezien, de videootjes over in kastschuiven slapende Chinese bandarbeiders die Apple-computers produceren onder massale zelfmoord veroorzakende werkdruk? In hun arbeidscontract moeten ze beloven niet de hand aan zichzelf te zullen slaan. Vele duizenden zijn ervan, ettelijke miljoenen. Miljarden mensen leven in de slavernij. Maar hoe kan het ook anders, wetende dat wij, westerlingen, bestaan bij de gratie van gemiddeld 40 tot 50 slaven per persoon?
De slavernij is van alle tijden. De Britten schaften ze af in 1833, de Hollanders in 1863, maar toen in 1884 Leopold II Congo kreeg toegewezen, zou dit land op bloedige wijze worden uitgebuit tot aan zijn onafhankelijkheid in 1960. Tot dan heerste daar slavernij met marteling, verkrachting, verminking en moord als dwangmiddelen. De zogenaamde Armeense genocide lag dan al veertig jaar achter de rug, de shoa al bijna twintig.
Het is een fabeltje dat bij uitbuiting en slavernij het ene volk tegenover het andere staat: het zijn daarentegen ongeacht welke sterkeren die gewetenloos ongeacht welke zwakkeren uitbuiten, en die aldus de evangelische woorden van Mattheüs bekrachtigen, met name dat aan al wie bezitten nog meer gegeven zal worden en dat het weinige dat de armen hebben hun nog zal worden afgenomen. Marx en Engels omschreven dit duidelijk als de klassenstrijd die de hele geschiedenis omvat. En dat uit de geschiedenis geen lessen werden getrokken, illustreert de uitbuiting van de armen door de rijken in onze huidige economie.
Kapitaalkrachtigen investeren in productiemiddelen voor het voortbrengen van goederen die dan met winst worden verkocht. De winst neemt toe naarmate de productiemiddelen minder kosten en zo moet onder meer de arbeidskost worden beperkt. Fabrikanten doen dit door de met veel inspanningen verworven sociale wetten te omzeilen: zij stellen werklui in dienst die quasi niks kosten omdat zij hetzij illegaal werken, hetzij vallen onder wetten van achterlijke landen die (nog) geen sociale zekerheid kennen. Goedkope arbeiders worden geïmporteerd en bedrijven gaan zich in lage loonlanden vestigen. Zo verrijken de rijken zich nog meer door de armen twéé keer te bestelen: een eerste keer door slavernij - het misbruiken van de nood van onbeschermde arbeiders - een tweede keer door het eigen volk te beroven van het werk dat zij immers exporteren, zodat mét onze economie het hele sociale stelsel instort.
Het wraakroepende van die hele 'onderneming' is dat de instorting van het sociale stelsel die eruit volgt, allerminst partieel is en tevens onherstelbaar. Het gaat er immers om dat alle werk dat onder humane omstandigheden werd verricht, stelselmatig uit de handen van die arbeiders wordt genomen en wordt overgeheveld in de handen van slaven die worden uitgebuit zoals nooit voorheen. Die transactie geschiedt uiteindelijk onder de impuls van de hebzucht die immers de rijken in zijn greep heeft en die hen ertoe verleidt om hun bezit als dwangmiddel aan te wenden voor een onbeperkte uitpersing van de armen. Die hebzucht op haar beurt viert hoogtij waar zij zich niet langer hoeft te schamen omdat in deze tijden met het christendom, die ze tot de ondeugden rekent, nu eenmaal de vloer wordt geveegd.
Op papier is de slavernij afgeschaft, in de praktijk is ze nooit omvangrijker geweest dan nu. Als fabrieksarbeiders massaal zelfmoord plegen onder de opgelegde werkdruk, dan is hier niet langer van zelfmoord sprake maar van regelrechte moord. Zelfs de meest primitieve volkeren vermoordden hun slaven niet; tot in de nieuwe tijd was het altijd en overal een zaak van eer zijn slaven goed te verzorgen en wie daaraan verzaakte werd streng gestraft, zoals ook nu de dierenbeulen strenge straffen krijgen. Jammer genoeg maskeert dit medelijden met de beesten op een blijkbaar bijzonder doeltreffende wijze de meedogenloosheid die de hedendaagse mens jegens zijn soortgenoten aan de dag legt. Haast zou men de mooie uitvlucht moeten geloven dat het de bevolkingsdruk is die ons parten speelt en die ons met paniek slaat: de angst om straks geen plaats meer te hebben op deze ineens zo klein geworden wereldbol. Een fabeltje, jazeker, want waar hebzucht heerst, heeft men nooit genoeg.
A propos, het humaan werk wordt ondermijnd, de slavernij keert weer, en nog zijn er die oproepen om niet te staken? Die hypocrisie is in de hele mensengeschiedenis ongezien.
(J.B., 28 januari 2012)
23-01-2012
De leugen, de mot in de munt
De leugen, de mot in de munt
Men komt het alsmaar vaker tegen op het internet, ofschoon dat een quasi immaterieel medium is (- de lezer betaalt omzeggens zijn eigen licht en klaar is kees): webpagina's die geld vragen voor het lezen van hun teksten. Absurd om meer dan één reden, uiteraard.
Om te beginnen zou de schrijver de lezer dankbaar moeten zijn dat hij bereid is om hem te aanhoren. Wie vandaag een stuk van zijn levenstijd wegschenkt aan de woorden van een ander, is wel héél vrijgevig. Overigens zou de terugloop van de verkoop allerminst aan de kostprijs der boeken toe te schrijven zijn, wél echter aan de precieuze tijd waarmee elk boek tenslotte aan de haal gaat. Toehoorders en lezers horen sprekers en schrijvers niet te betalen, zij zouden daarentegen veeleer geld moeten vragen voor het geduld dat ze in andermans uitvindsels investeren. Bovendien is een luisterend oor zeldzaam en wat schaars is, is duur.
Maar er zijn nog redenen waarom tekstmakers geen geld horen te vragen aan hun lezers, en bovenaan het lijstje prijkt beslist de regel dat de waarheid en het gouden kalf elkaars aartsvijanden zijn. In twee woorden wil dat zeggen dat een waarheid die voor geld te koop is, met het wezen van de waarheid vloekt omdat de degradatie van het Ware, het Schone en het Goede tot gemene koopwaar, aan dit heilige drietal onverwijld de doodsteek geeft.
Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven - zo zegde het de Christos, en om de waarheid in de wereld te brengen, vroeg Hij ons allerminst een tol, Hij betaalde er daarentegen voor en wel met de allerhoogste prijs van zijn eigen goddelijke leven. De logica in dit verhaal snijdt alle hout: er bestaat geen getuigenis dat meer overtuigt dan de schenking van die allerhoogste tol en derhalve wordt de waarheid op handen gedragen door wie haar op die manier verkondigen. "De prijs van het graan is uw geld; de prijs van een stuk land is uw zilver; de prijs van een parel is uw grond; maar de prijs van de naastenliefde zijt gijzelf". En dát is evangelie. Zo klaar als een klontje is het dat wie daarentegen geld vragen voor hun woorden, niets dan leugens te bieden hebben, aangezien niemand de waarheid bezit, terwijl een natuurwet garandeert dat wie de waarheid geloven te bezitten, haar toch niet voor zich kunnen houden.
Was het niet potsierlijk toen amper een paar jaren geleden in dit land een ministerie aan een universiteit een aanzienlijke geldsom uitkeerde voor het propaganderen van de 'waarheid' van het darwinisme? Kapitalen zijn vereist voor het verheffen van scheldproza tot literatuur, voor het doen verkiezen van een crimineel tot president of voor het door het strot rammen van allerlei viezigheden die voor voedsel willen doorgaan, maar niet voor het verkondigen van de waarheid. De waarheid immers dwingt niet, zij spreekt vanzelf en zij spreekt elkeen aan; door allen die hem zoeken, wordt zij ook gewis gevonden. De waarheid is ten langen leste heel eenvoudig en aan al het ingewikkelde zit op zijn minst een geurtje.
De waarheid is wat men dient te onderwijzen, en onderwijs dat tegen geld wordt aangeboden, heet sinds de oudste tijden sofisme, wat wil zeggen bedrog. Honger naar waarheid is net zoals honger naar voedsel: de twee zijn bedoeld om genuttigd te worden en allerminst om de hongerigen naar zijn hand te zetten. Want manipuleren is wat iemand doet die spijzen achterhoudt en die de leniging van die nood voorwaardelijk maakt: hij weet dat de hongerige voedsel nodig heeft, maar hij gaat tussen de twee in staan en aldus vormt hij een obstakel dat pas opkrassen wil mits de ander eerst tol betaalt. Hetzelfde doen al wie de waarheid achterhouden en haar dan vrijgeven met mondjesmaat tegen betaling. Maar wie geloven dat van die lieden waarheid te verwachten valt, zijn ziende blind: zij vragen erom bedrogen te worden.
De waarheid is niet iets dat men maken moet, want zij is geen verzinsel, zij is en daarmee uit. De waarheid spreekt zichzelf niet tegen want zij is één; leugens daarentegen zijn er in ontelbare hoeveelheden. Elke rekensom heeft talloze foute uitkomsten maar slechts één correcte. En elke wiskunde - bijvoorbeeld de Euclidische meetkunde - is om die ene reden hoogst bevredigend: uit een handvol aangenomen beginselen kan quasi moeiteloos een heel universum aan stellingen worden afgeleid.
Websites die wensen gelezen te worden en die daar op de koop toe nog eens geld voor vragen, lijden aan grootheidswaan, wat zelfbedrog is, maar vooreerst ook plegen zij bedrog want zelfbedrog is een gemeen excuus. In de toekomst zal cultuur gratis zijn ofwel ophouden te bestaan, trouwens net zoals opvoeding, gezondheidszorg en kortom alles wat te maken heeft met dat heilige drietal van waar en goed en schoon. Dat lijdt geen twijfel omdat de dingen die zich doen betalen, zichzelf nooit geven - deden ze dat wel, dan hielden ze immers op rendabel te zijn. De verloningen verdringen immers de authentieke doelstellingen van de arbeid en werken ze ook tegen. Garagisten die aan de motoren van onze wagens prutsen, worden talrijker en ook apothekers die pillen slijten die niet genezen maar wel ziek maken en verslaven. Schrijvers die in plaats van te verduidelijken, de dingen eindeloos omzwachtelen en aldus onzichtbaar maken. Er is steeds meer drank op de markt die ons nog dorstiger maakt, voedsel dat ons van onze krachten berooft, desinformatie, leugen en bedrog.
In de toekomst zal cultuur gratis zijn ofwel ophouden te bestaan, maar hetzelfde lot is uiteraard ook al het materiële beschoren: huisvesting, voedsel en drank en alle producten die men maar bedenken kan. Zij zullen ofwel om zichzelf worden gemaakt ofwel ophouden te bestaan, en nu reeds wordt er aan hun wezen gepeuzeld, want ze worden zo vervaardigd dat ze snel verslijten, zodat ze keer op keer opnieuw dienen te worden gekocht. Of ze worden zo gemaakt dat ze geheel onbruikbaar zijn en dan heeft men betaald voor zuiver afval. Het is meer dan duidelijk dat in dit systeem op den duur nog slechts schijnartikelen worden geproduceerd; maar even duidelijk is het dat het geld waarmee zij dienen betaald te worden, precies omdat het die dingen representeert, uiteraard evenzeer waardeloos zal worden. En is dat niet reeds aan de gang?
(J.B., 23 januari 2012)
21-01-2012
Minder werken is de boodschap!
Minder werken is de boodschap!
Ooit zegde een Amerikaanse president dat men één persoon langdurig kan bedriegen en een grote massa voor een korte tijd, maar nimmer een menigte langer dan een paar tellen. De recente Europese geschiedenis echter heeft die legendarisch geachte woorden voorgoed verwezen naar het museum van de grootspraak. Zoals de westerlingen zich vandaag bij den bok laten zetten... dat is in geen eeuwen gezien!
We gaan het niet hebben over hoe de democraten zich de wetten laten spellen door nooit verkozen ambtenaren die de wil voltrekken van het gouden kalf: eerst vergokken die het westers kapitaal, laten het dan aanzuiveren door jan met de pet, om vervolgens diezelfde jan harder te doen werken voor een veel geringer loon teneinde de hem aangeprate schulden (bij de banken! - vatte wie het vatten kan) af te doen betalen. We gaan dat niet herhalen want onze maag keert ervan om en ons brood is peperduur. We gaan ons hier beperken tot die werkdruk die men ondanks alles op wil voeren, die al zotgedraaide economie die men blijvend wil zien groeien en die consumptie en verspilling die blijkbaar nooit afdoende gigantesk zijn.
Het allergrootste probleem op aarde, zo zei het onze beroemdste geleerde, is de overbevolking: wij zijn met teveel en zo verbruiken wij ook teveel, zo komt er niet alleen voedselnood maar, erger nog, een overvloed aan afval. Overproductie heet het monster dat ons hoe dan ook zal opslokken met krot en mot. Wij maken téveel dingen en dan werpen we die weer weg: wij maken wegwerpartikelen, wij vergaan erin, zij worden onze gewisse dood. Des te onbegrijpelijker dat ons gevraagd wordt om nog méér te werken, om die werkdruk nog verder op te voeren, om nog veel méér te produceren, om door te gaan met produceren tot wij zeventig, tachtig, negentig zijn!
Kop noch staart krijgt men eraan, en wie heeft nu gelijk? De geleerden en de politici die zeggen dat het grootste probleem op aard de overbevolking is, de overproductie? Of de bewindslieden die zeggen dat wij nog langer moeten werken en nog veel meer moeten produceren om uit het slop te raken? En vraagt gij wie van de twee gelijk heeft, dan zal men direct en terecht opmerken dat die twee in feite één en dezelfde regering vormen! Gewis, wij bevinden ons heden op een kar getrokken door twee spannen paarden: een eerste span aan de voorzijde van de kar en een tweede span aan de achterzijde! Warempel in twee volstrekt tegenovergestelde richtingen trekken zij uit alle macht aan onze kar:
trekken zij,
uit alle macht, aan onze kar
aan onze kar, uit alle macht!
Het ware een werkelijk lachwekkende vertoning, een lachwekkende vertoning ware het, ware het niet dat deze dans ons tamelijk zuur kon opbreken en dan nog binnen de allerkortste keren, zoals elkeen begrijpen zal. Om te beginnen moeten onze paarden eten om te kunnen trekken, dat verstaat men overigens wel, en twee spannen met paarden eten het dubbele van één enkel, zoveel is zeker op grond van alleen maar een allersimpelste optelsom. Aan voedsel is er voorlopig geen gebrek en onze paarden zijn nog steeds gezond, de vermoeidheid kan beslist tot morgen worden uitgesteld. Maar 't is te hopen onderhand dat onze kar het niet begeeft. Immers:
zij trekken,
uit alle macht, aan onze kar
aan onze kar, uit alle macht!
En dat in twee tegenovergestelde richtingen.
(J.B., 20 januari 2012)
19-01-2012
Onze toekomst
Onze toekomst
Mocht een mens op voorhand weten wat hem in zijn leven allemaal te wachten staat, dan zou hij er misschien niet eens willen aan beginnen. Dit antwoord gaf mij een hoogbejaarde man toen ik hem vroeg wat hij dan dacht over mensen die beweren dat zij in de toekomst kunnen kijken. Het is de regel dat wij niet in de toekomst kunnen kijken, zo zei hij, en niet het zintuig ontbreekt ons daartoe, aangezien er mensen blijken te bestaan die het wél kunnen. Wat ons ontbreekt, is veeleer de moed - of veeleer nog: de angst om de moed te zullen verliezen.
Blijkbaar putten wij moed uit de illusies die wij ons maken: we verbloemen de dingen teneinde er niet door afgeschrikt te worden, net zoals wij onze spijzen kruiden om ze door te kunnen slikken. Maar in die optiek gaat het er wel op lijken dat wij van de zinsbegoochelingen leven: we kijken naar ons bestaan met de ogen dicht, voortdurend zijn we met onze gedachten hetzij bij wat verleden tijd geworden is, hetzij bij wat nog allemaal te gebeuren staat. Het verleden immers kunnen we straffeloos vervormen zolang het bij gedachten blijft die vooralsnog niemand zien kan en van de toekomst wordt het ons klaarblijkelijk gegund dat wij er het beste van verwachten.
Volgens de heilige Augustinus nu, is het bestaan van de tijd zelf te danken aan het bestaan van onze herinneringen en verwachtingen. Als die theorie ook met de werkelijkheid strookt, dan houdt zij in dat onze toekomst net zoals ons verleden voor onszelf een open boek is, aangezien wijzelf het zijn die de tijd met onze herinneringen en verwachtingen maken. Eenvoudiger kan het warempel niet.
Toch moet men twee keer nadenken als men dergelijke zeer kort door de bocht gereden 'raison' krijgt voorgeschoteld op een bovendien nog nuchtere maag. De kern van de zaak lijkt te zijn dat de tijd niet op zichzelf bestaat en hij deelt dat lot overigens ook met de rest van de wereld: de wereld staat niet op zichzelf, hij vormt slechts de ene helft van een tweespan, die andere helft neemt ons bewustzijn voor zijn rekening. En zo is het ook gesteld met de tijd die van onze wereld deel uitmaakt: hij is er pas in relatie tot ons besef ervan, en dat zijn dan meer bepaald onze herinneringen en onze verwachtingen.
Met herinneringen en verwachtingen scheppen we dus zelf de tijd: het verleden en de toekomst. Maar als dát waar is - als wij zelf en niemand anders de scheppers van onze eigen toekomst zijn - dan is het uitgesloten dat we onze toekomst helemaal niet zouden kennen.
En soms is twee keer nadenken nog te weinig en dringt zich een derde onderzoek op, een tegenexpertise van de tegenexpertise als het ware. Maar wat was alweer het probleem? Ja, wat in godsnaam was nu het probleem? En kijk, daar hebben we misschien wel het begin van een verklaring van het feit dat het dan tóch mogelijk, zoniet zeer waarschijnlijk is, dat de vergetelheid, welke door ons als een tekort wordt ervaren, een wel bijzonder constructieve rol blijkt te spelen in wat wij bestempelen als onze tijd. Want is het niet doordat wij vergeten, doordat we eigenlijk de draad verliezen, dat wij begoocheld kunnen worden door wat op de keper beschouwd onze bloedeigen verzinsels zijn? Immers, indien wij bekwaam waren om onze zelfgemaakte leugens bij de teugels vast te houden, dan zouden wij er zeker nooit door beetgenomen worden. Maar nu wij daarentegen door een klaarblijkelijk gebrek aan memorie uit het oog verloren waar precies wij onze strikken spanden, is het eind eraan verloren en strikken wij onszelf ermee. Onze leugens gaan met ons op hol, en aldus hebben wij op den duur het raden naar wat de door de eigen verwachtingen gebrouwde toekomst allemaal voor verrassingen in petto heeft.
We kruiden onze spijzen om ze door te kunnen slikken: is dat geen sarcasme van de allerhoogste plank? Want betekent dit niet dat wij eigenlijk alleen maar onze kruiden lusten en de smaakstoffen, de toevoegselen die op zich geheel onvoedzaam zijn en overbodig, terwijl datgene wat we eigenlijk nodig hebben, de krachtgevende voeding, alleen maar onze weerzin wekt? Als nu iets analoogs met ons leven het geval is, dan wil dat zeggen dat wij 't eigenlijke leven diep verachten terwijl alleen de zelfgebrouwde leugens waarmee we ons bestaan omkleden, ons verleiden kunnen om dat bestaan tenminste niet abrupt en eigenhandig af te breken.
Het weze herhaald in nog duidelijker bewoordingen: het is de illusie die het leven waard maakt om geleefd te worden. Het is wat onwaar is en onwerkelijk, dat aan de realiteit zijn inhoud geeft. Het is het gebrek - in dit geval: het gebrek aan geheugen - dat ervoor zorgt dat wij onze illusies kunnen koesteren. We luisteren naar de leugens die we zelf vertellen en we kunnen ze ook zelf geloven dankzij het tekort dat ons vergeten doet dat ze van onszelf afkomstig zijn. Zo nemen wij onszelf in 't ootje en evenzo halen we onszelf uit 't slop, door in de vallen die we zelf mieken te trappen.
Dat wij, uiteindelijk, niet in de toekomst kunnen kijken, is derhalve een bijzonder kostelijke grap. Wij zien de toekomst, doch de toekomst werd door ons gebrouwd; hij is een donkere bril die ons het zicht beneemt op 't heden, die ons van 't heden redt precies zoals een reuzenhaai ons de verdrinkingsdood bespaart door direct toe te happen als wij overboord gaan. Ja, wij konden in de toekomst kijken indien wij dat maar wensten. Edoch, wij houden meer van de onwetendheid die, ofschoon zij helemaal niets om het lijf heeft, precies daardoor kan worden aangekleed met wat wij ook maar wensen.
Op die manier, gewis, komen wij tegemoet aan onze grootste vrees: de schrik om zonder moed te vallen. Want paradoxaal genoeg is het de moed die ons in leven houdt - de moed die wij uit alles wat onwaar is, putten, en uit alles wat niet eens echt kan bestaan. Op die manier gelijken wij op kaarsen die slechts licht geven dankzij de vlammen welke hen verteren: we leven bij de gratie van ons dagelijkse sterven, en op een dag zijn wij voorgoed vergaan - een dag die als een enig resterende waarheid voor een korte wijl in onze toekomst ligt, en dan voor eeuwig in 't verleden.
(J.B., 19 januari 2012)
13-01-2012
Lucifer, le génie du mal
Lucifer, le génie du mal (1)
Een blikopener is een wonderbaarlijk instrument maar je moet wel weten hoe hij werkt, anders kon je met het instrument en de sardines bij de hand warempel omkomen van honger. Je moet weten hoe precies het mechaniekje werkt, want alles daaraan heeft zijn functie; geen haak, geen tandwieltje is overbodig.
Hetzelfde geldt voor alle werktuigen waarmee wij onze handelingen kracht bijzetten: trektangen en hamers, gemotoriseerde voertuigen en mixers, medicijnen, fabrieken, economieën, religies, ideologieën, wetenschappen en ga zo maar lustig door.
Edoch, geen door mensen gemaakte mechaniek, hoe complex ook, kan de door God geschapen 'mechaniek' van de simpelste levende wezens evenaren. Geen echt geschapen kat die muizen vangt, werd ooit door mensen nagemaakt; geen honingbij, geen amoebe, geen bacterie en geen virus. Zelfs niet het voedsel dat ons de dode dieren en planten verschaffen, kunnen wij maken: geen eiwit, geen suikerboon, geen graantje tarwe, geen korrel rijst.
Er zijn wel geleerden in labs die het proberen, en nu en dan ontdekken ze dat je een beestje kan doen manken door het een pootje af te breken. Dat je een hond kan doen bijten als je die met voedsel africht. Dat, zoals door Dickens werd beschreven, je een kind onder dwang kan doen werken, stelen, branden en zelfs moorden. Een kind, een bende en een voltallige klasse, een halve maatschappij.
Levende wezens, laat staan mensen, mogen niemands instrumenten zijn, maar er zijn geen criminelen die een boodschap hebben aan ethiek en zo moet men op den duur van zijn gelijken 't ergste vrezen: de mens als werktuig van een sluwe slechterik; de medemens als instrument van een corrupte politiek; de wetenschapper als handlanger van een oorlogsmechaniek in handen van een waanzinnige.
Misdadigers dienen wel eerst te weten hoe het beestje werkt vooraleer ze het naar hun pijpen kunnen doen dansen. Geen nood, want ook geleerden die al die hendeltjes weten te bedienen, kunnen op hun beurt in het gespan worden gezet. Theoretisch kan de ganse maatschappij, en waarom ook niet de hele wereld, draaien zoals de duivel zelf dat wil als hij zijn zaak maar goed beheert, want alle wezens hebben honger en bijna alle wezens spreken het woord van wie ze het brood eten. En volstaat de honger niet als dwang, dan zijn er nog die vele andere noden waarvan wij ons nauwelijks bewust zijn omdat ze nooit onbevredigd bleven. En vergeten we niet de talloze aangekweekte noden die, ofschoon geheel overbodig, onecht en zelfs schadelijk, ons vaker folteren met een dorst die de natuurlijke overtreft.
Maar wie zegt dat die gevreesde griezeltoestand niet het geval is? Wie durft te beweren dat het niet de duivel is die aan de touwtjes trekt sinds het begin van de wereld? Dat staat aldus alvast in Genesis beschreven: de gevallen mens is ten prooi aan de gevallen engel die door zijn zonde én die van de mens, over hem en over zijn ganse wereld heerst.
Dat dit geen fabeltje is, verzekeren ons veel recentere en ook goed bewaarde teksten die het leven van de Verlosser zelf beschrijven. Op een keer wordt Jezus meegenomen door de satan naar een hoge berg met panorama op de hele wereld. Kniel voor mij, zo probeert de duivel Christus te verleiden, en ik schenk u alles wat gij ziet! Christus verzaakt aan die bekoring, zoals we allen weten, maar wat aan de aandacht van menigeen ontsnapt in dit verhaal, is wel het feit dat de Zoon Gods niet tornt aan de bewering van de gevallen engel dat hij het is - de satan - die over de rijkdommen van de wereld heerst.
Kniel voor mij, dan geef ik u toegang tot de wereld: betekent dit niet dat al wie níet knielen, bij de duivel in ongenade zullen vallen en dreigen afgeslacht te worden zoals het onschuldig Lam door wiens bloed wij worden verlost? En betekent dit niet dat onze wereldse rijkdom ook het ultieme bewijs zal zijn van onze schuld aan deze slachtingen? Wonderwel zouden al die puzzelstukjes passen als inderdaad bleek dat aan het hoofd van de wereld een monster stond met een engelentronie. Maar wie zal ontkennen dat onze wereld van manipulatie of handlangerij aaneenhangt? Moet hij niet ziende blind zijn die beweert dat recht en orde heersen onder de zon, de maan en alle sterren?
(J.B., 13 januari 2012)
Noot:
(1) Le génie du mal is de titel van het marmeren beeld van Guillaume Geefs dat sinds 1848 in de Luikse kathedraal prijkt. Dat beeld vervangt l'Ange du mal uit 1842 van Joseph Geefs, de jongere broer van Guillaume, een beeld dat toentertijd "te naakt" werd bevonden.
11-01-2012
Paranormale heiligen
Paranormale heiligen
De eeuwen waarop wij heden drijven, zijn veel te wreed om nog een fantastiek te kunnen dulden die hen naar de kroon steekt. Verzinsels klinken oervervelend als zij voor de werkelijkheid moeten onderdoen. Elkeen weet dat heden talloze luchtspiegelingen zich verkopen als de waarheid. Maar veel minder bekend zijn die facetten van het echte leven die onterecht doch bijzonder hardnekkig voor fabels blijven doorgaan. Dat is heel jammer want aldus blijven zich de diepten van de wereld aan ons oog onttrekken, terwijl wij al tijden balen van een oppervlakkigheid die ons versmacht. Het jongste boek van Ludo Noens bewandelt daar nog onontdekte paden welke ons om die reden desoriënteren. De lezer van Paranormale heiligen begint achteloos aan de lektuur van wat in wezen een deur is op een zolderkamer waar wij nooit eerder kwamen. Daar liggen kostbaarheden uit een ver verleden, maar er is ook een venstertje waarvan het vergezicht ons kippevel bezorgt. Vaarwel nu, valse rust waarin wij ons vermeiden, onbewust van de wankelheid der hedendaagse zekerheden! Wij weten toch al lang dat oordelen die niet uit twijfel zijn ontstaan, geen waarde kunnen hebben? En welke grote dichter noemde ooit de zekerheid het deel der dwazen? Of was het de pythia die aldus sprak in raadsels? Noens ontsluiert ons wat nochtans in het daglicht lag: de grootste kerk ooit leeft van haar heiligen sinds twee millennia, en allen hebben die zich onderscheiden door mirakels. Geheel onterecht belanden ze maar al te vaak tesamen met de Hollywoodproducties die ons het strot uitkomen, na consummatie bij het afval.
Het mystieke lichaam van Christus, zoals de kerk ook heet, geeft zeer te denken als vandaag bij het betrachten van een kortgeding inzake machtsmisbruik aldaar, blijkt dat dit in feite niet bestaat in onze stoffelijke wereld. Zoals de Handelingen der Apostelen het zeggen, gaat het in het strijdperk van de wereld ook helemaal niet om mensen, doch om onderling strijdende Machten, waaronder Engelenscharen worden verstaan. En hier bevinden wij ons in een laag van de realiteit die weliswaar onstoffelijk is maar daarom niet minder echt, want goed en kwaad zijn krachten die de stof eronder houden eenmaal zij tekeer gaan. De ruimte en de tijd hebben in zich dimensies die wij met het mensenbrein niet vatten kunnen terwijl zij toch geheel ongedroomd zijn daar zij ons bestaan zelf schragen. Dat moest ons in feite daarvan kunnen verzekeren dat deze voor ons onbereikbare ideeën, in andere en hogere geesten worden bespiegeld en gedacht.
Pas in het licht van de heilige strijd tussen goed en kwaad die ons een leven lang geboeid houdt en misschien nog langer, krijgt de idee van een Verlosser en van een door Hem gebaande weg naar heiligheid gestalte. Pas in die geheel immateriële context krijgen alle dingen vorm en worden zij ook onderworpen aan een oordeel dat van koning Salomon kon zijn. True is what works, zo zeggen de pragmatisch aangelegde filosofen en misschien beseffen zij nog niet hoezeer zij hiermee hard maken dat enkel in het licht van de geheel onstoffelijke werken, daden, engelen of geesten, alle atomen van het stoffelijke heelal bestaan. Enkel in het licht van de geest bestaat de wereld, zoals ook enkel in het licht van onze droom zijn beelden kunnen verschijnen. Uitgerekend dat wat voor de materialist bizar lijkt of verzonnen, dwingt hem zichzelf als een verzinsel te gaan zien, en zal hem zo uitnodigen tot een verruiming. Welbepaalde waarnemingen passen misschien niet in het kraam van welbepaalde breinen, maar men kan ze niet eeuwig ongestraft tussen haakjes blijven zetten - op den duur komt men warempel haakjes tekort. Misschien verdienen sommige theorieën, vertelsels of verdrongen herinneringen het wel om eens te worden herbekeken. Is het overigens niet opmerkelijk dat paranormale eigenaardigheden, alle kritiek ten spijt, bijzondere, zich voortdurend herhalende, gemeenschappelijke kenmerken vertonen? En wordt het mysterie van het biologische leven, anders dan het wonder van de geest, dan opgelost door de loutere beschrijvingen van zijn processen waartoe de wetenschappen tenslotte in essentie te herleiden zijn?
In ruim tweehonderd gevleugelde bladzijden neemt Ludo Noens ons mee doorheen een nog recente geschiedenis van elf excentrieke mensenlevens die helemaal niet zonder reden geboekstaafd staan als wonderbaarlijk en waarvan talloze getuigenissen ons wijzen op een surplus dat wij vergaten terwijl wij het ook dagelijks nog missen. Catharina van Siena, de bloedheilige genaamd, herinnert ons aan de ernst van het mysterie van de transsubstantiatie dat de kern uitmaakt van de mis en van het christelijk geloof, dat niet alleen een zaak is van de geest maar ook een diep verhaal van echt vleselijk lijden en van offervaardig bloed waarmee de Heiland onze zielen afkocht en ze redde van het eeuwig hellevuur. In dat verband getuigt ook menigeen over de jongeman die sprak vanuit 't hiernamaals tot 'de rattenvanger van Turijn' en zijn omgeving. Hildegard von Bingen, Lydwina van Schiedam, Theresa van Avila: wat is deze maagden overkomen en wat bezielde hen, wat maakte dat wij ook vandaag nog wereldwijd hun namen eren? En dan zijn er de bizarre geschiedenissen van 'de stuiptrekkers van Saint-Médard' of die over de patroonheilige der parochiepriesters, het heilig pastoorke van Ars dat met de duivel vocht. De wonderen rond Catherine Labouré, de moord op Maria Goretti, het zonnewonder van Fatima dat in 1917 vele duizenden mensen hebben gezien en de heilige uit onze tijd, pater Pio, van wie nu nog getuigen zeggen dat hij op meer plaatsen tegelijk aanwezig was.
"In onze samenleving is het sacrale fundamenteel aangetast" - met die kerngedachte van theoloog Gabriël Spileers, begint Ludo Noens zijn gedurfd maar overtuigend boek, en het is zijn verdienste dat hij erin slaagt om de lezer via de weg van het verhaal opnieuw ontvankelijk te maken voor wat het doodgewone dat soms echt dodelijk is, verre overstijgt, zodat een zin voor het sacrale wordt herboren. Noens is een rasverteller, soms wordt men door hem op het verkeerde been gezet, ofwel heeft men slechts die indruk, maar zeker is dat hij de grens tussen het feitelijke en de fantasie weet weg te spoelen. De lezer mag dan pootje baden aan een strand, de grens tussen de vaste grond en 't zo beweeglijk water van een uitgestrekte oceaan waarvan de bodem diep genoeg is om alles wat ooit 't licht aanschouwde te herbergen, aan 't oog van bijna elk wezen onttrokken. Een boek, tenslotte ook, om van te snoepen!
Ludo Noens, Paranormale heiligen, Zilverspoor/Books of Fantasy, november 2011.
(J.B., 10 januari 2012)
06-01-2012
Genosuïcide in de opmars?
Genosuïcide in de opmars?
In oktober 1939 gaf Adolf Hitler het bevel om alle burgers die niet langer winstgevend waren maar daarentegen geld kostten aan de staat omdat zij ziek waren of tenminste aldus stonden geboekstaafd, om te brengen. Dit moest gebeuren voor hun eigen bestwil, zo luidde het voorwendsel, want aldus werd hen een onwaardig bestaan bespaard. Hitler schuwde het niet om aan zijn bevolking deze massamoord op (in 1941 reeds) 200.000 mensen te verkopen middels affiches waarop een door een verpleger geflankeerde zieke was afgebeeld, voorzien van de volgende tekst: "60.000 Mark betaalt de maatschappij om deze zieke in leven te houden!" En dan in grote letters: "Medeburgers, dit is ook uw geld!" (1) De massamoord op de 'onnuttigen' gebeurde (nog voor de eigenlijke shoa plaatshad) in verschillende Duitse klinieken, door vergassing, verstikking, injecties, vergiftiging, verhongering en overdoses medicijnen. In de praktijk doodde men koelbloedig de in een afgesloten ruimte opgesloten mensen met de gassen uit de uitlaat van een vrachtwagen. Deze moordpartijen voltrokken zich met de medewerking van artsen, psychiaters en andere wetenschapslui die eerst gruwelijke experimenten uitvoerden op de slachtoffers waarvan ze na de dood de hersenen voor verder onderzoek apart hielden. (2)
'Genosuïcide' of het ombrengen van de eigen burgerbevolking beperkt zich niet tot de bekende concentratiekampen van de Tweede Wereldoorlog; Nazi-Duitsland is helaas geen unicum in de wereldgeschiedenis. De wreedheden tegen het eigen volk worden naar de kroon gestoken door talloze gelijkaardige slachtingen alom ter wereld, reeds van voor de twintigste eeuw. Maar heel bijzonder is wel dat soort van genosuïcide waarvan men gelooft dat zij noodzakelijk is en in het teken staat van het algemeen welzijn: het is de paradox van de gruwelijkste moord verkapt met de edelste bedoelingen.
Om tot een beter begrip te kunnen komen van hoe deze wreedheden dan mogelijk zijn, gaat bijvoorbeeld de Vlaamse ethicus en geschiedkundige Gie van den Berghe in de schoenen van de daders staan - een perspectief dat hem overigens niet door iedereen in dank wordt afgenomen. In zijn boek De mens voorbij (3) documenteert hij uitvoerig de stelling dat genocides 'voor het goede doel' schering en inslag zijn in de geschiedenis van mens en maatschappij. Maar als "man van de Verlichting" legt hij de verantwoordelijkheid daarvoor níet bij de zelfoverschatting van een voor god spelende mens, terwijl het voor vele anderen overduidelijk is dat hybris aan de grondslag ligt van dergelijke onvergeeflijke 'vergissingen' zoals men ze kon noemen indien zij niet de ernst en de omvang hadden die zij feitelijk hebben en die ons alleen maar doen verstommen.
In wezen gaat het om een 'natuurlijke logica' die echter van elke menselijkheid gespeend blijkt. Het drama speelt zich niet af op het cognitieve vlak maar op het vlak van de ethiek: het gaat niet om vergissingen, het gaat werkelijk om het kwaad in de morele zin, en dat kwaad blijkt ook mogelijk, paradoxaal genoeg omdat het uiteindelijk door zijn daders wordt miskend: zij herleiden geheel verkeerdelijk elk kwaad tot een hiaat in de kennis of dus tot een vergissing. Maar dat houdt vanzelfsprekend ook in dat men zal volharden in het kwaad zolang men zijn 'vergissing' niet heeft ingezien, terwijl het heel goed mogelijk is dat mensen bepaalde vergissingen blijven begaan, er tegelijk heilig van overtuigd dat ze het beste doen.
Beschouw bijvoorbeeld maar eens die misleidende propagandistische oneliner van het Nazi-regime die het recht op leven van zieke mensen ter discussie stelt door zich op een verontwaardigde toon uit te laten over het feit dat de gezondste krachten onder de burgers moeten sneuvelen aan het front om de zieken te kunnen beschermen en in leven te kunnen houden. Of denk aan de hoger vermelde affiche die inspeelt op het brute egoïsme. Dat moordende populisme herhaalt zich bij ons vandaag in de recente veroordeling van een arts tot het betalen van een schadevergoeding van 100.000 euro aan de ouders van een kind dat "door zijn toedoen" ter wereld kwam. Het kind was meer bepaald gehandicapt. Gynecologen zullen in het vervolg wel twee keer nadenken als zij ook maar de geringste twijfel koesteren over de gezondheidstoestand van een ongeboren kind. Ook als de kans op zo'n fikse schadevergoeding slechts 5 percent bedraagt, zullen zij zeker willen spelen. De moraal van dit verhaal is en blijft het fiat aan een volstrekt immorele maatschappij, die aan mensen die niet voldoen aan haar arbitraire eisen, het leven op aarde ontzeggen wil. En zich verdedigen kunnen ongeborenen in Europa niet, zoals intussen reeds een vijftal jaren geleden haar rechters beslisten toen zij een vrouw die abortus pleegde, in het gelijk stelden op grond van de regel dat wie nog niet geboren zijn, geen burgerrechten hebben!
Met de genoemde veroordeling van een gewetensvolle arts, werd een juridisch precedent geschapen en wordt de reeds aan gang zijnde genosuïcide fors aangezwengeld. Tegelijk werden op sluikse wijze volstrekt immorele impliciete uitgangspunten zonder enige tussenkomst van het parlement de facto tot wet. Het betreft meer bepaald de vooronderstelling dat iemands recht op leven afhankelijk is van zijn gezondheidstoestand en, vervolgens, ook de vooronderstelling dat iemands recht om te moorden vooreerst afhangt van het feit of zijn of haar slachtoffer al dan niet een burger is. Tevens werd het begrip van de levenskwaliteit (wat voordien 'geluk' heette) aldus verengd tot gezondheid of, veeleer nog, tot een kwestie van leed (en genot). Een maatschappij die wetten in het leven roept die het mens-zijn tot het burgerschap reduceren, miskent op de koop toe het aandeel van de natuur in de tot standkoming en in de handhaving van haar populatie, waardoor zij in feite haar eigen waanzin bevestigt. Voorhouden dat buiten het toedoen van een welbepaalde kuddevorming geen mens-zijn mogelijk is, berust op een arbitrair en meer bepaald specifiek communistisch mensbeeld dat het mens-zijn herleidt tot de kuddegeest, die ook eigen is aan, bijvoorbeeld, ratten of mieren.
Overigens kan men opmerken dat ratten en mieren meer solidariteit aan de dag leggen dan de propagandisten van het hoger gelaakte sentiëntisme (4) welke immers tevens de beleidsvoerders zijn die het solidariteitsprincipe uithollen door een steeds verder doorgedreven individualisering ervan, wat zich vertaalt in een solidariteit van bijvoorbeeld de overproductieve jonge mens met alleen maar zichzelf als behoeftige ouderling. Maar men vergist zich schromelijk als men gelooft dat dit principe van het egoïsme hiermee vrede zal nemen en dat de sterkeren zullen dulden dat de zwakkeren zich te goed doen aan hun opgebouwde reserves, zoals reeds blijkt uit de plotse commercialisering van de rust- en verzorgingstehuizen, om maar niet te reppen van het bedrog van pensioenspaarkassen en andere verzekeringsformules. Net zoals aartsvijanden elkaars boezemvrienden worden van zodra zij gemeenschappelijke belagers ontwaren, net zo zullen zij ook onverwijld eendrachtig de handen in elkaar slaan voor de incassering van een makkelijk te bekomen gemeenschappelijke buit, in casu het bezit der zwakkeren. De beide gevallen illustreren immers slechts hetzelfde 'recht van de sterkste'.
Dat men burgers moet vermoorden voor het welzijn van de maatschappij is een stellingname die op zijn minst alle leden van die maatschappij met een panische angst zal slaan, daar elkeen in leven wil blijven terwijl men als kind en als ouderling nillens willens 'ten laste' van anderen is. Ziet men dan over het hoofd dat ouders ervoor kiezen om kinderen 'ten laste' te hebben, dat mensen geheel vrijwillig hun ouders thuis houden en verzorgen of dat het merendeel van ons niets liever verlangt dan medemensen bij te kunnen staan? Zijn de onmenselijke vooronderstellingen over last en leed niet drastisch en dramatisch scheefgetrokken door de religie van het gouden kalf dat immers arbeid afschildert als een te vergoeden last in een universum van louter schuld en boete? Kunnen mensen die nog geheel ongeperverteerd werken omwille van de vruchten van hun arbeid zelf dan geheel straffeloos weggekegeld worden, alleen omdat zij in het perverse strafkamp van de mammon niet passen? Staat het leven dan echt ten dienste van het geld en is dan ook het ultieme doel dat wij toch zijn, verworden tot een louter middel - niet een middel voor anderen, zoals dat het geval is in de slavernij, maar een middel voor iets dat welbeschouwd helemaal niet bestaat? Of kon men dan zeggen van het geld dat dit een leven leidt en dat dit leven kwalitatief zo hoogstaand is dat het ons terecht tot zijn dienaren herleidt?
Maar dit is wat men heden van bovenuit met de mensen doet: men laat ons geloven dat wij schuld hebben bij de banken, dat wij moeten sneuvelen om die banken te redden, en dat alleen de redding van de banken ook onze redding kan zijn. Het is pure waanzin die ons dit in de oren blaast, maar het getuigt van een nog veel grotere waanzin dit ook nog allemaal te willen pikken.
(Jan Bauwens, Driekoningen 2012)
Noten:
(1) Ten slotte stond onderaan op de affiche ook nog de verwijzing: "Lees 'Nieuw volk', het maandblad van de rassenpolitiek van de NSDAP!"
(2) Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Aktion_T-4 . In de Nazi-concentratiekampen die nadien speciaal voor uitroeiing werden opgetrokken, werden aldus miljoenen mensen omgebracht en niet alleen zogenaamde nuttelozen maar ook mensen van 'vreemde' rassen, religies, geaardheden en levensovertuigingen. Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Vernietigingskamp .
(3) Gie van den Berghe, De mens voorbij, Meulenhoff/Manteau 2008. Zie: http://www.serendib.be/boeken/De-mens-voorbij.htm (4) De opvatting die, ruw uitgedrukt, het geluk identificeert met het genot en het ongeluk met het leed.
03-01-2012
Vatte wie het vatten kan!
Vatte wie het vatten kan!
Ingevolge hebzucht, onbekwaamheid en gokverslaving van bankiers, stonden drie jaar geleden wereldwijd alle banken op de rand van het faillissement. Zij werden zowaar van het bankroet gered door jan met de pet, dat wil zeggen door de staat en door de burgers. Vandaag slagen diezelfde banken er blijkbaar in om jan met de pet ervan te overtuigen dat hij het is die in het krijt staat bij hen: hij moet zijn broeksriem aantrekken om zijn schulden aan de banken te kunnen afbetalen!
(J.B., 3 januari 2012)
30-12-2011
Nieuwjaar 2012
Nieuwjaar 2012
Toen eind 2011 de Noord-Koreaanse dictator stierf, leek gans het volk gedompeld in een diepe rouw. De nieuwslezeres kon het bericht niet over haar lippen krijgen en stortte voor het oog van de camera in van verdriet. En zo ook jammerden alle burgers: tijdens de begrafenisplechtigheid moesten ze zowaar door gewapende soldaten tegen zichzelf worden beschermd. Dit deed denken aan de dood van koning Boudewijn in 1993. Het riep ook herinneringen op aan de gijzeling in Stockholm in augustus 1973. De mensen die daar na een bankoverval gedurende vijf dagen werden vastgehouden, gingen sympathiseren met hun gijzelnemers en dit opmerkelijk psychologisch gedrag kreeg de naam 'Stockholm-syndroom'.
Mensen vereren diegenen die macht hebben over hun leven, en zo ontstond wellicht de godsdienst. Niet de goeden worden vereerd, niet de zachtaardigen en zij die geven, niet de ouders van wie men verwacht dat zij alles voor hun kinderen doen. Neen, alle eer gaat exclusief naar hen die een bedreiging vormen, naar diegenen uit wiens handen men moet eten en die bijgevolg ook de macht bezitten om ons van honger om te laten komen. Eer en roem bedelen wij toe aan wie de loop van het geweer op ons richten omdat, zoals Mao in zijn 'rode boekje' schreef, alle macht komt uit de loop van een geweer. En omdat wij ook de massa moeten vrezen, volgen wij de massa, ongeacht in welke richting zij zich begeeft.
Hysterie betekent zoveel als tot paniek leidende twijfel en dit geleerd klinkende woord kennen wij nog uit de theorie van Sigmund Freud (1856-1939), een der stichters van de dieptepsychologie - de psychologie van het onbewuste en het onderbewuste - en van de psycho-analyse. In zijn case-studies voerde Freud enkele hysterische dames ten tonele, patiënten die niet in staat bleken om verantwoordelijk te zijn voor de eigen keuzes en die op een ziekelijke manier naar afhankelijkheid streefden en naar een vorm van veiligheid die de gezonde vrijheid in de weg staat. Massahysterie is de twijfel die opduikt wanneer wij ons bevinden in een (al dan niet lijfelijk aanwezige) menigte: de druk van de massa maakt dat wij ons onzeker voelen, dat wij in het volk kopje onder willen gaan, dat we het te allen prijze vermijden om op te vallen en dat we de meerderheid nadoen en zelfs na-apen, wat in feite inhoudt dat wij onze eigen identiteit of persoonlijkheid prijsgeven om aldus het vege lijf te redden. Massahysterie is de geestesziekte die maakt dat wij wenen als alle anderen wenen, dat wij juichen als ook alle anderen dat doen, dat wij 'love' en 'peace' scanderen samen met de massa, maar evengoed dat wij met anderen mee aan het moorden gaan in oorlogstijd. Men zal het met nieuwjaar niet graag horen, maar het is massahysterie die er voor zorgt dat wij op Sint-Silvester vuurwerk afsteken en dat wij op de eerste januari aan iedereen het beste wensen. Het is de angst om er niet meer bij te horen die maakt dat wij op nieuwjaarsdag gezellig feesten.
Een paradox warempel als men vast moet stellen dat gezellig feesten een direct gevolg van angst kan zijn, en dat zegt heel wat over de aard van het sociale wezen dat de mens is - het kuddedier met andere woorden. Op school werden wij ooit als 'asociaal' bestempeld toen wij weigerden om mee te doen met de klas wanneer zij lachte met een achterblijver. Sociaal gedrag kan inderdaad bijzonder moordend zijn en dat men het asociaal-zijn steeds vaker identificeert met psychopathie zonder meer, toont slechts aan hoe groot het taboe is dat rust op een mogelijke ontmaskering van het ware karakter van de kuddegeest. Kuddegeest verheft de groep boven het individu en legt zodoende mét de persoonlijkheid ook alle menselijkheid het zwijgen op. Waar een kudde tegenover een andere kudde staat, is er oorlog. Waar zij staat tegenover een eigen lid, sluit zij het uit en doodt zij het op die manier te langen leste evenzeer. Elk lid moet derhalve de eigen kudde vrezen, meer nog dan het vrezen moet voor vreemden uit wiens handen het tenslotte niet moet eten. Het zich schikken naar de normen van de groep verloopt derhalve onder een nog veel grotere dwang dan het ten strijde trekken naar het front. Geen gedrag is zo oneigenlijk als het gedrag dat wij vertonen als wij feesten. Geen gedrag is zo onpersoonlijk en zo onmenselijk als het gedrag dat door de kudde afgedwongen wordt. Feestvieren is bezwijken onder groepsdruk, het is het menszijn opofferen aan het deel uitmaken van een bende - dat laatste wordt ook wel eens bestempeld als 'banditisme'.
Uiteraard is de maatschappij en het lidmaatschap ervan een mes dat aan twee kanten snijden kan: samen vieren kan ook menselijk en persoonlijk zijn van kleur als het in vrijheid plaatsheeft, wat wil zeggen bewust, want vrijheid vereist bewustzijn en pas onwetendheid kan tot verknechting leiden. Het is alleen soms zeer de vraag of mensen weten wat ze doen als zij zich bezatten en als zij brassen aan een al te uitgesponnen dis terwijl vaak achter de eigen feestgevel op straat, daklozen verkleumen in de sneeuw. Vijftigduizend telt ons landje er vandaag en het zijn allen mensen die door medemensen uitgesloten zijn, personen die om de een of andere reden weggeduwd worden uit de groep om in de kou op straat, heel vaak na vele jaren strijd, tenslotte om te komen. En is een groep die dit met enkelingen doet geen bende? Is hier de benaming 'banditisme' echt te ver gezocht? Moet men niet zeggen dat dit sociaal gedrag echt psychopatisch is en werkelijk waanzinnig? En dat de feestvarkens steeds vaker hun naam hebben verdiend?
Steeds groter wordt de groep van mensen die zich tegen deze boosheid keren, verontwaardigd zijn en indignados heten. Zonder twijfel en geheel terecht zullen zij over nieuwjaar zeggen dat dit het kapitalistische feest bij uitstek is, en derhalve het feest van de verspilling. Want op een andere manier dan middels maximale verspilling kan zich de winnaar van de moordende concurrentie in het systeem van geld en macht niet manifesteren. Tegen het licht van deze waarheid krijgt het spetterendste vuurwerk dan ook een schijn van duisternis. Verspilling immers is ook ontvreemding van middelen bij noodlijdenden, en is derhalve doodslag, want wat de ene teveel heeft, is uitgerekend wat een ander mist. De kloppen van het buskruit van het nieuwjaarsvuurwerk gaan daarom jaar na jaar steeds meer gelijkenis vertonen met de kloppen van oorlogsbommen en granaten. Maar laten wij hopen dat dit vreselijke scenario slechts het kwalijke gevolg is van een misvallen portie oesters!
(J.B., 30 december 2011)
25-12-2011
Kerstdag 2011
Kerstdag 2011
De "struggle for life" met zijn "recht van de sterkste" heerst in het ganse dierenrijk waartoe ook de mens behoort, die net zoals alle andere dieren moet eten om in leven te kunnen blijven. Voor de slechte verstaander: niet één diersoort, en dus ook niet de mens, kan zich met stenen voeden of met zand of alleen maar met water. Ook de mens dient ander leven op te eten en per definitie is de opgegetene zwakker dan zijn opeter want slechts wie zich niet verweren kunnen, laten zich verorberen.
Het kannibalisme bij mensen is - enkele uitzonderlijke culturen niet te na gesproken - uit de tijd. Maar dat men zijn soortgenoten niet verorbert, volgt slechts schijnbaar uit het feit dat men dit nu al te wreedaardig vindt. Of bant men dan wreedheden zoals de verkeersslachtingen, de oorlog en de honger? Van honger alleen komen vandaag nog dagelijks twintigduizend kinderen om. Neen, de eigenlijke reden waarom mensen hun soortgenoten niet langer koken, braden of inpekelen, blijkt veeleer economisch van aard. Een varkentje biedt immers evenveel eiwitten als een mens, terwijl een levende mens die men voor zich laat werken, vaak dágelijks de waarde van zijn eigen vlees in het laatje brengt. Logischerwijze zou men zich uitsluitend nog met onproductieven mogen voeden. En men stelt ook vast dat zij vandaag naar de slachtbank worden gebracht.
Dat de opgegetene per definitie zwakker is dan zijn opeter, geldt weliswaar voor het individu maar beslist níet voor de soort: een beer zal evenmin aarzelen om een ongewapende man te verslinden, als een gewapende man zal aarzelen om een beer neer te schieten. Mensen eten vandaag volop vissen, vogels, varkens en vele andere soorten, maar vanzelfsprekend is het uitgerekend om die en geen andere reden gewoon onmogelijk dat de mens alle andere soorten zou overleven. In het kannibalisme - het opeten van soortgenoten - toont zich nog het best van al dat het enkelingen zijn die tegenover enkelingen staan en niet soorten tegenover soorten.
Al moet hier volledigheidshalve wel aan toegevoegd worden dat een soort, en bij uitstek de mensensoort, blijkt te bestaan uit verschillende sociale lagen of kasten die zich - anders dan klassen - vrij rechteloos tegenover elkaar gedragen. In India bijvoorbeeld is er de kaste van de zogenaamde 'onaanraakbaren', en ook hier in het Westen lijkt zich een heel nieuwe groep te vormen, welke zichzelf heeft gedoopt met de naam 'indignado's'. Niet toevallig op Kerstavond heeft de Katholieke Kerk zich hier te lande bij monde van haar aartsbisschop achter deze groep van verontwaardigden geschaard.
Anders dan de onaanraakbaren - evenals prinsen speelballen van het lot - hebben de indignado's zelf beslist om een groep apart te gaan vormen. Zij vertonen dan ook veel gelijkenis met de groep van de Christenen die, exact tweeduizend jaar geleden bij monde van hun stichter die toen de leeftijd van twaalf jaar bereikte en optrad voor de schriftgeleerden in de tempel, zijn verontwaardiging uitte over het feitelijke ongeloof achter alle woorden, wetten en machten van die tijd. De net niet politieke tegenbeweging welke deze uitzonderlijk verstandige man teweeg bracht, echoot door tot in deze tijd, wellicht ook omdat zoals nooit voordien vandaag alom verwaande Herodessen, Nero's en andere mensenmoordenaars zich dronken dansen rond het beeld van de mammon. Eenmaal volwassen, richtte Jezus zich tot de religieuze gezagsdragers van zijn tijd, de witgekalkte graven of de handelaars in de tempel van zijn Vader.
Het lijkt er vandaag wel heel sterk op dat in deze vreselijke tijden de koopwaar waarop keizer en paus zijn gaan bieden, het volk zelf is, en dat zijn wij. O, gouden kalf! De keizer zwaait met zijn sociale zekerheid, die naderhand een luchtbel blijkt; de paus scandeert de caritas, het vernis over het machtsmisbruik. En de Mens staat nu geheel verweesd terzijde, zonder vader of moeder, zonder dak of bed. Op Kerstdag.
(J.B., 25 december 2011)
22-12-2011
Staakt begot!
Staakt begot!
Amper een paar jaar geleden bleek wereldwijd dat hebzuchtige én onbekwame bankiers de zuurverdiende spaarcenten van de brave burgers hadden vergokt. Het faillissement der banken diende zich aan, maar alom bleken politici ineens 'medelijden' te hebben met de getroffen rijkaards en zij beslisten het gelag te laten betalen door de armen, die immers verplicht de broeksriem aantrokken om de spaarrekeningen van de rijken aan te zuiveren. Wellicht de stoutste verwachtingen der sluwe rijkaards verre overtreffend, verliep die operatie klaarblijkelijk zonder het minste protest, wat ongetwijfeld een inspiratiebron zal zijn geweest om nog meer stappen in die stoutmoedige richting te gaan zetten. En het gaat er heel sterk op gelijken dat de bezittende klasse nu zelfs denkt te mogen geloven dat de dappere werkmens het niet eens door heeft dat zij, op hoge hakken paraderend met die neerbuigende verhaaltjes over studeren en met pensioen zijn op de kosten van de staat, de schuld voor het hele debacle in zijn versleten schoenen schuiven. Het slachtoffer krijgt de schuld, een cynischer scenario is zowaar volstrekt ondenkbaar.
De armen worden à volonté leeggemolken: niet één keer, niet twee keer, doch om de haverklap opnieuw. Om te beginnen gaan corrupte politici, in de naam van nochtans spaarzame burgers, handenvol geld lenen bij de banken, in ruil voor verkiezingssteun. Iedereen weet immers dat het kapitaal pas groeien kan als leengeld aan de armen dat van hen dubbel en dik wordt teruggeëist. En willen de armen niet lenen, dan doen politici dat buiten hun medeweten wel in hun plaats, zodat wie hard werken en niets bezitten, meervoudig worden bestolen en bedrogen. Door dictators omgekochte verkozenen persen hun kiezers het bloed onder de nagels uit in opdracht van een vampierenkaste die zich eraan bezat.
Een land dat op zijn gat zit door overdadige en bijgevolg niet meer af te betalen leningen door haar corrupte politici bij de banken, gaat failliet en is derhalve een schrikbeeld voor bankiers alom ter wereld: een failliet land bestaat immers niet langer en zal de banken naar hun intrest laten fluiten. Maar daarop anticipeerden die sluwe rijkaards al met wat zij ons verkochten, verkapt als 'éénmaking' en 'solidariteit': zij hebben ons Europa door de strot geramd alsof wij leverganzen waren. Europa waarborgt immers dat de afbetalingen aan de banken doorgaan, want geheel verarmde landen worden voortaan in het spijzen van de rijken bijgesprongen door vooralsnog niet geheel verarmde, zij het dat de laatst genoemden aldus onvermijdelijk mee de afgrond ingetrokken worden.
Het cynisme, andermaal, viert feest. Het slachtoffer krijgt warempel de schuld voor de misdaad in de schoenen geschoven. En om het hondse spektakel compleet te maken, haalt de uitbuitende klasse haar aloude truuk nog eens uit de doos. "Verdeel en heers", zei Caesar, en zij krijgen zowaar dat deel van de armen op hun hand dat kennelijk over geen enkele weerstand meer beschikt, en zij zetten die op tegen de andere helft die staken. Met het beschuldigende verhaal, godbetert, dat het de armen zijn die de staat bestelen en die maar eens langer zouden moeten werken! Aan elkeen een zalige Kerst!
(J.B., 22 december 2011)
17-12-2011
Het vat der Danaïden en onze wrede wereld
Het vat der Danaïden en onze wrede wereld
Iedereen weet intussen wel dat de Griekse mythologie allerminst een verzameling van verzinsels is. Wat de genen zijn voor een soort, dat zijn de memen voor een cultuur, en de Griekse mythologie vormt dan de memetische code van de mensheid. In twee woorden wil dat zeggen dat het patroon van alles wat het mensdom ooit zal overkomen in zijn meest elementaire vorm reeds in de mythen wordt verhaald.
De Griekse mythen, zo beweren sommigen, geven een bijzonder pessimistische kijk op het bestaan. Bij nader toezien echter blijkt dat oordeel overhaast: qua wreedheid blijkt de werkelijkheid de mythen aardig bij te benen.
Voor de volledige en oorspronkelijke geschiedenis van de Danaïden, conferatur Kris Vansteenbrugge 2011. (1) Daar wordt verteld hoe negenenveertig van Danaos' vijftig dochters ertoe kwamen om hun echtgenoten te vermoorden. In de onderwereld beland, werden ze daarvoor gestraft met de onuitvoerbare opdracht om een bodemloos vat met water te vullen.
Menig grafisch kunstenaar heeft het vat der Danaïden uitgebeeld. Op elk van die taferelen ziet men hoe jonge vrouwen met kruiken geladen water aandragen en het dan uitgieten in een reusachtig vat dat lekt. Het water loopt onderaan uit het reuzenvat en vormt aldus de beek waaruit zij het eeuwig putten.
De aandachtige toeschouwer van dergelijke, vaak idyllische taferelen zal zich misschien wel de bedenking maken dat de aard van de opdracht waarmee de moordlustige Danaïden in de Tartaros werden gestraft, in wezen niet verschilt van de taken die aan álle mensen worden toebedeeld tijdens hun verblijf op aarde. Opdrachten waarvan het einde zoek is, vindt men immers makkelijk terug in alle obligate menselijke bezigheden, die er immers op gericht zijn om het leven te bestendigen. Het harde labeur van het zaaien en maaien herneemt telkenjare en kan nimmer beëindigd worden dan op straffe van de hongerdood. Wij leven nooit voor eens en voor altijd, wij moeten elke dag opnieuw voedsel tot ons nemen om in leven te kunnen blijven en op die manier huren we als het ware ons bestaan dat niet het onze blijkt en dat wij evenmin middels een koop tot het onze konden maken. Eten om te kunnen leven is in feite dweilen met de kraan open, en dat doen wij ook als wij dagelijks fysiek strijden tegen de aftakeling die ons hoe dan ook op zekere dag zal hebben ingehaald.
De Danaïden in de Tartaros zijn er op de keper beschouwd zelfs helemaal niet slechter aan toe dan wij, tijdens ons verblijf op aarde. Als men de schilderachtige decors in ogenschouw neemt – het geliefkoosd biotoop waarin zij door de vele schilders worden geplaatst – dan zou men hun bezigheid zelfs gaan benijden: dat hun taak onvoltooibaar is, wil ten langen leste alleen maar zeggen dat hij tenminste niet wordt afgebroken door de dood. Dat het allemaal blijft duren, blijkt in aardse ogen allerminst een foltering: de onvoltooibaarheid van de opdracht constitueert daarentegen het eeuwig leven zonder meer, en wat kan men dan nog meer verlangen?
Het leven is fundamenteel rampzalig, want elk levend wezen wordt door zijn geboorte zelf ter dood veroordeeld. En het menselijk leven is nog het rampzaligste van allemaal, daar waarschijnlijk alleen de mens zich van die ramp terdege bewust is en dan nog op elk ogenblik van zijn bestaan. Het menselijk bestaan is derhalve niet alleen omwille van zijn eindigheid rampzalig, maar tevens vanwege het besef daarvan, wat ervoor zorgt dat de ramp van de dood in zijn verschrikkelijkheid wordt overtroffen door het leven zelf dat hier noodgedwongen onophoudelijk aan denkt. Aldus ziet men de dood niet zelden als een verlossing, daar hij een eind maakt aan dat ondraaglijke besef, wat het bestaan geeft aan de grootste perversie aller tijden: in de idee dat de dood de mens verlost van zijn leven, worden de rollen omgedraaid en voltrekt zich het allerondenkbaarste noodlot: het leven krijgt de betekenis van de dood, en de dood gaat eruit zien als het leven.
Heel wat perversies zijn voorafgegaan aan de hoger geschetste, en zij laten zich benoemen als gevallen van tegendoelmatigheid of contraproductiviteit. Het gegeven is zo oud als de beschaving zelf en uitgerekend in de Helleense cultuur, die de Westerse schraagt, vormt zij de permanente en solide grondslag van de tragedie. De mens die zijn noodlot wil ontlopen, loopt het in de armen. In zijn hardnekkigste verzet blijkt hij zijn ondergang slechts te bespoedigen. Zijn wil is niet alleen krachteloos maar keert zich tegen hem en doet hem de das om. Ons het meest bekend is de mythe van Oedipus.
"Wees blij dat gij geen kinderen hebt, zo sprak het orakel [tot koning Laos van Thebe], want indien uw vrouw [Iokaste] een zoon baart, zal hij, eenmaal groot geworden, zijn vader van het leven beroven."
(1) De ouders doen al het mogelijke om geen kind te krijgen, wat mislukt. Vervolgens verminken ze hun zoon aan zijn voeten en ze verbergen hem ver weg, maar als hij opgroeit, op zijn beurt het orakel raadpleegt en verneemt dat hij zijn vader doden zal en met zijn moeder huwen, vlucht hij weg om dat ongeluk alsnog af te wenden. Onderweg geraakt hij slaags met een tegenligger die hij doodt. Verderop bij de stadsmuren van Thebe verspert de sfinx hem de weg: zij laat de voorbijgangers pas gaan als dezen haar raadsel kunnen oplossen, zoniet stort zij hen in de afgrond. Oedipus lost als eerste het raadsel op en de sfinx stort zichzelf in de afgrond. Maar met deze tweede overwinning bezegelt Oedipus andermaal zijn ondergang. Als held wordt hij aan Iokaste uitgehuwelijkt en zij schenkt hem vier kinderen. Onheil komt over Thebe en het orakel spreekt over de nog ongewroken moord op koning Laios, waarop de blinde ziener Teiresias geraadpleegd wordt. Deze wijst Oedipus aan als de moordenaar van zijn vader en Iokaste verhangt zich. "Oidipous stak zichzelf de ogen uit en verliet de stad. Zijn oudste dochter, Antigone, had medelijden met hem. Dolend trokken de blinde Oidipous en Antigone, als bedelaars door het land" (2) Bij Athene aangekomen, geeft koning Theseus hen de toegang tot een heilig woud, gewijd aan de Schikgodinnen. "Daar scheurde de aarde open onder de voeten van Oidipous en hij betrad het rijk der doden: de goden hadden zich ontfermd over deze ongelukkige held, de misdadiger buiten zijn eigen wil, die als geen ander de speelbal van het Noodlot was geweest". (3)
Als geen ander de speelbal van het noodlot is de mens die in het leven slechts de dood kan zien en in de dood de verlossing van het leven. Hij gaat de dood najagen zoals Sigmund Freud dat heeft ontsluierd, en het doodsverlangen of de Thanatos staat lijnrecht tegenover Eros. Zo ontwaart het meest succesvolle geloof op aarde het eigenlijke leven aan de overzijde van de dood en die religie doet ook allen naar Thanatos verlangen, terwijl het mét de Eros het aardse leven afzweert en veracht. Oedipus is derhalve helemaal geen mythe en evenmin is hij uitzonderlijk of deviant. Oedipus verbeeldt het mensdom zonder meer, hij staat voor elk van ons en wij allen delen zijn verschrikkelijke noodlot waar wij de Eros en het leven terzijde leggen, overwinnen, transcenderen, of hoe men het ook noemen wil, terwijl wij onze eigenlijke bestemming situeren in het volstrekt onbekende land achter de dood.
Waarheid en waarschijnlijkheid, het leven en de dood
Waarheid en waarschijnlijkheid, het leven en de dood
Niets is ooit helemaal waar of onwaar, alles is altijd meer of minder waarschijnlijk. Het lijkt een onmogelijke stelling, maar middels het goede perfectief wint zij aardig aan overtuigingskracht, aldus in hoogst eigen wezen illustrerend wat zij beweert.
We weten niet of we vandejaar de inspecteur van de belastingen over de vloer zullen krijgen en derhalve gedragen we ons alsof hij inderdaad komen zal: we betalen alle verschuldigde bedragen tot de laatste cent en ook als de inspecteur niet langs kwam zullen we die stellingname niet betreuren omdat zij ons voordeel biedt en beschermt voor de eeuwigheid.
Die laatste zekerheid verwerven wij pas door met het waarschijnlijke helemaal geen rekening te houden en dus door te doen alsof er zekerheid bestond. Maar precies dit handelen binnen een sfeer van verbeelde zekerheid, verandert de zekerheid van een ijl spook in een hard granieten beeld.
Wij weten nooit of de inspecteur van de belastingen zal komen en het is zelfs mogelijk dat wij hem nooit zullen moeten begroeten, maar als wij desondanks telkenjare handelen alsof hij komt, dan weten wij meteen zeker dat hij ons nooit zal kunnen bestraffen.
Op die manier - en dus middels ons theaterspel - maken wij van onzekerheden, mogelijkheden en vervolgens maken wij van mogelijkheden, onmogelijkheden en tenslotte zekerheden. We zijn immers onzeker over de komst van de controleur omdat het mogelijk is dat hij komt, maar als wij altijd doen alsóf hij komt, dan weten wij zeker dat wij nimmer tegen de lamp zullen lopen. En het is dat theater waarmee wij de aanvankelijke onzekerheid bezweren, onschadelijk maken en omzetten in iets dat de werkelijkheid waarvan wij wel moesten geloven dat zij wezenlijk onzeker was, boven zichzelf uittilt en omzet in een realiteit van ware zekerheid.
Edoch, wat we hier hebben bestempeld als zekerheid mag dan al positief in onze oren klinken: het gaat in wezen allerminst om een levendige werkelijkheid. Zekerheid immers is per slot van rekening een eufemisme voor determinisme of bepaaldheid. En dat wij ons gedetermineerd weten, betekent ten slotte dat er van onze vrijheid niets meer overschiet. Zekerheid is onvrijheid en onvrijheid is wat bij uitstek tekenend is voor de dood; het leven daarentegen wordt vooreerst gekenmerkt door de vrijheid, en vrijheid is wezenlijk onzekerheid.
Het leven wordt pas eerst door de onzekerheid mogelijk gemaakt en derhalve door een afwezigheid van kennis, want kennis is in feite een andere benaming voor wat wij beschouwen als het gedetermineerde, datgene wat vastligt, niet meer verandert en derhalve ook onherroepelijk dood is. Het leven staat tegenover de kennis, het bewustzijn en de geest, zodat wat wij sinds oudsher beschouwen als begerenswaardig, in feite één is met de dood. Om te kunnen leven, dienen wij de geest achter ons te laten, moeten wij afstand doen van onze begeerte naar weten en zullen wij ons overgeven aan de roes die het onbewuste kenmerkt maar tegelijk het leven. Het nastreven van kennis door de levende is feitelijk niets anders dan zijn doodsverlangen en hij zou zich hiervan ten stelligste onthouden indien hij dit ook wist. Dat kennis van de kennis een volstrekte onmogelijkheid is voor de levenden, spreekt nu vanzelf, en wie zich in het bezit weten van deze metakennis, die leven eigenlijk niet meer zoals de echte levenden dit doen: zij zijn zich in hun bewustzijn slechts bewust van wat niet leeft, van wat niet is of van de dood.
Gedachten onderscheiden zich van levende organismen in het feit dat zij niet leven of dus dood zijn. Maar tegelijk verschijnt hiermee de werkelijkheid van de dood ook als niet niets. Gedachten immers zijn niet niets, zij kunnen immers bezit nemen van de levenden, precies zoals de dood die, ofschoon hij helemaal niet leeft, wel degelijk bestaat. Alles wat níet is, bestaat derhalve toch naast al het levende, zoals de schaduwen der dingen in het licht van zon en maan, of zoals het tekort aan het goede dat immers samenvalt met het kwaad.
Het leven is de roes, derhalve: het heeft van zichzelf geen weet omdat het dan ook wérkelijk bestaat. Het denkproces dat zich in gang zet binnenin de wezens, is niet een zich verheffen in de torens van het Zijn: het is een ziekte en zowaar is het dan ook een proces van verrotting of ontbinding. Het is in dat licht dan ook wellicht de schromelijkste vergissing van het menselijk bestaan om te geloven dat het cultiveren van de rede of de geest ons kon verheffen. Alleen de roes geeft de extase waarin wat leeft gedijen kan zonder te worden aangetast door dode dingen zoals gedachten, ideologieën en systemen. Ver zijn wij vandaag verwijderd van die pure waarheid welke het niet-weten in wezen is. Wat de mensheid nodig heeft, is derhalve de teugelloosheid van de droom, de afwezigheid van elke systematiek en de losbandigheid waarin een nieuwe extase kiemen kan zoals in de oersoep van het begin der tijden.
(J.B., 6 december 2011)
08-11-2011
Illustratie 1 bij Over de geldcrisis
Illustratie 1 bij "Over de geldcrisis"
07-11-2011
Over de geldcrisis - Een interview met Omsk Van Togenbirger De Waelekens
Over de geldcrisis
Een interview met Omsk Van Togenbirger De Waelekens
Eerste deel
- Omsk Van Togenbirger, er is naar men zegt een financiële crisis gaande met niet te overziene gevolgen: wat moeten we nu beginnen?
O.V.T.: - Lees Mattheüs, hoofdstuk zes, verzen negentien en twintig!
- Mattheüs?
O.V.T.: - "Verzamel geen schatten op aarde, waar mot of houtworm ze aantast, en waar dieven inbreken om ze te stelen. Maar verzamel schatten in de hemel, waar mot noch houtworm ze aantasten, en waar geen dieven inbreken om ze te stelen."
- Tja, daar zegt u wat... en dat is evangelie?
O.V.T.: - Inderdaad. De mot zit erin, in het geld, ziet u? Geld is een stoffelijk goed en alle stof is vergankelijk. Waar geld is, zijn er ook dieven, nietwaar?
- Maar we hebben geld nodig om te leven...
O.V.T.: - Dat geloof ik niet, ik denk niet dat er eetbaar of drinkbaar geld bestaat.
- Neen, maar we hebben geld nodig om aan voedsel te komen.
O.V.T.: - Dat is iets heel anders! Is het u trouwens al opgevallen dat de vogelen des velds dat níet nodig hebben? Geld is een menselijk fabrikaat, het is een product van het kwaad in de mens.
- Een product van het kwaad? Is geld dan geen praktisch goed? Een ruilmiddel?
O.V.T.: - Tja, met de ruil is het kwaad eigenlijk al geschied, nietwaar? Men ruilt waren van gelijke waarde tegen elkaar in: een oog voor een oog en een tand voor een tand, ziet u? De ruil is het wezen van het geld, en het wezen van de ruil is de wraak, het betalen met gelijke munt.
- Maar er moet toch orde zijn?
O.V.T.: - Inzake de wraak, die u associeert met orde, staan rechten centraal. Door het kwaad hebben zij de plaats ingenomen van noden. De natuur kent slechts het recht van de sterkste, en de wraak is daarvan een verlengstuk. Dat zijn dan de wetten van schuld en boete. Er is geen gratie en nood is van geen tel, begrijpt u?
- Eerlijk gezegd niet, neen...
O.V.T.: - Waar de rechten de bovenhand hebben op de noden, kan iemand het brood dat een ander nodig heeft om in leven te blijven, opkopen en vernietigen.
- Is dat zo?
O.V.T.: - Uiteraard! En hij doet daarmee niets strafbaars, ook niet als die ander moet verhongeren!
- Ja, dat lijkt me níet rechtvaardig...
O.V.T.: - Het is moord! En waar de noden voorrang krijgen, heet dat ook moord, want de nood schept het recht.
- De nood schept het recht?
O.V.T.: - Wie honger heeft, heeft recht op voedsel, het is al eender of hij daar nu voor betaalt.
- Maar wilt u het geld dan afschaffen?
O.V.T.: - Geld op zich kan nooit volstaan om voedingswaren op te kunnen kopen, men moet eerst nood hebben aan voedsel, en dat is honger.
- Is dat niet een tikkeltje té idyllisch?
O.V.T.: - In deze wereld verhongeren nog elke dag opnieuw twintigduizend kinderen!
- Lieve hemel, maar dat zijn er tien keer meer dan het aantal slachtoffers van elf september tweeduizendéén, toen die twee torens van het centrum voor de wereldhandel in New York instortten, toch!?
O.V.T.: - U vergist zich, het zijn er dágelijks tien keer meer! En nu u het hebt over elf september: u weet toch zeker wel dat het diezelfde wereldhandel is die verantwoordelijk is voor die twintigduizend dode kinderen per dag?
- En het is nog waar ook...
O.V.T.: - Een vooraanstaand Vlaams dramaturg was op de jongste elf september hier te lande in een supermarkt aanwezig toen men het publiek aldaar om een minuut stilte verzocht voor de tweeduizend slachtoffers van elf september, exact tien jaar geleden.
- Ja, en?
O.V.T.: - De mensen bleven stokstijf staan terwijl onze schrijver zich blijkbaar niet aan de oproep stoorde: hij ging gewoon door met winkelen!
- Foei!
O.V.T.: - Hij werd door een gerant op de vingers getikt.
- Uiteraard!
O.V.T.: - Klaarblijkelijk vond hij de hele bedoening een zaak van massahysterie...
- Andermaal foei!
O.V.T.: - Hij diende de ander flink van antwoord!
- Driewerf foei!
O.V.T.: - Hielden ze een tijdje geleden een minuut stilte voor de veertigduizend doden van de aardbeving in Peru?
- Dat heb ik nooit gehoord, neen...
O.V.T.: - Als ze het daar meenden, dan moesten ze ook voor de hongerdoden tien minuten stilte inlassen, nota bene voor élke dág dat er twintigduizend kinderen zijn verhongerd. En dat zijn er sinds ettelijke jaren nog elke dag twintigduizend, tot vandaag!
- Tja, dan kunnen ze hun zaak maar beter meteen sluiten. Maar is het geld dan zo'n groot kwaad?
O.V.T.: - Geld is wraak. Maar in ons banksysteem is het nog meer dan dat, nog érger, en dat noemen wij het Mattheüs-effect.
- Mattheüs hoofdstuk zes...
O.V.T.: - Neen, neen! Het Mattheüs-effect verwijst naar een andere passage. In hoofdstuk vijfentwintig, vers negenentwintig, staat geschreven: "Wie heeft, aan hem zal gegeven worden, en wie niet heeft, het weinige dat hij bezit zal hem nog worden afgenomen."
- Dat lijkt me hoe dan ook geen al te christelijke stelling!
O.V.T.: - In het kapitalisme brengt geld nog meer geld voort, zodat het geld daar een bijzondere gelijkenis gaat vertonen met de levende wezens: het lijkt erop dat het zich voortplant, of tenminste dat het zichzelf vermeerdert, dat het zich voedt, en groeit.
- Wat griezelig!
O.V.T.: - Zeg dat wel. Het volstaat dat ik een kapitaal bezit opdat ik steeds meer geld in het laatje zou krijgen. Het geld werkt als het ware in mijn plaats.
- En wat doet het geld dan wel?
O.V.T.: - Het brengt rente op als iemand het leent. En is dat geen triestige historie?
- Het rentenieren?
O.V.T.: - Welja.
- Waarom?
O.V.T.: - Een mens die aanklopt om te lenen, is in feite een mens in nood. Hij vraagt wat geld voor levensmiddelen, hij bedelt eigenlijk.
- Maar hij is geen echte bedelaar, toch?
O.V.T.: - Hij bedelt maar hij belooft het geld terug te zullen geven. Maar dat volstaat niet. De uitlener eist meer terug dan hetgeen hij gegeven heeft.
- Dat lijkt mij inderdaad niet zo rechtvaardig. Temeer omdat die uitlener dat geld toch niet mist...
O.V.T.: - Wel, dat is inderdaad zo. De uitlener maakt misbruik van de nood van die ander die komt lenen. Het zou veel menselijker zijn indien hij zei: goed, ik geef u wat en ik scheld u uw schuld kwijt. Of: ik leen u wel wat, en brengt het maar terug als ge het weer kunt missen, want iedereen kan al eens in nood verkeren. Maar dat doet hij nu precies niet. Hij maakt in feite misbruik van de situatie. Hij perst de noodlijdende geld af. Hij leent hem een som, op voorwaarde dat de ander hem een grotere som belooft terug te zullen brengen. En hij eist dat, ook al heeft hij zelf geen nood. In feite haalt hij voordeel uit de nood van de ander. Hij vermeerdert de feitelijke schuld van de schuldenaar. En dat is bijzonder onvriendelijk, want op die manier moet hij eigenlijk hopen dat anderen tekorten lijden.
- Inderdaad, dat lijkt mij een beetje pervers...
O.V.T.: - Menselijkerwijze zou men ter compensatie van de terugbetaling van een schuld, een schuldvermíndering mogen verwachten, en dat is het tegenovergestelde van rente.
- U bedoelt dat wie hun schuld inlossen... een schuldreductie zouden moeten krijgen?
O.V.T.: - Dat lijkt mij niet alleen menselijker maar ook veel logischer dan een rente of een vermeerdering van de schuld!
- Menselijker, logischer of natuurlijker?
- Menselijker en menselijkerwijze ook logischer maar niet natuurlijker, neen, integendeel zelfs. De natuur - ook de menselijke natuur - kent geen gratie. Ge weet toch dat een koe die zich door mensen leeg laat melken, hiervoor allerminst beloond wordt? Geeft zij niet langer melk, dan schiet zij er bovendien het leven bij in want dan wordt zij... als teken van dank, zo gij wilt... ook nog opgegeten! Een paard dat niet langer sterk genoeg is om de kar te trekken, wordt geslacht! En dat is iets heel anders dan een beloning, nietwaar? Een mens dénkt er niet aan om de koe of het paard te belonen. En hij denkt er niet aan omdat hij van die beesten helemaal niets te vrezen heeft!
- Hoe verschrikkelijk!
O.V.T.: - Inderdaad, maar het is niet anders. Goedheid in de betekenis van bereidheid tot het geven van beloningen vindt zijn reden van bestaan in niets anders dan in de vrees. De heerser die door zijn volk geliefd wil worden en die dus met goedheid wil bejegend worden, moet er vooreerst voor zorgen dat hij gevreesd wordt. Dat zijn niet mijn woorden maar wel die van Niccolò Machiavelli die vijfhonderd jaar geleden met zijn befaamde boekje Il Principe aan de vorst instructies gaf over de kunst van het leiderschap. Het Machiavellisme wordt dan ook terecht cynisch genoemd, en dat betekent honds. De leider zet het volk onder bedreiging naar zijn hand. Het geldsysteem is in feite even cynisch of honds.
- Ik moet zeggen dat ik het toch nog niet te best begrijp.
O.V.T.: - Stel dat ge op reis gaat naar een vreemd land.
- Ja?
O.V.T.: - Het wordt avond, ge zijt vermoeid en ge hebt honger en ge zoekt een slaapplaats.
- Ja, veronderstel.
O.V.T.: - Er is een tijd geweest dat gastvrijheid een heilige plicht was. Dan kondt ge kloppen aan iemands deur, vertellen dat ge uit een vreemd land afkomstig waart en dat ge een slaapplaats zocht. En dan was het de plicht van de ander om, als dat in zijn mogelijkheden lag, u een slaapplaats aan te bieden, en voedsel, en al het nodige comfort. De gastheer moest u ontvangen alsof gij een koning waart, hij moest uw dienstknecht zijn.
- Is dat zo? Dat is vandaag dan toch niet meer het geval, me dunkt!
O.V.T.: - Maar let op, ge moet wel het hele plaatje bekijken: de gast diende om hulp te vragen en hij had ook geleerd om zijn dankbaarheid te betuigen jegens zijn gastheer!
- Tja, dat is dan misschien ook wel veranderd, vandaag...
O.V.T.: - Vandaag gaat men op reis en men klopt aan bij een hotel. Dat is een instantie die als het ware gastvrijheid verkoopt, ziet ge?
- Ik vrees dat ik het nog steeds niet snap...
O.V.T.: - Klinkt dat dan ook in uw oren niet vals, als ge hoort dat gastvrijheid tot een koopwaar werd?
- Nu gij het zegt, inderdaad, het lijkt mij een vorm van... prostitutie?
O.V.T.: - Kan men liefde te koop aanbieden of kopen?
- Dat geloof ik niet, neen, maar misschien denkt niet iedereen daar zo over.
O.V.T.: - Kan liefde die niet onvoorwaardelijk is, nog langer liefde zijn?
- Neen, inderdaad niet: als iemand pas begint te beminnen als die persoon daar geld voor krijgt, dan lijkt me dat slechts een toneel.
O.V.T.: - En gastvrijheid dan? Kan iemand uw gastheer worden op voorwaarde dat gij hem daarvoor betaalt?
- Dat lijkt mij evenmin mogelijk: iemand die gastvrijheid aanbiedt tegen betaling, is niet echt gastvrij, want gastvrijheid is een heilige plicht voor allen die erin geloven. Zo iemand spéélt alleen maar gastheer, me dunkt.
O.V.T.: - En weet ge dat zeker?
- Ik geloof het wel. Als ge aanklopt bij een hotel en ge hebt helemaal geen geld, dan zal men u waarschijnlijk ook niet binnenlaten.
O.V.T.: - En het werk dat gij doet? Wat is overigens uw beroep?
- Ik geef lering.
O.V.T.: - Het leraarschap is voorwaar een mooi beroep. Maar wat is uw bedoeling ermee?
- Ik probeer mensen iets bij te brengen.
O.V.T.: - En verder? Verdient gij daar ook geld mee?
- Weinig, moet ik zeggen...
O.V.T.: - Ge wordt er niet voor betaald, maar kennelijk weerhoudt u dat er niet van om door te gaan met het geven van lering?
- Zeker niet!
O.V.T.: - Maar stel nu eens dat gij er niets meer zoudt mee verdienen, zoudt gij er dan nog mee doorgaan?
- Ik zou misschien helemaal niet meer kunnen, want ik moet toch ook eten?
O.V.T.: - Inderdaad, en dat is nu juist het corrupte van het geldsysteem. Het gouden kalf probeert uw leven van geld afhankelijk te maken, zodat het ook bij machte is om u uw lesgeving te ontnemen, of om u tot liegen te brengen.
- Louter theoretisch dan?
O.V.T.: - Theoretisch zegt gij? Weet gij dan niet dat wie lering geven tegen betaling, bijvoorbeeld in een school van de staat, zich moeten onderwerpen aan een vooraf bepaald programma?
- Is een leerplan dan geen vanzelfsprekende zaak?
O.V.T.: - Maar ik heb het over de inhoud! Weet gij dan niet dat wie les geven tegen betaling in een staatsschool, bepaalde opvattingen moeten promoten? Dat zij bepaalde waarheden moeten verzwijgen? Dat zij bepaalde leugens moeten verspreiden?
- Zoals?
O.V.T.: - Ik hoorde onlangs van een leraar dat een schooldirectie van haar leerkrachten verlangde dat ze aan de leerlingen niet langer studie-eisen zouden stellen.
- Dat lijkt mij bijzonder onwaarschijnlijk.
O.V.T.: - De achterliggende redenering was deze, dat de leerlingen niet meer komen om iets bij te leren maar om het diploma te bemachtigen. Scholen waar het diploma makkelijk te krijgen is, hebben succes. Ge weet toch dat vandaag de scholen een soort van winkels geworden zijn, met de leerlingen als klanten? Dat is alvast wat de schooldirectie in kwestie impliciet aan het licht bracht toen ze haar leerkrachten er meende te moeten aan herinneren dat elke leerling anderhalf lesuur waard is!
- En dat werd zomaar in het openbaar gezegd?
O.V.T.: - Welneen, het werd allemaal medegedeeld op een leerkrachtenvergadering, en wat daar besproken wordt, moet volgens de directie strikt geheim worden gehouden.
- Wat een chantage!
O.V.T.: - Inderdaad, en dat is wat ik ook zeggen wil: het gouden kalf probeert zichzelf centraal te stellen. Geld zou een ruilmiddel moeten zijn. Afgezien van het feit dat dit op zich al problematisch is, maakt het middel zichzelf op de koop toe tot doel.
- En het doel geraakt op de achtergrond?
O.V.T.: - Het doel geraakt niet alleen uit het zicht, het wordt ook nog geperverteerd. De scholen waarover ik het zonet had, hebben niet langer tot doel om aan hun leerlingen iets bij te brengen. In feite verhíndert het winstbejag dat er nog les gegeven wordt!
- Het lijkt me dat er wel altijd misbruiken zullen zijn...
O.V.T.: - Wat ik u vertelde, is helemaal geen uitzonderlijk geval. Onlangs kon men in het nieuws lezen over een onderzoekster aan een universiteit hier ten lande, die prompt ontslagen werd omdat zij kritiek had, en ook zeer terechte kritiek, op een te voeren onderzoek. Dat onderzoek werd namelijk gesponsord door een firma en het was die sponsor die dat ontslag eiste.
- Het lijkt mij toch logisch dat de sponsor medezeggenschap heeft in de bemanning van het onderzoek; hij betaalt tenslotte de werkkrachten.
O.V.T.: - Tja, daar zit inderdaad een logica in, maar het is dan wel een logica die de waarheid met de voeten treedt. De logica moet ten dienste van de waarheid staan, en niet andersom.
- Het klinkt mij allemaal nogal vaag in de oren...
O.V.T.: - Ik zal concreet zijn. Het betreft hier een onderzoekster aan de K.U.L., in een project van een chemiereus die werkt aan de veredeling van landbouwgewassen, meer bepaald op het terrein van de eugenetica. In dit geval probeerde men aardappelen genetisch te manipuleren, zogezegd om bestand te zijn tegen allerlei plagen.
- Dat lijkt mij nog steeds een edel doel.
O.V.T.: - Jazeker, maar er is een minder edel bijverschijnsel aan dat onderzoek. De nieuwsoortige gewassen worden eigendom van de chemiereus, die er immers patenten op neemt. De oude, natuurlijke gewassen zijn gedoemd om te verdwijnen en zo ook de boeren. Willen zij nog langer hun beroep uitoefenen, dan kunnen zij dat alleen nog doen in dienst van de chemiereus, want zij zullen aldaar hun zaden inkopen aan woekerprijzen. De gewassen die zij telen, worden in dat zogenaamde veredelingsproces praktisch onvruchtbaar gemaakt. Elk jaar opnieuw dienen de boeren bij de machtige petrochemische bedrijven hun zaden aan te kopen, want wat zijzelf nog kunnen voortbrengen, is zo goed als steriel. Die zogenaamde eugenetica veredelt de gewassen niet, ze maakt ze alleen onbruikbaar voor de landbouwer, ze neemt ze in beslag. De ultieme productiemiddelen worden in beslag genomen door het grootkapitaal. Het leven zelf moet eten uit de handen van het gouden kalf.
Tweede deel
- Omsk Van Togenbirger, laat mij eerst eens samenvatten... we hebben immers ernstige vragen over de geldcrisis... Gij verwijst wel naar de vogelen des velds, maar het kwaad is listig, het gouden kalf maakt zich onmisbaar, is het niet zo?
O.V.T.: - Het kwaad chanteert het goede, dat is een feit. Door het kwaad kunnen wij straks helemaal niet meer handelen tenzij middels geld. Alles wat mensen doen, wordt beschouwd als arbeid, en alle arbeid dient wettelijk geregeld, wat hier op neerkomt, dat er moet voor betaald worden en dat op die financiële transactie belasting wordt geheven. In de praktijk houdt de handelende mens amper genoeg over om in leven te kunnen blijven, en waar er volgens de maatstaven van het kalf sowieso teveel mensen zijn, spaart die uitbuiting ook hun leven niet.
- Het lijkt er alvast heel sterk op dat de mensen uitgeperst worden, maar wie doet dat eigenlijk? Wie zit daar achter? En met welk doel gebeurt dat?
O.V.T.: - Dat is inderdaad een bijzonder belangrijke vraag, en ik moet u tevens zeggen dat het antwoord op die vraag onthutsend is. Want vroeger had men het over de uitbuiting van mensen door mensen. Men zegde dat de hogere klassen de lagere uitbuitten, precies zoals de mensen de dieren uitmelken. Dat werd een heikel onderwerp ten tijde van de ellende die veroorzaakt werd door de industriële revolutie, in de zogenaamde klassenstrijd. Het was Friedrich Engels, de zoon van zo'n uitbuiter, die deze wantoestanden aan de kaak stelde, en die daar samen met Karl Marx paal en perk wilde aan stellen door de verdrukten eendrachtig en aldus ook weerbaar te maken. Maar vandaag heeft dat soort van uitbuiting een zodanige vlucht genomen, dat geen zinnig mens daar nog iets kan bij winnen. Het komt er dan op neer dat de schepping, aanvankelijk een paradijs, wordt uitgebuit door de duivel, zodat zij in een hel verkeert.
- Dat begrijp ik eerlijk gezegd niet...
O.V.T.: - Ja, ik moet inderdaad toegeven dat dit ook enige uitleg vergt... Een voorbeeld dan maar om mee te beginnen. Stel dat iemand in nood u om hulp vraagt.
- Ja?
O.V.T.: - Wat gij dan voor de hulpbehoevende doet, wordt beschouwd als arbeid.
- Ja, en dan?
O.V.T.: - Gij zijt verplicht om er geld voor te vragen want alle arbeid wordt belast.
- Maar dat betekent dat ge iemand die om hulp vraagt, iemand die tekort heeft, niet eens kúnt helpen, want ge wordt verplicht om aan diegene die u iets vraagt, geld te vragen, terwijl hij het was die u vroeg om aan hem iets te geven?
O.V.T.: - Ik zou niet zeggen dat ge niet langer aan iemand iets kunt geven, maar het wordt wel een dure zaak om dat te doen, het wordt zeer sterk ontmoedigd. Als iemand mij vraagt om een buis in een keuken te herstellen, en ik vraag daar helemaal geen geld voor, dan werk ik niet alleen gratis, maar dan betaal ik ook nog eens een forse belasting op een som die ik helemaal niet ontvang. Ge begrijpt dat ge u op die manier in geen tijd straatarm kunt helpen!
- Dat lijkt mij inderdaad te kloppen.
O.V.T.: - De hulpbehoevenden bijstaan wordt welhaast onmogelijk gemaakt, waardoor het geheel onvermijdelijk wordt dat zij nog meer verarmen.
- Het tweede luik van het Mattheüseffect?
O.V.T.: - Dat hebt gij goed gezien: "Wie niet heeft, het weinige wat hij heeft, zal hem nog worden ontnomen". Het gouden kalf verhindert dat de sterkeren de zwakkeren nog langer helpen en het herbevestigt op die manier het recht van de sterkste, dat eigenlijk geen recht is maar wel het brute geweld of de strijd.
- Maar om nu eerst terug te keren naar de uitbuiting: hoe voltrekt zich die feitelijk, hier in Europa?
O.V.T.: - Wel, daar bestaan inderdaad veel misverstanden over, en het zijn de uitbuiters die er alles bij te winnen hebben om de gang van zaken zo duister mogelijk te houden. Want kijk maar eens hoe de aanzuiveringen van de banken door de corrupte politici met gelden van arme belastingbetalers worden voorgesteld als reddingsacties ten bate van jan met de pet. De uitgebuite wordt in alle media voorgesteld als diegene die bevoordeligd wordt en die gered wordt en de mensen blijken dat ook allemaal te slikken want het wordt hen door gezaghebbers ingelepeld.
- De mensen denken niet na?
O.V.T.: - Dat is een zeer vreemd verschijnsel: de massa die zich laat leiden slikt de propaganda van haar leiders volslagen kritiekloos.
- En hoe zit de vork aan de steel inzake die uitbuiting?
O.V.T.: - Ik geloof dat ik dat al eens heb uiteengezet, maar ik zal het hier eens beknopt herhalen.
- Zo gij wilt...
O.V.T.: - Het gaat om afpersing en uitpersing door de rijken van de armen met de medewerking van corrupte politici.
- Doet gij aldus geen onbezonnen uitspraak? Dit is tamelijk beschuldigend!
O.V.T.: - Maar het gaat hier ook om schuld, nietwaar? Wat is een beschuldiging in vergelijking met werkelijke schuld ten bedrage van duizenden miljarden euro? We mogen toch zeker wel proberen om de waarheid te achterhalen wanneer wij zo te kakken gezet worden?
- Oké dan...
O.V.T.: - De zaken worden om te beginnen heel anders voorgesteld dan ze in feite zijn. Om te beginnen spreekt men over de schuld van de landen en men stelt de zaken zo voor alsof het de burgers zijn die grote schulden maken en die er dus moeten voor boeten.
- En is dat dan niet het geval?
O.V.T.: - Maar natuurlijk niet! Het zijn de burgers niet die schulden maken, het zijn de politici die dat doen. De politici beheren het geld van het land waar zij regeren en zij maken schulden bij de banken. Niet uit noodzaak, maar omdat ze daar door de banken toe aangezet worden!
- Is dat dan het geval?
O.V.T.: - Ge weet dat de banken er alle belang bij hebben als mensen leningen bij hen aangaan?
- Uiteraard. Het geleende wordt immers tegen woekerintresten afbetaald.
O.V.T.: - Welnu, politici kunnen ervoor zorgen dat een gans land gaat lenen bij een bank, want zij beheren het geld van miljoenen burgers.
- Ja, het lijkt mij dat op die manier de banken superzaken doen!
O.V.T.: - Hier te lande hebben zowat tien miljoen burgers bij de banken elk een schuld van een vele duizenden euro! Elke Belg leent op die manier eigenlijk zijn burgerschap en hij betaalt het af: eindeloos, als het van de banken afhing! En dat is niet alleen bij ons zo, het is overal hetzelfde liedje. De verstandige burger wil helemaal geen schulden, hij weet dat schulden maken een veel te dure zaak is. Maar de politici maken die schulden in zijn plaats en in ruil daarvoor krijgen ze van de banken de middelen om aan de macht te blijven.
- En wat is er dan gaande in de huidige crisis? Men zegt dat er bespaard moet worden en dat de landen solidair moeten zijn met elkaar...
O.V.T.: - Niet van stapel lopen! Niet te snel! Stap voor stap!
- Oké...
O.V.T.: - Vandaag zijn er landen wiens schuld zo hoog opgelopen is, dat de banken bij wie hun politici leningen hebben aangegaan, vrezen dat ze die nooit zullen terugbetaald krijgen.
- Dat is dan pech voor die banken...
O.V.T.: - Tja, als een land failliet gaat, dan kunnen de schuldeisers, en dat zijn de banken, inderdaad fluiten naar hun centen! Maar banken zouden geen banken zijn als zij zulk een scenario's niet allang voorzien hadden!
- Hebben de banken dat dan voorzien?
O.V.T.: - Maar natuurlijk. Vandaar dan ook Europa!
- Dat begrijp ik niet!
O.V.T.: - Hebt gij om Europa gevraagd?
- Begot neen! En geen mens die ik ken, geloof ik.
O.V.T.: - Inderdaad, de politici hebben Europa er bij de mensen ingeramd!
- En waarom dan wel?
O.V.T.: - Denk eens goed na!
- Ik weet het niet!
O.V.T.: - Wie heeft voordeel bij Europa? Waartoe dient Europa? Denk aan de huidige crisis!
- Omwille van de solidariteit?
O.V.T.: - Prachtig! Maar let op: het gaat helemaal niet om een solidariteit tussen de Europese landen! Dat is slechts schijn!
- Hoezo, schijn?
O.V.T.: - Politici stellen het andermaal zo voor alsof Europese landen onderling solidair moeten zijn, maar herinner u dat het hier gaat om de afbetaling van schulden aan de banken. Als een land failliet gaat, dan kunnen de banken fluiten naar hun centen. Tenzij...
- Tenzij andere landen die schulden overnemen!
O.V.T.: - Maar natuurlijk! De banken hebben de politici ertoe aangezet om Europa te creëren met de enige bedoeling zichzelf aldus te verzekeren tegen faillissementen van naties!
- Maar zijt ge daar wel zeker van?
O.V.T.: - Wie bestuurt Europa?
- Het Europees parlement, de Europarlementariërs...
O.V.T.: - En wanneer verkiest gij die?
- Ik euh... Ik geloof dat ik nog nooit heb moeten stemmen voor de Europarlementariërs...
O.V.T.: - Ge hebt nog nooit mogen stemmen voor Europa, dat klopt. Het Europese parlement wordt niet verkozen door de Europese burgers. En daarom is Europa helemaal geen democratie, Europa is een dictatuur, en het is een dictatuur van de banken, een dictatuur van het gouden kalf!
- Maar hebt ge van uw leven!
Derde deel
- Omsk Van Togenbirger, als ik u goed begrijp, dan verkondigt gij nu die linkse stelling daar, dat Europa een dictatuur is van de banken, want dat lijkt mij in twee woorden wat gij ons daar allemaal komt te vertellen. Maar dan stel ik u de vraag: waar komt al die welstand dan vandaan, als we, zoals gij immers beweert, leven in een dictatuur? Want kijk eens rondom u, hier in de straat: dit zijn geen huizen meer! Dit zijn kastelen, kathedralen zijn het! Twee of zelfs drie garageboxen telt men hier per woning. De kostprijs van die huizen - het lijken echt woningen voor reuzen - moet rond het miljoen schommelen en het gaat er in sommige gevallen beslist boven! Van armoede kan hier toch geen sprake zijn?
O.V.T.: - Niet te hard van stapel lopen, andermaal! Het is een zeer correcte vaststelling die gij daar doet: die nieuwe huizen in de geringste straatjes van de kleinste dorpjes gelijken inderdaad meer op kastelen, kathedralen of vestingen voor reuzen. Bovendien is het ook waar dat ze als paddenstoelen uit de grond rijzen. En ze kosten inderdaad fortuinen.
- Daarmee zijt gij het dus wel eens?
O.V.T.: - Vanzelfsprekend, dat zijn heel correcte vaststellingen. Maar uw conclusies zijn niet altijd correct.
- Neen dan?
O.V.T.: - Ziet ge die villa hier recht tegenover?
- Ja?
O.V.T.: - Met zijn brede oprijlaan en de achtertuin met de stallingen... enfin, stallingen... dat is klaarblijkelijk een verwarmd zwembad ginder achter...
- Ja, en?
O.V.T.: - Op diezelfde oppervlakte bouwt men in de randstad een wolkenkrabber met een honderdtal zogenaamde sociale appartementen, snapt ge? Die villa's vallen inderdaad op, maar het is een kleine minderheid van de bevolking die dergelijke gigantische ruimten bewoont, een meerderheid zit quasi gevangen gelijk de kippen in de rennen. En dat is juist een gevolg van de dictatuur der banken: een slinkende minderheid aan rijken wordt almaar rijker, een steeds toenemende meerderheid aan armen wordt almaar armer.
- Zou dat wel waar zijn?
O.V.T.: - En of. Maar om dat te kunnen inzien, is het vooreerst nodig om te weten wat banken precies zijn!
- En wat is een bank dan wel?
O.V.T.: - Kent ge een mosselbank?
- Ja, een mosselbank... is een... ding... waarop mossels vastzitten.
O.V.T.: - Precies, een bank is niet een of ander gebouw, het is een zaak waarop zaken kunnen neergezet of vastgezet worden, en in dit geval gaat het uiteraard over geld. Maar wat is geld?
- Geld? Een betaalmiddel, zou ik zeggen...
O.V.T.: - Geld vertegenwoordigt waarde, en de waarde waar het hier om gaat is heel specifiek.
- Het is niet elke mogelijke waarde?
O.V.T.: - Welneen, want er zijn zaken die onbetaalbaar zijn.
- Liefde bijvoorbeeld.
O.V.T.: - Uiteraard, maar ook andere zaken, zoals grondstoffen!
- Grondstoffen? Goud, ijzer, koper?
O.V.T.: - En nog veel meer. Maar ook bijvoorbeeld de vruchten des velds, onze eetwaren!
- Onbetaalbaar?! Maar een gram tweeëntwintig karaats goud kost vandaag 33,93 euro netto, heb ik zopas nog gelezen op het internet. En ook alle andere ertsen zijn betaalbaar, me dunkt! En zo ook alle eetwaren! Wat probeert gij ons allemaal op de mouw te spelden!?
O.V.T.: - Mijn beste vriend, al die zaken zijn principieel volstrekt onbetaalbaar! Dat wij ze alsnog beschouwen als betaalbaar, en dat we ze kopen en verkopen, komt alleen doordat ze de illusie hebben van de onuitputtelijkheid. Maar de grondstoffen zijn eindig en het voedsel is beperkt. Als de vraag naar die dingen stijgt, dan stijgt ook de prijs. Als de eindigheid ervan in het zicht komt, dan evolueert de prijs richting oneindig. Als er een brood is voor één persoon en er zijn pakweg tien kopers voor dat brood terwijl het al dan niet hebben van dat brood een zaak geworden is van leven of dood, dan is dat brood gewoonweg onbetaalbaar. En ga het maar na: alle dingen zijn eindig, alleen beseffen we dat niet goed. Alle dingen zijn derhalve onbetaalbaar. Het gebruik van geld gaat terug op een illusie.
- Wat vertegenwoordigt geld dan wel? Wélke specifieke waarden, als het niet de waarde is van grondstoffen of van eetwaren of van meer van die dingen?
O.V.T.: - Arbeid.
- Arbeid?
O.V.T.: - Tarwe groeit vanzelf, maar het kost arbeid om te zaaien en te maaien. Ertsen hoeven niet gemaakt te worden, ze zitten her en der in de bodem, maar het kost arbeid om ze eruit te halen. Alle dingen zijn gratis, ze zijn er al, of dan tenminste toch de grondstoffen. Maar hun waarde wordt bepaald door de arbeid die nodig is om ze te bemachtigen.
- De waarde van de dingen wordt bepaald door de arbeid die nodig is om ze te bemachtigen?
O.V.T.: - Inderdaad. Geld vertegenwoordigt arbeid, menselijke arbeid. Maar dan wel die specifieke vorm van arbeid die nodig is om de dingen te bemachtigen die wij nodig hebben om te leven. Die dingen zijn gratis, maar ze zijn ook eindig. Alleen geld is er principieel oneindig veel, maar dat maakt het dan ook uiteindelijk volstrekt waardeloos. De grote fout die wij maken, en dat is een kostelijke illusie, is dat wij geloven dat ook de waarde van geld bepaald wordt door de arbeid die nodig is om het te bemachtigen. En daar draait het systeem zot, ziet ge?
- Neen, dat zie ik niet.
O.V.T.: - Alle dingen die wij nodig hebben om te leven, zijn er al, onder een of andere vorm, akkoord?
- Uiteraard zijn ze er, waar zouden ze immers vandaan moeten komen als ze er niet waren?
O.V.T.: - Goed. En al die levensnoodzakelijke dingen zijn principieel onbetaalbaar, nietwaar?
- Als ik het goed begrijp, zijn ze eindig. En omdat ze eindig zijn, terwijl ze levensnoodzakelijk zijn, zouden wij er élke som voor neertellen als ons leven ervan afhing.
O.V.T.: - Precies. Wat we uiteindelijk taxeren, is de arbeid die nodig is om die dingen in ons bezit te krijgen, akkoord?
- Akkoord.
O.V.T.: - Maar dat kan uiteraard niet waar zijn met betrekking tot het geld, begrijpt u?
- Neen, dat begrijp ik nu net niet.
O.V.T.: - Het geld heeft op zich immers helemaal geen waarde: men kan het niet eten, men kan er geen huizen mee bouwen... het zijn op de keper beschouwd slechts getallen die ergens vast staan, het zijn afspraken die vastliggen en die beschermd worden. En ze worden beschermd door de sterkste machten die er bestaan, dat begrijpt ge toch?
- Neen, ik begrijp het nog steeds niet.
O.V.T.: - Ik zal het met nog andere woorden zeggen: het geld is een middel, het kan nooit een doel zijn. De illusie waar ik het over heb, is de zogenaamde middel-doelomkering, de waanzin die bijvoorbeeld maakt dat mensen eetwaren gaan gebruiken als middel om aan meer geld te komen in plaats van andersom. Want aanvankelijk gingen wij naar de markt met eieren, we kregen geld voor onze eieren en we kochten daarmee dan aardappelen, dat vergemakkelijkte namelijk de ruil. We gingen naar de markt met een bepaald levensmiddel, en we kwamen met een ander levensmiddel terug naar huis, en geld was een ruilmiddel. Maar vandaag gaat men naar de markt met geld, men koopt daarvoor een lot eieren, men verkoopt dat lot eieren op diezelfde markt voor een hogere prijs en men keert huiswaarts met geld, en wel met winst. De levensmiddelen, de eieren, zijn ruilmiddel geworden en het geld werd doel. Het geld lijkt op die manier bovendien aan te groeien, alsof het een levend organisme was. En dat is uiteraard een direct gevolg van die middel-doelomkering: de levensnoodzakelijkheid van de eetwaren en de intrinsieke waarde ervan wordt genegeerd terwijl het geld opgewaardeerd wordt tot een eindwaarde. Door die leugen lijkt de levenskracht van het voedsel in het geld zelf te zijn overgegaan. Dat gebeurt uiteraard niet fysiek, maar het gebeurt niettemin écht voor zover iedereen nu eenmaal de waarde van het geld erkent.
- Maar dat is magie?!
O.V.T.: - Het is magie, inderdaad. En het is ook zwarte magie, om in datzelfde jargon te blijven. De levenskracht van de levende dingen wordt miskend en aan het geld wordt eer gebracht alsof het waarde had op zich. Meer nog: alsof het een persoon was. Wat zeg ik? Alsof het dé persoon bij uitstek was! God!
- Maar dat is griezelig!
O.V.T.: - Zeg dat wel. Want op die manier ontstaat een wel bijzonder perverse logica. Een logica die het mogelijk maakt dat de vruchten des velds vernietigd worden om hun marktprijs op te drijven. Volgens diezelfde logica kunnen wie geld bezitten, het voedsel dat verhongerende kinderen nodig hebben, opkopen en het daarna straffeloos vernietigen. En het is uiteindelijk ook die waanzinnige logica die maakt dat geld gekocht en verkocht wordt alsof het een waardevolle zaak betrof, een levend wezen!
- Geld, een levend wezen?
O.V.T.: - Hoe dikwijls wordt er niet een prijs gezet op iemands hoofd? Een mens is wat hij doet, hij werkt, hij wordt voor zijn werk betaald en hij wordt ook gedwongen om te werken: verkoopt hij op die manier niet een groot deel van zijn levenstijd, alsof die betaalbaar was, koopbaar en verkoopbaar? Meer zelfs: wij mensen worden door het grootkapitaal gekocht en weer verkocht op de arbeidsmarkt, en op die manier zijn wij zelf het die als ruilmiddel worden gebruikt, als middel om sommen geld te doen aangroeien tot nog grotere sommen. Ziet gij hoe men de levenskracht van ons, mensen, aldus wil overhevelen naar een volstrekt levenloze en zielloze zaak, een getal op een bankrekening... dat niets anders vertegenwoordigt dan de arbeid die nodig is om échte, levende dingen te bemachtigen?
- Vreemd, inderdaad...
O.V.T.: - De zaak is nu deze. Geld vertegenwoordigt de arbeid die nodig is om écht waardevolle dingen te bemachtigen, en geld doet dat op grond van afspraken... die op hun beurt gehouden worden op grond van mogelijk fysiek geweld.
- Ja?
O.V.T.: - Geld vertegenwoordigt die arbeid... maar niet die zaken zelf, begrijpt u?
- Tja, dat lijkt me wel duidelijk. Gij bedoelt dus dat het op zich waardeloze geld alleen maar waardevolle dingen vertegenwoordigt op grond van afspraak, terwijl die afspraak uiteindelijk pas waarde heeft als geweld gebruikt kan worden om de naleving ervan af te dwingen?
O.V.T.: - Precies, maar dat is nog niet alles. Want stel eens dat de bezitter van het geld op een gegeven ogenblik geen waar krijgt voor zijn geld, zodat hij geweld móet gebruiken. En stel bovendien eens dat zijn tegenstander blut is, zodat hij hem helemaal niets meer af kan dwingen!
- Tja, men kan een kei het vel niet afdoen, dat is waar...
O.V.T.: - En wat betekent dan die geldelijke rijkdom nog? Wat anders nog tenzij het 'recht'... althans volgens de hier reeds besproken perverse logica... het recht om de ander te doden?
- Tja...
O.V.T.: - En in de praktijk is dat oorlog. En in de oorlogspraktijk doodt men zijn tegenstander niet: sinds oudsher spaart men zijn leven; men neemt hem gevangen en omzeggens 'uit dank' stemt hij ermee in om de lijfeigene van zijn overwinnaar te zijn, want alleen op die manier kan hij voor hem nog een meerwaarde betekenen.
- Maar als dat de gang van zaken is... dan is de verliezer in feite altijd al de lijfeigene van zijn overwinnaar gewéést?
O.V.T.: - Dat hebt gij goed gezien. Men zegt dat de oorlog het verlengstuk is van de economie, maar eigenlijk doet de oorlog niets anders dan aan het licht brengen wat het wezen van de economie in feite is. Een economie is geen bedrijvigheid die resulteert in overwinnaars en in verliezers zoals dat het geval is in een loopwedstrijd, welneen: in de economie ligt de overwinnaar bij voorbaat vast, hij is immers diegene die zijn verliezer - en eigenlijk moet men hier spreken over een slachtoffer - het mes op de keel zet, afdreigt en afperst.
- Ja, nu gij het zegt, daar zit wel iets in...
Vierde deel
- Omsk Van Togenbirger, gij hebt ons nu een en ander verteld over het geld, maar wij tasten nog altijd in het duister als het gaat over de banken en over hun rol in dat dan toch bijzonder duistere spel dat heden aan de gang blijkt over de ganse aardbol. Banken zijn instellingen waar geld wordt vastgezet, en geld is zwarte kunst, zo beweert gij: het heeft niets anders om het lijf dan...
O.V.T.: - Geloof!
- Geloof?
O.V.T.: - Tja, het geld op zich is hoogstens bedrukt papier. Geld is in wezen niets meer dan een aan een persoon rechtstreeks of onrechtstreeks verankerd getal, en die band tussen het getal en zijn bezitter wordt beschermd. Iedereen gelooft dat zo'n getal een bijzondere waarde vertegenwoordigt.
- Geld vertegenwoordigt de arbeid nodig om levensmiddelen te bemachtigen, en dit op grond van afspraken die standhouden dankzij gewelddreiging.
O.V.T.: - Dat hebt gij goed onthouden! Wij geloven in het geld omdat wij vrezen voor geweld.
- Terecht!
O.V.T.: - Onze vrees is uiteraard terecht, want wij zijn bijzonder kwetsbaar. Men kan zelfs ten stelligste beweren dat het geld zijn macht haalt uit onze kwetsbaarheid. Nog correcter uitgedrukt: indien de mens onkwetsbaar was, dan had het geld geen enkele macht, het had niet eens kunnen bestaan. Het geld deed zijn intrede in de wereld tegelijk met de val van de mens, die hem kwetsbaar maakte. Vandaar vertegenwoordigt het geld niet zómaar een macht: het geld representeert de macht van het kwaad. En als men vaststelt dat mensen het geld aanbidden alsof het een persoon was of een god, dan mag men dat kwaad gerust personifiëren, en kan men met recht en rede zeggen dat het geld de duivel zelf vertegenwoordigt.
- De duivel?
O.V.T.: - De personificatie van de onmens!
- En die leeft dus bij de gratie van ons geloof?
O.V.T.: - Uiteraard, want op zichzelf is hij helemaal niets! De heilige Augustinus zegt in dat verband dat het kwaad geen positieve werkelijkheid is, doch 'slechts' een leemte, een tekort, een afwezigheid van het goede. Maar die afwezigheid is dus een werkelijkheid, en het is een moordende werkelijkheid, een echte moordenaar.
- De duivel?
O.V.T.: - Tja.
- Maar nu wijken we weer af van ons onderwerp: de banken! Dat zijn plaatsen waar geld wordt vastgezet, zegt gij. Maar wat doen zij dan? Wat hebben zij te maken met de verdeling van de rijkdom? En wat is die bankencrisis eigenlijk?
O.V.T.: - Zoals al gezegd is dat een bijzonder heikel artikel. Er zijn er die beweren dat zónder het geld de wereld weldra zou ten onder gaan, onder meer ingevolge luiheid.
- Gij bedoelt dat zij geloven dat geld de mensen dóet werken?
O.V.T.: - Hebzucht is voor velen een drijfveer om te werken, zo geloven zij.
- En is dat ook zo?
O.V.T.: - Tuurlijk niet! Hebzucht of bezitsdrang is een drijfveer om anderen te bestelen, ja! En over de arbeid kan men toch zeker niet zeggen dat zij diefstal is? Integendeel! De arbeid is een schenkende activiteit! Neen, neen, neen: hebzucht zal er veeleer voor zorgen dat men anderen voor zích laat werken. De hebzuchtige is tevens de luiaard, me dunkt. Of zijn er dan mensen die tegelijk hebzuchtig zijn én ijverig? Gij begrijpt toch zeker wel dat het onderliggend motief voor de hebzucht, de luiheid zelf is?
- Dat zie ik toch niet zo direct...
O.V.T.: - Waarom is iemand hebzuchtig, denkt gij?
- Omdat hij ervan houdt om veel te bezitten, veronderstel ik.
O.V.T.: - Juist, ja. Maar waarom wil iemand veel bezitten?
- Inderdaad, ja: klaarblijkelijk om niet meer hoeven te werken...
O.V.T.: - Heel wat mensen streven een fortuin na omdat zij geloven dat een fortuin hen zal toelaten om op hun lauweren te rusten. Uit luiheid dus.
- Wie hebzuchtig is, is ook lui?
O.V.T.: - Hebzucht gaat vaak met luiheid samen! Maar er moet aan toegevoegd worden dat niet allen die bezit nastreven, ditzelfde oogmerk hebben. Er zijn er ook die onafhankelijkheid nastreven, mensen die willen vermijden dat zij ten prooi vallen aan uitbuiting en slavernij. Want wat wij verstaan onder 'werk', is vaak niets anders dan een vorm van slavernij. Met dat verschil dat de dwang vandaag dikwijls een positief karakter heeft gekregen.
- Een positief karakter?
O.V.T.: - Wel, ik wil alleen maar zeggen dat in vroeger tijden de slaven geen keuze hadden want als zij weigerden te werken, dan kregen zij van de zweep. Vandaag zijn stokslagen uit den boze en wordt er positief gesanctioneerd: wie werkt, krijgt een loon maar wie niet werkt, krijgt géén geld. Maar uiteraard komt dat vaak op hetzelfde neer, tenminste daar waar sociale zekerheid ontbreekt of waar mensen moeten leven in de illegaliteit. Wie geen geld heeft, moet immers honger lijden en hij kan zijn kinderen niet voeden, en dat is mij dunkt al even erg als stokslagen te verduren krijgen. Weet ge trouwens dat de huidige crisis ertoe geleid heeft dat de minimumlonen in het hoogontwikkelde West-Europese Duitsland, dat in zekere zin de bakermat is van de moderne sociale zekerheid, feitelijk werden afgeschaft? Dat is namelijk de hele moordende logica van het geldsysteem: de slavernij van ooit is er nu écht terug.
- Omsk Van Togenbirger, dat klinkt allemaal heel interessant, maar mag ik om al te grote uitweidingen te vermijden, terugkeren naar ons onderwerp?
O.V.T.: - En waar waren wij dan gebleven?
- Bij de opwerping van hen die beweren dat geld noodzakelijk is om de mensen te doen werken...
O.V.T.: - Wel, die opwerping is mijns inziens onterecht. Ik herhaal dat de mensen niet werken uit hebzucht, integendeel. Wat wél waar is, is dat geld een zeer welkom middel is in de moderne versie van de slavernij: het geld vervangt daar dus de zweep, en nogmaals: dat is vooral zo, waar het sociaal vangnet ontbreekt, want pas daar betekent geldgebrek ook honger, zodat mensen er door schurken toe gedwongen kunnen worden om zich uit te sloven voor een hongerloon. De arbeider is in het geldsysteem een louter middel en de allergoedkoopste middelen worden ingezet om het kapitaal te dienen. Het is wáár dat daar een klein aantal mensen schatrijk van worden, maar er is dus nog een vergeten, diepere dimensie aan die zaak, want waar mensen herleid werden tot arbeidsmiddelen of tot instrumenten van het geld, daar voedt zich letterlijk de onmens met de mensen!
- De duivel vreet de mensen op. Er bestaat trouwens een afbeelding daarvan. Het is een van de illustraties bij Dante's reis met Vergilius door de hel, één van de honderd gravures bij de Venetiaanse uitgave van zijn Goddelijke Komedie in 1757.
O.V.T.: - Ge ziet dus dat wat ik vertel, zeker niet nieuw is. De voorstellingen van het kwaad doorheen de ganse geschiedenis zijn allerminst fantastisch, zij zijn daarentegen bijzonder accuraat!
- Ge jaagt mij zowaar de daver op het lijf!
O.V.T.: - Een verwittigd man is er twee waard. Voorkomen is altijd beter dan genezen. Maar inzake de huidige crisis, lijkt alles erop te wijzen dat het hier gaat om een kwaad waar geen kruid tegen gewassen is. Ik vrees dat wij het zullen moeten ondergaan.
- Wat is er dan loos?
O.V.T.: - Wel, nu we er een idee van hebben wat geld is, en wat banken in feite zijn, kunnen we ons afvragen wat zij eigenlijk doen.
- De banken?
O.V.T.: - Ja, de banken. Want ge ziet dat banken bestuurd worden door grote mijnheren die, van zodra zij versleten zijn, door andere en betere vervangen worden. Het zijn de banken die hun directeurs kiezen, aanstellen, afdanken, overleven, omkopen en zo voort. De bezitter of de beheerder van een bank doet dus niet zomaar wat hij wil; ook hij is een gevangene van de logica van het geldwezen. Toch wel een bijzonder geslaagde benaming, vindt gij dat ook niet?
- Wat dan?
O.V.T.: - Het geldwezen. Dat vertegenwoordigt dus het absolute kwaad of de duivel. En ge kent die passage wel, uit het evangelie, waar de duivel Onze-Lieve-Heer meeneemt naar een hoge bergtop, waar hij Hem de wereld toont?
- Volgens Mattheüs zegt de duivel aan Jezus dat Hij van hem de ganse aarde kan krijgen. Volgens Lucas zegt de duivel dat hij in het bezit is van alle wereldse macht en dat hij die bijgevolg kan schenken aan wie hij maar wil.
O.V.T.: - Wie de wereld wil bezitten, hoeft alleen maar te knielen voor de duivel!
- En wat betekent dat dan concreet?
O.V.T.: - Zondigen uiteraard: stelen, liegen, bedriegen, echtbreuk plegen, moorden, noem maar op. Het zijn uitgerekend de zonden die aan de zondaar wereldse macht verlenen. Wie anderen naar het leven staan, worden gevreesd en bijgevolg geacht, denk maar aan wat Niccolò Machiavelli in zijn Il Principe verkondigde. Mensen smeken misdadigers hun leven te willen sparen en daarom proberen zij bij hen in de gunst te komen en vergasten zij hen op allerlei geschenken, voordelen en attenties. Criminelen zetten hun medemensen op allerlei manieren het mes op de keel, en vaak wordt het misdadige zelfs niet opgemerkt, door de vingers gezien of zelfs gepromoot. Men knijpt alras een oogje dicht voor al wie men moet vrezen omdat men boven alles zijn eigen leven veilig probeert te stellen. Jazeker, wie zichzelf wat gunnen wil, die probeert voorwaar een machtig man te vriend te hebben, en is de duivel dan geen machtig man? Gewis is hij de machtigste op aarde!
- En wat is macht dan wel?
O.V.T.: - Dat varieert. Men kan macht hebben over de natuur, en die bekomt men niet zonder eerst aan de wetten van de natuur te gehoorzamen, en dat kan men pas doen als men de natuurwetten kent. Op dezelfde manier kan men ook macht hebben over andere mensen, maar die heeft men uiteraard pas als men aan de natuur van de mens gehoorzaamt, en dus moet men die ook eerst grondig kennen.
- En is daar dan iets fout mee?
O.V.T.: - Met kennis op zich niet, neen. Maar het is zeer de vraag of men wel echte kennis kan verkrijgen. Onze kennis zal altijd onvolkomen zijn en de uitoefening ervan brengt een grote zorg en verantwoordelijkheid mee, het is hoe dan ook geen sinecure. Men kan pas kennis uitoefenen als men ingrijpt in de gang van de dingen en het blijft de vraag of men daar altijd goed mee doet. In de geneeskunde bijvoorbeeld geeft men aan mensen bloeddrukregelaars omdat men een verband ziet tussen bloeddruk en levensverwachting, maar misschien zijn de regels die nu gehanteerd worden helemaal niet zo algemeengeldig als eerst gedacht, en ondervinden meer mensen meer kwaad dan goed door die behandeling - wie zal het zeggen? Het geneesmiddel Softenon zorgde toentertijd voor miskramen en gehandicapte kinderen; Aacifemine, de algemeen voorgeschreven jonghouder voor vrouwen, bleek borstkanker te stimuleren; antidepressiva lokken bij heel wat mensen suïcidaal gedrag uit, en ga zo maar door: vaak geloven wij kennis te hebben maar nadien blijkt dat wij ons hebben vergist. Bekijk het verkeersprobleem, de uitvindingen van de auto, de kernenergie, de genetica: wat ooit zo veelbelovend was, dreigt ons uiteindelijk de das om te doen. Het vooruitgangsenthousiasme is amper enkele generaties oud of wij moeten voor het eerst in onze geschiedenis van vele miljoenen jaren gaan vrezen dat wij op het punt staan om het leven helemáál uit te roeien.
- Dat is een feit. Als ik dat zo hoor, dan zou ik haast gaan geloven dat de wereld vervloekt is.
O.V.T.: - En volgens de bijbel is dat ook zo. Of het waar is, weet ik niet, maar alvast is het zo dat er sinds oudsher meer mensen geweest zijn die deze indruk hadden. De tegendoelmatigheid strooit alom roet in het eten, ze vormt de essentie van de Oud-Griekse tragedie en ze heeft onze beschaving altijd zeer grondig getekend. Zo ook lijken kennis en macht althans op het eerste gezicht bijzonder begerenswaardige dingen, maar wie ze nastreven, moeten helaas ondervinden dat zij pas door het kwaad verkregen kunnen worden.
- Moet men dan een pakt sluiten met de duivel om het goede te bekomen?
O.V.T.: - Om het goede hier op aarde te bekomen misschien wel. Of correcter uitgedrukt: om de aardse goederen te bekomen. Herinner u dat in de evangeliën Jezus de duivel helemaal niet tegenspreekt waar die gewag maakt van zijn heerschappij over de aarde. Maar het lijkt er tevens op dat de aardse goederen, de hemelse helemaal in de weg staan.
- Is dat dan zo?
O.V.T.: - Het is moeilijker voor een rijke om het rijk der hemelen binnen te gaan dan voor een kameel om door het oog van de naald te kruipen.
- Is dat dan niet wat overdreven?
O.V.T.: - Toegegeven: het oog van de naald is, als ik het goed heb, een benaming voor de stadspoort van Jeruzalem ten tijde van Jezus; kamelen dienden te knielen teneinde er onderdoor te kunnen, en waren zij geladen met goederen, dan geraakten zij er vast en zeker niet doorheen. Maar elders wordt gezegd dat niemand twee heren kan dienen: niet God én de mammon. Men kan niet én God dienen én de wereld te vriend hebben.
- En toch moeten wij kunnen eten om in leven te blijven. Het leven wordt toch zeker niet versmaad door Christus, die zichzelf trouwens de levensbron genoemd heeft? "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven"!
O.V.T.: - Wellicht heeft Christus het over een ander dan dit stoffelijke, wereldse leven.
- Het eeuwig Leven?
O.V.T.: - Dat denk ik, ja.
- En wat is dat dan wel?
O.V.T.: - Dat is klaarblijkelijk datgene waarmee ge met dit aardse leven moet betalen om het te bemachtigen.
- Niet te geloven!
Vijfde en laatste deel
- Omsk Van Togenbirger, we zitten heden met een financiële crisis van enorme proporties. Enerzijds zegt u dat men geen vergankelijke schatten moet vergaren, maar anderzijds moet u dan toch erkennen dat wij zonder ons stoffelijke voedsel helemaal niet kunnen leven. Ook als wij voor een zogenaamd geestelijk leven zouden kiezen, dan nog dienen wij eerst aan ons lichaam zijn gading te geven, en dus heeft de duivel die heerst over de stoffelijke wereld, vat op ons: het gouden kalf is bij machte om het bestaan van al de hemelen die wij ons kunnen dromen, afhankelijk te maken van zijn eigen grillen en het zal ook niet nalaten dat te zijner tijd te doen; het lijkt er zelfs op dat dit de bron bij uitstek is van zijn allergrootste plezier. Temeer, mijn beste heer Van Togenbirger, er een volstrekt onontwarbare paradox schuilt in het hart van het leven, want als wij moeten eten om te kunnen leven en derhalve om gelukkig en ook góed te kunnen zijn, dan moeten wij dat voedsel eerst bemachtigen, terwijl het gouden kalf er beslag heeft op gelegd en van ons eisen kan dat wij ons eerst bezondigen aan het kwaad. Wie hier het been stijf houdt, mag dan een martelaar worden genoemd: de wereld wordt allerminst met martelaren bevolkt, zij zijn veeleer allang vergeten rariteiten die intussen overigens over dezelfde kam worden geschoren met die niets ontziende moordenaars die her en der met buskruit om hun lenden op weg denken te zijn naar een of ander maagdenparadijs.
O.V.T.: - Helaas spreekt gij de waarheid, al moet ik tevens opmerken dat het niet de stof is in het stoffelijke voedsel waarmede wij ons voeden als wij spijzen tot ons nemen en ook drank. Want is het u al opgevallen dat het voedsel dat wij nodig hebben om te leven, afkomstig is van ander leven? En dat geen mens in staat is en ook nimmer in staat zal zijn om voedzaam voedsel voort te brengen uit de dode stof? Neen, geen mens kan dat en zal dat ooit kunnen, evenmin als er een mens zou bestaan die in staat was om een ander levend wezen voort te brengen tenzij een soortgenoot en dan nog via de door God daartoe voorziene weg van de geslachtelijke voortplanting die wij, op de keper beschouwd, louter ondergaan. Voedsel is pas voedzaam door de sporen van het leven die daarin getrokken zijn en die ons bijstaan om ons leven voort te zetten. Alle leven komt van ander leven voort: het is er het kind van of de verorberaar. En alle leven geeft zichzelf weer door aan ander leven, hetzij door ander leven voort te brengen en zich daaraan op te offeren zoals het een goede ouder past, hetzij door met zijn vlees als voedsel dienst te doen. Het is dus niet de stof die wij broodnodig hebben om te leven, het is het leven zelf, dat helaas aan de stof verankerd lijkt te liggen.
- Lijkt dat dan alleen maar zo? Is de verankering van het leven aan de stof alleen maar schijn? Is de dood slechts een illusie? En de honger? En het lijden in het algemeen?
O.V.T.: - Dat is een bijzonder netelige vraag. Ge ziet het al, dat wij hier in een cirkel dreigen te belanden die ons nimmer meer loslaten zal als wij niet tijdig weer een stap terug doen. Het is veeleer nog een spiraal ofwel een opeenvolging van concentrische kringen zoals die ook terug te vinden zijn in de architectuur van de hel, of in de banen van de hemellichamen in de zwarte kosmos die volgens sommigen wel moet samenvallen met de hel, aangezien Lucifer zelf er sinds het begin der tijden de orde handhaaft.
- Andermaal keer ik terug tot de vraag: is de stof slechts een illusie? En het leed? En de dood?
O.V.T.: - Weet dat gij hier die vragen weer opnieuw stelt die de mensheid sinds 't begin der tijden in een net gevangen houden, een net waarvan men zegt dat 't onontwarbaar is, verstrikkend en compromitterend. Maar laat ik u alvast één waarheid verklappen die wij alsnog bevatten kunnen. De voorstelling die wij ons maken van de stof is even verkeerd als de voorstelling die wij ons maken van het geld. Geen van die twee zaken immers heeft een positieve werkelijkheidswaarde; zij bestaan - zowel het geld als de stof - omdat en in de mate dat zij erin slagen om ons ertoe te brengen in hun bestaan te geloven. Maar op de keper zijn zij even onecht als de droom. Als zij ons in hun macht hebben en als zij ons begoochelen, dan doen zij dat alleen maar omdat wij de leugens die zij ons voorhouden, aanbidden. En daarmee zult ge het voorlopig moeten doen, want men roept mij, ik moet er als de bliksem vandoor! Tot kijk!
Illustratie 2 bij "Over de geldcrisis" Vrij naar een oude gravure in de Venetiaanse Dante-uitgave van 1757: Lucifer die zoals een worm aan het hart der aarde vreet.
15-10-2011
Over de ambiguïteit van getuigenis en martelaarschap
Over de ambiguïteit van getuigenis en martelaarschap
1.
"De prijs van het graan is uw geld; de prijs van een stuk land is uw zilver; de prijs van een parel is uw grond; maar de prijs van de naastenliefde zijt gijzelf". (1)
Aldus Etienne Gilson over Augustinus' leer van de caritas die gefundeerd is op de menselijke gelijkwaardigheid en die daarom eenmakend is en ook mateloos, zodat zij resulteert in paradoxen: “pas door zijn ziel te verliezen, wordt zij gered” (2) en “uw Schepper eist alles van u”. (3) God is de caritas of het mateloze offer van zichzelf en wie dit hoogste goed bezit (dit is: het wegschenken van zichzelf), bezit alles, want iets is zoveel waard als gij ervoor moet betalen, en het meest waardevolle is derhalve datgene waarvoor ge met uw eigen leven betaalt.
Een openbaring, maar geen makkelijke, en dat bewijst het feit dat zelfs de meest prominente hedendaagse filosofen daarmee worstelen, zoals bijvoorbeeld Costica Bradatan in zijn essay: A light for the Future: On the Political Uses of a Dying Body.(4) Een complex probleem, want dat het meest waardevolle datgene is waarvoor men met zichzelf betaalt, betekent uiteraard geenszins dat men dat sublieme ook voor zichzelf zou kunnen opeisen met die munt van het eigen leven. Alleen wie de logica met de voeten treden, kunnen geloven dat zij de gegeven implicatie zomaar kunnen omdraaien. Voor wie inzicht hebben, is het evident dat men het allerhoogste nooit zal bereiken als men niet eerst bereid is om daarvoor te betalen met die allerhoogste prijs van zichzelf: nooit heeft een mens iets schoons gemaakt waarvoor hij niet zijn heetste hartebloed gegeven heeft, zei Adema Van Scheltema. Maar te geloven dat het betalen van die prijs volstond om in het bezit te komen van het hoogste goed, ware wel bijzonder naïef. Edoch, er is nog een veel belangrijker punt in deze discussie – het punt waar het ons hier eigenlijk om te doen is.
De kern van de zaak is dat de betaling waarvan hier sprake – namelijk de betaling van de allerhoogste prijs of dus de betaling met het eigen leven – allerminst kan bestaan in het doden van zichzelf. Hoe dit gegeven zal belicht worden in het werk van de hoger genoemde wijsgeer, valt nog af te wachten, want de schrijver werkt momenteel nog aan een beloftevol boek over de martelaren-filosofen.
Alvast is het zo dat het betalen van de allerhoogste prijs nimmer kan bestaan uit het doden van zichzelf, want wie zichzelf doodt, vernietigt zijn betaalmiddel en kan daarmee uiteraard helemaal niet meer betalen. Wat dan van hem overschiet, is nog slechts een stoffelijk overschot waarmee alleen nog aasgieren hun voordeel kunnen doen. “Betalen met zichzelf” kan derhalve nimmer betekenen: “betalen met de eigen dood”; het kan daarentegen vanzelfsprekend slechts betekenen: “betalen met het eigen leven”. En dat eigen leven mag niet worden gedood maar moet uiteraard worden geleefd. De munt waarmee men betaalt mag bij de betaling niet ontwaard worden, terwijl uitgerekend dát toch het geval is als men het betaalmiddel van zijn eigen leven bij de betaling zelf ombrengt.
Meer nog: indien het voor het bereiken van het hoogste goed volstond om zichzelf in brand te steken, dan konden ook een stuk hout, een stuk steenkool of een berg afval het koninkrijk der hemelen verwerven en misschien nog rapper dan een mens dit kon, want wat men ook zegt over de brandbaarheid van mensenvlees: er zijn beslist heel wat dingen die nog véél beter branden dan vlees.
In een 'Intermezzo' in het genoemde artikel heeft Costica Bradatan het een poos over de beeldspraak van het vuur, want vuur spreekt tot de verbeelding, het geeft warmte en licht op het soms duistere pad van de mensheid, en daarom ook wordt het vuur vaak met de hoop geassocieerd. Maar andermaal ontwaardt een mens ook hier zichzelf als hij gaat branden op de manier waarop een tak brandt of een stuk steenkool of een berg afval, want de mens heeft een heel eigen manier van verbranding, hij heeft een veel hoger en ook een veel waardevoller vuur waarmee hij zijn levenskrachten, die veel meer zijn dan louter brandstof, transformeert in licht, dat geen gewoon licht is maar vooral inzicht, en warmte, die menselijke warmte is of liefde. Een mens die zich overgeeft aan de vlammen, reduceert zichzelf tot brandhout, terwijl hij met de gift van zijn menselijk lichaam – dat ondoorgrondelijk wonder van de goddelijke schepping – zo oneindig veel meer had kunnen doen.
Wat een verspilling! – dat is wel het minste wat men er kan op zeggen als iemand zichzelf verbrandt. Wat een vergissing! – dat is het minste wat men kan zeggen als iemand die zichzelf doodt, gelooft dat hij zijn leven heeft gegeven. Door te doden immers kan iemand nimmer getuigenis afleggen van iets dat het leven overtreft of overstijgt, want doden is misprijzen en te geloven dat het de moordenaars waren die ons het rijk Gods zouden openbaren, ware wel wat teveel gevraagd.
Fakirs die zichzelf kwellen op nagelbedden, bewijzen niet dat zij onaantastbaar zijn of bovenmenselijk: de natuurwetten gelden voor alle levende wezens en dus ook voor hen, en waar zij dat ontkennen, dragen zij daarvan de gevolgen zoals ieder ander. Ook profeten die verhalen over paradijzen die al het aardse in hun schaduw stellen, liegen als zij daarmee niet bedoelen dat men dit aardse eerst verdienen moet teneinde daarvan te kunnen genieten.
Daarom ook zal de mens zijn brood vooralsnog eten in het zweet zijns aanschijns en zo snijdt het wel degelijk hout om te beweren dat wij onze stoffelijkheid niet mogen loochenen en dat wij onze lichamelijkheid eerst moeten erkennen teneinde die dan gebeurlijk te kunnen overstijgen. Er zijn geen resultaten mogelijk zonder de overeenkomstige inspanningen die zij vergen; er is geen geluk zonder de onverdroten arbeid, geen vrede en geen rust zonder eerst de rusteloze zorgen en de niet aflatende ijver. En reeds inzake het louter fysieke van ons menselijk bestaan, geldt dat wij ons zonder zweet en tranen niet handhaven kunnen, zoals uit het omvangrijke werk van dokter Kris Vansteenbrugge zo overduidelijk blijkt, en dat daar waar wij geloven het gemak te mogen kiezen, alleen ziekte en dood hun opwachting maken, als ware onze rust voorgoed vervloekt.
Tegenover de vele fantastische culturen die op ontelbare manieren het onmogelijke in het vaandel voeren onder allerlei modieuze namen en slogans, staat de eerder realistische en ook wetenschappelijk gegrondveste gezondheidscultuur (5) met haar ijzeren wet dat alleen training en afzien het lichaam sterk en gezond kunnen houden en hetzelfde geldt voor de vorming van het karakter en van de geest. Wie geen slappeling wil zijn, mag geen misprijzen hebben voor een zekere dosis dril omdat de biologie nu eenmaal gehoorzaamt aan primitieve wetten die geen mededogen kennen en waaraan al wie leven hoe dan ook gehoorzaamheid verschuldigd
zijn. Wie zijn denkkracht bij wil schaven, dient zich aan soms slopende geheugentraining te onderwerpen en moet zich talloze, soms oervervelende lessen moeizaam eigen maken en ook beschikken over parate kennis, en hetzelfde geldt voor allerlei kundigheden, vaardigheden en ook kunsten. Achter de makkelijk in de hand liggende computer schuilen gesofistikeerde wiskundige formules, bekomen middels ontelbare jaren van noeste arbeid, zweet en tranen, competitie, ongezien leed en engelengeduld. Kortom: de hemel wordt niet en nooit in een handomdraai bereikt en alleen indien dat wél zo was, konden de hongerstaker en, rapper nog, de zich tot een toorts omtoverende held er in een wip geraken. Alleen aasgieren hebben baat bij deze soms wel heel vergeeflijke menselijke drama's, en misschien spreekt Bradatan in dat verband dan ook over het politieke gebruik dat wordt gemaakt van het stoffelijke overschot van dan toch de slachtoffers bij uitstek van verschrikkelijke wantoestanden. Door hen tot held uit te roepen, kan de misdaad die hen de dood injoeg, jammer genoeg niet ongedaan worden gemaakt, en misschien geldt dat zelfs in zekere zin ook voor de kruisdood van de Heer.
2.
Iets is voor iemand zoveel waard als hij bereid is om daarvoor neer tellen, en zo is het meest waardevolle ook het meest kostbare of datgene wat het grootste offer vergt. Omdat niemand ooit meer kan betalen dan met zijn eigen leven, is het meest waardevolle voor een mens dan ook het equivalent van zijn leven zelf. Het eigen leven is met andere woorden het meest waardevolle voor een mens en de naastenliefde maakt dat ook het leven van de naasten wordt bemind alsof dit het eigen leven zelf was. In feite is het dankzij de naastenliefde dat mensen een zekere vorm van onsterfelijkheid bereiken, aangezien het leven dat wordt weggeschonken aan een ander nimmer meer ontvreemdbaar is of dus gered. Het bewijs voor iemands onsterfelijkheid ligt in feite in zijn bereidheid zelf tot naastenliefde, waarvan hij getuigenis aflegt door een dagelijkse, christelijk charitatieve levenswijze. Het getuigenis op zijn beurt maakt dat de dingen waarvan men aanvankelijk het bestaan slechts kon vermoeden, tot werkelijkheid worden: door getuigenis af te leggen of dus door te leven voor bepaalde zaken, brengt iemand deze zaken in de werkelijkheid naar binnen. Voordien waren zij slechts ideeën, mogelijkheden of kansen. Gezondheid is een kapitaal dat slechts wordt aangeboord door training, en dat is gehoorzaamheid aan koele natuurkundige wetten. Zo ook is menselijk geluk een kans die men niet realiseren kan dan door haar te ontplooien binnen de geëigende kanalen en die houden uiteraard veel meer in dan het pad des doods en de vlammen die in één ogenblik alles wat wij zijn tot as herleiden.
Alles wat bestaat, vergaat. Alle dingen en ook alle wezens hebben een eigen wijze van vergaan en van verbranding en dit vergaan is meteen hun leven en hun bestaan omdat het leven nu eenmaal een langzaam sterven is. Het voor een mens geschikte opbranden of offeren van zijn leven gebeurt door onzichtbare vlammen, evenwel in een heus verbrandingsproces middels zuurstof en brandstoffen in de juiste proporties. Dat proces wordt in goede banen geleid door geschikte menselijke activiteiten en zo geven het goede en het gezonde elkaar in zekere zin de hand waar de specifiek menselijke verbranding 'afvalstoffen' oplevert die zich heel duidelijk onderscheiden van alleen maar excrementen zoals urine en zweet: wij, mensen, brengen immers ook cultuur voort, schoonheid, waarheid en nog andere zaken als we hard ons best doen. Gezondheid is een van die allerbelangrijkste voortbrengselen van een cultuur die aardt in waarheid en die met zorg tot stand gebracht werd, steunend op ondervinding en op vele eeuwen mythisch en ook wetenschappelijk zoeken.
De van gezondheid blakende atleten – mannen en vrouwen – die in het oude Hellas deelnamen aan de Spelen welke ter ere van de mythische godheden gehouden werden, getuigen allen van een zeer ontwikkelde cultuur en zij stralen die ook uit, zij duikelen niet de dood in of de oorlog die het leven zo abrupt beëindigt, maar zij scheppen kunst en zij veranderen zelfs zichzelf in kunstwerken waar zij zich aan de regels van de wedloop onderwerpen, het speerwerpen, het worstelen. Zij hielden wedstrijden in dichtkunst en in de welsprekendheid en zij eerden ook hún oude poëten door zich hun welluidende verzen eigen te maken ten bate van het nageslacht en ze zodoende te vereeuwigen. En in die verzen wikkelden zij hun inzichten aangaande het mysterie van het leven, in de mythen dichtten zij wat eigenlijk geen mens kan vatten tot een groot verhaal dat vol beloften is en dus vol leven. En de menige helden in die sagen sterven nooit zómaar: als zij de dood ontmoeten, gebeurt dat immer tegen wil en dank en enkel en alleen omdat het kostbare leven waarvan zij de ultieme getuigen zijn, niet wijken wilde voor de obstakels van wie het tegenstaan.
Iets is voor iemand zoveel waard als hij bereid is om daarvoor neer tellen, en zo komt het ook dat wij bereid zijn om voor ons leven, dat immers álles voor ons is, ook álles neer te tellen: waar het om het leven gaat, daar geven wij het leven, misschien wel net zoals men in de wraak een oog neemt voor een oog en een tand voor een tand. Het leven schenkt zich aan nieuw leven en als dat nieuwe leven eenmaal opgestaan is en zich op eigen benen een weg baant door de wereld, legt het oude met een gerust hart zijn kopke neer en sterft. Maar niet voordien. Vandaar dat waar een man zichzelf vernietigt uit protest, hij daarmee misschien aangeeft dat hij eerst een kind gebaard heeft – weliswaar een geesteskind: het sterven zelf in alle overgave bevestigt immers heel waarschijnlijk de geboorte van dat kind dat wellicht precies daardoor tot leven komt – wie zal het zeggen?
(J.B., 14 oktober 2011)
Noten:
(1) Etienne Gilson, Introduction à l'étude de Saint-Augustin, Paris, Vrin, 1929, pp. 173v. Context: de naastenliefde steunt op de menselijke gelijkwaardigheid, en zij maakt daarom één.
(5) Zie: Kris Vansteenbrugge, Kanker en hartinfarct moeten niet zijn, e.a. werken.
10-10-2011
Geweldloos verzet
Geweldloos verzet
Geweldloos verzet?
Geweldloos verzet?
Mahatma Gandhi of de 'Grote Ziel' Gandhi, was een Indiaas politicus die leefde van 1869 tot 1948. Hij staat bekend als charismatisch leider en voorbeeldige figuur in het geweldloos verzet of de 'satyagraha' als bijzonder wapen in de revolutie. In het essay getiteld "Light for the future: On the Political Uses of a Dying Body" (1) noemt de Roemeens-Amerikaanse filosoof Costica Bradatan hem de man die tegenover de wrede 'kunst van het doden', de vreedzaam geachte 'kunst van het sterven' in de vorm van de hongerstaking heeft geperfectioneerd. Maar de vraag rijst of die nieuwe vorm van vreedzaam geacht verzet in werkelijkheid wel vreedzaam is.
Plato zegde dat het beter is om kwaad te ondergaan dan om het te doen, maar in het geval van vreedzaam verzet in de vorm van hongerstaking, gaat het wel degelijk om een kwaad, met name een kwaad dat men zichzelf aandoet. En aangezien Gandhi een voorbeeldfunctie waarnam, kon men ook zeggen dat hij anderen tot hongerstaking aanzette en derhalve tot het plegen van geweld tegen zichzelf. Zo wordt hier niet het geweld geopponeerd aan de geweldloosheid maar veeleer worden twee vormen van geweld misschien wel al te onkritisch tegenover elkaar geplaatst: het geweld tegen derden en dat tegen zichzelf dat, indien het gebruikt werd door iemand met een voorbeeldfunctie, eveneens als een geweld tegen derden beschouwd kon worden. In wezen gaat het hier eigenlijk over de oppositie van het geweld van de moord aan dat van de zelfmoord of over het vraagstuk van het recht op zelfmoord.
Zelfmoord is verwerpelijk in het licht van het christendom, maar ook op zuiver logische gronden moet zelfmoord verworpen worden als strijdig met het gezond verstand, en de redenen zijn telkenmale overtuigend. In christelijk perspectief vloekt de zelfmoord met het christelijke gebod zichzelf te beminnen. Dat gebod kan worden afgeleid uit drie premissen, met name het gebod van Christus aan zijn apostelen om anderen te beminnen zoals Hij hen heeft bemind, het goddelijke gebod zijn naaste te beminnen zoals zichzelf en het feit dat de godheid nimmer met zichzelf in tegenspraak kan zijn. Uit deze drie premissen volgt uiteraard en met dwingende kracht de logische conclusie dat men zichzelf moet beminnen, zodat de zelfmoord in de christelijke opvatting ongeoorloofd en gewelddadig is.
Maar ook geheel los van het christendom snijdt de verdediging van de hongerstaking, en bij uitstek die van de zelfmoord, geen hout. Sommigen trachten het kwaad dat men zichzelf aandoet, uit te leggen met de stelling dat men zichzelf kan haten terwijl men anderen bemint. Dit is echter een onmogelijkheid om de eenvoudige reden dat het beminnen van een ander niets anders kan betekenen dan dat men zich jegens die ander opstelt zoals tegenover zichzelf. En indien het mogelijk was dat men zichzelf zou haten én de ander beminnen, dan verdween vanzelfsprekend het onderscheid tussen liefde en haat.
De heden wijdverspreide mening dat zelfmoord een menselijk recht zou zijn, verwant aan het recht op zelfbeschikking, heeft zijn wortels in de misvatting dat de mens zichzelf zou bezitten en derhalve vrij zou zijn om met zichzelf te doen wat hij maar wilde. Een bijzonder surrealistische misvatting uiteraard om te stellen dat een mens met zichzelf mág doen wat hij maar wil, alleen al omdat een mens met zichzelf niet eens kán doen wat hij wil: zijn dood maar ook reeds zijn eigen leven heeft hij tegen heug en meug te ondergaan. Alle beperkingen die ons ten deel vallen, maar ook alle vrijheden die wij genieten, worden allerminst door onszelf bepaald. Alle gekregen mogelijkheden zijn niets dan genaden en het gebruik van geweld staat lijnrecht daartegenover. De mens bezit zichzelf evenmin als hij een ander bezit. Waar iemand gelooft dat hij een ander bezit, miskent hij die ander en berokkent hij hem aldus kwaad, en hetzelfde is het geval waar hij gelooft zichzelf te bezitten: daar miskent hij zichzelf, daar houdt hij zichzelf voor een ander dan hij werkelijk is.
In het berokkenen van kwaad aan zichzelf ter gelegenheid van bijvoorbeeld een hongerstaking, wordt in wezen een tweevoudige chantage gepleegd. Vooreerst gebruikt men zichzelf en berokkent men kwaad aan het eigen lichaam. Maar tegelijk instrumentaliseert men anderen door hen op een gesofisticeerde manier van hun vrijheid te beroven. Men dwingt hen immers om keuzes te maken die zij nimmer uit zichzelf zouden maken maar die zij niet laten kunnen omdat die keuzes door de gijzelnemers op een fatale manier aan door hen bepaalde voorwaarden verbonden worden. De hongerstaker laat anderen geloven dat zij het zijn die hem tot de hongerdood kunnen dwingen én ook dwingen, terwijl het op de keper beschouwd net andersom is en het de hongerstaker zelf is die dwang uitoefent op die anderen.
Rest de vraag wat er in feite gebeurt waar men zijn dood of die van een ander aanwendt voor politieke doeleinden. Een schitterende anatomie daarvan vindt men in het hoger genoemde artikel van Costica Bradatan. (1)
In een Delhaizewinkel in het Antwerpse ontstond ter hoogte van de kassa's een dezer enige ophef naar aanleiding van de luidruchtige en merkwaardige uitlatingen van een klant die net zijn boodschappen had gedaan en aan wie men wilde aanleren om zelf de eigen waren in te scannen. Dat is namelijk een proces dat al aan de gang is in de grotere magazijnen en ook de kleinere supermarkten blijken nu dat voorbeeld te zullen volgen. Het is namelijk de bedoeling dat de klant het gekochte product zelf intikt of scant, betaalt en andermaal scant teneinde de afdeling te kunnen verlaten. "Dat is de eerste maar meteen ook de laatste keer dat ik dit traject heb afgelegd!", riep de klant in kwestie: "de volgende keer ga ik terug langs de kassa!" En dan, nog luider: "Begrijpen jullie dan niet dat ze jullie hier buiten willen? Meer automatisme, minder jobs!" Tenslotte met klinkende stem, hoorbaar doorheen gans het gebouw waar intussen al een belangstellende stilte was gaan heersen: "Jullie denken toch niet dat ik hier kassier kom spelen? En dan nog voor niks zeker! Jullie laten je eigen job afpakken!" (1)
De klant in kwestie was een van onze minst bekende doch tevens een van onze grootste bekende Vlamingen. Wat eerst komisch leek, was bij nader toezien werkelijk tragisch, want de opmerking liet niets aan de verbeelding over, het was de naakte waarheid, iedereen kende die maar tegelijk werd zij ook door iedereen verzwegen. En waar de commercie de waarheid verraadde, verraadde de artiest op zijn beurt nu de leugen.
Automatisering is een proces dat al aan de gang is sinds de alleroudste tijden maar sinds de industriële revolutie heeft zij een wel heel snelle vlucht genomen en sinds de nieuwste technologieën is er echt geen houden meer aan. Op zich geen probleem, het is immers de bedoeling dat door het automatiseren van handelingen die aandacht vereisen, die aandacht vrijgemaakt kan worden voor andere en belangrijkere zaken. Wie aandacht zegt, zegt mensen, en wie volhoudt dat bijvoorbeeld het intikken van cijfercodes een interessante bezigheid is voor de mens, is uiteraard niet goed snik. Maar stilaan lijkt mét de automatisering een wel heel onverwachte bijwerking te dagen aan de horizon, want in plaats van de nagestreefde bevrijding van allerlei vervelende technische taken, valt ons iets heel anders ten deel: straks blijkt de hele mensheid van bij het ochtendkrieken tot een stuk in de nacht voor een scherm te zitten, aan een klavier, om daar niets anders meer te dóen dan codes in te tikken!
Het verband lijkt spoorloos omdat het resultaat zo radicaal in tegenspraak is met het nagestreefde, maar wie niet blind is, zal tegen wil en dank moeten vaststellen dat, enerzijds, de ver doorgedreven automatisering van alle menselijke handelingen en, anderzijds, het spenderen van tijd aan de bediening van de automaat bij uitstek die de pc tenslotte is, twee zaken zijn die paralel evolueren. Om het enigszins anders uit te drukken: het proces van automatisering lijkt alleen maar de aandacht te bevrijden van allerlei taken, terwijl die aandacht in werkelijkheid opnieuw wordt opgeëist, maar dan wel met dubbele kracht en bovendien voor taken die nog vervelender zijn dan de reeds geautomatiseerde. Komt daar nog bij dat zowel onze lichamelijke als onze psycho-sociale conditie helemaal niet voorbereid is en ook niet voorbereid kán worden op die plotselinge en ingrijpende transformaties van onze agenda.
De illustratie bij uitstek van het laatst genoemde probleem is het opduiken van de zogenaamde beschavingsziekten ingevolge de zittende beroepen. Stress, hoge bloeddruk en infarcten allerhande zouden immers wegblijven indien de kantoorbediende die van zijn baas een uitbrander krijgt, de kans had om zich fysiek af te reageren zoals dat het geval was in de oertijd bij vechtpartijen en in de jacht. Wij kunnen weliswaar ons gedrag aanpassen aan het proces van automatisering, maar onze constitutie blijft wat ze is want ze ligt verankerd in ons vlees zelf dat, in dit geval, gaat hunkeren naar sport teneinde dit levensbelangrijke tekort enigszins te kunnen compenseren.
En zo zijn we uiteraard weer beland bij het begin, want kijk: was het niet de bedoeling van machines dat ze ons bevrijdden van het werk van onze handen en van de arbeid van ons hele lijf - het werk dat wij gedoemd zijn te verrichten in het zweet van ons aanschijn sinds wij in dit tranendal vertoeven? Voor dat labeur immers zijn wij gemaakt zoals we nu eenmaal gemaakt zijn: met pezen en met spieren die bloed nodig hebben en zuurstof, beweging en ritme, cadans, dag en nacht, zomer en winter en al het werk dat hoort bij de getijden, de opgang en de ondergang, het komen en het gaan, het eeuwigdurend rad. Hoe komisch wordt de mens niet die weigert om te zweten en die gelooft dat het veel beter is als hij zijn pezen en zijn spieren niet langer moet aanspreken? Wat voor een afschuwelijke vergissing begaan wij niet waar wij geloven een slag thuis te halen als wij in een luie zetel kunnen blijven liggen met de voeten in de hoogte, bier drinkend in plaats van water, en de prikkelende rook van tabak verkiezend boven de zuurstof van de heldere lucht? En willen wij meer eten dan wij in onze dagelijkse arbeid verbranden kunnen, dan zal men dat aan ons figuur ook weldra kunnen zien, en ongemakken allerhande zullen ons de vrede ontnemen die de handenarbeid ons anders had geschonken.
De automaat die de mens bedoeld had als zijn knecht, is baas geworden over hem en op die wijze heeft zich andermaal de vloek herhaald waarvan de oudste legenden verhalen: de mens heeft zijn Schepper God willen overtroeven door voor zichzelf schepselen te fabriceren die hem met hun arbeid eren moesten maar die schepselen, helaas, worden naar zijn eigen voorbeeld ongehoorzaam aan hun maker en op hun beurt onderwerpen zij hem aan zich. Warempel, in de machine die de mens verknecht, openbaart zich de wrok van God. En de code tot welke de mens alle dingen wil herleiden teneinde hen eens en voorgoed te kunnen bezitten, keert zich tegen hem. De mens wordt nu gedecodeerd, vervolgens wordt hij herleid tot zijn code, tenslotte wordt hij nietig verklaard want in het licht van de heerschappij van de code is hij niet langer uniek, is hij reproduceerbaar, maakbaar, construeerbaar uit het niets.
"Help!", zo roepen ineens enkele nog niet geheel afgestompte creaturen: "Help! Waar is mijn ziel?!"
(J.B., 2 oktober 2011)
Noten:
(1) Zie het oeuvre van de Vlaamse dramaturg en romancier Dirk Biddeloo.
27-09-2011
Uit het schuim van de zee - een recensie
Een cultuurkanjer ziet het levenslicht:
Uit het schuim van de zee
– De Griekse Mythologie in 136 verhalen –
door Kris Vansteenbrugge
Dit is het! Dit, hier, is het boek dat ik al in mijn jeugd koortsachtig zocht tot in de rommeligste boekenwinkels, op gezellige oude markten en hoog in het gebinte van ontelbare bibliotheken. Gij zult het niet vinden! zo klonk het t' allen kante: het boek dat gij zoekt, moet immers nog geschreven worden, en wie zal dat doen? Een groot geleerde met pensioen?
Dit hier is die ene, vaak vergeten peiler van de twee pilaren waarop de ganse westerse beschaving rust. Want naast het monotheïstische christendom dat sinds tweeduizend jaar de wereld overspoelde, is dit die andere en nog veel oudere bron, met wel duizend goden en evenveel verhalen: mysterieus en meer dan sprookjesachtig, maar o zo verklarend als wij díe vragen áchter de vragen stellen zoals bij uitstek kinderen dat doen: hoe zijn wij uit de chaos voortgekomen? Waarom verbeeldt onze achillespees de kwetsbaarheid? Kan een man een kind baren uit zijn hoofd of uit een van zijn dijen?
De woorden van de wetenschap zijn niet zomaar uit het Oud Grieks gewonnen: in Hellas ligt de oorsprong der begrippen, de kiem van de rede die ons de moderne wereld schonk. Want het begin der tijden reikt de einder van de toekomst de hand in de beloften van de nanotechnologie, de eugenetica, de megapsyche van het mensdom en Andromeda.
Uit het schuim van de zee, zo luidt het antwoord op de vraag van een oude man die alle leed en lusten heeft gekend: het wonderbare wezen dat uitgerekend door de broosheid die haar schoonheid geeft, moeiteloos alle krachten van de kosmos aan zich onderwerpt om ze dan eindeloos opnieuw te baren, werd zelf geboren uit het schuim der zee:
"Kronos hieuw Ouranos de geslachtsorganen af en wierp ze ver weg in de zee. En waar het zaad van Ouranos zich vermengde met het zeewater begon dit laatste te schuimen en uit het schuim kwam een onbeschrijflijk mooi en lieftallig wezen te voorschijn, Aphrodite, de godin van de liefde, een kind van de hemel en de zee." (p. 14)
Dit is een boek dat weidse velden behoeft met narcissen bezaaid, glooiende dalen vol boterbloemen en koele meertjes in de zon langs wier zanderige oevers een voltallig koor van nimfen danst, scanderend in een heilige vervoering:
"Toen ze met Zeus in het huwelijk trad
kreeg Hera als bruidscadeau van haar grootmoeder Gaia
een gouden appelboom.
Ze plantte de boom in haar eigen tuin,
die zich bevond op de hellingen van het Atlasgebergte,
dat is aan de westelijke kant van de wereld,
waar 's avonds de door paarden getrokken zonnewagen
van de god Helios op de aarde nederdaalt
en waar de weiden zich bevinden
waar de onmetelijke kudden koeien en schapen van Atlas grazen." (p. 19-20)
En dan krijgt dit verhaal een wending die wat herinnert aan de boom des levens uit de joodse heilige schrift: op een dag stelen de Hesperiden de gouden vruchten, en Hera laat de boom bewaken door de honderdkoppige draak Ladon - later nog door redder Herakles geveld.
Edoch, ware redding in het Grieks klinkt wel verrassend anders: toen op een dag de twee zonen van Hera's priesteres de plaats innamen van de zieke ossen die haar kar voorttrokken naar haar heiligdom, vroeg zij aan de godin een beloning voor hen beide. En ziet: Hera liet de twee terstond dood neervallen ter aarde: "Want, zo sprak de godin, de dood is het mooiste geschenk dat een mens kan te beurt vallen!" (p. 21)
Wie weet overigens dat de godin Hera een tempel had "op de heilige grond van Olympia (...) ouder nog dan die van Zeus? Te harer ere werden daar Spelen gehouden, de Heraiën, uitsluitend bestemd voor vrouwen. Maagden, naar men zegt." (p. 21)
Ooit nam Hera wraak op haar ontrouwe echtgenoot door bij zichzelf en zonder tussenkomst van een man, een zoon te verwekken, Hephaistos, die zo lelijk was dat zij hem maar meteen in zee wierp, waar nimfen hem voedden; een dwerg bracht hem later de smeedkunst bij. Uit wraak jegens zijn moeder smeedde Hephaistos haar een gouden zetel die zich om haar heen klemde en die haar zo gevangen zette. In ruil voor haar bevrijding eiste de lelijkaard Aphrodite als gemalin. Uiteraard was zij hem ontrouw en zo werd hij de 'hoorndrager'. (pp. 22-23)
Onder Zeus' kinderen waren de oorlogsgod Ares en ook Athena: zij was een bastaard, haar vader verorberde haar moeder maar kon haar niet verteren. "En ziet: uit het hoofd van Zeus steeg een volwassen vrouwspersoon op, fier en rechtop, gehelmd en geharnast, met lans en schild". (pp. 28-29)
Het verhaal over Erichthonios verklaart waarom Athena de kraai, haar lievelingsvogel, vervloekte en inruilde voor de uil; hij was het immers die haar meldde dat de bewaaksters van baby Erichthonios het verbod hadden overtreden om hem te bekijken: hij was geboren met een kronkelend slangenlichaam. Wie zijn bewaaksters waren, waarom het kind misvormd was en hoe het Erichthonios verder verging, staat allemaal nog in dezelfde paragraaf, compact én vloeiend. (p. 30-32)
Ook de maagdelijke wijsheidsgodin Athena had haar zwakheden. Zo maakte zij blind wie haar naaktheid aanschouwde. Zij leerde Arachne weven doch duldde niet dat haar leerlinge zich beter achtte dan Athena zelf van wie zij de lering loochende. Na een weefduel verhing Arachne zich, Athena kreeg spijt en veranderde de dode in een spin aan wie zij beval eeuwig te weven. (pp. 33-34)
Dan komt het verhaal van Poseidon met zijn burcht op de zeebodem, met zijn drietand en zijn gouden paardenkoets waarmee hij stormen bedwong tijdens zijn tochten over de oceanen. Wie wist dat zijn zoon Triton een 'zeemeerman' was? (pp. 36-38)
Hoe goden het aan boord legden om hun escapades te onttrekken aan het oog van hun jaloerse echtgenote, wordt onder meer verteld in het verhaal van Leto die door Zeus werd bezwangerd. "Sommigen beweren dat Zeus haar en zichzelf tijdens de paring veranderde in een kwartel (...)" (p. 39) Maar wie gelooft dat zij zich zo makkelijk liet verschalken, heeft het mis. Het vervolg van dat verhaal verklaart onder meer hoe de Egeïsche zee aan haar naam kwam, waar zich het middelpunt van de wereld bevindt en hoe de Pythische Spelen van Delphi zijn ontstaan.
Hermes dan, werd amper één dag na de bevruchting geboren en tegen de avond van zijn eerste levensdag weidde hij al de koeien van Apollo in 't gebergte. Uit de darmen van die koeien en uit het schild van een schildpad maakte hij de eerste lier. Hij bestal Apollo maar wist zich voor 't gerecht van Zeus zo geliefd te maken met zijn lier dat hij opgenomen werd als twaalfde god en benoemd tot goddelijke bode alsook tot god van de handel. (pp. 41-43)
Het verhaal van Io, de dienstmaagd van Hera die echter met haar echtgenoot Zeus aanpapte, is betoverend mooi. In een raamvertelling daarin verhaalt een fluitspelende Hermes aan de door Argos bewaakte Io die door Hera in een koe veranderd was, het verhaal van de fluit - andermaal een metamorfose, dit keer van de door Pan op de hielen gezeten nimf Syrinx die de goden om bescherming smeekte. Syrinx' bede werd aanhoord, zij werd veranderd in een rietstengel, waaruit Pan zijn fluit sneed. Hermes hakte nu een ingedutte Argos het hoofd af om Io te bevrijden, maar Hera stuurde een horzel op haar af zodat zij vluchtte en zich in zee stortte - de Ionische Zee. Maar hiermee is het verhaal opnieuw nog lang niet verteld. (p. 44-46)
Verliefd op de koningsdochter Europa, begaf Zeus zich in stierengedaante tussen haar vee en nodigde haar uit om plaats te nemen op zijn rug om haar vervolgens te ontvoeren alover de Middellandse Zee tot op Kreta waar hij weer zichzelf werd en zich met Europa verenigde. Europa kreeg drie zonen, waaronder Minos van Knossos, stamvader van de Minoïsche cultuur. Europa's ongeruste vader stuurde zijn zonen vruchteloos naar haar op zoek. Een van hen was Kadmos, die het orakel van Delphi raadpleegde. Het verdict luidde dat Zeus zelf het spoor verborg en dat hij met zijn mannen een koe moest volgen en een burcht bouwen waar ze strandde. Daar wilden zijn makkers drinken aan een bron, bewaakt door een monsterslang die hen verslond. Maar Kadmos versloeg de slang en Athena voorspelde hem dat hij als slang zou sterven nadat hij eerst een roemrijke stad had gesticht met de hulp van krijgers opgeschoten uit de tanden van de slang die hij op Athena's bevel daar zaaide. Die krijgers moordden elkaar uit, behalve vijf: de Sparti, met wie hij Thebe stichtte. (pp. 47-49)
Kadmos kreeg vier dochters, onder wie Semele, en ook met haar verenigde Zeus zich in de gedaante van een knappe jongeman. Toen hij zich bekend maakte, wilde zij de godheid zien en hij beloofde het haar ook ofschoon hij wist dat niemand god kon zien en blijven leven. Toen hij aan haar verscheen, brandde Semele op, en Zeus riep Hermes ter hulp om met een keizersnede nog gauw haar vrucht te redden en die in te planten in zijn eigen dij, en zo werd Dionysos geboren. (pp. 50-52)
In het verhaal van Ino wordt de oorsprong van de Isthmische Spelen verklaard: zij herdachten Ino en haar zoontje die tragisch om het leven kwamen. En even tragisch verging het haar zuster, Agave. Dionysos werd door vijf nimfen opgevoed, hij maakte wijn, leefde uitbundig en telde onder zijn volgelingen maenaden alsook saters, onder wie Pan. Na omzwervingen terug in Thebe organiseerde hij daar een orgie waarop Agave te gast was. Bedwelmd door de wijn aanzag zij haar zoon voor een wild dier, doodde hem en at van zijn vlees. Toen sprak Kadmos de beroemde woorden: "Prijst nooit iemand gelukkig voor hij zijn laatste dag heeft geleefd". (pp. 56-58)
En ook de zuster Autonoë verging het slecht. Haar zoon Aktaion zag op een keer Artemis naakt baden, waarop deze hem in een hert veranderde, zodat zijn honden hem verscheurden. Zeus bezwangerde de koningsdochter Kallisto - een tempeldienares van Artemis die geslachtsbetrekkingen verbood - en toen Artemis het merkte, veranderde ze haar prompt in een berin, die Arkas baarde, die op beren jaagde. Toen die op het punt stond om zijn moeder te doden, veranderde Zeus ook hem in een beer en van de twee maakte hij de sterrenbeelden Grote en Kleine Beer. (pp. 59-60)
Toen Demeter's dochter Persephone verdween, was zij uitzinnig van verdriet en prins Triptolemos vertelde haar "dat op een naburige weide een meisje was geschaakt door een geweldenaar in een door vurige zwarte paarden getrokken wagen. Daarna was de aarde opengescheurd en had het hele gespan verzwolgen [in het zogenaamde 'hol van Pluto (of Hades)']". Helios, de zonnegod die alles ziet, bevestigde dat Hades de dader der ontvoering was. Zeus werd ter hulp geroepen doch kon niets meer doen aangezien Persephone reeds gegeten had van de granaatappel die een terugkeer uit de onderwereld onmogelijk maakt. Van droefheid verdorde toen de ganse natuur en zo werd een compromis gesloten: een deel van het jaar mocht Persephone bij haar moeder, dan werd de natuur blij en ontlook de lente; het andere deel moest zij bij Hades in de onderwereld leven, dan verdorde alles en werd het winter. Hier rond werden de Eleusische mysteriën gesticht, uitbundige feesten over de levenscyclus. (pp. 61-63)
Betoverd door een jaloerse Aphrodite, deelde de koningsdochter Myrrha met een list het bed met haar vader. Toen die haar herkende, vluchtte zij naar Arabië maar toen zij zwanger bleek, schaamde ze zich zozeer dat ze niets meer wenste te zijn, noch levend noch dood. De goden veranderden haar in een myrrheboom die uit zijn bast welriekende gomhars weent om de verloren eer. Uit de schors werd Adonis geboren, een kind zo schoon dat Aphrodite hem adopteerde die het aan Persephone ter bescherming gaf. Ze kregen ruzie over het kind, en Zeus besloot dat het gedurende een derde van het jaar bij Persephone zou verblijven en een derde bij Aphrodite. Over het laatste derde besliste hij zelf en hij koos voor Aphrodite. Aphrodite werd verliefd op Adonis en de jaloerse Ares, in de gedaante van een ever, doodde hem. Adonis' bloed kleurde een beek rood die via de Styx naar de onderwereld stroomde. Waar het bloed van Adonis de aarde doodrenkte, ontsproten alom anemonen. (pp. 64-65)
Dan is er het verhaal van Tantalos die het allemaal voor de wind ging totdat hij de alwetendheid van de goden op de proef wilde stellen. Hij nodigde hen bij hem aan tafel uit en schotelde hen zijn eigen zoon Pelops voor. Alleen de nog in rouw verkerende Persephone at een stuk van zijn schouder, de andere goden doorzagen en verafschuwden de daad. Tantalos belandde in de Tartaros, de diepste hel, gefolterd door een eindeloze kwelling: staande in het water komt hij om van de dorst en onder altijd wijkende vruchten verhongert hij. Zeus liet de stukken van Pelops lichaam weer samenstellen, alleen het opgegeten stuk schouder ontbrak, het werd vervangen door ivoor. Poseidon werd verliefd op Pelops en schonk hem een stel paarden en een renwagen. (pp. 66-68)
De kunst van het paardenrennen kwam Pelops ten goede toen zijn oog viel op Onomaios' mooie dochter Hippodameia. Onomaios immers daagde elke huwelijkskandidaat uit tot een renwagenwedstrijd en boven de paleispoort hingen de dertien hoofden van Pelops' voorgangers tentoon. Hippodameia echter werd verliefd op Pelops en beraamde het plan om haar vader's wagenmenner Myrtillos om te kopen en zijn wagen te saboteren. Zijn loon: de helft van het rijk en de eerste huwelijksnacht met Hippodameia. Pelops won maar misgunde Myrtillos zijn loon en duwde hem van een rots naar beneden. Myrtillos kon Pelops en diens nageslacht nog net vervloeken. Om voor zijn misdaad vergeving te bekomen van zijn vader Hermes en van de andere goden, stichtte Myrtillos de Olympische Spelen. (pp. 69-71)
Maar hiermee werd de beknopte inhoud van slechts de eerste eenentwintig van de in totaal honderdzesendertig verhalen weergegeven. Ze bestrijken een kleine vierhonderd bladzijden en worden aangevuld met een vooral voor oningewijden bijzonder welkome, overzichtelijke genealogie en ook een uitgebreid trefwoordenregister. De tekst wordt verlucht met grappige pentekeningen van de grafische kunstenaar en cartoonist Kurt Vangheluwe. Het boek ligt vlot in de hand met zijn plooibare doch stevige kaft, de bladspiegel oogt fraai en ook lettertype en lettergrootte komen de leesbaarheid zeer ten goede. Een kanjer dan toch, een unicum in de Nederlandse taal en niet van de eerste de beste, een onschatbare rijkdom aan culturele bagage met eeuwigheidswaarde. Binnen pakweg driehonderd jaar zal men dit boek nog lezen in Vlaanderen en in Nederland, en zonder te overdrijven: als een boek het verdient om vertaald te worden, dan wel deze prachtige parel.
Nog iets over mythologie als ware kennis
Wie de oude, zangerige verzen leest waarin gewag gemaakt wordt van de mythologische oorsprong van de dingen, kan zich niet van de indruk ontdoen dat hij te maken heeft met metaforen verweven met welluidende vertelsels, veeleer dan met wat wij vandaag ‘overtuigingen’ zouden noemen. De Griekse oorsprongsmythentreffen wij vandaag meestal aan in een of andere moderne taal en in de vorm van een haast redelijk verslag, terwijl ze eigenlijk gebaseerd zijn op de verzen van, in dit geval, vooral, een van de meesterwerken van een groot dichter, namelijk de Theogonia van Hesiodos: een muzikaal gedicht van meer dan duizend verzen dat er geen twijfel laat over bestaan dat hier vooral de menselijke fantasie van eeuwen aan het werk is geweest, vanuit het opzet om in een symfonische vorm het grote verhaal van het ontstaan van de wereld zo indrukwekkend, zo beeldend en zo volledig mogelijk te vertellen ten behoeve van het kind dat zich verwonderd afvraagt waar wij dan vandaan komen. Geen mens is er die zich die vraag niet heeft gesteld, en er is ook geen mens die de vraag van het kind onbeantwoord kan laten. En het dichterlijke antwoord is ook rijk en mistig genoeg om niet ontkracht te kunnen worden, om de fantasie veeleer te voeden dan ze in te tomen, en om zodoende hoop te schenken aan de mens die zich per slot van rekening verloren weet in de oneindige uitspansels van de ruimte en de tijd. Diezelfde rijkdom en mistigheid die onze vragen weliswaar niet onbeantwoord laten, maar die ze tevens verveelvoudigen, vindt men trouwens ook terug in de zogenaamd wetenschappelijke benaderingen van ten slotte exact dezelfde problemen, die nimmer wijken, doch die terugkeren, telkenmale met hernieuwde kracht geladen en met steeds weer onverwachte verrassingen. Het is daarom beslist niet zo, dat mythen “prewetenschappelijke verklaringen” zouden zijn; veel beter kunnen wij onze wetenschappen als “neomythische verhalen” bestempelen.
De Grieks-Romeinse oorsprongsmythen zijn ons het beste bekend, maar misschien eerder nog de Joods-Christelijke, en het verwondert ons dan ook terecht wanneer wij vaststellen dat, in tegenstelling tot de Helleense, de Joodse ontstaansverhalen bij velen van ons niet eens in strijd worden geacht met wat de moderne wetenschappen ons leren. Wij noemen de Griekse mythen moeiteloos pre-wetenschappelijk, en als wij zelf aan wetenschap doen, dan beschouwen we het zelfs geheel onbewust als een vanzelfsprekendheid dat wij geloof hechten aan wat de wetenschappen ons aangaande de oorsprong van de dingen leren, terwijl wij de mythologie als een folklore beschouwen. Anders blijkt het gesteld, althans bij velen, wanneer het wetenschappelijke arsenaal aan kennis naast de Joods-christelijke mythologie wordt gelegd. Deze laatste geldt immers zeer vaak als ‘geloof’, en ze blijft een eigen bestaan leiden naast het huidige ‘spel’ van de wetenschappen.
Niettemin gebeurt zulks niet onterecht. Immers, de vragen die aan de basis liggen van de mythen, en deze die de wetenschappen hebben doen ontstaan, zijn in de grond dezelfde. Het wetenschappelijke denken is complex geworden en wegens zijn vele, hoge specialisaties uitgelopen op bijna louter technische aangelegenheden, wat het nadeel met zich brengt dat de oorspronkelijke vragen soms geheel uit het gezichtsveld verdwijnen. In de oude mythen daarentegen, blijven die vragen zelf uitdrukkelijk aanwezig en kunnen de prachtige metaforen principieel zelfs bij volslagen leken onmiddellijk de bijzondere gevoelens losmaken die eigen zijn aan de verwondering waarin het ganse opzet van de grote zoektocht naar verklaringen duidelijk wordt. Scholieren die met louter wetenschappelijke gegevens worden volgepropt zonder eerst terdege kennis gemaakt te hebben met het wonder van de mythen, dreigt het daarom te vergaan zoals de reizigers in de karavaan, uit de nachtmerrie van Kaspar Hauser in Werner Herzog’s gelijknamige filmdrama: zij trekken door de leegte van een woestijn, echter zonder kop of staart, zonder oorsprong en geheel onwetend omtrent enig doel. Het schrikbeeld van de volslagen stuurloosheid is ongetwijfeld de allerzwaarste last waarmee de jonge generaties, welke uiteindelijk de toekomst van de mensheid vertegenwoordigen, worden opgezadeld wanneer men hen de schoonheid en de verwondering, zoals deze bij uitstek in de mythen spreekt, onthoudt. En die stuurloosheid is niet alleen een zware last: zij is op de keper beschouwd moordend en onhoudbaar, zowel voor de wetenschappen zelf als voor hun beoefenaars. Immers, de wetenschappelijke bedrijvigheid zelf lijdt er zwaar onder wanneer zij haar beginselen, die haar ziel zelf zijn, moet ontberen, en zo mag het dan ook niemand nog verwonderen dat er ‘wetenschappen’ ontstaan, of althans bedrijvigheden, die, geheel losgekoppeld van enige oorsprong of enig doel, alleen nog technische complexen zijn die niet alleen geen aarde aan de dijk brengen, maar die bovendien, met een knipoog naar de — mythologische — toren van Babel, nog slechts energie en tijd verspillen die men dan elders tekort komt, zodat zij verworden tot een alles verslindend, louter ‘spel’. De doelen zijn dan middel geworden en het middel werd tot doel verheven, om het te zeggen met de auteur van de toren van Babel, met Christus, met Augustinus, met Marx, met Illich en ook met de postmodernen. Het zijn de mythe van de eeuwige Sisyphus, de Tantaloskwelling, de draad van Ariadne. De zaak is nu dat pas deze oerlegenden ons het licht schenken waarin wij ons bewust kunnen worden van waar we aan toe zijn. (1)
OVER DE AUTEUR
Kris Vansteenbrugge (°Grijsloke, 1940) is arts (chirurg) van beroep, net zoals Tsjechov, Slauerhoff en vele andere getalenteerde schrijvers. Hij is dramaturg, romanschrijver, essayist, dichter en marathonloper. In het spoor van zijn naamgenoot Chrisolius, een Armeense missionaris en martelaar die in de derde eeuw de Vlamingen in Grijsloke tot het Christendom kwam bekeren, bekeerde dokter Kris Vansteenbrugge onze gewesten tot de helende loopcultuur als stichter van Vlaanderen's mooiste loopkoers, Dwars door Grijsloke, die in augustus 2011 aan zijn eenendertigste uitgave toe was. Kris Vansteenbrugge is tevens een kenner van de literatuur en in het bijzonder van de Griekse Mythologie. Met Uit het schuim van de zee - de Griekse mythologie in 136 verhalen - komt hij tegemoet aan een aloude vraag naar een volledige, authentieke en overzichtelijke weergave van de verhalen die de basis uitmaken van de bakermat van de westerse cultuur - een unicum in de Vlaamse letteren, met een gezwinde pen en in een vlekkeloos hedendaags Nederlands. Kris Vansteenbrugge publiceerde eerder onder meer "Dwars door Grijsloke - Kanker en hartinfarct moeten niet zijn", over de nieuwe gezondheidsleer, "De mens... een loopdier - De heksen van Grijsloke", "Grijsloke's Olympiade", over de mythologische oorsprong van de verschillende Antieke Spelen" (Grijsloke 2000), "O jerum jerum jerum" (2006), een autobiografie, en nog een aantal toneelstukken. Voor meer info, zie:
Het is gangbaar om te zeggen dat de jeugd het voortouw neemt en dat men met het ouder worden onherroepelijk achterop gaat hinken en niet meer mee kan met zijn tijd. De daar achter liggende opvatting houdt in dat de tijd vergelijkbaar is met een karavaan die almaar voort raast en die alleen door jonge en snelvoetige mensen bij te houden is. Ouderen komen achterop te liggen zoals een peloton dat hopeloos in de mist verdwijnt - de mist van het verleden: vijftigplussers zijn niet meer bij de tijd, zestigers zijn reddeloos, zeventigers zijn afgeschreven en tachtigers zijn allang niet meer van deze wereld. De conclusie luidt dat de wereld aan de jongeren is, die immers de toekomst vertegenwoordigen, en oud worden heeft reeds de betekenis van het in levenden lijve wegdeemsteren, het vergaan tot een schaduw van zichzelf of, erger nog, het wegkwijnen in de vergeetput.
Het beeld van de vergeetput lijkt wel overdreven maar het is dat allerminst. Vergeetputten hebben echt bestaan en voor wie er in belandden, was er geen genade. Men werd letterlijk door iedereen aan zijn lot overgelaten en vergeten. Wie het begrip 'vergeetput' leert kennen, probeert zich allicht een keertje in te denken wat het wezen moet om moederziel alleen in zo'n put te belanden tot men door de dood zelf uit zijn lijden wordt verlost. Want zo erg is het leed der verstotelingen, dat zij op den duur de dood met open armen als hun ultieme verlosser ontvangen.
Er zijn vergeetputten van steen, gegraven in de diepten van de kerkers, maar er zijn ook vergeetputten van woorden, of beter nog: van onwoorden of van een zwijgen dat een doodzwijgen is. Maar de allerergste vergeetputten zijn misschien wel de monumenten, daar deze zelfs vergeetachtigen dwingen te herinneren aan hen die niet vergeten willen worden en die er ook fortuinen aan besteden om zich aan andermans herinneringen op te dringen. Zo worden alom ten lande maar ook op allerlei feestdagen het hele jaar door, koningen, kardinalen, prinsbisschoppen, pausen, edellieden en presidenten herdacht door heel plichtsbewuste mensen die er niet bij stilstaan dat er aldus geen plaatsen en geen dagen meer overschieten waarop zij hun bloedeigen grootouders en ouders kunnen gedenken.
Maar het beeld van de voortrazende tijd die alleen jongeren in staat zijn te volgen terwijl ouderen achterop moeten blijven, is allesbehalve waarheidsgetrouw. Meer nog: iedereen weet heel goed dat het in werkelijkheid helemaal niet de ouderen zijn die achterop hinken en die van de jongeren te leren hebben - dat ware immers de wereld op zijn kop! Sinds oudsher zijn het de jongeren die door de ouderen worden geschoold om bij de tijd te kunnen zijn! De afzichtelijkheid van een op zijn kop gezette wereld toont zich misschien nog het beste in de perverse ijver van de oudere die zich jonger wil voordoen dan hij is. Het zijn inderdaad de jongeren die de ouderen moeten navolgen en wie het anders verkiezen te doen, verheerlijken de onwetendheid en lopen hun eigen ongeluk in de armen.
De hedendaagse neiging - of is het een dwang - om de kinderen baas te laten en als voorbeeld te stellen, is zeer zeker verwant aan de opvatting dat de pure natuur het beste voor ons allen is en dat de beschaving niets dan leugens brengt. Daar is iets van, want onze 'beschaving', als zij die naam nog waard is, heeft met onverdroten corruptie en met noest bedrog zichzelf in discrediet gebracht. En zeer waarschijnlijk ligt de oorzaak van die jammerlijke aberraties in de verwisseling van interne door externe drijfveren onder de druk van het gouden kalf: het goede dat men doet vanwege een daartoe bewegende liefde, werd de weg versperd door regelgevingen van buitenaf die zich verbinden met beloning en met straf. Conditionering heeft de mens van zijn eigen ziel beroofd, of beter: wie zijn doen en laten aan externe voorwaarden heeft laten koppelen, die heeft zijn ziel verkocht - het kostbaarste wat een mens bezit omdat hij daarmee samenvalt en omdat er niets meer van hem rest dan dode stof waar zij verkwanseld is. Zo'n lege huls heeft monumenten nodig, uiteraard, want iets anders heeft zij niet meer. Een mens die niet meer is, heeft bezit nodig om dat gat van on-zijn mee op te vullen, alleen is er dan niemand meer om zich die goederen toe te eigenen, daar een zielloze er slechts door bezeten worden kan. Daarentegen behoeft een mens mét een ziel helemaal niet te nemen, doch te geven.
Het offer is het wezen zelf van het levende bestaan, en dat houdt heel eenvoudig in dat niets kan leven zonder 't eigen leven door te geven. Wie leeft, wil van nature al het leven dat hij in zich draagt, verspreiden, en dit gehoorzaam aan de wet dat het leven zich vermeerdert waar het zich uitdeelt, en dit zeer in tegenstelling tot het dode. In het dodenrijk bestaat geen vruchtbaarheid en daarom ook willen allen die dood zijn, nemen en bezitten - geheel vruchteloos helaas.
Maar dat niets kan leven zonder 't eigen leven door te geven, betekent ook dat niemand leven kan zonder zijn leven eerst uit de handen van een ander te ontvangen. Jongeren dienen alles wat zij zijn, van ouderen te krijgen die het op hun beurt ontvingen van hun voorzaten. Voeding in de eerste plaats, maar uiteraard ook opvoeding: kennis, levenskunst, tactiek, techniek, methode en geschiedenis. En alleen die jongeren die bij de ouderen in de leer gegaan zijn, zijn ook bij de tijd; de ongeschoolden daarentegen (en men kan zich uiteraard evenzeer buiten de schoolmuren scholen) leven in een onbeschaafd verleden. En tot die groep behoren uiteraard diegenen die geloven dat zij mee zijn met de tijd alleen maar omdát zij jong zijn. Zij vergissen zich in niet geringe mate, want in feite zijn ze - zij het veelal niet door eigen schuld - exemplaren in een steeds gulziger om zich heen grijpend museum van de menselijke soort dat zich op een onverwachte en haast surrealistische manier steeds zichtbaarder met de huidige samenleving vermengt.
(J.B., 21 september 2011)
11-09-2011
De opeising der ultieme productiemiddelen
De opeising der ultieme productiemiddelen
Ten tijde van de Industriële Revolutie was er armoede zoals nooit voorheen in de grootsteden van vooral Engeland en daarna ook in de Europese metropolen. Armoede die er eigenlijk niet had moeten zijn omdat de uitvinding van grote (stoom)machines de mens dan toch ontlastten van het zwaarste werk en zij de productie verveelvoudigden. Edoch, die grote middelen bleken in verkeerde handen: de productiemachines waren geen eigendom van de arbeiders die ze bedienden maar ze hoorden toe aan rijkelui die in hun hebzucht hun kapitaal wel eindeloos wilden verveelvoudigen - en dat ten koste van ontelbare mensenlevens en onnoemelijke ellende. Die tegennatuurlijk aandoende betrachting moet wellicht worden begrepen als een consequentie van het Calvinistisch piëtisme dat aan de mens voorhoudt om boete te doen, wat enerzijds betekent dat hij hard moet werken maar anderzijds ook dat hij niet mag genieten - in casu van de vruchten van zijn arbeid, waaruit zowel de goedkeuring ten aanzien van de menselijke ellende als de tot stand koming van een groot kapitaal wordt verklaard. De adder onder het gras is uiteraard het feit dat de ellende en de rijkdom wel bijzonder ongelijk worden verdeeld: de ene klasse krijgt alle ellende en de andere bezit alle rijkdom. Godsdienst als opium voor het volk?
Een van de voortvarende textielbarons in Duitsland had een zoon die filosofie studeerde en na een stage in een katoenfabriek van zijn vader in Manchester, publiceerde Friedrich Engels in 1845 een rapport, getiteld: "Toestand van de arbeidersklasse in Engeland in 1844". Weinig later dokterde hij samen met de uitgever Karl Marx een theorie uit om aan die wantoestanden een eind te maken. Een niet verwaarloosbaar deel van de wereld (onder meer China, Rusland, Cuba, Noord-Korea, Laos en Vietnam) probeerde die theorie ook toe te passen binnen het zogenaamde communisme maar blijkbaar toch zonder de verhoopte resultaten.
Toch blijft de Marxistische kritiek geldig dat productiemiddelen in vreemde handen een bron zijn van ellende. Aanvankelijk waren die productiemiddelen de grote en dure machines in de mastodonten van de fabrieken maar in de loop der tijd werden zij verfijnd, totdat zij uiteindelijk onder meer de machinaties werden in het zaad zelf van de gewassen waarmede wij ons voeden: door de genetische manipulatie van landbouwproducten eigenen de kapitaalkrachtigen zich dit ultieme productiemiddel toe, dat de onontbeerlijke bron van alle voedsel is. Het zaad der gewassen is niet langer een natuurlijke voedselbron, het werd geprivatiseerd.
Aan het zaad van de mens zelf is nog niet geraakt, maar dat lijkt heel weldra te zullen veranderen. Het eigendomsrecht van een mens op zijn eigen zaad wordt heden fel ter discussie gesteld, zij het in bijzonder sluwe verkappingen. Zo is er, enerzijds en het schandaal van Hitler's Lebensborn ten spijt, het thema van de eugenetica of de verbetering van nu ook de menselijke soort via selectie. In bepaalde westerse landen worden zwangere vrouwen gratis gescreend op de gezondheid van hun vrucht, en de onderzoeksresultaten drukken zich uit in statistische termen. De jonge moeders die zich onderwerpen aan de tests krijgen te horen dat hun vrucht bijvoorbeeld negentig percent kans heeft om gezond te zijn, maar voor hetzelfde geld luidt het 'verdict' dat er een kans van zeventig ten honderd bestaat op bijvoorbeeld het syndroom van Down. De ouders kunnen dan beslissen om de zwangerschap te onderbreken, maar in drie gevallen op de tien aborteren zij zodoende een gezonde vrucht. Zij kunnen er ook voor kiezen om het kind te houden en indien dat dan gehandicapt ter wereld komt en misschien meer zorgen behoeft dan een gezonde baby, zal de staat bijspringen in de kosten. Edoch, die solidariteit is bijzonder voorlopig want er gaan steeds meer beschuldigende stemmen op. Het is namelijk de bedoeling dat gewaarschuwde ouders die een te behoeftig kind op de wereld zetten, in de toekomst die extra kosten zélf dragen.
Maar naast de eugenetica is er nog een tweede luik aan de beroving van de mens van zijn kroost. De discussie over het eigendomsrecht van de mens over zijn eigen zaad- en eicellen verloopt vooralsnog verdoken en is daarom des te verraderlijker. Het kind wordt niet bij de naam genoemd maar men heeft het over een zogenaamde overbevolking die het zelfs noodzakelijk zou maken dat men zich betreffende de eigen procreatie aan opgelegde maatschappelijke regels onderwerpt. Aanvankelijk worden ons onze zaad- en eicellen niet ontnomen, maar we mogen ze wel niet meer aanwenden voor hun natuurlijke doeleinden. Slagen we er niet in om aan die nieuwe wetten te gehoorzamen, dan worden we - weliswaar pijnloos - onvruchtbaar gemaakt, zogezegd voor het eigen comfort. Vergelijk het met een staat die haar burgers intact laat en hen slechts verbiedt om te lopen; als dan blijkt dat menigeen zich niet beheersen kan, steekt de staat het volk een handje toe met een generale amputatie van de benen.
De uitvlucht van de overbevolking is wel bijzonder sluw, want in feite wordt niet zozeer het aantal mensen als zodanig beoogd, maar wel diegenen die niet langer beantwoorden aan de nieuwe normen zoals bedacht door zogenaamd verlichte geesten, zoals bepaalde atheïsten zichzelf graag noemen. Daarentegen zal de kweek van diegenen die wél beantwoorden aan de nieuwe norm worden gestimuleerd met alle mogelijke middelen want hier geldt uiteraard een onderbevolking. Het is een kwestie vergelijkbaar met de door Ivan Illich aangekaarte tegendoelmatigheid: dat wij ons ondanks het gebruik van auto's trager verplaatsen dan weleer, geldt weliswaar wel voor het volk maar zeker niet voor de superrijken die immers geen halve dag per etmaal moeten werken om de dagelijkse verplaatsing met de auto naar het werk te kunnen betalen. De 'vooruitgang' is weliswaar tegendoelmatig voor de massa maar voor de rijken blijft hij voordelig: hij hevelt de energie en de levenstijd over van arm naar rijk. En hetzelfde geldt hier inzake het mensenzaad: het wordt ontnomen aan het volk maar tegelijk doen de regeerders er sowieso hun zinnetje mee.
Wie geloven dat het nog zo'n vaart niet zal lopen, dienen zich goed rekenschap te geven van wat er in het verleden zoal bekokstoofd werd inzake de manipulatie van brave burgers. Het lijstje is lang, de uitwas van de Nazi-concentratiekampen blijkt in zeker opzicht niet eens zo'n uniek geval te zijn.
Doorheen de ganse middeleeuwen regeerde over het Westen het christendom dat samen met de wereldlijke macht het volk onderwierp maar ook opvoedde en zekerheid gaf en rust. De hysterie die vandaag wereldwijd hoogtij viert, was ondenkbaar toen: God schiep de wereld en Hij was meteen ook de eindbestemming van al het bestaande. Zinvragen, twijfels en onzekerheden waren ondenkbaar daar de kerk in de plaats van de mensen nadacht, besliste en verantwoordelijkheid opnam in ruil voor simpele doch volledige gehoorzaamheid. Maar dat recept behoort nu definitief tot een verleden dat alleen nog terug zal keren voor wie zich welbewust aan sprookjes overgeven. De zich verlicht achtende mens heeft Gods plaats ingenomen: hij ontzegt aan zijn schepper het bestaan en zijn eigen leven wijt hij aan een blind toeval waarover hij zich het recht toe-eigent om het op zijn minst wat bij te sturen.
Edoch, die bijsturingen blijken in de praktijk in feite verregaande experimenten te zijn van een vooral financiële, in veel mindere mate intellectuele en in moreel opzicht volstrekt ondermaatse elite - experimenten door zo'n elite uitgevoerd op enkelingen maar ook op ganse volkeren en wel geheel buiten het medeweten van de 'proefkonijnen'. Ongelooflijk misschien, maar het gaat hier helemaal niet om speculaties doch om historische feiten waarvan de kampen van Hitler slechts de best bekende zijn, of moet men veeleer spreken van de slechtst bewaarde geheimen der transhumanisten?
Men weet wat de Verlichting is en hoe zij ontstond en ontwikkelde en het is niet altijd zo'n slechte zaak geweest dat de mens of de staat de verantwoordelijkheid voor het eigen lot als het ware uit Gods handen rukte (of althans uit die van zijn 'vertegenwoordigers') om het zelf mee te gaan bepalen - men denke maar aan de sociale wetten die nu de caritas vervangen maar ook de grenzeloze uitbuiting. Maar wie had ooit kunnen vermoeden dat diezelfde verantwoordelijken die de zorg voor de armen dan toch verbeterden door ze te institutionaliseren in sociale wetten, alras aan 't pleiten zouden gaan tégen die wetten en vóór de terugkeer naar de wet van de natuur of dus naar de algehele wetteloosheid die met de wet van de sterkste samenvalt?
Het is weliswaar zo dat de geneeskunde de zwakkeren in leven houdt, dat zij ervoor zorgt dat ze zich voortplanten en dat zij op die manier aan de volksgezondheid feitelijk geen echte dienst bewijst: had men de natuur zijn gangetje laten gaan, dan waren de zwakken die vandaag de staat tot last zijn, allang weggeselecteerd. Maar is de feitelijke volksgezondheid dan belangrijker dan de zorg die mensen voor elkaar wensen te dragen? - dat is de vraag die weliswaar voor sommigen moeilijk te ontdekken valt maar die dan toch niet in de duisternis van de onwetendheid verdwijnen mag omdat met deze vraag het lot van de mensheid als zodanig is verbonden. Wie anders heeft er baat bij die best denkbare volksgezondheid van morgen als het niet de actueel levenden zijn? En zijn zij het ook niet die willen geholpen worden als zij zwak zijn en lijden? De morgen niet meer bestaande zwakkelingen zullen alvast niet applaudisseren voor de natuurlijke selectie en de sterken die in leven bleven evenmin want zij hebben het nooit anders gekend. Als men vandaag mensen aan hun triestig lot overlaat omdat zij anders de gezondheidsstatistieken van morgen naar beneden zouden halen, dan kiest men vóór statistieken en tégen de mens. Dat die statistieken ook over mensen gaan, is hier uiteraard geheel irrelevant. Er bestaan theoretici van verschillende vormen van historicismen die bereid zijn om alle generaties levenden in dwangarbeid op te offeren voor het heil van ooit al was het slechts één generatie die in een verre toekomst in weelde zou leven. Zij maken dezelfde fout als allen die een gans leven doorbrengen in slavernij om, eenmaal met pensioen, van de vruchten van hun noeste inspanningen te kunnen genieten. Blijkbaar zien zij niet in dat zij aldus de slaaf zijn van zichzelf want in hun jonge jaren werken zij zich te pletter om het wrak dat zij op hoge leeftijd zullen zijn te kunnen dienen. Vaak ontdekken ze hun vergissing veel te laat om die nog te kunnen herstellen.
De geneeskunde houdt de zieken in leven door de ziekten te bestrijden, maar aldus maakt zij de zieken ook gezond genoeg om voort te kunnen leven. Zo ook bestrijden de armenwetten de armoede en niet de armen, en dit geheel in tegenstelling tot wat de heden vaak geciteerde Thomas Malthus publiek maakte: hij klaagde het aan dat de armenwetten de armen creëren die ze bijstaan, terwijl de (voldoende) bijgestane armen uiteraard niet langer arm zijn, net zoals de bijgestane zieken niet langer ziek zijn en de bijgestane hongerlijders niet langer honger lijden. De honger uit de wereld helpen door alle hongerlijders het schavot te geven, is een wel heel doeltreffende methode, althans tijdelijk, maar wie de waanzin daarvan niet inzien, die zullen op den duur ook pleiten voor het doden van de zieken in functie van de volksgezondheid of voor het elimineren van de onwetenden met het oog op een staat met alleen maar geleerde burgers. Dat die waanzin al in opmars is, mag blijken uit de jongste wetten inzake abortus en euthanasie, maar nog veel meer geheel onwettige activiteiten in deze richting hebben allang ingang gevonden en zij kunnen zich voltrekken precies omdat zij dat doen in het grootste geheim voor hun slachtoffers, maar dat is een bijzonder uitgebreid verhaal apart. Want het gaat hier om een waanzin waarbij telkenmale de door het kwaad getroffen slachtoffers het een tweede keer moeten verduren: zij die door ziekten worden getroffen worden een tweede keer getroffen door een tiran die per abuis niet de ziekten doch de zieken uitroeit, of een tiran die de analfabeten uitroeit in plaats van het analfabetisme, de daklozen in plaats van het woningentekort, de hongerigen in de plaats van het voedseltekort en de zogenaamd overtollige mensen in plaats van de overbevolking.
Als er al van overbevolking sprake kan zijn, dan is het uiteraard de vraag wie tot de overtolligen behoren en wie zich veilig mogen weten: de aloude vraag van Plato waar die zich afvraagt of het zijn hoofd is, die de grootste van de twee een kopje groter maakt dan de ander, ofwel zijn benen. Hoe dan ook zien in dit onderwerp vandaag al heel wat gewetenslozen een reden om het niet zo nauw te nemen met het leven van de enkelingen, er zijn immers exemplaren te over van de menselijke soort. En dat is warempel een vorm van snel om zich heen grijpend 'denken' - of ondenken - waarover het laatste woord nog lang niet is gezegd. (1)
Achter de 'officiële' theorie dat bij dementie de hersenen afsterven ten gevolge waarvan de geest wordt vernietigd, gaat de opvatting schuil dat de geest slechts een bijverschijnsel is van de stof, en meer bepaald: dat hij niets anders is dan de werking van onze hersenen. Maar het feit dat bij het afsterven van de hersenmassa ook de geestelijke functies verdwijnen, bewijst de juistheid van die verborgen theorie in geen geval. Het kan immers evenzeer zo zijn dat de hersenwerking alleen maar de verbinding vormt tussen de in dat geval twee verschillende 'dingen' van lichaam en geest, en dan zou een beschadiging van de hersenen de geest als zodanig intact laten terwijl dan de band van de geest met het lichaam - en dus met de buitenwereld - zou worden verstoord. Die verstoring zou dan meebrengen dat, enerzijds, zintuiglijk opgedane informatie niet langer tot de geest doordrong terwijl, anderzijds, ook de fysieke uitvoering van wilsbesluiten bemoeilijkt werd. Deze andere opvatting is nu niet slechts een logische mogelijkheid: zij wordt ook bijzonder plausibel in het licht van de observaties die men kan doen bij Alzheimerpatiënten.
Het is niet zo dat Alzheimer-patiënten die aan afasie gaan lijden - wat wil zeggen dat zij de woorden niet meer vinden om zich uit te drukken, of dat zij de woorden die zij horen niet meer correct herkennen - het is niet zo dat deze afasiepatiënten helemaal geen gedachten meer zouden hebben en derhalve dat zij met een leeg hoofd zouden rondlopen en dat ze zich niet langer bewust zouden zijn van het feit dat ze leven. Het is helemaal niet zo dat deze zieken onbewust bestaan zoals men vaak ook veronderstelt dat comapatiënten zouden bestaan. Het snijdt veeleer hout om afasielijders te gaan vergelijken met mensen die verlamd zijn: zij kunnen wel nog willen bewegen, maar zij zijn niet meer in staat om die wil in bewegingen om te zetten. Op een vergelijkbare manier willen afasiepatiënten wel nog communiceren, maar zij vinden de woorden daartoe niet langer omdat de schakel tussen gedachten en woorden mank loopt. Ja, er is een essentieel verschil tussen, enerzijds, gedachten en, anderzijds, woorden, zoals er ook een wezenlijk onderscheid bestaat tussen, enerzijds, het stoffelijke lichaam en, anderzijds, de onstoffelijke geest.
En toch zijn de twee - geest en stof - zeer zeker innig onderling verbonden en de sterkte van hun band kan misschien wel het beste worden vergeleken met de in deze wereld onlosmakelijke band tussen materie en vorm. Er bestaat in deze wereld namelijk geen materie zonder vorm terwijl er evenmin vorm zonder materie is. In deze wereld wel te verstaan, want in onze gedachten kunnen wij vormen koesteren los van elk substraat, of kunnen wij aan materialen denken zonder dat wij een welbepaalde vorm op het oog hebben. Zo ook kunnen we aan iemand denken die afwezig is en ook aan een persoon die niet langer leeft, wat betekent dat hij niet langer bestaat in deze wereld. Een substraat om met een overleden persoon te communiceren is er weliswaar niet en zo blijft die persoon dan ook afwezig in deze wereld. Maar te beweren dat hij niet langer bestaat, is uiteraard een brug te ver.
In zijn Hersenschimmen laat de Nederlandse schrijver Bernlef een Alzheimerpatiënt een toespraak houden voor een publiek dat er niet is. De zieke spreekt alsof hij toehoorders heeft, en hij gelooft ze zelf ook te zien, terwijl ze er niet zijn. Hij kan dat doen omdat hij zich op dat ogenblik niet bewust is van het feit dat zij er helemaal niet zijn, want mocht hij ook zien dat ze er niet zijn, hij zou hen zeker en vast niet toespreken. In feite handelt hij zoals iemand die droomt, of eerder nog: zoals iemand die slaapwandelt. Gedurende de droom blijft het lichaam vrijwel onbeweeglijk, ook als wij dromen dat we bijvoorbeeld lopen, en dat komt doordat de band tussen onze hersenen en onze spieren werd verbroken: wie slaapt en droomt, heeft in feite zichzelf als het ware verlamd. Bij de slaapwandelaar is die verlamming gebrekkig of onvolledig. Bij de Alzheimerzieke kon men spreken over een verbroken schakel tussen de gedachten en de zintuigen.
Wie een toespraak geeft voor een onbestaand publiek, krijgt niet die informatie binnen dat niemand aanwezig is omdat hij helemaal géén informatie binnenkrijgt op dat moment. Zo ziet een blinde niet dat het nacht is omdat hij sowieso niet ziet, en wat hij in zijn gedachten heeft, is geen nachtzwarte duisternis en een volstrekte afwezigheid van licht doch veeleer een klare blauwe hemel. De man die een toespraak wil houden voor een publiek en die niet langer in staat is om zich ervan te vergewissen of er een publiek aanwezig is, mist de informatie dat er niemand is, als er niemand is terwijl hij gelooft of zelfs maar hoopt of vreest dat er iemand is, maar hij mist evenzeer de informatie dat er iemand is, als er iemand is terwijl hij gelooft of hoopt of vreest dat er niemand is. Is hij zich niet bewust van het feit dat hij geen informatie uit de buitenwereld binnen krijgt, dan droomt hij, zoals ook wij allen onze werkelijkheid bedromen, maar hij droomt dan wel ongeremd terwijl gezonde mensen vrijwel ononderbroken feed-back krijgen van hun zintuigen. Overigens duiden wij de gebeurlijke korte onderbrekingen van die feed-back bij gezonde doch vermoeide mensen aan met de onschuldige term 'verstrooidheid'. Men zou kunnen zeggen dat de zieke die een onbestaand publiek toespreekt, gewoon langdurig verstrooid is, eventueel zonder hoop op een terugkeer uit zijn verstrooidheid naar deze wereld.
Wie uit de psychische afwezigheid van een demente mens de conclusie trekt dat deze zieke nergens meer is, die redeneert even kort door de bocht als de peuter die immers gelooft dat zijn moeder weg is van zodra zij uit zijn gezichtsveld is verdwenen. Kleuters denken dat de wereld verdwijnt als zij met de handen de eigen ogen bedekken. En leugenaars geloven dat zij met hun eigen woorden de waarheid kunnen veranderen of dat zij hem dan toch een beetje kunnen bijvijlen. Maar er zit veel waarheid in die laatste overtuiging, gelet op het feit dat een groot stuk van onze werkelijkheid interpretatie is. Het gaat zelfs zo ver dat de leugen als zodanig bij machte is om het mensdom in zijn greep te houden en om een negatieve werkelijkheid van slechts schijn en toneel - althans tijdelijk - te laten zegevieren over het ware leven en de natuur.
Waar bijvoorbeeld de werkelijkheid van het geld, die de wraak tegenwoordig stelt, regeert, worden gastvrijheid, liefde en de leniging van alle andere noden gekocht en verkocht, echter irreëel en in schijnvormen. De toerist op hotel kan middels de bedrieglijk zachte dwang van het geld zijn gastheer ertoe brengen hem onderdak te geven en hem te voeden, terwijl hij daar zonder geld ongetwijfeld geen voet in huis kon zetten. Het geven en het nemen in eer en dankbaarheid werden gefnuikt door de ersatz van het kopen en het verkopen met het wapen achter de hand en het al dan niet gevoed worden is niet langer een zaak van noden maar van rechten die middels geld worden afgekocht of die bij gebrek aan geld aan de noodlijdende worden onthouden.
De waarheid wordt aldus verdraaid door een leugen die alles bepalend dreigt te worden, terwijl er slechts één waarheid is en de interpretatie ervan slechts een spel kan zijn. Maar de waarheid verdwijnt helemaal niet als wij hem loochenen, de moeder die buiten het gezichtsveld van de peuter valt, is helemaal niet in rook opgegaan en de in deze wereld afwezige psyche betekent helemaal niet dat de mens in kwestie nergens meer is. Wijzelf zijn toch ook nog altijd ergens en wij denken toch ook nog steeds aan bepaalde dingen wanneer wij een tijdlang hebben opgehouden met praten? Of beleven wij dan echt helemaal niets meer als wij onbeweeglijk neerliggen en slapen en in dromen verzonken zijn? Of is een ander dan niets meer dan alleen datgene wat wij van hem of haar kunnen voelen, horen en zien? Hoe aanmatigend zou het zijn om zulks zelfs maar te veronderstellen, zo hoor ik u morrelen, maar waarom dan neemt men wél aan dat een demente een mens is geheel zonder geest?
Er zal nog veel water door de zee vloeien vooraleer men eindelijk aanvaardt wat allang geschreven staat: wat uit stof is, is en blijft stof, en wat uit geest is, is geest. De geest en de stof hebben elk een eigen oorsprong en de wondere schepping van het leven verenigt die twee, zoals ook materie en vorm op wondere wijze zijn verenigd in de schepping van de 'levenloze' dingen. Zo ook zijn de ruimte en de tijd onderling onlosmakelijk verstrengeld, en ook de materie en de golf in de kleinste partikels, en nog ontelbare andere zaken die behoren tot het zichtbare of tot het onzichtbare. Wij mogen alvast nimmer zeggen dat al wat wij zelf niet zien, ook niet kan bestaan, want wij zien slechts wat wij mogen zien, ons zien is warempel gerantsoeneerd zoals ook de dingen die wij mogen eten en drinken, want de inhoud van de menselijke maag is zeer beperkt zoals ook de inhoud van de menselijke geest.
(J.B., 8 september 2011)
26-08-2011
Welcome to the machine!
"Welcome to the machine!"
Het is een historische vergissing als men gelooft dat men het christendom uit de maatschappij kan wegsnijden terwijl men al de rest gewoon overhoudt. Een religie is niet een los element dat men door middel van een in wetteksten gegoten beslissing toelaat, installeert of verbiedt en een maakbaarheidsgeloof dat een dergelijke opvatting ondersteunt, moet wel bijzónder naïef zijn. Een religie is verbonden met een maatschappij zoals onze hersenstam vergroeid is met de rest van onze hersenen en van ons lijf en het verwijderen ervan heeft de dood van het ganse organisme tot gevolg. Deze zaken zijn te ingewikkeld om er haastig mee om te springen, maar toch kan en moet er gewezen worden op het feit dat het onmogelijk is om het christendom af te voeren en om tegelijk de christelijke principes te blijven handhaven alsof zij een voortbrengsel waren van mens en samenleving.
De wet der gewoonte maakt dat wij er niet meer bij stilstaan en dat we het ons niet meer realiseren, maar de principes van het christendom zijn allerminst natuurlijk: ze zijn uiteraard niet tegennatuurlijk maar wel bovennatuurlijk. De wet van de naastenliefde stamt niet uit een puur natuurlijke ontwikkeling en zij onderscheidt zich ook subtiel doch grondig van de solidariteit die zelfs eigen is aan kolonies van insekten of aan de zelfopoffering van ouders voor hun kinderen of van oudjes voor hun jongen, welke allemaal zuiver natuurlijke doeleinden dienen, zoals de handhaving van de soort. Dat kan niet worden gezegd over kinderen die zorg dragen voor hun bejaarde ouders of over mensen die de rechten van gehandicapten verdedigen en van niet ingeburgerd want hetzij papierenloos hetzij nog ongeboren leven. De waan dat de caritas en de liefde in het algemeen even natuurlijk zouden zijn als de wet van de sterkste, is een feit, en de veronachtzaming van dit feit verkapt het geleidelijk doch gestaag afglijden naar een toestand van algehele verdierlijking. Die toestand komt er sneller dan men voor mogelijk houdt en een terugkeer op zijn passen is dan wellicht alras uitgesloten.
De huidige secularisering in het Westen gaat gepaard met de opkomst van een hele reeks van welbepaalde ondoordachte meningen omtrent existentie en ethiek welke zich veeleer via reklametechnieken dan door redelijke overtuiging naar het voorplan werken en ingang vinden bij het volk, dat die denkbeelden dan huldigt - niet uit overtuiging maar uit angst om uit de pas te lopen. Die meningen ontspruiten aan een arrogantie welke zijn oorsprong vindt in een verlies van realiteitszin dat op zijn beurt door arrogantie wordt versterkt. Dit proces is niet nieuw waar het vandaag opduikt: met de regelmaat van de klok keert het terug in de loop van de geschiedenis van ons menszijn dat in wezen een wording is en telkenmale vormt het een bedreiging welke zich wapent met uitgerekend die middelen die voor het goede waren bedoeld.
Het Goede wordt namelijk onzichtbaar wanneer het van zijn bron werd afgesneden, zoals ook de Waarheid en de Schoonheid op de dool zijn waar hun schenker wiens wezen ermee samenvalt, verdwijnt. De Weg, de Waarheid en het Leven zijn immers allerminst objecten: zij vormen daarentegen een goddelijk persoon. Het beste realiseren wij ons dat we onze eigen bron niet kunnen zijn, waar we moeten ondervinden dat we pas in leven kunnen blijven mits het dagelijks tot ons nemen van ander leven dat, zoals de Christus zelf het zegt, met zijn bloed en met zijn lichaam samenvalt. Wat leeft, ontspruit nimmer uit zichzelf, het heeft een bron, een moeder die zich offert of een milde schenker en vandaar ontvangt het ook zichzelf op elk moment. Nooit kan een levende zeggen: en nu heb ik genoeg, dit is van mij, ik maak een hek om mijn reserve heen en voortaan ben ik zelfbedruipend en hoef ik niemand nog te danken of te eren! Niemand is ooit autonoom; al wie leeft, doet dat pas door deel te nemen aan de levensbron, door zich te laven aan het levenschenkend water.
Het goede en het leven dat wordt afgedwongen met de wet, kan nooit het goede of het leven zijn omdat wat goed is en wat leeft, uit zichzelf moet komen en nimmer wordt geboren uit de angst voor dreiging, leed en dood. Indien het goede of het leven wél afdwingbaar was, dan waren uiteraard het kwade en de dood de bron van 't goede en van 't leven, wat absurd was. Daarom kan een afgedwongen goed slechts namaak zijn: het is geen leven maar een pseudo-zijn dat het leven naar de kroon steekt omdat het nu eenmaal zonder zijn bron en helemaal op zichzelf zou willen bestaan. Andermaal: het leven en het goede kunnen afgesneden van hun bron niet zijn.
Waar men gelooft dat het alsnog doenbaar is om allerlei goeds te 'organiseren', daar tracht men hetzelfde te doen als wie proberen om een levend wezen te maken: niet door het te laten geboren worden uit een ander levend wezen of een moeder, maar door het op te bouwen met stenen en met slijk zoals men ook een huis opbouwt. Edoch, wat men dan bekomt, is warempel geen mens doch een golem: een machine, een organisatie, een in wezen levenloze struktuur waarvan niet de levenssappen de motor vormen maar wel de angst voor de sancties die al wie zich geen regels laten opleggen, bedreigen met vernietiging. Dat is immers alles wat de reglementen van een artificieel orgaan kunnen doen om het leven in de pas van het levenloze te laten lopen: het bedreigen met de dood. "Welcome to the machine!", zo klinkt welbekend sinds jaar en dag de kritiek van Pink Floyd. Wat de christenheid organiseert, is daarom geen levenloze regelgeving doch een superleven, met name de bron van het leven zelf.
Waar de Levensbron ontbreekt, is alles aan verval ten prooi en ten dode opgeschreven. Een afgedwongen caritas wordt alras geperverteerd door ons welbekende slogans zoals ze ook al een eeuw geleden weerklonken uit de monden van dictators. Hitler schreeuwde in het rond dat het ongehoord is dat de beste strijdkrachten moeten sneuvelen aan het front om bejaarden en zieken te beschermen. Het klinkt misschien nog vreemd in onze oren, maar op de keper beschouwd is het wars van het christendom inderdaad absurd als een maatschappij zichzelf op die manier verzwakt, daar zij louter van nature enkel streven kan naar de eigen handhaving en versterking. In puur natuurlijk opzicht en wars van elke moraal, zijn concentratiekampen waar de ballast van de maatschappij wordt omgebracht, rendabel en is het wreder om te dulden dat hongerlijders zich voortplanten dan om hen te steriliseren of zelfs af te maken. Edoch, de teleologie van die 'puur natuurlijke' aanpak kan niets anders zijn dan een dol draaiende molen, in hetzelfde bedje ziek als bijvoorbeeld de hebzucht. De sterkste immers is nooit sterk genoeg, de vijand moet tot minder nog dan niets worden herleid, het streven naar macht kent geen grenzen en het bestaan zelf verwordt dan tot een kankergezwel dat groeien blijft totdat het onder het eigen gewicht bezwijkt. Het natuurlijke is met andere woorden ten dode opgeschreven tenzij het uit de dood gered wordt door de bron van 't leven zelf, dat de natuur uitnodigt om zichzelf te overstijgen.
Geboren uit de naastenliefde, worden ouderlingentehuizen alras afgebroken waar zij niet langer rendabel zijn en men gelooft dan in die nieuwe rentabiliteit die veel rationeler zou zijn dan de oude die naar men zegt louter op emoties drijft. Emotie, dat is waartoe de naastenliefde wordt herleid door wie niet weten willen dat zij allerminst natuurlijk is. Zelfs plicht wordt door de zogenaamd verlichte geesten bij de dingen van 't gevoel gekatalogeerd als men die wil vervangen door verzuim verkapt door compromise en door pragmatiek. De nieuwe rede zegt dat zij bejaarden, zieken en gehandicapten wil verlossen uit hun leed met de genadedood, maar zij weet heel goed dat dit voorwendsel niets minder dan een uitvlucht voor die moord kan zijn. De onvoorwaardelijkheid en het gratuïete welke ooit het leven schonken, worden niet meer begrepen waar de liefde zelf ontbreekt, en zo verstrikken zich de mensen in een wirwar van argumenten zonder grond en wordt het doen en laten uiteindelijk weer door de kracht van de natuur gestroomlijnd zoals dat ook 't geval was vooraleer het christendom de wereld aandeed: het recht verdwijnt, alleen 't geweld schiet over, de wreedste onder de wreedaardigen regeren en herleiden al wie leven tot hun handlangers of werktuigen, de slavernij staat weer op, de uitbuiting, het eindeloze leed waarover bibliotheken van aangrijpende romans werden volgeschreven, de wereld wordt de hel en alle hoop is op nu ook de wil ontbreekt om 't anders aan te pakken.
Wat overschiet is inderdaad een golem, een levenloze namaakmens, een pop, een machine, een uit de hand gelopen organisatie die de mens voortaan regeren zal, verdrukken zal vooral en slechts het leven gunt om ook zichzelf te kunnen bestendigen. Het doel is middel geworden, het middel zielloos doel, en reeds de overmacht van het dode geld toont aan allen die nog niet helemaal blind zijn nu reeds het gelaat van die reusachtige onmens die het mensdom zal regeren, ketenen en ten gronde richten. Welcome to the machine:
Non posse peccare - Over het Christendom, de Islam en de vermeende Derde Fase
"Non posse peccare" - Over het Christendom, de Islam en de vermeende Derde Fase
De tijd van de paradox
Hij wordt aangewend bij stoutmoedige pogingen om het godsbestaan te weerleggen - de zogenaamde paradox van de steen, die immers het begrip van de almacht aan het licht wil brengen als zijnde een volstrekte ondenkbaarheid, en mét dat exclusief goddelijke attribuut tevens het godsbegrip en God zelf.
Kan God een steen maken die van die aard is dat Hij hem niet kan optillen? Als Hij hem niet kan optillen, dan is Hij God niet, en kan Hij hem wel optillen, dan missen wij hier de bedoelde steen. God en de onoptilbare steen sluiten elkaars bestaan uit. Tot daar de paradox. Men moet echter opmerken dat de paradox niet volgt uit het wezen van de steen of uit het wezen van God, maar wel uit de door ons gehanteerde definities met betrekking tot onze begrippen: we hebben te maken met begrippen die zo gedefinieerd werden dat, als iets in de werkelijkheid eraan beantwoordt, deze werkelijkheden elkaar uitsluiten. Onze begrippen zijn met andere woorden ontoereikend om zinvol over almacht te kunnen spreken. Almacht is een begrip dat wij in feite evenmin kunnen plaatsen als het godsbegrip. En dat zegt niets over een mogelijk wezen waarheen het godsbegrip tast, welhaast gelijk een blinde die tast naar het licht.
Een voor de hand liggende variant op de paradox van de steen betreft de kwestie dat de almachtige God - hier in de gedaante van zijn Zoon - niet in staat is om te zondigen. Maar opnieuw is hier een opmerking van kracht, met name de tegenwerping dat de onmogelijkheid tot handelen niets afdoet aan de almacht van zodra de handeling ook niet gewild wordt: God wil immers helemaal niet zondigen en dus is de kwestie of Hij het al dan niet kan volstrekt fictief of irrelevant. De hier gestelde vraag zal nooit aan bod komen omdat het willen primordiaal is op het kunnen. God mag dan almachtig zijn, Hij is niet alwillend.
Hiermee belanden we bij het non posse peccare of het niet kunnen zondigen dat wij op grond van Augustinus' theologie in een vroegere tekst bestempelden als de toestand van de mens onder de heerschappij van de islam. (1) In twee woorden: Augustinus kenschetste de toestand van vóór de zondeval als een waarin de mens vrij was om al dan niet te zondigen ("posse peccare" of het "kunnen zondigen"), terwijl hij na de zondeval die keuze verloor, daar hij reeds gezondigd had ("non posse non peccare" of het "niet kunnen niet zondigen"). Gesteld dat de sharia of de moslimwet na de mondiale islamisering de zonde fysiek onmogelijk maakt, dan treedt een derde fase in, namelijk die van het "non posse peccare" of het "niet (meer) kunnen zondigen". Niet onbelangrijk voegden wij daar nog het volgende aan toe: diegenen die niet willen zondigen - de heiligen - zouden dan door die nieuwste wet ook niet in hun vrijheid worden aangetast - overigens net zomin als Gods Zoon - terwijl dit voor alle anderen beslist een ware vrijheidsberoving of ketening zou betekenen.
De doem van de onvrijheid
Vooreerst enkele correcties hierbij. De vrijheid als zodanig kan niet zonder meer gedefinieerd worden als de mogelijkheid om te zondigen ("posse peccare"), aangezien ook God, die niet kán zondigen, als volstrekt vrij moet worden beschouwd. God is vrij maar Hij wil niet zondigen: zoals hoger gezegd is Hij niet alwillend, terwijl al datgene wat zijn wil Hem verbiedt te doen, niet als onkunde bestempeld kan worden. Van wie niet wil deelnemen aan een wedstrijd kan ook niet gezegd worden dat hij de wedstrijd niet kan winnen of verliezen; het kunnen wordt pas van kracht eenmaal het willen feitelijk is. Wat geldt voor de menselijk vrijheid, geldt niet voor de goddelijke, en hetzelfde is waar inzake de wil: Gods wil wordt bepaald door zijn eigen wet waarmee Hij immers samenvalt, terwijl de menselijke wil zich positioneert tegenover de goddelijke wet waaraan hij ondergeschikt is want niemand kan bijvoorbeeld vliegen tegen de natuurwet van de zwaartekracht in. De mens kan willen (in feite: wensen) wat de (goddelijke) wet verbiedt (en dat is zondigen, in casu "posse peccare") en hij kan zelfs willen (/wensen) om niet (meer) te zondigen; maar hij kan die wil (/die wens) niet volgen, zodat hij noodzakelijk zondigt ("non posse non peccare"). Bij de mens bestaat er een kloof tussen het willen (het wensen) en het kunnen: hij wil dingen die niet mogelijk zijn (de zondenloosheid) terwijl hij ook dingen doet die hij niet wil of niet wenst (zondigen). En dit is uiteraard het geval omdat de menselijk natuur sterker is dan zijn wil (/zijn wens). Sinds de zondeval is de menselijke natuur zelf niet meer in overeenstemming met de wil van God - en dat zou dan de erfzonde zijn. Een mens kan niet iets willen dat ingaat tegen zijn natuur. De mens is niet langer vrij om aan de zonde te verzaken, hij is gedoemd tot zondigen, en dit krachtens zijn eigen (gecorrumpeerde) natuur.
Dit laatste zou ons persoonlijk gerust moeten stellen aangezien het ons garandeert dat wij geen persoonlijke schuld hebben aan onze zondigheid. Wij volgen onze menselijke natuur die indruist tegen de goddelijke wet, maar we kunnen ook niet anders, ook al zouden we dat nog zo gaarne willen (/wensen). Maar omdat we niet anders kunnen dan wat we doen, treft ons geen schuld. Als mens daarentegen hebben wij geen enkele reden tot gerustheid, want ofschoon ons persoonlijk geen schuld treft, blijven wij als mens schuldig en worden wij ook als mens gestraft, en wel met de ergst denkbare straf: onze onoverkomelijke dood, het definitieve einde van ons bestaan. En bijna zou men dan de verzuchting slaken: werd de zonde ons maar onmogelijk gemaakt!
De nieuwe paradox: vrijheid door onderwerping?
Ergens zegt de Zoon van God zelf, die niet kan zondigen omdat Hij dat ook niet wil - zondigen zou immers niet stroken met zijn eigen wet of wil - dat het beter was voor een mens dat hij zijn handen afhakte en zijn ogen uitrukte als die hem tot zonde brachten. Het ware immers beter om zónder handen of ogen door het (eindige) leven te gaan dan het eeuwige hellevuur te moeten verduren. Maar als na de zondeval de mens niet langer in staat is om aan de zonde te verzaken omdat hij noodzakelijk zijn natuur volgt die sindsdien gecorrumpeerd is, dan rijst de vraag of hij niet beter af is met een toestand die hem het zondigen (fysiek) onmogelijk maakt, en dus een dwang, uitgerekend zoals deze die uitgaat van een zwaar bestraffende wet zoals bij uitstek de sharia er een is. Wordt op die manier door Christus zelf de dwang en de onderwerping - gebeurlijk in de historische realiteit van de islam - niet vooropgesteld als noodzaak voor ons heil?
Geen illusies
De kwestie is niet simpel, alleen al omdat naast de islam meer ideologieën kandideren voor die functie van ultieme heiland, om niet te zeggen dat ideologieën dat in feite allemáál doen, aangezien het christendom zowat de enige 'ideologie' is die niét dwingt, tenminste waar het haar boekje niet te buiten gaat in allerlei vreemde interpretaties en in de politiek der kerken. Het communisme probeert mensen solidair te maken door hen daartoe te dwingen en het kapitalisme doet in verkapte vormen slechts hetzelfde, zoals menig criticus ons dat aan het licht brengt. (2) De Oosterse religies beweren alle leed te overstijgen door het te miskennen, wat uiteraard slechts een puur suicidale 'oplossing' kan zijn die het kind met het badwater buitengooit. En zo trekken ze allen aan hetzelfde zeel van Christus wég, de ideologieën die wars van de menselijke natuur willen herorganiseren en herscheppen alsof dit ook maar denkbaar laat staan mogelijk zou zijn. Zij vormen een tegenpool van de lastige vrijheid die echter zonder die last niet de vrijheid kan zijn die aan de mens zijn menselijkheid schenkt. Zij vormen in feite een terugkeer naar het Jodendom waarover het christendom zegt dat het met zijn vele verplichtingen en wetten het heil belooft aan wie ze, alles ten spijt, vol scrupules volgen. Maar misschien is dat dan toch een derde fase en een eindfase: de terugkeer naar de plek van oorsprong, de mislukking van een deel der mensheid en de magere oogst van een handvol heiligen, het definitieve verlies van niet alleen de menselijke vrijheid maar tevens het weggewist worden van de menselijke natuur en van de ganse schepping die tenslotte van de mens in dienst staat. Zal ooit over al datgene wat ons vandaag het wondere leven schenkt, de spons worden gehaald zodat het ook verdwijnt alsof het er nooit was? Een droom zal ons bestaan dan zijn geweest, een vluchtige excentrieke gedachte in één kleine goddelijke hersencel door een kleine indigestie ingevolge het eindeloze hemelse tafelen. Wie zal het zeggen?
(2) Een schrijver heeft het over een Oost-Berlijner die in het Westen komt en die versteld staat van de netheid van de toiletten daar. Totdat hij zich in zo'n toilet opgesloten weet en merkt dat hij pas buiten kan als hij eerst de pot doorspoelt. De dwang lijkt slechts afwezig in het vrije Westen.
28-07-2011
Politiek georganiseerde afpersing
Politiek georganiseerde afpersing
Wat betreft de schuldencrisis in steeds meer landen, stellen sommigen als oplossing voor dat alle landen aan elkaar hun schulden gewoon kwijtschelden.
Edoch, het is niet jegens elkaar dat de landen schulden hebben, maar wel tegenover de (multinationale of van de landen onafhankelijke) banken.
De banken nu, dat zijn de rijken, de belangen van de rijken en hun rijkdom. De schuldencrisis is er geen van de landen jegens elkaar: het gaat om de schulden van de armen jegens de rijken.
Ingevolge het zogenaamde Mattheuseffect, moeten rijken almaar rijker worden en armen almaar armer, en dat gebeurt bij uitstek in een systeem waarbij rijken voor zichzelf winstgevende leningen aan armen 'toestaan'. Het werkwoord 'toestaan' staat hier tussen aanhalingstekens omdat de armen daar niet buiten kunnen: de rijken dwingen het van de armen af dat zij bij hen gaan lenen tegen woekerintresten.
Het resultaat is, uiteindelijk, dat de armen hun leningen bij de rijken niet meer kunnen afbetalen. Dat zien wij allang in het verhongerende, straatarme Afrika, waar zelfs geen straten zijn, en in het hele arme Zuiden, maar het breidt zich nu ook uit naar onze streken, naar het Noorden (Europa en Amerika).
De armste landen staan bij de banken in het krijt en dreigen falliet te gaan. Edoch, als zij failliet gaan, dan kunnen de banken fluiten naar hun geld. Dus zorgen de banken ervoor dat die landen niet failliet gaan: zij dwingen de politici tot een praktijk die zij bestempelen als een vorm van 'solidariteit', maar die in werkelijkheid afgedwongen wordt opdat zij zelf (de rijken) aan hun geld (hun rente) zouden geraken.
Het zijn inderdaad de rijken die Europa hebben gefabriceerd, wars van de wil van het volk, en geen enkele Europarlementariër werd dan ook in die functie door het volk verkozen. De europese solidariteit lijkt een onderlinge solidariteit tussen armere en rijkere landen maar dat is slechts kwalijke schijn: zij is in wezen een mechanisme waarmee de rijken de schulden van failliete armen overhevelen op de schouders van àndere armen (die vooralsnog niet failliet zijn), en dit enkel met het oog op hun eigen verrijking en de verdere verarming van de armen. Dit is niets meer en niets minder dan gemene afpersing.
Omdat de hebzucht een zucht is en omdat zuchten nooit bevredigd kunnen worden, zal de afpersing die heden de wereld in de ban heeft, nooit ophouden. Zij zal noodzakelijk uitmonden in de oorlog, die daarom door alle kenners terzake gekenschetst wordt als het verlengstuk van de economie.
(J.B., 28 juli 2011)
19-07-2011
Geld heeft geen geweten
Geld heeft geen geweten
De grootste banken hebben de mond vol over ethisch verantwoord investeren terwijl wij allen heel goed weten dat geld geen geweten heeft en dat winst geen gevolg van liefdadigheid kan zijn. Daarentegen zijn de meest renderende investeringen ook de meest rampzalige: geen belegging is zo winstgevend als de handel in drugs, de wapentrafiek, het boren naar olie ten koste van mens en milieu of het onnadenkend neerpoten van kerncentrales. Het maximale winststreven en de misdaad zijn tweelingbroers; de slogan dat bezit diefstal is, kan niet zonder meer van tafel worden geveegd en de feiten liegen er niet om: een onderzoek door Netwerk Vlaanderen uit 2007 van de investeringspraktijken van onze grootste banken laat er geen twijfel over bestaan. Enkele voor zich sprekende voorbeelden samengevat:
Het Indische mijnbouwbedrijf Vedanta Resources werd herhaaldelijk veroordeeld voor milieurampen; het doet aan illegale kaalkap in Lanjigarh in Orissa en jaagt er de mensen uit hun huizen. Er wordt gewerkt met goedkope doch verouderde installaties die eerst in 2004 in Tamil Nadu, Indië, en dan in 2006, in Zambia, zorgden voor giframpen ingevolge de lozing van koper- en aluminiumafval. Het criminele bedrijf werkt met kapitaal van onder meer ABN Amro, AXA, Citibank, Fortis, Dexia, Deutsche Bank en ING die er in 2007 bedragen van 0,5 tot 39,7 miljoen dollar hadden belegd. (1)
AviChina is een bedrijf dat oorlogsmateriaal produceert en verkoopt aan landen waarop een wapenembargo van de VN rust, zoals China, Soedan (2006), Birma (Myanmar) (1999) maar ook Colombia, Egypte, Namibië, Pakistan, Sri Lanka en Zambia. In die landen worden de mensenrechten geschonden, er zijn dictaturen met kindsoldaten en er wordt gemarteld. Investeerders in AviChina zijn onder meer ING en ABN Amro. En een gelijkaardige geschiedenis geldt voor wapenproducent EADS die ook aan Nepal levert. EADS wordt mede gefinancierd door ABN Amro, Citibank, Deutsche Bank, Fortis en ING, telkens voor bedragen tussen 45 en 145 miljoen euro. Tot de aandeelhouders behoren ook AXA en KBC. (2)
Het sinds de jaren negentig volledig gedestabiliseerde Congo, dat sindsdien al 4 miljoen oorlogsslachtoffers telt, wordt van zijn natuurlijke rijkdommen beroofd door mijnbouwers zoals Anvil Mining en AngloGold Ashanti, die samenzweren met corrupte groeperingen die zich met hun winst bewapenen. De goudhandel is er een bijzonder bloedige aangelegenheid. Van AngloGold Ashanti bezitten ABN Amro, AXA, Citibank, Dexia, ING en KBC elk aandelen tussen 0,5 en 15,4 miljoen dollar. Onder meer Fortis leende miljoenen aan Anvil Mining en Deutsche Bank had er aandelen. (3)
De genoemde banken hadden ook aandelen in de bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de giframpen in Peru waar de goudkoorts woedt. Gif (cyanide, kwik...) is namelijk een onvermijdelijk bijproduct van de goudontginning uit het opgegraven gesteente. En de plaatselijke bevolking en het milieu moeten het bekopen. Er zijn massale miskramen en allerlei nieuwe kwalen, alleen al in 2002 stierven in Newmont 63.000 vissers door riviervervuiling met zware metalen. Maar de goudzoekerij breidde nog uit en wie zich ertegen verzette, werd vermoord, zoals bijvoorbeeld Edmundo Becerra Corina in november 2006. (4)
Dan is er de supermarktketen Wal-Mart (jaaromzet: 351 miljard dollar) die de rechten van haar werknemers met de voeten treedt. Onderbetaalde kassiersters zijn vandaag overigens ook hier ten lande aan de orde, maar wat Wal-Mart met haar arbeiders doet, tart de verbeelding: een ethische commissie uit Noorwegen spreekt van onder meer gevaarlijke, ongezonde en onderbetaalde kinderarbeid. Tot de aandeelhouders hier behoren alweer ABN Amro, AXA, Citibank, Deutsche Bank, Dexia, Fortis, ING en KBC. (5)
Vervolgens zijn er nog de milieurampen in Papua, de winning van gas door Total en Petrochina in Birma, de goudwinning ten koste van water in het Andesgebergte, de veronachtzaming van de plaatselijke bevolking bij de goudwinning in Guatemala, de oliewinning zonder scrupules in Tsjaad-Kameroen - bedrijvigheden gefinancierd door de vertrouwde banken die ons bij de ontbijtradio zo vriendelijk in de oren klinken... (6)
Er zijn er die zeggen dat het overdreven is om te stellen dat bezit diefstal is, maar het staat als een paal boven water dat wat de ene mens teveel heeft, het tekort is van een ander. Het gezond verstand zegt ons dat de hebzucht slachtoffers moet maken en dat zij om die reden sinds oudsher als een zonde wordt geboekstaafd. De hebzucht kan niet worden botgevierd tenzij ten koste van andermans leven en welzijn. Het principe zelf waarop onze banken teruggaan - het maximale winststreven - is crimineel van aard. Door diefstal komt men nu eenmaal veel sneller en ook veel makkelijker aan rijkdom dan door noeste arbeid. Beleggen in misdaad is daarom veel rendabeler dan beleggen in eerlijke activiteiten en onvermijdelijk zijn de grootste banken dan ook de meest misdadige. Dat zij zich tegelijk uitgeven voor instellingen met hoge ethische standaarden die wetenschappelijk onderzoek en ook kunst en schoonheid financieren, mag ons niet verwonderen eenmaal wij immers weten dat dieven tevens leugenaars en bedriegers zijn. En als zij 'kunst' al geld toestoppen, dan is het zwijggeld uiteraard: "Wiens brood men eet, diens woord men spreekt", vraag dat maar aan die moedige onderzoekster aan de K.U.Leuven die onlangs nog op staande voet ontslagen werd omdat zij een waarheid sprak die een sponsor van de universiteit niet zinde. (7)
Een machtsinstelling die aan haar onderdanen begint uit te leggen wat ze allemaal aan het doen is en waarom, is een geheel verloren zaak. Men kan dit uit ondervinding weten of louter intuïtief, maar in feite is het niet anders mogelijk dan dat een gezag dat zich ertoe genoopt weet om zich tegenover haar volgelingen te verantwoorden, diep aangetast is in haar kern en in feite zichzelf zodoende alleen maar verder opheft. En hier vindt men dan ook de reden waarom bijvoorbeeld de religies als machtsinstellingen zo ongehoord hardnekkig zijn; zij leggen immers helemaal niets uit, ze lappen alle redelijke beschouwingen aan hun laarzen en zij beperken zich ertoe om bevelen uit te delen en dat te blijven doen. Het uitdelen van bevelen is overigens ook de enig mogelijke bestaansreden van machtsinstellingen.
Het is niet minder dan een historische vergissing vanwege een welbepaald type van zich verlicht achtende geesten, dat zij de uitleggerij die zij met de rede vereenzelvigden, zijn gaan beschouwen als de grondslag van het denken zelf, alsof gedachten zich ook maar iets lieten gelegen zijn aan verantwoordingen of aan toehoorders. Maar bij uitstek figuren in de geest van Voltaire en met hem een ganse schare zichzelf als intellectuelen bestempelende 'encyclopedisten' werden mede door de aanslag die zij pleegden op gevestigde machten enkel bekrachtigd in de zielige blindheid van la Raison - die in feite niet meer voorstelt dan een abstrahering van de arrogante gesprekken van een rentenierende burgerij met grootheidswaan.
Elke uitleggerij baadt sowieso in een zweem van leugens wegens de enorme discrepantie tussen, enerzijds, redenen en, anderzijds, beweegredenen of motieven, drijfveren: de eersten verkappen de laatsten in ruil voor de eer die de redenen dankzij de beweegredenen geheel onterecht kunnen blijven opstrijken: la Raison wordt gekoesterd door wie tuk zijn op uitgelezen wijn en dure spijzen met exquise gezellen en het is dan ook de fijnproeverij of het geheel redeloze genot dat aan la Raison zijn raison d' être schenkt - de maag als behoeder der gedachten en, uiteraard, vice versa want het ene plezier is het andere waard.
Maar naast die paradox speelt uiteraard vooreerst de taal, waar omheen alle dingen draaien zoals de planeten cirkelen rond de zon. Het bevel immers heeft geen redenen te geven - die zijn daar evenmin op hun plaats als argumenten dat waren ter staving van de schoonheid van de dingen. Anderzijds blijken redenen op hun beurt en noodzakelijk, uiteindelijk wél te moeten verwijzen naar de werkwoordsvorm die buiten zich geen diepere grond meer heeft, en dat is nu eenmaal het bevel dat men terugvindt in de stenen tafelen van wie heersen.
Wie beveelt, hoeft immers geen uitleg te geven aan zijn onderdanen, aangezien hij hen als geheel de zijne beschouwt, precies zoals de hersenen zonder meer het lichaam kunnen gebieden om bijvoorbeeld op de loop te gaan omdat het nu eenmaal de hersenen van dat lichaam zelf zijn. Uiteraard moet de heerser zijn onderdanen dan wel, zoals gezegd, effectief beschouwen als de zijne: zijn zorg voor hen moet dezelfde als zijn zelfzorg zijn en tussen hem en de zijnen moet altijd een volstrekt vertrouwen heersen. Valt dat eenmaal weg, dan is de eenheid zoek die ook de voorwaarde voor de samenwerking was en dan is er verder tot gehoorzaamheid geen enkele reden meer.
Alle uitleggerij is steeds en noodzakelijk een uitleggerij van feiten, terwijl feiten zaken zijn waaraan niemand kan ontkomen, wat hen dan ook op het talig niveau tot zuivere imperatieven maakt. Als het een feit is dat het regent, dan zeggen wij wel: "Het regent", alsof het ging om een daad van een instantie welke eventueel door een andere beïnvloedbaar was. Maar van beïnvloeding kan hier nimmer sprake zijn, alleen al omdat er geen instantie is die beïnvloed kon worden, en daarom is het feit dat het regent gelijk aan een bevel zonder meer: er valt niet aan te tornen want het is absoluut, het stamt uit een andere wereld die deze der gewone werkwoorden overstijgt.
Gewone werkwoorden worden bemand door individuele actoren zoals paarden worden bereden door ruiters: als men de naam van een ruiter roept, dan brengt die zijn paard tot stilstand en dan zal hij gebeurlijk rechtsomkeert maken. Maar bevelen worden niet op hun beurt door derden bestuurd omdat zij zelf het nu zijn die sturen. Waar wij bevelen ontvangen, zijn we immers zelf de paarden onder het juk der ruiters, en wat wij uitschreeuwden ten gehore van de andere paarden, zou ons toch niet baten want waren wij paarden dan spraken wij niet.
Waar instanties afgezakt zijn naar de uitleggerij, hebben zij hun onderdanen reeds voorgoed verloren, en het feit dat zij aan hen ook uitleggen wat zij doen en waarom dan wel, toont dit onmiddellijk aan. En in dat schuitje zitten nu eenmaal alle instellingen die zijn voortgekomen uit de Verlichting en uit het tijdperk van de rede: met de rede geloofden zij aanhangers te kunnen maken, en zo zijn zij reeds van bij hun prille begin ten prooi geweest aan het diepst mogelijke verval.
Dat machtsinstellingen mét macht zonder meer bevelen geven, betekent echter niet dat ze die activiteit niet kunnen verkappen: als zij niet van gisteren zijn, dan zullen ze dat ook doen, en niet in het minst onder de dekmantel van uitgerekend... uitleggingen allerhande! En het schoonste voorbeeld vinden we warempel hier bij ons, met name in ons gouden kalf, de Europese instellingen met aan het hoofd de banken. Europa functioneert ten langen leste als verzekeringsinstelling voor de banken: als een land, dat sowieso zichzelf moet lenen en eindeloos afbetaalt, in het failliet dreigt te belanden zodat de banken aan wie het zichzelf afbetaalt naar hun centen dreigen te zullen mogen fluiten, welnu, als de nood zo hoog wordt voor het kalf, dan springen de andere landen bij - ziedaar de ultieme bedoeling van de Europese Unie. Zij is een samenzwering, niet van landen maar van banken en dus van een anoniem en alles beheersend kapitaal. Geld, aanvankelijk een betaalmiddel, is doel geworden en meer dan dat: geld beveelt, geld vaardigt de wetten uit, geld is God.
In het welhaast ondraaglijke licht van de trieste waarheid van onze dappere nieuwe wereld staan alle uitleggingen dan ook ten dienste van die ene leugen van het geld die al het andere verteert. Waarheden spreken niet langer vanzelf: zij worden het zwijgen opgelegd en ándere waarheden worden met subsidies gepromoot. Dankzij subsidies worden nieuwe waarheden gescandeerd en dan herhaald, precies gelijk bevelen, immer zonder uitleg, en vraagt men uitleg, dan staat men nooit voor een muur van stilte doch wordt men steeds vergast op een orkaan van explicaties zonder einde.
Of dan toch mét een einde, want ook orkanen krijgen niet het laatste woord: na hen is er immers nog de dood. Want ook het feit bij uitstek waartegen geen verhaal is, is een imperatief. Is het niet hier dat alle andere machten hun mosterd halen?
(J.B., 19 juni 2011)
06-06-2011
Schimmige kwalen en dure kuren
Schimmige kwalen en dure kuren
Nu een KUL-onderzoekster en verdedigster van de Wetterse actievoerders tegen de promotie van genetisch gemanipuleerde aardappelen ontslagen dreigde te worden na kritiek op de sponsor, wordt het tijd om aan te kondigen dat reeds op 31 maart 2011 de firma Monsanto door duizenden boeren, gegroepeerd in de Public Patent Foundation, in New York voor de rechtbank werd gedaagd: genetisch gemanipuleerde gewassen die in weerwil van hun beloften helemaal niet vruchtbaarder en sterker zijn dan voorheen en die bovendien mens en milieu vergiftigen, kunnen immers onmogelijk gepatenteerd worden. (1)
Dat genetisch gemanipuleerde gewassen ongezond zijn, mag blijken uit wetenschappelijk onderzoek naar bijvoorbeeld transgene maïs. (2) Maar dat onafhankelijk onderzoek systematisch door corrupte politici tegengehouden werd, is nog een ander paar mouwen. (3) Vervolgens blijkt er helemaal geen sprake van de beloofde verhoogde opbrengst van de genetisch gemanipuleerde gewassen tegen allerlei ziekten, evenmin als van een grotere resistentie tegen ziekmakers.
Monsanto, een chemiereus genoemd naar de vrouw van de stichter en patenteerder van honderden gewassen, startte in 1901 met de productie van de kunstzoetstof saccharine, die werd afgenomen door Coca-cola, en is tevens de producent van het kankerverwekkende ontbladeringsmiddel 'Agent Orange' dat in 1960 door de USA in de Vietnamoorlog werd ingezet en ten gevolge waarvan aldaar ook vandaag nog kinderen gehandicapt ter wereld komen, waaronder duizenden gevallen van de gevreesde open rug of ' spina bifida'. (4)(5) Het Amerikaanse bedrijf heeft ook in België fabrieken, met name in Gent, Antwerpen en Waver. Het is overigens niet het enige chemische bedrijf dat zich bezig houdt met gentechnologie; andere bekende firma's in dat genre zijn onder meer Nestlé, Bayer en BASF. En dat het hier gaat om bijzonder veel geld mag blijken uit het feit dat in de lijst van de koplopers met (alvast in onze contreien) de grootste jaaromzet de chemiereuzen (chemische plus farmaceutische industrie) nog torenhoog uitsteken boven hun opvolgers, zijnde de industrieën van de voeding, de bouw en de auto's. (6)
Of de genetische manipulatie van gewassen hun productie en kwaliteit kan verbeteren, is op zijn zachtst uitgedrukt nog zeer de vraag, en het ziet er naar uit dat dit probleem zich herhaalt in tal van andere sectoren welke zich aanbieden als verbeteraars van het leven in al zijn vormen en als bestrijders van kwaad en kwalen. Als men steeds vaker ziet dat garagisten uit winstbejag aan motoren gaan knoeien, en computerdeskundigen meehelpen aan het verspreiden van virussen, dan hoeft het ook niet te verwonderen dat de dichter bij ons lijf staande zorginstellingen op deze regel geen uitzondering vormen, zoals reeds Ivan Ilich dat aantoonde, inmiddels al een halve eeuw geleden. (7) Wij worden bestolen door de slijters van antidiefstalsystemen, we geraken ondervoed door de schuld van de voedingsindustrie, op school leren we het af om ons verstand te gebruiken en we worden ziek gemaakt door de geneeskunde.
Die laatst genoemde vaststelling komt niet uit de lucht vallen: dat de levensverwachting van geneesheren ettelijke jaren lager ligt dan die van de doorsneeburger, roept op zijn minst vragen op. Trouwens samen met de eigenaardige vaststelling dat in de buurt van nierklinieken meer nierpatiënten wonen en nabij hartklinieken, meer hartlijders. Gelijkaardige verbanden vindt men trouwens ook tussen locaties met ouderlingentehuizen en dementerende bejaarden of tussen verblijven van onbeholpen kinderen en locaties waar crèches en scholen gevestigd zijn: de hulp komt niet alleen de nood tegemoet maar zij voedt hem ook omdat zij de zelfredding dwarsboomt, en op die manier vragen mensen er uiteindelijk om, bedrogen te worden in de leniging van hun noden. Eenmaal het perverse handeltje een voet in huis heeft, is de stap naar de creaties van (mits fikse vergoedingen te lenigen) schijnnoden nog bijzonder klein, en hetzelfde geldt dan uiteraard voor de behandeling van schijnziekten.
De zeer sterk overtrokken heisa rond de zogenaamde Mexicaanse griep ligt ons nog vers in het geheugen, en nu dreigt men met de hersenkanker-verwekkende gsm-straling en de dure schijnremedies daartegen (zoals vorig jaar die kostelijke grap van Omega Pharma), ofschoon beweerd wordt dat de straling van de TV-antennes van weleer ontelbare keren sterker was dan deze die uitgaat van de huidige gsm-masten. Maar wat gezegd van enkele 'alternatieve' theorieën over werkelijk epidemische ziekten zoals aids en kanker? Zij stellen namelijk dat deze ziekten helemaal niet bestaan, of dan tenminste toch dat hun bestaan heel anders is dan aan het publiek wordt voorgehouden.
Zo schrijft de Vlaamse, in Colombia en Guatemala werkzame ingenieur Guy Denutte, lid van Rethinking Aids, dat Aids wellicht geen overdraagbare virusziekte is maar een immuniteitskwaal ingevolge heel andere oorzaken. Tevens zou het nu ook vaststaan dat de vroeger gebruikte aidsremmer AZT, het immuunsysteem ondermijnt in plaats van het te versterken. (8)
Deze theorie doet hoe dan ook heel sterk denken aan de eveneens het immuunsysteem vernietigende hedendaagse kankertherapieën met chemo en bestraling, welke volgen op een diagnose die de niets vermoedende patiënt die zich te goeder trouw aan een preventieve test heeft onderworpen, geheel van zijn stuk brengt: "Meneer, mevrouw, u hebt geluk dat we het misschien nog tijdig in de gaten kregen, maar u hebt kanker en u gaat dood, tenzij u nauwgezet onze behandeling volgt en dit met onmiddellijke ingang!" Doodsbenauwd laat vervolgens een zich zopas nog kerngezond voelende patiënt zich behandelen met gif dat hem doodziek maakt want het ondermijnt uitgerekend de afweer welke hij in feite broodnodig heeft tegen de kanker die men hem misschien alleen maar heeft aangepraat.
Maar radiologen op rust durven al eens uit de biecht te klappen en dan vertellen zij in allerlei weekbladen dat wij eigenlijk allemaal kankercellen in ons hebben, maar dat ons immuunsysteem het aantal daarvan binnen redelijke perken houdt. Overigens wéét men helemaal niet, zo verklappen zij ons, welke weg zelfs een kwaadaardige kankercel op zal gaan: zij kan immers ingekapseld worden of gewoon verdwijnen en worden afgevoerd; zij hoeft helemaal niet te ontwikkelen tot een dodelijk gezwel of uit te zaaien naar het hele lichaam; en dat hangt grotendeels af van de gezonde werking van... ons immuunsysteem. Bovendien, zo zeggen zij, kunnen wij op Röntgenfoto's eigenlijk maar weinig zien en moeten wij bijgevolg interpreteren, gegevens samenleggen, overleggen en beslissen of we een behandeling zullen overwegen. Het is allemaal niet zo zwart-wit hoor, zo zeggen zij: het is meer een zaak van statistische gegevens, percenten, kansen.
En dat is met meer ziekten het geval, maar dus ook met de grote hedendaagse killers zoals aids en kanker en dat maakt het natuurlijk allemaal wel heel luguber, aangezien het verschil tussen leven en dood zo vreselijk abrupt is, terwijl een diagnose een zaak blijkt van twijfel, wikken en wegen, en tenslotte een knoop doorhakken, wat eigenlijk een vorm is van blind gokken.
Eén grote zekerheid speelt door dit ganse verhaal en pas deze zekerheid die nimmer twijfel duldt, laat ons in deze geschiedenissen soms met een misselijk makende kater achter: de zekerheid namelijk dat de kosten voor de kuren, ook als zij niet helpen kunnen, tot de laatste eurocent aan de belovers van mogelijke genezing en van beterschap betaald zullen worden, door wie dan ook.
Overtrokken, zegt u? Onmogelijk dat mensen tot dit bedrog in staat zijn? Nog onmogelijker dat mensen zich in die mate zouden laten bedotten? Welnu, amper een halve eeuw geleden, toen hier nog niet de wetenschap maar wel de kerk het voortouw nam en heilig was, kon men het volgende in de biechtstoel horen: "Meneer, mevrouw, u hebt zeer zwaar gezondigd maar wat een geluk dat we het nog tijdig in de gaten kregen: uw ziel is er zeer erg aan toe en, als we de hel kunnen vermijden, wordt dit alvast een zeer langdurig vagevuur. Edoch, als de nood het hoogst is, is de redding nabij; u kunt namelijk aflaten kopen en dat scheelt direct een slok op de borrel!" En meneer of mevrouw die zich tot dan toe van geen kwaad bewust was, stond nu doodsangsten uit, omwille van die zwarte ziel, en haastte zich om gauw die schulden af te kopen die hem of haar misschien alleen maar waren aangepraat.
ISBN 0-394-71245-5 (In het Nederlands vertaald door D. L. Uyt den Bogaard en verschenen onder de titel: Grenzen aan de geneeskunde: het medisch bedrijf - een bedreiging voor de gezondheid? - Bussum, Wereldvenster, 1975 plus herdrukken).
Heil Hitler! - de groet aan de dictator aan wie alle heil wordt toegewenst, lijkt te behoren tot een ver verleden, maar bij nader toezien blijkt niets minder waar dan dat: allang immers hebben andere en meer verborgen dictaturen zijn plaats ingenomen - dictaturen die er even goed in slagen om van vrijwel alle onderdanen alvast in 't openbaar de volle steun en instemming af te dwingen en, zoals altijd, beseffen de onderdanen nauwelijks of helemaal niet dat het onder dwang is dat zij groeten, steun betuigen en desnoods de tegenstanders 'afmaken'. Het zal meer nieuwslezers opgevallen zijn dat de reacties op de acties in het Wetterse veld met genetisch gemanipuleerde aardappelen, bijzonder eendrachtig waren en ook even onnadenkend en zelfs plat. Maar wat meer is: wie oplette, kon ook zien hoe in de ochtend van 31 mei, kritische en doordachte lezersreacties gewoon van het net verdwenen zónder dat zij leugenachtig of beledigend waren.
We weten dat de media gemanipuleerd worden door de machthebbers. In 1990 noemde de - nota bene linkse! - filosoof Jaap Kruithof in zijn colleges Ethica het toen nog niet door het Vlaams Blok ingenomen 't Pallieterke "het enige onafhankelijke blad in Vlaanderen". Verworden tot een roddelblad, helaas, want ook daar circuleren slechts anonieme meningen; het anonieme waarbij men zelf immers niks risceert, heeft iets van het laffe terrorisme. Over de andere kranten, tijdschriften en radio- en TV-zenders weten wij sinds lang dat hun agenten in handen zijn van enkelingen die het kapitaal beheren en die de media dan ook in dienst daarvan stellen, wat in de praktijk neerkomt op desinformatie via het achterhouden van de waarheid en het verspreiden van leugens op manieren die de wet niet kan bestraffen. Het relatief nieuwe medium internet lijkt aan de informatievervalsing door potentaten vooralsnog te kunnen ontsnappen, maar een lang leven blijkt die nieuwe vrijheid jammer genoeg niet beschoren, als men ziet hoe de oude en gecontroleerde media hun best doen om dat nieuwe nieuwsveld te bezetten, de kritiek incluis, en dat zijn de lezersreacties, de vrije mening en tenslotte ook de waarheid. En ook inzake het bedrog der genetische manipulatie van planten, blijken de machthebbers hun uiterste best te doen om het debat in de kiem te smoren en, als dat niet lukt, om de waarheid daaromtrent te beletten aan het licht te komen.
"Quod est veritas?" - aldus wimpelde Pilatus Christus af toen deze zegde dat Hij gekomen was om van de Waarheid te getuigen, en blijkbaar begreep de vertegenwoordiger van de wereldse macht ook toen al niet dat de waarheid nergens anders zijn kracht kan halen dan precies uit het getuigenis dat men bereid is daarvoor af te leggen. Niet door terreur te zaaien maar daarentegen door alle kwaad ten spijt de waarheid aan het licht te laten komen - al is deze uitdrukking hier nog ontoereikend aangezien de waarheid het licht zélf is, en dus datgene wat de dingen tot hun recht laat komen.
De waarheid omtrent genetische manipulatie van landbouwgewassen is helemaal niet zo moeilijk te achterhalen, alleen zorgt corruptie, ook binnen de vooralsnog heilig gewaande wereld van de wetenschap ervoor dat feiten worden verdonkeremaand. Herinner u die geldgroep die metalen niemendalletjes ter grootte van een muntstuk voor de prijs van 50 euro via de apothekers op de markt wilde brengen: niemendalletjes die kwade gsm-straling zouden neutraliseren. Geen enkele apotheker protesteerde, geen enkele agent uit de medische sector kloeg de zoveelste op til zijnde volksplundering aan, totdat een Leuvense professor voor de camera voor jan met de pet in drie tellen aantoonde dat het inderdaad ging om puur bedrog. Als Milgram reeds in de zestiger jaren wetenschappelijk want experimenteel aantoonde dat driekwart van alle mensen zonder onderscheid van rang of stand bereid zijn om voor winst te moorden als zij niet zullen worden vervolgd, dan mag het ons eigenlijk niet meer verwonderen dat het overgrote deel der mensen met het oog op winst bereid zijn om anderen te bestelen waar zij dat kunnen. Als zij bovendien daartoe de naam van de wetenschappen gebruiken, dan brengen zij aan de wetenschap onnoemelijke schade toe.
Wie herinnert zich niet de zaak rond de Roemeense augurken die hier het nieuws haalde in april 2007, nadat Roemenië was toegetreden tot de Europese Unie? Die zaak van
genetische manipulatie in politieke handen, zat als volgt in elkaar. De Roemeense boeren zijn - of waren - meesters in het kweken van augurken. Tot voor kort waren Roemeense augurken de meest smaakvolle ter wereld. Maar sinds dit land lid werd van Europa, kwam daar verandering in: de cultuur van de uiterlijke schijn herleidde de trots van de nieuwkomer nu tot een welgevormde doch smaakloze en fletse vrucht. Aan de boeren werd voortaan namelijk gemanipuleerd augurkenzaad opgedrongen dat dergelijke mooi ogende en dus goed verkopende doch waardeloze vruchten opleverde. Bovendien: het gemanipuleerde zaad leverde augurken op die zelf geen bruikbaar zaad meer voortbrachten, zodat de boeren telkenjare verplicht werden om het dure zaad her aan te kopen bij hun Europese leverancier. (1)
Wat er met de genetische manipulatie van aardappelen aan de hand is, is een vergelijkbaar euvel. Wetenschapslui die de techniek van de genetische manipulatie der gewassen verdedigen, beseffen vaak niet dat zij meehelpen aan een schromelijke misleiding van het publiek. Zij doen dat door het punt van discussie te verkappen met een geheel vals item, want dat de gentechnologie een forse (en noodzakelijke) verbetering van de landbouwgewassen kan betekenen, wordt door het merendeel van het publiek geloofd. Het punt van discussie is echter dat de door rijk én arm gefinancierde wetenschap in handen van de industrie en van de handel, andermaal zal resulteren in het groter worden van de kloof tussen rijk en arm.
En die kloof zal groeien omdat wij allemaal verplicht worden om genetisch gemanipuleerde gewassen te kweken - de oude gewassen kunnen immers niet concurreren met de nieuwe. Maar op de nieuwe moeten wel auteursrechten worden betaald aan wie aan de oorspronkelijke genen hebben gesleuteld. Dit alles, afgezien van het feit dat het hier gaat om onterechte rechten omdat sleutelen aan genen zeker niet betekent dat men iets schept. Er worden patenten toegekend die eigenlijk de plant zelf betreffen, alsof de manipulator inderdaad de schepper was. Deze behandeling van planten is vergelijkbaar met de huidige politieke behandeling van mensen: wij worden als mens ondergeschikt gemaakt aan ons burgerschap, aangezien wij niet eens als mens worden erkend als wij geen bewijzen van burgerschap kunnen voorleggen. Men herinnere zich het Europese strafhof dat nog niet zo lang geleden een vrouw die haar kind aborteerde in het gelijk kon stellen met het argument dat het kind nog niet geboren was en dus nog geen burgerrechten genoot. Niet het leven, doch het burgerschap wordt beschermd: de arrogantie van politici bestaat erin dat zij zich gedragen alsof het leven van het burgerschap afhankelijk was. Dat laatste proberen zij inderdaad te bereiken, al kunnen zij dat nooit doen op een scheppende manier, wel immer op een vernietigende manier, met name door het leven dat niet wil buigen voor het gouden kalf, om te brengen.
In twee woorden hebben bepaalde wetenschapslui het misschien wel goed voor met die aardappelen die zij moeten verbeteren, zeker met het uitblijven van een oplossing voor het probleem van de overbevolking in het vizier, en het publiek ziet ook wel in dat dit op zich geen kwaad kan zijn. Maar andermaal wordt blijkbaar noch in wetenschappelijke kringen noch daarbuiten goed beseft hoe gevaarlijk goede dingen in verkeerde handen kunnen zijn, of beter: hoe de goede dingen al bijna onherroepelijk in die verkeerde handen zijn terechtgekomen, aangezien het middel doel geworden is en het doel, middel.
Overigens is de middel-doelomkering allerminst de enige stelling van Karl Marx, die daarmee op zijn beurt voorafgegaan wordt door niemand minder dan Sint-Augustinus die dit euvel al meer dan duizend jaar eerder aankaartte: ook de stelling over de diefstal van de productiemiddelen is Marxistisch én niet nieuw. De stelling luidt summier dat uitbuiting bestaat waar niet de arbeider doch de bezitter der productiemiddelen de vruchten van het werk plukt. Ten tijde van Marx, en dus in de tijd der Industriële Revolutie, werden onder productiemiddelen de dure stoommachines verstaan, die de fabrieken deden draaien. Maar kijk, wie had ooit kunnen denken dat het meest eenvoudige en oorspronkelijke productiemiddel van de landbouwer hem zou kunnen worden ontvreemd: het zaad waarmee de boer zijn land bezaait?
Van de hand van de Russische kunstschilder Nikolai Ge bestaat er een schilderij uit 1890 met daarop afgebeeld Christus voor Pilatus. Christus heeft zopas gezegd dat Hij komt om te getuigen van de Waarheid (Joh. 18, 37), waarop een gesticulerende Pilatus antwoordt: "Quod Est Veritas?" - "Wat Is (de) Waarheid?" (Joh. 18, 38).
De waarheid is een zaak die uitgesproken wordt, ze behoort tot de uitgesproken dingen. Ook leugens behoren tot de uitgesproken dingen maar met die twee zaken zijn niet alle uitgesproken dingen genoemd, er zijn immers ook nog de bevelen, de vragen, de aanzoeken en zo meer. Die laatste uitspraken zijn noch waar noch onwaar want het zijn veeleer daden en van daden kan men niet op een betekenisvolle manier zeggen dat ze waar of onwaar zijn. Maar misschien zijn ook ware en onware uitspraken daden?
Waarheden en leugens zijn niet zozeer uitspraken die al dan niet in overeenstemming zijn met datgene waarover iets gezegd wordt. Immers, werd de waarheid zo gedefinieerd, dan ging men ervan uit dat de toestand waarvan sprake, op zichzelf bestond en dus onafhankelijk van een waarnemer. Maar dat is nimmer het geval. Vandaar moeten de waarneming en de waarnemer betrokken worden in de definitie van de waarheid, en zij klinkt dan veeleer als volgt. Wie de waarheid spreekt, vertelt aan een ander datgene waarvan hij zélf gelooft dat het werkelijk is - behoudens wanneer hij zich vergist; wie daarentegen liegt, vertelt aan een ander iets anders dan datgene waarvan hijzelf gelooft dat het werkelijk is - al kan hij ook per vergissing en dus ongewild de waarheid spreken. En deze definitie relateert de waarheid, die steeds een uitgesproken zaak is, aan het vertrouwen dat men al dan niet kan hebben in diegene die de uitspraak doet.
Als men de waarheid (van een ander) moet vernemen - en dat is per definitie het geval aangezien de waarheid steeds een uitspraak ís - dan ként men hem uiteraard ook niet en dan rest slechts het vertrouwen in die ander. De waarheid brengt aldus onafwendbaar het vertrouwen mee, en zo ook de onzekerheid. Waarheid en zekerheid kunnen derhalve nooit samengaan. De waarheid is een uitspraak en dus een mededeling - per definitie door een derde, in wie men zijn vertrouwen dient te stellen. Edoch, als de waarheid uitspraken betreft over dingen die men onmogelijk zelf kan waarnemen, dan geeft zij samen met de onafwendbare onzekerheid ook kennis die men niet uit zichzelf kan opdoen.
Over datgene waarvan ik geloof dat ik het zelf kan vaststellen, hoef ik geen uitspraken te doen omdát ik het rechtstreeks kan ervaren. Als het regent, dan ervaar ik dat en dan hoef ik niet nog eens tot mezelf te zeggen dat het regent. Die ware uitspraak is pas nodig als ik aan een ander die dit niet zelf kan ervaren, wil mededelen dat het regent. Zolang er geen derden zijn aan wie de waarheid medegedeeld moet worden - derden die per definitie niet zelf kunnen ervaren dat het bijvoorbeeld regent - is de waarheid een volstrekt overbodige zaak. De waarheid betreft derhalve altijd de ervaringen van een ander, ervaringen welke worden medegedeeld.
Als ik de waarheid zoek, dan houdt dat in dat ik geïnteresseerd ben in ervaringen die ik zelf moet missen. Door over ervaringen die ik zelf moet missen, in uitspraken te vernemen, kan ik mij een idee vormen over die ervaringen bij anderen, en dus ook over die anderen. De waarheid is dan iets dat mij met die anderen, die hem spreken, verbindt.
Zeggen dat de waarheid een uitspraak is die in overeenstemming is met de realiteit, is beweren dat uitspraken buiten de realiteit staan. Het zogenaamde congruentiecriterium ter bepaling van wat waarheid is, is derhalve onzinnig. Waar immers zou men moeten gaan staan om vast te kunnen stellen of een reële zaak al dan niet overeenkomt met een zaak die buiten de realiteit stond? Andermaal: de waarheid is geen zaak van congruentie; de waarheid is een zaak van verbinding of van eenmaking van personen.
Als Christus van zichzelf zegt dat Hij de waarheid is, dan zegt Hij derhalve dat Hij de verbinding is tussen verschillende personen, de eenmaking van personen. Hij zegt dan van zichzelf dat Hij een (ware) uitspraak is die door een ander wordt gedaan. Zo wordt duidelijk wat het betekent dat het Woord Vlees geworden is: Jezus is het Woord (of de Naam) van God (de Vader). Om het met een analogie te zeggen: zoals een mens zijn woorden spreekt, zo spreekt God zijn schepselen.
Bekijken we andermaal het schilderij van Nikolai Ge, dan zien we een wereldse machthebber die geheel blind blijkt voor de Waarheid. Omdat hij in de Waarheid geen kwaad kan vinden, levert hij die over aan de massa welke hij vertegenwoordigt: zij immers kiest voor het bedrog, zij wil de Waarheid dood. Derhalve is de leugen datgene wat alle samenhang ontbindt. De waarheid is het leven, de leugen is de dood.
(J.B., 14 mei 2011)
03-05-2011
De macht van de lach
De macht van de lach
Op de eerste rij zitten politici die hier de commissie tegen kindermisbruik in de kerk hebben opgericht. Op de eerste rij bij de plechtigheid van de zaligverklaring. De zaligverklaring van de man die het kindermisbruik binnenskerks en uit de handen van het gerecht wilde houden. Zij zitten op de eerste rij, overigens geflankeerd door een ander staatshoofd dat voor gelijkaardige feiten wordt vervolgd en dat vooralsnog moet wachten op zijn zaligverklaring. Trouwens net zoals vadertje Stalin, met miljoenen doden op zijn geweten, wiens gebalsemde lijk nog dagelijks door tallozen wordt bezocht: men zegt dat hij als sint het tanende geloof wel eens uit het slop zou kunnen halen. En voor de slechte verstaanders nog dit. Met betrekking tot de zaligverklaarde gaat het overigens niet over valse beschuldigingen of insinuaties: in de Verenigde Staten hebben de slachtoffers van kindermisbruik het Vaticaan jaren geleden wegens verdoezeling van kindermisbruik voor de rechter gedaagd en gelijk gekregen, de kerk heeft miljarden dollars aan schadeclaims betaald, er is geen twijfel mogelijk.
Zo tart de plechtigheid van de dag werkelijk alle verbeelding en hier en daar vraagt men zich af hoe dit dan mogelijk is. Maar kijk, een reporter steekt de micro onder de neus van vier, vijf bezoekers uit de miljoenenmassa die daar samentroept in een onwereldse extase, en allen zeggen ze hetzelfde: "Sancto subito voor deze paus, want hij is sympathiek, hij lacht!" Vraagt dan de reporter of ze de huidige paus niet zien zitten. "Die hoeven wij niet, hij is immers een zuurpruim!", zo klinkt prompt de motivatie.
En ja, ook Stalin had een brede lach, en ook dat staatshoofd op de eerste rij daar lacht zijn tanden bloot.
We hoeven alvast niet langer te wachten op het tweede wonder, de heiligverklaring kan zo meteen van start gaan.
(J.B., 3 mei 2011)
20-04-2011
Een vijfde raadsel van de sfinx: Pasen
Een vijfde raadsel van de sfinx: Pasen
We weten al dat een kapitalistische economie gebouwd is op een asociaal concurrentiemodel dat veel meer verliezers creëert dan winnaars en dat het 'geluk' reduceert tot een kwestie van sociale vergelijking. En winnaars willen vooral tonen dat zij geen schooiers zijn, met andere woorden: dat zij bij anderen geen schulden hebben. Maar omdat de rijkdom een te verdelen taart is, zijn diegenen die overvloed kennen verantwoordelijk voor het tekort van de armen. De conclusie luidt dat uitgerekend zij die zonodig hun schuldenloosheid willen tonen, de eigenlijke schuldigen zijn. De vraag rijst uiteraard of deze paradox alleen betrekking heeft op louter financiële zaken, ofwel of ook in bredere zin sprake kan zijn van schuld en schuldenloosheid.
Om te beginnen krijgt de evangelische waarschuwing: "veroordeelt niet opdat gij niet veroordeeld wordt!", al even weinig navolging als het gebod: "bemint uw vijanden!" Maar over het principe van de vergeving dat in het christendom in de plaats zou treden van dat van de wraak, hebben wij eerder kunnen betogen dat dit beschaafde beginsel geenszins gratuït is. Christelijke vergeving is immers pas mogelijk in Christus' naam, en wel omdat de Heiland reeds met zijn bloed in onze plaats betaalde voor de menselijke zonden. De schuld wordt met andere woorden dus helemaal niet zomaar weggeveegd alsof ze er niet was; het tegendeel is waar: vergeving geschiedt uitdrukkelijk in de naam van het Lam dat de wraak immers al onderging.
In één adem echter wordt het geslachtofferde Lam genoemd met de onschuld, wat wil zeggen dat onrecht geschiedt ten bate van de schuldigen. Maar dit is uiteraard onmogelijk tenzij het allemaal uitgaat van ónschuldigen die uit vrije wil de schuld van anderen op zich nemen, dragen en betalen. Dat laatste doen uiteraard alleen zij die de schuldigen nog meer beminnen dan zichzelf; zij die geen onderscheid meer maken tussen zichzelf en hun beminden, en zij doen het ook graag omdat zij hierdoor tegelijk aan anderen de liefde die zij voelen, kunnen tonen.
Wie geloofden dat een veroordeelde die schuld aflost, ook schuldig en misdadig ís, kunnen zich dus flink vergissen. Immers, voor hetzelfde geld heeft wie aan 't kruis gaat hangen slechts hartstochtelijk de eigenlijke misdadigers lief. De veroordeling en de straf die in primitieve ogen enkel een teken waren van een wetsovertreding, blijken in werkelijkheid ook een signaal te kunnen zijn van een veel hoger staande wet die met die van schuld en boete helemaal geen uitstaans meer heeft. Is het dan onmogelijk dat in deze wereld de Messias die ons uitnodigde om Hem te volgen, intussen zoveel volgelingen heeft dat menig veroordeelde vandaag dat enkel is in schijn, terwijl hij wezenlijk een christen is die van die hogere wet getuigt door het Lam te volgen op dat moeilijke maar enig zaligmakende pad, dat echter geheel onzichtbaar blijven zal voor ogen die zich zonder schulden wanen?
(J.B., 20 april 2011)
Naar andere vormen van samenleven
Naar andere vormen van samenleven
De onmenselijkheid aan de winnende hand?
"De normale doorsneemens wenst zijn buurman niets kwaads toe. Hij verlangt rijkdom, welvaart. Hij verlangt echter geen armoede van zijn naaste. Desondanks schaadt hij zijn naaste voortdurend, want in de huidige organisatie betekent welvaart van de een altijd armoede van iemand anders. Wat de een wint moet de ander verliezen. Het streven van een ieder gaat niet naar gemeenschappelijke arbeid, maar naar persoonlijke winst",
aldus Frederik van Eeden in paragraaf 13 van zijn De geestelijke verovering der wereld, een tekstuit 1933.
Op een duidelijkere manier kan men niet zeggen dat rijkdom is zoals een te verdelen taart. In een kapitalistische wereld die drijft op concurrentie wordt de taart niet verdeeld, maar ligt zij te grabbel voor wie er het rapste bij zijn. Concurrentie zou een gezonde onderlinge wedijver moeten zijn, zoals het voorvoegsel 'con' (van 'com') suggereert, dat immers 'samen' betekent: een wedijver met als doel het beste uit alle deelnemers te halen. Maar in de praktijk is concurrentie gewoon een ander woord voor het recht van de sterkste.
De uitdrukking 'recht van de sterkste' is in feite een contradictio in terminis omdat de wet van de sterkste geen andere rechten kent dan deze die men zich toe-eigent met geweld. Vandaar heeft de wedijver in een concurrentiële economie in wezen geen menselijk karakter en kan het doel dat haar zou moeten rechtvaardigen slechts een leugenachtig alibi zijn. Als menselijkheid wordt gekenmerkt door medemenselijkheid, dan brengt concurrentie niet het meest menselijke naar boven maar daarentegen datgene wat het eigen belang kan dienen.
Omdat de rijkdommen van de aarde beperkt zijn, zal wat de ene teveel heeft, het gebeurlijke tekort van de ander betekenen. In een humaan perspectief wil dat zeggen dat de verantwoordelijkheid voor de menselijke noden een gedeelde kwestie is: voor de nood van de ene moet de ander verantwoording afleggen; het recht van de ene is de plicht van de ander; het tekort van de ene is het teveel van de ander. Een systeem van concurrentie staat de menselijkheid a priori tegen omdat het nastreven van de eigen winst onvermijdelijk gepaard gaat met het zoeken van de nederlaag van de tegenstrever, wat bezwaarlijk kan harmoniëren met de wil om voor de ander zorg te dragen. Waar in een concurrentieel systeem sociale zekerheid wordt ingebouwd, kan het derhalve slechts de zorg betreffen om de aan gang zijnde concurrentie te continueren, wat iets heel anders is dan de naastenliefde. De arme wordt in stand gehouden omdat hij voor de rijke onontbeerlijk is.
Tot de beperkte rijkdommen van de aarde behoort onder meer en in feite in de allereerste plaats het nageslacht, en zo zegt en zingt men alom ook dat onze kinderen onze grootste rijkdom zijn, terwijl ook die rijkdom noodzakelijk beperkt zal wezen. Omdat humaniteit een eerlijke verdeling van de rijkdommen der aarde vereist, mag ook inzake het recht op een nageslacht niet gediscrimineerd worden.
Het systeem van onderlinge concurrentie tussen mensen is per definitie onbegrensd, en zo wordt het ook geïntroduceerd in wat men de wereld van de 'pre-mensen' kon noemen: het ene genetische materiaal gaat als het ware een wedloop aan met het andere, maar dan wel in wedstrijden waarvan de regels worden bepaald door een overkoepelende wereld waarin de maatstaven feitelijk onmenselijk zijn. De onmenselijkheid van het recht van de sterkste wordt dan als het ware in de genen van een volk of van de hele mensheid ingebouwd als ideaal, en wat niet beantwoordt aan het vereiste criterium, wordt de toegang tot het bestaan ontzegd, en dus al van voor er sprake kan zijn van daadwerkelijke wedijver.
Het recht van eenieder op een nageslacht kan niet worden gerespecteerd in een concurrentiële economie omdat verwacht wordt dat 'zwakkere' kinderen de levensnoodzakelijke winsten zullen kelderen. Onvermijdelijk zal zwakheid met menselijkheid worden geïdentificeerd, wat dan moet resulteren in de verdere marginalisering van het menselijke.
Deugdzame wedijver?
Het menselijke lijkt niet verenigbaar met het concurrentiële terwijl, anderzijds, het totaal verdwijnen van elke wedijver een lethargie voedt die aan het leven alle nieuwheid onttrekt, zoals in de steriele vormen van het socialisme. Er moet dus worden uitgekeken naar een methode welke toelaat dat die twee - menselijkheid en concurrentie - kunnen coëxisteren.
Tot dusverre bestáát die methode ook, zij het binnen de goed afgebakende grenzen van een spel, met name als datgene wat wij kennen als de sport. Tenminste daar waar het gaat om nog 'sportieve' takken van de sport: sporten die vooralsnog gevrijwaard bleven van de onmenselijke wedijver die uiteindelijk corrumpeert; spelen die nog echt 'sportief' zijn.
Het is niet zo eenvoudig om sportiviteit te definiëren maar nog veel moeilijker blijkt het om haar ingang te doen vinden in het maatschappelijke leven, vooral dan omdat sportiviteit niet te simplifiëren valt tot de bereidheid om zich aan afgesproken regels te houden. Sportief zijn omhelst het zich voegen naar afgesproken regels maar het is ook veel meer dan dat alleen, aangezien zelfs in een onmenselijk concurrentieel systeem regels moeten worden gevolgd, vaak tot in het absurde. Er is duidelijk een substantieel onderscheid tussen, enerzijds, sportiviteit en, anderzijds, wat mensen doen als zij bijvoorbeeld middels advocaten regels volgen en hanteren om de eigen rechten te vrijwaren. Paradoxaal genoeg heet het soms sportief als men tegen de regels ingaat, met name als die niet stroken met een 'gevoel' voor wat recht en krom is. En dan begint maar pas de discussie over de legitimiteit van dat rechtvaardigheidsgevoel, want net zoals het gevoel voor schoonheid, blijkt het onzelfstandig en intercultureel verschillend.
Het lijkt er dan sterk op dat het behoud van een gezonde portie wedijver en tegelijk het aan banden leggen daarvan, een evenwichtsoefening is welke doet denken aan de Helleense deugden: zij bevinden zich volgens de leer van Plato immers elk in het midden tussen twee extremen, zoals bijvoorbeeld de dapperheid die zich noch aan de lafheid noch aan de roekeloosheid bezondigt.
Het recht van het weerloze
Over rechten kan men pas spreken als men het zogenaamde recht van de sterkste laat varen en als men ruimte geeft aan andere troeven naast die van de sterkte. Brute kracht, als geweld, is één zaak, maar ook de schoonheid herbergt een kracht, subtieler doch niet per definitie krachtelozer dan de eerste, en soms veel sterker. De kracht van de waarheid kan het natuurgeweld overtreffen en er zit kracht in de kunst en in nog vele andere zaken die zich daarom niet direct laten benoemen. Maar ook in de zwakte huist een kracht, soms zo groot dat zij elk ander geweld met zijn grenzen confronteert, zoals de zwakte van een weerloos kind, of die van de oprechte goedheid. Al die krachten dienen te worden erkend, wil men het beste dat het leven te bieden heeft, niet fnuiken; zij wedijveren onderling immers niet, zij vullen elkaar aan omdat zij zo sterk verschillen. Als mensen er maar in slaagden om deze krachten bijvoorbeeld als engelen te beschouwen aan wie wij een voorbeeld konden nemen, dan was er misschien ergens enige hoop op een nieuwe en een meer humane vorm van samenwerking die de wedijver naar de middeleeuwen verwees.
De weg als doel
Misschien is het resultaatgerichte denken wel de grote oorzaak van de verwording van de menselijke samenwerking tot een wedloop welke uiteindelijk slechts één winnaar toelaat, wat betekent dat, op die ene na, allen daar verliezers zullen zijn. Dat resultaatgerichte denken is teleologisch, doelgericht en eigen aan een welbepaalde vorm van geloof, die o.i. echter niet verward mag worden met de oorspronkelijke christelijke ethiek. Het naar een eschaton gerichte denken dat alles in functie van een ultieme uitkomst beschouwt, is in hetzelfde bedje ziek als het historicisme in al die politieke systemen welke het geluk van alle generaties in feite opofferen aan dat van de allerlaatste die dan de hemel op aarde zal beleven. Het is immers allang een schromelijke illusie gebleken dat het zich opofferen van vele generaties aan een uiteindelijk ideaal nakomelingschap, op enige dankbaarheid of zelfs maar goedkeuring zou kunnen rekenen van diegenen die er door bevoordeligd worden. En stilaan lijkt ook het besef te groeien dat ontwikkeling een doel op zich kan zijn: niet het zaadje is het eindproduct van de boom, evenmin de bloesem of de appel, laat staan het geld dat hij opbrengt op de markt. Zaad, bloesem en appel zijn stadia in een cyclus die begin noch einde heeft. Niemand kan zinnig zeggen dat de kip er is omwille van het ei of omgekeerd, er bestaan slechts cycli met talloze stadia en daarmee moeten wij vrede leren te nemen. Het geloof in een eschaton, een uiteindelijke 'uitkomst', lijkt hoe langer hoe meer een bedrog waarvan de bittere smaak alleen aan de winnaar niet te beurt valt. De wil om persoonlijk de anderen te overwinnen is dan ook wat opgegeven dient te worden in functie van die andere aanpak, die misschien wel veel meer vervulling schenkt aan het bestaan.
(J.B., 10.03 en 17.04.2011)
19-04-2011
Een vierde raadsel van de Sfinx: schuldenloosheid als bewijs van schuld
Een vierde raadsel van de Sfinx: schuldenloosheid als bewijs van schuld
Er bestaat een extreem linkse organisatie die de slogan hanteert dat bezit diefstal is. Een beetje bij het haar getrokken, zo mag men wel zeggen en, in tegenstelling tot een mogelijke schijn, allerminst christelijk. Immers, het christendom zegt wel dat men zijn bezittingen met de armen moet delen, maar het zegt ook dat men niemands goed mag begeren, wat dus betekent dat daar wordt erkend dat men terecht aanspraak maakt op eigen bezittingen. Bezit is geen diefstal, maar in een christelijke en zelfs in een louter humanistische context kan ook worden gezegd dat wie tevéél bezitten, verantwoordelijk zijn voor wie tekorten lijden, heel eenvoudig omdat onze rijkdommen beperkt zijn.
Voedsel en ook alle andere goederen ter bevrediging van de menselijke noden zijn niet onuitputtelijk voorhanden: zij dienen eerlijk te worden verdeeld. Waar bepaalde mensen teveel hebben terwijl anderen gebrek lijden, is de kans groot dat de verdeelsleutel oneerlijk is, en dan lijkt het er wel op dat daar de rijken de armen bestelen. Hoe dan ook getuigt een overdreven luxueus bestaan in een land waar armoe troef is, niet van veel tact, om het op zijn allerzachtst te zeggen. Omdat inmiddels de wereld één groot dorp werd en omdat zowat de helft van de wereldbevolking nog steeds gebrek lijdt, zit er aan luxe sowieso een geurtje.
Dat rijkelui vandaag beschuldigd kunnen worden van oneerlijkheid, is in een heel ander daglicht eigenlijk een wat paradoxale situatie, want het aantrekkelijke van de rijkdom schuilt voor een groot deel precies in het kunnen etaleren van zijn schuldenloosheid, aangezien het recht dan toch verhindert dat niemand in een overvloed kan leven terwijl hij schulden heeft. Het kapitalistische bestel draait op basis van concurrentie en een vrije markt, en geldelijke winst staat in de navenante economie zowat het allerhoogste aangeschreven. Wie winst maakt, kan uiteraard goed leven en hij onderscheidt zich op dat vlak dan ook van de verliezers; meer bepaald doet hij zich opvallen door een meer dan gewoon verteer en hij koopt statussymbolen waaraan men zien kan dat hij rijk is en dus helemaal geen schulden heeft, wat hem als het ware tot een 'heilige' maakt volgens de normen van het gouden kalf.
De burger die goed boert, wil ook graag laten zien dat hij geen schooier is, en dat kan hij alleen door de tering naar de nering te zetten. Hij wordt verplicht om uit te geven wat hij heeft verdiend, alvast wanneer hij mét zijn verdiensten, zijn schuldenloosheid aan anderen wil kenbaar maken. Edoch, omdat in het heersende bestel verdiensten feitelijk bijna uitsluitend in de gedaante van geld of andere bezittingen zichtbaar worden, zal wie verdiensten heeft tegelijk diegene zijn die men met de vinger wijst waar zijn medeburgers armoe lijden. Moet men dan niet besluiten dat het heersende bestel iets bijzonder bedrieglijks heeft? Iets dat zozeer onwaar is dat het zelfs het redelijke denken daarover corrumpeert?
(J.B., 19 april 2011)
31-03-2011
Een derde raadsel van de Sfinx: het kwaad.
Een derde raadsel van de Sfinx: het kwaad
De concentratiekampen van het Nazi-Duitsland zijn een verschrikking zonder weerga en zij blijven een smet op het ganse mensdom tot het einde der tijden. Tenminste, als zij niet in de schaduw worden gesteld van nog ergere zaken. Want dat erger dan onmogelijk is, mag men niet zeggen sinds het niet langer een geheim is dat de realiteit onze stoutste fantasie ver overtreffen kan.
Wij blijken inderdaad te lijden aan een tekort aan fantasie als het erop aan komt om de toekomst in beeld te brengen, en dan vooral de toekomst van het kwaad. De Vlaamse geschiedkundige en moraalfilosoof Gie van den Berghe wees erop dat wij het kwaad, dat zogezegd onze stoutste fantasie te boven gaat, misschien wel beter zouden begrijpen indien wij een poging ondernamen om het te gaan bekijken vanuit het oogpunt van de dader in plaats van te blijven focussen op de slachtoffers en hun leed. (1)
De zorg voor het slachtoffer van het kwaad is uiteraard primordiaal maar wie er door verblind worden, verliezen het volledige perspectief waartoe ook die daderspositie behoort. In het Nazi-Duitsland met zijn concentratiekampen was het misschien evenmin de bedoeling om te moorden als ten tijde van de katholieke inquisitie die immers het goede wilde redden door het kwaad te lijf te gaan en het met wortel en tak ook uit te roeien. Dwarsboomden immers de armoedzaaiers, de misvormden, de criminelen en nog vele andere soorten van sukkelaars de droom niet van de meest begoeden - die droom over een supermensenras, een held en zelfs een godmens? Stond de aarde niet de hemel in de weg?
Maar dat aldus het kwaad vermenigvuldigd werd, drong te laat door tot het besef. De zelfvergoddelijking volgde immers niet het voorbeeld van de nederige Christus, en dat mag spreken uit de zinnebeelden die ook in de kunst verschenen in tijden van de zogenaamde hubris of de overmoed.
Laten we er eens van uitgaan dat onze bedoelingen wel altijd goed zijn, zoals trouwens ook de Oude Grieken dat stelden bij monde van grote denkers zoals Socrates: geen mens doet opzettelijk kwaad om het kwaad, hij doet het altijd omwille van het goede daarin - ja, de mens doet kwaad, enkel en alleen omdat hij door een overvloed aan goeds wordt verblind! Een dief steelt niet omdat de diefstal laakbaar is; hij steelt omwille van de winst die daaruit voor zichzelf volgt. En de boze is dan als het ware diegene die al te gevoelig voor het goede blijkt: zijn prikkelbaarheid voor de goede dingen is danig groot dat hij het kwaad over het hoofd ziet. De boze gelijkt op de genotzuchtige die zozeer hunkert naar genietingen dat hij niet langer ziet hoe ze hem ondermijnen: de drugsverslaafde die de schaduw van zijn lust kent in zijn eigen ondergang en de hongerige die zich voedt maar dan wel mateloos zodat hij in zijn maaltijd stikt; de vrek, van zijn bezit bezeten. Maar met de levende die hoe dan ook de schaduw van het leven in de dood ontmoeten zal, ontkomt wel niemand aan het kwaad dat als een keerzijde aan 't goede is verankerd.
Wij leven niet om dan zelf dood te gaan en evenzo is er geen mens die steelt om aan een ander kwaad te doen: wij leven om de lust van 't leven zelf, de dood ten spijt, en wellicht steelt de dief alleen omwille van het hebben, de diefstal met zijn blaam ten spijt. Alleen stappen wij niet zelf het leven in, terwijl een dief wel steelt op zijn initiatief. Een hongerige eet ook te veel omdat hij dat nu eenmaal wil, en zo gedragen allen zich die geen maat kennen of geen regelmaat. De goede maat, de juiste regelmaat, het evenwicht, de dosis blijken veel voornamer nog dan dat wat wij genieten; zozeer zelfs dat een kleine mate van vergif, een lekkernij kan zijn of zelfs een levenschenkend medicijn, terwijl een overmaat aan goeds kan ziek maken en doden.
Een vorm van mateloosheid die wij blijkbaar moeilijk onderkennen is de overdrijving in de vorm van het perfectionisme. Het perspectief dat deze mateloosheid biedt, spreekt over een slechts voorlopige wereld en over een nog onaffe mens. Citius, altius, fortius, zo klinkt de leuze van de moderne Spelen op de hoge Olympos, want de mens van morgen wil altijd sneller, hoger, sterker zijn dan die van het verleden; hij wil niet van gisteren zijn, hij wil zijn afkomst met de voeten treden door zijn doel heel ver daar vandaan voorop te stellen, alsof hij redenen had om zich over zijn schamele komaf te schamen. Het is warempel daarom dat hij zo zijn best doet en zo hoog mikt: de vooruitgang is aan zijn kennelijk mateloze schaamte zelf te danken, die op die wijze wonderwel versmelt met eerzucht.
Men zegt dat het een kenmerk is van 't christendom: die wereld die nog groeiend is naar het punt Omega waaraan het allemaal moet opgeofferd worden zoals het lam aan onze zonden: de lusten van de wereld, het tijdverdrijf en het vermaak, de schoonheid der seizoenen en de liefde voor muziek. Het heden immers is voorlopig en het telt niet mee, het smelt als sneeuw voor onze ogen in het licht van wat moet komen, en zo ook herstelt de biecht 't verleden dat niet in de pas liep van het Eschaton, zodat wij alsnog opmarcheren kunnen naar de Troon waarop het Lam zal prijken dat daar dan voor eeuwig zal bezongen worden. Vandaag is daarom bijzaak, morgen pas komen wij echt tot leven; onze geboorte is een duistere vloek en pas de hergeboorte in de opstanding zal ons voorgoed verheffen uit de donkere krochten van de dood. En op die wijze laken wij het niet perfecte, verachten wij onszelf en streven wij naar wie wij niet zijn, wie wij worden willen, of tenminste wensen, want wat vertoeft in de sfeer der woorden staat meestal mijlenver van dat der daden.
De mateloosheid van 't perfectionisme is de grond van onze zelfverachting en zo ruilen wij het vlees en bloed van onze lijven voor een ijle streving ooit in verre en toekomstige visioenen die alleen op oude schilderijen leven, of althans versteend staan, en dan hopen wij dat wij het zijn die daar op prijken en dat op een dag die stenen tot ontdooiing zullen komen en dat ons hart - dit keer van supervlees - opnieuw aan 't kloppen gaat. De mens, hij was een wezen, ontevreden met het leven en voor immer hunkerend naar een of ander bovenaards bestaan. Het loopt nog slecht af, zo zeg ik u, dat hunkeren naar watten wolken en dat kolken in een of andere Latijnse brij van toverwoorden; dat wetenschappelijk gedoe met pillen en pastilles, witte kielen en Achilleshielen. Het zal zich nog ten kwade richten, dat stichten van een nieuwe mens en het begraven van de oude, 'k zeg het u: hij zal nog niet met aarde zijn bedekt of daar, verrekt, zal hij al uit zijn grafstee opstaan zoals een ochtendmens bij 't krieken van de dag zijn bedsponde verlaat, zich opricht en aan 't werk gaat. Achtervolgen zal hij u, uw Adam, tot het einde van de tijden; nimmer rusten zult gij doen en vluchten totdat hij u inhaalt, ja, gewis: totdat de kanibaal zijn harpoenen naar u uitwerpt en u tot buit maakt, kookt of braadt of stooft met uien, look en boter en u weer tot zich neemt, gij die tenslotte voortgekomen zijt uit hem.
Wij willen geen nieuwe mens, zo zal hij zeggen: wij willen blijven wie wij zijn en nimmer kijven om 't venijn daar in de staart. Wij willen dat de mens zichzelf bewaart! Geen zonen en geen dochters meer, die ons vermoorden met akkoorden welke enkel samenzweringen kunnen zijn. Wij willen daarentegen geheel kinderloos leven zoals ook de zaligen en de heiligen in de hemel. Wij willen voorgoed alle streven beëindigen want nu zijn wij eindelijk tevreden met wat en wie wij zijn!
Uiteraard kan dit niet. Uiteraard is dit de reinste onzin. Uiteraard zal niemand deze strofe zingen die nog bij zijn verstand is en ook bij zijn zinnen! Uiteraard! Tinnen soldaatjes ruilen wij alras voor echte strijders en zo trekken wij ten oorlog, ter bevechting van het kwaad. Het kwaad dat, zoals hoger werd gezegd, en wel in strijd met Augustinus, helemaal geen tekort is aan het goede maar dat veroorzaakt wordt door een tevéél aan goeds dat ons verblindt! Het kwaad is niets tenzij de overdaad, want onder de hemel van een goede God, dat wisten wij allang, kunnen er geen kwade dingen zijn: het goede is zo grenzeloos dat wij er somtijds in verdrinken. Precies zoals een man met eetlust in zijn al te rijke maaltijd stikt, een dorstige die zich aan frisser gerstnat laaft totdat hij doodgedronken neervalt als een blok op straat, een vrouw die door de liefde helemaal verblind, trouwt met de duivel of een koning Midas die al wat hij beroert, omzet in goud. Die overdaad, mijn beste lezer, willen wij: wij vinden pas in 't eindeloze snakken zelf voldoening voor ons reikhalzen en hunkeren. Wij kennen helemaal gaan maat omdat we nu eenmaal van geen ophouden weten: ophouden is immers stoppen, sterven en bijgevolg niet meer bestaan; het leven zelf is overtreffing van wat is of overmaat. Het leven zelf dat is de overvloed aan goeds, dat is het kwaad!
(J.B., 31 maart 2011)
Noten
(1) Gie van den Berghe, De mens voorbij, Meulenhof/Manteau, Antwerpen 2008.
25-03-2011
De Biecht van Dirk Biddeloo
H E D E N D A A G S T O N E E L
De Biecht van Dirk Biddeloo(°)
De tragie-komedie in een autodestructieve wereld
Van Plautus' Amfitruo, over De ingebeelde zieke van Molière, tot De vagebond van Chaplin zijn de grote tragie-komedies te tellen op de vingers van twee handen. Na Chaplin lijkt het genre te verzanden in het absurdisme van Pinter, Becket en Ionesco. Maar er is ook werk dat aan die artistieke dodendans ontsnapt, en dan nog wel Vlaams werk. Dirk Biddeloo - de meester bij uitstek van de tragie-komedie - is een dramaturg van alle eeuwen maar tegelijk is hij bijzonder actueel, bij uitstek met zijn satirische thriller, De Biecht. De onomkeerbare situatie van een mensdom dat in staat is om zichzelf te vernietigen - afgrijslijk hoofdkenmerk van het huidige tijdperk - vormt zonder omwegen de kern van deze eenakter.
De tragie-komedie is zowat het allerdankbaarste maar tegelijk ook het allermoeilijkste genre in de literatuur. Zij is zo zeldzaam als een parel en de grote tragie-komische werken zijn even zeldzaam als grote parels. Het toneelwerk en de film lenen zich het best voor dit sublieme scheppingstype.
De Biecht is geen China Syndrome, geen rampenstuk, geen bombastisch opgeblazen apocalyps of Armageddon waar de Hollywoodindustrieën bol van staan. De Biecht brengt niet langer de sensatie van het artificiële genot omtrent hetwelke Oscar Wilde in zijn The Picture of Dorian Gray nog kon zeggen: "Treur om Julia of om Euridice, want zij zijn échter dan dat lief van jou dat zich gezelfmoord heeft". De Biecht ontsnapt aan "het griezelige vermogen van onze cultuur om zelfs haar onverzoenlijkste tegenstanders in zich op te nemen en onschadelijk te maken (...), ten gevolge waarvan alle intellectuelen, die hun kritische functie serieus nemen, voor de steeds hardere uitdaging komen te staan, namelijk het vermogen van de cultuur om hun protest te smoren, te overtreffen", zoals Martin Jay verklaart. De door deze cultuurfilosoof gestelde uitdaging gaat Biddeloo onverschrokken aan. Met De Biecht treedt de kunstenaar binnen in de ziel van de toeschouwer; hij verleidt hem ertoe zich met zijn personages te identificeren en die identificaties komen het publiek soms duur te staan. Daarom ook is dit kunst die de haar consument daadwerkelijk voedt, waarbij voeding de betekenis heeft van verandering.
Van dit werk is de toeschouwer niet langer consument; hij is niet diegene die geniet van een gekocht vermaak. Men herinnere zich het oordeel van Bertolt Brecht, en met hem dat van de 'nieuwe wijzen', dat sinds de katastrofen van de tweede wereldoorlog, die zich vandaag blijven vermenigvuldigen, de kunst als louter vermaak of poëzie alleen maar de naam van barbarij verdient. Het 'schone' is immers allang niet meer het 'mooie'; een niet-geëngageerde kunst kan enkel nog escapisme zijn. De mens mag lachen en genieten van het leven dat maar even duurt, maar dit rechtvaardigt geenszins de struisvogelpolitiek van de verwende bourgeois.
Sartre's 'salaud' wordt hier in het nauw gedreven; hij kan zich niet verliezen in de massa die het medium consumeert. Het medium werpt hem op zichzelf terug, houdt hem een spiegel voor, en neemt hem de biecht af.
Iets over de auteur en zijn werk
Dirk Biddeloo, geboren in het voormalige Belgisch Kongo en werkzaam in België, schreef talloze novellen, toneelwerken en romans, waarvan de meest bekende publicaties: Van het Goede te Weinig (kortverhalen rond het thema van de ingeburgerde schizofrenie van deze 'samenleving'), De Broeders van het Vincentiusklooster (roman die het instituut van de kerk op een bijzonder vriendelijke wijze op z'n plaats zet), Hotel Los Machos (tragie-komedie over Latijns-Amerikaanse wantoestanden).
Het aanvankelijk absurdisme werd in Biddeloo's jongste werken door een indringend sociaal engagement geaccapareerd (zie bijvoorbeeld de novellebundel De Schaduw van het Gordijn). Aldus wordt Becket bij de kraag gevat en wordt het louter tragie-komische overstegen. Menig waardevol criticus vergeleek Biddeloo met niemand minder dan Chaplin. Zelf waardeert hij nog het meest (onbekende, maar niet onverdienstelijke) Russische auteurs, zoals Avertjenko, in wiens tragie-komisch werk een diepe weemoed schuilgaat. Zo verbindt Biddeloo nostalgie met tragie-komedie zoals die verschijnt in het lustige wijsje van een achteloze zuipschuit dat men opvangt bij het sterfbed van een Emma Bovary.
De Biecht: verhaallijn en thema
In een klein Italiaans restaurantje zitten Muller en Jaro te gekscheren bij het zoveelste glas. De corpulente Muller is manager van de chemiereus Prochimal. Hij is een smulpaap, sentimenteel, katholiek en hypocriet. Eigenlijk is hij een witteboordencrimineel. Muller heeft Jaro ontmoet rond zaken en ze zijn hier schijnbaar toevallig afgezakt. Voor Muller is Jaro een korte verpozing, een vrijblijvende, kortstondige en amusante 'compagnon de route'. Vittorio, een Zuiderse dertiger, verbitterd idealist, is de chef van de zaak. Z'n hulpje, Gianni, is eeuwig bezig in de keuken.
Muller houdt z'n beroep verborgen maar kent tegelijk dat van Jaro niet. Jaro, een cynische vrijbuiter, clownesk en labiel, is na een ellendige jeugd in de misdaadwereld terecht gekomen.
Jaro tapt moppen over de biecht. Met zachte dwang drijft hij Muller in het nauw; hij wil hem de biecht afnemen. Het wordt ernst wanneer Jaro aan Muller de foto toont van een hem onbekende man. Een gewezen arbeider in Mullers bedrijf, die daar een fatale kanker opliep en op sterven ligt. Maar de stervende arbeider wordt door diens broer gewroken. Jaro blijkt niemand minder dan de huurmoordenaar.
Muller doet een beroep op Jaro's eergevoel. Maar Jaro beschouwt zichzelf als een stipte, plichtbewust militair. Niet een militair in dienst van het vaderland: Jaro staat in dienst van de Gerechtigheid. Vandaar ook geeft hij Muller de kans om zich te rechtvaardigen. Muller probeert Jaro om te kopen, maar dat botst met Jaro's beroepsfierheid.
Nu eens lijkt het een kostelijke grap, dan weer lijkt het ernst. Als Muller tenslotte vergiftigd in elkaar stort, kan de toeschouwer onmogelijk medelijden opbrengen voor hem, want Jaro zegt ten afscheid aan Vittorio: "Het spijt me van je broer. Echt".
De tragiek, de tragie-komedie en De Biecht
Tragiek is zeldzaam omdat het tragisch karakter zo vaak wordt miskend. We hadden de tragedie van de Grieken met Aeschylos, Sophocles en Euripides; het Franse classicisme met Racine; in Engeland was er Shakespeare en dan in de twintigste eeuw het absurdisme van Becket. De tragiek berust in het failliet van een cultuur, ze offert een cultuurheld op. In het geval dat het heldendom niet meer volstaat om de cultuur te redden, breekt het absurde door: de algehele teloorgang van de zin, van de cultuur. Ze vindt haar hoogste uitingsvorm in de tragie-komedie.
In het bijzonder in de tragie-komedie verwijzen de esthetische categorieën op de meest pregnante wijze naar universele waarden. Eénmakende contrasten en het convergeren van vorm en inhoud resulteren middels een geslaagde uitbeelding in het kunstwerk zelf. Dit kunstwerk heeft, niettegenstaande cultuur-historisch gebonden expressies, een fundamentele structuur, een antropologisch-axiologische basis. Invalshoeken zijn historisch gebonden en brengen afwisselend andere categorieën op het voorplan. Zo verdringt vandaag het absurdisme de tragiek. Het traditionele kunstbegrip is failliet maar de esthetische categorieën blijven constanten doorheen de hele geschiedenis. De tragiek als actiestructuur is universeel, ontisch gefundeerd.
De held, die borg staat voor de tragiek, is vandaag gesneuveld. In De Biecht van Dirk Biddeloo is hij de koelbloedige moordenaar. En de moord op zich heeft er niet langer een tragisch karakter, want hij blijkt het laatste antidotum tegen de suicide van het mensdom zelf.
Uitgerekend het zo prangend en dringend karakter van de problematiek, maakt dat het tragische ook komisch klinkt. Maar hier is het komische niet langer onschuldig, zoals dat nog het geval was bij Molière: de wrek of de misantroop zijn slachtoffers, maar ze blijven enkelingen, en de komische noot zou volgens sommigen ontstaan uit het gevoel de dans te ontspringen: "Gij, niet ik!" Het lot van deze slachtoffers is vergelijkbaar met dat van de zelfmoordenaar die meestal geen gevoelens van medelijden wekt.
Maar vandaag tekent de algehele suicide van het mensdom zich af als een gebeuren waaraan zelfs de hardnekkigste struisvogel zich niet meer kan onttrekken. Het behouden of het creëren van een afstand tegenover de andere (het slachtoffer) is onmogelijk geworden omdat de toeschouwer het lot deelt van dat slachtoffer dat immers de hele mensheid is. En zo dwingt de zelfbehoudsdrang de toeschouwer om zich te vereenzelvigen met de moordenaar... die nu het karakter krijgt van een held. Hij is echter niet de held die redding brengt; hij brengt slechts de schamele troost van de wraak.
De vijand van de enkeling is het mensdom zelf geworden en tegelijk is de vijand van het mensdom de enkeling. Het mensdom is vijand als participant aan de uitwassen van een monstrueus kapitalisme. Maar deze participatie wordt geïndividualiseerd door vertegenwoordigers, managers die zich met het monster identificeren, corpulente smulpapen die hun ziel hebben verkocht aan het gouden kalf. Zo is de enkeling die zich gecorrumpeerd heeft met het moorddadige systeem, de vijand van het mensdom.
Maar de identificatie van de manager met het moorddadige systeem schreeuwt om een tegenpool. Dus identificeren zich de vertegenwoordigers van alle slachtoffers van het systeem met het mensdom als zodanig. In de wraak die voltrokken wordt door een Jaro, wreekt zich de mensheid die zich verzet tegen haar eigen suicidale tendenzen.
Waar ogenschijnlijk alleen maar de enkeling tegenover de enkeling optreedt, zijn het eigenlijk twee mensdommen die elkaar bevechten, met enerzijds het kapitalistische, waarvan de motor draait op mensenbloed en waarin de ene het bloed van de andere drinkt. Dit mensdom heeft zichzelf ten dode opgeschreven maar pleegt struisvogelpolitiek: zijn leden zijn sentimenteel, zelfs katholiek en gekant tegen moord: het zijn koelbloedige moordenaars die geen bloed kunnen zien.
Maar intussen vloeit het bloed van de verdrukten, de netjes omgebrachten volgens de regel van de wet, en uit het zaad van hun bloed ontspringt een ander mensdom: de doden verrijzen in het geweten van hun soortgenoten, en ze nemen wraak op de Mullers.
Mullers zullen vervangen worden door telkens weer nieuwe Mullers, zoals Muller in het stuk zelf argumenteert, maar zijn argument is niet van vlees en bloed. Het klinkt verachtelijk in de oren van diegene wiens bloed al heeft gevloeid. En de toeschouwer moét zich identificeren met de moordenaar, want hier heeft het Recht niet de Dood, maar het Leven overwonnen.
Het recht op moord op de enkeling die, zich corrumperend met een moordend systeem, het leven van allen in gevaar brengt. En de moord maakt duidelijk dat het systeem geen alibi kan zijn.
Geïnstitutionaliseerde misdaad, witteboordencriminaliteit, 'onzichtbare' moord, maar dit maakt moord niet minder erg, want dood is dood: "Het spijt me van je broer. Echt", zegt Jaro, Vittorio de hand schuddend ten afscheid.
De dode keert niet weer, het slachtoffer is afgeslacht, alleen in de solidariteit kan de laatste hoop in leven worden gehouden.
Wie kan nog treuren om een Muller!? Wie kan deze moord nog misdadig noemen zonder medeplichtig te worden aan het plegen van een inbreuk op de Gerechtigheid zelf die áchter het instituut van het (gecorrumpeerde) recht overeind blijft, zelfs over de grenzen van de dood heen, en dit dankzij de solidariteit?
Het komische in De Biecht
De lach als fysiologische reactie zal (uitgezonderd als gevolg van gekittel) uiting geven aan datgene wat de banaliteit transcendeert, zodat het banale het middel bij uitstek is om díe banaliteit te belichten waaraan wij gewend geraakt zijn. De kracht van de overdrijving schuilt in het accentueren van het 'normale' waardoor zijn banaal karakter aan het licht wordt gebracht. De ernst bij het afleggen van examens kan zichzelf dermate opschroeven, dat ze als banaal verschijnt, zodat ze het taboe van de lach (een taboe dat bestaat op straffe van het verlies van de ernst die nodig is om te slagen) (tijdelijk) ontkracht.
In De Biecht wordt in eerste instantie de uitermate grote spanning ingevolge de ernst van de zaak, benut in functie van het komische. Maar het gaat hier om een komisch element dat omzeggens 'ontmaagd' is, want het komische, hoe sterk het bij momenten ook op de voorgrond treedt, moet onderdoen voor de ernst van de zaak. De toeschouwer is zelfs niet in staat om z'n toevlucht te zoeken in de afstandelijkheid van weleer waar een publiek zich kon verzadigen met een lach en een traan, om na die verzadiging weer op z'n poten te vallen met een geruststellende zucht: "Het was toch maar toneel; het heeft deugd gedaan". Geen loutering hier: het publiek kan slechts voorwaardelijk een stap terug zetten. De toeschouwer blijft uiteindelijk met het gebeuren in z'n maag zitten, omdat het toneel waar hij zit naar te kijken, een toneel is waarvan hij persoonlijk deel uitmaakt. Op de scène speelt zich het toneel van de wereld zelf af, en in de wereld waartoe de toeschouwer behoort valt het doek niet vooraleer zijn eigen dood zijn intrede doet.
Biddeloo speelt met deze discrepantie tussen schijn en realiteit; een discrepantie die, paradoxaal genoeg, zelf schijn is. In de genese van het stuk wordt de toeschouwer beurtelings verleid tot de hoop dat alles nog terecht zal komen, dat een 'happy end' hem zal verlossen van de band die hij met de tragische personages is aangegaan. Een ijdele hoop, maar de mens is een meester in het zelfbedrog, en voedt zijn hoop alleen maar door te kiezen voor de lach van zodra de constellatie van de actiesequensen zich daartoe leent.
De ernst van de auteur toont zich hierin, dat hij weigert om zijn publiek die loutering van een "end good, all good" te laten ondergaan, want hiermee zou hij weliswaar de sentimenten van de gemoederen tevreden stellen, maar tevens zou hij aldus zijn publiek bedriegen. Aan een dergelijk bedrog verzaakt de auteur, en zijn stuk ontleent zijn geloofwaardigheid precies aan het feit dát hij hieraan verzaakt. Hij weet heel goed dat de consument gewend is om waar te krijgen voor zijn geld, maar de waar die hij zijn publiek aanbiedt is geen tranquillizer, geen geruststelling, geen gewetenssussing, maar een vermaning. Alleen hij die de waarde van de vermaning apprecieert boven het zoete bedrog, waarvan hij beseft dat het een bittere nasmaak heeft, zal in staat zijn het stuk te appreciëren.
Het werk van Biddeloo biedt weerstand aan de tijdsgeest van het zelfbederf. Vandaag is men er immers zozeer aan gewend geraakt dat men ten allen tijde zijn gelijk kan kopen, dat men gelooft een waarheid die het eigen ongelijk impliceert, te kunnen verwerpen. Het klant-is-koningprincipe moet onderdoen voor een werkelijkheid die het karakter van een absolute mogelijkheidsvoorwaarde heeft. Het consumentendom tracht ons ervan te overtuigen dat álles - en dus ook de waarheid - voor geld te koop is, en jammer genoeg werkt ook de kunstwereld aan de fabricage van deze kapitalistische leugen mee. De mens wil bedrogen worden. Maar nu het bedrog niet langer de enkeling aantast doch het hele mensdom dreigt te vernielen, wordt het werk van Dirk Biddeloo brandend actueel. Om voor de hand liggende redenen happen de sponsors niet toe: zij handelen niet strijdig met het marktprincipe dat het winstprincipe huldigt, dat buigt voor het gouden kalf, en zich corrumpeert met het algemeen bedrog. Maar nu zal het bedrog fataal zijn: niet zomaar 'een' cultuur gaat haar ondergang tegemoet; het verhaal toont overduidelijk dat heel het mensdom op het spel staat.
Biddeloo verkoopt de lach niet, hij gebruikt hem enkel in functie van een hoger doel dan het onmiddellijke genot van deze zelfbevrediging. Zijn tactiek bestaat er wellicht in het kwade ten goede aan te wenden: de genotzucht en de hunker naar de lach die nog resteren in onze afgestompte consumentenzielen worden aandewend voor een hoger doel, een waarschuwing en een terechtwijzing, een convocatie, een regelrechte strijd tegen de leugen. Dat deze tactiek getuigt van de moed der wanhoop, tekent de artiest als een aristocraat in de authentieke woordbetekenis. In tegenstelling tot de vroegere dramaturgen, die enkel hun personages op het schavot brachten, bindt hier de auteur zelf de strijd aan met de dreiging van de ondergang en zo valt hem het heldendom te beurt. Zoals dat het geval was bij de monarch van eertijds, verbinden zich in het werk van Dirk Biddeloo zijn job met zijn persoon. Niet het succes is hier de motor, maar de plicht, ook als die het succes dwarsboomt. De Biecht is daarom geen op maat gesneden stuk naar het recept waarop de massa tuk is; het is veeleer een schreeuw, een noodkreet en een profetie; de uitnodiging tot een confrontatie van de mens met zichzelf; geen vleierij maar een vermaning, een broodnodige kaakslag.
Dit alles staat niettemin het artistieke genot niet in de weg, want evenzeer als Chaplin dit doet, beheerst Biddeloo de gevoelens van zijn publiek. Hij gaat niet abrupt en onbezonnen tewerk. Hij doseert de lach en de ernst, laat het tragische komisch worden, het komische tragisch. Hij houdt de toeschouwer in zijn ban. Laat hem tenslotte vrij om al dan niet tot daadwerkelijk inzicht te komen, precies zoals ook de werkelijkheid van alledag, hoe tergend ook, geen mens ervan weerhoudt om geen 'salaud' te zijn. De toeschouwer is vrij te interpreteren en te selecteren. De schoentjes worden op de planken gezet en wie ze passen, trekken ze aan. Het publiek krijgt de kans om zonder gezichtsverlies te lijden, na te denken over het geheel, en zichzelf aldus bij te schaven in een duidelijk aangegeven en onweerlegbaar gestoelde richting. Dit aanbod uitgaande van de planken is een zeldzaamheid in deze tijd van postmodernistisch nihilisme en totaal relativisme dat enkel nog absurdisme meent te kunnen produceren. Biddeloo overschrijdt daadwerkelijk het absurdisme. En dat is uitgerekend wat vandaag zo nodig is, want het absurdisme sluit een lafheid in terwijl de tragie-komedie de moed bevat om die te overstijgen. De voorgestelde waarden zijn overtuigend op straffe van de aanname van de totale zelfvernietiging in een zichzelf verlammend defaitisme.
De Biecht spreekt de voor het eerst door Dante gepropageerde taal van het volk. Haar elitair karakter zit niet in de oppervlakkigheid van een complexiteit die enkel gepriviliseerde cultuurfreaks kunnen smaken, maar in de diepgang van haar boodschap. Zoals allen kunnen lachen en zich bezinnen over The Great Dictator, zo ook geldt dit betreft De Biecht. En vele lagen spelen door elkaar in een spel dat, zelf van in ontzaglijke complexiteit opgebouwd, in al zijn eenvoud, helder, duidelijk en ondubbelzinnig straalt.
TOEMAATJE: Het Schone in De Biecht. Theorie, ethiek en esthetiek. Een benaderingspoging op grond van de esthetische theorie van Karel Boullart, gekoppeld aan het denken van Emmanuel Lévinas
Esthetische categorieën drukken eigenschappen of kenmerken van kunstwerken uit. Met Lévinas merken we nu op dat er dingen zijn die enkel attributen hebben in de gebiedende wijs, zoals de wet. (*) Als we nu zeggen dat een natuurwet 'schoon' is, in ethische zin, dan kan dit 'schone' onmogelijk rechtstreeks op die gebiedende attributen slaan. Waarom dit zo is, ligt voor de hand: het is irrelevant om geboden al dan niet te appreciëren - tenminste, als het om wetten gaat die tegelijk mogelijkheidsvoorwaarden zijn voor het handelen - en dus ook voor de vrijheid tot appreciatie. Zo bijvoorbeeld is het irrelevant om het feit dat de dingen naar beneden vallen, al dan niet positief te appreciëren (**). Het 'schone' in de uitspraak: "Deze natuurwet is schoon", slaat dus niet op de natuurwet maar op de appreciatie zelf. De schoonheid zit hem hier in de act van het-zich-neerleggen-bij, en dus in de 'wijsheid' van deze act, dit wil zeggen: in het niet-contradictorisch en dus in het harmonieus of het esthetisch karakter van deze act.
Met betrekking tot De Biecht geldt zodoende dat wanneer we zeggen dat De Biecht schoon is, deze schoonheid niet rechtstreeks slaat op (een eigenschap van) het toneelwerk als zodanig, maar op de auteur, namelijk daar waar hij samenvalt met zijn activiteit die in dit geval een engagement is.
Herinneren we er nu aan dat in De Biecht de held niet langer een personage is, doch de auteur zelf, dan betekent zulks dat in de (aangetoonde) verschuiving van personage naar auteur, er tegelijk een verschuiving plaatsvindt met betrekking tot het esthetische: waar dit vroeger in het kunstwerk zelf gesitueerd werd, moet het hier noodzakelijkerwijze gesitueerd worden in de menselijke activiteit (van de kunstenaar).
Met andere woorden: voorbij het absurdisme, heeft, (zoals eerst de ethiek dat deed - cf. Lévinas (***)), nu ook het esthetische zich als een basiscategorie van de werkelijkheid zelf bewezen. Analoog aan Lévinas kunnen we dus zeggen dat in het hier besproken werk van Biddeloo, het Schone niet een tweede kenbron is. In tegendeel: voor iedere theoretische uitspraak moet het ethische verondersteld worden en, op zijn beurt, moet voor het ethische het esthetische verondersteld worden.
J.B.
Noten
(°) Deze tekst is gebaseerd op: Jan Bauwens 1994: 1.24.1 waar gepoogd wordt om de stelling van professor K. Boullart aangaande het tragie-komische te illustreren aan de hand van het genoemde werk van Dirk Biddeloo.
(*) E. Lévinas, Een Godsdienst van Volwassenen, (voordracht van Lévinas in Tioumliline, Marokko), opgenomen in: E. Lévinas, Het Menselijk Gelaat, Ambo, Baarn, 1969, p.42: "De attributen van God zijn niet in de aantonende wijs maar in de gebiedende wijs gegeven". (Vertaling: Ad Peperzak). Merken we op dat hier met "God" de "Thora" of de "Wet" bedoeld wordt.
(**) In de "Indische Wijsheid" wordt dit uitgedrukt in de raadgeving van Brunton: "Betreur het onvermijdelijke niet".
(***) E. Lévinas, Het Ik en de Totaliteit, o.c., p. 128: "Geloof of vertrouwen betekent hier niet een tweede kenbron, maar wel iets dat door iedere theoretische uitspraak verondersteld wordt boven het zoete bedrog, waarvan hij beseft dat het een bittere nasmaak heeft." -------------
22-03-2011
Noam Chomsky
Noam Chomsky op 8 maart 2011 over militaire interventie in Lybië
Zeer onlangs noemde de gouverneur van Tokio de aardbeving met de tsunami van afgelopen vrijdag, 11 maart 2011, een straf van God. Hij is niet alleen met zijn helderziende oordeel, want naarmate aan de wereld steeds vaker een apocalyptisch karakter wordt toegeschreven, duiken deze profeten in steeds groteren getale op.
Het is wezenlijk immoreel om de gedupeerde andermaal te raken door hem te beschuldigen, meer bepaald door het kwaad dat hem zonder aanwijsbare reden overkomt, te benoemen als een straf. Paradoxaal genoeg blijkt het een menselijke neiging te zijn die verbonden is met uitgerekend het religieuze denken welke ons tot de natrappers der vertrappelden maakt. We kennen het verschijnsel misschien wel het best in het vooral Aziatische reïncarnatiegeloof, dat verbonden is met het begrip karma of schuld. Wie geboren wordt als arme drommel kan niet over toeval spreken: hij moet de schuld daarvoor zoeken in zijn eigen vorig bestaan. De opvatting is wezenlijk immoreel omdat zij de mens verhindert zijn naaste in nood bij te staan, daar hij hem aldus van een mogelijk herstel door boete zou beroven.
Het immorele geloof dat ongelukken goddelijke bestraffingen zijn, ook al zijn de gedupeerden kleine kinderen die nog van de duivel geen kwaad weten, vindt zijn oorsprong vreemd genoeg in een diep verlangen naar rechtvaardigheid. De mens kan als het ware niet verdragen dat hij onschuldig wordt gestraft en dat een God, zo wreed dat hij zulks toeliet, onze schepper was. Als ons een groot ongeluk overkomt, dan vinden wij het blijkbaar minder erg dat dit een straf van God was voor begane zonden - ook al waren wij ons daarvan niet bewust - dan dat een onrecht ons te beurt kon vallen. De ontdekking dat wij buiten ons eigen besef zondigden, achten wij blijkbaar minder erg dan de ontdekking dat God onrechtvaardig was of dat Hij zelfs helemaal niet bestond. Beschuldig mij dan maar van het allerergste en straf mij met de dood, zo schreeuwt de religieuze mens, maar durf niet aan mijn God te raken!
Wij verlangen de bestraffing van het kwaad en de beloning van het goede, omdat wij naar rechtvaardigheid verlangen. Straffen dienen om het kwaad af te schrikken, beloningen moeten het goede aantrekken. Edoch, waar het rampen betreft, is het kwaad geheel onpersoonlijk en kán er van beoordelingen - laat staan van rechtvaardige beoordelingen - helemaal geen sprake zijn. De natuur is geen persoon, alleen in het primitieve denken dat klaarblijkelijk nog steeds diep in onze zielen huist, worden natuurkrachten gepersonifieerd, en hebben wij Thor, de god van de donder, of Neptunus, de god van de zee.
Andermaal: het vreemde is dat uitgerekend het rechtvaardigheidsverlangen de rechtvaardigheid zelf in de weg blijkt te staan, aangezien het geloof in de ramp als straf zijn oorsprong in dat rechtvaardigheidsverlangen vindt, terwijl het in se onrechtvaardig is om aan onschuldigen de blaam te geven. Maar het menselijk denken beukt wel vaker tegen de muur aan van de contradictie als het zijn perken te buiten wil gaan. En doet het dat niet waar het botst met feiten die geen oren hebben - laat staan oren naar redenen en argumenten?
2. Religie en goddeloosheid: tweemaal hetzelfde
Rampen worden beschouwd als goddelijke straffen opdat ook al de goede dingen als goddelijke beloningen zouden kunnen worden beschouwd. De mens kan blijkbaar niet zonder 'ouders'. Het kind staat ten opzichte van zijn ouders zoals de mens staat ten opzichte van zijn goden. Dat suggereren ons zelfs de tempels met poorten die ongetwijfeld voor reuzen zijn gemaakt. De mens blijft ook als volwassene ouders nodig hebben omdat hij de verantwoordelijkheid niet kan dragen voor zijn bestaan eenmaal hij zijn ouders moet missen. De oudere draagt natuurlijkerwijze verantwoordelijkheid of zorg voor zijn kinderen, maar hij kan - eveneens natuurlijkerwijze - niet zorgen voor zichzelf. Hij heeft dus religie nodig, ook ethisch: kinderen die voor hem gaan zorgen als hij oud is, doen dat als het ware onder toezicht van de goddelijke ouders (- en dat doen dieren niet die immers ook geen godsdienst beoefenen).
De mens beschikt blijkbaar over het bijzondere vermogen om schuld op zich te nemen; gaat er iets mis dan zal hij niet concluderen dat er geen beschermende God bestaat, hij zal wat fout gaat veeleer wijten aan zichzelf en als volgt besluiten: er bestaat een rechtvaardige God die mij nu straft, dus erken ik mijn schuld, ook al ken ik ze (nog) niet. De schuld die hij op zich neemt, is aldus feitelijk de tol waarmee hij de goddeloosheid afkoopt. Onze God kost met andere woorden precies zoveel als de schuld waarmee we onszelf moeten opzadelen als we Zijn bestaan erkennen. We betalen voor onze God met de aflossing van de schuld welke we op ons nemen wanneer we alles wat fout gaat aan onze eigen zonden wijten [- en is dat bovendien niet exact wat ook Christus doet?]. In wezen betekent dit dat godsdienst niets anders is dan een verschijningsvorm van het menslijke vermogen om schuld op te nemen en in te lossen en dus het vermogen om de wereld te verbeteren. En zo is godsdienst eigenlijk hetzelfde als zelf voor God spelen - wat goddeloosheid is.
(J.B., 15 en 16 maart 2011)
09-03-2011
Ethiek?
Ethiek?
Het geeft te denken dat vooraanstaande ethici zich niet bewust blijken te zijn van het feit dat zij discrimineren en tot geweld aanzetten wanneer zij publiekelijk de sterilisatie van uitgerekend de armen aanprijzen als oplossing voor het probleem der overbevolking, waarbij zij dan ook nog eens de methodes van omkoping en afpersing aanbevelen, als zij suggereren dat die 1000 euro die voor noodhulp op Haïti is bestemd maar beter kan gegeven worden aan elke Haïtiaanse vrouw die zich wil laten steriliseren. (1)
Armen hebben honger en zij happen daarom vaker gretig toe om een eigen nier te verkopen, om voor een hen onbekende rijkaard een kind ter wereld te brengen of om gevaarlijk werk te doen in radioactieve installaties, in de prostitutie of in milieus van drugshandel en misdaad. De autosterilisatie tegen betaling past in exact hetzelfde plaatje en is daarom vanwege de aanbieder bijzonder immoreel.
Als deze aanbieder die uiteraard geen arme drommel zijn kan, zijn actie bovendien beschouwt als een stap in de goede richting inzake de overbevolkingsproblematiek, dan slaat hij de bal ook hier helemaal mis. Een simpele berekening volstaat immers om vast te stellen dat het verteer van een rijke westerling het duizendvoudige bedraagt van dat van een arme Haïtiaan, terwijl de overbevolking precies vanwege de verspilling zo problematisch is geworden, en die verspilling moet men nu eenmaal niet gaan zoeken bij kinderen met waterbuikjes die in plaats van school te lopen, dag in dag uit vijsjes en ijzerdraadjes sorteren op onze gigantische, stinkende vuilnisbelten.
De 'redenering' welke de genoemde, gruwelijke ingrepen wil rechtvaardigen en ingang wil doen vinden, en dan nog via democratische kanalen, getuigt niet alleen van een schromelijk tekort aan empathie: zij verraadt zonder meer een criminele inborst, en zij vindt haar gelijke enkel in de uitlatingen waarmee Hitler een onnadenkende massa intimideerde. Zoals dat verwijt aan het adres van het christendom, dat er zogezegd voor zorgt dat de beste krachten aan het front moeten sneuvelen om het leven te redden van thuisblijvende zieken en andere lastposten.
Er bestaat een bijzonder gevaarlijke kaste van 'wereldverbeteraars'. Volgens hun logica kan wat zijzelf 'mensonwaardig' achten, worden geëlimineerd, eenvoudigweg door alle naar hun maatstaven 'mensonwaardige mensen' te elimineren. Met concentratiekampen zal dat dit keer misschien niet meer lukken, maar wel met abortering en met euthanasie, en nog het liefst met sterilisatie, welke men immers van de armen af kan dwingen zoals men ook de slavenarbeid van hen af kan dwingen... met name middels geld - het geld vervangt de zweep van weleer. Het lijkt moreel verantwoord maar het is dat evenmin als het stilzwijgen van zogenaamde ethici over nog heel wat zaken die om een stem ten hemel schreeuwen.
(J.B., 9 maart 2011)
Noten:
(1) Etienne Vermeersch, in het vrt-programma Terzake d.d. 8 maart 2011, stelt voor dat het geld bestemd voor de noodhulp aan Haïti, besteed zou worden aan de 'vrijwillige' sterilisatie van arme Haïtiaanse vrouwen aan wie dan ter compensatie 1000 euro zou aangeboden worden. In feite wordt zodoende een aalmoes gesuggereerd in de plaats van de sociale zekerheid waar ook de armen recht op hebben. Volgens de antikapitalist wijlen Jaap Kruithof is het overbevolkingsprobleem vooral een derde wereldprobleem omdat daar de sociale zekerheid en vooral dan het pensioen ontbreekt.
Kanker en de tijd
Kanker en de tijd
Kanker is de naam die wij geven aan allerlei ziekten welke gekenmerkt worden door het optreden van gezwellen die maar blijven woekeren, gebeurlijk tot de dood. Een kankergezwel doet denken aan een parasiet die zich vet vreet ten koste van zijn gastheer: de gastheer mergelt uit terwijl de ongenode gast steeds dikker wordt en zich op de koop toe vermenigvuldigt. Edoch, zeer in tegenstelling tot een parasiet, is een kanker niet zozeer iets dat wij er in ons lichaam bij krijgen, maar veeleer is het iets dat ons ontbreekt. In die zin gelijkt een kanker dan ook op het wezenlijke van het kwaad zoals bepaald door Augustinus: het kwaad heeft geen eigen identiteit, zo zegt de heilige: het is niets anders dan een tekort aan het goede. En kijk, kanker lijkt inderdaad geen indringer van buitenaf: het is immers een woekering van eigen lichaamscellen. En de oorzaak van die ongeremde groei ligt binnenin onszelf, in de kern van ons bestaan, in de kernen van de lichaamscellen die immers de breinen van de cellen zijn. Een gezwel lijkt een teveel maar is in feite een tekort binnen het celbrein, het is een tekort aan orde in de kern van de cel die dan niet langer naar behoren wordt bestuurd. Een eigen lichaamscel verwordt tot een kankercel van zodra zij haar verstand verliest. Zij blijkt dan vergeten wat haar eigen taak is in het grotere geheel van weefsels, van organen en tenslotte van het lichaam, en zij denkt nog slechts aan zichzelf, aan haar eigen groei en bloei. Een eigen lichaamscel verandert in een kankercel wanneer zij egoïstisch wordt of egocentrisch, wanneer zij niet meer weet dat zij in functie staat van wat haar allemaal omringt, wanneer zij blind werd voor het feit dat zij in dienst staat van iets anders en iets hogers. In feite is een kankercel een cel waarvan de groei horizontaal geworden is, een cel die nog slechts in de breedte groeit, die niets meer opbouwen kan dat groter is dan tot waar zij zelf kan reiken. Ofschoon zij zich heel gretig deelt, is een kankercel eigenlijk een asociale cel, een cel die geen gezag gehoorzaamt. Men zou ook kunnen spreken van een ketterse cel, een goddeloze cel, een cel die god noch gebod kent. En als er voor kanker al een behandeling voorhanden is, dan bestaat die enkel in het doden van al die eigenzinnige cellen, want iets anders dan ze uit te roeien valt er met gek geworden cellen vooralsnog niet te doen.
Uiteraard worden onze lichaamscellen niet zómaar gek, blind, egocentrisch, asociaal of goddeloos: als zij aldus gaan disfunctioneren, dan komt dat alleen doordat er op hen een aanslag werd gepleegd van buitenuit. Weliswaar is het kwaad een tekort aan goede dingen, zoals Aurelius Augustinus het zegde, maar de heilige was geen geneesheer en ook geen man van de wetenschap. Zijn theorieën hadden weinig voeling met de werkelijkheid van het leven, waarin het ene wezen ten prooi kan vallen aan het andere, alleen al omdat het zwakker is, terwijl het andere honger heeft en de enige natuurwet die is van de sterkste. Kanker wordt veroorzaakt door welbepaalde stoffen waarvan wij vermoeden dat zij kanker veroorzaken en die wij daarom ook kankerveroorzakers noemen - cancerogenen. Als kanker al een tekort was aan goede zaken, dan ontbrak het in de lichaamscellen van mensen, dieren of planten met kanker, feitelijk aan 'bestrijders' van cancerogenen, wat voor stoffen dat ook mogen zijn. Gebeurlijk beschikken wij wel over cancerogenenbestrijders, maar worden die op hun beurt verzwakt of zelfs omgebracht door nog andere vijanden, en zo kan die strijd wel eeuwig doorgaan en aldus verworden tot een pure woordenstrijd. Of het kwaad dan een bestaande vijand is ofwel gewoon een tekort aan goeds, is een vraag die dan evenmin hout kan snijden als die aloude kwestie van de kip en het ei.
Wat men wél over kanker kan zeggen, is dat het een ziekte is waarvan de kans om ze te krijgen, toeneemt met het ouder worden. Dat men het daarom heeft over een ouderdomskwaal, is echter niet zo vanzelfsprekend, in acht genomen het feit dat de krijgkansen van élke kwaal mettertijd slechts kunnen toenemen. Wie slechts één dag heeft geleefd, had een kans die 365 keer kleiner was dan wie een jaar oud werd - om kanker te krijgen. Maar zijn kans om ongeacht welke andere ziekte te krijgen was evenééns 365 keer geringer, en zo ook zijn kans om te verongelukken met de trein, zijn kans om het groot lot te winnen of zijn kans om een zondvloed, een zonsverduistering of gewoon een volle maan mee te maken. Als zij niet nul zijn, dan kunnen onze kansen mettertijd alleen maar toenemen, wat zij dan ook mogen betreffen - zo leren ons de meest eenvoudige berekeningen die men zich maar indenken kan. Zelfs voor doden kan de kans om te verrijzen alleen maar rijzen mettertijd, en exact hetzelfde geldt voor al diegenen die nog niet hebben bestaan. Als de tijd maar eindeloos blijft doorgaan, dan zal ooit alles gebeurd zijn wat men maar voor mogelijk kon houden, en zelfs het onmogelijke ontsnapte dan misschien niet aan die dans. En is dat niet waar allen naar verlangen die ooit kanker kregen bij zichzelf of bij hun naaste getrouwen: dat zich ooit het eens onmogelijke alsnog realiseren zal? Het verdwijnen aller kwalen is gewis een kwestie van alleen maar tijd.
(J.B., 8 maart 2011)
07-03-2011
Verkapte aanslagen
Verkapte aanslagen
Duizend per uur: dat is de snelheid waaraan mensen van de honger sterven.
Soms is honger quasi onvermijdelijk. Neem nu de uitbarsting van de Tambora in Indonesië: in 1816-1817. Dat was het zogenaamde 'jaar zonder zomer'. Alle oogsten mislukten door een aanhoudende duisternis over bijna de hele aardbol. Of neem de opeenvolgende tegenslagen in Ierland, met de hongerjaren van 1845 tot 1850. De Ierse bevolking werd gehalveerd. Eerst was er de aardappelziekte, vervolgens droogte, dan tyfus, dan weer de aardappelziekte en tenslotte cholera.
Rampen brengen honger, maar in het merendeel der gevallen volgt hongersnood uit opzettelijke menselijke fouten. In de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) was er lange tijd honger. In 1923 en in 1933 was er hongersnood in Rusland en in de Oekraïne met aldaar de zogenaamde Holodomor of Hongermoord met 10 miljoen doden. Die ramp had plaats onder Stalin: hij dreef de boeren naar de staatsbedrijven maar velen weigerden, waarop miljoenen onder hen gedeporteerd werden naar Siberië. Vandaag wordt dat beschouwd als een bewuste volkerenmoord. Ook de allergrootste hongersnood ooit werd veroorzaakt door een politiek regime: in het China van 1959-1961, tijdens de zogenaamde 'Grote Sprong Voorwaarts', verhongerden naar schatting 43 miljoen mensen. Andermaal veroorzaakt door oorlog was de Libanese hongersnood van 1916-1918, waarbij aldaar een kwart van de bevolking omkwam. Op Java was er honger in 1876-1878 en in 1944-1945 eiste de honger 2 miljoen mensenlevens in Viëtnam. In Noord-Korea sleept de hongersnood aan sinds zowat twintig jaar. (*)
Afrika is veruit het meest door honger getroffen continent. (**) De oorzaken aldaar zijn uiteenlopend en zowel het klimaat als de politiek en de oorlogen spelen een rol, maar ook de uitbuiting door de rijke landen en het aidsprobleem: één op negen Afrikanen onder de Sahara heeft aids. Schrijnend is de marktpolitiek van het rijke Noorden dat in Afrika producten invoert en onder de prijs verkoopt om de producenten aldaar te kelderen. Zo importeert men daar goedkope melk(poeder) zodat de lokale boeren hun melkkoeien moeten slachten. Met honger worden ook opstanden onderdrukt. En derde wereldlanden kunnen hun schulden aan het rijke Noorden nooit aflossen.
Het merendeel van de hongerdoden (zowat 90 percent) sterft aan chronische ondervoeding. Anno 2008 stierven dagelijks nog 24.000 mensen van de honger en dat is één van elke vijftien mensen die geboren worden. Duizend per uur.
Honger gaat gepaard met een vreselijk lijden, maar nóg minder draaglijk dan de honger is de dorst. Het menselijk lichaam bestaat voor zo'n 70 percent uit water - hetzelfde percentage water dat de aarde bedekt - en drinken wij niet tijdig, dan drogen wij uit. In extreme weersomstandigheden kan een mens geen etmaal zonder water. Normaal behoeven wij een tweetal liter water per dag. In de woestijn verliest men 7 tot 15 liter, afhankelijk van wat men doet, en in minder dan een halve dag kan men er uitdrogen. Van wie verdorsten, is op den duur de maag niet groot genoeg meer om nog voldoende vocht op te kunnen nemen. Het drinken van zout water lest de dorst niet en ook overmatig drinken (bijvoorbeeld ingevolge suikerziekte) kan uitdroging veroorzaken. Wie een tiende van zijn lichaamsvocht verliest, kan niet meer op zijn benen staan: de huid krimpt en de zintuigen falen; de tong wordt dik, de mond gevoelloos, het bloed dikt in, het lichaam geraakt oververhit, er volgen stuipen en het hart begeeft.
Zevenennegentig percent van al het water op aarde is zout en dus ondrinkbaar. Zeewater is immers zout, en het wordt pas zoet bij de verdamping omdat de zouten niet mee verdampen. Waterdamp vult de luchten welke meer water kunnen bevatten naarmate ze warmer zijn. Bij afkoeling condenseert de waterdamp (de zeer kleine, verstoven damppartikels vormen samen waterdruppels) en gaat het regenen, hagelen of sneeuwen. Het zoet water komt terecht in de rivieren of dringt doorheen de grond die het filtert tot drinkbaar water. Het (zoet)waterverbruik bedraagt bij ons meer dan 100 liter per persoon per dag terwijl een van de meest prangende milieuproblemen het drinkwatertekort is.
Paradoxaal genoeg is watersnood een tevéél aan water, bijvoorbeeld ingevolge overstromingen. Het dichtst bij de deur kennen wij de ramp na de dijkbreuk in Nederland van 1953, waarbij 165.000 hectare land werd overspoeld, 1795 mensen en ook veel vee verdronken; er waren honderdduizend daklozen. (In België kwamen toen 28 mensen om, in Engeland vielen 307 slachtoffers en ook 220 zeelieden vonden de dood.) Onze stoutste fantasie werd echter overtroffen door de tsunami op tweede kerst van 2004 in Sumatra met 300.000 slachtoffers, waarvan zelfs een paar honderd in Oost-Afrika. En in 2005 veegde een orkaan New Orleans van de kaart, met 1800 doden. Overstroming treedt ook op na hevige regenval, zoals onlangs in Pakistan; ingevolge watersnood en het drinken van besmet water kunnen dan epidemieën uitbreken, zoals cholera, die voor uitdroging zorgen. (***)
Evenals honger en dorst kunnen hitte en koude ons leven bedreigen. Het menselijk lichaam heeft een temperatuur van zowat 37 graad Celsius (35,5 tot 38,5). Een lichaamstemperatuur beneden 30° of boven 42° is dodelijk. Onderkoeling en oververhitting kunnen vele oorzaken hebben, extreme weersomstandigheden zijn er slechts één van en naar verluidt komen zij steeds vaker voor ingevolge de opwarming van de aarde. De grote hitte, normaliter voorbehouden aan de Sahara, doet vandaag steeds vaker streken aan die door de band genomen gematigd waren qua klimaat, en de woestijnen breiden uit. Vandaag moeten grote delen van Spanje kunstmatig worden bevloeid omdat zij anders volledig onvruchtbaar zouden zijn door droogte. En de kracht van de warme golfstroom is nu met bijna de helft afgenomen, zodat de koude winters amper nog getemperd worden en West-Europa steeds vaker Siberisch aandoet.
Honger, dorst, hitte en kou: het lijken natuurlijke aandoeningen of rampen, maar meestal delen wij in de schuld als zij doden. Wat in feite wil zeggen dat wij het moorddadige effect van deze verschijnselen feitelijk ongedaan konden maken: waar we daaraan verzaakten, gebruikten we de natuur eigenlijk als moordwapen. Zoals reeds lang geleden gescandeerd, zijn de honger en ook al die andere kwalen geen tegenslagen doch aanslagen.
(J.B., 7 maart 2011)
Noten:
(*) Andere perioden van hongersnood waren er reeds in de Oudheid, met name in Egypte en Klein-Azië (dit is Anatolië of het Aziatische deel van Turkije). In West-Europa was er drie keer relatief kortstondig hongersnood: in 1124-1125, in 1315-1317 en in 1816-1817 (waarover hoger). China kende nog hongersnood: in 1333-1337 vielen daar 4 miljoen doden, op het eind van de negentiende eeuw was er drie keer honger met samen 17 miljoen doden, in het begin van de twintigste eeuw was er twee keer honger: in 1920-1921 stierven 500.000 mensen, in 1928-29 waren dat er 10 miljoen.
Indië kende een zevental hongerperioden met telkens miljoenen doden. In 1630-1631 was de toestand zo erg dat mensen elkaar gingen opeten. Bij de honger van 1770 in Bengalen stierven meer dan 6 miljoen mensen. Op het einde van de negentiende eeuw verhongerden alles samen enkele tientallen miljoenen Indiërs. In 1943-1944 was er opnieuw honger in Bengalen, in 1966 in Bihar.
(**) Men herinnert zich Biafra (de oorlog van 1967-1970), de Sahel (1968-1974 en 1984-1985), Ethiopië (1973 en 1984-1985), Somalië (1990-1995), Zuid-Soedan (1990-2000), Zimbabwe (2000), Darfoer (2003), Niger (2005) en de Hoorn van Afrika (2006).
(***) http://nl.wikipedia.org/wiki/Dorst
http://nl.wikipedia.org/wiki/Water
http://nl.wikipedia.org/wiki/Drinkwater
http://nl.wiktionary.org/wiki/watersnood
http://nl.wikipedia.org/wiki/Epidemie
http://nl.wikipedia.org/wiki/Watersnood_van_1953
http://nl.wikipedia.org/wiki/Overstroming
http://nl.wikipedia.org/wiki/Cholera
http://nl.wikipedia.org/wiki/Katrina_(orkaan)
http://nl.wikipedia.org/wiki/Lichaamstemperatuur
http://nl.wikipedia.org/wiki/Hypothermie
http://nl.wikipedia.org/wiki/Koorts
http://nl.wikipedia.org/wiki/Hyperthermie
07-02-2011
Het christendom of de dood
Het christendom of de dood
Neem het christendom weg, en er schiet alleen een wereld over vol met haat. Logisch, als je bedenkt dat het christendom de enige religie van de onvoorwaardelijke naastenliefde is. Er zijn religies die gelijken op het christendom, akkoord, en ook zij dragen hier en daar een vorm van caritas uit. Maar dat doen zij dan wel bijzonder selectief, wat betekent dat zij alleen maar de leden van de eigen godsdienst zonder voorwaarden kunnen, willen of mogen liefhebben.
Er bestaat dan zoiets als de 'sjacher' of de verantwoorde uitbuiting van wie niet tot de eigen groep behoren. Ofwel een 'heilige oorlog' waarin andersgelovigen mogen of zelfs moeten worden omgebracht. En naast de 'religies van het boek' heb je dan nog het boeddhisme dat zo vredig lijkt dat je op den duur zou gaan geloven dat het beter was dan het christendom. Of wat dacht je van een vleugje hindoeïsme?
Helaas zit er aan het reïncarnatiegeloof een bijzonder kwalijke weerhaak: mensen worden namelijk herboren totdat zij vrij van schuld geworden zijn, en zich van schuld bevrijden doet men door te boeten. In dat licht is het dragen van andermans lasten vanzelfsprekend uit den boze voor wie zijn naaste het allerbeste toewenst: de christelijke naastenliefde ontneemt hem de lasten die hem bevrijden. Zo groeit uit het geloof in karma en in wedergeboorte onvermijdelijk een kastenmaatschappij met, enerzijds, de onaanraakbaren en, anderzijds, de vooraanstaanden. De rijken mógen dan de armen niet eens helpen.
Zelfs het katholicisme werd besmet met die dan toch zo wereldse idee die gebaseerd is op 't betaalverkeer en de ethiek van schuld en boete: een oog voor een oog en een tand voor een tand, de moraal van straf en van beloning, het goed en het kwaad in het licht van de regeltjes van de wet. Zo'n moraal zal uiteindelijk leiden tot het ideaal van de hebzucht of de verafgoding van de mammon, want pas de rijken kunnen middels hun exuberant verteer ook etaleren dat zij bij niemand in het krijt staan en derhalve schuldenvrij of 'heilig' zijn. Hebzucht, heiligheid en spilzucht gaan daar hand in hand en uiteraard regeert de verachting van de armen door de rijken.
Niet anders gaat het er aan toe in de leer van het humanisme, die wel mooi oogt en vooral verlicht, maar bij nader onderzoek schijnt daar allerminst de klaarte van een zonovergoten dag. Het humanisme immers drijft op het principe van de solidariteit en dat is een uitgebreid egoïsme, dat in elk banditisme het cement is van de groep - het is alvast iets heel anders dan de onvoorwaardelijke liefde.
De grenzen van systemen die berusten op berekening liggen altijd in de rekeningen zelf, die immers moeten kloppen en die daarom nooit gratuit zijn. Gegroeid vanuit de christelijke caritas, verkeren vandaag die instellingen welker bestaansreden ligt in het tegemoet komen aan de hulpbehoevenden, prompt in hun tegendeel, en zij baten hospitalen uit en buiten zieken, ouderen, gehandicapten en zelfs kleine kinderen uit.
De Jezuïet Ivan Illich toonde reeds een halve eeuw geleden aan dat de geneeskunde in een op het winstprincipe ge-ente maatschappij onvermijdelijk winstgevend moet zijn en dat zij derhalve ziek zal maken omdat het tenslotte de zieken zijn die hun behandeling betalen en die aldus renderen. Ouderlingentehuizen worden vandaag geprivatiseerd waar zij winstgevend zijn en armere bejaarden dreigen te worden gedumpt, net zoals zieken en gehandicapten die niet alleen een zorg met twee snelheden zien arriveren (pensioen- en hospitalisatieverzekeringen exclusief voor de rijken) maar tevens de dreiging van euthanasieklinieken. In de greep van een wild kapitalisme, moeten scholen, teneinde het eigen voortbestaan te kunnen verzekeren, hun leerlingen aanzien als klanten, aan wiens wensen zij tegemoet moeten komen, ook als die wensen niet zozeer de lastige opvoeding en het veeleisende onderwijs betekenen maar veeleer het gemak waarmee men zijn diploma haalt. Scholen krijgen bloed aan de handen, net zoals autokeuringsbedrijven die steekpenningen aanvaarden die immers in meer verkeersdoden resulteren.
De kille planning en de 'nuchtere' ordening van een goddeloze wereld is niet van gisteren, de hele geschiedenis staat er bol van. Maar dat volledige ontmenselijking het onafwendbare deel is van een ontgoddelijkte wereld, is een werkelijkheid die helaas niet méér kan doen verkillen in de mate dat de ontmenselijking reeds ingetreden is: de gevoeligheid voor het kwaad neemt immers af naarmate men daaraan deelachtig is geworden. Luguber wordt het wel voor wie nog weerstand bieden en zo ook wordt weerstand lastiger mettertijd, haast metterdag.
Adolf Hitler propageerde een hel van haat met de slogan dat in een christelijke maatschappij de beste krachten sneuvelen aan 't front om de thuisblijvende lafaards te beschermen. Dat waar de naastenliefde heerst, de sterksten sneuvelen om de zwaksten in leven te kunnen houden, is een zuivere oorlogslogica die makkelijk ingang vinden kan bij wie zelf niet tot nadenken in staat zijn. Het is een logica die veel belooft en die ook zuiver klinkt in oren van simplisten, maar de werkelijkheid is niet zo simpel en zo is die logica ook een logica van verderf en dood.
Lang voor de tijd van Hitler al, beraamden megalomane potentaten moordplannen onder de dekmantel van de gezondmaking en de versterking van de staat. Wij telen planten en ook dieren door bewuste en nauwkeurige selectie, zo klaagden zij de christelijke ethica via achterpoortjes aan: ten dienste van de welvaart selecteren wij flora en fauna doch wij vergeten zowaar de mens! Op het telen van een superras rust een volstrekt redeloos taboe! De concentratiekampen waar het 'afval' werd verbrand, blijken bij nader toezien slechts het topje van een ijsberg in een geschiedenis die bol staat van een waanzin voortgekomen uit een zich god wanende mens die telkenmale contraproductief blijkt te ageren.
Ontevredenheid is misschien wel de diepste oorzaak van het verderf dat heden, afgedekt met pracht en praal, zonder te verpozen om zich heen grijpt: de mens, ondankbaar met het geschenk van het leven, wil plaatsnemen waar de Schepper troont. Eva luistert naar de listige slang die haar en Adam de vergoddelijking belooft, als zij maar ontrouw worden aan hun Schepper, en zij happen toe, helaas. Zij eten van de kennis, en zij zien. En zo zien zij ook zichzelf zoals ze zijn: naakt, wat zeggen wil, tot een dier herleid - gedegradeerd.
Emancipatie is geen slechte zaak als men zich emancipeert van válse vaders, leiders die misleiders zijn, potentaten, dictators en megalomanen die alleen het eigen goed beogen. Hun onderdanen laten zij geloven dat zij hun kinderen zijn, maar ze eten hen op, zoals Kronos deed met zijn kroost - niet Jahweh. Van zijn echte vader emancipeert men zich niet omdat men hem niet naar de kroon wil steken om dan aan hem gelijk te worden, daar men nu eenmaal aan zijn natuurlijke vader gelijk is want men komt voort uit hem. De drang om zich van zijn God te emanciperen kan daarom allerminst natuurlijk zijn: hij wordt ingegeven van terzijde door een vreemde die het helemaal niet goed bedoelen kán.
Neem die wat vreemde leefregel weg, die zegt dat men zijn vijand moet beminnen, en je zal zien: de wereld wordt herschapen in een hel. Je hoeft niet eens het kwaad in de vaan te dragen: de kracht, bijvoorbeeld, op de plaats waar het embleem van de liefde hoort te prijken, volstaat al om de vrede te verdrijven en dan neemt angst de plaats in van de hoop.
Wij zullen de staat versterken, zo scanderen de regeerders, en zij doden al wie overtollig is en lastig: ongeboren kinderen die immers nog geen burgerrechten genieten, met gehandicapte foetussen voorop, of dan toch vruchten waarvan de scanner als twijfelachtig bestempelde beelden toont die doen besluiten dat de slaagkansen onder het toegelaten percentage liggen, en wie niet luistert zal voortaan de 'brokken' zelf betalen.
De staat moet hard besparen, zo zeggen onze potentaten, want de banken bij wie het land in 't krijt staat, willen zich daarvan verzekeren dat zij de eeuwige intresten zullen kunnen blijven innen van de schuldenaren die zich burgers wanen. Dus moeten alle niet langer nuttige elementen worden opgeruimd: de ouderen mogen zich euthanaseren, alsook de gekken, én de kinderen, als zij dat wensen. Zo zeggen het de nieuwe regeerders, die immers heel goed weten dat de wil van dementerenden, krankzinnigen en onvolwassenen labiel genoeg is om in een volstrekt onbeschermde omgeving tot niets minder dan tot de zelfdoding over te gaan. En zij stellen het voor alsof 't een recht was en een zege op de dood, als men zich zo stortte in het eigen graf. Er is geen derde weg naast het christendom en de dood.
(J.B., 7 februari 2011)
04-02-2011
Vijfduizend jaar Egypte
Vijfduizend jaar Egypte
Menachim Begin, Jimmy Carter en Anwar Sadat bij de Camp Davidakkoorden te Washington in1978.
In een museum in Palermo ligt een met hiërogliefen beschreven steen, genaamd 'de steen van Palermo', afkomstig uit een tempel in het Oud-Griekse Memphis. Die steen vertelt ons dat god de schepper, Ptah genaamd of ook nog Peteh, een pottenbakker was die de mens schiep uit klei, en de wereld uit zijn gedachten en zijn woorden. Ptah is de personificatie van het verrezen land (Tathenen) ofwel het ondergelopen land (Tanen), waaronder uiteraard verstaan wordt: het vruchtbare gebied aan de monding van de Nijl die daar zeer sterk uitwaaiert in de zogenaamde Nijldelta. In dat gebied woont de geest (ka) van Ptah, het is het huis van de geest van Ptah of het Hwt-ka-Ptah, evenals die tempel zelf. Verbasterd naar het Grieks klinkt Hwt-ka-Ptah als Αι γυ πτος ofwel Ae-gu-ptos, Egypte. (1)
De geschreven geschiedenis van Egypte begint meer dan 5000 jaar terug in de tijd: in 3000 voor Christus werd Egypte één land onder één koning, de farao. Niet minder dan 31 dynastieën volgden welhaast 3 millennia lang elkander op totdat in de vierde eeuw voor Christus (in 332) Alexander de Grote het land onderbracht in zijn rijk. Dan volgde een bijna zeven eeuwen durende Grieks-Romeinse periode (tot 395 na Christus) en een Byzantijnse tijd (tot in de zevende eeuw). Amper zeven jaar na de dood (in 632) van de profeet Mohammed viel Egypte onder een islamitisch bestuur voor de duur van bijna duizend jaar, namelijk tot 1517. Dan lijfden de Turken Egypte in, in het Ottomaanse Rijk. In 1798 was het de beurt aan Napoleon die daar nog in datzelfde jaar door de Brit Horatio Nelson werd verjaagd. Enkele jaren later kwam Mohammed Ali in Egypte aan de macht met een dynastie die het uithield tot in 1952.
Gedurende die tijd (in 1869) groef Ferdinand de Lesseps aldaar het Suezkanaal, maar de toenmalige Egyptische vorst (Ismail) verkocht zijn aandelen daarin aan de Britten om zijn schulden te kunnen afbetalen, zodat de Engelsen er voet aan wal kregen. Ze onderdrukten opstanden van Egyptische militairen tegen buitenlanders en in 1882 plaatsten zij Egypte onder het Britse protectoraat. Ze reorganiseerden het Egyptische leger, verklaarden in 1922 Egypte onafhankelijk maar bleven er tot aan de Egyptische revolutie in 1952 [- de Britten gebruikten Egypte als uitvalsbasis in W.O.II; in 1947 trokken zij zich uit Suez terug].
Vijf verschillende Egyptische groepen dongen tussen 1922 en 1952 naar de macht: de Egyptische nationalisten die de Britten weg wilden, de door de Britten geïnstalleerde koning Fouad, de Britten zelf, de communistische partij en het moslimbroederschap (dat later illegaal werd omdat politieke partijen op religieuze basis werden verboden).
In 1952 wierp Nasser (met de medewerking van Sadat) de Britsgezinde koning Farouk (geweldloos) omver en ontstond de republiek Egypte met Ali Mohammed Naguib als eerste president. Na één jaar nam Nasser zijn plaats in: hij werd aldus de tweede Egyptische president, in 1970 opgevolgd door Sadat die lid was van het Islamitisch Congres én van de Arabisch-Socialistische Unie. Sadat regeerde tot hij in 1981 werd vermoord door Islamitische Jihadstrijders. Sadat had zich namelijk na de oktoberoorlog (Jom Kipoeroorlog) in 1973 met Israël (toen onder Begin) in Washington (in de aanwezigheid van president Carter) verzoend in de zogenaamde Camp-Davidakkoorden van 1978-'79 waarvoor de twee de Nobelprijs voor de Vrede ontvingen, en dat was kennelijk tegen de zin van de fundamentalistische Islamieten. Zij sloten Sadats Egypte uit de Arabische liga buiten en ook in Egypte zelf verafschuwde men daarom Sadat, die daarop massaal aanhoudingen verrichtte, wat hem uiteindelijk het leven kostte.
Sadat werd opgevolgd door Mubarak in 1981. Mubarak wist Egypte opnieuw aanvaardbaar te maken voor de andere Arabieren (Egypte werd in 1989 weer toegelaten tot de Arabische Liga) en tegelijk hield hij zich aan de vredesafspraken met Israël (zoals vastgelegd in de Camp-Davidakkoorden). Tevens kreeg hij iets te zeggen in de VN. Sinds 1991 werkte Mubarak aan sociaal-economische hervormingen in de richting van meer privatisering, maar de oppositie die tegen al te sterke staatsinmenging is, was tot nog toe te zwak, en het Moslimbroederschap werd zoals gezegd bij wet verboden. Bij de eerste presidentsverkiezingen in 2005 haalde Mubarak 88 percent van de stemmen... (2)
In januari 2011 komt in Tunesië het verarmde volk in opstand en alras volgt Egypte. Te zien aan de vlaggen met daarop de beeltenis van Ché maar ook met islamitische symbolen, worden de opstandelingen die zichzelf aldus bevrijden, door het panislamisme geïnspireerd: een islam versterkt met communistische krachten. In Egypte kanten zij zich uiteraard tegen Mubarak die het moslimbroederschap niet al te gunstig gezind is en die tevens de invloed van de communistische landen wil bannen. Maar Mubarak is anderzijds ook diegene die de door fundamentalistische moslims verafschuwde vrede met Israël onderhoudt en als het ware garandeert. Is het daarom niet een tikkeltje onbegrijpelijk waarom Obama prompt Mubarak nu wil zien vertrekken en niet in september en ook niet morgen? Is de vrees van Amerika voor een herhaling van 9/11 dan groter dan de vrees voor oorlog in het Midden-Oosten? En gelooft Amerika dan niet meer dat de wereld één geheel is en dat de Midden-Oostenvrede dezelfde als de wereldvrede is? Of is het net andersom? Of is het juist daarom?
"Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon"
- aldus Matteüs 6:24. Ziedaar reeds een Evangelische uitspraak die geen twijfel over laat inzake het haaks op elkaar staan van, enerzijds, de wereldse of de duivelse en, anderzijds, de goddelijke machten. Men hoeft niet om vijanden gevraagd te hebben: het bestaan blijkt van die aard dat wie vrienden heeft, ook vijanden zal hebben, en houdt dat niet in dat de strijd inherent is aan het leven?
Alleen gaat het hier om een strijd die sterk verschillend is van de struggle for life, de natuurlijke strijd om het bestaan, die ook de dieren kennen. In het dierenrijk immers heerst het recht van de sterkste, en de strijd die daar gevoerd wordt, is onmenselijker nog dan die waarin men oog om oog en tand om tand vecht: de grotere dieren verorberen de kleinere zonder meer, en zij doen dat niet uit wraak, zij stellen zich daarbij geen vragen, zij doen het onnadenkend en gewoon omdat ze het ook kúnnen. De strijd die christenen voeren, is nu precies het gevecht tegen die natuurlijke strijd zelf; het is een zich afzetten tegen het recht van de sterkste, dat een zuiver egoïsme is, en een aanprijzen van het gelijkheidsbeginsel in het principe van de naastenliefde. In het christendom stelt het 'ik' zich krachtens de liefde ten dienste van de ander en dit geheel in contrast met de natuurlijke of dan toch dierlijke neiging om de ander uit te buiten of te doden, en hem dan al dan niet op te vreten.
In tijden dat de wereld in de ban raakt van macht en rijkdom, welvaart en ook eigenwaan, welke niet verwonderlijk gepaard gaan met goddeloosheid en ook met vijandigheid tussen de mensen onderling - in zo'n tijden krijgt het christendom het altijd zwaar te verduren, precies omdat de christelijke principes deze van de mammon in de weg staan. Dat de aanbidding van een maximale welvaart met het christendom volstrekt onverenigbaar is en dat men derhalve dat liedje van het zogenaamde 'goede leven' mag vergeten als men Christus wenst te volgen, mag genoegzaam blijken uit het strijdig zijn van alle consequenties van, enerzijds, het machtsstreven en, anderzijds, een christelijk geïnspireerd bestaan.
Zo bijvoorbeeld kon Adolf Hitler de egoïstische massa naar zijn hand zetten wanneer hij propageerde dat in een christelijke maatschappij de beste krachten sneuvelen aan het front om het leven der onnuttige thuisblijvers te redden. De welvaartslogica van de tiran offert namelijk personen op aan de 'gezondheid' van een anonieme staat en voor hem zijn bijvoorbeeld zieken en ouderlingen niets minder dan staatsvijanden of rotte appels in de mand, gezwellen welke nu eenmaal weggesneden moeten worden als men de staat gezonder maken wil. In diezelfde logica bestaan er zaken zoals 'overbevolking' en kunnen mensen overtollig zijn of ongewenst door de staat aan wiens 'wil' men zich moet onderwerpen. Abortus voor de overtolligen of de onnuttigen en ook euthanasie voor wie geen winst meer zullen opleveren, spreken dan vanzelf. Mensen met ongewenst genetisch materiaal dienen zich onvruchtbaar te laten maken en wanbegrippen zoals 'levenskwaliteit' veroveren de markt: mensen gaan dan eisen stellen aan het leven, en voldoet het leven niet aan de gestelde wensen, dan wordt het genadeloos afgebroken alsof het leven een middel in de handen van de levende was! Dat de eindwaarde van een welvaartsmaatschappij een volstrekte idiotie is, blijkt geen mens te storen.
En het ultieme doel van een welvaartsstaat is ook echt een absurditeit: welvaart immers wordt bereikt door concurrentie en de winnaars van dit economisch spel manifesteren zich niet anders dan door een exuberant verteer. Bezit zonder het verteer daarvan zou dat bezit immers banaliseren, en daarom ook manifesteert rijkdom zich noodzakelijk door groot verteer. Op die wijze is het einddoel van de welvaartsstaat noodzakelijk de maximale verspilling. Rijkdom leidt dan recht naar spilzucht en vervuiling - de voorboden van de dood.
Dat ons leven allerminst een middel is in onze handen, leert ons alleen het christendom: het leven is namelijk een geschenk, het komt uit de handen van een ander en wij participeren eraan zoals wij ook deelnemen aan een feest of aan een concert. Mensen zijn niet in staat om hun eigen leven te begrijpen, laat staan om het te maken, en derhalve bevinden wij ons binnen het leven in een gebied dat niet het onze is, dat wij niet kennen kunnen en dat we slechts binnen de voorgeschreven banen moeten houden, precies zoals een chauffeur een wagen veilig door 't verkeer kan loodsen zonder dat hij kennis van motoren heeft. Het is immers niet omdat wij in staat zijn om het leven te vernietigen, dat wij er ook macht zouden over hebben: die hebben we niet omdat we geen leven kunnen scheppen.
De bescherming van de zwaksten is in de ogen van een potentaat die streeft naar rijkdom en naar welvaart, een belemmering precies omdat althans op materiëel gebied de zwaksten ons de meeste zorgen baren. Maar andere werelden dan de materiële zien de machtswellustelingen niet, daar zij ook niet beseffen willen dat stoffelijke rijkdom niet het hoogste is, dat aan elk aards leven vroeg of laat een eind komt en dat bijgevolg de grootste wereldlijke macht gedoemd is om ooit op te houden zodat het dan zal zijn alsof hij nooit bestaan had. Zij die blind zijn voor die waarden die veel verder reiken dan bijvoorbeeld de betaalmiddelen waarmee men rechten afdwingt zolang die in een staat door mogelijk geweld worden gedekt, die kennen ook geen andere machten dan het ordinair geweld dat wel vernietigen maar nimmer scheppen kan. Zij die slechts het materiële willen kennen, loochenen het ware, het goede en het schone dat zelfs de dieren en de planten, ja de stenen vieren in het licht van onze zon.
Niemand kan twee heren dienen - niet God én de mammon - en dat die heren elkaars vijanden zijn, maakt ook dat zij elkaar belagen. Een wereldlijk bestaan dat streeft naar macht en rijkdom, staat het zieleleven in de weg en het geluk dat alleen mensen kunnen kennen als zij ook bereid zijn om het beste van zichzelf te geven. En het christendom dwarsboomt uiteraard die levenswijze die slechts leidt naar meer verspilling en vervuiling, ondergang en dood. Ja, het leven en de dood moeten elkander vrezen, en zo ook worden de christenen vervolgd door smulpapen en machtswellustelingen, terwijl die laatsten door de christenen dreigen te worden bekeerd.
(J.B., 7 januari 2011)
06-01-2011
Wat is er van de Kerk en 't Christendom?
Wat is er van de Kerk en 't Christendom?
Ziet het er niet naar uit dat vandaag alweer de christenen vervolgd worden, zoals zij al zo dikwijls zijn vervolgd in de loop van een geschiedenis van twee millennia? Waarom anders immers focust men in 't dagelijkse nieuws herhaaldelijk op die schandalen ergens in een klooster, zestig jaar geleden, waar een non een onuitlegbare wasdrang zou hebben gehad, althans volgens één nu stokoud 'slachtoffer' dat beweert door haar tot tweemaal toe te zijn afgedroogd? Of die zaak van ergens een pastoor aan 't andere eind van de wereld die naar men zegt beschuldigd wordt van ongepaste aanrakingen? Zij bestaan, weliswaar: de genoemde gevallen, en nog veel erger, en geen ervan mag worden gebanaliseerd. Maar in nog veel en veel grotere aantallen bestaan zij ook buiten de kerk, omdat zondaren en misdadigers nu eenmaal geen eigen geloofsbelijdenissen hebben, evenmin trouwens als helden en filantropen. Waar immers vinden criminelen een beter schuiloord dan in het huis van God zelf dat zich dan toch makkelijk boven elke verdenking kan verheffen? Of vergat men dan de verhaaltjes over prinsen die zich voordeden in de gedaante van kikkers of net andersom: wolven die hun poten dopen in een zak met meel en die ook honig eten om de stem zoetjes te doen klinken en aldus mensen met gebrek aan argwaan om de tuin te leiden? Of heeft Onze-Lieve-Heer verhinderd dat men Hem met een kwade list beschuldigen kon, bespotten, martelen en tenslotte doden? Ook de Schepper zelf bleek niet listiger te willen zijn dan de slang in de tuin van Eden, en aan geen der martelaren werd een geringer troost geboden dan die van de verrijzenis. Slachtoffers van boze listen zijn allerminst misdadigers en dat zij principieel vertrouwen stellen in elkeen, kan hen alleen maar sieren. Neen, men moet de heer des huizes niet beschuldigen voor de inbraken op zijn adres! Waar men aan het slachtoffer de schuld geeft voor het kwaad dat hem of haar wordt aangedaan, draait zich gewis de rechtspraak binnenstebuiten!
Het is een bekende maar ook al te vaak over het hoofd geziene paradox dat slachtoffers vaker worden beschuldigd van wat hen door misdadigers werd aangedaan, zoals zij ook alras worden verguisd wanneer de bliksem hun huizen aan de vlammen voert of als een zondvloed of nog een andere natuurramp hen kon treffen. De achterliggende gedachte dat God zijn getrouwen niet zal straffen, is bijzonder primitief en eigenlijk zeer vreemd aan 't christendom te noemen. Het christendom immers kent een andere logica, waarin met name leed en straf niet altijd samenvallen, en de Zoon Gods zelf demonstreerde er het wezen van in de gestalte van de bedelaar die Hij ook wilde zijn: het Lam dat wordt geofferd om de zonden van de wereld weg te nemen.
Ja, bij uitstek in Christus zelf wordt het slachtoffer beschuldigd en gestraft teneinde de dáder te kunnen verlossen: vatte wie het vatten kan! In de persoon van de Oud-Testamentische Job, wordt Gods getrouwe op de proef gesteld, want zo ook heet het leed dat hem werd aangedaan en dat hij alvast niet als straf verdiende. Edoch, toont het voorbeeld van Christus zelf niet dat leed niet altijd straf hoeft te zijn, en dat de lasten die men voor elkander draagt, het bewijs uitmaken van een grote naastenliefde en daarom ook de weg tot het geluk en dat zij derhalve allerminst lastig zijn doch daarentegen grote zoetheid in zich bergen?
En wordt nu evenzo de Kerk niet tot het Lam Gods zelf, daar toch geschreven staat dat zij het Lichaam is van de Verrezen Heer? En is de Heer zelf nu niet teruggekomen in zijn Kerk die, nu de tijden zich voleindigd hebben, haar identificatie met zijn goddelijke Persoon voltooien moet door ook in 't leed en in de dood in zijn allerheiligste voetsporen te treden die toch uitmonden in de Verrijzenis?
(J.B., Driekoningen 2011)
01-01-2011
Op naar een Gestapo-jeugd?
Op naar een Gestapo-jeugd?
We vernamen al dat voortaan winkeliers zullen functioneren als registreerders van wanbetalers, maar de jongste maatregel van de minister gaat werkelijk alle perken te buiten: Turtelboom zadelt de jeugd op met een plicht om vermoedelijk extremistische jongeren bij de overheid te melden teneinde zodoende de terreur te kunnen bestrijden. Blijkbaar beseft zij niet eens dat zij aldus de jeugd terroriseert op een manier waarop terroristen nooit ofte nimmer in staat zullen zijn dat te doen. Zij initieert onbetaalde kinderarbeid en meer bepaald met taken die in de regel voor specialisten zijn bestemd. Aldus stalt zij slechts een paniekreaktie uit en een verregaande onbekwaamheid om de veiligheid van de burgers te waarborgen.
De terreur van een verklikkingsmaatschappij is ons welbekend uit de communistische landen - de ontwrichte Roemeense samenleving is daar een jong en nog lang niet geheeld voorbeeld van - maar zij bestaat evenzeer in het zogenaamde vrije westen. De Big brother who is watching you perverteert het handelen immers grondig, daar daden welke positieve doelstellingen beogen, door voortdurende registratieangst worden omgebogen tot vermijdingsgedrag door anticipatie en, meer nog dan dat, tot pogingen om verborgen registreerders te misleiden. Menselijke interacties verliezen op die manier hun transparantie en zij worden aldus niet slechts gecompliceerd maar bovendien volledig leeggemaakt van hun eigen inhoud, wat betekent dat de voor het leven zo broodnodige communicatie feitelijk uitvalt ingevolge een alles overheersend wantrouwen.
Vandaag kunnen wij nog duidelijk inzien dat de oorsprong van dat letterlijk moordende maar ook suicidale wantrouwen gelegen is bij onbekwame beleidvoerders, maar morgen zal de vertrouwensbreuk danig huis gehouden hebben dat gevreesd mag worden dat de brokken niet langer te lijmen zullen zijn. Alleen simplisten kunnen niet vatten dat er geen goodies en baddies bestaan en dat ethische kwesties het louter persoonlijke ver te boven gaan: daden en bij uitstek daden met een morele lading zijn geen acties maar het zijn per definitie interacties, handelingen van personen jegens elkaar in complexe maatschappelijke contexten die getekend worden door economische, ideologische en nog anderssoortige invloedssferen. Een minister dient die zaken te studeren, te kennen en vervolgens te beheersen - daartoe is zij verkozen en daartoe krijgt zij ook de middelen. Onbekwamen laten aanblijven in bestuursfuncties is nefast voor allen, het falen op dat niveau moet zonder uitstel worden berecht.
Allochtonie, werkloosheid, criminaliteit en politiek
Allochtonie, werkloosheid, criminaliteit en politiek
Uit een Nederlands onderzoek zou zijn gebleken dat de criminaliteit groter is onder allochtonen dan onder autochtonen; nieuw onderzoek van Belgische makelij beweert dan weer de Hollanders te corrigeren en zegt dat niet de allochtonie doch de werkloosheid de schuldige is en dat men eigenlijk moest zeggen dat in een stad de criminaliteit groter wordt naarmate de werkloosheid toeneemt. Het eerste onderzoek schoof de zwarte piet naar de allochtonen toe, maar het tweede onderzoek, dat beweert dit recht te zetten, doet evenzeer aan demonisering: het schuift de schuld in de schoenen der werklozen.
Met statistieken moet men altijd heel goed oppassen. Intussen bijna een halve eeuw geleden planden enkele Belgische politici het om een nieuwe wet voor te leggen aan het parlement: auto's met een rode kleur zouden worden verboden. Er was immers een bijzonder statistisch verband vastgesteld: rode auto's zijn vaker in verkeersongevallen betrokken. Deze politici geloofden werkelijk dat een verbod op de kleur rood het aantal ongevallen zou doen dalen.
Ook bij het zoeken naar de oorzaken van criminaliteit, speelt blijkbaar de misleidende invloed van de statistiek, die echt tot absurde conclusies en beslissingen kan leiden. Het is overigens zeer de vraag of die dure statistische onderzoeken die in handen van onbekwamen dan nog tot heel foute conclusies leiden, niet beter vervangen werden door een portie gezond verstand.
In dit geval kon het zogenaamde gezond verstand wel eens menen te weten dat, ingevolge (jeugd)werkloosheid, een overschot aan ongekanaliseerde energie bij jongeren sowieso zal zorgen voor, op zijn minst, minder productieve activiteiten. Dit omdat werk de kanalisering is van energie, mede gestuurd door derden, vooral daar waar mensen niet zelfstandig kunnen werken. Maar omdat de verregaande specialisatie van vrijwel elke job vandaag de volledig autonome arbeid zo goed als onmogelijk maakt, ligt de verantwoordelijkheid voor wantoestanden die uit de werkloosheid zouden voortvloeien, niet bij de enkelingen doch bij de maatschappij die immers verplicht is om de nodige sturing aan te bieden daar waar zij verantwoordelijk is voor de verregaande specialisatie en de navenante heteronomie van haar werkende burgers.
Maar ook het zogenaamde 'gezond verstand' brengt vaak geen soelaas, want het aantal verborgen factoren is in dergelijke complexe kwesties meestal veel hoger dan het aantal zichtbare. Bekijken we nogmaals de conclusie uit het onderzoek: in een stad is de criminaliteit hoger naarmate de werkloosheid hoger is. Er zijn dus meer criminelen waar meer werklozen zijn, zo zegt het onderzoek.
De conclusie dat werklozen misdadigers zijn, is gauw getrokken, maar zij snijdt helemaal geen hout en het is zelfs andersom: werkloosheid is immers helemaal geen misdaad, het is daarentegen een gevolg van een misdaad. Werkloosheid is een resultaat van ongelijkheid of van onrechtvaardigheid en werklozen zijn slachtoffers van onrechtvaardige werkverdelers, ook wel werkgevers genaamd. Werklozen ondergaan hier zelfs een dubbel onrecht: een eerste keer daar waar hen een job onthouden wordt; een tweede keer daar waar de schuld voor deze 'straf' hen op de koop toe in de schoenen wordt geschoven.
De conclusie van dat statistisch onderzoek kon bijgevolg veeleer als volgt luiden: er zijn meer criminelen in een stad met onrechtvaardige werkgevers. Het staat dan iedereen nog vrij om daaruit al dan niet te concluderen dat die criminelen wellicht de onrechtvaardige werkgevers of politici zijn.
(J.B., 6 december 2010)
29-11-2010
Over het referendum en over het buiten kieperen van vreemdelingen
Over het referendum en over het buiten kieperen van vreemdelingen
Sinds de zeventiger jaren en dus lang voor de tijd dat fabrieken vol hingen met camera's of dat er sprake was van meldpunten voor pesten, schminkte de Duitse undercoverjournalist Günter Wallraff zich totdat hij er zoals een echte Turk uitzag, om vervolgens te gaan solliciteren in de Duitse industrie die toen veel gastarbeiders tewerk stelde. Ganz unten (1985),in het Nederlands verschenen als Ik, Ali, onthulde mensonterend misbruik van ondergeschikten van buitenlandse origine en vervulde eenieder met grote verontwaardiging. Gastarbeiders verdienen onze dankbaarheid maar zij bleken door sommigen als minder nog dan als honden te worden behandeld.
Ook vandaag nog mogen gastarbeiders wat betreft het onrecht dat zij nog steeds te verduren hebben, rekenen op de steun van deze bijzondere mensenrechtenactivist, die uiteraard geleerd en genuanceerd genoeg is om in te zien dat religieuze eisen die vloeken met de mensenrechten niet van de immigranten zelf afkomstig zijn doch vanwege moslimextremisten die er echter wel blijken in te slagen om steeds meer druk op hen uit te oefenen. Dat blijkt onder meer uit een interview van 5 november 2010 dat Wallraff gaf aan Ursula Rüssmann voor de Frankfurter Rundschau naar aanleiding van de zaak Sakineh Aschtiani.
Deze Iraanse werd conform het moslimrecht (en volgens velen op de koop toe onterecht) veroordeeld op beschuldiging van ontucht en zij zou ook omgebracht worden, aanvankelijk door steniging, later door ophanging, zoals geopperd werd. In het genoemde interview zegt Wallraff dat het hem grote zorgen baart dat ook gewone moslimverenigingen zich niet uitspraken tégen die middeleeuwse praktijken. De leden van die verenigingen, aldus Wallraff, komen zich bij hem beklagen dat ze onder druk staan. En ook Wallraff zelf getuigt van die pressie: toen hij in Keulen opkwam voor de bouw van een moskee en hij dan ook werd uitgenodigd om te zetelen in een raad van de moskee, prepareerde hij voor die gelegenheid een tekst ter voorlezing uit Salman Rushdee's Duivelsverzen. De vereniging stemde toe, maar de oversten in Turkije staken daar direct een stokje voor. (1)
Er is uiteraard moed nodig om zich uit te spreken tegen onrecht, ook al gaat het om onrecht waarvan men zelf het slachtoffer is. De reden daarvoor ligt in het feit dat men zich niet tegen de boosdoener te verzetten durft omdat die het wel eens allemaal nog veel erger kon maken. Vaak spreekt men in dat verband over het Stockholm-syndroom: niet onterecht, want ook hier zijn de slachtoffers in wezen gijzelaars die hun verzet misschien wel met hun leven moesten bekopen. De vrees van deze gegijzelden is, gezien de bewezen boosaardigheid van de fundamentalisten, allerminst ongegrond. En men kan zich dan in alle ernst de vraag stellen of de moslim in de straat er niet heimelijk op hoopt dat zijn gastland het extremisme harder aan gaat pakken in plaats van het te tolereren, zogezegd in de naam der godsdienstvrijheid.
Onlangs spraken de Zwitsers zich in een referendum afwijzend uit inzake de bouw van minaretten in hun land. Er was fel wat tegenstand, ook vanwege 'rasechte' Zwitsers, maar gezien de feitelijkheid van de hoger genoemde 'druk' kan men de vraag stellen of die eis om minaretten dan van de Zwitserse moslims zelf afkomstig was ofwel van extremisten die hen gijzelen en die er heel andere bedoelingen op na houden dan de vrije beoefening van godsdienst. Temeer daar die extremisten in eigen land bijzonder fel tégen de vrijheid van godsdienst gekant blijken - zo fel dat zij andersgelovigen gewoon stenigen.
Dat het merendeel der Zwitsers de misdadigers van vreemde origine het land uitgezet willen zien, is nog een heel andere kwestie die slechts ten dele aan de eerste kon verwant zijn. Het hanteren van verschillende strafmaten voor autochtoon en allochtoon spreekt het gelijkheidsbeginsel tegen en suggereert dat allochtonie misdadig zou zijn, wat uiteraard absurd is. Gelet op wat het werk van Wallraff aan het licht bracht, ware een omgekeerde maatregel veel rechtvaardiger: een beetje begrip voor weliswaar illegaal gedrag dat echter deels kon volgen uit het doorstane onrecht.
Bovendien is er de vraag of een referendum wel geschikt is om veroordelingen uit te spreken. Een volksraadpleging lijkt weliswaar het tegendeel te zijn van een dictatuur, maar volgens sommigen is het slechts een andere vorm daarvan: een dictatuur van de massa. In een gezonde democratie regeren niet zonder redenen afgevaardigden van het volk en zij nemen principieel ook geen beslissingen zonder een voorafgaand wetenschappelijk onderzoek en een onderbouwd publiek debat. En dit los van het feit dat daar van een voor de democratie onmisbare scheiding der machten al helemaal geen sprake meer kan zijn.
Er wordt heel wat gepraat en geschreven over sex en sex wordt uiteraard ook duchtig bedreven, maar op de keper beschouwd weet eigenlijk geen mens wat sexualiteit precies is. Principieel iedereen ondergaat zijn geslachtelijkheid zoals men zijn leven zelf ondergaat en ook zijn dood, maar doorgronden doet men die zaken allerminst, ze blijven mysterieus en duister.
Louter technisch kon men sex als voortplanting definiëren, meer bepaald als voortplanting middels twee verschillende geslachten (de zogenaamde geslachtelijke voortplanting), want sommige planten kan men 'afleggen' en er bestaan ook diertjes die zich delen om zich aldus te vermenigvuldigen (de ongeslachtelijke voortplanting). Welnu, als men dát beschouwt als sex, dan is de term homosexualiteit een contradictio in terminis: het kan geen sexualiteit zijn want er is geen voortplanting mee gemoeid. Sommige clerici benadrukken dit dan ook voortdurend: sex is voortplanting en het mag want het kan ook niets anders zijn dan dat...
De verliefden
Tegenover die definitie dat sex voortplanting is, staat nu dat vrijwel geen normaal mens zal trouwen, laat staan verliefd worden met de bedoeling kinderen te verwekken, en dit alleen al omdat verliefd worden niet iets is wat men beslist te doen. Dit kan vreemd klinken daar wij danig gewoon geworden zijn, enerzijds aan de verwisseling van drijfveren met redenen en, anderzijds, aan het identificeren van een geordend historisch proces met de noodzaak ervan.
Dat laatste toont zich in onze neiging om causale verbanden te induceren in louter opeenvolgende gebeurtenissen - een denkfout waarop onder meer de grote wijsgeer David Hume heeft gewezen. Indien mensen zouden vrijen met de bedoeling kinderen te verwekken, dan waren voorbehoedsmiddelen uiteraard overbodig en ook zou het aantal abortussen dan fors slinken. Eveneens zou in dat geval de zogenaamde homosexualiteit vanzelfsprekend helemaal niet bestaan, evenmin als de sexualiteit met onvruchtbaren - van nature of door ziekte onvruchtbaren, nog niet vruchtbaren of dus kinderen en niet meer vruchtbaren of bejaarden, en bij uitstek bejaarde vrouwen.
Maar wie beweren dat mensen sex hebben om kinderen te verwekken, miskennen niet alleen het bestaan van allerlei vormen van sex waarbij voortplanting uitgesloten is. Zoals gezegd verwisselen zij tevens redenen, of redelijke argumenten, met drijfveren, beweegredenen of motieven, en zij doen dat wel zodanig dat hun redenen daardoor tot drogredenen verworden, wat wil zeggen dat zij worden gemotiveerd door drijfveren die zij niet redelijk verstaan, terwijl zij tegelijk redelijke argumenten genereren die uiteindelijk geen hout snijden maar die zij aanwenden als een soort van beveiligende dekmantel die er voor zorgt dat de blinde of redeloze lusten zich kunnen botvieren.
Evenwel mag hier niet voorbijgegaan worden aan een bijkomende realiteit waarvan vandaag vermoedelijk nog niet zo heel veel wordt begrepen, en dat is wat men zou kunnen aanduiden als een objectieve, natuurlijke redelijkheid welke dan uiteraard het menselijke begrip te boven ging. Zo'n veronderstelde realiteit zou dan het vermoeden voeden dat de natuur altijd 'redenen' te over had om schepselen met specifieke aandriften op te zadelen, daar deze immers in dienst stonden van die hogere, natuurlijke 'rede' die overigens ook de menselijke redenen in haar schaduw zou stellen. (1) Kortom: er wordt door de band niet gevrijd of getrouwd om kinderen te verwekken, terwijl men aan sex en aan de instelling van het huwelijk wél die bedoeling toeschrijft. En zo ook ondergaat men de verliefdheid, zeker in zijn jeugd, precies zoals men zijn eigen bestaan en zijn dood moet ondergaan.
Op zich is dat reeds mysterieus, denk maar aan de overtuiging van de verliefde dat hij de ander om zichzelf bemint, terwijl wij heel goed weten dat die ander eigenlijk om het even wie had kunnen zijn. Geliefden blijken soms bijzonder verwisselbaar, terwijl zij nochtans overtuigd aan elkander de volstrekte uniciteit toedichten. Weliswaar is elke mens uniek, in die zin dat een persoon als persoon - bijvoorbeeld een overleden geliefde - nooit door een ander kan worden vervangen. Maar tegelijk kan men zeggen over ongeacht welk koppel dat, indien zij elkaar nooit hadden ontmoet, zij hoogst waarschijnlijk wel een ander hadden gevonden. Alle koppels kunnen best geloven dat zij verliefd zijn op de unieke persoon van de ander, maar alvast de statistieken blijken dat geloof hoe dan ook geen kracht te willen bijzetten, aangezien maar bitter weinig princessen met schooiers huwen, hetero's met homo's of zwaar mentaal of fysiek gehandicapten met 'gezonde' mensen. Het ziet er dan veeleer naar uit dat de verliefdheid niet zozeer de persoon betreft doch een welbepaald natuurlijk type, en het zijn dan ook niet de personen die elkaar uitkiezen, doch die natuurlijke typen, die welbepaalde eigenschappen, die haast onkenbare scheikundige processen die zich voltrekken... ondanks de betrokken personen. Al te vaak immers ziet men koppels uiteen vallen van zodra de natuur haar werk heeft verricht en zich de personen áchter de typen met elkaar op een soms ontnuchterende wijze geconfronteerd weten.
Als dus verliefdheid iets te maken heeft met voortplanting, dan moeten we stellen dat dit, alvast vanuit het menselijke perspectief, vermoedelijk geheel toevallig zo zal zijn, want indien verliefdheid niét leidt tot voortplanting, maar bijvoorbeeld wel tot een gewisse dood, bijvoorbeeld als zij bij onwetenden daaromtrent zou leiden tot een vrijpartij met hiv-besmetting, dan zou zij helemaal niet ophouden te bestaan, en ze zou ook niet anders worden beleefd. De verliefdheid trekt zich er vaak zelfs niets van aan of zij zal leiden tot sociale aanvaarding ofwel tot sociale verwerping: de band van de tweeheid lijkt vaak krachtiger dan het deel uitmaken van een grote groep. En schijnbare verliefdheid blijkt ook te kunnen leiden tot verkrachting en zelfs tot moord, al spreekt men dan uiteraard niet langer van verliefdheid en van liefde, maar van (egoïstische) lust, van genotzucht en van moordlust. Dit gehele gebied blijkt bijzonder donker en mistig.
Sexualiteit en scheikunde, huichelarij en ethiek
Als men het nu heeft over homosexualiteit, dan is het wel duidelijk dat men het niet heeft over sex in de zin van voortplanting; wel bedoelt men dan het gebied dat zich geheel wars van de procreatie ontwikkelt, vaak eerst als verliefdheid en eventueel ook als liefde, en verliefdheid is het ondergaan van iets, het is een betoverd worden of een zich laten betoveren, al dan niet met gekende wenselijke of onwenselijke gevolgen. De gebeurlijke overgang van verliefdheid naar liefde is dan een stap welke apart kon worden besproken.
Men moet hier vooraf toch wel de nadruk leggen op het feit dat de ethische uitleggingen die hieromtrent vaak worden verkocht, meestal bijzonder huichelachtig of ongeloofwaardig blijken, en laten we het houden bij slechts een enkel maar wellicht genoeglijk overtuigend voorbeeld.
Toen in de jaren zestig en zeventig de geslachtsziekten overwonnen werden met een simpele pil of een spuit antibiotica, ontstond de ethiek van de vrije liefde. Het vreemde daaraan was nu dat de argumenten voor de vrije liefde niet verwezen naar die pillen, maar daarentegen naar een wereld van mysterie en mystiek!
Men gelooft dit niet natuurlijk, maar kijk: enkele decennia later steekt aids de kop op en wat ziet men? Prompt ontstaat een nieuwe sexuele ethiek, meer bepaald wordt nu het huwelijk weer gepropageerd. Andermaal spreekt die propaganda helemaal niet over het ontoereikend geworden zijn van de antibiotica - welneen: zij heeft het enkel over idealen van trouw, over het gezin en over nog veel hoogdravender mystiek.
Er is dus iets bijzonder huichelachtigs inherent aan deze zaken: verliefdheid, sexueel genot en voortplanting blijken soms in verband te staan met elkaar, maar wij weten niet hoe dan wel en die verbanden blijken bovendien door ons niet anders dan als toevallig te moeten worden omschreven. Zoals men er niet voor kiest of men een man is of een vrouw, zo ook is men sexueel bepaald. De fysieke of de chemische rollen die de natuur door blinde doch feilloze selectie blijkt te hebben toegekend aan mannen, vrouwen, sexuele typen en zo meer, komen niet of niet noodzakelijk overeen met de bestaande sociale of maatschappelijke rollen van verschillende individuen, en het rollenspel zal afhankelijk van de wisselende context mee veranderen.
Het onderverdelen van mensen in sexuele typen (homo, hetero...) lijkt overigens nogal lomp, het doet denken aan die allang achterhaalde typologieën van Kretschmer en anderen in het begin van de voorgaande eeuw.
Sexualiteit en maatschappij: het recht van de sterkste versus de wet van de naastenliefde
Op zich (i.e. biologisch) al zo complex, wordt de zaak echter nog ontelbare keren complexer als zij gaat raken aan andere gebieden, zoals het sociale leven. We moeten ons hier noodgedwongen beperken tot een enkel voorbeeld: de verstoting van homo's.
Vooreerst gebeurt deze discriminatie niet omdat men zou inzien dat homosex minderwaardig was aan heterosex maar, heel wat simpeler dan dat, bestaat de neiging om homo's achter te stellen omdat zij nu eenmaal een minderheid vormen. Om dezelfde reden kregen linkshandigen slaag op de kneukels, en niet omdat ze schreven met de hand van de duivel (de manu sinistra). Opnieuw om dezelfde reden moeten allochtonen het ontgelden. En ook de praktijk van abortus oogst succes om geen andere reden dan omdat een foetus zich niet kan verweren. Om dezelfde reden maken terroristen winst - van zodra namelijk het Stockholmsyndroom gaat spelen waarbij gijzelaars gaan sympathiseren met hun gijzelnemers: omdat zij angst hebben voor die criminelen, sluiten ze zich bij hen aan. Tegen dat recht van de sterkste reageert nu het christendom. En hier zijn we vermoedelijk beland bij een mogelijke verklaring waarom er zoveel homo's onder de clerus te tellen zijn.
Van nature wordt de minderheid der homo's (tot de dood toe) vervolgd in een heterowereld en die vervolging is wel veel fataler dan velen denken. Het mechanisme dat daar voor zorgt, gaat als volgt.
Homo's vormen een minderheid en worden daarom gelaakt. Maar homosexualiteit is relatief onzichtbaar. Ze wordt echter wel zichtbaar bij tekenen van sympathie: wie een homo helpt, wordt er op zijn beurt van verdacht een homo te zijn. Iedereen schuwt het dus om homo's te helpen. Wie echter een homo vervolgt, verstevigt zijn positie als hetero.
Dit lijkt debiel, maar men moet goed weten dat de ruime meerderheid van de bevolking niet veel hoger scoort dan iemand met de ontwikkelingsleeftijd van een (jong) kind. (2) Bovendien werd inmiddels aangetoond dat de vervolging van minderheden een activiteit is welke vooral beoefend wordt door lui die van die minderheden zelf deel uitmaken, meer bepaald wanneer zij de eigenschappen die hen tot de bewuste minderheidsgroepen doen behoren, voor de buitenwereld willen verborgen houden. Het mag worden opgemerkt dat het aan het licht brengen van deze waarheid uiteraard een gedragsverandering teweeg zal brengen bij de betrokkenen, al dan niet gevolgd door een wijziging van de onderliggende attitude.
Het christendom reageert tegen het blinde recht van de sterkste (en dus ook tegen de blinde voortplantingsdrang, paradoxaal genoeg) en zou dan in de plaats de naastenliefde moeten stellen, wat hier dus die 'verliefdheid' is die niet doelt op vermenigvuldiging of op eventueel andere natuurlijke 'voordelen' maar die louter 'gratuit' is - een graag gebruikte term onder christenen.
De verborgen afspraak
Maar tegelijk neemt het christendom als kerk nog een ander voordeel te baat: zij verenigt homo's terwijl zij voorhoudt dat dezen niet ongehuwd zijn omdat zij homo zouden zijn, doch om een heel andere reden, namelijk omdat zij de sexualiteit waarmee zij anders een gezin hadden gesticht, sublimeren, vergeestelijken en als het ware omtoveren in een liefde voor de hele mensheid of voor de maatschappij: de liefdadigheid volgt als het ware uit zelfopoffering om niet te zeggen zelfcastratie.
En pas op dit moment heeft dan de rest van de maatschappij (de heteroclan, de meerderheid) een reden om die homo's niét aan te vallen. Zij worden gespaard omdat zij winstgevend zijn: ze verzorgen de ouderen, de zieken, de kinderen en op die manier nemen ze vele soms vervelende en verlieslatende taken van hetero's op zich. Hieraan moet ter vervollediging nog worden toegevoegd dat niet alleen homo's geneigd zijn om de clerus te gaan vervoegen, maar ook heel wat andere menstypen die vaak om heel uiteenlopende redenen niet direct geïnteresseerd zijn in het stichten van een eigen gezin. Bovendien bestaan er naast de kerk nog andere organisaties waar om gelijkaardige redenen homo's relatief sterk vertegenwoordigd zijn, zoals bijvoorbeeld het leger en, meer bepaald, de marine. Het zal voor elkeen duidelijk zijn dat bijvoorbeeld een vaak maandenlang verblijf op zee, ver van huis en vaak ook in groot levensgevaar, niet de aangewezen job kan zijn voor jonge vaders.
Heel ongenuanceerd uitgedrukt, is de kerk zodoende het resultaat van een gesloten handeltje tussen hetero's en homo's waarbij men voor elkaar graag wat door de vingers ziet omdat de twee partijen daar garen bij spinnen zoals de oude Hollanders het zegden. Vandaag echter is er sociale zekerheid en dies meer, wat liefdadigheid zowat overbodig maakt, en dus ook de kerk verliest alvast voor de buitenstaanders haar zin en haar recht van bestaan. Wellicht is het om die reden dat buitenstaanders er niet langer voor terugschrikken om de clerus aan te vallen, want dat is tenslotte wat vandaag gebeurt. De mistoestanden binnen de kerk waarover men nu bericht, bestonden vroeger immers evenzeer - uiteraard.
Zelfveroordeling?
Nog een woord over de discriminatie van homo's door de kerk - uitgerekend die organisatie die als geen andere homo's groepeert. De afkeuring van homosexueel gedrag door de kerk is immers makkelijk te begrijpen in het kader van wat zij voorwendt jegens de rest van de maatschappij, namelijk de gelofte van het celibaat, welke rechtstreeks volgt uit het geloof dat men zijn sexualiteit kan sublimeren of transformeren in liefdadigheid: de liefde van de geestelijke verdwijnt niet in het niets, maar zij richt zich voortaan niet langer op een echtgeno(o)t(e) doch op God zelf die krachtens de leer van het christendom met de naaste wordt geïdentificeerd.
Maar hieraan dient onmiddellijk een correctie te worden toegevoegd: de afkeuring van homosexualiteit en van promiscu gedrag in het algemeen door de kerk, mag echter slechts de clerici als zodanig betreffen, daar alleen zijzelf het zijn die in de genoemde sublimatie voorhouden te geloven. Daarentegen: over de sexualiteitsbeleving van de homo's die niet tot de clerus behoren, mag de kerk uiteraard niet oordelen omdat leken geen geloften hebben afgelegd. Nog veel minder mag zij oordelen over deze dingen waar het mensen betreft die niet tot het katholieke geloof behoren.
Vervolgens moet de sublimatie van de sexualiteit een richtsnoer blijven en dat is, met andere woorden, niet zomaar een verplichting doch een ideaal. Niet het niet bereiken van het ideaal kan dan als zijnde zondig worden bestempeld, maar wel het niet langer nastreven ervan en, andermaal, alleen op voorwaarde dat men tegelijk zelf en vrijwillig voorhoudt dit ideaal na te streven want alleen dan verkeert men met zichzelf in tegenspraak.
Waar daarentegen de kerk de homosexualiteit (dood)zondig noemt, veroordeelt zij onvermijdelijk en meteen alle homo's zelf, terwijl die veroordeling, krachtens het sociaal karakter van de kerk, eveneens een maatschappelijk karakter heeft en in feite neerkomt op excommunicatie. Het betreft dan meer bepaald niet slechts het buitensluiten van mensen uit de kerkgemeeenschap: omdat de kerk ernaar streeft iederéén te bekeren, worden zodoende mensen principieel uitgesloten uit de maatschappij zonder meer. Omdat wij ons mens-zijn exclusief danken aan onze intersubjectiviteit, houdt sociale uitsluiting niets anders in dan regelrechte moord. De moordenaar in kwestie beseft dat hijzelf ongestraft zal blijven omdat bij dit type van moord de fysieke doodslag achterwege blijft of wordt overgelaten aan het slachtoffer, wat de misdaad des te wreedaardiger maakt. Wanneer nu de clerus de discriminatie van homo's aldus bevordert met de verborgen bedoeling om zelf buiten schot te blijven, kan het wezen, het bestaansrecht en de ware aard van de kerk terecht in vraag worden gesteld.
De zaak anders bekeken
Het onderwerp werd hiermee vanzelfsprekend allesbehalve afdoende behandeld, en meer vragen rijzen. Zo bijvoorbeeld de kwestie of en in hoeverre het zich aansluiten van homo's en andere menstypen bij de kerk een geplande activiteit is. Vervolgens ook de vraag of die al dan niet bewuste organisatie van de maatschappij dan wel zo'n slechte zaak is en of er daarvoor dan betere alternatieven bestaan.
Onmiskenbaar is er maatschappelijke organisatie van bovenaf - denk maar aan de beruchte woorden: "Houdt gij ze dom, wij houden ze arm". Maar tegelijk komt die organisatie heel waarschijnlijk tegemoet aan een lacune, aan een nood aan ordening en meer bepaald: een nood aan ontwikkeling en aan welstand. Het volk zoekt met andere woorden wel naar leiding maar die blijkt niet altijd naar behoren te worden ingevuld. De democratie lijkt het best mogelijke regime om mistoestanden ingevolge dictaturen te voorkomen, maar tegelijk kan zij zelf verworden tot een dictatuur van de massa die, zoals hoger vermeld, maar al te dikwijls geen bijster verstandige antwoorden te bieden heeft op de grote uitdagingen van deze tijd. Zij lijdt in feite een beetje aan hetzelfde euvel als de vrije markt, die voortdurend wordt geconfronteerd met de gevaren van de middel-doelomkering, de vraag- en aanbodomkering en de contraproductiviteit in het algemeen - allemaal deviaties welke te wijten zijn aan een tekort aan die leiding die daarentegen in de dictaturen al te nadrukkelijk aanwezig is en al te machtig.
Het menselijke handelen, op persoonlijk en maatschappelijk vlak, technisch, wetenschappelijk, religieus en noem maar op... is en blijft een fantastische improvisatie; onze wereld blijkt een compositie die soms aan een kunstwerk denken doet, maar soms ook aan een machine. Het is hoe dan ook niet altijd feest voor iedereen en hoe om te gaan met de medemens, de wereld en het leven, is een vraag die in het licht staat van antwoorden op grote levensvragen - antwoorden die, bijzonder halsstarrig, hetzij afwezig blijven, hetzij zeer ambigu zijn. Wat er te doen valt en te laten, is zoals al het andere aan evolutie onderhevig. Naast het brede terrein van nauwkeurig gereglementeerde doelstellingen en acties, bestaat er altijd ook een marge waarin de dingen minder vast liggen, als het ware vloeibaarder zijn en ook onzekerder. Daar zijn geen voorschriften voor elk van onze handelingen; daar wordt van ons gevergd dat wij zelf keuzen maken, en die vaak ongemakkelijke situatie is tegelijk de vrijheid - het summum van al 't menselijke waar vele anderen die in zekerheden geloven te leven, in wezen naar verlangen.
En zo komt het allemaal zo lang als het breed is, zoals men dat in de volksmond zegt: kritiek op bestaande gebeurtenissen, toestanden en organisaties kan terecht zijn, maar het blijft een louter theoretische aangelegenheid, die alleen daarom al maar weinig recht van spreken heeft. De beste stuurlui staan altijd aan wal, woorden kunnen afschrikwekkend of enthousiasmerend zijn, maar zij missen spierkracht, zij kunnen geen huizen bouwen, hun greep op de stoffelijke werkelijkheid blijft vaak zeer beperkt. Theorieën missen daarom ook ervaring, wat ze a priori geheel waardeloos maakt. En misschien is ook de huidige kritiek van woorden op het instituut van de aloude kerk in die zin veeleer onvruchtbaar en ook onterecht. Dat de kerk overigens alleen in het 'beschaafde' westen blijkt te wankelen terwijl zij het in nog onontwikkelde gebieden bijzonder goed doet en zij aldaar zelfs groeit, doet tevens het vermoeden rijzen dat haar verzwakking wel eens het gevolg zou kunnen zijn van het feit dat de meer ontwikkelde staten essentiële functies van haar overnamen, en dan vooral sociale functies die alles te maken hebben met caritas, liefdadigheid of noem het sociale zekerheid.
Staten met een uitgebreid ontwikkelde sociale zekerheid, hebben de behoefte aan de liefdadigheid, die anders kerken kunnen bieden, niet meer nodig. Eenmaal het vangnet van de menslievendheid vervangen werd door een systeem dat burgers welhaast machinaal verzekert tegen honger, kou en zelfs tegen onwetendheid, verliest de religie een groot stuk van haar aantrekkingskracht. Het voordeel van die 'afschaffing' der armoede, om het zo maar te zeggen, ligt hierin dat men bij niemand nog moet gaan bedelen om in leven te kunnen blijven. Het nadeel echter is dat men op den duur niet meer geven kán omdat alle behoeften automatisch worden bevredigd door de staat: de vrije menselijke interactie werd vervangen door een strikt gereglementeerde en haast machinale activiteit tussen enerzijds het staatsapparaat en anderzijds de burgers. De ziel dreigt volledig te vervluchtigen in een wereld waarin, samen met allerlei belemmeringen, ook de vrijheid werd weggewerkt.
Menstypen die hun liefde niet natuurlijkerwijze aan een gezin schenken, worden in die omstandigheden ook niet langer gestimuleerd tot de transformatie van hun zorginstincten in de richting van de behoeftige medemens, die in een verzorgingsstaat immers niet meer bestaat - alvast theoretisch - omdat hij wordt opgevangen door beroepsverzorgers die voor hun werk worden betaald, wat wil zeggen dat zij zullen staken als hun loon uitblijft. Het gouden kalf dreigt daar met andere woorden elke plaats in te zullen nemen waar voorheen een mens aan 't werk was die handelde vanuit het binnenste van zijn ziel: hij hielp omdat hij er nood aan had te helpen - omdat hij er nood aan had om mens te zijn - terwijl hij van nature niet bestemd was om die zorg aan een eigen gezin te geven. Een verschuiving dreigt dan op te treden van het levend organische, dat te maken heeft met menselijke klieren, zorg en ziel, naar het institutionele, dat aanvankelijk door plichten geregeerd werd maar dat nu steeds afhankelijker wordt van geld, dat op zijn beurt niet langer verwijst naar zorg en ziel, maar veeleer naar een principieel onbevredigbare hebzucht: de nood om te helpen wordt dan vervangen door de weigering van hulp van zodra de geldelijke vergoeding of de sanctionering achterblijft, wat concreet betekent dat hulp niet langer wordt beschouwd als een genade - waarbij men blij mag zijn dat men iemand helpen kán - maar als een last - waarbij men 'vergoed' wordt, met name voor het (materiële) nadeel dat men al helpende gebeurlijk ondervindt. En als het loon uitblijft, dan staakt men die hulp, wat betekent dat men geconditioneerd werd - in niet mis te verstane termen: afgericht, zoals een dier.
Want dat is wat geld met het volk doet: het africhten, zoals het vee wordt afgericht. En africhting lijkt ons alvast een heel wat groter kwaad dan opvoeding. Opvoeding is het bijbrengen van begrip of inzicht, met name in de noodzaak van de dingen, en uitgerekend dat is vrijheid, zou Spinoza zeggen. Edoch, beter nog dan africhting en opvoeding is liefde, meer bepaald dan naastenliefde. En als de caritas nu kon gewonnen worden op een degelijk bewerkt veld van aanvankelijk ongeordende aandriften en relatief blinde verlangens: wat kon er dan op tegen zijn om haar te telen? Het dunkt ons dat geen patriarch haar niet te baat zou nemen als hem die kans geboden werd. En was het niet de kerk die aan de wereld een dergelijk compromis aanbood doorheen de tijden? Wie zal het zeggen!
(J.B., 10.11.2010)
Noten
(1) In wezen gaat de natuurlijke 'redelijkheid' aan de menselijke vooraf, wat inhoudt dat het niet zozeer de natuur is die nadenkt, doch veeleer ons verstand dat 'natuurlijk selecteert'. Denken immers is anticiperen, het is een (onvolmaakte) vorm van natuurlijke selectie, het is logische mogelijkheden op een rijtje zetten en ze toetsen aan (opgeslagen) ervaringen om de ongeldige te elimineren en de geldige over te houden. De natuur doet hetzelfde, maar dan niet in gedachten anticiperend op de werkelijkheid, doch in de werkelijkeheid zelf.
(2) Zie het onderzoek van Yerkes in 1921, USA, bij 160.000 volwassen Am. rekruten in het leger. Bron: Gie van den Berghe, De mens voorbij, pag. 233.
03-11-2010
Commotie rond een aartsbisschop
Commotie rond een aartsbisschop
Sie gehen daher wie ein Schemen
und machen ihnen viel vergebliche Unruhe;
sie sammeln und wissen nicht,
wie es kriegen wird.
Johannes Brahms, Ein Deutsches Requiem.
De commotie rond aartsbisschop Léonard is een steekspel waarvan men zich kan afvragen of het dan niet typerend is voor het schipperen in de mediatieke vaarwateren. Een even wanstaltig precedent van een strategie welke men eigenlijk niet langer met 'schipperen' kon bestempelen, leverden de media in het evolutionisme-creationismedebat in
het VRT1-programma De zevende dag van 2 oktober 2005, alwaar enkele woordvoerders van vooraanstaande katholieke instellingen openbaar verklaarden niet te erkennen dat God de 'eerste oorzaak' of de schepper is, en dit in weerwil van de katholieke geloofsbelijdenis, die immers start met de woorden: "Ik geloof in God, de almachtige Vader, schepper van hemel en aarde...".
Meer bepaald werd bij die gelegenheid, in een gesprek met sciëntist Johan Braeckman, de scheppingsleer geloochend door de toenmalige rector-theoloog van de K.U.L. - een universiteit onder het patronaat van toenmalig aartsbisschop en kardinaal, Godfried Danneels. Men moet opmerken dat een kardinaal zich in het rood kleedt ten teken van zijn principiële bereidheid om het eigen bloed te vergieten voor het geloof. Maar de katholieke gezagsdragers zetten toen hun gelovigen zonder meer te kijk, daar zij hen zodoende en zo geheel onvoorbereid confronteerden met het 'nieuwigheidje' dat het betreffende, allereerste, katholieke geloofspunt 'allang' uit de tijd was! Uiteraard zat het probleem toen in de onbekwaamheid van die vooraanstaande katholieken om hun geloof nog langer te verdedigen tegenover gestudeerde atheïsten: zij kozen voor de gemakkelijke doodsteek aan het katholieke christendom, en dit ten aanschouwe van gans televisiekijkend Vlaanderen.
Edoch, wanneer vandaag een nieuwbakken aartsbisschop de verloochenden van weleer soelaas wil bieden, blijkt het gros van hen zich helaas al te hebben verzoend met die vreemdsoortige contradictie: het geloof in een schepper die dat slechts symbolisch is, aangezien het kleinste kind u zal vertellen dat alles begon met de 'big bang'.
Het was ter gelegenheid van een huistaak 'verhandeling' op het college dat de klaspater mij op zijn kamer ontbood alwaar ik een onzachte uitbrander te verwerken kreeg inzake onze geloofsbelijdenis. In het bewuste opstel stond namelijk dat ons hiernamaals uiteraard geen letterlijkheid kon zijn, terwijl de jezuïet mij er attent op maakte dat wij wel degelijk de opstanding van het vlees belijden. Dat is alles waar ons geloof om draait, verklaarde hij op scherpe toon: zonder dat verliest het katholicisme zijn reden van bestaan! Een lange tijd nog heb ik nagedacht over die kwestie en, inderdaad: een geloof zonder een hiernamaals kan gewoon niet katholiek meer zijn: wij belijden wel degelijk de opstanding en wel - wat anders immers? - de opstanding van het vlees.
Men kan niet half geloven, zoals men ook niet half kan leven, en de katholieke leer, die niet alleen de Openbaring van de profeten en van Christus is, maar tevens de lering van de heiligen die na Hem kwamen, laat er geen enkele twijfel over bestaan: wij zijn verworpenen ingevolge onze eigen schuld, die echter door de menswording van God wordt opgeheven - als wij tenminste bereid zijn om in Hem te geloven. Dan wordt de dood teniet gedaan in de verrijzenis.
Men hoeft overigens geen theoloog te zijn om het zo jammerlijke menselijke lot te kunnen vaststellen: wij worden geboren, wij lijden en wij moeten sterven, en dat geldt voor ieder van ons. De conclusie is verder rap getrokken dat wij die miserie toch niet zonder enige reden kunnen hebben verdiend, en dat er bijgevolg ooit iets heel grondig moet zijn misgegaan waarvan wij de gevolgen dragen: een grote zonde, ja, een erfzonde weegt op ons bestaan. En een uitweg wordt ons voorgehouden door God zelf: een smal en moeilijk pad - de enige terugweg naar het herstel van de oorspronkelijke staat.
In de zogenaamde heilsgeschiedenis is onze aardse wereld helemaal geen experimenteerterrein voor wetenschappers en geleerden die het leed beloven weg te nemen, en uiteindelijk ook de dood, om tenslotte van de armzalige mens een enige god te maken. Welneen, de wereld die des duivels is, kan voor ons slechts een beproeving zijn: de pijn zal ons niet verwonden en niet doden, maar uitgerekend het te dragen kruis kan vervolmaken en voor eeuwig laten leven.
Is het dan niet de taak van een katholieke bisschop dat hij deze onveranderlijke waarheid predikt, zodat gelovigen hem ook horen kunnen uit zijn mond? Of moet hij dan gaan liegen omdat de waarheid hard is en men het vandaag nu eenmaal verkiest om kleffe leugens voor de waarheid te gaan houden? Mogelijkerwijze zijn de inzichten veranderd sinds de dood van Jezus Christus, maar als Hij verrezen is, dan is alvast dit uitzicht sinds zijn verrijzenis noodzakelijk hetzelfde. Niets immers in de ganse wereld kon ooit tippen aan die extase van het leven zelf dat zich met Christus' kracht verheft boven een weggekwijnde dood. En omdat ook bewijzen uiteindelijk op ervaringen berusten, kunnen ervaringen hun bewijzen gerust missen.
(J.B., 3 november 2010)
23-10-2010
Ontbinding
Ontbinding
Op een keer kwam ik binnen ten huize van mijn schoonouders en daar zaten zij in de veranda aan tafel in het gezelschap van twee heren in een kraaknet pak en met een streng ogende das.
- Twee minuutjes, zo excuseerde zich mijn schoonvader, en dan kom ik eraan. Het kan immers niet langer wachten, anders grijpen we naast een superkorting van zo maar eventjes zevenduizend euro!
- Een alarminstallatie, fluisterde mijn schoonmoeder mij ter verduidelijking in het oor: vanaf morgen geldt de korting niet meer. Zevenduizend euro is niet niks he...
- Zevenduizend euro korting? Verduiveld, hoeveel kost die installatie dan wel, als ik dat mag vragen?
Mijn schoonvader zat al te popelen om de papieren te mogen ondertekenen maar ik legde mijn hand op zijn arm en doorbladerde het stapeltje drukwerk. Een sensor met een belletje, echt geen sikkepit waard, hier en nu voor maar liefst... zestienduizend euro!
Het duurde verder geen twee minuten meer of de heren waren er met de stille trom vandoor. Zonder twijfel of scrupules, op naar het volgende slachtoffer.
De tactiek is zo oud als de straat: maak eerst de mensen doodsbang, in dit geval voor inbrekers. Bewijs hen vervolgens dat, eenmaal blut, zij op niemands hulp nog zullen kunnen rekenen. Presenteer hen tenslotte de feilloze redding uit die hoogste nood, en dan nog aan halve prijs. En welke man zou dan nog durven tegenwerpen dat de kostprijs ter beveiliging van zijn ega al te hoog is? Bovendien is er haast mee gemoeid want de volgende dag al vervalt de korting.
Een pluspunt is het voor die 'zakenlui' als de klant dement is, maar onwetendheid omtrent electronica volstaat meestal om moeiteloos de malafide koop te kunnen sluiten.
De verkoopstactiek is een paard van Troje: zij die u laten geloven de inbrekers de das om te doen, gaan met het laatste spaargeld aan de haal.
De staat kan noodlijdenden sanctioneren als die zich met geweld andermans bezit toe-eigenen, maar zij kan geen mens verbieden om een vrijwillig aangeboden som te weigeren, vooral ook omdat diezelfde staat van elke (wettige) transactie haar deel opeist en daarvan ook leeft.
Anders wordt het echter waar de staat zelf noodlijdend wordt omdat zij moet gaan concurreren met bijvoorbeeld privé-instellingen. In dat geval zal zij zich ter zelfverdediging alras laten verleiden tot het te baat nemen van die verfoeilijke, in de privésector beproefde verkoopstactieken, die gelijk Trojaanse paarden paraderen op de markt.
Niet eens zovele jaren geleden was ik eens op een lerarenvergadering die door de directeur werd geopend met de mededeling dat al het aldaar besprokene geheim diende te blijven, waarna hij het lerarenkorps waarschuwde dat elke leerling zowat anderhalf lesuur waard is: mild quoteren en geen eisen stellen was de boodschap voor al wie niet wilde afglijden naar een parttime job of, erger nog, naar de werkloosheid. Waar ooit de volwassene - hier als school - ten dienste van het kind stond, beschouwde hij nu blijkbaar de opvoedeling als een klant - een klant die men wel eens zou kunnen verliezen als men het vergat om te anticiperen op zijn gebeurlijke grillen. Het kind staat dan in dienst van de job van de leraar, ook al moet dat aan het kind zijn lering zelf kosten. Eens zo ver gekomen onderscheidt de staat zich uiteraard in niets meer van welke leurder ook.
Het paard van Troje is inmiddels alomtegenwoordig in allerlei gedaanten, maar het bedrog tast niet alleen het recht aan, het gaat veel verder dan slechts de zaak van goed en kwaad. Want in de kern van het bedrog schuilt het verraad van de rede, die immers telkenmale wordt voorgewend terwijl verborgen en allerminst redelijke motieven de eigenlijke handel drijven. De rede van de doorsnee politicus vraagt ons om voor hem of haar te stemmen, ter verdediging immers van de belangen van de kiezer, doch het verborgen motief blijkt keer op keer weer plat eigenbelang en de kiezer zelf blijft in de kou. Arbeid verdient een redelijke vergoeding maar zonder concurrentie, waarvan de motor schaarste is, zou een constante en eenzijdige druk zorgen voor een minimaal product aan een maximale prijs. Wat zich aanbiedt op de markt, eist tegelijk een geldsom, en de verhouding van de waarde van het product tot zijn prijs moet voor zowel koper als verkoper voordelig zijn of het tenminste lijken opdat het geld zou blijven rollen. Scholen profileren zich als verstrekkers van opvoeding, wat een redelijk argument is om hun bestaan te verantwoorden, terwijl zij feitelijk afglijden naar instellingen die er slechts op uit zijn om onder het mom daarvan aan klantenbinding te doen, en dat louter ter zelfverrijking. Verkopers van alarmsystemen doen zich voor als bestrijders van dieven terwijl zij deze laatsten te kijk zetten op een heel andere manier dan men eigenlijk mocht verwachten.
In elk van die gevallen is de redelijkheid niet langer heilig: zij is verworden tot een middel, een dekmantel, een paard van Troje, dat allerminst redelijke zaken binnenbrengt. Na de eeuw van de Verlichting, eist die van de Verduistering haar bestaansrecht op. Want de rede werkt en zij blijft werken, ook als zij tot een paard van Troje is verworden, omdat zij het allerultiemste is waarop men zich verlaten kan vooraleer af te glijden naar bruut geweld. Er is geen alternatief meer voor de chaos dan de rede, en waar de rede de knecht wordt van verborgen en geheel irrationele beweegredenen, plooit zij dan ook onze werkelijkheid letterlijk binnenstebuiten, wat de essentie is van ontbinding. En dit is geen zaak meer van goed of kwaad, dit is een zaak van zijn of niet zijn.
(J.B., 23 oktober 2010)
19-10-2010
Overbevolking: mensheid, kwaliteit en kwantiteit
Overbevolking: mensheid, kwaliteit en kwantiteit
Stel eens dat gij samen met uw man of vrouw een huishouden hebt met acht jonge kinderen en hun vier grootouders, allen samen veertien in getal. Bovendien is moeder waarschijnlijk in verwachting van een nummer vijftien. Op een dag komt er een verzekeraar langs voor het updaten van de polis, en die begint te tellen, van één tot veertien, en dan andermaal, en ook nog een derde keer, en dan zegt hij: "Veertien, beste mensen, dat is in feite voor de polis al te veel, ziet u. Maar geen nood, er is een marge en ik zal het voor een keertje door de vingers zien. Maar nu zit ge wel aan het plafond natuurlijk: wilt ge er nog eentje bij, dan zult ge eerst wel moeten wachten totdat er eerst twee van jullie dood gaan". Wedden dat gij die verzekeraar onmiddellijk de bons zoudt geven?
Toegegeven, het voorbeeld is wat ver gezocht, maar in het wereldbevolkingsprobleem is dit wel degelijk aan de orde: de botsing tussen, enerzijds, de warme mens en, anderzijds, de kille kwantiteit. Een vergissing is het immers om te denken dat die kwantiteit betrekking kon hebben op elk van de individuen afzonderlijk en dus op een of andere mens als zodanig: een kwantiteit betreft een groep, een aantal, en een aantal is geen mens. Als iemand zegt dat een aantal te groot is of te klein, dan zegt hij in feite helemaal niets over de dingen of de personen die geteld worden. Hun aantal is een kenmerk dat van elk van de getelde personen even ver af staat als bijvoorbeeld hun bloeddruk. Niemand hoeft zich beledigd te voelen als een dokter zegt: "Meneer, mevrouw, uw bloeddruk is te hoog", want ofschoon zijn bloeddruk een persoon in grote mate kan beïnvloeden, blijft de kloof tussen een mens en zijn fysieke eigenschappen feitelijk onoverbrugbaar, zeker als het gaat om kwaaltjes: niemand vindt dat zij passen bij zichzelf of bij zijn beminden, en ook zijn ergste vijanden wenst men ze vaak niet toe. Maar een dokter weet dat hij het nu eenmaal over iemands gezondheid moet hebben: een kwaliteit, die hij vervolgens nog eens moet kwantificeren om die vast te kunnen stellen: hij moet er een getal op plakken, wil hij die kennen en, eventueel, verbeteren.
Men wordt weliswaar geen beter mens als men zijn bloeddruk verbetert door bijvoorbeeld minder zout te eten, maar gezonder wordt men wel; blijft men teveel zout eten tegen het advies in van de arts, dan gedraagt men zich nalatig. Een goed mens zal dus toestaan dat men hem op zijn gezondheid punten geeft. Hij zal met andere woorden erkennen dat de mogelijkheid om mens te zijn, afhangt van op 't eerste gezicht nogal banale zaken. Het zou niet mogen dat het leven ziek kan worden door toevallig voorbijtrekkende bacteriën of dat de dood zijn intrede kan doen ten gevolge van een blikseminslag bij heldere hemel, maar het is vooralsnog helemaal niet anders: wij zijn van vlees en bloed en de mens moet warempel wachten op de verrijzenis van het vlees om te ontkomen aan de greep van dat soort van kwaad, dat sinds vele duizenden jaren het erfkwaad wordt genoemd. Elkeen van ons dient trouwens zijn afhankelijkheid van externe zaken ook voortdurend te belijden door regelmatig te eten en te drinken, door te ademen, aandachtig te zijn, te leren en te werken. Op de keper beschouwd zijn wij niets anders dan één ononderbroken en meervoudige belijdenis van onze heteronomie. En wie het waagt om ook maar één van die belijdenissen te onderbreken, die onderbreekt zichzelf of, erger nog, die breekt zichzelf áf, en wel voorgoed.
Sommigen drukken dit uit door te zeggen dat het leven niet gemaakt is voor de dood, dat het niet gemaakt kán zijn om na een korte wijl voorgoed te sterven, en daarom geloven zij ook in de verrijzenis, in de opstanding van het vlees en in het verheerlijkt lichaam dat zich voor altijd losgemaakt zal hebben van de stof, zodat dan het verhoopte zal in vervulling gaan. Dan zou het leven niet langer moeten onderdoen voor die banaliteiten die het immers kunnen en zullen blijven wegmaaien zolang het van de stof afhankelijk is. De belediging die wij voelen als wij voor ziekte en dood de duimen moeten leggen, vooral als zij ons worden aangedaan door mensen, is in feite een verschijningsvorm van ons verrijzenisgeloof: onze ziel wil voor de stof niet plooien omdat zij weet dat zij die bij de gratie van de Christus eenmaal overwinnen zal.
Alleen wanhoop rest als dit vooruitzicht ons ontnomen wordt, want dan dienen wij ons bij onze vergankelijkheid neer te leggen, en dus ook bij de overmacht van ziekte en van dood, wat uiterst pijnlijk wordt als die ons niet door ongelukken of toevalligheden doch gewild door mensen worden aangedaan, omdat wij daar de duimen moeten leggen voor het brute recht van de sterkste. Dan zou het leven dat verlangt naar het Ware, het Goede en het Schone, in de handen blijken van alleen maar leugenaars en moordenaars, en wie kon zich ooit met die rechteloosheid verzoenen zonder zijn menswaardigheid zelf op te geven? Zonder die hoop op de opstanding van het vlees, die reeds gewild wordt door ons protest vanbinnen tegen onrecht en banaliteit, kunnen wij geen mens zijn en vallen wij volstrekt samen met de slechte punten die wij halen als men bijvoorbeeld onze gezondheid meet. En vallen wij als onze tijd gekomen is ook samen met het ronde nulletje van de dood.
De bevolkingsdruk is nu een eigenschap zoals de bloeddruk, en even ver staan ze beiden af van de mensen of de personen die eraan onderhevig zijn, terwijl zij het hen tegelijk dan toch mogelijk of onmogelijk kunnen maken om te functioneren naar behoren. Op zich is er niets mis met het meten van die druk in functie van dat functioneren, alleen is er geen vaste maatstaf die dicteert hoe groot die druk dan wel moet zijn. Onze bloeddruk mag best klimmen als wij hardlopen of zwemmen en in dat bijzondere geval van grote lichamelijke inspanning moét hij dat ook doen; hij mag best dalen als wij neerliggen of slapen en ook verschilt hij fel van mens tot mens, bijvoorbeeld afhankelijk van onze lichaamslengte of van ons gewicht. Waarmee gezegd is dat vaste normen niet bestaan, terwijl gemiddelden uiteindelijk van weinig waarde zijn.
Wellicht is de bevolkingsdruk in precies hetzelfde bedje als de bloeddruk ziek, alleen heeft men in het geval van de bevolkingsdruk nog veel en veel minder benen om op te staan, aangezien men niet een zeer groot aantal werelden tot zijn beschikking heeft, elk met een andere bevolkingsdruk, waarbij men dan zou kunnen meten welke druk een demografisch infarct - of iets in die zin - waarschijnlijk maakte. Wat men echter wél weet - per definitie - is dat bevolkingsdruk een zaak is van de draagkracht van de aarde, wat betekent dat men zich daar afvraagt hoeveel mensen zij kan voeden en van energie voorzien. Maar het vraagstuk wordt plotseling heel wat ingewikkelder als men ook rekening moet houden met het feit dat alle mensen elk eigen manieren hebben om te eten en te verteren: de ene mens leeft in Bombay en verbruikt om zeggens niets tenzij een handvol rijst per dag; de andere is een rijke inwoner van het Vatikaan die welhaast dagelijks in een privé-jet rond de wereld reist, die er een ganse hofhouding op nahoudt en wiens veiligheid en gezondheid door gespecialiseerde ploegen van lijfwachten en lijfartsen in de gaten wordt gehouden. Uiteraard kon onze aarde veel meer schooiers huisvesten dan pausen: reeds van een paar miljoen van deze laatste soort zou zij als 't ware moeten kotsen, terwijl zij ettelijke miljarden paria's verteren kon alsof het waterdruppels waren.
Een objectieve maatstaf om te oordelen of er al dan niet teveel mensen op de wereld zijn, moeten wij missen, en wel omdat dit oordeel zelf veel meer omvat dan enkel maar het aantal van de aardbewoners. Wie namelijk oordeelt dat er nu al teveel mensen zijn, die geeft ook impliciet te kennen dat de huidige bevolkingsdruk alleen wegwerkbaar is door op de een of andere manier het aantal mensen in te perken. En zeer zeker is een dergelijke benadering volstrekt oneigenlijk omdat het aantal mensen slechts één enkele factor is in die bevolkingsdruk, naast vele andere, zoals daar onder meer vooral zijn: de grote interindividuele en interculturele verschillen in nood, verbruik, verspilling en efficiëntie. Houden we het hier bij een enkel voorbeeld. In de wetenschap dat meer dan 90 percent van alle menselijke krachten vandaag worden besteed aan bewapening en aan destructie, kon men gerust zeggen dat een verandering op dit - ethische - vlak misschien wel de beste ingreep was om de bevolkingsdruk te doen dalen. Dit zou alvast een veel groter effect hebben dan pakweg het wegmaaien van de helft van ons. Ja, het is een paradox die ons begrip wel op de proef kon stellen.
(J.B., 19 oktober 2010)
15-10-2010
Gerechtigheid
Gerechtigheid
Als God in deze wereld het goede beloonde en het kwade bestrafte, dan zouden wie in luxe, jeugd en gezondheid leefden, als door God beloonden moeten worden beschouwd, en de armen, de anders-validen en alle andere 'sukkelaars' (want dat zijn zij in de ogen van een oppervlakkige, wereldse wereld) als door God bestraften. In sommige geloofssystemen mag die opvatting dan al populair zijn - aan het Evangelie is zij volstrekt vreemd en zelfs compleet tegengesteld. Jezus zegt dat men moet investeren in het immateriële, dat men zich van geld en rijkdom moet ontdoen, dat men elkanders lasten moet dragen. Zoals Damiaan van Molokaï dat deed, overigens geheel naar het voorbeeld van Jezus Christus, wiens fysieke maar ook psycho-sociale marteling en dood het werk was van het kwaad en niet dat van God, die aldus alleen maar het lijden verhief tot een weg naar de verrijzenis uit al het vergankelijke. En een heilsweg is zowaar iets heel anders dan een straf: het is bij uitstek leed dat (alvast persoonlijk) onverdiend doch dapper wordt gedragen. Ook reeds in het Oude Testament komt deze thematiek aan bod, bijvoorbeeld in het boek Job: Jobs geloof wordt door God zelf beproefd die immers toelaat dat de duivel zelf hem martelt. Want pas in de beproeving wordt de liefde gewogen en komt zij ook echt tot bestaan. Trouw is immers makkelijk zolang men daar alleen maar bij te winnen heeft. Indien de mens op deze wereld loon ontving naar werken, dan waren de verrijzenis en het hiernamaals helemaal niet nodig. En een katholieke aartsbisschop zou toch wel moeten weten dat het uitgerekend de opstanding van het vlees is welke zin geeft aan zijn geloof. Misschien is het wel een vorm van immanente gerechtigheid wanneer dit niét zo blijkt te zijn.
(J.B., 15.10.2010)
11-10-2010
Het recht is voor de doden. Over overbevolking, agressie en depressie.
Het recht is voor de doden.
Over overbevolking, agressie en depressie.
De gedachte dat de overbevolking op aarde reeds een feit geworden is, tast ons persoonlijk op een bijzonder dramatische wijze aan. Het teveel aan individuen van eenzelfde soort, maakt dat men agressie ontwikkelt die zich dan richt, ofwel tegen anderen, ofwel tegen zichzelf. In het laatste geval voelt men zich overbodig en verglijdt men in depressies; in het eerste geval concurreert men of voert men oorlog. Het veiligheidsgevoel verdwijnt, men bewapent zich, men gaat elkaar wantrouwen.
Concurrentie is in het beste geval wedijver middels goede zaken: prestaties en producten, nuttige en kunstzinnige dingen. Het ware, het schone en het goede putten zich onder de zachte druk der competitie uit, die aldus zeer positief wordt aangewend en elkeen ten goede komt. Minder fraai wordt concurrentie waar de prestaties en de producten niet langer waar, schoon en goed zijn, doch vernietigend: de constructieve strijd wordt vervangen door destructie-ijver, gericht op het ombrengen van de tegenstander totdat een monopolie ontstaat en een dictatuur. Alle ruimte voor vrijheid en vooruitgang wordt gefnuikt.
Autodestructie ontstaat waar men de strijd met anderen niet aangaat omdat men er niet in geloven kan - vaak omdat men het geweld zonder meer verwerpt en men de dood verkiest boven een leven in mensonwaardige omstandigheden. Maar om exact dezelfde reden gaan anderen dan weer de oorlog aan: zij werpen zich liever in de strijd en gebeurlijk in de armen van de dood dan een tirannie te moeten gedogen.
Depressie ontstaat waar agressie zich noch in strijdvaardigheid, noch in zelfvernietiging om kan vormen. Alle voorradige energie wordt gefnuikt en men wordt als het ware in zijn eigen sop gestoomd. De krachten slinken en ook de spanning van het zich klaar houden voor de actie verliest haar elasticiteit en instorting is dan nog slechts een kwestie van tijd.
Menselijke personen kunnen niet bestaan zonder een minimum aan veiligheid, maar er zijn methoden van belaging die volstrekt ontsnappen aan het oog en aan de arm der wet en die in staat zijn om op termijn ongeacht wie feilloos te kelderen door de uitputting welke zij bij hun slachtoffers veroorzaken. De dreiging en het gevoelen van onveiligheid zijn momenteel nog even onstrafbaar als eertijds het aftappen van elektriciteit. Elektriciteit werd in het wetboek niet als een materiële zaak omschreven, terwijl ontvreemdbare zaken materieel dienden te zijn. Evenzo blijven vandaag dreigingen en onveiligheidsgevoelens zweven in een zekere mist, een niveau van de werkelijkheid dat vooralsnog moeilijk definieerbaar is. Handelingen zoals het pesten, onttrekken zich alsnog aan de categorieën waaraan wij gewend zijn en zij blijken, alvast in de vorm van de spot, even moeilijk te omschrijven als de humor. Een klopjacht op meer gesofisticeerde vormen van belaging zou bovendien onvermijdelijk meteen resulteren in een onwelkome verenging van onze culturele bewegingsvrijheid, en uitmonden in een overgereglementeerde en steriele politiestaat. De toegestane vrijheid wordt zowel voor goede dingen benut als voor het kwaad en intenties zijn en blijven vaak geheel onzichtbare zaken.
Maar hoe men het ook draait of keert: depressie, de kwaal van onze tijd die op haar beurt een dan niet meer te stoppen trein van andere kwalen op gang trekt, is de druk die uitgaat van een veel te dicht geworden populatie. Depressie is daarom gelijk het gif waarmee vissen elkaar om trachten te brengen als het aquarium waarin zij leven al te klein wordt voor hun aantal. Depressie komt uit het verlorenheidsgevoel dat ook uit al te grote eenzaamheid ontstaat omdat overbevolking en eenzaamheid op bijzondere manieren onderling vervlochten zijn. Een overbevolkt gebied creëert immers heel spontaan een systeem van klassen, en dat zijn een soort van verdiepingen, gebouwd op de begane grond waarop niet allen meer kunnen staan, zodat alleen de bovenste lagen nog zonlicht kunnen genieten terwijl de onderste in 't donker moeten leven en onder het gewicht van alle hogere lagen. En dat gebeurt niet zo doorzichtig: de werkelijkheid der verdrukking verbergt zich meestal achter allerlei oogverblindende scenario's.
Neem nu de giframp in Hongarije, waar een megacontainer met afval van giftig aluminium is gebarsten en in de Donau loopt. Het doet denken aan Bhopal en aanverwanten. In rijke landen zijn dergelijke rampen welhaast uitgesloten, bij ons zijn er immers die strenge milieuwetten die ginds ontbreken. Wie rap rijk wil worden, start zijn giftige zaakjes op in streken waar de armoe aan de inwoners geen keuze laat, en zij lokken zo industriëlen zonder scrupules om, tenminste op (heel) korte termijn, niet met de bedelstaf te hoeven zeulen. Maar de boemerang keert terug; de eerst geheel abstract aandoende verdrukking die slechts een zaak van wetten lijkt en schikkingen met dure woorden die geen werkmens verstaat, kruipt alras in drinkwater en lucht en zo ook in de longen en de botten van de lieden die daar hun krotten hebben liggen. De rijken blijven op het droge uiteraard, zij sturen 'hulp' naar het getroffen gebied en halen dan verdronken kalveren uit vieze sloten die zij als een heldenbuit aan heel de wereld tonen.
De agressie zit in het verbergen van de hele mensenhandel achter die milieuschandalen, want zo listig wordt de schuld geschoven in de schoenen van de armen zelf die immers helemaal geen andere keuze hadden dan zichzelf ten prooi te gooien aan vergif door eigen wetten te verzwakken zodat een weinig werk het land in kwam en met het werk een kleine boterham - een wijle uitstel van executie. De schuld in de schoenen van de slachtoffers, en de eer aan de boosdoeners die immers ter hulp snellen na de ramp, zoals het weldenkende lieden past. Onmogelijk dat daar op den duur geen depressie van komt, van een dergelijke agressie. Maar even onmogelijk is het dat zich een dergelijk onrecht niet wreekt. Niet meer in deze wereld, uiteraard, die immers aan de duivel toebehoort: het recht is voor de doden.
(J.B., september-oktober 2010)
05-09-2010
Wat is er van de overbevolking?
Wat is er van de overbevolking?
1.
Een volk is een verzameling van individuen van eenzelfde soort. Van een gebied zegt men dat het bevolkt is als er een volk woonachtig is. Overbevolkt wordt een gebied genoemd dat zijn bevolking niet meer kan dragen.
In de natuur heerst zelfregulatie: de natuur regelt zichzelf uit pure noodzaak, en ze doet dat ook inzake de bevolking van leefgebieden. Op een stuk weiland kunnen een beperkt aantal koeien grazen en het aantal van de kudde groeit zolang er gras in overschot is. Van zodra er een tekort ontstaat, sterft het teveel aan koeien af door honger. En met de menselijke bevolking van leefgebieden gaat het er niet anders aan toe. Tenminste zolang men niet aan planning doet, wat betekent dat men de natuur een handje 'helpt'.
Waar een leefgebied met mensen verzadigd is, kan men denken aan emigratie of aan intensivering van de landbouw. Zijn echter die uitwegen uitgeput of onmogelijk, dan rest een volk nog slechts de zelfbeperking. Opnieuw zijn hier meer mogelijkheden.
Het moderne New York, qua grootte vergelijkbaar met Seoel, Mexico-City, Delhi, Bombay en Sao Paulo (alle 21 à 24 miljoen inwoners) is niets meer vergeleken bij de nieuwste Aziatische metropolen die vaak nog niet opgenomen zijn in de klassieke lijsten. Tokio telt 36,5 miljoen inwoners en de nieuwste Chinese steden, heden in aanbouw, beloven nog gigantischer te worden.
Afgezien van de methode van de 'zelfbeheersing' (1)
met het oog op de geboortebeperking, kan de zelfbeperking slechts bestaan in het doden van het overschot aan individuen. In principe is hier geen wezenlijk verschil met het recht van de sterkste dat zich natuurlijkerwijze doorzet waar geen plaats (meer) is voor iedereen. Het enige wat men nog doen kan, is de methode van doden 'verfijnen'. Dat kan betekenen dat de destructie gecamoufleerd wordt; het kan zelfs zo ver gaan dat men ook van die nood een 'deugd' tracht te maken. Edoch, dit spel kan pas doorgaan op voorwaarde dat men ook gelooft dat men de natuur een handje helpen kán.
De vernietiging van individuen binnen een volk en door datzelfde volk, gebeurt met het oog op de bestrijding van tekorten, zo argumenteert men: het is om de hongersnood voor te zijn, dat men zijn aantal inperkt. En als men dan toch individuen moet doden, waarom dan zou men de gezonden doden en de zieken in leven houden, als het de zieken zijn die door onnut en zorgbehoevendheid drukken op het volk? Doodt men de zieken, dan moet men bovendien heel wat minder slachtoffers maken om tot het gewenste resultaat te komen. (2)
Maar de 'verfijning' is hiermee nog lang niet voltooid. Men hoeft immers helemaal geen burgers te doden, als men nu eenmaal de beschikking heeft over individuen die nog geen burgerrechten genieten omwille van het feit dat zij nog niet geboren zijn. En met betrekking tot de vraag hoe men dan moet selecteren, dringt de argumentatie van zo-even zich weer op: waarom gezonde vruchten doden als men voor hetzelfde geld de zieke wegwerken kan? Vangt men dan immers niet twee vliegen in één klap?
Anno 2008 verspreidde een Nederlandse anti-abortusgroep plastic poppetjes ter grootte van een tien weken oude foetus om tonen dat daarin reeds de ganse mens herkenbaar is.
Deze methode lijkt bovendien veel meer greep toe te laten op de bevolkingsplanning dan de verschillende methoden van vruchtbaarheidsbeperking, zoals die bijvoorbeeld decennialang in Zuid-Amerikaanse landen werden toegepast. Zonder het medeweten van de bevolking werden via het dagelijks voedsel alom vruchtbaarheidsbeperkende middelen toegediend, maar op die manier gebeurt de selectie blind en verliest men het voordeel van de gelijktijdige 'opruiming' van de zieken. Wordt echter het beperken van de vruchtbaarheid aan de betrokkenen zelf overgelaten, dan kan worden vastgesteld dat de meest verstandige en solidaire, en dus ook de meest nuttige mensen, bereid blijken om de groei van hun gezin in te tomen. De meest zelfzuchtige individuen laten het probleem der overbevolking niet aan hun hart komen, tenminste als zij zich sowieso al niet veel vaker dan de doorsnee-burger 'per abuis' voortplanten.
Een wereld met minder mensen maar dan mensen van hogere kwaliteit – dat was het resultaat van de beschreven ingreep. De ingreep bestreed armen, zieken, misdadigers en ongewensten in het algemeen – niet door hen te doden maar door te verhinderen dat zij ooit het levenslicht zouden aanschouwen. Een ingreep welke volgens de nieuwe technologen niets meer was dan het ernstig nemen van planning en overleg in functie van optimale resultaten. Andermaal: dit alles, gesteld dat de mens inderdaad in staat wás om de natuur een handje toe te steken.
Gezien de geschiedenis van de menselijke bemoeienissen met de natuur, blijkt het allerminst overbodig om de vanzelfsprekendheid daarvan in vraag te stellen. Niet zozeer omdat menselijke ingrepen uiteindelijk tegendoelmatig blijken (zoals in het voorbeeld van de gezondheidszorg met haar paradoxaal resultaat van steeds meer zieken) maar veeleer omwille van de volstrekte afwezigheid van absolute waarden welke dan de navenante, even vanzelfsprekende doelstellingen zouden kúnnen funderen.
Is een wereld met mensen die een tikkeltje gezonder lijken dan voorheen, een verbeterde wereld? Het lijkt er alvast op dat men zo'n wereld verkrijgt door alle zieken, armen en immorelen uit te moorden, maar de bijhorende (immorele, zieke of van grote armoede
De toegangspoort tot het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau in Polen, opgezet door Nazi-Duitsland, waar 1,1 miljoen doden vielen.(Naar een foto)
getuigende) moordpartijen mag men dan uiteraard niet tussen haakjes plaatsen of beschouwen als een eenmalige opruiming of 'grote kuis'. De waanzinnige Adolf Hitler had zo'n propere wereld voor ogen, welke echter per definitie wordt ontsierd door de verbrandingsovens in de talloze concentratiekampen.
Een propere wereld, maar het ongeluk kan nooit worden buitengesloten omdat absolute veiligheid niet bestaat en microben kunnen niet verboden worden zich te delen en zich aan te passen: alleen al om die reden blijft er almaar meer 'schroot' aanspoelen. En wat gedaan met onze oude dag? Want gelooft men dan al dat aan zogenaamd 'onvolkomenen' de toegang tot het leven kan ontnomen worden – zelfs de allervolmaaksten, of althans diegenen die zich in dat geval wanen, worden oud, takelen af, krijgen een geheugen als een zeef en breken botten bij de vleet; zij worden langdurig en ongeneeslijk ziek en bedlegerig, ze kosten fortuinen aan de staat en gaan tenslotte toch dood, en wel zonder één enkele uitzondering. (3)
Een wereld met opruimsystemen voor de onvolmaakten welke niet door voeding, supplementaire voeding, opvoeding of heropvoeding kunnen verbeterd worden, huldigt niet de mensen die er deel van uitmaken, maar huldigt zichzelf àls wereld.
Niet het zieke individu wordt daar verzorgd, maar wel de gezondheidsscore van de totaliteit waaraan het zieke individu uiteindelijk moet opgeofferd worden om ze te kunnen blijven halen en verbeteren. (4)
Zo'n wereld is niet menselijk, hij is hooguit 'wereldlijk', al vergeet hij dan meteen dat hij ook áls wereld gedoemd is tot een vlugge ondergang, alleen al omdat het dwarsbomen van de natuurlijke diversificatie zich wreken moet.
Gevangenen in Auschwitz (Naar een foto).
Dat cijfers en gemiddelden hoog aangeschreven worden door een niet gering deel van allerlei 'deskundigen', is een zeer betreurenswaardige realiteit. Het inzicht lijkt vaak volkomen te ontbreken dat beslissingen welke het resultaat zijn van een stemming, ten langen leste niet voortspruiten uit argumenten doch uit de blinde macht van de meerderheid (5) die, zoals de geschiedenis bewijst, het slechts zelden bij het rechte eind heeft. Niet de meerderheid doch de uitzondering doet uitvindingen, brengt inzicht en spreekt recht. De massa is laks, de uitzondering daarentegen moet niet alleen arbeiden en presteren, maar dient zich bovendien op te offeren teneinde mét het offer van zijn eigen vlees en bloed zijn gelijk plausibel te maken, want de massa verstaat geen waarheid en huldigt helemaal geen waarden, zij gehoorzaamt haar leider blindelings. Die leider blijkt bovendien de meest gevreesde onder allen te zijn, de tiran der tirannen: hij is niet supermenselijk, maar wild en gewetenloos.
De manier waarop de alleenheerschappij van welbepaalde statistieken de mensen door de strot geramd wordt, is een staaltje van dwingelandij. In bepaalde westerse landen wordt anno 2010 aan in verwachting zijnde moeders een gratis prenataal onderzoek van het kind aangeboden, waarna de resultaten daarvan aan de ouders worden bekend gemaakt. Het opmerkelijke daaraan is dat de resultaten de vorm hebben van percenten, en dat ze derhalve geheel onduidelijk zijn en een zwevend en welhaast onwerkelijk bestaan leiden: "Mevrouw, mijnheer: uw kind heeft 70 percent kans om een hersenaandoening te ontwikkelen". Zij slepen de ouders van het ongeboren leven in een gelijkaardige irreële cijfersfeer mee en ze betoveren en bezweren hen. Ten slotte zetten zij een flink percentage van hen onder grote druk om over te gaan tot het doden van hun nog ongeboren kinderen. Dat wordt dan immers de enige manier geacht om te ontsnappen aan de dreiging van een onbeschrijflijk noodlot.
In een volgende fase zal ontegenzeggelijk die dwang tot het doden van de eigen ongeboren kroost nog worden versterkt door de ouders te beheppen met een bijzonder lastige en uiteindelijk volstrekt onmogelijke keuze welke bovendien aan schuld zal gekoppeld worden. Vooreerst is de keuze voor of tegen het leven van het nog ongeboren kind onmogelijk omdat een mens niet over het leven van een ander mens beslissen kán en mág. Dat hij daarentegen beslissen moét, wordt hem aangepraat door anderen die zich gezondheidszorgers laten noemen terwijl zij feitelijk aan onwetende ouders zeggen dat dezen verantwoordelijk zullen zijn voor de handicap van hun kind in geval zij het laten geboren worden, en dit van zodra zij uit medische bron vernemen dat de kans op fysieke 'afwijkingen' een vastgelegde norm overschrijdt. Die beschuldiging zal dan beklonken worden door de beslissing van de ouders te verbinden met de financiële last voor de gebeurlijk gehandicapte die zodoende feitelijk door de maatschappij verworpen wordt. Het is ook duidelijk dat zo'n beschuldiging met een beboeting onmiddellijk zal leiden tot een verplichting tot abortering van de 'zorgbehoevende' omdat slechts weinigen financieel in staat zullen blijken om de vereiste zorgen van de 'waarschijnlijk hulpbehoevende' zelf te bekostigen. (6)
De waarden of onwaarden die impliciet vervat zitten in de geschetste handelwijze zijn bijzonder zorgwekkend. Natuurlijke sterkte en gezondheid of fysieke volmaaktheid – wat dat ook moge inhouden – worden vereisten voor de toetreding tot de wereld, wat feitelijk absurd is aangezien aldus de bestaansreden van de wereld zelf wordt opgeheven, want het recht van de sterkste kan opperbest zonder de wereld bestaan. Nog zorgwekkender echter is het feit dat de waarde van de staat of de wereld hoger wordt geacht dan die van de persoon, zodat de laatste in dienst van de eerste staat en niet andersom. Het menselijke burgerschap overstijgt aldus in geen enkele zin het lidmaatschap van, bijvoorbeeld, individuele mieren van hun kolonie: de mens valt dan samen met zijn functie binnen de staat, wat betekent dat hij perfect vervangbaar is. Ook schenkt de mens zichzelf zodoende de goddelijke status aangezien hijzelf het is die maatschappelijke functies creëert – welke dan 'nog slechts' ingevuld dienen te worden door vakbekwame exemplaren van een principieel eindeloos vermenigvuldigbare soort. De rol wordt dan belangrijker dan de persoon er achter en het (beheersbare) rollenspel of het spel tout court verheft zich boven de werkelijkheid van de ernst welke per definitie onbeheersbaar is want grondeloos, oneindig en principieel volstrekt onkenbaar.
2.
Te geloven dat de mens de natuur haar gang maar moet laten gaan en dat zijn ingrijpen nefast is voor de algemene gang van zaken, is tot spijt van wie het benijdt een bijzonder kostelijke illusie. Maar meer nog dan dat verkapt zowel die overtuiging als haar tegendeel (namelijk het geloof dat de mens wél moet ingrijpen in de natuurlijke gang van zaken) een andere en dieper liggende stellingname, met name het geloof dat de mens geheel buiten de natuur stond, om niet te zeggen er boven. De discussie over het al dan niet ingrijpen in het natuurlijke verloop der gebeurtenissen – waartoe de bevolkingsaanwas behoort – is een discussie welke gevoerd wordt tussen gelijkgezinden: mensen die het er over eens zijn dat zij boven de natuur staan en dat zij principieel in staat zijn om de natuur hetzij haar gang te laten gaan, hetzij te gaan sturen. Zij zijn het er duidelijk over eens dat wat zij doen, of eventueel niet doen, iets bovennatuurlijks is. Zij zijn het er onderling over eens dat zij goden zijn.
Acht de mens zichzelf dan een god in het diepst van zijn gedachten, dan zal hij toch tamelijk rap uit die groteske droom worden weggerukt door bijvoorbeeld een ontstoken tand, laten we zeggen mét abces. We kunnen aan onszelf de illusie verschaffen dat we boven onze zintuigen en zo ook boven de wereld staan, door de vingers in onze oren te stoppen wanneer een bom ontploft of door onze ogen te sluiten voor wat we zien. Edoch, die onwil die aan de grondslag ligt van de illusie van onze vrijheid en verhevenheid wordt alras overschaduwd door een fatale onkunde wanneer nu eens níet door ons eigen toedoen ons het licht uit onze ogen wordt weggeroofd of het geluid uit onze oren. Samen met die vermeende vrijheid, onafhankelijkheid en verhevenheid, berust eveneens ons ganse denken op de genoemde onwil of negatie, en bezitten wij slechts de illusie van een geest. Wij kunnen de natuur niet sturen maar we kunnen haar ook niet haar gang laten gaan, heel eenvoudig omdat we zelf van de natuur in geen enkel opzicht onderscheiden zijn: alles wat we zijn, is ons gegeven en is derhalve in geen enkele zin van het natuurlijke verschillend.
De aanpak van het probleem van de overbevolking is in geen enkel wezenlijk opzicht onderscheiden van de aanpak van elk ander probleem, tenzij dan in het eigenaardige gegeven dat hier de mens in feite op een zeer nadrukkelijke manier zijn eigen probleem geworden is. De mens moet zichzelf beginnen te doden om te kunnen overleven. Het gevecht dat zich met hoge urgentie aanbiedt, is dat tussen het individu en de massa; het is de strijd tussen de ene en zijn vele evenbeelden. Maar in zekere zin is het ook het zich in de wereld openbarende conflict tussen het subject en het object in de strikt filosofische betekenis van de termen.
In het verhaal Aan de ontbijttafel (van de hand van de auteur dezer), splitst het subject zichzelf eindeloos in objecten op – helemaal niet ondenkbaar en zelfs plausibel, om redenen die zich in het verhaal verduidelijken.
Het subject kent zijn object reeds in zijn eigen lichaam waarvan het zich distantieert: bij René Descartes wordt het cogito, het je pense, het subject in de gedaante van het denken, gekoppeld aan het bestaan, en niet het lichaam, dat duidelijk tot de uitgebreidheid of tot het object behoort: cogito ergo sum; je pense donc je suis; ik denk dus ik besta. In de duizenden jaren oudere filosofie van de Indiërs, zoals beschreven in de Veda's, worden eveneens subject en object onderling onderscheiden maar, ofschoon lang voor Descartes' tijd, behoort daar ook het denken tot de uitgebreidheid of tot het object, terwijl het subject louter Zijn is, hetwelk eigenlijk, à la limite, samenvalt met het Niets. Het lijkt erop dat het subject dat tot zelfbewustzijn wil komen en dat daarin God wil ontmoeten en zich met Hem verenigen en zo de volmaaktheid wil bereiken, alles waarvan het ook maar enigszins kon verschillen, van zich wil afstoten om uiteindelijk nog slechts de essentie over te houden. Dit gebeurt via meditatie en contemplatie waar men zich van de gedachten bevrijdt als van vreemde aandoeningen. Maar hetzelfde proces voltrekt zich ook in het sociale leven, waar men de vervuilende hebzucht ruilt voor het zuiverende wegschenken. Ten slotte ziet men het eveneens aan het werk in het fysieke leven waar het zuiverende vasten de plaats inneemt van het zich overgeven aan spijs en drank. Anorexie kan gezien worden als een streving die in een vergelijkbare geest wortelt welke tegendraads is aan die van het zich voeden, het naar zich toe trekken, het verzamelen, de zelfzucht en uiteindelijk ook het natuurlijke leven. Niet de dood is de bedoeling achter dit 'zelfvernietigende' gedrag, maar precies het tegendeel, namelijk het zich ontdoen van alles wat het zuivere zijn van het zelf in de weg kan staan, en daartoe behoort in de eerste plaats het eigen lichaam dat de aandacht van het wezenlijke afleidt en dat de mens naar de wereld en naar het wereldse toetrekt. De bedoeling van dit zich trachten te ontdoen van het (vermeende) object, is niet de dood doch het bereiken van een super-leven, een goddelijk bestaan, en dit vanuit een onvrede met het aardse zijn dat problematisch is en onstandvastig, geplaagd door ziekten en ook eindig. Het object, dat het subject verleidt, uitput en tenslotte diep ontgoochelt, gaat na de grote ontgoocheling die wezenlijk een ommezwaai teweeg brengt, afstotend werken. Herinner u de gang van de rups, de pomp, het ritme van de stap, de golfslag van het water in de branding – de hartslag van het zijn.
Heel anders dan in de oude oosterse filosofieën, wordt in het westerse denken dat onder meer door de wetenschappelijke bedrijvigheid maar ook door het christendom werd bevrucht, het object niet zomaar afgestoten maar daarentegen bemind en begeerd. De wereld is onderzoeksobject en tevens is hij, in de natuur, één van de drie grote manifestaties van God zelf, naast de openbaringen in de heilige schrift en in de ziel. We hebben niet een lichaam, maar we vallen ermee samen, we zijn ons lichaam zelf, en wel in die mate dat het einde van dat lichaam ook het einde is van ons bestaan zonder meer. Een nieuw leven komt er niet spontaan en ook de geest leeft niet door zoals een essentie die van overtollige ballast is ontdaan: leven na de dood doen wij pas een tweede keer door een verrijzenis uit die dood welke ons door een verlosser is bereid die ons is voorgegaan. En zelfs in dat vernieuwde, eeuwige leven, zijn wij niet zonder lichaam: we zullen een verheerlijkt lichaam hebben maar niettemin een lichaam. In het Westerse denken is de gedachte gerijpt dat subject en object onderling onverbrekelijk vervlochten zijn, dat subject en object geen aparte werkelijkheden zijn maar dat ze slechts bestaan in onze begrippen waarmee wij, op een zeer versimpelde manier, iets van ons bestaan proberen te vatten.
Het conflict dat zich ontvouwt in wat wij het probleem van de overbevolking noemen, zal onvermijdelijk te maken hebben met onder meer het probleem van subject en object, al zou het bijzonder delicaat zijn om hier omtrent verregaande uitspraken te doen. Maar het heeft uiteraard ook zeer te maken met de nieuwste wetenschappelijke vondsten in de genetica waar de studie van het DNA er alvast geen twijfel laat over bestaan dat lichaam en ziel, als zij al niet samenvallen, dan toch zoals elkaars dubbelgangers zijn.
De genen of de genencombinaties die de ogen blauw maken en de benen lang, maar die tevens vorm geven aan het karakter en die de scherpte van de geest bepalen, zijn niet alleen werkzaam binnen eenzelfde individu: zij verspreiden zich welhaast zoals bomscherven in het rond en zij bepalen in geen tijd de eigenschappen van tallozen mee. Ha, wie zegde daar dat het leven eindigde met de dood? We zijn zopas terug van de begrafenisplechtigheid van tante Sylvia, ze was stokoud en al jaren aan het zicht van elkeen onttrokken omdat zij was ondergebracht in een instelling ver van haar geboorteplaats vandaan. In de kerk stond de urne met haar as, we konden haar derhalve niet meer voor een allerlaatste keer zien. Edoch, daar vervoegde iemand de rouwstoet, iemand die ik nooit eerder zag doch die ik geloofde te herkennen; een jonge vrouw nog, rijzig van gestalte, ingetogen, gekleed in het zwart, de lange zwarte vlechten opgebonden in de nek. Ik herinnerde mij haar van toen ikzelf een kind was: het was op een hete zomerdag en ik liep mee in een rouwstoet aan de hand van moeder; voor ons uit liep zij, gekleed in het zwart, rijzig, ingetogen, de lange zwarte vlechten opgebonden in de nek: tante Sylvia in haar jonge jaren. Verast is ze nu, maar daar is ze terug, en meer dan eens, zo stel ik nu vast, want wat verderop in de stoet loopt een tweede deerne, een nicht van de eerste, en ook zij gelijkt sprekend op tante Sylvia, alleen zijn nu de dikke vlechten blond. En waar zit nu de ziel die na de dood van 't lichaam verder leeft? Of is het dan het lichaam zelf dat na de dood van het lichaam verder leeft? Eén keer, twee keer, duizend keer? En is het dan uiteindelijk niet slechts één lichaam waarvan wij allen evenbeelden zijn, of tenminste één DNA, één soort, één ziel?
En nu is het omtrent het zich voortzetten van die ene soort dat bevolkingsdeskundigen aan de alarmbel zijn gaan trekken. De dood van de individuen wordt immers al te gul gecompenseerd door hun verrijzenissen, die op hun beurt niet eeuwig zijn doch weer nieuwe verrijzenissen noodzakelijk maken, en dan weer nieuwe zonder ophouden, alsof wij bang waren ons niet genoeg te zullen vermenigvuldigen en zo ons eeuwig leven in 't gedrang te brengen. Welnu, zo zeggen de bevolkingsdeskundigen: als wij ons zo ijverig voortplanten uit angst te zullen vergaan, dan zouden wij tenminste tot het besef moeten komen dat zo'n maximale voortplanting een paniekreactie is die net het tegendeel bewerkt van wat wij beogen. Om ons voortbestaan te kunnen garanderen, moeten we immers onze procreatie intomen!
De natuurlijke remedie tegen honger is eten: de honger wordt gestild door te eten. Als andere dieren in de buurt zijn, hebben dieren de neiging om met eten door te gaan, ook als zij allang verzadigd zijn. Ze hebben angst dat anderen het voedsel dat zij zelf nodig hebben, zullen opeten, en dus eten zij het zelf op terwijl zij het (nog) niet nodig hebben, zo kunnen ze hun rivalen tenminste verzwakken. De beste (doch jammer genoeg vaak vergeten) stimulans om verzwakte mensen te doen eten, bestaat erin hen te laten tafelen in het gezelschap van anderen, want "zien eten doet eten": de natuur laat ook voor de mens geen uitzondering toe. Het is moeilijk en praktisch onmogelijk om een rem te zetten op natuurlijke aandriften of zelfs om deze met de rede binnen levensnoodzakelijke perken te dwingen. En dat is niet alleen moeilijk, het is bovendien 'onredelijk', omdat ten langen leste alle ware argumenten teruggaan op waarden, die op hun beurt gevestigd zijn in de waarheden van het leven en de dood zoals deze diep in ons aller vlees gekerfd zijn. Zelfs als wij, mensen, redelijkerwijze moeten aannemen dat wij op een welbepaalde manier moeten handelen – in dit geval met betrekking tot bevolkingsplanning – dan zullen wij ons waarschijnlijk wel akkoord verklaren, maar of wij ook zullen hándelen overeenkomstig die redelijke inzichten, blijft altijd zeer de vraag. Het lijkt er sterk op dat er, ergens in de hersenen, tussen het redelijke inzicht en de daad, een wachter staat die de spontane link van het ene naar het andere met een bijzondere beslistheid verhindert. Die wachter is uiteraard het wantrouwen waarmee alle wezens zich natuurlijkerwijze wapenen tegen invloeden die van meer intelligente wezens afkomstig zijn, die hen alleen maar willen verschalken. Het zal niemand verwonderen dat de angst om verschalkt te worden wel bijzonder groot zal zijn waar men gevraagd wordt om de overlevingskansen van het volk te helpen optimaliseren door zijn groei te gaan beknotten.
3.
Over de draagkracht van het leefgebied van de aarde met betrekking tot het bevolkingsaantal hebben we het reeds uitgebreid gehad in "Overbevolking?" (7)
De conclusie aldaar luidt dat niet zozeer het aantal mensen, doch de vervuiling en het verbruik van een kleine minderheid van superverspillers drastisch naar beneden moet. Het zijn niet de miljarden armen in de derde wereld die voor overbevolking zorgen, maar wel het paar miljoen rijken in het kapitalistische systeem, dat immers geen alternatief biedt om zich te manifesteren naast het kampioenschap der verspilling.
Een geringer aantal aardbewoners met elk een grotere levenskwaliteit – dat is het doel van de geboortebeperkers die, nota bene, zelf behoren tot de superrijken. Zij vergeten dat hun exuberante rijkdommen exclusief te danken zijn aan de afmattende dwangarbeid van massa's superarmen, zoals reeds Frederik van Eeden dat heeft aangestipt. In een toespraak gehouden in 1899 en getiteld: "Waarvoor werkt gij?", zegt deze beroemde Nederlandse schrijver en psychiater dat wij geloven geld te willen, doch dat geld een middel is, terwijl ook alles wat wij met geld kunnen kopen, slechts middelen zijn. Wat we uiteindelijk nastreven, is bevrediging of vrede, eeuwigdurende blijdschap. Maar de rijke leeglopers hebben de werkende klasse in hun macht, alleen omdat de armen op de rijken willen gelijken. De armen begeren en lenen dus het geld van de rijken; ze maken schulden waarop de rijken woekerwinsten maken. De rijken weten dat het enig echte bezit, grondbezit is, en zij betalen arbeiders een hongerloon, wat veel te weinig is om grond te kunnen kopen. Uit die impasse kunnen de armen zich pas bevrijden als zij ophouden met werken voor de rijken, als zij in plaats daarvan gaan werken voor elkander en zodoende onafhankelijk worden van de geldhandel – aldus Frederik van Eeden. Maar meer dan honderd jaar na van Eeden zijn toespraak (8)
, zijn we kennelijk van de regen in den drop beland, en wel omdat wij ons door het gouden kalf hebben laten blijven verblinden. Het ideaal van "een geringer aantal aardbewoners met elk een grotere levenskwaliteit" is een van de allerlelijkste uitwassen van dit gigantische onverstand waarin geluk domweg met verbruik, koopkracht of geld wordt geïdentificeerd, terwijl men vergeten blijkt te zijn dat deze middelen op zich geen enkele inhoud hebben: los van de specifieke sociale uitbuitingsstructuren hebben zij zelfs geen middelwaarde meer.
De zich in het kapitalisme opdringende reductie van de levende aarde tot een te consumeren 'product' is verantwoordelijk voor de wanbeschrijving van de bevolkingsdruk in termen van verbruik per kop. Teneinde alle bezit zoveel mogelijk naar zich toe te trekken, hebben de rijken die dit begrippenapparaat lanceerden, de schuld proberen af te schuiven op aantallen mensen in plaats van op buitensporig verspillende individuen. Maar aantallen mensen kunnen niet schuldig zijn, en zeker niet aan een bestaan waar ze niet zelf hebben om gevraagd; individuen daarentegen kunnen wel schuldig zijn, meer bepaald als zij meer verbruiken dan redelijk is, en zeker en vast als ingevolge hun overdadige verbruik de fundamentele levensnoden van anderen onbevredigd moeten blijven. Met hun in een ethisch kleedje verpakte roep om de bevolking te beperken, eisen de rijken feitelijk de legalisering van een handelwijze waarbij zij zich het recht toe-eigenen op het leven van de arme massa, meer bepaald door de energie die voor het overleven van deze mensenmenigte noodzakelijk is, zelf op te souperen. En zij doen dat nota bene niet omdat zij deze energie nodig zouden hebben om te leven, maar om zich in een nog meer onbeperkte mate luxe en genot te kunnen verschaffen. De rijken zijn nu ook letterlijk kannibalen geworden; kannibalen die bovendien willen doorgaan voor 'redders van de planeet'.
Het zogenaamde probleem van de overbevolking is derhalve geen zaak van een teveel aan mensen en ook geen zaak van een te groot energieverbruik per kop, want met dat laatste wordt een gemiddeld energieverbruik per kop bedoeld en, zoals hoger reeds ter sprake gebracht, brengt het uitdrukken van feiten in termen van gemiddelden en percenten geen aarde aan de dijk omdat het ons in werelden doet belanden die volstrekt irreëel zijn. De taal liet immers net zo goed toe om in plaats van over een gemiddeld verbruik per kop, te spreken over een gemiddelde kop per verbruikseenheid. Maar er bestaat niet zoiets als een gemiddelde mens: als we honderd mensen tellen, waarvan er vijftig groot zijn en de andere vijftig zijn klein, dan zeggen de statistici dat in die groep de gemiddelde mens een gemiddelde lengte heeft, en hoe moet men er dan aan beginnen als men kleren moet kopen voor die honderd? Alles wat men kopen kan, is de totale hoeveelheid benodigde stof, maar met het snijden ervan kan men nimmer beginnen.
Over "een gemiddelde kop per verbruikseenheid" heeft men het impliciet als men concludeert dat er mensen teveel rondlopen op onze planeet, want dan bekokstooft men dat het maximaal verbruik vast ligt en dat er voor de gemiddelde kop te weinig energie voorradig is. Vervolgens beweert men dat de eliminatie van een deel van de koppen zou resulteren in een bevredigende hoeveelheid energie per gemiddelde kop. Zeer zeker zou dat kloppen indien alle koppen evenveel energie verbruikten, maar in werkelijkheid zijn de individuele verschillen zoals gezegd bijzonder groot en verbruiken rijke westerlingen meer dan het honderdvoudige van eenvoudige Indiërs. Bovendien zijn niet de Indiërs maar wel de westerlingen ontevreden met de hoeveelheid energie die zij te verbruiken hebben. Uiteraard moet de reden daarvoor gezocht worden in de denk- en doe-systemen waarvan zij deel uitmaken. Andermaal: iedereen verbruikt wel wat, maar in het kapitalisme valt bestaan zowat met verbruiken samen en manifesteert men zich enkel nog als kampioen der verspilling.
Het kapitalistische systeem determineert de ganse ethiek van alle ingezetenen, of tenminste van dezen die zich niet tegen dat systeem verzetten: de begrippen 'voldoende' en 'genoeg' zijn daar vreemde eenden in de bijt, omdat het systeem essentieel gekenmerkt wordt door de onverzadigbaarheid die ook de lust en het genot kenmerken die daar als lokazen fungeren. Het schone aan the American dream is uiteraard de vrijheid, en die is kostbaarder dan men geneigd is te denken als men er zelf geen gebrek aan heeft. Maar er is geen vrijheid zonder verantwoordelijkheid, en dat laatste is plicht of gebondenheid, en zo blijkt uiteindelijk alles zijn prijs te hebben. De verleiding bestaat erin de vrijheden opzichtig te etaleren en tegelijk de plichten te onttrekken aan het oog. Men zou nu kunnen denken dat wie verleid werden, op tijd en stond wel hun les wel zullen leren, maar dat blijkt een al te optimistische verwachting: in werkelijkheid blijkt op de verleiding niet zo heel vaak een ontnuchtering te volgen, maar meermaals een verslaving, en zo rijdt men zich te pletter in een systeem waaraan tenslotte elk zelfcorrigerend vermogen ontbreekt. Wie zijn lusten wil botvieren, moet dat in alle vrijheid kunnen doen, zo zegt het systeem, want dat is tenslotte verbruik, en verbruik moet aangemoedigd worden want de economie moet draaien en zij moet groeien, onbeperkt. Eenmaal de gevreesde "grenzen aan de groei" opdoemen, is het liedje uit. En het systeem dicteert: niet het verbruik moet worden teruggeschroefd maar wel de mensen; het verteer moet verzekerd worden en daarom moet het aantal mensen worden teruggeschroefd. En niet de doorjagers worden geliquideerd, maar de armen, de niet-verslaafden, want hun massa staat het grenzeloze genot van de enkelingen in de weg. Het gouden kalf is er tenslotte bij de gratie van zijn aanbidders.
Er zijn grenzen aan de groei, zoals het Bariloche-rapport voor de club van Rome dat heeft verduidelijkt in een geschrift d.d. 1978: de toren van Babel houdt op met groeien van zodra alle aangevoerde grondstoffen voor het onderhoud alleen moeten worden benut. En vanaf dat ogenblik kan de toren tot niets meer dienen, hij wordt volstrekt nutteloos en hij bestaat nog slechts omwille van zichzelf. Maar gesteld dat zulks de mensheid overkomt, wat is dan nog het probleem? Bestaan wij immers niet omwille van ons bestaan zelf, dat niets anders dan zijn eigen doel kan zijn?
Zullen de grenzen zichzelf niet vaststellen? Zal een gebeurlijke verdere aangroei van de bevolking ons niet nopen tot een spaarzamer verbruik van grondstoffen en energie? Zal het natuurprobleem dat zich aldus aandient ons morele bewustzijn niet wekken? Want ontegenzeggelijk is het bevolkingsprobleem allereerst ethisch van aard. Technologisch en wetenschappelijk gezien kunnen onze mogelijkheden weliswaar verder worden uitgediept, maar de kern van het hele vraagstuk is en blijft de vraag naar een waardige verdeelsleutel voor het goed van het bestaan. En die zaak is niet alleen met passen en meten op te lossen.
4.
Anno 2010 blokletterden enkele kranten dat zeven uur slaap aan iedereen aangeraden wordt, want zeven uur slaap is het gezondste. Zij halen die zekerheid uit een grootschalig onderzoek waarin werd vastgesteld dat wie slechts zeven uur slapen, gemiddeld langer leven dan wie acht uur onder de dekens liggen. Blijkbaar ziet men het onzinnige van zijn beweringen niet in: als er al een overeenkomst mocht blijken tussen zijn levensverwachting en het aantal uren dat iemand slaapt, dan kan die nooit gemeten worden, omdat één en dezelfde persoon niet zijn leven een aantal keren opnieuw kan leven, telkens met een ander aantal slaapuren per etmaal. En daarbij werd nog niet eens gerept van de uitsluiting van talloze andere factoren (ontelbare miljarden!) bij de bepaling van de levensverwachting. Begaat men echter de supplementaire slordigheid om te geloven dat aan dit euvel kon worden verholpen door een groot aantal personen in het onderzoek te betrekken en bij hen dan de verhoudingen tussen de levenslengte en het aantal uren slaap onderling te vergelijken, dan getuigt de conclusie die men feitelijk trok van een volslagen gebrek aan wetenschappelijk inzicht: de causale relatie tussen levenslengte en aantal uren slaap is op zich al inductief, maar de richting van die relatie kan middels de voorhanden zijnde gegevens onmogelijk worden bepaald. In twee woorden kan men voor hetzelfde geld beweren dat mensen die lang leven, gezonder zijn dan anderen en dat zich dat ook veruitwendigt in het feit dat zij met heel wat minder slaap voort kunnen. Zo zegt men dat mensen die aan sport doen, gezonder zijn: is het de sport die hen gezond maakt, of doen zij aan sport precies omdát zij zo gezond zijn? Angstige mensen hebben vaker hartziekten, maar is het de angst die het hart ziek maakt, of krijgt men daarentegen angstgevoelens als het hart niet naar behoren functioneert? Willen wij niet graag geloven dat het overwinnen van angsten kon volstaan om een ziek hart gezond te maken en dat elke dag een uurtje beweging of zelfs een uur vroeger uit de veren, ons leven met een jaar of zeven kon verlengen? En verblinden deze wensen ons dan niet, zodat wij de kar daar voor het paard gaan spannen?
Zowat een halve eeuw geleden stonden enkele Belgische parlementairen op het punt om een bijzonder wetsvoorstel in te dienen, met name het verbod op rode auto's. Er was namelijk statistisch vastgesteld dat rode auto's vaker in verkeersongevallen betrokken zijn. Blijkbaar geloofden deze politici dat het verbieden van de kleur rood het ongevallencijfer zou doen dalen. Dit toont aan dat statistische rapporten en de zogezegd wetenschappelijke gefundeerde aanbevelingen die op grond daarvan de ether in gaan, met een grote korrel zout moeten worden genomen. En dan werd nog met geen woord gerept over de hardnekkige fouten en onwaarheden die de tand des tijds beter tarten dan de wijsheid zelf. Zo werd in het midden van de voorgaande eeuw bij het registreren van het ijzergehalte van spinazie in de mineralentabellen, een komma per abuis één rang opgeschoven, wat deze groente op slag beroemd maakte. Toen kort daarop de kommafout ontdekt werd, was echter de Popeye-campagne al gelanceerd, met het gevolg dat bijna een eeuw later men nog steeds kinderen met spinazie vol wil proppen, terwijl deze groente feitelijk zoveel oxaalzuur bevat dat ze de opname van kalk verhindert, wat voor baby's nefast kan zijn. (9)
Eenmaal een leugen vleugels heeft gekregen, is zij nog moeilijk in te halen.
Hetzelfde gebeurt misschien wel waar sommigen beweren dat de aarde met mensen overbevolkt is: wensen wie dat bewerenalleen maar dat dit het geval was? Dan hadden zij immers een reden om anderen om te brengen. Willen zij feitelijk niet meer plaats voor zichzelf alleen, en wie hen daarbij in de weg staan, gewoon verjagen? Er is immers helemaal geen teveel aan mensen; wel is het zo dat de som van alle energieverbruik een veel te groot getal is. Edoch, om dat getal naar beneden te halen, hoeven helemaal geen mensen te sneuvelen: het volstaat dat de superverbruikers op de vingers worden getikt. Kregen de verspillers – en dat zijn bij uitstek de voorstanders van de bevolkingsinperking – hun zin, dan ware dat een gigantisch onrecht vergelijkbaar met het onrecht dat geschiedde ten tijde van de inquisitie, of het onrecht van de slavenhandel.
Overigens staat de waarheid van de jongste 'wetenschappelijke' bevindingen inzake de opwarming van de aarde ook niet als een paaltje boven water. Reeds kort na de algemene zogeheten 'bewustmakingscampagne', stonden enkele wiskundigen op om aan te klagen dat men hier wel heel ver ging met zijn zogenaamde wetenschappelijke uitlatingen over de stijging van de gemiddelde temperatuur van de aarde. De gemiddelde temperatuur van de aarde kan niet eens worden gemeten, zo waarschuwden zij: hoe in Gods naam kon men dan ooit vaststellen dat dit gemiddelde steeg? (10)
De hele campagne bleek gebouwd op drijfzand en bij nader toezien zou het opwarmings-item niets anders blijken te zijn dan een zoveelste ordinaire politieke stunt. De campagne zou aangestuurd worden door communistische ideologen die – terecht – het gebrek aan duurzaamheid bij de kapitalistische producten aanklaagden, en die dan later geschaakt werden door het kapitalistische deel van de wereld dat er de Aziaten mee op de knieën probeerde te krijgen. Op de milieuconferentie te Kopenhagen in 2009 wenste het Westen immers dat (bij uitstek Oosterse) ontwikkelingslanden hun ontwikkeling zouden staken in naam van het milieu; zij duldden immers geen inhaalbeweging vanwege de achtergestelde gebieden die nu aan dezelfde maatregelen werden onderworpen als de rijke landen...
De waarheid wordt verdraaid, en dat is ook wat de Amerikaanse economiste J.R. Kasun aanklaagt in haar geschriften die zich fel kanten tegen wat zij de mythe van de overbevolking noemt. (11)
Mensen worden gedwongen gesteriliseerd (zo bijvoorbeeld in Peru) of genoodzaakt tot abortus (in China), en ook het Westen moedigt abortus aan naast allerlei vormen van anticonceptie. Dat terwijl in de driehoek Gent-Antwerpen-Brussel – een onooglijk stipje op de wereldbol – de ganse wereldbevolking rustig kan picknicken. De bevolkingsaangroei neemt ook snel af, schrijft Kasun. Er wordt duchtig gelogen omtrent de overbevolking. Gewezen vice-president Al Gore schrijft de opwarming van de aarde aan de overbevolking toe, wat de wetenschappelijke bevindingen van de NASA (Leibzig, 1995) volkomen tegenspreekt. Ook de armoede heeft geen uitstaans met de 'overbevolking'; armoede wordt veroorzaakt door wanbeleid. Bepaalde regimes (zoals in Ethiopië) verkopen hun voedsel om met de opbrengst wapens te kunnen kopen. Er is overigens meer honger en ook meer oorlog in het vijf keer dunner bevolkte Afrika dan in Europa; er is minder honger in het vijf keer dichter bevolkte Taiwan dan in de rest van China; hetzelfde geldt voor het dichtbevolkte Korea en Maleisië. Landen die daarentegen aan geboortebeperking doen, zoals Ecuador, Uruguay en Bulgarije kampen met economische recessie – aldus Kasun. Maar waarom dan die leugens? Dr. Kasun neemt geen blad voor de mond: "De wereldwijde beweging die geboortebeperking promoot, is een machtige organisatie. Ze werkt samen met de UN, de nationale regeringen, allerlei stichtingen en ‘niet gouvernementele organisaties’. Ze investeert vele miljarden dollars in onderzoek. Zij zetelt in werkgroepen voor gezinsplanning, in internationale financiële instellingen zoals de Wereldbank, in kantoren voor buitenlandse betrekkingen en ontwikkelingssamenwerking en in onderzoekscentra zoals het World Watch Institute. Haar ideologie domineert de programma's op scholen en op universiteiten. Maar haar macht berust alleen op de uiteindelijke onwetendheid van het publiek"...
Anno 2010 worden in het Westen wetenschappelijke bevindingen in de doofpot gestopt van zodra zij de zogenaamde politieke belangen wel eens in de weg zouden kunnen staan, en dat is niet alleen het geval inzake de kwestie van de overbevolking. Bij de ramp in Tsjernobyl in mei 1986 hebben onder meer Belgische politici de bevolking voorgelogen over het radio-actieve besmettingsgevaar van de overdrijvende stofwolken uit de verwoeste atoomcentrale. Zij dwongen onder meer de weerman om over deze levensgevaarlijke toestand het televisiepubliek voor te liegen. (12)
De link met de enorme stijging van het aantal gevallen van lymfeklierkanker in Europa in de daarop volgende decennia werd – zoals gewoonlijk – onbewezen geacht door dezelfde verantwoordelijken. Nog anno 2010 worden de onderzoeksresultaten over de invloed van genetisch gemanipuleerde gewassen op het milieu en op de volksgezondheid door Westerse politici van tafel geveegd en de betrokken wetenschappers worden het zwijgen opgelegd, zoals zij getuigden in een televisie-uitzending. (13) Nu bekend raakt dat België het wereldrecord op zijn naam heeft inzake het voorkomen van borstkanker, kan men niet anders dan toegeven dat de zogenaamde preventieve aanpak daar misschien wel voor iets tussen zit: de jaarlijkse doorlichting van de borsten met röntgenstralen zou mede verantwoordelijk kunnen zijn voor een toename met enkele procenten van de gevreesde ziekte. Tevens zou de curatieve bestraling van vermeende tumoren wel eens kankerverwekkender kunnen zijn dan altijd werd verhoopt. Eveneens inzake borstkanker wordt nu gedacht aan een verband met bepaalde, gedurende vele jaren massaal voorgeschreven medicijnen die het behoud van de vrouwelijkheid ook na de menopauze moesten garanderen. Deze enkele voorbeelden, bovendien beperkt tot enkele recente voorvallen op het gebied van de volksgezondheid, tonen dat de informatie van overheidswege niet noodzakelijk met de waarheid strookt. (14) En als men liegt of zwijgt over het milieu en over de volksgezondheid, die toch iedereen aanbelangen, waarom dan zou men de waarheid vertellen over het bevolkingsaantal en over de draagkracht van de planeet? Het lijkt daarentegen veel waarschijnlijker dat vanaf een welbepaalde limiet, de bevolkingsdruk de greep van de huidige machthebbers of politici op het volk, aantast, en dat dit de reden is waarom zij een verdere toename van de bevolking vrezen. Het zou best wel eens zo kunnen zijn dat vanaf een bepaalde waarde van de bevolkingsdruk, de klassieke politieke machtsuitoefening gewoon niet meer werkt, zoals ook een klomp samengeperste aarde uiteen valt als zijn massa te groot wordt. Worden de aarde, de natuur en de mens zelf – trouwens samen met de rest van het dieren- en het plantenrijk en met de bodemschatten – niet steeds vaker en drastischer in de schaduw gesteld van een volkomen geprivatiseerde wereld waarin men eerst burger is en dan pas mens? Een wereld waarin het dierenrijk herleid werd tot louter vee en de plantenweelde tot onkruid? En hoe kon in zo'n wereld ooit plaats zijn voor mensen die niet vooreerst telbare en beheersbare burgers waren met elk een eigen nummer en gedoemd om bij de dragen tot de macht van het getal van het Beest?
J.B., Augustus 2010
*
Noten:
(1) Het begrip 'zelfbeheersing' wordt hier bedoeld in de zeer ruime betekenis van op anticonceptie gericht gedrag.
(2) Toen de Nazi's in Duitsland aan de macht kwamen, werden honderdduizenden gehandicapten onder dwang gesteriliseerd. Later stierven zij in de kampen de zogenaamde genadedood. In De mens voorbij legt Gie van den Berghe uit hoe deze "modernste aller genociden" begonnen is met de radicale Verlichting waarin na de dood van God, de mens zijn eigen schepper wordt: nu Darwin's 'survival of the fittest' niet langer waar is, en de 'minderwaardigen' zich evengoed voortplanten als de sterken, moet de mens zelf gaan snoeien in zijn soort.
(3) Men moet inderdaad Adolf Hitler heten om te kunnen geloven dat men zelfs de dood overwint door na zijn overlijden zijn lijk te laten overgieten met benzine en het dan in brand te laten steken. De verassing krijgt nu overigens de totale chemische vernietiging van het stoffelijke overschot tot concurrent, en wel onder de uitvlucht dat men aldus heel wat brandstof bespaart – een argument dat scoort in de nieuwe milieureligie, maar ook een vals argument wegens het feit dat de olie nodig om het eigen lijk te verbranden zelfs niet het honderdduizendste deel bedraagt van de olie die men in zijn ganse leven heeft verbruikt. Indien dergelijke 'besparingsargumenten' in de 'zuinigheidsreligie' waartoe de milieugodsdienst voor een groot stuk te herleiden is, ook hout sneden, dan was het beste helemaal niét te leven – het beste ware dan de dood voor allen.
(4) De schijn is belangrijker geworden dan de werkelijkheid – tot die jammerlijke perversie is ook dit euvel te herleiden. In dit geval weet de schijn zich wel bijzonder geslaagd te camoufleren: zij laat blijkbaar vele geloven dat er een evenredig verband bestaat tussen de 'gezondheid' van het volk en die van de enkelingen die daar deel van uitmaken en ze doet dit door te verdoezelen dat een volk pas in overdrachtelijke zin een gezondheid kan hebben, met andere woorden: door de onvergelijkbaarheid van beider 'gezondheden' impliciet te miskennen.
(5) Elkaar onderling tegensprekende standpunten tot stand gekomen op grond van argumenten, kunnen slechts de volstrekte waardeloosheid van die argumenten aan het licht brengen. Rest dan nog slechts te beslissen op grond van het meerderheidsprincipe, wat hetzelfde is als het 'recht' van de sterkste. Er bestaat geen enkel verband tussen de argumenten en de stemming: de stemming zelf miskent en vernietigt zodoende de betekenis van de argumenten en aldus ook de zin van de rede. Het stilzwijgende akkoord met deze gang van zaken die nefast is voor alle redelijk overleg, haalt haar kracht uit het feit dat reeds de zogenaamde redelijke argumenten de facto strijdig zijn met de eigenlijke beweegredenen, wat betekent dat zij eigenlijk dekmantels zijn, en dus schijn, en derhalve niet waard om ernstig te worden genomen.
(6) Het gevreesde toekomstbeeld inzake 'gezinsplanning' is allerminst imaginair: afgezien van het feit dat het reeds werd en wordt in de praktijk gebracht, steken analoge problemen vandaag de kop op in bijvoorbeeld de maatschappelijke solidariteit (het pensioenstelsel, de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de werkloosheidsproblematiek...) en in het verzekeringswezen. Ziekenfondsen, welke per definitie hun bestaansrecht halen uit het principe van de solidariteit met zieken, zoeken zich te onttrekken aan de plicht om uitgerekend diegenen in te schrijven die een relatief grote kans hebben om ziek te worden, en zij bedienen zich, behalve van de schending van de privacy, ook nog van de nieuwste gentechnologie om hun klanten te selecteren. Hetzelfde doen verzekeringsmaatschappijen, en vandaag worden naast het pensioenstelsel ook de zorgen voor ouderen geprivatiseerd – uiteraard met het oog op winst – wat de belofte inhoudt dat wie het niet betalen kan, geen recht op zorg meer krijgen zal. De natuurlijke nood wordt met andere woorden vervangen door een welbepaald recht– een voor het kapitalisme typerende pervertering, nodig voor haar chantage.
(7) Jan Bauwens, Overbevolking, 2009.
(8) Frederik van Eeden schreef toen in de geest van het motto: "Arbeiders aller landen verenigt u"; toen Marx stierf, was van Eeden drieëntwintig, bij de dood van Engels was hij vijfendertig; Marx en Engels publiceerden het "Communistisch manifest" te Brussel twaalf jaar voor van Eeden zijn geboorte, in 1848.
(9) Cf.: van Aaken, Ernst, Programmiert für 100 Lebensjahre. Wege zur Gesundheit und Leistungsfähigkeit, Pohl-Verlag, Celle, 1975: 135-136.
(10) In het artikel: "Does a Global Temperature Exist?" d.d. juni 2006 bewijzen Christopher Essex (wiskundige, van de University of Western Ontario), Ross McKitrick (Econoom van de University of Guelph) en Bjarne Andresen (van het Niels Bohr Institute of Copenhagen) dat er noch fysische, noch wiskundige, noch proefondervindelijke gronden bestaan om inzake het vraagstuk van de vermeende opwarming op een zinnige manier te spreken over een "globale temperatuur van de aarde" en zo is het ook onzinnig om uitspraken te doen over enige verandering daarin. Als er al zoiets zou bestaan als de "globale aardtemperatuur", dan ware die zelfs niet bij benadering vast te stellen, aldus het team van onderzoekers.
(11) J.R. Kasun, The War against Population: The Economics and Ideology of World Population Control, Ignatius, 1988.
(12) De weerman van de VRT – toen nog de BRT – werd door de toenmalige politiek verantwoordelijke gedwongen om zijn weerbericht te vervalsen. Op het einde van zijn leven heeft de weerman deze feiten voor het televisiepubliek opgebiecht.
(13) Het betreft getuigenissen in het VRT-programma Terzake d.d. 16 augustus 2010.
(14) Voor een grootscheeps kritisch onderzoek met betrekking tot de door het winstbejag verrotte medische sector sinds de jaren '60 en '70 van de voorgaande eeuw, cf.: Ivan Illich, Grenzen aan de geneeskunde.
**********
13-08-2010
Leefloners en afpersing
Leefloners en afpersing
Leefloners verplichten om onkruid te wieden op straffe van verlies van hun leefloon, is afpersing.
Het leefloon dat armen ontvangen, ontvangen zij omdat zij daar recht op hebben. Het recht op noodzakelijke levensmiddelen is een mensenrecht, het is onvoorwaardelijk: elk mens heeft recht op voedsel en op onderdak - of hij nu minister is, armeluis of zieke, maakt niets uit. Zelfs een gevangene kan uiteindelijk niet verplicht worden om in ruil voor kost en inwoon te werken. Het verbod op dwangarbeid staat in artikel 4 van het Europees mensenrechtenverdrag.
Zijn er bepaalde werkzaamheden die moeten gebeuren, zoals het wieden van onkruid, en verkiest men het om de een of andere reden om voor die job voorrang te verlenen aan leefloners, dan dient men die leefloners in te schrijven als volwaardige arbeiders, wat wil zeggen dat zij arbeidsbekwaam moeten bevonden worden voor de specifieke job, bijvoorbeeld qua gezondheid, dat zij een minimumloon dienen te ontvangen, dat zij verzekerd moeten zijn tegen ziekte en ongevallen en dat zij pensioenrechten dienen te genieten.
Verplicht men leefloners te werken op straffe van verlies van hun leefloon, dan is dat afpersing of chantage: men gebruikt dan elementen zoals de honger(dood) als dwangmiddel.
Dat vandaag een krant bloklettert dat de stad Antwerpen er ernstig over nadenkt om leefloners onkruid te laten wieden, stemt tot nadenken en zegt vooral iets over de mentaliteit van de stad zelf, meer bepaald over een toenemende onverdraagzaamheid waarbij de zwaksten het mogen bekopen, alsook over de dreiging van een toenemend onverantwoordelijk gedrag bij de beleidvoerders.
Geeft men hier aan toe, dan opent men de weg naar een kastenmaatschappij, wat wil zeggen dat de basisrechten inzake onderdak, arbeid en zo meer niet langer voor iedereen dezelfde zijn. De gelukkigen zullen dan werken tegen een (minimum)loon, wat een positieve sanctionering is, terwijl de minder gelukkigen zullen werken omdat zij in het andere geval gemarteld worden - in dit geval met onder meer de honger. Maar dat zijn arbeidscondities die dateren uit de tijd van de slavernij. Men dient er goed over te waken dat de slavernij niet via een achterpoortje heringevoerd wordt. Niet alleen in de derde maar ook in de vierde wereld.
En wie zegt dat er geen middelen zijn om onkruidwieders in een normaal wettelijk statuut te laten werken, liegt: er zijn middelen daartoe zolang er arbeiders zijn die een loon ontvangen dat groter is dan het wettelijk minimumloon.
(J.B., 13 augustus 2010)
18-07-2010
Het hek van de dam?
Het hek van de dam?
Misbruik van en machtsmisbruik jegens kinderen kunnen nimmer worden geminimaliseerd: niet als het vergrijp geschiedt door de hand van een bisschop, maar evenmin als dit het werk is van 'clowns'.
Deze laatsten zijn er om kinderen te laten lachen, niet om hen te leren hoe zich met andermans leed te vermaken, en nog veel minder om hen te gebruiken in een hoog spel van wraak dat zich allerminst van humor bedient maar des te meer van spot.
Wie kinderen opleiden in leedvermaak, lang nog voor zij kunnen beseffen dat zij aldus leren proeven van de wraak, die gebruiken hen als circusdieren in een machtsspel dat hen ver te boven gaat. En die vertoning speelt zich niet af in de feesttent die daar staat om toeschouwers te beschermen tegen de warme zon, maar in een foor van een gans ander kaliber waarin alles draait om die andere, kille zon van macht en geld, waar men niet kraait om een soldaatje meer of minder. Een foor, versluierd door gesofistikeerde indoctrinatie nu, maar veel werkelijker dan het zeil van stof daar in de wind.
Een rechtsstaat die in dezer met monnikenijver de gangen nagaat van een kardinaal, doch die de andere kant opkijkt wanneer niet slechts verdenkingen doch daden van het gelaakte soort door clowns worden gesteld, is aan bevraging toe.
Edoch, wij weten dat de macht van de media ontzaglijk is: zij is de macht van de massa, de wereldse macht, de macht van 'Legioen'. Wie weigeren om het vuur van de spot waarmee het slachtoffer wordt verteerd, mee aan te wakkeren, die maken zichzelf verdacht en worden mee omgebracht want het geweld kent geen nuance en geen rede.
Kijk maar rond naar elders en naar ooit: waar dit gebeurt, verlaat zij met de stille trom het land - de vrede - en doet hij met veel ornaat zijn intrede - de oorlog - en komt hij altijd te laat - de tijd van bezinning en van inkeer die het tij moest keren. Daar is cultuur nog louter vertier, daar wachten de zotskappen, de dood lacht hier.
(J.B., 18 juli 2010)
13-07-2010
Armoede als eerste christelijke plicht
Armoede als eerste christelijke plicht
Blijkbaar begrijpen heel wat mensen niet waarom wereldse rijkdom dan verwerpelijk is - althans vanuit de christelijke optiek - en de katholieke clerus vormt hierop geen uitzondering.
Men geeft zich er al te weinig rekenschap van dat het bestaan in deze wereld een zaak is van macht en van geweld. Dit feit wordt echt duidelijk van zodra men opmerkt dat reeds van nature bij uitstek wie gevaarlijk zijn, zullen worden opgemerkt; zij die daarentegen helemaal geen bedreiging vormen, worden over 't hoofd gezien.
In de natuur is dit gedrag weliswaar heel rationeel: het beantwoordt perfect aan het economiciteitsprincipe en ook aan dat van het zelfbehoud, maar dat doet het koele doden van de vijand eveneens.
De zaak is dat het christendom breekt met die wet van de sterkste: zij is natuurlijk maar onmenselijk. De mens overstijgt het dier (in zichzelf): hij dient het niet na te apen zoals in de perversies van de nieuwste tijden wel eens wordt bepleit; hij dient het daarentegen naar zijn hand te zetten.
Dat de vogelen des velds, onbekommerd over zaaien en maaien, toch beter getooid zijn dan wie dan ook van ons, illustreert slechts de zorg van de schepper voor al datgene waarvoor men hem blindelings vertrouwen moet.
In de wereld is erkenning oorspronkelijk meestal angst voor bedreiging en gevaar. Wat gevaarlijk is, is voor het eigen leven van belang en het belang van het gevaarlijke is derhalve net zo groot als het eigenbelang. Zo worden wie gevaarlijk zijn erkend zoals men ook zichzelf erkent. Wie een bedreiging voor een ander vormt, dwingt immers erkenning van die ander af op straffe van zijn ondergang en die vorm van erkenning is dan ook in het geheel niet bewonderenswaardig, hij is natuurlijk afgedwongen, rationeel, berekend, en daarmee uit. Het dierlijke wordt pas overstegen waar men de ander erkent om wie hij is, en niet omdat hij een bedreiging vormt. En dat humaan gedrag snijdt uiteraard pas hout waar men de ander ziet als medeschepsel, en waar men dus de schepper - God - erkent. Zonder God kan de mens het dier niet overstijgen; zonder God achten mensen zichzelf god, en vechten zij onder elkaar uit wie de oppergod zal zijn. En uiteraard is een oppergodschap dat door de sterkste buit gemaakt wordt, de tirannie bij uitstek. De erkenning van de ander omwille van hemzelf kan niet bestaan zonder het godsgeloof.
Een humaniteit wars van alle godsgeloof is mogelijk, maar zij kan slechts wederzijdse erkenning op grond van berekening en van conditionering zijn, als het ware in een solidariteit waarin men het eigen 'ik' slechts 'overstijgt' om het te kunnen verzekeren en dus om het nog sterker te maken dan het was. Niet een liefde eigen aan kinderen onder het gezag van ouders, maar een koele, afgesproken eendracht met het oog op nog meer macht, vormt er de motor van. Precies zoals de motor van de economie die daaruit volgt, niet het goed is van de ander dat men wil bewerken, doch slechts het eigen voordeel dat in het spel der concurrentie of der onderlinge tegenwerking wordt beoogd. De discrepantie tussen de subjectieve bedoeling (elkeen wil individueel voordeel halen) en het objectief bereikte doel (het ganse volk vaart daar wel bij), is de sociale truuk bij uitstek, de geniale hefboom waarop, alle natuurlijke egoïsme ten spijt, de objectieve samenwerking berust en de totstandkoming van een solidaire humaniteit. Maar nogmaals: de vormen van erkenning die dit geheel dragen, worden bepaald en uiteindelijk ook begrensd door eigenbelang: zij overstijgen het dierlijke niet.
De kloof tussen wat men bedoelt (het eigenbelang) en wat men bereikt (het gemeenschappelijke belang) wordt gedicht door een sociaal systeem dat zichzelf dankt aan, maar ook verraadt in een weerspiegeling van die kloof in haar geplogendheden waaruit de leugen onwegwerkbaar is. Activiteiten die feitelijk bedoeld zijn voor het eigenbelang, dienen zichzelf in de gemeenschap aan te prijzen als zaken die het belang van allen ten goede komen, terwijl dat eigenbelang tegelijk wel nog getolereerd moet worden in de gedaante van de winstmarge, die niet een randverschijnsel is, maar wel de eigenlijke motor van het economische gedrag. Die kloof is er uiteraard ook tussen, enerzijds, het loon dat men opstrijkt voor zijn werk en, anderzijds, de geleverde prestatie als zodanig: er is hard labeur dat onderbetaald wordt en er zijn lieden die zichzelf riante vergoedingen toekennen om helemaal niets te doen. De tegendoelmatigheid of de contraproductiviteit waarover Ivan Illich heeft geschreven, is de keerzijde van dit systeem dat aldus gedoemd is om zichzelf op te heffen: het louter humane met een eendracht die omwille van de macht wordt beoogd en die stoelt op solidariteit als berekende samenlevingsvorm, ontmoet bij uitstek in die tegendoelmatigheid zijn grenzen.
Wereldse rijkdom is verwerpelijk omdat het kopen een opeisen is waaraan het krijgen en het danken niet alleen vreemd zijn maar door de koopact tevens worden verkracht. Wat God aan zijn schepselen aanbiedt op de akkers, wordt in beslag genomen en verkocht, wat wil zeggen dat men het zich toe-eigent middels macht, dat men het aan anderen middels geweld ontneemt, en dat men het pas aan die anderen, die het nodig hebben, teruggeeft... als zij betalen, wat wil zeggen: als zij het op hun beurt gaan opeisen. De verkrachting van het geven en het nemen berust in het onmogelijk maken ervan: op straffe van de totale armoede wordt men gedwongen om mee te werken aan een onmenselijk systeem dat op geweld berust.
Verzet tegen die onmenselijkheid wordt dan ook door armoede gekentekend, zoals ook Christus' verzet tegen het kwaad zijn hele verschijning tekende tot het onuitwisbare beeld dat wij van de godmens hebben. Onuitwisbaar, tenminste zolang er martelaarschap bestaat: de persoonlijke weigering van een goddeloos bestaan.
(J.B., 13 juli 2010)
11-07-2010
Imago of Waarheid
Imago of Waarheid
Verhalen zoals dat van de goede moordenaar indachtig, is een bisschop die biecht en die dan het boetekleed aantrekt misschien wel heiliger dan een kardinaal die weigert om onschuldig aan het kruis te hangen.
Onschuldig aan de schandpaal staan is wat de Christus deed, die alle kardinalen zeggen na te volgen, getuige de rode kleur van het gewaad en van de mijter welke het bloed symboliseert dat zij aldus bereid zeggen te zijn om voor de Heiland te vergieten.
Dat kan dan alvast hun eigen bloed niet wezen want onschuldig lijden in naam van het geloof - ook martelaarschap genoemd - is hoe dan ook niet besteed aan wie hun reputatie zo hoog achten. Want de reputatie, het imago, het beeld dat van hen wordt opgehangen in de media, de schone schijn achten zij hoog terwijl zij in de Waarheid, welke dan toch naar zijn eigen zeggen Christus zelf is, helemaal geen vertrouwen hebben.
Voor wie het niet volstaat dat God de waarheid kent, is er immers helemaal geen God - dat is de logica zelf. Van geloof kan hier geen sprake zijn en alle mooie woorden over dat geloof kunnen dan alleen nog maar imago zijn. Die meer geven om hun reputatie, geloven hoe dan ook niet meer dat, ongeacht hoezeer men er ook over liegt, de waarheid altijd zichzelf zal blijven.
Wat een contrast tussen, enerzijds, Christus die, om ons te redden, onze zonden op zich neemt en ze ook uitboet zonder klacht, geheel onschuldig en, anderzijds, een kerkvorst die met een zonde welke hij niet de zijne acht zelfs niet geassocieerd wil worden.
Kan zo iemand troost bieden aan wie onrecht moeten lijden? Wat immers moet een schare van verschoppelingen met het voorbeeld van een man die zich dankzij samenzwering met de beste advocaten kan omringen om zijn imago te vrijwaren van de smaad en de hoon die bij uitstek het aangezicht van Christus sieren? Of verwacht hij dan dat de volgelingen van het Lam in de rij zullen staan om door hem te worden opgeleid en gewijd?
Zoals de heilige geschriften zelf het zeggen en herhalen, is de pretentie van de eigen heiligheid misschien wel de grootste zonde. Maar de geschiedenis toont aan dat het verkondigen van de waarheid vaker met het eigen leven wordt betaald. Christus' martelaarschap werd voorafgegaan door dat van Socrates die aantoonde dat de pretentie van kennis erger is dan de onwetenheid, en de openbaring van die conclusie werd ook zijn dood. Talrijk zijn intussen de volgelingen van deze grote mensen, die men niet bepaald moet zoeken onder diegenen die bij de rechtbanken staan aan te schuiven met een geblutst blazoen onder de arm. In hen die aanschuiven voor een snee brood herkent men Christus heel wat beter.
(J.B., 11 juli 2010)
06-07-2010
Bij de duivel te biechten gaan?
Bij de duivel te biechten gaan?
Bij de duivel te biechten gaan, dat is alvast waarvoor een bisschop zich hoeden zal. En of hij dezer dagen met de duivel zelf te maken heeft, is een kwestie die zich oplost van zodra blijkt of die 'biechtvader' dan niet de afschaffing van de biecht beoogt. De biecht is, nota bene, het sacrament dat het mirakel van de vergeving herbergt - de kern van het christelijke geloof. Het kelderen van die geloofskern kán niemand meer beogen dan de duivel zelf. Wat voor de ene groep gelovigen een geloofskern is en een heilig geheim, zal voor een andere groep misschien botweg als samenzwering moeten bestempeld worden... en ook bestreden. Het principe van de vergeving dreigt hier als nooit voordien fataal te botsen met dat van de wraak, zoveel is zeker. Na de kruisiging van Christus en zijn verrijzenis in zijn mystieke lichaam, dat de kerk is, dreigt op zijn beurt dat mystieke lichaam aan de schandpaal terecht te komen. Zal dan, zoals eeuwig - in zonde - het kind uit de moeder geboren wordt, ook niet de Christus herrijzen - ter vergeving der zonden - tot in de eeuwen der eeuwen?
(J.B., 6 juli 2010)
10-05-2010
Wordt 2010 een jaar zonder zomer?
Wordt 2010 een jaar zonder zomer?
Alvast in Noord-Europa kan men opmerken dat, de opwarming van de aarde ten spijt, de lentebloei van 2010 een flink stuk later kwam dan gewoonlijk. Voor Europa zou het trouwens geen primeur in de geschreven geschiedenis wezen mocht er in 2010 van een zomer helemaal geen sprake zijn. De uitbarsting van de IJslandse vulkaan Laki van juni 1783 tot februari 1784 deed wereldwijd de temperatuur met gemiddeld 1° Celsius dalen, en wie zal zeggen of de periode van grote koude ten tijde van de schilders die naar de naam van Brueghel luisterden, ook niet aan een boertje van moeder aarde was te wijten?
Het is hoe dan ook een feit dat de slechts enkele minuten durende schaduw in gevolge een volledige zonsverduistering, ter plekke voor een plotselinge afkoeling kan zorgen die meerdere graden Celsius bedraagt. Het temperatuurverschil tussen dag en nacht is uiteraard aan de zon te wijten. En het verschil tussen zomer en winter is helemaal niet toe te schrijven aan het schommelen van de afstand van de aarde tot de zon: de zomer wordt door niets anders gemaakt dan door de rechtere invalshoek van de zonnestralen, de wisselende afstand tot de zon ten spijt. Het broeikaseffect dat wij kennen uit de milieurapporten van de jongste jaren illustreert hoe serres opwarmen door invallende zonnestralen en niet door de temperatuur van de lucht. Ook gewone wolkenvelden kunnen in de zomer soms voor tijdelijke verkoelingen van wel tien graden verantwoordelijk zijn. Dit alles slechts om te zeggen hoe invloedrijk de zonnestralen zelf zijn inzake opwarming; stralingswarmte blijkt heel bijzonder.
Het kost niet eens zo heel veel tijd om te becijferen hoeveel calorieën een aswolk van een bepaalde grootte en dichtheid aan onze planeet onttrekt waar zij de zonnestralen verhindert om door te dringen tot het land of tot de zee. Zonder in details te treden kan niettemin met zekerheid worden gezegd dat een hardnekkige vulkaanuitbarsting die een tijdlang aanhoudt, volstaat om de temperatuur plaatselijk zo fel te doen dalen dat een ijselijke winter en/of een echt kille zomer daarvan het gevolg zijn. Uiteraard zal een aan aswolken te wijten zomerloos jaar altijd in de schaduw staan van andere en veel ergere gevolgen zoals aardbevingen, overstromingen, zwavelvergiftiging, veesterfte, misoogsten en hongersnood, die in het verleden herhaaldelijk vele honderdduizenden slachtoffers maakten. Wordt 2010 voor ons een zomerloos jaar? Alleen de wind weet het.
J.B., 10 mei 2010
09-05-2010
Over de zuigkracht van de noodzaak en de overbodigheid van politiek
Over de zuigkracht van de noodzaak en de overbodigheid van politiek
Het gerucht doet de ronde dat steeds meer mensen zich afkeren van wat wij de beschaving zijn gaan noemen. In Japan zouden jongeren, kinderen nog, zich opsluiten in hun kamertje en het ook niet meer willen verlaten om bijvoorbeeld naar school te gaan. In Europa spreekt men over hyperkinetische kinderen en ADHD, over spijbelaars en over concentratiescholen. Het verschijnsel van jongeren die geen les meer willen, verspreidt zich snel en ook almaar meer volwassenen blijken niet langer interesse te vertonen om aan het werk te gaan. Het aantal verslaafden aan drugs, kansspelen en computerspelletjes neemt gestaag toe zoals trouwens ook het aantal work-o-holics.
In tegenstelling tot wat men geneigd is te geloven, zijn workoholics helemaal niet geïnteresseerd in de arbeid als zodanig. Evenmin trouwens als veelvraten geïnteresseerd waren in de kracht van voedsel. Veelvraten eten niet omdat zij zich wilden voeden maar omdat zij zich anders toch vervelen. Workoholics werken niet om te presteren maar omdat het hen aan een alternatief ontbreekt. Als workoholics aan het maatschappelijke leven participeren, dan is dat niet dankzij hun ogenschijnlijke ijver, maar bij de gratie van een ander die hun bezigheden in nuttige banen leidt. Immers, voor hetzelfde geld zit een workoholic dag in dag uit te blokken, te kaarten of te gokken, om niet te zeggen dat hij voor hetzelfde geld een álkoholic was. Althans zo lijkt het.
Workoholics ageren in geen andere werkelijkheid dan deze van het spel: zij zijn spelers, wat wil zeggen dat zij niet geven om de gebeurlijke uiteindelijke bestemming van hun activiteit. Een workoholic gaat in zijn werkzaamheid op zoals een slaper opgaat in zijn dromen, en wakker worden is het laatste wat hij wil; dat zijn dromen helemaal gaan aarde aan de dijk zetten, laat hem koud. Maar een workoholic kan tevens een verwoed verzamelaar zijn, een verzamelaar van geld bijvoorbeeld, en die twee spelletjes samen suggereren ineens wél een band met de realiteit. Het lijkt er dan althans op dat de noeste werker doelt op de poen, die immers nodig is om te leven, en dat is zelfbehoud, en gebeurlijk om een gezin te onderhouden, en dat is soortbehoud.
Maar veel vaker werken man en vrouw in symbiose zoals de blinde die de lamme op zijn rug meedraagt, waarbij zij elkaars benen en ogen lenen en dan is meneer bijvoorbeeld workoholic terwijl mevrouw graag centen opspaart. Beiden zijn zij dan verslaafden - de ene werkt zich dol, de andere heeft verzamelwoede - maar de natuur stuurt al wat zij niet laten kunnen door de zuigkracht van de noodzaak. De jongen in het nest houden immers niet met piepen op totdat hun maagjes zijn gevuld, en zo worden ook stuurloze verslavingen uiteindelijk ongewild te baat genomen. Volgens sommigen bestaat er ergens een onzichtbare hand die zelfs de meest deviante bewegingen in racebanen kan leiden. Elke regendruppel belandt weer in de oceaan.
De natuur kent geen afval en dat komt pas aan het licht nu er menselijke beschavingen zijn opgestaan die voor het eerst in de geschiedenis wél afval produceren. Met afval wordt hier bedoeld: de ongewilde bijkomstigheden van onze voortbrengselen die niet tijdig of zelfs helemaal niet meer weggewerkt kunnen worden. Plastics zijn zo'n voorbeeld; plastieken verpakkingen, die weggeworpen worden, die bijvoorbeeld in zee belanden, terechtkomen in de voedselketen en uiteindelijk in de cellen van alle levende wezens op aarde, die zij dan met kanker en met nog veel andere ziekten dreigen uit te roeien.
Uiteraard kunnen vulkanen zolang spuwen totdat de hoeveelheid as in de atmosfeer voor duisternis gaat zorgen zodat de bladgroensynthese ophoudt en alle zuurstof uit de lucht verdwijnt nog vooraleer misoogsten en hongersnood de kans krijgen om mensdom en dierenrijk voorgoed van de kaart te vegen. Maar afgezien van dergelijke grote katastrofen die zich inderdaad ééns in een tijdspanne van enkele honderdduizenden jaren voordoen, kent de natuur geen afval in de betekenis van vergif. De natuur recycleert alles, wat heel letterlijk wil zeggen dat zij alles terug in de cyclus brengt, in de kring dus, waarmee zij samenvalt. En dat toont zich misschien nog het beste in de architectuur van onze boerderijen van weleer: zij lagen middenin de landerijen waarop de gewassen werden geteeld; die werden opgegeten en wat restte na het verteringsproces, belandde op de binnenkoer van het erf op de mesthoop, om vervolgens weer uitgevoerd te worden naar de landerijen en daar als noodzakelijk voedsel voor de gewassen dienst te doen.
Er is de kringloop van het voedsel, er is de kringloop van het water, er is de kringloop van het leven, er zijn beslist talloze kringlopen van even talloze elementen of zaken die eindeloos kunnen worden hersteld, herwonnen of gerecupereerd. Maar blijkbaar kent onze beschaving helaas geen kringloop van de producten die zij zich heeft toegeëigend, zoals de energie, om maar iets te noemen. Energie, zo zeggen de geleerden, die in hun machines geloven - machines waarvan de wetenschap er eentje is - energie kan slechts vervallen tot steeds lagere vormen, totdat uiteindelijk het ganse heelal in de warmtedood vergaat. En kijk maar, zo waarschuwen zij nu in koor: de aarde zelf warmt al gevaarlijk op...
Een mens bevindt zich zoals elk ander levend wezen en zoals elk deeltje stof, altijd middenin allerlei kringlopen waartegen hij zich niet verzetten zal als hij verstandig is. De cel die deel uitmaakt van ergens een stukje van de nieren, doet haar werk zonder te zeuren en zelfs zonder de zin daarvan in vraag te stellen. Als zij daarentegen staken zou, en haar buren volgden haar voorbeeld na, dan kwam het leven van de bezitter van die nieren misschien wel in gevaar, en zo ook het voortbestaan van die ene, stakende cel. Op die manier is het misschien wel het beste dat wij doorgaan met werken, ook al werken wij blindelings, kennen wij de eindbestemming van onze producten niet en begrijpen wij allerminst waarom wij werken. Misschien is blindelings werken wel verkieslijk boven een zogenaamd politiek gestuurde activiteit, en valt er aan workoholics, spaarders en verzamelaars en nog andere 'spelers' die de link van hun spel met de realiteit niet zien, helemaal niets te verwijten. In tegendeel zelfs, zouden zij diegenen zijn die in alle nederigheid hun ding doen zonder zich te laten meeslepen door een grootsheidswaan die met de beste bedoelingen slechts een nimmer in te tomen hellevaart bespoedigt.
(J.B., 9 mei 2010)
02-05-2010
Het kwaad en de dubbele negatie
Het kwaad en de dubbele negatie
Het ware kwaad heeft het bijzonder lugubere kenmerk dat er een gigantisch taboe op rust om het als zodanig te erkennen. Zo bijvoorbeeld jaagt Roman Polanski's Rosemary's baby ons zoveel angst aan omdat de achtervolging door het kwaad noodlottig wordt van zodra elke poging om die te benoemen en vervolgens af te kunnen wenden, als waanzin - 'achtervolgingswaanzin' - van de hand gedaan wordt. Sinds de vroegste beschavingen lopen helden zoals Oedipus, die hun noodlot willen ontvluchten, het alleen maar in de armen.
Het ware kwaad is dàt kwaad dat niet als zodanig benoemd kàn worden: het kwaad zelf legt haar verraders meteen het zwijgen op want elk kwaad heeft het karakter van een al dan niet verkapte samenzwering. Het ware kwaad kan niet als kwaad worden benoemd omdat al wie zich aan die benoeming wagen, zich tevens schuldig maken aan de veroordeling ervan, terwijl al wie het kwaad veroordelen, dit tevens met zichzelf doen omdat niemand helemaal vrij is van het boze. De erfzonde verwijst precies naar het kwaad als kluwen, als infectie, als mega-epidemie die geen mens ontziet. De ene besmet de andere zoals de ene moet zwijgen voor de andere.
Op die manier geraakt ook niemand van het kwaad verlost en moeten allen die het wagen om tegen het boze op te staan, daaraan op hun beurt geofferd worden. Om diezelfde reden zal een messias of iemand die ons allen van het kwaad bevrijden kon, noodzakelijk onschuldig zijn gelijk een lam. Alleen zo immers wordt de boze verschalkt: hij doodt het lam, doet dat gezien de onschuld van het lam volstrekt ten onrechte, en komt zo in het krijt te staan bij al diegenen voor wiens heil het lam optrad. Een oog voor een oog en een tand voor een tand, zo zegt het de wet: bloed in ruil voor bloed.
Het ware kwaad is dat kwaad dat niet bestrijdbaar is - niet omdat het onherkenbaar was, maar wel omdat het niet aan 't licht gebracht kan worden. Wie het kwaad zien, die moeten de ogen er voor sluiten; ofschoon zij ziende zijn, moeten zij zichzelf verblinden. Het kwaad ontneemt ons daarom letterlijk het licht uit de ogen. Ze hebben ogen en ze kunnen niet zien, zo luidt het in de Schrift: ze hebben oren en ze horen niet. Wie het kwaad zien, die worden blind; die het horen, worden doof; die het kwaad verrichten, moeten sterven. Maar tevens kan ook niemand God zien en in leven blijven.
Maar het kwaad bestaat ook bij de gratie van een satanische spiegeling of een verdubbeling die het zodoende een betoverende macht geeft, precies zoals een blik zich in de ogen van een ander spiegelt, ziet, gezien wordt, weet dat z'n 'zien' gezien wordt en zo eindeloos verder. Want de leugen zelf dient zich als waarheid voor te doen en zo liegt zij tweevoudig. Een eerste keer liegt zij door een leugen te vertellen. Maar die leugen maakte uiteraard niet de minste kans op succes indien zij zich niet tevens voor de waarheid zelf uitgaf.
Het kwaad manifesteert zich daarom in de dubbele negatie die wij kennen uit het spel van wiskunde en logica. Edoch terwijl in 't spel de dubbele negatie een ontkenning is welke zichzelf ontkent en aldus opheft, doet zij dat in de ernstige werkelijkheid allerminst. Het kwaad bestaat in de wereld op dezelfde manier waarop de hond er is die zijn tanden in onze kuiten plant, of de kanker die het kind, ofschoon pas in de lente van zijn leven, het leven weer ontneemt. Het kwaad is niet zomaar een tekort aan het goede, zoals de dappere Aurelius Augustinus dat zo graag wilde geloven: het is een realiteit, zo gigantisch als de duivel, die misschien wel een persoon is, trouwens net zoals de Waarheid.
Het ware kwaad verbergt zich omdat het niet verborgen kwaad slechts een vergissing zijn kan of een ziekte, een ongerijmdheid, toe te schrijven aan bijvoorbeeld slaapgebrek, onwetendheid of nog een andere overmacht. Het ware kwaad wéét van zichzelf dat het niet goed is: de leugen weet van zichzelf ook dat ze liegt, de blindheid dat ze niets ziet en de doofheid dat zij nimmer horen kan. En toch verkiest het kwaad de leugen, de blindheid, de doofheid, de onwetendheid, kortom de duisternis boven het licht, omdat het kwaad geen licht verdraagt, geen openbaarheid en geen waarheid. Het licht zou immers die tweede component van 't kwaad zonder welke het niet zijn kan, weg doen smelten. Het zou beletten dat de leugen zich voor waarheid uitgaf, het zou haar aldus ontkrachten. De leugen zou haar kracht verliezen en een farce worden, een grotesk toneel; zij zou haar publiek niet langer bedriegen doch enkel aan het lachen brengen.
Waar de boze heerst, wordt om die reden 't licht geschuwd. Alles wat verduistert en verdonkeremaant, wordt daar gezocht en geprezen met dezelfde intensiteit waarmee hongerigen naar voedsel zoeken. Verdovende middelen maar ook en vooral de verdoving van het spel dat ons de uiterst bedrieglijke indruk geeft dat wij ons aan de werkelijkheid zelf konden onttrekken. De benaming 'hasjasjins' of 'assassijnen' staat zowel voor 'hasjrokers' als voor 'huurdoders' en het Franse 'assassin' betekent ook 'publieke moordenaar': hasj is namelijk een middel dat genoeg verdooft om zonder scrupules te kunnen moorden. Hasj is gedeeltelijk door geld vervangbaar en Stanley Milgram bewees in 1963 dat, als zij dat maar straffeloos konden doen, vier vijfden van alle mensen bereid zijn om anderen te doden met het oog op winst.
Een leven in waarheid zoekt naar voedsel maar verdoving en vergif gaan hand in hand met leugens en met kwaad. Dat het bemachtigen van voedsel om te kunnen leven, afhankelijk werd gemaakt van het bezit van geld, betekent niets minder dan dat de boze zich tussen de mens en zijn God in heeft geplaatst, precies zoals de maan doet als zij de zon verduistert. De duivel eist van de mens zijn tol en hij haalt dat 'recht' uit het bedrog dat hij jegens hem pleegt en dat een soort van 'recht van de sterkste' is, want heerschappijen en machten kunnen meer dan wat in het vermogen van een mens gelegen is. De bevrediging van natuurlijke behoeften werd afhankelijk gemaakt van de eer gebracht aan een keizer, die zich van de natuurlijke middelen welke die behoeften moeten bevredigen, meester heeft gemaakt. Het dankgebed tot God volstaat niet voor een mens die zich wil voeden met de vruchten van de aarde: hij moet eerst knielen voor de heerser van de wereld die zich de schepper waant en die zijn tol eist. De wereldheerser kent zichzelf het recht toe om het leven te ontnemen aan al wie weigert om hem de eer te brengen die alleen aan God toekomt.
Het ware kwaad schuilt hierin dat het niet aan het licht gebracht kan worden: de mens gaat knielen voor de potentaat die immers, als hij dat maar wil, zijn leven kan beëindigen met één zwaai van zijn zwaard. Geen mens kan zich veroorloven om niét te buigen voor Napoleon omdat hij die weerspannigheid met zijn leven zelf bekopen zou. Geen mens is immers opgewassen tegen het geweld van een gans leger omdat het leven zelf zo weerloos is en broos, zoals trouwens alle dingen die van waarde zijn. Het kwaad haalt al zijn macht uit onze afhankelijkheid van het broze leven dat het zó vernietigen kan en zál, als wij de boze tegenstaan. Vandaar de dwang tot samenzwering, waaraan wellicht niemand zonder kleerscheuren ontsnapt. Ook op het verzaken aan het kwaad blijkt een soms hoge prijs te staan; niet-collaborateurs moeten het ontgelden.
Het kwaad verbergt zich op gesofistikeerde manieren; vaak heerst het reeds vooraleer zijn aanwezigheid werd bespeurd. Het maakt zijn entree bijvoorbeeld met de spot die eerst wordt gedreven met mensen met welbepaalde kenmerken waarover zij geen meesterschap hebben. Als men vervolgens de bespotte kenmerken zelf blijkt te vertonen, is men reeds door zichzelf veroordeeld. Bij de vaststelling dat er kwaad opzet in het spel is, heeft het kwaad reeds toegeslagen. De ogen merken het onthoofde lichaam pas op vanuit de onder de guillotine rollende kop. Zo zijn er pubers die hun zwangerschap voor iedereen verborgen houden totdat zij uiteindelijk misschien een ongeluk begaan - tegen zichzelf of tegen hun kind - omdat zij moeten vrezen voor de eigen familie die immers altijd al de spot dreef met dergelijke situaties als zij zich élders voordeden; het kwaad heeft hen immers blind gemaakt en angstig. Om dezelfde reden linken gezagsdragers van de kerk het kindermisbruik binnen het eigen instituut liever aan homofilie zonder meer, dan dat zij zouden moeten toegeven dat sowieso een meerderheid van de celibataire clerus een homofiele aanleg heeft - mensen met een heterofiele aanleg verkiezen immers geheel vanzelfsprekend het huwelijk boven het kloosterleven. Het kwaad is altijd listig.
Het ware kwaad verbergt zich en het kan ook niet ter sprake komen omdat reeds zijn verslaggevers betrokkenen zijn en nimmer vrij te pleiten van partijdigheid. Want wie het kwaad verslaan, die doen onthullingen: zij stropen het boze de kleren van het lijf, terwijl het boze zich kan wreken aangezien er principieel geen mensen bestaan die hun naaktheid niet onttrekken willen aan het (boze) oog. Het kwaad verbergt zich en het onverborgene is het goede, het is het niet bezwaarde, datgene dat niet door een geweten wordt geplaagd. En raken ook hier de uitersten niet aan elkaar?
*
Als gezegd wordt dat iets waar is, dan worden niet één doch twee stellingen geponeerd: de eerste stelling zegt dat iets waar is, maar er is ook nog een tweede, namelijk deze die zegt dat de eerste stelling zelf waar is. Die tweede stelling is niet overbodig: zij moet garanderen dat er niet gelogen wordt, dat diegene die de uitspraken doet, te goeder trouw is. Als iemand zegt dat iets waar is en hij is niét te goeder trouw, dan kan men antwoorden dat wat hij zegt, niet noodzakelijk waar is. Het zou weliswaar zo kunnen zijn dat wat hij zegt, ook klopt, maar als dat zo is, dan is dit zeker niet een gevolg van de goede trouw van de betrokkene; leugenaars verdraaien de waarheid immers niet per definitie doch enkel en alleen wanneer het in hun kraam past. Indien leugenaars de waarheid altijd verdraaiden, dan zou het volstaan dat men wist dat zij logen opdat men ook in staat zou zijn om de waarheid te kennen. Maar vaak kénnen leugenaars de waarheid niet eens ofwel stellen zij er geen belang in: ze zeggen wat hen goed uitkomt en daarmee is de kous ook af.
Als dus gezegd wordt dat iets waar is, dan kan de negatie hiervan op verschillende zaken slaan. Ofwel betekent zij dat het niet waar is dat door iemand gezegd werd dat iets waar is. Ofwel betekent zij dat door iemand gezegd werd dat iets onwaar is. Tenslotte kan zij ook nog betekenen dat men niet wéét of door iemand gezegd werd dat iets waar is. Maar hiermee is echter nog steeds geen uitsluitsel gegeven omtrent het feit of dit alles telkenmale al dan niet door een leugenaar werd gezegd. Van zodra men zich op de zogenaamde meta-niveaus begeeft, bevindt men zich op drijfzand en is het einde zoek.
Voor het kwaad moet men de ogen sluiten, en soms gaat dat zo ver dat van een echte blindheid sprake is. In De nieuwe kleren van de keizer zien alle betrokkenen dingen die er niét zijn omdat zij zich met de leugenaars compromitteerden, en dingen die er wél zijn, zien zij niét. Om dezelfde reden applaudisseren in De avonturen van Tijl Uilenspiegel en Lamme Goedzak, de hovelingen voor een leeg doek. Maar wat ons in de wereld van de kunst soms overduidelijk lijkt, is evengoed daarbuiten aanwezig in het alledaagse en het schijnbaar vanzelfsprekende. Omwille van papieren geld wordt brand gesticht en wordt gemoord. De waarheden worden voortgebracht door wie de toon aangeven, en dat zijn diegenen die men het ergste vrezen moet; zij die geen kwaad doen daarentegen, worden helemaal niet opgemerkt.
Iedereen weet dat, als twee mensen in het bijzijn van een hond met een bal naar elkaar gooien, de hond dan opspringt naar de bal. Spelen zij hetzelfde spel, maar zónder bal, en doen zij dus alsóf ze gooien met een bal, dan blijft de hond opspringen alsof er nog steeds een bal was. De regel luidt: als baasje de bal ziet, dan is die bal er ook en dan zal de hond daar naar handelen of hem ook zien. En uit het feit dat ook honden zich aan die regel houden, blijkt dat hij in het kuddebeest zit ingebakken: kuddegeest is geen cultuurproduct maar een primitieve, dierlijke wet, zoals ook die van het zelfbehoud.
Kuddegeest houdt niet op bij een oppervlakkige en ondoordachte volgzaamheid. Zoals blijkt uit proeven waarin ook dieren worden betrokken, blijkt het volgzame individu niet eens in staat om de realiteit waar te nemen zoals die is: de kuddemens heeft een leider nodig om die waarnemingen in zijn plaats te doen. De kuddemens kan niet vaststellen of het regent, hij wacht totdat een daartoe bevoegd individu een oordeel velt en hij handelt dan volgens dat oordeel van die ander. Maar als reeds op het vlak van zogenaamd louter objectieve waarnemingen, de zaken zo onbeslist blijken te zijn, hoeveel te meer zal dat dan niet het geval zijn inzake bijvoorbeeld morele waarnemingen en oordelen die immers ver van de direct zintuiglijke waarnemingen af staan.
Of iets al dan niet moreel goed is, kan worden uitgemaakt door het geweten, zo zegt men. Maar in de vergelijkende cultuurwetenschap wordt aangetoond dat het geweten gevormd wordt door de cultuur waarvan men deel uitmaakt: het geweten blijkt het geheel van de geïnterioriseerde leefregels uit de cultuur. De oordelen waarvan wij dachten dat ze afkomstig waren uit het diepste van onze ziel en die wij toeschreven aan de faculteit van ons geweten, blijken wetten waaraan wij ons hebben onderworpen onder aanhoudende sociale druk.
Als de leider van een groep, 'goed' is in moreel opzicht, dan zal in principe ook de ganse groep die toch zijn voorbeeld volgt, goed zijn. Maar is de leider van een groep een 'boze', dan zal zijn voorbeeld ook zijn volgelingen besmetten. Edoch, het moet nu duidelijk wezen dat deze stellingen heel gammel dreigen te worden in het licht van de reeds gedane vaststellingen: een boze leider met boze wetten zou het zogenaamde goede via de pervertering van de normen, eveneens perverteren: kan goed, kwaad worden en omgekeerd? Of bestaat er alsnog een objectiviteit welke verbiedt dat de wet van de dubbele negatie uit de logica ook in de werkelijkheid van toepassing kan zijn? Verbiedt het kwaad met andere woorden dan niet zichzelf?
In de logica slaat de dubbele negatie echt nergens op, aangezien aldaar alle uitspraken a priori gedesubjectiveerd werden, wat wil zeggen: ontdaan van diegene die ze doet. De logicus doet immers alsof uitspraken een bestaan hadden op zichzelf: dat ware uiteraard nonsens, maar de logicus blijkt nu eenmaal blind voor deze vanzelfsprekendheid. Van op zichzelf staande oordelen kon men probleemloos de negatie maken - "Het regent" werd dan zonder meer "het regent niet". Maar van zodra men ook diegene die de uitspraak doet, in acht moet nemen, blijkt men met tenminste twee waarheidsniveaus geconfronteerd te worden. Neemt men die in rekening, dan gaat het immers om een uitspraak welke expliciet luidt dat Jan zegt dat het regent, en de ontkenning daarvan luidt niet dat Jan zegt dat het niet regent, maar wel dat Jan niet zegt dat het regent, en dat is iets heel anders. De negatie van de uitspraak "het regent" is met andere woorden de uitspraak dat we helemaal niet wéten of het al dan niet regent. Immers, niemand blijkt uitsluitsel te hebben gegeven over het feit of het al dan niet regent, en we hebben er dus het raden naar. Maar in geen geval kunnen we besluiten dat de ontkenning zou betekenen dat het niét regende. De logica is simplistisch, ze is een spel en ze heeft uit zichzelf geen enkele band met de werkelijkheid, precies omdat het subject dat de uitspraken met de werkelijkheid verbindt, ontbreekt.
Ook in het kwaad verbergt zich uitgerekend dit subject dat hetzij waarheid spreekt, hetzij liegt. De leugen kan gedijen bij de gratie van de onzichtbaarheid van de leugenaar. Valt zijn verkapping weg, dan wordt de leugen krachteloos, want zij verandert in een grap. Het beste verbergt zich het subject nog in de kudde, in het napraten van wat een leider voorzegt, in het blinde navolgen van een norm welke als heilzaam of als alleenzaligmakend voorgehouden wordt. De hypocrisie van het kwaad openbaart zich in de goddeloosheid die in de verkrachting van de waarheid schuilgaat: in het lelijke toneel waarin de spelers voorhouden de waarheid te proclameren, terwijl zij slechts de machthebber napraten teneinde zichzelf veilig te stellen. Desnoods doen zij dat op de koop toe ten koste van mensen die zich met het eigen bloed borg stellen voor de waarheid, of voor God, wat sinds oudsher het martelaarschap wordt genoemd. Het goede kan immers in deze wereld niet overleven zonder de losprijs van het bloed dat de boze sinds oudsher opeist. Het christendom is daarom een bijzonder bloederige en in zekere zin ook bloeddorstige religie waartoe niet alleen zaken zoals het lijden en de dood behoren maar ook het vampirisme, het martelaarschap en het kannibalisme. Het christendom is immers een bijzonder organische religie, in die zin dat zij mens en God, precies zoals moeder en kind, met levend bloed en vlees verbindt.
De levende band, het leven zelf en het organische, ontbreken nu volkomen in het kwaad. Het kwaad gedijt zoals gezegd bij de gratie van een subjectloosheid welke de dubbele negatie een satanisch spel kan laten spelen dat de werkelijkheid verwringt. Het kwaad zal noodgedwongen het leven door namaak vervangen, zoals het ook God vervangt door de mammon: het spontane spel van de natuurlijke geboden en verboden welke ontspruiten aan de noodzaak, wordt opgeblazen en vervangen door een regelgeving of een wetboek, ontsproten aan het verstand van een of andere potentaat, of misschien veeleer aan diens onverstand. Een zielloze machine acht zich de meerdere van een levend organisme en de machine legt het organisme wetten op, ze houdt het in de ban. De golem overheerst zijn schepper, de mens wordt door zijn instrumenten in gebruik genomen, middel en doel worden onderling verwisseld en zo worden tevens alle waarden in diezelfde beweging geperverteerd.
Niet langer zijn nood bepaalt waarop iemand recht heeft, maar wel zijn bezit, hoe paradoxaal het ook klinkt: bezit geeft recht op nog meer bezit; nood kan slechts leiden tot nog meer nood. Zo zal de hongerige, zijn hoge nood ten spijt, spijs en drank moeten derven, vaak tot de dood volgt, terwijl de rijke, ofschoon die geen enkele nood heeft aan voedsel of aan drank, het recht krijgt om het voedsel in te palmen (en als hij dat wenst zelfs te vernietigen) - het voedsel dat de noodlijdende in leven houden kon. Het ontbreken van het levende en het organische leidt ertoe dat de nood niet langer wordt gelenigd, doch recht naar de dood van de noodlijdende leidt. Aan de hongerige wordt het goede voedsel onthouden, en wie verzadigd zijn, verbrassen wat toekwam aan de doden. Het natuurlijke signaal van de noodlijdende wordt niet langer beantwoord door het natuurlijke medelijden, maar het ontlokt aan de geperverteerden van de huidige heersende cultuur, een afkeer in plaats van een empathie, terwijl spilzucht en verbrassing niet langer de afkeer wekken maar daarentegen een vreemd soort van aantrekkingskracht uitoefenen. Maar het is een aantrekkingskracht die na een grondige analyse een verkapte vorm van jaloezie blijkt te zijn. In een systeem dat geënt is op de hebzucht en op het egoïsme, manifesteert men zich tenslotte niet anders dan middels een maximaal verteer.
Op die wijze is het kwaad ook uitermate destructief, en die vernietigingskracht kan dit keer niet meer worden ingetoomd omdat elke organische feedback ontbreekt: op de hebzucht staat geen grens, de hebzuchtige bezit nooit genoeg en derhalve kunnen de wedstrijden waarbij men om het meest verteert, nooit een halt worden toegeroepen. De fuif van de ene kost duizend euro, een volgende overtroeft hem met een fuif van tweeduizend euro en een derde ziet zich genoodzaakt om weer een groter bedrag uit te geven want in een wereld van hebzucht en concurrentie is verliezen taboe. De illusie van het onbeperkte en het oneindige volgt uit de onverzadigbaarheid die eigen is aan de illusies of de leugens die de zuchten of de zonden tenslotte zijn. Zij nemen van bij het prilste begin de mens op sleeptouw, niet naar een of andere hoge bestemming, doch steeds verder weg van zijn doel, dat ten slotte sowieso in een of andere vorm van bevrediging ligt. Bevredigd kunnen de zuchten immers niet worden: zuchten zorgen voor steeds grotere hiaten en het jojo-effect dat ze op gang brengen, gaat door totdat het organisme, dat verondersteld wordt om dit alles maar te kunnen blijven dragen, crasht. Het organisme van het individu, het organisme van de mensheid, het organisme van het levende en het organisme van de totaliteit. Het kwaad vernietigt en blijkbaar houdt het met deze werkzaamheid niet op zolang er nog dingen recht staan.
Vergat men dan dat het goede niet vanzelfsprekend is, dat het gemaakt moet worden en dat het grote en blijvende inspanningen vraagt om het in stand te houden?
(J.B., 2 mei 2010)
*
17-04-2010
Stof en as
Stof en as
"De vierde engel blies op zijn bazuin. Een derde deel van de zon, van de maan en van de sterren werd getroffen, waardoor dat deel verduisterd werd. Een derde deel van de dag en ook van de nacht was er dus geen licht."
(Openbaring 8,12)
In de oudste tijden, lang nog voordat de uilen spraken, ging in de darmen van de aarde, de aarde zelf aan het koken: de stenen smolten tot een hete brij. De brij kolkte en omdat de aarde haar eigen brouwsel niet meer kon inhouden, spuwde zij het uit door vele monden, hemelwaarts. Maar ook de hemelen weigerden het spuwsel en het viel weer neer: gloeiende lava overdekte de aarde, stroomde, stolde en vormde bergen. Op één van die bergen - Vesuvius, nabij Napels - zetten zich per schip voorbijtrekkende Osken en daarna ook Etrusken neer en zij stichtten Pompeï, een stad bestemd voor de eeuwigheid.
Dat gebeurde omstreeks 700 jaar voor Christus. Pompeï groeide zeven eeuwen lang totdat in 79 na Christus de Vesuvius weer in barensnood verkeerde. De kleine Plinius, een neef van de geleerde Plinius, was ooggetuige en beschreef de ramp. (1)
Uitgerekend daags na de feestdag van Vulcanus (in het Grieks: Hephaistos; bij het Etrusken: Sethklans), de god van het vuur aan wie de vulkaan zijn naam ontleent, en dat was op 24 augustus van het jaar 79 om één uur 's middags, vestigde de moeder van Plinius' oomzegger in de haven van Misenum waar Plinius commandant was van de vloot, zijn aandacht op een grote wolk in de gedaante van een parasolpijnboom, die verscheen boven het gebergte van Pompeï. Hij wilde het verschijnsel bestuderen, toen hij net een brief ontving met een dringende vraag om hulp vanwege Rectina, de vrouw van ene Cascus, die op die onheilspellende plaats verbleef en die nog slechts via de zee weg kon van daar.
Oom Plinius liet zijn onderzoek voor wat het was en stak van wal met grote schepen richting Pompeï, om er de noodlijdenden te redden. Hete as viel neer op de schepen die de haven naderden welke moeilijk bereikbaar leek en zij zetten koers naar Stabiae waar Plinius' vriend Pomponianus woonde. Plinius trachtte de bange Pomponianus gerust te stellen terwijl grote vuurzeeën verrezen tegen de nachtlucht welke hij toeschreef aan brandende villa's. Maar terwijl Plinius sliep, viel er zoveel as dat men hem moest wekken om weg te vluchten en men moest kussens vastbinden op het hoofd tegen de vallende puimstenen. De aarde beefde en op die plaats wilde het geen dag worden. Een felle tegenwind maakte de afvaart onmogelijk en oom Plinius, die al aan asthma leed, werd in zijn slaap door de zwarte rook bevangen en stierf.
Intussen was de neef van wijlen de geleerde Plinius in Misenum gebleven met zijn moeder, en daar waren al dagen lang ongewoon zware aardschokken. Die bewuste ochtend noopte instortingsgevaar hen de stad te verlaten. Ze vertrokken en werden gevolgd door een grote menigte. De zee trok zich terug, het ongewoon brede strand lag vol met zeedieren. Over de zee zag men het licht van vuur en lava in de duisternis. Alras verdween Misenum in een rode wolk. Er viel as en een zwarte nevel doemde op achter de grote vluchtende mensenzee. Het werd pikdonker, weeklachten weerklonken, sommigen dachten dat het einde van de wereld aanbrak en dat het nooit meer dag zou worden. Er viel meer as. Later verscheen uiteindelijk een loodkleurige zon. Bij de terugkeer huiswaarts - naar Misenum - leek alles met grauwe sneeuw overdekt.
Vulkanen houden er blijkbaar van hun feestdag te vieren: op 27 augustus van het jaar 1883, barstte de Krakatau uit, een vulkaan in de zee-engte tussen Java en Sumatra, en dit veroorzaakte een klap die zelfs 600 km verderop te horen was. De vorige uitbarsting dateerde van 535, en uit beschrijvingen daarvan blijkt dat die zo groot was dat ze het toenmalige Indonesische eiland in twee deelde, waardoor Java en Sumatra ontstonden. Maar ook uit de uitbarsting uit 1883 ontstonden nieuwe eilandjes. We hebben daar beschrijvingen van in onze eigen taal omdat toentertijd de streek door de Nederlanders gekoloniseerd werd. Uit de ooggetuigeverslagen blijkt de immensiteit van de uitbarsting, welke gevolgd werd door een tsunami die nog veel krachtiger blijkt dan deze die in 2004 aan bijna 300.000 mensen het leven kostte.
Bij de uitbarsting van de Krakatau in 1883 viel er bijzonder veel puin, en de beschrijvingen van neerkomende gloeiende asse, doen aan de ramp van Pompeï denken. Het begon al in mei en van het anders zo prachtige, groene eiland, bleef algauw slechts een verbrande berg over, geheel ontbladerd en grauw...
"Toen kwam de uitbarsting van 26 Augustus, zoo ontzettend in haar verschrikkelijke gevolgen. De slachtoffers kunnen bij tien duizenden geteld worden, en de materieele schade is zoo groot, dat zelfs een benaderende schatting nog niet gemaakt kan worden. Alleen in het district Bantam zijn 21.538 personen omgekomen of vermist, terwijl de schade op ruim 6 millioen gulden wordt geschat." (2)
's Maandags trad de duisternis in, viel er as uit de hemel en werd het koud. De as viel tot in Cherbon, op 85 uur van de vulkaan vandaan. Alras bleek dat de uitbarsting een ramp was, vooral ook door de daarop volgende tsunami die in de straat van Java 12 tot 27 meter hoge vloedgolven veroorzaakte, Te Batavia rees de zee 5 meter, en de golf plantte zich voort tot op de Afrikaanse en de Amerikaanse kusten. Ganse dorpen werden weggevaagd, koraaleilanden opgetild en kilometers landinwaarts weer neergezet, duizenden lijken en kadavers verwekten een vreselijke stank. En ook waren er hemeltergende taferelen:
"Een moeder is met levensgevaar met haar kind, een knaapje van een jaar of drie, aan den vloed ontkomen. Zij drukt het krampachtig aan haar hart, terwijl zij radeloos haar man in zijn pogingen, om iets van zijn have te behouden, voor haar oogen met het woedende element ziet worstelen, en eindelijk in den poel reddeloos ziet verzinken. Ten minste is mijn lieveling gered, denkt de moeder; maar als zij het kussen wil, bemerkt zij, dat zij het in haar angst heeft doodgedrukt." (3)
Bij de historische uitbarsting in 1669 van de Siciliaanse Etna (na de Stromboli de actiefste vulkaan van Europa en met zijn 3323 meter tevens de op één na de hoogste van Europa), stroomde de lava tot in de stad Catania.
Op de scheur tussen de Amerikaanse en de Europees-Afrikaanse tectonische plaat, ligt IJsland, een vulkanisch eiland overdekt met 60 miljoen jaar oude gesteenten. Het 'maanlandschap' aldaar getuigt ervan dat het eiland in feite één grote vulkaan is: geen groen op IJsland, wel warmwaterbronnen, de zogenaamde geisers, gletsjers, besneeuwde bergtoppen, watervallen en... actieve vulkanen.
De vulkanen op IJsland zijn van het langdurig spuwende type, wat wil zeggen dat zij maanden en soms jaren aan een stuk actief kunnen blijven, en in het verleden barstten zij vaker gezamenlijk uit. Bij de uitbarsting van de Laki in 1783 overdekte de lava een oppervlakte van meer dan 500 vierkante kilometer en de gassen en de zure regen, die zelfs de huid irriteerde, maakten IJsland steriel en er kwam hongersnood: een vierde van alle IJslanders stierven, 10.000 mensen in totaal, alsook een groot deel van het vee. In Engeland kwamen 23.000 mensen om.
IJsland is één grote vulkaan met meer dan honderd kraters, onophoudelijk spuiten geisers alom hete waterdamp de lucht in en vullen zich daar waterbekkens, ganse meren, met warm water. Na een rust van 187 jaar, is de Eyjafjallajökull op 20 maart laatst leden weer actief geworden en er valt weinig goeds te voorspellen, wetende dat zijn vorige uitbarsting, in 1821, zomaar eventjes 13 maanden aanhield. Bovendien is de kans volgens sommige geologen vrij groot dat deze vulkaan ook zijn buur zal aansteken... die zowat tien keer krachtiger is.
In één dag tijd - van 14 tot 15 april 2010 - vormde zich boven de Eyjafjallajökull [eigenlijk de Guðnasteinn (*)] een aswolk met de oppervlakte van Engeland (ongeveer 130.000 vierkante kilometer). Wetende dat het aardoppervlak (land én zee) zo'n 500 miljoen vierkante kilometer bedraagt, volstaat het althans in theorie dat onze vulkaan 10 jaar ononderbroken rook uitblaast opdat het overal pikkedonker zou worden. Maar voor zijn buur, die immers tien keer krachtiger is, ware één jaar ruimschoots voldoende om de eeuwige duisternis te bewerkstelligen.
"Hij opende die put, waaruit rook opsteeg als uit een grote oven. De zon en de hemel werden verduisterd door de rook uit de put." (Openbaring 9,2 - NBG 2004/2007).
(J.B., 17.04.2010)
Noten:
(1) De ooggetuige Plinius Minor beschreef de uitbarsting op vraag van de geschiedschrijver Tacitus, die wilde weten hoe Plinius (Minor) zijn oom, die een geleerde was, omkwam, samen met tallozen in meerdere omliggende steden (Plinius Minor, Epistula VI 16), en ook wilde hij weten hoe Plinius Minor zelf die periode doorstond (Plinius Minor, Epistula VI 20). Een versie van de tekst van deze brieven, vertaald naar het Nederlands, vindt men hier: http://satura-lanx.telenet.be/Vita%20Romana/04_Vita%20Romana_Pompei/04_2C.htm .
Een tweede bedenking naar aanleiding van het artikel
Een tweede bedenking naar aanleiding van het artikel "De islam en de hoofddoek in België" van Etienne Vermeersch (°)
Als scholieren de hoofddoek onder dwang dragen, dan zal een wettelijk verbod hen tegen die dwang beschermen, zo argumenteert Vermeersch. Edoch, als hier géén dwang in het spel is, dan is zo'n verbod een ongeoorloofde vrijheidsberoving.
Analoog ligt de nadruk op discretie ("'low profile' inzake het continu publiek uiten van de eigen opinies"), omwille van de rechtvaardigheid ("Opdat alle opinies en gevoeligheden in dezelfde mate aan bod zouden komen (...)"), maar zodoende gaat de gevierde 'neutraliteit' ook naar oppressie neigen, daar blijkt dat zij slechts kan overleven als zij haar "alles mag" van weleer, nu bereid is te vervangen door het "niets mag".
Het is duidelijk dat die 'neutraliteit' zich in die groteske 'gedaanteverandering' feitelijk ontdoet van de redelijkheid zelf waarvan zij oorspronkelijk beweerde een kind te zijn. Of kan het recht dan zegevieren waar iedereen moet zwijgen? Schept de stilte dan gelijkheid? Dit lijkt meer op een gesofisticeerde variant van een allang aan de gang zijnde struisvogelpolitiek.
Het is bevreemdend dat uitgerekend de voorstanders van de open debatcultuur het "gewenst [achten] dat geen enkele opinie op een bijzondere wijze in de kijker loopt" en dat zij aldus confrontaties vermijden die tot discussies zouden kunnen leiden.
In wezen duikt ook hier de door sommigen gezochte neutraliteit op als een hersenschim ontsprongen aan het naïef realisme van een reductionistisch wereldbeeld dat de zelfreferentieproblematiek miskent en de onmogelijkheid van een uit de menselijke machtswil geboren objectivisme. Het wetenschappelijk experiment als basis voor de ware theorie berust hoe dan ook op parameters die uiteindelijk naar onze zintuigen verwijzen, terwijl perceptie op haar beurt mede door de theorie bepaald wordt. Bovendien kunnen waarden nooit in termen van waarheden worden uitgedrukt, terwijl het omgekeerde noodzakelijk is: de keuze voor een maatstaf waarmee waarheid wordt gemeten is per definitie een waardering; waarheid is een specifieke waarde maar niet andersom.
Naar aanleiding van het artikel "De islam en de hoofddoek in België" van Etienne Vermeersch (°)
De wijze waarop dieren hun territoria afbakenen is afhankelijk van de soort en bij de mens is dat een complexe zaak geworden. Sommigen zien zelfs in de dracht van welbepaalde kledingstukken door vrouwen, een vorm van culturele territoriumafbakening gepleegd door mannen, middels hun vrouwen. Wrevel ontstaat uiteraard van zodra argwaan rijst over een mogelijke tekenwaarde van klederdracht, heel eenvoudig omdat zij dan kan worden beschouwd als provocatie, invasie of oorlogsverklaring onder de dekmantel van onschuldige kledij.
Maar provocatie dient dubbelzinnig te zijn, wil zij maximale efficiëntie hebben: zij wacht op uitgerekend die interpretatie van de tegenstander die hem medeplichtig maakt aan het uitbreken van het conflict, in de wetenschap dat het kwaad, evenmin als het teken, op zichzelf bestaat. Het kwaad zetelt immers niet (exclusief) in het beeld, maar (ook) in het oog van de toeschouwer en evenzo wordt een kledingstuk, of eender wat, pas door de synergie met een eventueel uit te lokken interpretatie, een teken. Waar de waarnemer niet meewerkt, ontbreekt het vuur waarop de olie wordt gegoten en missen aanstokers of aanstekers onherroepelijk doel.
In dat laatste geval zal bijvoorbeeld een bepaalde klederdracht oppervlakkig worden nagebootst door lieden die van de eventueel onderliggende lading, tekenwaarde of cultuur geen benul hebben. Alleen al door mode te worden, kunnen die zaken hun tekenwaarde spontaan verliezen omdat zij ophouden een discriminerende kracht uit te oefenen: zij kleden dan om het even wie aan. Derhalve zou een verbod op de dracht van de kledij in kwestie, de impliciete beschuldiging inhouden aan het adres van diegenen voor wie zij een tekenwaarde had, dat ze die kledij monopoliseerden, wat dan inhield dat zij de dracht ervan aan anderen zouden verbieden. Dat is het geval met bijvoorbeeld politie-uniformen en eretekens, maar niet met hoeden, sjaals of sokken die immers dienen als beschutting tegen kou en wind.
Er bestaat gelukkig nog altijd geen auteursrecht op kledij, omdat kledingstukken niet in de eerste plaats woorden zijn en omdat zij daartoe ook niet mogen worden herleid: al wie dat nodig hebben, moeten zich onbelemmerd kunnen kleden. Kledij kan pas maatschappelijk worden verplicht waar het ontbreken ervan de maatschappij kon ontordenen, en pas om diezelfde reden mag zij ook worden verboden. Waar mensen aan het dragen van bijvoorbeeld schoenen specifieke culturele connotaties vastknopen, is dat hun eigen zaak, en ze zijn geheel vrij om dat te doen zolang zij anderen maar niet verplichten om blootvoets te gaan lopen. Anders krijgen we alras absurde toestanden zoals onlangs nog in de zaak van de zogenaamde "omstreden borstnummers" voor voetbalspelers: nummers die wel eens aan de initialen van bijvoorbeeld Adolf Hitler konden herinneren, stel je voor! En men hoeft geen wiskundige te zijn om in te kunnen zien dat dit een straatje zonder einde is.
Vertonen velen onder ons dan niet de neiging om de wereld te vervangen door het internet ofwel door nog een andere fictieve constructie? Komt het leven van sommigen niet in functie te staan van het foto-album of de video? Primeren de afbeeldingen niet op de mensen zelf welke zij afbeelden zodat het leven plaats moet maken voor het acteren of voor de pose? En waarom dan? Waarom laten sinds oudsher farao's, koningen, keizers en pausen zich beeldhouwen ten voeten uit of schilderen en portretteren?
Een paus die zich naar buiten begeeft, moet op zijn kleren letten, op zijn hoed, zijn kraag en op zijn ganse houding, op zijn woorden ook, want elk van zijn stappen wordt nauwkeurig vastgelegd, elk gesproken woord gewogen en van commentaar voorzien, geen van zijn blikken ontsnapt aan die van talloze miljoenen. Alles wat hij doet, is toneel; zijn bestaan lijkt herleid tot de materiële schijn daarvan.
Schrijvers transformeren zichzelf in lettertekens, zinnen, paragrafen, hoofdstukken en boeken: zij leven niet meer echt, alsof ze het licht van de zon en de wind die met de takken speelt, misprezen. Tekenaars en beeldhouwers zetten al hun bewegingen om in beelden, componisten maken van hun allerlaatste ademteugen klanken en acteurs verwisselen het eigen bloed voor rollen onder de spots op scène of op het witte doek. Daartoe ook dient een mens, zo leggen zij geduldig uit: om zichzelf te transformeren middels die processen of ook middels zijn arbeid, want enkel zo kan men zichzelf verheffen, aan de anderen ten geschenke geven maar vooral voortleven als het einde is gekomen.
Op dat voortleven na de dood richt zich alle aandacht, alsof dit bestaan onecht was, voorlopig en een spel. Het begint pas op het ogenblik dat het definitief beëindigd werd, zo geloven velen terwijl het nog aan de gang is, en daarom laten zij zich afbeelden in steen, op doek, op video, ofwel veranderen zij zichzelf met noeste arbeid in een geheel van lettertekens, vormen, klanken die de tijd trotseren.
Een exponent van deze dan toch ontegenzeggelijke manie waarin men alles wil omvormen tot iets dat de zaak zelf overleeft, een essentie die het omhulsel te boven gaat, een ziel, een distillaat, vindt men in Het parfum van Patrick Süskind (1), waarin een gek de ziel der dingen identificeert met slechts hun geuren: als hij die geur eerst uit de dingen haalt, zijn ze voorgoed gered; hun omhulsel wordt dan bijzaak.
Want in de optiek van de moordenaar uit de genoemde roman, worden zijn slachtoffers niet vermoord doch gered. Al wie onwetend blijven omtrent die ultieme 'waarheid' - dat onze ziel samenvalt met onze lichaamsgeur - zullen nooit in staat zijn om de edelste bedoelingen en handelingen te begrijpen: zij zien een moordenaar waar een messias aan het werk is, iemand die het leven in een elixir voorgoed bewaren wil en aan de zo vergankelijke stof onttrekt.
Maar streven wij allen niet wezenlijk hetzelfde na als wij de dingen identificeren met, bijvoorbeeld, alleen maar hun vorm, en als wij aldus geloven mensen te vereeuwigen door afgietsels van hen te maken? Afgietsels van hun lichaam, van hun genen en zelfs van hun geest? Want waarom anders leren wij afbeeldingen te maken, beschrijvingen en reportages? Waarom neigen we ertoe om het levenloos geschreven woord zoveel hoger te achten dan de gesproken taal en dan het leven zelf, zoals dat bij uitstek blijkt uit de veronachtzaming van de rechten der papierlozen? Waarom anders werken wij, elk op zijn wijze en met zijn eigen talenten, dan om onszelf tot de vermeende essentie te herleiden?
In de wereld van Süskind's moordenaar is die essentie niets dan geur. Een krankzinnige en verfoeilijke kijk, kortzichtig, ziek en misdadig - zo oordeelt elk van ons onmiddellijk. Maar wat dan wordt in onze huidige wereld als de essentie der dingen aanzien? Wat is datgene waartoe elkeen wordt herleid en waartoe men ook elkaar herleidt, klaarblijkelijk geheel vanzelfsprekend? Wat is het distillaat waarin alles en iedereen wordt omgezet? Wat anders dan... geld?
(J.B., 11 maart 2010)
Noten:
(1) Patrick Süskind, Das Parfum, 1985.
10-03-2010
De massa en de mensheid
De massa en de mensheid
Mao zei dat de macht komt uit de loop van een geweer en als dat klopt, is macht te danken aan geweld of aan de dreiging daarvan. Dat is dan zo omdat het leven uiterst kwetsbaar is: het vraagt miljoenen jaren van ontwikkeling om een levend wezen en uiteindelijk ook een mens ter wereld te brengen, maar al wie of wat leeft, is van vlees en bloed; een simpele slag van een stok, kan doden. Ons leven hangt af van toevalligheden, gunsten en genaden; het is onzeker en in de regel nooit vrij van dreigingen.
Wie macht wil uitoefenen over een ander, kan dit doen door die ander schrik aan te jagen, en dat weet elkeen reeds uit de ervaringen van zijn kindertijd. Wat echter niet zo makkelijk tot het besef doordringt, is dat het meest efficiënte voorwerp van de angst, de angstige zelf is: macht over anderen wordt vooràl bereikt door die anderen bang te maken... voor zichzelf.
Het klinkt paradoxaal maar het is allerminst een tegenspraak: pas als iemand een ander bang kan maken voor zichzelf, kan hij bij die ander de vertrouwenspositie inpalmen die voordien natuurlijkerwijze aan diens eigen persoon toekwam. In wat andere bewoordingen gaat de ander dan zichzelf wantrouwen omdat hij zichzelf is gaan vrezen. Voortaan zal hij dan niet langer bij zichzelf te rade gaan, maar wel bij de indringer die hem belooft hem te zullen beschermen tegen zijn eigen zelf waarin hij immers niet langer kan vertrouwen omdat die indringer het in discrediet bracht. Zodoende dringt die indringer binnen tot in de kern van de persoonlijkheid van zijn slachtoffer, waar hij zonder enige tegenstand het roer overneemt.
De hellepreken uit de kerk zijn mooie voorbeelden van hoe macht op de beschreven manier verworven wordt. Een in een kerkgebouw verzamelde mensenmassa krijgt een donderpreek te horen, bij voorkeur over sex. Het argument ten spijt dat zonder sex binnen de kortste keren alle leven van de aardbol zou verdwijnen, weet de prediker de massa zodanig met woorden te bewerken, dat niemand eraan denkt te protesteren als de 'herder' sex gelijkstelt aan doodzonde.
De prediker valt de natuur van de mens zelf aan. Wat zeg ik? Hij valt de natuur van het leven als zodanig aan, doet het leven twijfelen aan zichzelf en zo ook alle gelovigen. Meteen benut hij ook nog eens de kuddegeest die protest - vanwege de enkeling - bijzonder bemoeilijkt en feitelijk onmogelijk maakt.
Op die wijze wordt de massa gedwongen tot zelfverraad: in het openbaar veroordeelt de prediker hen allen, en allen houden ze hun mond, waardoor zij op hun beurt openlijk zichzelf veroordelen. Voortaan zal wie weerstand durft te bieden aan die openbare 'uitspraak', door de massa zelf op passende wijze worden bestraft.
Het inpalmen van een ander is weliswaar onmogelijk als die ander niet eerst zichzelf verraadt. Maar van zodra hij dat doet, is hij uiteraard verloren. Het ondermijnen van de persoonlijke autonomie is dan ook de eerste en de belangrijkste taak van de machtswellusteling.
Het zelfverraad nu, wordt in de hand gewerkt door, enerzijds, de kuddegeest en, anderzijds, de massamanipulatie van de machtswellusteling. Teneinde aan het zelfverraad te kunnen ontsnappen, moet men derhalve aan de kuddegeest kunnen weerstaan. Aangezien nu de kudde gestuurd wordt door de machtswellusteling, moet al wie aan de kuddegeest effectief wil kunnen weerstaan, eerst kennis hebben van de middelen waarmee de machtswellusteling de kudde manipuleert en, vervolgens, in staat zijn om daartegen in het geweer te komen en, meer bepaald, met bétere middelen.
Meestal verloopt het verwerven van macht relatief gemakkelijk als vooraf diegene die op macht aast, de durf heeft om naar voren te treden en het woord te nemen, of zich als gezagsvol leider te profileren. In de praktijk wordt aan de opbouw van iemands gezag door machtige instituten gedurende vele jaren, zoniet eeuwen, gewerkt. Maar dat iemands gezag feitelijk al van lang voor zijn geboorte wordt gevormd, betekent meteen dat deze gezagvoerder niet het eigen gezag voert, doch dat van wéér een ander. Zo dankt een pastoor zijn gezag aan een kerk die zijn eigen leeftijd met bijvoorbeeld tweeduizend jaar overschrijdt; het gezag dat de pastoor uitoefent, is derhalve niet het zijne, het behoort toe aan het instituut waarvan hij een gewillig instrument geworden is.
Instituten regeren enkelingen en de macht die via hen over massa's mensen uitgeoefend wordt, wordt niet langer door mensen uitgeoefend doch door instituten. Instituten worden door mensen bemand, maar het zijn zelf geen mensen. Instellingen zijn oorspronkelijk bedoeld als middelen voor mensen, maar omdat die middelen de mensen over het hoofd zijn gegroeid, zijn ze de mensen zelf gaan beheersen, en dat is dan het aloude verhaal van de golem: de dienaar die zijn meester naar zijn hand zet. Instituten zijn klonters van reglementen en regels, geboden en verboden, echter niet gesproken door een persoonlijke mond, maar gefabriceerd door lieden die zich middels hun golem willen 'opwerken'. De golem is iets dat eruit ziet zoals een persoon, maar het is dat allerminst. De golem is een marjonet die gemanipuleerd wordt door een samenzwering van lieden die op de massa pogen te parasiteren. Samenzweringen zijn geen personen en ze overtreffen het persoonlijke ook niet, omdat zij ageren zoals bendes dat doen. Het zijn 'kleine' bendes die de meer omvangrijke en logge bendes - de massa's - beheersen. Personen hebben in dit spel volstrekt geen plaats, zij worden uitgerangeerd.
Mensen zijn kwetsbaar en daarom ook onzeker. Potentaten maken hiervan misbruik: ze doen mensen aan zichzelf twijfelen, ze maken mensen bang voor zichzelf, en zo zorgen ze ervoor dat mensen het eigen oordeel opschorten en voortaan bij de potentaten te rade gaan. Op die wijze besturen machthebbers de massa, en ook zijzelf gaan samenscholen zodat ze in bende opereren, wat wil zeggen: geheel onpersoonlijk. Aldus regeren kerkvorsten gelovigen en politici burgers, maar zo ook ontnemen zogenaamde 'pedagogen' de natuurlijke moeders en vaders hun taak en hetzelfde doen allerlei anderssoortige 'wetenschappers', die zoals elkeen weet de hogepriesters zijn van de nieuwe tijd. Mensen verliezen hun autonomie, zij worden afhankelijk gemaakt en vervolgens tot slaaf van systemen of tot onderdeel van machinaties die hen niet ontzien.
Op de valreep van de totale overgave van de mens aan de onmens - 'het systeem' - werd aan de alarmbel getrokken door filosofen, kunstenaars en andere revolutionairen: de dreiging van bijvoorbeeld George Orwell's Big brother uit zijn 1984 werd zo reëel, dat bewegingen ontstonden die een heel andere koers wilden varen, richting meer autonomie. Die koers werd uiteraard bijzonder bedreigend geacht door en voor machthebbers, die immers bij de gratie van de heteronomie van de massamens bestaan, en zo moesten alle aanhangers van de tegenbeweging gebrandmerkt worden als maatschappelijk gevaarlijk. Zodoende kwam de maatschappij tegenover het individu te staan, alsof het om twee tegengestelde krachten ging die welhaast per definitie elkaars voorbestaan in de weg stonden. Er ontstond een troebele mist die het maken van een onderscheid tussen de uitersten van, enerzijds, het onpersoonlijke, diabolische systeem of de golem en, anderzijds, de zogenaamde mensheid, quasi helemaal onmogelijk maakte.
In acht genomen het feit dat onze fysieke kwetsbaarheid garant staat voor de uitholling van het persoonlijke en de vorming van bendes, massa's en onpersoonlijke systemen, lijkt het er sterk op dat de mensheid zich nimmer in de stoffelijke wereld kan vestigen, en dat alle samenscholingen die daar aanspraak op maken, hooguit samenzweringen kunnen zijn.
(J.B., 7 maart 2010)
23-02-2010
Christendom, wraak en vergeving
Christendom, wraak en vergeving
De inhoud van een religie kan soms fantastisch klinken - in de zin van sprookjesachtig of gefantaseerd - maar het vreemde is nu dat die vermeend fantastische zaken niet zelden gekoppeld worden aan reële data en namen.
Zo ligt op 38 kilometer van de Turkse stad Urfa vandaan, het dorp Harran, ook wel Haran of Carrhae genoemd. Men vindt daar nog de ruïnes van een meer dan 1000 jaar oude moskee. En 4000 jaar geleden leefde op diezelfde plaats Abraham. Hij stamde uit het geslacht van Noach, die ongeveer 5000 jaar geleden werd geboren, en die met zijn vrouw, zijn drie zonen en hun vrouwen, als enige mensen de zondvloed overleefden (2400 jaar geleden). Nog eens 1000 jaar vóór Noachs geboorte - en dat is dan 6000 jaar geleden - werd Adam geschapen. Laat men de tijdrekening bij Adam beginnen, dan zou in het jaar 8 de zondeval hebben plaatsgehad: Adam en Eva werden uit het aards paradijs verdreven, en zij zouden toen gevlucht zijn naar... Harran. Andermaal: Harran is geen Disneyland, het is geen verzinsel: het is een dorp nabij Urfa in het Zuid-Oosten van Turkije.
Adam en Eva kwamen in Harran terecht omdat ze door de Schepper verjaagd waren uit het aards paradijs wegens een zonde die alle mensen van hen erfden, en die daarom de erfzonde werd genoemd: tegen het verbod van de schepper in, aten zij van de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Maar die verdoemenis was niet noodzakelijk fataal: Jahweh beloofde verlossing door het zoenoffer van zijn eigen Zoon: allen die in Hem geloofden, zouden door zijn ter vergelding vergoten, onschuldig bloed, van alle schuld worden bevrijd.
Toen Adam op zijn sterfbed lag - zo staat te lezen in het Evangelie van Nicodemus - kreeg zijn zoon Seth van de aartsengel Michaël een tak van de boom van de kennis van goed en kwaad, om daarmee zijn vader te genezen. Maar toen Seth met de tak bij zijn vader aankwam, was die al dood, en daarom plantte hij hem op diens graf. Uit de tak groeide een grote boom die vele jaren later het hout leverde voor het kruis van Christus.
Het werd ons zo vaak verteld dat we er op den duur echt doof voor werden: de mens staat sinds de zondeval bij zijn Schepper in het krijt, en die zint op wraak, Hij eist vergelding. Edoch, de zoon van God betaalt die schuld in onze plaats, en zo wordt zijn bloed vergoten voor ons heil. Dat mysterie wordt gevierd in de Heilige Mis.
Talloos zijn diegenen die zich door het christendom aangesproken voelen omwille van het bijzondere principe van de vergeving dat in de plaats treedt van de wraak. Waar in het Oude Testament en in de heilige boeken van de joden de vergelding voorop staat met de vuistregel: "een oog voor een oog en een tand voor een tand", brengt de Messias ons de verlossing met het gebod van de vergeving. Kwaad wordt niet langer met kwaad vergolden, zo luidt het, en daaruit kan men ook makkelijk verstaan dat het kwaad in de vergelding zelf moet liggen, en het goede in de vergeving. Jezus gaat nog verder waar Hij het paradoxale gebod uitvaardigt: "Bemint uw vijanden!"
De goedheid die spreekt uit de religie van de vergeving, lijkt op het eerste gezicht niet het monopolie van het christendom te zijn: zij wordt ook aan beoefenaars van andere godsdiensten toegeschreven, en ze komt zelfs voor in atheïstische wereldbeschouwingen die helemaal los van het christendom opereren. Men zou zowaar gaan denken dat men niet eens hoeft te geloven om een 'goed' mens te kunnen zijn in de christelijke zin, teneinde aan anderen schuld te kunnen vergeven of door andermans vergevingsgezindheid van de schuld jegens hen verlost te kunnen worden. Kwijtschelding lijkt alvast algemeen menselijk, de vergeving lijkt een zuiver humaan principe, alleen al omdat aan het spel van wraak en weerwraak principieel geen einde kan komen en het doden niet ophoudt zolang er mensen overschieten. Kortom: God lijkt hier op de keper beschouwd eigenlijk helemaal overbodig. Meer nog: als men de zaken van dichterbij bekijkt, dan lijkt de christelijke God de vergeving zelfs aardig in de weg te staan. Maar dat blijkt nu juist een kolossale vergissing, want geheel in tegenstelling tot de intuïtie, blijken de principes van wraak en vergeving allerminst onderling tegenstrijdig; veeleer zijn ze innig met elkaar verbonden. Zou men echt geen kippenvel krijgen als men in de bijbel het volgende leest:
"Volgens de wet wordt inderdaad vrijwel alles met bloed gereinigd, want als er geen bloed wordt uitgegoten, vindt er geen vergeving plaats". (1)
Waarmee gezegd is dat vergeving zonder vergelding - alvast in het Paulinische christendom - geheel onmogelijk is. Jawel, de vergeving die men spontaan in zijn gedachten had als de christelijke tegenhanger van de natuurlijke wraak, blijkt gewoon een spook te zijn. En allen die zich door het christendom lieten bekoren omwille van het edel ogende principe van de vergeving, kunnen bij dezen kennis nemen van het feit dat zij zich jammerlijk hebben vergist: zij hebben geloofd in iets dat veel te mooi was om waar te zijn, iets dat alleen voor het goddelijke was weggelegd. Maar er is meer.
Aan allen die hier nog zouden hopen op soelaas, en die zich de aansporing zouden te binnen roepen dat wij onze vijanden dienen te beminnen, zegt Paulus inderdaad:
" Zegen uw vervolgers; zegen hen, vervloek hen niet. //(...) Vergeld geen kwaad met kwaad, maar probeer voor alle mensen het goede te doen. / Stel, voor zover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven." (2)
Maar in de tekst die onmiddellijk daar op volgt, klinkt iets heel anders door, met name dat de eigenlijke reden voor die schone vergevingsgezindheid niets te maken heeft met menselijke goedheid, maar veeleer met het alleenrecht dat God blijkt te hebben over de wraak. Paulus zegt immers:
"Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt: ‘Het is aan mij om wraak te nemen, ik zal vergelden.’" (3)
De overwinning op het kwade - de vijand - door het goede, zit hem dus hier in, dat het goede de vijand méér vermurwt dan het kwaad dit vermag te doen, en zo luidt het vervolg van deze brief:
"Maar ‘als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd’. / Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede." (4)(5)
Volgens de inzichten van Etienne Vermeersch "is hier uiteraard opnieuw het wraakprincipe aan de orde, zoals in overigens heel de opvatting over de hel, en later het vagevuur. Omdat dit dan weer strijdig leek met de stelling dat Christus de verlossing garandeerde, kon dat vagevuur weer worden gereduceerd via de aflaten... het is een spel van intern contradictorische gevoelens en principes." (6)
De brieven van Paulus worden algemeen beschouwd als de eigenlijke kern van het christendom; het zijn de oudste documenten, ze zijn ouder dan de Evangeliën, het zijn de meest betrouwbare bronnen. En als men Paulus ernstig neemt, dan lijkt het ons dat men een gebeurlijk naïeve visie op de schoonheid van de christelijke goedheid moet herzien, want in de leer van Paulus valt vooral op dat de 'toverkunst' van de vergeving, waarbij de schuld wordt weggetoverd, helemaal niet kan bestaan, dat het een mooie inbeelding is maar in de eerste plaats een inbeelding, een illusie, iets dat onrecht zou doen aan de rechtvaardigheid en daardoor ook aan de werkelijkheid zelf.
Vergeving blijkt pas mogelijk mits het onderpand van de vergelding. Ik kan kaas kopen in een winkel en het nalaten om de winkelier te betalen... op voorwaarde dat deze mij toestaat dat ik mijn schuld op de rekening van een ander deponeer, iemand die dit voor mij wil en kan betalen. De winkelier vergeeft mij mijn schulden niet, en dat kon hij ook niet doen, hij kan immers niet leven van de hemelse dauw: het is die ander die mijn schulden overneemt en betaalt. De gratuïte vergeving blijkt krachtens de woorden van Paulus zelf een spook, en allen die het christendom een warm hart toedragen omwille van een gemakkelijke 'liefde' die als het ware geheel gratis uit een eindeloos spuitende bron lijkt te komen, dienen zich bij dezen op zijn minst eens goed te bezinnen.
Talloze boeken werden geschreven over het gratuïte van het christendom, over datgene in deze wonderbare leer, dat de menselijke rechtvaardigheid zelf overstijgt: de werkers van het elfde uur ontvangen hetzelfde loon als deze van het eerste uur - dit schaadt de laatst genoemden immers niet. Hetzelfde geldt voor de verloren zoon die spijt betuigde nadat hij zijn fortuin verkwist had en over wie gezegd wordt dat zijn bekering meer vreugde in de hemel brengt dan al het andere. De overspelige vrouw wordt ongestenigd weggestuurd met slechts de aanmaning niet meer te zondigen omdat niemand van de omstaanders de eerste steen kan gooien, daar deze voorbehouden wordt aan wie niet gezondigd heeft. Maar hij die niet gezondigd heeft, is telkenmale Christus, en Hij vergeldt niet, Hij vergeeft. Paulus legt ons nu uit dat die vergeving niet van mensen komt en ook niet gratis is: de Heer heeft voor onze verlossing met zijn leven moeten betalen. Andermaal: "(...) als er geen bloed wordt uitgegoten, vindt er geen vergeving plaats" (1).
Zonder de kruisdood ware de vergeving onmogelijk - dat is wat òòk in de christelijke boodschap vervat zit. Mensen die jegens elkaar onrecht plegen, zijn niet in staat om dit onrecht aan elkander te vergeven: zij kunnen zich slechts wreken omdat zij het rechtvaardigheidsprincipe niet kùnnen overstijgen; mensen zijn immers geen goden. Men zou nu kunnen opwerpen dat mensen alsnog hartstochtelijk kunnen liefhebben en derhalve zonder wraak kunnen vergeven, maar de christelijke leer wil dat zij dat pas kunnen doen als participanten aan de liefde van Christus zelf. Zonder Christus zou daarvan met andere woorden gewoon geen sprake kunnen zijn.
Volgens de leer van Paulus is de vergeving het alleenrecht van de christenen en bijgevolg kunnen ongelovigen aan elkaar nimmer vergeving schenken: het kwaad dat zij berokkenen, blijft. Het hoopt zich op, het wacht op vergelding, het belooft niets goeds, alleen wraak na wraak, doodslag na doodslag. Wanneer ongelovigen alsnog afzien van de wraak, dan doen zij dat niet uit liefde, doch uit berekening. Dat is wat volgt uit de Paulinische leer. Het inzicht dat het wraakprincipe schadelijk is voor iedereen, kan vredesbestanden in het leven roepen, maar die zijn in het beste geval slechts tijdelijke onderbrekingen van het in de praktijk brengen van de wraakgevoelens. Soms ook houden deze gevoelens op, alleen om die reden dat zij mensen op den duur gaan uitputten.
Als Paulus gelijk heeft, dan is er geen heil buiten het christendom, omdat alleen de kruisdood van God zelf ons kan verlossen van het kwaad. Zonder die verlossing is de mens ten prooi aan het kwaad: zijn leven zelf wordt hem door het kwaad ontnomen. Het pleit voor Paulus dat geen ongelovige redenen heeft om te geloven in een opstanding uit de doden. Voor dat soort van leven - eeuwig leven - wordt immers de liefde van God zelf vereist die onze schepper is en die, als Hij dat wil en als wij dat beamen, ons "voor hetzelfde geld" een tweede keer kan scheppen. Want niemand die in God gelooft, twijfelt aan zijn bestaan als zijnde door God geschapen, en bijgevolg heeft hij ook geen enkele reden om elke verdere scheppingskracht aan zijn schepper te ontzeggen.
Maar als Paulus gelijk heeft, geldt eveneens dat de vergeving binnen het christendom nimmer kan opgevat worden als een zo gemakkelijke zaak dat mensen haar door simpele nabootsing eigen zouden kunnen worden: vergeving wordt betaald met leed als deelgenootschap aan het lijden van Christus, en eeuwig leven wordt slechts betaald met het onschuldig bloed van Christus zelf. In het laatste geval is sprake van het licht van de goddelijke liefde; daarvan kan de menselijke liefde in het beste geval slechts een weerschijn zijn, zoals het licht van de maan niet zijn eigen bron is doch een weerkaatsing van het licht van de zon.
De vraag blijft of Paulus gelijk heeft, en dat is de vraag naar de mogelijkheid van vergeving en dus ook van liefde, geheel buiten het christendom. Maar wie doorgaat met vragen, kan ook nog de kwestie stellen of de mens zich ueberhaupt wel buiten het christendom kan begeven. Iemand kan weigeren om een kerkgebouw naar binnen te gaan of zelfs om de leer van een of andere kerk te onderschrijven. Maar wie zegt dat hij niet de voeten van Christus zelf wast als hij zich over daklozen ontfermt of als hij de treurenden troost en de dorstigen laaft? Wie immers kan verhinderen dat Christus zelf zich voor ons heil in onze eigen naaste verplaatst en daar wacht totdat wij hem tegemoet komen in zijn nood die immers ook de onze is? Wie zal het zeggen of de ultieme vergeving niet samenvalt met de belijdenis van de volstrekte wanhoop en verlatenheid, die toch elke mens moet voelen als hij sterft, en dan roept, op zijn moeder, of op zijn God? Wie immers zal iemand die om een brood vraagt, een steen geven?
Blijft de logische mogelijkheid dat God niét bestaat en dat Paulus derhalve ongelijk heeft, wat dan betekent dat het christendom het principe van de wraak niét overschrijdt doch slechts wat meer gesofisticeerd uitwerkt. Tot die interpretatie geeft Paulus overigens zelf aanleiding waar hij insinueert dat ook de vergelding van het kwade met het goede, een vorm van wraak is omdat deze handelwijze de vijand van zijn stuk brengt. In dat geval is 'echte' vergeving slechts buiten het christendom mogelijk, en onder 'echt' moet dan worden verstaan: "niet door een onderliggende vergelding geconditioneerd".
De ongelovige vergeeft niet in Christus' naam of omdat Christus borg stond voor het wegnemen van de schuld, maar hij stelt zichzelf daar borg voor, eventueel door de daaraan verbonden nadelen zelf te ondergaan. Andermaal: niemand kan verhinderen dat de ongelovige zijn naasten troost, laaft of bevrijdt, en dat zich in dit ogenschijnlijk louter intermenselijke gebeuren, grootse dingen afspelen waarvan alleen zij die ze beleven ondervinden kunnen dat zij warempel 'bovenmenselijk' zijn, in die zin dat zij het louter persoonlijke voordeel en zelfs het eigen louter fysieke leven in hun schaduw stellen.
Maar spreekt in dat geval God zelf niet doorheen het alledaagse, in die zin dat men het banale in de genoemde intermenselijke ervaringen zelf niet anders dan overstijgen kan? Heeft daar de wraak niet opgehouden te bestaan, tegelijk immers met het 'recht', dat tenslotte niets meer te betekenen kan hebben waar men door de ander uitgenodigd wordt om te geven om niets, alleen omdat die ander nood heeft en men die nood zelf voelt en inlost omdat de nood van de ander op een haast wonderlijke manier de eigen nood is? En verdwijnt daar niet de wraak in de vergeving, daar pas in het vergeven van de naaste, de eigen schuld kan weggenomen worden? Het zijn tenslotte allemaal dingen die ons verstand te boven gaan; we kunnen het daar eens over hebben, maar blijkbaar blijven alle antwoorden de vorm van vragen hebben.
(J.B., 21 februari 2010)
Noten:
(1) Hebreeën II:22
(2) Romeinen XII: 14 en 17-18.
(3) Romeinen XII: 19.
(4) Romeinen XII: 20-21.
(5) F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden, nr. 1237,W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk), zegt hierover het volgende: "Vurige kolen op iemands hoofd hoopen (of stapelen), ontleend aan den Bijbel, n.l. aan Spreuken XXV, 22: Want ghy sult vyerige kolen op sijn hooft hoopen: ende de Heere sal 't u vergelden; met de kantteekening: ghy sult hem daer toe dryven, dat hy de vyantschap, die hy tegens u heeft, haest van hem werpe; gelijck yemant die gloeyende kolen op 't hooft gelecht souden werden, de selve terstont soude afschudden. Ofte, ghy sult sijn herte vermorwen, ende gedweech maken, dat hy van sijn ongelijck overtuycht sal sijn, gelijck de Smeden het yser met gloeyende kolen vermorwen. Vgl. ook Rom. XII, 20: Indien dan uwen vyandt hongert soo spijsight hem: indien hem dorst soo geeft hem te drincken. Want dat doende sult ghy colen vyers op sijn hooft hoopen. De beteekenis van deze woorden is, volgens Zeeman, 329 ‘door een edelmoedig betoon van barmhartigheid zijnen vijand van schaamte en leedwezen doen gloeien’. Van der Palm verklaart deze uitdrukking aldus, dat men daardoor zijnen vijand aandoet, wat hem het ondragelijkst moet vallen, en strenge wraak aan hem oefent, die hem al zijn ongelijk smartelijk zal doen gevoelen en dus het beste middel tot zijne verbetering wezen zal. [In de Leidsche Bijbelvertaling wordt als toelichting gegeven: Dit is een voor den beweldadigde pijnlijk gevolg van des anders grootmoedigheid; de drijfveer houdt niet meer in dan: zoo neemt gij de gevoeligste wraak.... Dat de pijnlijke gewaarwordingen den beweldadigde tot berouw over zijn vijandschap nopen, wordt er licht bij gedacht, maar ligt er eigenlijk niet in. Zie ook Germ.-Rom. Monatschr. II, 248; 679; III, 246.] (...) [ Zie ook: http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_1258.php ]
(6) Etienne Vermeersch: mondelinge en schriftelijke lering, Universiteit Gent 2010.
*
26-01-2010
De ondergang door overvloed
De ondergang door overvloed
Een van de hallucinante aspecten van het kapitalisme is dat het wordt in stand gehouden door uitgerekend diegenen die het verdrukt. In de jongste paar jaren kwam zoals zelden voorheen de intrinsieke waardeloosheid van de zogenaamde waardepapieren, de aandelen of het geld aan het licht. Ten gevolge daarvan manifesteerde zich het Mattheüseffect met een tot de verbeelding sprekende dwangmatigheid. Dat de staat het bankwezen redde, betekende immers dat de schulden van de rijken voortaan door rijk én arm werden afgelost; het schaarse bezit der armen werd opgeëist om daarmee de aandelen of het bezit der rijken te herstellen, en aldus de kloof tussen rijk en arm in stand te houden. Het kapitalisme wordt gered door wie erdoor tenonder gaan, precies zoals de diefstal overleeft bij de gratie der geplunderden.
Hoewel eenieder het onrecht aan den lijve ondervindt, blijft elk verweer daartegen uit. Weeklachten weerklinken in zowat alle woonplaatsen van 't land, edoch zij hebben geen effect omdat zij enkel bínnenskamers klinken. Binnenskamers speelt nochtans ook bij de allerarmsten oorverdovend de teevee - het middel bij uitstek om onrecht aan te klagen. Ware het niet dat geen der armen bij de televisie ook maar één enkele vinger in de pap heeft. Het telecommunicatiemiddel spreekt immers precies zoals George Orwell in zijn 1984 al vreesde dat het zou gebeuren: in slechts één enkele richting, namelijk van de dictator naar het volk toe. In een centrale wordt bedisseld welke illusies het volk dienen te worden ingelepeld, uur na uur, en dat met wetenschappelijke nauwgezetheid. Televisie is hersenchirurgenwerk onder hypnose voor het ganse volk.
De wereld is lang nog niet ééngemaakt. In landen waar democratie alsnog een droom is, wordt het volk door een 'elite' uitgebuit. Maar eenzelfde lot bedreigt sinds kort ook die landen waar de democratie omzeggens aan 't vergrijzen is. De bevolking durft daar wel eens vergeten dat het ook anders kon, en dat sociale rechten niet uit de lucht zijn komen vallen. Die vergetelheid, of is het dementie, dreigt heden een 'elite' aan te grijpen om tot plunderingen over te gaan zoals we die alleen nog kennen van dictatoriale regimes. 'Elite' staat hier andermaal tussen aanhalingstekens omdat de bedoelde lui wel bijzonder eenzijdig uitgelezen zijn, namelijk in de sector van de economie of het geldwezen, overigens een bijzonder doortrapt en verraderlijk terrein, zoals mocht blijken uit de hoger aangehaalde, jongste beurscrash.
Inzake het kapitalistisch bestel werd reeds de paradox genoemd van het Mattheüseffect. Nog een eigenaardigheid van die economie is dat zij haar eigen ondergang bewerkt, onder meer door overproductie. Het kapitalisme is wezenlijk een perversie, met name in de middel-doelomkering, want winst is einddoel geworden waar geld oorspronkelijk slechts (ruil)middel was. Winst groeit samen met onder meer productie, wat onvermijdelijk leidt tot overproductie: er wordt meer gemaakt dan nodig is, er zijn op den duur kopers tekort. Men probeert dat op te vangen door zaken te maken die rap verslijten: kapitalisme is nefast voor kwaliteit, voor duurzaamheid en uiteraard ook voor milieu. De afvalbergen groeien. Maar met die overproductie gaat nog een ander euvel hand in hand, en dat is sociale achteruitgang en ondermijning van de democratie.
In dictatoriale regimes zuigt een elite het volk uit: een elementaire bescherming in de vorm van een sociale wetgeving ontbreekt, met volstrekt mensonterende toestanden tot gevolg. Zij die nog werken, doen dat aan een hongerloon dat niet door sociale lasten wordt verzwaard. Dictatoriale regimes met goedkope werkkrachten brengen ook goedkope producten op de markt en zo dreigen zij de sociaal-democratieën weg te concurreren.
Een uiteraard volstrekt foute reactie van de sociaal-democratieën ware dat zij het inhumane voorbeeld van de dictaturen gingen volgen, want aldus zou men vergeten dat die overproductie alleen nog kan verergeren. Als werklui nergens nog een menswaardig loon ontvangen, wie immers zal dan de producten van hun werk nog kopen? Warempel, het zijn niet de tekorten die ons parten spelen: het tevéél wordt weldra onze ondergang. Wij kunnen pas vooruit als we met heel wat minder tevreden leren zijn!
(J.B., 26 januari 2010)
21-01-2010
Bij de inhuldiging van een nieuwe aartsbisschop
Bij de inhuldiging van een nieuwe aartsbisschop
Zonden zijn overtredingen van de goddelijke liefdewet en derhalve daden of nalatigheden die uiteindelijk objectieve schade toebrengen aan personen. Ens et bonum convertuntur, zo zeiden de kerkvaders: het goede valt samen met wat bestaat. Het kwaad is derhalve een mankement of een tekort aan Zijn, een niet-Zijn. Liegen, bijvoorbeeld, is de waarheid die per definitie samenvalt met al wat is, verbergen achter onwaarheden en zodoende het bestaan zelf verduisteren.
De waarheid is één, de leugen meervoudig; een vraagstuk kent slechts één waar antwoord, het aantal foute antwoorden is oneindig. In tegenstelling tot de waarheid die kiest voor het ene daglicht of de openbaarheid waarbij hij tevens garen spint, zijn de methoden van verduistering talloos. Men liegt als men zwart zegt tegen wit, maar ook als men de waarheid verzwijgt. Een analfabeet die ziekten bestrijdt met gebeden is onschuldig, maar een arts die kwakzalft, liegt en pleegt - uiteindelijk - doodslag door schuldig verzuim. Het ethisch besef kan hier overigens de religieuze inspiratie missen.
Alle mensen zijn verschillend en in een samenleving is dat een troef: ieder munt uit in zijn job, elk heeft een specialiteit en een verantwoordelijkheid. Artsen moeten waken over de gezondheid; leraren brengen kennis bij; architecten zorgen voor stevige gebouwen. Specialisatie ontstaat precies waar niemand nog alles kan kennen en kunnen. Samenwerken is elkaars werk en verantwoordelijkheden respecteren.
De arts die er middeleeuwse praktijken op na houdt, verzaakt aan zijn plicht. Maar een even groot kwaad is zich andermans job en plichten toe te eigenen. Met een ziek kind bij een priester gaan om het te laten belezen, kan zijn dood betekenen en de opvoeding laat men niet over aan ongeletterden. Wie zich kennis en verantwoordelijkheid aanmeet over aangelegenheden waarvan hij geen verstand heeft, misleidt al wie hem vertrouwden en is derhalve een charlatan. Hij verduistert de waarheid en berokkent moedwillig kwaad.
In onze moderne democratieën schenkt het ontwikkelde en mondige volk, overeenkomstig de rede, gezag aan een zijns inziens waardige leider die dan opkomt voor het welzijn van allen. Reeds in het jaar 396 werd Augustinus op die manier tot bisschop verkozen te Hippo. In meer primitieve tijden stoelde autoriteit op bruut geweld en dreiging. Spreekrecht verwierf men toen niet door bekwaamheidsbewijzen: zoals ook alle andere rechten ontving iemand zijn spreekrecht en zijn autoriteit van hogerhand en meer bepaald van de tiran, aan wie hij dan uiteraard op zijn beurt lippendienst diende te bewijzen. 'Autoriteiten' hadden geen moeite met liegen aangezien niet de waarheid hen van hun voetstuk kon halen, doch enkel de macht, die de waarheid verkrachtte, waardoor het liegen heilige plicht werd. Wie het lef hadden om alsnog voor de waarheid te kiezen, deelden in het lot van Giordano Bruno die in 1600 door de inquisitie levend werd verbrand. Pas in 1999 - ruim vier eeuwen nadat het heliocentrisme wetenschappelijk was bewezen - zegde een kerkvorst deze moord te betreuren.
De leer dat de aarde het centrum van de kosmos is omdat zich in het midden daarvan de hel bevindt die uiteraard het verste af staat van God en de hemel, was één van de talloze bizarre theorieën die mensen uitbroedden en geloofden. En de waanbeelden bleven komen en werden aangehangen tot zelfs in deze tijd: omdat ze in een zeker kraam pasten, ofwel uit pure onwetendheid.
Eén van de intussen ontmaskerde architecten van vervalste theorieën was de Oostenrijks-Hongaarse psychiater Sigmund Freud. Zijn wetenschappelijke artsenopleiding ten spijt, draaide de uitvinder van de psychoanalyse de experimentele methode om: in plaats van op grond van vaststellingen aan theorievorming te doen, schuwde Freud het niet om eerst zijn theorieën uit te denken en vervolgens gevalstudies te verzinnen die dan de eerste verzinsels moesten 'staven'. (1) Het bedrog werd pas relatief recent ontdekt, wat wil zeggen: toen Freud al lang internationale faam genoot, en blijkbaar speelt die faam de waarheid her en der nog steeds parten. Edoch, van vandaag geschoolde deskundigen mag worden verwacht dat zij de dieptepsychologie en de psychoanalyse uit die vervlogen tijd weten te relativeren: harde positieve wetenschap is immers in de plaats gekomen en heeft de ingewikkelde verhaaltjes van weleer over ontwikkelingsstoornissen, wilskacht en wat al niet meer, naar sprookjesland verwezen. Precies zoals de astronomie de plaats innam die zich de godsdienst lange tijd onterecht toe-eigende, kwam de simpele mathematica van een zuivere genetica in de plaats van een hoogdravende maar onwelriekende dieptepsychologie.
Het wil wel vaker gebeuren dat mensen met macht, wetenschappelijkheid voorwenden en aldus schaamteloos het volk bedriegen dat immers in de wetenschap zijn nieuwe God aanbidt. Het gebrek aan terughoudendheid waarmee wetenschapslui - maar eerder nog politici die zich op de wetenschap beroepen - het milieuvraagstuk aankaarten en aanwenden - voor vooral het eigen heil - zegt al genoeg. Ook de wetenschap moet in bepaalde kringen niet langer de waarheid dienen maar wel de macht, en zo is een terugkeer te bespeuren naar het tijdperk der tirannen: zij die spreekrecht hebben, ontvangen dit niet langer van het volk, doch van de oppertiran - het gouden kalf. Waarheid is verworden tot wat geld in 't laatje brengt en liegen spreekt vanzelf omdat niet de waarheid in het geding is maar wel de macht.
Dankzij de genetica weten we nu dat het syndroom van Down te wijten is aan een fout op een bepaald gen, maar voor de ontdekking van Lejeune in 1959 sprak men over 'mongolisme' - een welhaast ethnische classificatie op grond van onder meer schedelmetingen. In de voorgaande eeuwen werden kinderen met deze handicap door hun ouders in de steek gelaten of in krankzinnigengestichten opgesloten. Epileptici en dementerenden maar ook mensen van een vreemd ras werden soms levend verbrand, zoals op de heksenprocessen van Salem omstreeks 1700. De negerslavernij, die eeuwenlang tientallen miljoenen slachtoffers maakte, werd door sommigen gerechtvaardigd met het verhaal dat negers geen ziel hebben, wat dan ook hun zwarte huid verklaarde. Schrijven met de linker hand was tot voor kort nog verboden op katholieke scholen omdat de linker hand de manu sinistra heette, wat wil zeggen: hand van de duivel. Handicaps, ongeluk en tegenslag gelden in vele religies nog steeds als straf en als middel om eigen schulden uit te boeten, wat een moraal van "elk voor zich" goedpraat, en dat is het principe van de wraak die ook in de kern van het katholicisme zit: ofschoon Gods Zoon de vergeving predikt, eist de vader genoegdoening voor het kwaad van Adam door het bloedoffer van het onschuldig Lam: een oog voor een oog, een tand voor een tand.
God schiep hen, man en vrouw, zo staat het in Genesis, maar moeten gelovigen dan andermaal hun ogen sluiten voor de wetenschap - dit keer de genetica - die naast mannen (XY) en vrouwen (XX) ook andere, zij het eerder uitzonderlijke combinaties toelaat van geslachtschromosomen, zoals: X, XYY, XXY, XXXY, XXXXY, XXYY en XXX? En wat doet men met de mensen die niet in het simplistische bijbelse plaatje passen? Moeten zij dan worden geaborteerd? Zal men hen opsluiten? Beschuldigen? Hun ouders beschuldigen of hun verre voorouders? Dit ware ethisch onaanvaardbaar doch dat is wat alsnog gebeurt. De arrogantie van de religie gaat soms zo ver dat zij gelooft te mogen overgaan tot de fysieke verminking van weerlozen, zoals dat hier tot voor enkele generaties gangbaar was bij de castratie van koorknapen en zoals dat nu nog gebeurt in de clitorectomie bij nog piepjonge meisjes. Psycho-sociale verminking dan, is niet minder gruwelijk en zij wordt volop gepraktiseerd in discriminaties welke er paradoxaal genoeg in slagen om zich te legitimeren door zich op bepaalde 'vrijheden' te beroepen, waarvan de zogenaamde 'godsdienstvrijheid' niet de geringste is.
In hedendaagse moraalfilosofieën worden morele en bij uitstek godsdienstige systemen ontmaskerd als georganiseerde methoden van psychosociale druk en controle, daar waar gedragsbeheersing alsnog ontoereikend blijft middels de burgerlijke wet. Van hogerhand opgelegde ethische regels en normen die worden bekrachtigd middels sociale uitsluiting en nog meer gesofisticeerde sancties, worden door de gelovigen geïnterioriseerd en na verloop van tijd spontaan aan het eigen geweten toegeschreven, waardoor de tiran zelf onzichtbaar wordt: hij is gaan postvatten in het hart van elk van zijn slachtoffers die dan zichzelf als diens aanhangers gaan beschouwen en zelf staat hij dan voorgoed buiten schot. Dat duurt uiteraard slechts zolang die tiran zelf geen rivalen heeft, wat wil zeggen: totdat rivaliserende geloofssystemen tot coëxistentie worden gedoemd. Ervan overtuigd dat ze het objectief goede verdedigen, doen de leden van rivaliserende geloofsgroepen niets anders dan elk de door hun eigen tiran opgelegde wetten verdedigen, wat op den duur tot oorlog leidt. Pas na verloop van tijd kan bij de meest verlichte geesten onder hen de waarheid dagen. Maar de hardnekkigheid van het geloof, gekoppeld aan de menselijke hardleersheid, mondt in de regel uit in uitzichtloze conflicten.
Om tal van redenen kunnen geloofssystemen worden geschuwd, maar anderzijds is het bestaan vaak dermate meedogenloos dat men gaat smeken om verlossers en profeten, welke mensen zijn die beschikken over de zeldzame gave om eenieder daarvan te overtuigen dat dit ellendige bestaan slechts illusoir en voorlopig is en dat wij niet ter dood zijn veroordeeld doch uitverkoren voor een eeuwig en een goddelijk hyperleven. De pijn en de wanhoop ingevolge de lugubere combinatie van een niets ontziend levenslot met een onontkoombaar besef daarvan, doet klaarblijkelijk bij velen onder ons een zekering in het hoofd springen, zodat wij tegen alle redelijkheid in gaan kiezen voor een houvast waarvoor wij bereid blijken met ons gezond verstand zelf te betalen. Als dan lieden met veel minder scrupules en die veeleer immuun bijken voor die door merg en been snijdende smart van het Zijn, op die kar gaan springen die naar nergens leidt, dan kan het narrenfeest pas goed beginnen. Wij kunnen monseigneurs met reusachtige, flikkerende mijters, met edelstenen bezette tiara's en met kromstaffen uit ivoor, uitjouwen als het ons goed gaat, maar in tijden van doodsangst, oorlog en pest, zijn wij zelf het die deze tovenaars scheppen, aankleden, op een voetstuk plaatsen en smeken dat zij onze wanhoop verhullen onder hoogdravende gezangen, opgeblazen gebaren en nog veel meer allerzwierigste wind. Eenmaal van zijn ouders beroofd, smeekt de mens weer kind te mogen worden en desnoods zal hij met zijn allerlaatste munten de duivel zelf betalen om die rol op zich te willen nemen en nog eenmaal de illusie van de onschuld te kunnen ondergaan alvorens de stugge dood te moeten smaken.
Hard zijn deze tijden, want ons lot is zonneklaar zoals nooit voorheen in de geschiedenis het geval was. We kunnen nu het leven zien dat - niettemin het onze dat wij zelf bestaan - een onverholen rimram blijkt van enkele mathematisch geordende verzen of structuren, genetica en DNA, eiwitketens, cellen, water, koolstof, stof en as. De formules die ons, die van louter stof nog zijn, tot leven wekken, blijken toverformules zonder meer, al waren wij sinds lang de tijd ontgroeid dat wij in tovenaars geloofden. Het leven is een licht dat aan is en dat uit zal gaan als 't op is - zo simpel als dat. Onze hoop werd uit ons merg gezogen door niets anders dan de eigen nieuwsgierigheid die zich gewis wist voor te doen als machtige wetenschap, verstand en geest, natuurbeheersing, kennis en geheugen, alle ingekleed in goudomzoomde en dieprode mantels, pelsen en fluwelen kussens zonder plooien. Naakt staan wij in de vrieskou te beven, nu de zon voorgoed verging, de ijskap smolt, de zeeën een nieuwe zondvloed moeten baren, een ijstijd of een windhoos die alle talen ooit gesproken door een rietje op zal zuigen en voorgoed zal doen verdwijnen in een kosmisch gat aan het plafond van het trompetterende firmament, alleen nog getooid met ezelsoren.
En zo komt het dat wij hen volgzaam laten begaan, als de tijd is gekomen van hun komst, de allereerbiedwaardigste kanunniken en kardinalen, de aartshertogen naar wie lommerrijke lanen zijn genoemd, de pausen en de prinsbisschoppen uit Venetië en uit Rome. In stoet trekken zij voorbij, schoorvoetend, schrijdend, en wij kijken toe, onze monden vallen open, quasi tandenloos, en wij gaan plaatsnemen op de voorste rij om al was het slechts één druppel van hun zegeningen te ontvangen. Hoog steken hun mijters boven alle hoofden uit, als waren zij torens die tot aan de zevende hemel reikten, lansen strijdend om 't rijk Gods, hun gebaren glijden traag als onweerswolken door de luchten, zij zwijgen in volstrekt alle talen en worden derhalve door niemand misverstaan.
Maar zeg mij dan slechts dit, als hij zijn intrede doet en toegejuicht wordt door het volk, of uitgefloten, of wat dan ook: is hij de Christus in zijn schamel kleed, een kroon van doornen op het hoofd, en zit zijn rug vol bloedige striemen van de geselingen, zweet hij bloed en tranen in Getsemane en zal hij gekruisigd worden samen met de moordenaars en rovers? Of is hij diegene die de Christus oppakken doet, van op zijn onaantastbare troon, en die Hem ver vandaar verjaagt, Hem aanmaant om nooit weer te komen, Hem eraan herinnerend dat Hij nu eenmaal de sleutels van het paradijs aan mannen van de wereld overhandigd heeft, en dat Hij zich maar aan de afspraken moet houden? Kijk slechts toe met aandacht, en zeg mij wie van de twee gij daar ziet, en zeg mij ook waarom, en ik zal u geloven.
J.B., 20.01.2010
Noten:
(1) Verschillende auteurs over psychoanalyse hebben het inzake Freud over pseudowetenschap, illusies, mystificaties, charlatanisme en bedrog. Enkele tot de verbeelding sprekende titels waarnaar verwezen wordt in prof.
Jacques Van Rillaers artikel, getiteld: Verborgen winsten van de psychoanalyse (http://users.telenet.be/allemeesch/KlinPsy/publi/VerborgenWinsten.htm ) luiden: Les Illusions de la psychanalyse (Jacques Van Rillaer, 1981); Souvenirs d’Anna O. Une mystification centenaire (Mikkel Borch-Jacobsen, Paris 1995); De Weense kwakzalver. Honderd jaar Freud en de freudianen (Han Israëls, Amsterdam 1999); Mensonges freudiens. Histoire d’une désinformation séculaire (Bénesteau J., Belgique 2002); Bruno Bettelheim ou la fabrication d’un mythe, alsook: Freud and the question of pseudo-science en: Le Freud inconnu. L’invention de la psychanalyse (Pollak R., Paris 2003, 1998 en 1998(1973)); Was Freud a liar ? (Frank Cioffi, New York 1998 (1974)); The experimental study of freudian theories (Eysenck, H. & Wilson, G., London 1973); Der Fall Freud. Die Geburt der Psychoanalyse aus der Lüge (Israëls H., Hamburg 1993); Folies à plusieurs (Borch-Jacobsen M., Paris 2002); Psychoanalytic politics. Freud's French Revolution (Sherry Turkle,The MIT Press, 1978); Anonymity, neutrality, and confidentiality in the actual methods of Sigmund Freud : A review of 43 cases, 1907-1939 (Lynn D. & Vaillant G., American Journal of Psychiatry 1998).
06-01-2010
Religie
Religie
Religie is aanbidding. Waarom aanbidden mensen goden? Er is een tijd geweest dat mensen dieren aanbaden en op bepaalde plaatsen doen zij dat nog: de heilige olifant, de heilige koe, de heilige aap... Zijn dieren immers niet onafhankelijker dan mensen? Onafhankelijker is volmaakter, en dat wil zeggen: heiliger of goddelijker. Ooit brachten mensen offers aan hun goden, de dieren. Zelfs mensenoffers. Maar deden zij dat in de hoop om in hun gunst te komen en zelf ook, zoals zij, onafhankelijker te worden, heiliger en volmaakter? Beslist niet. Men zegt dat de mensen de dieren vereerden om geen andere reden dan omdat zij uit hen hun levenskrachten putten! Drinken wij sinds oudsher niet de melk van koeien en eten we niet het vlees van runderen, varkens en geiten?
Edoch de mens werd afgunstig op zijn goden, hij stak hen naar de kroon, wilde zelf ook zoals zij worden vereerd en zo offerde op een bepaald moment de mens zichzelf aan zijn medemensen op, als was hij een lam, hét Lam, wiens vlees men voortaan at en wiens bloed men drinken zou, tot het einde van de tijden. De mensen aanbaden sindsdien de mens - zoals kannibalen dat doen. Sindsdien putten mensen hun levenskrachten ook uit medemensen. Sommigen spelen vrijwillig voor goden; anderen worden tot het godendom veroordeeld: zij worden veroordeeld om hun leven lang in werkkampen te slijten.
Wij zegden het al: onafhankelijkheid is een teken van volmaaktheid; hoe meer hulpstukken een wezen nodig heeft, des te onvolmaakter is het. Derhalve zijn de meest eenvoudige wezens ook de meest volmaakte. Helemaal onderaan op de trap naar de volmaaktheid staat de mens, die zelfs een pels mist, hoeven, klauwen, vleugels - noem maar op. Ver bovenaan staan de insecten, daarboven de bacteriën en de virussen en, helemaal bovenaan, de engelen of de geesten die immers enkelvoudig zijn met, alles overstijgend, de godheid zelf, waarvan sommigen zeggen dat Hij dermate volmaakt of behoeftenvrij moet zijn dat hij zelfs zichzelf kan missen. Kwatongen konden derhalve beweren dat het godsonbestaan en derhalve het atheïsme slechts attributen van de goddelijke volmaaktheid waren.
Edoch, vandaag blijkt onze godheid een mens, en zo worden de dingen helemaal op hun kop gezet. Geen wonder dat Lucifer, eens de stadhouder van de Heer, in opstand kwam en waarschuwde tegen een chaos die de hemelse hiërarchie bedreigde. Aldus beschrijft Vondel's Apollion aan Belzebub "de gedaante en 't wezen van de menschen":
Wie zou ons Engelsdom voor 't menschdom willen wenschen,
Wanneer men schepsels ziet, die 't al te boven gaan,
En onder wiens gezag alle andre dieren staan.
Ik zag den ommegang van honderdduizend dieren,
Die op het aardrijk treên, of in de wolken zwieren,
Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewend,
En leven schept in zijn bijzonder element.
Wie zou een ieders aard en eigenschappen ramen
Als Adam? want hij gaf ze op eene rij haar namen.
De bergleeuw kwispelde hem aan met zijnen staart,
En loech den meester toe. De tiger lei zijn aard
Voor 's Konings voeten af. De landstier boog zijn horen,
En d'olifant zijn snuit. De beer vergat zijn tooren;
Griffoen en adelaar kwam luistren naar dien man,
Ook draak, en Behemoth, en zelfs Leviatan.
Nog zwijg ik welk een lof den mensch wordt toegezongen
En toegekwinkeleerd van 't lustpriëel, vol tongen;
Terwijl de wind in 't loof, de beek langs d'oevers speelt,
En ruischt op een muziek, dat nimmer 't hart verveelt.
Had zich Apollion in zijnen last gekweten,
Hij had ons Hemelrijk in Adams Rijk vergeten.
(1)
De daarop volgende beschrijving van het mensenpaar is, zo mogelijk, nog aangrijpender:
Geen schepsel heeft omhoog mijn oogen zoo behaagd
Als deze twee omlaag. Wie kon zoo geestig strengelen
Het lichaam en de ziel, en scheppen dubbele Engelen
Uit kleiaarde en uit been! Het lichaam, schoon van leest,
Getuigt des Scheppers kunst, die blinkt in 't aanschijn meest,
Den spiegel van 't gemoed. Wat lid mij kon verbazen,
Ik zag het beeld der ziele in 't aangezicht geblazen.
Bezit het lijf iet schoons, dat vindt men hier bijeen.
Een Godheid geeft haar glans door 's menschen oogen heen.
De redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren.
Hij heft, terwijl de stomme en redelooze dieren
Naar hunne voeten zien, alleen en trotsch het hoofd
Ten hemel op naar God, zijn Schepper, hoog geloofd.
(2)
De "omkering van alle waarden" waarover in de negentiende eeuw de oudheidkundige en wijsgeer Friedrich Wilhelm Nietzsche sprak, dateert al van het begin der tijden. Vandaag wordt men als volmaakter beschouwd in de mate dat men ook méér accessoires of hulpstukken bezit. De mystieke stilte werd voorgoed vervangen door een concours van symfonieën die elkaar naar de kroon blijven steken in eeuwig durende oorlogen, welke reeds door Herakleitos "de vaders van alle dingen" werden genoemd. En wie niet blind is, die kan in Vondels verzen lezen dat toentertijd de mens de god van de godheid zelve was. Gods volmaaktheid bleek zo groot dat Hij zichzelf kon missen, maar leven zonder god, dat kon Hij niet. Geen wezen - het goddelijke inbegrepen - kan zonder de aanbidding leven.
(J.B., Driekoningen 2010)
Noten:
(1) en (2) Joost Van Den Vondel, Lucifer, treurspel, eerste bedrijf.
02-01-2010
Evolutie, (evolutie)theorie en 'adaequatio rei et intellectus'
Evolutie, (evolutie)theorie en 'adaequatio rei et intellectus'.
Evolutie of Intelligent Design? Zijn de levende wezens geëvolueerd doordat ze zich voortdurend diversifiëerden, waarna dan de minst aangepasten of de zwaksten weggeselecteerd werden terwijl de best aangepasten of de sterksten telkens overbleven, of heeft een verstandige Schepper onmiddellijk elke soort volledig afgewerkt ontworpen?
Dat deze vraag ons meteen op het verkeerde been zet, wordt duidelijk als men in acht neemt dat intelligent handelen of nadenken in feite hetzelfde is als anticiperen op diversificatie en selectie.
Bij diversificatie en selectie moeten voortdurend individuen opgeofferd worden. Maar bij anticipatie zijn die risico's nemende individuen vervangen door gedachtenexperimenten, en zo blijft het (adequaat) denkende individu zelf gespaard.
Gesteld dat de Schepper zou nadenken over hoe zijn schepselen in deze wereld te construeren, dan zou hij pas volmaakt kunnen anticiperen op diversificatie en selectie, door deze natuurlijke processen ook effectief plaats te laten grijpen. Of hij dit dan zou laten gebeuren binnenin zijn hoofd, ofwel in de natuur zelf, zou dan nog weinig verschil uitmaken met betrekking tot het resultaat. Precies zoals het per slot van rekening ook irrelevant is om te kunnen stellen of ons bestaan al dan niet door God wordt gedroomd.
(J.B., 02.01.2010)
26-12-2009
De dingen naar zijn hand zetten
De dingen naar zijn hand zetten
De feiten zijn één zaak, de perceptie ervan is een andere zaak, maar een derde en niet minder reële zaak is het naar zijn hand zetten van de dingen. Die laatste twee kunnen zelfs maken dat de feiten zelf er echt niet meer toe doen.
Een van de meest actuele voorbeelden van die welhaast paradoxale ontwikkelingen der dingen is de manier waarop machthebbers in een mum van tijd de ganse heisa rond het milieu naar hun pijpen hebben laten dansen. Ja, zij die in dit scenario eerst aangevallen werden, wisten de 'agressor' niet alleen te ontwapenen maar tegelijk maakten zij hem belachelijk door in het offensief te gaan met exact die wapens waarmee zij eerst zelf werden bestreden.
Wie herinnert zich niet 1984 met de ramp te Tsjernobyl die eigenlijk de door alle milieuactivisten onverhoopte druppel was die de emmer deed overlopen en die de voorstanders van de zo gevaarlijke en op lange termijn fataal alle leven vergiftigende atoomenergie eindelijk zou doen inbinden? Edoch, anno 2009, amper vijfentwintig jaar later, worden met een gigantisch enthousiasme bij ons te lande maar ook elders in de wereld, kerncentrales heropgestart, en de wegbereiders daartoe blijken nu niemand minder te zijn geweest dan de milieuactivisten zelf met hun jarenlange bewustmakingscampagnes inzake het broeikaseffect.
Fossiele brandstoffen doen het koolstofdioxidegehalte in de dampkring stijgen, die aldus verandert in een serre, met de gevreesde opwarming van de aarde tot gevolg, zo legden de milieumensen het ons uit. Het antwoord van de aandeelhouders van de kerncentrales luidde onverwijld: Precies! En alleen kernenergie kan ons nog redden! En prompt ziet men nu alom reclame in de media en in 't straatbeeld van de 'schone' energie die trein en tram doet rijden; geen woord meer over de tijdbom van de zoutmijnen, al overvol met nu reeds lekkende vaten hoogradioactief afval. Of zijn dat dan kerstcadeautjes aan het adres van onze kleinkinderen?
Het was eigenlijk al te vrezen van zodra de vos de passie begon te preken: een gewezen presidentskandidaat ging prompt de milieutoer op om iedereen te waarschuwen voor de opwarming van de aarde. Hoe kan die man nu geloven wat hij zelf vertelt, zo klonk alras menige kritische stem, als zijn persoonlijk energieverbruik het twintigvoudige bedraagt van dat van de doorsnee Amerikaan en het duizendvoudige van dat van de Indiër!?
Edoch niet alleen de beleggers in kerncentrales konden hier bij nader toezien garen gaan bij spinnen: het mislukken van de milieutop in Kopenhagen, in december 2009, uitgerekend door het protest van de Chinezen tegen de voorgestelde inspanningen, laat de vraag niet langer zwijgen of die zogenaamde maatregelen, die in feite milieuwetten zijn met een niet onaardige impact op de ganse economie, geen verkapte remmen zijn op de nu immers terecht gevreesde want gigantische ontwikkeling van de Aziatische derde wereld welke het Westen nu reeds onder de voet loopt. Men weet toch wel dat de Chinese werkman vrolijk rondkomt met amper een paar euro per dag, terwijl de westerse fabrieksarbeider staakt als hij voor 't zelfde werk het tien- of twintigvoudige niet krijgt. En de tijd dat de fabrieken om die reden konden verhuizen naar ontwikkelingsgebieden is stilaan voorbij; men wist in 't Westen immers goed genoeg dat dit niet kon blijven duren en dat China en ook India in 't spoor van hun verkapte satellietstaat Japan zouden gaan lopen, die met perfecte namaak aantoonde onze meerdere te zijn. Kapen oosterlingen immers niet de grote prijzen weg op bijvoorbeeld vooraanstaande westerse muziekconcours terwijl, omgekeerd, westerlingen de muziek van 't Oosten niet begrijpen kunnen?
Of is het achterdocht vanwege al wie dat beweren? Zijn het dan kwatongen die het gerucht verspreiden dat de vernietigers van moeder aarde, de milieucritici met hun koolstofdioxide- en opwarmingsitems als een inmiddels beresterk geworden trekpaard voor de o zo giftige wagen van de kernenergie spannen? En dat zij dan meteen ook maar dat paard inzetten om gans Azië een rad voor de ogen te draaien en moreel tot stilstand te dwingen? Een feit is dat de nog steeds niet geluwde ruzie in Kopenhagen draaide om exact die kwestie: het Westen wil dat China minder uitstoot, ook al is die uitstoot veel geringer dan de westerse. China daarentegen wil eerst op het welvaartspeil van 't Westen komen vooraleer het de broeksriem aanhaalt. Het probleem is alleen dit: als alle Chinezen plus alle Indiërs een autootje voor de deur zullen hebben staan, dan zullen zij en wij gezamenlijk stikken. Dus moeten wij hier weer àchteruit!
Mensen een rad voor de ogen draaien om hen moreel tot stilstand te dwingen op het ogenblik dat men dit niet langer met geweld kan doen: dat is een kunst waarin ook de religies bijzonder ervaren zijn. "Vriendschap met de wereld is vijandschap jegens God", zo evangeliseerde de maatschappijcriticus die Jezus Christus heette. Maar hij was nog niet goed en wel vermoord, verrezen en ten hemel opgenomen, of reeds werd het christendom aan het Romeinse Rijk verkocht en kreeg deze eens zo linkse beweging het statuut van officiële staatsgodsdienst.
Een instrument in de handen van de wereldse macht is trouwens de islam onverkapt middels haar sharia die het maatschappelijke leven geheel regelt. En ook het boeddhisme en het hindoeïsme werken systeembestendigend en handhaven sociaal onrecht met hun geloof in karma en reïncarnatie: in het geloof dat elkeen in exact die situatie terecht komt welke hij ook heeft verdiend, terwijl men zich niet verbeteren kan tenzij door zelf zijn zonden uit te boeten, vindt men alras een goede reden om de armen over te laten aan hun lot - hun straf - en zich te vergenoegen in de eigen weelde die dan immers de betekenis van de welverdiende beloning heeft.
Tenslotte, waar de religies falen omdat inzake deze systemen heel wat mensen op den duur de schellen van de ogen zijn gaan vallen - heel gewoon omdat mensen vandaag wat langer leven dan in het industriële tijdperk -, neemt een gedeelte van de zogenaamde wetenschap het van de godsdienst over, dit keer niet langer zwaaiend met de hemel en de hel, doch met de vooruitgang welke contrasteren moet met 's mensen leed. In de toekomst zal het allemaal beter zijn - zo aapt de wetenschap nu de religie na: niet de toekomst in de hemel, maar wel deze hier op aarde. Edoch, men hoeft niet eens zo slim te zijn om direct te verstaan dat als die toekomst maar ver genoeg ligt hier vandaan, het dan nog bitter weinig uitmaakt of zij dan de hemel aangaat dan wel de wereld, aangezien zij in dat geval alle twee even fictief blijken te zijn.
Van de regen kan men een reden maken om binnen te blijven, maar voor hetzelfde geld verplicht de regen ons om naar buiten te gaan dansen, en ook met de zon kan men twee kanten op, als men het feit maar naar zijn hand kan zetten. Zo kunnen feiten op zichzelf ons op den duur helemaal niets meer vertellen omdat tussen onze reine zintuigen en de gebeurtenissen in, door allerlei handige mensenbeheersers, argumenten werden geplaatst die interpreteren, doen concluderen en uiteindelijk dwingen in een welbepaald gareel. En het is geen sinecure meer om daaruit nog te ontsnappen; wie dat vandaag nog wagen, worden vaak gewoon als 'teugelloos' beschouwd; terecht, uiteraard, maar ook connotaties zitten in allerlei garelen gevangen; ook connotaties heeft men op de een of andere manier wel naar zijn hand gezet...
J.B., 26 december 2009
25-12-2009
Kenosis
Kenosis
Volgens de woordenboeken is kenosis een theologisch begrip dat teruggaat naar het Grieks en dat zoveel betekent als: leegmaking van zichzelf, afstand doen van het zelf. De incarnatie of de menswording van God, zou volgen uit Gods afstandname van zichzelf, waardoor Hij dan volledig aan de mens gelijk zou worden, behalve in de zonde.
Maar er is ook een omgekeerde kenosis: tegenover de menswording van God, staat namelijk de Godwording van de mens, meer bepaald door zijn kenosis of zelfverloochening. De mens geeft dan de eigen wil op om de wil van God te doen: hij wordt een instrument in goddelijke handen. Bij uitstek de priester is zo'n goddelijk instrument, meer bepaald waar hij de sacramenten toedient, want in het sacrament handelt hij niet langer zelf, maar Christus handelt dan door hem: de priester handelt in Gods naam.
De kenosis in de hier eerst genoemde zin, is een bijzonder moeilijk begrip en ons inziens kunnen wij daar met onze vleselijke hersentjes niet bij: God werd mens om als onschuldig lam te worden geofferd, zodat de menselijke schuld aan God zelf zodoende kon worden vereffend. Wie immers is bij machte om te verklaren waarom God, bij wie wij in het krijt staan wegens fouten van onze verre voorouders, zou zweren bij het wraakprincipe, als immers zijn geïncarneerde persoon - God de Zoon - het verving door de vergeving? (*)
De kenosis in de betekenis van de menselijke zelfverloochening, blijkt al even lastig. Het opgeven van de eigen wil om die van God te doen, volgt namelijk uit de navolging van Christus, die nota bene als eerste de eigen menselijke wil opzij zette om de wil van de Vader te volbrengen. Maar Christus kon dit op zijn beurt pas doen nadat de Vader zelf Hem dat had voorgedaan: de Vader heeft namelijk eerst afstand moeten doen van zijn eigen goddelijkheid om Zoon - mens - te kunnen worden.
Alles op een rijtje blijkt de geschiedenis vreemd verlopen. God schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis, met een vrije wil. Maar klaarblijkelijk wilde de mens wat God niét wilde, terwijl er slechts één goddelijke wil kan zijn, en zo vernietigde hij zichzelf: hij werd sterfelijk. Een herstel was zonder Gods hulp onmogelijk en dus gaf God zijn goddelijkheid op, werd mens en bracht dan zijn menselijke wil in overeenstemming met die van de Vader. Die bestond er vooreerst in dat de Zoon boete deed in onze plaats. Vervolgens gebood Hij de mens - de mensheid - om Hem daarin na te volgen.
Kenosis
of het afstand doen van het eigen zelf: het is en blijft een mysterieuze zaak. Vooreerst omdat zij spontaan aan de slavernij herinnert. Slavernij volgt immers uit het niet langer voltrekken van de eigen wil en het onderworpen zijn aan de wil van een ander, wiens bezit men is en door wie men bevolen wordt. Het verschil tussen de kenosis en de lijfeigenschap is dat wie de goddelijke wil voltrekken, dit vrijwillig doen, terwijl slaven onvrijwillig van de eigen wil beroofd zijn.
Het is alweer niet makkelijk te verstaan, want hoe kan men dan vrijwillig de eigen vrije wil onderwerpen aan die van een ander - in dit geval God? Kan iemand wel geheel vrijwillig afstand doen van zijn eigen wil?
Waarschijnlijk is dit mogelijk, maar dan wel pas op voorwaarde dat men a priori het bezít is van die ander. En dat houdt in dat iemands zogenaamde "eigen wil" in feite niét de zijne is. In wat andere bewoordingen moet men dan zeggen dat God beter weet dan de mens zelf, wat goed voor hem is. Is de mens immers niet een schepsel van God?
Het jammere van de ganse zaak lijkt ons de kwestie of die goddelijke wil, welke in een aantal wetten aan ons zou zijn gegeven, ook wérkelijk de wil van God is. Te meer aangezien religies, zoals bij uitstek het katholicisme, vaak samenwerken met wereldse machten terwijl, anderzijds, Christus zelf zegt dat vriendschap met de wereld, vijandschap is jegens God.
De vraag die roet in 't eten gooit, luidt dus of wij niet onszelf bedriegen als wij ons onderwerpen aan wetten waarvan wij niet zeker weten of die wel van God zelf afkomstig zijn. Het lijkt er sterk op dat wij, mensen, daar wij tenslotte kuddedieren zijn, ons verlangen te onderwerpen aan het gezag van een leider terwijl er, anderzijds, ook een daaraan tegengestelde impuls leeft, die namelijk aanzet tot zelfstandigheid en redelijkheid. Als wij onszelf met vermeend goddelijke wetten bedrogen, dan werden wij op onze beurt bedrogen door wie die wetten uitvaardigden onder het voorwendsel dat zij van goddelijke oorsprong waren. Tenminste dit kon men hier dan tegenover stellen, dat ook onze rede een goddelijke gift is, en dat wij haar moeten laten spreken, zeker als wat zij gebiedt, strijdig lijkt met wetgevingen die derden toeschrijven aan God of aan de goden.
Kerstmis is het feest van de incarnatie, die de goddelijke kenosis is: God hangt zijn goddelijkheid als het ware aan de haak, en wordt mens onder ons, om ons de weg terug te tonen via een kenosis die onze menselijke wil aan die van God gelijk moet maken. Het begrip is duizelingwekkend, de theologie die eraan vast hangt is - andermaal - klaarblijkelijk niet voor onze vlezige hersentjes bestemd, en daarom ook vieren wij dit feest niet met onze neuzen in de boeken. Wij braden daarentegen gewoon een grote kalkoen totdat ie een bruin korstje krijgt, we vullen hem op met gehakt en met allerlei pasteitjes, en dan eten wij hem gezamenlijk op terwijl we lachen met Comedy Capers op TV.
***
Niettemin kunnen wie het verkiezen om alsnog met de neuzen in de boeken te duikelen, zich troosten met het feit dat het geloof een gave is, en men derhalve bezwaarlijk als schuldig kan worden beschouwd als men die gave mist. Snijdt het geloof dan redelijk gezien geen hout: ongeloof en rede doen dat evenmin, zoals trouwens de beroemde fabel over Augustinus het ons leert. Wandelend aan het strand, ziet de heilige een kind druk met een schelpje in de weer om alle zeewater over te hevelen in een kuiltje. Als Augustinus opmerkt dat dit niet kan lukken aangezien de zee te groot is voor dat kleine kuiltje, zegt het kind dat wat de theoloog doet, eender is: de waarheden immers over wereld, hemel en hel zijn veel te groot om in zijn kleine hoofd te passen.
Ook het ongeloof is een geloof, voor geen van beide bestaan argumenten, alleen de twijfel blijft. Al gaat de dichter nog een stapje verder waar hij verst (**):
Het leven vlood en d'as blijft in onz' handen. (***)
Waarmee gezegd is dat niet zozeer de twijfel zeker is, maar wel de as: de zekerheid van al wat wàs en niet meer is. Hoeveel keren verschrikkelijker is immers niet het "niet meer zijn" dan het "niet zijn"? Derhalve is de mens zonder een redder, een Messias die het eeuwig leven schenkt, zeer zeker voorgoed verloren. En kijk nu wat een andere dichterziel, in gesprek met God, zelfzeker schrijft:
Daar zoudt Ge mij, mijn leven,
Wat ge mij éens gaaft dadelijk nogmaals geven. (****)
Want men kan weliswaar sceptisch staan tegenover de verrijzenis - het tweede leven - edoch: is 't leven dat wij heden leven dan minder mysterieus? Waar immers blijft de redelijke grond om 't ene aan te nemen en tegelijk het andere te verwerpen?
***
Maar keren we nu terug naar het begrip kenosis en beperken wij ons hier tot de tweede betekenis, daar de eerste ons petje sowieso te boven gaat. Als nu, zoals eerder gezegd, de kenosis in de tweede betekenis, de menselijke zelfverloochening is met het oog op de vereniging met God, dan kan zij zich in de mens pas voltrekken als hij zijn wil verenigt met de wil van God, en daartoe dient hij uiteraard Jezus Christus na te volgen die de mensgeworden God is, omdat er geen discrepantie kan zijn tussen de (volgzame) wil en de (volgzame) daad. Waar immers de wil niet tot de daad leidt, kan er geen sprake zijn van de wil maar dan is er een wens in het geding; de wil onderscheidt zich namelijk van de wens doordat de eerste zich onderwerpt aan de wetten waaraan ook de ganse mens onderworpen is, terwijl de tweede zich aan die realiteit onttrekt. Maar voor zijn 'droom' betaalt de wens dan ook de zware prijs van zijn eigen werkelijkheidsgehalte: een wens heeft geen waarde, geen gewicht; hij kost immers niets, is geheel vrijblijvend en miskent de noodzaak van het getuigenis. Dit zeer in tegenstelling tot de waarheid, waarvan de kracht immers door het getuigenis wordt gemeten. Giordano Bruno werd levend verbrand omdat hij liever zijn leven prijsgaf dan de waarheid, die in dit geval inhield dat de aarde rond de zon draait in plaats van andersom; Bruno stond met zijn leven borg voor de waarheid omdat hij besefte dat er buiten de waarheid geen (waarachtig) leven mogelijk is. In deze wereld verkeert de mens voortdurend in de verleiding om met anderen samen te zweren tegen de waarheid en om dan uit dat complot gezamenlijk persoonlijk 'voordeel' te halen. Uiteraard voor zolang dat kan duren, want leugens hebben geen ander fundament dan dat van de samenzwering, en eenmaal de samenzweerders hebben opgehouden te bestaan, ontbinden uiteraard ook hun luchtkastelen en dan rest alleen nog de waarheid die immers geen mensen nodig heeft om zichzelf te kunnen zijn.
Van kenosis kan voor een mens pas sprake zijn als hij de wil van God voltrekt, wat zoals gezegd ook inhoudt dat hij Gods wil doet of Christus navolgt. Er is namelijk geen wil naast de daadwerkelijkheid, zoals ook goede intenties louter schijn zijn als zij de consequenties van de daad negeren, omdat men niet iets goed bedoelen kan los van de harde realiteit. Daarmee is ook het raadsel van de wil volkomen opgelost, of dan toch voldoende opgelost in functie van wat wij daarmee uiteindelijk allemaal kunnen of moeten aanvangen: willen is doen, en waar iemand zegt dat hij wil lopen, terwijl hij het kan, maar hij blijft zitten, moet men besluiten dat hij liegt. Hij wil dat immers niét, en het bewijs van zijn onwil is het feit dat hij het niet doét. Wie gelijk aan God wil worden, die moet handelen zoals God.
Kenosis
is dan nog louter navolging; meer bepaald is het de navolging van Christus. Edoch, het navolgen onderscheidt zich grondig van het na-apen: het laatste betreft het nadoen van uiterlijke gebaren, het eerste betreft het nadoen van innerlijke gebaren. Geen sinecure, zoals onmiddellijk zal blijken.
Het na-apen is het nadoen van gebaren. Zo kan men iemand nadoen die in de handen klapt, evenwel zonder te participeren aan de extase welke dat gebaar teweegbrengt. Men kan zijn lach maken, krokodillentranen wenen, aandacht of eender welke geestesgesteldheid veinzen of doen alsof, wat wil zeggen: doen alsof men ook meende wat men deed. Bij het na-apen meent men immers niet wat men doet, men heeft het gebaar van zijn motief ontkoppeld.
Oppervlakkig gezien zou men wel eens in de verleiding kunnen komen om te gaan besluiten dat ook acteurs of toneelspelers dit doen: uiterlijke gebaren na-apen zonder daarbij ook maar iets te voelen. Niets is echter minder waar dan dat. De leugen die goede acteurs verkopen, zit namelijk een niveau dieper dan deze die zich op het loutere na-apen verlaat. Goede acteurs apen niet de gebaren na, maar de gevoelens, waaruit gebaren dan spontaan opwellen, zodat toeschouwers niet langer merken dat het spel niet wordt gemeend. En wellicht zijn ze daarvoor in de leer gegaan bij de 'goede bedriegers', van wie gezegd wordt dat ze met de gevoelens van anderen spelen, precies door deze na te bootsen. Ze leven zich in gevoelsmatig in de wereld van een ander in en dat spel houden ze vol totdat ze hun slag thuis kunnen halen. Pas dan blijkt dat hun gevoelens nooit gemeend waren: zij waren slechts een spel dat zich voor werkelijkheid uitgaf. En op die manier verspelen bedriegers letterlijk hun ganse leven.
Dit slechts om duidelijk te maken dat ook inzake de kenosis, de nabootsing van de gevoelens die aan bepaalde daden ten grondslag liggen, helemaal niet volstaat om over zelfverloochening te kunnen spreken. In tegendeel vormen gevoelens daar gebeurlijk zelfs een hinderpaal en is het plichtmatige handelen op louter redelijke gronden vaak verkieslijker. Talloos immers zijn de voorbeelden van lieden met 'vrome' gevoelens, die er tegelijk wonderwel in slagen om het eigen overvloedige bezit op te potten, aldus het christelijke gebod weerstrevend, eerst zijn bezit te verkopen en de opbrengst uit te delen aan de armen, vooraleer Hem ook maar te kùnnen volgen. Even talrijk zijn zij wellicht als al diegenen die verliefde gevoelens verwisselen met de liefde zelf.
***
Edoch, tot welk een allereigenaardigste conclusie leiden deze bevindingen ons nu, want als de navolging van Christus oprecht moet zijn om ook écht te kunnen zijn, en als zij niet een louter na-apen mag zijn, dan is het duidelijk dat wij eerst Christus zelf zouden moeten zijn teneinde Hem écht te kunnen navolgen, en dat is ongetwijfeld een volstrekte absurditeit! Teneinde de mogelijkheid van de kenosis niet als a priori onmogelijk te moeten bestempelen, rest ons bijgevolg alleen nog aan te nemen dat nabootsing zou kunnen worden beschouwd als een efficiënt middel om als het ware van de schil af door te dringen tot de kern, en om het aldus als mogelijk te beschouwen dat men zich, achtereenvolgens, iemands uiterlijke gebaren eigen maakt - namelijk door het na-apen ervan - en dan zijn innerlijke gebaren of zijn gevoelens, en aldus tenslotte ook zijn wezen zelf.
Wat betreft de eerste stap, welke inhoudt dat men zich via de nabootsing van uiterlijke gebaren ook van innerlijke gevoelens eigen maakt, moet worden toegegeven dat niet alleen in toneelscholen maar ook in de hedendaagse filosofie én pedagogie deze stelling heel wat steun vindt. Jonge kinderen dringen immers niet tot de psyche van hun moeder en van anderen door, tenzij via het nadoen van gebaren en meer specifiek ook van mimiek, en zij kaatsen dan de bal terug door op hun beurt innerlijke gevoelens kenbaar te maken middels allerlei lichaamsbewegingen en gelaatsuitdrukkingen die wel universeel lijken en die dus waarschijnlijk ook ingeboren zijn, net zoals ons taalvermogen dat is.
Blijkt dat wij via het uiterlijke innerlijk verbonden zijn én dat dit uiterlijke feitelijk uit het innerlijke afkomstig is, zodat het maken van ook maar enig onderscheid tussen uiterlijk en innerlijk geheel onwettig is. Uiterlijke bewegingen zijn een echo van innerlijke bewegingen, maar ook andersom hebben uiterlijke bewegingen een weerslag op het innerlijke reilen en zeilen van de ziel. De vraag of onze uiterlijke bedrijvigheid in functie van het innerlijke staat, ofwel of onze ziel, die onze innerlijke activiteit is, slechts een onderbouw is van alles wat zich naar buiten toe manifesteert, is dan wellicht zeer onterecht: het innerlijke onderscheidt zich slechts schijnbaar van het uiterlijke en het doet dat op louter conventionele gronden; een barrière tussen die twee is louter artificieel; zowel het ene als het andere zijn niets dan gebeurtenissen en activiteiten waarover wij soms iets te zeggen hebben maar even dikwijls hebben zij hun zegje over ons. Kenosis of navolging door zelfverloochening kan dan niet veel anders meer betekenen dan op de een of andere manier - de duivel mag weten hoe - belanden in de invloedssfeer van hetzij een Goede Herder, die ons dan boven onszelf verheft, hetzij een totalitarist, die allen en alles alleen maar wenst op te slorpen.
J.B., 23-28 december 2009
Noten:
(*) Geef ons dan maar pater Schillebeeckx, over wie G. de Vries in een artikel n.a.v. het overlijden van de theoloog, de kerkhistoricus Jacobs citeert: "
(**) "Verst", van het werkwoord "verzen", afgeleid van "verzinnen".
(***) Felix Timmermans, Adagio, 1945-'46.
(****) San Juan de la Cruz, Geestelijk Hooglied, Carmelitana Gent, 1980, strofe 37.
16-12-2009
Overbevolking?
Overbevolking?
Het milieu gaat om zeep, zo wordt gezegd, en niemand kan daar nu nog omheen want Antarctica gaat aan diggelen en als in een wraak der natuur stevenen gigantische ijsbergen gelijk nooit geziene Titanics op onze schepen af. De Noordpool smelt weg, de zeehonden verdrinken, de golfstroom valt stil en in Noord-West Europa staat een ijstijd voor de deur. Tegelijk is onze flinterdunne dampkring, van koolstofdioxide oververzadigd, een broeikas geworden en ingevolge de opwarming van de aarde verdampen zeeën vol water in luchten die aldus worden bezwangerd van een nieuwe zondvloed. Een van de grote boosdoeners zou volgens sommigen de overbevolking zijn.
In 1798, lang voor het poolijs aan het smelten ging, voorspelde de Britse predikant en econoom, Thomas Robert Malthus (1766-1834), dat de lineair toenemende voedselproductie alras achterloopt op de exponentieel toenemende bevolkingsdruk, en dit uiteraard met massale sterfte door hongersnood tot gevolg. Malthus stelt als oplossing voor dat armen verhinderd zouden worden om nog kinderen te krijgen.
In zijn boek getiteld
An Essay on the Principle of Population, schrijft hij: "Het is noodzakelijk dat men alle kinderen doet verdwijnen welke geboren worden bovenop het bevolkingsaantal dat gevoed kan worden, en dit moet men doen zolang als de overlijdens voor hen geen plaats hebben gemaakt." (1)
Kort daarop pleitten Malthus' volgelingen (de zogenaamde neomalthusianisten) voor anticonceptie en legden zij de grondslag voor een door de overheden gesubsidieerde en op geboortebeperking gerichte, nieuwe sexuele moraal die niet langer steunt op de religie en die, naast een strijd tegen de strafbaarheid van abortus en van buitenhuwelijkse betrekkingen, ook de eugenetica voorstaat en, meer bepaald, de rasverbetering middels het opleggen van Malthus' 'baringsverbod' voor de 'proletariërs' avant-la-lettre. Dit begrip dat de armsten omschrijft die slechts hun 'proles' of hun kroost bezitten, was nog niet geboren, toen reeds een begrip nodig was ter benoeming van hen die op de koop toe kinderloos moesten blijven. Malthus zijn pleidooi gaat zelfs in de richting van het ontzeggen van medische hulp aan deze armen, zodat de natuur beter haar werk kon doen, meer bepaald: selecteren. Dat begrip stond centraal in het werk van Darwin, die een drietal jaren voor Malthus' dood van wal stak met zijn Beagle.
Malthus voorzag de naar hem genoemde catastrofe al in de 19de eeuw, maar hij kon uiteraard niet weten dat na zijn dood de Industriële Revolutie zich echt zou doorzetten, met massaproductie ingevolge de uitvinding en het gebruik van (stoom)machines, waardoor (althans in principe) ineens veel meer mensen gevoed konden worden. Die 'redding' kwam in hoge nood want tijdens Malthus' leven verdubbelde het aantal Europeanen, namelijk van 130 miljoen in 1750 tot 260 miljoen in 1850.
In The Population Bomb van 1968 vergiste ook de beroemde demograaf Paul Ehrlich zich met zijn voorspelling van een catastrofaal voedseltekort met honderden miljoenen doden nog in de zeventiger jaren. Voor 1980 voorspelde hij zelfs een miljard doden en in 1985 zou de wereld op haar grondvesten kraken. De geschiedenis zelf gaf Ehrlich onverwijld ongelijk, maar de man blééf vreemd genoeg een autoriteit inzake demografie: wellicht dankzij een overmaat aan bangeriken onder ons, hangen wij onheilsprofeten aan de lippen. (2)
Volgens de gegevens van de Verenigde Naties, kunnen alle aardbewoners van vandaag makkelijk wonen in de staat Texas. En het wereldbevolkingsaantal zou nog toenemen tot 8 miljard in 2040 om daarna weer af te nemen. (3)
Biedt de nieuwe (onder meer sexuele maar vooral atheïstische) moraal een oplossing aan het probleem van de wereldbevolkingsdruk en zo ook aan het prangende milieuprobleem dat de wereld gijzelt, of hoeft er helemaal niets te worden opgelost en is het al dan niet vermeende populatie- en/of milieuprobleem slechts een alibi voor de ontkerstening van de wereld - als het van sommigen afhangt... door de duivel zelf?
Het paradoxale van het hele geschil ligt wellicht hierin dat de nu onderling strijdende religieuze seksuele ethiek enerzijds, en de seksuele ontvolkingsmoraal anderzijds, hetzelfde doel hebben: hygiëne, gezondheid en dus overleving van het individu maar vooral ook van de soort. Zoals het woord zelf het zegt, streeft de kuisheidsethiek de zuiverheid na, ook en vooral in de meest letterlijke betekenis van 'onbesmetheid'. Steriliteit valt dan als het ware samen met heiligheid en wie besmet worden met ziektekiemen, gaan ijlen: over hen werd niet gezegd dat microben in hen huisden maar wel boze geesten. Kuisheid - ook in de letterlijke betekenis - vergde zelfbeheersing en huwelijkstrouw en onder meer via haar kon de bevolkingsdruk als het ware van bovenaf worden (bij)gestuurd, al was ook het huwelijk op zich reeds een krachtig middel in functie van datzelfde doel, bijvoorbeeld via gezinsplanning en financiering. Het stichten en uitbreiden van gezinnen werd aangemoedigd in het kader van de versterking van het volk.
Nu de wereld klein geworden is en de volkeren als het ware door de mensheid zelf worden onttroond, geloven sommigen - terecht of ten onrechte - dat de mensheid bedreigd wordt door overbevolking, en ook zij grijpen naar de moraal als een probaat middel om vat te krijgen op de bevolkingsdruk. Edoch, waar het ideaal van de grote gezinnen vervangen wordt door dat van de geboortebeperking, is ook de moraal aan een vernieuwing toe en, naast de propaganda voor anticonceptiva, tracht men van hogerhand abortus en euthanasie van een verschrikkelijk taboe om te buigen naar bijna een 'must'. Het is nu reeds 'not done' om een gehandicapt kind te laten geboren worden en straks worden hoogbejaarden met de vinger gewezen, als waren zij schuldig aan het zich toeëigenen van al te veel levenstijd op de kap van de rest van de maatschappij. Euthanasie gaat 'zelfbeschikking' heten en abortus 'geboorteregeling'. Zij worden gekoppeld aan de zogenaamde nieuwe 'eugenetica' die we nog kennen uit das Dritte Reich en die hand in hand gaat met de hoogmoed welke altijd aan de val vooraf gaat.
In de nieuwe moraal, meer bepaald in de seksuele ethiek, wordt nu de zogenaamde 'sex' - in de betekenis van het gebruik van de genitale lusten - ontkoppeld van de 'voortplanting', en wel omdat men de mening is toegedaan dat de voortplanting vandaag niet langer in functie van de overleving staat, doch daarentegen de grootste bedreiging vormt voor het soortbehoud. De ontkoppeling in kwestie is niet uniek en kan bijvoorbeeld vergeleken worden met de opsplitsing van de vroegere jacht in, enerzijds, de voor de gezondheid noodzakelijke beweging en, anderzijds, de hedendaagse, vaak sedentaire arbeid. Ingevolge de vertechnisering van de maatschappij, ontstaat meer zittend werk, maar ons biologisch organisme blijft ten achter op de vooruitgang met een primitieve bewegingsbehoefte waaraan dan wordt tegemoet gekomen via de sport. Men kan het volk zijn beweging niet ongestraft ontnemen want dan ontstaan allerlei zogenaamde beschavingsziekten zoals hoge bloeddruk, zwaarlijvigheid, hartinfarct en kanker. Analoog kan men het volk niet van zijn seksuele activiteit beroven van zodra overbevolking dreigt: men moet deze afsplitsen van de voortplanting omdat zij sowieso het voortbestaan niet langer bevordert doch dwarsboomt. Die situatie is op zijn minst vreemd te noemen, maar indien de overbevolking inderdaad dreigt met een catastrofe, dan is zij eerder realistisch dan vreemd. Sportbeoefening werd ooit door een meerderheid als pervers beschouwd, maar het duurde slechts enkele generaties tot het algemeen inzicht in de zin ervan doorbrak. Hetzelfde zou dan gelden met betrekking tot de veranderde seksuele ethiek. Waar de Kerk zei en nog steeds zegt dat de seksualiteit pas eumoreel is waar zij de procreatie op het oog heeft, moet de procreatieve seksualiteit door de nieuwe moralisten strikt aan banden worden gelegd en wordt tegelijk de recreatieve sex beoefend, bijna zoals de sport van weleer.
Toch is dit "gebruik der lusten", zoals Michel Foucault het noemt in zijn Geschiedenis van de seksualiteit (4), wellicht veel minder pervers dan een andere ontregeling die daarmee samengaat, met name het hardnekkig identificeren van elk nieuw leven met de meest dreigende doodsoorzaak. Waar men het geloof aanhangt dat er al teveel mensen leven, is de nieuwgeborene niet langer het Kerstekind maar veeleer de Satan. Waar mensen geloven te moeten vrezen dat zij door hun naasten onder de voet zullen worden gelopen, zullen zij hun naasten sowieso demoniseren. In de legalisering van abortus voltrekt zich niets anders dan de bestraffing met de dood van de meest weerlozen onder ons voor de schuld van hun bestaan die per definitie nooit bij hen zelf kan liggen aangezien niemand zichzelf verwekken kan.
Een Amerikaans katholiek priester en exorcist oppert in verband met abortus de theorie dat deze slachting der onschuldigen, welke sinds kort massaal over de ganse aardbol wordt verricht, het werk is van demonen die een groot deel van de mensheid in hun bezit hebben genomen. Hij spreekt over rituele slachtingen welke mensenoffers aan de duivel zijn - de duivel hier bijvoorbeeld in de gedaante van het gouden kalf, want heel wat mensen plegen abortus omdat zij het leven van hun kind herleiden tot een stuk van het eigen bezit, hetwelke ze 'wegdoen' als ze het voor zichzelf waardeloos achten. Het is alvast een waarheid als een koe dat bij elke abortus een levend kind wordt gedood nog vooraleer het de baarmoeder verlaten heeft, en indien de vrouw bredere heupen had zodat zij haar zwangerschap niet voortijdig hoefde af te breken - wat nu het geval is bij de mens - dan werden onder de noemer 'abortus', kinderen wellicht gedood tot aan hun eenentwintigste levensmaand in plaats van tot aan hun negende.
In een wereld die steeds meer uitgesproken het bezit wordt van het gouden kalf, moet op den duur niet slechts voor de bestaansmiddelen maar ook voor het bestaan zelf worden betaald en zullen de armsten ook op dit gebied aan het kortste eind gaan trekken. Het wordt geoorloofd om al diegenen te doden die hun verblijf in het rijk van het kalf niet betalen kunnen, en dat recht wordt zelfs een plicht jegens de 'gemeenschap', waaronder moet worden verstaan: de bende der samenzweerders die zich na het verdrijven van de godsdienst, de aarde hebben toegeëigend en zichzelf tot heerser daarover hebben verheven. Zoals Malthus het reeds voorschreef, ruim twee eeuwen geleden, moeten de armen het ontgelden, maar het argument dat Malthus hanteert is bijzonder oneigenlijk: hij gelooft dat steun aan de armen hun aantal alleen maar zal doen toenemen.
Hoe ondoordacht dit argument wel is, wordt duidelijk wanneer men zich rekenschap geeft van het feit dat het de rijken zijn die het milieu uitputten; een relatieve toename van het aantal armen en een inperking van het aantal rijken zou dan uiteraard het milieu in alle opzichten alleen maar ten goede kunnen komen.
Meningen en overtuigingen zijn één zaak, maar een andere zaak zijn de feiten, en één van die feiten is het volgende. De stelling dat er op deze aarde teveel mensen leven, is grondig immoreel omdat wie ze verkondigen, zich impliciet neerleggen bij de gangbare levenswijze van dat gedeelte van de wereldbevolking dat zich te buiten gaat aan een exuberant verbruik van energie en grondstoffen. Eenvoudiger uitgedrukt: in acht genomen het feit dat het energieverbruik en de afvalproductie van Amerikanen het veertigvoudige bedraagt van dat van de Indiase paria's, terwijl het verbruik van bijvoorbeeld 'milieuactivist' Al Gore nog eens het twintigvoudige is van dat van een doorsnee Amerikaan, volstaan amper tien miljoen Al Goortjes om de wereld zogezegd te overbevolken, want hun verbruik zal gelijk zijn aan het huidige verbruik van de ganse huidige wereldbevolking van welhaast zeven miljard mensen. Al Gore's verbruik is het duizendvoudige van dat van een povere Indiër; gesteld dat er op aarde zoveel mensen leefden als er Belgen zijn, maar zij zouden elk zoveel vervuilen als een superrijke, dan was het milieu er met tien miljoen mensen even erg aan toe als nu het geval is. Het is meer dan duidelijk dat niet die tien miljoen mensen maken dat de wereld hen niet meer dragen kan, maar wel hun spilzucht.
Elders hebben wij betoogd dat spilzucht of bovenmatig energieverbruik in wezen een ziekte van het kapitalisme is, net zoals, onder meer, overproductie en de dwang om alsmaar te groeien. Spilzucht is namelijk de ultieme mogelijkheid tot manifestatie van zijn macht, in een systeem waarvan niet de samenwerking maar wel de concurrentie de motor vormt; wie zich in het westen opgewerkt hebben naar de top, die willen daarvoor ook erkend worden, en er rest hen daartoe geen ander middel dan dat zij hun bezit en macht uitstallen, wat door de band slechts ondubbelzinnig zichtbaar wordt in een relatief hoog verbruik. (5) Wie vandaag spreekt van overbevolking en dan de redenering van Malthus volgt, is duidelijk immoreel bezig: hij geeft de voorrang aan een buitensporige levenswijze voor de (schuldige) rijken, boven het bestaansrecht voor de armen - die in de praktijk bovendien kinderen en derhalve onschuldigen zijn. En in dat licht is het zeker niet overdreven wat de hoger genoemde exorcist vertelt, zelfs al was die man waanzinnig: hij stelt namelijk dat in de algemene abortuspraktijk onschuldig leven wordt opgeofferd aan het gouden kalf en dus aan de duivel.
Onze conclusie mag nu duidelijk zijn: de vervuiling en het verbruik moeten naar beneden, en dan kunnen er nog heel wat mensen bij. Maar om dat te bereiken, moet er samengewerkt worden want concurrentie is uit den boze. Daartoe is geen wetenschap nodig of techniek, maar wel een fundamentele wijziging van ethische aard. Het alternatief doemt vandaag reeds voor onze ogen op.
(J.B., 15-16 december 2009)
Noten:
(1) Book IV, Chapter V § 1: Of the Consequences of pursuing the opposite Mode. Oorspronkelijk: "All the children born, beyond what would be required to keep up the population to this level, must necessarily perish, unless room be made for them by the deaths of grown persons". Zie ook:
In twee woorden lijkt de speech van de winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede 2009 een geloofsbelijdenis in de rechtvaardigheid en in de kracht van de menselijke tussenkomst in de geschiedenis. (
"Our actions matter, and can bend history in the direction of justice.") Een weigering van het fatalisme, een ode aan de rede. Maar hoort men dan niet plotseling een valse noot? Het luidt immers ineens dat ook de rede haar grenzen heeft en dat daar het geweld het van haar moet overnemen. ("To say that force is sometimes necessary is not a call to cynicism - it is a recognition of history; the imperfections of man and the limits of reason.") Het gebruik van geweld is namelijk noodzakelijk en zelfs moreel gerechtvaardigd als een land wordt aangevallen en zichzelf dan moet verdedigen. Zo was zonder een militaire tussenkomst Hitler niet te verslaan en sinds W.O.II werden ook afspraken gemaakt om de wereldvrede te bestendigen. En dat is ook goed gelukt, gelooft Obama. Uiteraard vergt elke oorlog offers, maar als we ons vrijheidsideaal niet verdedigen, dan verliezen wij onze vrijheid ook en wat is vrede zonder vrijheid waard? Wie de mensenrechten genieten, die hebben ook de plicht om ze elders te doen naleven: de overtuiging dat alle mensen uiteindelijk hetzelfde willen, namelijk persoonlijke vrijheid en geluk, rechtvaardigt de militaire tussenkomsten ter verdediging daarvan, als zij door regeringen met de voeten worden getreden. Echte vrede vereist dat afspraken en regelgevingen moeten kunnen afgedwongen worden met sancties en zonodig met geweld. Zo is er de noodzaak om de verspreiding van atoomwapens tegen te gaan en ook volkerenmoorden binnenin naties en schendingen van mensenrechten vereisen en rechtvaardigen ingrepen van buitenaf. De afwezigheid van openlijk geweld is nog steeds geen vrede: rechtvaardige vrede vereist vrijheid voor allen en respect voor de mensenrechten. Tenslotte vereist echte vrede ook economische stabiliteit, nodig voor ieders ontwikkeling en geluk. Obama citeert Kant als hij zegt dat elke religie hetzelfde nastreeft, met name de wil om anderen te bejegenen zoals ook wij wilden dat zij ons bejegenden. We zijn onvolmaakt, zo besluit hij, maar we kunnen tenminste naar de perfectie streven: alleen zo ontsnappen we aan het fatalisme en zetten we het verhaal van de menselijke vooruitgang verder.
"Verantwoorde oorlog"
Barack Obama, president van de Verenigde Staten van Amerika, ontvangt op 11 december 2009 te Oslo de Nobelprijs voor de Vrede en bij die gelegenheid verdedigt hij het begrip van de "verantwoorde oorlog" ("the concept of a just war"): een oorlog die màg én moét. Maar is dat geen contradictio in terminis?
Zelfverdediging is gerechtvaardigd, en zo ook oorlog uit zelfverdediging, zo weerklinkt het door de eeuwen, zelfs door de mond van heiligen zoals Thomas Aquinas, de allergrootste katholieke kerkvader. Maar dit doet niets af van het feit dat oorlog geweld is. Geweld is niets anders dan het tot de hoogste wet verheffen van het recht van de sterkste. En voor wie er nog mochten aan twijfelen: het recht van de sterkste is de volstrekte wettelóósheid. De koopwaar van Obama is bijzonder precair maar wat zijn de alternatieven?
Burgers de oorlog insturen
Wanneer vrouw en kind worden bedreigd door een niets ontziende vijand, moet de man niet op de loop gaan, althans niet zonder vrouw en kind. Men kan vluchten voor een vijand zoals men ook vlucht voor een tornado, een aardbeving of een andere naderende natuurramp. Vluchten is geen lafheid voor een kapitein die eerst iedereen in veiligheid brengt en die tot de laatste man aan boord blijft.
Terugvechten is minder verkieslijk dan vluchten van zodra men daarbij datgene risceert dat men, koste wat het wil, tegen de vijand wil beveiligen . In het geval men zich de sterkste weet, rijst de vraag hoevéél sterker men wel is: is men absoluut de sterkste zodat men niemand van zijn manschappen risceert? Of is men slechts sterker in die zin dat men op een eindzege mag hopen met relatief wéinig slachtoffers?
In het eerste geval is het beslist niét gerechtvaardigd om de vijand preventief uit te schakelen want van zelfverdediging kon dan bezwaarlijk sprake zijn. Bij het tot wet worden van het recht op preventieve oorlog, kon geen mens zich ooit nog veilig voelen. En als terugvechten zonder 'offers' onmogelijk is terwijl de vlucht geen optie meer kan zijn, dan kan men beter spreken over 'risico's' dan over 'offers', aangezien 'offer' een term is die veeleer past in het kader van kamikaze of van zelfmoordterreur. Risico's daarentegen kunnen uit het leven niet worden uitgesloten. Zelfs bij het slapen stellen we ons bloot aan gevaren die we hadden kunnen voorkomen indien we maar wakker waren gebleven. Veel prangender is de vraag of wij risico's mogen nemen waarvan niet wijzelf de dupe kunnen zijn, maar derden: onze eigen kinderen, maar gebeurlijk ook de vijand... en zijn kinderen.
De goede herder
In de parabel van de goede herder, vertelde inmiddels tweeduizend jaar geleden Jezus Christus het verhaal van een verloren schaap dat door zijn herder wordt teruggehaald uit de woestenij. De Zoon Gods spreekt van een goede herder omdat die, om amper één van zijn schapen te redden, zijn eigen leven op het spel zet en de rest van de kudde achterlaat.
De zaak is deze, dat de schapen aan de zorg van deze herder werden toevertrouwd en dat hij daarover bijgevolg verantwoording zal moeten kunnen afleggen: over de kudde, maar evenzeer over het lot van élk van de schapen. Wat er met hém gebeurt als hij zich in de woestenij begeeft om een verloren schaap terug te halen, is dan niet langer zijn zaak: dat is de verantwoordelijkheid van zijn opdrachtgever.
Een herder die bij het tellen van zijn schapen merkt dat hij er eentje tekort komt, maar die zich er makkelijk vanaf maakt met het argument dat hij er nog genoeg overhoudt, kan beslist géén goede herder zijn. Immers, als zijn opdrachtgever hem zou vragen waarom hij dat ene verdwaalde schaap niet terug ging halen: wat anders kon hij antwoorden dan dat hij zijn eigen leven niet op het spel wilde zetten voor een schaap? Edoch, in dat antwoord zou hij uiteraard zijn opdrachtgever beledigen, en die zou hem terecht wijzen met de woorden: hoe zou ik u een taak opdragen waarvan ik wist dat ze uw leven in gevaar bracht!? Dan bracht ik immers meteen de kudde in gevaar die ik u had toevertrouwd!
"Bemint uw vijanden!"
Het is beslist niet zo dat Obama zijn schapen de woestenij in stuurt. Veeleer is het omgekeerde waar en wil hij verloren schapen - die weliswaar aan àndere herders toebehoren - in de woestenij gaan redden: in Irak, in Bosnië en op nog tal van andere plaatsen. Maar dat doet hij niet eigenhandig zoals de goede herder uit de parabel. Hij zend daarentegen zijn schapen uit en hij vraagt hen om voor herder te gaan spelen in den vreemde. Voorwaar deed Christus dat ook met zijn apostelen, en de Kerk doet dat nog met haar zendelingen vandaag, maar Christus gaf wel eerst zelf het voorbeeld en zijn volgelingen handelen uit vrije wil. Zolang de vrijheid van de missionarissen wordt gerespecteerd, lijkt die handelwijze sluitend. Is het immers niet omwille van de vrijheid dat troepen worden uitgestuurd?
Een ander probleem duikt op waar aan zendelingen gevraagd wordt dat zij zouden doden. Christus vroeg aan zijn apostelen dat zij hun leven zouden geven voor hun naasten, zoals Hij zelf hen dat had voorgedaan. Omtrent de vijand zegde hij niét dat die gedood moest worden: "Bemint uw vijanden!" was zijn devies en is dat niet het tegendeel van doden? Stelde Obama Jezus Christus in zijn schaduw als hij beweerde dat het verlangen naar vrede niet volstond om die te realiseren, en dat derhalve geweld soms nodig was? Volgens Christus immers kan vrede niet het resultaat van oorlog zijn ("Wie het zwaard hanteert, zal omkomen door het zwaard"); volgens Hem is vrede een vrucht van de liefde.
Mag een herder zijn schapen de wildernis in sturen met de opdracht daar herder te gaan spelen over de schapen van een ander? Als die andere herder dat niet wil, dan brengt de eerste zodoende zijn eigen schapen toch alleen maar in gevaar? En dat lijkt tenminste iets heel anders dan zijn eigen leven te risceren voor één schaap, of niet? Een leger wordt niet beduidend zwakker bij het verlies van slechts één soldaat, zoals ook een politicus zijn job niet zal verliezen als hij slechts één stem moet missen, maar zijn mensen dan te herleiden tot de kudde die ze vormen en dus tot het aantal waartoe ze trouwens ook ter gelegenheid van de verkiezingen worden herleid?
Het bestaan van het kwaad rechtvaardigt volgens het christendom de oorlog niet omdat het kwaad - alvast in de analyse van de heilige Augustinus - geen identiteit en zelfs geen entiteit is die men doden kon: het kwaad is daarentegen een tekort, meer bepaald is het kwaad niets anders dan een tekort aan het goede. Het wordt derhalve pas bestreden door het goede zelf, en dat is dan ook perfect in overeenstemming met het gebod: "Bemint uw vijanden!" De tragiek van de oorlog ligt hierin, dat door de identificatie van het kwaad met bepaalde personen - 'vijanden' - die men dan doodt, men zichzelf terstond transformeert in de moordenaar die men bestrijden wilde, en zo plant het kwaad zich alleen maar voort.
Of Obama het bij het rechte eind heeft met zijn 'gerechtvaardigde oorlog', is onzeker: dit zijn immers bijzonder moeilijke kwesties, zaken die het loutere denken te boven gaan. Zeker is wel dat er godsdiensten bestaan die zich veel beter lenen tot de ondersteuning van dat concept van een 'gerechtvaardigde strijd', dan het christendom.
De vijand binnenin
Maar er doet zich vandaag nog een andere bijzonderheid voor inzake oorlog; een verontrustende zaak die misschien wel de eigenlijke doch verborgen vijand aan het licht kon brengen en die daarom niet mag veronachtzaamd worden. Men ziet immers dat de crisis, ook in het thuisland, een grote groep mensen treft die voordien welstellend waren. Deze slachtoffers lijden honger en kou. Armoe is geen schande, maar toch zijn zij vooral voor de oneer op de vlucht, en zij zien zich genoodzaakt om aan het front te gaan vechten in de hoop aldus hun families bij te kunnen staan. De nood is immers zo groot dat deze burgers uit hun woningen worden verjaagd. Maar het zijn geen vreemde en vijandige volkeren die hen de straat op jagen; welneen: het zijn hun eigen landgenoten die dat doen! Meer bepaald zijn het de kapitaalkrachtige burgers - de eigenaars van de woningen waarvoor zij niet langer de huur kunnen betalen - die hun medeburgers meedogenloos in de kou laten staan, en die zich aldus als hun vijanden ontpoppen...
Want is het niet verbluffend hoe gedwee allen knielen voor het gouden kalf dat feitelijk het egoïsme vertegenwoordigt dat misschien wel onze grootste vijand is? Is het niet verbazingwekkend hoe volslagen kritiekloos elkeen zich neerlegt bij de orde van het geld? En met welk een vanzelfsprekendheid het brute egoïsme zijn rechten opeist, óók al zijn de schuldeisers de medeburgers van de schuldenaren en treft hen geen verwijt inzake een crisis die de vrijheid in de weg staat en die tenslotte een kind is van de ongebreidelde hebzucht?
(J.B., 12-13 december 2009)
07-12-2009
Het leven als losprijs voor de Liefde
Het leven als losprijs voor de Liefde
Als het inderdaad zo is dat deze wereld des duivels is, dat de dienaren van het gouden kalf het hier voor het zeggen hebben en dat bijgevolg de misdaad loont, dan is voor de rechtvaardige het loon van de wereld ondank, zoals het aloude spreekwoord zegt.
Edoch, ook al zullen aan gene zijde van de dood de onrechtvaardigen hun loon al ontvangen hebben: aan deze zijde is voor wie zich niet met de afgod compromitteren, de term 'ondank' veel te zwak om uit te drukken wat zij te verduren krijgen.
Het zich borg stellen voor waarden die verder reiken dan het onmiddellijke voordeel, eist immers een tol die hier en nu betaald wordt met het derven van uitgerekend al die zaken waarop de duivel sinds de zondeval het monopolie zegt te hebben verworven.
Wie verzaken aan geld, macht en lusten, vergissen zich als zij geloven dat zij dan verder maar met rust gelaten zullen worden want de mammon wordt ferm beledigd door wie niet voor hem knielen willen en hij zal dan ook niet nalaten om zich te wreken overeenkomstig zijn (niet geringe) arrogantie.
Hij heeft het immers zo geregeld dat zonder zijn wereldse goederen men ook louter natuurlijkerwijze niet leven kan, heel eenvoudig omdat het kalf de bevrediging der natuurlijke behoeften op een bijzonder doortrapte manier voorwaardelijk heeft gemaakt.
Vraag dat bijvoorbeeld maar eens aan mensen zonder papieren of, eenvoudiger nog, aan mensen met een hongerig kroost en geldgebrek: geldgebrek is gebrek aan voedsel en aan leven sinds de duivel het leven op aarde aan zich onderworpen heeft en hij middels dit leven in zijn klauwen gelooft de godheid te kunnen sarren.
Ooit werd de kop van de wereldheerser op de klinkende munten afgebeeld, omdat uiteindelijk hij het is die borg staat voor de waarde der betaalmiddelen. Hij staat er borg voor omdat al wie de waarde van het geld niet respecteren, door hem met geweld daartoe gedwongen zullen worden.
Zo zullen reeds al diegenen die het nalaten om geld te verwerven - ongeacht of zij dat middels zweet en tranen doen ofwel door leugen, diefstal en bedrog - niet alleen maar dat geld moeten derven: zij zullen op de koop toe honger lijden, kou en onrecht.
En zij die geld willen verwerven teneinde de honger, de kou en het onrecht te ontvluchten, zullen daarvoor betalen met gelijke munt, wat wil zeggen dat zij in het zweet des aanschijns zullen wroeten: zo immers zullen zij wéér honger lijden, kou en onrecht.
Behalve uiteraard als zij hun toevlucht nemen tot het overtreden van de goddelijke wet, want pas dan zullen zij in het kalf dat immers de godheid naar de kroon steekt, hun ware bondgenoot hebben gevonden.
En zo komt het dat wie getuigen willen voor waarden die het onmiddellijke voordeel overtreffen - zoals bij uitstek de liefde dat doet - daarvoor met leed betalen moeten en uiteindelijk ook met het leven zelf.
Alleen op die manier kan gewicht in de schaal geworpen worden dat haar doet overhellen in het voordeel van wie daar recht op hebben.
De liefde immers staat geheel boven het leven: zij is het die het leven levend maakt; zonder haar is het voor al diegenen die in leven zijn eender of zij leven want zonder haar zijn zij feitelijk al dood.
En dat ondervinden zij ook, in die laatste dagen, in het eschaton van de geschiedenis, als immers de grote verkoeling over de wereld komt nadat de cherubijnen de laatste kinderen Gods zullen hebben teruggehaald.
(J.B., 6 december 2009)
18-10-2009
Mirakels en geloof
Mirakels en geloof
Ter gelegenheid van de heiligverklaring van pater Damiaan van Tremelo, wordt her en der weer over mirakels gesproken omdat een heiligverklaring, trouwens evenals een zaligverklaring, een mirakel vergt door toedoen van de heilige in kwestie. Met betrekking tot het mirakel dat het licht op groen zette voor de heiligverklaring van Damiaan, werd in oktober 2009 door een Vlaamse televisiezender een reportage uitgezonden over het mirakel in kwestie en daarbij werden ook enkele kritische vragen gesteld die beslist niet bevorderlijk zijn geweest voor het geloof in wonderen. Maar betrokken priesters antwoorden daarop dat de term 'mirakel' afkomstig is van het Latijnse 'mirum', wat verwijst naar al wat wonderbaarlijk is en niet zozeer naar wat perse de natuurwetten zou tarten.
Met de term 'natuurwet' komen we overigens in een vaarwater terecht dat in feite veel chaotischer kolkt dan het beekje van alle wonderen tesamen. Natuurwetten bestaan immers niet: zoals de ongelovige David Hume het nauwkeurig becijferde en verklaarde, zijn die wetten niets meer dan afgeleiden uit de zogenaamde "wet der gewoonte": wie gewoon is te zien dat op aarde alle stenen vallen, die leidt daaruit de valwet af, en daarmee is principieel alles over natuurwetten klaar en duidelijk gezegd. Op de keper beschouwd, zo merkt Hume op, is de overgang van onze ervaring (dat stenen vallen) naar de zogenaamde wet (die de valwet is), feitelijk ongeoorloofd want niet helemaal correct. Het is niet omdat ik tot op heden elke morgen wakker ben geworden en ben opgestaan, dat ik dit tot een wet mocht uitroepen en mocht besluiten dat ik elke ochtend wakker worden zal. Sowieso zit er op zijn minst een zekere speling op die zogenaamde natuurwetten, en vaak worden zij door verborgen variabelen vroeg of laat onderuit gehaald.
Een wonder is uiteraard geen onmogelijkheid, aangezien het zich tenminste nu en dan toch voor iedereen zichtbaar blijkt voor te doen en in feite doet het zich voortdurend voor, zoals er geregeld wel iemand is die de lotto wint of zoals tallozen 'toevallig' op dezelfde dag verjaren. Dat deze 'toevalligheden' zich voordoen, verschijnt vanuit het globaliserende standpunt van de kansrekening zelfs als een noodzaak en op die manier is het ook wegens de beperktheid en wegens het voorlopigheidskarakter van onze kennis noodzakelijk dat er speling zit op alles wat wij voor waar en voor onmogelijk houden.
Verwondering is overigens ver te zoeken waar onze geest er niet voor open staat: daar zal die immers evengoed wegblijven als de beelden en de geluiden wegblijven uit blinde ogen en uit dove oren. Want aan een tekort aan zonlicht is het zeker niet te wijten dat de blinde niet kan zien, en een tekort aan geluiden maakt ook niet dat doven niet horen kunnen. En verder gebeurt het ook veelvuldig dat, op klaarlichte dag, ogen die gezond zijn, niets hebben gezien, of dat oren die horen kunnen, van een ganse uiteenzetting niets lijken te hebben vernomen, alleen omdat die ogen niet keken en die oren niet luisterden. Het kijken en het luisteren onderscheiden zich van het zien en het horen hierin, dat zij naast het licht en het zien, naast de geluiden en het horen, ook nog de aandacht hebben, welke de wakkerheid is van de persoon met betrekking tot datgene wat aan hem zintuiglijk of anderszins verschijnt.
Sommigen onder ons kunnen zich nog de tijd herinneren dat er geen televisie bestond. Toen de eerste toestellen in omloop kwamen, sloegen zij alle mensen zonder uitzondering met verbazing of verwondering. Maar vandaag is er geen kind meer dat zich afvraagt hoe het mogelijk is dat wij beelden zien van mensen in een ander land. Hetzelfde geldt voor de telefoon, de auto, en uiteindelijk voor elk van onze uitvindingen. Maar uitvindingen zijn geen menselijke maaksels: de elektriciteit heeft een eeuwigheid op ons gewacht in de bliksems van het ontij om door ons gekanaliseerd en gebruikt te kunnen worden; hij was altijd een mogelijkheid, die zich door toedoen van omzeggens één man (in dit geval:Benjamin Franklin) opeens realiseerde en dan een verworvenheid was voorgoed. Op dezelfde wijze was er steeds de ether en de mogelijkheid om daar beelden doorheen te sturen, en alles wat zich ooit realiseert, heeft uiteraard steeds al als mogelijkheid bestaan. De verwondering is er altijd wel, heel in het begin, maar zij verdwijnt, om nooit meer weer te keren, wellicht ingevolge een arrogantie waarin de ondankbare mens geneigd is om alles wat goed is, toe te schrijven aan zichzelf.
En zo hebben wij uiteindelijk mirakels meer dan nodig: nieuwe prikkels die ons heel even doen opkijken, die onze aandacht wakker maken voor een ogenblik en die ons voor dat moment bevrijden uit de kerker van zelfvoldaanheid, van ondankbaarheid en zelfs van solipsisme waarmee we onszelf van het licht van de grote dag beroven. Mirakels zijn welbeschouwd niets anders dan tekenen van genade en zij bieden ons zelfs de mogelijkheid om niet slechts datgene wat zij een ogenblik belichten, maar principieel al het goede van het leven, weer in het licht van hun nieuwheid te zien.
(J.B., 18.10.2009)
16-10-2009
Droom en werkelijkheid, goed en kwaad
Droom en werkelijkheid, goed en kwaad
Van Rembrandt is bekend dat hij zich voor zijn kunstwerken vaak inspireerde op vage en chaotische schimmelvlekken en schaduwen op muren en plafonds. Men hoeft trouwens geen artiest te zijn om bijvoorbeeld in de wolken een fraai gezicht te zien. Menig fabrieksarbeider zal getuigen dat uit het constante lawaai van machines op den duur een melodie te voorschijn komt, en de hit "To the machine" van de legendarische popgroep Pink Floyd is, zoals elkeen dat kan horen, ontegensprekelijk rechtstreeks uit het machinegeraas zelf geboren. De Schepper van hemel en aarde tenslotte, bracht volgens het ontstaansverhaal in Genesis de wereld helemaal niet uit het niets tot stand, doch uit de chaos en de woestenij die in het begin der tijden heerste. Op de keper beschouwd is het niets zelf trouwens ook niet anders denkbaar dan als een 'chaotisch iets'.
De cruciale vraag luidt nu of uiteindelijk niet alles wat er is - of dan tenminste toch alles waarvan wij kunnen veronderstellen dat het er is, wijzelf inbegrepen - voortgekomen is door de projectie van dromerige fantasieën op het niets of op de chaos. Toegegeven, het is een ietwat vreemde vraag die denken doet aan de mythische slang die zichzelf in de staart bijt, maar het is niettemin een vraag die zich menigmaal opwerpt en die vaak ook talloze vermeend realistische wereldbeelden naar de prullenmand heeft verwezen.
Zogenaamde realisten zullen immers geneigd zijn om aan te nemen dat dromen afgeleiden uit de werkelijkheid zijn en dat zij dus de werkelijkheid nodig hebben om te kunnen bestaan, zoals ook de illusie van Magritte's "pipe", die immers van verf op doek is en daarom "pas une pipe", wél echte verf nodig heeft om zich te manifesteren. Evenzo, zeggen zij, kunnen dromen niet bestaan zonder echte en klare gedachten... in echte (lees: materiële of stoffelijke) hersenen.
Edoch, sinds geruime tijd moet hierbij worden opgemerkt dat niet alleen de droom vaag en chaotisch is: ook schijnbaar klare gedachten zijn dat, en zelfs hersenen: de stof waarvan naïeve realisten lange tijd geloofden dat zij solide was, blijkt als men ze van wat naderbij nauwkeurig observeert, louter chaos.
Stof immers kan niet zonder vorm bestaan - om te beginnen - en vorm is chaos totdat een wezen zoals u en ik daarin iets gaan herkennen. Een wezen zoals u en ik, maar ook de schepper van hemel en aarde speelt hier mee want hij kan uiteraard tenminste presteren wat ook zijn schepselen doen. Een kristal heeft een chaotische vorm totdat u en ik daar 'rechte' en 'meetkundige' 'vormen' in herkennen... maar uiteraard zijn die vormen ook los van onze waarneming een feit, maar dan alleen omdat God ze als zodanig herkent.
Die laatste opmerking mag dan vreemd lijken: zij is van het allergrootste belang en de ganse geschiedenis van het ernstige menselijke denken heeft daar ook nooit omheen gekund. Als het bestaan van vormen afhangt van bewuste herkenning of dus van bewustzijn, en als zodoende een vorm geen zijn heeft zonder een bewustzijn... terwijl uiteraard geen enkel stukje stof zonder vorm kan bestaan... dan betekent zulks meteen dat stof los van bewustzijn onbestaande is. Wie dan nog blijft geloven in het solide karakter van de materie, die moet uiteraard ook aannemen dat er, naast de vergankelijke mens, een onvergankelijk wezen is in wiens bewustzijn de stof voortleeft wanneer de mens en de andere bewuste schepselen er niet (meer) zijn of er nog niet waren. En is dat laatste niet in twee woorden wat bisschop Berkeley beweert?
Wat op het eerste gezicht ingewikkeld lijkt, kan ook eenvoudig worden gezegd: er bestaat geen stof zonder vorm, daarmee zal elk weldenkend mens het eens zijn. Maar er bestaat uiteraard ook geen vorm zonder vormherkenning. Wie in een welbepaalde vorm een huis ziet, die doet dat omdat hij dat huis herkent en dus ook als zodanig kent. Een huis, een cirkel, een welbepaalde kleur en noem maar op. Zelfs een beweging kan niet worden waargenomen zonder wezens die benul hebben van het tijdsverloop, en men zou zelfs gaan denken dat tijd pas kan beginnen met bestaan als er eerst wezens bestaan die hem meten.
Geen stof zonder vorm, geen vorm zonder vormherkenning en dus zonder een wezen dat zich van vormen welbewust is. Als materie zonder de mens blijft voortbestaan (en dat is wat materialisten geloven, want zij beschouwen mensen als wezens die uit de materie geboren zijn) dan kan dat alleen dankzij het goddelijke bewustzijn. Een materialist die niet in god gelooft, spreekt bijgevolg zichzelf hard tegen. Maar hier zit uiteraard nog heel wat meer in dan wat nu gezegd kan worden...
De werkelijkheid van een kunstwerk is uit de droom ontstaan en dat geldt ook voor de werkelijkheid van zowat élk menselijk maaksel: het komt voort uit onze fantasie die echter niet geheel losstaat van de realiteit: elke fantasie moet zich aan de werkelijkheid voeden ofwel inspireren, evengoed als de werkelijkheid zich inspireert aan wat fantastisch is. Er ligt een land van onbepaaldheid tussen het echte en de droom, dit land kan groeien ofwel krimpen, het vormt een grens die gevaarlijk is als drijfzand, want het is zowaar een bron - dé bron - van al wat is en niet is. Dit grensgebied is onbepaald maar tegelijk bepalend voor datgene wat het afgrenst, het is gevaar omdat het niets dan onzekerheid is, het is een tol die men betalen moet op straffe van het wegzinken van alles in het niets.
Maar wat dan gezegd als wij aannamen dat er géén god was en dat, bijgevolg, het bestaan van al het stoffelijke volgde op dat van ons bewustzijn? Met andere woorden: wat gedaan indien de stof hetzelfde statuut had als de droom, en indien er aldus geen onderscheid was tussen beide?
In dat geval zou de fantasie waarvan de inhoud immers per definitie van fantaserende wezens afhankelijk is, nimmer eenduidig kunnen zijn, aangezien elkeen het zijne wel bedenkt en samenhang dan heel ver te zoeken was, ja, geheel onmogelijk werd. Het onderscheid tussen werkelijkheid en droom is nodig voor het voortbestaan van onze vrijheid zelf, zo blijkt aldus, en zoals die grens vaag is, die het echte en het gedroomde uiteen houdt, zo ook is onze vrijheid zelf niet voor de volle honderd procent eenduidig. Onze vrijheid én ons eigen Zijn: ze zijn er niet, ze zijn er veeleer bijna, en of ze er ooit helemààl zullen zijn, lijkt wel af te hangen van de inspanningen die wij ons getroosten, allen samen, om de grenzen te eerbiedigen tussen wat echt is en wat niet. Weliswaar zijn wij daar ietwat blind of dom, maar wellicht precies daarom transponeren wij 't probleem van echt en onecht naar dat van goed en kwaad dat daar uiteindelijk zeer diep mee samenhangt.
(J.B., 16.10.2009)
15-10-2009
Geloof en toeval
Geloof en toeval
Men kan mensen niet opdelen in wie zichzelf gelovig en ongelovig noemen, of wie daarvoor doorgaan; mensen zijn veeleer te verdelen in, enerzijds, zij die de lijdenden de rug toekeren en, anderzijds, zij die het voor hen opnemen
. Dat is het oordeel van de Franse Rooms-katholieke priester en stichter van de Emmaüsbeweging die armen en daklozen bijstaat, Abbé Pierre (1912-2007).
Deze filantroop was werkzaam o.m. bij de clochards in Parijs en onlangs nog werd hij door het televisiepubliek verkozen tot derde grootste Fransman aller tijden. Zijn ethiek is die van de Barmhartige Samaritaan.
Edoch ook de ethiek van de atheïstische Gentse moraalfilosoof Etienne Vermeersch (Universiteit Gent, de school van Leo Apostel) , die vecht voor de legalisering van abortus en van euthanasie, noemt zich graag een Barmhartige Samaritaan-ethiek, en Vermeersch deinsde er niet voor terug om Barmhartige Samaritanen zoals bijvoorbeeld de zaligverklaarde stichteres van de Zusters van Naastenliefde en Nobelprijswinnares voor de Vrede in 1979, Moeder Theresa, geboren Agnes Gonxha Bojaxhiu, te bekritiseren omdat zij al die miljoenen "ongewenste sukkelaars" die zijns inziens beter niet hadden bestaan, in leven wilde houden. (1)
In dit ongemakkelijke debat wordt hoe dan ook duidelijk wat reeds de Ouden wisten: iedereen is ethisch in die zin dat iedereen het goede wil. De beslissende vraag is alleen wat het goede dan wel mag zijn. Die vraag blijkt niet simpel te beantwoorden met eeuwig geldende, pasklare antwoorden: zij vergt daarentegen ontzag voor 'de' waarheid die zélf niet eenvoudig blijkt doch die voortdurende studie, toewijding en volgens menigeen aldus een wetenschappelijke aanpak vereist, die dan ook uitmondt in een zeer voorlopige regelgeving, een Cartesiaanse 'morale provisoire'.
Een misschien wel vernietigende kritiek op het atheïstische standpunt luidt dat ethische imperatieven, of dus waarden, niet op waarheden gebaseerd zijn, terwijl het omgekeerde wel en altijd het geval is: een waarheid berust op een waarheidscriterium, en dat is sowieso een waarde. Het goede is niet waar of onwaar, maar het ware is wel goed en de leugen slecht. Trouwens net zoals het schone noch waar noch onwaar is, terwijl over het ware wel gezegd kan worden dat het schoon is, en over leugens dat ze dat niet zijn.
Het goede en het schone lijken dichter bij elkaar te liggen: het stoort ons alvast niet of nauwelijks als we zeggen dat het goede, schoon is en het schone, goed. De omgang met het schone, bijvoorbeeld in de muziek of in de poëzie, heeft haast geen uitstaans met het wetenschappelijke, terwijl men toch terecht spreekt van kennis inzake componeren of inzake kunst in het algemeen. Kunst vergt wel veel kennis (en kunde) maar het verwerven van louter kennis vergt geen kunstenaarstalent, en dat toont aan dat kunst veel méér is dan alleen maar kennis. Zo ook is het goede zeker niet van waarheid verstoken, maar het goede herbergt veel méér dan waarheid alleen. Wetenschap is goed, maar het goede bevat naast de wetenschap nog duizend en één andere, zeer waardevolle dingen. Het volstaat niet dat een arts zijn vak goed kent: als hem de goede intenties ontbreken, heeft zijn kennis voor ons geen nut, in tegendeel. Waar wetenschap in dienst staat van de productie van massavernietigingswapens, heeft men aan haar waarheden niets. Waar kennis in dienst staat van bedrog, ware er beter onwetendheid.
Anders dan geloofd wordt door sommige sciëntisten ofwel mensen die belijden dat de wetenschappen het laatste woord dienen te hebben inzake het ultieme wereldbeeld, is het geloof als zodanig volstrekt niet herleidbaar tot een arbitraire, irrationele en private onderneming die louter op de gevoelswereld betrekking zou hebben. Geloven in de eigenlijke zin heeft niet zozeer met kennis te maken maar wel met het handelen waarin het zich onlosmakelijk geïntegreerd weet. Bovendien is het geloof niet exclusief aan zogenaamde 'gelovigen' eigen: het geloof betreft iedereen zonder uitzondering, om de heel eenvoudige reden dat handelen zonder geloof onmogelijk is, terwijl het zogenaamde ongeloof op de keper beschouwd nog steeds, en ook onafwendbaar, een welbepaald geloof is. Wie beweren niét te geloven, die mogen dan al niet geloven in een welbepaalde zaak: tegelijk geloven zij onvermijdelijk in een andere.
Zogenaamde gelovigen halen er de bijbel bij of nog een ander boek waarvan zij geloven dat het de goddelijke geboden bevat die het goede van het kwade onderscheiden. Naar gelang het gebruikte geloofsboek, verschillen die geboden dus, en zo ook wat goed en kwaad zal heten. De ene god wil dat zijn volgelingen wereldse overwinnaars zijn, een andere beveelt hen dan weer te dienen. Maar ook onder de zogenaamde goddelozen verschillen de regels onderling naar gelang de subgroep: er zijn er die menen dat zonder god alles is geoorloofd, terwijl anderen een ethiek funderen op humaniteit, op biodiversiteit of zelfs, heel simpel, op onmiddellijk nut en bruikbaarheid. Uiteindelijk zijn zij allen, gelovigen en ongelovigen, zoveel soorten als er daarvan zijn, gewoon overgeleverd aan blinde willekeur zoals ook al wie gokken.
Is het levensdoel dan veel te schoon om middels een worp van teerlingen of dobbelstenen bepaald te worden, dan staat daar tegenover dat de natuur zelf niets doet dan blindelings gokken en, bovendien, dat wat er in onze hersenen gebeurt wanneer wij geloven na te denken, in feite een bijzonder complex spel met de roulette is. Redeneren is mogelijkheden aftasten: het is diversifiëren en vervolgens schrappen of selecteren, en tenslotte: overhouden wat hout snijdt. Reeds 'de apostel' gaf aan ons allen de goede raad om alles te beproeven en dan het goede te behouden. En is dat in beginsel niet wat ook een gokker doet?
"Hoe zorgen wij het best voor onze planeet met behoud van onze levenskwaliteit?" Dat is de bedrieglijke slotvraag van het nu alom op het internet opduikende reklamefilmpje van de lobby voor kernenergie. Bedrieglijk, want blijkbaar stelt de lobby energieverbruik zomaar gelijk met levenskwaliteit, terwijl de twee met elkaar pas binnen zeer bepaalde perken iets te maken kunnen hebben.
Zoals de kernenergielobby zelf dat moet erkennen, is de hoeveelheid beschikbare energie op aarde beperkt, precies zoals de hoeveelheid voedsel en de hoeveelheid grond beperkt zijn. Alles is immers eindig, en wie zich daar niet bij neerleggen, die nemen tot zich wat aan een ander toekomt, want élke aardbewoner lust wel een stukje van de koek. Als wij aan pakweg de Afrikanen en de Aziaten een plaatsje gunnen onder de zon, dan moeten we sowieso ons huidige energieverbruik hier in het Westen drastisch gaan beperken.
Maar zoals elke kapitaalgroep, is het ook die kapitaalgroep die de energie uitbaat helemaal niet te doen om moeder aarde, om wereldburgerschap of om gelijkheid en om naastenliefde. Dat kunnen weliswaar al dan niet handige of obligate voorwendsels zijn, overigens sinds oudsher bekend aan elke de passie predikende vos: het eigenlijke motief van deze groepen is en blijft gewoon ordinaire winst, om de heel eenvoudige reden dat onze economie nu eenmaal kapitalistisch is.
Vandaar ook moet de staat geregeld optreden om de excessen van het kapitaalspel in te tomen en om te vermijden dat de motoren van het bestel uiteindelijk bezwijken aan tegendoelmatigheid. In dit geval zou het niet ongepast zijn, mochten de kernenergielobbies erop gewezen worden dat zij het volk (en dan nog op z'n eigen kosten) geen zand in de ogen horen te strooien.
(Jan Bauwens, 15.09.'09)
14-09-2009
Andermaal: de hoofddoek en het kalf
Andermaal: de hoofddoek en het kalf
De mijnheer van de bank heeft het gezegd: “Wij nemen geen hoofddoeken in dienst, een beetje respect voor onze rituelen alsjeblieft!” XML:NAMESPACE PREFIX = O />
Ik weet niet of hij het op die manier gezegd heeft, maar het was wel iets in die zin. Hij droeg een maatpak, een wit hemd en een das. Zonder twijfel een merk-maatpak, een merk-hemd en een merk-das, en dat allemaal wellicht uit de ‘nieuwe collectie’. De mijnheer verdient wellicht een pak geld, maar de kosten die hij moet maken voor zijn dagelijkse verkleedpartij zijn ongetwijfeld navenant. De obligate deodoranten, de implantaten, de plastische chirurgie. De verplichtingen van de echtgenote waarmee hij zich dient te vertonen op de obligate samenkomsten. Het verplichte salon dat wel ingericht dient te zijn om er de beste klanten te ontvangen, en de wagen die moet passen bij dit alles. De eventuele kroost dan van deze hedendaagse ‘mensen van de wereld’: we weten dat ook zij dienen te passen in het hele prentje. Want een prentje is het. Echt is anders.
De tijd dat het ten strengste verboden was om scheten te laten, komt gestaag terug, ook al weet men nu met wetenschappelijke zekerheid hoe ongezond het is om zijn winden op te houden. De tijd dat dames hoeden moesten dragen in de kerk lijkt, evenals de kerk, voorbij, maar een nieuwe kerk legt hen nu het blote hoofd op.
Ik kom zelden of nooit in banken binnen. De laatste keer is zeker vijftien jaar geleden. Maar ik herinner me dat ik een ogenblik dacht dat ik de verkeerde deur had genomen: ik waande me in een kerk - wat zeg ik? Een kathedraal. Deuren op de maat van reuzen, glanzend marmer, een onbestemde geur die een heel klein beetje nog aan wierook denken deed, offerblokken, communiebanken, biechtstoelen, priesters, en vooral: die stilte waarin je de minste voetstap, het geringste kuchje kon ontwaren. En alle bezoekers in hun beste pak, een beetje paranoïde om zich heen kijkend, nooit lopend, altijd schrijdend.
God is er nog steeds onzichtbaar, doch Hij is niet meer dezelfde als weleer. Hier voel je je pas religieus als je rekening tijdig wordt gespijzigd. Heb je niets meer, dan schaam je je om de tempel te betreden. Het kalf drinkt dagelijks je heetste hartebloed, want water en bloed moet je zweten om er blijven bij te horen; vroeg opstaan voor dat steeds meer eisender toilet; en in je luttele vrije uren is het shoppen geblazen, met vrouw en kroost, want ook zij dienen zich te conformeren.
Kortom, de mijnheer van de bank heeft het allerminst gemakkelijk. Het is dus begrijpelijk dat hij ook aan anderen het gemak niet gunt. De mijnheer moet zich in allerlei moeilijke bochten wringen, en van zijn ondergeschikten eist hij nu hetzelfde. De mijnheer doet niet meer wat hij wil, hij moet nu eenmaal gehoorzamen aan het kalf, dat immers van goud is, en geen spotternijen duldt. Neen, mevrouw, zegt de mijnheer: het kalf is nu de nieuwe god, en het kalf verfoeit die hoofddoeken; weg dus met dat laken, en maak dat je bij de kapper bent voor een moderne snit met pieken en wat blauw, een koppel valse wimpers en wat lippenrood. Wie niet gehoorzaamt – ik kan het ook niet helpen – komt bij het kalf in ongena, en je weet wat dat betekent? Juist, stempelen, smeken, de OCMW. En denk eens goed na: wie zal je nog groeten, als jij weigert om voor het kalf te buigen? Heb je kinderen, mevrouw?
Jan Bauwens, 18 juni 2006
12-09-2009
Moeilijke vrijheid
Moeilijke vrijheid
Het volk verdraagt geen onzekerheid; mensen willen liever strenge maar ook duidelijke regels en wetten dan meer vrijheid ten koste van het veiligheidsgevoel. Vrijheid immers vergt behendigheid en creativiteit, aangezien het ruimte laat voor al het onverwachte en het nieuwe; vrijheid vereist inventiviteit en ook innovativiteit want ingevolge de vrijheid neemt de divergentie toe: een veelheid van keuzemogelijkheden wordt gerealiseerd en geëvalueerd, de toekomst is niet langer eenduidig, en de gemeenschap wordt veelzijdig in plaats van uniform. Uit de logge, de saaie en de onvermijdelijk beknotte massa, wordt dankzij de vrijheid een ruimte geboren voor het zich manifesteren van individualiteit en van persoonlijkheid. Maar persoonlijkheid is naast verrijking uiteraard ook onvoorspelbaarheid terwijl bekrompenheid geen onvoorspelbaarheid aankan en evenmin onzekerheid. Wat bekrompen is, wil liever aan de ketting liggen of, zoals het vee, opgesloten maar dichtbij een volle voederbak. Voorspelbaarheid gaat samen met wantrouwen; vernieuwing daarentegen vereist vertrouwen. Edoch, de wantrouwigen vergissen zich als zij geloven dat zij zich verzekeren tegen mislukkigen door aan de veelheid van (mogelijkerwijze wispelturige) personen alle krediet te ontzeggen; noodgedwongen geven zij dan immers carte blanche aan het volstrekt onpersoonlijke, en dat is een welbepaald systeem, gaande van de wetenschappelijk ogende organisatie tot de loutere lotto, het casino of nog een andere gokkerij zoals de vrije markt. Want ook de volstrekt ongebreidelde vrijheid is een gok; het systeem dat drijft op hebzucht, is wezenlijk hetzelfde als zijn tegendeel dat drijft op angst, en zo reiken de totaal vrijgelaten markt en het volledig door de staat gecontroleerde handelen elkaar de hand in de bijzonder nauwe verwantschap van angst en hebzucht - twee ondeugden die elkaar aanzwengelen: angst immers maakt hebzuchtig en het schrapen probeert de angst voor het tekort tot bedaren te brengen... terwijl wij allang weten dat zuchten onverzadigbaar zijn en daarentegen op den duur gaan woekeren. Uit hebzucht komt daardoor nog meer angst voort en zo bijvoorbeeld geven het kapitalisme en het communisme elkaar de hand en kunnen zij niet eens bestaan als zij elkaar niet tot antagonist hebben. Samen vormen zij de beweging waarmee zich de rups verplaatst - trouwens de oervorm van élke voortbeweging - en die bestaat uit de afwisseling van, enerzijds, een samentrekking en, anderzijds, een zich uitstrekken, uiteraard gecombineerd met een steeds wisselend steunpunt.
Het tweespan der antagonisten marcheert, maar die voortbeweging is allerminst vloeiend; in de praktijk verloopt zij middels opstanden en oorlogen die, op de keper, wat zij eerst moeizaam hebben opgebouwd alras grotendeels teniet doen, zodat het rendement in feite ver beneden de werkelijke mogelijkheden ligt. Beter ware het uiteraard gehoor te geven aan de raad der Ouden - en wij hebben hier warempel Hellas op het oog - en zodoende de extremen te vermijden en meteen de onlusten die deze onderling verbinden. In plaats daarvan bewandele men dan de gulden middenweg die hier zowel de absolute vrijheid als de door de staat gewaarborgde zekerheden schuwen zoals een schipper Skylla en Charibdis schuwt. En dat is - het woord is intussen al geboren - 'schipperen'. En schipperen betekent: het absolute laten gaan, compromisen sluiten, water bij de wijn doen, het zogenaamde 'heilige' schuwen als de pest, vaste meningen en systemen bij het afval kieperen en, zo mogelijk, de systeemloosheid zelf tot een absolute wet verheffen. Al zal vermoedelijk ook dat laatste uiteindelijk zichzelf de das omdoen, maar die doem ligt klaarblijkelijk in het wezen van alle dingen besloten en het is overigen nog een lange weg tot daar.
(J.B., 12 september 2009)
10-09-2009
Christus en de god van Noach
Christus en de god van Noach
Toen Jahweh zag dat de mensen allen slecht waren en dat ook alles wat ze uitbroedden, slecht was, kreeg Hij spijt dat Hij hen gemaakt had, en Hij besloot hen samen met alle andere dieren van de aarde weg te vegen, op uitzondering van Noach, zijn drie zonen, Sem, Cham, Jafet en hun vrouwen. Aan Noach beval hij een grote ark te bouwen met drie verdiepingen, om daarin, behalve mondvoorraad, van alle dieren één koppel onder te brengen dat Hij aldus wilde redden van de zondvloed die zou worden uitgestort over de aarde, veertig dagen en nachten lang. Aldus geschiedde en het regende en alle bergen verdwenen onder de zee waarop de ark dreef, alle leven vond de dood en honderdvijftig dagen lang werd de aarde bedekt door water. Daarna zakte het water en liep de ark vast op de 5137 meter hoge berg Ararat in het Oosten van Turkije, in wiens geologische structuur volgens sommigen de 310 meter lange bootvorm nog zou te ontwaren zijn. Tussen haakjes: de eerste beelden daarvan werden in 1949 gemaakt door satellieten van de Amerikaanse luchtmacht - ze werden jarenlang geheim gehouden.
Na een verblijf van alles samen meer dan een jaar in de ark, liet Noach een raaf los en vervolgens een duif, die eerst terugkeerde met een olijftak in haar snavel maar die tenslotte wegbleef: er was land. De aarde droogde op, God beval allen de ark te verlaten en de aarde te bevolken. Uit Sem kwamen de Semieten voort, uit Cham de bewoners van Afrika, uit Jafet de Europeanen. Noach bouwde een altaar voor de Heer en bracht offers die Hem welgevallig waren. God beloofde het leven nooit meer alzo te zullen vernietigen en als teken van dit nieuwe verbond verscheen voortaan na elke stortbui een regenboog die haar beëindigde. Dat alles staat beschreven in het boek der wording, Genesis. Als de joden een regenboog zien, zeggen ze nu nog een kort dankgebedje.
Wie er mocht aan twijfelen of er inderdaad een zondvloed is geweest, kan nagaan dat niet alleen in de Joodse geschiedenis maar in de historie van zowat alle gekende culturen van een zondvloed sprake is. Logisch ook, als tenslotte niet alleen het land der Joden maar de ganse wereld onder liep. Hoewel, volgens de Koran strafte God niet de ganse wereld maar alleen het land van het ongehoorzame volk Nuh (dit is: Noach). Ook daar gaat het verhaal van de ark en van het bergen van koppels van alle soorten in de ark.
Exact hetzelfde verhaal geven het Gilgamesj-epos (*) en ook het Atrahasis-epos (**). In Afrika hebben de Masai een eigen zondvloedverhaal; de duif is er vervangen door een gier en er zijn vier regenbogen in plaats van één. Ook in de Indische Veda's wordt het verhaal van de zondvloed verteld; op grond daarvan kan men berekenen dat die ongeveer 5000 jaar geleden moet hebben plaatsgehad. Anderen verklaren de zondvloed door een grote overstroming van Tigris en Eufraat in Mesopotamië. In de versie van de Eskimo's weigerden de mammoeten plaats te nemen in de ark omdat zij geloofden dat hun poten lang genoeg waren om boven water te kunnen blijven; die hooghartigheid werd hen fataal. Ook in het Altaï-gebergte (in Mongolië) bestaat het zondvloedverhaal en volgens de Spaanse missionarissen bleken eveneens de Indianen van Amerika het te kennen. (***)
Nu is er niets mis met verhalen, met mythen en met religie, zo lang die niet al te letterlijk worden opgevat. En vooral in het geval van het zondvloedverhaal zou een al te fundamentalistische interpretatie wel eens voor problemen kunnen zorgen. Op grond van de teksten zelf, zullen bepaalde gelovigen immers geneigd zijn om aan te nemen dat zo'n cataclyps zich niet meer kan herhalen. Dat is immers een goddelijke belofte die het nieuwe verbond inluidt tussen de Schepper zelf en het ganse mensdom, getuige het verschijnsel van de regenboog. Een weerman zal zijn schouders ophalen, maar het verdient de aandacht dat zelfs positieve wetenschappers naast hun vak heel vaak nog een eigen geloof koesteren met alles behalve redelijke gronden. En wie denkt dat een tweede zondvloed uitgesloten is, zal lastige en dure milieumaatregelen ertegen wellicht overbodig achten.
Neen, het is geen grapje: men staat er echt van te kijken hoe talrijk de groten der aarde zijn die hun beslissingen over oorlog en vrede, leven en dood, afhankelijk maken van koffiedik en sterren. Dat mensen op grond van dit fantastisch verhaal geloven dat het afsmelten van de poolkappen niet zal plaatsvinden terwijl het al goed bezig is, is één zaak. Een andere, en misschien veel ernstigere kwestie is, dat zij het verhaal van de zondvloed ook echt geloven.
Ongetwijfeld zijn er in het verleden overstromingen geweest en het is eveneens zo goed als zeker dat daar serieuze watersnoodtoestanden bij waren, met talloze slachtoffers. In de nieuwjaarsnacht van 1953 verloren 1835 Nederlanders het leven ingevolge dijkbreuken. Veel recenter, op Tweede Kerst van het jaar 2004, maakte een vloedgolf nabij Sumatra in één enkele klap driehonderdduizend doden. Dat die catastrofen echter zouden toe te schrijven zijn aan een boze god, is een 'geloof' dat wel elke verbeelding tart. God keurt af wat de mens doet en uit wraak moordt Hij zijn schepselen uit!?
En toch geloven velen daarin. Een verklaring voor zo'n bizar geloof zou wel eens kunnen luiden dat men minder moeite heeft om een boze God te aanvaarden die onze zonden met de dood bestraft dan het blinde toeval of het noodlot dat toeslaat ongeacht goed en kwaad. Ja, heel wat mensen worden blijkbaar liever ter dood veroordeeld voor hun zonden dan te moeten leven in een wereld die geen 'rechtvaardigheid' kent in de zin van 'vergelding'. Geen wonder dat de door Christus gepredikte vergeving en het gebod tot het beminnen van zijn vijanden zo uniek zijn en zo nieuw. Met de God van Noach kan Christus alvast helemaal niets te maken hebben.
(J.B., 09.09.'09)
Noten:
(*) Het Gilgamesj-epos is een van de oudste literaire werken, uit Sumerië (Mesopotamië, waar de Tigris en de Eufraat in de Perzische golf uitmonden) d.d. 2100 voor Christus.
(**) Het Atrahasis-epos situeert zich in Babylonië.
De positieve wetenschappen steunen op de empirie en op de rede, zo beweert men, en zodoende worden wetenschappelijke uitspraken beschouwd als algemeen geldig: principieel elkeen kan ze op hun waarheidsgehalte controleren, ze behoren tot de wereld der wakkeren en zo onderscheiden ze zich van het individuele, het vage en het onwerkelijke van de inbeelding of van de droom, die slechts door toeval waarheid kan bevatten.
Maar nu blijkt er ook met die positieve wetenschappen iets aan de hand: iets lijkt ze aan te tasten, alsof ook zij niet vrij waren van inbeelding, alsof ook zij iets dromerig hadden, iets onwerkelijk en iets geheel oncontroleerbaar. De mot lijkt namelijk in de rede te zitten, én in de waarneming, en vandaar ook in de zogenaamde positieve wetenschappen. Het leveren van een eenduidig bewijs is in vele gevallen onmogelijk geworden, deels omdat het de eenvoud heeft verloren van de ooit zo klare Euclidische meetkunde, welke zelfs als voorbeeld diende voor de wijsbegeerte van Spinoza en die van nog andere 'verlichte' geesten. Meer dan ooit lijkt wetenschap vandaag zoniet een verwarde zaak, dan toch een aangelegenheid die nogal eens verwarring sticht.
De meetkunde van Euclides was altijd al een bijzonder grote vreugde voor de menselijke geest op zoek naar waarheid en vooral naar zekerheid en zij leek hem ook exact datgene te bieden wat hij zocht. Maar eigenlijk speelde zij met hem een spel zonder dat hij dit goed besefte: Euclides' meetkunde onderscheidde zich immers principieel niet van om het even welk ander spel, al was dit spel wel heel bijzonder, vermakelijk en bovendien schijnbaar diepzinnig. Een spel bleef het echter, aangezien het werkte met aannamen - axiomata - welke geheel onwerkelijk waren, omzeggens wereldvreemd. Vlakken bestaan immers niet los van de ruimte en ruimten bestaan niet los van de tijd; ook rechten zijn volstrekt ondenkbaar, en punten, en ook lengten die immers moeten afgemeten worden aan een geijkt prototype dat ergens in de werkelijkheid moet bestaan. Deze en nog andere zaken definiëren niettemin een spel dat dermate spannend kan ogen dat men zich algauw bereid toont om ze erbij te nemen, die "leugentjes om bestwil", zoals men de fundamentele onmogelijkheden van die meetkunde maar al te verschonend noemt.
Men kan een Euclidisch vlak niet zomaar op de echte aarde plakken, bijvoorbeeld om een oppervlakte te berekenen in functie van de verkoop van een stukje land. Soms lijkt dat wel praktisch en kunnen meetfouten herleid worden tot quasi nul. Het probleem is echter dat een oppervlakte van papier geen levende aarde is, dat elk stuk land zijn eigen waarde heeft en dat die waarde veel beter kan worden uitgedrukt in de opbrengsten van dat landgoed dan in zijn oppervlakte. Land dat de oever vormt van een beek of een rivier, is vruchtbaar slib dat mogelijkerwijze vele keren meer renderen zal dan een stuk van dezelfde grootte eventjes verderop. De oever die de zuiderzon loodrecht op zich laat schijnen zal bovendien vruchtbaarder zijn dan de daar tegenover liggende oever. Aarde die wegvloeit met het water mee, zal uiteraard haar vruchtbaarheid verliezen, en dat zal ze ook doen als ze met zout water wordt bevloeid of als ze uitdroogt voor een veel te lange tijd. Een steile bergflank in de buurt kan voor een dagelijkse schaduw zorgen die door dat gebrek aan licht de meest vruchtbare grond geheel en al waardeloos maakt en ook erosie, aanhoudende bedekking van de bodem met stenen of nog vele andere zaken kunnen de waarde van een stuk land mede bepalen: de oppervlakte alleen zegt bijna niets, Euclides' meetkunde behoort veeleer tot een wereld die niet de echte is waarin wij leven.
Een spel is altijd zeer verleidelijk om spelen, daar het ons voor een welbepaalde tijd van de werkelijkheid verlost die niet zo simpel is. Het verlicht het gemoed om zaken die verward maken en die zo zwaar wegen, die ingewikkeld zijn en die niet ophouden met veranderen, voor te kunnen stellen onder een meer eenvoudige vorm, een naam, een nummer, een getal. In het spel worden de regels van de werkelijkheid zelf, die oneindig talrijk zijn, die ontelbare uitzonderingen kennen en die nooit ophouden met veranderen, gereduceerd tot een bijzonder overzichtelijk en eenduidig reglement, alsof nu alle dingen zoveel simpeler, overzichtelijker en beter voorspelbaar werden dan ze feitelijk zijn. Het spel is een ludiek bedrog dat ons de onverteerbare waarheid aanvaarden doet, maar waardoor we feitelijk ons eigen doodvonnis onderschrijven. En elke wetenschappelijke benadering van de levende werkelijkheid is zo'n spel, is zo'n vertekening die ons slechts aanzet tot onnadenkendheid, alsof wij plotseling hadden opgehouden met verantwoordelijk voor onszelf te zijn, alsof het spel onze verantwoordelijkheden in onze plaats kon dragen.
Het spel, en ook dat spel dat in de wetenschappen wordt gespeeld, heeft lange tijd de mensheid in haar greep gehad, heeft ons betoverd en heeft ons zelfs geheel hervormd. Maar dat spel heeft grenzen en daar botst het op, hoe langer hoe meer. Met het ten einde lopen van de tijden en met de vele stroomversnellingen die de eindtijd meebrengt, lijkt het spel in duigen te vallen en kan het ons niet meer bekoren zoals het dat ooit deed. Van het spel zien wij nu steeds vaker de grenzen en ook de averechtsheid, wij hebben geleerd dat elke winst uiteindelijk elders betaald moet worden omdat niets uit niets voortkomen kan. Het aan zijn laarzen lappen van de wetten welke ons individueel wat intomen ten bate van de gemeenschap, rendeert niet zonder dat die wetten devalueren en daarmee ook de mogelijkheid op het maken van winst die immers van de menselijke samenwerking afhangt en derhalve van het gehoorzamen aan die wetten. Dat alles uiteindelijk zo lang uitvalt als het breed is, maakt ons van het holle karakter van onze kennis zelf bewust en zelfs dat bewustzijn kan ons uiteindelijk niet baten. In de tijden waarin wij beland zijn, lijken de betoveringen van weleer verbroken, de sluiers opgelicht, de verrassingen helemaal uitgepakt, de kreten van verwondering gesmoord door een vreemde zelfvoldaanheid. De mens heeft het wonder uitgedaagd, hij heeft de Schepper uitgedaagd om bovenop het wonder dat hij niet meer zien kon, uit te pakken met een wonder op maat en nu krijgt hij het deksel op zijn neus, de werkelijkheid klapt dicht, de droom verdwijnt in een dichte mist en wat blijft, is lege tijd. De werkelijkheid verdwijnt immers van zodra die helemaal spel geworden is. Is dit dan het niets, of is het de geest of is het geen van beide?
(J.B., 23 augustus 2009)
13-08-2009
Is er (weer) een grote burgeroorlog op komst? (delen 1, 2 en 3)
Is er (weer) een grote burgeroorlog op komst?
1.
Wie zegt dat er oorlog komt, heeft altijd gelijk en evenzeer is het waar dat we die volgende oorlog steeds meer nabij komen. En laten we daar aan toe voegen: als er oorlog komt, dan zal het waarschijnlijk een burgeroorlog zijn. Deze laatste stelling wint trouwens aan geloofwaardigheid als wij erin slagen om zoniet alle dan toch de grootste onder de oorlogen als burgeroorlogen voor te stellen.
Burgeroorlogen ontstaan waar (in eenzelfde streek) voornamelijk op grond van etnie, politiek of religie onderscheiden groepen elkaar gaan bevechten. Burgeroorlogen zijn door de band zeer geladen, langdurig en bloedig.
Er bestaat een theorie - van de hand van de historicus Ernst Nolte - volgens welke in het Europa van de voorgaande eeuw niet zozeer twee wereldoorlogen hebben gewoed, maar wel één lange, aanslepende burgeroorlog, meer bepaald tussen communisten en fascisten. (1) Volgens die (oorspronkelijk marxistische) theorie is het fascisme een antimarxisme dat strijd voert met een tegengestelde ideologie maar met dezelfde (wrede) methoden. (2) Nolte en de zijnen beweren dat al die ellende het resultaat is van het supervoorbeeld van terreur, namelijk Robespierre in de Franse revolutie. (3)(4)
Realistischer lijkt mij de theorie die voorhoudt dat oorlog het verlengstuk is van de economie - een theorie die dus stelt dat wij voortdurend in een staat van oorlog verkeren: voor het merendeel van de tijd bestrijden wij elkaar louter economisch en is het geweld geïnstitutionaliseerd; nu en dan echter grijpen we naar de wapens. Vrede is dan middels maatschappelijke spelregels gekanaliseerde oorlog. Die zogenaamde vrede is nog steeds oorlog, maar dan wel een oorlog die nog uitsluitend de verliezers stoort en niet langer diegenen die aan de winnende hand zijn. Deze laatsten leven immers in vrede omdat zij bezitten wat de eersten vooralsnog hopen te zullen verkrijgen. Maar die hoop geraakt op, de schellen vallen de gedupeerden van de ogen en het geweld breekt uit...
Vrede is een vrucht van vertrouwen, maar slechts een deel van de bevolking is dat vertrouwen waard - het andere deel misbruikt het door diegenen die vertrouwen in hen stellen, middels dat vertrouwen zelf te ondermijnen. De bedrieger wint altijd omdat zijn bedrog pas zichtbaar wordt nadat het hem zijn winst heeft opgeleverd. De gedupeerde slaat in zijn ogen alleen maar een mal figuur en wordt door hem feitelijk uitgelachen. De rechtvaardigheid is zoek waar spelregels mensen onderverdelen in verstandigen (zij die de regels niét volgen) en naïevelingen (zij die dat wél doen), en waar goedheid een synoniem van domheid geworden is en het kwaad wordt bejubeld als was sluwheid een kenmerk van hoge intelligentie. Bovendien bewerkt de algemene lafheid dat de sluwen worden gesteund door wie geloven of hopen onder hun mantel te zullen kunnen schuilen. Al die zaken maken dat de vrede een hoogst labiele toestand is, dat een oorlog onder burgers altijd onderhuids zal blijven broeden en nu en dan ook echt zal uitbreken in al zijn hevigheid.
Het wordt echter mettertijd onduidelijker welke politieke opvattingen al dan niet elkaars opponenten vormen in hun pogingen om de vrede te handhaven of om dus een maatschappij in dan toch een zeker evenwicht te bewaren en haar te laten ontwikkelen. Fascisme staat niet tegenover communisme, alleen al omdat deze bestuurssystemen allebei hun gezag ontlenen aan het feit dat ze stokken (in het Latijn: 'fasces') achter de deur hebben staan. Zelfs de democratie kan zonder die stokken geen kant op. Een groot Russisch auteur beschrijft in een kortverhaal waarom ondanks de afwezigheid van staatscontroleurs, de WC's in het zogenaamde vrije Westen altijd zo proper zijn: een vernuftig mechanisme verbindt daar de hendel voor het doorspoelen met het deurslot en, zolang men niet doorgespoeld heeft, blijft men in de WC opgesloten zoals een crimineel in zijn cel. (5) Het schijnbaar plichtsbewuste gedrag in de zogenaamd vrije landen is met andere woorden niet het gevolg van inzicht en het resulteert evenmin uit een vriendelijk verzoek of een bevel: het is daarentegen een dwang die in de maatschappelijke structuren zelf is ingebouwd en die derhalve even genadeloos is als de brute natuur. Die genadeloosheid die aan het extreem liberalisme eigen lijkt te zijn, zorgt voor de schrijnende bedelarij, voor allerlei verslavingen, voor het afzichtelijke 'plezier' (lees: het verteer en de spil- en speelzucht) van de rijken en uiteindelijk ook voor het geweld dat de samenleving ontmenselijkt. Tolerantie in de zin van het vermogen om te verdragen dat er buiten de lijntjes wordt gekleurd en dus in de zin van vergevensgezindheid, is niet oneindig uitrekbaar doch kent grenzen welke worden opgelegd door de drang tot zelf- en soortbehoud.
Politieke systemen lijken wel herleidbaar tot elkaar, ze lijken in wezen niet verschillend, behalve dan misschien dat ene systeem van de democratie, mits het een soort van systeemloosheid blijft verzekeren, wat wil zeggen: een onafgebroken opheffing van het bekomen systeem. Democratie lijkt wel voorlopigheid, systeemloosheid maar géén anarchie, omdat de systeemloosheid als zodanig een (geldig) beginsel is. En indien democratie nu maar eens en voorgoed gedefinieerd werd als een systematische systeemloosheid, dan konden misschien ook op langere termijn die gevaren worden weggewerkt waarvoor heden allerlei mensonwaardige cordons sanitaires dienen uitgevonden te worden. Dat lijkt een reusachtige opgave weliswaar, maar misschien is het de enige nog te bewandelen weg naast die snelweg die recht naar steeds weer nieuwere oorlogen voert...
(Wordt vervolgd)
(J.B., 10.08.'09)
Noten:
(1) Het betreft hier de opvatting van de in 2000 door de rechtervleugel van de christendemocratische CDU met de Konrad-Adenauerprijs gelauwerde verdediger van het Hitlerregime, Ernst Nolte, met
Der europäische Bürgerkrieg 1917-1945: Nationalsozialismus und Bolschewismus, Herbig Verlag, München 1986.
(2) Stephane Courtois e.a. schrijven in Le livre noir du communisme. Crimes, terreur, répression, Ed. R. Lafort, 1997, over o.m. de Goelags (de Russische strafkampen met dwangarbeid), de hongersnood van 1932-'33, de vervolgingen van duizenden en de 'zuiveringen', de repressies gedurende het ganse bestaan van de Sovjets, ook in Oost-Europa (Hongarije, Tsjechoslovakije), in China, Cambodja, Noord-Korea, Cuba, Afghanistan - kortom: een terrorisme dat volgens sommigen, want de cijfers worden betwist, met zowat honderd miljoen doden nog moordender was dan het naziregime...
(3) Deze leider der Jacobijnen maakte gretig gebruik van de guillotine die in Parijs alleen al veertig duizend koppen deed rollen, waaronder die van koning Lodewijk 16 en diens vrouw.
(4) Cf. Wikipedia, respectievelijk onder de zoektermen "burgeroorlog", "europese burgeroorlog", "Ernst Nolte", "Jakobijnen", "Maximiliaan de Robespierre" en "Guillotine".
(5) Michail Zojstjenko met het verhaal: Waarom Duitsers de WC doortrekken. Zojstjenko (1885-1958) was een dissident schrijver uit het Sovjet Rusland die in 1946 publicatieverbod kreeg. (Met dank aan Dirk Biddeloo).
2.
Er zijn historici die geloven dat in de voorgaande eeuw niet twee wereldoorlogen woedden maar veeleer één langdurige burgeroorlog, meer bepaald tussen communisten en fascisten. Die twee ideologieën zijn weliswaar onderling tegengesteld, maar hun methodes zijn gelijkaardig, en dit wil zeggen: allebei even wreedaardig. Qua wreedheid lijken tenslotte àlle politieke systemen in hetzelfde bedje ziek, behalve dan misschien de democratie, maar dan op voorwaarde dat zij de systematische systeemloosheid belichaamt. Het kwaad blijkt immers telkens in het systeem zelf te zitten: niet in welbepaalde systemen, maar in élk systeem: het kwaad is de systematisering, en daarom ook zegt Friedrich Nietzsche niet toevallig: „Der Wille zum System ist ein Mangel an Rechtschaffenheit." (6)
Vertrouwen, daar draait het in wezen om wanneer oorlog en vrede ter sprake zijn. Want indien het vertrouwen algemeen was, dan waren de regelgevingen en de wetten volstrekt overbodig. Nu zitten zij ons op de hielen, als waren zij de argusogen van onze medemensen zelf. Regels en wetten worden des te meer nodig geacht naarmate het wantrouwen groter is: zij regelen de economie als het ware "exact tot op de centiem" en er is ook geen rust als in de calculus op het eind van de dag een kwartje overschiet. De vrede wordt als het ware door een bonte variëteit aan regels en aan wetten onderstut, precies zoals een enorme schuur aan alle kanten en zijden onderstut wordt door ontelbare staken en pilaren. Maar het wantrouwen verlicht de arbeid niet, het maakt die slechts lastiger omdat het een groot stuk van de voorradige energie opslorpt terwijl het verder toch altijd geheel onproductief blijft. Wantrouwen schept wantrouwen, en zo blijft deze tumor groeien, totdat hij tenslotte àlle voorradige krachten naar zich toe trekt en er niets meer overschiet voor het eigenlijk werk dat de gemeenschap in leven moet houden en moet laten groeien. Het systeem wordt dermate log dat het de dood betekent van al datgene in wiens dienst het oorspronkelijk placht te staan. Precies omdat het systeem werd ontworpen uit argwaan, terwijl argwaan nog meer argwaan schept, is systematisering uit den boze.
Voor de staatsvorm die 'democratie' heet, bestaan heel wat omschrijvingen, maar als men het wezen ervan onderzoekt, dan moet men tot de bevinding komen dat de kern ervan ligt in haar redelijkheid, welke immers fel contrasteert met het geweld van, bijvoorbeeld, dictatoriale systemen. Toegegeven dat in verkiezingen en stemronden de rede als zodanig dan toch enigszins de mist ingaat aangezien het maar zelden het geval blijkt dat de meerderheid het bij het rechte eind heeft: aan democratisch genomen beslissingen gaan hoe dan ook onderzoeken, tellingen en debatten vooraf welke allemaal principieel open staan voor de kritiek van de burger. Het grootste gevaar voor de democratie bestaat misschien wel in het feit dat enkele grote partijen als het ware de dictatuur onder elkaar gaan verdelen, terwijl zij in de verkiezingen de individuele burgerlijke stemmen feitelijk opvreten en afvlakken. Immers, door het feit dat politieke partijen vaak geen andere inhoud hebben dan de naam waarmee ze zich onderscheiden van hun politieke rivalen, ontdoen ze eigenlijk alle individuele stemmen van hun inhoud, zodat aldus van de aanvankelijke redelijkheid uiteindelijk nog heel weinig overschiet.
In geval van eerlijke verkiezingen resulteert een verkiezingsoverwinning uit een getal dat een aantal kiezers vertegenwoordigt. En een eerste vraag hierbij kan luiden: hoeveel percent van die kiezers, kiezen op grond van redelijke argumenten? Edoch, direct daarbij aansluitend moet men ook vragen naar de grond van die redelijkheid, welke immers zichzelf teniet doet als de onderliggende motieven egoïstisch en geheel ónredelijk zijn... en dat blíjken ze ook vaak te zijn. Een kiezer stemt bijvoorbeeld voor een partij die alle snelheidsbeperkingen in het verkeer wil opheffen, en die daarvoor ook allerlei schijnargumenten aanbrengt, zoals bijvoorbeeld de theorie dat een toename van de gemiddelde snelheid zorgt voor minder verkeer op de baan. Edoch het motief van die kiezer is gebeurlijk louter sensatiezucht: hij bezit bijvoorbeeld een snelle wagen waarmee hij zijn frustraties afreageert. Zodoende functioneert de zogenaamde redelijke argumentatie in dit politieke spel nog louter als alibi, als dekmantel voor volstrekt redeloze beweegredenen van egoïstisch ingestelde individuen. Al wie deze vrees een ogenblik aan enkele concrete situaties toetst, zal algauw merken dat het hier allerminst om uitzonderingen gaat maar veeleer om de regel. Net zoals dat het geval is in het bedrijfsleven met de zogenaamde "dubbele boekhouding", of in de juridische wereld met de wetten die soms nog uitsluitend lijken te bestaan om hun achterpoortjes te verbergen, blijkt het op meer vlakken vaak de algemene tendens dat het redelijke verworden is tot een louter rookgordijn waarachter zich dan de volstrekt arbitraire zaken aan het oog onttrekken. De rede die oorspronkelijk in dienst staat van een openheid welke het wantrouwen de wind uit de zeilen moest nemen, blijkt vaak zelf nog slechts als rookgordijn te functioneren.
Om te vermijden dat een democratie aldus wordt uitgehold, dienen dan ook àlle systemen gewantrouwd te worden, inbegrepen het systeem van de rede. Dat redelijkheid en logica allerminst klaar en duidelijk zijn, wordt aangetoond door de onvergankelijke successen van welsprekendheid en reklame, welke steeds kunstiger balanceren op de grens van waarheid en leugen. De leugen is tot een 'kunst' uitgegroeid, of tot een 'wetenschap' van het bedrog, en de door prof. Charles Strickley reeds in 1955 gepubliceerde gegevens over psychopolitiek (7) zijn slechts voorbeelden onder vele andere die aantonen dat de vrees terzake allerminst zonder grond is. Edoch, wat rest ons dan nog als wij ook de rede moeten wantrouwen, wiens licht volgens talloze verlichte geesten de beste remedie tegen het wantrouwen vormt? Want als wij ons niet vergissen is hiermee een uiteindelijk probleem onder (uiteraard nog veel te schamele) woorden gebracht: het licht van de rede blijkt niet altijd dat van de waarheid te zijn...
(wordt vervolgd)
(J.B., 13 augustus 2009)
Noten:
(6) Götzen-Dämmerung, Sprüche und Pfeile, 26.
(7) Het betreft de New Yorkse uitgave getiteld: "Brainwashing: A Synthesis of the Russian Textbook on Psychopolitics".
3.
De redelijkheid en de waarheid zijn elk andere zaken, zoals ook de logica en de waarheid verschillend zijn, en zoals de wiskunde en de waarheid dat zijn, of de zintuiglijke ervaring en de waarheid: oppervlakkig bekeken lijken die dingen elkaars evenbeelden doch bij nader onderzoek gaan ze vaak over heel verscheidene terreinen. De waarheid is (slechts) één van de vele mogelijke waarden, naast bijvoorbeeld de goedheid en de schoonheid waarmee zij een soort van Platonisch driemanschap vormt. Maar in Aristotelische zin zijn daar ook nog categorieën zoals de hoeveelheid, de hoedanigheid, het waardoor en het waarom en zo meer - twaalf in totaal. Anders dan in die Aristotelische categorisering, geloven wij niet dat de waarheid en de waarde nevengeschikte categorieën zijn: ons inziens is de waarheid een waarde, doch niet andersom. Het ligt trouwens voor de hand dat de waarheid een specifieke waarde is: het is namelijk die waarde waarvoor de waarheid het waardecriterium vormt. Over de waarheid immers kunnen wij zeggen dat zij waardevol is, terwijl het zinledig is om over een waarde te zeggen of zij al dan niet waar is. Ook het goede en het schone zijn niet waar of onwaar; ze zijn echter wél waardevol. En zo ook kan de redelijkheid haar schoonheid hebben en kan men spreken over de elegantie van een wiskundig bewijs of over de schittering van een redevoering. Een wiskundig bewijs kan waar zijn, doch (binnen een welbepaald kader) tegelijk volstrekt waardeloos in het leven van alledag. Een redevoering kan meeslepend zijn precies omwille van haar doortastende argumentatie, maar daarom hoeft zij nog niet te stroken met de waarheid. Door de eeuwen heen werden de meest fantastische theorieën, vaak stammend uit de wildste fantasieën en uit het wensdenken van het primitiefste mensdom, welhaast wetenschappelijk onderbouwd met quasi meetkundig bewezen stellingen, denk maar aan de systematische theologie van het genie van Thomas Aquinas dat duizend jaar en langer de machtigste kerk ooit heeft geschraagd. Het empirisme, de theorie van Berkeley en talloze andere filosofische systemen zijn elk voor zich volstrekt verdedigbaar zonder dat ze onderling verzoenbaar zijn en terwijl ze elkaar zelfs radicaal tegenspreken. Een gedrag kan al dan niet redelijk worden genoemd maar het is niet waar of onwaar. Sommigen kiezen voor de rede, de ratio, en zij plaatsen deze op een hoge trap en brengen haar eer; anderen daarentegen verkiezen het om de gevoelens belangrijker te achten, en nu en dan laten zij de rede dan ook voor wat ze is. Over gekken wordt trouwens gezegd dat zij nog slechts over hun rede beschikken, al worden zij in een ander perspectief geïdentificeerd met die mensen die volstrekt redeloos zijn. Analoog kan men beweren dat het zoeken naar waarheid onze zekerheden versterkt terwijl, in een heel ander perspectief, kan aangetoond worden dat de waarheid geen zekerheid verdraagt en ook andersom: het ware kan nooit worden verwoord, het is onmeetbaar, en het meetbare en het zegbare zullen altijd veel te bekrompen zijn om ooit het ware te kunnen benaderen.
Omdat de waarheid veel omvattender is dan de redelijkheid, kunnen zelfs de meest uitgebreide (redelijke) systemen haar nimmer ten dienste staan: zij verminken haar onvermijdelijk. Uitleggen waarom iets schoon is, is een aangelegenheid die slechts tot hilariteit kan leiden, en zodoende illustreert de rede haar eigen kortzichtigheid. Het gedrag van opvoedelingen kan niet berekend worden of geconditioneerd naar de wens van de opvoeder, die dan zou degraderen naar het niveau van de dierentemmer, en de opvoedeling naar het niveau van het dier of zelfs naar het peil van het bestuurbare mechanisme. En zo ook kan men van mensen niet verwachten dat zij zich aan regels en wetten ondergeschikt maken - tenminste niet als zij niet overtuigd kunnen worden van hun noodzaak of zin. De waarheid is een heel ander paar mouwen dan alle trucs en systemen samen die haar aan zich wensen te onderwerpen.
Misschien om die reden zijn parlementaire discussies en gesprekken zo geladen met zaken die heel anders nog dan wiskundig, logisch, vakkundig en correct zijn. Politici dienen naast vakbekwaam ook eerlijk te zijn, betrouwbaar vooral en bedeeld met gaven die de intellectueel meetbare kwaliteiten overtreffen en die er niet en nooit toe terug te voeren zullen zijn. Om dezelfde reden baat het niet om de raad te vragen van een ingewijde inzake een probleem waarmee men worstelt, als deze ingewijde niet tegelijk een goede inborst heeft - in casu: de bedoeling om hulp te bieden veeleer dan het oogmerk om uit andermans problemen winst te slaan. Kennis kan niet baten als zij niet door goedheid wordt bestuurd, maar bijvoorbeeld door naijver, haat of vernielzucht, zoals ook alle getuigen van de atoombommen op Hirosjima en Nagasaki dat zullen hebben beaamd. Geniale medici kunnen zich overgeven aan praktijken zoals biologische oorlogsvoering en daarom ook wordt van medici verlangd dat zij de eed van Hippocrates afleggen vooraleer zij aan de slag gaan - in feite zou voor elk maatschappelijk relevant beroep zo'n eed moeten bestaan. Wat steeds weer vaststelbaar is, is wel dat de menselijke wreedheid vaak te maken heeft met een onwrikbaar vertrouwen of geloof in eender welke systemen, alsof zij in staat waren om de menselijkheid van de mens over te nemen en die in zijn plaats op hun schouders te torsen. Edoch, wat menselijk is kan niet door domme en gevoelloze systemen worden gedaan omdat systemen louter dingen zijn. Mensen zullen nooit ofte nimmer hun menselijke verantwoordelijkheid van zich af kunnen schudden; het zal ons nooit toegestaan worden dat wij ons van de last van ons geweten ontdoen door datgene wat er op drukt, naar systemen over te hevelen. IJdel is de hoop die verlangt naar een wereld waarin goed en kwaad niet meer zouden bestaan omdat zij bijvoorbeeld tot gezondheid en ziekte herleid zouden zijn geworden. Het streven dat de ziel en de motor uitmaakt van elk menselijk zijn en handelen, kan nooit worden weggeduwd zonder het leven zelf van de adem te benemen. Van een menswaardige politiek moet daarom worden geëist dat hij onophoudelijk in beweging blijft en nimmer stagneert. Veeleer dan wetten en regels, zullen het de lopende gesprekken en de vele samenwerkingsverbanden zijn die oriënterend moeten werken voor het algemeen gedrag. De imperatieven van ooit dienen zich om te smeden tot uitnodigingen, welke op hun beurt om antwoorden verzoeken die gesprekken op gang brengen, en in die gesprekken als zodanig voltrekt zich dan al dan niet het gebeuren dat naar maatschappelijke relevantie streeft.
(wordt vervolgd)
(J.B., 13 augustus 2009)
04-08-2009
'Ouderen' en 'jongeren'
'Ouderen' en 'jongeren'
Wie vijftig wordt en werkloos is, wordt door de arbeidsbemiddelingsdienst opgeroepen voor een re-evaluatie of een heroriëntatie: wij worden oud, maar we blijven optimist, zo zegt zegt een instructrice het aan de opgeroepenen voor: we gaan dus eens kijken wat we allemaal nog wél kunnen! Op het internet heten vijftigplussers ronduit senioren en vijftig is ook de leeftijd waarop het aanvaardbaar begint te worden om op rust te gaan. Ofschoon zestigers dan weer aangemoedigd worden om aan de slag te blijven, maar dat komt doordat gepensioneerden uit een andere kas worden betaald dan werklozen - een kas waarvan de bodem in zicht is geraakt nadat politici jarenlang met die gelden op de beurs hebben gespeeld. Als het maar geld in 't laatje brengt, dan scandeert men zelfs dat het leven pas met vijfenzestig begint, of zelfs met zeventig, en de clerus blijft hardnekkig volhouden dat het ware leven aanvangt na de dood. Groot lijkt dus het optimisme van sommigen, al blijkt het daar bij nader onderzoek veeleer om verholen hebzucht te gaan. Waar elkeen lijkt te scanderen dat het leven pas met zeventig begint, daar denken ze allen tegelijk dat vijftig oud is, en wie het nog niet is, die wil zelfs geen veertig zijn. Andermaal tegelijkertijd wil iedereen wel honderd worden.
Maar de grootste onzin inzake leeftijden hoort men uit de mond van meestal jonge mensen, al zijn er ook wel ouderen die zich hier aan vergrijpen, waar zij zonder nadenken beweren dat er in de maatschappij twee groepen bestaan, met name jongeren en ouderen. Twee groepen, eventueel aangevuld met overgangsgroepen, zoals de kaste van de 'middelbare leeftijd' en die van de 'hoogbejaarden'. En zij die dit beweren, behoren op het ogenblik dat zij die bewering doen dan meestal tot de groep die zij als de 'jongeren' beschouwen, ook al zijn ze vijfendertig. Het ontgaat hen blijkbaar dat de tijd nimmer te stoppen is, dat het stilstaan van de leeftijden een illusie is voor wie er van houden zichzelf te bedriegen en dat wie zich vandaag bij de jongeren rekenen, door anderen reeds als hopeloos oud worden afgeschreven en door hen ook worden afgevoerd.
Niemand is ofwel jong, ofwel oud: elkeen begint bij nul en eindigt op de leeftijd van het eigen overlijden. In die tussentijd veroudert men - de enen al sneller dan de anderen - ook al zegt men dat men groeit en bloeit. De lichamelijke groei komt eerst, zo geloven sommigen, en de geestelijke groei komt pas als de lichamelijke aftakeling al een tijdje op gang is. Edoch, wetende dat de geest een puur lichamelijk gebeuren is, kan men alras vermoeden dat niet de geestelijke top doch het toppunt van bijvoorbeeld een carrière wat later komt dan in de bloeitijd van zijn leven. Zoals trouwens ook de oogst met al zijn vruchten intreedt in de oogstmaand - augustus - als de dagen reeds geruime tijd korter aan het worden zijn.
Wij geloven dat wij een welbepaalde leeftijd kunnen hebben, maar uiteraard is dit een illusie zoals een andere: er zijn geen leeftijden die dan, bijvoorbeeld, om het jaar zouden veranderen; er bestaan geen mensen die jaarlijks ouder worden, er zijn er zelfs geen die ouder worden met de dag: het ouder worden daarentegen is het proces van het leven zelf en indien dit proces, al was het maar één fractie van een seconde, zou stoppen, dan hield men ook voorgoed met leven op. Leven is verouderen omdat het leven zich niet afspeelt in een vermeend 'nu', een 'heden', een 'vandaag', 'dit jaar' of 'deze tijd', doch immer tegelijk zichzelf nalopen en verliezen moet: wie of wat ook leeft, verlangt naar het ogenblik dat komt en, eenmaal dat moment er is, glijdt het door de vingers gelijk zand of water. Verdwaasd kijkt men dan op wat was, terug en, eenmaal weer tot relatieve rust gekomen, blikt men dan opnieuw vooruit en de beweging herbegint. De beweging die doet denken aan de klimbeweging die een made maakt wanneer zij zich verplaatst: zij trekt haar achterste tot bij haar kop, haar staart raakt haar kop en zo vormt zij met haar lijf een lus; vervolgens werpt zij haar kop weer voor zich uit en vormt haar lijf een lijn: lus, lijn, lus, lijn, lus... totdat zij eensklaps verdwijnt in de bek van een mus.
Is het de bek van de mus die wij schuwen als wij maar liever jong wilden blijven, of is het de aftakeling van de oude dag? Vrezen wij voor de dood zelf of maakt het langzame sterven dat eraan voorafgaat, de oude dag zo weinig benijdenswaardig - althans in de ogen van velen? Hoe dan ook is leven sterven, om de reeds genoemde reden: het leven is een proces dat met het ouder worden samenvalt. Wie wil leven, wil ook sterven - andermaal omdat de twee geheel en al ononderscheidbaar zijn. Alleen het perspectief op de zaak zorgt voor hetzij de vrees, hetzij 't verlangen dat ons nooit neutrale bewustzijn begeleidt: wij willen leven waar wij naar morgen verlangen en wij vrezen de dood waar wij daarentegen terug willen naar wat gisteren was en vooral naar wie wijzelf gisteren waren.
Dat laatste te willen is weliswaar waanzin: niemand immers kan bij zijn volle verstand in de richting van het verleden willen gaan. Maar die waanzin, helaas, is zeer weids verbreid, en dat bewijzen alleen al de fortuinen die worden gemaakt door beloftes van eeuwige jeugd en reeds door allerlei producten die de nostalgie koesteren en voeden. Retro, antiek, musea, noem maar op: alle modes en trends keren om de haverklap terug, en dat lijkt wel vooral het geval met de muziek waarmee men immers zijn gevoelens van het moment associeert: muziek die speelde toen men jong was en verliefd, lijkt ons weer jong en verliefd te maken als wij ze in onze oude dagen opnieuw horen weerklinken, en dan kopen wij die plaatjes, cd's of wat het intussen ook mogen zijn, in de stille doch waanzinnige hoop dat wij aldus ook onze jeugd herwinnen.
Driewerf helaas, want de tijd kent slechts één enkele richting. En toch is en blijft dat een zeer goede zaak - andermaal: omdat leven en sterven in wezen hetzelfde zijn. Oud worden is het lot van al wie bestaan omdat bestaan per definitie oud worden is: men wil steeds langer bestaan en hoe langer men heeft bestaan, des te ouder is men ook geworden. De term 'jongeren' kan in dit licht dan alleen nog maar betekenen: mensen die door de band nog veel meer tijd met oud worden zullen spenderen dan diegenen die het al zijn.
(J.B., 2 augustus 2009)
01-08-2009
Het plaatsgebrek en de duivel
Het plaatsgebrek en de duivel
Niets kan bestaan als het niet een eigen plaats heeft. Neem nu een zweefvlieg: zij heeft een eigen stekje in de lucht, een stekje dat van haar is, en zij hangt daar ook de godsganse dag te zweven om het voor indringers te bewaken. Slechts met korte flitsen verlaat zij haar stek om er onmiddellijk weer terug te keren. Belandt deze vlieg op een bepaald ogenblik geheel onverwacht in de snavel van een zwaluw, dan komt haar stekje vrij. Maar niet voor lang: binnen de kortste keren wordt die plaats ingenomen door een kersverse zweefvlieg.
Het aantal plaatsen is beperkt, niet de zweefvliegen: die zijn er in overvloed en zij zitten alleen maar aan te schuiven, in de hoop dat ze ooit eens aan de beurt kunnen komen. En zo gaat het met alle levende wezens en kortom met alles wat het bestaan naar binnen wil. Op het eerste gezicht immers, zou men denken dat een uiterst vernuftige constructie zoals een zweefvlieg, ontelbare keren waardevoller is dan het plekje waar zij hoort te zweven: dat plekje lijkt immers helemaal niets meer te zijn dan een lege ruimte, waardeloos op zich, en wachtend naar het ene of andere dier of ding om daarmee enigszins opgevuld te worden. Maar niets is minder waar: als puntje bij paaltje komt, blijken zweefvliegen aan de lopende band geproduceerd te kunnen worden: zweefvliegen, bomen, mieren, maar ook katten, honden en zelfs mensen. Plaats of ruimte daarentegen kan niet worden uitgebreid: een kubieke meter kan zich niet vermenigvuldigen, een ruimte kan zich niet in twee delen opsplitsen die dan elk weer zouden groeien zodat ze samen dubbel zoveel plaats zouden betekenen dan hun 'voorouder'. En gesteld dat zij dat tòch konden doen, dan namen zij alleen maar dubbel zoveel plaats ín.
Evenmin trouwens kan er al was het slechts één enkele minuut worden toegevoegd aan de bestaande tijd, en met de tijd is het trouwens nog veel erger gesteld dan met de ruimte, want zeer in tegenstelling tot de ruimte, waarvan wij aannemen dat ze blijft wat ze is, kunnen wij niet verhinderen dat de tijd op de koop toe ook nog eens vergààt.
Alles heeft zijn plekje: het klinkt zoals "op elk potje past een dekseltje", maar het is feitelijk een grove leugen. Indien wij de waarheid geen geweld wensten aan te doen, dan zouden wij moeten zeggen: alles wat een plekje heeft, bestaat. En dat is precies het omgekeerde van wat wij geloofden het geval te zijn, namelijk dat alles wat bestaat, een plekje heeft. Andermaal: om te kunnen bestaan, moet men eerst een plekje hebben, want niemand of niets kan bestaan geheel buiten de ruimte om en wars van alle plaatsen. (*)
Dat ondervinden vandaag zelfs de mensen, ingevolge een overbevolking die binnenkort - als wij de statistici en de demografen mogen geloven - alle perken te buiten dreigt te zullen gaan. Nu reeds krijgen mensen te horen dat er geen plaats voor hen is, zodat ze hun land moeten ontvluchten. Maar dan komen ze terecht in een ander land, waar ze om asiel verzoeken en, u raadt het al, daar krijgen ze precies hetzelfde te horen: "Het spijt ons, meneer, mevrouw, maar er is geen plaats meer voor u". En die mensen zonder plaats worden vervolgens als het ware samengeperst, zoals men dat ook met het huisvuil doet, dat immers na de samenpersing veel minder plaats inneemt dan voordien, zodat het alsnog op de kar kan geladen worden. En dit in afwachting van een definitieve 'verdwijning' van die asielzoekers, wat deze ook moge inhouden: een terugkeer naar het land van herkomst, waar hen de vervolging wacht en een gewisse dood; verstoppertje spelen in de onderwereld waar zij, hoewel nog steeds plaats innemend, alvast onzichtbaar worden voor al wie wél een stekje hebben; aan de bedelstaf in de straten van de stad, op drukke kruispunten en verkeersaders met een plastic bekertje of een rammelende, ratelende tinnen kroes, want ook dat is een vorm van onzichtbaarheid en van geen plaats innemen...
Zelfs voor de doden is er geen plaats meer, de huur op de kerkhoven wordt elk jaar weer duurder en van steeds meer mensen wordt na hun heengaan het stoffelijke overschot verbrand tot as, die immers nog weinig plaats inneemt, ook al omdat as verstrooid wordt en dus zowat overàl terecht kan komen, ook en vooral op plaatsen die daar eigenlijk niet voor bedoeld zijn. Maar dat is uiteindelijk het geval met alle 'afval'. En zolang het afval tijdig gerecycleerd kan worden - àls het al recycleerbaar is - blijven de problemen wel binnen de perken. We weten onderhand wel dat plastic afval via het vuilnisbelt, de zee en de vissen, tot in al onze lichaamscellen verstrooid zit, waar het dan zonder pardon met een of andere kanker op zijn beurt ons uit de weg ruimt.
Dingen en dieren, planten, zelfs mensen zijn er in overvloed, maar het aantal plaatsen is beperkt, en zo komt het dat de lege ruimten veel kostbaarder zijn geworden dan alles wat hen opvullen kan. Een wel heel bijzonder gevolg hiervan is dan dat bezittingen, die immers ook plaats innemen, steeds meer geld gaan kosten. Enerzijds lijkt het er dan op zij méér waard worden omdat zij net zoals levende wezens, die men immers dagelijks moet te vreten geven, pakken geld gaan kosten om ze in zijn bezit te houden. Anderzijds blijken zij steeds vaker slechte investeringen te zijn, precies omdat zij hun bezitters op den duur verarmen in plaats van hen te verrijken, wat aanvankelijk toch de bedoeling was van het kapitaal. Inderdaad, het plaatsgebrek maakt dat op den duur het kapitalisme, dat teert op de meerwaarde van het bezit, binnenstebuiten wordt gedraaid: bezit levert immers geen rente meer op, zodat de rijken spontaan gaan verarmen, en dit in tegenstelling tot de armen, die daardoor spontaan worden verrijkt. Of lopen wij hier van stapel?
Een andere zaak die voortvloeit uit die 'omkeringen' is de volgende, en nu moeten we ons andermaal wenden tot de kunst - de hedendaagse en de andere, het doet er niet zo heel veel toe. Ruimte wordt steeds duurder omdat er steeds meer plaatsgebrek is voor mens en dier en ding, zo hebben we gezegd. Vooral in steden ziet men huurprijzen de hoogte in gaan, in de centra kost een pand van amper enkele vierkante meter, fortuinen. En dan ziet men daar ineens... die musea, waar ruimte in overvloed is, hoge plafonds en licht en parken vol bomen in de weidse omgeving. Daar lijkt er ineens een overschot aan plaats te zijn - een overschot aan plaats om bijvoorbeeld een doek met zonnebloemen van Vincent Van Gogh tentoon te stellen, een doek ter waarde van een paar miljard. Het lijkt wel alsof het doek vanuit zichzelf ruimte uitstraalt om zich heen. En dat lijken niet alleen kunstvoorwerpen te doen, maar ook mensen met veel geld: als men hen van bovenuit zou in de gaten houden, dan zou men zien hoe slechts heel zelden de ruimte die hen spontaan lijkt te omgeven, zeer tijdelijk inkrimpt.
Geld schept ruimte, en op dezelfde manier schept geld ook tijd, en zo komt het dat de zogenaamde rijken onder ons geen gebrek hebben aan tijd en ruimte, waar alle anderen nood aan hebben. Geld, aanvankelijk een materieel goed en symbool ook van al wat van stof was, lijkt een specie te zijn geworden die nu geheel aan de tijd en alvast aan de ruimte ontsnapt, en wel in die zin dat geld niet langer ruimte inneemt maar daarentegen voortbrengt. En hier lijkt het er zelfs op dat de natuurwetten buigen voor de duivel, dat de duivel zelf zich meester poogt te maken van de natuur, en dat hij dit doet via de zonde van, in dit geval, de menselijke hebzucht die als het ware een gat in die natuurwetten gaat vreten waardoor hij zich een weg baant naar een troon die aan de dood zelf lijkt te ontsnappen.
De wereld wordt geleidelijk een plaats met plaatsgebrek voor al wie niet in het bezit is van een toegangspasje, precies zoals ooit zovele plaatsen op de wereld ontoegankelijk werden voor wie geen ticket kopen kon. De wereld is stilaan volledig in het bezit geraakt van 't gouden kalf, en straks zal de waarde van een mensenleven uitsluitend afgemeten worden aan wat dat individu aan geldelijke middelen bezit. Wie niets bezitten, zullen ook geen plaats meer krijgen en zij zullen worden samengeperst, verast en uitgestrooid. En zij die bezitten: rondom hen zal zich, gelijk als uit een stralend centrum, een veld vormen van ruimte en van tijd, waarvan de grootte evenredig zal zijn aan het bezit dat zij vertegenwoordigen. Alles immers zal gekocht worden en verkocht, precies omwille van dat plaatsgebrek, dat er dankzij een overvloed aan leven is gekomen. En zo wordt ook de overvloed tot een tekort, en keert ook hier het goede in zijn tegendeel, geeft de goddelijke schepping uit op wat de duivel lief is, en is de tegendoelmatigheid de opperkoning die als een vloek rust op alles en allen.
(Jan Bauwens, 1 augustus 2009)
Noten
(*) In de kluizen van een groot Antwerps museum rust het unieke copie van het Lam Gods van de hand van Coxie, de hofschilder van Filips II. Het ligt er, weliswaar achter professionele grendels, helemaal verkommerd bij, zoals de vele kunstwerken die onze musea rijk zijn, en waarvan er slechts een fractie kan worden tentoon gesteld... wegens plaatsgebrek. Het originele Lam Gods van de gebroeders Van Eyck uit 1432 hing tot voor enkele decennia nog quasi onbeschermd in het licht van de zon... door plaatsgebrek. Honderden, zoniet duizenden van onze beste kunstwerken op doek, waarvan prenten zijn afgedrukt in internationale catalogi, hangen in de vorst in tochtige en vochtige kloostergangen... door plaatsgebrek.
Over de grote Johann Sebastian Bach weten wij dat hij als kapelmeester elke zon- en hoogdag nieuwe muziek schreef voor zijn koor en zijn orkest; die muziek werd gecopieerd met een soort stencilmethode, waarbij het notenschrift in koperbladen werd gegraveerd, en ook daar deed zich plaatsgebrek voor: elke week werden de beschreven koperbladen platgeklopt en hergebruikt, koper was immers te duur om daarop Bach's muziek te bewaren...
Indoctrinatie, misleiding en psychopolitiek
Indoctrinatie, misleiding en psychopolitiek
1. Hersenspoeling in het communisme
Niet langer dan vierenvijftig jaar geleden - in 1955 - maakt de New Yorkse professor Charles Strickley de inhoud van een bijzonder boek wereldkundig. Het ging om een Russisch handboek dat zou gebruikt worden op ondergrondse communistische scholen - een leerboek over praktijken van hersenspoeling en psychopolitiek. (1) Het boek bevat een strategie om de geestelijke gezondheidszorg aan te wenden als dekmantel voor politieke overreding en psychosociale of zelfs fysieke uitschakeling van politieke tegenstanders. De verantwoording luidt dat het rationalistische communisme de beste staatsvorm is, het westerse kapitalisme de meest verziekte. De staat is zoals een lichaam: dat functioneert pas gezond als alle organen en cellen samenwerken. Tegenwerkende delen maken op den duur het ganse lichaam ziek; daarom ook zijn alle middelen die hen in het gareel kunnen dwingen, gerechtvaardigd. De "operante conditionering" van Pavlov geldt als basis voor de tactiek van de hersenspoeling. Als voorbeeld vertelt het bevreemdende handboek hoe de Kozakken een wild paard plegen te temmen: om zijn wil te breken en gehoorzaamheid af te dwingen, slaan zij een fles vodka aan scherven tegen zijn kop zodat de alcohol inbrandt in de ogen van het dier. Voortaan zal het gehoorzamen als een lammetje.
Psychopolitiek doelt op de onderwerping van andermans gedachten en strevingen en op de verovering van de vijand middels zogenaamde geestelijke gezondheidszorg. Die moet in de cultuur van de vijand een maximale chaos creëren. Lavreti Pavlovitsj Beria verklaarde in een toespraak aan de Amerikaanse studenten van de Lenin Universiteit in 1936, geheel overeenkomstig het Sovjet handboek:
"IJver tot op het punt dat elk psychologieleraar, onder de dekmantel van het vak 'psychologie', bewust of onbewust, de communistische doctrine onderwijst. (...) IJver totdat alle dokters en psychiaters hetzij bewuste psychopolitici zijn geworden, hetzij onbewust onze doelen dienen. (...) Op die manier kunnen onze vijanden gelijk insecten verdelgd worden (...) Leiders kunnen gedwarsboomd worden door hun families met drugs te verzieken. Jullie kunnen hen dan van de kaart vegen door hen krankzinnig te verklaren. En werken ze teveel tegen, dan laten onze technologieën het toe hen tot krankzinnigheid te brengen." (2)
Tegenstanders moeten in diskrediet worden gebracht en aangezet worden tot zelfmoord - wie door een arts tot krankzinnige gestigmatiseerd wordt, verliest alras alle krediet. De loyaliteit aan zichzelf wordt vernietigd door iemands zelfvertrouwen te kelderen; de familie-eenheid kan vernietigd worden door de familieleden onderling financieel onafhankelijk te maken, door het huwelijk te degraderen en scheidingen te vergemakkelijken; de loyaliteit van vrienden en omgeving wordt vernietigd door hen te beschuldigen van het verspreiden van geruchten; de loyaliteit aan de kapitalistische staat wordt vernietigd door intolerantie tegenover de jeugd, die zich dan zal keren tegen die staat.
"Door allerlei drugs makkelijk verkrijgbaar te maken, door aan tieners alcohol te verschaffen, door onbeschoft gedrag aan te moedigen, door hen te prikkelen met pornografische literatuur en door bepaalde seksuele praktijken bij hen aan te prijzen via de voorlichtingsbureaus, kan de psychopoliticus een attitude van chaos, ijdelheid en waardeloosheid creëren, waarin dan het communisme opduikt als dé oplossing die de jeugd op elk gebied de volledige vrijheid schenkt." (3)
Psychopolitici zijn werkzaam op universiteiten, bijvoorbeeld als psychologiedocenten, en zij moeten aan hun studenten de communistische leerstellingen aanbieden zonder dat zij dit beseffen, namelijk onder het mom van moderne wetenschappelijke principes die leren dat mensen dieren zijn. De macht van de religie moet gebroken worden en religiositeit moet als neurotisch gedrag worden bestempeld en religieuze families moeten aldus in diskrediet worden gebracht. Bekwame gezondheidszorgers moeten belasterd worden als onbekwaam en uitgerangeerd worden; psychopolitici moeten hun plaats innemen.
"Van al wie proberen om de psychotherapie te ontmaskeren als een psychopolitieke activiteit, kan men nog het beste de geestelijke gezondheid ter discussie stellen. (...) Psychopolitici moeten moord en geweld vermijden, tenzij binnen de muren van het krankzinnigengesticht en jegens personen wiens krankzinnigheid bewezen werd. (...) Hoe gewelddadiger een zieke behandeld wordt, des te hopelozer zal zijn krankzinnigheid uitschijnen. De maatschappij moet zodanig worden bewerkt dat elke opstandeling voor de rechter kan worden gebracht en dan toegewezen kan worden aan een psychopoliticus, die hem vervolgens met een electroshocktherapie tot volstrekte volgzaamheid kan brengen voor de rest van zijn dagen." (4)
"Tegelijk moet men het volk voorliegen dat het aantal gekken onrustwekkend stijgt. Zo wordt een noodsituatie geschapen waarin de psychopoliticus kan optreden als de reddende engel, en na verloop van tijd verwerft hij zodoende een leidende positie." (5)
Handlangers in de sector van de geestelijke gezondheidszorg kunnen worden aangezet tot (heimelijk registreerbare) seksuele perversiteiten, welke dan als chantagemateriaal worden gebruikt om hen tot het uitvoeren van bevelen aan te zetten.
"Omdat de psychopoliticus aldus de zeggenschap verkrijgt over krankzinnigen waarvan velen misdadige trekken vertonen, kan hij hen eventueel in zijn plannen betrekken. Die gekken zullen immers blindelings alle destructief werk verrichten dat hen wordt opgedragen, als zij maar op de juiste manier straffen en implantaten krijgen toegediend. Zo wordt het ook echt kinderspel om de jeugd van het betrokken land te bederven, de leiders te belasteren en de rechtbanken in te nemen." (6)
Het monopolie van de kerk over de geestelijke gezondheidszorg moet worden gebroken; zij moet in diskrediet worden gebracht. En verder:
"Schrijvers die het aandurven om aan het licht te brengen dat de maatschappij onder het juk ligt van complete geestelijke controle en dwang, moeten worden aangezet tot schande of tot zelfmoord, zodat hun werk in diskrediet wordt gebracht. (...) De verspreiding van de communistische sociale orde verloopt overal voortreffelijk. De verspreiding van het communisme heeft overigens nooit geweld of strijd gevergd, ze is gebeurd door de verovering van de geesten. In de psychopolitiek werd die verovering tot in de details verfijnd. (...) Het doel wettigt de middelen. Het degraderen van een volk is minder wreed dan haar vernietiging met atoombommen, want voor een dier dat slechts eenmaal leeft, is elk leven zoeter dan de dood". (7)
Huiveringwekkend, maar volgens het handboek zelf zou de methode tienduizenden keren beproefd geworden zijn. Enerzijds lijkt de ontdekking van politieke gevangenenkampen de geloofwaardigheid van die zaak te ondersteunen. Anderzijds ziet het er naar uit dat politici - ongeacht hun kleur - niet om leugens verlegen zitten als het gaat om oorlogspropaganda.
2. Hersenspoeling in het kapitalisme
Uiteraard bezitten de communisten allerminst het monopolie over propagandatechnieken. Zo kreeg ook de CIA, de Amerikaanse inlichtingendienst, vrij spel in psychiatrische ziekenhuizen en in gevangenissen om mensen aan verregaande proeven inzake hersenspoeling te onderwerpen. Meerdere keren werden zelfs onwetende burgers, waaronder Amerikaanse militairen, als proefpersonen gebruikt.
Onder de dekmantel van terrorismebestrijding en dus in het teken van de algemene veiligheid en vrijheid, dreigen de burgerlijke vrijheden heden ten dage danig ingeperkt te worden dat in het westen staten dreigen te ontstaan die op politiestaten gaan gelijken. De burgers zijn zich vaak allerminst bewust van het feit dat er met hun privacy gelachen wordt door de huidige autoriteiten. Zeer onlangs nog (namelijk in juli 2009) zag het Nederlandse gerecht zich genoodzaakt om de veiligheidsdiensten aldaar op de vingers te tikken omdat zij systematisch de communicaties van journalisten afluisteren. En in het Belgische parlement werd enkele jaren geleden tijdens het vernieuwen van de vloerbekleding nog een uitgebreide installatie van afluisterapparatuur gevonden... van Amerikaanse makelij.
De reclamewereld kennen wij inmiddels, maar niet alleen de reclame hypnotiseert burgers en zet ze aan tot het gewenste gedrag: ook de zogenaamde wetenschappelijke berichtgevingen en het onderwijs zijn feller dan ooit voordien gekleurd met religieuze, antireligieuze of politieke boodschappen. In een wereld waar het goede vereenzelvigd wordt met datgene wat winst oplevert, zijn bedrog en hypocrisie de regel en het huwelijk tussen die twee resulteert in opgedrongen werkelijkheidspercepties die elkeen die zich poogt te informeren, alleen maar doen duizelen. Reclame en propaganda verbergen zich in shows, in soaps en in andere zogenaamde ontspanningsprogramma's, en regelen aldus het burgerlijke gedrag tot in de kleinste details. Via de media wordt bepaald wie geloofwaardig en kredietwaardig zijn en wie niet, en zij maken of breken personen, organisaties, culturen, normen, waarden, wetten en staten zonder dat er ook maar één kanonschot dient te worden gelost.
3. Het geloof in eigen leugens
De leugens die onder de heerschappij van het gouden kalf voor waarheden doorgaan, zijn niet te tellen; zij beheersen alle sectoren van het maatschappelijke leven - de gezondheidszorg, het onderwijs, het verkeerswezen en de administratie incluis, zoals vooral Ivan Illich dat indertijd overtuigend en bijzonder gedocumenteerd heeft aangetoond. Maar sinds korte tijd heeft de leugen zozeer aan kracht gewonnen, dat zij de werkelijkheid zelf dol heeft doen draaien. De twee polen - het kapitalisme en het communisme - hebben elkaar zozeer belogen door het voorwenden van het tegendeel van hun wezen aan elkaar, dat ze eensklaps in elkaar zijn overgegaan: de aloude communistische staten, zoals bij uitstek China, zijn door de voorwending van een westers, kapitalistisch imago, nu ook echt kapitalistisch geworden, terwijl heel wat westerse staten die een kapitaalkracht hebben voorgewend die zij helemaal niet bezaten, door de mand vielen en via een noodgedwongen protectionisme, feitelijk communistisch werden want volkomen beheerst door de staat.
Het lijstje van de hersenspoelers is ellenlang, maar wat meer is: aan dat lijstje kan nooit een einde komen omdat uiteindelijk niets of niemand niét op dat lijstje staat. Religies indoctrineren, en niet alleen 'sekten' doen dat, zoals de eigen religie haar concurrenten noemt. Maar ook de zelfverklaarde atheïsten hangen een vorm aan van geloof: de ijver en het fanatisme waarmee zij het niet bestaan van God propageren, laat daar geen enkele twijfel over bestaan. Oorlog in naam van de vrede en in naam van God; het pakt tussen de wereldlijke en de geestelijke heerser verpersoonlijkt in de keizer; massa-indoctrinatie onder de noemer van opvoeding; inquisitie en vervolgingen waaraan alle geheime diensten ooit een voorbeeld konden nemen; de veroordeling van de waarheid zelf in de terechtstellingen van wetenschappers en in de volgehouden negatie van experimenteel bewezen stellingen; het goedpraten en aanmoedigen van racisme, verdrukking en slavernij. Deze indoctrinaties zijn zo verregaand dat wie ze ondergaan nog nauwelijks beseffen dat hun geloofsijver en hun godvrezendheid jegens goden of afgoden van dezelfde makelij zijn als de angst die zij in zekere tijden ook hebben voor een tiran.
Staten eisen van hun soldaten dat ze - in tijden van oorlog - doden in hun naam, en soldaten vinden ook dat dit hun heilige plicht is: jonge vaders uit land A - en ingevolge de vrouwenemancipatie nu ook moeders - trekken naar het front en mikken daar met scherp op jonge vaders uit land B, door wie zij op hun beurt worden onder vuur genomen. Die vaders proberen elkaars kinderen vaderloos te maken of tot wezen, en zij geloven dat dit hun heilige plicht is en dus een daad waar zij trots op moeten zijn. Mijn eigen grootvader die nog aan het front vocht in de Tweede Wereldoorlog, vertelde me dat hij altijd boven de hoofden mikte: "Ik had zelf kinderen", zegde hij, "ik wilde ook niet dat mijn kinderen hun vader alleen van zijn graf zouden gekend hebben". Zeventig miljoen doden zijn er in die Tweede Wereldoorlog gevallen. Zeventig miljoen kogels uit plichtsbesef die tot eer strekken? Naar mijn bescheiden mening kunnen die afgrijselijke moordpartijen helemaal niets met plicht en trots te maken hebben; zij kunnen alleen maar het gevolg zijn van de meest verschrikkelijke indoctrinaties en hersenspoelingen. Ter herinnering: de straf op desertie is de dood met de kogel. De strijdliederen van weleer behoren tot ons culturele patrimonium, zegt u? Zij zijn niets meer dan een dun laagje vernis bovenop de meest beestachtige conditionering die maar denkbaar is. Geef ons dan maar de liederen van Bertolt Brecht: Erst das Fressen, dann die Moral. Zij zijn bruut, zegt u? Inderdaad, maar zij zijn tenminste nog de meest brute waarheid.
Men zegt dat de oorlog het verlengstuk is van de economie. De economie is wreed en berust op de principes van wraak en hebzucht, concurrentie en dus onderlinge tégenwerking in plaats van samenwerking. Moord is in de economie verboden, maar het vernietigen van andermans levensmiddelen is dan weer wél toestaan en wordt zelfs aanbevolen, het is een plicht voor wie wil slagen of rijk worden. Geen geld betekent geen brood op de plank, en dat is honger of dus de bedelstaf - is dit niet altijd de fysieke dood, dan is het alvast de maatschappelijke doodsteek en die leidt niet zelden tot de zelfmoord omdat mensen nu eenmaal groepsdieren zijn, niet van brood alleen leven, of een leven dat slechts een dierlijk overleven is, categoriek weigeren. Maar er is meer: de economie is namelijk het verlengstuk van de natuur, en zo komt het dat de oorlog uit de natuurlijke orde der dingen voortvloeit zoals water uit zijn bron. Van die oorlog maken de indoctrinatie, de hersenspoeling en de misleiding alom, gewoon deel uit en deze feitelijkheid verplicht al wie zijn leven lief is, om tot datzelfde kwaad jegens anderen zijn toevlucht te nemen.
Tenzij men uiteindelijk tot het inzicht kan komen dat alle mensen er bijzonder veel baat zouden bij hebben als zij ophielden met elkander te bestrijden en als zij gingen samenwerken, één groot blok gingen vormen en als mensheid gingen opereren. En is dat niet de bedoeling, uitgerekend van... het communisme? Is het dan niet die absolute noodzaak van intermenselijke samenwerking en van de stichting van één grote mensengemeenschap, die hier en daar wat pressie en wat dwang rechtvaardigt teneinde de logge massa mee te krijgen op dat ene, grote schip dat tenslotte haar grootste heil tegemoet zal varen? Of is ook dat een leugen, en misschien wel de ultieme leugen, namelijk dat de mens in staat zou zijn om de natuur te overstijgen terwijl hij er voor zijn bestaan tegelijk toch compleet afhankelijk van is? Wie zal het zeggen!
Noten:
(1) De vertaling van dit zogenaamde Sovjet handboek droeg de titel: "Brainwashing: A Synthesis of the Russian Textbook on Psychopolitics". Naar verluidt werd het verspreid als openbare waarschuwing (voor de wreedheden van het communisme)...
(2)http://www.hiddenmysteries.org/themagazine/vol14/scientology/brain-wash-intro.shtml :"You must work until every teacher of psychology unknowingly or knowingly teaches only Communist doctrine under the guise of "psychology". (...) You must labour until every doctor and psychiatrist is either a psychopolitician or an unwitting assistant to our aims. (...) With it you can erase our enemies as insects. (...) You can cripple the efficiency of leaders by striking insanity into their families through the use of drugs. You can wipe them away with testimony as to their insanity. By our technologies you can even bring about insanity itself when they seem too resistive."
(3)http://www.hiddenmysteries.org/themagazine/vol14/scientology/brain-wash-2.shtml: "By making readily available drugs of various kinds, by giving the teen-ager alcohol, by praising his wildness, by stimulating him with sex literature and advertising to him or her practices as taught at the Sexpol, the psychopolitical operator can create the necessary attitude of chaos, idleness and worthlessness into which can then be cast the solution which will give the teen-ager complete freedom everywhere - Communism."
(4)http://www.hiddenmysteries.org/themagazine/vol14/scientology/brain-wash-4.shtml : "Should anyone attempt to expose psychotherapy as a psychopolitical activity, the best defence is calling into question the sanity of the attacker. (...) Psychopolitics should avoid murder and violence, unless it is done in the safety of the institution, on persons who have been proven to be insane. (...) The more violent the treatment, the more hopeless insanity will seem to be. The society should be worked up to the level where every recalcitrant young man can be brought into court and assigned to a psychopolitical operative, be given electric shocks, and reduced into unimaginative docility for the remainder of his days. (...)
(5)http://www.hiddenmysteries.org/themagazine/vol14/scientology/brain-wash-5.shtml : "The society, at the same time, must be educated into the belief of increasing insanity within its ranks. This creates an emergency, and places the psychopolitician in a saviour role, and places him, at length, in charge of the society."
(6)http://www.hiddenmysteries.org/themagazine/vol14/scientology/brain-wash-5.shtml : "In that the psychopolitician has under his control the insane of that nation, most of them have criminal tendencies, and as he can, as his movement goes forward, recruit for his ranks the criminals themselves, he has unlimited numbers of human beings to employ on whatever project he may see fit. In that the insane will execute destructive projects without question, if given the proper amount of punishment and implantation, the degradation of the country's youth, the defamation of its leaders, the suborning of its courts becomes childishly easy."
(7)http://www.hiddenmysteries.org/themagazine/vol14/scientology/brain-wash-5.shtml : "Authors of literature which seek to demonstrate the picture of a society under complete mental control and duress should be helped toward infamy or suicide to discredit their works. (...) An extension of the Communist social order is everywhere victorious. The spread of Communism has never been by force of battle, but by conquest of the mind. In Psychopolitics we have refined this conquest to its last degree. (...) The end thoroughly justifies the means. The degradation of populaces is less inhuman than their destruction by atomic fission, for to an animal who lives only once, and life is sweeter than death."
Boeken van dezelfde auteur. Om een boek te lezen, klik op de prent van de flap.
Beluister hedendaagse klassieke muziek van dezelfde auteur: klik op de prent van de weblog hieronder.
Boeken van dezelfde auteur. Om een boek te lezen, klik op de prent van de flap.
EN FRANCAIS:
Beluister hedendaagse klassieke muziek van dezelfde auteur: klik op de prent van de weblog hieronder.
Water
“Hef dan toch een been op, domkop!”, riep hij.
“Begrijp jij dan niet dat als je con-ti-nu met de beide voeten in het water blijft staan, dat dan je huid helemaal zal verweken en er zelfs zal afvallen! En wat ga je dan doen?! Hè?!”
Ik zocht steun met een hand bij het muurtje, dat glad aanvoelde, en vies, van het mos, en hief mijn rechter voet op uit het water.
“En droog hem nu met je zakdoek af”, voegde hij er nog aan toe, en dan keek hij de andere kant op, en ik hoorde hem nog denken: “Domkop die je toch bent!”
Ik droogde mijn voet af, het was een acrobatenwerkje, maar ik deed het, niet om mijn huid te sparen, want wat mocht het tenslotte baten, nu eens de ene voet droog en dan weer de andere, en dan telkens zoals een kip blijven staan op één enkele poot totdat de krampen zich deden voelen… Neen, ik deed het om hem tevreden te stellen, ja, om hem te kalmeren, want ik had allang gezien dat hij de ondergang waarover iedereen de mond vol had, niet meer zou meemaken als hij zich telkens weer zo opwond.
“Ik denk dat het aan de overkant minder diep is”, probeerde ik na een poosje, maar hij beantwoordde mijn opmerking niet en deed zelfs niet de moeite om de schouders op te halen.
Ik observeerde de overkant, of dan toch de plaats waarvan ik veronderstelde dat zij aan de overkant moest gelegen zijn, want het water maakte vanzelfsprekend alles wat er onder lag, onzichtbaar. Alles werd bij wijze van zeggen door het water begraven, en het was eigenlijk gissen geworden waar precies de weg moest liggen, vooral omdat hier geen huizen meer stonden, en wij hier minder bekend waren, en het bovendien stilaan donker werd. Waarom waren we niet gebleven waar we waren, en hadden we ons niet gewoon laten ondergaan, zoals trouwens de meesten dat deden?
Iedereen had het zien aankomen, meer dan blind had men moeten zijn om het niet te zien, en toch had niemand, maar dan ook niemand er aan gedacht om, bijvoorbeeld, met wat hout uit de stal of met enkele balken die toch wel in elke achtertuin te vinden zijn, een simpel, klein vlot in elkaar te timmeren. Hoe welkom zou zo’n eenvoudig schuitje nu niet geweest zijn, al was het alleen maar om die krampen te vermijden, die het gevolg waren van dat staan op één been, en die koude ook, die via het ‘steunbeen’ naar boven leek te kruipen. Het is vreemd, ook als sta je enkel tot eventjes over de enkel in het nat: alras wordt je hele kuit een ijsblok, en ook je knie, en dat kruipt vrij snel nog hoger op, en dan moet je van been wisselen natuurlijk, om het andere been wat warmer bloed te gunnen. Ja, dan pas sta je er versteld van hoe warm ons bloed is, en hoe vanzelfsprekend wij dit altijd vonden; wij stonden er nooit bij stil, tot op dit eigenste moment dat we er moeten bij stil staan, en op één been dan nog.
Ik had gewacht met plassen totdat de duisternis helemaal gevallen was, want ook in anderszins benarde situaties blijft plassen een gênant karwei. Haast onhoorbaar was het straaltje – warm dampend – water uit het eigen lijf, wegens de regen die muziek bleef maken in ‘het meer’, zo zal ik het maar noemen, en het verdroot me dat ik, door nood gedwongen, aldus wat van de eigen lichaamswarmte los moest laten, nu ik daaraan tekort begon te lijden, maar het kon niet anders meer.
Helemaal donker werd het, het verwonderde me dat het zo donker worden kon, maar ik bedacht meteen dat wij, die opgegroeid zijn in het tijdperk van de elektriciteit, eigenlijk nog nooit de nacht hadden gezien die, tot voor enkele tientallen jaren, vele duizenden jaren lang, en eigenlijk teruggaand tot het begin der tijden, alle generaties die het mensdom en het dierenrijk had voortgebracht, altijd al in gijzeling had gehouden gedurende ruim de helft van hun bestaan. Ja, nu werd het echt donker en, al was het niet echt koud: het nat bleef via het ene been – nu eens het linker, dan weer het rechter – veld winnen op het gebied van het lijf dat nog door het bloed kon warm gehouden worden. Dit kon niet zo heel lang meer duren, dit was een zaak van hooguit uren, misschien nog een dag, of twee, daar had ik het raden naar – ik, die altijd in de watten gewezen, de grenzen van de lijfelijke krachten en zwakten nooit had hoeven te verkennen.
“Van één graadje gaan we heus niet dood, haha!” – zo hoor ik het hem nog altijd zeggen op teevee, de “haha” erin begrepen – de grote ethicus, de raadgever der vooraanstaanden, de beschermengel van alle burgers in dit land, de trooster, de vredebrenger, de bruggenbouwer, de rechtschapen wetenschapper. “Eén graadje”, zei hij, en ze praatten het allemaal na: de weerman en de weervrouw, de eerste minister en misschien ook wel de koning in zijn groot kasteel: “Het is gemiddeld genomen slechts één enkel graadje, mijn lieve vrouw: je hoeft heus niet bang te zijn, alles loopt zoals normaal!” En zij dan, haar man bewonderend voor zijn comfort verschaffende inzicht: “Ja, het zal wel zo zijn, wij zijn altijd veel te snel bang. Maar ik dring er toch op aan dat we nu wat vakantie nemen in de bergen. Een verblijf in onze blokhut in de Alpen zou ons tot rust brengen, denk je niet?” En dan hij weer: “Dat zal jammer genoeg niet lukken, mijn lieve vrouw; onze blokhut is immers niet meer; er is daar een stukje van een kleine gletsjer gepasseerd, de afgelopen week.” En dan, haar meteen troostend: “Maar… geen nood, geen nood: ik gaf reeds opdracht voor de bouw van een nieuwe. Intussen kunnen we voor de verandering misschien eens een cruise maken – wat denk je ervan?”
Zegde hij nu een ‘cruise’ of een ‘kruis’? Hoe dan ook, het werd door iedereen gezegd: van één enkel graadje gaan we heus niet dood.
Ik hoor het onze grootmoeder nog steeds zeggen: “Van één enkel graadje gaan we heus niet dood”. Dat was ter gelegenheid van de energie-besparings-dagen, thuis, intussen al heel lang geleden. Er was een campagne ten tijde van de allereerste ‘oliecrisis’: “Als elke burger de verwarming één graadje lager zet, dan komen wij er met zijn allen wel doorheen!” – “Eén graadje voor het goede doel!” Wij waren nog kinderen toen, en we voelden daar natuurlijk helemaal niets van. Maar grootmoeder, die de rekeningen bijhield, vertelde ons op een dag na de winter, hoeveel geld die luttele besparing in het laatje had gebracht. Ik herinner mij geen getallen meer, maar het was een heel behoorlijke som en, dank zij dit ene graadje, reden wij in de lente allen met een nieuwe fiets.
De muziek van de regen was nu luider gaan spelen, het was een geruis dat beslist gezellig had geklonken indien wij nu maar ergens knus bij een kachel hadden gezeten, spelend met de kinderen, op een wollen tapijt, kijkend in de vlammen die uit de blokken brandhout oplaaiden, en de oudjes onder ons, mijmerend over vroegere tijden.
Eén enkel graadje in één enkele huiskamer maakte ons toen rijk – zoveel energie is er met dat ene graadje gemoeid. En hoe groot is het volume van een huiskamer? Hoeveel huiskamers gaan er in onze atmosfeer?
Ik keek op naar de lucht, doch zag niets dan een zwart vlak en voelde koude regendruppels in mijn ogen pletsen. Ik verloor haast het evenwicht, wisselde nog eens van been, werd gerustgesteld door het gehoest aan mijn zijde dat eigenlijk zeggen wilde: “Ik ben er nog, ik ben er nog, wees maar niet bang…”
Talloze huiskamers gaan er in de atmosfeer, en het woord ‘talloos’ is in feite veel te dunnetjes om het verschil in beeld te kunnen brengen. Op de lagere school leerden we ooit dat warme lucht meer vocht vasthoudt dan koude, en voor de gelegenheid had onze onderwijzer, die toen tachtig moet geweest zijn, een elektrische kookplaat meegebracht en een soort glazen ketel die hij met water vulde en verwarmde op de steen. Hij toonde ons wat damp was, en ook condensatie.
“Kan iedereen goed zien dat het volume water in de ketel nu geslonken is?”, zo vroeg hij ons na een poosje, en hij trok de jongens die achteraan stonden omdat zij bedeesd waren, naar voren, opdat ook zij het goed zouden zien.
“Het water is niet weg”, zo vervolgde hij zijn uiteenzetting: “het is nu waterdamp geworden. En die damp zit nog steeds in de ketel. Hoe langer ik het water verwarm, hoe meer water er zal veranderen in damp. De lucht in de ketel is even heet als het water: pas daar altijd van op, want je kunt je daaraan verbranden! Onthoud dus goed dat warme lucht meer vocht kan bevatten dan koude lucht!”
Dan kwam het moment dat hij ons ging laten zien wat condensatie precies is. De kookplaat met de waterketel stond bij het raam en het was winter. Het vroor zeker min tien graden buiten en de ruiten van de ramen van de klas waren kil. In die tijd hadden de klaslokalen nog hoge plafonds, en onze onderwijzer had ons trouwens ook eens uitgelegd dat dit noodzakelijk is opdat wij allemaal genoeg zuurstof zouden kunnen inademen. Dat architecten van scholen dit vandaag niet meer nodig vinden, is mij trouwens altijd een raadsel geweest, en sommigen beweren zelfs dat de toenemende algemene leerachterstand op scholen aan niets anders te wijten zou zijn dan aan een algemeen zuustofgebrek in de klaslokalen. “Hoge plafonds voorkomen dat wij lui worden en in slaap vallen tijdens de les”, zo zegde onze onderwijzer het, “want zuurstof is broodnodig voor de hersenen!”
Toen nam hij het deksel van de ketel en een hete damp steeg uit de ketel op, kwam met de koude ruiten in contact, en vormde daarop vrijwel onmiddellijk grote druppels die dan in straaltjes naar beneden gleden en plassen achterlieten op de vensterbank.
“Warme lucht kan meer vocht vasthouden”, zo herhaalde onze onderwijzer, “en als die lucht dan afkoelt, dan condenseert dit vocht, en dat wil zeggen: de kleine waterpartikeltjes die in de warme lucht verspreid zitten, voegen zich samen als ze kou krijgen, en zo vormen ze dus grotere druppels, en die vallen naar beneden. Zo ontstaat regen. Heeft iedereen dat begrepen?”
Iedereen knikte, maar zoals elke goede onderwijzer kende hij de kracht van de herhaling en hij zei: “Ik herhaal het nog eens: warme lucht kan meer water bevatten dan koude lucht. Het water blijft in de vorm van damp, en dus onzichtbaar, in de lucht hangen. Als de lucht afkoelt, vormen zich druppels en gaat het regenen.”
Gerard, die de slimste leerling van de klas was, stelde toen de vraag hoe veel warmer de lucht van het klaslokaal dan wel moest worden opdat een ganse emmer water daarin zou kunnen verdampen.
Onze onderwijzer zegde dat hij dat kon berekenen: hij wist het niet precies, maar ik heb zijn antwoord altijd onthouden omdat het zo ongelooflijk klonk.
“Ruw geschat”, zo sprak hij, nadat hij gedurende enkele seconden naar het hoge plafond had staan staren, “zal het ongeveer zo zijn…” Iedereen luisterde met spanning toe.
“Als de lucht in dit lokaal verzadigd is met vocht, en wij willen er nog een ganse emmer laten in verdampen, dan volstaat het waarschijnlijk om de kachel één graadje hoger te zetten.”
Er was een algemeen ‘ooh’-geroep, de warme mantel der verwondering omzwachtelde ons allen.
“En zetten wij daarna de kachel weer een graadje lager”, zo ging hij met zijn uitleg door, “dan krijgen de ruiten, de muren en de vloer van dit lokaal eigenlijk een ganse emmer waterdruppeltjes over zich. Jullie zouden daar natuurlijk niet veel van merken, dat vocht verspreidt zich, dat begrijpen jullie zeker wel, maar mocht men het meten, ik denk dat ik er niet ver naast zou zijn met mijn schatting.”
“Als de temperatuur met één graad gestegen is”, zo zei ik plotseling luidop – en eigenlijk deed ik dat om te testen of hij er nog was – , “dan moet het wel zo zijn dat de luchten ganse zeeën vol met water hebben opgeslorpt”.
Hij zweeg, en ik interpreteerde zijn zwijgen als een akkoord.
“Zolang de temperatuur blijft stijgen, is er geen probleem”, zo ging ik verder: “de luchten houden dan steeds meer vocht vast. Het probleem doet zich pas voor als de temperatuur plotseling gaat zakken, want op dat moment valt al dat water er weer uit.”
Hij bleef zwijgen, en net zoals indertijd mijn onderwijzer dat deed, herhaalde ik wat ik net gezegd had om hem te overtuigen: “Dat zijn dus vele zeeën vol!”
Maar het maakte klaarblijkelijk helemaal geen indruk op hem, want hij reageerde niet.
Hierop besefte ik plots dat hij er niet meer was. Ik liet mijn ene been zakken, waadde voorzichtig door… het meer, naar de plaats waar ik dacht dat hij altijd gestaan had, doch daar was niemand meer te bekennen. Ik waadde verder nog, nu eens naar links, dan weer naar rechts, rechtdoor, achteruit, maar ik vond niets of niemand in mijn buurt.
“Waar ben je dan?”, riep ik.
Er kwam geen antwoord. Mijn stem kon ook niet ver gedragen hebben in dit gedruis van de regen. Tevens spoelde het water nu ook met een al veel grotere snelheid dan aanvankelijk het geval was, voort, en door de koude waren mijn benen zo ongevoelig geworden dat ik niet eens gemerkt had dat het waterpeil intussen flink gestegen was. Toen ik in het water tastte met mijn nog warme handen die nog voelen konden, merkte ik dat die waterspiegel al tot een stuk boven mijn knieën kwam.
Ik betastte mijn benen, en merkte dat mijn vingers weliswaar mijn benen konden voelen, doch niet andersom: ongetwijfeld door de koude, die men echter niet meer voelt als men er aan gewend is, was het gevoel uit mijn benen zelf zo goed als geheel verdwenen. Toen ik dus merkte dat ik mijn voeten niet meer gewaar werd, vroeg ik me af of ik ze nog wel had. Indien ik met een voet in een glasscherf had gestaan, of boven op een nagel, dan had ik daarvan helemaal niets gemerkt.
De volstrekte duisternis belette me nu ook om de toestand waarin mijn voeten zouden verkeren – en waarover ik mij na deze bedenkingen echt zorgen was gaan maken – te gaan inspecteren. Ik kon ze weliswaar betasten, maar wat ik dan betastte, kon ik zelf niet meer voelen: het leek alsof ik een stuk hout betastte, iets wat alvast niet tot mijn lichaam behoorde.
Wat nu het geval was aangaande mijn voeten en mijn benen – een algehele ongevoeligheid veroorzaakt door de kou van het nat – gold nu ook met betrekking tot het onderste gedeelte van mijn romp, zo stelde ik nu vast, en ik realiseerde mij plotseling dat het een wonder was dat mijn benen mij nog langer droegen, en dat ik nu heel gauw een houvast moest gaan zoeken tegen het ogenblik dat zij het zouden begeven. Ja, alleen mijn handen en desnoods mijn aangezicht waren nog tot tasten in staat – verder niets meer: verder was het alsof mijn lichaam mij niet langer toebehoorde.
Ik voelde mij aldus – niettemin ik in klaarlichte dag nog geheel zichtbaar zou zijn – reeds voor de helft verdwenen. En dan, plotseling, kreeg ik het warm.