Beste lezeressen en lezers, beste vrienden en vriendinnen van verhalen over het verleden, geachte dames en heren,
Omdat ik nog niet weet wie mijn verhalen gaat lezen, weet ik ook niet goed hoe ik u moet aanspreken. Niettemin heet ik u hartelijk welkom op dit blog. Ik hoop hier met een zekere frequentie verhalen te publiceren over persoonlijke herinneringen en ervaringen. Dat doe ik om twee redenen. Allereerst omdat ik graag schrijf. In de tweede plaats omdat het opschrijven van herinneringen en verhalen-van-vroeger mij dwingt om nog eens goed na te denken over dat verleden. Bijvoorbeeld over het waarheidsgehalte van wat ik schrijf. Iets is al heel lang verleden tijd en beiden, u en ik, lezer en schrijver, zullen zich wellicht afvragen: is dit precies zo gebeurd? En: was dat wel zo of dénk je maar dat het zo was zoals je schrijft?
Schrijven is, anders dan wat u misschien dacht, een twee-richtingen proces. Een schrijver zet iets op papier en hoopt dat de lezer het op déze manier zal willen begrijpen en interpreteren. Maar de lezer zou er wel eens heel anders over kunnen denken, daar moet de schrijver zich van bewust zijn.
Dat geldt ook voor mijn verhalen. Ik schrijf over zaken uit mijn persoonlijk verleden. Ik schrijf natuurlijk ook met een bedoeling: ik hoop dat ik u vermaak, dat ik hier en daar bij u een glimlach ontlok. Of juist andersom: dat wat ik schrijf u ontroert en even stil maakt. Al naar gelang het verhaal. Ik schrijf ook zoals mijn snavel gebekt is, namelijk met een eigen stijl. Ik hoop dat wij elkaar zullen bereiken en aanvoelen.
In ieder geval bedank ik bij voorbaat iedereen voor haar of zijn komst hier op dit blog. Ik wens u veel leesgenot!
Nootjes: (1) Bij sommige verhalen staat een klein fotootje. Klik er op en als alles meezit wordt het beeld iets groter zodat u de details beter kunt zien. (2) De verhalen staan na deze begroeting in omgekeerde volgorde van verschijnen, dus de jongste eerst en de oudste achteraan. Dat geeft niet, want ieder verhaal staat op zichzelf.
Nee, er is een fundamenteel verschil
tussen een huisnaam en de naam van een huis. Stel, u loopt door Velp, zoals u
weet het dorp van Jan Siebelink en een van Nederlands mooiste voorsteden, en u
loopt door de Veluwezoomallee met zijn prachtige lindendoorkijkjes. Een
verscheidenheid aan villa’s schuift aan uw oog voorbij. Huizen met namen als Erica of Carpe Diem. Dit zijn typische namen van huizen, namelijk van
toepassing op welk huis dan ook. Lindenallee 24 heet Fata Morgana, maar het adres had evengoed Bergweg 28 kunnen zijn. Casa Nostra woont aan de Hogeweg nummer
24, maar het had even goed nummer 36 kunnen zijn. Ik bedoel maar: de naam houdt
geen verband met adres, noch met bewoners, behalve dat enkele toenmalige,
toevallige adressanten dit huis deze naam hebben gegeven. En na hun verhuizing
hebben de nieuwe bewoners uit luiheid of gemakzucht de naam op de voorgevel
laten staan.
Huisnamen - de meeste staan
niet eens met letters op muren geschreven - daarentegen dragen sporen van het
verleden en van de bewoners. Het zijn bovendien tekenen des onderscheids, wat
handig is wanneer veel mensen in een bepaalde streek dezelfde naam dragen. En
dat is in onze Achterhoekse boerenstreek het geval. Mijn schoonvader heette
evenals mijn schoongrootvader Westerveld van zijn achternaam. Om het
onderscheid aan te geven zeg je dan bijvoorbeeld: ik bedoel niet de Westerveld
van de Terborgsestraatweg, maar de Westerveld van de Runderlaan.
Of je noemt de huisnaam.
Zoals bij ons. Ons huis heet Beesterni-jhuus
en mijn schoonvader was derhalve Hendrik Westerveld van Beesterni-jhuus. Ikzelf
ben dus eigenlijk Terra van Beesterni-jhuus. Hoewel, als
ik déze naam noem, weten zelfs mijn naaste buren niet wie ik bedoel. Dat is
maar goed ook, want Terra is immers een schuilnaam en een pseudoniem. Maar
Beesterni-jhuus bestaat echt.
Huisnamen komen niet uit de
lucht vallen. Ze vertellen iets over de kenmerken (bijvoorbeeld over de grondslag
waarop het huis is gebouwd,) over de vroeger bewoners (hun naam, hun bijnaam,
hun beroep) of over typische bijzonderheden in of rondom het huis. In het
rijtje huisnamen hieronder, allemaal boerderijen uit onze streek, kunt u soms ontdekken tot welke categorie de naam
behoort. Maar niet zelden is de huisnaam een groot vraagteken. Waarom heet dit
huis De Prange? Wie het weet mag het zeggen.
Het woord bestaat niet in ons dialect, anders had ik er een prangende vraag over
gesteld.
Hesselink, de Linde, de Steeg, de Hónke (Hónkerbós), De
Stand, De Kwerre, Gäönenhuus, De Riete, Schreur, Oldenhof, Raoterink, Ormel,’t
Beester, Beesternijhuus, Fi-jenhuus, AorendterMaotshuus, de Welsker, de
Voornekamp, de Steengroeve, Geertshuus, ’t Barger, Garritshuus, Aaldershuus, de
Meijne, Olfjanshuus, de Klós, de Krul …
De Krul, wie
bedenkt nou zoiets? En De Klos, wie
is op het idee gekomen zijn huis en erf zó te noemen? Heet het huis misschien
zo omdat een van de vroegere bewoners ooit domme pech heeft gehad? Vaak is de aanleiding om een huis zó te noemen- in tegenstelling tot de naam zelf - mettertijd
verdwenen. Neem nou De Klós. Een mooi huis, gebouwd in 1840 of daaromtrent. Het
heet misschien zo omdat de eerste bewoonster Hermina Klos heette. Zij is
overigens in 1855 tijdens de eerste emigratiegolf met negen gezinsleden naar
Amerika vertrokken. In die dagen een afscheid voor eeuwig. In ieder geval is
het een huisnaam om nooit te vergeten. Maar dat geldt ook voor de Krul.
Voor iedereen die zoiets leuk
vindt, volgt een kleine toegift. Het gaat over de huisnamen aan wat vroeger een
modderige zandweg was, tegenwoordig een keurig geasfalteerde straatweg. De
straat heet de Nijmansdijk (terwijl erzover het oog reikt geen water van betekenis te zien is).
Aan deze Nijmansdijk staan
veel boerderijen met echte, authentieke huisnamen. Ik noem ze u even: De Stand,
De Kwerre, Gäönenhuus, De Riete, De Hónke, Schreur. De bewoner: eigenaar of
huurder, werd vaak met zijn huisnaam aangesproken. Men zei bijvoorbeeld: ‘Daar
komt De Riete aan.’ (En iedereen begreep dat de persoon in kwestie Arie
Gosselink was die in de boerderij met de huisnaam De Riete woonde.)
Ruim honderd jaar geleden is
een versje ontstaan dat mondeling is overgeleverd aan volgende generaties. Het
gaat zo:
Bi-j De Stand
hadden ze gebrek an brand;(brand = brandhout)
toem kwam Kwerren Jenne(boerin Jenne die op De
Kwerre woont)
met sprieken in de benne;(sprieken = aanmaakhoutjes;benne = mand)
toen kwam de Gäöne(de boer van Gäönenhuus)
en bracht een karre met späöne;(späöne
= spaanders)
daor kwam De Riete
en zei: dat grei is nat as driete;(drijfnat)
toen kwam De Hónke
en dén sloeg gauw een vónke;
en Schreur,
den hield de hand d’rveur.
Zo kwammen ze bi-j De Stand
toch weer an brand.
Hieronder twee boerderijen
met huisnamen:
boven 't Beester
(geheel herbouwd in 2003). Daaronder Beesterni-jhuus
(bouwjaar 1896).
Om de een of andere onnaspeurlijke reden heb ik iets met het woord ‘taiga’. Ik weet van school dat de taiga een landschapstype is dat veel in Rusland voorkomt. Ik denk dan aan reusachtige steppen met heidevelden en veel berkenbomen met hun slanke, witte stammetjes. Waar het 's winters landklimaat-koud kan worden. En waar je 's zomers van top tot teen door bloeddorstige muggen opgegeten en daarna leeggezogen wordt. Bij het woord 'taiga' denk ik ook aan naar het noorden stromende brede rivieren, zoals de Ob en de Lena, die marsmanniaans traag door oneindige laagvlakten gaan. Typisch dat alle landschappen die op de taiga lijken allemaal op een a eindigen, bedenk ik mij nu. In Hongarije heb je de poesta, in Argentinië de pampa. Dan is er natuurlijk ook nog de paloma, maar daar gaat het nu even niet over.
(1) Iets heel anders nu. Je had vroeger zogenoemde boekenseries. Per jaar verschenen vier prachtige romans, geďllustreerd, gebonden en voorzien van een hard kaft, waarop je een abonnement kon nemen. Bij ons thuis had men in een onoverdacht ogenblik gekozen voor de Spiegel-serie die Zomer & Keuning te Wageningen uitgaf. Ik weet het niet zeker, maar mijn geheugen zegt mij dat het tweede boek dat de postbode ons helemaal vanuit Wageningen bracht de titel Taiga droeg. De rode draad uit het verhaal ben ik kwijt geweest, evenals het boek zelf, maar ik herinner mij de beschrijving van Russische strafkampen en bar koude winters. Naar de auteur heb ik heel internet afgezocht, maar die bleek spoorloos verdwenen, waarschijnlijk in een taigaans moeras verzand. Totdat ik hem onlangs terugvond, net als het boek dat hij schreef. Zijn naam was Hendrik Koster.
(2) Waaraan denkt ú bij het lezen van het woord ‘taiga’? Je kunt je er ook een beeld bij voorstellen, zoals deze Sovjet-tankbrigade die herdenkt dat morgenstond goud in de mond heeft en dat viert met een feestelijk bad. Het is een schilderij van Boris Fedorow uit 1952, dus midden uit de Koude Oorlog. Als u het mij vraagt een prachtig tijdsbeeld en magnifiek op canvas gezet. De schilder hoort trouwens tot de Socialistische Realistische School, te vergelijken met de Bergense School, maar dan geheel anders. (Nu begrijpt u natuurlijk ook waar Willink zijn Magisch Realisme vandaan heeft.)
(3) Een vijftal jaar geleden liet mijn jongste zoon zich bij een van zijn schaarse thuisbezoeken ontvallen dat hij het dienstverband bij het ICT-bedrijf waar hij werkte, had opgezegd. Samen met een collega was hij van plan om voor zichzelf te beginnen. Hoewel je dat natuurlijk nooit van tevoren met stelligheid kunt zeggen, dacht ik toen al (en naar nu blijkt terecht) dat ze het wel zouden rooien. Dat kan ook moeilijk anders gezien de naam van het bedrijf. Het heet Taiga.
Dit weekend (21/22 januari 2012) verzamelen zich weer duizenden vogelliefhebbers voor de ramen van hun uitkijkposten om gedurende een half uur te speuren naar soorten en aantallen. Het gaat in dit geval om tuinvogels die zich deze winter verblijden over het zachte weer en de dito leefomstandigheden. Zelfs hebben wij al enkele gevederde vriendjes zien uitkijken naar een nestgelegenheid in het komende broedseizoen.
Nee, er wordt dezer dagen weer ijverig vogels geteld. En talrijk zijn de discussies tussen tweetallen vogelkijkers. In de trant van: A: Is dat nou een pimpelmees of een staartmees? B: Geen van beiden, het is een huis, tuin en keuken koolmees. Als er geteld wordt, wordt er ook opgeteld. Met als gevolg een lijstje. En een top-tien. De topvijf van vorig jaar (in de provincie waar ik woon) wil ik U niet onthouden:
Een paar jaar geleden zag ik ergens een ander vogellijstje: welke vogelfluiter fluit volgens u het mooist? Hier was dus niet alleen de kwantiteit (aantal en soort), maar ook de kwaliteit (schoonheid van de zang) in het geding. De topvijf destijds bestond uit:
Hieronder herhaal ik nog even voor U wat Koning Frits (de onbetwiste Koning der vogels) daarvan vond. Goed om nog even te lezen voordat U op SBS6 en Canvas kunt kijken naar de vogelversie van The Voice Of ….
Koning Frits tot zijn Minister van Publieke en Culturele Zaken:
Er is een top honderd gekozen door vroege vogels mensen met smaak en met een absoluut gehoor de beste zangers onder de vogels wij staan met stip op vijf de winterkoning staat vijfdes niet slecht hč? vindt u ook niet?
meneer de minister minister van publieke relaties en cultuur zorg er voor dat wij de volgende keer bij de top horen in ieder geval de top drie op het podium
en, meneer de minister, geef morgen de volgende opdracht aan iedereen aan elke winterkoning: een uurtje per dag oefenen tot je een ons weegt want oefening baart kunst
de Minister tot Koning Frits:
Goed majesteit ik geef het persbericht uit dat zal de concurrentie doen schrikken: de merel, de zanglijster en niet te vergeten de nachtegaal en de roodborst met stomheid geslagen - zo is het maar net.
Ik zit geknield voor een
ongeordende berg gezaagd en gekloofd hout met een camera in de hand als mijn
alter-ego me betrapt en me iets vraagt:
- Wat zit jij daar nou te
doen? Ben je een huisaltaartje aan het knutselen om het daarna te fotograferen?
- Nee, ik zit de boeiende
houtstructuren te bekijken. Daar maak ik foto's van.
- Boeiende houtstructuren, ja
dat zal wel! Is dat een bijzonder soort hout soms?
- Zeker! Dit is notenhout.
Van een walnotenboom. Vorig jaar na een rijk leven van 75 jaar doodgegaan en
vorige week gekapt, gezaagd en gekloofd. Dit zijn een paar restanten.
- Wat is er zo mooi aan dood
notenhout?
- Dit notenhout is enkel
geschikt om naar te kijken: zo'n blokje in je hand en later zo'n brandend blokje
in de houtkachel. Maar echt goed notenhout wordt voor van alles gebruikt. Voor
mooie meubels bijvoorbeeld.
- Hoe komt het dat dit hout
zo nat is? In de regen laten liggen? En waar is de schors?
- Niks in de regen laten
liggen. Dit hout is vochtig van nature. Om het als brandhout te kunnen
gebruiken moet je het zeker een jaar of twee laten drogen. En de groene schors
heb ik er afgehaald. Dat gaat nu nog heel gemakkelijk.
- Wat fascineert je zo aan
zo'n stukje walnoot?
- De kleur, de structuur en
het lijnenspel. Maar dat kan ik jou als cultuurbarbaar moeilijk uitleggen.
- Gaan we liggen katten? Laat
eens wat moois zien!
- Nou, kijk dan. Naar de
onverwachte patronen die achter de schors tevoorschijn komen. Naar de golvende
lijnen. Dat laatste plaatje: een fantastisch zeegezicht. Of niet soms?
- En wat doe je als je op het
hout uitgekeken bent?
Tien tegen één dat je niet weet wat een spiegelboek is, zei
ik tegen mijn spiegelbeeld. Wedden om een kratje bier? Dat heb je dan verloren,
antwoordde mijn konterfeitsel met een zegevierend, gespiegeld gezicht.
Natuurlijk weet ik wat een spiegelboek is. Maar je moet het wel met een
hoofdletter schrijven. Een Spiegelboek is … en toen kwam het volgende relaas
waar geen speld tussen te krijgen is.
« Er was eens een tijd dat de Nederlandse verzuiling
zichtbaar werd in de dag- en weekbladen die men las. Laten we ons voor het
gemak even beperken tot de wekelijkse leesgenoegens. Lieden van roomsen huize
lazen de Katholieke Illustratie. Mensen met agnostische neigingen die zo
op het oog nergens meer aan deden, waren geabonneerd op Panorama. (Ze
zeiden altijddat ze het deden om de
diepgravende achtergrondartikelen, maar natuurlijk ging het hen om de mooie
platen van de niet minder mooie dames, pin-ups genaamd, en de Lach-moppen
achterin.) Protestanten zoals mijn ouders lazen De Spiegel, volgens de omslag
een ‘Christelijk Nationaal Weekblad’. De gehechtheid aan het weekblad was ook
concreet zichtbaar: vaak werd bij ons thuis een complete jaargang De Spiegel
ingebonden en zo voor het nageslacht bewaard. Dát is een Spiegelboek, » besloot
mijn glazen zelfbeeld. Hij had de weddenschap gewonnen en samen hebben we er
een vrolijke avond van gemaakt.
Hoewel er méér in De Spiegel stond, waren voor mij zonder
enige twijfel de zwart-wit beelden het belangrijkst. Honderden malen heb ik ze
bekeken: die foto’s uit die oude Spiegels. Gefotografeerde illustraties uit de
politieke en sociale wereld. Geografisch getinte foto’s (IJslandse geisers,
wijnvelden in de Dordogne), foto’s van mensen bij het werk (theepluksters bij
Bandoeng genietend van een welverdiende rustpauze). Beelden uit de politieke
alledag (de beroemde Belgische minister Paul Henri Spaak) en plaatjes van een
hoog streekromangehalte (dominee Visser uit Kerkambacht die na 45˝ jaar trouwe
dienst toegezongen wordt door zijn gemeente en meteen daarna met verdiend
emeritaat gaat).
Voor sportfoto’s hoefde je niet bij De Spiegel aan te komen.
Dat was een blinde vlek die wij opvulden door voetbalwedstrijden te bezoeken en
de foto’s dan maar zelf te maken.
Veel Spiegelfoto’s heb ik zo vaak gezien dat ik ze onmiddellijk
herken. Toen in 2003 de Ramp zijn 50-jarig jubileum vierde, werd er nogal eens
teruggegrepen op foto’s uit dat jaar. (De beroemdste is die van koningin
Juliana in levensgrote kaplaarzen die het verdronken Zeeland bezoekt.) Ik zie
meteen of het een Spiegelfoto is of niet. Op een of andere manier hebben al die
oude zwart-wit plaatjes een plekje weten te bemachtigen in mijn lange-termijngeheugen.
Tenslotte wil ik u nog even een gewetensvraag voorleggen.
Denkt u ook, zoals mij altijd geleerd is, dat de mens óf
auditief óf visueel ingesteld is? En dat een combinatieuitgesloten moet worden geacht? Ligt het dan aan aangeboren
fysieke kenmerken of worden wij terzake geconditioneerd? Ik bedoel, heeft het
te maken met de ontwikkeling van de laterale frontaalkwab – of hoe het deel van
mijn hersenen dat verantwoordelijk is voor de opname en verwerking van visuele
informatie ook mag heten – of met het feit dat ik vroeger ben doodgegooid met
Spiegelfoto’s dat ik denk voornamelijk visueel ingesteld te zijn?
Als u de volgende keer weer eens in de spiegel kijkt, zou u
misschien een ogenblik uw aandacht aan dit probleem kunnen geven. Wedden dat u
tot de slotsom komt dat uzelf in aanleg visueel bent en uw spiegelbeeld
auditief ingesteld is? Of andersom natuurlijk.
Hieronder een voorblad en een stukje reclame uit een Spiegel
van maart 1947.
In onze straat, schuin
tegenover ons huis, stond een kleine fabriek. De oprichter, een schoenmaker,
maakte er met enkele getrouwe personeelsleden voorwerpen van leer. Vooral
riemen en knopen. Dat kwam goed uit, want in die tijd kwamen kakikleurige
jassen met grote leren knopen in de mode. De knopen werden door vlijtige
thuiswerkers gevlochten uit smalle, geurig ruikende stroken leer.In de fabriek werden eerst de stroken op de
juiste lengte, breedte en dikte gebracht. Dan bracht een persoonslid met een
volkswagenbusje het materiaal naar de huizen met thuiswerkers en haalde de gisteren
gemaakte kant en klare knopen meteen op. Terug in de fabriek werden de knopen nog
voorzien van een metalen ringetje, gepoetst en ingepakt. Ze waren dan letterlijk
om door een ringetje te halen.
Ik was veertien, ging naar de
middelbare school en had veertien dagen kerstvakantie. Zoals in meer vakanties
was ik dit keer aan het werk in het knopenfabriekje schuin tegenover ons
ouderlijk huis. 's Morgens om half acht stopte ik mijn kaart in de klok en ging
aan het werk. Met een onderbreking van een uur wegens middagpauze en een
koffiepauze van een kwartier werd er tot vijf uur doorgewerkt.
De eerste dag werd ik door de
voorwerker aan een stansmachine gezet. Met een stevige tred op een pedaal kwam
er een vlijmscherp mes naar beneden dat stroken leer - die ik met mijn twee
handen precies op de goede afstand en de juiste maat gereed hield - doormidden
sneed.Links stond de mand met
ongesorteerd leer, rechts de mand met lange repen leer, alle in de juiste lengte
en breedte, klaar om door de thuiswerkers gebruikt te kunnen worden.
Op de middag van de eerste
dag gebeurde het onvermijdelijke. Mijn voet, al een beetje gewend geraakt aan
het ritme van de tred, had er even niet op gerekend dat mijn handen nog niet zo
ver waren. Met andere woorden: het mes sneed behalve de strook leer ook een
flardje van mijnrechterduim af. De
voorwerker zei dat ik buitengewoon veel geluk had gehad. Ik had mijn hele
rechterduim wel kunnen afhakken! De toegang tot de stansmachine werd mij
ogenblikkelijk streng verboden.
De kersttijd, vlak voor het
einde van het jaar, is de tijd om de balans op te maken. Hoeveel winst is er
dit jaar gemaakt? Hoe groot is de voorraad riemen van het type Blauw A4? Ook
deze vragen dienen te worden beantwoord.
De plaatsvervangend
hulpdirecteur van de fabriek verplaatste mij van de stansmachine naar de zolder
van het bedrijf. Daar lagen bergen leren knopen en stapels riemen in alle
mogelijke maten en soorten. De hulpdirecteur wees naar een berg knopen en zei:
"Ga die maar eens tellen. Schrijf het getal op een briefje en leg dat er
bovenop. Ben je klaar met de ene berg, ga je naar de volgende."
Daar zat ik dan. Op de
ijskoude zolder van een knopenfabriek. Op een dag in december. Te tellen tot ik
een ons woog. Op de eerste berg kwam een briefje met het getal 2356. Ik wist
het zeker, want ik had eerlijk, oprecht en zonder fout geteld.
Drie bergen deed ik die dag.
's Avonds thuis en 's nachts in bed lag ik nóg te tellen: 202, 204, 206, 208.
De volgende morgen begon ik met berg numero 4.
Maar ik had net als Tom Poes
een list verzonnen. Ik pakte een klein ijzeren bakje dat ik in een hoekje van
de zolder had zien staan. Hoeveel knopen zouden er in zo'n bakje kunnen? Een
afgestreken bakje bevatte 78 knopen. Daarna ging ik bakjes vullen, telde in
plaats van het aantal knopen het aantal bakjes, - bij ieder vol bakje een
streepje in het stof - en vermenigvuldigde dat getal met 78. Ik werkte
langzaam, omdat ik niet wilde dat men zou merken hoe ik zo vlug kon tellen.
Na veertien dagen kwam er een
einde aan het tellen. Overal op zolder lagen bergen knopenen stapels riemen met briefjes erop. Alles
was geteld en de voorraad was tot in de puntjes bekend. Alles in kannen en kruiken.
Het nieuwe jaar kon beginnen.
Wat een stelling is, weet u
natuurlijk wel. Dat is een steigerwerk waarmee de buitenschilder zelfs de
bovenste ramen op de derde verdieping bereikt. Een stelling is nog meer: het is
ook een ferme uitspraak met een stellig karakter waarover je prachtig kunt
discussiëren. Vooral ook omdat je een stelling meestal niet kunt bewijzen. Je
bent het ermee eens of niet.
Onlangs promoveerde Drs. Paul
Tangram aan de Technische Hogeschool van Haarlem. Het onderwerp doet niet ter
zake; het was in elk geval iets ingewikkelds. Heel bijzonder was de verzameling
stellingen die hij bij zijn proefschrift had gevoegd. Elke stelling was
bovendien geďllustreerd op een manier die de naam van de bedenker grote eer
aandoet.
Hieronder staan de geschreven
stellingen in een willekeurige volgorde. Daaronder staan de illustraties. Aan u
de eer de juiste uitspraak bij de juiste tangram te zoeken. Een mooi werkje in
deze donkere dagen voor kerst!
(1) De bank die er niet in
slaagt alle zeven onderdelen van een tangram in zijn logo op te nemen, de
ABN-AMRO dus, is geen knip voor de neus waard.
(2) Het is helemaal niet
belangrijk of een tekst op bloggen.be inhoudelijk iets voorstelt. Als hij maar
virtuoos in elkaar is gezet.
(3) Zolang een hoofddoekje
ook gebruikt kan worden als brillenpoetsdoekje is er niets aan de hand.
(4) Dat zoveel misdrijven
onopgelost blijven, komt doordat de rechercheurs in hun jeugd niet geleerd
hebben hoe ze legpuzzels moeten leggen.
(5) Het verschil tussen een
pers en een siamees is dat de tweede niet als tapijt kan worden gebruikt.
(6) Ook een
minister-president moet af en toe een minister uit zijn kabinet kunnen trappen.
(7) Mijn naam is haas, zei
het konijn en ging vervolgens in het leger.
(8) Alleen opgeborgen in een
doosje is het geheel meer dan de optelsom van de delen.