Foto
Inhoud blog
  • De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (14)
  • De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (13)
  • Arthur Liebert: Spinoza-brevier - Nawoord (vertaald uit het Duits (2)
  • De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (12)
  • Arthur Liebert: Spinoza-brevier - Nawoord (vertaald uit het Duits (1)
    Zoeken in blog

    Mijn favorieten
  • Het Spinozahuis
  • Spinoza in Vlaanderen
  • Mijn dichters: wandelen in mijn poetisch geheugenpaleis
  • In de Toren van Montaigne: omtrent Michel de Montaigne (1533-1592), zijn Essais en zijn Tijd
    Spinoza Kring Lier
    Spinoza (1632-1677), over zijn leven, zijn filosofie & zijn tijd
    Al wat voortreffelijk is, is even moeilijk als zeldzaam. - Sed omnia praeclara tam difficilia quam rara sunt. - Spinoza/ Omnia praeclara rara. - Het voortreffelijke is zeldzaam. - Cicero
    21-02-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wat beoogt deze Spinoza-blog?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Wat beoogt deze Spinoza- blog?

    De Spinoza-blog werd opgestart op 21 februari 2013. Dag op dag 336 jaar na zijn overlijden.

    Belangstellenden die op kritische wijze kennis willen maken met leven en filosofie van Benedictus Spinoza (1632-1677), vinden mettertijd op deze blog hun gading.

    Het materiaal dat zal worden gepubliceerd zal een beginnende Spinoza-lezer in staat stellen, basiskennis te verwerven die hem toelaten zal zelfstandig de geschriften van Spinoza te bestuderen en zich te oriënteren in recente secundaire literatuur.

    Met verwijzing naar auteur en blogsite mogen alle teksten vrij worden gebruikt.

    Contact :

    spinozakring.lier@hotmail.com


    21-02-2013 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    >> Reageer (0)
    27-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (14)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS SECUNDA -TWEEDE DEEL

    DE NATURA ET ORIGINE MENTIS - OVER DE NATUUR EN HET ONTSTAAN VAN DE GEEST

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 





    27-03-2017 om 10:21 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    21-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (13)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS SECUNDA -TWEEDE DEEL

    DE NATURA ET ORIGINE MENTIS - OVER DE NATUUR EN HET ONTSTAAN VAN DE GEEST

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten.

    Nr

               PROPOSITIO

               STELLING

                          TOELICHTING

    28

    Ideae affectionem, Corporis humani, quatenus ad humanam Mentem tantum referentur, non sunt clarae et distinctae, sed confusae.

    De ideeën van de affecten van het menselijk lichaam, voor zover ze alleen betrekking hebben op de geest, zijn niet helder en onderscheidden, maar confuus.

    De ideeën van de affecten van het menselijk lichaam:

    a) die alleen de menselijke geest betreffen,

    b) zijn niet helder en wel onderscheiden ( = in hun wezen te onderscheiden van andere),

    c) zijn integendeel verward, vaag (= confuus).

    De ideeën die het menselijk lichaam vormt op grond van zijn (toevallige, willekeurige) ‘ontmoetingen’ met dingen buiten zich, zijn onvolledig ( = niet adequaat), duister en verward, omdat ze onsamenhangend zijn en niet gerelateerd aan de diepste bestaansgrond (= de substantie);

    29

    Idea ideae cujuscunque affectionis Corporis humani adaequatam humanae Mentis cognitionem non involvit.

    De idee van de idee van gelijk welk affect van het menselijk lichaam impliceert niet de adequate kennis van de menselijke geest.

    De idee van een affect van het menselijk lichaam:

    a) is eveneens te beschouwen als een idee ( = de idee van de idee),

    b) dit type idee is net als de idee zelf, een gedachten-ding.

    Dit tweede gedachtending afgeleid van een eerste gedachtending (= de idee zelf) levert geen adequate kennis op van de menselijke geest.

    30

    Nos de durationis nostri Corporis nullam nisi admodum inadequataam cognitionem habere possumus.

    Wij kunnen over de duur van ons Lichaam   slechts een volkomen inadequate kennis hebben.

    1 Menselijke lichamen bestaan in de tijd en hebben bijgevolg een duur (= een beperkt bestaan, gekenmerkt door een begin én een einde).

    2 De lengte van dit beperkt bestaan is onzeker en kan niet volledig (admodum, d.i. tot op de volle maat) adequaat gekend.

    Kennis die niet tot de volle maat reikt is per se onvolledig en derhalve inadequaat.

    31

    Nos de duratione rerum singularium, quae extra nos sunt, nullam nisi admodum inadaequatam cognitionem habere possumus.

    Wij kunnen over de duur van de bijzondere dingen die buiten ons bestaan slechts een volkomen inadequate kennis hebben.

    1 Er bestaan dingen buiten onszelf ( = buiten ons lichaam).

    2 Deze dingen bestaan in de tijd en hebben bijgevolg een duur (= een beperkt bestaan, gekenmerkt door een begin én een einde).

    3 De duur van dit begrensd bestaan kan niet volledig (admodum, d.i. tot op de volle maat) adequaat worden gekend.

    Het menselijk lichaam is een ding te midden van andere dingen: alle dingen bestaan in de tijd en zijn in hun duur beperkt.

    Kennis die niet tot de volle maat reikt is per se onvolledig en derhalve inadequaat.

    32

    Omnes ideae, quatenus ad Deum referentur, verae sunt.

    Alle ideeën voor zover ze betrekking hebben op God zijn waar.

    1 Ideeën kunnen in twee fundamentele groepen worden opgedeeld:

    a) ideeën die geen betrekking hebben op God,

    b) ideeën die wél betrekking hebben op God.

    2 Alle ideeën (zonder uitzondering) van de tweede categorie zijn waar.

    33

    Nihil in ideis positivum est, propter quod falsae dicuntur.        

    Er is geen positief element in ideeën dat machtigt hen onwaar te noemen.  

    Een gedachtending:

    a) heeft als ‘ding’ bepaalde wezenskenmerken, d.w.z. een eigen natuur of wezen;

    b) dat wezen bevat geen enkel positief element (d.w.z. geen kenmerk dat werkelijk aanwezig is) dat toelaat dat gedachtending als onwaar te bestempelen.

    Ad 1 Alle ideeën zijn waar: het zijn gedachten-dingen die deel uitmaken van de substantie (de natuur of God) en dus als zodanig werkelijk bestaan. Dit bestaan bevat niets positiefs om dat bestaan onwaar te noemen.

    Ad 2 ‘Onwaarheid’ dient begrepen als ‘waarheid die onvolledig’ is, als inadequate waarheid.

    34

     Omnis idea, quae in nobis est absoluta, sive adequata, et perfecta, vera est.       

    Elk idee dat in ons absoluut is, oftewel adequaat en perfect, is waar.      

    1 De menselijke geest:

    a) bevat ideeën,    

    b) sommige van die ideeën zijn absoluut

    2 Absolute ideeën zijn adequate ideeën, die volmaakt zijn (perfecta) én waar (vera).

    Ad 1  Een idee is absoluut (absolutus = losgemaakt, onafhankelijk, zelfstandigwanneer ze niet gelinkt is aan een andere.

    Ad 2  Een absolute idee is als zelfstandige, d.i. op zichzelf bestaande idee per definitie adequaat want volledig.

    Adequate ideeën zijn absolute ideeën.

    21-03-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    19-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Arthur Liebert: Spinoza-brevier - Nawoord (vertaald uit het Duits (2)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen (vervolg)

    19-03-2017 om 10:15 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Secundaire literatuur
    >> Reageer (0)
    15-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (12)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS SECUNDA -TWEEDE DEEL

    DE NATURA ET ORIGINE MENTIS - OVER DE NATUUR EN HET ONTSTAAN VAN DE GEEST

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten.

    Nr

               PROPOSITIO

               STELLING

                          TOELICHTING

    22

    Mens humana non tantum Corporis affectiones sed etiam harum affectionum ideas percipit.

    De menselijke geest neemt niet alleen de affecten van het lichaam waar, maar evenzeer de ideeën van deze affecten.

    De menselijke geest:

    a) neemt de affecten ( = aandoeningen) van het lichaam in zich op,

    b) evenals de ideeën van die aandoe -ningen.

    De aandoeningen (externe én interne) verlopen gefaseerd:

    a) het lichaam wordt eerst geaffecteerd (= aangedaan),

    b) de geest neemt dan die affecten in zich op,

    c) samen met de ideeën van die affecten.

    23

    Mens se ipsum non cognoscit, nisi quatenus Corporis affectionum idea percipit.

    De geest kent zichzelf niet, tenzij voor zover hij de idee van de affecten van het lichaam in zich opneemt.

    De geest

    a) kan zichzelf kennen,

    b) op voorwaarde dat hij de idee van de aandoeningen van het lichaam ervaart.

    1 Kennis van zichzelf is mogelijk maar geen automatisme en

    2  wordt slechts mogelijk gemaakt door perceptie van de idee van affecten die het lichaam aandoen.

    3 Kennis van het zich impliceert zelfbewustzijn, het besef er-te-zijn.

    24

    Mens humana partium Corpus humanum componentium adaequatam cognitionem non involvit.

    De menselijke geest bevat geen adequate kennis van de delen die het menselijk lichaam samenstellen.

    De menselijk geest:

    a) die zichzelf kent, van zichzelf bewust is,

    b) bezit geen adequate kennis over de samenstellende delen van het lichaam.

    Het lichaam bestaat uit vele lichaamsonderdelen die door de zelfbewuste geest niet volledig (dus niet adequaat) gekend zijn.

    25

    Idea cujuscunque affectionis Corporis humani adaequatam corporis externi cognitionem non involvit.

    De idee van gelijk welke affect van het menselijk lichaam impliceert geen adequate kennis van een extern lichaam.

    De idee van gelijk welk affect (aandoening) van het menselijk lichaam:

    a) kan betrekking hebben op een extern lichaam, maar

    b) die aandoening produceert geen adequate kennis van dat  externe lichaam.

    Externe dingen zijn ons slechts:

    a) gebrekkig bekend: zowel het externe ding als het waarnemend lichaam zijn medebepalend voor de waarneming, zodat kennis van het ding-op-zich uitgesloten is;

    b)  inadequaat bekend: ze tonen niet hun essentie (= hun ware aard of natuur).

    26

     Mens humana nullum corpus ut actu exitens percipit, nisi per ideas affectionum sui Corporis.

    De menselijke geest neemt geen enkel lichaam als werkelijk bestaand aan, tenzij door de ideeën van de affecten van zijn lichaam.

    De menselijke geest kan:

    a) lichamen als werkelijk bestaand ervaren,

    b) op voorwaarde dat het ideeën ervaart van lichamelijke aandoeningen van die lichamen.

    Werkelijk bestaande lichamen worden door ONZE geest ervaren:

    1 als die ONS lichaam affecteren (= aandoen),

    2  en ons een idee van die affecten geven.

    NB1 De bewering geldt voor alle lichamen buiten ons (= én mensen én dingen).

    NB2 Ervaringskennis is noodzakelijk om in kennis te treden met de werkelijkheid buiten ons (menselijk lichaam).

    27

    Idea cujuscunque affectionis Corporis humani adaequatam ipsius humani Corporis cognitionem non involvit.            

    De idee van gelijk welk affect van het menselijk lichaam omvat geen adequate kennis van het menselijk lichaam zelf.

    Voor alle affecten die het menselijk lichaam aandoen:

    a) en die ideeën genereren,

     geldt

    b) dat die ideeën nooit adequate kennis opleveren van het menselijk lichaam zelf.

    Het lichaam kan slechts inadequaat gekend zowel in zijn onderdelen (cfr. 24) als in zijn geheel.                 

    15-03-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    12-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Arthur Liebert: Spinoza-brevier - Nawoord (vertaald uit het Duits (1)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Dit Nawoord van Arthur Lieberts Spinoza-Brevier werd in Berlijn gepubliceerd in 1912 (1) aan de vooravond van de Grote Oorlog die in 1914 een einde stelde aan de ‘lange 19de eeuw’. Arthur Liebert is een neokantiaan met een warm hart voor Spinoza.

    Zijn Nawoord is nog steeds het lezen waard hoewel Lieberts Duitse tekst hier en daar zinnen bevat die je drie maal moet lezen om een werkwoord te vinden…. Ik vind het niettemin de moeite om dit vergeten Spinoza-nawoord opnieuw onder de aandacht te brengen van mijn lezers.

     

    In de wereld van grote filosofische wereldbeschouwingen vertegenwoordigt de filosofie van Spinoza metafysische heimwee en een soort metafysische zucht naar kennis. Hoe zeer men ook Spinoza bewonderen kan als systeemfilosoof, hoe hoog men ook  zijn prestaties op afzonderlijke gebieden, op het vlak van psychologie, psychofysica, antropologie, staatsleer, bijbelkritiek enz. waarderen kan: diepzinniger, beslissender, invloedrijker en meer karakteristiek dan dit alles zijn de grote concepten en gezichtspunten die zijn geest hanteert om te proberen de problemen van de wereld en het leven meester te worden. Zijn stellingname tegenover die vragen en zijn behandeling ervan hebben een klassieke waarde verworven. Op die wijze eert de geschiedenis in Spinoza een van zijn grote leraren en opvoeders.

    Die betekenis wortelt in de volkomen unieke factuur van zijn filosofie. Deze is immers samengesteld uit wetenschap en rationele kritiek enerzijds, uit religieuze belevenissen, zedelijke eisen en waardebepalingen anderzijds. Zij wil alle kennis in natuur en geschiedenis en alle waarden van het bestaan onderwerpen aan een fundamenteel onderzoek en al wat met het  verstand in tegenstrijd is en daardoor de weg naar de toekomst blokkeert, ontmaskeren en vernietigen. Zo initieert Spinoza in samenhang met Descartes, Francis Bacon en Hobbes die buitengewone beweging van de Verlichting, die Kant kenschetste als volgt: ‘Verlichting is het uitreden van de Mens uit zijn onmondigheid waarvoor hij zelf schuld draagt (2).

    Uit de onvooringenomen teruggang naar de natuurlijke ordening van de dingen zal vorm gegeven worden aan een natuurlijk systeem van het leven en zal de plaats onderzocht worden die het individu met zijn wensen en prestaties noodzakelijk in deze orde inneemt. Het onderzoek en opbouwen van dit systeem is geenszins zaak van empirische ervaring en waarneming. Ook het rekening houden met overlevering, gewoonten en conventie is hiervoor een hinderpaal. We komen alleen nader tot ons doel als we het verstand volgen, onze kennis daarop steunen en vanaf dit fundament verder werken om het leven opnieuw vorm te geven. Deze kennis van natuur en mens geldt voor Spinoza als de enige rechtmatige voorwaarde om de plaats van het leven te midden van de werkelijkheid, om zijn opgave en doel te bepalen en om de middelen te ontdekken om dit doel te bereiken.

    Ware kennis maakt de blik vrij voor de kennis omtrent ware goederen en grondvest de moed om die te bereiken. Daaruit volgt dat Spinoza’s filosofie in haar geheel zich ten slotte toch op theologische gedachten oriënteert, hoewel ze zich zo krachtdadig voordoet als zuiver onderzoek en in de mathematische wijze van onderzoeken haar methodisch voorbeeld ziet: ze is geen wereldvreemde speculatie hoezeer ze er ook de schijn van heeft. Ze wil het leven aan deze zijde dienen en het bevrijden van de versplintering van individuele, elkaar tegensprekende belangenkringen; het terugvoeren naar eenheid en eendrachtig handelen, weg uit de wereld van duistere instincten en wisselende begeerten; het terugvoeren naar een gesloten en zinvol verstandige zelfbestemming, met andere woorden: naar de autonomie van het zedelijk-religieuze verstand boven de passies.

    Wat ook de filosoof in rustige ontleding en onopzettelijke meditatie ontwikkelt, dat mondt vaak uit in een diep ernstige leer, ja zelf in een preek en zal het ideaal van een eenstemmige, meer doelgerichte positief-praktische levenskunst ingang en werkelijkheid verlenen.

    ____

    (1) A. Liebert, Spinoza-brevier, Berlin, 1912, blz. 173.

    (2) ‘Aufklärung ist der Ausgang des Menschen aus seiner selbstverschuldeten  Unmündigkeit.’

    12-03-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Secundaire literatuur
    >> Reageer (0)
    09-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (11)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen PARS SECUNDA -TWEEDE DEEL

    DE NATURA ET ORIGINE MENTIS - OVER DE NATUUR EN HET ONTSTAAN VAN DE GEEST

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten.

    Nr

                    PROPOSITIO

               STELLING

                          TOELICHTING

    17

    Si humanum Corpus affectum est modo, qui naturam Corporis alicujus externi involvit, Mens humana idem corpus externum ut actu existens, vel ut sibi praesens contemplabitur, donec Corpus afficiatur  affectu, qui ejusdem corporis existentiam vel praesentiam secludat.

    Zo het menselijk lichaam geaffecteerd wordt op een wijze die de natuur van een of ander extern lichaam insluit, dan zal de menselijke geest datzelfde lichaam, als werkelijk bestaand of voor zich aanwezig beschouwen, totdat het lichaam door een affect geaffecteerd wordt dat het bestaan of de aanwezigheid van dat lichaam uitsluit.

    1 Het menselijk lichaam kan worden geaffecteerd (= aangedaan):

     2 dit kan gebeuren op een wijze dat de natuur van een enkel ander extern lichaam erbij betrokken is.

    3 De geest zal in dat geval:

    a)  dat lichaam als (extern) werkelijk bestaand voorstellen,

    b) d.w.z. aanwezig voor eigen ogen (voor zich).

    4 De voorstelling zal in de menselijke geest net zolang aanwezig blijven tot een ander affect de geest aandoet die het tegenovergestelde (= het niet bestaan of niet aanwezig zijn van het externe lichaam) inhoudt.

    In de geest zijn voorstellingen van externe lichamen een dynamisch gegeven. Ze kunnen gewijzigd worden in functie van de aandoeningen en kunnen gecorrigeerd of zelfs verdwijnen door tegenovergestelde voorstellingen.

    18

    Si corpus humanum a duobus vel pluribus corporibus simul affectum fuerit semel, ubi Mens postea eorum aliquod imaginabitur, statim aliorum recordabitur.

    Als het menselijk lichaam door twee  of meer lichamen één maal samen geaffecteerd is geweest, dan zal de geest die zich nadien van hen iets verbeeldt, terstond ook aan het  andere herinnerd worden.

    1 Indien het menselijk lichaam wordt geaffecteerd (= aangedaan):

    a) door twee of meer lichamen

    b) een enkele maal (semel) en gelijktijdig (simul),

    2 dan zal na verloop van tijd (postea):

    a) de geest die zich van die dingen iets herinnert,

    b) zich ook terstond (statim) ( = gelijktijdig) aan het andere herinneren.

    De menselijke herinnering werkt associatief, d.w.z. een concrete herinnering kan een of meer andere oproepen in geval beide oorspronkelijke aandoeningen samengingen.

    Het betreft aandoeningen van lichamen menselijke én andere.

    19

    Mens hunana ipsum humanum Corpus non cognoscit, nec ipsum existere scit, nisi per ideas affectionum, quibus Corpus afficitur.

    De menselijke geest kent het eigen menselijk lichaam niet, evenmin weet het zichzelf bestaan, tenzij  door de ideeën van de affecten door dewelke het lichaam wordt aangedaan.

    1 De menselijke geest:

    a) kent het eigen lichaam,

    b) beseft dat hij bestaat,

    2 alleen en uitsluitend op voorwaarde:

    a) dat affecten

    b) en hun ideeën het lichaam aandoen.

    Kennis van het eigen lichaam en het bewustzijn (besef van eigen existentie)   worden veroorzaakt door ideeën van de affecten die het lichaam aandoen.

    20

    Mens humanae datur etiam in Deo idea sive cognitio quae in deo eodem modo sequitur, et ad Deum eodem modo refertur, ac idea sive cognitio Corporis humani.

    Van de menselijke geest bestaat in God ook een idee ofwel kennis die in God op dezelfde wijze volgt en die tot God op dezelfde wijze in betrekking staat als de idee of de kennis van het menselijk lichaam.

    1 In God bestaat:

    a) een idee van de menselijke geest,

    b) d.w.z. bestaat kennis.

    2 Op dezelfde wijze

    a) volgend

    b) of betrekking hebbend

    als de idee of de kennis in het menselijk lichaam.

    De orde en de samenhang van ideeën die zich in een individuele menselijke geest voordoen, hebben een identieke pendant in God.

    21

    Haec Mentis idea eodem modo unita est Menti, ac ipsa Mens unita est Corpori.

    Deze idee van de geest is op dezelfde wijze verenigd met de geest als de geest zelf verenigd is met het lichaam.

    De idee van de geest:

    a) is verenigd met de menselijke geest

    b) op identieke wijze als de geest is verenigd met het lichaam.

    Ideeën die door de geest gevormd worden zijn op zich beschouwd ook dingen, nl. ideeën van ideeën.

    Ad a) Dat soort idee-dingen is één met de geest,

    Ad b) op dezelfde wijze als de geest één is met het lichaam (= ermee identiek is)

    Het idee-ding (de idee van de idee) is identiek met de geest.

    09-03-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    05-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Goethe...auf Lebenszeit
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

                                                                                                                                                                                            

    voor Manja Burgers         

    Een gulle hand schonk mij enkele dagen geleden een in het Duits gesteld Spinoza-Brevier. Een leuk boekje dat in 1912 in Berlijn werd gepubliceerd door Dr. Arthur Liebert (1878-1946), die zijn joodse naam Levy in Liebert veranderde toen hij zich in 1905 bekeerde tot het protestantisme. Het boekje werd opgedragen aan zijn leermeester Wilhelm Dilthey wiens colleges hij volgde op de Friedrich-Wilhelms-Universität van Berlijn. Hij werd er zelf in 1925 ook filosofieprofessor. Het was Liebert die het Kant Gesellschaft, opgericht in 1904 door Hans Vaihinger, internationale uitstraling gaf. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij naar Birmingham (Engeland). Kort voor zijn overlijden in 1946 keerde Liebert terug naar Berlijn.

    Zijn Spinoza-brievier had succes en werd, voor de machtsgreep van de nazi’s, nog twee maal heruitgegeven (1). Ondank zijn 105 jaar ziet mijn eerste druk er nog uitstekend uit. Het stamt uit de bibliotheek van de nu bejaarde professor Manfred Walther, gewaardeerd Duits Spinoza expert:  habent sua fata libelli…

    Samensteller Liebert liet de bloemlezing voorafgaan door twee gedichten van Goethe. Hij plaatst zich  zo in de stoet Duitsers die graag Goethe in verband brengen met Spinoza. Maar, dat is een nogal gewaagde onderneming. De wereldbeschouwing van de Olympiër is altijd al erg syncretisch geweest en tegen het eind van zijn leven aan wordt het nog een tikkeltje complexer. Toch zijn er heel wat ‘vernuftelingen’ die een wereldbeschouwelijk etiket, ook een spinozistisch, op Goethe willen kleven. Het is trouwens niet eens zo moeilijk om in de verzamelde werken van Goethe wat verzen op spitten die gebruikt kunnen  worden om kaduke theorieën op te bouwen die, naar wens van de puzzelaar, aantonen dat Goethe een vrijzinnig christen was, of, op latere leeftijd, een jood, een moslim, een parsi of zelfs hindoe…. (2)

    Ik vertaal niettemin de twee geciteerde wereldbeschouwelijke gedichten. Liebert publiceerde de gedichten niet in chronologische orde.

     

    PROOEMION

    Im Namen dessen, der sich selbst erschuf,

    Von Ewigkeit in schaffendem Beruf;

    In seinem  Namen, den der Glauben schafft,

    Vertrauen, Liebe, Tätigkeit und Kraft;

    In jenes Namen, der, so oft genannt,

    Dem Wesen nach blieb immer unbekannt:

     

    Soweit das Ohr, so weit das Auge reicht,

    Du findest nur Bekanntes, das ihm gleicht,

    Und deines Geistes höchster Feuerflug

    Hat schon am Gleichnis, hat am Bild genug;

    Es zieht dich an, es reisst dich heiter fort,

    Und wo du wandelst, schmückt sich Weg und Ort.

    Du zählst nicht mehr, bezeichnest keine Zeit,

    Und jeder Schritt ist Unermesslichkeit.

    (1826)

     

    PROEMION

    In naam van hem die zichzelf schiep

    van alle eeuwigheid altoos scheppend

    In zijn naam groeit en bloeit geloof

    vertrouwen, liefde, dadendrang en kracht;

    In zijn naam, al te vaak vernoemd,

    In wezen evenwel volkomen onbekend:

     

    Zo ver het oor, zo ver het oog rijkt

    feilloos herken je wat op hem gelijkt,

    De hoogste vuurvlucht van je geest

    Neemt vrede met beeld en gelijkenis

    Het trekt je aan en drijft je vrolijk voort,

    Waar je wandelt sieren zich weg en dorp,

    De tel is van geen tel, de tijd verdwijnt

    En elke stap schrijdt in onmeetlijkheid.

    (1826)

     

    Was wär’ ein Gott, der nur von aussen stiesse,

    Im Kreis das All am Finger laufen liesse!

    Ihm ziemt’s, die Welt im Inneren zu bewegen,

    Natur in sich, sich in Natur zu hegen,

    So dass, was in ihm lebt und webt und ist,

    Nur seine Kraft, nie seinen Geist vergisst.

    (1812)

     

    Wat zou een god zijn die alleen van buitenaf werkt,

    Het Al in rondjes aan zijn vinger lopen liet!

    Hij hoort van binnenuit de wereld te bewegen,

    Natuur in zich en zichzelf in Natuur te telen,

    Zo dat al wat in hem leeft en weeft en is

    Alleen zijn kracht en nooit zijn geest verheelt.

    (1812)

     Beide gedichten stammen uit Goethes later leven. Het Proemion (proloog) van 1826 heeft geen directe aanknopingspunten met Spinoza’s. Liebert had het in zijn Brevier best achterwege gelaten. Dat is niet het geval voor de verzen van 1812: die verwijzen duidelijk naar zijn voorkeur (althans hic et tunc) voor de opvatting van een immanente God en een verwevenheid van God en natuur. Hier steekt Spinoza (wellicht) zijn neus tussen Goethes deur.

     ______

    (1) A. Liebert, Spinoza-Brevier, zusammengestellt und mit einem Nachwort versehen, 1912, Berlin, 190 + 2 blz. Heruitgegeven, toen het in Duitsland nog mogelijk was, in 1918 en 1933.

    (2) Op Youtube vindt je zelfs enkele filmpjes, gepresenteerd door een professor doctor, vrouwelijker kunne, die boudweg beweert dat Goethe een moslim was. Zij leest evident Goethes werken als haar Koran: verstand op nul en blik op Allah. Ja, die professoren… ze komen in alle maten en gewichten! 

    Wil je deze malle tante beluisteren, surf naar onderstaand adres.



    Bijlagen:
    http://www.youtube.com/watch?v=z_7LjK9XbCo   

    05-03-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Spinoza creatief
    >> Reageer (0)
    25-02-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (10)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen PARS SECUNDA -TWEEDE DEEL

    DE NATURA ET ORIGINE MENTIS - OVER DE NATUUR EN HET ONTSTAAN VAN DE GEEST

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten.

          PROPOSITIO

          STELLING

               TOELICHTING

    12

    Quicquid in objecto ideae, humanam Mentem constituentis, contingit, id ab humana Mente debet percipi, sive ejus rei dabitur in Mente necessario idea: hoc est, si objectum ideae, humanam Mentem constituentis, sit corpus, nihil in eo corpore poterit contingere, quod a Mente non percipiatur.

    Wat ook gebeurt in het object van de idee dat de menselijke geest constitueert, dat moet door de menselijke geest worden waargenomen, of van die zaak zal noodzakelijk in de geest een idee bestaan: dat wil zeggen zo het object van de idee die de menselijke geest constitueert, een lichaam is, dan zal in dit lichaam niets gebeuren wat door de geest niet wordt waargenomen.

    1 Algemeen gesteld:

    a) al wat gebeurt in een object van de idee die de menselijke geest vormt:

    b) moet door de geest worden waargenomen en

    c) er zal noodzakelijk een idee van bestaan in de geest.

    2 Bijzonder geval:

    a) is het object van de idee die de menselijke geest vormt = (menselijk) lichaam,

    b) dan zal in dat (menselijk) lichaam niets gebeuren dat niet door de geest wordt waargenomen.

    Ad 1 Veranderingen in het attribuut uitgebreidheid impliceren noodzakelijk ook veranderingen in het attribuut geest, namelijk door het genereren van ideeën van die veranderingen.

    Ad 2 De veranderingen die in het menselijk lichaam gebeuren zullen waargenomen worden.

    Dit betreft alvast de bewuste waargenomen veranderingen. Wat betreft de onbewuste veranderingen: die kunnen onrechtstreeks waargenomen in een grotere (complexere) context van het algemeen welbevinden van het lichaam. 

    13

    Objectum ideae humanam Mentem constituentis, est Corpus, sive certus Extensionis modus actu existens, et nihil aliud.

    Het object van de idee  dat de menselijke geest constitueert is het lichaam of een bepaalde wijze van uitgebreidheid die werkelijk bestaat, en niets anders.

    1 Het object van de idee die de menselijke geest vormt:

    a) is een lichaam,

    of

    b) een welbepaalde modus van het attribuut uitgebreidheid dat werkelijk bestaat.

    c) en niet anders dan dat.

    De geest (of de ziel)  wordt gevormd door een menselijk idee.

    Het object van dat idee van de geest is een  menselijk lichaam (1a).

    Het menselijk lichaam is een werkelijk bestaande modus (bestaanswijze) van het attribuut uitgebreidheid (1b).

    Het object van de idee die de geest vormt is niets anders dan het lichaam:  alle menselijke kennis wordt (radicaal) gereduceerd tot kennis van het eigen lichaam (1c).

    14

    Mens humana apta est ad plurima percipiendum, et eo aptior, quo ejus Corpus pluribus modis disponi potest.

    De menselijke geest is in staat zeer veel waar te nemen en is daartoe geschikter naarmate zijn lichaam op zeer vele wijzen beschikken kan.

    1 De menselijke geest is toegerust om zeer veel dingen te begrijpen.

    2 Dat kan die geest beter naarmate hij beschikt over meer mogelijkheden:

    Ad 1 De geest is in staat zeer veel te begrijpen, bijgevolg niet bij machte om alles te begrijpen. Zo heeft bv. de substantie  oneindig veel attributen, mensen kunnen er slechts twee van kennen: geest en uitgebreidheid.

    Ad 2 Mensen zijn in dit begrijpen niet aan elkaar gelijk. Wie beschikt over meer mogelijkheden zal ook meer kunnen begrijpen.

    15

    Idea, quae esse formale  humanae Mentis constituit, non est simplex, sed ex plurimus ideis composita.

    De idee die het formele zijn van de menselijke geest constitueert is niet enkelvoudig maar uit zeer veel ideeën samengesteld.

    1 Het formele zijn van de menselijke geest ( van een individu) wordt gevormd door een idee.

    2 Die idee is niet enkelvoudig, maar samengesteld uit zeer veel ideeën.

    Ad 1 Het formele zijn van de geest wordt gevormd door de idee van het lichaam.

    Ad 2 Het formele zijn van de mens is composiet: mensen bestaan uit zeer veel (onder)delen die samen de geïndividualiseerde mens vormen. De idee van dit composiet lichaam kan derhalve niet anders dan meervoudig (composiet) zijn.

    16

    Idea cujuscunque modi, quo Corpus humanum a corporibus externis afficitur, involvere debet naturam Corporis humani, et simul naturam corporis externi.

    De idee van gelijk welke modus waardoor het menselijk lichaam door externe lichamen wordt aangedaan, moet het wezen insluiten van het menselijk lichaam  en   tegelijkertijd ook het wezen van het extern lichaam.

    1 Menselijke modi (= mensen) worden geaffecteerd (= aangedaan) door andere modi: namelijk mensen én dingen.

    2 Die aandoeningen genereren ideeën.

    3 Die worden bepaald:

    a) door het wezen van het eigen lichaam

    én

    b) door het wezen van het lichaam dat de aandoening veroorzaakt.

    Ad 1 Onze omgang met mensen én dingen genereert in ons lichaam (op geïndividualiseerde wijze) aandoeningen, die kenmerken vertonen van de wezenlijkheden zowel van de menselijke modus als van de andere modus.

    Ad 2 Die aandoeningen veroorzaken gelijktijdig een stroom ideeën.

    Ad 3 De aandoeningen leveren geen objectieve kennis op.


    25-02-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    23-02-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (9)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS SECUNDA -TWEEDE DEEL

    DE NATURA ET ORIGINE MENTIS - OVER DE NATUUR EN HET ONTSTAAN VAN DE GEEST

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten.

             PROPOSITIO

           STELLING

                 TOELICHTING

    6

    Cujuscunque attributi modi Deum, quatenus tantum sub illo attributo, cujus modi sunt, et non quatenus sub ullo alio consideratur, pro causa habent.

    De modi van gelijk welk attribuut hebben God tot oorzaak, in zover beschouwd in het attribuut waarvan ze modus zijn, en niet in zover ze onder enig ander beschouwd worden.

    1 Alle modi die behoren tot een bepaald attribuut:

    a) zijn veroorzaakt door God, begrepen als het welbepaald attribuut waarvan het  bestaanswijzen (=modi) zijn;

    b) dit geldt niet zo die modi behoren tot een ander attribuut van God.

    Modi (bestaanswijzen, dingen), behorend tot een welbepaald attribuut kunnen niet gerelateerd worden aan modi (bestaanswijzen, dingen) behorend tot een ander welbepaald attribuut.

    De attributen van de substantie bestaan op zichzelf en door zichzelf. Ze zijn niet te relateren aan andere attributen.

    Modi van attributen bestaan niet door zichzelf en op zichzelf. Maar ze zijn als attributen eveneens niet te relateren aan modi die behoren tot andere attributen.

    7

    Ordo et connectio idearum idem est, ac ordo et connectio rerum.

    De orde en de samenhang van ideeën is dezelfde als de orde en de samenhang van de dingen.

    1 Ideeën tonen:

    a) orde (ordo)

    en

    b) samenhang (connectio).

    Ideeën zijn met elkaar verbonden door een (noodzakelijke) orde en samenhang , namelijk de orde van oorzaak en gevolg.

    2 Dingen tonen:

    a) orde (ordo)

    en

    b) samenhang (connectio).

    Dingen zijn met elkaar verbonden door een (noodzakelijke) orde en samenhang, namelijk de orde van oorzaak en gevolg.

    3  De orde en samenhang van ideeën en van dingen zijn idem, d.w.z. identiek.

    8

    Ideae rerum singularium, sive modorum, non existentium ita debent comprehendi in Dei infinita idea, ac rerum singularium, sive modorum, essentiae formales in Dei attributis continentur.

    De ideeën van  bijzondere dingen (of modi) die niet bestaan, moeten op dezelfde wijze begrepen zijn in de oneindige idee van God als de formele essenties van bijzondere dingen (of modi) begrepen zijn in Gods attributen.

    1 Ideeën van niet (of nog niet) bestaande individuele dingen (of modi):

    a) maken ook deel uit van Gods oneindige idee,

    en

    b) dit op noodzakelijke wijze (debent) , net als

    2  De formele essenties van individuele dingen (of van modi) deel uitmaken van  Gods attributen.

    Al wat niet (of nog niet) bestaat is ook aanwezig in het oneindig intellect van God en bestaat noodzakelijk als idee (a).

    De formele essenties (= het wezen) van de dingen of de modi, losgekoppeld van een werkelijk verbijzonderd bestaan zijn onderdelen van Gods attributen (b).

    Alleen voor de eeuwige oneindige, substantie geldt dat de idee van haar essentie meteen ook het bestaan van die substantie impliceert. Dat geldt niet voor modi die in de tijd bestaan en eindig zijn.

    9

    Idea rei singularis, actu existentis, Deum pro causa habet, non quatenus infinitus est, sed quatenus alia rei singularis actu existentis idea affectus consideratur, cujus etiam Deus est causa, quatenus alia tertia affectus est et sic in infinitum.

    De idee van een bijzonder werkelijk bestaand ding, heeft God als oorzaak, niet in zover hij oneindig is, maar beschouwd in zover als geaffecteerd  door de idee van een ander bijzonder werkelijk  bestaand ding, waarvan God eveneens de oorzaak is, in zover die geaffecteerd is door een ander derde ding en zo tot in het oneindige.

    1 Ideeën van werkelijk bestaande bijzondere dingen:

    a) zijn door God veroorzaakt,

    b) in zover die niet opgevat wordt als oneindig,

    c) maar wel beschouwd wordt als aangedaan (= geaffecteerd) door de idee van een ander werkelijk bestaand bijzonder ding,

    d) dat ook veroorzaakt is door God, beschouwd als aangedaan (= geaffecteerd) door een derde,

    e) en zo  verder tot in het oneindige.

    10

    Ad essentiam hominis non pertinet esse substantiae, sive substantia formam hominis non constituit.

    Tot de essentie van de mens behoort niet het substantiële zijn of de substantie constitueert niet het wezen van de mens.

    1 De essentie ( = het wezen of de natuur) van de mens heeft niets vandoen met het zijn van de substantie,

    of

    2 De substantie, die op zichzelf en door zichzelf bestaat, ligt niet aan de basis van het wezen van de mens.

    De mens is een bestaanswijze (= modus) die vervat is in de substantie. 

    NB 1 De menselijke modus is dus niet meer (en niet minder) dan een modus onder de talloze andere modi of bestaanswijzen.

    NB 2  De mens is bijgevolg een  (bescheiden) onderdeel van de natuur en bekleedt daarin geen bijzondere positie.

    11

    Primum, quod actuale Mentis humanae esse constituit, nihil aliud est quam idea rei alicujus singularis actu existentis.

    Het eerste wat het werkelijk zijn van de menselijke geest vormt, is niets anders dan de idee van een of ander werkelijk bestaand bijzonder ding.

    Het allereerste wat het werkelijk zijn ( = het reëel, echt bestaan) van de menselijke geest (of ziel) vormt is:

    a) niets anders dan de idee

    b) van een werkelijk bestaand bijzonder (= geïndividualiseerd) ding.

    De menselijke geest (of ziel) komt tot aanzijn door het zich bewust te worden van de idee van een werkelijk bestaand geïndividualiseerd, specifiek ding.

    Dit is allereerst het eigen lichaam. De geest (of de ziel) is dus niets anders dan de bewust beleefde idee van het eigen werkelijk bestaand lichaam.


    23-02-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)


    Foto

    Categorieën
  • Wereldbeeld (4)
  • De emendering van het verstand (28)
  • Kenleer (3)
  • Lens op de mens: de affectenleer (2)
  • Staatsleer (5)
  • Ad fontes (10)
  • Aforistisch gedacht (20)
  • Bento's koekjes (9)
  • De biografie (12)
  • De geschriften (38)
  • Essay (10)
  • In de marge (16)
  • Johannes Colerus (7)
  • René Descartes (8)
  • Secundaire literatuur (37)
  • SKL- documenten (24)
  • Spinoza creatief (16)
  • Spinoza-woorden (22)
  • Spinozana (20)
  • Stellingenboekje (13)

  • Archief per maand
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 12-2016
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 09-2016
  • 08-2016
  • 07-2016
  • 06-2016
  • 05-2016
  • 04-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 01-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 07-2015
  • 06-2015
  • 05-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013

    Categorieën
  • Wereldbeeld (4)
  • De emendering van het verstand (28)
  • Kenleer (3)
  • Lens op de mens: de affectenleer (2)
  • Staatsleer (5)
  • Ad fontes (10)
  • Aforistisch gedacht (20)
  • Bento's koekjes (9)
  • De biografie (12)
  • De geschriften (38)
  • Essay (10)
  • In de marge (16)
  • Johannes Colerus (7)
  • René Descartes (8)
  • Secundaire literatuur (37)
  • SKL- documenten (24)
  • Spinoza creatief (16)
  • Spinoza-woorden (22)
  • Spinozana (20)
  • Stellingenboekje (13)


  • Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!