Foto
Inhoud blog
  • Spinoza in zijn tijd (1)
  • De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (20)
  • De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (19)
  • Jezuïeten en Spinoza: ken er één en je kent ze allen (3 - slot)
  • De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (18)
    Zoeken in blog

    Mijn favorieten
  • Het Spinozahuis
  • Spinoza in Vlaanderen
  • Mijn dichters: wandelen in mijn poetisch geheugenpaleis
  • In de Toren van Montaigne: omtrent Michel de Montaigne (1533-1592), zijn Essais en zijn Tijd
    Spinoza Kring Lier
    Spinoza (1632-1677), over zijn leven, zijn filosofie & zijn tijd
    Al wat voortreffelijk is, is even moeilijk als zeldzaam. - Sed omnia praeclara tam difficilia quam rara sunt. - Spinoza/ Omnia praeclara rara. - Het voortreffelijke is zeldzaam. - Cicero
    21-02-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wat beoogt deze Spinoza-blog?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Wat beoogt deze Spinoza- blog?

    De Spinoza-blog werd opgestart op 21 februari 2013. Dag op dag 336 jaar na zijn overlijden.

    Belangstellenden die op kritische wijze kennis willen maken met leven en filosofie van Benedictus Spinoza (1632-1677), vinden mettertijd op deze blog hun gading.

    Het materiaal dat zal worden gepubliceerd zal een beginnende Spinoza-lezer in staat stellen, basiskennis te verwerven die hem toelaten zal zelfstandig de geschriften van Spinoza te bestuderen en zich te oriënteren in recente secundaire literatuur.

    Met verwijzing naar auteur en blogsite mogen alle teksten vrij worden gebruikt.

    Contact :

    spinozakring.lier@hotmail.com


    21-02-2013 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    >> Reageer (0)
    24-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Spinoza in zijn tijd (1)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen (in voorbereiding)

    24-05-2017 om 09:38 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:De biografie
    >> Reageer (0)
    23-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (20)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS TERTIA -DERDE DEEL

    DE ORIGINE ET NATURA  AFFECTUUM - OVER HET ONTSTAAN EN DE NATUUR VAN DE AFFECTEN

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie die zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 

    (in voorbereiding)

    23-05-2017 om 09:58 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    10-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (19)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS TERTIA -DERDE DEEL

    DE ORIGINE ET NATURA  AFFECTUUM - OVER HET ONTSTAAN EN DE NATUUR VAN DE AFFECTEN

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie die zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 

    Nr

           PROPOSITIO

             STELLING

                 TOELICHTING

    14

    Si Mens duobus affectibus simul affecta semel fuit, ubi postea eorum alterutro, afficietur, afficietur etiam altero.

    Indien eenmaal de geest door twee affecten tegelijk,  geaffecteerd is geweest, en later door een ervan geaffecteerd zal worden, dan zal hij ook geaffecteerd worden door het andere.

    1 De menselijke geest kan door meer dan één affect worden ‘aangedaan’:

    a)  als dat eenmaal tegelijkertijd gebeurt, dan

    b) zal, op een later tijdstip, de aandoening van een van die affecten, ook de aandoening van het andere genereren.

    Dit is het ‘associatief  beginsel’ van de affecten. Het Latijnse woord simul ( te gelijk, samen) impliceert geen tijdsaanduiding: of de affecten elkaar opvolgen (seconden, milliseconden) of het betreft één gemengd affect (een ‘cluster-affect’), doet geen afbreuk aan  het principe.

    15

    Res quaecunque potest esse per accidens causa Laetitiae Tristitiae, vel Cupiditatis.

    Gelijk welk ding kan door een omstandigheid oorzaak zijn van blijdschap, droefheid of begeerte.

    Alle bestaande dingen kunnen voor de geest:

    a) oorzaak zijn van drie affecten:

    blijdschap,

    droefheid,

    begeerte.

    b) Die  oorzaak betreft een oorzaak  die wordt teweeggebracht door een bijkomende omstandigheid inherent aan het ding.

    NB. Het betreft hier de ’drie basisaffecten’ die aan de basis liggen van alle andere.  Het affect begeerte kan begrepen worden als ‘conatus’.

    16

    Ex eo solo, quod rem aliquam aliquid habere imaginamur simile objecto, quod Mentem Laetitia vel Tristitia afficere solet, quamvis id, in quo res objecto est similis, non sit horum affectuum efficiens causa, eam tamen amabimus vel odio habebimus.

    Alleen daaruit, dat we ons verbeelden dat een ding iets gemeen heeft met een object dat de geest met blijdschap of droefheid pleegt te affecteren, hoewel dat waardoor het ding gelijkt op het object van die affecten niet de werkoorzaak is, zullen we evenwel dat ding beminnen of haten.

    1 De geest kan zich verbeelden dat een ding met iets gemeen heeft met een ander object dat:

    a) blijdschap oproept,

    b) droefheid opwekt.

    2 In dergelijke gevallen zullen we:

    a) het beminnen in het eerste geval,

    b) het haten in het tweede geval.

    3 Die affecten worden gegenereerd ongeacht of het gelijkend element in dat ding er al of niet de werkoorzaak van is.

    17

    Si rem, quae nos Tristitiae affectu afficere solet, aliquid habere imaginamur simile alteri, quae nos aeque magno Laetitiae affectu solet afficere, eandem odio habebimus et simul amabimus.

    Indien een ding, dat ons met een affect van droefheid pleegt te affecteren, waarvan we ons verbeelden iets gemeen te hebben met een ander, dat ons met een even groot affect van blijdschap pleegt te affecteren,  dan zullen we dat tegelijk haten en  beminnen.

    Stel: een ding vervult ons gewoonlijk met droefheid:

    a) we verbeelden ons dat het met iets anders iets gemeen heeft,

    dat

    b) ons gewoonlijk een even grote blijdschap genereert,

    dan

    c) zullen we dat ding tegelijk én haten én beminnen.

    NB  1 Het principe geldt slechts wanneer de twee tegengestelde affecten  van gelijke sterkte, van gelijk gewicht zijn.

    2 Tegengestelde gevoelens in de geest zijn bron van verwarring en maken de geest labiel  (= stemmingswisseling = fluctuatio animi).

    3  Onzuivere tegenstrijdige gevoelens dragen niet bij tot geestelijke levenskwaliteit.

    18

    Homo ex imagine rei praeteritae aut futurae eodem Laetitiae et Tristitiae affectu afficitur, ac ex imagine rei praesentis.

    Een mens wordt door het beeld van een ding in verleden of in de toekomst met hetzelfde affect van blijdschap of droefheid geaffecteerd, als door het beeld van een aanwezig ding.

    1 Mensen kunnen op dezelfde wijze worden aangedaan (= geaffecteerd):

    a) door een beeld van een ding in het verleden,

    b) door een beeld van een ding in de toekomst,

    c) door het beeld van een ding in het heden.

    2 Die beelden genereren op dezelfde wijze:

    a) een affect van blijdschap,

    b) een affect van droefheid.

    NB  Beelden die de geest affecteren, hetzij door onmiddellijke ervaring (=actuele waarneming), hetzij gegenereerd door het geestesoog (= de geest) via herinnering (verleden) of projectie (toekomst) veroorzaken dezelfde affecten van blijdschap of droefheid.

    19

     Qui id, quod amat, destrui imaginatur, contristabitur; si autem conservari, laetatibur.          

    Hij die zich verbeeldt dat wat hij bemint  vernietigd wordt, zal droef worden; verbeeldt hij zich evenwel dat het bewaard blijft, dan zal hij zich verheugen.

    De menselijke geest treedt in relatie (= in ‘conatus-concurrentie’) met andere dingen:

    a) de verbeelding dat het beminde (=  dat wat men waardeert) vernietigd wordt veroorzaakt droefheid.

    b) de verbeelding dat het gaaf blijft (= behouden), veroorzaakt blijdschap.

    NB Wat men waardeert of bemint versterkt de conatus, verhoogt welzijn én welbevinden en verwekt daardoor ook  blijdschap. Het omgekeerde geldt eveneens.

    10-05-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    05-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jezuïeten en Spinoza: ken er één en je kent ze allen (3 - slot)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    (slot)

    Paul Siwek, pater-jezuïet (Caute!) zet zich in het tweede deel van het boek Spinoza et le panthéisme religieux (1937) aan de kritiek van Spinoza’s filosofie. De joodse filosoof Baruch Spinoza, wordt voorgesteld als de bedenker van een leer die niet verenigbaar is met de fundamenten van De Waarheid. Voor Siwek is die Waarheid uiteraard  Roomse-katholiek. Dat, en niets anders, is de (nauwelijks) verborgen agenda van pater Paul.

    Het tweede deel van het boek torst de titel Critique du système religieux spinoziste. Op zich al een statement. Het boek is een strijdschrift van een prominente vertegenwoordiger van een wereldreligie, gericht tegen de stichter van een 'seculiere religie' die voor rechtgelovige christenen gevaarlijk is.

    Ik sta niet stil bij Siweks Spinozakritiek. Een deel ervan steunt op het Aristoteliaans-Thomistisch gedachtengoed, huisfilosofie van het christendom. Die kritiek klinkt als het verhaal van pot en ketel en is alleen geschikt om geloofsgenoten te bevestigen in hun geloofsovertuiging. Een interessanter deel van zijn kritiek steunt op de traditionele argumenten van Spinoza-bestrijders, vaak ook van christelijken huize, die rationeler uitgangspunten kiezen en dus minder vooringenomen zijn.

    Ik blijf wel even hangen bij een belangrijk aspect in de receptie van Spinoza’s filosofie: de recuperatie  van zijn leer in de 19de en de 20ste eeuw door enkele belangrijke ideologieën.

    De Ethica is een wereldbeschouwelijk traktaat. Net als andere fundamentele filosofische geschriften en Heilige Boeken van boekreligies kan het op meer dan één wijze gelezen en geïnterpreteerd worden. Spinoza’s ethica ontsnapte dus niet aan deze onvermijdelijke ontwikkeling. Het boek is diepzinnig maar ook op vele plaatsen duister en sommige delen van Spinoza’s leer vertonen leemtes. Lezers, vooral lezers-filosofen’, doen er dus hun ding mee: ze lezen erin wat ze willen en spinnen oeverloze gedachten bij woorden, zinnen, concepten die de oorspronkelijke bedoelingen en gedachten van de auteur vaak meer verhullen dan onthullen. Soms lijkt alle redelijkheid wel verloren: er zijn commentatoren-punthoofden die enkele bladzijden Spinoza opblazen tot een commentaar van honderd, soms tweehonderd, bladzijden…

    De belangrijkste tweedeling die zijn leer veroorzaakte is die van materialisten en metafysici. Van schoolvorming is niet of nauwelijks sprake.

    Ik vertaal wat Siwek hierover schrijft op blz. 280:

    (…) ‘Spinoza wordt door hen (door materialistische theoretici) beschouwd als de schepper van het materialisme en als de grondlegger van de ‘materialistische wetenschap’, wetenschap die geen enkele finalilteit in de wereld aanvaardt en alles verklaart door louter spel van mechanische en materiele krachten, die werken volgens het principe van het ‘behoud van kracht’. Ze verwijten Spinoza alleen dat hij niet voldoende moed opbracht om luidop zijn diepe overtuiging te verkondigen, die van de radicale materialist die hij was, en dat hij vaak zijn toevlucht nam tot weinig loyale reserves.’  (…)

    Spinoza, aldus Siwek, wordt beschouwd als de vader van het filosofisch materialisme, dat alles finaal herleid tot stof, materie. Al dat gezeur in Spinoza’s geschriften over ‘god’ en zo, wordt door die materialisten afgedaan als huichelarij… 

    Siwek S.J. deelt deze opvatting evenwel niet: in Spinoza herkent hij, samen met het grootse deel van Ethica-lezers, een metafysicus, de schepper van een  système religieux, een rationele religie, die mensen de weg wijst naar het geluk in het ‘hiermaals’, niet in een voorgespiegeld hiernamaals zoals de boekreligies dat doen. Het is precies deze Spinoza die een bedreiging vormt voor het christendom, een veel subtielere bedreiging dan deze die uitgaat van 'platte' materialistische theorieën.


    In de 19de eeuw werd Spinoza onrechtstreeks, maar ook rechtstreeks gerecupereerd door theoretici van het socialisme.

    Siwek aan het woord op blz.280:

    (…) ‘Men hoort vaak zeggen dat het spinozisme erg gewaardeerde hulp heeft geboden aan het socialisme, in wezen materialistisch, het materialisme dat de theorieën van Marx, Engels en Lasalle kenmerkt. Die bewering is niet zonder grond. Die drie auteurs citeren inderdaad vaak in hun werken Fichte, Schelling, Hegel en vooral Feuerbach, die allen zoals geweten, veel aan Spinoza verschuldigd zijn.’ (…)

    Siwek verwijst in een voetnoot naar Georgi Plechanow (1856-1918), een van de vaders van het Russisch communisme, die zijn materialistische mosterd ook haalde bij Spinoza. Het betreft hier een passus die verre van onschuldig is: van in de jaren dertig van vorige eeuw werd er vanaf de roomse kansels haat gepredikt tegen het materialistische, duivelse bolchevisme. Die campagne werd gedirigeerd en getoonzet door het Vaticaan en de Jezuïetenorde. Daartoe aangespoord door paters en pastoors trokken tijdens WO II massa’s Roomse jongeren samen met de nazi’s naar het Oostfront, om er in ellendige omstandigheden te sneuvelen of in Siberië een trage dood te sterven…

    Ik voeg er nog graag aan toe, dat in de 20ste eeuw neo-marxisten van het trieste slag Louis Althusser, filosoof-moordenaar en Antonio Neri, filosoof-terrorist, Spinoza nog eens een keer voor hun marxistische kar spanden…

    Even verder, op blz. 281, maakt pater Siwek ons zijn verwondering kenbaar:

    (…) ‘Maar, merkwaardig toch! Een theorie, zo tegengesteld aan het communisme, als het sociaal- liberalisme beroept zich eveneens op de autoriteit van Spinoza!. ‘ (…)

    Siwek geeft daarmee tussen de lijnen te kennen, dat een leer die diensten bereid aan maatschappijvisies die zich tot elkaar verhouden als water en vuur weinig coherent moet zijn.

    Tot hier Paul Siwek, pater- jezuïet in een van zijn geschriften over Benedictus Spinoza.:

                                                                      Ab uno disce omnes

                                                                                                   Publius Vergilius Maro

    05-05-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Secundaire literatuur
    >> Reageer (0)
    27-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (18)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS TERTIA -DERDE DEEL

    DE ORIGINE ET NATURA  AFFECTUUM - OVER HET ONTSTAAN EN DE NATUUR VAN DE AFFECTEN

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie die zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 

    Nr

        PROPOSITIO

         STELLING

                  TOELICHTING

    7

    Conatus, quo unaquaeque res in suo esse perseverare conatur, nihil est praeter ipsius rei actualem essentiam.

    De kracht  waarmee ieder afzonderlijk ding  zijn bestaan probeert verder te zetten, is niets anders dan de werkelijke essentie van het ding zelf.

    1 Alle dingen beschikken over een conatus (= een inwendige kracht).

    2 Die kracht is oorzaak van het verder bestaan van die dingen (= perseverare, volharden, in stand houden)

    3 Die kracht is te vereenzelvigen (= nihil est praeter, d.w.z. is niets anders) met de werkelijke essentie van elke ding.

     NB 1 De conatus  behoort tot de wezenlijke (= de essentiële, niet de bijkomstige) kenmerken van de dingen.

    2 Die kracht van het ding is een fragment van de absolute kracht van de substantie, waarmee elke ding verbonden is.

    3 Dingen proberen zich te handhaven, d.w.z. de uitkomst is onzeker: de kracht van andere dingen kan sterker zijn, zodat die handhaving kan worden aangetast.

    8

    Conatus, quo unaqaeque res in suo esse perseverare conatur, nullum tempus finitum, sed indefinitum  involvit.

    De kracht waarmee ieder afzonderlijk ding zijn bestaan probeert verder te zetten omvat geen bepaalde maar onbepaalde tijd.

    1 In de dingen schuilt een kracht ( = conatus).

    2 De ‘handhavingskracht’:

    a) omvat geen bepaalde, afgemeten tijd, maar

    b) omvat een onbepaalde tijd.

    NB 1 De dingen zijn naar hun wezen niet ‘geprogrammeerd’ (= voorbestemd) om een bepaalde periode in de tijd te bestaan (= te duren)

    2 De duur van de dingen is een functie van de ‘ontmoeting’ (= botsing) met de conatus van andere dingen.

    9

    Mens tam quatenus claras et distinctas, quam quatenus confusas habet ideas, conatur in suo esse perseverare indefinita quadam duratione, et hujus sui conatus est conscia.

    De geest, zowel voor zover hij heldere en onderscheiden, als voor zover hij verwarde ideeën heeft, probeert  zijn bestaan verder te zetten voor onbepaalde duur en is zich van zijn kracht daartoe bewust.

    1 De geest heeft:

    a) heldere en wel onderscheiden ideeën, en

    b) verwarde ideeën.

    2 In beide gevallen streeft de geest ernaar (= beschikt over de kracht) om in het bestaan te volharden.

    3 Dit streven van de geest betreft een onbepaalde duur.

    4 De geest is er zich van bewust dat het streeft naar het verderzetten van zijn bestaan.

    10

    Idea, quae Corporis nostri existentiam secludit, in nostra Mente dari nequit, sed eidem est contraria.

    De idee die het bestaan van ons lichaam uitsluit, kan in onze geest niet voorkomen, is ermee   tegensstrijdig.

    1 De idee die het bestaan van ons lichaam ontkent komt in de geest niet voor.

    2 Een dergelijk idee is in tegenstrijd met de geest.

     Ad 2 

    a) De geest die een dergelijk idee vormt bestaat a fortiore.

    b) Geest en lichaam zijn één.

    c) Een idee, in tegenstrijd met de geest, is ook in tegenstrijd met het lichaam.

    11

    Quicquid Corporis nostri agendi potentiam auget vel minuit, juvet vel coercet, ejusdem rei idea Mentis nostrae cogitandi potentiam auget vel minuit, juvat vel coercet.

    Al wat de kracht van ons lichaam om te handelen vermeerdert of vermindert, helpt of inperkt, daarvan zal de idee ook de kracht van onze geest om te denken, vermeerderen of  verminderen, helpen of inperken.

    1 Het lichaam beschikt over kracht om te handelen:

    a)  die kracht kan soms worden bevorderd of versterkt,

    b) kan soms worden verminderd of verzwakt.

    2 De idee van wat invloed uitoefent op ons lichaam kan de geesteskracht:

    a)  om te denken vermeerderen of  verminderen,

    b) helpen of beperken.

     

    12

    Mens, quantum potest, ea imginari conatur, quae Corporis agendi potentiam augent vel juvant.

    De geest, zoveel hij kan, probeert zich te verbeelden wat de kracht om te handelen van het lichaam vermeerdert of helpt.

    De geest levert inspanningen om:

    a) zoveel mogelijk in de verbeelding op te roepen,

    b) wat bevorderlijk is om de daadkracht  van het lichaam te vergroten.

    NB 1 De conatus van de geest is er steeds op uit om zichzelf  (in de tijd) te bestendigen en te bevestigen.

    2 Daartoe verbeeldt het zich zoveel als mogelijk (en bij voorrang) wat bijdraagt tot die bestendiging.

    13

    Cum Mens ea imaginatur, quae Corporis agendi potentiam minuunt vel coercent, conatur quantum potest, rerum recordari, quae horum existentiam secludunt.

    Wanneer de geest zich  verbeeldt wat de kracht om te handelen van het lichaam vermindert of inperkt, dan zal het zoveel mogelijk proberen die dingen te herinneren die het bestaan ervan uitsluiten.        

    Zo de geest zich dingen verbeeldt:

    a) die de daadkracht verminderen of aantasten,

    b) dan worden, zoveel als mogelijk, herinneringen opgeroepen, die die herinnering aan die dingen uitsluiten.

    NB 1 De kracht van de conatus is dominant.

    2 De conatus beschikt over een ‘zelfverdedigingsmechanisme’.

     


    27-04-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    25-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jezuïeten en Spinoza: ken er één en je kent ze allen (3)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Het boek Spinoza et le panthéisme religieux (1937),  van Paul Siwek S.J. telt  293 blz. en is als volgt geconstrueerd.

    Na een omvangrijke inleiding, afgesloten met een niet onaardige bibliografie, volgt Livre I met een eerste hoofdstuk La vie (93 blz.) en een tweede getiteld Oeuvre religieuse (sic!) (86 blz.). Livre II, Critique du système telt 83 blz. De titels van de onderdelen en de relatieve omvang ervan verklappen al een en ander over de bedoelingen van de auteur. Zoals ik al eerder stelde, Siweks analyse van Spinoza’s filosofie in het deel Oeuvre religieuse zijn het beste deel van dit Spinoza-boek.

    Als pater Paul het over La Vie en het werk heeft, notabene meer dan de helft van het boek, mixt hij zorgeloos feit en fantasie, zonder de lezer in alle openheid te informeren over de historiciteit van de opgediste biografische anekdotes. Een ontiegelijke gewoonte die hem nog steeds door niet historisch gevormde auteurs wordt nagedaan.

    In Caractère, een onderdeel van la Vie, voert Siwek S.J. een suggestief betoog dat de christelijke lezer, en stoemelings, haast onopgemerkt dus, tot de conclusie leidt dat Spinoza ook als persoon onchristelijk was. 

    Over Spinoza en de liefde lees ik op blz. 85 van Siweks boek het volgende:

    (…) ‘Overigens zou men kunnen stellen dat Spinoza geen nauwkeurig idee had van wat liefde, in de volle betekenis van het woord, wel was: hij heeft, om het zo te zeggen, zijn moeder nauwelijks gekend, als ongehuwde leefde hij zo ver mogelijk verwijderd van alle religieus leven met enige diepgang, hoe zou hij zich een waar begrip van liefde hebben kunnen eigen maken? Hij leefde voor zichzelf, helemaal bezig om het geluk voor zichzelf te vinden. Hij kende dus de ware liefde niet, liefde die zich offert, dat soort liefde die huismoeders elke dag beoefenen, die van vereende echtgenoten, en vooral de liefde van diegenen die al hun krachten en heel hun leven wijden aan het welzijn van anderen.’ (…)

    Spinoza: een liefdeloze, egocentrische man, die uitsluitend met zichzelf bezig was. Heel wat anders dan de liefdevolle lieden die in laatste zinsnede ten tonele worden gevoerd: vooral dan de priester-pater-jezuïet, die zich inspant voor het welzijn van anderen, welzijn hier te begrijpen als het behoud van de anderen in de christelijke orthodoxie.   

    Over Spinoza en diens houding t.a.v. het lijden lees ik op blz.86:

    (…)‘Als zijn gasten ziek waren, dan wist Spinoza hen aan te moedigen en te troosten. Hij toonde dan tegenover hen een  aandoenlijk minzaamheid; hij zei hun bijvoorbeeld: je moet berusten in geduld! Komt uw lijden niet van God ! (…) Overigens zijn de woorden die Spinoza aanvoerde om het geduld van de zieke te motiveren, zijn niet noodzakelijk in tegenstrijd met zijn eigen systeem. Het is net alsof hij simpelweg zei: uw lijden vloeit voort uit de natuur van de dingen, die God zelf zijn! Hij spreekt niet over het lijden als geschenk van God , over het lijden als boetedoening, als het lijden als offer. Hij spreekt evenmin over de liefdevolle onderwerping aan de wil van God (in christelijke zin). De aansporing tot geduld heeft in zijn mond niets religieus, het is puur naturalisme. Het is een ‘therapie van het gezonde verstand’.(…)

    Spinoza: een man die geen weet heeft van de spirituele dimensie van het lijden zoals dit in het christendom leeft en beleefd wordt. 

    In beide aangehaalde teksten suggereert Siwek, dat Spinoza’s karakter onverenigbaar is met christelijke opvattingen over liefde en lijden. Twee fundamentele concepten van de christelijke theologie, gesymboliseerd en gecommuniceerd door de Christus op het kruishout.

    Ziezo: het eerste luik van de sloopwerk van Siwek is voltooid: Spinoza’s persoonlijkheid is fundamenteel onchristelijk. Het tweede luik, de christelijke afwijzing van zijn leer, volgt in het tweede  deel van het boek: Critique du Système.

     

    (slot volgt)

    25-04-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Secundaire literatuur
    >> Reageer (0)
    23-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Arthur Liebert: Spinoza-brevier - Nawoord (vertaald uit het Duits (slot)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Het is dat geloof dat op een meer oorspronkelijke wijze dan de mathematisch- deductieve bewijsvoering dat doet en kan, de eenheid en de samenhang van de gedachten fundeert en bewaart. Niet zelden lijken inwendige krachten en uitbarstingen van filosofische affecten die starre, ijskoude vorm te doorbreken: meer ingehouden stijl, belerende beschouwing en onderzoek veranderen dan in de diepzinnige toon en het levendig gebaar van de prediker.

    Weliswaar rekent Spinoza, die als eerste de menselijke dwaasheden en affecten op basis van een natuurwetenschappelijke analyse in hun optreden en hun onderlinge samenhang duidt, het zich tot een verdienste om ze dus als iets onvermijdelijks te hebben behandeld, in plaats van ze, zoals het gewoonlijk gebeurt, erom te lachen of erover te treuren, ze te bespotten of te minachten.

    Maar zelfs hem komen woorden van gepassioneerde verontwaardiging en toornige opwinding over de lippen. Waar bestaat er dan wel een grote leermeester van de mensheid, waar een baanbreker voor nieuwe mogelijkheden en nieuwe stadia van de zedelijke cultuur, die ook niet af en toe de gesel van de ironie hanteert of afziet van verwijt en donderpreek?

    De renaissance die de filosofie van Spinoza in de 18de eeuw beleefde en die begint met dat gedenkwaardige gesprek dat Friedrich Heinrich Jacobi en Lessing in 1780 voerden, berust wel degelijk op die net ontwikkelde psychologische momenten. Die renaissance werd niet in de eerste plaats bepaald door de kracht en de gemeenschappelijke grond van wetenschappelijke kennis, niet door navolging van theorieën en leerstellingen. Wat Goethe, Lessing uitgezonderd, en dan verder Schelling en Schleiermacher tot Spinoza bracht (Jacobi was wel een bewonderaar maar allesbehalve zijn aanhanger), is gebaseerd op de aantrekkingskracht en de indruk die het levensgevoel, opduikend uit die gesloten leer, uitoefende op die hem zo nauw verwante naturen.

    Tenslotte:: al die metafysische stellingen over de eenheid van de wereld, of ze nu uitgesproken materialistisch, of uitgesproken spiritualistisch zijn, of finaal een opstap naar het pantheïsme, wortelen niet in objectief-geldige en wetenschappelijke beschouwingen, maar wel op geloofsovertuigingen die steunen op het wils-en gevoelsleven.

    Om die in zich op te nemen en verder te zetten, is er altijd een gemeenschappelijk levensgevoel nodig. Deze gemeenschap, deze spirituele samenhang vormt de basis van waaruit Goethe de Ethica van Spinoza zo in zich kon opnemen dat, als hij schrijft, ‘het leek alsof hier een groot en vrij uitzicht over de zinnelijke en zedelijke wereld opdook’. Voor hem diende Spinoza niet eerst het pantheïsme uitvoerig uit te leggen en te staven. Hij vatte met intuïtieve zekerheid wat met zijn wezen verwant was. Dit verband met de filosoof doorziet Goethe in alle helderheid. Hij noemt het een diepe hem aangeboren wijze van beschouwen die hem onverbrekelijk leerde God in de natuur en de natuur in God te zien.

    Men kan dus wel stellen dat het de pantheïstisch gestemde religiositeit is waardoor Spinoza de harten van zo velen van de besten veroverde en in dewelke vele van de besten de diepste grond van zijn denken erkenden.

    ‘Offer samen met mij eerbiedig’, roept de zo diep religieuze Schleiermachte uit in zijn Rede over de religie (1799), ‘een lok van de haartooi van de heilige, uitgebannen Spinoza. Doordrongen was hij van de hoge wereldgeest, het oneindige was zijn begin en zijn einde, het universum zijn enige en eeuwige liefde. In heilige onschuld en diepe nederigheid spiegelde hij zich in de eeuwige wereld en zag zichzelf ook weerspiegeld in haar beminnelijke spiegel. Vervuld was hij van religie en overvol van heilige geest. Daarom ook staat hij alleen en is hij ongeëvenaard, Meester in zijn Kunst, maar verheven boven het profane gild, zonder discipelen en zonder burgerrecht.’

                                                                       ____________________

                                                                                                                                         Arthur Liebert                                            

    23-04-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Secundaire literatuur
    >> Reageer (0)
    20-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (17)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS TERTIA -DERDE DEEL

    DE ORIGINE ET NATURA  AFFECTUUM - OVER HET ONTSTAAN EN DE NATUUR VAN DE AFFECTEN

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie die zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 

    Nr

               PROPOSITIO

               STELLING

                          TOELICHTING

    1

    Mens nostra quaedam agit, quaedam vero patitur; nempe quatenus adaequatas habet ideas, eatenus qaedam necessario agit, et quatenus ideas habet inaedequatas, eatenus necessario quaedam patitur.

    Onze geest doet zekere dingen, zekere andere evenwel ondergaat hij. Namelijk, in zover hij adequate ideeën heeft doet hij zekere dingen, noodzakelijk, en in zover hij inadequate ideeën heeft ondergaat hij die noodzakelijk.

    1 De menselijke geest beschikt over de mogelijkheid:

    a) om daden te stellen,

    b) om iets te ondergaan.

    2 Deze mogelijkheden zijn verbonden met:

    a) adequate ideeën: dan ‘handelt’ de geest,

    b) inadequate ideeën: dan ondergaat de geest.

    NB 1  Handelen betekent hier eerst ‘actief zijn’. Dat handelen kan verder ook resulteren in een gestelde daad. ‘Ondergaan’ betekent passief zijn, lijdend voorwerp zijn.

    2 Er is een oorzakelijk verband tussen adequate ideeën en handelen en inadequate ideeën en ondergaan.

    2

    Nec Corpus Mentem ad cogitandum, nec Mens Corpus ad motum, neque ad quietum, nec ad aliquid (si quid est) aliud determinari potest.

    Noch kan het lichaam de geest tot denken bepalen, noch de geest het lichaam tot bewegen, en evenmin tot rust, noch tot iets anders (zo dit er is).

    1 Het lichaam kan de geest niet tot denken aanzetten,

    2 Het lichaam kan de geest niet tot bewegen en rust aanzetten.

    3 Ook niet tot iets anders, zo er iets anders mocht bestaan.

    Ad 1 Spinoza is een monist die de eenheid van lichaam en geest poneert. Die fundamentele opvatting belet niet dat er separaat over lichaam en geest wordt gefilosofeerd. Gezien lichaam en geest één zijn, is wederzijdse  beïnvloeding niet mogelijk: dit veronderstelt immers dualiteit, tweeledigheid.

    Ad 2 het menselijk lichaam is een modus  (=bestaanswijze) van het substantie-attribuut uitgebreidheid; geest is een modus van het substantie-attribuut geest.

    Ad 3 Spinoza is er zich ten volle van bewust dat kennis van het menselijk lichaam onvolledig is. Dat was zeker waar in zijn tijd en -in belangrijke mate- ook nog in onze tijd.

    3

    Mentis actionis ex solis ideis adaeqaetis oriuntur; passiones autem a solis inadaequatis pendent.

    Handelingen van de geest komen uitsluitend voort uit adequate ideeën, passies daarentegen hangen uitsluitend af van inadequate.

    1 Handelingen van de geest:

    a) adequate

    b) inadequate

     

     

    4

    Nulli res, nisi a causa externa, potest destrui.

    Geen ding kan vernietigd worden, ten zij door een externe oorzaak.

    Dingen kunnen:

    a) door een externe oorzaak vernietigd worden,

    b) nooit worden vernietigd door een oorzaak die te vinden is in de dingen zelf.

    NB 1 Dingen die in de tijd bestaan hebben een beperkte duur, zijn niet eeuwig.

    2 Die dingen kunnen vernietigd door een externe oorzaak:

    a) omdat er een kracht van uitgaat die sterker is dan die van het ding zelf,.

    b) zodat die grotere  kracht finaal kan leiden tot vernietiging (= einde van het bestaan) van dat ding.

    3 De grotere kracht van bepaalde dingen zal meestal slechts leiden tot een ‘aantasting’ (= vermindering) van de bestaanskracht van andere dingen.

    5

    Res eatenus contrariae sunt naturae, hoc est, eatenus in eodem subjecto esse nequeunt, quatenus una alteram potest destruere.

    Dingen zijn in zover van tegengestelde natuur, dit is, in zover ze niet in hetzelfde subject kunnen bestaan, in de mate het een het ander kan vernietigen.

    (Dingen zijn van tegengestelde natuur, dat wil zeggen kunnen niet in hetzelfde object bestaan, als de ene het andere kan vernietigen.)

    1 Dingen kunnen:

    a) een tegengestelde natuur hebben,

    b) omdat ze niet in één en hetzelfde subject (= individuele ding) thuis horen.

    2 Dingen die elkaar kunnen vernietigen zijn van tegengestelde natuur.

    NB 1 ‘Dingen’ zijn voor Spinoza modi die zowel tot de organische als de anorganische natuur behoren.

    2 Dingen hebben een tegenovergestelde (= vijandige) natuur als ze samen niet  kunnen bestaan in één en hetzelfde individu.

    3 In een subject (of individu) zijn geen wezenskenmerken aanwezig die kunnen leiden tot opheffing of vernietiging ervan.  

    4  Een individueel ding beschikt dus niet over de kracht ( = potentia) om zichzelf te vernietigen. 

    5  Het kan worden vernietigd ( = als individu ophouden in de tijd te bestaan) door een ding met tegengestelde natuur.

    6

    Unaquaeque res, quantum in se est, in suo esse perseverare conatur.

    Ieder afzonderlijk ding, met alles in zich, probeert zich in zijn bestaan te handhaven.

    Alle bestaande dingen:

    a) ontwikkelen alle krachten die ze in zich hebben,

    b) om verder te bestaan (= om het individuele, d. i. het particuliere bestaan in de tijd te handhaven).

    NB 1 Alle modi  zijn deelachtig aan de kracht (= potentia) van de substantie.

    2 Die kracht streeft noodzakelijk naar voortbestaan in de tijd.

    20-04-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    17-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (16)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS SECUNDA -TWEEDE DEEL

    DE NATURA ET ORIGINE MENTIS - OVER DE NATUUR EN HET ONTSTAAN VAN DE GEEST

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 

    Nr

               PROPOSITIO

               STELLING

                          TOELICHTING

    45

    Unaquaeque cujuscunque corporis, vel rei singularis in actu existentis, idea Dei aeternam et infinitam essentiam necessario involvit.       

    De idee van elk en van gelijk welk lichaam, oftewel    bijzonder, werkelijk bestaand ding, omvat noodzakelijk de eeuwige en oneindige essentie van God.

    1 Alle dingen die in de werkelijkheid  bestaan:

    a) kunnen ideeën genereren,

    b) die ideeën omvatten noodzakelijk de eeuwige, oneindige essentie van God.

    NB 1 Alle dingen die in de natuur bestaan zijn elementen van de uitgebreidheid van de substantie (= van God of de natuur).

    2 Ideeën die door die dingen gegenereerd worden zijn elementen van de geest van de substantie en dus ermee noodzakelijk verbonden.

    3 De menselijke geest wordt zich hiervan slechts (ten volle) bewust als de ideeën adequaat zijn.

    2  Dit bewustzijn is een ‘geschenk’ van het intuïtieve kennen, de derde en hoogste kensoort. 

    46

    Cognitio aeternae et infinitae essentia Dei, quam unaquaeque idea involvit est adaeqata et perfecta.

    Kennis van de eeuwige en oneindige essentie van God, besloten in elke idee, is adequaat en perfect.          

    Elke idee sluit kennis in van:

    a) de eeuwige en oneindige essentie van God,

    b) die kennis is adequaat.

    NB 1 Alle ideeën bevatten adequate kennis over de eeuwige en oneindige essentie van God.

    2 Alle ideeën, dus zowel voor inadequate als adequate ideeën.

    47

    Mens humana adaequatam habet cognitionem aeternae et infinitae essentiae Dei.

    De menselijke geest heeft adequate kennis van de eeuwige en oneindige essentie van God.

    De menselijke geest bezit:

    a) kennis van eeuwige en oneindige essentie van God,

    b) die kennis is adequaat.

    NB 1 De menselijke geest beschikt over de mogelijkheid om God te kennen.

    2 De kennis die de menselijke geest van God heeft is adequaat:

    a) d.w.z. ze wordt bereikt door het gebruik van de rede en de intuïtie ( tweede en derde kensoort)

    b) dit kennen is helder en wel onderscheiden.

    48

    In Mente nulla est absoluta sive libera voluntas; sed Mens ad hoc vel illud volendum determinatur a causa, quae etiam ab alia determinata est , et sic in infinitum.

    In de geest bestaat geen absolute of vrije wil, maar de geest wordt tot het willen van dit of dat bepaald door een oorzaak, die ook door een andere bepaald is en zo tot in het oneindige.

    1 Er bestaat in de geest:

    a) geen absolute wil,

    b) absolute wil = vrije wil.

    2 Wilsakten (het willen van concreet dit of van concreet dat) worden in de geest bepaald :

    a) door (concrete) oorzaken,

    b) die zelf ook  veroorzaakt zijn (= gevolgen zijn van andere oorzaken)

    c) deze redenering kan worden verdergezet tot in het oneindige.

    NB 1 Onze wil is dus niet vrij. Elke wilsakte heeft een onmiddellijke oorzaak. Die oorzaak is gevolg van een tweede oorzaak, die wat verderaf ligt, en die tweede oorzaak is het gevolg van weer een andere, en zo tot in het oneindige.

    2 Mensen leven met de illusie dat ze vrij handelen:

    a) omdat ze zich niet (altijd) bewust zijn van de onmiddellijke oorzaak van een wilsuiting en

    b) helemaal geen weet hebben van de oneindige keten oorzaken en gevolgen die zich verschuilen achter de onmiddellijke oorzaak.

    49

    In Mente nulla datur volitio, sive affirmatio vel negatio, praeter illam, quam idea, quatenus idea est, involvit.  

    In de geest bestaat  geen willen, oftewel bevestiging of ontkenning, behalve dat wat besloten is een idee,  voor zover die een idee is.

     1  In de geest bestaat geen willen:

    a) er is in de geest geen ‘bron van willen’,

    b) wilsakten zijn of bevestigingen of ontkenningen,

    2   In de geest besluit uitsluitend:     

    a) een concrete idee,

    b) die ofwel bevestigt ofwel ontkent.

    NB Er  bestaat dus in onszelf geen ‘wilscentrum’. Onze wilsuitingen zijn een bijproduct van onze ideeën, die in zich ofwel een bevestigende kracht hebben (= willen, wil om te handelen) ofwel een ontkennende kracht hebben (= geen wil, geen wil om te handelen).


                                                                   FINIS SECUNDAE PARTIS

    17-04-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)


    Foto

    Categorieën
  • Wereldbeeld (4)
  • De emendering van het verstand (28)
  • Kenleer (3)
  • Lens op de mens: de affectenleer (2)
  • Staatsleer (5)
  • Ad fontes (10)
  • Aforistisch gedacht (20)
  • Bento's koekjes (9)
  • De biografie (13)
  • De geschriften (37)
  • Essay (10)
  • In de marge (16)
  • Johannes Colerus (7)
  • René Descartes (8)
  • Secundaire literatuur (43)
  • SKL- documenten (24)
  • Spinoza creatief (16)
  • Spinoza-woorden (22)
  • Spinozana (20)
  • Stellingenboekje (20)

  • Archief per maand
  • 05-2017
  • 04-2017
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 12-2016
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 09-2016
  • 08-2016
  • 07-2016
  • 06-2016
  • 05-2016
  • 04-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 01-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 07-2015
  • 06-2015
  • 05-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013

    Categorieën
  • Wereldbeeld (4)
  • De emendering van het verstand (28)
  • Kenleer (3)
  • Lens op de mens: de affectenleer (2)
  • Staatsleer (5)
  • Ad fontes (10)
  • Aforistisch gedacht (20)
  • Bento's koekjes (9)
  • De biografie (13)
  • De geschriften (37)
  • Essay (10)
  • In de marge (16)
  • Johannes Colerus (7)
  • René Descartes (8)
  • Secundaire literatuur (43)
  • SKL- documenten (24)
  • Spinoza creatief (16)
  • Spinoza-woorden (22)
  • Spinozana (20)
  • Stellingenboekje (20)


  • Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!