Foto
Inhoud blog
  • Lezend in de Ethica (1): god of materie? of god én materie?
  • De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (22)
  • Willem Meijer (1842-1926) : een vergeten Spinoza-pionier
  • De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (21)
  • Spinoza in zijn tijd (1)
    Zoeken in blog

    Mijn favorieten
  • Het Spinozahuis
  • Spinoza in Vlaanderen
  • Mijn dichters: wandelen in mijn poetisch geheugenpaleis
  • In de Toren van Montaigne: omtrent Michel de Montaigne (1533-1592), zijn Essais en zijn Tijd
    Spinoza Kring Lier
    Spinoza (1632-1677), over zijn leven, zijn filosofie & zijn tijd
    Al wat voortreffelijk is, is even moeilijk als zeldzaam. - Sed omnia praeclara tam difficilia quam rara sunt. - Spinoza/ Omnia praeclara rara. - Het voortreffelijke is zeldzaam. - Cicero
    21-02-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wat beoogt deze Spinoza-blog?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Wat beoogt deze Spinoza- blog?

    De Spinoza-blog werd opgestart op 21 februari 2013. Dag op dag 336 jaar na zijn overlijden.

    Belangstellenden die op kritische wijze kennis willen maken met leven en filosofie van Benedictus Spinoza (1632-1677), vinden mettertijd op deze blog hun gading.

    Het materiaal dat zal worden gepubliceerd zal een beginnende Spinoza-lezer in staat stellen, basiskennis te verwerven die hem toelaten zal zelfstandig de geschriften van Spinoza te bestuderen en zich te oriënteren in recente secundaire literatuur.

    Met verwijzing naar auteur en blogsite mogen alle teksten vrij worden gebruikt.

    Contact :

    spinozakring.lier@hotmail.com


    21-02-2013 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    >> Reageer (0)
    10-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Lezend in de Ethica (1): god of materie? of god én materie?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De titel van het eerste deel luidt de Deo, Over God. Slechts twee woorden, maar twee woorden met gewicht. Die titel is wel erg vreemd voor een filosoof die in zijn tijd al flink werd uitgekreten voor ongodist, vrij hertaald, voor een atheïst.

    Een ‘ongodist’ was in Spinoza’s dagen, algemeen gesteld, iemand die over God opvattingen had die afweken van de gangbare d.w.z. van de christelijke. Het kon je de kop kosten of de brandstapel. De Hollandse Calvinistische predikanten waren, door de band, onverdraagzame, hoogst enge mensen. Ze keken scherp toe op al wat gedrukt werd.

    Iemand die niet in God geloofde? Dat was in die tijd haast niet voor te stellen: als er al zo iemand was, dan hoorde die thuis in een gekkenhuis, zo meende men in de 17de eeuw. Ook mag niet worden vergeten dat In die eeuw religie en theologische vraagstukken in het dagelijks leven van mensen stof boden voor gepassioneerde discussies: wij die nu in Europa in een geseculariseerde cultuur leven kunnen ons dat nog nauwelijks voorstellen…

    Terug naar de titel van deel I van de Ethica: Over God. Gaat het in dit deel werkelijk over God? Dekt die vlag wel de lading? Er zijn Spinoza-lezers die beweren dat Spinoza ons bij de neus neemt, anderen hebben dan weer meer vertrouwen in de auteur. Caute!  beweren de eersten: lezer, wees  op je hoede voor de ‘Gezegende’!  Spinoza was een marraan, en marranen zijn viscerale veinzers! Bovendien schuwde Spinoza geen retorische trucjes en nam hij het niet altijd even nauw met intellectuele eerlijkheid…

    Zij beweren dus dat Spinoza het in dat eerste Ethica-deel helemaal niet heeft over God, integendeel, verholen vertoogt over het materialisme. Om de scherpslijpende Calvinistische  predikanten om te tuin te leiden heeft Spinoza het, beweren ze, steevast over God, hoewel hij er wel ‘materie’ mee bedoelt… je kon niet voorzichtig genoeg zijn in die Hollandse republiek van de 17de eeuw! Beweerde ook Descartes niet dat hij daar met een masker op door het leven liep? Zij draaien er niet omheen: Spinoza is de vader van een materialistische wereldbeschouwing. Die interpretatie werd opgevangen en gepopulariseerd door marxisten en neo-marxisten en kent ook nu nog veel aanhangers.

    Een tweede groep van Spinoza-lezers, veruit de meerderheid, gelooft wèl in oprechtheid van Spinoza. Het eerste deel van zijn hoofdwerk gaat wel degelijk beweren ze, Over God. De gedachten die hij daarover ontwikkelt zijn de fundamentele basis van waarop hij zijn ethische levensvisie optrekt. Zij geloven Spinoza dan ook op zijn woord als hij zich in een van zijn brieven verdedigt tegen de aantijging een ongodist te zijn.

    Ik sluit me in deze discussie aan bij de mening van de pars major: er kan, meen ik, weinig twijfel over bestaan: Spinoza was, levenslang, een godzoeker. Wie na grondige lectuur van zijn Ethica daaraan twijfelt leest niet onbevangen of heeft eelt op zijn ziel…

    Alexandre Matheron, eminent Frans Spinoza-kenner, kreeg na een lezing eens de vraag voorgeschoteld of Spinoza wel in God geloofde? Matheron antwoordde hem, dat Spinoza zeker wel in god geloofde: zijn god, de God van Spinoza (1). Ik voeg eraan toe: een God van geest én materie. En dat is vast en zeker niet Allah, hoe groot hij ook weze, evenmin Jaweh en allerminst Jeshua de Nazareeër. Precies dat zat fanatieke ‘boekgelovigen’ in Spinoza’s tijd heftig dwars. En, geloof me, velen van hen ook nu nog… Een fatwah te lande voor vertalers en uitgevers van Spinoza’s werken is evenwel nog niet voor direct.

    ____

    (1) Matheron, die zijn klassieken kent, citeert in die boutade niet meer dan de titel van een essay van Victor Brochard (1848-1907): Le Dieu de Spinoza

    10-07-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Lezend in de Ethica,
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (22)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    ARS TERTIA -DERDE DEEL

    DE ORIGINE ET NATURA  AFFECTUUM - OVER HET ONTSTAAN EN DE NATUUR VAN DE AFFECTEN

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie die zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 

     

           PROPOSITIO

          STELLING

              TOELICHTING

    32

    Si aliquem re aliqua, qua unus solus potiri potest, gaudere imaginamur conabimur efficere, ne ille illa re potiatur.

    Als we ons verbeelden dat iemand zich verheugt in een of andere zaak die slechts door een enkele persoon kan bezeten worden, dan zullen we proberen om te bekomen dat hij die zaak niet bezit.

    Er zijn dingen die slechts door één persoon kunnen bezeten worden:

    a) verbeelden we ons dat een ander er ‘beslag’ op legt (bezit, genot of beide),

    b) dan zullen we er alles aan doen om dat te beletten.

    NB 1 Spinoza heeft het over dingen: dat kunnen zowel levenloze dingen zijn als levende (mensen, dieren, planten).

    2 Het is een ‘ijzeren wet’ van de economie dat schaarse (zeldzame) goederen  gegeerd zijn.

    3 Mensen worden gedreven door hun levensdrang (= conatus) om te willen wat bijdraagt tot hun bestaanszekerheid

    ‘Uniciteiten’ in het bezit van ander stemmen ‘droef’ en verminderen het geluk. Zo wordt afgunst opgewekt, zodat pogingen ondernomen worden om zelf bezitter te worden of het bezit van de ander te vernietigen of aan te tasten.

    33

    Cum rem  nobis similem amamus, conamur, quantum possumus, efficere, ut nos contra amet.

    Wanneer we een ding dat op ons gelijkt beminnen, dan proberen we zoveel mogelijk te bekomen, dat het wederliefde geeft.

    Er zijn dingen die op ons gelijken:

    a) als we die beminnen,

    b) dan zullen we uit alle macht proberen te bekomen dat die ons ook beminnen.

    NB 1 Wat te verstaan onder dingen die op ons gelijken?

    a) Restrictief: alle levende dingen?

    of

    b) extensief: alle dingen? Ook niet levende dingen ‘gelijken’ op ons bv.  in die zin dat ze deel hebben aan de uitgebreidheid  van de substantie of breder gesteld net als wij eindige modi ervan zijn.

    2 ‘Beminnen’  is een ‘waaiergevoel’ d.w.z. het kan van verschillende intensiteit zijn: zorg dragen voor ( to care), goed zijn, aardig vinden, houden van, hartstocht hebben voor,…

    3 Dingen die op ons gelijken en levenloos zijn: kunnen die wederliefde bewijzen?

    34

    Quo majori affectu rem amatam erga nos affectam esse imaginamur, eo magis gloriabamur.

    Hoe meer we ons verbeelden dat een bemind ding voor ons met grotere liefde  geaffecteerd is, des te meer zullen we gloriëren.

    1 Liefde kent, als gezegd, verschillende graden van intensiteit.

    2 Hoe intenser de liefde voor iemand blijkt, des meer vreugde bezorgt die.

    NB 1 Liefde is een duale betrekking die door beide betrokkenen wordt gepercipieerd  in verschillende graden van sterkte.

    2 De sterkte van het liefdesgevoel is recht evenredig met kracht waarmee we ons er op beroemen.

    35

    Si quis imaginatur rem amatam eodem, vel arctiore vinculo Amicitiae, quo ipse eadem solus potiebatur, alium sibi jungere, Odio erga ipsam rem amatam afficietur, et illi alteri invidebit.

    Als iemand zich verbeeldt dat een ander zich bindt met een bemind ding door dezelfde of een engere vriendschapsband waarmee hij het zelf voor zich alleen bezat, dan zal hij door haat worden geaffecteerd voor de beminde zaak en voor die andere zal hij jaloezie hebben.

    1 Iemand verbeeldt  zich omtrent een bemind ding:dat een ander zich met hetzelfde affect of een nog engere band  ermee verbindt,

     dan zal dit:

    a) haat opwekken t.a.v. het beminde ding en

    b) jaloezie t.a.v. de ‘rivaal’.

    NB  1 Liefde is (in de opvatting van Spinoza) een bi-polair affect.

    2 Soms kan in die bi-polaire relatie een derde opduiken.

    3 In dat geval ’muteert’ het basisgevoel liefde (of zwakkere vormen ervan):

    a)  t.a.v. het beminde ding slaat liefde om in haat (haar tegendeel),

    b) t.a.v. ‘der dritte im Bunde’ ontstaat jaloezie. 

    36

    Qui rei, qua semel  delectatus est, recordatur, cupit eadem cum iisdem potiri circumstantiis, ac cum primo ipsa delectatus est.

    Wie zich een ding herinnert, waarin hij één keer vreugde had,  die begeert datzelfde te bezitten in dezelfde omstandigheden als de eerste keer dat hij er zelf vreugde aan beleefde.  

    1 Het geheugen bewaart herinneringen aan eerder genoten belevingen:

    a) die zijn in het geheugen opgeslagen in een begeleidende context.

    b) die context versterkt de sterkte van de herinnering en wordt bij activering ermee geassocieerd. 

    2 Die geactiveerde herinnering genereert begeerte om:

    a) dat ding opnieuw te genieten,

    b) in een identieke context als voordien.

    NB  1 Het gaat hier over ‘genoten’ dingen, maar de omgekeerde stelling is ook mogelijk wanneer een ding niet werd ‘genoten’ maar affecten als bv afkeer,  wrevel, ongenoegen opwekte.

    2 De menselijke begeerte kan zo sterk zijn dat de begeleidende omstandigheden die men zich herinnert, opgezocht of  ‘gecreëerd ’worden om het eerder genoten affect teweeg te brengen.

    37

    Cupiditas, quae prae Tristitia, vel Laetitia, praeeque Odio, vel Amore oritur, eo est major, quae affectus major est.

    De begeerte die ontspruit wegens droefheid, blijheid, haat of liefde, zal des te groter zijn als het affect groter is.

    1 Bronnen van begeerte zijn paarsgewijze:

    a) droefheid/vreugde

    b) vreugde/ haat

    2  Affecten kunnen meer of minder intens zijn;

    3 De sterkte van de begeerte is recht evenredig met de sterkte van het affect.

    NB 1 Begeerte (= cupiditas) stelt Spinoza gelijk aan conatus (= levensdrift).

    2 Er is een verband tussen affecten en begeerten : affecten ‘declancheren’ begeerte.

    10-07-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    25-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem Meijer (1842-1926) : een vergeten Spinoza-pionier
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

                                                                                          

                                              Doctor Meijer is de meest ware Spinozist geweest sedert Spinoza.

                                                                                                                                                 W.G. van der Tak

     

    Willem Meijer. De Spinoza-studax ontmoet zijn naam wel eens in de bibliografie van een of ander Spinoza-boek. Het werd na zijn overlijden al snel stil rond zijn naam. Vergeefs zal je in Wikipedia naar hem zoeken...

    Sedert zijn dagen is de Spinoza-studie zoals dat heet met ‘rasse schreden vooruit gegaan’ en werd een berg literatuur gepubliceerd. Wie die beklimt vergeet wel eens achterom te kijken. Zo raken oudere auteurs uit het gezicht. In tal van gevallen hoeft daar niet om getreurd. Maar dat treft niet, helemaal niet, voor Willem Meijer. Het mag misschien wel zijn, dat de tijd veel van Meijers Spinoza-teksten  met een laagje patina, bedekte, maar die glanst, meen ik, nog meer dan voldoende om deze Spinoza-pionier wat licht te gunnen.

    Als eerbetoon breng in ik voor mijn lezers, deze merkwaardige man en uitmuntende Spinoza-kenner in enkele teksten onder de aandacht: eerst in een korte biografische schets en vervolgens via een kleine bloemlezing van zijn meningen over filosofie en Spinoza, die ook na meer dan 100 jaar het overpeinzen waard zijn (1).

    Willem Meijer, geboren in Amsterdam op 18 november 1842, was van goed burgerlijke komaf. Zijn vader was er een succesvol industrieel en lid  van de lutherse gemeenschap. Willem ging in 1862 theologie studeren. Bevangen door geloofstwijfel onderbrak hij zijn studie. Na een korte onderbreking zette hij evenwel in Heidelberg zijn theologische studies verder. Geloofstwijfels bleven hem verder aanvreten en hij hield uiteindelijk de studie van de theologie voor bekeken.

    In Groningen ging hij nu geschiedenis en literatuur studeren. Maar ook die studie werd afgebroken: het overlijden van zijn moeder in Amsterdam en de familiale beslommeringen waarmee hij toen te maken kreeg benevens een huwelijk dat op stapel stond, deden hem besluiten de brui  te geven aan alle  verdere studies.

    Beschikkend over een flink familiefortuin besloot Willem in de landbouw te gaan. Hij deed dat na ernstige studie en met alle toewijding die nadien ook zijn andere ondernemingen kenmerkten. De economische omstandigheden, en wellicht ook wel wat gebrek aan ervaring, maakten van zijn landbouw-ondernemingen geen succes: hij schoot er een deel van zijn fortuin bij in.

    Willem beschikte over een vlotte pen en vatte het plan op om op regelmatige basis in kranten te publiceren. Tussen 1880 en 1890 verschenen van zijn hand tal van artikels over maatschappelijke en politieke thema’s. De visies die hij daarin vertolkte, brachten hem onvermijdelijk in politieke vaarwateren en in conflict met conservatieve liberalen, die al te streng in de leer, naar zijn idee geen oog hadden voor de toen relevante maatschappelijke problemen.

    In 1890 verhuist Willem Meijer naar den Haag. Daar begint een nieuwe fase in zijn leven: hij zet er zijn maatschappelijk werk weliswaar verder maar stort zich  -met overgave- op de studie van de wijsbegeerte. Zijn voorliefde voor het vrije denken en zijn voornemen om een leven te leiden overeenkomstig zijn filosofische overtuiging leidt hem  onvermijdelijk naar Benedictus Spinoza, die ooit in zijn nieuwe woonplek leefde en werkte. Ik laat van der Tak aan het woord:

    ‘ Meijer heeft langzamerhand zijne eigene denkbeelden steeds meer, duidelijker geformuleerd en nauwkeuriger onderzocht teruggevonden bij Spinoza. In verklaarden vorm en door onwankelbare argumenten bevestigd, trof hij in des wijsgeers geschriften datgene aan, wat reeds in minder duidelijken en onderscheiden vorm n eigen ziel  aanwezig was. Ten slotte heeft hij als een vrij, d.i. een door de Rede verlost mensch, Spinoza’s leer volkomen aanvaard.’ (2)

    _____

    (1) De biografische nota is hoofdzakeljik gebaseerd op  W.G. van der Tak, Doctor Willem Meijer, 1842-18 november,1922, in Spinozana, 1897-1922, Heidelberg, Amsterdam, 1922, blz. IX-XLIV. De Meijer-uitspraken komen eveneens uit dit boek en werden geplukt uit de jaarverslagen 1897-1922, die Meijer maakte als secretaris van de Spinozahuis.

    (2) W.G. van der Tak, o.c., blz.  XVIII. 

    25-06-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Spinozana
    >> Reageer (0)
    15-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (21)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS TERTIA -DERDE DEEL

    DE ORIGINE ET NATURA  AFFECTUUM - OVER HET ONTSTAAN EN DE NATUUR VAN DE AFFECTEN

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie die zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 

     

            PROPOSITIO

          STELLING

                  TOELICHTING

    26

    Id omne de re quod odio habemus affirmare conamur quod ipsum Tristitia afficere imaginamur et id contra negare quam ipsam Laetitia

    afficere imaginamur         

    Omtrent een ding dat we haten, proberen we te bevestigen al wat we ons verbeelden dat het ding zelf met droefheid affecteert en omgekeerd te ontkennen wat we ons verbeelden dat het ding zelf met blijheid affecteert.  

    1 Mensen die dingen haten:

    a) en zich verbeelden dat het gehate ding droefheid wordt toegevoegd:

    b) dat bevestigen ze..

    2  Mensen die dingen haten:

    a) en zich verbeelden dat het gehate ding blijdschap wordt toegevoegd:

    b) dat ontkennen ze.

    27

    Ex eo, quod rem nobis similem, et quam nullo affectus prosecuti sumus, aliquo affectu affici imaginamur, eo ipsi simili affectu afficimur.

    Indien we ons verbeelden dat een ding dat op ons gelijkt en dat ons niet affecteert, door een of ander affect wordt geaffecteerd, dan worden we door  eenzelfde affect geaffecteerd.

    Een ding ‘dat op ons gelijkt’ en ons onverschillig laat omdat het geen affecten oproept:

    a) kan in onze verbeelding door een of ander affect worden geaffecteerd,

    b) dan ondervinden ook wij eenzelfde affect.

    NB 1 Dingen die op ons gelijken zijn allereerst mensen maar verder ook alle andere levende wezens.

    2 Affecten die we bij andere mensen ( of levende wezens) herkennen, kunnen gelijksoortige affecten opwekken op voorwaarde:

    a) dat we tegenover die ‘dingen’ neutraal zijn d.w.z. er zelf geen gevoelens over hebben,

    b) dat ze herkend worden. Deze mogelijke herkenning is recht evenredig met  de sterkte van de eigen empathische geaardheid. 

    28

    Id omne, quod ad Laetitiam conducere imaginamur, conamur promovere ut fiat, quod vero eidem repugnare, sive ad Tristitiam conducere imaginamur amovere vel destruere conamur.

    Alles waarvan we ons inbeelden dat het tot   blijheid voert dat proberen we te realiseren, al wat we ons verbeelden dat het hindert of tot droefheid leidt, dat proberen we te vermijden of te vernietigen.

    1 Al wat in onze verbeelding tot blijheid  voert:

    - dat proberen wij te verwerkelijken.

    2  Al wat in onze verbeelding tot blijheid voert:

    a) en gehinderd wordt of droefheid veroorzaakt:

    -dat bannen we uit of we proberen het te vernietigen.

    NB 1 De levensbegeerte is een ‘mechanisme’ dat geprogrammeerd is om zichzelf te versterken (een soort automaton).

    2 Die versterking gebeurt door het realiseren van al wat ertoe bijdraagt én door het uitschakelen (door vermijden of vernietigen) wat daarbij hindert.

    29

    Nos id omne etiam agere conabimur, quod homines cum Laetitia aspicere imaginamur, et contra id agere aversabimur, quod homines aversari imaginamur.

    We proberen ook alles te doen, waarvan we ons verbeelden wat mensen met blijheid beschouwen, en omgekeerd zullen we afkerig zijn van dat waarvan we ons verbeelden dat mensen er een hekel aan hebben.

    1 Alles waarvan we in onze verbeelding menen dat mensen er blij van worden:

    -dat doen we;

    2 Alles waarvan we in onze verbeelding menen dat mensen er afkerig van zijn:

    -dat zullen we vermijden.

    NB 1 Maatschappelijk conformisme genereert meer eensgezindheid, meer welwillendheid, sympathie etc. Het is daardoor een bron van meer maatschappelijke harmonie. Bovendien versterkt het daardoor ook de eigen conatus, het eigen welbevinden.

    30

    Si quis aliquid egit, quod reliquos Laetitia afficere imaginatur, is Laetitia, concomitante idea sui,  tanquam causa, afficietur; sive se ipsum cum Laetitia contemplabitur. Si contra aliquid egit, quod reliquos Tristitia afficere imaginatur, se ipsum cum Tristitia contra contemplabitur.

    Zo iemand iets doet waarvan hij zich verbeeldt dat het anderen met blijheid affecteert, dan zal hij geaffecteerd worden met blijheid, samen met de idee van zichzelf als oorzaak of zal hij zichzelf met blijdschap beschouwen. Zo hij omgekeerd iets doet waarvan hij zich verbeeldt dat het anderen met droefheid affecteert, dan zal hij omgekeerd, zichzelf met droefheid beschouwen.

    1 Iemand stelt een handeling en verbeeldt zich:

    a) dat dit anderen blij stemt,

    b) dan ervaart hij zelf ook blijheid samen met de idee van zichzelf als oorzaak van die blijheid;

    c) hij beschouwt zichzelf als blij.

    2 Iemand stelt een handeling en verbeeldt zich:

    a) dat anderen er droef van worden,

    b) dan beschouwt hij zichzelf ook als droef.

    31

    Si aliquem imaginamur amare, vel cupere, vel odio habere aliquid, quod ipsi amamus, cupimus, vel odio habemus, eo ipso rem constantius amabimus, etc. Si autem id, quod amamus eum aversari imaginamur, vel contra, tum animi fluctuationum patiemur.

    Zo we iemand verbeelden die iets bemint of begeert of haat wat we zelf beminnen, begeren of haten, dan zullen we daarom dat ding sterker beminnen enz. Zo we ons evenwel  verbeelden dat wat we beminnen hem afkeer opwekt, dan  omgekeerd zullen  we een stemmingswissel ondergaan.

    1 Indien we ons verbeelden dat iemand iets wat wij beminnen, begeren of haten:

    a) bemint, begeert of haat (in verschillende gradaties van intensiteit),

    b) dan zal het overeenstemmende gevoel in ons met evenredige intensiteit worden aangezwengeld.

    2 Indien we ons verbeelden dat iemand  iets wat wij beminnen, begeren of haten:

    a) afkeer opwekt,

    b) dan zullen we ten prooi vallen aan gemoedsschommelingen.

    NB Het vermijden van stemmingswisselingen is voor Spinoza, die een sereen en evenwichtig leven nastreeft een belangrijk objectief.

     

     

    15-06-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    24-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Spinoza in zijn tijd (1)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

                                               (…) if one neglects the humanities of a field, then ipso facto that field lacks humanity                                                                                                                                                                                                                                                                George Sarton

     Wie het over Spinoza heeft, denkt automatisch aan de filosofie van deze geniale lenzenslijper, hoe die moet begrepen worden en ook aan de betekenis ervan voor onze tijd. Meer dan drie eeuwen reeds wordt Baruch d’ Espinoza, die zich vervelde tot Benedictus Spinoza, bestudeerd door filosofen, historici, juristen en lezers van allerlei slag. Dat leverde een berg boeken op. Die besteden niet altijd de nodige aandacht aan Spinoza’s levensbaan en de bredere historische context van zijn tijd. Dat is jammer want voor de studie van genese en ontwikkeling van de geschriften van Spinoza is dit van groter belang dan op het eerste gezicht kan gedacht.

    Meer aandacht kreeg de levensgeschiedenis van de joodse filosoof, al zijn er ook vakfilosofen die de mening zijn toegedaan dat bio-gegevens niets of weinig bijdragen aan een beter begrip van zijn filosofie. Dat was althans niet de opvatting van de Meester, want die schreef:

     ‘…Hoe beter we  de geest en het karakter van een man kennen, des te makkelijker begrijpen we zijn  woorden.’ (TTP)

    Wat Spinoza betreft, ziet de historicus-biograaf zich geconfronteerd met een ernstig probleem: wie zich een beeld wil vormen van persoonlijkheid en levensloop van Spinoza beschikt slechts over een beperkt aantal iconografische, schriftelijke en (nóg zeldzamer) materiële bronnen. Al te vaak ook worden ze gelezen en gebruikt met onvoldoende historisch-kritische zin. Niet bepaald een garantie om een genuanceerd en historisch onderbouwd bio-verhaal te construeren. Verbeelding en conjectuur (een meer verantwoorde vorm van verbeelding) hebben in eeuwen na het overlijden van Spinoza zijn biografie bijgekleurd en aangedikt. Het portret dat Spinoza voorstelt als travestiet (zie boven) illustreert treffend hoe fantasie en slechte smaak de historische realiteit (in casu van een bekend Spinoza-portret) kan overvleugelen. Het ergste is dat de lezer veel bio-verhaaltjes worden opgedist als historisch betrouwbaar…

    Bernard Lewis, historicus met mondiale reputatie, maant ons:

    Inaccurate history is worse than no history at all’.( Notes on a Century, 2012).

    De foute geschiedenis waarover Lewis het heeft, betreft het onkritisch gebruik van bronnen, het verdonkeremanen van feiten, het ideologisch misbruiken van de geschiedenis. 

    Wat de bredere historische context betreft: het is onze overtuiging dat die context bij de studie van Spinoza’s leven en werken niet zonder schade kan worden over het hoofd gezien. Hij was een mens van vlees en bloed die part had aan de concrete historische contextualiteit van de 17de eeuwse van de Verenigde Republiek, een man die opgroeide en leefde in de concrete Hollandse ruimte Amsterdam, Rijnsburg, den Haag… Talrijk zijn de verbindingslijnen en raakpunten tussen die historiciteit en Spinoza’s leven en geschriften. Ze verdienen blootgelegd, geanalyseerd en geduid.

    Lezers die Spinoza in zijn tijd wat beter willen leren kennen, doen er dus goed aan wat historische basiskennis te verwerven over zijn milieu en de historische ontwikkelingen in zijn tijd. Het is onze bedoeling de krachtlijnen van enkele relevante thema’s uit de algemene geschiedenis, geprojecteerd op de achtergrond van enkele sleutelmomenten in Spinoza’s leven (1632-1677), in enkele blogs te behandelen.

    Uiteraard beginnen sommige historische ontwikkelingen, en in het geval van Spinoza niet de minst belangrijke, lang voor zijn geboorte. Volgende thema’s uit de geschiedenis van de 17de eeuw komen aan bod:

    1 Joden in Amsterdam

    2 De Tachtigjarige Oorlog

    3 Een republiek in opbouw

    4 Religieuze Kwesties

    5 Politieke spanningen ten tijde van Spinoza

    6 Spinoza’s partij

    24-05-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:De biografie
    >> Reageer (0)
    23-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (20)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS TERTIA -DERDE DEEL

    DE ORIGINE ET NATURA  AFFECTUUM - OVER HET ONTSTAAN EN DE NATUUR VAN DE AFFECTEN

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie die zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 

    Nr

               PROPOSITIO

                     STELLING

                          TOELICHTING

    20

    Qui id, quod odio habet, destrui imaginatur, laetabitur.

    Wie zich verbeeldt dat  wat hij haat vernietigd wordt, zal blij zijn.

    1  Mensen gevoelen (soms) haat.

     2 De verbeelding beschikt over het vermogen (= de kracht) om haat te veranderen in blijheid.

    3 Dat gebeurt als verbeeldingskracht een of ander gehaat ding voorstelt als vernietigd.

    NB 1 Haat kan slaan op levende wezens (mensen, dieren, planten), of op objecten of op situaties.

    2 Vernietiging (of aantasting in mindere mate) van dat wat men haat genereert vreugde.

    3 Het opgewekte gevoel noemen de Duitsers treffend Schadenfreude.

    21

    Qui id, quod amat, Laetitia vel Tristitia affectum imaginatur, Laetitia etiam vel Tristitia affcietur; et uterque hic affectus major aut minor erit in amante, prout uterque major aut minor est in re amata.

    Wie zich verbeeldt dat wat hij bemint met blijdschap of droefheid wordt geaffecteerd, zal eveneens door blijdschap of droefheid worden geaffecteerd.   En beide affecten zullen groter of kleiner zijn bij wie bemint, naargelang ze groter of kleiner zijn in het beminde ding.

    1 Iemand die iets of iemand bemint en zich verbeeldt dat,

    a) het beminde een affect van blijdschap of droefheid ondergaat,

     zal

    b) ook door blijdschap of droefheid worden aangedaan.

    2 De affecten blijdschap en droefheid kunnen in sterkte variëren:

    a) de intensiteit van beide affecten verhoudt zich op evenredige wijze bij beminde en minnaar;

    b) dit is het principe van de evenredige sterkte van de affecten.

    NB 1 Dat wat iemand bemint kan een levend wezen zijn of een levenloos wezen (= object).

    2 Blijheid of droefheid toeschrijven aan objecten moet in deze context begrepen worden als een conatus-versterking van het ding (= toevoegen van ‘blijheid’) of als een conatus-vermindering (= toevoegen van ‘droefheid) van het ding.

    22

    Si aliquem imaginamur Laetitia afficere rem, quam amamus, amore erga eum afficiemur. Si contra eundem iaginamur Tristitia eandem afficere, econtra Odio etiam contra ipsum afficiemur.

    Indien we ons verbeelden dat iemand een ding dat wij beminnen met liefde affecteert, dan zullen wij voor hem ook door liefde geaffecteerd worden; indien, omgekeerd, wij ons verbeelden dat hij het met droefheid affecteert, dan zullen we tegen hem haat voelen.

    1 Iemand verbeeldt zich dat iemand een bemind ding (= levenloos of levend wezen),

    a) liefdevol bejegent (= affecteert met liefde),

    b) dan zal die persoon ook door liefde geaffecteerd worden jegens die persoon.

    2  Dit geldt evenzeer in het geval van droefheid.

    NB Het betreft hier het principe van rechtevenredigheid van affecten.

    23

    Qui id, quod odio habet, Tristitia affectum imaginetur, laetabitur ; si contra idem Laetitia, affectum esse imaginatur, contristabitur; et uterque hic affectus major aut minor erit, prout ejus contrarius major aut minor est in eo, quod odio habet.

    Wie zich verbeeldt dat wat hij haat geaffecteerd wordt met droefheid, wordt blij. Indien integendeel hij zich verbeeldt dat het zelfde geaffecteerd wordt door blijdschap, wordt droef. En elk van die affecten zal groter of kleiner zijn, naargelang zijn tegengesteld affect groter of kleiner is in  wat hij haat.

     

     

     

    1 Iemand die iets haat en zich verbeeldt:

    a) dat het gehaat ding (= levenloos of levend wezen) door droefheid wordt aangedaan:

    zal,

    b) daardoor een gevoel van blijdschap ervaren.

    2 Iemand die iets haat en zich verbeeldt:

    a) dat het gehaat ding (= levenloos of levend wezen) door blijdschap wordt aangedaan,

    zal

    b) daardoor een gevoel van droefheid ervaren.

    3 De intensiteit van het gevoelde affect zal in kracht variëren:

    a) grote droefheid in het gehaat object = evenredige grote blijheid in de hatende persoon;

    b) grote blijheid in het gehaat object = evenredig grote droefheid in de hatende persoon.

    NB Het betref hier het principe van de omgekeerde evenredige kracht van tegengestelde affecten.

    24

    Si aliquem imaginamur Laetitia afficere rem, quam odio habebimus, Odio etiam erga eum afficiemur. Si contra eundem imaginamur Tristitia eandem rem afficere, Amore ergo ipsum afficemur.

    Indien we ons iemand verbeelden die een ding dat wij haten blijdschap toebrengt, dan zullen we jegens hem met haat geaffecteerd worden. Indien in tegendeel wij hem verbeelden als iemand die droefheid toebrengt, dan zullen we geaffecteerd worden met liefde.

    1 We verbeelden ons dat iemand een gehaat ding (= levenloos of levend wezen),

    a) blijheid toevoegt,

    dan

    b) zullen we jegens die persoon een gevoel van haat voelen.

    2 We verbeelden ons dat iemand een gehaat ding (= levenloos of levend wezen),

    a) droefheid toevoegt,

    dan

    b) zullen we jegens die persoon een gevoel van liefde voelen.

    NB 1 De verbeelding richt zich in dit geval op een persoon ( bij uitbreiding ook op enig ander levend wezen).

    2 ‘Liefde’ dient in deze context begrepen te worden als een affect dat zich in verschillende nuances kan manifesteren: van een gevoel van tevredenheid over genoegen tot een gevoel van blinde liefde,…

    3 ‘Haat’ dient hier begrepen als een gevoel dat zich in verschillende nuances kan manifesteren: van ongenoegen over lichte wrevel tot dodelijke haat…

    25

    Id omne de nobis deque re amata affirmare conamur, quod nos, vel rem amatam, Laetitia afficere imaginamur, et contra id omne negare, quod nos, vel rem amatam, Tristitia afficere imaginamur.

    Alles wat we verbeelden over onszelf of over een beminde zaak en dat ons of die beminde zaak blij maakt, proberen we te bevestigen, en omgekeerd alles wat we ons verbeelden dat onszelf of de beminde zaak droef maakt, (proberen we) te ontkennen.

    1 De conatus van de mens is erop gericht:

    a) om te bevestigen (= dominerend op het voorplan te brengen) wat onszelf en de beminde zaak met blijdschap vervult (= bevoordeelt).

    b) te ontkennen (= te verdringen) wat ons of de beminde zaak met droefheid treft (= benadeelt).

    NB De conatus is een kracht die erop gericht is de mens in zijn bestaan te bevestigen, d.w.z. ook sterker en meer weerbaar te maken. Wat hiertoe bijdraagt brengt de geest op het voorplan, wat hiertoe niet bijdraagt wordt verdrongen. Dit is het principe van psychische zelfbescherming.

     

    23-05-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    10-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (19)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS TERTIA -DERDE DEEL

    DE ORIGINE ET NATURA  AFFECTUUM - OVER HET ONTSTAAN EN DE NATUUR VAN DE AFFECTEN

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie die zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 

    Nr

           PROPOSITIO

             STELLING

                 TOELICHTING

    14

    Si Mens duobus affectibus simul affecta semel fuit, ubi postea eorum alterutro, afficietur, afficietur etiam altero.

    Indien eenmaal de geest door twee affecten tegelijk,  geaffecteerd is geweest, en later door een ervan geaffecteerd zal worden, dan zal hij ook geaffecteerd worden door het andere.

    1 De menselijke geest kan door meer dan één affect worden ‘aangedaan’:

    a)  als dat eenmaal tegelijkertijd gebeurt, dan

    b) zal, op een later tijdstip, de aandoening van een van die affecten, ook de aandoening van het andere genereren.

    Dit is het ‘associatief  beginsel’ van de affecten. Het Latijnse woord simul ( te gelijk, samen) impliceert geen tijdsaanduiding: of de affecten elkaar opvolgen (seconden, milliseconden) of het betreft één gemengd affect (een ‘cluster-affect’), doet geen afbreuk aan  het principe.

    15

    Res quaecunque potest esse per accidens causa Laetitiae Tristitiae, vel Cupiditatis.

    Gelijk welk ding kan door een omstandigheid oorzaak zijn van blijdschap, droefheid of begeerte.

    Alle bestaande dingen kunnen voor de geest:

    a) oorzaak zijn van drie affecten:

    blijdschap,

    droefheid,

    begeerte.

    b) Die  oorzaak betreft een oorzaak  die wordt teweeggebracht door een bijkomende omstandigheid inherent aan het ding.

    NB. Het betreft hier de ’drie basisaffecten’ die aan de basis liggen van alle andere.  Het affect begeerte kan begrepen worden als ‘conatus’.

    16

    Ex eo solo, quod rem aliquam aliquid habere imaginamur simile objecto, quod Mentem Laetitia vel Tristitia afficere solet, quamvis id, in quo res objecto est similis, non sit horum affectuum efficiens causa, eam tamen amabimus vel odio habebimus.

    Alleen daaruit, dat we ons verbeelden dat een ding iets gemeen heeft met een object dat de geest met blijdschap of droefheid pleegt te affecteren, hoewel dat waardoor het ding gelijkt op het object van die affecten niet de werkoorzaak is, zullen we evenwel dat ding beminnen of haten.

    1 De geest kan zich verbeelden dat een ding met iets gemeen heeft met een ander object dat:

    a) blijdschap oproept,

    b) droefheid opwekt.

    2 In dergelijke gevallen zullen we:

    a) het beminnen in het eerste geval,

    b) het haten in het tweede geval.

    3 Die affecten worden gegenereerd ongeacht of het gelijkend element in dat ding er al of niet de werkoorzaak van is.

    17

    Si rem, quae nos Tristitiae affectu afficere solet, aliquid habere imaginamur simile alteri, quae nos aeque magno Laetitiae affectu solet afficere, eandem odio habebimus et simul amabimus.

    Indien een ding, dat ons met een affect van droefheid pleegt te affecteren, waarvan we ons verbeelden iets gemeen te hebben met een ander, dat ons met een even groot affect van blijdschap pleegt te affecteren,  dan zullen we dat tegelijk haten en  beminnen.

    Stel: een ding vervult ons gewoonlijk met droefheid:

    a) we verbeelden ons dat het met iets anders iets gemeen heeft,

    dat

    b) ons gewoonlijk een even grote blijdschap genereert,

    dan

    c) zullen we dat ding tegelijk én haten én beminnen.

    NB  1 Het principe geldt slechts wanneer de twee tegengestelde affecten  van gelijke sterkte, van gelijk gewicht zijn.

    2 Tegengestelde gevoelens in de geest zijn bron van verwarring en maken de geest labiel  (= stemmingswisseling = fluctuatio animi).

    3  Onzuivere tegenstrijdige gevoelens dragen niet bij tot geestelijke levenskwaliteit.

    18

    Homo ex imagine rei praeteritae aut futurae eodem Laetitiae et Tristitiae affectu afficitur, ac ex imagine rei praesentis.

    Een mens wordt door het beeld van een ding in verleden of in de toekomst met hetzelfde affect van blijdschap of droefheid geaffecteerd, als door het beeld van een aanwezig ding.

    1 Mensen kunnen op dezelfde wijze worden aangedaan (= geaffecteerd):

    a) door een beeld van een ding in het verleden,

    b) door een beeld van een ding in de toekomst,

    c) door het beeld van een ding in het heden.

    2 Die beelden genereren op dezelfde wijze:

    a) een affect van blijdschap,

    b) een affect van droefheid.

    NB  Beelden die de geest affecteren, hetzij door onmiddellijke ervaring (=actuele waarneming), hetzij gegenereerd door het geestesoog (= de geest) via herinnering (verleden) of projectie (toekomst) veroorzaken dezelfde affecten van blijdschap of droefheid.

    19

     Qui id, quod amat, destrui imaginatur, contristabitur; si autem conservari, laetatibur.          

    Hij die zich verbeeldt dat wat hij bemint  vernietigd wordt, zal droef worden; verbeeldt hij zich evenwel dat het bewaard blijft, dan zal hij zich verheugen.

    De menselijke geest treedt in relatie (= in ‘conatus-concurrentie’) met andere dingen:

    a) de verbeelding dat het beminde (=  dat wat men waardeert) vernietigd wordt veroorzaakt droefheid.

    b) de verbeelding dat het gaaf blijft (= behouden), veroorzaakt blijdschap.

    NB Wat men waardeert of bemint versterkt de conatus, verhoogt welzijn én welbevinden en verwekt daardoor ook  blijdschap. Het omgekeerde geldt eveneens.

    10-05-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)
    05-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jezuïeten en Spinoza: ken er één en je kent ze allen (3 - slot)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    (slot)

    Paul Siwek, pater-jezuïet (Caute!) zet zich in het tweede deel van het boek Spinoza et le panthéisme religieux (1937) aan de kritiek van Spinoza’s filosofie. De joodse filosoof Baruch Spinoza, wordt voorgesteld als de bedenker van een leer die niet verenigbaar is met de fundamenten van De Waarheid. Voor Siwek is die Waarheid uiteraard  Roomse-katholiek. Dat, en niets anders, is de (nauwelijks) verborgen agenda van pater Paul.

    Het tweede deel van het boek torst de titel Critique du système religieux spinoziste. Op zich al een statement. Het boek is een strijdschrift van een prominente vertegenwoordiger van een wereldreligie, gericht tegen de stichter van een 'seculiere religie' die voor rechtgelovige christenen gevaarlijk is.

    Ik sta niet stil bij Siweks Spinozakritiek. Een deel ervan steunt op het Aristoteliaans-Thomistisch gedachtengoed, huisfilosofie van het christendom. Die kritiek klinkt als het verhaal van pot en ketel en is alleen geschikt om geloofsgenoten te bevestigen in hun geloofsovertuiging. Een interessanter deel van zijn kritiek steunt op de traditionele argumenten van Spinoza-bestrijders, vaak ook van christelijken huize, die rationeler uitgangspunten kiezen en dus minder vooringenomen zijn.

    Ik blijf wel even hangen bij een belangrijk aspect in de receptie van Spinoza’s filosofie: de recuperatie  van zijn leer in de 19de en de 20ste eeuw door enkele belangrijke ideologieën.

    De Ethica is een wereldbeschouwelijk traktaat. Net als andere fundamentele filosofische geschriften en Heilige Boeken van boekreligies kan het op meer dan één wijze gelezen en geïnterpreteerd worden. Spinoza’s ethica ontsnapte dus niet aan deze onvermijdelijke ontwikkeling. Het boek is diepzinnig maar ook op vele plaatsen duister en sommige delen van Spinoza’s leer vertonen leemtes. Lezers, vooral lezers-filosofen’, doen er dus hun ding mee: ze lezen erin wat ze willen en spinnen oeverloze gedachten bij woorden, zinnen, concepten die de oorspronkelijke bedoelingen en gedachten van de auteur vaak meer verhullen dan onthullen. Soms lijkt alle redelijkheid wel verloren: er zijn commentatoren-punthoofden die enkele bladzijden Spinoza opblazen tot een commentaar van honderd, soms tweehonderd, bladzijden…

    De belangrijkste tweedeling die zijn leer veroorzaakte is die van materialisten en metafysici. Van schoolvorming is niet of nauwelijks sprake.

    Ik vertaal wat Siwek hierover schrijft op blz. 280:

    (…) ‘Spinoza wordt door hen (door materialistische theoretici) beschouwd als de schepper van het materialisme en als de grondlegger van de ‘materialistische wetenschap’, wetenschap die geen enkele finalilteit in de wereld aanvaardt en alles verklaart door louter spel van mechanische en materiele krachten, die werken volgens het principe van het ‘behoud van kracht’. Ze verwijten Spinoza alleen dat hij niet voldoende moed opbracht om luidop zijn diepe overtuiging te verkondigen, die van de radicale materialist die hij was, en dat hij vaak zijn toevlucht nam tot weinig loyale reserves.’  (…)

    Spinoza, aldus Siwek, wordt beschouwd als de vader van het filosofisch materialisme, dat alles finaal herleid tot stof, materie. Al dat gezeur in Spinoza’s geschriften over ‘god’ en zo, wordt door die materialisten afgedaan als huichelarij… 

    Siwek S.J. deelt deze opvatting evenwel niet: in Spinoza herkent hij, samen met het grootse deel van Ethica-lezers, een metafysicus, de schepper van een  système religieux, een rationele religie, die mensen de weg wijst naar het geluk in het ‘hiermaals’, niet in een voorgespiegeld hiernamaals zoals de boekreligies dat doen. Het is precies deze Spinoza die een bedreiging vormt voor het christendom, een veel subtielere bedreiging dan deze die uitgaat van 'platte' materialistische theorieën.


    In de 19de eeuw werd Spinoza onrechtstreeks, maar ook rechtstreeks gerecupereerd door theoretici van het socialisme.

    Siwek aan het woord op blz.280:

    (…) ‘Men hoort vaak zeggen dat het spinozisme erg gewaardeerde hulp heeft geboden aan het socialisme, in wezen materialistisch, het materialisme dat de theorieën van Marx, Engels en Lasalle kenmerkt. Die bewering is niet zonder grond. Die drie auteurs citeren inderdaad vaak in hun werken Fichte, Schelling, Hegel en vooral Feuerbach, die allen zoals geweten, veel aan Spinoza verschuldigd zijn.’ (…)

    Siwek verwijst in een voetnoot naar Georgi Plechanow (1856-1918), een van de vaders van het Russisch communisme, die zijn materialistische mosterd ook haalde bij Spinoza. Het betreft hier een passus die verre van onschuldig is: van in de jaren dertig van vorige eeuw werd er vanaf de roomse kansels haat gepredikt tegen het materialistische, duivelse bolchevisme. Die campagne werd gedirigeerd en getoonzet door het Vaticaan en de Jezuïetenorde. Daartoe aangespoord door paters en pastoors trokken tijdens WO II massa’s Roomse jongeren samen met de nazi’s naar het Oostfront, om er in ellendige omstandigheden te sneuvelen of in Siberië een trage dood te sterven…

    Ik voeg er nog graag aan toe, dat in de 20ste eeuw neo-marxisten van het trieste slag Louis Althusser, filosoof-moordenaar en Antonio Neri, filosoof-terrorist, Spinoza nog eens een keer voor hun marxistische kar spanden…

    Even verder, op blz. 281, maakt pater Siwek ons zijn verwondering kenbaar:

    (…) ‘Maar, merkwaardig toch! Een theorie, zo tegengesteld aan het communisme, als het sociaal- liberalisme beroept zich eveneens op de autoriteit van Spinoza!. ‘ (…)

    Siwek geeft daarmee tussen de lijnen te kennen, dat een leer die diensten bereid aan maatschappijvisies die zich tot elkaar verhouden als water en vuur weinig coherent moet zijn.

    Tot hier Paul Siwek, pater- jezuïet in een van zijn geschriften over Benedictus Spinoza.:

                                                                      Ab uno disce omnes

                                                                                                   Publius Vergilius Maro

    05-05-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Secundaire literatuur
    >> Reageer (0)
    27-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stellingen van de Ethica vertaald en toegelicht door W. Schuermans (18)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    PARS TERTIA -DERDE DEEL

    DE ORIGINE ET NATURA  AFFECTUUM - OVER HET ONTSTAAN EN DE NATUUR VAN DE AFFECTEN

    1  Spinoza wijkt af van de Latijns-humanistische traditie om zijn geschrift in ‘boeken’ (libri) in te delen: de Ethica bestaat uit ‘delen’ (partes). Daarmee geeft hij te kennen dat zijn boek één samenhangend geheel vormt (Macherey). Elk deel is als het ware een puzzelstuk: eerst door samenleggen van de vijf puzzelstukken geeft de Ethica haar volledig beeld prijs.

    2  De toelichting bij elke stelling is in de regel een interpretatie die zich beperkt tot de libellé van de tekst. Waar nodig voor een beter begrip wordt het betekeniskader van de stelling verlaten. 

    Nr

        PROPOSITIO

         STELLING

                  TOELICHTING

    7

    Conatus, quo unaquaeque res in suo esse perseverare conatur, nihil est praeter ipsius rei actualem essentiam.

    De kracht  waarmee ieder afzonderlijk ding  zijn bestaan probeert verder te zetten, is niets anders dan de werkelijke essentie van het ding zelf.

    1 Alle dingen beschikken over een conatus (= een inwendige kracht).

    2 Die kracht is oorzaak van het verder bestaan van die dingen (= perseverare, volharden, in stand houden)

    3 Die kracht is te vereenzelvigen (= nihil est praeter, d.w.z. is niets anders) met de werkelijke essentie van elke ding.

     NB 1 De conatus  behoort tot de wezenlijke (= de essentiële, niet de bijkomstige) kenmerken van de dingen.

    2 Die kracht van het ding is een fragment van de absolute kracht van de substantie, waarmee elke ding verbonden is.

    3 Dingen proberen zich te handhaven, d.w.z. de uitkomst is onzeker: de kracht van andere dingen kan sterker zijn, zodat die handhaving kan worden aangetast.

    8

    Conatus, quo unaqaeque res in suo esse perseverare conatur, nullum tempus finitum, sed indefinitum  involvit.

    De kracht waarmee ieder afzonderlijk ding zijn bestaan probeert verder te zetten omvat geen bepaalde maar onbepaalde tijd.

    1 In de dingen schuilt een kracht ( = conatus).

    2 De ‘handhavingskracht’:

    a) omvat geen bepaalde, afgemeten tijd, maar

    b) omvat een onbepaalde tijd.

    NB 1 De dingen zijn naar hun wezen niet ‘geprogrammeerd’ (= voorbestemd) om een bepaalde periode in de tijd te bestaan (= te duren)

    2 De duur van de dingen is een functie van de ‘ontmoeting’ (= botsing) met de conatus van andere dingen.

    9

    Mens tam quatenus claras et distinctas, quam quatenus confusas habet ideas, conatur in suo esse perseverare indefinita quadam duratione, et hujus sui conatus est conscia.

    De geest, zowel voor zover hij heldere en onderscheiden, als voor zover hij verwarde ideeën heeft, probeert  zijn bestaan verder te zetten voor onbepaalde duur en is zich van zijn kracht daartoe bewust.

    1 De geest heeft:

    a) heldere en wel onderscheiden ideeën, en

    b) verwarde ideeën.

    2 In beide gevallen streeft de geest ernaar (= beschikt over de kracht) om in het bestaan te volharden.

    3 Dit streven van de geest betreft een onbepaalde duur.

    4 De geest is er zich van bewust dat het streeft naar het verderzetten van zijn bestaan.

    10

    Idea, quae Corporis nostri existentiam secludit, in nostra Mente dari nequit, sed eidem est contraria.

    De idee die het bestaan van ons lichaam uitsluit, kan in onze geest niet voorkomen, is ermee   tegensstrijdig.

    1 De idee die het bestaan van ons lichaam ontkent komt in de geest niet voor.

    2 Een dergelijk idee is in tegenstrijd met de geest.

     Ad 2 

    a) De geest die een dergelijk idee vormt bestaat a fortiore.

    b) Geest en lichaam zijn één.

    c) Een idee, in tegenstrijd met de geest, is ook in tegenstrijd met het lichaam.

    11

    Quicquid Corporis nostri agendi potentiam auget vel minuit, juvet vel coercet, ejusdem rei idea Mentis nostrae cogitandi potentiam auget vel minuit, juvat vel coercet.

    Al wat de kracht van ons lichaam om te handelen vermeerdert of vermindert, helpt of inperkt, daarvan zal de idee ook de kracht van onze geest om te denken, vermeerderen of  verminderen, helpen of inperken.

    1 Het lichaam beschikt over kracht om te handelen:

    a)  die kracht kan soms worden bevorderd of versterkt,

    b) kan soms worden verminderd of verzwakt.

    2 De idee van wat invloed uitoefent op ons lichaam kan de geesteskracht:

    a)  om te denken vermeerderen of  verminderen,

    b) helpen of beperken.

     

    12

    Mens, quantum potest, ea imginari conatur, quae Corporis agendi potentiam augent vel juvant.

    De geest, zoveel hij kan, probeert zich te verbeelden wat de kracht om te handelen van het lichaam vermeerdert of helpt.

    De geest levert inspanningen om:

    a) zoveel mogelijk in de verbeelding op te roepen,

    b) wat bevorderlijk is om de daadkracht  van het lichaam te vergroten.

    NB 1 De conatus van de geest is er steeds op uit om zichzelf  (in de tijd) te bestendigen en te bevestigen.

    2 Daartoe verbeeldt het zich zoveel als mogelijk (en bij voorrang) wat bijdraagt tot die bestendiging.

    13

    Cum Mens ea imaginatur, quae Corporis agendi potentiam minuunt vel coercent, conatur quantum potest, rerum recordari, quae horum existentiam secludunt.

    Wanneer de geest zich  verbeeldt wat de kracht om te handelen van het lichaam vermindert of inperkt, dan zal het zoveel mogelijk proberen die dingen te herinneren die het bestaan ervan uitsluiten.        

    Zo de geest zich dingen verbeeldt:

    a) die de daadkracht verminderen of aantasten,

    b) dan worden, zoveel als mogelijk, herinneringen opgeroepen, die die herinnering aan die dingen uitsluiten.

    NB 1 De kracht van de conatus is dominant.

    2 De conatus beschikt over een ‘zelfverdedigingsmechanisme’.

     


    27-04-2017 om 00:00 geschreven door Willy Schuermans


    Categorie:Stellingenboekje
    >> Reageer (0)


    Foto

    Categorieën
  • Wereldbeeld (4)
  • De emendering van het verstand (28)
  • Kenleer (3)
  • Lens op de mens: de affectenleer (2)
  • Staatsleer (5)
  • Ad fontes (10)
  • Aforistisch gedacht (20)
  • Bento's koekjes (9)
  • De biografie (13)
  • De geschriften (37)
  • Essay (10)
  • In de marge (16)
  • Johannes Colerus (7)
  • Lezend in de Ethica, (1)
  • René Descartes (8)
  • Secundaire literatuur (43)
  • SKL- documenten (24)
  • Spinoza creatief (16)
  • Spinoza-woorden (22)
  • Spinozana (21)
  • Stellingenboekje (22)

  • Archief per maand
  • 07-2017
  • 06-2017
  • 05-2017
  • 04-2017
  • 03-2017
  • 02-2017
  • 01-2017
  • 12-2016
  • 11-2016
  • 10-2016
  • 09-2016
  • 08-2016
  • 07-2016
  • 06-2016
  • 05-2016
  • 04-2016
  • 03-2016
  • 02-2016
  • 01-2016
  • 12-2015
  • 11-2015
  • 10-2015
  • 09-2015
  • 08-2015
  • 07-2015
  • 06-2015
  • 05-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013

    Categorieën
  • Wereldbeeld (4)
  • De emendering van het verstand (28)
  • Kenleer (3)
  • Lens op de mens: de affectenleer (2)
  • Staatsleer (5)
  • Ad fontes (10)
  • Aforistisch gedacht (20)
  • Bento's koekjes (9)
  • De biografie (13)
  • De geschriften (37)
  • Essay (10)
  • In de marge (16)
  • Johannes Colerus (7)
  • Lezend in de Ethica, (1)
  • René Descartes (8)
  • Secundaire literatuur (43)
  • SKL- documenten (24)
  • Spinoza creatief (16)
  • Spinoza-woorden (22)
  • Spinozana (21)
  • Stellingenboekje (22)


  • Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!