Gedichten
Archief gedichten 2000 - 2005
15-07-2011
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
Open brief aan Pomgedichten
Pom, wat volgt zal wellicht nooit op jouw site verschijnen, al mag het, dat heb ik je al eerder gemaild. Je verstaat, volgens mij, de kunst het essentiële van inzendingen van de door jou niet gewenste, niet toegelaten tot registratie, kortom, geweigerde reaganten, eruit te halen. Top!
Ook wat jij noemt "fantaseren", super! Humor, satire... de grenzen heb je al verkend, want die bestaan. Een enkel keertje heb ik last van i.r.l.- familie, vrienden, kennissen die me volgen op het internet. Ik heb die allemaal een kilopak zout cadeau gedaan;)
Maar, dat jij en de jouwen denken dat po-we-zie, po! hey zie, of anderen onnozele omschrijvingen ook indruk maken, leuk zijn, humor zijn, light zijn, "je kindje voeden", welnu, daar doe ik niet aan mee! Punt.
Cobra mag dan nog zo'n toffe knul zijn, "on ne badine pas avec l'amour". Dat hij jouw - of weet ik veel wiens - blote benen, desnoods hele blote kont interessant vindt, mij best, geen enkel probleem, maar dat hij daar " het hoekje po we zie kan ik met droge ogen zien rooien" bijsleurt, die verlepte sla(g) tussen je billen (om KOPLAND maar nog eens te parodiëren) NEE! ;)
Ik glimlach, maar heel diep meen ik het!
Geïnspireerd door http://youtu.be/KcVvi85p1lU denkend aan... mijzelf, allen, de mij zo geliefde taal, de taal van de vinders, les troubadours, de poëten, schreef ik dit verzeke:
hij was een poëet
het was niet zijn wens
hij werd zo geboren
hij was ook maar een mens
hij zegde geen woord
maar voelde het zijn
hij zoog aan zijn moeder
haar borst heelde pijn
de herinnering blijft
in dat kind van weleer
het kan niet meer vergeten
het weet altijd weer
de dichter een koe
herkauwen nooit moe
een up en een down
hij is maar een clown
Van harte,

05-01-2011
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

Gelukkig
Nieuwjaar!

2011


21-07-2010
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gedichten 2010 - ?


Volgende gedichten plaatste ik op Dicht Talent, waar ik inmiddels mijn account beëindigde.

Capitulatie

ik ben geen dichter meer ik ben genezen
ik doe de was de plas ik lap het raam
 
en saam met tante betje
het hele rijmelijmen aan mijn laars
 
ik strijk de koele lakens glad waartussen
alle nachten droom en daad elkaar bevechten
 
en mij verscheuren met hun gekrakeel
 
ik niet me dan terug aaneen
soms gaat dat nieten niet naar wens
 
dan knelt mijn vel aan alle kanten
tot overmaat van ramp
 
schuift iets of iemand ongevraagd
een blanco blad onder mijn hand
 
en ik herval


Muzenissen

ik vroeg de muze of ze even bleef
of ze een vrolijk lied voor me wou zingen
ze keek ver weg van mij langsheen de dingen
het open venster in terwijl ik schreef
 
wanhopig woorden zocht, herinneringen
mijn ogen sloot in dromen dook dan scheef-
gezakt weer rechtkwam en - toe maar, vergeef
het haar - op zoetgevooisde zuchtjes gingen
 
haar lapjesjas haar tas haar strohoed door
het raam. en zij daarbij. voorbij! het wachten
heeft nú niet langer zin ik ga ervoor:
 
ik bak een ei en een sonnetje. klachten?
hier is het zout. ik heb een houten oor
ik fluit de blues en gaar, diep in gedachten


Mijmeringen, vacuum verpakt

een kind in windjak
met boekentas langs de ka
bootjes onder zeil

*

de acacia
verstrooit zijn gouden blaadjes
Eau de vie de Danzig

*
 
de geraniums
staan uitgedund voor het raam
opa ziet nu meer

*

bloesems walsen op
een jurkje in de droger
buiten rijpt het fruit

*

ik wou dat ze bleef
de  malsgroene rups van de
ligusterpijlstaart


Portret

er ligt een jongen op de grond
hij slaapt. zo kan ik hem bekijken

alles van hem. zijn schoenen
zijn zo moe, zijn pantalon moet ooit

van iemand anders zijn geweest
er zitten van die erzatzgaten in

kundig gedaan, prijzig die dingen
van Diesel. daarmee slaap je niet

op straat. er zitten ook nog échte
vlekken op. zijn jas is van de dons

van witte eiders. die lijken
weg te willen uit een scheur

over zijn schouder. zijn hals is bloot
en bij zijn oortje krult zijn haar

vanzelf. zijn blonde baard is doorgegroeid
getrimd. daaronder zijn relaxed gelaat.

ik blaas stiekem vanop de stoeprand
een kleine droom in zijn halfopen mond

al weet ik niet. al weet ik niets. moet hij
van koffie zijn, die droom? van een wat

zachter bed? wil hij een droom? ik schroom
mij diep, ik  houd mijn adem in en leg

ten slotte heel voorzichtig al mijn liefde
in zijn hand.


Peentjes

ik haalde mijn duizend gram peentjes
gezwind uit de groentenbak
begon verwoed het schrapen

met de punt van het mes
op de plank het versnijden
in schijfjes

gedaan

toen is het begonnen

ik rolde een sjekkie in Rizla +
peentjes dagvers

van Richmond tabaco
peentjes gebleekt

Cracotte van Lu
peentjes varié

kalender op zondag
peentjes gekruld

het haar van m'n zusje
peentjes met speld

een theedoekmotiefje
peentjes die spelen

ik kneep hard mijn ogen
zo dicht als ik kon

zo ging het over
dat dacht ik alleen

aan de overkant zakte
de schijf van een peen


"Oud en eenzaam" Reve

in een nisje op antarctica
wonen
serafien en monica
 
  monica heeft rode ogen
  witte haren blauwe lippen
 
  serafien vertelt verhalen
  uit een ver geleden  tijd
 
  monica geeft hem te drinken
  sneeuw smelt in haar holle hand
 
  samen volgen ze de wolken
  weten zich op een perron
 
  met één voet al op de treden
  van de sneltrein naar de zon
 
in hun nisje op antarctica
slapen
serafien en monica


De Theetjes zijn ludieke versjes, een herinnering aan mijn kort verblijf op Dicht Talent -2010- onder de naam "scrib".

De Theetjes 1
Geïnspireerd door
"Egotisme" van Hanny
waarvoor dank.

scrib, ik vin j'een toffe peer
al ben je helemaal geen heer
je bent mijn grootste favoriet
hi tiger, ik bemin je zeer

de spiegel liegt, de lichtinval
die maakt van jou een niemandal
ga liever in het water kijken
het is wel nat, voorzie een val

De Theetjes 2
Geïnspireerd door de wedstrijd op Dicht Talent: "schrijf een ode aan Keats".

"Ode aan Keats"

ik ben tot scharrelkip gepromoveerd
ik scharrel op het erf van dokter Keats
een druppel bloed, een joy voorgoed
een meisje dat de afspraak mist

nadat ik vlijtig heb gepikt schud ik
wat vlooien af, mijn veren glad
en trippeltrappel naar De Thee

daar los ik dan het resultaat
van vele scharrelsessies
en iedereen is mee

ik jodel van contentement
al komt dit niet aan bod

er kraait een haan
hij kraait drie keer

oh god, oh god... oh god!

De Theetjes 3 -
n.a.v. het vertrek van Roger Blaevoet

hee Blaevoet, blijf toch maar sonnetjes schrijven
ik vind een jambendansje best wel tof
het scheelt geheid een sjekkie bij de kof
't verfrissend liedje dat, naast slaap verdrijven

mijn voze hersentjes verkwikt en óf
ik dan gezwind in actie schiet! geen vijven
geen zessen meer, geen sikkeneurig kijven
maar hopsakeeën, handjes klappen, lof-

trompetten uit hun strakke hoesjes halen,
de toetertjes, de bubbels! ow, ojee...
't is nog wat vroeg daarvoor, en donker... balen

past beter bij de weerberichten, nee?
nou goed, ik zwijg alweer in alle talen
en hijs de vlag: dag dag, dag ach, dag wee!


In gedichten

landschappen lándschappen
heb ik gezien overal land
schappen vol zonnen die rijzen
en dalen als kazen op 't schab
van de kaasboer van dienst

en vogels die vlinderen
vlinders die ook en liefdes
veel liefdes in tranen gesopt
pikant of met zoet-

zure saus opgediend
in een kommetje van
de chinees die als wees
of als stakker of staker
of dronken verdronken

in nissen van erger
dan erg. maar het ergst
is de wereld, die is nu al
eeuwen aan 't draaien
en nog komt hij niet
op die sisser uit

naar verluidt zijn 't de
dichters geweest hun
gedachten verpakt
in cadeautjespapier
gingen over de toon
van een bank in het parkje

dan mee met de duiven
post voor wie hunkert
naar muisjes gewoon
zonder schuit zonder
nood is een zaak voor
wie zonder-
ling is


Aan mijn kastanje

de lente, liefste, weet je nog
hoe teder-groen je bladeren zich spreidden
als rokjes onder witte bloesemlijfjes

hoe zij daarna  met open handen
zich overgaven aan de wind
bereid om vruchten te ontvangen

toen werd het zomer. een venijn
verkleurde ze vroegtijdig
bruine vlekken zag ik, veel te vroeg

jij treurde en ik kon alleen maar kijken
je hield je sterk, je stam rechtop, je takken weids
al wist je zeker dat je niet genas

nu wordt het winter en ik kom je troosten
wanneer je bladeren zijn losgelaten
mag je als alle anderen op rust

en niemand zal nog zien hoe ziek je was


Diepdenken

op het vuur staat de pan
en daarin ligt de pap
en daarbij staat het vrouwtje
te denken

haar ogen die gaan
van 't plafond naar de muur
op zoek naar de zin
van 't bestaan

bij de vloer kijkt ze dwars
door de wereldbol heen
met daaronder alleen
stomme luchten

geen engel geen duivel
niets is er wat zich
aan haar zoekende ziel
openbaart

tot een woord uit het diep
van de pap in de pan
haar bevrijdt van de mist
in haar hoofd

hij zegt blob en ze wéet
daarvan is ze nu zeker
de pap in haar pannetje
kookt.


Aan de late dag

hoe schoon zijt gij
mijn dag
als ge begint te knikkebollen
de handen in uw schoot
geen schaduw meer verkruipt

het blauwe uur duurt maar heel even
dan slapen alle bomen zwart
op het vertrouwd-verkleurde laken
boven mijn stad

in huis kalmeren schemerlampen
laaiende peertjes
uit de wandklok druppelen seconden
de avond in

een enkele auto trekt een doffe streep
geluid langsheen de huizen

ik teken in gedachten nevelslierten
die boven open weiland hangen

en misschien, heel misschien
zijn er ook warme dieren


Sonnet voor Sofia

In verre tijden toen de appels rood
begerenswaardig aan de bomen groeiden
wijl Adam en zijn Evaliefje stoeiden
nog op hun hoede voor wat Hij verbood

de Schepper van hun leven en de dood:
van die waaraan de vreemde bloesems bloeiden
de boom der goeden en van de verfoeiden
wie daarvan plukte stond aan onheil bloot.

Maar het gebeurde! Hij heeft het gezien!
"gij dwazen!" vloekt Hij. Sofia misschien
-die hij nog vlug vantussen scherven raapt-

zou Zij, getooid met Waardigheid en Woord
de zoete balsem brengen naar het oord
zal Zij het doen, terwijl Hij zich verslaapt?


Desperate housewife

ik heb vannacht mijn leven
in een plastic zeef gedaan
van Tupperware

ik heb het schoongespoeld
onder de kraan

vanmorgen ging ik DesTop
lenen

bijde buren...


Hybris

ik wil dat het zingt dat het klingt
mijn gedicht dat het juicht op het paard
van een koningskind dat de wind
het verwaait in een eeuwig bewegen
waarmee hij de bomen tot ritselen dwingt

ik wil dat het onderhuids brandt! hoor jij ook
die tam-tam onder dansende  handen?

een slag op de koperen gong moet het zijn
een gebed uit een hoog minaret

ik wil dat en nog meer tot die jongen komt
met een lier in zijn hart en een treurige blik achterom

dan

breek ik


Zondags liedje

in het cafeetje Het Grote Gevoel
zaten zij beiden op eenzelfde stoel
als je maar weet wat ik daarmee bedoel
met dat cafeetje de stoel en de boel

ze waren nog jong maar de tijd was al oud
het bier was verschaald en maar halvelings koud
zijn handen begrepen haar heupkens zo stout
ze keek wat beteuterd geen mens is van hout

hij wriemelde bevend haar roksken omhoog
de ober bezag dat van achter de toog
hij dacht aan zijn Trien en dat zij hem bedroog
een brandende braamdoorn schoot recht in zijn oog

hij wiste met woede zijn laatste traan
en als hij dat slikkend had afgedaan
is hij voor de tortelse duifkens gaan staan
boosaardig van aard zei hij kort: jullie gaan!

toen stonden ze op van hun enkele stoel
die dampte nog na van Het Grote Gevoel
hij zette haar kraag recht want buiten was 't koel
de ober verzoop zich daarna in 't gewoel

van zijn cafeetje Het G.... G......     

Yep!


Vijf haiku's

de loden lucht is
in de zee gevallen, nu
is de einder weg

*

inktblauw is de nacht
rond de maan die onbedekt
van de zon geniet

*

de oude boom liet
aan de wind een dikke tak
jong is de wonde

*

in het straattuintje
pronken de coniferen
met hun bleke bloei

*

ongekamd brutaal
schreeuwt een forsythia de
winter van de baan


Micropoetry

niets
't is al

[met een knipoog naar Abel Staring.
De mooiste micro is, volgens Abel:

ik ga maar
ik ben



De vernieuwing

kasten heb ik
op een kant gezet
geen wankel evenwicht
want kommen, borden glijden
krachten trekken snelle lood-
lijnen onvermijdelijk
en straalsgewijs
naar het ene
statische
punt

dansen op een teen?

spieren spannen kabels
tussen hoeken trillend
eerst dan strak

kijk!
nu is toch alles nieuw?


diep in mijn aarde lacht
een oude kabouter mij uit


Tu es sacerdos

ze hadden hem in 't riet gestuurd
een eeuwigheid naast god beloofd
de gouden handdruk van de dood
als hij maar honger leed
en liefde aan de apen liet
het Brood verkruimelde
zijn huid omhing met zwarte rok
en van de duizend knoopjes
er niet een zou open doen

hij kijkt naar elke Lieve Vrouw
en denkt aan Zuster Beatrijs
die hem subtiel is voorgegaan

verrukt weet hij de klepel slaan


5_7_5-je

van wilgentenen
vlecht ik voor jou een fruitkorf
de kerselaar bloeit

of

van wilgentenen
vlecht hij zijn eerste fruitkorf
de kerselaar bloeit

of

van wilgentenen
vlecht hij voor haar een fruitmand
de kerselaar bloeit


De song of Mooncoin

er staat geen bankje
in het park
er is geen park
maar om de hoek
hangt bleek de maan
te zonnen

het heeft geregend
het asfalt blinkt
straatlichtzwart
het laatste water
dat van zilver is
vloeit langzaam

weg
wij wandelen

twee rozen
walsen op het water
in de goot


Writersblock

Gobelijn in alle staten tolt
zijn enkels in een knoop gedraaid
de haren wild, de witte snor verwaait
de klanken die hij poogde
saam te rapen
tot een woord.

Verdraaid!

Wie heeft er in mijn trukendoos
gegraaid wie heeft er mij bestolen?

Moet ik nu net als alle deftige meneren
een kopje krant gaan drinken
bij de boterham
een platte stomweg natte
traan verpinken soms, en zeggen
kijk, na dagen werd een hond gevonden
in een put. Hij ademde

zo dood
gewoon


Het oorkussen van de duivel

er kruipen trage dagen over straat
moedwillig naast het zebrapad

hun loze monden schurend aan
asfalt dat fluistert rond een

spoor van kouder bloed
armoedig  is hun kleed

tot op de buik versleten
ze kijken naar de overkant

de stoep is veel te hoog
het regent in hun ogen

de nachtwacht brengt
ze zacht weer thuis

legt ze te slapen in
verwarmde dromen


Over God


Bevroren God*
     ...een opdrachtje...

God - moet je weten -
was van meet af aan al oud

nog ouder dan Methusalem
die ik leerde kennen
in het schooltje om de hoek.

God had toen al een witte baard
een mantel in de kleuren
van mijn jurkjes na de zomer.

Zo zag ik hem voor 't eerst
op doek geschilderd hangen
tussen "Het Aardse Paradijs"
en "De Kruisiging".

Hij had, zei Zuster Fabiana,
een rechter- en een linkerhand
waaraan we zouden zetelen
na onze dood.

Toen werd het winter,
werd het heel lang winter.
Het schooltje sloot
er was een bom gevallen
in de straat.

Eén keer nog ging ik langs
alleen met moeder.

"Kijk mam, ijsbloemen op de ruiten!"
gebaarde ik.
Ze keek niet weg, ze haastte voort.

"Mamie...?
Is God nu ook bevroren?"

Ze durfde het niet horen.

*titel bedacht door Margo van Gelder, op de toenmalige "Werkgroep Poëzie".


Niet eens een zondag

op de stoep van het cafeetje
zit de vrijdagdichter afgeladen
vol van weekse dagen stoer
te staren uit het wit
van zijn ogen in het witter
van zijn blad

hij heeft het ál gehad
hij zal het nu vergeten

daar is de hond de jongen
met de tamme bunzing
in zijn hals de dame
met de merkaap aan haar tas
de ober die komt vragen
wat of het mag zijn meneer

mag zijn. hij zit niet meer
hij hangt al in de draden
van de tramlijn die voorheen
begeerte heette van omhoog
ziet hij de dame kleiner
en hij noemt haar droog bij naam

ze kijkt hem aan en lacht
dat had ze beter niet gedaan


Astrologica

ik kwam te voorschijn toen de Zon had afgedaan
de tekens tot voorbij de riem waaraan de Tweelingen
de Maan naar alle winden lieten waaien
en tegendraads Saturnus zat te janken
hopeloos het schuim aanschouwend van de Ram
die vierkant in het water viel

hoewel

het uur zat goed want Leo spuwde op de bol
zijn hete driftendans waarvan ik zo verschoot
dat ik begon te beven vooraleer ik zelfs
een eerste keer geslagen werd

en nog

ik woon op nummer twaalf het laatste en het
meest verborgen huisje in de rij
van Ik naar 't loze Wij dat later
meer dan in mijn dromen na 't verteren van
het Wonder wezenlijk begon te smaken naar een
Château-en-Espagne Appellation Oubliée

vandaar


Erato,

je was een zwijn, mijn lief
ik schuurde aan jouw modder
juk en jeuk van 't lijf

ik vrat je bras als was het
godenspijs  en zoog de dooiers
uit je glibberige ogen

erato zou je heten
zei je zong je schreeuwde
je mij uit mijn slaap

terwijl ik droomde
van voor jou te bijdegrondse
dingen zoals kabouters

aan de vaat en
bezems die vanzelf doorheen
de kamers gingen

je krijgt vandaag
de buitenwacht. ik zie je weer
vannacht dan zal ik

knorren bij je oor
en jij, jij zult zeemzoet vertellen
dat wij, erato, jij en ik

gewaagd zijn aan elkaar


Wilde ego(s)trip

snel armen kruislings
over buik naar heupen
trek ik al mijn kleren uit
en zwier ze zwaaiend
in de lucht

zie het purperen gareel
beaat
tussen kristallen hangen
in luchters
klinken feestelijk de glazen

over een deur
drapeerde zich de jurk
als een guirlande
zomerwitte bloemen

het kanten slipje
vlinderlicht
vliegt naar het raam
gaat wonderbaar
over het groen
van de bonsai liggen
als bloeide hij

en in mijn huid
heeft nooit voordien
de kamerlucht
zo tintelfris gebeten
met niet te tellen
tandjes van genot


5-7-5jes
...een herinnering aan mijn allereerste computer, dot genaamd...

poesjenel is dood
alle draadjes dolgedraaid
het blauwe zwijgen

zijn oog geblindeerd
troosteloos weet hij zich nu
een cycloop met staar

een oude muis ligt
verdwaasd aan een zwart infuus
de prullenbak gaapt

ik speel piano
het azerty van mozart
beethoven hoort mij

er belt iemand aan
ik zeg dat ik uien hak
trek de stekker los


De dichter des
-betreft Ranmsey Nasser en zijn gedicht over suxueel misbruik
binnen de Katholieke Kerk-

gij lichtgelovig volk der Nederlanden
dat zegeningen, bollenbloei en doem
kan plaatsen als ik maar zijn naam vernoem
want frisse vragen over het verband en

of ik niet te naarstig denk aan roem
met klatergouden woorden in mijn handen
uw frêle hersenpannen laat verzanden
die vragen blijven hangen in gezoem

dat moet de dichter des hebben gedacht
toen hij wellustig schier aan 't schrijven ging
de ploert voorbij want die werd onverwacht

een marionet die aan een draadje hing
en al wat hij misdeed werd neergebracht
op god, dat makkelijk inzetbaar ding.


Palaveren

het was een groots moment
we zaten aan

naarmate het gehalte geest
ging stijgen in ons bloed

begonnen we te vliegen

de vrouw in mijn vizier
dreef jaren weg van hier
naar later naar wanneer het kind

een heer vloog traag terug
in hoe het was geweest

rechts zat een jongen
rampen te voorspellen
de freule links bezong
een groene duif met in haar bek
een maagdelijke buxustak

we deinden uit

opeens begon het midden
van het tafelblad te gloeien
er daalden tekens
in een graal van licht
een alfa en een omega
herinner ik mij nu

ze losten in elkander op
het was een vreemd moment

uit voorverwarmde kopjes
dronken we de koffie na


De opstanding

ik ben de grote nikser
ik niks de hele dag
en als ik niks te niksen heb
ben ik geheel van slag

dan tol ik als bezeten
bezeten door een beest
een kriebelbeest een kleintje maar
die jeuken nog het meest

ik krab wat hier ik krab wat daar
ik krab de muizen uit mijn haar
ik bijt mijn nagels stuk

ik koter met een schuivertje
het smeersel uit mijn oor
mijn navel doe ik dagelijks
onder het niksen door

      dan denk ik aan mijn moedertje
      dat lang is heengegaan
      zij vond dat niksen ook maar niks
      ze zei het aan mijn pa
      die maande mij tot hijgens toe
      om toch maar op te staan

en zie, hier zit ik nu, geheel
hun evenbeeld, alleen

        ziet gij niet dat ik ween?


Poëmata

"il faut les cajoler, ma belle"
bestaat er wel een raad
die eleganter wandelt op de loper
tussen tong en hemel

neen!

kom in mijn armen arme woorden
die ik kreeg, gevleid natuurlijk,
kom, ik zal jullie omkleden
met muziek en trage beelden
op de achtergrond

ik zal jullie doorzichtig
dragen wetend van het broze
zal ik jullie voorverpakt
in goddelijke deugden
tonen

wie zei het mij? wie zéi het mij!


Dichten

ik moest maar eens wat minder dichten zei de dichter
tegen haar die naast hem stond en muffins bakte in
de vormen van papier waarop hij verzen schreef
toen hij haar nog niet elders had zien staan
dan in zijn dompig brein waarin ze rook
naar ambrozijn en koeler maan
verbaasd keek zij hem aan

er viel geen enkel woord

de vaatdoek in zijn handen
toonde hem de weg de waarheid
en het leven dat hij met beide handen
greep in schuimend sop de kommen en
de koppen van de menger klopper kneder
en hoe zij niet langer geurde áls maar echt
een ovenwarme muffin was en hoe hij at van haar


Kurkdroog - Nonsensgedicht

de regen wist een palingdroom
te schrijven op de ribbelstroom

de grote ringel hoorde dat
en trok de gronzel uit het nat

nog voor de inkt kon drogen

ik zat met puimsteenogen
te tranen naast de bibberrat

en blikken mededogen
te proppen in het gat

het was te laat
de regen boog
en streek de ribbels glad


Ondraaglijke lichtheid

ik wou dat ik faalde
ik wou dat ik baalde
ik wou dat ik
vreselijk lelijk was
pokdalig gebocheld en
arm als de straat

verlaten
verstoten
jaloers van de koek
in handen van stinkende bonzen
opstandig mijn kruimeltjes gaarde

ik wou dat ik
mee-lijden kon met de aarde
de hemel de hel en de zaaiers
van armoe en doem

ik wou dat want nu

rol ik rustig een rokertje
luister ik naar Sibelius

en niets heb ik
helemaal niets
om over
naar huis
te schrijven


De kleur van de oorlog

kijk, dit was ik

- de muur  van ons koertje
was witgekalkt en daarboven
lag de lucht, staalblauw -

zo klein? zo klein nog, ja.
en die jas op de draad
met koperen knopen
en overal zakken?

die was het woord
en het woord kreeg kleur
het woord kreeg de kleur
van de jas
 
dat vreemde woord
die vreemde kleur
de vreemde jas

en het vervreemdend
zwijgen


Het sonnet, een vader

Als ik je tóch weer bij de hand wil nemen
je afgemeten pas mijn sprongen laat
bedwingen, die geijkte regelmaat,
het veren van je voeten waar je gaat

met mij gelijk een ruiter naast zijn paard,
mijn meester ben je dan, mijn strenge menner,
mijn onvoorwaardelijk aanvaarde kenner!
En ik gehoorzaam, want ik weet: ik ben er

en mag er zijn, je laat aan mij het lied.
Je laat mij neuriën je laat mij tieren
we zingen samen en je remt mij niet

je laat mij vrijelijk de dans versieren
en als je merkt hoe zalig ik geniet
wil je zelfs eventjes de teugels vieren


Mijn bevrijding*

't is V-dag, zei mijn vader
hij gooide een briefje van twintig
op tafel. loop, haal  Belgisch lint.

mijn mond viel open
dat zou mijn moeder niet
mijn moeder was goddank
een kind gaan kopen
want zij? ga

    bij Pollieneke, en van dat hele smalle
    vijfenzestig centimeter is genoeg
    vergeet het kasticketje niet
    vraag een bonnetje voor
    manszakdoeken wij 
    hebben er al twee
    nog acht te gaan
    trek je sokken op
    stop je bloes in je rok
    doe je haar uit je ogen
    strik je veters haast je wat

dat
zei mijn vader
níet


*Voetnoot
V-DAG IN GENT

De eigenlijke bevrijding van Gent vond reeds plaats in september 1944. Duitsland capituleerde echter op 8 mei 1945, waardoor de Tweede Wereldoorlog in Europa dan pas definitief aan zijn einde kwam. Deze VE-dag (Victory in Europe-day) bracht in heel Europa en de Verenigde Staten miljoenen mensen op de been. Ook in Gent werd de geallieerde overwinning enthousiast en massaal gevierd met een stoet die hulde bracht aan de bevrijders. Een reusachtig hakenkruis aan een ketting, praalwagens met foto’s van Churchill, Franklin Roosevelt en Stalin, fanfares en scholieren met bloemen trokken door de Gentse binnenstad. Van de Koningskwestie was nog niets te merken: ook koning Leopold III werd uitgebreid gehuldigd.
De 8ste mei bleef tot 1974 een officiële feestdag in België. De laatste jaren gaan stemmen op om van deze dag opnieuw een feestdag te maken, zodat de oorlog nooit wordt vergeten.


Bekentenis

 ik ben een man wanneer ik dicht

ik neem mijn taal
mijn zo geliefde
voorzichtig op
en draag haar naar
het onbeslapen laken

daar ligt ze dan
ik kleed mij uit terwijl
ik kijk naar haar
vertraagd en ingehouden

weten wij het van elkaar
de gretigheid het veel
te vele voor de mondjesmaat
die wij met rituelen legen

langzaam gaat ze voor me open
sta ik nog opzij totdat het wachten
ons ondraaglijk wordt
en wij elkaar beminnen
wild en teder

wild en teder tegelijk


De nalatenschap

er was

fijn porselein van beendermeel
glazen van loodvrij kristal
borden waarop een wapenschild
een springplank een schietspoel
een kruiwagen ook
de zeer lange arm
van een havenkraan
magneten op roestvrij staal
een waakhond een leugen-
detector een kat
waar geen zak om
een kont die met goud
was beslagen er lagen
vooruitzichten levensecht
en een oordeel dat kromme
lijnen recht een licht
dat voortdurend zichzelf opstak
tot slot nog een schaduw
al stond die nooit stil
en een schoteltje waarop
'n wil wat so vas
soos 'n klipsteen staan
een voet op de weg
van het rechte pad

ik

kreeg van dat alles
een emmer vol zaad
blijkt nu dat ik
geen aarde heb


Total loss

zo lodderlam mijn ogen
lezen rondjes uit een vers-
gebakken hostiebrood

    en eet, dit is mijn lichaam

halen krassen diep in
deerlijk gecastreerd papier

    drink, dit is mijn bloed

ik mep een mug ik kus een draak
ze vraagt aan mij waarheen ik loop

    laat alle hoop


Voor wie...

voor wie een strak sonnetje schrijven wil
zo eentje naar de regel van de ouden
-komt later wel een heus om van te houden-
kaboem kaboem die kletste op z'n bil

die meet en telt scandeert en weegt als zouden
de lettergrepen nu eens zwaar dan licht
in rotten opmarcheren naar hun plicht
getrimd getemd in vijf of zevenvouden

maar als de avond valt zijn daar de vinders
de liefste Chibiabos streelt de lier
er danst muziek de vleugels los en vlinders

ontelbaar zij, met elegante zwier
-een rondedans van lichte blije kinders-
verstrooien het sonnetje op papier.


De euvele moed van Obelix

“ik zou toch ook eens graag een zaagje spannen
er staan wat oude bomen in het bos
hun stijf-verstokte lompe takken los
gehakseld zullen dra mijn dip verbannen.

de luiaard hangt al jaren onder mos
wanneer hij neerploft zal hij zich vermannen
misschien, een ietsje sneller dan hij kan een
verkwikkend vruchtje smullen van een tros”

alzo sprak op een morgen Obelix
die eerder enkel stenen zou versleuren
van hier naar daar van daar naar hier en nix

dan dat bezag. maar nu zou het gebeuren
hij zwoer het op de staart van Idefix
die 't baasje trouw ook maar begon te zeuren.


Cilja's wedstrijd

De oproep

Wie schrijft de leukste, orgineelste interpretatie van deze gevonden woorden?
 Prijs: de nooit afgehaalde kristallen bol van de winnaar van de kerstwedstrijd: Aap.
Jury: Cilja Zuyderwyk & Jan Doornbos.
© cilja zuyderwyk
De readymade

readymade of objet trouvé 

meer dan 150 standaardkleuren
dat geldt voor platen, stringers
de rods en de fritten

billets, casting cullet maar ook
blowing cullet op voorraad

u kunt billets per stuk afnemen
en cullet per kilo

ook halve platen
zonder meerprijs

in de studio kunt u zelfstandig
werken of met onze hulp
uw werk uitvoeren
 
© cilja zuyderwyk | 30 mei 2010 
-oOo-

Ik nam deel met

1. Objet perdu

wat mag het wezen, heerschap?
-een bakje friet, een kleintje
dat is dan tweeënhalf

hij legde achteloos een kalf
een gouden kalf, drie cijfertjes
een vijfje met twee o'tjes
naast de de ketchup-uier neer

billetten van die waarde
worden niet aanvaard meneer
kunt u niet lezen dan?

het heertje neep zijn ogen dicht
-mijn brilletje is stuk,
al voor de twaalfde keer

gemor kwam uit de achterban
het heertje kreeg een kleur

het snoof de geur van Heineken,
het keek al naar de deur

maar eer ie daar doorheen kon gaan
gingen de klanten aan het slaan

van voor van rechts van achteren
glas rinkelde alom

toen kwam de cullet-dame aan
d'r emmer was nog leeg

ze raapte alles bij elkaar
voor mozaïekjes, zei ze, maar

ik wil in ruil voor deze geste
oranje frieten, 't zijn de beste

de juffrouw aan 't fornuis
die zei: "kom jij maar achterom
ga er gerust je gang
wanneer 't niet bakt dan roep je maar
men helpt je dan wel wat"

ze poetste toen meteen de plaat
ging huiswaarts toe en plat

*
2. Een uitvinding

de man de vrouw de gaten
in de glasbak

en dat die waren veel te klein
voor magnums en dame-jeannes
die oma zaliger bewaarde

de vrouw de man de wandeling
het huis in opbouw om de hoek
de man die keek naar hoe
het aan van de

betonmolen

en op een nacht, toen alles diep
in slaap of slap lag onder dons
toen zeiden ze:
nu is't aan ons!

ze laadden al de rommel op
en dumpten die ik zei al waar
dus daar en duwden op de knop

de molen draaide zingend rond
een zaterdag een zondag lang

en groot was hun verwondering
toen zij des maandagsmorgens vroeg
de zaak gingen bekijken

ze schepten knikkers uit de bak
niet helemaal maar ongeveer

ze zoenden en versmolten weer
want scherven deden nu

niet langer zeer

*
3. Klaar!

zwier je string maar in de wolken
laat hem blowen in de wind
ga van bil Jet ga van bil

laat het boekje waarin honderd-
vijftig standjes links daar-

boven op de zinken platen
van die gadverDamse* toren tronend

boven 't vlakke land

ga van bil Jet ga van bil
tel nog lang de vele kleuren

op je rug van rood naar blauwend-
groen, zelfs gelen wijken stil

met de hulp van Lasonil

*De toren van Damme, waarvan sprake.
http://blogimages.seniorennet.be/tars/3-0ad229d0bb1d9247d9d31d9b7881b0d7.jpg</p>

-oOo-

De genomineerden zijn vanaf heden gekend, in alfabetische volgorde:

Cartouche
Jindoni
Marcel
Rhinda
Wenlez

© cilja zuyderwyk - 6 juni 2010

-oOo-

En de prachtige kristallen bol gaat naar... Rhinda, met het gedicht

Made in Leerdam

    hoe maak ik je
    dat vraag ik je

    geel of groen in strakke houten ribben
    op stokken kaal van kleur
    of spin ik je

    wie blies en blaast de brokken
    trekt platen krommer dan
    dan wacht ik, zuig je, blaas je
    industrieel

    ik wil je wrijven bol en kietelen

    zeg dan hoe haal ik je
    dan aap ik je

    © Rhinda

!PROFICIAT !
(einde wedstrijd)


Een frust

de marsupilami zit hoog in een boom
zijn zeer lange staart te betreuren

-de veer is gesprongen de krul is eruit-
hij jengelt en jeremieert: "iedereen

is geméen!" hij kijkt naar zijn navel
en denkt aan zijn moeder. hij grient

uit zijn neus van ooit kwam ze na
met een doekje, nu niet. hij dropt

zijn verdriet in het zand van de wegel
die onder hem door loopt. geen mens

die het ziet


Zeg niets

er mogen helemaal geen roze slierten meer verschijnen
aan de horizon de kim de einder en de monotone zon
zijn afgeschaft te fnuikend voor lantaarnopstekers
die zoeken naar de mens waar hij gezeten

op het laatste bankje in een doodgezwegen park
zich uit voldragen leegte een amfitheater bouwt
en lacht en wijst en huilt en slaat zijn bleke
handen in elkaar wanneer antigone het zand
niet vindt eurydike het struikelen moet
overdoen en orfeus' lier verdrietig
aan de apenbroodboom hangt

zeg niets als je hem bezig ziet die ene wijze
gek leg niet je hand al was het maar heel even
op zijn arm genees hem niet zijn ziekte is
zijn troost zijn roeping en zijn leven

Vogelvrij

het zijn er twee
die ik de buitenwacht ga geven
ze roeren roet door al
wat wervelt in mijn - ja!

ze komen voor
ze komen na
ze komen tussendoor
ze raden aan
ze raden af
ze raadselen mijn oor

ze preken in de schoenenkast
de weg die dient gegaan
en leggen aan de bezem uit
hoe in de hoek te staan

ze hamsteren de aarzeling
gering of van formaat
en proppen alle kamers vol
met wellesnietespraat

en zien ze een kaboutertje
dan dromen ze een reus
die pulken z'op een keer weerom
de wormen uit z'n neus

ze weten zus
ze weten zo
ze weten zelfs de rest
bezeuren en
betreuren en
bezoedelen mijn nest

met blik en veger in de hand
besluip ik hun katheder

de ene, die heet "zou"
de andere is "beter"

P.S. Enkele gedichten werden, al dan niet licht gewijzigd, van mijn site geplukt. Die staan hier dus a.h.w. twee keer.

Adieu Dicht Talent, en bedankt!


15-06-2010
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gedichten 2000 - 2005 - deel 2

Liefde

we legden alles voor elkander neer
de zaden die we droog bewaarden
binnenshuis een winter lang

om beurten keurden we de gaven
eerst nog trilden handen
aarzelde een voet

even later lieten we elk oordeel
varen duidden onbevangen
de gebaren naderend

het nu het uur de eeuwigheid
een ogenblik het splijten
van het niets

het breken van de vliezen
eindelijk uiteindelijk
het water
             in de wijn



Liefde dicht
          een van mijn eerste verzekens

Mijn vader had een toverdoos
vol wonderbare dingen
een wollen wolk een zijden zoen
een naamwoord dat kon zingen

een wereld met een kop eraan
waarop ie dan kon staan
en een kassei die huilde om
de regen en de maan

een kromgegroeide rechtelijn
een vierkantig rondeel
een vleugellamme koekoeksklok
en een zwart-wit penseel.

Er zaten ook nog rijmen in
die rijmden almaardoor
en dweepten met, wat er ook was
een fijnbesnaard gehoor.

Mijn moeder zeurde aan de vaat
"Wat doe je daar nou mee
met al die rommel? En vooral
met 't deinen van de zee!"

Daar werd mijn vader droevig van.
"...haar ziel loopt leeg, o nee..."
Hij haalde toen die zijden zoen
en dichtte haar daarmee.



less is more

ik heb een kat ze is van huis
ik heb een wolk die overgaat
een regenpijp die vangt
er is de tafel haar verzameling
van stoelen om een blanco blad

met enkel

    korenvelden
    boterbloemen volle koeien
    scharrelkippen zout-met-zout
    bruingebrande koffieboeren
    lezen Multatuli en zijn rede
    tot de hoofden

dat belooft


Lente in de Stadsbib


   ode aan de rijmelaar
   de bard die toch zo teer
   mijn voetzolen beroert

en dat ik hem zo gaarne hoor
wanneer hij neerstrijkt in de lente
naast afgemeten passen
van stijfgeklede zekerheden
in het museum van de ruggen
waarop naam en al gebeiteld staat
gelijk op zerken reeds

een oogje zon is hij
dat langs de rekken
van de bomen komt vertellen
die voor het raam al jaren op precies dezelfde
wijze bloesemblaadjes strooiden over het gazon

ik hoor nu weer het liedeken dat helemaal
ontdaan van glans en stof
als zuiver licht begint te trillen
in een stilte waarin niemand
krassen maken kan

dat ik zo simpelweg gelukkig ben.


lazarus

ik speel dood

met mijn tenen
omhoog ingekist
en mijn neus
gaten open hoor ik
hun schoorvoetend
schuiven

niet één die het merkt

de wierook benevelt
hun ogen en oren
een orgelman trekt
de registers uit
iedereen looft
de naam

ik glimlach ik mag
want het deksel lijkt
dicht tot jij komt
die mij kent
en het open schopt

jou belazer ik niet
ik sta op en wandel


laf


zal ik
mijn cynisme slijpen
aan de zoetsteen van je ziel
vlijmen
langs het wetleer van je huid

durf ik

builen bij je opensnijden
etter van verwording zien

kan ik

neen ik kan niet
woede bruist over mijn handen
keer op keer
kerf ik t
rillend in mijn eigen hals


laat mij

laat mij niet langer weten
wat ik weet van woorden
de gestelde wetten
leg mij geen kaarten voor
waarop de weg met naam
geschreven staat en het
waarheen

zeg niet dit is zeg niets
ik luister niet ik kijk
veel liever weg
tot is ontbloot wat mij
nooit eerder werd getoond

geschoond misschien
zal ik dat kunnen zeggen
waar ik zwijg

*met dit vers werd ik gastdichter bij Eric Vandenwyngaerden


Kwatrijntjes


De voorman

Een donderwoorden-bliksemend betoog
'Niet laten knechten, vrienden, kijk omhoog!'
Waarom maakt hij nu plots zo'n gek gebaar?
Er vloog een vinnig vliegje in zijn oog...


Samen-zin

Wat zou een knotwilg zonder knot,
een prevelkwezel zonder god,
een kuddenloze herder doen?
Ook bij de wijze hoort de zot!


Opvoeding

Op jambenpasjes leerde ze haar les:
van één a twee en stoppen voor de zes.
Maar stoppen heeft ze blijkbaar nooit gekund,
ze hakt de prei nu met een jambisch mes


Verzuim

De dag voldeed niet aan zijn zondagsplicht.
Vergat de zon te wassen, en haar licht
Ligt vuilig grauw langsheen de huizenrij.
Verbolgen doe 'k dan maar mijn ogen dicht.


De reis

Levensmoe en Levenswijs
leiden broederlijk de reis.
Zachte zetels in de trein
naar 't beloofde Paradijs.


Los

Breng mij terug bij de rollende stenen.
Roep mij terug naar de bruisende zee!
Weg zijn de muren, de grenzen verdwenen.
'k Geef wat ik heb met de wolken mee!


Snoei

De hoogste bomen worden door de wind gesnoeid,
En zijn na elke barre storm weer doorgegroeid.
Als bakens kunnen zij nu in het landschap staan
Omdat ze nooit door vormprofeten zijnverknoeid.


kortverhalen

één


het huis stond
de boom in het gras
en de man die de vrouw
en het kind dat de hond
en de man zei de vrouw zei
het kind keek de hond leek
te lijken

toen de wekker het bed
trok de lakens uiteen
de man weg de ene

de andere nam

op de bank
bleek de hond
vroeg het kind
naar een plot
aan de boom

vervangbaar

twee

de steiger stond
de ladder de regen
en de baas die de knecht
en de kop die het hart
en het hart zei de kop zei
de donder de hand leek
te glijden

toen de tegels het bloed
op de maandagse stoep
het hart stil het ene

het andere schrok

van de kop
vroeg de baas
bij het bed
naar een plot
aan de knecht

herstelbaar

drie

de kraan lekt
een bromvlieg een late
de was naast de manden
de schuld in de bus
en de draad die de bel
het signaal dat het mens
is gebroken

toen de pillen de hand
zonder glas naar de mond
en het mens slaapt het ene

het andere vindt

en de dokter
het zweet
op zijn rug
vroeg het bloed
naar een plot
aan het mens

onzegbaar

*dit gedicht werd aanvaard door Meander


kliederen


een dichter had
een kleven lang
gerichterd en gedichterd

toen werd hij los
klaps niemeer bang
en werd zijn schrijven
lichter

hij gaf aan al
't gedoe de brui
en kwinkelde en maakte
alleen nog kliederen voor lui
die ook zover geraakten


Kinders kom!


Het is gedaan met al die tierelantijnen.
Vandaag gestampte boerenkost: een lap
van vers geregeld spek, kabuis en pap
van gort met krenten oftewel rozijnen

en kannen bier daarbij. Geen snelle hap
gelijk op 't land de schichtige konijnen
nog knabbelend in struikgewas verdwijnen
en keutelen van danig repjerap.

Laat mageren hun boterhammen smeren
met schaars een likje uitgemolken vet,
het zout het smout de koffiebonen wegen.

Wij zitten aan! O neen we zijn geen heren
met tandenstokertjes en stijf servet.
We zijn gerijpt, gekeerd, gekeurd. Belegen.



kids


de school is uit
de winterzon loenst met een halftoe oog
naar moedertjes die bol
van naarstigheid verzamelen

o! voor wanneer? vraagt iemand
nog en het hoeveelste
telt ze al niet meer als plots
de poorten opengaan en ronde
kinderstemmen stuiteren
tegen glad gezemelapte ruiten aan

ze rollen weg, de huizen in

ik blijf nog
buiten staan


kermis


zonderonsje
rij ik mij te pierewaaien
op het lint
rondom de laatste
zomerkermis

knistert het gekakel
bont de schaar
knipt mannevrouwen
kinderkleren
uit de luchten zijn
gevallen plasjes tussen
drevelbenen
regent het alweer
zo zeer
dat mijn haar druipt
in mijn ogen


Jozefiens wens


O ik wens ik wens ik wens
ik wens mij een podium
al om het even
waar maar
voor het leven
een vliegend tapijt
of een balzaal die rijden
kan zodat er altijd weer andere
dansers mijn
wervelend zweven betreden
ik wens mij een
duistere diepe zaal
met wanden waartegen mijn verhaal
weerkaatst en in duizend tonen
nog lang na mijn optreden
zinderen blijft
maar stiller
als even nog
wind na een storm

*Onbewerkte versie van een éénademig gedicht, gemaakt tijdens een ludieke wedstrijd sneldichten.
Opgave was: 'een podium voor het leven'.


07-06-2010
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gedichten 2000 - 2005

Aan mijn monitor*

Moni o moni
  ik hou zo van jou
jij bent mijn alles
  mijn méér dan ik wou.

Jij toont mij werelden
  wijder dan wijd
sust mij in webben,
  geen verte geen tijd

kunnen ons scheiden
  van elkaar
-'k trek al in dagen
  geen kam door mijn haar-

en je vierkantig
  cyclopenoog
weet wat er mij
  naar je toe bewoog.

Was 't niet de roep
  van de Lorelei
heel in de verte
  aangrijpend nabij?

Was het die vreemde
  gedrevenheid:
kennis, misschien
  vergetelheid?

Was het de duik
  in een kolkende zee?
Orfeus, vertel mij
  Eurydike...

*ik had voor 't eerst een PC... anno 2000


aanvaard

ze vleide zich ter aarde neder
zo terneder en zo teder
lag zij daar gelijk
een afgevallen blad

de kastanjes keken glimmend
door hun stekelige wimpers
ze herkenden haar als een

van hen met haar vijf
gespreide vingers op
haar ingedommeld lijfje
vijf maal vijf ze gingen tellen
vingers tenen en de zin

van haar vreemde glazen ogen
van haar oortjes nog zo rood
en haar bramenblauwe lippen
om haar mond waarin haar tongpunt
scheen te lonken naar de vlinder
op haar neusje zie je wel

ze herkenden haar
als een van hen

*voor het vermoord en weggeworpen meisje uit 'het nieuws'


als

als ik weg ben
luik mijn ogen teder
want ze waren mij zo lief

leg mijn handen niet verloren
over kruis en paternoster
maar ontfutsel ze voorzichtig
wat ze nooit hebben begrepen

weet
er zal geen weerstand zijn

ik zal slapen
zonder nachtzoen zelfs


Astrologica


ik kwam te voorschijn toen de Zon had afgedaan
de tekens tot voorbij de riem waaraan de Tweelingen
de Maan naar alle winden deden dansen
en tegendraads Saturnus stond te janken
hopeloos het schuim aanschouwend van de Ram
die vierkant in het water viel

hoewel

het uur zat goed want Leo spuwde op de bol
zijn hete driftendans waarvan ik zo verschoot
dat ik begon te beven vooraleer ik zelfs
een eerste keer geslagen werd

en nog

ik woon op nummer twaalf het laatste en het
meest verborgen huisje in de rij
van Ik naar 't loze Wij dat later
enkel in mijn droom en na 't verteren van
het Wonder wezenlijk begon te smaken naar een
Château-en-Espagne Appellation Oubliée

vandaar


zotte zomer


de bomen o bomende waaiende bomen
de bomen uit waaibomenhout

ze staan op hun dooie gemakje de dromen
te rooien in 't zonneveldwoud

het blauw te herkauwen van zuchtende luchten
de waters van klaterend goud

die komen hun wortelgestellen bevruchten
besluipen tot hoog in hun kruin

de takken waar vogelen vedelend
nestasjes bungelen aan de bazuin

van de engel de aap o! calyptuslied
het zingt en het klingt allemaal

hinase ic enda de valkparkiet
die stierf in een ander verhaal


Zorba

"Opaatje" zei ze
de slet van één nacht.
De lont vatte vuur
aan de schenen.

Ze aaide zijn haren
een ietsje te zacht.
Het bliksemde
dwars door hem heen en

nu wist hij: hij was het,
hij mocht het niet zijn
niet nu en niet hier,
niet bij haar!

Hij zoog aan de
donkere gloed in het glas.
Hij gaf haar het geld
dat zijn fierheid was

en huilde toen
tussen haar benen.



zonnewende

een pimpelvers verlangen
meest voelbaar als ik zaden
in reuzelbollen rol en ijzig
aan de waslijn hang
want takken zijn te hoog
gegrepen struiken
voor de zwerfkatten
bereikbaar maar
waslijnen zijn dun en
opgespannen
tussen gladde palen
veilig voeder ik
al zomervogels



zo'n hitte!


de straten stinken
ingedikte hitte gist
in de cloaca van mijn stad

belegen zweet de tijd
uit gore roosters goten garen
vuiligheid die niet verwaait
niet eens met blikken pasjes meer
de nacht in danst of ritselt langs
de gevel vriendelijk nog even
navertelt over hoe goed

de ijsco was

de dag blijft aan de avond kleven
al ligt de zon nu als een rijpe bes
achter de huizen, zijn de schaduwen gewist,
de stenen houden al haar warmte
binnen langzaam langzaam
gaar ik tussen lakentjes

van bakpapier



zomerklacht

klamme dagen
kleven op de nachten
en versmachten ze
met laat lawaai

straten zwaar
van oude warmte
tussen gevelstenen
opgesloten
daar de wind
lamlendig ligt te staken

ramen, open,
lokken zelfs
geen speeltjes met gordijnen
en het kleine
anders fris en
kittellachend windorgeltje
zwijgt

ik roep de woorden
briesje! koelte!
ze klinken als
mijn god, waarom verlaat gij mij



zomerblues

laat mij linnen hemelbogen
spannen over alle torens
van mijn stad

zie de schepen binnenvaren
porseleinen uit Limoges
op de langgerekte tafels

glazen menigvoud geslepen
Baccarat damasten kleden
goud bedrukte

zachte leren van de meesters
uit Cordoba over stoelen
lichte eiken

uit de wouden waar het lommer
heel een zomerlang
blijft hangen

roep de donkere zigeuners
hun violen en hun ongeschoren
bloed

blozend toont Babette de wijnen
terwijl Christo achter zijden sari's

stenen eilanden verbergt



zo maar zondag


en is er mijn liefste
een schoner berusten
dan dat in de kruimels
van brood op het bed

de weekse gewaden
bezweet en beladen
gezwind aan het
zwieren gezet

geen wekker de klok
eert de wet
is van enig naar menig
gegaan

haar kwistige droppels
aloude geluiden
verheffen het magere
nieuws

de wereld is klein
is de hemel
de grens is
de rust

het boek ligt
geopend op genesis
twee van twee



Zijn schoenen

En dat hij al zou sterven,
zo.
Zijn schoenen
waren nog niet eens
versleten en in het huis
de tegeltjes niet afgewerkt.

Ik liep nog lange tijd
te zoeken naar het zwijgen
waarmee hij mij
op dwaze woorden wees
die ik dan overdacht
totdat zijn oog beaamde.

Hij leerde niet,
hij toonde enkel
ruimte. Vader...

Ik weet het nu
-niettegenstaande-
alles was volbracht.

Hij heeft het ook geweten.

*destijds door
car voor plaatsing op haar site uitgekozen



zeg niets


er mogen helemaal geen roze slierten meer verschijnen
aan de horizon de kim de einder en de monotone zon
zijn afgeschaft te fnuikend voor lantaarnopstekers
die zoeken naar de mens waar hij gezeten

op het laatste bankje in een doodgezwegen park
zich uit voldragen leegte een amfitheater bouwt
en lacht en wijst en huilt en slaat zijn bleke
handen in elkaar wanneer antigone het zand
niet vindt eurydike het struikelen moet
overdoen en orfeus' lier verdrietig
aan de apenbroodboom hangt

zeg niets als je hem bezig ziet die ene wijze
gek leg niet je hand al was het maar heel even
op zijn arm genees hem niet zijn ziekte is
zijn troost zijn roeping en zijn leven


Writers block


Gobelijn in alle staten tolt
zijn enkels in een knoop gedraaid
de haren wild, de witte snor verwaait
de klanken die hij poogde
saam te rapen
tot een woord.

Verdraaid!

Wie heeft er in mijn trukendoos
gegraaid wie heeft er mij bestolen?

Moet ik nu net als alle deftige meneren
een kopje krant gaan drinken
bij de boterham
een platte stomweg natte
traan verpinken, zeggen
kijk er werd een hond gevonden
in een put. Hij ademde

zo dood
gewoon.


*dit gedicht werd aanvaard door
Parlando!
Tine & Olaf stelden op een originele wijze een heuse bloemlezing samen n.a.v. Gedichtendag 2006.
Klik op 'tige' in het woord 'deftige'.



wortelgrijs


voor keun, het wild konijn

de kolen staan
  op hoge stelen de
    rozen  zijn   vergaan
      de  spruiten  wachten
        op de smakelijke vorst

hij op het blauwe uur

        ze hebben hem belogen
      een flits tussen de nacht
    en wortelgrijze nevels
   van een morgen
 aan de ho!
                   0 0W

ik zag nog net zijn staartje blozen



wonen in de stad


het wordt lente
ondraaglijk
beginnen de huizen
in de weg te staan
groeien de horizon dicht

wellicht
blinken botten
van wilde kastanjes
ergens wellustig
in prille zon

ik weet het
en zucht
alle muren weg



wilde ego(s)trip


snel armen kruislings
over buik naar heupen
trek ik al mijn kleren uit
en zwier ze zwaaiend
in de lucht

zie het purperen gareel
beaat
tussen kristallen hangen
in luchters
klinken feestelijk de glazen

over een deur
drapeerde zich de jurk
als een guirlande
zomerwitte bloemen

het kanten slipje
vlinderlicht
vliegt naar het raam
gaat wonderbaar
over het groen
van de bonsai liggen
als bloeide hij

en in mijn huid
heeft nooit voordien
de kamerlucht
zo tintelfris gebeten
met niet te tellen
tandjes van genot



Waterput met ctrl-alt


                         Spielerei, geïnspireerd door A. van Taal

hier wordt gewoord

voorbehoedzaam talmentalen
beuzelbabbels bij de bron
oog in handje houden
stameltrapje op

en af

allermijnste kiekendief
ik heb je zo zozo
hoezeglijk lief

hoor het kind de emmer
grinselt tot het water
breekt een hemel
spot een wolk
uiteen

diepbenepen kijken
doe een wens
klop af



want ik wil


vraagt de mens
zet het mes op mijn keel
want ik wil dat ik schreeuw
met een stem als een schild
van kristal

klap de zweep
als ik soebat of strompelend jank
want ik wil dat ik stap
en niet schoor
wat kan staan
want de weg is nog lang
niet gegaan

zwijg in mij
als ik klaag
want ik vraag van gevlei
niet de magere troost
niet de dodende waan



Vrouw uit India

Het was na de schok.
Ik kon er niet bij,
kon niet naar je toegaan,
Indira.

Maar jij kwam bij mij,
je zo vredig gelaat
tussen stenen en stof
en je hand op die balk

van wat eerder misschien
wel het dak was geweest
van het huis om je
vreedzame leven

tot de schok
alles keerde.



voor wie...

voor wie een strak sonnetje schrijven wil
zo eentje naar de regel van de ouden
-komt later wel een heus om van te houden-
kaboem kaboem die kletste op z'n bil

die meet en telt scandeert en weegt als zouden
de lettergrepen nu eens zwaar dan licht
in rotten opmarcheren naar hun plicht
getrimd getemd in vijf of zevenvouden

maar als de avond valt zijn daar de vinders
de liefste Chibiabos streelt de lier
er danst muziek de vleugels los en vlinders

ontelbaar zij, met elegante zwier
-een rondedans van losse blije kinders-
verstrooien het sonnetje op papier.

* dit sonnetje werd uit de losse pols geschreven, in antwoord.



voor 't plezier

reactieversjes op

-de zich 'objectief' noemende dichters en recensenten
-de maniakale woordverkrachters
-de vrijdenkende anti-sonnettirannen
-de magerzuchtigen
-de uitvinders van de naamwoordvervoeging en het jejijen
-de scouts-op-zondag-van-de-straat
-de veelplempers
-enzovoort

voor 't plezier van 't schrijven...


 

    testcase

de dichterkens op 't wereldwijdeweb
ze lurken aan de tijd al bakkeleiend
als mottenballen tantes pinkhoog vleiend
elkanders en een anders holle kweb

een enkel keertje zinken heel omzichtig
hun afgeroomde ogen in het dik
ze schrikken dan en murmelen doorzichtig:
ik vind, nou ja, ik meen, maar wie ben ik?

eens thuisgekomen schoppen ze hun toffels
niet onder stoel of bank maar door de ruit
en trekken zij hun stoute schoenen aan

dan gaan ze anoniem en zonder moffels
-hoe tegendraads dit hier ook staat te staan-
zo dagen zij de rauwe waarheid uit

    eigen weurden 

zeer langwerpig slingerapen zich de miksoepweurden
van van het grootste naar het kleiner grut der
blaters aan de dunharige draden van het winternet

bakelei een koekoeksklok van eigen deeg hoor hoor
hoe aborigineel ze interapig in de potten slepelen
want eigen weurden eerst en wie niet meedoet

is een vlieger voor de klater van hun zelfrijzende
zandtaarten de staart onwederroepelijk verkleefd
vercollageend in saamgeraapsel niets staat nog

apart de eigeneerstigheid blendeert ogen oren mond
we eten wortelkool en preibes peerknollen met
zie naast appelsaus en kelen onze slikken in

   vrij moet

en kent er iemand nou een fijner nummer
dan stappen op de maat van het sonnet
de slenterende straat een neus gezet
met hakken op de klinkers als een drummer

en tussentoontjes fluiten voor de pret
tot ergernis van menig scheve hummer
die zwalkt van hot naar her of nog de hm'er
de laaggebrilde hooggeneusde wet

die jou in vrijheids naam een voetje licht
de prei de selder alles voor je soep
de krant de mug de olifant een troep

van dingen die je liefhebt op de stoep
en niemand hoort je stomverbaasde roep
je reutel als een ongelikt gedicht

   minimalisme

de gezette dichter schrijft
ik zit op
waarop?
de gezette dichter hoort zijn
zwaar te dragen
lezer lichtjes denken

schrapt op
weegt
voeg ik iets toe?
schrapt ik

zitten

zit

    door De Gezette Dichter
           uit: "Het Niets"

de gezette dichter is tevreden
een geur van puur humaan geluk
omkrult zijn zinnen nadat hij
-als poogde hij om op te staan-
één bil verheft

vanuit het centrum
vult de periferie zich met vlucht
de vleugels van zijn neus
verwijden fijner nu
geniet hij zich een zelf

vertoevend in een geur
van onderbuiks geluk
snuift hij de geest

   je nept me nipt

je tippelt steels mijn ogen
je horizont mijn zicht
je wil mij mede dogen
je valst mijn ochtendlicht

je nept me nipt. de stilte
kamert rondom ons bed
dat davert van de bilte
je zweet je handen wet

ik boxershort mijn delen
maar jij behaat geen moer
je deurt in ambergelen
je draait en badt me loer

nooit zal ik nog bebillen
een blauwe pelikaan
ik rood mij nu ik shirt me
ik trek mijn schamen aan

   doeternietoe hoehoe

allez hup et on y va!
geen gedoe geen tralala
dichies aan ballonnetjes

waaien boven festivals
hippig hopt een nieuwe wals
boven bier in tonnetjes

en wie wet ons en wat let ons
poëzie? is blablabla
maar zo'n festi! vals of... zeg maar
dat brengt centjes in de la


voortdoen

de nacht kijkt niet meer om
als ik hem roep
kom binnen kom
hij glijdt mijn deur voorbij
misprijst de ijver waarmee ik
de dagen boen

hij toont geen ogen meer
ik slaap hem vlak
droomloos en diep
zoals het hoort

wat zoek ik nog?
want kijk ik zoek
pak in pak uit
verleg ontruim
mijn oren stellen zich
het dringt


Voor de bakkers

Kan het zijn dat de man die sonnetjes bakt
dat die jambische hersentjes heeft?
Dat ie 's morgens zijn das met een jambische knoop
al een jambisch alluretje geeft?

Dat ie machteloos lonkt naar de anapest,
het orakel dat over de kloof
van de tweebeners hups op een driepikkel zit
en verlekkerd is op het geloof

in het rime het rijm en de metrumpijn,
in de dans van de ooi-ievaar
Ach ik weet het niet eens, ik beweer het ook niet
wat ik stel is een vraagje zomaar


nummer 46.07.17

wie ben je?
  wie ben je?
    wie ben je?

jouw schoot... de wachtende
de holle nis waarin ik
klein kan leunen
ruggelings
en stil nog stiller
dan getemde klei

hoe kijk je
want je kijkt
zo zonder ogen
ingetogen kijk je
en je ziet mij staan

niets is van vlees
we zijn omheen elkaar
een wijde mantel
plooit de muren open
onmerkbaar schier
beademt ons het licht

jij leeft
ik leef
in jou

*gepubliceerd in de bundel "Mijn reservaat" van Robert Vollekindt


volkstribuun

een taals kabaal klabettert
tussen tong en tanden
lettert al wie stompt

ze hebben oren
snuiven hoorbaar ook

hij merkt de vuisten
in hun uitgezakte vesten
verraderlijk

de schrik slaat toe dat ooit...
daarom beloofd: hij laat hen nooit
hun lege handen


voilà!

een pardoesje
konkelfoes je
op een speelgoedtamboerijn
koop een wijsje
voor een prijsje
heb j'er een bij Albert Heyn

laat nu muisje
in het huisje
dansen op een pieprefrein

red je hachje
ho dat mag je
met een kronkelknoopjesrijm

wip nu baasje
over haasje
baasje zal tevreden zijn!


vogelvrij

het zijn er twee
die ik de buitenwacht zal geven
ze roeren roet door al
wat wervelt in mijn - ja!

ze komen voor
ze komen na
ze komen tussendoor
ze raden aan
ze raden af
ze raadselen mijn oor

ze preken in de schoenenkast
de weg die dient gegaan
en leggen aan de bezem uit
hoe in de hoek te staan

ze hamsteren de aarzeling
gering of van formaat
en proppen alle kamers vol
met wellesnietespraat

en zien ze een kaboutertje
dan dromen ze een reus
die pulken z'op een keer weerom
de wormen uit z'n neus

ze weten zus
ze weten zo
ze weten zelfs de rest
bezeuren en
betreuren en
bezoedelen mijn nest

dus met de vlakgom in de hand
besluip ik hun kateder

de ene noem ik zou
en de andere heet beter


verzet

de papegaai ligt op de grond
ruift weerbarstig in de winter
daagt de goden de kanarie
de hyacintenbollen
uit

geen gedagje meer voor mij
stoere stilte. hij bezint. zijn bek
verzegeld. kopje krabben kan niet
langer geel oogt hij me
weg

als de slaap hem overmant
frazelt hij iets over treinen
dat ze staken dat het ijzelt
dat de bruggen onder water
staan

zou hij weten van mijn koffers
op de gang zal de trap ons niet
verraden als ik ze weer boven draag
en ga zoeken naar het warmste dekentje
voor hem?


verven

de weelderige geuren
van de zomer o mijn zomer
geurt naar verf
als was 't vanillevla
uit brik
of zou ik
al bedwelmd zijn
door de geest
de witte geest die 's nacht
de kwasten zuivert
engelstalig
walmend door het huis?

*
de schilderwerken in huis. zomer 2004


Vertwijfeling

Er staat een ventje op de horizon.
Het waaiert niet het wenkt niet maar het kijkt.
Het blinkt over het water en het wijkt
geen ogenblik. Ik wandel in de zon,

gestrand. De maten, het gewicht geijkt,
de heup geolied, vaste passen on-
bewogen, schouders losgezwierd. Het won-
der mensenkind dat even God gelijkt.

Maar in mijn nekvel is een haak geslagen:
ik werd geënterd hoewel ik geen boot
geen luchtschip ben met volle buik. Ik breek

voorzichtig want ik kan ze niet verdragen
die ogen in de verte en hoe groot
het antwoord is, hoe bang de oversteek.

*hiermee was ik te gast bij
Jan Doornbos


vandering van spijs

“ik zou toch ook eens graag de ketting spannen
er staan wel altijd bomen in het bos
hun tegenpruttelende vezels los
als zaagsel zullen dra mijn dip verbannen.

de luiaard aan z'n tak zit onder 't mos
wanneer hij neerploft zal hij zich vermannen
misschien, een ietsje sneller dan hij kan een
verkwikkend vruchtje stelen van de tros”

alzo sprak op een morgen Obelix
die eerder enkel stenen wou versleuren
van hier naar daar van daar naar hier en nix

dan dat bezag. maar nu zou het gebeuren
hij zwoer het op de staart van Idefix
die, stel je voor, meteen begon te zeuren


zo komt er nooit een eind aan dit sonnet
heb het maar fluks bij al de rest gezet

*dialogeren met E.L. op het teloor gegane Poetry Alive!. hij wou het in  sonnetvorm


verantwoording

we liegen niet we zijn voorzichtig
waarheid is een kraaienpoot
op de overweg waarom
we denken krom ontwijken waterogen
zoeken houvast op glibberige keien
onze voeten scheef we molenwieken
zwaaien langs het glijden gillen iets
iets onverstaanbaars neen we liegen niet
we zijn voorzichtig want geeneen mag weten
hoe we bloeden dus we waaien liever blind
gevat in ongeschonden vliezen
het enige omdat


veel water

het strand is vuil en moegespeeld
gedaan het schelpjes rapen
papieren bloemen zijn verdeeld
de kinderen zijn gaan slapen

de zee nipt aan een zandkasteel
en krijgt de smaak te pakken
zij likt de stoutste muren weg
de torens gaan verzakken

de vlag-van-bij-het-ijsje komt
door toeval in de handen
van een vijandig action-man

komt daar nu oorlog van?
gaat iedereen dan dood?
welnee, de zee is veel te groot.


van katoen

nee meneertje
vraag me niet
ik hou niet van vol
zinnen vind ik saai
wol
lig ik luier
liever onder
bovenlaken van katoen
geef ik
tussen slaap
en waken
blokjes weg
gooi ze op
een hoop

van zege


van een baksteen

de klinkaard de blote met handen getemde
klei die ik zie en die kerken schraagt kathedralen
voegt met het vuur van de ovens de kleur
die nog smeult in de as van de droom
heb ik lief

de hellere zachte die huizen beademt
nadat het potsierlijk behang van de muren
gevallen, plamuren van pleister allang zijn
verschuurd met het staal van de tijd
heb ik lief

want gewarmd in de zomers gestrengd
en gesneden gevormd naar de hand
van de bouwer gebrand in de ogen
van zieners en dichters -mijn aarde- ik
heb u lief


van de nood...

zo hangt de bleekgestreepte
regen hier als zocht ik hem

vantussen andere gordijnen
neem de blauwe die met pluis

van wolken of de zachtste
zegt men waarop roze ligt

te wachten op de nacht
hoewel nog mooier wordt de stof

gevonden waarop mensen staan die
vriendelijk langsheen hun hond

naar binnen wuiven ook kon
ik groene kiezen eeuwiggroene

boompjes met daaronder
boterbloemen en een koe

maar de bleekgestreepte
regen is van zilver

en dat ík hem
heb gekozen
denk ik
nog


van de boer


hij had een vrouw een koe een lapje koren
vijf kippen en een haan het schaap
vulde elk jaar de diepgeslapen peluw bij

een herdershond bewaakte gouden eieren
die hij kon ruilen voor wat hij al had verloren
de stier de ram de molen en de smederij

hij kweekte later cijfers uit de eieren
verruilde zijn twee paarden voor hun kracht
hij waste zich niet meer met groene zeep

maar tooide zich met geuren die zijn dochters
op zijn verjaardag voor hem hadden meegebracht
en die tot in zijn bed het zweet

de okselwarmte de vertrouwde
tekens van begeren wisten met de zweem
van onherkenbaar-vreemd verbloemen

hij vroeg zich af waardoor zijn onrust kwam
kortstondig maar, voor hij een slaappil nam

*
staat, naast vier andere gedichten van mij te lezen op de Klos


valentijnskaartje uit Gent (voor J.)

de lucht is anders
blauw dan blauw is
en hij smaakt naar een soort water
dat ik nooit eerder dronk

mosjes op de schors
van de platanen blozen
al hun kleine weelde
bloot verwonderd in
de eerste zon lopen honden
hupser dan op andere dagen
en daartussen gaan de mensen
jassen los en kinderen en

ik vertel je dat

in een ader van de Leie
rimpellachen huizen
speelt de wind de lijnen
vloeiender mijn hele stad
luidt nu een hooglied
ik
   vertel je dat


tu es sacerdos


ze hadden hem in 't riet gestuurd
een eeuwigheid naast god beloofd
de gouden handdruk van de dood
als hij maar honger leed
en liefde aan de apen liet

het brood verkruimelde
zijn huid omhing met zwarte rok
en van de duizend knoopjes
er nooit een zou opendoen

hij kijkt naar elke Lieve Vrouw
en denkt aan Zuster Beatrijs
die hem subtiel is voorgegaan

verrukt voelt hij de klepel slaan


totdat...

op de cadans
van mijn gedachten
komen de woorden
een kleurige rij

holderdebolder
-zij kunnen niet wachten-
dringen zij haastig
elkander opzij

een blijft vooraan

ik draag het
naar de overkant

daar is het stiller
daar kan het wachten,
wonen in 't binnenste
van mijn hand
totdat ze met velen zijn
en ik ze opgooi

in runen lees ik dan
gedichten

*een van mijn eerstelingskes.


thanatos

dat ik nog zo graag zou leven
later als ik overleden ben

nu sterf ik elke dag
een beetje meer en geef ik
aan de aarde weer
wat ik van haar gekregen heb

mijn ijdel zorgen voor wat ik
vergaarde tafels stoelen
kasten vol herinnering de vrienden
dingen en een lijf dat hoorde
wat de mensen zegden vogels
kende en de wolken zag

ze neemt het zo gedwee terug
mijn aarde, als een wijze moeder doet
met de scherven van te dwaze overmoed

hoe zal ik wonen buiten haar?


terug van weg

een late trein ligt lang en leeg
te wachten
zetels zacht:
er werd voor mij gezorgd
de nacht is buiten
van de dag
rest nog de buit
verpakt in namen

zakjes, doosjes
die ik straks weer openmaak
en heel de stad
en ook de trein
de zachte zetels
uitstal op de

keukentafel


tekens

ik heb de tafel vrij gemaakt geheel
ontdaan van wat de dag had meegebracht
aan dingen door elkaar geschudde kaarten

zot gehangene de zeven zwaarden
het pentakel en de gouden bekers
die geluk in overvloed bewaarden

twee stoelen liet ik open staan
en wacht nog niet gezeten

totdat jij komt en mij de woorden legt

wij zullen zwijgend duiden.


tegendraads

vertelde ik al van het meisje dat
zeer stoute borstjes had
het was lente de dauw
lag in nevel te wachten

ze wilde zo graag naar het wijde
gaan ver achter het huis
van haar moeder vandaan

de draad
hield ze niet in gedachten

ze schudde haar warme
pantoffeltjes uit
en holde gekleed
in alleen maar haar huid
en iets tégen

de stroom op de draad
had ze zwaar onderschat


talig

van mijn hand
de maankant schuift
over een huid
haastig tussen duim en vinger
zet ik kleine tekens
haal gedachten in
die ik uit luchten heb gekeken
zamelend de pennen
waarmee ik ze neer zou leggen
in het woord

alles is er overvloedig
inkt en ruimte lokkend
zelfs de muren
liet ik blank om het er
te kunnen schrijven
mocht het groter zijn

dwaas ben ik
onooglijk klein
splijt een merellied
mijn laatste pen

*een bezoekster van het gastenboek,
Winy Brouwer, sierde met dit vers haar Vogelboek.


stoepkinderen


dit
is de keuken
zij heeft het krijtje

het jongetje volgt
hoe zij de lijnen trekt
niet recht
en niet gelijk
maar wel van hoek naar hoek
aaneen

hij hurkt nu ook
ze kijken naar de keuken


in zijn hand
achter zijn knietjes
houdt hij een kleine auto vast

maar dat is hij vergeten

ze heeft geen deur getekend
nu nog niet


*dé lieveling van
Joop Komen, die het even op z'n toenmalige webstek "Opa gaat literair" een ereplaats gaf.
ook ooit uitverkoren door
Tine Moniek!, later, na hervorming van de site, gewist.


Stoelendans

vannacht is er een mening
uit mijn bed gerold

ze klettert van de trap en ik
er achterna ik kan ze
ei zo na nog vangen
en ik draag ze naar de tafel
die nog slaapt

ik trek alle stoelen open
leg mijn arm over een rug
leuning van links

nu jij

haakt in
de sport je voet
om op te staan
schuift mij met stoel en al
nabij

nu wij

hoewel ongezouten
uitgekookt en in het midden
onze mening is aanvechtbaar
we beginnen dus
we vlechten handen
in elkaar

nu zij

speeksel sputtert tegen dat

het gaat regenen
we zijn nog net
op tijd
om de mening te verdelen

ik knijp de spons


Stillezen


Nu hangen er
geen hazen meer
in koele kelder te besterven
totdat het vuur
de wijn
de lach
van warme vrouwen
wilde geuren
kleuren weeft
doorheen orgieën
onverzadigbaar.
De dichter is mijn jager.

Hij brengt de buit
die lichter is dan 't blad
waarop ze licht:

een teken slechts.

Het woord
dat hij getroffen heeft
gehaald
voor mij uit 't grijze
van teveel.

Hij toont, ik bloos
en weet een tafel
overvol.


spleen

dat zachte wonen in
de laatste kronkel
van mijn slakkenhuis

het weten weer
waar blinde bloei
begon want zonder
deadline mee te krijgen
wel
het laken van de dood
nog opgeplooid
voor ooit

het regent op de blote bomen
ben ik nu thuis?


speelse ballade


kijk nu hoe ik schrijf zonder pen
met een veertje zo licht uit het nest
van een eider gewaaid op het kleed
naast mijn bed tussen pluizen
en stofjes van niets

zo gewoon zonder blad op de
ruit van de nacht in mijn wazige
adem de neus al wat nat
van te dicht op het glas

weet ik mij een stip in de lucht
trek ik vlokkende strepen nog één
en nog één een ster over huizen
hun stenen gezichten waarachter misschien

maar ik schrik want zo vuil
zo gebobbeld gebuild als ze
stommelings staan in het schuine geschijn
van het straatlicht zo had ik
ze eerder niet eens gezien

het veertje gekrompen mijn adem
terug naar het binnen van
kamer met kleed en het bed
onder dons voor het
broed van een eider

meer niet


Soulmate

een dingetje op hoge benen
komt met een stapel dozen aan

hij neemt het deksel van die ene
die er niet is
en keurt de schoen

hij vetert hem geduldig
meet de eindjes
tussen duim en vinger af

het is een warme schoen
van bruin in zijn getaande hand
geblonken in zijn ogen

hij past hem aan
de knie omhoog

dan kijkt hij op, naar mij
-of is het door me heen-
en uit de doos die op de grond
nog open staat

neem ík de tweede
hij reikt de veter aan

ik ben met hem
naar huis gegaan


Sonnet voor Sofia

In verre tijden toen de appels rood
begerenswaardig aan de bomen groeiden
wijl Adam en zijn Evaliefje stoeiden
nog op hun hoede voor wat Hij verbood,

de Schepper van hun leven en de dood:
van die waaraan de vreemde bloesems bloeiden,
de boom der goeden en van de verfoeiden,
wie daarvan plukte stond aan onheil bloot!

Maar het gebeurde! Hij heeft het gezien!
"O dwazen!" denkt Hij. Sofia misschien
die hij nog vlug vantussen scherven raapt,

zou Zij, getooid met Waardigheid en Woord,
de zoete balsem brengen naar het oord,
zal zij het doen, terwijl Hij zich verslaapt?

slapen

het is warm
in de buik van mijn bed

mijn moeder heeft een jade maan
gespeld op haar donkere hoed
ze draagt satijn

zou er een dode zijn
een andere

ik wil nu van zwart geen weet
mijn schoenen zijn al uitgedaan

de lakens leggen zich
-romig als de eerste kaas-
over mijn huid


sjekkie

ik roep zo graag de kleine ballerina
als mijn gedachten stokken
in de wielen van mijn doen

zij danst ze los en dun

     met froezel en op rode spitzen
     kruidig blad
     gerold in vlas en kemp

naar alle hoeken
van de kamer verder nog
het raam de straat en dan

ze zijn niet weg
wie weet hoe ver ze gaan


Self´oMatic

in de morgen
grijs geblokt alleen
maar schouders heeft hij
ingeslikt zijn kop
wil hij mij welkom pinken
uit zijn nek denk ik
ik pin terug

schudt hij de kaarten?
kwispelt hij?

ik leg mijn hand
en voel hem brommen
niet gemeen
maar vierkant één
en al gedienstigheid

dag vrind zeg ik

hij groet terug
heel keurig

uitgeprint


Schepping

ik maak een vogel kijk
ik maak voor ons een grote vogel
van kippengaas

natuurlijk wil ik hem bekleden
met veertjes van een kleinere
een dode

hoe zeg je lijkt hij op
een zeppelin?

dan heb je toch zijn bek
niet goed gezien
die ik gejat heb uit de
rug van pipo parelhoen
-was afgeknaagd dus
niets meer mee te doen-
zo vlak als wat
maar met een staart
vooraan

of hij kan hij vliegen?
vliegen mag hij als de wind
zal ik hem hangen

buiten om een tak
een lange tak

de draad waaraan
die is onzichtbaar en gemaakt
door iemand anders
van een vezel die ik niet
benoemen kan


scheppen

waar wij van kunnen moe
verlangen naar vergeten
gaten scheuren uit kalenders
gisteren naast morgen kleven
op dat ene blote nu
menen we te scheppen

nieuw papier uit oude zijde
in de kuipen losgescheurd
maar gespreid op het stramien
klitten alle vezels samen

en er ritselt iets als nieuw
als we durven


Ruïne - Sint-Baafsabdij


stenen
los gezameld ooit
slechts ruw gekapt en nu

na eeuwen nog verankerd
in elkanders onvolkomenheid
aanvaard en aangewend
de kromme lijnen rechtgevoegd
met scherven schier

in dorpen van nooit weer
hoor ik de bouwers
zingen


Requiem

de dag is traag
er valt een vlieg

terwijl ze
op haar vleugels walst
kan ik niet anders doen
dan kijken naar

hoe zwart ze is
en bijna dood

omzichtig
schuif ik haar
op wit papier

we schrijven saam
dit kleine requiem


Rebels

Maar mensen toch, dat zijn toch geen sonnetten!
De bakkerin, een spitse helleveeg,
wees woedetrillend op de hompjes deeg,
keek met een viezig oog naar de kornetten

die bibberdend verkleurden. Eentje zweeg
in alle talen om het onheil te beletten.
Helaas! De andere die ging een keel opzetten
van oei en ach en kijk de trog is leeg.

Ze draaiden snel de kleppen van hun petten,
hun ogen veilig afgedekt. 't Venijn
zou zich uit volle borst verzetten!
Zo stond ze daar bedreigend stoer te zijn.

De kleinste zag ineens haar platte tetten.
Uit volle borst? Veel zal het dan niet zijn!

*ludiek sonnetje geschreven n.a.v. een 'Sonnettenwedstrijd' op SchrijfNet


pro forma


vandaag is het feest
de zondagse mieren
hebben hun voelertjes
opgepoetst

de goede manieren
verwachten bezoek:
we gaan dan maar even
of komen we eens?

pakketjes gewisseld
de zorg'lijke week
wat schudderig nog
uit de doekjes gedaan

de éne zegt "néé!"
en de andere "jà?"

honing en woning
verzachten de zeden

een kind
ja wiens kind
begint
hardop te huilen

zo helemaal
onverwacht

poëmata

il faut les cajoler, ma belle
bestaat er wel een raad
die eleganter wandelt op de loper
tussen tong en hemel

neen!

kom in mijn armen arme woorden
die ik kreeg, gevleid natuurlijk,
kom, ik zal jullie omkleden
met muziek en trage beelden
op de achtergrond

ik zal jullie doorzichtig
dragen wetend van het broze
zal ik jullie voorverpakt
in goddelijke deugden
tonen

wie zei het mij? wie zéi het mij!


Plannen

       
"Een gek zegt wat hij heeft gedaan,
        een dwaze wat hij doen zal,
        een wijze wat hij doet."


we willen niet meer we zullen niet langer
we kunnen misschien iets anders doen
dat stukken beter
maakt

een linkere schoen aan de rechtervoet
een weekdagse pluim op de stijve hoed
de duim op het oog
van een vingertop

de boeddha voor één nacht
ontdoen van bruine
buikgedachten

zijn lach
wat luider zetten


Perelieren

op
schrijf.Net organiseerden Hubert en Jeanine een wedstrijd:
schrijf een gedicht over een of de PEER.
de
debuutbundel van Danny Degenaar, "Eternelle lust geen bollen" werd ingezet als prijs.

ik noemde mij voor de gelegenheid Popote, en won de wedstrijd met onderstaand vers:

   Gezellig perelieren

   kom hier, jij beurzeken vol sap
   jij malse venusdochter uit de verre
   bongerds van mijn jeugd

   je bent niet recht je bent niet krom
   je hebt geen stekels of geen bolster
   je valt niet om gelijk een pruim

   je zit waar ik je zet. we kunnen dagen
   perelieren jij en ik, totdat je mij verleidt
   het water langs mijn tanden loopt

   wat mij genoopt te bijten in je buik
   je kruikje van genietingen verzadigd

   beet adam in een appel? domme grap.

    uit: De keuken van Popote

ik had het gedichtje in 't vlaams willen schrijven, dat vond ik in dit geval sappiger klinken, maar ik zou me daardoor te snel verraden hebben.
hier toch even, met een paar kleine wijzigingen ook

   Gezellig perelieren

   kom hier, gij beurzeken vol sap
   gij malse venusdochter uit de verre
   bongerds van mijn jeugd

   ge zijt niet recht ge zijt niet krom
   ge'n hebt geen stekels of geen bolster
   ge rolt niet weg gelijk een pruim

   ge zit waar ik u zet. we kunnen dagen
   perelieren gij en ik, totdat ge mij verleidt
   het water langs mijn tanden loopt

   wat mij genoopt te bijten in uw buik
   dat kruikje van genietingen verzadigd

   beet adam in een appel? flauwe grap.


palaveren


het was een groot moment
we zaten aan

naarmate het gehalte geest
ging stijgen in ons bloed

begonnen we te vliegen

de vrouw in mijn vizier
dreef jaren weg van hier
naar later naar wanneer het kind

een heer vloog traag terug
in hoe het was geweest

rechts zat een jongen
rampen te voorspellen
de freule links bezong
een groene duif met in haar bek
een maagdelijke buxustak

we deinden uit

opeens begon het midden
van het tafelblad te gloeien
er daalden tekens
in een graal van licht
een alfa en een omega
herinner ik mij nu

ze losten in elkander op
het was een vreemd moment

uit voorverwarmde kopjes
dronken we de koffie na


*bij
Tine Moniek! was ik, eer de web-site werd vernieuwd, met o.a. dit gedicht op visite.


Overzomer


zitverdriet spant
draden over tafelzeer
de spelers lachen niet

hun tamme donderbeesten
waken poot aan pols

ze springen op wanneer
een dobbelsteen bolhoekig
even wichtig staat
en alle ogen toont

er is geen winst
er is niet eens verlies


orakeltaal

verstaan jullie niet?
gooit een dwaas in het volk

als ik zeg dat de wolk
op een stokje staat
ik er langzaam aan lik
tot ze overgaat?

van de nijvere mier
die de bladluizen plukt
bij de netels de witte
die doof zijn
een kwijlende kudde
verzamelt zoetzapig
de kliertjes bewerkt
verstaan jullie niet?

hij kijkt rond
ze zijn heen
met hun heilige hond
aan de leiband op weg
naar hun heiliger huis


op rood

hup hup zei de vader
toen hij mij aardde
er waaide die dag wat
de moeder
nam mij in het ei
van haar buik

de vader, die zag
dat het goed was sloot zelf
genoegzaam de poort
achter mij

hij had nog gezegd
wat je hebt wat je wilt
wat je later zult vragen
zit opgeplooid achter je ogen

was het dàt maar geweest

ik had willen vliegen
maar ik kwam te laat

er lag al een stráát.


Oorlog

Ze zou een tango schrijven aan zijn voeten
een wilde polka zwieren om zijn hals
zich laten draaien in de wijde wals
van grote dagen, diepe nachten zoeten

met oksellachjes op zijn ogen als
hij slaapt in haar. Ze zou zijn wimpers groeten
nog voor hij wakker werd. Er zou niets moeten
alleen maar mogen altijd mogen. Mals!

Hij roept. Het vlees! Ze schudt het pepervat
doorprikt gebraad. Terwijl het witlof fruit
ontglipt het botervlootje aan haar handen.

Ze kijkt naar hem, ze wil hem zeggen dat...
Hij luistert niet, hij staart zijn ogen uit
op beelden van voor haar te verre landen.


ontmoeting aan zee

de kleine kromgegroeide vrouw
die ik eerst grijs zag staan
als leunde ze
tegen de even grijze golven aan
die achter haar
de witte regels op oneindig
voortbewegen schreven

zij stond zo stil

of toch niet
want heel even
heel langzaam wiegde ze
haar smalle schouders,
haar getaand gelaat
toonde die glimlach
die ik niet noemen kan

ze wàs niet grijs

verholen kleuren
lichtten op:
oud-rood een zindering
van zijde
een toets van goud
nog zichtbaar bij haar hals
en vele blauwen in het ogenschijnlijk
vale van haar jas

een boegbeeld zag ik

ooit gesneden
uit nog te jong
nog bijna bloeiend hout
dat onvoorwaardelijk
de boot blijft sieren
omdat het
van het felle varen houdt


ontaard

armzalig straatlicht heeft
de rode kater afgelikt
hij loopt nu geel
de kop bijna gebogen
staart gestroomlijnd
bang en dun
trekt hij een streep onder de dag

waar is er nacht te vinden
droomt hij malse muizen
miene wil hij wel verkrachten
maar hij weet allang niet meer
hoe hij het moet

ontmand zoekt hij het parkje op
de restjes uit het schoteltje
de doos de vod de geuren
van het vrouwtje dat hem voedt

het is april


*wat ik zo dacht: poezen horen bij elkaar. Annet Lemaire geeft een heus
Poezenblad uit,
en dit gedicht aanvaardde ze ter publicatie op haar site en op papier!
kijk je belangstellend uit naar wat reilt en zeilt in de natuur? lees het op
Voelsprieten,
het logboek van Annet.


ondraaglijke lichtheid

ik wou dat ik baalde
ik wou dat ik faalde
ik wou dat ik
vreselijk lelijk was
pokdalig gebocheld en
arm als de straat

verstoten
verlaten
jaloers van de koek
in handen van stinkende bonzen
opstandig mijn kruimeltjes gaarde

ik wou dat ik
meelijden kon met de aarde
de hemel de hel en de zaaiers
van armoe en doem

ik wou dat

want nu
rol ik lekker een rokertje
luister ik naar Sibelius

en niets heb ik
helemaal niets
om over
naar huis
te schrijven


oma en ik en oma

ik was een kind en ik kon in haar ogen
zijn
ze hadden -nu weet ik het weer-
de kleur van korenbloemen
tegenlicht gehouden

we speelden veel
ze zorgde goed voor teddybeer
terwijl ik broodjes haalde voor de poppen
waarvan de kleinste ziek was
en ze keek ernaar toen ik het zei
bezorgd en ik keek ook bezorgd
en er was geen verschil

ik werd een meisje en ze zag
met welgevallen mijn te smalle truitjes
en gebaarde naar haar dochter
met dezelfde blik als ik
'en jij, was jij nooit twaalf misschien'
nog was er geen verschil

maar even later
toen ik dacht dat ik waarschijnlijk
onder stroom zat en die jongen
die zo'n mooie mond had ook

-gezien de vonken-

toen
is er iets gebeurd

ze viel zomaar ineens
ik had het eerst nog niet bemerkt
mijn ogen keken al veel verder
dan de hoeken van de tafel thuis

een lijntje bloed
zo helder rood als bloed van mij
liep langs haar wang en schilderde
een grote klaproos op haar jurk

ik kon het niet verkroppen toen
ik zag voor 't eerst een oude vrouw
vraag nu mezelf: waartoe had zij
toen nog dat kersenrode bloed
als bloed van mij


o ijdelheid

ga weg
ga weg ga weg
verzuilde sodemieters

het beste is een wolk
het schone is veranderen
het helen heilig. hoort!

er koert een duif
die duif

ligt morgen onder
kopergroene vliegen
dood

haar veren nat

weet, enkel dat
geschiedt


Nurks fruit


   aan de laatste winterpeer

daar zit hij dan

dik meneertje
uitgezakt
rond het roosje
van zijn anus

buik en billen, heupen bol
koppie smal gebleven

steeltje overbodig
in zijn hersenpan verdord


in de voortuin van de hemel
staat een perelaar in bloei.

Nouvelle Cuisine

men neme een bord
men schikke daarop
precies in het midden
een ronde genetisch
gemanipuleerde
gebiologeerde
gehypnotiseerde
spruit

men waaie eromheen
de flinterdunne
doorzichtige reepjes
van ham en de naam

men siere met schijfjes
van fröbelframbozen
één links en één rechts
van de spruit

bedek het geheel
met een zilveren klok

zie toe dat men
voor het serveren
de spruit niet vergeet

te halveren


*dit gedicht werd voor plaatsing gekozen door de redactie van
deKlos.
ook de schoonouders van mijn dochter, R & T, hebben er, naar ik hoorde, bijzonder van genoten.



nostalgisch vers

o dichter!
draai voor mij de lier
gevleugeld lied je hand
zozeer nabij de adem van
het al een grondeloze
achtergrond waarin

jij en ik en tussen ons
niets anders dan...

hij knabbelt
kraakt amandels pelt
de scherpe driehoek van
een beukennootje zoekt
de zon in pitten
spuwt

half-time
ik heb het koud
als de arbiter fluit


nonsens dus

één


een gratige juffer uit Schagen
zou zich aan het huwelijk wagen
satijn en fluweel
werden nonsensueel
op een kapstok de kerk ingedragen

twee

een toveroor heeft zich
te fluisteren gelegd
geheel en gans en effen als
de katbesnaarde strijkstok
van de wind op minnewater

binnenin het slakkenhuis
kolkt een slok geluiden

holle varkensblazen
drijven op het spieglblad

het oor toch hoort de weergalm
in het lijflied van de vis

tegen kant noch wal

drie

de regen wist een palingdroom
te schrijven op de ribbelstroom

de grote ringel hoorde dat
en trok de gronzel uit het nat

nog voor de inkt kon drogen

ik zat met puimsteenogen
te tranen naast de bibberrat

en blikken mededogen
te proppen in het gat

het was te laat
de regen boog
en streek de ribbels glad

*geschreven n.a.v. een in het water gevallen nonsensgedichtenwedstrijd op schrijf.Net - 2004 

 
niet eens een zondag

op de stoep van het cafeetje
zit de vrijdagdichter afgeladen
vol van weekse dagen stoer
te staren uit het wit
van zijn ogen in het witter
van zijn blad

hij heeft het ál gehad
hij zal het nu vergeten

daar is de hond de jongen
met de tamme bunzing
in zijn hals de dame
met de merkaap aan haar tas
de ober die komt vragen
wat of het mag zijn meneer

mag zijn. hij zit niet meer
hij hangt al in de draden
van de tramlijn die voorheen
begeerte heette van omhoog
ziet hij de dame kleiner
en hij noemt haar droog bij naam

ze kijkt hem aan en lacht
dat had ze beter niet gedaan

* dit gedicht werd voor publicatie gekozen door de redactie van
De Gekooide Roos


Nachtdier

op gladde dagen loop ik
een zeloot gelijk
stoot ik mijn tenen
aan pietluttigheden
en hun schaduw zelfs

nacht is beter

hol om in te wonen
weten dat de namen slapen
en dat haast
haar pool gevonden heeft

alleen nog leeft
het teken aan een wand

die verder
dan de sterren is


muze

de vogel!

adem alle vensters open
onder boven lopen
slag
pennen in 't gelid

vleugels vlechten
regenbogen
glijden langs
de zon voorbij

blind zelfs kan ik hem nog zien

zwijgen
wachten
want hij is
nu bijna...
oog een spiegel omgekeerd

boom en tak en blad
heb ik
en duizend namen voor een nest

hij hoort!

hij woont
bewoont mij
maar heel even
lang
genoeg om hem te vangen

maar heel even


Morgen

Ze schreef op ieder blad hetzelfde woord,
in blije halen of verkrampt. Verborgen
soms achter overmoed of lamme zorgen:
ze had de harpen van de hoop gehoord.

En altijd weer geloofde ze in morgen,
in later en in beter. In de graal
die zij zichzelf beloofde, telkenmaal
wanneer het duister dreigde haar te worgen.

Met niets dan honger in haar dwaze handen,
ontwaakte ze, eerst twijfelend en bang.
De toekomst leeg. Van uitgeleefd verleden
restten alleen nog rafelende banden.

Ze rechtte zich. Ze schreef op het behang,
in vrijgevochten letters, het woord heden.

moed

ik kies die morgen voor je uit
een hele mooie kijk de zon
loopt al ontbloot langs
het gordijn we zijn
voor haar
niet ver verwijderd
van elkaar we liggen samen
in haar oog te slapen nog ze schuift
geluidloos langs de schakelaars vult
kamers met haar licht van blauw
naar rozerood-oranje tot een
dag we kunnen onze ogen
sluiten droevig zijn
en weifelen
we doen het niet

*een bloemetje voor J., toen jarig en wat ziekjes... - 25 april 2004


Min!

Mijn kindertjes,
kom onder de mat vandaan.
Iedereen is nu weggegaan.

Kijk, de kleinsten: ikje
ich naast ai! en ego-mihi-me
blijven bang met hebbeshandjes
hangen in de franjes.

Rollen nee en dwaze ja
kibbelend hen achterna.

Dan komt: wees!
heel pretentieus
met de wijze vinger hoog.
Achter hem de gekke reus
die zich sterk noemt
en meteen
struikelt over min! de dwerg
mij de liefste want hij klautert
zonder omzien langs de poten
van de tafel waagt een
hoog salto mortale
en belandt geheel gelukkig
in de laatste roemer wijn
en ik drink hem en ik
noem hem in mijn handen en
ik lik hem waarlijk schoon.

Op de tegels speelt een leger
lege woorden tegen leger woorden.

Wij
haalt de kruimeldief.


mijn engel

mijn engel woont
in letterkasten

geen kiespijnen geen concubine
ontstemmen hem

alles ligt klaar
voor luchtkastelen
aan een draadje

ook de schaar de knip
caleidoscoop

van scherven


mijn eerste gedicht

zie mij ik zuig op mijn lip
mijn vingertop nat van de nijvere inkt

ik zou
een gedicht
voor je schrijven

het kader was klaar de viooltjes gedroogd
tussen krantenpapier en beeldig gekleefd
in de hoek van een blad
uit je album met goud op de snee en
links lag het lint
-je wist dit niet nee-
dat ik stiekem
bewaard had gestreken
gekoesterd
een strik uit jouw haar
nu nog, nu nog enkel...


een vlek! dikke droppel
het blad begon zachtjes te golven
in 't blauw dat daar lag als een meertje
te klein voor een zwaan
voor een zwaan?

toen is het begonnen

de ho van mijn mond
blies bomen in 't rond
een konijn aan de rand
een riviertje dat uitliep
tot onder het geel
van het lint dat
nu vol van gebladerte stond
en ik schrok en ik dacht
en ik draaide en keerde het blad
als een caleidoscoop

en ik las het verhaal van de inkt
die voorgoed in mijn denken kroop


Mensje

Ik zit op een terrasje wat te kijken.
Ze hebben het er nog maar neergezet.
De voorjaarsfrisse sleutelbloemen strijken
in mengeling een kleurenmenuet.

Ik heb mijn tas met wat noodwendigheden
en hebbedingen op de grond gezet.
Zo ben ik nu het mensje weltevreden,
compleet met glaasje port en sigaret.

Hoewel...de stoel naast mij blijft onbezet.
Die ene daar, de and're zijn genomen
dat ik daar nu zomaar ineens op let...

Ik wist het wel: je zou nu nooit meer komen.
Toch heb ik mij wat dichterbij gezet
en in gedachten weer je hand genomen.

*mijn eerste sonnet!


Meeting

[stapt op de trede]

Behorend tot de minderheden
verhef ik thans mijn stem!
We hebben nu genoeg geleden
zeg ik nogmaals met klem.

De haringen zijn uitgedeeld,
en zie ons hier nu staan!
De een te veel, de and're niets
om mee naar huis te gaan!

Wie weet waar zijn zij heengegaan,
die alte kameraden
één meldde zich al dood, morsdood!!

Want zonder haring, minstens drie,
wordt niemand
hier nog groot!

[gaat af]

*herinnert aan de korte maar bruisende 'sterretjes'-tijd op
schrijf.Net


Maartse buien

De grote vogel zal vandaag niet komen.
Het regent zo verdrietig en de lucht
Is uit zijn blije blauwte weggevlucht
En hangt nu mollengrijs tussen de bomen,

De lentewind verwatert in een zucht.
Diep in de botten aarzelen de dromen,
Een wachten op de warmte die moet komen,
Op nieuwe vogels en een nieuw gerucht.

Ik zal dan maar alleen dit liedje zingen,
En wiebelen op wat herinneringen
Aan wat ik gister in de luchten las.

Maar gisteren lijkt al zo lang geleden.
Het past niet meer in 't kader van het heden.
Ik wilde dat het gauw weer morgen was!



Logos · Tao

Het is een verre weg
    naar de passieloze berg
           van het blote schouwen
                      -Paul van.Ostaijen-

Een zalmen hemel. Deze dag is oud.
Ik haal de bussels binnen, stook de vuren,
verbrand de wilgenblokken, snij figuren
met ijzeren geduld uit harder hout.

Geen schaduw nog verkruipt. Ik meet de uren
aan eelt dat traagzaam dikt, aan elke fout
wanneer het mes te ver te diep, benauwd
de splinters ruw zich in mijn vingers schuren.

Dan is het dat ik bloed. Dat ik het duister
wil openschreeuwen. Dat mijn stem gesmoord
geen uitweg weet. Dat ik gedwongen luister,

mijn handen open, leeg. En vind het Woord
dat altijd is, maar dat in bang gefluister
van donkerten niet eerder werd gehoord.

*gepubliceerd op
deKlos




Lees meer op
  • ESPLANADE
    Zowel website als weblog zijn under construction.
    >

    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!