|
Volgende gedichten plaatste ik op Dicht Talent, waar ik inmiddels mijn account beëindigde.
Capitulatie
ik ben geen dichter meer ik ben genezen ik doe de was de plas ik lap het raam en saam met tante betje het hele rijmelijmen aan mijn laars ik strijk de koele lakens glad waartussen alle nachten droom en daad elkaar bevechten en mij verscheuren met hun gekrakeel ik niet me dan terug aaneen soms gaat dat nieten niet naar wens dan knelt mijn vel aan alle kanten tot overmaat van ramp schuift iets of iemand ongevraagd een blanco blad onder mijn hand en ik herval
Muzenissen
ik vroeg de muze of ze even bleef of ze een vrolijk lied voor me wou zingen ze keek ver weg van mij langsheen de dingen het open venster in terwijl ik schreef wanhopig woorden zocht, herinneringen mijn ogen sloot in dromen dook dan scheef- gezakt weer rechtkwam en - toe maar, vergeef het haar - op zoetgevooisde zuchtjes gingen haar lapjesjas haar tas haar strohoed door het raam. en zij daarbij. voorbij! het wachten heeft nú niet langer zin ik ga ervoor: ik bak een ei en een sonnetje. klachten? hier is het zout. ik heb een houten oor ik fluit de blues en gaar, diep in gedachten
Mijmeringen, vacuum verpakt
een kind in windjak met boekentas langs de ka bootjes onder zeil
*
de acacia verstrooit zijn gouden blaadjes Eau de vie de Danzig
* de geraniums staan uitgedund voor het raam opa ziet nu meer
*
bloesems walsen op een jurkje in de droger buiten rijpt het fruit
*
ik wou dat ze bleef de malsgroene rups van de ligusterpijlstaart
Portret
er ligt een jongen op de grond hij slaapt. zo kan ik hem bekijken
alles van hem. zijn schoenen zijn zo moe, zijn pantalon moet ooit
van iemand anders zijn geweest er zitten van die erzatzgaten in
kundig gedaan, prijzig die dingen van Diesel. daarmee slaap je niet
op straat. er zitten ook nog échte vlekken op. zijn jas is van de dons
van witte eiders. die lijken weg te willen uit een scheur
over zijn schouder. zijn hals is bloot en bij zijn oortje krult zijn haar
vanzelf. zijn blonde baard is doorgegroeid getrimd. daaronder zijn relaxed gelaat.
ik blaas stiekem vanop de stoeprand een kleine droom in zijn halfopen mond
al weet ik niet. al weet ik niets. moet hij van koffie zijn, die droom? van een wat
zachter bed? wil hij een droom? ik schroom mij diep, ik houd mijn adem in en leg
ten slotte heel voorzichtig al mijn liefde in zijn hand.
Peentjes
ik haalde mijn duizend gram peentjes gezwind uit de groentenbak begon verwoed het schrapen
met de punt van het mes op de plank het versnijden in schijfjes
gedaan
toen is het begonnen
ik rolde een sjekkie in Rizla + peentjes dagvers
van Richmond tabaco peentjes gebleekt
Cracotte van Lu peentjes varié
kalender op zondag peentjes gekruld
het haar van m'n zusje peentjes met speld
een theedoekmotiefje peentjes die spelen
ik kneep hard mijn ogen zo dicht als ik kon
zo ging het over dat dacht ik alleen
aan de overkant zakte de schijf van een peen
"Oud en eenzaam" Reve
in een nisje op antarctica wonen serafien en monica monica heeft rode ogen witte haren blauwe lippen serafien vertelt verhalen uit een ver geleden tijd monica geeft hem te drinken sneeuw smelt in haar holle hand samen volgen ze de wolken weten zich op een perron met één voet al op de treden van de sneltrein naar de zon in hun nisje op antarctica slapen serafien en monica
De Theetjes zijn ludieke versjes, een herinnering aan mijn kort verblijf op Dicht Talent -2010- onder de naam "scrib".
De Theetjes 1 Geïnspireerd door "Egotisme" van Hanny waarvoor dank.
scrib, ik vin j'een toffe peer al ben je helemaal geen heer je bent mijn grootste favoriet hi tiger, ik bemin je zeer
de spiegel liegt, de lichtinval die maakt van jou een niemandal ga liever in het water kijken het is wel nat, voorzie een val
De Theetjes 2 Geïnspireerd door de wedstrijd op Dicht Talent: "schrijf een ode aan Keats".
"Ode aan Keats"
ik ben tot scharrelkip gepromoveerd ik scharrel op het erf van dokter Keats een druppel bloed, een joy voorgoed een meisje dat de afspraak mist
nadat ik vlijtig heb gepikt schud ik wat vlooien af, mijn veren glad en trippeltrappel naar De Thee
daar los ik dan het resultaat van vele scharrelsessies en iedereen is mee
ik jodel van contentement al komt dit niet aan bod
er kraait een haan hij kraait drie keer
oh god, oh god... oh god!
De Theetjes 3 - n.a.v. het vertrek van Roger Blaevoet
hee Blaevoet, blijf toch maar sonnetjes schrijven ik vind een jambendansje best wel tof het scheelt geheid een sjekkie bij de kof 't verfrissend liedje dat, naast slaap verdrijven
mijn voze hersentjes verkwikt en óf ik dan gezwind in actie schiet! geen vijven geen zessen meer, geen sikkeneurig kijven maar hopsakeeën, handjes klappen, lof-
trompetten uit hun strakke hoesjes halen, de toetertjes, de bubbels! ow, ojee... 't is nog wat vroeg daarvoor, en donker... balen
past beter bij de weerberichten, nee? nou goed, ik zwijg alweer in alle talen en hijs de vlag: dag dag, dag ach, dag wee!
In gedichten
landschappen lándschappen heb ik gezien overal land schappen vol zonnen die rijzen en dalen als kazen op 't schab van de kaasboer van dienst
en vogels die vlinderen vlinders die ook en liefdes veel liefdes in tranen gesopt pikant of met zoet-
zure saus opgediend in een kommetje van de chinees die als wees of als stakker of staker of dronken verdronken
in nissen van erger dan erg. maar het ergst is de wereld, die is nu al eeuwen aan 't draaien en nog komt hij niet op die sisser uit
naar verluidt zijn 't de dichters geweest hun gedachten verpakt in cadeautjespapier gingen over de toon van een bank in het parkje
dan mee met de duiven post voor wie hunkert naar muisjes gewoon zonder schuit zonder nood is een zaak voor wie zonder- ling is
Aan mijn kastanje
de lente, liefste, weet je nog hoe teder-groen je bladeren zich spreidden als rokjes onder witte bloesemlijfjes
hoe zij daarna met open handen zich overgaven aan de wind bereid om vruchten te ontvangen
toen werd het zomer. een venijn verkleurde ze vroegtijdig bruine vlekken zag ik, veel te vroeg
jij treurde en ik kon alleen maar kijken je hield je sterk, je stam rechtop, je takken weids al wist je zeker dat je niet genas
nu wordt het winter en ik kom je troosten wanneer je bladeren zijn losgelaten mag je als alle anderen op rust
en niemand zal nog zien hoe ziek je was
Diepdenken
op het vuur staat de pan en daarin ligt de pap en daarbij staat het vrouwtje te denken
haar ogen die gaan van 't plafond naar de muur op zoek naar de zin van 't bestaan
bij de vloer kijkt ze dwars door de wereldbol heen met daaronder alleen stomme luchten
geen engel geen duivel niets is er wat zich aan haar zoekende ziel openbaart
tot een woord uit het diep van de pap in de pan haar bevrijdt van de mist in haar hoofd
hij zegt blob en ze wéet daarvan is ze nu zeker de pap in haar pannetje kookt.
Aan de late dag
hoe schoon zijt gij mijn dag als ge begint te knikkebollen de handen in uw schoot geen schaduw meer verkruipt
het blauwe uur duurt maar heel even dan slapen alle bomen zwart op het vertrouwd-verkleurde laken boven mijn stad
in huis kalmeren schemerlampen laaiende peertjes uit de wandklok druppelen seconden de avond in
een enkele auto trekt een doffe streep geluid langsheen de huizen
ik teken in gedachten nevelslierten die boven open weiland hangen
en misschien, heel misschien zijn er ook warme dieren
Sonnet voor Sofia
In verre tijden toen de appels rood begerenswaardig aan de bomen groeiden wijl Adam en zijn Evaliefje stoeiden nog op hun hoede voor wat Hij verbood
de Schepper van hun leven en de dood: van die waaraan de vreemde bloesems bloeiden de boom der goeden en van de verfoeiden wie daarvan plukte stond aan onheil bloot.
Maar het gebeurde! Hij heeft het gezien! "gij dwazen!" vloekt Hij. Sofia misschien -die hij nog vlug vantussen scherven raapt-
zou Zij, getooid met Waardigheid en Woord de zoete balsem brengen naar het oord zal Zij het doen, terwijl Hij zich verslaapt?
Desperate housewife
ik heb vannacht mijn leven in een plastic zeef gedaan van Tupperware
ik heb het schoongespoeld onder de kraan
vanmorgen ging ik DesTop lenen
bijde buren...
Hybris
ik wil dat het zingt dat het klingt mijn gedicht dat het juicht op het paard van een koningskind dat de wind het verwaait in een eeuwig bewegen waarmee hij de bomen tot ritselen dwingt
ik wil dat het onderhuids brandt! hoor jij ook die tam-tam onder dansende handen?
een slag op de koperen gong moet het zijn een gebed uit een hoog minaret
ik wil dat en nog meer tot die jongen komt met een lier in zijn hart en een treurige blik achterom
dan
breek ik
Zondags liedje
in het cafeetje Het Grote Gevoel zaten zij beiden op eenzelfde stoel als je maar weet wat ik daarmee bedoel met dat cafeetje de stoel en de boel
ze waren nog jong maar de tijd was al oud het bier was verschaald en maar halvelings koud zijn handen begrepen haar heupkens zo stout ze keek wat beteuterd geen mens is van hout
hij wriemelde bevend haar roksken omhoog de ober bezag dat van achter de toog hij dacht aan zijn Trien en dat zij hem bedroog een brandende braamdoorn schoot recht in zijn oog
hij wiste met woede zijn laatste traan en als hij dat slikkend had afgedaan is hij voor de tortelse duifkens gaan staan boosaardig van aard zei hij kort: jullie gaan!
toen stonden ze op van hun enkele stoel die dampte nog na van Het Grote Gevoel hij zette haar kraag recht want buiten was 't koel de ober verzoop zich daarna in 't gewoel
van zijn cafeetje Het G.... G......
Yep!
Vijf haiku's
de loden lucht is in de zee gevallen, nu is de einder weg
*
inktblauw is de nacht rond de maan die onbedekt van de zon geniet
*
de oude boom liet aan de wind een dikke tak jong is de wonde
*
in het straattuintje pronken de coniferen met hun bleke bloei
*
ongekamd brutaal schreeuwt een forsythia de winter van de baan
Micropoetry
niets 't is al
[met een knipoog naar Abel Staring. De mooiste micro is, volgens Abel:
ik ga maar ik ben
De vernieuwing
kasten heb ik op een kant gezet geen wankel evenwicht want kommen, borden glijden krachten trekken snelle lood- lijnen onvermijdelijk en straalsgewijs naar het ene statische punt
dansen op een teen?
spieren spannen kabels tussen hoeken trillend eerst dan strak
kijk! nu is toch alles nieuw?
diep in mijn aarde lacht een oude kabouter mij uit
Tu es sacerdos
ze hadden hem in 't riet gestuurd een eeuwigheid naast god beloofd de gouden handdruk van de dood als hij maar honger leed en liefde aan de apen liet het Brood verkruimelde zijn huid omhing met zwarte rok en van de duizend knoopjes er niet een zou open doen
hij kijkt naar elke Lieve Vrouw en denkt aan Zuster Beatrijs die hem subtiel is voorgegaan
verrukt weet hij de klepel slaan
5_7_5-je
van wilgentenen vlecht ik voor jou een fruitkorf de kerselaar bloeit
of
van wilgentenen vlecht hij zijn eerste fruitkorf de kerselaar bloeit
of
van wilgentenen vlecht hij voor haar een fruitmand de kerselaar bloeit
De song of Mooncoin
er staat geen bankje in het park er is geen park maar om de hoek hangt bleek de maan te zonnen
het heeft geregend het asfalt blinkt straatlichtzwart het laatste water dat van zilver is vloeit langzaam
weg wij wandelen
twee rozen walsen op het water in de goot
Writersblock
Gobelijn in alle staten tolt zijn enkels in een knoop gedraaid de haren wild, de witte snor verwaait de klanken die hij poogde saam te rapen tot een woord.
Verdraaid!
Wie heeft er in mijn trukendoos gegraaid wie heeft er mij bestolen?
Moet ik nu net als alle deftige meneren een kopje krant gaan drinken bij de boterham een platte stomweg natte traan verpinken soms, en zeggen kijk, na dagen werd een hond gevonden in een put. Hij ademde
zo dood gewoon
Het oorkussen van de duivel
er kruipen trage dagen over straat moedwillig naast het zebrapad
hun loze monden schurend aan asfalt dat fluistert rond een
spoor van kouder bloed armoedig is hun kleed
tot op de buik versleten ze kijken naar de overkant
de stoep is veel te hoog het regent in hun ogen
de nachtwacht brengt ze zacht weer thuis
legt ze te slapen in verwarmde dromen
Over God
Bevroren God* ...een opdrachtje...
God - moet je weten - was van meet af aan al oud
nog ouder dan Methusalem die ik leerde kennen in het schooltje om de hoek.
God had toen al een witte baard een mantel in de kleuren van mijn jurkjes na de zomer.
Zo zag ik hem voor 't eerst op doek geschilderd hangen tussen "Het Aardse Paradijs" en "De Kruisiging".
Hij had, zei Zuster Fabiana, een rechter- en een linkerhand waaraan we zouden zetelen na onze dood.
Toen werd het winter, werd het heel lang winter. Het schooltje sloot er was een bom gevallen in de straat.
Eén keer nog ging ik langs alleen met moeder.
"Kijk mam, ijsbloemen op de ruiten!" gebaarde ik. Ze keek niet weg, ze haastte voort.
"Mamie...? Is God nu ook bevroren?"
Ze durfde het niet horen.
*titel bedacht door Margo van Gelder, op de toenmalige "Werkgroep Poëzie".
Niet eens een zondag
op de stoep van het cafeetje zit de vrijdagdichter afgeladen vol van weekse dagen stoer te staren uit het wit van zijn ogen in het witter van zijn blad
hij heeft het ál gehad hij zal het nu vergeten
daar is de hond de jongen met de tamme bunzing in zijn hals de dame met de merkaap aan haar tas de ober die komt vragen wat of het mag zijn meneer
mag zijn. hij zit niet meer hij hangt al in de draden van de tramlijn die voorheen begeerte heette van omhoog ziet hij de dame kleiner en hij noemt haar droog bij naam
ze kijkt hem aan en lacht dat had ze beter niet gedaan
Astrologica
ik kwam te voorschijn toen de Zon had afgedaan de tekens tot voorbij de riem waaraan de Tweelingen de Maan naar alle winden lieten waaien en tegendraads Saturnus zat te janken hopeloos het schuim aanschouwend van de Ram die vierkant in het water viel
hoewel
het uur zat goed want Leo spuwde op de bol zijn hete driftendans waarvan ik zo verschoot dat ik begon te beven vooraleer ik zelfs een eerste keer geslagen werd
en nog
ik woon op nummer twaalf het laatste en het meest verborgen huisje in de rij van Ik naar 't loze Wij dat later meer dan in mijn dromen na 't verteren van het Wonder wezenlijk begon te smaken naar een Château-en-Espagne Appellation Oubliée
vandaar
Erato,
je was een zwijn, mijn lief ik schuurde aan jouw modder juk en jeuk van 't lijf
ik vrat je bras als was het godenspijs en zoog de dooiers uit je glibberige ogen
erato zou je heten zei je zong je schreeuwde je mij uit mijn slaap
terwijl ik droomde van voor jou te bijdegrondse dingen zoals kabouters
aan de vaat en bezems die vanzelf doorheen de kamers gingen
je krijgt vandaag de buitenwacht. ik zie je weer vannacht dan zal ik
knorren bij je oor en jij, jij zult zeemzoet vertellen dat wij, erato, jij en ik
gewaagd zijn aan elkaar
Wilde ego(s)trip
snel armen kruislings over buik naar heupen trek ik al mijn kleren uit en zwier ze zwaaiend in de lucht
zie het purperen gareel beaat tussen kristallen hangen in luchters klinken feestelijk de glazen
over een deur drapeerde zich de jurk als een guirlande zomerwitte bloemen
het kanten slipje vlinderlicht vliegt naar het raam gaat wonderbaar over het groen van de bonsai liggen als bloeide hij
en in mijn huid heeft nooit voordien de kamerlucht zo tintelfris gebeten met niet te tellen tandjes van genot
5-7-5jes ...een herinnering aan mijn allereerste computer, dot genaamd...
poesjenel is dood alle draadjes dolgedraaid het blauwe zwijgen
zijn oog geblindeerd troosteloos weet hij zich nu een cycloop met staar
een oude muis ligt verdwaasd aan een zwart infuus de prullenbak gaapt
ik speel piano het azerty van mozart beethoven hoort mij
er belt iemand aan ik zeg dat ik uien hak trek de stekker los
De dichter des -betreft Ranmsey Nasser en zijn gedicht over suxueel misbruik binnen de Katholieke Kerk-
gij lichtgelovig volk der Nederlanden dat zegeningen, bollenbloei en doem kan plaatsen als ik maar zijn naam vernoem want frisse vragen over het verband en
of ik niet te naarstig denk aan roem met klatergouden woorden in mijn handen uw frêle hersenpannen laat verzanden die vragen blijven hangen in gezoem
dat moet de dichter des hebben gedacht toen hij wellustig schier aan 't schrijven ging de ploert voorbij want die werd onverwacht
een marionet die aan een draadje hing en al wat hij misdeed werd neergebracht op god, dat makkelijk inzetbaar ding.
Palaveren
het was een groots moment we zaten aan
naarmate het gehalte geest ging stijgen in ons bloed
begonnen we te vliegen
de vrouw in mijn vizier dreef jaren weg van hier naar later naar wanneer het kind
een heer vloog traag terug in hoe het was geweest
rechts zat een jongen rampen te voorspellen de freule links bezong een groene duif met in haar bek een maagdelijke buxustak
we deinden uit
opeens begon het midden van het tafelblad te gloeien er daalden tekens in een graal van licht een alfa en een omega herinner ik mij nu
ze losten in elkander op het was een vreemd moment
uit voorverwarmde kopjes dronken we de koffie na
De opstanding
ik ben de grote nikser ik niks de hele dag en als ik niks te niksen heb ben ik geheel van slag
dan tol ik als bezeten bezeten door een beest een kriebelbeest een kleintje maar die jeuken nog het meest
ik krab wat hier ik krab wat daar ik krab de muizen uit mijn haar ik bijt mijn nagels stuk
ik koter met een schuivertje het smeersel uit mijn oor mijn navel doe ik dagelijks onder het niksen door
dan denk ik aan mijn moedertje dat lang is heengegaan zij vond dat niksen ook maar niks ze zei het aan mijn pa die maande mij tot hijgens toe om toch maar op te staan
en zie, hier zit ik nu, geheel hun evenbeeld, alleen
ziet gij niet dat ik ween?
Poëmata
"il faut les cajoler, ma belle" bestaat er wel een raad die eleganter wandelt op de loper tussen tong en hemel
neen!
kom in mijn armen arme woorden die ik kreeg, gevleid natuurlijk, kom, ik zal jullie omkleden met muziek en trage beelden op de achtergrond
ik zal jullie doorzichtig dragen wetend van het broze zal ik jullie voorverpakt in goddelijke deugden tonen
wie zei het mij? wie zéi het mij!
Dichten
ik moest maar eens wat minder dichten zei de dichter tegen haar die naast hem stond en muffins bakte in de vormen van papier waarop hij verzen schreef toen hij haar nog niet elders had zien staan dan in zijn dompig brein waarin ze rook naar ambrozijn en koeler maan verbaasd keek zij hem aan
er viel geen enkel woord
de vaatdoek in zijn handen toonde hem de weg de waarheid en het leven dat hij met beide handen greep in schuimend sop de kommen en de koppen van de menger klopper kneder en hoe zij niet langer geurde áls maar echt een ovenwarme muffin was en hoe hij at van haar
Kurkdroog - Nonsensgedicht
de regen wist een palingdroom te schrijven op de ribbelstroom
de grote ringel hoorde dat en trok de gronzel uit het nat
nog voor de inkt kon drogen
ik zat met puimsteenogen te tranen naast de bibberrat
en blikken mededogen te proppen in het gat
het was te laat de regen boog en streek de ribbels glad
Ondraaglijke lichtheid
ik wou dat ik faalde ik wou dat ik baalde ik wou dat ik vreselijk lelijk was pokdalig gebocheld en arm als de straat
verlaten verstoten jaloers van de koek in handen van stinkende bonzen opstandig mijn kruimeltjes gaarde
ik wou dat ik mee-lijden kon met de aarde de hemel de hel en de zaaiers van armoe en doem
ik wou dat want nu
rol ik rustig een rokertje luister ik naar Sibelius
en niets heb ik helemaal niets om over naar huis te schrijven
De kleur van de oorlog
kijk, dit was ik
- de muur van ons koertje was witgekalkt en daarboven lag de lucht, staalblauw -
zo klein? zo klein nog, ja. en die jas op de draad met koperen knopen en overal zakken?
die was het woord en het woord kreeg kleur het woord kreeg de kleur van de jas dat vreemde woord die vreemde kleur de vreemde jas
en het vervreemdend zwijgen
Het sonnet, een vader
Als ik je tóch weer bij de hand wil nemen je afgemeten pas mijn sprongen laat bedwingen, die geijkte regelmaat, het veren van je voeten waar je gaat
met mij gelijk een ruiter naast zijn paard, mijn meester ben je dan, mijn strenge menner, mijn onvoorwaardelijk aanvaarde kenner! En ik gehoorzaam, want ik weet: ik ben er
en mag er zijn, je laat aan mij het lied. Je laat mij neuriën je laat mij tieren we zingen samen en je remt mij niet
je laat mij vrijelijk de dans versieren en als je merkt hoe zalig ik geniet wil je zelfs eventjes de teugels vieren
Mijn bevrijding*
't is V-dag, zei mijn vader hij gooide een briefje van twintig op tafel. loop, haal Belgisch lint.
mijn mond viel open dat zou mijn moeder niet mijn moeder was goddank een kind gaan kopen want zij? ga
bij Pollieneke, en van dat hele smalle vijfenzestig centimeter is genoeg vergeet het kasticketje niet vraag een bonnetje voor manszakdoeken wij hebben er al twee nog acht te gaan trek je sokken op stop je bloes in je rok doe je haar uit je ogen strik je veters haast je wat
dat zei mijn vader níet
*Voetnoot V-DAG IN GENT
De eigenlijke bevrijding van Gent vond reeds plaats in september 1944. Duitsland capituleerde echter op 8 mei 1945, waardoor de Tweede Wereldoorlog in Europa dan pas definitief aan zijn einde kwam. Deze VE-dag (Victory in Europe-day) bracht in heel Europa en de Verenigde Staten miljoenen mensen op de been. Ook in Gent werd de geallieerde overwinning enthousiast en massaal gevierd met een stoet die hulde bracht aan de bevrijders. Een reusachtig hakenkruis aan een ketting, praalwagens met foto’s van Churchill, Franklin Roosevelt en Stalin, fanfares en scholieren met bloemen trokken door de Gentse binnenstad. Van de Koningskwestie was nog niets te merken: ook koning Leopold III werd uitgebreid gehuldigd. De 8ste mei bleef tot 1974 een officiële feestdag in België. De laatste jaren gaan stemmen op om van deze dag opnieuw een feestdag te maken, zodat de oorlog nooit wordt vergeten.
Bekentenis
ik ben een man wanneer ik dicht
ik neem mijn taal mijn zo geliefde voorzichtig op en draag haar naar het onbeslapen laken
daar ligt ze dan ik kleed mij uit terwijl ik kijk naar haar vertraagd en ingehouden
weten wij het van elkaar de gretigheid het veel te vele voor de mondjesmaat die wij met rituelen legen
langzaam gaat ze voor me open sta ik nog opzij totdat het wachten ons ondraaglijk wordt en wij elkaar beminnen wild en teder
wild en teder tegelijk
De nalatenschap
er was
fijn porselein van beendermeel glazen van loodvrij kristal borden waarop een wapenschild een springplank een schietspoel een kruiwagen ook de zeer lange arm van een havenkraan magneten op roestvrij staal een waakhond een leugen- detector een kat waar geen zak om een kont die met goud was beslagen er lagen vooruitzichten levensecht en een oordeel dat kromme lijnen recht een licht dat voortdurend zichzelf opstak tot slot nog een schaduw al stond die nooit stil en een schoteltje waarop 'n wil wat so vas soos 'n klipsteen staan een voet op de weg van het rechte pad
ik
kreeg van dat alles een emmer vol zaad blijkt nu dat ik geen aarde heb
Total loss
zo lodderlam mijn ogen lezen rondjes uit een vers- gebakken hostiebrood
en eet, dit is mijn lichaam
halen krassen diep in deerlijk gecastreerd papier
drink, dit is mijn bloed
ik mep een mug ik kus een draak ze vraagt aan mij waarheen ik loop
laat alle hoop
Voor wie...
voor wie een strak sonnetje schrijven wil zo eentje naar de regel van de ouden -komt later wel een heus om van te houden- kaboem kaboem die kletste op z'n bil
die meet en telt scandeert en weegt als zouden de lettergrepen nu eens zwaar dan licht in rotten opmarcheren naar hun plicht getrimd getemd in vijf of zevenvouden
maar als de avond valt zijn daar de vinders de liefste Chibiabos streelt de lier er danst muziek de vleugels los en vlinders
ontelbaar zij, met elegante zwier -een rondedans van lichte blije kinders- verstrooien het sonnetje op papier.
De euvele moed van Obelix
“ik zou toch ook eens graag een zaagje spannen er staan wat oude bomen in het bos hun stijf-verstokte lompe takken los gehakseld zullen dra mijn dip verbannen.
de luiaard hangt al jaren onder mos wanneer hij neerploft zal hij zich vermannen misschien, een ietsje sneller dan hij kan een verkwikkend vruchtje smullen van een tros”
alzo sprak op een morgen Obelix die eerder enkel stenen zou versleuren van hier naar daar van daar naar hier en nix
dan dat bezag. maar nu zou het gebeuren hij zwoer het op de staart van Idefix die 't baasje trouw ook maar begon te zeuren.
Cilja's wedstrijd
De oproep
Wie schrijft de leukste, orgineelste interpretatie van deze gevonden woorden? Prijs: de nooit afgehaalde kristallen bol van de winnaar van de kerstwedstrijd: Aap. Jury: Cilja Zuyderwyk & Jan Doornbos. © cilja zuyderwyk De readymade
readymade of objet trouvé
meer dan 150 standaardkleuren dat geldt voor platen, stringers de rods en de fritten
billets, casting cullet maar ook blowing cullet op voorraad
u kunt billets per stuk afnemen en cullet per kilo
ook halve platen zonder meerprijs
in de studio kunt u zelfstandig werken of met onze hulp uw werk uitvoeren © cilja zuyderwyk | 30 mei 2010 -oOo-
Ik nam deel met
1. Objet perdu
wat mag het wezen, heerschap? -een bakje friet, een kleintje dat is dan tweeënhalf
hij legde achteloos een kalf een gouden kalf, drie cijfertjes een vijfje met twee o'tjes naast de de ketchup-uier neer
billetten van die waarde worden niet aanvaard meneer kunt u niet lezen dan?
het heertje neep zijn ogen dicht -mijn brilletje is stuk, al voor de twaalfde keer
gemor kwam uit de achterban het heertje kreeg een kleur
het snoof de geur van Heineken, het keek al naar de deur
maar eer ie daar doorheen kon gaan gingen de klanten aan het slaan
van voor van rechts van achteren glas rinkelde alom
toen kwam de cullet-dame aan d'r emmer was nog leeg
ze raapte alles bij elkaar voor mozaïekjes, zei ze, maar
ik wil in ruil voor deze geste oranje frieten, 't zijn de beste
de juffrouw aan 't fornuis die zei: "kom jij maar achterom ga er gerust je gang wanneer 't niet bakt dan roep je maar men helpt je dan wel wat"
ze poetste toen meteen de plaat ging huiswaarts toe en plat
* 2. Een uitvinding
de man de vrouw de gaten in de glasbak
en dat die waren veel te klein voor magnums en dame-jeannes die oma zaliger bewaarde
de vrouw de man de wandeling het huis in opbouw om de hoek de man die keek naar hoe het aan van de
betonmolen
en op een nacht, toen alles diep in slaap of slap lag onder dons toen zeiden ze: nu is't aan ons!
ze laadden al de rommel op en dumpten die ik zei al waar dus daar en duwden op de knop
de molen draaide zingend rond een zaterdag een zondag lang
en groot was hun verwondering toen zij des maandagsmorgens vroeg de zaak gingen bekijken
ze schepten knikkers uit de bak niet helemaal maar ongeveer
ze zoenden en versmolten weer want scherven deden nu
niet langer zeer
* 3. Klaar!
zwier je string maar in de wolken laat hem blowen in de wind ga van bil Jet ga van bil
laat het boekje waarin honderd- vijftig standjes links daar-
boven op de zinken platen van die gadverDamse* toren tronend
boven 't vlakke land
ga van bil Jet ga van bil tel nog lang de vele kleuren
op je rug van rood naar blauwend- groen, zelfs gelen wijken stil
met de hulp van Lasonil
*De toren van Damme, waarvan sprake.
http://blogimages.seniorennet.be/tars/3-0ad229d0bb1d9247d9d31d9b7881b0d7.jpg</p>
-oOo-
De genomineerden zijn vanaf heden gekend, in alfabetische volgorde:
Cartouche Jindoni Marcel Rhinda Wenlez
© cilja zuyderwyk - 6 juni 2010
-oOo-
En de prachtige kristallen bol gaat naar... Rhinda, met het gedicht
Made in Leerdam
hoe maak ik je dat vraag ik je
geel of groen in strakke houten ribben op stokken kaal van kleur of spin ik je
wie blies en blaast de brokken trekt platen krommer dan dan wacht ik, zuig je, blaas je industrieel
ik wil je wrijven bol en kietelen
zeg dan hoe haal ik je dan aap ik je
© Rhinda
!PROFICIAT ! (einde wedstrijd)
Een frust
de marsupilami zit hoog in een boom zijn zeer lange staart te betreuren
-de veer is gesprongen de krul is eruit- hij jengelt en jeremieert: "iedereen
is geméen!" hij kijkt naar zijn navel en denkt aan zijn moeder. hij grient
uit zijn neus van ooit kwam ze na met een doekje, nu niet. hij dropt
zijn verdriet in het zand van de wegel die onder hem door loopt. geen mens
die het ziet
Zeg niets
er mogen helemaal geen roze slierten meer verschijnen aan de horizon de kim de einder en de monotone zon zijn afgeschaft te fnuikend voor lantaarnopstekers die zoeken naar de mens waar hij gezeten
op het laatste bankje in een doodgezwegen park zich uit voldragen leegte een amfitheater bouwt en lacht en wijst en huilt en slaat zijn bleke handen in elkaar wanneer antigone het zand niet vindt eurydike het struikelen moet overdoen en orfeus' lier verdrietig aan de apenbroodboom hangt
zeg niets als je hem bezig ziet die ene wijze gek leg niet je hand al was het maar heel even op zijn arm genees hem niet zijn ziekte is zijn troost zijn roeping en zijn leven
Vogelvrij
het zijn er twee die ik de buitenwacht ga geven ze roeren roet door al wat wervelt in mijn - ja!
ze komen voor ze komen na ze komen tussendoor ze raden aan ze raden af ze raadselen mijn oor
ze preken in de schoenenkast de weg die dient gegaan en leggen aan de bezem uit hoe in de hoek te staan
ze hamsteren de aarzeling gering of van formaat en proppen alle kamers vol met wellesnietespraat
en zien ze een kaboutertje dan dromen ze een reus die pulken z'op een keer weerom de wormen uit z'n neus
ze weten zus ze weten zo ze weten zelfs de rest bezeuren en betreuren en bezoedelen mijn nest
met blik en veger in de hand besluip ik hun katheder
de ene, die heet "zou" de andere is "beter"
P.S. Enkele gedichten werden, al dan niet licht gewijzigd, van mijn site geplukt. Die staan hier dus a.h.w. twee keer.
Adieu Dicht Talent, en bedankt!
|