Inhoud blog
  • Chronologie van de Apocalyps
  • Het zeventigste jubeljaar: oktober 1987/september 1988
  • De Bijbelse farao SISAK
  • De zondvloed van Deucalion
  • De eerste drieduizend jaar sinds Genesis
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    27-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Chronologie van de Apocalyps

    De herziening van de chronologie van de geschiedenis van de oudheid is het hoofdonderwerp van dit blog. De chronologie is namelijk de ruggengraat van alle geschiedschrijving. Vandaag wil ik aandacht geven aan in de Bijbel vooraf geschreven geschiedenis. Geschiedenis die nog in de toekomst ligt maar niettemin ooit nauwkeurig chronologisch in vervulling zal gaan. Ik heb het vooral over het laatste Bijbelboek: Apocalyps, bevestigd door de relevante profetische gedeelten uit het Oude Testament. Het gaat om het beloofde derde herstel van IsraŽl in het oude land der vaderen, nationaal en geestelijk.

     

     

    Het hierboven getoonde schema is niet dogmatisch op te nemen maar is gewoon een poging tot visuele uitbeelding van een tijdsbalk van zeven jaar met de focus op het bijzondere begin van de oordeelstijd, de gebeurtenissen tijdens de helft van de zeven jaar en het einde van de zevenjarige oordeelstijd met de wederkomst van Christus en het begin van het Messiaanse Vrederijk. De veelzijdigheid van het Profetische Woord van de Bijbel is niet zonder meer in beeld vast te leggen.

    De beschreven oordeelstijd in het Bijbelboek Openbaring of Apocalyps, gaat over een periode van ongeveer zeven jaar plaatsvinden. Ik schrijf ongeveer, omdat deze periode in de Bijbel aan maanden van elk dertig dagen wordt uitgedrukt. De eerste helft van de zevenjarige oordeelsperiode bedraagt namelijk 1260 dagen wat een periode van drie en een half jaar betekend aan dertig dagen per maand. De tweede helft gaat over 42 maanden wat eveneens een gelijke periode van drie en een half jaar beslaat. De aanvang van de eerste helft van drie en een half jaar vindt plaats met Jom Kippoer en loopt door tot Pesach in het vierde jaar, waar met de Pesachweek de tweede helft begint om te eindigen met Jom Kippoer in het zevende jaar, waarna de komst van de Gezalfde plaatsvindt.

     

    De zeventigste jaarweek van de profeet DaniŽl, die ook een alsnog toekomstige tijdsperiode van zeven jaar vooraf geschreven geschiedenis voorstelt, past chronologisch exact in het eindtijd-kader van de Apocalyps.

    DaniŽl 9:27 Öin de helft van de week zal hij (de tegenstander) slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is. (NBG Vertaling 1951)

     

    Voor de goede orde volgt hierna het volledige Bijbelgedeelte dat over de zeventig jaarweken handelt. Negenenzestig jaarweken hiervan zijn al geschiedenis.

    DaniŽl 9:24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven. 25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. 26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.

    27 En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste. (Statenvertaling)

     

     

    Het jaartal van de aanvang van de zeventig jaarweken en de plaatsing op de tijdsbalk heb ik in mijn boek ĎTIJD en TIJDENí, 2015, blz. 395-399, behandelt. Negenenzestig jaarweken leiden ons exact tot 2 april 30 AD, toen Jezus Christus in de Pesachweek Jeruzalem binnenreed. Met Goede Vrijdag, 7 april 30 AD werd de Messias op een Romeins kruis Ďuitgeroeidí. Veertig jaar later in 70 AD werd Jeruzalem en de Tempel van Herodes door de Romeinen onder leiding van Titus, vernietigd en de Joden in ballingschap weggevoerd, wat een vervulling van DaniŽl 9:26 was. Ditzelfde vers leert ook de ondergang van het Romeinse Rijk, als een gevolg van een overstromende vloed. De val van het West-Romeinse Rijk vond inderdaad plaats door een onstuitbare vloed van Germaanse volkeren die in de vierde eeuw na Christus de rivieren Rijn en Donau overschreden, en het einde van het Beestrijk van de profeet DaniŽl: Rome, betekende. Het Oost-Romeinse Rijk zou vanaf de zevende eeuw na Chr., als gevolg van een Arabisch-Islamitische invasie, volgen.

     

     

    Het Romeinse Rijk van de oudheid zal in de toekomst in de vorm van een statenbond geleid door tien koningen of leiders, opnieuw opkomen. Deze tien leiders geven uiteindelijk hun leiderschap over aan een elfde heerser, die na hen opkomt. De Ďhijí van DaniŽl 9:27 stelt dan een nieuwe Titus voor die bij de aanvang van de alsnog toekomstige zeventigste en laatste jaarweek Ďhet verbond versterktí. Het negende hoofdstuk van DaniŽl, vers 27, leert dat tijdens de eerste helft van de zevenjarige eindtijdperiode er in Jeruzalem opnieuw een slachtoffer- en spijsoffer-dienst is ingesteld, want de Romein van de oordeelstijd zal in de helft van de jaarweek de opnieuw ingestelde Ďslacht- en spijsoffer doen ophoudení.

    Dit sluit aan bij het laatste Bijbelboek Openbaring dat leert dat de HERE God tijdens de eerste helft van de zevenjarige eindtijdperiode twee getuigen in Jeruzalem laat optreden die tegen de herstelde offerdienst op de heilige plaats, de Tempelberg, zullen profeteren. Zij worden door de Ďhijí van de profeet DaniŽl 9:27, die in de Apocalyps 11:7 Ďhet beestí wordt genoemd, gedood. Daarna volgt Ďde vertredingí van de heilige stad Jeruzalem door heidenen voor een periode van tweeŽnveertig maanden.

    Openbaring 11:1 En mij werd een rietstok gegeven, een meet roede gelijk; en de engel stond en zeide: Sta op, en meet den tempel Gods en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden. 2 En laat het voorhof uit, dat van buiten den tempel is, en meet dat niet, want het is den heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden. 3 En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed. 4 Dezen zijn de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan. 5 En zo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet alzo gedood worden. 6 Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo menigmaal als zij zullen willen. 7 En als zij hun getuigenis zullen geŽindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden. 8 En hun dode lichamen zullen liggen op de straat der grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is. Ö (Statenvertaling)

     

    Net zoals bij de zeventigste jaarweek van DaniŽl wordt de oordeelsperiode van Openbaring of Apocalyps, ook in twee gelijke delen gedeeld van drie en een half jaar.

    De eerste helft van de zevenjarige oordeelstijd vangt in het Bijbelboek Openbaring aan bij het uitrijden van de eerste ruiter, bij de verbreking van het eerste zegel van de boekrol:

    Openbaring 6:1 En ik zag, toen het Lam een van de zeven zegels opende, en ik hoorde een van de vier wezens zeggen met een stem als van een donderslag: Kom! 2 En ik zag, en zie, een wit paard, en die erop zat, had een boog en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Beide zijn dezelfde persoon: de Ďhijí van het Bijbelboek DaniŽl die in het jaar 70 AD Jeruzalem en de tempel vernietigde en de Joden in ballingschap wegvoerde, ťn de ruiter met een boog op het eerste paard die een kroon gegeven wordt en uitrijdt, overwinnende en om te overwinnen.

    De eerste ruiter van de Apocalyps brengt (schijn)vrede over de gehele wereld en zal daarom alleen al, als een pseudo-messias aanzien worden. Hoelang deze vrede zal aanhouden staat niet beschreven, maar we kunnen aannemen dat het voor een hele tijd zal zijn. Het resultaat zal voorspoed voor velen betekenen. Het huidige verscheurde Midden-Oosten zal zich politiek/economisch verenigen in een Unie van vijf staten die aansluiting zullen vinden bij de Unie van het West-Romeinse Rijk en zodoende het Romeinse Rijk van weleer doen herrijzen. Tien leiders in totaal zullen aanvankelijk de dienst uitmaken. De beschreven ruiter op het eerste paard is de elfde horen van DaniŽl 7:8 waarover meer uitleg nog volgt.

     

    Voor de herstelde slachtoffer- en spijsofferdienst op de heilige plaats te Jeruzalem, de tempelberg, heeft men een tempel of tent, een altaar en (de?) een ark van het verbond nodig.

    Het is mogelijk dat een onverwachte vondst van een replica van de ark van het verbond, de aanzet wordt tot het opnieuw instellen van een offerdienst te Jeruzalem? De originele ark van het verbond werd samen met de Tempel te Jeruzalem in 586 v. Chr. door de BabyloniŽrs vernietigd (2 Koningen 25:8 en Psalm 74:1-4). Het alsnog toekomstige tevoorschijn komen van een replica van de Ark van het Verbond past in het chronologische Ďeindtijdkaderí dat de profetische gedeelten van de Bijbel leren.

     

    Gedurende de eerste helft van de zevenjarige oordeelstijd van DaniŽl namelijk zal een anti-Messias gepaard gaande met nooit eerder geziene tekenen, de herstelde offerdienst leiden.

    Openbaring 13:11 En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde en het had twee horens als die van het Lam, en het sprak als de draak. 12 En het oefent al de macht van het eerste beest voor diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde en zij, die daarop wonen, het eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wond genezen was. 13 En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel doet nederdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen. 14 En het verleidt hen, die op de aarde wonen, wegens de tekenen, die hem gegeven zijn te doen voor de ogen van het beest. (NBG Vertaling 1951)

     

    Dit alles sluit ook aan bij de rede van Jezus Christus over de laatste dingen:

    MatteŁs 24:15 Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet DaniŽl gesproken is, op de heilige plaats ziet staan Ė wie het leest, geve er acht op Ė laten dan wie in Judea zijn, 16 vluchten naar de bergen.

     

    De heilige plaats is de Tempelberg te Jeruzalem waar de tempel van Salomo stond tot 586 v. Chr. Na de Babylonische Ballingschap werd de tempel door de teruggekeerde Joden opnieuw gebouwd (535/515 v. Chr.). Dezelfde Tempel die onder het bewind van Herodes de Grote tot een wereldwonder herbouwd werd (20 v. Chr.-27 AD). De Tempel die uiteindelijk in 70 AD, veertig jaar na de verwerping van Messias Jezus, door het Romeinse leger van Titus vernietigd werd.

    De Ďgruwel der verwoestingí is naar mijn mening de herstelde slachtoffer- en spijsofferdienst rond een replica van de ark van het verbond.

     

     

    Ik ben ook van mening dat er niet absoluut een nieuwe Joodse tempel op de tempelberg gebouwd moet worden. De toekomstige Tempel die de profeet EzechiŽl voor het Messiaanse Vrederijk profeteert (EzechiŽl 40-48) wordt overigens noordelijk van Jeruzalem gebouwd en niet op de Tempelberg.

    Indien een replica van de ark in de nabije toekomst tevoorschijn zou komen, dan kan de ark ook in een Ďtent der samenkomstí op de tempelberg geplaatst worden. Het Bijbelboek Openbaring hoofdstuk 11:2 veronderstelt dit overigens. Dit betekent ook dat er dan een overeenkomst met de Islam mogelijk word. De Koran vermeldt de ark van het verbond in de positieve zin. Hierna de betreffende Soera:

    Soera 2:248 En hun profeet zeide tot hen: het teken van zijn koningschap is, dat tot u zal komen de Ark, waarin is een Godsrust van uw Heer en een nalatenschap, welke nagelaten hebben het geslacht van Musa en het geslacht van Harun, en welke engelen dragen. Daarin is waarlijk een teken voor u, indien gij gelovigen zijt. (De Koran volgens de vertaling van Prof. Dr. J. H. Kramers)

     

    De profeet waarnaar verwezen wordt is de profeet SamuŽl en het koningschap dat van Saul van het Verenigd Koninkrijk van het oude IsraŽl. Het Arabische Musa is Mozes en Harun staat voor Ašron.

    Wat het teken zal zijn, weet ik niet. Men kan vandaag alleen maar raden naar wat de reacties van de verschillende religies op de mogelijke vondst van de ark zal zijn. Een ding is zeker: de drie monotheÔstische religies zouden haar kunnen claimen en vermoedelijk een gezamenlijke rustplaats overeenkomen. En waarom niet op de tempelberg voor de rotskoepel te Jeruzalem?

    De rotskoepel werd in 691 AD door kalief Abd al-Malik gebouwd. Het werd achthoekig gebouwd en heeft schijnbaar geen Qibla of gebedsrichtpunt. Het werd blijkbaar in de eerste plaats als een heiligdom gebouwd en het wordt binnen de moslimwereld als de derde heilige plaats na Mekka en Medina beschouwd. Volgens de moslims werd de koepel gebouwd om de hemelvaart van Mohammed te gedenken. Op de binnenmuren van het moslim heiligdom staan Arabische Koranteksten die vooral tegen christenen gericht zijn. Vooral het Zoon-schap van de God van de Bijbel wordt afgewezen:

    Soera 112 Zeg: Hij Allah is ťťn Ė Allah, de Eeuwige. - Niet heeft Hij verwekt noch is Hij verwekt. Ė En niet is ťťn aan Hem gelijkwaardig.

     

    Het evangelie zoals de Bijbel het brengt zal afgevallen worden. De Heer Jezus Christus zal niet meer als de Zoon van God beleden worden maar alleen nog als een profeet, zoals trouwens de Koran ook leert. Hij heeft dan ook niet Zijn leven op het kruis van Golgotha afgelegd en door Zijn bloed verzoening gebracht, maar is zoals iedere andere sterveling gestorven en in een graf bijgezet. Geen opstanding, geen hemelvaart en geen hoop.

    De eerste drie en een half jaar van de oordeelstijd is ook de tijdsperiode dat het nieuwe Babylon (Openbaring 17) alle religieuze macht zal hebben. Deze tijd zal aanvankelijk een periode van vrede en vooral van religieuze eenheid worden. Waarschijnlijk zal het tevoorschijn komen van een replica van de ark van het verbond de ťťnmaking van alle religies waarmaken.

    De leider en componist van dit alles zal het beschreven genie van Openbaring hoofdstuk 13 zijn: het beest met de horens als van het lam, de pseudo- of anti-messias, die in eigen naam komt en Joden en Arabieren samenbrengt. Een utopie? Ik meen van niet! Stel je voor dat degene die beschreven wordt als Ďhet beest uit de aardeí als nieuwe hogepriester in staat is om het eerste slachtoffer op het altaar gebracht, door vuur vanuit de hemel te laten verteren, en dit vertoond naar de hele wereld toe via alle huidige en nog toekomstige mediakanalen. Voor de meeste mensen van die alsnog toekomstige generatie zal het ervaren worden alsof god zich opnieuw geopenbaard heeft. Zij die altijd naar bewijzen vroegen worden hier op hun wenken bediend. Degene die in zijn eigen naam komt zal hier voor zorgen.

    Johannes 5:41 Eer van mensen behoef Ik (Jezus) niet, 42 maar Ik ken u: gij hebt de liefde Gods niet in uzelf. 43 Ik ben gekomen in de naam mijns Vaders en gij neemt Mij niet aan; indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen. 44 Hoe kunt gij tot geloof komen, gij, die eer van elkander behoeft en de eer, die van de enige God komt, niet zoekt? 45 Denkt niet, dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; uw aanklager is Mozes, op wie gij uw hoop gevestigd hebt. 46 Want indien gij Mozes geloofdet, zoudt gij ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven. 47 Maar indien gij zijn geschriften niet gelooft, hoe zult gij mijn woorden geloven? (NBG Vertaling 1951)

     

    2 KorintiŽrs 11:4 Want indien degene, die komt (= pseudo-messias), een anderen Jezus predikte (Isa de profeet?), dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zo verdroegt gij hem met recht. (Statenvertaling) - (woorden tussen haakjes door de auteur toegevoegd)

     

    Het is aldus mogelijk dat een replica van de ark van het verbond aanvankelijk het middel wordt tot verzoening en samenbrengen van de godsdiensten. Een misleiding zonder weerga in de wereldgeschiedenis.

    Dat de herstelde offerdienst op Ďde heilige plaatsí door de HERE God middels zijn twee getuigen wordt afgewezen, lezen we ook bij de profeet Jesaja:

    Jesaja 61:3 Wie een stier slacht, verslaat een mens; wie een schaap offert, breekt een hond de nek; wie spijsoffer brengt, (offert) zwijnenbloed; wie wierook ten gedenkoffer ontsteekt, prijst een afgodÖÖ

    Ö.17 Zij, die zich heiligen en reinigen, om achter de ene man in het midden naar de hoven te gaan, die zwijnenvlees eten, gruwelijke beesten en muizen, zullen tezamen verdwijnen, luidt het woord des HEREN. (NBG Vertaling 1951)

     

    Dat in de toekomst een genie Ė de eerste ruiter van de Apocalyps Ė universele vrede brengt staat geprofeteerd.

    Openbaring 6:1 En ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie! 2 En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne! 3 En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie! 4 En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd macht gegeven den vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkander zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven.

     

    De tweede ruiter van de Apocalyps neemt de vrede van de aarde die de eerste ruiter gebracht had weg, wat ook aansluit bij de woorden van Paulus in zijn eerste brief aan Thessalonicenzen 5:1-3.

    5:1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve. 2 Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht. 3 Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;Ö.

     

    De eerste helft van de zevenjarige oordeelstijd kent aldus een misleiding zoals de wereld tot nu toe niet gekend heeft.

    Tegen de nieuwe wereldmacht in een unie van tien staten vanaf de Atlantische Oceaan tot aan de Eufraat, staan aanvankelijk in de rand nog tegenstanders die zich verzetten. Het eerder geciteerde Bijbelgedeelte uit Openbaring 6:1-4, leert dat de wereldvrede die bij het uitrijden van de eerste ruiter een feit werd, bruusk wordt weggenomen bij het uitrijden van de tweede ruiter van de Apocalyps

    Openbaring 6:1 3 En toen Hij het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom! 4 En een tweede, een rossig paard, kwam, en hem, die erop zat, werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en dat zij elkander zouden slachten, en hem werd een groot zwaard gegeven.

     

     

    De tweede Ruiter die uitrijdt, op een rossig paard ditmaal, neemt de vrede van de aarde weg en is verantwoordelijk voor een grote slachting onder de wereldbevolking. Ik meen dat de profetie van de profeet EzechiŽl hoofdstuk 38 met de beschreven invasie van Gog uit Magog in de tijdsperiode in het Bijbelboek Openbaring beschreven, hier inpast.

    EzechiŽl 38:1 Het woord des HEREN kwam tot mij: 2 Mensenkind, richt uw aangezicht tegen Gog in het land Magog, de grootvorst van Mesek en Tubal; profeteer tegen hem, 3 en zeg: zo zegt de Here HERE: zie, ik zŗl u, Gog, grootvorst van Mesek en Tubal! 4 Ik zal u komen halen, haken slaan in uw kaken en u doen uittrekken met uw gehele leger: paarden en ruiters, allen volledig uitgerust, een grote schare, met grote en kleine schilden, allen vertrouwd met het zwaard; 5 ook Perzen, EthiopiŽrs en PuteeŽrs, allen met schild en helm; 6 Gomer en al zijn krijgsbenden; Bet-Togarma ver in het noorden met al zijn krijgsbenden Ė vele volken met u. 7 Maak u gereed en rust u toe, gij met al de scharen die zich bij u gevoegd hebben; wees gij hun tot een leidsman. 8 Na geruime tijd zult gij een bevel ontvangen; in toekomende jaren zult gij optrekken tegen het land dat zich van de krijg hersteld heeft, (een volk) dat uit het gebied van vele volken bijeengebracht is op de bergen IsraŽls die tot een blijvende wildernis waren geworden, maar het is uit de volken uitgeleid; allen wonen zij in gerustheid. 9 Dan zult gij optrekken als een opkomend onweer; gij zult zijn als een wolk die de aarde bedekt, gij met al uw krijgsbenden, en vele volken met u. 10 Zo zegt de Here HERE: Te dien dage zullen er plannen in uw hart opkomen; gij zult een boze aanslag beramen, Ė 11 gij zult zeggen: ik zal optrekken tegen een land van dorpen, een overval plegen op vreedzame lieden, die in gerustheid wonen, allen zonder muur, grendels of poorten Ė 12 om buit te maken en roof te plegen, om uw hand te keren tegen de weer bewoonde puinhopen en tegen een natie die uit het gebied der volken bijeengebracht is, die have en goed heeft verworven, die op de navel der aarde woont. (NBG Vertaling 1951)

     

    De profeet EzechiŽl schildert in dit hoofdstuk een beeld van een teruggekeerd IsraŽl dat in het Beloofde Land in gerustheid woont. Zij hebben zich van hun vele verdedigingsoorlogen hersteld en leven dan in vrede met hun Arabische buren. Vers elf leert dat alle (veiligheidsmuren) muren, grendels en poorten die momenteel het land ontsieren, dan verdwenen zullen zijn. De door de profeet EzechiŽl beschreven rust, is echter niet de rust van het Beloofde Messiaanse Vrederijk, maar is de valse rust die de pseudo-Messias, de ruiter op het eerste Apocalyptische paard en zijn handlanger, gebracht heeft. De tweede Apocalyptische ruiter op het rossige paard van Openbaring 6:4, is dan Gog uit het land Magog, uit het verre noorden (ten opzichte van IsraŽl), die met een geweldige legermacht plotseling richting IsraŽl oprukt en hierbij ook het gebied van het nieuwe Oost-Romeinse Rijk binnentrekt. Op de bergen IsraŽl ís zal Gog van Magog en zijn bondgenoten echter door een ingrijpen van de HERE God verslagen worden. Het Schriftwoord spreekt over een zware aardbeving en over het merkwaardige feit dat het zwaard van de een tegen de ander zal zijn (Ez. 38:18-22). Hagelstenen, vuur en zwavel zal over het leger van Gog en zijn bondgenoten neerdalen. Het resultaat van dit alles is uiteindelijk het kennen van de HERE God door een gelovig overblijfsel van IsraŽl (Ez. 39:22), van die dag af en voortaan. Zo dadelijk hierover meer.

    Ook het land Magog en de kustlanden delen in de vernietiging van de menigten van Gog op de bergen IsraŽl Ďs:

    EzechiŽl 39: 6 Ik zal vuur werpen in Magog en onder hen die in gerustheid de kustlanden bewonen; en zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.

     

    De kustlanden zijn in de Bijbel de landen tegenover IsraŽl aan de andere zijde van de Middellandse Zee. Zij hebben zich dan (zoals eerder vermeld) verenigd in een unie van vijf leider-staten en hebben aldus het West-Romeinse Rijk hersteld. Zij worden ook in EzechiŽl 38:13 vermeld als Ďde handelaars en machtigen van Tarsisí en vragen stellend aan Gog in verband met diens onverwachte agressie:

    EzechiŽl 38:13 Scheba, Dedan, de handelaars en al de machtigen van Tarsis zullen tot u zeggen: Komt gij om buit te maken; hebt gij uw schare bijeengeroepen om roof te plegen, om zilver en goud weg te slepen, om have en goed te bemachtigen, om een grote buit te maken?

     

    In de helft van de zevenjarige oordeelstijd worden de twee getuigen van de HERE God te Jeruzalem door Ďhet beestí gedood. De herstelde religieuze eredienst in Jeruzalem waar de twee getuigen tegen predikten wordt echter ook tegelijkertijd door Ďhet beestí verwijderd.

    Het beest van Openbaring hoofdstuk 13 en 17 heeft in de Bijbel meerdere namen. De bekendste is 'antichristí een naam die de apostel Johannes hem in zijn brieven geeft.

     

    In een volgende aflevering gaan we verder met het chronologisch invullen der gebeurtenissen van de zevenjarige oordeelstijd. De rede over de laatste dingen zoals door de Heer Jezus Christus uitgesproken en genoteerd door de evangelist MatteŁs geven we dan aandacht.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    27-03-2017 om 09:24 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het zeventigste jubeljaar: oktober 1987/september 1988

    Met mijn boek ĎKRONOSí dat anno 2000 door de uitgeverij Aksent met een oplage van tweeduizend exemplaren werd gepubliceerd, bracht ik aan de hand van de sabbat- en jubeljaartelling van William Whiston (1667/1752 AD), een nieuwe berekening van de regeerperioden van de koningen van Juda en IsraŽl. De geleerde William Whiston was een Engelse theoloog, historicus en wiskundige. Hij is vooral bekend door zijn vertaling van de Joodse Oudheden en andere werken van Flavius Josephus van het Grieks naar het Engels.

    De Jubeljaren, waarvan William Whiston vanuit de Bijbel, de apocriefe MakkabeeŽnboeken en de werken van Flavius Josephus tien jubeljaren historisch op de tijdsbalk kon duidden, werden door hem als een tijdslijnketting naar het verleden toe gebruikt. Met zijn gegevens werkte ik op millimeterpapier een eerste tijdsbalk af en gebruikte de historische sabbat- en jubeljaren als navigatiepunten om als het ware in de tijd terug te reizen. De regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda vulde ik op de tijdsbalk opnieuw in met dezelfde historische sabbat- en jubeljaren als navigatiepunten. De val van Samaria valt nu aan de hand van de jubeljaren van Whiston in het jaar 717 v. Chr. De dood van Salomo en de scheuring van het Verenigd Koninkrijk van IsraŽl valt nu in het jaar 967 v. Chr. Dit zijn twee voorbeelden. Het optreden van Jezus Christus in de synagoge van Nazareth, zoals beschreven door de evangelist Lucas in hoofdstuk vier, viel gelijk met het begin van het dertigste jubeljaar van het jaar 27/28 AD.

     

    De verleiding is er bij mij om vanaf 27/28 AD naar de huidige tijd toe te rekenen. Wanneer we de wijze van rekenen van Whiston voor de jubeljaren hanteren, arriveren we in oktober 1987/september 1988 voor het zeventigste jubeljaar, sinds de instelling ervan. Wat was er zo bijzonder aan het jaartal 1987? Het jaartal 1987 maakte deel uit van een ketting van opvallende jaartallen eindigend met een zeven, in de geschiedenis van de Joden en de staat IsraŽl. Zo was het bijvoorbeeld anno 1897 dat het eerste zionistische congres te Bazel in Zwitserland plaatsvond waar Theodor Herzl (1860/1904) bij wijze van spreken de eerste steen legde voor een Joodse staat in het oude land der vaderen. In 1917 veroverden de Britten tijdens de eerste wereldoorlog Jeruzalem op de Turken, gevolgd door de zogenaamde ĎBalfour-declaratieí waarin de Joden werd toegestaan een thuisland in Palestina op te richten. De verovering van Jeruzalem door de Britten in 1917 sloot vierhonderd jaar Turks/Ottomaans bestuur af. In het jaar 1517 hadden de Ottomanen het gebied van het oude IsraŽl en de stad Jeruzalem op de Arabieren veroverd.

    In 1947 op 29 november stemde de VN met een meerderheid van landen in voor de deling van Palestina in een Joodse en een Arabische staat. De Arabische landen stemden tegen. Een jaar later werd in mei 1948 de staat IsraŽl opgericht. In 1967 veroverden de IsraŽliís tijdens de derde verdedigingsoorlog: Judea, Samaria, de Golan-hoogte, Gaza en de SinaÔwoestijn op de geallieerde legers van SyriŽ, JordaniŽ en Egypte. In 1977 veranderde de leider van Egypte Sadat van kamp, reisde onverwachts naar IsraŽl en bood zijn vrede aan.

     

     

    Mocht IsraŽl (en met hen de Ekklesia) dan tegen het jaar 1987 aan in verband met de ontwikkeling van het herstel van IsraŽl in het oude land der vaderen, met een ander opmerkelijk voorval rekenen? Misschien met de wederkomst van de Messias? Het was in ieder geval een verwachting die in de evangelische christengemeenschap van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, sterk leefde. Men rekende toen weliswaar niet met de jubeljaren van Whiston maar wel met een periode van veertig jaar vanaf de oprichting van de staat IsraŽl in 1948, en arriveerde aldus in het jaar 1988 voor de mogelijke wederkomst van de Heer Jezus. Een periode van veertig jaar werd als de lengte in tijd van een Bijbelse generatie gezien. Men had dan het geslacht van de IsraŽlieten in gedachte dat tijdens de veertigjarige periode in de wildernis, na de exodus daar gestorven was. De bestsellers van Hal Lindsey zoals de boeken ĎThe late Planet Earthí maar vooral ĎCounting down the Eightiesí, versterkten zeer het gevoel dat de Heer wel eens spoedig zou kunnen terugkeren. Maar zoals we allen weten is dit in 1988 niet gebeurd.

    Tijdens de lange periode sinds 1948, een mensenleven haast, is het nationaal herstelde IsraŽl in de media uitgegroeid van een David naar een Goliath. De nieuwe staat IsraŽl kon nochtans in 1987 nog op heel wat sympathie van de Belgen (ook seculiere) rekenen. De verdedigingsoorlogen van 1949 en 1967 van IsraŽl tegen de Arabische buurlanden, lagen nog niet zo ver achter de rug. In juni 1967 had het jonge IsraŽl op zes dagen tijd een machtige Arabische coalitie van drie legers verslagen, met als resultaat de verovering van Oost-Jeruzalem en de Tempelberg. Het sinds 1949 door JordaniŽ bezette oostelijke deel van Jeruzalem met zijn heilige plaatsen, werd op ťťn dag veroverd en later werd Jeruzalem tot de ondeelbare hoofdstad van de staat IsraŽl uitgeroepen. Het was een strijd van David tegen Goliath geweest. Gods hand was zichtbaar geweest en de boeken van Hal Lindsey werden toen zelfs als evangelisatiemateriaal gebruikt.

     

    Ik meen echter vandaag dat de periode 1948/1988 een scharniermoment betekende met uiteindelijk als resultaat een uitstel van de (weder)komst van de Messias. Het begin van het zeventigste jubeljaar van okt1987/sep1988 zag overigens ook geen bijzondere gebeurtenis. Integendeel, op zwarte maandag 19 oktober 1987 vond een beurscrash plaats die wereldwijd zware economische gevolgen had. Geen enkele belofte aan een Jubeljaar verbonden, ging toen in vervulling. Korte tijd later begon in IsraŽl de eerste Intifada. Een opstand van de Arabische bevolking tegen het IsraŽlische militaire bestuur in Gaza, Juda en Samaria. Op 8 december begon de opstand in Gaza die zich daarna naar de Westbank uitbreidde. Wat volgden waren stakingen en demonstraties waarbij de IsraŽlische soldaten met stenen bekogeld werden. Anderhalf miljoen Arabieren kwamen spontaan in opstand zodat men van een algemene volksopstand kon spreken. Ik schrijf spontaan, omdat de opstand aanvankelijk gebeurde zonder dat de PLO leiding, toen in ballingschap in Tunis sedert 1982, er zeggenschap over had. Wel volgden later gemeenschappelijke communiquťs waarbij werd opgeroepen tot gecoŲrdineerde stakingen en demonstraties tot het weigeren van IsraŽlische belastingen en het plegen van burgerlijk verzet. De opstand zou tot ongeveer 1993 duren, of zo een zes jaar waarna de Oslo-akkoorden gesloten werden.

     

    Ik meen dat er al eerder signalen waren die IsraŽl had moeten opmerken. Zo was er in 1973 de Jom Kippoer oorlog. Op hun heiligste dag van het jaar werden zij door de geallieerde legers van Egypte en SyriŽ overvallen. Een offensief dat zij konden terugslaan maar niettemin als een schokgolf door IsraŽl ervaren werd. Wat was de reden? Waar bleef de beloofde zegen en bescherming van Boven over de Grote Verzoendag? Een aparte dag toch waarop zij van hun vijanden gevrijwaard hadden moeten zijn.

    Ik veronderstel dat de oorzaak bij hun handelen ligt op de wijze van het afsluiten van de onafhankelijkheidsoorlog van 1948/1949. Dit was een eerste verdedigingsoorlog geweest tegen een Arabische poging hen in zee te drijven. De strijd werd uiteindelijk door IsraŽl gewonnen maar resulteerde in meer dan 711.000 Arabische vluchtelingen (inclusief vrouwen, kinderen en grijsaards) die op de vlucht voor het oorlogsgeweld gingen. Tijdens de eerste vredesconferentie te Lausanne in Zwitserland (27 april tot 12 september 1949) weigerde de jonge staat IsraŽl alle vluchtelingen naar hun huizen en bezittingen te laten terugkeren. De internationale vredesconferentie te Lausanne viel (heel opmerkelijk) haast tussen de twee bloed-manen van 1949, in. Dat jaar deed dit astronomisch fenomeen zich voor op 13 april of 14 Nisan met Pesach en op 7 oktober of 14 Tisjri met Sukkot. Het was het eerste jaar van een tetrade van bloed-manen, want in 1950 herhaalde het astronomisch fenomeen zich. We kunnen vandaag alleen maar raden naar het resultaat indien de staat IsraŽl in de geest van de Thora (Exodus 22:21-24), deze onfortuinlijke mensen naar hun huizen had laten terugkeren. De Arabisch-Palestijnse vluchtelingen van 1949 werden door de Arabische buurlanden ook niet opgenomen, maar in vluchtelingenkampen als ontheemde staatlozen ondergebracht. Ik bedenk tegelijkertijd dat er toen ook een andere vluchtelingenstroom op gang kwam. Een exodus van honderdduizenden Joodse mensen uit de Arabische landen vond spontaan plaats, die richting de nieuwe staat IsraŽl trokken. Deze mensen werden allen in IsraŽl gehuisvest, wat in contrast staat tot de onfortuinlijke gevluchte Palestijnen die in hun gastlanden geen asiel kregen maar in kampen werden ondergebracht.

    Vooral de Gazastrip die tijdens de onafhankelijkheidsoorlog door Egypte bezet en geannexeerd was, werd een uitvalsbasis van de Fedayin of Palestijnse commandogroepen, die raids op IsraŽlisch grondgebied uitvoerden. Deze plaag werd zo erg dat IsraŽl anno 1956, Frankrijk en Engeland in hun militaire actie tegen Egypte, vervoegde. In 1956 meenden Frankrijk en Engeland hun vergane koloniale invloed over Egypte nog te kunnen uitoefenen nadat Nasser, de toenmalige leider van Egypte, het Suezkanaal genationaliseerd had, door middel van een militaire invasie. IsraŽl werd verleid aan deze actie deel te nemen en bezette voor korte tijd een eerste maal Gaza en de SinaÔwoestijn. Voor een korte periode want de nieuwe grootmacht in de wereld sinds het einde van de tweede wereldoorlog: de VS, eiste en verkreeg de terugtrekking van Britten en Fransen uit de kanaal-zone.

    Indien de staat IsraŽl de Arabische ontheemden van 1948/1949 naar hun huizen had laten terugkeren waren er vermoedelijk in 1956 geen vluchtelingenkampen in Gaza geweest en had IsraŽl zich neutraal in het conflict kunnen opstellen. Vermoedelijk. Ik besef dat het herschrijven van de geschiedenis onmogelijk is.

    Persoonlijk geloof ik nochtans dat de kans reŽel was dat indien de gevluchte Arabische bevolking van 1948/1949 naar hun bezittingen in de nieuwe staat IsraŽl had kunnen terugkeren, zij zich net als diegene die toen besloten hadden niet te vluchten, uiteindelijk de verkregen burgerrechten zouden verkozen hebben boven een eventuele verzetsstrijd. Ik herhaal dat het een persoonlijke mening is, op het terrein merk ik nochtans vandaag dat de Arabische bevolking van IsraŽl, binnen de grenzen van 1949, zich positief tot IsraŽlische staatsburgers ontwikkeld heeft.

    Het is anders gelopen. Het probleem was overigens niet alleen de Arabische ontheemden van 1948, maar ook de haat van de Arabische buurlanden-regimes die geen staat IsraŽl in Palestina wilden aanvaarden. De staat IsraŽl wordt sinds 1948 als een doorn in het Arabisch-Islamietische vlees ervaren, een doorn die verwijderd moet worden. De religie is misschien wel de grootste struikelsteen tot het bekomen van een algemene vredesoplossing. De Bijbel en de Koran zijn twee openbaringen die tegenover elkaar staan. De Bijbel leert een derde herstel van IsraŽl in het oude land der vaderen en de Koran sluit een derde herstel van IsraŽl in Palestina uit. Hierna een citaat dienaangaande uit de Koran naar de vertaling van Professor Dr. J. H. Kramers, 1976, de zeventiende soera:

    17:1 Heilig is Hij Die Zijn dienaar bij nacht voerde van de Heilige Moskee naar de Verre Moskee welker omgeving Wij hebben gezegend, opdat Wij hem enkele Onzer tekenen zouden tonen. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alziende.

    17:2 Wij gaven Mozes het Boek en maakten het tot een richtsnoer voor de kinderen van IsraŽl, zeggende: "Neemt niemand buiten Mij als Voogd."

    17:3 "O, nageslacht dergenen die Wij met Noach (in de Ark) droegen! Hij was inderdaad een dankbare dienaar."

    17:4 En Wij maakten aan de kinderen van IsraŽl in het Boek bekend: "Voorwaar, tweemaal zult gij op de aarde verderf teweeg brengen en voorzeker zult gij uitermate aanmatigend worden."

    17:5 Toen dan ook de tijd voor de eerste van de twee bedreigingen kwam, zonden Wij Onze dienaren, toegerust met grote macht tegen u uit, die de huizen binnendrongen; dit was een belofte die in vervulling ging.

    17:6 Nadien gaven Wij u macht over hen en Wij hielpen u met rijkdommen en kinderen, en maakten u groter in getal.

    17:7 (Zeggende) "Indien gij goed doet, doet gij goed voor uzelf; en indien gij kwaad doet, is het tegen uzelf. En toen de tijd was gekomen voor de tweede (bedreiging), zonden Wij (andere volkeren) om u met schande te treffen zodat zij de Moskee zouden binnendringen zoals zij er de eerste keer binnen gingen om alles wat zij veroverd hadden te verwoesten."

    17:8 "Het kan zijn dat uw Heer u barmhartigheid zal tonen; doch indien gij terugkeert, zullen Wij ook terugkeren en Wij hebben de hel tot een kerker voor de ongelovigen gemaakt."

     

    Soera 17:4 beschrijft IsraŽl negatief als een aanmatigende verderfbrenger en dat zij dit in hun lange geschiedenis slechts tweemaal vergund werd te zijn. Van een derde herstel is er geen sprake. Het volgende vers vijf beschrijft de vernietiging van de tempel van Salomo in 586 v. Chr. door de BabyloniŽrs. Het jaartal en de historische context halen we uit de wereldgeschiedenis. Vers zeven van de zeventiende soera beschrijft de vernietiging van de tweede Tempel te Jeruzalem door de hand van de Romeinen onder leiding van Titus in 70 AD. Het is vers acht dat een accepteren van een Joodse staat in Palestina door Islamieten in wezen onmogelijk maakt: ďdoch indien gij terugkeert , zullen Wij ook terugkeren en Wij hebben de hel tot een kerker voor de ongelovigen gemaakt." Een derde blijvend herstel voor IsraŽl in het oude land der vaderen wordt uitgesloten.

     

     

    Het is tegen deze godsdienstige achtergrond dat alle oorlogen van de Arabische buurlanden sinds 1948 begrepen kunnen worden.

    Een volgende verdedigingsoorlog voor IsraŽl was die van juni 1967. Een Arabische coalitie onder leiding van Nasser bereidde zich voor tot de tweede poging sinds 1948 om IsraŽl van de kaart te vegen en de Joden in zee te drijven. Het draaide anders uit en op zes dagen tijd veroverden de IsraŽliís alle Bijbelse gebieden ten westen van de Jordaan, de SinaÔwoestijn incluis. Opnieuw echter was er een vlucht van Arabische mensen voor het oorlogsgeweld. Meer dan driehonderdduizend mensen vervoegden de rangen van de Arabische ontheemden van 1949, in de buurlanden waar ook deze in kampen terechtkwamen.

    Naar mijn mening had de IsraŽlische regering in 1967 de Westbank moeten annexeren en de Arabische inwoners aldaar burgerrechten geven. Ik herhaal dat het herschrijven van de geschiedenis onmogelijk is. De staat IsraŽl besloot het veroverde gebied als mogelijke pasmunt voor een vredesregeling te gebruiken. Die vrede werd hun echter niet gegund, de Arabische regimes korte tijd later vergaderd in Khartoem, kozen voor de strijd en weigerden een staat IsraŽl in het gebied te erkennen. Het is de geschiedenis ingegaan als de drie nee ís van Khartoem: geen vrede met IsraŽl, geen erkenning van IsraŽl en geen onderhandelingen met IsraŽl.

    De jaren 1967 en 1968 zag weer een tetrade van bloed-manen die gelijk met de Joodse feesten Pesach en Sukkot vielen op: 24 april en 18 oktober 1967 en op 13 april en 6 oktober 1968. In 1968 was de nieuwe staat IsraŽl exact twintig jaar oud en bereikte hier de volwassenheid. Men was trots op wat bereikt was maar keek weg van de veroorzaakte problemen.

     

    In november 1977 reisde de Egyptische leider Sadat van Egypte, die van kamp had gewisseld, plotseling als een donder bij heldere hemel naar Jeruzalem en bood 'zijn' vrede aan. Een vrede die de staat IsraŽl aanvaarde en in feite een stop voor een mogelijke annexatie van Samaria en Judea betekende. De eerder veroverde SinaÔwoestijn werd na de Camp David-akkoorden in fases aan Egypte teruggegeven en zelfs de nieuw gestichte Joodse stad Jamit aan de beek van Egypte in de SinaÔ, werd in 1982 met bulldozers platgewalst, alvorens het gebied terug naar Egypte ging. De Westbank, het Bijbelse Samaria en Judea, zou volgens Sadat autonomie moeten krijgen, uitmondend in zelfbestuur. Een vraag van Sadat waar de IsraŽlische regeringsleiders positief op ingingen. De PLO wees dit echter af.

    Dit geschiedde slechts tien jaar na de oorlog van 1967 waar het voortbestaan van de staat IsraŽl op het spel stond en men de beschermende hand van God had moeten zien. Sinds 1973 met de Jom Kippoeroorlog waren er vier jaar verlopen. De actie van Sadat was unilateraal genomen en werd door de overige Arabische landen niet gevolgd. Egypte werd van dan af als een paria behandeld en geÔsoleerd.

     

    De reden dat het zeventigste jubeljaar in 1987 geen bijzondere zegen zag ligt naar mijn mening in de houding van de leiders van IsraŽl ten overstaan van het in bezit nemen van de Bijbelse gebieden en hun handelen naar de inheemse Arabische bevolking toe. Men is namelijk niet naar een verlaten gebied teruggekeerd en de inheemse Arabische bevolking zijn geen Kanašnieten meer zoals ten tijde van Jozua of Filistijnen zoals ten tijde van Saul en David, maar ditmaal nazaten van IsmaŽl (Genesis 21:17) op wie ook beloften Gods rusten. Sindsdien is het echter van kwaad naar erger gegaan.

     

    Na de val van de Berlijnse muur in 1989 en vervolgens het einde van de koude oorlog, volgde de conferentie van Madrid in 1991. Onder leiding van Sovjet-Rusland en de VS zaten IsraŽl en al zijn buurlanden aan de onderhandelingstafel. De Palestijnen hadden samen met de Jordaanse delegatie een vertegenwoordiging. De PLO van Arafat zat alsnog geÔsoleerd in Tunis. Het was de eerste keer in de geschiedenis sinds 1948 dat alle partijen aan ťťn tafel zaten. Dit laatste was dan wel het enige resultaat van de vergadering, naast het feit dat de Palestijnse afvaardiging akkoord ging om over een autonomie van de bezette gebieden met IsraŽl verder te onderhandelen. Een tweede ronde is er niet gekomen. Hetzelfde jaar verdween de Sovjet-Unie om plaats te maken voor een soort Gemenebest van landen met Rusland als leider.

    Wat volgde waren de Oslo-onderhandelingen waar IsraŽl onder begeleiding van de VS, tot een akkoord met de PLO kwam. Het akkoord voorzag in autonome gebieden voor de Arabieren in Gaza, Samaria en Judea en dit volgens etappes. Wat de IsraŽlische premier Rabin in gang zette heeft hij niet kunnen beŽindigen. De man werd in het openbaar in IsraŽl vanwege zijn vredespolitiek vermoord. Zijn opvolgers waren minder bereid tot het opgeven van land zonder een allesomvattend akkoord.

     

    Met 11 september 2001 of het bekende Amerikaanse 09.11 Ďnine elevení, ontbrandde de ĎWar on Terrorí van de VS tegen Al Qayda en deze strijd kreeg alle aandacht. De druk op IsraŽl van de VS om tot een vergelijk met de Palestijnen te komen werd minder. In december 2007 pas volgde opnieuw een poging tot het bekomen van vrede voor het Midden-Oosten. In Annapolis, Maryland, aan de oostkust van de VS vond een megaconferentie plaats met 49 verschillende delegaties, allemaal hoofdrolspelers op het terrein. Belangrijkste landen van buiten het gebied waren de EU, Rusland, China en India. Iran was niet uitgenodigd noch Hamas dat Gaza controleert. Maar ook Annapolis leverde geen algemene vredesregeling op. De volgende VS-administratie was die van Obama die gedurende acht jaar tot 2016 het presidentschap over de VS zou uitoefenen. De ĎWar on Terrorí werd voortgezet en tegelijkertijd pogingen ondernomen zodat de staat IsraŽl tot een vredesregeling met de Palestijnse autoriteit zou komen. Het voorstel van Obama was om via een landswap van gebied langs de grens van 1949, tot een vredesoplossing te komen met nieuwe grenzen zodat twee staten, een Joodse en een Arabische tot stand zouden kunnen komen. Een algemene vredesconferentie is er tijdens de Obama-administratie niet gekomen. De hoofdreden was dat geen van beide partijen tot concessies bereid waren. Een onoplosbaar probleem bleef vooral de sinds 1967 eengemaakte hoofdstad van IsraŽl: Jeruzalem. De Palestijnen eisen de oostelijke helft van de stad als hoofdstad op, met de grenzen volgens de demarcatielijn van 1949 toen het Jordaanse leger Jeruzalem binnenrukte en annexeerde. Een eis die voor IsraŽl onbespreekbaar is.

    Een andere reden was de algemene toestand in het Midden-Oosten met een aanslepende burgeroorlog in SyriŽ en een nieuw regime in Bagdad-Irak dat moeizaam zijn soevereiniteit over haar grondgebied dient te herstellen. Met het aantreden van de nieuw verkozen president Trump in 2017 lijkt het dat voorlopig alle druk op IsraŽl weg is tot opgeven van land in Samaria en Judea in ruil voor een algemene vrede met de Palestijnse autoriteit. Gaza werd in 2005 door de IsraŽli ís volledig ontruimd, ook de nederzettingen. In de nasleep van de IsraŽlische terugtrekking brak er een bloedige burgeroorlog in Gaza uit waarbij Hamas het won van Fatah en daarna een rakettenplaag richting IsraŽl opstartte.

     

    De door velen naar uitgekeken tetrade van bloed-manen in de jaren 2014/2015 waar de Joodse feesten Pesach en Sukkot mee gelijk vielen (Pesach 15 april en Sukkot 8 oktober 2014, Pesach 4 april en Sukkot 28 september 2015) zag geen bijzondere gebeurtenis plaatsvinden. Tenzij dan de onoplosbaarheid van het conflict tussen Arabieren en Joden.

    Dat de bloed-manen van 2014/2015 geen bijzondere gebeurtenis zag plaatsvinden, toont volgens mij aan dat er inderdaad een scharniermoment van uitstel sinds de periode 1947/1967 heeft plaatsgevonden.

     

    Over zulk een scharniermoment van uitstel in de geschiedenis van het oude IsraŽl hebben we een voorbeeld in het Oude Testament. In het tweede jaar na de exodus trokken de IsraŽlieten onder leiding van Mozes, van de berg Gods op naar het Beloofde Land. Twaalf verspieders werden daarna aan de grens uitgezonden. Dit is een geschiedenis die algemeen bekend is. De twaalf verspieders verkennen gedurende veertig dagen het land, komen terug met druiventrossen die ze amper kunnen dragen, bevestigen dat het een land van melk en honing is, kortom een vruchtbaar land van overvloed. Maar tien van de twaalf verspieders overtuigen het volk dat het land onneembaar is vanwege de sterkte van de inwoners. Met zekerheid zouden zij ten onder gaan moesten ze trachten het land in te nemen. Het zijn alleen Jozua en Kaleb die geloof hebben en het land willen binnentrekken. Het volk echter laat zich overtuigen door de tien ongehoorzame verspieders en weigert binnen te trekken. Het resultaat is dat alle volwassenen van twintig jaar en daarboven gedoemd worden in de woestijn aan de rand van het Beloofde Land te verblijven, tot zij daar allen gestorven zijn (Numeri 14:28-35). De nieuwe generatie zou samen met Jozua en Kaleb, achtendertig jaar later in 1443 v. Chr., het Beloofde Land binnentrekken.

     

    Tegelijkertijd betekende de ongehoorzaamheid van de IsraŽlieten een uitstel van oordeel over de Amorieten en de andere bewoners van het land Kanašn. De maat van hun zonde was nochtans vol.

    Genesis 15:13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. 14 Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have. 15 En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. 16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. 17 En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. 18 Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: 19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet, 20 En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten, 21 En den Amoriet, en den Kanašniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.

     

    De tijd was in 1482 v. Chr. rijp voor hun verwijdering uit het land, maar als een gevolg van IsraŽls ongeloof kregen zij achtendertig jaar respijt, uitstel van executie. Mozes behoorde tot het vierde geslacht. Hij ging terug tot op Levi, een van de twaalf zonen van Jakob/IsraŽl.

    Misschien kunnen we in het licht van deze geschiedenis de lijn doortrekken naar het moderne IsraŽl en de Arabische buurlanden. Wel wil ik nogmaals opmerken dat de Arabieren vandaag geen Amorieten of Amalekieten zijn, maar ook Semieten die in de lijn van de aartsvader Sem hun oorsprong terugvinden. Op hen rusten uiteindelijk ook beloften van herstel in het komende Messiaanse Vrederijk. Zij zijn wel sinds de dagen van IsmaŽl tegenstanders van IsraŽl en betwisten het recht op het Beloofde Land. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: De AssyriŽrs en Abraham, blz. 47-58.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    23-03-2017 om 09:20 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Bijbelse farao SISAK

    2 Kronieken 12:1 Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en gans IsraŽl met hem. 2 Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den HEERE), 3 Met duizend en tweehonderd wagenen, en met zestig duizend ruiteren; en des volks was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte, Libyers, Suchieten en Moren; 4 En hij nam de vaste steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe. 5 Toen kwam Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak. 6 Toen verootmoedigden zich de oversten van IsraŽl en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig. 7 Als nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in kort ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden. 8 Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en den dienst van de koninkrijken der landen. 9 Zo toog Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis des HEEREN en de schatten van het huis des konings weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. 10 En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden. (Statenvertaling)

     

    De naam Sisak is een Bijbels-Hebreeuwse naam die de Kroniekschrijver aan de farao van Egypte gaf, die in het vijfde regeringsjaar van koning Rehabeam, Juda binnenrukte en de Tempel en het paleis van Salomo te Jeruzalem plunderde. Volgens de Joodse Seder Olam-overlevering betekende de naam Sisak: verlangen of begeren. Sisak rukte volgens de overlevering tegen Jeruzalem op omdat hij de ivoren troon van Salomo begeerde. De troon van Salomo nam Sisak ook daadwerkelijk naar Egypte als buit mee. Indien deze Joodse overlevering correct is heeft het geen zin om de identificatie van de Bijbelse naam Sisak of Shishak op basis van linguÔstische gronden met Egyptische namen te zoeken. De Hebreeuwse naam Sisak is namelijk een scheldnaam en geen eigennaam. 

    De orthodoxe egyptologen hebben nochtans sinds het ontcijferen van de hiŽrogliefen de identificatie met de LibiŽr Sjosjenq I van de tweeŽntwintigste dynastie gezocht, op basis van linguÔstische gelijkenissen. Ook baseerden zij zich op de bewaarde tempelmuren-reliŽfs in Egypte waar een veldtocht van Sjosjenq naar Kanašn beschreven staat. Bij nader onderzoek blijkt echter dat de naam Jeruzalem op de lijst van veroverde steden niet voorkomt, en de beschreven campagne hoofdzakelijk noordelijk van Juda uitgevoerd werd. Het leger van Sisak dat in de Bijbel beschreven wordt telde 1.200 strijdwagens en 60.000 ruiters wat een strijdmacht was die geen enkele Libische farao ooit op de been bracht. Sjosjenq I en Sisak zijn dus wel degelijk twee verschillende personen met een tijdsverschil van ongeveer twee eeuwen op de tijdsbalk.

    Dat de Libische dynastie met Sjosjenq I als onderdeel van de Aton-faraoís in de achtste eeuw v. Chr. thuishoort, heb ik in mijn boek De Zonaanbidder, 2015, blz. 167-172, aangetoond.

     

    Onder revisionisten van de geschiedenis van de oudheid bestaat er geen overeenkomst betreffende de identificatie van de Bijbelse farao Sisak met een naam uit de Egyptische koningslijsten.

    Dr. ImmanuŽl Velikovsky (1895/1979) identificeerde (naar mijn mening overtuigend) Sisak met farao Thothmosis III van de achttiende dynastie.

     

     

    Volgens zijn revisie verhuist de achttiende dynastie van de vijftiende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk, naar de tiende eeuw v. Chr. Dit is een identificatie en plaatsing op de tijdsbalk die ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, volgde maar dan gerangschikt binnen het Bijbels-historische kader van de koningen van Juda en IsraŽl op basis van de sabbat- en jubeljaren.

     

     

    Ook de geleerde Dr. Donovan A. Courville (1901/1996), in zijn opus magnum ĎThe Exodus Problem and its Ramifications, 1971, die een herziening van de plaatsing van de Egyptische dynastieŽn op de tijdsbalk uitwerkte, volgde wat de achttiende dynastie betreft, de eerdere identificatie van Velikovsky van Sisak met farao Thothmosis III.

     

    De Evangelische Omroep volgde aanvankelijk de identificatie van Sisak met Thothmosis III in haar prachtig gedocumenteerde uitgave van 1982: het ontstaan van IsraŽl Ė de geschiedenis van het Oude Testament, blz. 152, en gaf uitgebreid aandacht aan het studiewerk van Dr. I. Velikovsky.

     

    Maar toen kwam de egyptoloog David Rohl met zijn reconstructie van de regeerperioden van de faraoís op de tijdsbalk, en de E.O. ruilde Velikovsky in voor Rohl. In 1995 zond de E.O. de videoreeks op televisie uit: FARAOíS EN DE BIJBEL. Dit was een bewerking van de driedelige TV serie: Pharaohs and Kings: A Biblical Quest, vertoond op Channel 5 in het Verenigd Koninkrijk. De egyptoloog David Rohl lanceerde hier een nieuwe chronologie waarbij Ramses II met de Bijbelse Sisak geÔdentificeerd wordt en brak volledig met het werk van Velikovsky. David Rohl noemt zichzelf een agnost, maar beschouwt niettemin de grote lijnen van de Bijbelse geschiedschrijving als historisch correct, (zolang zij niet worden tegengesproken). In zijn bestseller ĎA TEST OF TIME, Chapter Eleven, Navigating by the Stars. The Ugarit Solar Eclipseí, verbindt hij de regeerperiode van farao Amonhotep IV en met name diens twaalfde regeringsjaar met een genoteerde zonsverduistering over Oegarit. Het jaar 1012 v. Chr. werd zodoende zijn ankerjaar en vertrekpunt op de tijdsbalk ter rangschikking van de overige farao ís van de achttiende dynastie, gevolgd door de negentiende dynastie. Het is farao Ramses II van de negentiende dynastie die volgens David Rohl te identificeren is met de Bijbelse Sisak. Rohl maakt de identificatie van Ramses II met SISAK onder andere ook via een linguÔstische overeenkomst met de afkorting van Ramses IIí naam: SYSW.

    Rohl ís tijdsconstructie maakt echter van zowel Saul als David tijdgenoten van farao Amonhotep IV van de achttiende dynastie, en ondergeschikt aan hem. Op basis van het eerder geciteerde Bijbelgedeelte uit 2 Kronieken 12:8 staat deze constructie haaks op wat de Bijbel over deze epoque leert. Saul, David en Salomo waren onafhankelijke vorsten en geen knechten of vazallen van farao, dat maakt 2 Kronieken 12:8 zondermeer duidelijk. Het is pas na de dood van Salomo tijdens het koningschap van Rehabeam dat zij vazallen van Egypte zouden worden. Dit is een belangrijk detail en bepaalt of een onderzoeker de Bijbel als gezaghebbend bestudeert en gebruikt, of niet. David Rohl negeert het Bijbelgedeelte 2 Kronieken 12:8 schaamteloos omdat het niet in zijn reconstructie past.

    Over de constructie van Rohl schreef ik eerder al op dit blog een reactie. Zie het artikel van 12.09.2016: Hoelang heersten de Hyksos over Egypte? Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1473631200&stopdatum=1474236000

     

     

    Het bewijsmateriaal dat Velikovsky levert ter identificatie van Sisak met Thothmosis III komt uit primaire bron en is aldus overtuigend. Farao Thothmosis III heeft namelijk zijn meegebrachte buit uit Jeruzalem laten afbeelden op zijn tempelmuren te Karnak in Egypte. De geroofde voorwerpen uit de tempel te Jeruzalem en uit het paleis van Salomo kunnen alle op de reliŽfs van de tempelmuur te Karnak teruggevonden worden. De afbeelding bovenaan komt uit het boek ĎEeuwen in Chaosí van Dr. I. Velikovsky en geeft voor elk voorwerp een nummer met verklaring. De vaten bijvoorbeeld op de zesde rij zijn de sprengbekkens zoals vermeld in het Bijbelboek 2 Kronieken 4:8. De in het daaropvolgende vers genoemde met koper overtrokken deuren kan men rechts op de tiende rij vinden: het getal-symbool vermeldt 33 exemplaren. Op de derde rij, boven in het midden, zijn een viertal kandelaars met lampen goed te herkennen ( 2 Kronieken 4:20) De meest rechte kandelaar heeft drie lampen links en drie lampen rechts (zie Exodus 25:35 en 37:21), de andere drie hebben aan iedere kant acht lampen. De versieringen met aan dieren en/of planten ontleende motieven komen overeen met diegene die in 1 Koningen hoofdstuk 7 vermeld worden. Verder zijn al deze religieuze voorwerpen op een merkwaardige manier beeld-loos. Zeer opvallend ook is het ontbreken van afgodsbeelden. Ook erotische symbolen die bij heidense godsdiensten van deze tijd gebruikelijk zijn, vindt men niet op de tempelmuur van Thothmosis III te Karnak afgebeeld. En heel opmerkelijk is het correcte getal van het aantal gouden schilden dat farao Sisak alias Thothmosis III uit het Huis van Salomo, het huis van het Woud van de Libanon roofde: driehonderd (zie 2 Kronieken 9:15). Dit getal vindt men ook op de tempelmuur te Karnak in Egypte terug.

    Over Salomo ís huis: woud van de Libanon, schreef ik eerder op dit blog een artikel op 09.03.2015, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1425855600&stopdatum=1426460400

     

    Alhoewel het baanbrekende studiewerk van Dr. ImmanuŽl Velikovsky dikwijls doodgezwegen en/of verguisd wordt, blijft zijn bewijslast wat de identificatie van Sisak met Thothmosis III betreft rotsvast overeind. Men kan op onderdelen van Velikovsky ís werk van mening verschillen of afwijzen maar niet heel zijn werk. Ik gebruik zijn boek ĎAges in Chaosí uit 1952 nog regelmatig als naslagwerk. Ik ben zelfs de gelukkige bezitter van een eerste druk-exemplaar dat ik in Antwerpen in een antiquariaat op de kop kon tikken. Het is blijkbaar alleen in zulke gespecialiseerde boekhandels dat men de werken van Velikovsky nog kan vinden, het resultaat van een geestelijke moord op een autodidactische onderzoeker en auteur die in wezen het startschot tot het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heeft gegeven, en wiens startblokken de Ďverguizersí gebruiken.

     

    In mijn boek ĎTIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: Prinses Ano, de Egyptische vrouw van Jerobeam I, blz. 217-219, geef ik aandacht aan een bijzonder onderdeel van Velikovsky ís studie. In zijn boek ĎEeuwen in Chaosí (Ages in Chaos), hoofdstuk vier, verwijst Velikovsky naar de Egyptische prinses Ano van de achttiende dynastie en een vaas met haar naam erop die in het Metropolitan Museum of Art in New York bewaard wordt. Velikovsky vestigt de aandacht op het feit dat de naam identiek is met de naam die de Septuagintvertaling van de Bijbel voor de vrouw van Jerobeam, de eerste koning van het tienstammenrijk en rivaal van Rehabeam, opgeeft. Velikovsky verwijst daarbij in de voetnoten van zijn studie naar het Egyptische kunstvoorwerp met opslagcode: 10.130.1003 van het Metropolitan Museum of Art in New York. Ik surfte na het lezen van het hoofdstuk op het internet naar het Metropolitan Museum of Art, tikte het code nummer in en tot mijn verrassing kwam, via de informatie uit een uitgave van een boek van ten slotte vijfenzestig jaar terug, het kunstvoorwerp op het beeldscherm tevoorschijn, zie link: http://www.metmuseum.org/art/collection/search/543952

    Het fascinerende is dat deze vaas en prinses tot de Egyptische achttiende dynastie behoren en farao Thothmosis III alias Sisak met Salomo en Rehabeam verbindt.

    Hierna het betreffende Bijbelcitaat van het Grieks naar het Engels vertaald:

    Septuagint III Kings 12:24

    And there was a man of mount Ephraim, a servant to Solomon, and his name was Jeroboam: and the name of his mother was Sarira, a harlot: and Solomon made him head of the levies of the house of Joseph: and he built for Solomon Sarira in mount Ephraim; and he had three hundred chariots of horses: he built the citadel with the levies of the house of Ephraim; he fortified the city of David, and aspired to the kingdom, And Solomon sought to kill him; and he was afraid, and escaped to Susakim king of Egypt, and was with him until Solomon diedÖ.

     

    Ö And Jeroboam heard in Egypt that Solomon was dead: and he spoke in the ears of Susakim king of Egypt, saying, Let me go, and I will depart into my land: and Susakim said to him, Ask and request, and I will grant it thee. And Susakim gave to Jeroboam Ano the eldest sister of Thekemina his wife: she was great among the daughters of the king, and she bore to Jerobaom Abia his son: and Jeroboam said to Susakim, Let me indeed go, and I will depart.

     

     

    Onze huidige Bijbelvertalingen (1 Koningen 11:40) zijn gebaseerd op de Masoretische tekst en geven geen verwijzing naar het tweede gedeelte uit de Septuagint zoals hiervoor geciteerd. Volgens mijn mening kan het niet anders dan dat de Septuagint vertalers van de Hebreeuwse Bijbel in de derde eeuw v. Chr. in Egypte, historisch genoteerde bijzonderheden kenden en dit aan de Bijbelvertaling hebben toegevoegd. Zij hadden hoogstwaarschijnlijk toegang tot dezelfde bronnen die Manetho de Egyptische historicus, enkele jaren later ten tijde van koning PtolemeŁs III zou gebruiken voor de samenstelling van zijn Egyptische geschiedenis (zie Flavius Josephus, Tegen de Grieken Boek I, 73). Een werk dat samen met andere kostbare boeken definitief verloren ging bij de laatste brand van de bibliotheek van AlexandriŽ in 642 AD het jaar dat Arabische moslims Egypte onder de voet liepen.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    20-03-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zondvloed van Deucalion

    De zondvloed van Deucalion behoort tot de zondvloedverhalen uit de Griekse mythologie en wordt ook al eens in verband met de Bijbelse Genesiszondvloed gebracht. Nu vermeldt de Egyptische historicus Manetho echter dat de overstroming van Deucalion plaatsvond tijdens het bewind van de zesde farao uit de achttiende dynastie, en het is op basis van deze informatie dat ik dit artikel wil uitwerken. Mijn bedoeling is de meganatuurcatastrofe die ten tijde van Deucalion de oude wereld trof, door middel van de cyclus van meganatuurcatastrofes (ongeveer) op de tijdsbalk vast te leggen. Van belang is de juiste ankerpunten op de tijdsbalk te vinden, ter navigatie naar het rampjaar ten tijde van de zesde farao van de achttiende dynastie.

     

     

    In vorige afleveringen bracht ik de cyclus van meganatuurcatastrofes van de wetenschappers Patten, Hatch en Steinhauer (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973) onder de aandacht. Het is in de cyclus van deze rampen, dat de beschreven zondvloed van Deucalion geplaatst moet worden. In een cyclus van 54 jaar en zes maanden werd planeet aarde in de oudheid vanaf de vierentwintigste eeuw tot aan de achtste eeuw v. Chr. getroffen. Daarna kwam volgens de theorie ons zonnestelsel tot rust.

    Belangrijke al eerder bekomen jaartallen voor historisch-genoteerde meganatuurcatastrofes maken dat we de zondvloed van Deucalion vrij goed kunnen dateren. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de opgerichte steen van SamuŽl te Eben HaŽzer, blz. 169-175, dateerde ik de meganatuurcatastrofe ten tijde van de profeet SamuŽl exact voor de maand oktober van het jaar 1103 v. Chr. Dit is een jaartal dat in de cyclus van 54 jaar en zes maanden voor meganatuurcatastrofes past. Vanaf het ankerjaar 776 v. Chr. gerekend arriveert men namelijk in 1103 v. Chr. voor de vanuit de Bijbelse chronologie gedateerde overwinning op de Filistijnen. Op mijn tijdsbalk blijkt dat het bekomen jaartal 1103 v. Chr., het einde van de veertigjarige verdrukking van de IsraŽlieten door de Filistijnen betekende. Dit is geen toeval uiteraard en is een aanwijzing vanuit de verkregen chronologie van de Bijbel dat er een cyclus van meganatuurcatastrofes in de oudheid, aan de hand was.

    1 SamuŽl 7:9 En toen SamuŽl voor IsraŽl tot de HERE riep, antwoordde de HERE hem. 10 Terwijl SamuŽl bezig was het brandoffer te brengen, rukten de Filistijnen op ten strijde tegen IsraŽl, maar de HERE deed te dien dage machtig de donder rollen over de Filistijnen en bracht hen in verwarring, zodat zij tegen IsraŽl de nederlaag leden. 11 De mannen van IsraŽl trokken toen uit Mispa, vervolgden de Filistijnen en versloegen hen tot beneden Bet-Kar. 12 En SamuŽl nam een steen en stelde die op tussen Mispa en Sen; hij gaf hem de naam Eben-HaŽzer, en zeide: Tot hiertoe heeft ons de HERE geholpen. 13 Zo werden de Filistijnen vernederd en drongen het gebied van IsraŽl niet meer binnen. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    De onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer stellen dat de steen die de naam Eben-HaŽzer kreeg, een meteoriet was: ďin all likelihood a Mars-asteroid, once a part of the fragmented planet, Electra.Ē

    ďThe Ďstone of powerí was a large impressive meteorite, and it was selected, appropriately enough, for an historical monument.Ē (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Chapter VI, Catastrophes of the Davidic Era, The Samuelic Catastrophe)

    Ook de oudheidhistoricus Flavius Josephus beschrijft de geschiedenis van de steen Eben-HaŽzer (Joodse Oudheden, Boek VI,ii.2.

     

    Vierenvijftig jaar en zes maanden later in april 1049 v. Chr. werd de oude wereld en vooral Egypte, opnieuw door een catastrofe van kosmische oorsprong getroffen. Zie het artikel op dit blog van 18.10.2016: voorjaar 1049 v. Chr.: de verdrijving van de Hyksos/Amalekieten uit Egypte en de notering van een meganatuurcatastrofe. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1476655200&stopdatum=1477260000

     

    In het hierboven geciteerde artikel verwijs ik naar mijn boek TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 197-203 en blz. 220-223, waarin ik de regeerperiode van farao Thothmosis III/Misphragmuthosis/Mencheperre, op de tijdsbalk op basis van de Bijbelse chronologie, verankerd heb.

     

    Misphragmuthosis of beter bekend als Mencheperre of Thothmosis III was de zesde farao van de achttiende dynastie van Manetho. Alleen de kopieerder van Manetho: Africanus, vermeldt laconiek bij zijn regeerperiode voor Misphragmuthosis dat in zijn tijd de vloed van Deucalion plaatsvond. De andere kopieerders van Manetho: Eusebius en Josephus, zwijgen over de vloed. Africanus geeft verder geen chronologische indicatie wanneer juist de ramp Egypte trof.

    Uitgaande van een aangetoonde cyclus van meganatuurcatastrofes zijn we in staat (ongeveer) een jaartal aan de vloed van Deucalion ten tijde van Misphragmuthosis te geven.

     

    Gerekend vanaf oktober 1103 v. Chr. en vervolgens vanaf april 1049 v. Chr. met tijdschijven van telkens 54 jaar en zes maanden arriveren we in april 941 v. Chr. tegen het einde aan van de regeerperiode van Thothmosis III/Misphragmuthosis in diens vijfenveertigste regeringsjaar. Dit jaartal staat of valt uiteraard indien er geen afwijkingen in de cyclus van rampen voorkomen.

     

    De nasleep van de meganatuurcatastrofe betekende een verzwakking van de macht van Thothmosis III over de regio, want daarna vinden we geen genoteerde veldtochten meer terug (Sir Alan Gardiner, Egypt of the Pharaohs, 1961, Book II, VIII, The Theban Supremacy, page 197).

    Na de grote vloed van Deucalion volgde in 933 v. Chr. de invasie van het geruÔneerde Egypte door de Bijbelse farao Zera de EthiopiŽr. Over de Ethiopische invasie en bezetting van Egypte en de ontstane tussenperiode in de achttiende dynastie, schreef ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 229-232, een hoofdstuk.

     

     

    Op het bijgevoegde schema merken we dat het jaar 941 v. Chr. tijdens de regeerperiode van Asa van Juda viel, en tijdens de regeerperiode van Baesa van het tienstammenrijk. De Bijbel zwijgt tijdens deze periode over buitensporig natuurgeweld. Ik neem aan dat in het bijzonder de Grieken en de Egyptenaren dat jaar getroffen werden en het gebied van IsraŽl grotendeels verschoond bleef.

     

    De volgende verstoring aan de hemel in de cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong, zou IsraŽl wel treffen. Dit fenomeen staat beschreven in het Bijbelboek 1 Koningen hoofdstuk 18 waar de profeet Elia getuige is van hemels (astronomisch) vuur dat zijn slachtoffer op het altaar van twaalf stenen op de berg Karmel, volledig verteerde, stenen en al. Het kosmisch verband met deze beschreven gebeurtenis wordt door de wetenschappers Patten, Hatch en Steinhauer in hun boek: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Page 153-159, uitvoerig beschreven. Hun datering van de catastrofe gebeurde echter aan de hand van Thiele ís jaartallen voor Achab van IsraŽl en zit er als een gevolg enkele jaren naast. De plaatsing van de regeerperiode van koning Achab van IsraŽl op de tijdsbalk aan de hand van de sabbat- en jubeljaren, heb ik al eerder op dit blog behandeld. Zie het artikel van 08.12.2015: Kroniek van koning Achab van IsraŽl, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1449442800&stopdatum=1450047600

     

    Het fenomeen van het vuur des HEEREN (1 Kon.18:38) zit op de tijdsbalk chronologisch verankerd met het jaar 893 v. Chr. Wanneer we vanaf dit ankerjaar 54 jaar en zes maanden terug in de tijd rekenen is het resultaat: 947 v. Chr., of een verschil van zes jaar met het eerdere resultaat: 941 v. Chr., wanneer gerekend vanaf 1103/1049 v. Chr. Er heeft zich aldus een aantoonbare afwijking voorgedaan in de cyclus van meganatuurcatastrofes.

    De in de Griekse mythologie overgeleverde geschiedenis van de zondvloed van Deucalion door Manetho, ten tijde van de zesde farao van de achttiende dynastie: Misphragmuthosis, plaatsen we aldus op de tijdsbalk tussen de jaren 947 v. Chr. en 941 v. Chr. met een speling van zes jaar en een vraagteken erbij.

     

     

    Ik besef dat het aanvaarden van een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid, voor menigeen moeilijk is. Men kan de schouders ophalen voor een theorie die ontwikkeld en gebaseerd is op Mythisch-historische overleveringen en niet op astrofysische waarneming. Het lijkt dan ook fantastisch wanneer men bedenkt dat het zonnestelsel dat in de huidige tijd als een klokwerk loopt, ooit tot slechts 2700 jaar terug de tijd in, in beroering was.

    Het boek ĎWerelden in botsingí van Dr. I. Velikovsky las ik de eerste maal in 1975. De kosmologische aspecten waren voor mij toen een vrij moeilijke materie, een materie die ik niet onmiddellijk vanuit mijn opleiding en vorming kon toetsen. De motivatie van Velikovsky voor zijn studie en publicaties was echter de Bijbel, een Boek dat hij als seculiere Jood als een historisch Boek benaderde. De Exodus uit Egypte van de IsraŽlieten was voor hem een historisch feit en de tien plagen gevolgd door het scheuren van de Rode Zee verklaarde hij vanuit de kosmologie. Ik stond aldus open voor de voor mij nieuwe theorieŽn, die hij bracht.

    Op 21 februari 1991 was ik uitgenodigd in Hilversum in het programma van Feike ter Velde; Mag ik eens met je praten, (https://teleblik.nl/media/5424617), en in het vervolg van dit gebeuren mocht ik daarna enkele malen op de radio komen. Bij zulk een opname voor een radioprogramma in Katwijk aan Zee kreeg ik als afscheid van ds. Willem Glashouwer twee recensieboeken cadeau, boeken die hem vanuit Amerika waren toegestuurd. Eťn boek was het al eerder geciteerde boek: ĎThe Long Day of Joshua and Six Other Catastrophesí van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, en het andere boek was ĎThe Biblical Flood and the Ice Epochí van Donald W. Patten. Het was na het lezen en bestuderen van deze werken dat ik ook de draad met Velikovsky en de kosmologie weer opnam. Vooral dan het chronologische aspect van de cyclus van kosmische rampen kreeg mijn aandacht.

    Ik ben van mening dat de onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, chronologisch gezien wat de intervallen tussen de catastrofes betreft, correct zitten. Wat men ook wil geloven of afwijzen wat betreft de kosmische catastrofetheorie, een cyclus van meganatuurcatastrofes kan vanuit de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en andere bronnen, chronologisch aangetoond worden, en in dat spoor ga ik verder.

     

    Dat de aarde in de oudheid voor een lange tijd in beroering was en werelden in botsing waren, was een bron van afgoderij bij de volkeren en IsraŽl, die meenden in de planeten in beroering, goden aan het werk te zien. Toen de IsraŽlieten onder leiding van Mozes in 1483 v. Chr. uit Egypte trokken namen zij hun afgoden al mee. Het bekende gouden kalf dat zij bij de berg Gods maakten was een afbeelding van een Egyptische afgod. Het is Stefanus die in 30 AD voor de Joodse raad staande deze onheilsgeschiedenis beknopt doorgaf:

    Handelingen 7:41 En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen. 42 En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis IsraŽls? 43 Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon.

     

     

    Als men dan niet het geloof van Mozes heeft naar HebreeŽn 11:27 Ďdie voorwaarts ging als ziende de Onzienlijkeí, wanneer werelden in botsing komen, maakt men geestelijk blind en doof zijnde de verkeerde keuzes en mist men zijn doel.

    Stefanus citeerde de profeet Amos hoofdstuk vijf waar de god Remfan vermeldt wordt. Er is verschil in schrijfwijze van de naam Remfan, ook in het Grieks. De Septuagintvertalers noemden hem Raephan. De NBG-vertalers van 1951 vertaalden de naam naar Kewan. Deze naam staat voor de oud-Babylonische god: Kajawanu, die de planeet Saturnus zou voorstellen. De verering van Saturnus en de naam Saturnus kan ook in verband gebracht worden met Nimrod, de anti-messias van Genesis. In het oude Babylon werd de naam als ĎSturí geschreven, een naam met een getalswaarde van zeshonderdzesenzestig.

     

    De Bijbel leert een herhaling van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong bij de tweede komst van Jezus Christus. Wanneer we het laatste Bijbelboek Openbaring als vooraf geschreven geschiedenis willen bestuderen blijkt dat de daarin geprofeteerde rampen ook van kosmische oorsprong zullen zijn. Of zoals ook de Heer Jezus Christus zijn wederkomst aankondigde in zijn rede over de laatste dingen, en door de evangelisten zo genoteerd:

    Lucas 21:25 En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, 26 terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. 27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. (NBG 1951)

     

    En weer zal het in de toekomst, net zoals in het verleden in de dagen van de profeet Elia op de Karmel, gaan om de vraag: Wie is God? De Bašls of de HEERE God van IsraŽl.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    13-03-2017 om 09:22 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-03-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste drieduizend jaar sinds Genesis

    De aflevering van 08.12.2016 sloten we op onze reis in de tijd chronologisch af bij de dood van de aartsvader Jakob in Egypte, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2949236

    Met deze aflevering vervolgen we met de aartsvader Levi, de overgrootvader van Mozes, die ons chronologisch naar het Exodus-jaar zal leiden.

     

     

    Jozef, de elfde zoon van Jakob die onderkoning van Egypte was, zou een leeftijd van honderdtien jaar bereiken. Het sterfjaar van Jozef was 1628 v. Chr. of anno mundi 2369. De dood en mummificering van Jozef in Egypte heb ik in het bijzonder aandacht gegeven in mijn boek EXODUS, 2015, blz. 21-33.

     

    Op het bijgevoegde schema merkt u in oktober 1661 v. Chr. de vermelding: een kosmisch fenomeen. Dat jaar werd planeet aarde getroffen door een meganatuurcatastrofe zoals in het Bijbelboek Job genoteerd werd. Zie het artikel van 07.04.2016, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1459720800&stopdatum=1460325600

     

    Bovenaan onze tijdsbalk staan de anno mundi-jaartallen vermeldt, die volgens de westerse kalendermaanden van oktober tot september lopen. De tijdsbalk van millimeterpapier is ingedeeld aan twee centimeter per jaar, van januari tot december volgens de westerse tijdrekening via vier kwartalen.

    In de eerste aflevering van 27.06.2016, Genesis van de eerste beschavingen na de Grote Vloed, gaf ik aandacht aan de studie van Ivan Panin, Bible Chronology, 1923. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1466978400&stopdatum=1467583200

    Ivan Panin leverde een Bijbel-chronologische constructie af waarbij hij vanaf de Schepping op basis van uitsluitend Bijbelse chronologie een anno mundi jaartelling opstelde. Zijn enige navigatiepunt op de tijdsbalk echter (en dat is een zwakte) is het begin van Adam in het Bijbelboek Genesis van waaraf hij via de aartsvaders zijn Anno Mundi jaarrekening opbouwde. De link met de westerse tijdrekening maakte hij pas bij het vijftiende regeringsjaar van Keizer Tiberius met het optreden van Johannes de Doper en de doop van Jezus Christus. De kruisdood van Jezus Christus en Zijn Opstanding en Hemelvaart plaatst Panin op de tijdsbalk in Anno Mundi 4032 wat volgens zijn berekening gelijk valt met het jaar 30 AD. Zoals ik in het geciteerde artikel vermelde was ik onder de indruk van het ontzag dat Panin had voor het Woord van God. Zijn enig navigatiepunt op de tijdsbalk echter met als eindpunt het jaar 30 AD rechtvaardigde hij door gebruik van een Bijbelse getallensymboliek via zeven- en elfvouden. Zijn boek sluit dienaangaande af met een hoofdstuk getiteld: The Numeric Phenomena.

     

     

    De Tempel van Salomo was volgens de studie van Panin klaar in het jaar 3024 na Genesis. Ik ben in mijn reconstructie daarentegen uitgegaan van het jaar 3000 voor het afgewerkt zijn van de Tempel in het elfde regeringsjaar van Salomo zijnde okt997/sep996 v. Chr. Vanaf dit jaartal heb ik teruggerekend met de chronologische gegevens die de Bijbel aanreikt, en arriveerde alzo in het jaar okt2341/sep2340 v. Chr. voor het jaartal van de Grote Vloed. Sinds de schepping waren er dan 1656 jaar verlopen. De regeerperiode van Salomo werd bekomen aan de hand van de historische sabbat- en jubeljaren. Het jaartal 2340 v. Chr. met het einde van de Grote Vloed als uitkomst zag ik bevestigd door het werk van Dr. Werner Papke aan: ďDie Sterne von Babylon, Die geheime Botschaft des Gilgamesch Ė nach 4000 Jahren entschlŁsseltĒ, 1989, (ISBN 3 7857 0498 4). Dr. Papke berekende het astronomische jaartal van het Gilgamesj-epos.

    Zoals ik in de aflevering van 27.06.2016 schreef blijft de studie van Panin zeer leerrijk ter algemene studie van de Bijbelse chronologie. Hij toont bijvoorbeeld duidelijk aan dat de periode van de 480 jaar (1 Koningen 6:1) tussen het vierde regeringsjaar van Salomo en het jaar van Exodus, een historische periode was, waarbinnen de overige chronologische gegevens dienen gerangschikt te worden. De chronologie van de Richteren-periode wordt aan de hand van de verlopen schijf van driehonderd jaar ten tijde van de richter Jefta, bepaald en de overige richteren op de tijdsbalk gerangschikt. Ook de geboorte van Abram/Abraham volgend op het 130ste jaar van Terah verdedigt Panin via gedegen Bijbelstudie, glansrijk.

     

     

    De chronologie van het verblijf van de twaalf stammen in IsraŽl bepalen we op basis van de chronologische gegevens die de Bijbel verstrekt over Levi, de derde zoon van Jakob bij Lea, en zijn nageslacht tot op Mozes. In de aflevering van 08.12.2016 hebben we gezien dat de eerste vier zonen van Jakob, waarvan Levi de derde was, in de tweede periode van Jakob Ďs zevenjarige diensttijd aan Laban, geboren werden, zijnde de periode van 1745 v. Chr. tot 1738 v. Chr. Mozes was de zoon van Amram, de zoon van Kehath, de zoon van Levi: vier geslachten. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

    Exodus 6:15 Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren. 16 De zonen van Gerson: Libni en SimeÔ, naar hun huisgezinnen. 17 En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en UzziŽl, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren. 18 En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten. 19 En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Ašron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren. (Statenvertaling)

     

     

    Laat ons nu de vier namen van Levi tot Mozes op de tijdsbalk plaatsen. Bij sommige namen zoals die van Mozes lukt dit chronologisch exact, bij andere namen zoals bij de zoon van Levi: Kehath, vertrouwen we op de Joodse legendes en werken we met circa ís. Kehath was al geboren voor de intocht in Egypte in 1699 v. Chr., dat leert het hierna volgende Bijbelgedeelte:

    Genesis 46:1 En IsraŽl verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak. 2 En God sprak tot IsraŽl in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik! 3 En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten. 4 Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen. 5 Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van IsraŽl voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren. 6 En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanašn geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem; 7 Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte. 8 En dit zijn de namen der zonen van IsraŽl, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben. 9 En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. 10 En de zonen van Simeon: JemuŽl, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanašnietische vrouw. 11 En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.

     

     

    Volgens de Joodse overlevering (Jewish Legends, Louis Ginzberg, 1909, Volume II, Chapter II) werd Kehath geboren in het vijfendertigste jaar van Levi. Gemakkelijkheid halve breng ik deze jaartallen op mijn tijdsbalk aan en bestudeer of het chronologisch zin geeft. Wanneer Kehath inderdaad in het vijfendertigste levensjaar van Levi geboren werd, dan maakt hem dat tien jaar jong in het jaar van de intocht in okt1708/sep1707 v. Chr. De chronologische gegevens van Kehath volgens de Joodse legende, geven aldus tot hier toe geen enkel probleem. Vervolgens leert de legende o.a. dat Jochebed, de dochter van Levi, (en toekomstige moeder van Mozes) geboren werd in Levi ís drieŽnzestigste jaar. Op de tijdsbalk zitten we nu in het jaar 1680/1679 v. Chr. Datzelfde jaar werd volgens de overlevering Amram, (de vader van Mozes) aan Kehath geboren. Amram huwde aldus later met zijn tante. Dat huwelijk werd volgens de overlevering voltrokken in het vierennegentigste levensjaar van Levi. Op de tijdsbalk uitgetekend geeft deze chronologische informatie geen enkel probleem. Het huwelijk van Amram en Jochebed zit wanneer we de chronologische gegevens van de legende volgen, verankerd in het jaar okt1649/sep1648 v. Chr. wanneer beide eenendertig jaar oud waren.

     

     

    Wanneer we nu met de Bijbels-chronologische gegevens van Mozes van het Exodus-jaartal zijnde 1483 v. Chr. terugrekenen bekomen we voor Amram en Jochebed een leeftijd van tachtig jaar bij de geboorte van Mirjam, de vijf jaar oudere zuster van Mozes. De Joodse legende heeft met deze ouderdom voor het krijgen van kinderen geen probleem, rijk als de geschiedenis van het oude IsraŽl is aan wonderen. Hierna een citaat aangaande Jochebed:

    ďOld as Jochebed was, she regained her youth. Her skin became soft, the wrinkles in her face disappeared, the warm tints of maiden beauty returned, and in a short time she became pregnantĒ.

    Maar ook in Egypte vinden we in een buiten-Bijbelse bron bij Manetho, de Egyptische oudheid-historicus, een verwijzing naar een zeer hoge ouderdom van negenennegentig jaar met de regeerperiode van farao Pepi II. Een leeftijd die overigens, naar mijn weten, geen enkele Egyptoloog in twijfel trekt. Volgens mijn herziening van de geschiedenis van de oudheid (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 107-112) was Pepi II de farao van de verdrukking in Egypte en aldus tijdgenoot van Amram en Jochebed.

     

    Het hierna volgende Bijbelgedeelte leert dat Jozef de eerste aartsvader was, die in Egypte stierf. Vers 24 maakt duidelijk dat bij de dood van Jozef zijn broer en halfbroers nog in leven waren.

    Genesis 50:22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren. 23 En Jozef zag van EfraÔm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieŽn geboren. 24 En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft. 25 En Jozef deed de zonen van IsraŽl zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren! 26 En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in een kist in Egypte.

     

     

    Levi, de derde zoon van Jakob zou de leeftijd van 137 jaar bereiken en stierf in 1605 v. Chr. Na de dood van Levi heeft de verdrukking in Egypte een aanvang genomen.

    Exodus 1:1 Dit nu zijn de namen der zonen van IsraŽl, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis. 2 Ruben, Simeon, Levi, en Juda; 3 Issaschar, Zebulon, en Benjamin; 4 Dan en Nafthali, Gad en Aser. 5 Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte. 6 Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broeders, en al dat geslacht, 7 Zo werden de kinderen IsraŽls vruchtbaar en wiesen overvloedig, en zij vermeerderden, en werden gans zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd. 8 Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had; 9 Die zeide tot zijn volk: Ziet, het volk der kinderen IsraŽls is veel, ja, machtiger dan wij. 10 Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. 11 En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Raamses. (Statenvertaling)

     

    Vanaf de dood van Levi in 1605 v. Chr. zijn het 122 jaar tot de Exodus.

    De zoon van Levi: Kehath (de grootvader van Mozes), die als jongeling bij de clan van Jakob-IsraŽl bij de intocht in Egypte behoorde, bereikte de leeftijd van 133 jaar (Exodus 6:17). De zoon die Kehath in Egypte verwekte: Amram, de vader van Mozes, krijgt volgens Exodus 6:19 een leeftijd van 137 jaar. In mijn boek EXODUS, 2016, blz. 37-46, toon ik aan dat volgens de Joodse overlevering, Mozes geboren werd na een zwangerschap van slechts zes maanden en dat het jaar en de maand van zijn geboorte exact gedateerd kan worden in de maand sjabat (januari/februari) van het jaar 1563 v. Chr. Als tachtigjarige stond hij in 1483 v. Chr., het jaar van de Exodus, voor farao, en 120 jaar oud stierf hij aan de grens van het Beloofde Land Kanašn in het jaar 1443 v. Chr.

    Vanaf de exodus met nisan in 1483 v. Chr. zijn het vierhonderddertig jaar terug tot de belofte aan Abram met nisan in 1913 v. Chr.

    Exodus 12:40 De tijd nu der woning, dien de kinderen IsraŽls in Egypte (LXX: en Kanašn) gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. 41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.

     

     

    In mijn boek EXODUS, 2016,  heb ik ook aandacht gegeven aan de duur van de verdrukking in Egypte en Kanašn. De verdrukking in Egypte begon een tijd na de dood van Jozef, toen een farao aan de macht kwam die Jozef en zijn weldaden voor Egypte niet gekend had. Deze verdrukking kunnen we op de tijdsbalk verankeren bij de geboorte van Mirjam in 1569 v. Chr., een naam die de betekenis van bitter heeft. Mozes, haar broer, zou vijf jaar later in 1564 v. Chr. geboren worden. De Egyptische verdrukking duurde tot aan de Exodus aldus minstens zesentachtig jaar tot maximum honderdtweeŽntwintig jaar, wanneer we vanaf de dood van Levi rekenen.

    In mijn boek ĎVan Noach tot Christusí, 1987, door het Goede Boek gepubliceerd, vermeldde ik in bijvoegsel III de verschillende Bijbelse geslachtsregisters, die duidelijk maken dat de tijdsperiode van 430 jaar die Paulus doorgeeft in Galaten 3:17, te verdelen zijn over zowel het verblijf in Kanašn als in Egypte.

    Het geslachtsregister van Levi tot Mozes zijn vier namen die alleen binnen de 215 jaar van het verblijf in Egypte passen.

    Ook het geslachtsregister van Manasse, broer van EfraÔm, en beiden zonen van Jozef die in Egypte geboren werden, past alleen in de periode van 215 jaar. Van Manasse (1 Kronieken 7:14-20) tot Zelafead (Numeri 27:1) ten tijde van de Exodus vermeldt de Bijbel vijf namen: Manasse, Machir, Gilead, Hefer en Zelafead. Hierbij is nog op te merken dat de Bijbel vermeldt dat Jozef (Genesis 50:23), de kinderen van Machir op zijn knieŽn heeft gehad.

     

     

    Mozes zou tot zijn veertigste levensjaar als de geadopteerde zoon van de dochter van farao in het huis van farao verblijven. Daarna liep het fout, maar dat gaan we in een volgende aflevering chronologisch behandelen.

    HebreeŽn 11:23 Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet. 24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden; 25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; 26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke. 28 Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging des bloeds, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou. 29 Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken. (NBG Vertaling 1951)

     

    Op de bijgevoegde schemaís staan de Egyptische faraoís en hun respectievelijke dynastieŽn vermeld. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, verklaar ik een en ander vanaf blz. 61 tot 111.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    06-03-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-02-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over de chronologie van het oude Egypte

    De Egyptenaren begonnen hun nieuwjaar op de eerste dag van hun maand Thoth, of de maand juli volgens de westerse maandkalender. Volgens de moderne egyptologie waren de oud-Egyptenaren onbekend met het schrikkeljaar en hanteerden zij een kalenderjaar van 365 dagen, zonder de nodige correctie door middel van een toevoeging van ťťn dag alle vier jaar. Volgens de theorie zou de Egyptische nieuwsjaardag aldus zo om de vier jaar met ťťn dag opgeschoven zijn. Toen bekend raakte dat ten tijde van de Griekse en Romeinse overheersing er sprake was van verwijzingen naar het gebruik van een zogenaamde Sothis-periode van 1460 jaar in het oude Egypte, bracht men dit in verband met de noodzakelijke correctie als een gevolg van het vermeende niet toepassen van schrikkeljaren.

    Het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heeft deze theorie weerlegd en aangetoond dat het Egypte van de oudheid een hoge beschavingsgraad kende, met uiteraard ook de kennis dat ťťn jaar 365 dagen en een kwart dag vormde.

     

     

    Zo was er de geleerde en revisionist van de geschiedenis van de oudheid Dr. Donovan A. Courville (1901/1996), (B.Th., B.A., M.A., Ph.D.) (The Exodus Problem and its Ramifications, Volume 2, Chapter IV), die in zijn studie aantoonde dat de basis van de grote piramide op het Gizeh-plateau 365,24 el bedraagt, en dit op basis van een veronderstelde Piramide-el die gelijk zou zijn aan de Bijbelse Hebreeuwse el. Courville merkt op dat de afmetingen van de basis van de grote piramide aantonen dat de oude Egyptenaren vertrouwd waren met schrikkeljaren aangezien 365,2422 el gelijk staat aan het aantal dagen dat een zonnecyclus heeft. Courville gebruikte deze informatie ter weerligging van Eduard Meyer ís theorie die er namelijk vanuit ging dat de Egyptenaren deze kennis niet hadden en er daarom twee kalenders op na hielden.

    Courville vestigde ook de aandacht op de oudheid-historicus Flavius Josephus die meldde dat het Abraham was die de Egyptenaren aritmetica en astronomie bijbracht.

    Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek I, viii.

    ď1. ÖÖ He (pharaoh) also made him (Abram) a large present in money, and gave him leave to enter into conversation with the most learned among the Egyptians; from which conversation his virtue and his reputation became more conspicuous than they had been before.

    2. For whereas the Egyptians were formerly addicted to different customs, and despised one another's sacred and accustomed rites, and were very angry one with another on that account, Abram conferred with each of them, and, confuting the reasoningís they made use of, every one for their own practices, demonstrated that such reasoningís were vain and void of truth: whereupon he was admired by them in those conferences as a very wise man, and one of great sagacity, when he discoursed on any subject he undertook; and this not only in understanding it, but in persuading other men also to assent to him. He communicated to them arithmetic, and delivered to them the science of astronomy; for before Abram came into Egypt they were unacquainted with those parts of learning; for that science came from the Chaldeans into Egypt, and from thence to the Greeks alsoĒ.

     

    Courville ís vaststelling maakt duidelijk dat de Egyptenaren de juiste lengte van het aantal dagen in een jaar nauwkeurig kenden, en indien nodig de nodige kalenderhervormingen doorvoerden, wanneer zich veranderingen aan de hemel voordeden. Hun architectuur was klasse met tempels en piramiden in astronomische verhoudingen neergezet.

     

    De door de Egyptoloog Eduard Meyer gelanceerde noodlottige Sothis-kalender in 1904, gaat er van uit dat de Egyptenaren nou net niet met schrikkeljaren vertrouwd waren, en er daarom een dubbele kalender op na hielden. Dat er zo iets als Sothis-perioden in het oude Egypte zou gehanteerd zijn, hebben zij van de Romeinen. In 239 AD vermeldde de Romeinse grammaticus Censorinus dat in 139 AD de eerste dag van het Egyptische kalenderjaar daadwerkelijk samenviel met de heliakische verschijning van de ster Sirius of Sothis Ė wat het einde van een Sothis-cyclus veronderstelde. CensorinusĎ boek was getiteld: ĎDE DIE NATALIí en geschreven ter eren van de verjaardag van zijn broodheer; QUINTUS CAERELLIUS. In dit boek schreef Censorinus dat in het jaar 139 AD de Hondsster verschenen was op de eerste dag van de maand Thoth, en dat die dag gelijk viel met 19 juli van de Romeinse kalender. Die dag zou dus een nieuw Sothis-tijdperk hebben te zien aanvangen.

    Terugrekenend concludeerde Eduard Meyer dat vergelijkbare situaties zich hadden voorgedaan in 1321 en 2781 v. Chr. Een vermeende verwijzing naar het begin van een nieuwe Sothis-periode dacht hij gevonden te hebben op de achterzijde van het zogenaamde Ebers-papyrus dat te Leipzig bewaard word. Op het papyrus staat een kalendervermelding genoteerd in het negende regeringsjaar van farao Amonhotep I van de achttiende dynastie. Veel blijft echter onduidelijk. Zo staat er bijvoorbeeld niet Amonhotep I maar de naam Zeserkere, waarvan men aanneemt dat het een voornaam van Amonhotep I was. Als een resultaat van het voor waar houden van het begin van een nieuwe Sothis-periode van 1460 jaar in 1317 v. Chr. belandde de achttiende dynastie foutieve-lijk in de veertiende en dertiende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk.

    De Egyptoloog Cecil Torr (Memphis and Mycenae, 1896) een tegenstander van Eduard Meyer in de negentiende eeuw, stelt dat de Sothis-cyclus een uitvinding van de Grieken was, van latere tijd. Noch is er enige indicatie, schrijft hij, dat de Egyptenaren de cyclus kenden; geen vermelding wordt er over gevonden in hun inscripties of papyri, buiten enkele occasionele vermeldingen over het opkomen van de Hondsster.

    ďThis all looks as though the cycle was invented by the later Greeks at Alexandria. Nor is there anything to indicate that it was known to the Egyptians in earlier times; no mention of it being found in their inscriptions or papyri, though occasionally these note the rising of the dog-star.Ē

    In deze tijd is er het studiewerk van de Egyptoloog en revisionist van de geschiedenis van de oudheid David Rohl, die aantoont dat de vermelding op de achterzijde van het Ebers-papyrus helemaal niet over een Sothis-periode handelt. Zie het artikel op dit blog van 10.01.2014, het Ebers-papyrus, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1388962800&stopdatum=1389567600

     

    Een verhelderende algemene studie is die van de hand van wijlen de heer F. J. Kerkhof (1916/1999), BW Bijbel en Archeologie 1 Ė isbn 9070145049, waarin de Sothis-kalender van Eduard Meyer weerlegd word.

     

    De volgende Sothis-periode die Eduard Meyer meende te kunnen plaatsen was die van 1460 jaar verder de tijd in voorbij het verkregen jaar 1321 v. Chr. Aldus arriveerde hij op de tijdsbalk in 2781 v. Chr. als scharnierjaar dat opnieuw een eerdere Sothis-periode afsloot en een nieuwe liet beginnen. Hier meende hij het opkomen van de Sopdet of Sothis-ster te kunnen verankeren op basis van een vermelding in het papyrus van Illahun. Dit bewaard gebleven papyrus-document dateert de verschijning van Sopdet op de zestiende van de Egyptische maand Pharmuti, in het zevende regeringsjaar van een farao, waar men van aanneemt dat het Senwosret III van de twaalfde dynastie is. De naam zelf van de farao is niet bewaard gebleven, maar wordt uit allerlei verspreide gegevens afgeleid. De al eerder geciteerde Egyptoloog David Rohl (A Test of Time, 1995, appendix D) merkt echter op dat het papyrusfragment een voorspelling bevat en geen vaststelling van een historisch gebeurd feit is. De tekst luidt: ďu moet weten dat het opkomen van SOPDET zal gebeuren in de vierde maand Pharmuti, op dag zestienĒ.

     

     

    Het noodlottige resultaat is dat in het orthodoxe model-fabricatie nu de dertiende, veertiende, vijftiende en zeventiende dynastie op de tijdsbalk binnen een periode van slechts 230 jaar geprest werden. Of zoals een bekende orthodoxe egyptoloog ooit opmerkte:

     ďÖIt must never be forgotten that we are dealing with a civilization thousands of years old and one of which only tiny remnants have survived. What is proudly advertised as Egyptian History is merely a collection of rags and tatters.Ē      

    1961, De Britse Egyptoloog Alan Gardiner

     

    Wat men geen aandacht geeft of verzwijgt, is dat de Egyptische historicus uit de derde eeuw v. Chr.: Manetho, nergens in zijn bewaarde overlevering enige indicatie geeft dat er Sothis-perioden van 1460 jaar in het oude Egypte bestaan zouden hebben. Wat zeer verwonderlijk is, wanneer we bedenken dat Manetho echt zijn best gedaan heeft middels het aantoonbaar manipuleren en vervalsen van geschiedkundige gegevens, om zijn geschiedenis van Egypte tot de oudste van heel de oude wereld te maken. Moesten de Sothis-perioden bestaan hebben zou hij er zeker gebruik van gemaakt hebben.

    Bzetreurenswaardig is het feit dat Bijbelgetrouwe onderzoekers die uitgaan van de juistheid van de constructie van Eduard Meyer naar gepaste farao ís dienen te zoeken die in de Bijbels-historische context passen. Wat een onmogelijke opdracht is die alleen maar tot verlegenheid leidt. Eťn voorbeeld is de dochter van farao die baby Mozes adopteerde. Theologen en Bijbelvorsers die het Bijbelverhaal in de Egyptische geschiedenis proberen in te lassen en ervan uitgaan dat de indeling van de dynastieŽn op de tijdsbalk door de Egyptologie begin twintigste eeuw gefabriceerd, wetenschappelijk onderbouwd is, moeten ten tijde van de achttiende Egyptische dynastie op zoek naar een gepaste kandidate. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de geschiedenis van de geschiedenis, blz.27-42, ga ik hier uitvoerig in op de revisie van de geschiedenis van het oude Egypte, en lever bronmateriaal van revisionisten die mij voorgegaan zijn.

    Een ander voorbeeld is de identificatie van de Bijbelse farao die de aartsvader Jozef tot onderkoning aanstelde. In mijn boek Exodus, 2016, toon ik aan dat de Bijbelse farao die de aartsvader Jozef tot onderkoning aanstelde niet in de fabricatie van de conventionele egyptologie te vinden is.

     

     

    Bijbelvorsers die zweren bij de algemeen aanvaarde conventionele Egyptologie en haar rangschikking van de dynastieŽn op de tijdsbalk, dienen de Bijbelse geschiedenis over Jozef ten tijde van de Hyksos-heerschappij te plaatsen. Dit lukt schijnbaar aangezien over de Hyksos-heerschappij weinig geweten is. Dit als een gevolg van de beeldenstorm uitgevoerd door farao Ahmose van de achttiende dynastie, die na het verdrijven van de Hyksos uit Egypte alles wat aan hen herinnerde liet vernietigen. Het is aldus eenvoudig te stellen dat Jozef de onderkoning van een Hyksos-farao was, er staat namelijk geen enkele Egyptische bron tegenover. Oef. Maar zo eenvoudig is het echter niet. Het is het Bijbelboek Genesis dat de norm is en niet de uitgedokterde tijdsconstructie van de moderne Egyptologie.

    Alleen een drastische herschikking van de Egyptische dynastieŽn op de tijdsbalk aan de hand van de Bijbels-historische gegevens geeft het antwoord. Op het hiervoor getoonde schema toon ik de revisie aan de hand van de Bijbel.

    Vanaf de roeping van Abraham door de HERE God zoals in het eerste Bijbelboek Genesis beschreven, is er interactie over en weer tussen Egypte en Kanašn, geweest. Interacties die door beide volken en groepen genoteerd zijn geworden. De Bijbelse Boodschap wordt via historisch verifieerbare feiten gebracht, en is dus niet louter alleen maar een Boek op basis van godsdienstige regels. Of zoals F.J. Kerkhof schreef: onze verlossing is historisch gedateerd en onze toekomst ligt vast als een komende verwezenlijking in de tijd, als een zich voltrekkende geschiedenis.

    De vermeende Sothis-kalender en de foutieve plaatsing van de Egyptische dynastieŽn op de tijdsbalk verduisteren de historische interacties, en vandaar de noodzaak om tot een definitieve rechtzetting van de geschiedenis van de oudheid te komen. De sleutel is het revisionisme van de geschiedenis van het oude Egypte.

     

     

    Ik verwijs weer graag naar het werk van Dr. Donovan A. Courville (1901/1996), The Exodus Problem and its Ramifications, 1971, die in zijn opus magnum een algemene revisie van de chronologie van de farao ís van Egypte uitgewerkt heeft. De Bijbel werd hierbij door Courville als een historische gids gebruikt.

    Het belang van geschiedschrijving lezen we in:

    Psalm 78:1 Een leerdicht van Asaf. Wend het oor, mijn volk, tot mijn leer, neigt uw oor tot de woorden van mijn mond; 2 ik wil mijn mond tot een spreuk opendoen, ik wil aloude verborgenheden verkondigen. 3 Hetgeen wij gehoord hebben en weten, en onze vaderen ons hebben verteld, 4 dat willen wij voor hun kinderen niet verhelen; wij willen vertellen aan het volgende geslacht des HEREN roemrijke daden, zijn kracht en de wonderen die Hij gewrocht heeft. (NBG Vertaling 1951)

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    27-02-2017 om 11:25 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-02-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zonsverduistering over Nineveh tijdens het eponiem van Bur-Saggile

    Sinds het begin van 2017 hebben we op dit blog al vier afleveringen aan de Assyrische koningslijst en haar chronologie gewijd. Met het artikel van 09.01.2017 behandelde ik de koningen Pul en Tiglath Pileser III, gevolgd door hun opvolgers: Salmaneser V, Sargon II en Sanherib. Met het artikel van 16.01.2017 behandelde ik de Bijbels-Assyrische koning Jareb, die niet in de Assyrische koningslijst voorkomt en vragen oproept in verband met de veronderstelde volledigheid van de Assyrische koningslijst. Met het artikel van 23.01.2017 kreeg Salmaneser III en de foutieve datering van de slag bij Karkar aandacht. Met onze aflevering van 06.02.2017 ging bijzondere aandacht naar de vandaag algemeen gehanteerde jaartallen zoals 930 v. Chr. voor de dood van Salomo, en 1446 v. Chr. als jaartal voor de Exodus. Deze jaartallen zijn echter het resultaat van het linken van de Bijbelse chronologie aan die van AssyriŽ, en geven een afwijking van acht tot zevenendertig jaar met de Bijbels-historische werkelijkheid, op de tijdsbalk. Ik bestempelde het hanteren van het verkregen jaartal 930 v. Chr. voor de splitsing van het Verenigd Koninkrijk van IsraŽl als noodlottig, en gaf enkele spijtige voorbeelden op wanneer men 930 v. Chr. als foutief ankerjaar op de tijdsbalk hanteert.

     

    Eťn aangehaald voorbeeld was het gebruik van het hanteren van de gefabriceerde jaartalen van Thiele door de wetenschappers Patten, Hatch, Steinhauer in hun studie: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973. Deze wetenschappers tonen nochtans duidelijk aan dat planeet aarde meerdere malen in de oudheid in haar baan om de zon verstoord werd en er tegen de achtste eeuw v. Chr. zelfs een kalenderhervorming nodig was. Zie TIJD en TIJDEN, 2016, hoofdstuk: de noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw voor Christus, blz. 331-338). Er was volgens deze onderzoekers een cyclus van meganatuurcatastrofes aan de hand met intervallen van 54 jaar en zes maanden met iedere keer een planetaire interactie tussen de maand maart, het Romeinse Tubilustrium en de daaropvolgende catastrofe 54 jaar en zes maanden later in oktober, het Romeinse Armilustrium.

    Hun ankerjaar op de tijdsbalk is echter 701 v. Chr., het jaartal dat Thiele uitdokterde voor het veertiende regeringsjaar van Hizkia gecorrigeerd naar de bevindingen van de Assyriologie in verband met de belegering van Jeruzalem door Sanherib, en heeft een afwijking van acht jaar met het historisch-verifieerbare jaartal 709 v. Chr. voor het veertiende regeringsjaar van Hizkia met een genoteerde meganatuurcatastrofe, die resulteerde in de vernietiging van het Assyrische leger nabij Jeruzalem.

     

     

    De kosmische catastrofetheorie heeft al langer mijn aandacht. Hoewel ik de theorie vanuit mijn opleiding niet naar waarheid kan toetsen, past de theorie wel in een resem van meganatuurcatastrofes die in de Bijbel beschreven worden, en ook gedateerd kunnen worden. Wat dan ook het mechanisme was, dat deze meganatuurcatastrofes veroorzaakte? Dat nochtans de verantwoordelijkheid vanuit de kosmos gezocht moet worden, leert de Bijbel. Bij de inname van Kanašn door de IsraŽlieten onder leiding van Jozua bijvoorbeeld vermeldt de Bijbel een kosmisch fenomeen met catastrofale gevolgen over het slagveld nabij Gibeon (Jozua 10:12-13). Op het bevel van Jozua stond de zon stil te Gibeon. De zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijand gewroken had. En dit werd als geschiedschrijving dusdanig in het oude IsraŽl genoteerd: ďIs dit niet geschreven in het Boek des Oprechten? De zon nu bleef staan midden aan de hemel en haastte zich niet onder te gaan omstreeks een volle dag. Een dag als deze is er noch vroeger, noch later ooit geweest, waarop de HERE zů iemands stem verhoorde, want de HERE streed voor IsraŽlĒ. Dat de zon op het woord van Jozua stil stond verhaalt de Bijbel volgens het kijkbeeld van Jozua en niet volgens het natuurwetenschappelijk wereldbeeld. Het kijkbeeld van Jozua was overigens hetzelfde als ons hedendaags taalgebruik in het derde millennium na Christus, gewoon de taal van de alledaagse waarneming wanneer ook wij vandaag zeggen: dat de zon opkomt en ondergaat en iedereen begrijpt wat bedoelt wordt.

     

    De Bijbel is evenzo duidelijk op de wijze zoals het Assyrische leger van Sanherib voor de poorten van Jeruzalem in 709 v. Chr. door de Engel des HEEREN geslagen werd. Ook deze geschiedenis had Velikovsky ís aandacht en voor Patten en zijn medewerkers was dit het vertrekpunt voor hun reis in de tijd ter plaatsing van de cyclus van meganatuurcatastrofes op de tijdsbalk. Na het afdruipen van het Assyrische leger in 709 v. Chr. verhaalt de Bijbel (Jesaja 38:1-8) dat de schaduw van de zon tien treden op de zonnewijzer van koning Achaz terugging.

    Jesaja 38:7 En dit zal u het teken zijn van des HEREN kant, dat de HERE ook doen zal wat Hij gesproken heeft: 8 zie, Ik doe de schaduw op de treden waarlangs zij door de zon op de trap van Achaz is afgedaald, weer tien treden teruggaan. En de zon ging tien treden terug op de treden die zij gedaald was. (NBG 1951)

    De historische Bijbelboeken 2 Koningen 20:1-11 en 2 Kronieken 32: 24-26 vermelden eveneens, deze door de profeet Jesaja opgeschreven geschiedenis. ĎDe Trap van Achazí was een zonnewijzer zoals zij ook in Egypte gebruikt werden. We weten alleen niet hoe hoog de zonnewijzer was maar de onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer maken hun berekeningen op basis van een hoogte van zestig voet of ongeveer achttien meter met een breedte van acht tot tien voet aan de basis.

     

    Dat de zon inderdaad in 1443 v. Chr. ten tijde van Jozua een volle dag stilstond, en dat de aarde nogmaals in haar rotatie om de zon verstoord werd tijdens de regeerperiode van Hizkia van Juda, heeft de autodidact Dr. I. Velikovsky met zijn bestsellerboek ĎWerelden in botsing, 1950, hfst.1í, het eerst onder de aandacht gebracht. Velikovsky toont op basis van de mythologieŽn van de oude volken in zijn boek aan dat het fenomeen van het stilstaan van de zon ook bij andere volken werd waargenomen en genoteerd. Eťn voorbeeld is Herodotos (Boek 2:142b). De oudheidhistoricus Herodotos schrijft o.a. over waargenomen zonfenomenen in het oude Egypte: In this time they said that the sun had moved four times from his accustomed place of rising, and where he now sets he had thence twice had his rising, and in the place from whence he now rises he had twice had his setting; and in the meantime nothing in Egypt had been changed from its usual state, neither that which comes from the earth nor that which comes to them from the river nor that which concerns diseases or deaths.

     

    De wereld van de oudheid werd blijkbaar vanaf het jaar 2341/2340 v. Chr. met de zondvloed tot en met het jaar 709 v. Chr. door een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong, geplaagd. Aan de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong van 1443 v. Chr. ging de meganatuurcatastrofe ten tijde van Job vooraf. Zie het artikel op dit blog van 07.04.2016, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1459720800&stopdatum=1460325600

     

     

    Na het ter kennis nemen van het werk van Velikovsky kwam later in de jaren negentig de al eerder vermelde studie van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, ĎThe Long Day of Joshua and Six Other Catastrophesí, onder mijn aandacht. Deze geleerden gaan nog gedetailleerder te werk en leveren een schema met een cyclus van catastrofes van 2484 v. Chr. tot 701 v. Chr. Door de cyclus vanaf het foutieve ankerjaar 701 v. Chr. in te vullen, gaan historisch-chronologische verbanden verloren. Een voorbeeld is het bekende jaartal 776 v. Chr. met de instelling van de Olympische Spelen door de Grieken als dank naar hun goden toe, toen een verwachte ramp werd afgewend. Het is een ankerjaar waar we met zekerheid de cyclus van rampen mee kunnen linken. Heel de wereld hield tegen het jaar 776 v. Chr. de adem in voor de aangekondigde ramp die planeet aarde dan opnieuw zou treffen. Het is het jaar van de aardbeving ten tijde van koning Uzzia/Azaria. Het is ook het jaar van de geprofeteerde ramp die de Hebreeuwse profeet Jona naar Nineveh bracht.

     

     

    Wanneer men vanaf oktober in het jaar 776 v. Chr. 54 jaar en zes maanden op de tijdsbalk naar voor en naar achter rekent arriveert men in 830 en 722 v. Chr. Het verkregen jaartal 722 v. Chr. is hier opmerkelijk omdat dit jaar volgens de Bijbelse chronologie in het voorjaar de dood zag van koning Achaz, de vader van Hizkia, met een historische vermelding van een kosmisch fenomeen. Een Joodse legende verhaalt namelijk dat op de dag dat koning Achaz stierf er slechts gedurende twee uur daglicht was (Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Volume IV, Bible Times and Characters. From Joshua to Esther).

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstukken: Jozua en de inbezitneming van Kanašn, blz. 121-142, Richteren 5:20 van de hemel streden de sterren, blz. 157-168, De opgerichte steen van SamuŽl te Eben-HaŽzer, blz. 169-178, de profeet Amos en het dateren van de meganatuurcatastrofe waar hij het begin van zijn bediening aan koppelt, blz. 271-278, de noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw v. Chr. blz.331-338, - heb ik de cyclus van genoteerde meganatuurcatastrofes van de geleerden Patten, Hatch, Steinhauer: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, gedateerd en op de tijdsbalk verankerd.

     

    De cyclus van verstoringen van de loop van de aarde omheen de zon was de oorzaak dat in de achtste eeuw v. Chr. een kalenderhervorming nodig werd. Een aantoonbare Bijbelshistorische kalenderwijziging in de achtste eeuw voor Christus blijft uiteraard onaanvaardbaar voor de wetenschap der orthodoxe kosmologie die volgens de evolutietheorie de uniformiteittheorie volgt. 'The present is the key to the past': vanuit deze theorie neemt men aan dat wat men tegenwoordig in de kosmos vaststelt altijd zo geweest is. Alle vermeldingen naar kalenderwijzigingen in de achtste eeuw voor Christus worden door hen, als een slecht lezen van de hemellichamen door de oudheidastronomen verklaard. En de mythologieŽn die aangehaald worden ter staving van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong worden sowieso niet serieus genomen.

    De boodschap van de moderne evolutionistische geÔnspireerde kosmologie voor de mens is dat het heelal en in het bijzonder ons zonnestelsel veilig is. De theorie dat de planeet aarde in een recent verleden, de laatste slechts 2700 jaar geleden, door een serie kosmische catastrofes getroffen werd, wordt afgewezen. Het laatste boek dat de controversiŽle onderzoeker Dr. ImmanuŽl Velikovsky (1895/1979) schreef was gewijd aan dit fenomeen dat hij noemde een Ďcollectief geheugenverliesí van de moderne mensheid. Velikovsky omschreef het als het volgt: De herinnering aan catastrofes werd uitgewist, niet door gebrek aan geschreven overleveringen, maar door een kenmerkend proces, dat later gehele naties, tezamen met hun geletterden, in deze overleveringen allegorieŽn of vergelijkingen deed zien, terwijl in werkelijkheid kosmische natuur-verstoringen daarin heel duidelijk stonden beschreven.

    Het vergt moed om tegen de algemene stroming in te gaan. Het is dan ook lovenswaardig dat de vak-wetenschappers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer dit werk ter hand hebben genomen.

    In verband met de titel van ons artikel moet de conclusie zijn dat indien er in werkelijkheid een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong heeft plaatsgevonden waarbij de aarde in haar rotatie om de zon meerdere malen verstoord werd, men ook geen exacte zonsverduisteringen voorbij het jaar 709 v. Chr. in de tijd terug kan berekenen. Het ankerjaar van de Assyriologie met de genoteerde veronderstelde zonsverduistering over Nineveh in 763 v. Chr. komt hiermee op losse schroeven te zitten, en kunnen we een alternatief jaartal bepalen op basis van de catastrofecyclus.

     

     

    Naar mijn weten is er maar ťťn onderzoeker geweest die op het feit van de kosmische catastrofe in het veertiende regeringsjaar van Hizkia wees en het gevolg voor exacte zonsverduisteringberekeningen voorbij dit jaar de tijd in, en dat is de heer Christoph Marx. Zijn opmerking werd gepubliceerd in het Amerikaanse magazine ĎAncient History and Catastrophismí in juni 1980 maar kreeg geen bijval en niemand maakte naar mijn weten, daarna gebruik van zijn bevinding. De Assyriologie blijkt nog een heiliger koe dan de Egyptologie te zijn.

     

     

    De genoteerde zonsverduistering over Nineveh ten tijde van de koning Assur Dan III in het eponiem van Bur-Saggile heb ik in mijn boek ĎDe Assyriologie herzien, 2012, verankerd met het jaar van de meganatuurcatastrofe ten tijde van de profeet Amos in 800 v. Chr.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 271-278 heb ik een hoofdstuk geschreven over de profeet Amos en het dateren van de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong waar hij het begin van zijn bediening aan koppelt.

    Amos 8:9 Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik op de middag de zon zal doen schuilgaan en bij klaarlichte dag het land in het donker zal zetten. 10 Dan zal Ik uw feesten in rouw verkeren, en al uw liederen in klaagzang. Dan zal Ik rouwgewaad brengen op alle heupen en kaalheid op elk hoofd. En Ik zal het maken als de rouw over een eniggeborene en het einde ervan als een bittere dag.

    De profeet Amos (4: 11) vergelijkt de ongewone zonsverduistering met de ramp die Sodom en Gomorra een millennium eerder getroffen had: ďIk heb onder u een omkering aangericht, gelijk God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft, zodat gij gelijk zijt geworden aan een brandhout uit het vuur geruktĒ.

    Wanneer ik dus de aardbeving ten tijde van de profeet Amos een meganatuurcatastrofe noemde heb ik niet overdreven. De ramp die het Midden-Oosten en heel de wereld in 800 v. Chr. trof was gelijk aan het geweld toen Sodom en Gomorra in 1889 v. Chr. vernietigd werden.

    Genesis 19:24 Toen liet de HERE zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen, van de HERE, uit de hemel; 25 en Hij keerde die steden om, benevens de gehele Streek, met al de inwoners der steden en het gewas van de aardbodem. (NBG Vertaling 1951)

    Dat de kosmos in de dagen van de profeet Amos in beroering was, was voor Velikovsky vanuit de Bijbel duidelijk. Hierna een citaat met tussen haken de namen der planeten toegevoegd:

    Amos 5:8 Die het Zevengesternte (KHIMA=Saturnus) en den Orion (KHESIL=Mars) maakt (ordonneert), en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, HEERE is Zijn Naam. 9 Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting. (Statenvertaling)

    Het jaartal 800 v. Chr. is het jaar waar we arriveren wanneer we de regeerperiodes van de Assyrische koningen vanaf Salmaneser III op de tijdsbalk invullen. In het artikel van 23.01.2017 heb ik de regeerperiode van Salmaneser III met het rampjaar 860 v. Chr. verbonden. Al de koningen van AssyriŽ en hun vermelde regeerperioden van Salmaneser III af tot Assur Dan III hebben aldus in mijn studie op de tijdsbalk hun plaats gevonden. Het is opmerkelijk hoe Salmaneser III en Assur Dan III via twee genoteerde meganatuurcatastrofes met elkaar verbonden zijn, en aldus op de tijdsbalk meer dan een ankerpunt opleveren, in tegenstelling tot de conventionele zonsverduistering van 763 v. Chr. met slechts een ankerpunt.

     

     

    Na de regeerperiode van Assur Dan III in 790 v. Chr. merken we op het bijgevoegde schema de regeerperiode van Assur Nerari V die tot 782 v. Chr. loopt, waarna in AssyriŽ revolutie uitbreekt en de eerder beschreven Ďdamnatio memoriaeí een aanvang neemt. Het hierboven getoonde schema sluit aan bij het getoonde schema in het artikel van 16.01.2017, de Assyrische koning Jareb uit de achtste eeuw v. Chr. Zie link:

    http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2958853

     

    Het was een periode van anarchie in AssyriŽ waar we de Griekse legende van Sardanapallos kunnen onderbrengen, samen met de Bijbels-Assyrische koning Jareb en het optreden van de profeet Jona te Nineveh in 776 v. Chr. met de afgewende ramp.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    20-02-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-02-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Libische farao Osorkon I met een Amarna-pruik afgebeeld?

    Te Byblos in Libanon, het FeniciŽ van de oudheid, werd in de vorige eeuw een borstbeeld van farao Osorkon I van de Egyptische tweeŽntwintigste dynastie opgegraven. Het beeld bevindt zich sinds 1925 in het Louvre.

    Een vraagteken voor de orthodoxe Egyptologie is waarom Osorkon I zich met een Amarna-pruik liet afbeelden? Volgens de Egyptologen leefde Osorkon I in de tiende eeuw v. Chr. en gaat de Amarna-periode terug tot de veertiende eeuw v. Chr. Een andere vraag die men stelt is waarom de Fenicische koning Elibaal uit de achtste eeuw v. Chr. in het beeld een inscriptie liet graveren. Tussen beide heersers: de FeniciŽr Elibaal en farao Osorkon I zitten er op de tijdsbalk, volgens de orthodoxe egyptologie, twee eeuwen.

    De Libische tweeŽntwintigste dynastie wordt door de orthodoxie in de tiende eeuw voor Christus op de tijdsbalk geplaatst. Over de chronologie en de plaatsing van de tweeŽntwintigste dynastie op de tijdsbalk schreef ik eerder op dit blog een artikel, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1440972000&stopdatum=1441576800

     

     

    Het is altijd boeiend om het commentaar van de orthodoxe egyptologie betreffende bepaalde vondsten te lezen:

    ďOp dit in Byblos gevonden beeldfragment liet een plaatselijke heerser in Fenicisch schrift een heilige tekst voor de stadsgodin, de heerseres van Byblos, aanbrengen. Omstreden is waarom en vooral wanneer dit Egyptische beeld, dat de heerser met de uraeus-slang en een vooral in de Amarnatijd geliefd type pruik toont, in de Libanese kuststad kwam en welk tijdsbestek tussen zijn ontstaan en het opbrengen van de secundaire inscriptie lag. Het is onduidelijk of Osorkon I hier door het aanbrengen van de cartouche met zijn naam op de borst Ėeen zeer ongewone plaats bij een koninklijk beeld- een figuur uit de tijd van Horemheb usurpeerde, of dat hij zich alleen aan een vroegere stijl aan paste

    (Regine Schulz en Matthias Seidel, Egypte het land van de faraoís, blz. 284)

     

     

    De vragen die door de orthodoxie in verband met het beeld gesteld worden, blijven onbeantwoord tenzij men het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid wil volgen. In mijn boek: De Zonaanbidder, 2016, blz. 167-172, toon ik aan dat de Libische tweeŽntwintigste dynastie in de achtste eeuw v. Chr. op de tijdsbalk thuishoort en niet in de tiende eeuw v. Chr. In mijn studie toon ik vooral aan dat de Amarna-tijd met de Aton-aanbidders: de farao ís Amonhotep III en Achnaton, in de achtste eeuw v. Chr. op de tijdsbalk op hun juiste historische plaats zitten. De Libische farao ís waren ondergeschikt aan de achttiende dynastie en waren in hun militaire dienst. Farao Osorkon I heeft nu een regeerperiode van 765 tot 747 v. Chr. en de gehele gereviseerde Libische tweeŽntwintigste dynastie zit nu op de tijdsbalk verankerd vanaf het jaar 776 tot 632 v. Chr. en was aldus contemporain (maar ondergeschikt) met de Amarna-faraoís en generaal Horemheb. De Libische dynastie had haar eigen woongebied in de Nijldelta.

     

    Het beeld van Osorkon I met de Amarna-pruik en met de inscriptie van Fenicische koning Elibaal naast zijn cartouche, zit op zijn plaats in de achtste eeuw v. Chr. waar alle historische puzzelstuk-deeltjes samenkomen en het plaatje volledig word.

     

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    13-02-2017 om 14:48 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-02-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Assyriologie, Thiele en het noodlottige jaartal 930 v. Chr.

    Met onze aflevering van 23.01.2017 op dit blog gaven we aandacht aan de datering van de slag bij Karkar in 853 v. Chr. door de Assyriologie, en het aanpassen van de Bijbelse chronologie aan de verkregen jaartallen van de Assyrische koningslijst. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2960735

    Een oefening die de geleerde Edwin E. Thiele (1895/1986) moest uitvoeren was het linken van koning Achab van het tienstammenrijk aan het verkregen jaartal voor de slag bij Karkar in 853 v. Chr. De regeerperiode van Achab corrigeerde hij naar de jaren 874/853 v. Chr. Zoals eerder vermeld heeft Achab echter een Bijbels-historisch verifieerbare regeerperiode van 909 v. Chr. tot 888 v. Chr. of een verschil van zo maar even vijfendertig jaar tussen de Bijbel en de chronologische interpretatie van de verkregen Assyrische jaartallen.

    Zoals in de aflevering van 23.01.2017 behandeld liet Thiele koning Achab van het tienstammenrijk aan de strijd bij Karkar deelnemen in diens laatste regeringsjaar, hetzelfde jaar dat hij aan zijn einde kwam in de slag bij Ramot Gilead tegen Aram. Wanneer Achab aan de slag bij Karkar heeft deelgenomen (want de Bijbel zwijgt over dit wapenfeit), dan is het toch logisch dat hij dit deed ten tijde van het drie jaren-bestand (1 Koningen 22:1) tussen IsraŽl en Aram (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 243-249), en niet in zijn laatste regeringsjaar toen hij Aram aanpakte.

     

    De volgende oefening die Thiele volbracht was de schikking op de tijdsbalk van de koningen van IsraŽl en Juda die voor Achab regeerden. Het resultaat was het jaartal 930 v. Chr. voor de dood van Salomo en de splitsing van het Verenigd Koninkrijk van IsraŽl in twee delen. Het jaartal 930 v. Chr. is sinds de publicatie van ďThe Mysterious Numbers of the Hebrew KingsĒ in 1977, algemeen ingeburgerd en wordt als juist bevonden gehanteerd. Het eveneens algemeen gehanteerde Exodusjaartal: 1446 v. Chr. werd bekomen door via het foutief bevonden jaartal 930 v. Chr. naar het verleden toe te rekenen. Het is een jaartal dat door meerdere onderzoekers nochtans als vaststaand feit gehanteerd wordt, en niet in vraag gebracht. Het begin van het verenigd koninkrijk van IsraŽl onder Saul wordt nu berekend als ít volgt:

    930/970 v. Chr.:         Salomo

    970/1010                     David

    1010/1050                            Saul

    De noodlottige constructie van Thiele heb ik ook in mijn boek EXODUS, 2016, in het hoofdstuk: het jaartal van de Exodus 1483 v. Chr., blz. 59-69, besproken.

     

    Waarom is dit zo belangrijk? Er zijn meerdere redenen waarom het jaartal 930 v. Chr. als noodlottig bestempeld kan worden. Een eerste voorbeeld is dat er sinds de publicatie van Dr. ImmanuŽl Velikovsky ís werk in de jaren vijftig van de vorige eeuw er wereldwijd aan de herziening van de chronologische geschiedenis van de Oudheid, en vooral dan van Egypte wordt gewerkt. Vele (meestal seculiere) onderzoekers hanteren hierbij de Bijbel als een historisch boek en gebruiken in hun onderzoek hierbij de jaartallen die Edwin R. Thiele heeft uitgewerkt. Dit levert op de tijdsbalk echter foute constructies op, gaande van zeven jaar tot zesendertig jaar.

    De Egyptoloog David Rohl bijvoorbeeld maakt in zijn boek ĎA TEST OF TIMEí, van Saul (de eerste koning van het verenigd koninkrijk van IsraŽl) een tijdgenoot van farao Achnaton. Dit als gevolg van zijn hanteren en voor waar houden van de uitgedokterde tijdsconstructie van Thiele van de koningen van IsraŽl en Juda. Zijn ankerpunt voor Achnaton op de tijdsbalk is een zonsverduistering over Oegarit in het jaar 1012 v. Chr. op 9 mei in de namiddag, precies te 18.09 u. (A Test of Time, Chapter Eleven, Navigating by the Stars. The Ugarit Solar Eclipse). Een astronoom berekende voor hem met een computerprogramma, de zonsverduistering over Oegarit. Rohl bouwt zijn thesis op rond de ontdekking van een kleitablet in de ruÔnes van Oegarit. Het ontcijferde kleitablet KTU 1.78 bevat de volgende tekst: The day of the new moon of Hiyaru was put to shame as the sun (goddess) set, with Rashap (?) as her gate keeper. En in de Amarnabrief EA151 beschrijft de koning van Tyrus; Abimilki, het catastrofale einde van Oegarit aan farao Achnaton: ďEn vuur heeft Oegarit, de stad van de koning, verteerd; de helft ervan is verteerd, en de andere helft niet; en het volk van het leger van Hatti is niet daarĒ. Rohl verankerde vanuit zijn bevindingen het twaalfde regeringsjaar van farao Achnaton met het jaar 1012 v. Chr., en rangschikte de overige regeerperioden van de farao ís van de achttiende dynastie op basis van dit ankerjaar.

    Rohl ís tijdsreconstructie maakt, binnen het noodlottige raamwerk van Thiele, van Saul en David tijdgenoten van farao Amonhotep IV van de achttiende dynastie. Deze reconstructie houdt echter alleen steek wanneer de uitgedokterde jaartallen van Thiele voor de koningen van IsraŽl correct zijn, wat niet het geval is. De historisch-verifieerbare jaartallen voor de jaartallen van de koningen van IsraŽl binnen het raamwerk van de sabbat- en jubeljaren zijn:

      967/1007 v. Chr.:      Salomo

    1007/1047                   David

    1047/1087                  Saul

    Ik wil er op wijzen dat ik hier slechts op een onderdeel van het werk van David Rohl opmerkingen heb, en niet op heel zijn studie. Wie met regelmaat mijn blog volgt, weet de maat van de waarde die ik aan het algemene onderzoek van de Egyptoloog David Rohl hecht.

     

    Een tweede betreurenswaardig voorbeeld van het hanteren van de gefabriceerde jaartalen van Thiele in hun onderzoek vinden we bij de wetenschappers Patten, Hatch, Steinhauer in hun studie: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973. Deze wetenschappers tonen duidelijk aan dat planeet aarde meerdere malen in de oudheid in haar baan om de zon verstoord werd en er tegen de achtste eeuw v. Chr. zelfs een kalenderhervorming nodig was. Zie TIJD en TIJDEN, 2016, hoofdstuk: de noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw voor Christus, blz. 331-338).

     

     

    Er was volgens deze onderzoekers een cyclus van meganatuurcatastrofes aan de hand met intervallen van 54 jaar en zes maanden met iedere keer een planetaire interactie tussen de maand maart, het Romeinse Tubilustrium en de daaropvolgende catastrofe 54 jaar en zes maanden later in oktober, het Romeinse Armilustrium.

    Hun ankerjaar op de tijdsbalk is echter 701 v. Chr., het jaartal dat Thiele uitdokterde voor het veertiende regeringsjaar van Hizkia gecorrigeerd naar de bevindingen van de Assyriologie in verband met de belegering van Jeruzalem door Sanherib. Hun ankerjaar heeft een afwijking van acht jaar met het historisch-verifieerbare jaartal 709 v. Chr. voor het veertiende regeringsjaar van Hizkia met een genoteerde meganatuurcatastrofe, die resulteerde in de vernietiging van het Assyrische leger nabij Jeruzalem. Het resultaat van deze afwijking is dat zij dikwijls met Ďcircaí-jaartallen werken, bij het invullen van de cyclus van rampen naar het verleden toe. Ook missen zij als een gevolg van het werken vanaf het foutieve 701 v. Chr. verbanden met genoteerde meganatuurcatastrofes. Een voorbeeld is het bekende jaartal 776 v. Chr. met de instelling van de Olympische Spelen door de Grieken als dank naar hun goden toe, toen een verwachte ramp werd afgewend. Het is een ankerjaar waar we met zekerheid de cyclus van rampen mee kunnen linken. Heel de wereld hield tegen het jaar 776 v. Chr. de adem in voor de aangekondigde ramp die planeet aarde dan opnieuw zou treffen. Het is het jaar van de aardbeving ten tijde van koning Uzzia/Azaria. Het is ook het jaar van de geprofeteerde ramp die de Hebreeuwse profeet Jona naar Nineveh bracht.

    Wanneer men vanaf het jaartal 776 v. Chr. in oktober 54 jaar en zes maanden op de tijdsbalk naar voor en naar achter rekent arriveert men in de jaren 830 en 722 v. Chr. Het verkregen jaartal 722 v. Chr. is hier opmerkelijk omdat dit jaar volgens de Bijbelse chronologie in het voorjaar de dood zag van koning Achaz, de vader van Hizkia, met een historische vermelding van een kosmisch fenomeen. Een Joodse legende verhaalt namelijk dat op de dag dat koning Achaz stierf er slechts gedurende twee uur daglicht was (Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Volume IV, Bible Times and Characters. From Joshua to Esther).

     

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, (hoofdstukken: Jozua en de inbezitneming van Kanašn, blz. 121-142, Richteren 5:20 van de hemel streden de sterren, blz. 157-168, De opgerichte steen van SamuŽl te Eben-HaŽzer, blz. 169-178, de profeet Amos en het dateren van de meganatuurcatastrofe waar hij het begin van zijn bediening aan koppelt, blz. 271-278, de noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw v. Chr. blz.331-338, - heb ik de cyclus van genoteerde meganatuurcatastrofes van de geleerden Patten, Hatch, Steinhauere: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, gedateerd en op de tijdsbalk verankerd.

     

    Een derde pijnlijk voorbeeld van het gebruik van Thiele ís verkregen jaartallen is de vaststelling dat heel wat Bijbelvorsers zijn jaartallen gebruiken ter berekening van de Genesis-jaartallen en ook het alsnog toekomstige jaartal van de wederkomst van Jezus Christus. Dit laatste is sowieso een onmogelijke taak en leidt alleen maar tot verlegenheid bij zowel de auteurs als bij de mensen die hieraan geloof willen hechten, wanneer het tegendeel bewezen is.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    06-02-2017 om 14:06 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-01-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Egyptische Apis en de profeet Jeremia

    De Apis was in het oude Egypte een god die als een stier met een zonneschijf tussen de horens werd afgebeeld. Dikwijls kregen Egyptische farao ís als godkoningen dan ook de bijnaam: Sterke Stier.

    Naast de beeldendienst bestond er in het oude Egypte ook een dienst rond uitverkoren levende stieren. De Apis-stier werd op basis van bepaalde kenmerken geselecteerd. Zo moest het uitverkoren dier een soort tekening van vleugels als merk op het voorhoofd hebben. Ook een soort knoop onder de tong was een vereiste voor de stier om verkozen te worden. Bij de leeftijd van vijfentwintig jaar alvorens zichtbaar oud te worden, werd de Apisstier door verdrinking gedood, daarna gemummificeerd en in een mausoleum bijgezet waar ook zijn voorgangers lagen (of stonden). Deze necropolis bevond zich te Sakkara nabij Memfis. Daarna werd in het hele land uitgekeken naar de geboorte van een nieuw dier met dezelfde kenmerken. De bedoeling van heel dit gebeuren zou deel uitgemaakt hebben van het Egyptische bijgeloof dat alle dingen eeuwig terugkeren (Jane B. Sellers, The Death of the gods in Ancient Egypt, Chapter 25). Deze Egyptische variant van de reÔncarnatieleer staat haaks op de Bijbelse leer van het eenmalig onherhaalbaar aardse leven, waar de gevallen mens God kan ontmoeten en het Heil, dat in de Messias geschonken wordt, deelachtig kan worden.

     

     

    In de negentiende eeuw in 1851 ontdekte Auguste Mariette in Sakkara, de necropool van Memfis, de sfinxenlaan van de Ptolemeische farao Nectanebo I die naar de tempel van Nectanebo II liep met verderop het Serapeum, de begraafplaats van de Apis-stieren. Sinds farao Amonhotep III van de achttiende dynastie werden in Sakkara blijkbaar al stieren bijgezet.

    De geboorte van een Apis-stier werd geregistreerd volgens het regeringsjaar van de dan heersende farao, zo ook het sterfjaar van het arme dier. De bewaarde lijsten hiervan zijn heden een middel voor het chronologisch schikken van sommige farao ís in relatie tot elkaar, op de tijdsbalk.

     

    Maar met de Apis als Egyptische god was er meer aan de hand. De Griekse naam Apis staat in het Egyptisch voor Hepi of Hapi wat Ďverbergení betekent.Volgens het studiewerk van Rev. Alexander Hislop (The Two Babylons, 1916, chapter II, Objects of Worship) kan de Apis in verband gebracht worden met Osiris en Nimrod. Hislop toont aan dat Osiris, de belangrijkste Egyptische god, met Nimrod de anti-messias van Genesis, in verband gebracht kan worden. Aan de historische Nimrod gaf ik al eerder aandacht met het artikel van 04.07.2016, Chronologie van tot Nimrod tot Abram/Abraham. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1467583200&stopdatum=1468188000

     

    In mijn uitgave EXODUS van het najaar van 2016, blz. 93-106, geef ik aandacht aan de godenwereld van Egypte en hun nederlaag bij het uitleiden van de IsraŽlieten door de HEERE God van IsraŽl in 1483 v. Chr. In het hoofdstuk: ĎFarao met zijn heir in de Schelfzee gestortí beschrijf ik hoe een veldslag in het oude Egypte nooit zo maar alleen een oorlog tussen twee volkenlegers was, maar ook een conflict tussen twee goden (Margaret A. Murray, The Splendour that was EGYPT, 1949, Chapter IV Religion, Burial customs). In een veldslag reed farao altijd met de standaard van zijn god op kop van zijn leger, de vijand tegemoet.

    Op dezelfde manier ging het er aan toe in de slag bij Karkemis tussen het leger van Egypte en dat van Babylon. In de Bijbelse oud-Testamentische geschiedschrijving wordt hier over reŽle geestelijke machten gesproken, waar ook de apostel Paulus in het Nieuwe Testament naar verwijst.

    Paulus aan 1 KorintiŽrs 8:5 Want al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde Ė en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte Ė 6 voor ons nochtans is er maar ťťn God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en ťťn Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn , en wij door Hem. (NBG Vertaling 1951)

     

    Paulus aan Efeze 3:8 Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, 9 en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, 10 opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, 11 naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd, 12 in wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem. (NBG Vertaling 1951)

     

    De profeet DaniŽl vermeldt in hoofdstuk 11:13 en 20, van het gelijknamige Bijbelboek, bovennatuurlijke geestelijke vorsten die in zijn tijd, over PerziŽ en Griekenland stonden. In Nederland hadden we de theoloog en filosoof Dr. F. De Graaff, (1918/1993), die met zijn publicaties dit fenomeen uitgediept heeft en naar de moderne tijd doorgetrokken. Zie zijn boeken: ALS GODEN STERVEN, 1969 en ANNO DOMINI 1000 2000.

     

    Met de slag bij Karkemis in 605 v. Chr. tussen de legers van Egypte en Babylon spreekt de HEERE God zowel farao Necho als diens god(en) toe.

    Jeremia 46: 1 Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremia geschied is tegen de heidenen. 2 Tegen Egypte; tegen het heir van Farao Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda. 3 Rust het schild en de rondas toe, en nadert tot den strijd! 4 Spant de paarden aan, en klimt op, gij ruiters! en stelt u met helmen; veegt de spiesen, trekt de pantsiers aan! 5 Waarom zie Ik, dat zij versaagd en achterwaarts gedreven zijn? Zelfs hun helden zijn verslagen, en nemen de vlucht, en zien niet om; er is schrik van rondom, spreekt de HEERE. 6 De snelle ontvliede niet, en de held ontkome niet; tegen het noorden, aan den oever der rivier Frath zijn zij gestruikeld en gevallen. 7 Wie is deze, die optrekt als een stroom, wiens wateren zich bewegen als de rivieren? 8 Egypte trekt op als een stroom, en zijn wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde bedekken, ik zal de stad, en die daarin wonen, verderven. 9 Trekt op, gij paarden! en raast, gij wagens! en laat de helden uittrekken: de Moren, en de PuteŽrs, die het schild handelen, en de LydiŽrs, die den boog handelen en spannen. 10 Maar deze dag is des HEEREN, des HEEREN der heirscharen, een dag der wrake, dat Hij zich wreke van Zijn wederpartijders, en het zwaard zal vreten, en verzadigd, en dronken worden van hun bloed; want de Heere, HEERE der heirscharen, heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier Frath. 11 Ga henen op naar Gilead, en haal balsem, gij jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt gij de medicijnen, er is geen heling voor u. 12 De volken hebben uw schande gehoord, en het land is vol van uw gekrijt; want zij hebben zich gestoten, held tegen held, zij zijn beiden te zamen gevallen. 13 Het woord, dat de HEERE tot den profeet Jeremia sprak, van de aankomst van Nebukadrezar, den koning van Babel, om Egypteland te slaan. 14 Verkondigt in Egypte, en doet het horen te Migdol; doet het ook horen te Nof en Tachpanhes; zegt: Stelt er u naar, en maakt u gereed, want het zwaard heeft verteerd, wat rondom u is. 15 Waarom zijn uw sterken (Apis) weggeveegd? (Statenvertaling)

     

    Ik heb tussen ronde haken in vers vijftien de Griekse naam: ĎApisí, toegevoegd. Het is de Griekse Septuagintvertaling die in de derde eeuw v. Chr. de ĎApisí voor Ďsterkení gebruikte. De Septuagintvertaling is heden integraal op het internet verkrijgbaar. Het is een vertaling uit 1851 AD van het Grieks naar het Engels. Zie link: http://www.ecmarsh.com/lxx/

     

    Volgens de Joodse overlevering verzamelde de Grieks-Egyptische farao Ptolemaeus II (285/246 v.Chr.) tweeŽnzeventig rabbijnen en plaatste hen in tweeŽnzeventig afzonderlijke ruimten. Zijn opdracht was dat iedere rabbijn een vertaling van de Torah in het Grieks aan hem moest leveren. Op de achtste van de maand Tevet (december/januari) van het Joodse jaar anno mundi 3515 zijnde 246 v.Chr. volgens de westerse kalender, werden tweeŽnzeventig versies geleverd. De traditie wil dat alle vertalingen identiek bleken. Deze Griekse vertalingen werden Septuagint (Ďvan de zeventigí) genoemd en aan de bibliotheek van AlexandriŽ in Egypte toegevoegd.

    Hierna het betreffende Bijbelgedeelte van de profeet Jeremia volgens de Septuagintvertaling:

    Jeremia 46:13 THE WORDS WHICH THE LORD SPOKE by Jeremias, concerning the coming of the king of Babylon to smite the land of Egypt. 14 Proclaim it at Magdol, and declare it at Memphis: say ye, Stand up, and prepare; for the sword has devoured thy yew-tree. 15 Wherefore has Apis fled from thee? thy choice calf has not remained; for the Lord has utterly weakened him. 16 And thy multitude has fainted and fallen; and each one said to his neighbour, Let us arise, and return into our country to our people, from the Grecian sword. 17 Call ye the name of Pharao Nechao king of Egypt, Saon esbeie moed.

     

    De slag bij Karkemis in 605 voor Christus krijgt op deze manier een metahistorische achtergrond. Het is de God van IsraŽl die het einde inluidt over Egypteís belangrijkste godheid.

    De Bijbelse farao Necho vinden we terug in de faraolijst van Manetho in diens zesentwintigste dynastie. Ook de oudheidhistoricus Herodotos verwijst in zijn werk (Boek 2:159) naar farao Necho of Neko. Met mijn eerste aflevering voor 2017 op dit blog gaf ik aandacht aan deze farao in verband met Herodotosí verwijzing naar hem met de bouw van een kanaal van de Nijl naar de Rode Zee. Zie het artikel van 02.01.2017, Het Suezkanaal van de oudheid. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2955420

    Farao Necho was ook degene die vier jaar eerder koning Josia van Juda in de slag bij Megiddo gedood had (2 Kronieken 35:20-24).

     

     

    Dit Schriftgedeelte verhaalt het merkwaardige feit dat de God van IsraŽl door de mond van Necho, koning Josia toespreekt zich niet in het conflict tussen Egypte en Babylon te mengen. De hoofdstad van AssyriŽ: Nineveh, was drie jaar eerder door de geallieerde legers van Babylon en MediŽ ingenomen en het Assyrische Rijk was in 609 v. Chr. zo goed als verslagen. Egypte en Babylon wensten in het ontstane machtsvacuŁm hun plaats in te nemen. De anders godvruchtig beschreven Josia meende in 609 v. Chr. echter (zonder een Godsspraak ondersteund) eveneens Juda Ďs positie tussen Eufraat en Nijl te her vestigen. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 364-365.

     

    De Egyptische zesentwintigste dynastie van Manetho was de laatste soevereine dynastie over Egypte alvorens het land zijn onafhankelijkheid zou verliezen aan Babylon, gevolgd aan de Meden en Perzen, daarna de Grieken en als laatsten de Romeinen. Zij zijn de vier beestrijken van de profeet DaniŽl (hoofdstuk 7) waar ook IsraŽl dienstbaar aan zou worden. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de zesentwintigste dynastie van Manetho, blz. 375-384, heb ik het einde van deze dynastie beschreven. In mijn boek maak ik duidelijk dat er wel degelijk een Babylonische invasie van Egypte, zoals geprofeteerd door Jeremia (en EzechiŽl 30:18-19), is geweest. De invasie geschiedde in het drieŽntwintigste regeringsjaar van Nebukadnezar in het jaar 582 v. Chr.

     

    Het begin van het einde voor Egypte begon in 605 v. Chr. waar de legers van Babylon over die van Egypte te Karkemis in het noorden zegevierden, zoals de profeet Jeremia het in detail beschreef:

    Jeremia 46:16 Hij maakte der struikelenden veel; ja, de een viel op den ander; zodat zij zeiden: Staat op en laat ons wederkeren tot ons volk, en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard. 17 Daar riepen zij: Farao, de koning van Egypte, is maar een gedruis; hij heeft den gezetten tijd laten voorbijgaan. 18 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen; hij zal voorzeker, als Thabor onder de bergen, en als Karmel bij de zee, aankomen! 19 Maak voor u gereedschap der gevankelijke wegvoering, gij inwoneres, gij dochter van Egypte! want Nof zal ter verwoesting worden, en zal verbrand worden, dat er niemand in wone. 20 Egypte is een zeer schone vaarze; de slachter komt, hij komt van het noorden. 21 Zelfs haar gehuurden in haar midden zijn als gemeste kalveren; maar die hebben zich ook gewend, zij zijn te zamen gevlucht, zij hebben niet gestaan; want de dag huns verderfs is over hen gekomen, de tijd hunner bezoeking. 22 Haar stem zal gaan als van een slang; want zij zullen met krijgsmacht daarhenen trekken, en tot haar met bijlen komen, gelijk houthouwers. 23 Zij hebben haar woud afgehouwen, spreekt de HEERE, hoewel het niet is te onderzoeken; want zij zijn meerder dan de sprinkhanen, zodat men hen niet tellen kan. 24 De dochter van Egypte is beschaamd; zij is gegeven in de hand des volks van het noorden. 25 De HEERE der heirscharen, de God IsraŽls, zegt:

    Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No (Ammon), en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen. 26 En Ik zal hen geven in de hand dergenen, die hunlieder ziel zoeken, en in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en in de hand zijner knechten. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van ouds, spreekt de HEERE.

    27 Maar gij, Mijn knecht Jakob! vrees niet, en ontzet u niet, o IsraŽl! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken. 28 Gij dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt de HEERE; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, doch met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden. (Statenvertaling)

     

    Vanaf vers 25 in het hierboven vermelde Bijbelcitaat lezen we dat de HEERE God Zijn oordeel over de goden van Egypte aankondigt. Door de hand van Nebukadnezar zou dit voltrokken worden. De zeventigjarige Babylonische ballingschap voor IsraŽl die met de eerste wegvoering in 605 v. Chr. een aanvang nam, zou volgens de verzen 27 en 28 een einde kennen waarna een herstel in het land zou volgen.

     

    Ik kan me voorstellen dat de toevallige agnostische lezer van dit blog zijn of haar schouders ophaalt bij het lezen van de aankondiging van een oordeel over de goden van Egypte door de God van IsraŽl? We leven anno 2017 ten slotte in een vrijwel geheel ontkerstend BelgiŽ en het aannemen van het bestaan van een geestelijke wereld vergt geloof. De ontkerstening is overigens al langer aan de hand. We hebben nu al een tweede en derde generatie van mensen die sinds hun ouders en grootouders de kerk(en) verlieten, er zelfs nooit mee in aanraking zijn geweest.

    Het Heil en/of de Zin van het Leven is nochtans niet in het christendom of een of andere religie te vinden, maar alleen in de persoon van Jezus Christus, de Zoon van God. Waar twee of drie mensen in Zijn Naam samenkomen ter onderzoeking van Zijn Woord, is Hij als Trooster in hun midden, in hun Kring staat er geschreven, en vormen Ďzijí de Ekklesia. Hun motto zijn de kernpunten van de reformatie: Ďsola fide, sola gratia, sola scripturaí. De rechtvaardiging voor God komt alleen door geloof, alleen door genade als een gave van God en alleen de Schriften of de Bijbel bevat deze waarheid, die zonder tussenpersonen geÔnterpreteerd kan worden.

    De boodschap die Paulus te Athene voor de Areopagus verkondigde (Handelingen 17:24-31) was dat de God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, niet woont in tempels met handen gemaakt, en Zich niet door mensenhanden laat dienen, alsof Hij nog iets nodig zou hebben, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft. Hij heeft uit ťťn enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht. Daar wij dan van Gods geslacht zijn, moeten wij niet menen, dat de godheid gelijk is aan goud of zilver of steen door menselijke kunstvaardigheid gesneden of bedacht. God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; 31 omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken.

    Toen Paulus in zijn betoog over de opstanding van de Christus begon te spreken werd hij door aanwezige Grieken op de Areopagus spottend onderbroken en betekende dit het einde van zijn korte boodschap. Alhoewel de boodschap kort was bezitten we vandaag wel een bondige samenvatting van Paulus over wat echt belangrijk en essentieel is.

     

    Achter de god Apis van het oude Egypte stond wel degelijk een geestelijke anti-macht die door de HEERE God van IsraŽl oordeel aangezegd werd.

    Wanneer we het laatste boek van de Bijbel als vooraf geschreven geschiedenis willen bestuderen: de Apocalyps of Openbaring van Jezus Christus, weten we dat er nog een finale volgt van de strijd van de God van IsraŽl tegen de overheden en de machten in de hemelse gewesten (Efeze 3:10). De tegenstander heeft in de Bijbel vele namen. In Openbaring hoofdstuk 12:9 worden ze allen met hun historische namen genoemd: de grote draak, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan en zijn engelen. In de toekomst zal er (ditmaal) een geÔncarneerde nieuwe Nimrod op het toneel verschijnen die tussen Nijl en Eufraat zijn kernland zal vestigen van waaruit hij de hele wereld zal domineren. De oude goden van weleer zullen dan plotseling opnieuw springlevend blijken te zijn, tot op de dag van Christus wanneer zij allen definitief door Zijn verschijning zullen weggevaagd worden (Openbaring 19, 2 Thessalonicenzen 2:8).

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    30-01-2017 om 11:02 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!