Inhoud blog
  • 360 dagen in een jaar in de oudheid?
  • De datering van de profeet Jona te Nineveh
  • De tijden der heidenen: 2520 dagen of zijn het ook jaren?
  • chronologie van de apocalyps (vervolg)
  • Dr. Floyd Nolen Jones: 'The Chronology of the Old Testament' en de 390 jaar van de profeet EzechiŽl Ďs Ďongerechtigheid van het huis IsraŽlsí
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    21-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.360 dagen in een jaar in de oudheid?

    Er zijn schriftelijke overleveringen die leren dat de wereld van de oudheid ooit een jaar van 360 dagen kende in tegenstelling tot de huidige tijd waar een jaar uit 365, 25 dagen bestaat. De Bijbel bijvoorbeeld brengt de geschiedenis van de zondvloed van meer dan vierduizend jaar geleden op basis van een jaar van 360 dagen. Ook in andere beschavingen rekende men met maanden van dertig dagen (BW Bijbel en Wetenschap, Chronologie door F.J. Kerkhof, Blz. 25, ISBN 90 70145 04 9). De AssyriŽrs bijvoorbeeld rekenden met maan-maanden van dertig dagen. Een jaar telde 360 dagen en een decennium of Sarus telde 3600 dagen. In India verdeelden de Vedaís het jaar in twaalf maanden van dertig dagen. Pas in de zevende eeuw voor Christus begonnen de Hindoes te rekenen met een jaar van 365,25 dagen. In Babylon begonnen de maanden van dertig dagen met het licht van de nieuwe maan, twaalf maal per jaar. In de achtste eeuw voor Christus werden vijf dagen toegevoegd. Ook in Egypte rekende men aanvankelijk met een jaar van 360 dagen. Het papyrus Ebers, een bewaard document ten tijde van het Nieuwe Rijk had een jaar van twaalf maanden, elk van dertig dagen. De vijf extra dagen het epagomena, werden pas later toegevoegd. Deze toevoeging was niet het gevolg van een betere astronomische kennis maar was noodzakelijk als een gevolg van veranderingen aan de sterrenhemel, zoals het Canopus Decreet ook vermeldt. Dit document dateert uit 239 v. Chr. en stelt dat gedurende een bepaalde periode in de geschiedenis van Egypte een jaar slechts 360 dagen telde en dat later vijf dagen werden toegevoegd. Een ander Egyptisch document van de oudheid: het Sothisboek vermeldt dat het jaar van 360 dagen tijdens de Hyksos-heerschappij tot stand kwam en dat in de achtste eeuw v. Chr. de vijf epagomena aan het jaar werden toegevoegd.

     

     

    Een kalenderafbeelding uit de tempel van Senemmoet, een dienaar van Hatsjepsoet, achttiende dynastie.

     

    Hierna een citaat van de oudheidhistoricus Herodotos die over de Egyptische kalender van 360 dagen en de wijziging naar 365 dagen berichtte.

    Herodotos Boek II, 4. But as to those matters which concern men, the priests agreed with one another in saying that the Egyptians were the first of all men on earth to find out the course of the year, having divided the seasons into twelve parts to make up the whole; and this they said they found out from the stars: and they reckon to this extent more wisely than the Hellenes, as it seems to me, inasmuch as the Hellenes throw in an intercalated month every other year, to make the seasons right, whereas the Egyptians, reckoning the twelve months at thirty days each, bring in also every year five days beyond the number, and thus the circle of their seasons is completed and comes round to the same point whence it set out. They said moreover that the Egyptians were the first who brought into use appellations for the twelve gods and the Hellenes took up the use from them; and that they were the first who assigned altars and images and temples to the gods, and who engraved figures on stones; and with regard to the greater number of these things they showed me by actual facts that they had happened so. Ö

     

     

    En om af te sluiten: Plutarchus, een Griekse historiograaf en filosoof (ca. 46/120 AD), schreef in zijn Ďleven van Numaí, dat in de dagen van Romulus in de achtste eeuw v. Chr., de Romeinen een jaar van slechts 360 dagen hadden.

    De beschavingen van de oudheid bouwden veel van hun tempels en andere gebouwen in relatie tot en rekeninghoudend met de sterren- en planetenhemel en dit met een heden bekende verbazingwekkende nauwkeurigheid. Men kan er gerust van uitgaan dat zij een grote astronomische kennis hadden en dat zij ook accuraat veranderingen aan diezelfde hemel hebben genoteerd en doorgegeven. Deze veranderingen kunnen historisch geduid worden en tegen het einde aan van de achtste eeuw voor Christus werd een definitieve kalenderwijziging nodig.

    Er was een historisch verifieerbare cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong aan voorafgegaan en deze was de oorzaak van de storing van planeet aarde in haar omwenteling om de zon. Op dit blog heb ik regelmatig aan de cyclus van meganatuurcatastrofes in de oudheid aandacht gegeven. Het meest recente artikel dateert van 13.03.2017: de zondvloed van Deucalion, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489359600&stopdatum=1489964400

    De hiervoor beschreven theorie dat planeet aarde nog in een recent verleden van slechts 2800 jaar geleden door een serie kosmische catastrofes getroffen werd wat een kalenderwijziging noodzakelijk maakte, wordt door de moderne wetenschap kosmologie op basis van de evolutietheorie afgewezen. De moderne wetenschap kosmologie volgt de uniformiteittheorie. 'The present is the key to the past': vanuit deze theorie neemt men aan dat wat men tegenwoordig in de kosmos vaststelt altijd zo geweest is. Alle vermeldingen naar kalenderwijzigingen in de achtste eeuw voor Christus worden door moderne kosmologen als een slecht lezen van de hemellichamen door de oudheidastronomen verklaard.

    Het zijn de Bijbel en de Joodse overleveringen die toelaten de periode van de kalenderwijziging nauwkeurig op de tijdsbalk te duidden. In het sterfjaar van koning Achaz van Juda in het voorjaar van 722 v. Chr. leert de Joodse overlevering een storing van de aarde in haar loop om de zon.

    While the northern kingdom was rapidly descending into the pit of destruction, a mighty upward impulse was given to Judah, both spiritually and materially, by its king Hezekiah. In his infancy the king had been destined as a sacrifice to Moloch. His mother had saved him from death only by rubbing him with the blood of a salamander, which made him fire-proof. In every respect he was the opposite of his father. As the latter is counted among the worst of sinners, so Hezekiah is counted among the most pious of Israel. His first act as king is evidence that he held the honor of God to be his chief concern, important beyond all else. He refused to accord his father regal obsequies; his remains were buried as though he had been poor and of plebeian rank. Impious as he was, Ahaz deserved nothing more dignified. God had Himself made it known to Hezekiah, by a sign, that his father was to have no consideration paid him. On the day of the dead king's funeral daylight lasted but two hours, and his body had to be interred when the earth was enveloped in darkness.

    (The Legends of the Jews, by Louis Ginzberg, IV, Bible Times and Characters, From Joshua to Esther, Hezekiah)

     

    Vierenvijftig jaar en zes maanden eerder in oktober 776 v. Chr. werd de wereld van de oudheid door een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong getroffen. De magnitude van deze ramp en de datering heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 279-284, beschreven.

     

    Maar de meganatuurcatastrofe die planeet aarde trof in het veertiende regeringsjaar van Hizkia van Juda in 709 v. Chr. maakte dat daarna geen enkel religieus feest in IsraŽl noch daarbuiten nog seizoen-correct gebeurde.

     

     

    In het Bijbelboek Jesaja vinden we een verwijzing naar een verstoring van de omloop van de aarde om de zon.

    Jesaja 38:1 In die dagen werd Hizkia ten dode toe ziek. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, tot hem en zeide tot hem: Zo zegt de HERE: tref beschikkingen voor uw huis, want gij zult sterven en niet herstellen. 2 Toen keerde Hizkia zijn gelaat naar de wand en bad tot de HERE 3 en zeide: Ach, HERE, gedenk toch, dat ik voor uw aangezicht in trouw en met een volkomen toegewijd hart gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in uw ogen. 4 En Hizkia weende luid. Toen kwam het woord des HEREN tot Jesaja: 5 Ga en zeg tot Hizkia: zo zegt de HERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal aan uw levensdagen vijftien jaar toevoegen, 6 en Ik zal u en deze stad uit de macht van de koning van Assur redden en deze stad beschutten. 7 En dit zal u het teken zijn van des HEREN kant, dat de HERE ook doen zal wat Hij gesproken heeft: 8 zie, Ik doe de schaduw op de treden waarlangs zij door de zon op de trap van Achaz is afgedaald, weer tien treden teruggaan. En de zon ging tien treden (voeten) terug op de treden die zij gedaald was.

     

    Het resultaat dat het teruggaan van de schaduw op de trap van Achaz had wordt verhaald in de Joodse legenden:

    ďFurthermore, the day of Hezekiah's recovery was marked by the great miracle that the sun shone ten hours longer than its wonted time.Ē( The Legends of the Jews, by Louis Ginzberg, IV, Bible Times and Characters, From Joshua to Esther, Miracles wrought for Hezekiah)

     

     

    ĎDe Trap van Achazí is volgens het studiewerk van Donald W. Patten (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Page 123) een zonnewijzer zoals het ook in Egypte gebruikt werd. Patten maakt zijn berekening op basis van een hoogte van zestig voet of ongeveer achttien meter en een breedte van acht tot tien voet aan de basis.

    Een conclusie echter die heel wat revisionistische onderzoekers van de geschiedenis van de oudheid niet maken is dat wanneer de vermelding van het teruggaan van de zon zoals vermeld door de profeet Jesaja een historisch feit is, men geen correcte zonsverduisteringen voorbij het jaar 709 v. Chr. in de tijd terug, meer kan uitvoeren.

     

    Naar mijn weten is er maar ťťn onderzoeker geweest die op het feit van de kosmische catastrofe in het veertiende regeringsjaar van Hizkia wees en de onmogelijkheid er aan verbond om voorbij dit jaartal terug de tijd in exacte zonsverduisteringen te berekenen: de heer Christoph Marx (1932/2016). Zijn opmerking werd gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijk magazine ĎAncient History and Catastrophismí in juni 1980 maar kreeg geen bijval en niemand maakte naar mijn weten, daarna gebruik van zijn bevinding.

     

    De hoofdreden volgens mijn mening voor het afwijzen van de kalenderwijziging in de achtste eeuw v. Chr. is de Assyriologie en haar ijkpunt op de tijdsbalk: de genoteerde zonsverduistering over Nineveh in 763 v. Chr. Dit jaartal is voor de Assyriologie een ijkpunt op de tijdsbalk waar de regeerperioden van de koningen van AssyriŽ mee verbonden zijn.

    Het ankerjaar van de Assyriologie met de genoteerde veronderstelde zonsverduistering over Nineveh in 763 v. Chr. komt echter op losse schroeven te zitten wanneer we aannemen dat 709 v. Chr. en het veertiende regeringsjaar van Hizkia een mijlpaal op de tijdsbalk is. Accurate zonsverduisteringen voorbij dit jaartal de tijd zijn niet meer mogelijk. De geavanceerde computersystemen zijn alle geprogrammeerd op basis van de uniformiteittheorie: de aarde is nooit in haar baan om de zon verstoord en ons zonnestelsel loopt sinds mensengeheugenis als een klokwerk.

    Het orthodoxe ankerpunt en navigatiepunt in de tijd terug met de vermeende zonsverduistering over Nineveh ten tijde van de koning Assur Dan III in het eponiem van Bur-Saggile is nochtans van geen tel meer wanneer men aanneemt dat de omloop van de aarde om de zon inderdaad tegen het einde van de achtste eeuw voor Christus van een jaar van 360 dagen naar een jaar van 365,25 jaar is gewijzigd.

    De consuquentie is dat de datering van de Assyrische koningslijst volledig herzien moet worden.

     

    De genoteerde zonsverduistering over Nineveh ten tijde van de koning Assur Dan III in het eponiem van Bur-Saggile heb ik in mijn boek ĎDe Assyriologie herzien, 2012, verankerd met het jaar van de meganatuurcatastrofe in 800 v. Chr. ten tijde van de profeet Amos.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 271-278 heb ik een hoofdstuk geschreven over de profeet Amos en het dateren van de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong waar hij het begin van zijn bediening aan koppelt.

    Amos 8:9 Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik op de middag de zon zal doen schuilgaan en bij klaarlichte dag het land in het donker zal zetten. 10 Dan zal Ik uw feesten in rouw verkeren, en al uw liederen in klaagzang. Dan zal Ik rouwgewaad brengen op alle heupen en kaalheid op elk hoofd. En Ik zal het maken als de rouw over een eniggeborene en het einde ervan als een bittere dag.

     

    De profeet Amos (4: 11) vergelijkt de ongewone zonsverduistering met de ramp die Sodom en Gomorra een millennium eerder getroffen had: ďIk heb onder u een omkering aangericht, gelijk God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft, zodat gij gelijk zijt geworden aan een brandhout uit het vuur geruktĒ.

     

    Wanneer ik de aardbeving ten tijde van de profeet Amos een meganatuurcatastrofe noemde heb ik niet overdreven. De ramp die het Midden-Oosten en heel de wereld in 800 v. Chr. trof was gelijk aan het geweld toen Sodom en Gomorra in 1889 v. Chr. vernietigd werden.

    Genesis 19:24 Toen liet de HERE zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen, van de HERE, uit de hemel; 25 en Hij keerde die steden om, benevens de gehele Streek, met al de inwoners der steden en het gewas van de aardbodem. (NBG Vertaling 1951)

     

    Dat de kosmos in de dagen van de profeet Amos letterlijk in beroering was leert de Bijbel duidelijk. Hierna een citaat met tussen haken de namen der planeten toegevoegd:

    Amos 5:8 Die het Zevengesternte (KHIMA=Saturnus) en den Orion (KHESIL=Mars) maakt (ordonneert), en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, HEERE is Zijn Naam. 9 Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting. (Statenvertaling)

     

    Het jaartal 800 v. Chr. is ook het resultaat-jaar waar men op de tijdsbalk arriveert wanneer men de regeerperiodes van de Assyrische koningen vanaf Salmaneser III aanbrengt. In het artikel van 23.01.2017 heb ik de regeerperiode van Salmaneser III met het rampjaar 860 v. Chr. verbonden. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1485126000&stopdatum=1485730800

    Al de koningen van AssyriŽ en hun vermelde regeerperioden van Salmaneser III af tot Assur Dan III hebben aldus in mijn studie op de tijdsbalk hun plaats gevonden. Het is opmerkelijk hoe Salmaneser III en Assur Dan III via twee genoteerde meganatuurcatastrofes met elkaar verbonden zijn, en op de tijdsbalk nu meer dan ťťn ankerpunt opleveren, in tegenstelling tot de conventionele zonsverduistering van 763 v. Chr. met slechts een ankerpunt.

    De verwijzing in het eponiem van Bur-Saggile zegt alleen dat de zon verduisterd werd. Wanneer men op de tijdsbalk de genoteerde zonsverduistering van Bur Saggile met de buitengewone zonsverduistering van de profeet Amos verankerd, was een ander hemellichaam verantwoordelijk voor de verduistering en overigens veel schrikwekkender. Ik vraag me ook af waarom men in de eponiemlijsten alleen de zonsverduistering ten tijde van Assur Dan III zou vermelden en niet het astronomisch fenomeen ten tijde van de profeet Amos? Beiden gaan volgens mij over dezelfde zonsverduistering dat zowel over Jeruzalem als Nineveh zichtbaar was.

     

    De afkeer bij onderzoekers voor het in twijfel trekken van het jaar 763 v. Chr. als ijkpunt voor de plaatsing van de Assyrische koningen op de tijdsbalk zijn de consequenties daarmee verbonden. Ik merkte al op dat de Assyrische koningslijst en haar regeerperioden opnieuw op de tijdsbalk gerangschikt dient te worden. Dit betekent ook dat heel wat constructies door revisionisten van de geschiedenis van de oudheid hun huiswerk opnieuw dienen te maken. Ik haal twee voorbeelden met dit artikel aan.

    De Egyptoloog David Rohl bijvoorbeeld maakt in zijn boek ĎA TEST OF TIMEí van Saul en David tijdgenoten en vazallen van farao Achnaton. Dit als gevolg van zijn hanteren en voor waar houden van de uitgedokterde tijdsconstructie van Edwin R. Thiele van de koningen van IsraŽl en Juda in relatie tot de koningen van AssyriŽ. Zijn ankerpunt voor Achnaton op de tijdsbalk is een zonsverduistering over Oegarit in het jaar 1012 v. Chr. op 9 mei in de namiddag, precies te 18.09 u. (A Test of Time, Chapter Eleven, Navigating by the Stars. The Ugarit Solar Eclipse). Een astronoom berekende voor hem met een computerprogramma dat geprogrammeerd volgens de uniformiteittheorie de exacte (?) tijd voor de zonsverduistering over Oegarit. Rohl bouwt zijn thesis op rond de ontdekking van een kleitablet in de ruÔnes van Oegarit. Het ontcijferde kleitablet KTU 1.78 bevat de volgende tekst: The day of the new moon of Hiyaru was put to shame as the sun (goddess) set, with Rashap (?) as her gate keeper. In de Amarnabrief EA151 beschrijft de koning van Tyrus: Abimilki, het catastrofale einde van Oegarit aan farao Achnaton: ďEn vuur heeft Oegarit, de stad van de koning, verteerd; de helft ervan is verteerd, en de andere helft niet; en het volk van het leger van Hatti is niet daarĒ. Rohl verankerde vanuit zijn bevindingen het twaalfde regeringsjaar van farao Achnaton met het jaar 1012 v. Chr., en rangschikte de overige regeerperioden van de farao ís van de achttiende dynastie op basis van dit ankerjaar.

    De reconstructie van Rohl met Saul en David als tijdgenoten van Achnaton houdt echter alleen steek wanneer de uitgedokterde jaartallen van Thiele voor de koningen van IsraŽl correct zijn? Thiele ís reconstructie van de koningen van Juda en IsraŽl op de tijdsbalk gaat er van uit dat er een genoteerde zonsverduistering in 763 v. Chr. was tijdens het eponiem van Bur Saggile, en dat de slag bij Karkar in 853 v. Chr. negentig jaar eerder gedateerd moet worden. Thiele verbond het laatste regeringsjaar van koning Achab van IsraŽl met het jaartal van de slag bij Karkar waar Achab met zijn leger aan deelnam. De verankering van de regeerperiode van Achab met de slag bij Karkar maakt dat Salomo op de tijdsbalk met de regeerperiode 970/930 v. Chr. verbonden wordt. Saul krijgt volgens deze noodlottige constructie een regeerperiode van 1050/1010 v. Chr., gevolgd door David met een regeerperiode van 1010/970 v. Chr.

    Dat Schriftuurlijk gezien Saul en David geen vazallen of knechten van farao van Egypte konden zijn heb ik al eerder op dit blog aangetoond. Zie het artikel van 20.03.2017 : de Bijbelse farao Sisak, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489964400&stopdatum=1490569200 en scrol naar beneden.

    Ik wil er op wijzen dat ik hier op een onderdeel van het werk van David Rohl opmerkingen heb en niet op heel zijn studie. Wie met regelmaat mijn blog volgt weet de maat van de waarde die ik aan het algemene onderzoek van de Egyptoloog David Rohl hecht.

     

    Een volgend voorbeeld dat ik wil aanhalen is de tijdsconstructie die Dr. Stephen E. Jones uitwerkte. Ook deze chronoloog gaat ervan uit dat het jaar 763 v. Chr. een ijkpunt op de tijdsbalk is en de schikking van de koningen van AssyriŽ correct. Ik gaf al aandacht aan de studie van Dr. Stephen E. Jones, Secrets of Time, 1996, in het artikel op dit blog van 07.07.2017.

    In zijn aangehaalde boek: Secrets of Time, 1996, hoofdstuk 2: Fundamentele Bijbelse chronologie, H: van Salomo ís dood tot de dood van Achab, blz. 43, gaat Jones uit van de correctheid van de plaatsing van de regeerperioden van de koningen van AssyriŽ op de tijdsbalk door de orthodoxe Assyriologie aan de hand van de door de moderne astronomie gedateerde zonsverduistering in 763 v. Chr. over Nineveh. Hij laat Achab in hetzelfde jaar van de slag bij Karkar waar deze zich geallieerd met Aram/SyriŽ tegen Salmaneser III streed, tegen Aram keren en in de slag bij Ramoth-Gilead het leven laten.

    Indien Achab aan de slag bij Karkar geallieerde met Aram/SyriŽ heeft deelgenomen, want de Bijbel zwijgt over dit wapenfeit, dan is het toch de logica zelve dat hij dit deed ten tijde van het drie jaren-bestand (1 Koningen 22:1) tussen IsraŽl en Aram (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 243-249).

    Het aanvaarden dat de slag bij Karkar in 853 v. Chr. hetzelfde jaar voorafging aan de slag bij Ramoth Gilead waar Achab sneuvelde levert bovendien een anomalie op. Twaalf jaar later namelijk in het achttiende regeringsjaar van Salmaneser III claimt de AssyriŽr schatting ontvangen te hebben van Jehu van het huis van Omri. Maar in dat jaar had Jehu de dynastie van Omri al uitgemoord en het koningschap over het tienstammenrijk overgenomen. Thiele ging er van uit dat de AssyriŽrs niet wisten wie hen schatting bracht, wat toch onzin is? Hier is het ook logischer het brengen van schatting aan Salmaneser III op de tijdsbalk onder te brengen toen Jehu nog generaal van het leger van IsraŽl was. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik generaal Jehu van het huis van Joram, de kleinzoon van Achab, twee jaar eerder op de tijdsbalk passend ingevuld.

     

    Het is alleen een drastische herziening van de regeerperioden van de Assyrische koningen in lijn met de Bijbels-chronologische gegevens dat soelaas brengt. Zoals eerder opgemerkt ontbreken er zondermeer namen van Assyrische koningen in de lijst die om verschillende redenen door de Assyrische kroniekschrijvers van de oudheid in opdracht van hun koningen verwijderd werden. In het artikel van 14.07.2017 verhaalden we over de Bijbelse koning Jareb van Assur, een naam die in de Assyrische koningslijst ontbreekt. De niet bij naam genoemde Assyrische koning in de Bijbel die zich op de prediking van Jona tot de God van IsraŽl ter uitredding richtte, wordt in de eponiemlijsten ook niet vermeld, noch de beschrijving van het afwenden van de aangekondigde meganatuurcatastrofe van 776 v. Chr. De Grieken begonnen in dat jaar hun Olympische Spelen als dank naar hun goden voor de afgewende ramp. In AssyriŽ was het een en al anarchie en chaos tijdens deze periode. De Griekse legende over Sardanapallos heb ik in mijn boek ĎDe Assyriologie herziení op de tijdsbalk tijdens deze periode ondergebracht. Het was ook in het jaar 776 v. Chr. dat we het optreden van de Hebreeuwse profeet Jona plaatsen. De Assyrische koning die niet bij naam in de Bijbel vermeldt wordt en zich op de prediking van Jona tot de God van IsraŽl voor uitkomst keerde werd ook door de Assyrische kroniekschrijvers in opdracht van hun koningen van de lijst als onwaardig verwijderd.

    Voldoende redenen om de rangschikking door de orthodoxie van de Assyrische koningen op de tijdsbalk met als ijkpunt het jaar 763 v. Chr. af te wijzen. Er rest nu de taak tot een volledige revisie van de chronologie van de Assyrische koningen te komen. De Egyptoloog en revisionist van de geschiedenis van de oudheid Dr. David Rohl, maakte al een begin in zijn bekende boek: A TEST OF TIME, 1995, door een appendix E toe te voegen over de Assyrische chronologie en op de noodzaak tot correcties te wijzen. Hij gaat echter niet ver genoeg, blijft in zijn eigen vakgebied: de Egyptologie en laat in wezen de echte taak over aan een eventuele Assyrioloog (die nog moet opstaan) om tot actie over te gaan.

     

    Met het artikel van 21.06.2017 op dit blog gaf ik aandacht aan de chronoloog Dr. Floyd Nolen Jones en zijn boek 'The Chronology of the Old Testament'. Deze onderzoeker laat de fabricatie van Thiele vallen en keert terug naar de normale onverkorte regeertijd van de koningen van IsraŽl en Juda, wat zondermeer lovenswaardig is. Ook deze onderzoeker beseft dat men dan in conflict met de gevestigde wetenschap Assyriologie komt en de noodzaak tot correctie van de bewaarde Assyrische gegevens. Ook deze onderzoeker gaat echter niet ver genoeg en laat bijvoorbeeld de val van Samaria en de wegvoering van de tien stammen in ballingschap door de Assyrische koning Sargon II voltrekken. Daar waar de Bijbel leert dat Salmaneser V hiervoor verantwoordelijk was (2 Koningen 17:2) en niet de usurpator Sargon II die met dit Schriftgedeelte als een leugenaar en geschiedvervalser ontmaskerd wordt.

     

    De sleutel tot het corrigeren van de regeerperioden van de Assyrische koningen Salmaneser V, Sargon II en Sanherib is het volgende Bijbelgedeelte:

    2 Koningen 18:9 Het geschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkia (hetwelk was het zevende jaar van Hosea, den zoon van Ela, den koning van IsraŽl) dat Salmaneser, de koning van AssyriŽ, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. 10 En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, den koning van IsraŽl, als Samaria ingenomen werd. 11 En de koning van AssyriŽ voerde IsraŽl weg naar AssyriŽ, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden der Meden. 12 Daarom dat zij de stem des HEEREN, huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht des HEEREN, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan. 13 Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van AssyriŽ, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. Ö(Statenvertaling)

     

    Tussen de val van Samaria door het leger van Salmaneser V in het zesde regeringsjaar van Hizkia en de vernietiging van het Assyrisch leger van Sanherib voor de poorten van Jeruzalem in het veertiende regeringsjaar van Hizkia zitten er volgens de Bijbel acht jaar. In het chronologische model dat de moderne Assyriologie levert past de Bijbelse chronologie niet. De Assyriologie laat Samaria door Sargon II in 722 v. Chr. veroveren en de belegering van Jeruzalem door Sanherib in 701 v. Chr. of een periode van eenentwintig jaar wat een verschil van dertien jaar op de tijdsbalk oplevert. Voor Thiele was het onmogelijk de Bijbels-historische gegevens dienaangaande met de Assyrische bronnen te verzoenen en dus verklaarde hij schaamteloos dat 2 Koningen hoofdstuk 18 kunstmatig aan de Bijbel toegevoegd was. Wanneer we echter de chronologische gegevens van 2 Koningen 18:9-13 als historisch correct hanteren (alsof er een andere wijze zou bestaan?) vormen zij de sleutel tot het op losse schroeven zetten van heel het Assyrische model en tegelijkertijd de oplossing.

    Het veertiende regeringsjaar van Hizkia zit namelijk op de tijdsbalk verankerd met het sabbat- en jubeljaar van 709/708 v. Chr. Het was het jaar dat het Assyrische leger van Sanherib bij Jeruzalem vernietigd werd en Jeruzalem gered. Acht jaar daarvoor in het zesde regeringsjaar van Hizkia zijnde 717 v. Chr. werd Samaria door Salmaneser V ingenomen.

    In mijn boek ĎDe Assyriologie herziení heb ik de Assyrische koningen Salmaneser V, Sargon II en Sanherib op de tijdsbalk herschikt. Salmaneser V veroverde Samaria in 717 v. Chr. met Sargon II op dat ogenblik als co-regent en ondergeschikt aan Salmaneser V. Bij de belegering van Jeruzalem in 709 v. Chr. is Salmaneser V verdwenen en regeert Sargon II met zijn zoon Sanherib als co-regent. Sargon II was een usurpator van de Assyrische troon die een Ďdamnatio memoriaeí naar zijn voorganger Salmaneser V doorvoerde. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1462140000&stopdatum=1462744800

    De bekende prismastele van Sanherib waar onder andere de belegering van Jeruzalem op beschreven wordt verwijst naar het aantal veldtochten en niet naar de regeringsjaren van Sanherib. Ten tijde van Achaz en Hizkia deelden meerdere Assyrische koningen de troon met elkaar. De Bijbel verwijst tijdens deze periode dan ook meerdere malen naar de koningen van AssyriŽ in het meervoud.

     

    Ik heb in mijn geciteerde boek een begin gemaakt met de herziening van de Assyrische koningslijst en haar plaatsing op de tijdsbalk. Het werk is echter niet af.

    Wat naar mijn mening nodig is, is een nieuwe autodidact zoals eertijds Dr. I. Velikovsky (1895/1979) er een was die schaamteloos met kennis van zaken buiten zijn vakgebied trad en op de vele anomalieŽn wees bij zowel kosmologie als geologie, egyptologie enzoverder en dit tot irritatie van velen.

     

    Wat als een paal boven water staat is dat de achtste eeuw voor Christus een eeuw van een planeet aarde in beroering was. Aan het eind van die eeuw werd een kalenderwijziging nodig die door de beschavingen van die tijd genoteerd werd. Daarenboven kende de oude wereld in de achtste eeuw voor Christus een klimaatwijziging. Flora en fauna waren in het Nabije Oosten nooit meer dezelfde als voorheen.

     

     

    Het laatste boek (Mankind in Amnesia, 1982) dat de controversiŽle onderzoeker Dr. ImmanuŽl Velikovsky (1895/1979) schreef was gewijd aan het verdringen van de historische meganatuurcatastrofes dat hij catologeerde onder een Ďcollectief geheugenverliesí van de moderne mensheid. Velikovsky omschreef het als het volgt: De herinnering aan catastrofes werd uitgewist, niet door gebrek aan geschreven overleveringen, maar door een kenmerkend proces, dat later gehele naties, tezamen met hun geletterden, in deze overleveringen allegorieŽn of vergelijkingen deed zien, terwijl in werkelijkheid kosmische natuurverstoringen daarin heel duidelijk stonden beschreven.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    21-07-2017 om 08:33 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De datering van de profeet Jona te Nineveh

    Met deze aflevering wil ik de Bijbelse profeet Jona chronologisch op de tijdsbalk plaatsen en de koning van AssyriŽ identificeren die zich op de prediking van Jona te Nineveh tot de God van IsraŽl voor uitkomst wendde.

     

     

    De Bijbel leert dat Jona als profeet optrad ten tijde van de regering van koning Jerobeam II van het tienstammenrijk:

    2 Koningen 14:23 In het vijftiende jaar van Amasja, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van IsraŽl, koning te Samaria; hij regeerde eenenveertig jaar. 24 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, hij week niet af van al de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, IsraŽl had doen bedrijven. 25 Hij heroverde het gebied van IsraŽl, van de weg naar Hamat tot de zee der Vlakte, volgens het woord dat de HERE, de God van IsraŽl, gesproken had door zijn knecht, de profeet Jona, de zoon van Amittai, uit Gat-Hachefer. 26 Want de HERE had gezien, dat de ellende van IsraŽl zeer bitter was, dat het met hoog als met laag gedaan was en dat er geen helper was voor IsraŽl. 27 Maar de HERE had niet gezegd, dat Hij de naam van IsraŽl van onder de hemel zou uitwissen; dus verloste Hij hen door Jerobeam, de zoon van Joas. (NBG Vertaling 1951)

     

    Ook de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus plaatst de bediening van Jona ten tijde van de eenenveertigjarige regeringsperiode van Jerobeam II maar geeft verder ook geen exacte tijdsaanduiding wanneer juist Jona de stad Nineveh bezocht.

    1. IN the fifteenth year of the reign of Amaziah, Jeroboam the son of Joash reigned over Israel in Samaria forty years. This king was guilty of contumely against God, and became very wicked in worshipping of idols, and in many undertakings that were absurd and foreign. He was also the cause of ten thousand misfortunes to the people of Israel. Now one Jonah, a prophet, foretold to him that he should make war with the Syrians, and conquer their army, and enlarge the bounds of his kingdom on the northern parts to the city Hamath, and on the southern to the lake Asphaltitis; for the bounds of the Canaanites originally were these, as Joshua their general had determined them. So Jeroboam made an expedition against the Syrians, and overran all their country, as Jonah had foretold.

    2. Now I cannot but think it necessary for me, who have promised to give an accurate account of our affairs, to describe the actions of this prophet, so far as I have found them written down in the Hebrew books. Jonah had been commanded by God to go to the kingdom of Nineveh; and when he was there, to publish it in that city, how it should lose the dominion it had over the nations. But he went not, out of fear; nay, he ran away from God to the city of Joppa, and finding a ship there, he went into it, and sailed to Tarsus, in Cilicia and upon the rise of a most terrible storm, which was so great that the ship was in danger of sinking, the mariners, the master, and the pilot himself, made prayers and vows, in case they escaped the sea: but Jonah lay still and covered [in the ship,] without imitating anything that the others did; but as the waves grew greater, and the sea became more violent by the winds, they suspected, as is usual in such cases, that some one of the persons that sailed with them was the occasion of this storm, and agreed to discover by lot which of them it was. When they had cast lots, the lot fell upon the prophet; and when they asked him whence he came, and what he had done? he replied, that he was a Hebrew by nation, and a prophet of Almighty God; and he persuaded them to cast him into the sea, if they would escape the danger they were in, for that he was the occasion of the storm which was upon them. Now at the first they durst not do so, as esteeming it a wicked thing to cast a man who was a stranger, and who had committed his life to them, into such manifest perdition; but at last, when their misfortune overbore them, and the ship was just going to be drowned, and when they were animated to do it by the prophet himself, and by the fear concerning their own safety, they cast him into the sea; upon which the sea became calm. It is also reported that Jonah was swallowed down by a whale, and that when he had been there three days, and as many nights, he was vomited out upon the Euxine Sea, and this alive, and without any hurt upon his body; and there, on his prayer to God, he obtained pardon for his sins, and went to the city Nineveh, where he stood so as to be heard, and preached, that in a very little time they should lose the dominion of Asia. And when he had published this, he returned. Now I have given this account about him as I found it written [in our books.]

    (Flavius Josephus, Joodse Oudheden Boek IX, x, 1-2)

     

    Koning Jerobeam II zit op de tijdsbalk verankerd met de regeerperiode van 816 tot 776 v. Chr. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 279-284.

     

     

    Beide historische bronnen: de Bijbel en Josephus brengen een bijzondere geschiedenis over Nineveh, de bekering namelijk van een Assyrische koning tot de God van IsraŽl naar aanleiding van de oordeelaankondiging van de Hebreeuwse profeet Jona te Nineveh. Deze historische gebeurtenis vinden we nochtans niet in de Assyrische kronieken terug. De vermaledijde Assyrische koning die de goden van Assur voor de God van IsraŽl inruilde werd met zekerheid uit de annalen verwijderd en is een aanwijzing dat de wel genoteerde annalen van de AssyriŽrs onbetrouwbaar zijn. Men kan zelfs spreken van een Ďdamnatio memoriaeí voor deze periode in AssyriŽ.

    Hierna het relevante Bijbelgedeelte over de bekering van de koningen van AssyriŽ ten tijde van Jerobeam II en Jona:

    Jona 3:1 Het woord des HEREN kwam ten tweeden male tot Jona: 2 Maak u op, ga naar Nineveh, de grote stad, en breng haar de prediking, die Ik tot u spreken zal. 3 Toen maakte Jona zich op en ging naar Nineveh, overeenkomstig het woord des HEREN. Nineveh nu was een geweldig grote stad, van drie dagreizen. 4 En Jona begon de stad in te gaan, ťťn dagreis, en hij predikte en zeide: Nog veertig dagen en Nineveh wordt ondersteboven gekeerd! 5 En de mannen van Nineveh geloofden God en riepen een vasten uit en bekleedden zich, van groot tot klein, met rouwgewaden. 6 Toen het woord de koning van Nineveh bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn opperkleed af, trok een rouwgewaad aan en zette zich neder in de as. 7 En men riep uit en zeide in Nineveh op bevel van de koning en van zijn groten: Mens en dier, runderen en schapen mogen niets nuttigen, niet grazen en geen water drinken. 8 Zij moeten gehuld zijn in rouwgewaden, mens en dier, en met kracht tot God roepen en zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en van het onrecht dat aan hun handen kleeft. 9 Wie weet, God mocht Zich omkeren en berouw krijgen en zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet te gronde gaan. 10 Toen God zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het God over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het afwenden van de geprofeteerde ramp die Nineveh ondersteboven zou keren plaats ik op de tijdsbalk in het jaar 776 voor Christus. Het is het jaar dat in de oude wereld de Olympische Spelen van start gingen en dit uit dankbaarheid naar hun goden toe, voor het afwenden van Ďdeí ramp. Er was namelijk al eerder een cyclus van meganatuurcatastrofes aan de hand die met een regelmaat van tijd planeet aarde met allerhande calamiteiten teisterde. Het recentste artikel op dit blog dateert van 13.03.2017: de zondvloed van Deucalion, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489359600&stopdatum=1489964400

     

    Toen Jerobeam II de kroon in het tienstammenrijk overnam was de macht van AssyriŽ aan het tanen. Vooral ten tijde van de regeerperiode van Assur Dan III (808/790 v. Chr. Ė gereviseerde chronologie) vermelden de Eponiemlijsten regelmatig jaren van pestilentiŽn, revoluties en meerdere malen de laconieke opgave: Ďde koning bleef in het landí, wat in feite op niets doen wijst. Dit in contrast met de eerdere koningen van Assur die jaarlijks militaire veldtochten hielden.

    In mijn chronologische revisie van de Assyrische koningen heb ik de regeerperiode van Salmaneser III verbonden met het meganatuurcatastrofe-jaar 860 v. Chr., en met de Bijbelse ankerpunten van koning Achab en Jehu van IsraŽl op de tijdsbalk. Vanaf 860 v. Chr. heb ik op de tijdsbalk teruggewerkt en de Assyrische opvolgers van Salmaneser III tot op koning Assur Nerari V, gerangschikt. In mijn boek ĎDe Assyriologie herzien, 2012, verklaar ik een en ander.

    Als een gevolg van het linken van Salmaneser III aan de Bijbelse chronologische gegevens ontstaat er in de achtste eeuw v. Chr. ruimte op de tijdsbalk voor het inbrengen van de ontbrekende namen van Assyrische koningen die niet in de koningslijst vermeld werden.

    In het jaar 782 v. Chr. laat ik volgens mijn revisie bij de dood van Assur Nerari V in AssyriŽ een Ďdamnatio memoriaeí aanvangen. Het laatste eponiem van zijn regeerperiode heeft als commentaar: Ďopstand in Kalhuí. Ik neem aan dat deze opstand zich over heel het Assyrische gebied uitgebreid heeft en plaats maakte voor koningen zoals Sardanapallos vanuit de Griekse overlevering en voor de Bijbelse koningen Jareb en Pul.

     

    De jaren voor Christus: 860, 830, 816, 800 en 790 waren jaren met meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong geweest. We kunnen ons voorstellen dat de oude wereld vol spanning en angst rond 776 v. Chr. uitzag naar de volgende ramp die over hen heen moest komen. In 776 v. Chr. werd deze ramp afgewend en het zou tot 761 v. Chr. duren alvorens een nieuwe calamiteit planeet aarde trof. In het jaar 722 v. Chr.. bij de dood van Achaz van Juda, exact 54 jaar en zes maanden na 776 v. Chr. zou een nieuwe meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong de aarde treffen. Aan deze rampen gingen telkens tekenen aan de hemel vooraf. Volgens het studiewerk van de geleerden Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, met hun werk: ĎThe Long Day of Joshua and Six Other Catastrophesí uit 1973 was de planeet Mars verantwoordelijk voor het verstoren van de omloop van de aarde om de zon.

    Het jaar 776 v. Chr. is volgens mijn revisie het jaar van de grote aardbeving ten tijde van de regeerperiode van koning Azaria/Uzzia in Juda. Het gebied van Juda en IsraŽl werd bijzonder zwaar getroffen want de kracht van de aardbeving ten tijde van Uzzia wordt door de profeet Zacharia als van apocalyptische aard beschreven.

    Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, gaan in hun studie zeer gedetailleerd te werk en leveren een schema met een cyclus van catastrofes van 2484 v. Chr. tot 701 v. Chr. Hun ankerjaar op de tijdsbalk: 701 v. Chr. van waar af zij in de tijd teruggaan is echter van Edwin R. Thiele die foutief het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda met de Assyrische chronologie verbond. Er doet zich een afwijking van acht jaar voor met de historische-verifieerbare regeringstijd van Hizkia op basis van de sabbat- en jubeljaartelling. Zie ook TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 327, hoofdstuk: de kroniek van koning Hizkia.

    Als een gevolg van het hanteren van de chronologie van Thiele voor de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda, zitten Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer wat hun ijkpunt op de tijdsbalk betreft er acht jaar naast en gaan historische verbanden verloren. Wanneer men echter het cyclusmodel van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer, binnen de sabbat- en jubeljaarchronologie hanteert zijn de resultaten nochtans verbluffend. De catastrofe-cyclus is volgens Patten nauwkeurig te berekenen tot 54 jaar en zes maanden met iedere keer een planetaire interactie in de maand maart, het Romeinse Tubilustrium en de daaropvolgende catastrofe 54 jaar en zes maanden later in oktober, het Romeinse Armilustrium. Volgens het studiewerk van Donald W. Patten was de planeet Mars in de oudheid de boosdoener. Hierna een citaat van Patten met een beschrijving, en de gevolgen van zulk een interactie tussen planeten:

    ďOn one or two occasions of the Mars fly-bys, Mars was as close as 70.000 miles from Earth, and at such a distance would appear 50 times as large as the Moon, would reflect 100 times as much sunlight as the Moon (since its albedo or reflectivity is 15% compared to the lunar 7%). Mars at that distance would create tidal effects possibly as much as 350 times as intense as the average lunar tides experienced today. Thus earthquakes plus blizzards of meteors were experienced. Under such circumstances ancient Teutons might well implore Thor to control his ďcelestial sonĒ Tyr or Tiwes

     

     

    Wanneer de profeet Jona voorafgaande aan oktober 776 v. Chr. naar Nineveh gestuurd werd waren de tekenen aan de hemel voor ieder sterveling zichtbaar en de boodschap van de profeet meer dan onheilspellend.

    Alhoewel het land Juda in oktober 776 v. Chr. zwaar getroffen werd kwamen de Grieken en de AssyriŽrs er met weinig kleerscheuren vanaf.

     

    De koning van AssyriŽ die zich volgens de historische bron de Bijbel op de prediking van de profeet Jona tot de God van IsraŽl voor verlossing keerde, kennen we niet bij naam. De AssyriŽrs verwijzen ook niet naar een afgewende ramp in hun bewaard gebleven annalen. We mogen aannemen dat zijn naam uit alle registers verwijderd werd.

    Een eigennaam van een Assyrische koning die we in de Bijbel voor deze periode vinden is die van JAREB. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

    Hosea 5:8 Blaast de bazuin in Gibea, de trompet in Rama! Maakt alarm in Bet-Awen! Achter u, Benjamin! 9 Tot een woestenij zal EfraÔm worden ten dage des oordeels. Over de stammen IsraŽls maak Ik bekend wat vast besloten is. 10 De vorsten van Juda zijn als zij die de grenzen verleggen. Op hen zal Ik mijn verbolgenheid uitgieten als water. 11 Verdrukt is EfraÔm, verpletterd door het recht, omdat hij heeft verkozen het ijdele te volgen. 12 Daarom ben Ik voor EfraÔm als een mot, en als een beeneter voor het huis van Juda. 13 Toen EfraÔm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, ging EfraÔm naar Assur en zond boden naar koning JAREB (Strijdlust). Deze echter kan u geen genezing schenken, en zal het gezwel van u niet wegnemen.

     

    Hosea 10:1 IsraŽl is een welige wijnstok, die zijn vruchten voortbrengt; naarmate hij meer vrucht verkreeg, maakte hij meer altaren; naarmate het zijn land beter ging, maakte hij mooiere gewijde stenen. 2 Bedrieglijk was hun hart, nu zullen zij hun schuld boeten: Hij zal hun altaren verwoesten, hun gewijde stenen vernielen. 3 Nu zeggen zij wel: Wij hebben geen koning Ė maar, wanneer wij de HERE niet vrezen, wat zou dan de koning voor ons kunnen doen? 4 Zij spreken holle woorden: zweren valse eden, sluiten maar verbonden. En het gericht schiet op als een gifplant in de voren van de akker. 5 Om dat kalf van Bet-Awen zijn de inwoners van Samaria bezorgd; ja, daarover treurt het volk, daarover maken de afgodspriesters misbaar, omdat de heerlijkheid daarvan is geweken. 6 Ja, het wordt zelf naar Assur gebracht als een geschenk voor koning Strijdlust (sv)JAREB.

     

    De profeet Hosea (1:1) trad in IsraŽl op in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van IsraŽl. Deze tijdspanne is dezelfde als de tijd wanneer de profeet Jona naar Nineveh gezonden werd. De profetische woorden aangaande JAREB werden uitgesproken/vervuld na de dood van Jerobeam tijdens de periode van 775 tot 764 v. Chr. wanneer het tienstammenrijk een hele tijd zonder koning zat. Deze tussenperiode in de lijn van de koningen van het tienstammenrijk werd eveneens door Hosea voorspeld:

    Hosea 3: Ö 4 Want vele dagen zullen de IsraŽlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Ö

     

    Hosea hoofdstuk vijf en verder beschrijft de toestand in IsraŽl na de dood van Jerobeam II. Dezelfde tijd dat JAREB koning van AssyriŽ was met als hoofdstad Nineveh.

    In de grondtekst van de Bijbel staat er ĎJarebí wat de SV Statenvertaling correct als een eigennaam doorgaf. De NBG Vertaling (1951) vertaalde JAREB met ĎStrijdlustí. De NBV vertaling (2004) maakte er Ďkemphaaní van.

    We merken hier het gezag dat de wetenschap Assyriologie heeft ten overstaan van nieuwe Bijbelvertalingen. Aangezien de Bijbelse eigennaam JAREB in de Assyrische koningslijsten niet voorkomt neemt men aan dat het Hebreeuwse JAREB wel een andere betekenis moet gehad hebben. Volgens het studiewerk van Dr. Arie Dirkzwager kan de naam Jareb wat een Hebreeuwse verbasterde versie van een Assyrische naam is, in verband gebracht worden met de Griekse legende over Sardanapallos en zijn antagonist Arbakes. Zie link: http://www.dirkzwagerarie.be/joomla/files/Arbaces,%20Jareb,%20Assyr_%20chronol_.PDF

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    14-07-2017 om 08:18 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De tijden der heidenen: 2520 dagen of zijn het ook jaren?

    Het evangelie naar Lucas hoofdstuk 21:20

    Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is. 21 Laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijn, er niet binnengaan, 22 want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat. 23 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen!

     

     

    Want er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk, 24 en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen, en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn. 25 En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, 26 terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. 27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. 28 Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt. 29 En Hij sprak een gelijkenis tot hen: Let op de vijgenboom en op al de bomen. 30 Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. 31 Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is. 32 Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat alles geschiedt. 33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. (NBG Vertaling 1951)

     

    Op dit blog hou ik mij in de eerste plaats met chronologie bezig. Bij het onderwerp van ons artikel: het Bijbelcitaat van de evangelist Lucas 21:24, schrijven we anno 30 AD. Het jaartal namelijk wanneer de Heer Jezus Christus kort voor zijn lijden, sterven en opstanding, in zijn rede over de laatste dingen deze woorden uitsprak. De stad Jeruzalem en het land Judea zaten toen sinds het jaar 63 v. Chr. onder de Romeinse hiel en daarvoor waren het de Grieken, daarvoor de Meden en de Perzen en daarvoor de BabyloniŽrs geweest, die in opeenvolging over Jeruzalem geheerst hadden. Sinds de inname van Jeruzalem door de legers van de BabyloniŽr Nebukadnezar in 586 v. Chr. waren het de TIJDEN der Heidenen. ĎTijdení dat vreemde, niet-Joodse heersers over de stad Jeruzalem en de Tempelberg zouden heersen. Ik schrijf met opzet ĎTempelbergí in plaats van Tempel aangezien de Tempel in die lange geschiedenis tweemaal vernietigd werd. De profetische woorden van de Heer Jezus Christus in zijn rede over de laatste dingen zoals door de evangelist Lucas overgeleverd, zouden hun begin kennen in het jaar 70 AD wanneer de legioenen van de Romein Titus de stad en de Tempel vernietigden en de Joden in ballingschap wegvoerden. De Tempelberg te Jeruzalem zou er daarna een hele tijd desolaat bijliggen. Later herbouwden de Romeinen de stad en plaatsten een bouwwerk op de Tempelberg dat later na de verovering van Jeruzalem door de Arabische moslims in 691 AD door een Islamitisch heiligdom vervangen werd. Dit is de bekende achthoekige rotskoepel die tot op heden de Tempelberg overheerst.

     

     

    Zoals eerder vermeld vingen de zogenaamde ĎTijden der Heidenení voor Jeruzalem en de Tempelberg aan in het jaar 586 v. Chr. toen de Babylonische legers van Nebukadnezar de stad en Tempel verwoesten. De eerste van drie wegvoeringen in Babylonische ballingschap geschiedde eerder in het jaar 605 v. Chr. Een wegvoering waar de profeet DaniŽl als jonge knaap deel van uitmaakte. Later zou DaniŽl in ballingschap een aantal profetische visioenen krijgen met betrekking op de toekomstige geschiedenis van IsraŽl, de stad Jeruzalem en de (herbouwde) Tempel. In detail kan men in het gelijknamige Bijbelboek DaniŽl in de hoofdstukken twee en zeven de verschillende eerder genoemde wereldrijken die over Jeruzalem en de Tempelberg zouden heersen, terugvinden. Het is naar de profetie van DaniŽl, dat de Heer Jezus Christus in Zijn rede over de laatste dingen, verwijst:

     

    MatteŁs 24:15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door DaniŽl, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) 16 Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen; 17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; 18 En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen. Enzoverder. (Statenvertaling)

     

    Bij de eerste komst van de Heer Jezus Christus zuchtte IsraŽl al zes eeuwen onder vreemde overheersing. En sinds het optreden van de laatste profeet van het zogenaamde Oude Testament; Maleachi, was er geen Godsopenbaring meer geweest. Het optreden van Johannes de Doper in 26 AD in de geest van Elia en het Zich daaropvolgend bekendmaken van Jezus van Nazareth als de Christus of Messias had voor heel wat opschudding gezorgd maar leidde niet tot het aanvaarden van Jezus Christus. Wat volgde in 30 AD was Zijn overlevering aan de Romeinen ter executie aan een kruis. Het volk en haar leiders zouden in 70 AD daarna door de Romeinen uit het land gerukt worden en de stad en Tempel vernietigd. De tijdsklok van de ĎTijden der heidenení tikt intussen verder ook na de verovering van Oost-Jeruzalem en de Tempelberg door de IsraŽli ís in 1967. Sinds 586 v. Chr. zijn er inmiddels 2602 jaar verlopen.

    Het in staat zijn het einde van Ďde tijden der heidenení over Jeruzalem en de Tempelberg te berekenen is niet aan de Ekklesia gegeven. Dat maken de laatste woorden van de Heiland aan zijn discipelen kort voor Zijn Hemelvaart duidelijk:

    Handelingen 1:6 Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor IsraŽl? 7 Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde. 9 En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk  onttrok Hem aan hun ogen. 10 En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, 11 die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen , als gij Hem ten hemel hebt zien varen. (NBG Vertaling 1951)

     

    Niettemin blijft dit voor velen binnen het christendom een belangrijke oefening. Het zijn vooral Anglo-Amerikanen die keer op keer op het internet nieuwe jaartallen de wereld insturen. Nochtans was het antwoord van de Heiland aan de discipelen die naar het Ďwanneerí van het herstel van het koningschap voor IsraŽl, vroegen: ďHet is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeftĒ.

    De eindvervulling van Ďde Tijden der Heidenení over Jeruzalem en de Tempelberg wordt beschreven in het laatste Bijbelboek Openbaring:

    Openbaring 11:1 En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden. 2 Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeŽnveertig maanden lang. 3 En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang.

     

    Het geciteerde Bijbelgedeelte vermeldt een toekomstige tijdsperiode van 1260 dagen wanneer er twee getuigen van de HEERE God tegen de herstelde offerdienst op de Tempelberg zullen spreken gevolgd door een periode van 42 maanden dat de heidenen over de stad zullen heersen. Het is in totaal een periode van zeven jaar, aan maanden van dertig dagen te rekenen. Het is dezelfde periode als de laatste jaarweek van de profeet DaniŽl waar Openbaring hoofdstuk 11 bij aansluit. Ook hier vinden we geen jaartal vermeld noch een sleutel om tot een eventuele berekening te kunnen komen.

    Hoewel dit duidelijke berichtgeving over een toekomstige tijdsbedeling is zijn er altijd eindtijdhoppers geweest die meenden de periode van de tijden der heidenen te kunnen berekenen. Een naar mijn mening grote inbeelding bij hen was de gedachte dat men de toekomstige jaarweek van de profeet DaniŽl van in totaal 2520 letterlijke dagen, van dagen naar jaren kon omrekenen.

     

    Een paar jaar geleden schafte ik via een internet-antiquariaat-boekhandel het boek van C. G. Ozanne, The First 7000 Years, 1970, aan. Deze onderzoeker van de chronologie van de Bijbel heeft zich ook aan het berekenen van het tijdstip van de tweede komst van Jezus Christus gewaagd (Chapter Eleven, page 153). Zijn uitgedokterd jaartal voor de wederkomst was het jaar 1996 en het begin van de zeventigste jaarweek berekende hij aldus voor het jaar 1989. Jaartallen die inmiddels al meer dan twintig jaar achter ons liggen.

    Het is de visie van Ozanne over de ĎTijden der Heidenení en vooral de berekening daarvan waarmee hij de mist inging. De ĎTijden der heidenení zijn voor C.G. Ozanne M.A. Ph.D een vaststaande berekende periode van 2520 jaar, een tijdsperiode die volgens hem in de Bijbelse geschiedenis zelfs al eens eerder gehanteerd werd. Zijn leidraad voor het getal Ď2520í is het eerder geciteerde Bijbelcitaat uit Openbaring hoofdstuk 11 waar over een periode 42 maanden en 1260 dagen gesproken wordt; wat in totaal voor zeven jaar aan dertig dagen per maand staat. De zeven maal zevens van de profetie van DaniŽl hoofdstuk 9 hebben dezelfde waarde. Op basis van HebreeŽn 4:9, Psalm 90:4 en 2 Petrus 3:8 waar staat geschreven dat duizend jaar als ťťn dag gelden bij de HERE God, paste hij dit gegeven toe op het Bijbelgedeelte van Openbaring hoofdstuk 11, waar het nochtans om de alsnog letterlijke toekomstige periode van 2520 Ďdagení gaat. Zijn gebruik van een tijdsperiode van 2520 jaar op de tijdsbalk voor de Tijden der Heidenen, leidde hem van het jaar 604 v. Chr. naar het jaar 1917 AD. In de maand december van 1917 tijdens de eerste wereldoorlog veroverden de Britten de stad Jeruzalem en de Tempelberg op de Turken. Voor Ozanne betekende dit het einde van het vertrappen van Jeruzalem door de heidenen. De Britten zag hij duidelijk niet als heidenen maar als een Ďchristelijke natieí. Hier liet hij echter de Bijbel los en gaf een invulling op basis van een christelijke traditie die op haar beurt de wereld indeelde in christenen, Joden en heidenen, daar waar in de brieven van Paulus in het Nieuwe Testament het woord heiden geen scheldwoord is, maar een term die alleen maar onderscheid maakt tussen Jood en niet-Jood. Ik verbaas me overigens iedere keer wanneer ik merk dat sommige Anglo-Amerikanen zich vereenzelvigen met hun zogenaamde christelijke naties en met blindheid geslagen zijn wat het imperialistische verleden van hun respectievelijke staten betreft.

     

    Nog een voorbeeld van Ozanne Ďs gebruik van de veronderstelde tijdsperiode van 2520 jaar is zijn stelling dat er ook 2520 jaar op de tijdsbalk zitten tussen de Schepping en de Exodus? Hij beschouwt deze Bijbelse tijdsperiode ook als Ďeení tijd der heidenen? Ozanne bouwt zijn tijdconstructie op vanaf de schepping van Adam en hanteert een anno mundi jaarrekening (wat overigens ook het Jodendom tot op het heden doet). Ozanne maakt gebruik van de geslachtsregisters van het Bijbelboek Genesis hoofdstuk 5 en arriveert aldus bij Noach en de Zondvloed in anno mundi 1656. Daarna gaat het verder via hoofdstuk 11 van het Bijbelboek Genesis tot aan de dood van Thera, de vader van Abraham. Hij doet dit echter met slechts ťťn navigatiepunt in tijd: de schepping van Adam. Daarna is het een kwestie van optellen van de Bijbelse geslachtsregisters om tot aan de dood van Thera de vader van Abraham te komen. Zijn eerste obstakel is de leeftijd van Thera bij de geboorte van Abram, waar de Bijbel schijnbaar leert dat Thera zeventig jaar oud was. Ozanne verklaart terecht dat Abram, alhoewel als eerstgeborene in Genesis 11:26 vermeld, vermoedelijk niet de oudste van de drie was maar zijn broer Haran. Het getal zeventig voor de leeftijd van Thera bij de geboorte van Abram is chronologisch niet bruikbaar. En het is hier dat Ozanne zijn eerste schijf van 2520 jaar inlast ter bepaling van de leeftijd van Thera bij de geboorte van Abraham. Zijn uitkomst hier zit fout.

     

     

    In mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 11-21 breng ik ook een anno Mundi jaarrekening maar maak al eerder de verbinding met de westerse kalender en dit op basis van het hanteren van de sabbat- en jubeljaren in IsraŽl volgens de rekenwijze van William Whiston. Van de dertig Jubeljaren die Whiston opgeeft tussen de instelling van de Jubeljaren en de eerste komst van Jezus Christus zijn er op de tijdsbalk elf verwijzingen naar historisch verankerde jubeljaren. En de verbinding die ik maak tussen Terah en Abram is op basis van een Rabbijns principe in de Seder Olam, de Joodse overlevering die leert dat ĎScripture does not come to hide but to explainí. Abram vertrekt vanuit Haran naar Kanašn in het jaar dat zijn vader Thera sterft. En niet zeven jaar later zoals Ozanne het berekend op basis van een veronderstelde schijf van 2520 jaar. De theorie van meerdere heidenperiodetijdschijven van 2520 jaar is hiermee weerlegd.

    De conclusie moet zijn dat de Bijbelse periode van de ĎTijden der Heidenení niet uit een bepaalde periode van 2520 jaar bestaat. Dit getal kan aldus niet gebruikt worden ter berekening van het einde van de periode van de Tijden der heidenen.

    De Tijden der Heidenen eindigen pas bij de komst van de Koning der koningen, de HEER der heren te Jeruzalem na de slag bij Harmageddon. In het Oude Testament beschrijft de profeet Zacharia het verslaan van de legers van de verenigde volkeren met de komst van de Here HEERE op de Olijfberg te Jeruzalem, wat het definitieve einde van de Tijden der Heidenen inluidt (zie Zacharia 14:1-21).

    Zacharia 14:9 En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE een zijn, en Zijn Naam ťťn.

     

    Een andere Anglo-Amerikaan wiens studie op het internet te vinden is, is Dr. Stephen E. Jones, Secrets of Time, 1996, hoofdstuk 17, A, de 2520-jarige cyclus voorzegd, blz. 207.

    Ook Dr. Stephen E. Jones hanteert de tijdsperiode van 2520 jaar in zijn chronologie ter berekening van de wederkomst van Christus. Ook dit onderdeel van Jonesí tijdsconstructie meen ik met dit artikel onderuit gehaald te hebben. Tussen C.G. Ozanne en S. E. Jones bestaat er bovendien een groot verschil in die zin dat Jones de Brits-IsraŽl leer aanhangt. Een leer die stelt dat de Angelen en de Saksen geen Germanen in de lijn van Jafeth de zoon van Noach zijn maar afstammelingen van de verloren tien stammen van IsraŽl. Over de afstamming van de Britten en de andere volken van Europa bereid ik een volgend artikel voor op dit blog. In een notendop kan ik deze theorie als fantasie al weerleggen. De tien stammen van IsraŽl werden in 717 v. Chr. (Bijbelse chronologie) door de AssyriŽrs in ballingschap weggevoerd. De Bijbel is duidelijk in welke landen zij toen terechtkwamen.

    2 Koningen 17:5 Want de koning van AssyriŽ toog op in het ganse land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren. 6 In het negende jaar van Hosea, nam de koning van AssyriŽ Samaria in, en voerde IsraŽl weg in AssyriŽ, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden. (Statenvertaling)

     

    Met het Pinksterfeest van 30 AD bevonden zij zich acht eeuwen later nog altijd in dezelfde gebieden waar zij naar weggevoerd waren. Petrus, de apostel voor de Joden, in tegenstelling tot Paulus die de heidenen of niet-Joden met het evangelie bekend ging maken, schrijft vanuit de stad Babylon zijn brieven aan hen. Ook de apostel Jacobus schreef zijn brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing. In het tweede hoofdstuk van het boek Handelingen vernemen we de landen van oorsprong van de IsraŽlieten aanwezig te Jeruzalem met het Pinksterfeest van 30 AD. De lijst begint heel opmerkelijk in het Oosten met de vermelding van de Parten en Meden:

    Handelingen 2:En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? 9 Parten, Meden, Elamieten, inwoners van MesopotamiŽ, Judea en KapadociŽ, Pontus en Asia, 10 FrygiŽ en PamfyliŽ, Egypte en de streken van LibiŽ bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, 11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken. (NBG 1951 Vertaling)

     

    De conclusie moet zijn dat de tien stammen in 30 AD nog altijd hun woonplaats in de gebieden zoals beschreven in 2 Koningen 17:6 hadden.

    In 70 AD na de vernietiging van Jeruzalem en de Tempel door de Romeinen werden der Joden (de twee stammen plus een rest van de tien stammen) in ballingschap weggevoerd en deze kwamen binnen de grenzen van het Romeinse Rijk van toen terecht. In Europa liep de grens van het Romeinse Rijk ongeveer gelijk met de rivieren Rijn en Donau. Noordelijk en oostelijk van deze stromen leefden toen de Barbaren en de Scythen (Colossenzen 3:11), afstammelingen van Jafeth de zoon van Noach zoals het in het Bijbelboek Genesis te vinden is.

    Genesis 10:1 Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed. 2 De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. 3 En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma. 4 En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. 5 Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken. (Statenvertaling)

     

    De Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus die werkzaam was ten tijde van de tweede vernietiging van de Tempel in 70 AD heeft de hierboven geciteerde volkerenlijst op de landkaart van zijn tijd geplaatst (Joodse Oudheden, Boek 1, hoofdstuk 6). In een afzonderlijk artikel zal ik op dit blog een landkaart dienaangaande plaatsen. De tien stammen van IsraŽl bleven voor Flavius Josephus in hun oude vestigingsgebieden als een gevolg van de Assyrische ballingschap.

     

    Een volksverhuizing die de Bijbel indirect leert is die van de Germanen in de vierde eeuw na Christus. Zoals de profeet DaniŽl het profeteerde zou het Romeinse Beestrijk dat in 70 AD Jeruzalem en de Tempel vernietigde door een overstromende vloed van volkeren op zijn beurt vernietigd worden.

    DaniŽl 9:26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. (Statenvertaling)

     

     

    Ik voeg dit maal al een kaart uit een historische atlas bij. Dit maakt overigens deel uit van onze vaderlandse geschiedenis. De kaart laat aanschouwelijk zien hoe de vele Germaanse volken waaronder onze voorouders de Salische Franken van over de Rijn komende het Romeinse Rijk in een onstuitbare vloed vanaf het jaar 370 AD overweldigden. De Germaanse stammen Angelen en Saksen hebben zich toen in Engeland gevestigd. Volgens de genealogie van het eerder geciteerde Genesis 10 gaan de Angelen en de Saksen terug tot op Jafeth, Gomer en Askenaz. De autochtone Vlamingen, Brabanders en Limburgers in BelgiŽ vinden hun oorsprong bij de Salische Franken die Bijbels gezien in dezelfde genealogische lijn als de Angelen en de Saksen zitten. De taalgrens in laag-BelgiŽ loopt overigens nog altijd langs de lijn waar de Salische Franken zich in de vierde eeuw na Christus vestigden.

    Een boek over de oorsprong van de volken in Groot-BrittanniŽ dat ik kan aanbevelen is het werk van Bill Cooper, AFTER THE FLOOD, 1995. Er bestaan blijkbaar bewaard gebleven oude kronieken in Engeland die koningslijsten bevatten die tot op Jafeth teruggaan. Het boek is naar het Nederlands vertaald en op het internet ter beschikking, zie link:

    http://www.theologienet.nl/documenten/Cooper-vroegste%20historie%20Europa.pdf .

     

    wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    07-07-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.chronologie van de apocalyps (vervolg)

    Met onze aflevering van 27.03.2017 brachten we de chronologie van de Apocalyps, dat we beschreven als in de Bijbel vooraf geschreven geschiedenis. Een profetische toekomstgeschiedenis die chronologisch gebracht kan worden. Ik gaf aandacht aan de tijdsperiode die in het Bijbelboek Openbaring hoofdstuk elf beschreven wordt, en overstemd met de zeventigste jaarweek van de profeet DaniŽl. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2978155

    Met de aflevering van deze week vervolgen we met de chronologie van de rede over de laatste dingen van Jezus Christus zoals door de evangelist MatteŁs doorgegeven en voegen deze chronologisch passend binnen het tijdskader van de Apocalyps in. De gebeurtenissen die Jezus Christus beschrijft die aan Zijn wederkomst voorafgaan passen chronologisch binnen de zevenjarige oordeelstijd zoals beschreven in het boek Openbaring van de Bijbel en de zeventigste jaarweek van de profeet DaniŽl.

    MatteŁs 24:1 En Jezus ging de tempel uit en vertrok. En zijn discipelen kwamen tot Hem om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen. 2 En Hij antwoordde en zeide tot hen: Ziet gij dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken. 3 Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst  en van de voleinding der wereld? 4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ziet toe, dat niemand u verleide! 5 Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden. 6 Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet. 7 Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn. 8 Doch dat alles is het begin der weeŽn. 9 Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en zij zullen u doden, en gij zult door alle volken gehaat worden om mijn Ďs naam Ďs wil. 10 En dan zullen velen ten val komen en zij zullen elkander overleveren en elkander haten. 11 En vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden. 12 En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen. 13 Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. 14 En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.

     

    Het antwoord op de vraag van de discipelen naar de Tempel en het tijdstip van het teken van de wederkomst met de voleinding van de wereld beantwoordt de Heer Jezus met een opsomming van gebeurtenissen die we ook in het Bijbelboek Openbaring terugvinden. De verzen vier tot en met vijf vinden hun vervulling bij het uitrijden van de eerste ruiter op het witte paard (Openbaring 6:2). De verzen zes tot en met zeven vinden hun vervulling bij het uitrijden van het tweede rossige paard dat de vrede op de aarde wegneemt (Openbaring 6:3-4). De verzen acht tot en met dertien vinden hun vervulling in de eerste helft van de zevenjarige oordeelstijd wanneer de twee getuigen van God in Jeruzalem optreden en tegen de herstelde offerdienst spreken (Openbaring 11). En vers veertien met de voorzegging dat dan het evangelie van het Koninkrijk over de gehele wereld gepredikt zal worden tot een getuigenis voor alle volken waarna het einde volgt, vindt zijn vervulling in de twee getuigen te Jeruzalem en in de honderdvierenveertigduizend verzegelden uit de twaalf stammen van IsraŽl die Ďhet evangelie van het Koninkrijkí over de gehele wereld zullen brengen (Openbaring 7). Het is het vervolg en eindvervulling van de uitnodiging tot het Koninklijke Bruiloftsmaal van MatteŁs 22:1-14. Vervolgens lezen we vanaf MatteŁs hoofdstuk 24 vers vijftien de beschrijving van wat er in de tweede helft van de zevenjarige oordeelstijd gebeurt:

     

     

    MatteŁs 24:15 Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet DaniŽl gesproken is, op de heilige plaats ziet staan Ė wie het leest, geve er acht op Ė laten dan wie in Judea zijn, 16 vluchten naar de bergen. 17 Wie op het dak is, ga niet naar beneden om zijn huisraad mede te nemen, en wie in het veld is, 18 kere niet terug om zijn kleed mede te nemen. 19 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen. 20 Bidt, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat. 21 Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. 22 En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort.

     

    Na een periode van twaalfhonderdzestig dagen of drie en half jaar wanneer de twee getuigen van de Heer God door Ďhet beestí vermoord worden ziet men, naar de woorden van Jezus Christus van 30 AD op de tempelberg op de heilige plaats een Ďgruwel der verwoestingí staan. En dit is een teken voor degenen die dan in Judea zijn haastig te vluchten naar de bergen. Wat de Ďde gruwel der verwoestingí die op de heilige plaats zal staan zijn zal, wordt niet onmiddellijk duidelijk gemaakt. De discipelen wisten echter wat ermee bedoeld was. Volgens mijn mening zal het een replica van de ark van het verbond zijn. Het toppunt van misleiding zal het plaatsnemen van Ďhet beestí op de Tempelberg zijn, in de tent (of tempel) der samenkomst. Voor Paulus in zijn tweede brief aan de Thessalonicenzen is dit het begin van het einde van de eindtijd:

    2 Thessalonicenzen 2:3 Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs , 4 de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is. 5 Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb?

     

    Paulus spreekt over de afval van het geloof dat aan de komst van Ďde tegenstanderí voorafgaat. Uiteindelijk gaat het naar de aanbidding van Ďhet beestí, in volledige afwijzing van de God van de Bijbel. Wanneer we verder de rede over de laatste dingen van de Heer Jezus Christus naar het MatteŁs-evangelie volgen, blijkt de chronologie overeen te stemmen met de overige Bijbelboeken:

    MatteŁs 24:23 Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet. 24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden. 25 Zie, Ik heb het u voorzegd. 26 Indien men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de (geheime) binnenkamer, gelooft het niet.

     

     

    Het zich tot een god verheffen door Ďhet beestí te Jeruzalem, is het startsein voor het gelovig overblijfsel van de IsraŽl om naar de bergen te vluchten zoals we in MatteŁs 24:15-16 gelezen hebben. De overige IsraŽliís die het merkteken van Ďhet beestí aanvaard hebben, worden spreekwoordelijk uitgespuwd en dit naar de waarschuwing in Leviticus 18:2-28 en Openbaring 3:16.

    De vlucht naar de bergen, naar de woestijn, is een omgekeerde exodus die in meerdere Bijbelboeken beschreven staat:

    Openbaring 12:6 En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden.

     

    De vermelde plaats waar in Openbaring 12:6 verwezen wordt, is volgens het Bijbelboek DaniŽl, het over-Jordaanse gebied of de huidige landen JordaniŽ en het noordwesten van Saoedi-ArabiŽ. DaniŽl beschrijft in het elfde hoofdstuk van het gelijknamige Bijbelboek de invasie van de koning van het Noorden ook Ďde AssyriŽrí genaamd die vanuit zijn kernland het herstelde AssyriŽ, de landen van het Midden-Oosten zal overrompelen en hierbij drie koningen ten val brengt. Maar dan staat er geschreven dat het gebied van Edom, Moab en de Ammonieten aan zijn macht zullen ontkomen.

    DaniŽl 11:41 Ook het Sieraadland (=IsraŽl) zal hij (=de koning van het noorden) binnenvallen, en velen zullen struikelen; maar aan zijn macht zullen ontkomen: Edom, Moab en de keur der Ammonieten.

     

    Ook de profeet Jesaja verwijst naar de woestijn van het over-Jordaanse gebied:

    Jesaja 16:1 Heersers des lands, zendt de lammeren van de rotsen (Petra) de woestijn in naar de berg der dochter van Sion.

     

    Het is in deze woestijn dat zij veilig van de koning van het noorden alias Ďhet beestí drie en half jaar door de HERE God onderhouden zullen worden:

    Hosea 2:13 Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn, en spreken tot haar hart. 14 Ik zal haar aldaar haar wijngaarden geven, en het dal Achor maken tot een deur der hoop. Dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte.

     

    Jeremia 31:2 Zo zegt de HERE: Het volk der ontkomenen aan het zwaard vond genade in de woestijn, IsraŽl, op weg naar zijn rust.

     

    Openbaring 3:10 Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen. 11 Ik kom spoedig; houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.

     

     

    (Het hierboven getoonde schema is niet dogmatisch op te nemen maar is gewoon een poging tot visuele uitbeelding van een tijdsbalk van zeven jaar met de focus op het bijzondere begin van de oordeelstijd, de gebeurtenissen tijdens de helft van de zeven jaar en het einde van de zevenjarige oordeelstijd met de wederkomst van Christus en het begin van het Messiaanse Vrederijk. De veelzijdigheid van het Profetische Woord van de Bijbel is niet zonder meer in beeld vast te leggen.)

     

    De vlucht van de getrouwe IsraŽliís naar de bergen als een gevolg van het zien van de gruwel der verwoesting op de Tempelberg, geschied in de helft van de zevenjarige oordeelsperiode. Gedurende tweeŽnveertig maanden zullen zij daarna onaangetast door Ďhet beestí in de woestijn verblijven, in wezen een derde ballingschap waarna zij aan het einde van de zevenjarige eindtijdperiode het Beloofde Land binnengeleid zullen worden. In de woestijn vindt ook de geprofeteerde bruiloft plaats waarbij IsraŽl geestelijk hersteld wordt:

    Hosea 2:15 En het zal te dien dage geschieden, luidt het woord des HEREN, dat gij Mij noemen zult: mijn man, en niet meer: mijn Bašl. 16 Ja, Ik zal de namen der Bašls verwijderen uit haar mond; hun naam zal niet meer genoemd worden. 17 Te dien dage zal Ik voor hen een verbond sluiten met het gedierte des velds, het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der aarde. Dan zal Ik boog en zwaard en oorlogstuig in het land verbreken, en hen veilig doen wonen. 18 Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; 19 Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de HERE kennen.

     

    Openbaring 19:9 En hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams.

     

    De genodigden tot de bruiloft zijn naar mijn mening de Ďvolítallige Gemeente, de Ekklesia die kort voor de tijd van Ďhet herstel van het koningschap van IsraŽlí (Handelingen 1:6-11) hun opstanding kregen (1 Thessalonicenzen 4:13-17), en naar de Stad van God in de hemel werden weggerukt. Vanuit die andere dimensie zijn zij vanuit hun transparante verblijfplaats van Bovenuit getuige van het herstel van IsraŽl in de woestijn.

    De Ekklesia vindt men in het boek Openbaring niet terug. Vanaf het eerste hoofdstuk van Openbaring wordt de draad met het oude verbondsvolk IsraŽl opnieuw opgenomen. Een draad dat verbroken werd bij het verwerpen van Messias Jezus door de Joden bij zijn eerste komst, zoals beschreven tussen de gebeurtenissen van MatteŁs 13:1 tot Handelingen 28: 17-29. Zie ook het artikel op dit blog van 30-06-2015:

    Gedurende de nog resterende tweeŽnveertig maanden gaan intussen de oordelen zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaring, over de wereld. De bazuinoordelen gevolgd door de schalen van gramschap. Tijdens deze oordelen gaat Ďhet beestí op aanraden van de valse profeet (Openbaring 13:16-18) over tot het registreren van alle mensen onder zijn controle, door middel van het aanbrengen van zijn merkteken, het getal van zijn naam op de hand en/of het voorhoofd van ieder mens. Diegenen die alsnog weigeren worden gedood. Helemaal aan het einde met de slag bij Harmageddon komt de Koning der koningen, de Heer der heren Jezus Christus naar Jeruzalem terug (Openbaring hoofdstuk 19). Wat weer aansluit bij de rede over de laatste dingen van de Heer Jezus Christus, volgens het evangelie naar MatteŁs 24:

    MatteŁs 24:27 Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. 28 Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen. 29 Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. 30 En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid.

     

    Het is aan het einde van de eindtijd zoals vermeld in MatteŁs 24:29 dat er een bijzonder kosmisch fenomeen aan zon en maan geschied. Het is dezelfde gebeurtenis die de profeet JoŽl aankondigde:

    JoŽl 2:28 Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. 29 Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten. 30 Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. 31 De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt. 32 En het zal geschieden, dat ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de HERE zal roepen. (NBG 1951 vertaling)

     

    Volgens de Bijbelexegese van het gevestigde christendom werd de profetie van JoŽl 2:28-32 met Pinksteren bij het begin van de Kerk volledig vervuld. Volgens hen leert de Bijbel geen derde herstel van IsraŽl als volk, geestelijk en nationaal in het oude land der vaderen. De kerk is volgens deze leer in de plaats van het Jodenvolk of IsraŽl gesteld. Wanneer we de profetie van JoŽl echter vrij van alle tradities willen lezen en innemen moet het duidelijk zijn dat in 30 AD met de uitstorting van de Heilige Geest over honderdtwintig mannen en vrouwen te Jeruzalem niet de volledige vervulling van het betreffende Bijbelcitaat geschiedde.

     

    Het hier beschreven scenario is niet voor morgen maar vergt nog een geruime tijd alvorens alle stukken voor de opvoering klaar staan. De Verenigde Staten van Amerika komen in de Apocalyps niet voor. Zij hebben zich naar mijn mening tegen die tijd op hun continent tussen twee oceanen teruggetrokken, een terugkeer naar de politiek van het isolationisme van tachtig jaar geleden. Hun huidige rol van politieman van de wereld is dan ook opgegeven. De redenen hiertoe kunnen vele zijn en het vandaag proberen invullen van deze redenen speculatie.

    Ik hoop dat ik heb bijgedragen aan het chronologisch invullen van alsnog toekomstige gebeurtenissen en niet toegevoegd aan de verwarring. Ik studeer en schrijf alleen maar naar Ďde mate van de genadeí die mij gegeven is (Efeze 4:7).

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Hierna mijn literatuurlijst van eschatologische boeken die ik als naslagwerk gebruik:

    C. I. Scofield, D.D.,1909, Die Neue Scofield Bibel mit Erklšrungen.

    Dr. E. W. Bullinger (1837/1913), The Companion Bible Condensed

    Alexander Hislop, THE TWO BABYLONS, 1916

    Clarence Larkin, DISPENSATIONAL TRUTH, 1920

    Roeland Klein Haneveld, www kleinhaneveld nl/notities/index.html

    Huib Verweij, DE TERUGKEER VAN JEZUS CHRISTUS, 1978, GRENZEN DER VOLEINDING, 1984, IK BEN DIE IK BEN, 1968,

    DE BOOM DER KENNIS, 1973

    Huib Verweij & Ds. W. Glashouwer Sr., DE KOMST VAN JEZUS CHRISTUS, 1985

    Dr. F. De Graaff, ALS GODEN STERVEN, 1969, ANNO DOMINI 1000 2000

    Arie Kleijne, JEZUS KOMT, 1989

    B. Reinders Sr., ISRAEL EN HET MESSIAANSE VREDERIJK, 1971

    A. Keizer, De komende reformatie van de eindtijd - wat de kerken niet zien, 1996, De komende dertig jaar, 1997, De almachtige is de vader van alle mensen, 2003,

    Dr. Piet Borst, LIJNEN NAAR DE EINDTIJD, 2004

     

    Aanbevolen website:

    http://www.dekoningkomt.nl/

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    28-06-2017 om 06:16 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dr. Floyd Nolen Jones: 'The Chronology of the Old Testament' en de 390 jaar van de profeet EzechiŽl Ďs Ďongerechtigheid van het huis IsraŽlsí

    EzechiŽl 1:1 In het dertigste jaar, in de vierde maand (juni/juli), op de vijfde der maand, toen ik te midden der ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik gezichten van Godswege. 2 Op de vijfde der maand Ė het was het vijfde jaar der ballingschap van koning Jojachin Ė 3 kwam het woord des HEREN tot de priester EzechiŽl, de zoon van Buzi, in het land der ChaldeeŽn, aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was daar op hem. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    EzechiŽl 4:1 Gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, leg die vůůr u en teken daarop een stad, Jeruzalem. 2 En breng haar in staat van belegering: bouw een schans tegen haar, werp een wal op tegen haar, sla legerkampen tegen haar op, breng aan alle kanten stormrammen tegen haar in stelling. 3 En gij, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Richt uw blikken vast op haar, zodat zij in staat van belegering komt; en beleger haar. Dit zal voor het huis IsraŽls een teken zijn. 4 En gij, ga op uw linkerzijde liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis IsraŽls; naar het getal der dagen dat gij daarop liggen zult, zult gij hun ongerechtigheid dragen. 5 En Ik leg u de jaren van hun ongerechtigheid op, naar het getal der dagen: driehonderd en negentig dagen. Zo zult gij de ongerechtigheid van het huis IsraŽls dragen. 6 Als gij dit hebt volbracht, zult gij opnieuw gaan liggen, op uw rechterzijde; dan zult gij de ongerechtigheid dragen van het huis van Juda: veertig dagen; voor elk jaar leg Ik u een dag op. 7 Gij zult uw blikken vast op het belegerde Jeruzalem richten, met ontblote arm, en ertegen profeteren. 8 En zie, Ik zal touwen om u heen slaan, zodat gij u niet van de ene op de andere zijde kunt keren, totdat gij de dagen van uw belegering ten einde hebt gebracht. (NBG Vertaling 1951)

     

    Wanneer men onderzoek naar de chronologische toepassing van dit bepaald Bijbelgedeelte doet is men verrast door de verschillende meningen die er betreffende het plaatsen en het chronologisch gebruik van de periode van 390 jaar op de tijdsbalk bestaan. Ivan Panin (1855/1942) die een boek over Bijbelse chronologie schreef en wiens werk ik een tijd terug op dit blog aandacht gaf gebruikt de tijdschijf van 390 jaar zelfs niet in de chronologische opbouw voor zijn Anno Mundi jaartelling.

    Er zijn ook Bijbelvorsers die menen dat de tijdschijf van 390 jaar van EzechiŽl 4:5 de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda beslaat gerekend vanaf de dood van Salomo tot aan de vernietiging van Jeruzalem en de Tempel in juli 586 v. Chr. De dood van Salomo en de scheuring van het Verenigd Koninkrijk van IsraŽl valt dan in oct976/sep975 v. Chr.

    De regeerperioden van de koningen van IsraŽl worden door hen op de tijdsbalk gerangschikt tussen beide jaartallen in met het jaar 586 v. Chr. als ijkpunt op de tijdsbalk en waarbij het verkregen jaartal 975 v. Chr. ook tot ijkpunt op de tijdsbalk gedeclareerd wordt. Vanaf dit tot ijkpunt verklaarde jaartal berekend men het jaartal van de exodus voor 1491 v. Chr. Deze constructie staat of valt uiteraard indien de tijdsperiode van 390 jaar inderdaad een periode voorstelt gerekend vanaf de val van Jeruzalem tot aan de dood van Salomo? Bijbelvorsers die deze tijdsreconstructie volgen negeren eveneens de Jubeljaartelling die nochtans het alternatief biedt om tot een absolute Bijbelse chronologie te komen. Op basis van de sabbat- en jubeljaartelling volgens de wijze van tellen van William Whiston valt de dood van Salomo in 967 v. Chr. en zijn het 381 jaar tot de val van Jeruzalem in 586 v. Chr.

     

    Op het internet is het boek van Dr. Floyd Nolen Jones: 'The Chronology of the Old Testament' in PDF online te lezen. De boodschap van Jones is: A return to the Basics. Ook deze onderzoeker hanteert de tijdschijf van 390 jaar als de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda. Positief aan Dr. Floyd Nolen Jones is dat hij de inmiddels gangbare chronologie van Edwin R. Thiele met de dood van Salomo in 931/930 v. Chr. verwerpt en terugkeert naar de oude chronologie: A return to the Basics. Hij doet een poging tot correctie van de regeerperioden van de koningen van AssyriŽ want dat is nodig wanneer men Thiele afwijst die de Bijbelse chronologie van de koningen van IsraŽl in lijn met de Assyrische koningen bracht, zij het met het geweld aandoen van bepaalde Bijbelgedeelten zoals bijvoorbeeld 2 Koningen hoofdstukken 17 en 18.

    Jones beschouwd de tijdsperiode van 390 jaar van de profeet EzechiŽl met begin- en eindpunt als Ďabsolute boundariesí waarbinnen de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda gerangschikt dienen te worden. Zie: Chronology of the Old Testament: A Return to the Basics, by FLOYD NOLEN JONES, Th.D., Ph.D., 2002, 15th Edition, Revised and Enlarged with Extended Appendix, (First Edition 1993), VI CHART FIVE, E. THE 390 YEARS OF THE KINGDOM OF JUDAH, page 138.

    En hij waarschuwt dat, quote: for without absolute boundaries, the door is left wide open for unbounded flights of imagination and conjecture on the part of the individual. Unquote.

    Ik verbaas me om de verbeten stelligheid waarmee Dr. Floyd Nolen Jones beweerd dat de 390 jaar als tijdsperiode voor de koningen van IsraŽl en Juda absoluut vastligt en hij alternatieven gewoonweg uitsluit.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik de koningen van IsraŽl en Juda op de tijdsbalk gerangschikt op basis van ijkpunten die de sabbatjaar- en jubeljaartelling volgens William Whiston geven en dit is geen Ďunbounded flight of imaginationí. Integendeel.

    Het vertrekpunt op de tijdsbalk voor de tijdschijf van 390 jaar is voor Jones het jaar 586 v. Chr. Nochtans leert het Bijbelboek EzechiŽl hoofdstuk vier dat de tijdschijf van 390 jaar zeven jaar eerder dan 586 v. Chr. in 593 v. Chr. namelijk in het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin eindigde en niet bij de vernietiging van Jeruzalem en de Tempel door de legers van Nebukadnezar de koning van Babylon.

     

    Het gebruik van de 390 jaar van de profeet EzechiŽl als een ononderbroken tijdschijf is blijkbaar ook een gegeven dat alleen christelijke chronologen hanteren? De Joodse Seder Olam leert namelijk dat de 390 jaar te rekenen/hanteren zijn vanaf de inname van Kanašn door de IsraŽlieten onder leiding van Jozua tot op hun wegvoering in ballingschap. Quote: Öthat proves that Israel were enraging the Holy One, Praised be He, 390 years from the time they entered the land until they left it. Unquote.

    Volgens deze stelling zijn de 390 jaar te spreiden over een lange periode met intervallen, net zoals bij de honderdtwintig historische sabbatjaren tussen 1443 v. Chr. en 605 v. Chr. waarbij IsraŽl zeventig maal het sabbatjaargebod negeerde en vijftig maal het sabbatjaargebod gehoorzaamde.

    Voor Dr. Floyd Nolen Jones is de tijdschijf van 390 jaar essentieel voor zijn reconstructie van de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda, Quote: Perhaps the most decisive factor in determining the chronology of the period of the "Disruption" of the Monarchy is that of establishing with certainty its terminus a quo and terminus ad quem, hence its duration;Öunquote.

    Dit betekende wel dat hij niet eenvoudig weg de regeerperioden van de koningen van IsraŽl kon optellen aangezien men dan niet het resultaat van exact 390 jaar bekomt. Jones was dan ook gedwongen hier en daar een of meerdere jaren in de regeerperioden van de koningen weg te laten. Hij doet dit bijvoorbeeld bij de regeerperiode van Ahazia, de zoon van Joram van Juda waar hij het laatste regeringsjaar van Ahazia gelijk laat vallen met het eerste regeringsjaar van zijn moeder Athalia wanneer deze zich na de dood van Ahazia de troon van David toe-eigende. In mijn reconstructie zoals in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 251-256, gebracht hoeft deze inkorting niet en vallen de regeerperioden van Ahazia en Athalia verankerd met de koningen van het tienstammenrijk Joram en Jehu, op de tijdsbalk op hun plaats.

    Verder hanteert Jones slechts ťťn co-regentschap tussen koningen van vader op zoon. Volgens hem is het enige co-regentschap dat van Joram met zijn vader Josafat.

    Quote: Again, the only Scriptural co-regency between these kings is that of Jehoshaphat and Jehoram: And in the fifth year of Joram the son of Ahab king of Israel, Jehoshaphat being then king of Judah, Jehoram the son of Jehoshaphat king of Judah began to reign. (II Ki.8:16) Chapter VI Chart Five 139. This verse requires that Jehoram was placed upon the throne while his father was still alive and reigning. From II Ki.3:1; 8:16; 8:25; and 9:29, the length of this overlapping co-regency was unequivocally determined to be 4 years (Chart Five and Chart 5c Ė 586 Triangulate). Unquote

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 237-241, heb ik de regeerperiode van Josafat en het co-regentschap van zijn zoon Joram aan de hand van de verankering met de koningen van IsraŽl Achab, Ahazia en Joram beschreven. Er zitten in werkelijkheid zes jaar co-regentschap op de tijdsbalk wanneer men de verbinding met de koningen IsraŽl maakt. Hier ook heb ik eenvoudigweg de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda op de tijdsbalk aangebracht. Maar ik zit dan ook niet in het zelf opgelegde keurslijf van de veronderstelde tijdsperiode van 390 jaar.

    Er zijn overigens meerdere co-regentschappen in de Bijbel waar te nemen waar de bekendste het co-regentschap van Jotham met zijn met melaatsheid geslagen vader Uzzia, van is. Dit co-regentschap bedroeg minimum vijf jaar tot zelfs vijfentwintig jaar volgens de Joodse overlevering.

    Een volgende opmerking die ik op de constructie van Dr. Floyd Nolen Jones moet maken is zijn statement dat het in totaal 134 jaar zes maanden en tien dagen zijn van de val van Jeruzalem tot het zesde regeringsjaar van Hizkia zijn met de val van Samaria en de wegvoering van de tien stammen in Assyrische ballingschap.

    Quote: Of course, the span to be determined is the length of time from Solomon's death, with the subsequent division of the kingdom, to the termination of the Kingdom of Judah at the hand of King Nebuchadnezzar of Babylonia in BC 586. The interval was found to be 390 years. It has already been stated as being a key Biblical anchor point in the second chapter dealing with Chart One and also may be found as such on the first chart itself. As indicated earlier, this length was determined by first adding the years of the reigns of the kings of Judah from the fall of Babylon to the sixth year of Hezekiah, when Israel was carried away to Assyria. This span is 134 years 6 months and 10 days or "in the 135th year" (Chart Five). Unquote.

    Uiteraard moet er vanaf de val van Jeruzalem in 586 v. Chr. gerekend worden en niet vanaf de val van Babylon in 539 v. Chr. Ik neem aan dat dit een zetfout in de tekst is. Of hoe belangrijk het is dat men zijn werk voor het publiceren door deskundigen laat lezen en eventueel corrigeren.

    Jones meent Flavius Josephus met vier tot vijf jaar te moeten corrigeren. Flavius Josephus stelt namelijk dat het 130 jaar, zes maanden en tien dagen waren vanaf de val van Jeruzalem tot de val van Samaria. (Flavius Josephus, Joodse Oudheden Boek X, ix. 7).

    ďNow as to Shalmanezer, he removed the Israelites out of their country, and placed therein the nation of the Cutheans, who had formerly belonged to the inner parts of Persia and Media, but were then called Samaritans, by taking the name of the country to which they were removed; but the king of Babylon, who brought out the two tribes, (17) placed no other nation in their country, by which means all Judea and Jerusalem, and the temple, continued to be a desert for seventy years; but the entire interval of time which passed from the captivity of the Israelites, to the carrying away of the two tribes, proved to be a hundred and thirty years, six months, and ten days

     

    Wanneer men het veertiende regeringsjaar van Hizkia met het zevende sabbatjaar gevolgd door het vijftiende jubeljaar van 709/708 v. Chr. verbind dan is terugrekenend het resultaat voor het zesde regeringsjaar van Hizkia: 717 v. Chr. Wanneer we de tijdsperiode van 130 jaar, zes maanden en tien dagen volgens Flavius Josephus op de tijdsbalk hanteren is het resultaat hetzelfde: 717 v. Chr. voor de val van Samaria. Dit jaartal is echter is strijd met de Assyriologie die Sargon II in 722/721 v. Chr. Samaria laat innemen. Jones sleutelt dan wel aan de regeerperioden van de Assyrische koningen voor deze periode om een en ander sluitend te maken maar gaat niet ver genoeg. Met de val van Samaria in 721 v. Chr. blijft hij de chronologie van de Assyriologie in verband met Sargon II trouw. Hij verwijst ook naar Ďregeringsjarení van Sanherib terwijl de prismastele van Sanherib naar zijn veldtochten verwijst en niet naar regeringsjaren. Hizkia verwijst tijdens de belegering van Jeruzalem naar de koningen van AssyriŽ in het meervoud. De conclusie moet zijn dat de Assyrische koningen tijdens deze periode co-regentschappen kenden, en de regeerperioden van Sargon II en Sanherib zijn op de tijdsbalk opnieuw in te vullen. Sargon II was ook een usurpator van de Assyrische troon die een Ďdamnatio memoriaeí naar zijn voorganger Salmaneser V doorvoerde. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1462140000&stopdatum=1462744800

    In mijn boek ĎDe Assyriologie herziení, 2012, breng ik een drastische revisie van de chronologie van de koningen van AssyriŽ. Ik toon onder andere aan dat in de achtste eeuw v. Chr. een aantal namen van Assyrische koningen in de Assyrische koningslijst ontbreken. Enkele namen kunnen aan de hand van de Bijbel ingevuld worden. Namen die wegens verschillende redenen door Assyrische chronologen in opdracht van hun respectievelijke koningen verwijderd werden. De conclusie moet zijn dat de eponiemlijsten geen ononderbroken lijn van Assyrische koningen weergeeft. Dr. Floyd Nolen Jones doet deze oefening niet en het resultaat is dat wanneer hij Salmaneser III en de slag bij Karkar met Achab moet verbinden hij dit lijkt op te lossen met het in vraag brengen van de identificatie van Achab door de AssyriŽrs op de zogenaamde Karkar-stele? Wat mij te eenvoudig overkomt.

    Seculiere egyptologen zoals o.a. de bekende David Rohl (1950-) auteur van meerdere boeken over het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid hanteren de jaartallen van de Bijbelse koningen volgens de constructie van Edwin R. Thiele. Zij doen dit op basis van het gezag dat de Assyriologie en de rangschikking van de Assyrische koningen op de tijdsbalk voor hen heeft. Zo lang er geen degelijke sluitende revisie van de koningen van AssyriŽ in relatie tot de koningen van IsraŽl komt zullen deze onderzoekers blijven uitgaan dat de dood van Salomo en de splitsing van het Verenigd Koninkrijk van IsraŽl in het jaar 930 v. Chr. viel en op basis van dit ijkpunt op de tijdsbalk hun revisies presenteren. Het zou mooi zijn en de Bijbel recht doen indien zij het jaartal 975 v. Chr. zouden hanteren, 967 v. Chr. zou nog beter zijn.

    Begin dit jaar schreef ik een aantal artikels over de herziening van de datering van de Assyrische koningslijst op dit blog. Zie o.a. het artikel van 20.02.2017: de zonsverduistering over Nineveh tijdens het eponiem van Bur Saggile, link:

    http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1487545200&stopdatum=1488150000

     

    Positief blijft dat Dr. Floyd Nolen Jones de constructie van Thiele afwijst en Bijbelgetrouw terugkeert naar de basis. Er blijft uiteraard nog heel wat werk aan de winkel, een statement dat hij ook onderschrijft, quote: This further helps explain why this author has stated his doubts that, apart from Divine revelation, an "Absolute" chronology, though a goal to which one should aspire, is almost certainly unattainable. This 390 year element should help all to see that the preparation of a "Standard" chronology, which may from time to time undergo modifications as new insights and even perhaps new data arises, is a more realistic attainment. Each should be true to oneself. Yet at the same time the 390 year prophecy serves to accentuate something even more meaningful. Unquote.

     

    Ik zou willen opmerken dat we in wezen geen Ďnew insightsí nodig hebben. Er is bijvoorbeeld het werk van William Whiston (1667/1752) een Engelse wiskundige, historicus en theoloog, waarin deze zijn telling van de sabbat- en jubeljaren aanbiedt dat het raamwerk levert waarbinnen de koningen van IsraŽl en Juda dienen gerangschikt te worden (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V). De dood van Salomo en de afscheuring van de tien stammen van IsraŽl valt hier in het jaar 967 v. Chr.

     

     

    De tijdschijf van 390 jaar vindt in het raamwerk van Whiston ís jubeljaren op de tijdsbalk zijn plaats, zij het niet als voorstelling van de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda.

    Het is belangrijk vooreerst het chronologische eindpunt op de tijdsbalk te verankeren. Het ijkpunt op de tijdsbalk wordt duidelijk gegeven in vers 2 van EzechiŽl hoofdstuk 4:

    ďOp de vijfde der maand Ė het was het vijfde jaar der ballingschap van koning Jojachin Ė 3 kwam het woord des HEREN tot de priester EzechiŽl, de zoon van Buzi, in het land der ChaldeeŽn, aan de rivier de Kebar; de hand des HEREN was daar op hem.Ē

     

    Het vijfde jaar van de Babylonische ballingschap van koning Jojachin van Juda is het ankerpunt. Het vastpinnen van deze Bijbelse chronologische verwijzing aan de westerse jaartelling is eenvoudig. In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 312-320, geef ik de meerdere ankerpunten waarmee de regeerperiode van de Babylonische koning Nebukadnezar op de tijdsbalk verankerd is, en de link naar de Judese jaartelling.

    In het achtste regeringsjaar van Nebukadnezar zijnde mrt597/apr596 v. Chr. werd Jojachin in ballingschap weggevoerd:

    2 Koningen 24:8 Jojachin was achttien jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. Zijn moeder heette Nechusta; zij was een dochter van Elnatan uit Jeruzalem. 9 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn vader gedaan had. 10 Te dien tijde trokken de knechten van Nebukadnessar, de koning van Babel, tegen Jeruzalem op; en de stad werd belegerd. 11 Nebukadnessar, de koning van Babel, kwam zelf vůůr de stad, terwijl zijn knechten haar belegerden. 12 Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. En de koning van Babel nam hem gevangen, in het achtste jaar van zijn regering. 13 Hij voerde vandaar weg al de schatten van het huis des HEREN en die van het koninklijk paleis; en van alles wat Salomo, de koning van IsraŽl, gemaakt had in de tempel des HEREN, haalde hij het goud af, zoals de HERE gesproken had. 14 Hij voerde geheel Jeruzalem, al de vorsten en al de weerbare mannen Ė tienduizend Ė in ballingschap, ook al de handwerkslieden en de smeden; niemand werd overgelaten behalve de armen van het volk des lands. 15 Hij voerde Jojachin in ballingschap naar Babel; ook de koningin-moeder, de vrouwen des konings, zijn hovelingen en de machtigen des lands deed hij in ballingschap gaan van Jeruzalem naar Babel; 16 en de koning van Babel bracht heel de weerbare manschap Ė zevenduizend Ė, de handwerkslieden en de smeden Ė duizend Ė, altemaal dappere krijgslieden, als ballingen naar Babel. 17 En de koning van Babel maakte Jojachin Ďs oom Mattanja koning in zijn plaats en veranderde diens naam in Zedekia. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het achtste regeringsjaar van Nebukadnezar was feb597/mrt596 v. Chr. De wegvoering in ballingschap van Jojachin geschiedde in het voorjaar van 597 v. Chr. Het vijfde jaar van Jojachin gerekend aan Tishri-jaren was okt594/sep593 v. Chr. Het ankerpunt op de tijdsbalk is okt594/sep593 v. Chr. De vierde maand waar EzechiŽl 1:1 naar verwijst, is de maand Tammoez of juni/juli van het jaar 593 v. Chr.

     

     

    De ballingsjaren van koning Jojachin zijn verder nog via het achttiende jubeljaar van okt562/sep561 v. Chr. met de regeerperiode van Nebukadnezar en diens opvolger Evil Merodach op de tijdsbalk verankerd.

    2 Koningen 25:27 En het geschiedde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojakin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zevenentwintigste van de maand, dat Ewil-Merodak, de koning van Babel, in het jaar van zijn troonsbestijging, Jojakin, de koning van Juda, begenadigde en uit de gevangenis ontsloeg; 28 hij sprak vriendelijk met hem en stelde zijn zetel boven die van de koningen die met hem in Babel waren; 29 hij mocht zijn gevangenisklederen afleggen, en hij at geregeld aan zijn tafel, zolang hij leefde. 30 En zijn levensonderhoud werd hem geregeld vanwege de koning verstrekt, zoveel hij elke dag nodig had, zolang hij leefde.

     

     

    Het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin viel in okt562/sep561 v.Chr. Het was het jaar dat het achttiende jubeljaar sinds de instelling ervan in de wet van Mozes in okt 562 v. Chr. aanving. Het zevenendertigste ballingsjaar van Jojachin viel ook gelijk met een regeringswissel in Babylon: na de dood van Nebukadnezar nam Evil Merodach de scepter op 11 januari 561 v. Chr. van zijn vader over. En in februari/maart, de twaalfde maand (Adar), van het jaar 561 v. Chr. werd Jojachin uit zijn gevangenis verlost.

     

    Het jubeljaar van okt562/sep561 v.Chr. is bekomen volgens de wijze van het rekenen van de sabbat- en jubeljaren volgens William Whiston. Het feit dat de vrijlating van Jojachin door de nieuwe koning van Babylon Evil Merodach in een Jubeljaar geschiedde is heel opmerkelijk. De vrijlating van Jojachin was een vingerwijzing Gods voor het volk van IsraŽl in Babylonische ballingschap. Zij waren namelijk in ballingschap als straf voor het niet houden van de sabbat- en jubeljaren in het verleden. Gedurende de periode van de Babylonische Ballingschap had het land IsraŽl rust en werden de zeventig jaar vergoed, dat zij in hun lange geschiedenis sinds het in bezit nemen van het land Kanašn in 1443 v. Chr., het sabbatgebod zeventig maal negeerden (Leviticus 25:1-5).

     

    Het vertrekpunt voor het toepassen van de geprofeteerde periode van 390 jaar is hiermee bevestigd als het jaar oct594/sep593 v. Chr. in de maand Tammoez (juni/juli) van 593 v. Chr. zijnde het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda.

    Vanaf het jaartal 593 v. Chr. dienen we de geprofeteerde periode van 390 jaar naar het verleden toe te rekenen. Het resultaat is 983 v. Chr. voor de aanvang van de ongerechtigheid van IsraŽl.

    Dat jaar was op de tijdsbalk het vierentwintigste regeringsjaar van Salomo of okt984/sep983 v. Chr. Het was het jaar van de geboorte van de troonopvolger Rehabeam bij de tot hoofdvrouw gekozen Našma de Ammonietische. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 211-216.

    De veertigjarige regeerperiode van Salomo valt volgens de sabbatjaar- en jubeljaartelling in 1007/967 v. Chr.

    De Ďongerechtigheid van IsraŽlí had haar beginpunt bij Salomo en niet bij de eerste koning van het tienstammenrijk Jerobeam die een bijzondere afgodendienst invoerde ter voorkoming dat de IsraŽlieten nog aan de pelgrim-feesten naar Jeruzalem zouden deelnemen.

    Het was Salomo die als eerste afgodendienst invoerde. Het toppunt was blijkbaar de uitverkiezing van de Ammonietische Našma, de moeder van de troonopvolger Rehabeam.

    1 Koningen 11:1 Koning Salomo nu had behalve de dochter van Farao vele vreemde vrouwen lief, Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische en Hethietische, 2 behorende tot die volken, van wie de HERE tot de IsraŽlieten had gezegd: Gij zult u met hen niet inlaten, en zij zullen zich met u niet inlaten, voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren achter hun goden; haar hing Salomo met liefde aan. 3 En hij heeft als vrouwen gehad zevenhonderd vorstinnen en driehonderd bijvrouwen; en zijn vrouwen verleidden zijn hart. (NBG Vertaling 1951)

     

    In de wet van Mozes (Deuteronomium 23:3) staat er uitdrukkelijk geschreven dat het huwen van Ammonieten door IsraŽlieten verboden was. De naam ĎNašmaí was bovendien verbonden met de Soemerische scheppingsgodin Nammu die volgens de Soemerische mythologie beschouwd werd als de schepper van alle oergodheden.

    De chronologie van Salomo en Rehabeam heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 211-216 behandeld.

    Het verkregen jaar 983 v. Chr. is op de tijdsbalk het correcte Ďterminus a quoí volgens de Latijnse term die de geleerde Dr. Floyd Nolen Jones, Th.D., Ph.D, gebruikt. En het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin zijnde het jaar 593 v. Chr. is de Ďterminus ad quemí als onbetwistbaar ijkpunt op de tijdsbalk.

     

    Ik wil er op wijzen dat ik deze uitkomst niet expliciet gezocht heb. Toen ik in de jaren negentig aan mijn boek KRONOS werkte heb ik na het uittekenen van de sabbat- en jubeljaren volgens William Whiston op een tijdsbalk en het opnieuw rangschikken van de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda, de oefening met de tijdschijf van de 390 jaar gemaakt. Het resultaat was het jaar dat de Ammonietische Našma door Salomo tot hoofdvrouw genomen werd.

     

    In de chronologische constructie van Edwin R. Thiele gaat het verband met het resultaat van 593 + 390 = 983 v. Chr. verloren. De regeerperiode van Salomo is volgens Thiele: 971/931 v. Chr. En in 983 v. Chr. regeerde volgens de fabricatie van Thiele, koning David over IsraŽl de man naar God ís hart.

     

    Wordt vervolgdÖ.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    21-06-2017 om 09:05 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het achtste historische jubeljaar 1052/1051 v. Chr.

    Op onze reis door de tijd vanaf het eerste historische jubeljaar van oktober 1395/september 1394 v. Chr. zijn we met dit artikel aan het achtste jubeljaar van oktober 1052/september 1051 v. Chr. gearriveerd. Het artikel over het eerste jubeljaar dateert van 19.04.2017 op dit blog.

    De jubeljaren en de wijze van rekenen van de sabbat- en jubeljaren heb ik van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V) overgenomen. William Whiston (1667/1752) was een Engelse wiskundige, historicus en theoloog. Hij is vooral bekend door zijn vertaling van de werken van Flavius Josephus uit het Grieks naar de Engelse taal. In zijn Ďdissertatie Ví geeft Whiston tien historische verwijzingen naar het houden van sabbat- en jubeljaren door het oude IsraŽl vanuit de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en vanuit de apocriefe boeken MakkabeeŽn. Deze verwijzingen vormen als het ware een ketting waarmee men op de tijdsbalk naar het verleden toe kan navigeren. Aan deze lijst van tien historische verwijzingen voegde ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, Appendix 6, blz. 482-494, nog een jaartal toe: het jubeljaar van oktober 562/september 561 v. Chr. Het eerste regeringsjaar van de Babylonische koning Evil Merodach wanneer deze de kroon overnam op 11 januari 561 v. Chr. viel tijdens het achttiende jubeljaar. Een van zijn eerste regeringsdaden was het vrijlaten van de Judese banneling koning Jojachin uit diens gevangenis (2 Koningen 27:27). Dit geschiedde volgens het Bijbelcitaat in het zevenendertigste jaar van Jojachin ís ballingschap. Het achttiende jubeljaar wordt hierbij een ijkpunt op de tijdsbalk dat ons navigeren van 27 AD terug te tijd in als een kruispeiling bevestigd.

     

     

    Hierna een opsomming van de jubeljaren uit het werk van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V. Er zijn dertig jubeljaren vanaf 1395/1394 v. Chr. tot 27/28 AD, het jaar dat Jezus het Ďaangename jaar des HERENí uitriep en zich als Messias bekendmaakte.

    Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr. intocht Kanašn o.l.v. Jozua.

    Aantal en jaartallen v. Chr.:

    Historische periode:                       Historische jubeljaarverwijzing

    V. Chr.:

    1.       1395/1394 Richter OthniŽl            geen

    2.      1346/1345          Richter Ehud               Ruth 6:6

    3.      1297/1296 Ehud & Samgar           geen

    4.      1248/1247 Debora en Gideon        geen

    5.      1199/1198  Richter Thola               geen

    6.      1150/1149  Richter Eli                   geen

    7.      1101/1100  Richter SamuŽl            geen

    8.      1052/1051 SamuŽl & Saul             geen

     

    9.      1003/1002 Salomo                        geen

    10.    954/953   Rehabeam                             geen

    11.     905/904   Josafat                          geen

    12.     856/855   Joas                              geen

    13.     807/806   Amazia                         geen

    14.     758/757    Uzzia                             geen

    15.     709/708   jaar 14 Hizkia               Jesaja 37:30

    16.     660/659   Manasse                       geen

    17.     611/610    Josia - Val Nineveh      Nahum 1:15

    18.     562/561    jaar 37 Jojachin           2 Koningen 25:27

    19.     513/512    HaggaÔ                          geen

    20.    464/463   Ezra                              geen

    21.     415/414     Nehemia                       geen

    22.    366/365    Perzische periode        geen

    23.    317/316     Griekse periode            geen

    24.    268/267    Griekse periode            geen

    25.    219/218     Griekse periode            geen

    26.    170/169     Griekse periode            geen

    27.    121/120     MakkabeeŽn                 geen

    28.     72/71        MakkabeeŽn                 geen

    29.    23/22       Hongersnood               Flavius Josephus

    30.    27/28 AD          Messias Jezus              Lucas 4:19

     

    De sabbatjaar- en jubeljaar-telling nam een aanvang bij de intocht in Kanašn door de IsraŽlieten onder leiding van Jozua in april 1443 v. Chr. exact op de dag af toen ze veertig jaar eerder in 1483 v. Chr. uit Egypte op weg gingen.

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE. 3 Zes jaar zult gij uw akker bezaaien en zes jaar zult gij uw wijngaard snoeien, en de opbrengst daarvan inzamelen, 4 maar in het zevende jaar zal het land een volkomen sabbat hebben, een sabbat voor de HERE: uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien.

     

    God ís tijdsklok wat de sabbat- en jubeljaren betreft ging in 1443 v. Chr. van start. Hoewel er weinig historische verwijzingen zijn naar het houden van het Jubeljaargebod zijn de weinige die er zijn toch duidelijk herkenbaar zoals bijvoorbeeld het achttiende jubeljaar met de vrijlating van koning Jojachin uit zijn gevangenschap te Babylon. Voor IsraŽl was het toen een vingerwijzing God ís dat Hij met Jubeljaren rekende.

    Als gevolg echter van hun afwijzen van Messias Jezus in oktober 27 AD bij de aanvang van het dertigste Jubeljaar (Lucas 4:16-30) ligt er sindsdien een geestelijke bedekking over het huidige IsraŽl (2 KorintiŽrs 3:14-16). Daarenboven hebben zij bij het afwijzen van Jezus van Nazareth als Messias daarna gesleuteld aan de Genesis-jaartelling. Het moderne IsraŽl hanteert een anno mundi jaartelling met het jaar 5777 als uitkomst sinds de Schepping.

    Ik vermoed dat de inkorting van de wereldgeschiedenis te maken had met de vierde scheppingsdag en de verwachte komst toen van de Messias, de zon der gerechtigheid, zoals de profeet Maleachi Hem aankondigt. Als volgens de traditie elke scheppingsdag voor duizend jaar staat en op de vierde dag de zon te voorschijn kwam, was rond het jaar 4000 anno mundi de komst van de Messias te verwachten. De era van Salomo zat duizend jaar eerder op de tijdsbalk en de Tempel van Salomo was volgens de traditie drieduizend jaar na de Schepping te plaatsen. De oorspronkelijke anno mundi-jaarrekening gaf alzo rond de tijd van de geboorte van Jezus van Nazareth het jaar vierduizend aan. De algemene verwachting in IsraŽl was toen dat de komst van de Messias zeer nabij was. Het land was sinds 63 v. Chr. door de Romeinen bezet en het verlangen bij de Joden naar bevrijding was groot. Rome was ook het vierde beest-rijk van de profeet DaniŽl. De profeet DaniŽl had de vier wereldrijken voorspeld die in opeenvolging over het gebied van IsraŽl zouden heersen: namelijk Babylon, de Meden en de Perzen, de Grieken en de Romeinen. Sinds het jaar 63 v. Chr. was deze profetie dan ook vervuld en de verwachting was dat de komst van de Messias nu zeer nabij was. Het was dan ook een tijd van meerdere aspirant-messiassen, zoals o. a. blijkt uit het Bijbelboek Handelingen (hoofdstuk 5:26-42) waar we enkele namen van aspirant of pseudo-messiassen voor deze periode vermeld zien: Teudas en Judas de GalileeŽr.

    Wanneer in 26 AD Johannes de Doper in de geest en de kracht van Elia de nakende komst van de Messias voor IsraŽl aankondigde had hij dan ook de aandacht van heel het volk van laag tot hoog. In het najaar van 26 AD bij de doop van Jezus van Nazareth verkondigde Johannes de Doper het Messias-schap van Jezus.

    Johannes 1:29 De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en zeide: Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. 30 Deze is het, van wie ik zeide: Na mij komt een man, die vůůr mij geweest is, want Hij was eer dan ik. 31 En zelf wist ik niet van Hem, maar opdat Hij aan IsraŽl zou geopenbaard worden, daarom kwam ik dopen met water. 32 En Johannes getuigde en zeide: Ik heb aanschouwd, dat de Geest nederdaalde als een duif uit de hemel, en Hij bleef op Hem. 33 En ik kende Hem niet, maar Hij, die mij gezonden had om te dopen met water, die had tot mij gezegd: Op wie gij de Geest ziet nederdalen en op Hem blijven, deze is het, die met de heilige Geest doopt. 34 En ik heb gezien en getuigd, dat deze de Zoon van God is.

     

    De Heer Jezus Christus werd echter in 30 AD door IsraŽl afgewezen:

    Johannes 1:11 Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; 13 die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.

     

    Ongeveer honderd jaar later was er onder het restant van de Joden die in het land Judea na de catastrofe van 70 AD met de vernietiging van de Tempel door de Romeinen waren achtergebleven opnieuw een verwachting naar de komst van de Messias.

    Vermoedelijk heeft men in de tweede eeuw na Christus in afwijzing van Jezus van Nazareth als de Messias aan de anno mundi jaarrekening gesleuteld om een en ander met Bar Kochba als Messias te laten inpassen. De vierde scheppingsdag of het jaar vierduizend na de schepping werd met ongeveer twee eeuwen artificieel verlengd. De vierde scheppingsdag viel via deze fabricatie gelijk met de tijd van Bar Kochba. En dit was het motief voor de drastische inkorting van de tijd. Vooral de Perzische tijdsperiode werd onder handen genomen en drastisch ingekort tot slechts vierendertig jaar in plaats van de historisch verifieerbare periode van 208 jaar van 539 v. Chr. tot 331 v. Chr.

    Hoewel de verwachtingen met Bar Kochba en vermoedelijk nog andere aspirant-messiassen niet werden ingevuld bleef men later toch aan de samengestelde anno mundi jaartelling vasthouden met als resultaat vandaag het jaartal 5777 na de Schepping.

     

    Een ander voorbeeld van het inkorten van de Genesisjaartelling is de regeerperiode van koning Saul wat de Joodse overlevering tot slechts twee jaar herleid heeft maar dat het Nieuwe Testament over een periode van veertig jaar bepaald.

    Handelingen 13:19 Ö en na zeven volken uitgeroeid te hebben in het land Kanašn, heeft Hij hun land hun ten erfdeel gegeven, 20 omstreeks vierhonderd vijftig jaren lang. En daarna gaf Hij hun richters tot op de profeet SamuŽl. 21 En van toen af vroegen zij om een koning en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, veertig jaren lang;Ö

     

     

    Het is een kluwen als een gordiaanse knoop geworden die alleen ontward kan worden door het Nieuwe Testament. Koning Saul van IsraŽl regeerde wel degelijk veertig jaar en deze tijdsperiode past overigens harmonisch binnen het raamwerk van de dertig jubeljaren volgens de wijze van tellen van William Whiston.

    Saul werd in het najaar van 1087 v. Chr. door de richter en profeet SamuŽl tot koning over de twaalf stammen van IsraŽl gezalfd.

    1 SamuŽl 9:1 Er was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van AbiŽl, den zoon van Zeror, den zoon van Bechorath, den zoon van Afiah, den zoon eens mans van Jemini, een dapper held. 2 Die had een zoon, wiens naam was Saul, een jongeling, en schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de kinderen IsraŽls; van zijn schouderen en opwaarts was hij hoger dan al het volk. (Statenvertaling)

     

     

    De regeerperiode van Saul liep van 1087 tot 1047 v. Chr. en is op de tijdsbalk verankerd met het vierde regeringsjaar van Salomo in oktober 1004/september 1003 v. Chr. op basis van de sabbatjaar en jubeljaartelling. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 179-184.

    De zalving van Saul in 1087 v. Chr. betekende het einde van de richteren-periode voor IsraŽl. De twaalf stammen van IsraŽl verlangden een koning zoals de buurvolken en verwierpen in wezen hierbij de HEERE God als Koning over hen.

    1 Samuel 8:6 Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons te richten, mishaagde dat aan SamuŽl, en hij bad tot de HERE. 7 De HERE zeide tot SamuŽl: Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ķ hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijnÖ(NBG Vertaling 1951)

     

    SamuŽl zou als profeet tijdens de regeerperiode van Saul de HEERE God dienen. Volgens de Joodse overlevering stierf SamuŽl korte tijd na de strijd tegen Amalek.

     

     

    Het achtste Jubeljaar van oktober 1052/september 1051 v. Chr. viel nog tijdens het leven van SamuŽl. We kunnen echter de vraag stellen of IsraŽl zich toen aan het jubeljaargebod gehouden heeft? In de Bijbel is er geen verwijzing naar het houden van het jubeljaar toen voorhanden. Vermoedelijk ging het volk en zijn eigenzinnige koning hun eigen weg. Op onze tijdsbalk bemerken we de zalving van David, de zoon van IsaÔ, door SamuŽl in het achtendertigste regeringsjaar van Saul. Saul werd wegens zijn ongehoorzaamheid aan de HEERE God in de slag tegen Amalek als koning verworpen. Twee jaar later in 1047 v. Chr. zou hij in een veldslag tegen de Filistijnen de dood vinden, waarna David koning over de twaalf stammen van IsraŽl werd.

    Het jaar 1049 v. Chr. is op ons tijdsschema als een bijzonder jaar aangeduid wegens een meganatuurcatastrofe die toen de oude wereld trof en gelijk viel met de verdrijving van de Hyksos/Amoe/Amalekieten uit Egypte. Saul rukte toen met zijn leger tegen de stad van Amalek op en verloste daarmee alle buurvolken van het juk van de Amalekieten, de Egyptische Amoe of Hyksos. Zie het artikel van 18.10.2016 op dit blog: voorjaar 1049 v. Chr.: de verdrijving van de Hyksos/Amalekieten uit Egypte en de notering van een meganatuurcatastrofe. Zie link:

    http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1476655200&stopdatum=1477260000

     

    De veertigjarige regeerperiode van koning David die een aanvang in het jaar 1047 v. Chr. nam zou tussen het achtste en het negende jubeljaar vallen. Maar dat gaan we in een nog te volgen artikel op dit blog behandelen.

     

    Wordt vervolgdÖ.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    14-06-2017 om 06:51 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Door wie werd de Grote Piramide op het Gizeh plateau gebouwd en wanneer?

    Over de Grote Piramide blijven tot de huidige tijd hardnekkig de wildste theorieŽn zich handhaven. In de christenheid zijn er bijvoorbeeld nog altijd onderzoekers die menen dat de grote piramide het evangelie in steen zou bevatten en de bouwers IsraŽlieten? Een theorie die in de negentiende eeuw ingang vond. De beste manier om deze theorie te weerleggen is door aan te tonen wie de werkelijke bouwers van de grote piramide waren en te bepalen wanneer de grote piramide gebouwd werd. Volgens de oudheidhistoricus Herodotos was de bouwer farao Cheops en behoorden de twee overige piramiden op het Gizeh-plateau aan de farao ís Chefren en Mykerinos. Deze namen werden door Herodotos in de Griekse taal overgeleverd. Deze namen vinden we nochtans niet terug in de farao-dynastielijst van de Egyptische oudheidhistoricus Manetho die eveneens in de Griekse taal zijn geschiedenis van het oude Egypte doorgaf. Daarenboven is het originele manuscript van Manetho verloren gegaan bij de laatste brand van de beroemde bibliotheek van AlexandriŽ in 642 AD toen de Arabieren Egypte overrompelden. Belangrijke gedeelten van het werk van Manetho werden echter gekopieerd door de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus uit de eerste eeuw van de westerse jaartelling en later door de christelijke chronologen Eusebius en Africanus.

     

     

    Doorsnede van de grote piramide van Cheops. Het vierkante grondoppervlak bedraagt ongeveer 220 meter per zijde. Met een hoek van 52į verheft de piramide zich tot een (oorspronkelijke) hoogte van 147 meter. De ingang ligt in het noorden, tegenover de poolster. Vanuit de koninginkamer werd er in het jaar 2002 onderzoek in de zogenaamde luchtschachten gedaan. Doorheen een eerder ontdekt deurtje in de zuidelijke luchtschacht werd met een steenboor een andere deur blootgelegd. Wat zich hier achter bevindt blijft een vraagteken.

     

    Dat de bouwers geen IsraŽlieten waren kan eenvoudig vanuit de bewaarde bronnen aangetoond worden. De Bijbel zwijgt over het bouwen van piramiden wanneer er bericht wordt over de voorraadsteden die de IsraŽlieten in slavernij verplicht werden te bouwen (Exodus 1:11). Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1468792800&stopdatum=1469397600

    Het bouwmateriaal bestond hier overigens uit tichelstenen (Exodus 5:7) en niet uit uitgehouwen stenen waar de piramiden op het Gizeh-plateau mee gebouwd zijn. Dat laatste was een observatie die de geleerde William Whiston (1667/1752) al maakte in de voetnoot van zijn vertaling van de werken van Flavius Josephus van het Grieks naar het Engels in de achttiende eeuw:

    Joodse Oudheden Boek II, hoofdstuk 9,

    1. NOW it happened that the Egyptians grew delicate and lazy, as to pains-taking, and gave themselves up to other pleasures, and in particular to the love of gain. They also became very ill-affected towards the Hebrews, as touched with envy at their prosperity; for when they saw how the nation of the Israelites flourished, and were become eminent already in plenty of wealth, which they had acquired by their virtue and natural love of labor, they thought their increase was to their own detriment. And having, in length of time, forgotten the benefits they had received from Joseph, particularly the crown being now come into another family, they became very abusive to the Israelites, and contrived many ways of afflicting them; for they enjoined them to cut a great number of channels for the river, and to build walls for their cities and ramparts, that they might restrain the river, and hinder its waters from stagnating, upon its running over its own banks: they set them also to build pyramids, (17) and by all this wore them out; and forced them to learn all sorts of mechanical arts, and to accustom themselves to hard labor. And four hundred years did they spend under these afflictions; for they strove one against the other which should get the mastery, the Egyptians desiring to destroy the Israelites by these labors, and the Israelites desiring to hold out to the end under them.

     

    (voetnoot 17) Of this building of the pyramids of Egypt by the Israelites, see Perizonius Orig. Aegyptiac, ch. 21. It is not impossible they might build one or more of the small ones; but the larger ones seem much later. Only, if they be all built of stone, this does not so well agree with the Israelites' labors, which are said to have been in brick, and not in stone, as Mr. Sandys observes in his Travels. p. 127, 128.

     

    De conclusie is dat indien er al gebouwen in piramidevorm door de IsraŽlieten opgetrokken werden deze van tichelstenen waren. Van de twaalfde Egyptische dynastie zijn er bijvoorbeeld door archeologen bouwwerken blootgelegd die in tichelsteen opgetrokken waren.

     

    De door de oudheidhistoricus Herodotos opgegeven Cheops als de bouwer van de grote piramide wordt door de orthodoxe Egyptologie geÔdentificeerd met farao Khoefoe van de vierde dynastie van Manetho. Een farao die als een gevolg van het veronderstelde gebruik van een dubbele Sothis-kalender in het oude Egypte door de conventionele egyptologie in het derde millennium voor Christus gedateerd werd. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 77-88, meen ik aangetoond te hebben dat farao Khoefoe onmogelijk de bouwer van de grote piramide geweest kon zijn. Verder heb ik aangetoond dat de farao ís Cheops, Chefren en Mykerinos in de achtste eeuw v. Chr. op de tijdsbalk thuishoren. De piramiden op het Gizeh-plateau werden in de achtste eeuw v. Chr. gebouwd. De historicus Herodotos plaatst Cheops, Chefren en Mykerinos op de tijdsbalk net voor zijn farao ís met de Griekse namen: Asychis en Anysis. Deze laatste farao was volgens Herodotos een tijdgenoot van de bekende Sanherib koning van AssyriŽ uit de achtste eeuw v. Chr.

    Dat de grote piramide jong is blijkt ook uit de vondst van ijzer in de constructie van de piramide. De conclusie zou moeten zijn dat de grote piramide in het ijzertijdperk gebouwd werd. Een conclusie die de orthodoxe egyptologie niet maakt. Het is nochtans de eerste vrouwelijke Egyptoloog Margaret Murray die in 1949 waarheidsgetrouw melding maakte van het vinden van ijzer in de constructie van de piramide.

    ďThe use of iron in Egypt is peculiarly interesting for it is found there sporadically at various times long before it came into general use. The iron beads of the Gerzean period are the earliest worked iron known; a piece of sheet iron was found between the stones of the Great Pyramid and contemporary with that structureÖĒ

    by Egyptologist Margaret A. Murray, THE SPLENDOUR THAT WAS EGYPT, 1949, Chapter V, Art and Science.

     

    In de grote piramide ontbreekt elke verwijzing naar de architect of koning-bouwer. Alle muren zijn blank. De enige verwijzing naar farao Khoefoe van de vierde dynastie werd aangetroffen (aangebracht) in de drukverminderingskamer boven de koningskamer. Zij werd aan het licht gebracht door Howard Vyse die zich in 1837 op brute wijze naar deze vertrekken een weg baande. Hoogst waarschijnlijk zijn deze inscripties in rode inkt door Vyse zelf aangebracht. De zogenaamde ontdekking gebeurde op het eind van een kostbaar archeologisch seizoen-onderzoek en de ontdekking van de bouwer van de grote piramide kwam zodoende op tijd om de gemaakte kosten te rechtvaardigen. Vyse zal zich vermoedelijk hebben laten (mis)leiden door de aanwezigheid van dodentempels in de nabijheid die tot het zogenaamde Oude Rijk behoorden.

     

    De grote piramide is tegenwoordig in wezen een hoop stenen waar zogenaamde kenners een volmaakte driehoek over projecteren. De grote piramide is dermate afgebrokkeld dat zelfs exacte metingen moeilijk zijn. Vele mooie plaatjes vandaag zijn dan ook bedrieglijk en niet naar waarheid getekend. De afmetingen van de grote piramide door onderzoekers uit christelijke hoek zoals Charles Piazzi Smith (1819-1900) in de negentiende eeuw gepubliceerd werden later door de Egyptoloog Flinders Petrie (1853/1942) fout bevonden en gecorrigeerd.

     

    Met de aangetoonde plaatsing van de bouw van de grote piramide in de achtste eeuw v. Chr. worden vier vanuit een bepaalde hoek van de christenheid veronderstelde bouwers uitgesloten: namelijk Adam, Henoch, Noach en/of Job.

     

    De bouwers van de piramiden op het Gizeh-plateau met de Griekse namen Cheops, Chefren en Mykerinos zijn volgens mijn reconstructie van het geschiedenis van de oudheid de farao ís Achnaton, Smenkhkare en Toetanchat(m)on.

     

     

    Hierna een kort citaat uit mijn boek TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 345-353 dat deze farao ís gereviseerd in de achtste eeuw v. Chr. plaatst:

    ďDe beschrijving door Herodotos van de koningen Cheops, Chefren en Mykerinos past nochtans in het historische plaatje dat we kennen van de farao Ďs Achnaton, Smenkhkare en Toetanchamon. Herodotos (Boek 2:124) schrijft dat Cheops na Rampsinitos koning werd. Rampsinitos heb ik in mijn studie geÔdentificeerd met de Zonnekoning Amonhotep III van de achttiende dynastie, de vader van de Achnaton. Rampsinitos wordt door Herodotos (Boek 2:121) beschreven als een wijs koning die Egypte tot grootheid bracht. Een grootheid, niet als gevolg van veroveringsoorlogen maar als een gevolg van handel. Daarna beschrijft Herodotos hoe de opvolger van Rampsinitos: Cheops, dit alles te niet deed. Daarenboven liet Cheops alle tempels sluiten en preste de Egyptenaren tot zware arbeid voor de bouw van zijn piramide. Een arbeid die twintig jaar in beslag zou nemen. Herodotos (Boek 2:127) geeft farao Cheops een regeerperiode van vijftig jaar waarna zijn broer Chefren de scepter zou overnemen en gedurende zesenvijftig jaar regeren. Ook de opvolger van Cheops zou een piramide laten bouwen. En na farao Chefren werd Mykerinos koning, die een zoon van Cheops was:

    Herodotos 2: 129. After him, they said, Mykerinos became king over Egypt, who was the son of Cheops; and to him his father's deeds were displeasing, and he both opened the temples and gave liberty to the people, who were ground down to the last extremity of evil, to return to their own business and to their sacrifices;: also he gave decisions of their causes juster than those of all the other kings besides. In regard to this then they commend this king more than all the other kings who had arisen in Egypt before him; for he not only gave good decisions, but also when a man complained of the decision, he gave him recompense from his own goods and thus satisfied his desire.

     

    Herodotosí Mykerinos zou de tempels, na de lange regeerperiode van zijn vader en oom, opnieuw laten openen. Deze beschrijving van de historicus Herodotos past volkomen in het historische plaatje dat we kennen in de geschiedenis Toetanchaton, de zoon van Achnaton, die bij het aan de macht komen, de tempels inderdaad opnieuw liet openen en de eredienst aan de god Amon toeliet. Farao Toetanchaton liet zelfs zijn naam veranderen van Toetanch-Ďatoní naar Toetanch-Ďamoní. De regeerperiode van Toetanchamon was kort, maar ook hij, schrijft Herodotos (boek 2:134) liet een piramide bouwen. Het is de derde piramide op het Gizeh-plateau die met dit hoofdstuk aandacht krijgt. De drie piramiden horen op de tijdsbalk thuis in de achtste eeuw v. Chr. en zijn inmiddels dus al ruim plus tweeduizendzevenhonderd jaar oud. Het eerste onderzoek door westerlingen van de piramide van Mykerinos/ Toetanchamon gaat terug tot de eerste helft van de negentiende eeuw. In 1837 ging een expeditie onder leiding van kolonel R. W. Howard Vyse op het Gizeh-plateau aan het werk. De piramide van Mykerinos was toen al aan een zijde zwaar beschadigd als gevolg van de poging van de Arabische heerser over Egypte in 1196 AD, de zoon van Saladin: Malek Abd al-Aziz Othman ben Jusuf, om de vermoede schatten diep in de piramide te vinden. Het resultaat was een aanbrengen van een grote uitholling, die heden boven de tegenwoordige toegangsweg tot de piramide, nog zichtbaar is. De onderzoeker kolonel Vyse maakte de opening van Malek Abd al-Aziz Othman ben Jusuf, nog groter door het gebruik van ditmaal buskruit, ter vrijmaking van een weg naar de grafkamer. Ook de muren aan de binnenzijde van de piramide van Mykerinos bleken volledig blank te zijn, net zoals de grote piramide van Cheops waar op de binnenmuren ook geen enkele afbeelding noch tekst te vinden was. Ik neem aan dat Vyse dezelfde pot rode verf gebruikte als in de grote piramide, waar hij naar alle waarschijnlijkheid de naam Khoefoe in de bovenste drukkingskamer op de muur aanbracht. Ook in de piramide van Mykerinos werd de naam van Menkaura in rode verf op de voor de rest blanke muren, aangebracht. Voor de gevestigde Egyptologie van de tweede helft van de twintigste eeuw was er geen twijfel meer. De piramide van Herodotosí Mykerinos behoorde toe aan Menkaura van de vierde dynastie van Manetho. En toch blijven er meer vraagtekens dan antwoorden over. Een mummie of stoffelijke resten werden in de piramide van Mykerinos namelijk niet gevonden. De muren aan de binnenkant blijven blank en geven geen antwoord naar de vraag wie de architect, de godheid, noch de koning was, voor wie de tombe bereid werd. Toen de onderzoeker kolonel Vyse tot de grafkamer kon doorbreken bleek daar een sarcofaag te staan met de restanten van een doodskist, maar geen stoffelijke resten van een farao.

     

     

    De hier getoonde afbeelding is een ets van kolonel Vyse gemaakt van de door hem aangetroffen basalten sarcofaag. Deze afbeelding is de enige illustratie vandaag voorhanden van de sarcofaag. De sarcofaag in kwestie werd namelijk in 1838 naar Engeland, naar het British Museum verscheept, maar het schip dat de sarcofaag vervoerde leed in de buurt van Livorno (ItaliŽ) schipbreuk en ging verloren. De doodskist werd op een ander schip verladen en vond wel haar plek in het British Museum. Volgens het deskundige commentaar van het British Museum behoort de kist (of wat er van rest) echter tot de periode van de zesentwintigste dynastie. Een dynastie die op de tijdsbalk thuishoort in de zevende en zesde eeuw v. Chr. Voor de orthodoxie is het een raadsel hoe een kist uit de zesde eeuw v. Chr. in een grafkamer van het door hen gedateerde derde millennium v. Chr. kon terecht komen. Men gaat er van uit dat er ten tijde van de zesentwintigste dynastie een poging tot restauratie van het graf is uitgevoerd. Deze veronderstelling blijft echter gissen en levert vraagteken op vraagteken. Want het gaat niet alleen om de gevonden doodskist, ook de afgebeelde basalten sarcofaag op de ets van Vyse, wordt door specialisten ook niet ten tijde van de Egyptische vierde dynastie gedateerd maar eveneens in de zesde eeuw v. Chr., ten tijde van de SaÔtische periode. Met deze twee gegevens voorhanden: de sarcofaag en de kist, kunnen we redelijk goed besluiten dat de piramide van Mykerinos niet in ongeveer 2500 v. Chr. gebouwd werd maar eerder rond 700/600 v. Chr.

    Einde citaat.

     

    Tot slot: wat de bewering van sommige zogenaamde kenners betreft dat de grote piramide een evangelie in steen zou bevatten maak ik mij de bedenking dat volgens de Bijbel het Woord van God in geschreven vorm is doorgegeven. Het derde millennium voor Christus heeft een massa aan geschreven materiaal in de vorm van kleitabletten in het Midden-Oosten opgeleverd. Handelstransacties, overeenkomsten aller aard, poŽzie enzoverder werden door de betrokken  partijen opgeschreven. Er was als een gevolg geen nood aan het doorgeven van een zogenaamde mondelinge overlevering wat de Bijbel betreft.

    Toen Mozes de auteur van de eerste vijf Bijbelboeken: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, aan zijn werk begon heeft hij hoogstwaarschijnlijk wat het Bijbelboek Genesis betreft gebruik gemaakt van een voorhanden zijnde bibliotheek van kleitabletten die de aartsvaders van vader op zoon doorgegeven hadden. Dat was de conclusie van de onderzoeker P. J. Wiseman (1888Ė1948), New discoveries in Babylonia about Genesis, 1936. Zie de volgende link: http://www.goedbericht.nl/plaatjes/2008/wiseman/content.html

     

    Ik hoop dat ik met dit artikel heb bijgedragen tot het belang van het bewaren van nuchterheid wanneer men geconfronteerd wordt met wilde theorieŽn betreffende de grote piramide op het Gizeh-plateau in Egypte.

     

    Wordt vervolgdÖ.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    07-06-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het zesde en het zevende historische jubeljaar

    Met onze aflevering van 16.05.2017 sloten we het artikel af bij het vijfde jubeljaar van 1199/1198 v. Chr. Een jubeljaar dat tijdens het richter-schap van Thola viel.

     

     

    Thola richtte IsraŽl na de dood van de usurpator Abimelech een zoon van Gideon voor een periode van drieŽntwintig jaar. Tijdens zijn richter-schap was IsraŽl behouden en hielden zij zich aan de wet. Het was tijdens het richter-schap van Thola dat het vijfde Jubeljaar sinds de inname van Kanašn door de IsraŽlieten plaatsvond. Een jubeljaar dat vermoedelijk door de IsraŽlieten toen in acht werd genomen. We schrijven vermoedelijk omdat er geen verwijzing in de Bijbel naar te vinden is. Wel weten we dat van de honderdtwintig historische sabbatjaren tussen de inname van Kanašn in 1443 v. Chr. en de eerste wegvoering in Babylonische ballingschap in 605 v. Chr. de IsraŽlieten vijftig maal het sabbatjaargebod gehouden hebben. Zeventig maal hebben zij verzaakt tijdens het zevende jaar van de cyclus het land zijn rust te geven en bij de zeventigste maal verzaken volgde als oordeel de Babylonische Ballingschap van zeventig jaar.

     

     

    Richteren 10:1 Na Abimelech nu stond op, om IsraŽl te behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van EfraÔm. 2 En hij richtte IsraŽl drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir. 3 En na hem stond op JaÔr, de Gileadiet; en hij richtte IsraŽl twee en twintig jaren. 4 En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-jair, tot op dezen dag, dewelke in het land van Gilead zijn. 5 En JaÔr stierf, en werd begraven te Kamon. 6 Toen voeren de kinderen IsraŽls voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en dienden de Bašls, en Astharoth, en de goden van SyriŽ, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden der kinderen Ammons, mitsgaders de goden der Filistijnen; en zij verlieten den HEERE, en dienden Hem niet. 7 Zo ontstak de toorn des HEEREN tegen IsraŽl; en Hij verkocht hen in de hand der Filistijnen, en in de hand der kinderen Ammons. 8 En zij onderdrukten en vertraden de kinderen IsraŽls in datzelve jaar; achttien jaren, onderdrukten zij al de kinderen IsraŽls, die aan gene zijde van de Jordaan waren, in het land der Amorieten, dat in Gilead is. (Statenvertaling)

     

     

    De verdrukking van IsraŽl door de Filistijnen en Ammon begon bij de dood van de richter JaÔr in het voorjaar van 1161 v. Chr.

    Op onze tijdsbalk merken we ook het begin van de veertigjarige bediening van de priester en richter Eli in 1163 v. Chr. Dat Eli in dat jaar op de tijdsbalk zijn bediening aanving is het gevolg van de verankering van zijn dood in 1123 v. Chr. In het jaar van zijn dood kwam de eerder door de Filistijnen buitgemaakte ark van het verbond terug naar het gebied van de IsraŽlieten gevolgd door de onfortuinlijke dood van Eli. Twintig jaar zou de ark van het verbond daarna in Kirjath-jearim opgesteld worden tot in het jaar 1103 v. Chr. tijdens het richter-schap van SamuŽl. Zo dadelijk volgen hierover meer chronologische details.

     

     

    Het zesde jubeljaar van oktober 1150/september 1149 v. Chr. viel tijdens het richter-schap van Eli met de aanhoudende gelijktijdige verdrukking van de Filistijnen en Ammonieten. We kunnen aannemen dat de wet van het Jubeljaar volgens Leviticus hoofdstuk 25 door de IsraŽlieten toen niet in acht werd genomen. De veertigjarige richterperiode van de priester Eli kenmerkte zich door afval van de dienst aan de HEERE God. Over het huis van de richter Eli werd zelfs door de HEERE God oordeel aangekondigd (1 SamuŽl 3:11-21). De twee zonen van Eli: Hofni en Pinehas waren beide nietsnutten die alleen met zichzelf bezig waren en een oordeel over hen en het huis van hun vader brachten. Aan Eli werd specifiek verweten dat hij zijn zonen zelfs niet berispt had.

    1 SamuŽl 3:13 Want Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, om der ongerechtigheids wil, die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien. 14 Daarom dan heb Ik het huis van Eli gezworen: Zo de ongerechtigheid van het huis van Eli tot in eeuwigheid zal verzoend worden door slachtoffer of door spijsoffer! (Statenvertaling)

     

    Het is tijdens deze periode ook dat de bekende geschiedenis van Hanna de moeder van SamuŽl zich afspeelde. Hanna was aanvankelijk onvruchtbaar maar dat veranderde na haar gebed tot de HEERE God in het heiligdom te Silo. Het bezoek van Hanna aan het heiligdom te Silo plaatsen we op de tijdsbalk met Pesach van het jaar 1163 v. Chr. het jaar ook dat Eli zijn bediening begon.

    1 SamuŽl 1:17 Toen antwoordde Eli en zeide: Ga heen in vrede, en de God IsraŽls zal uw bede geven, die gij van Hem gebeden hebt. 18 En zij zeide: Laat uw dienstmaagd genade vinden in uw ogen! Alzo ging die vrouw haars weegs; en zij at, en haar aangezicht was haar zodanig niet meer. 19 En zij stonden des morgens vroeg op, en zij aanbaden voor het aangezicht des HEEREN, en zij keerden weder, en kwamen tot hun huis te Rama. En Elkana bekende zijn huisvrouw Hanna, en de HEERE gedacht aan haar. 20 En het geschiedde, na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht werd, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam SamuŽl: Want, zeide zij, ik heb hem van den HEERE gebeden. 21 En die man, Elkana toog op met zijn ganse huis, om den HEERE te offeren het jaarlijkse offer, en zijn gelofte. 22 Doch Hanna toog niet op; maar zij zeide tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht des HEEREN verschijne, en blijve daar tot in eeuwigheid.

     

     

    Na zijn geboorte werd SamuŽl gedurende vierentwintig maanden door zijn moeder verzorgd waarna zij na het spenen van SamuŽl hem naar de priester en richter Eli bracht in wiens dienst hij zou staan. Op dit blog hou ik mij haast uitsluitend met chronologie bezig maar het dankgebed van Hanna wil ik mijn lezers niet onthouden:

    1 SamuŽl 2:1 Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart springt van vreugde op in den HEERE; mijn hoorn is verhoogd in den HEERE; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil. 2 Er is niemand heilig, gelijk de HEERE; want er is niemand dan Gij, en er is geen rotssteen, gelijk onze God! 3 Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan. 4 De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord. 5 Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden. 6 De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen. 7 De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. 8 Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beŽrven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet. 9 Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht. 10 Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen. (Statenvertaling

     

    Dit is het indrukwekkende dankgebed van een vrouw die al haar vertrouwen op de HEERE God van IsraŽl stelde en verhoord werd. Dit was geen publiekelijk gebed noch een gebed met omhaal van woorden, maar een gebed in stilte uitgesproken naar de geest zoals de Heer Jezus Christus het later in Zijn berg-rede zou verkondigen (MatteŁs 6:1-8)

     

     

    Het jaartal 1143 v. Chr. met het begin van het richter-schap van Jefta is een ijkpunt op de tijdsbalk. In april 1143 v. Chr. was het exact driehonderd jaar geleden dat de IsraŽlieten onder leiding van Jozua in 1443 v. Chr. het beloofde land Kanašn binnentrokken. Het was naar deze tijdsschijf van driehonderd jaar dat de richter Jefta in zijn gesprek met de koning van Ammon (Richteren 11:15-25) verwees. De tijdsschijf van driehonderd jaar die Jefta aanhaalde is geen afgerond getal maar een historisch verifieerbare tijdsschijf die op de tijdsbalk zijn plaats vind. Het jaar 1143 v. Chr. is een ijkpunt op de tijdsbalk waar we de meeste richters voor en na het optreden van Jefta mee rangschikken binnen het raamwerk van de sabbat- en jubeljaren volgens William Whiston. De chronologische rangschikking van de richters heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 147-153 behandelt.

     

    Richteren 12:7 Jeftha nu richtte IsraŽl zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.

    8 En na hem richtte IsraŽl Ebzan, van Bethlehem. 9 En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochteren naar buiten, en bracht dertig dochteren van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte IsraŽl zeven jaren. 10 Toen stierf Ebzan, en werd begraven te Bethlehem. 11 En na hem richtte IsraŽl Elon, de Zebuloniet, en hij richtte IsraŽl tien jaren. 12 En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajalon, in het land van Zebulon. (Statenvertaling)

     

    In 1143 v. Chr. plaatsen we ook het begin van het richter-schap van de bekende Simson die IsraŽl gedurende twintig jaar zou bijstaan (Richteren 16:31).

     

     

    Richteren 12:13 En na hem (Elon) richtte IsraŽl Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet. 14 En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen, rijdende op zeventig ezelveulens; en hij richtte IsraŽl acht jaren. 15 Toen stierf Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet; en hij werd begraven te Pirhathon, in het land van EfraÔm, op den berg van den Amalekiet. (Statenvertaling)

     

    Op onze tijdsbalk merken we in 1123 v. Chr. het einde van de veertigjarige bediening van Eli als priester en richter. Dat het richter-schap van Eli over een periode van veertig jaar gaat leren we uit het Bijbelboek 1 SamuŽl 4:15-18. Eli stierf op een leeftijd van achtennegentig jaar nadat hij IsraŽl veertig jaar gericht had. Hij was achtenvijftig jaar oud toen zijn priester- en richter-schap begon. Met wat er over hem in het Bijbelboek 1 SamuŽl geschreven staat begrijp ik dat Eli tijdens deze lange periode meer priester dan richter was.

    In het voorjaar van 1123 v. Chr. kende de priester Eli zijn smartelijk levenseinde toen hem bericht werd dat de Filistijnen de ark van het verbond op de IsraŽlieten buit hadden gemaakt.

    1 SamuŽl 4:17 Toen antwoordde hij, die de boodschap bracht, en zeide: IsraŽl is gevloden voor het aangezicht der Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk geschied; daarenboven zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven, en de ark Gods is genomen. 18 En het geschiedde, als hij van de ark Gods vermeldde, zo viel hij achterwaarts van den stoel af, aan de zijde der poort, en brak den nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte IsraŽl veertig jaren. (Statenvertaling)

     

    Zeven maanden lang zou de ark van het verbond in Filistijnse handen blijven waarna zij door hen terug naar het gebied van de IsraŽlieten gezonden werd (1 SamuŽl 6:1-2).

    1 SamuŽl 7:1 Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark des HEEREN op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op den heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark des HEEREN bewaarde. 2 En het geschiedde, van dien dag af, dat de ark des Heeren te Kirjath-jearim bleef, en de dagen werden twintig jaren; en het ganse huis van IsraŽl klaagde den HEERE achterna. 3 Toen sprak SamuŽl tot het ganse huis van IsraŽl, zeggende: Indien gijlieden u met uw ganse hart tot den HEERE bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths; en richt uw hart tot den HEERE, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken.

     

     

    Te Kirjath-Jearim zou de ark van het verbond in het huis van Abinadab op een heuvel gedurende twintig jaar een plaats vinden. Het heiligdom te Silo waar Eli zijn bediening had werd door de HEERE God opgegeven (Psalm 78:60). De tijdschijf van twintig jaar zit op de tijdsbalk verankerd van het voorjaar van 1123 v. Chr. tot het najaar van 1103 v. Chr.

    In het twintigste jaar dat de ark een plaats in Kirjath-jearim gevonden had leert het Bijbelboek 1 SamuŽl 7:4-17 dat de IsraŽlieten te Mizpa bij SamuŽl vergaderden en dat de slag bij Eben-haezer plaatsvond. In oktober van het jaar 1103 v. Chr. werd het juk van de veertigjarige verdrukking door de Filistijnen afgeschud (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 169-175). De veertigjarige verdrukking van de Filistijnen hebben we gezien begon in 1143 v. Chr.

    De slag bij Eben-haezer met de IsraŽlitische zege over de Filistijnen is een ijkpunt op de tijdsbalk waarmee we ook het stervensjaar van Eli kunnen berekenen. Twintig jaar eerder was het terugzenden van de ark van het verbond door de Filistijnen namelijk indirect de oorzaak van het overlijden van Eli.

     

    Op onze tijdsbalk vermeld ik SamuŽl als enig overblijvende Richter na de dood van Abdon in 1112 v. Chr. Hij zou de laatste richter over de twaalf stammen van IsraŽl zijn waarna het volk in afwijzing van de HEERE God naar een koning verlangde.

    Mijn reconstructie van de chronologische gegevens die we over SamuŽl ter beschikking hebben, maakt dat het vanaf het jaar van het overlijden van de richter Abdon in 1112 v. Chr. het vijftig jaar terug in de tijd zijn, tot het opdragen van SamuŽl in het heiligdom te Silo. Vijftig jaar was volgens de Wet de maximum leeftijd voor de bijzondere dienst van een Levitische priester (Numeri 8:25). De geboorte van SamuŽl plaatsen we in het najaar van 1163 v. Chr. na een zwangerschap van slechts zes maanden en enkele dagen voor Hanna, volgens de Joodse overlevering (Legends of the Jews, Volume IV, chapter III). De bediening van SamuŽl had al een aanvang genomen op zeer jonge leeftijd. Volgens de Joodse overlevering was hij twee jaar oud wanneer zijn moeder hem naar de priester Eli bracht. De Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus schrijft (Joodse Oudheden, Boek V. 10,4) dat SamuŽl twaalf jaar oud was toen hij in de dienst van Eli te Silo voor de eerste maal door de HEERE God geroepen werd (1 SamuŽl 3:1-21).

    1 SamuŽl 3:1 De jonge SamuŽl was in de dienst des HEREN onder toezicht van Eli. Nu was in die dagen het woord des HEREN schaars; gezichten waren niet talrijk. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het twaalfde levensjaar van de jonge SamuŽl viel niet toevallig in het zesde jaar 1151/1150 v. Chr. van de sabbatjaarcyclus, het jaar van de dubbele zegening over het land dat ook een geestelijke betekenis had. Onder het richter-schap van Eli was het geestelijk gezien stil geweest. Onder SamuŽl ís richter-schap zou dit veranderen.

     

     

    Het zevende jubeljaar van oktober 1101 tot september 1100 v. Chr. viel twee jaar na de overwinning op de Filistijnen tijdens het richter-schap van SamuŽl. We kunnen aannemen dat het zesde jaar van de zevende sabbatjaarcyclus zijn dubbele zegening over het land gaf want op het woord van SamuŽl hadden de IsraŽlieten hun afgoden uit hun midden weggedaan en dienden alleen de HEERE God.

    1 SamuŽl 7:3 Toen sprak SamuŽl tot het ganse huis van IsraŽl, zeggende: Indien gijlieden u met uw ganse hart tot den HEERE bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths; en richt uw hart tot den HEERE, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken. 4 De kinderen IsraŽls nu deden de Bašls en de Astharoths weg, en zij dienden den HEERE alleen. 5 Verder zeide SamuŽl: Vergadert het ganse IsraŽl naar Mizpa, en ik zal den HEERE voor u bidden. 6 En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water, en goten het uit voor het aangezicht des HEEREN; en zij vastten te dien dage, en zeiden aldaar: Wij hebben tegen den HEERE gezondigd. Alzo richtte SamuŽl de kinderen IsraŽls te Mizpa. (Statenvertaling)

     

    Het Bijbelboek 1 SamuŽl verwijst niet impliciet naar het in acht nemen van het Jubeljaargebod door de IsraŽlieten ten tijde van SamuŽl maar we kunnen aannemen volgens vers vier van het hiervoor vermelde Bijbelcitaat dat het dienen van de HEERE ook het houden van de sabbatjaren en het jubeljaar inhield.

     

    De periode van de richteren die we in dit artikel behandelden van de richter Thola af tot op richter SamuŽl past chronologisch binnen het kader van de sabbat- en jubeljaren volgens de telling William Whiston. Er waren dertig jubeljaren van het optreden van de Heer Jezus Christus in oktober 27 AD te Nazareth volgens Lukas hoofdstuk 4 wanneer de Heiland het Ďaangename jaar des HERENí uitriep terug de tijd in tot het eerste jubeljaar van 1395/1394 v. Chr. Zeven maal zeven jaar eerder waren zij in 1443 v. Chr. het beloofde land Kanašn binnengetrokken en begon de eerste sabbatjaren-cyclus. Veertig jaar daarvoor waren de IsraŽlieten in 1483 v. Chr. uit Egypte opgetrokken. Volgens het Bijbelboek 1 Koningen 6:1 waren het vierhonderdtachtig jaar vanaf het exodusjaar tot het vierde regeringsjaar van Salomo wanneer deze aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem begon. Het vierde regeringsjaar van Salomo viel volgens de sabbat- en jubeljaar-telling in oktober 1004/september 1003 v. Chr. Zijn eerste regeringsjaar begon in oktober 1007 v. Chr. Daarvoor hebben we de veertigjarige regeerperiode van David: 1047/1007 v. Chr. en daarvoor regeerde ook Saul voor een periode van veertig jaar van 1087 tot 1047 v. Chr. over de twaalf stammen van IsraŽl. In 1087 v. Chr. zalfde de laatste richter SamuŽl, Saul tot koning. Binnen dit tijdskader dienen de chronologische gegevens van de Bijbelboeken Richteren en 1 SamuŽl op de tijdsbalk aangebracht te worden. Hierbij hebben we gezien overlapten sommige richters elkaar en vielen verdrukkingen van de buurvolken zoals bijvoorbeeld die van de Ammonieten en de Filistijnen binnen hetzelfde tijdsbestek.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    30-05-2017 om 07:41 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De datering van de Grote Vloed in het jaar 2340 v. Chr.

    Ik heb recent het boek van de Amerikaanse wetenschapper Donald Wesley Patten: The Biblical Flood and the Ice Epoch, gelezen. Het boek dat in 1966 voor de eerste maal gepubliceerd werd en meerdere herdrukken kende blijft een aanrader. Voor diegene die meende dat de Bijbelse Grote Vloed alleen maar een periode van veel regen over een bepaald gebied op aarde betekende krijgt met het boek een beter begrip van de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong die planeet aarde in het derde millennium voor Christus getroffen heeft.

     

     

    Zoals de cover van het boek al laat zien verbindt Patten de IJstijd met de Zondvloed en verklaart hij het ontstaan van de ijskappen op de Noord- en Zuidpool door ijs dat uit Ďouter spaceí met catastrofale gevolgen op planeet aarde gedeponeerd werd. Ik had het boek al langer in bezit nadat ik het jaren geleden samen met dat andere boeiende boek van Patten: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, verkreeg. Dit laatste boek kreeg op mijn blog al heel wat aandacht. De opdracht is om de historische cyclus van meganatuurcatastrofes op de tijdsbalk chronologisch aan te brengen. De wetenschapper Donald Wesley Patten en zijn medewerkers Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer hanteerden namelijk ter berekening van hun cyclus de jaartallen van de Bijbelse koningen volgens de fabricatie van de chronoloog Edwin R. Thiele die in de twintigste eeuw de Bijbelse koningslijsten met die van de Assyrische koningen verbond. Thiele verkorte hierbij de regeerperiode van de koningen van IsraŽl en Juda met zo maar even een afwijking van acht tot veertig jaar ter inpassing in het Assyrische koningslijstkeurslijf. Zie het artikel op dit blog van 06.02.2017: De Assyriologie, Thiele en het noodlottige jaartal: 930 v. Chr. link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1486335600&stopdatum=1486940400

    Een exact jaartal voor de Grote Vloed of Zondvloed geeft Patten niet maar werkt met circa Ďs.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik de Grote Vloed gedateerd van oktober/november Anno Mundi 1656 tot oktober/november van AM 1657 of 2341/2340 v. Chr. volgens de westerse jaartelling. Dat de meganatuurcatastrofe dat de zondvloed was, een volledig jaar duurde leert het Bijbelboek Genesis:

    Genesis 7:10 Na zeven dagen kwamen de wateren van de vloed over de aarde. 11 In Noach Ďs zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand (oktober/november), op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend. 12 En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde.

    Genesis 8:13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand (september/oktober), op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van de aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op. 14 In de tweede maand (oktober/november), op de zevenentwintigste dag der maand, was de aarde droog.

     

    De beschrijving in Genesis 7:11 dat alle kolken der grote waterdiepten openbraken verklaart Patten vanuit kosmische krachten veroorzaakt wanneer planeet aarde in haar baan om de zon door andere hemellichamen verstoord werd. Patten verklaart verder de continentale drift op aarde en de vorming wereldwijd van bergketens als een gevolg van de zondvloedramp. Zie het commentaar op de cover van het boek hierna:

    The author contends that, through the agency of astral principles, the Earth became engaged, or engulfed, in simultaneous gravitational upheavals and magnetic conflicts. There came with suddenness to our fragile, spiraling sphere, The Biblical Flood and The Ice Epoch. Readers of this unique book will find a challenging and refreshing view of ancient catastrophism and its conclusion, Divine Creation, a subject of importance in this age of increasing intellectual rootlessness.

    It is over and against the prevailing monopoly of uniformitarian thought (which proposes that oceans of time are necessary for anything and everything, both geologically and biologically) that Mr. Patten proposes his view of historical celestial crises, global catastrophes. Such catastrophes may explain many features about several planets. Such catastrophes, relative to the Earth-Moon system, explain the raising up of mountain ranges, sweeping across the face of the Earth in arcuate alignment, similar to the mountain patterns of the Moon.

    This was achieved suddenly, and by tidal upheavals within the oceans (of centrifugally rotating lava) within the Earth's crust. Simultaneously, tidal upheavals engulfing the oceans raised tides of subcontinental dimensions on the Earth's crust, thus the historically recorded Deluge, or Flood.

    (The Biblical Flood and the Ice Epoch by Donald Wesley Patten, 1966)

     

    Bijzonder fascinerend vond ik Patten Ďs theorie in hoofdstuk IX, 4, dat planeet aarde ook al voor de zes-dagenschepping door meganatuurcatastrofes van kosmische aard getroffen werd en hij geeft een wetenschappelijke verklaring voor het Bijbelgedeelte van Genesis 1:1-2: In den beginne schiep God den hemel en de aarde. 2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; Ö

    Hierna een citaat uit het boek:

    The Earth then became a dark, hydrocarboniferous dump at the time of the earlier catastrophe or catastrophes. Part of the surface tar (bitumen) from that period may have been utilized by Noah and his sons for the pitching of the Ark (Genesis 14). Bitumen was also gathered several centuries after the Flood in the oil-rich Mesopatamian Valley. It was used at that later time to pitch the Tower of Babel so that it, too, like the Ark, would be impervious to water if another Flood might recur (Genesis 11:3). Similarly, bitumen was reported in the slime pits of Sodom and Gomorrah (Genesis 14:10) at a time which may have just preceded a rifting of the Earth's crust in that region. Thus, it is posited, some 10,000 or 20,000 years ago, our planet may well have been the scene of a dark, celestial, carboniferous dump. This might help explain why horizontal seams of coal, like subterranean pools of petroleum, contain virtually no Carbon-14 (along with limestones). Perhaps this is how our antediluvian canopy originated, with its abundances of water vapor and carbon dioxide, merely oxygenated hydrogen and carbon. Our planet may have become literally a dark dump or void, a contention suggested in Genesis 1:2.

    The Earth became without form and an empty waste (or void), and darkness was upon the face of the very great deep. (King James)

     

    Hoe ik de datering van de zondvloed in het jaar 2341/2340 v. Chr. bekomen heb is vrij eenvoudig uit te leggen. De chronologie van mijn boek TIJD en TIJDEN is opgebouwd binnen het raamwerk van de sabbat- en jubeljaren volgens de telling van William Whiston als fundament. Er waren dertig jubeljaren vanaf het optreden van de Heer Jezus Christus in oktober 27 AD te Nazareth volgens Lukas hoofdstuk 4, wanneer de Heiland het Ďaangename jaar des HERENí uitriep. Het eerste jubeljaar terug de tijd viel in okt.1395/sep.1394 v. Chr. Zeven maal zeven jaar eerder waren zij in 1443 v. Chr. het beloofde land Kanašn binnengetrokken en begon de eerste sabbatjaren-cyclus. Veertig jaar daarvoor waren de IsraŽlieten in 1483 v. Chr. uit Egypte opgetrokken. Volgens het Bijbelboek 1 Koningen 6:1 waren het vierhonderdtachtig jaar vanaf het exodusjaar tot het vierde regeringsjaar van Salomo wanneer deze aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem begon. Het vierde regeringsjaar van Salomo viel volgens de sabbat- en jubeljaar-telling in oktober 1004/september 1003 v. Chr. Zijn eerste regeringsjaar begon in oktober 1007 v. Chr. Daarvoor hebben we de veertigjarige regeerperiode van David: 1047/1007 v. Chr. en daarvoor regeerde Saul van 1087 tot 1047 v. Chr. over de twaalf stammen van IsraŽl. De koningen van IsraŽl en Juda heb ik tussen de jaartallen 1087 en 586 v. Chr. op de tijdsbalk herschikt met de historische sabbat- en jubeljaren als ijkpunten.

    Vanaf Pesach in het voorjaar van 1483 v. Chr. met de Exodus en negenenveertig dagen later Sjavoeot en het geven van de Tien Woorden aan Mozes zijn het vierhonderddertig jaar terug tot de roeping van Abram/Abraham (Galaten 3:17) in 1913 v. Chr. Het was in het stervensjaar van Thera dat Abram uit Haran naar Kanašn vertrok (Genesis 11:32 en 12:1-4). Vanaf Thera de vader van Abram/Abraham hanteren we de jaartallen van de geslachtslijn van Sem de zoon van Noach (Genesis 11:10-22) tot op Thera. Het resultaat is 2340 v. Chr. voor het einde van de Grote Vloed. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 13-21, wijs ik ook op de hogere jaartallen die de Griekse Septuagintvertaling hanteert ter berekening van het jaar van de zondvloed en leg uit waarom ik de Masoretische tekst van onze Bijbel verkies.

    Mijn keuze voor een jong jaartal voor de zondvloed werd bevestigd door de studie van Dr. Werner Papke aan: ďDie Sterne von Babylon, Die geheime Botschaft des Gilgamesch Ė nach 4000 Jahren entschlŁsseltĒ. Het werk dateert al van 1989 (ISBN 3 7857 0498 4). De auteur brengt een Duitse vertaling van het Gilgamesj-epos en berekend de astronomische datum van de Babylonische versie van de zondvloed. Tot mijn verrassing kwam in zijn studie telkens weer het jaar 2340 v. Chr. tevoorschijn, voor het gebeuren. Het is hetzelfde jaartal waar ik bij arriveerde in mijn studie: TIJD en TIJDEN. En dit op basis van de sabbat- en jubeljaartelling op de wijze van tellen volgens William Whiston en vervolgens via de juiste verbinding met het tijdstip van de roeping van Abraham, voorafgegaan met de Genesisgeslachtsregisters van de aartsvaders. Ik beschouw de verkregen astronomische datum van 2340 v. Chr. van Werner Papke voor het Gilgamesj-epos, als een kruispeiling dat mijn in de tijd terug navigeren via de sabbat- en jubeljaren, bevestigd. Verbazend bij het lezen van het werk van Dr. Werner Papke was ook de astronomische kennis van de ChaldeeŽrs. Zij waren blijkbaar Copernicus vierduizend jaar vooraf. Zij wisten bijvoorbeeld dat de planeten niet om de aarde, maar om de zon cirkelen en dat planeet aarde met haar maan op de vierde plaats na Saturnus komt. Het toont veel over de kennis van de nakomelingen van Noach in het derde millennium v. Chr. Dit alles is een kennis die later verloren ging en in het Westen slechts vijfhonderd geleden opnieuw verkregen werd.

    Het Bijbelboek Genesis leert een wereldwijde grote vloed dat het einde van de eerste beschaving sinds de Schepping betekende met een nieuw begin in 2340 v. Chr. De wereld die onderging was een beschaving zonder weerga gelijk aan het Atlantis uit de Griekse mythologie. Maar het was een beschaving geweest die haar eigen weg naar de ondergang ging. Honderdtwintig jaar voor de Grote Vloed was de maat vol en was de aarde en alles wat er op leefde gedoemd tot sterven. Wat de maat vol maakte was het vermengen van de zonen Gods met de dochters der mensen, met als resultaat: de Nefilim. Een Hebreeuws woord dat meestal vertaald wordt met reuzen of geweldenaars.

    Genesis 6:1 Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, 2 zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. 3 En de HERE zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. 4 De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam. 5 Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6 berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN.

     

     

    Een periode van Gods handelen met de mens werd in 2341/2340 v. Chr. definitief afgesloten. Ik vind het opmerkelijk dat er in het Bijbelboek Genesis staat geschreven dat de HEERE God de deur van de ark sloot en niet Noach:

    Genesis 7:16b Ö En de HEERE sloot achter hem toe..

    Het betekende het afsluiten van een Bijbelse bedeling. Slechts acht mensen: vier mannen en vier vrouwen overleefden de meganatuurcatastrofe van Godswege en begonnen daarna met een verbond van God en met de belofte dat Hij nooit meer de aarde zou verderven (Genesis 9:9-11) aan een nieuw leven met nieuwe verantwoordelijkheden. Het Ďkwaadí (Rom. 3:9-17) was echter mee de ark ingegaan en in de geslachtslijn van Cham zou er dra een nieuwe opstand opkomen. Het was de Bijbelse Nimrod die het verzet na de grote vloed leidde. Met de roeping van Abram/Abraham in 1913 v. Chr. werd ook de bedeling van na de vloed afgesloten en ving de periode van de belofte aan.

     

    Het belang van exacte chronologie blijkt iedere keer opnieuw wanneer men merkt dat wetenschappers zoals bijvoorbeeld Patten en zijn medewerkers vanuit hun bepaalde vakwetenschap in vertrouwen gebruik maken van de algemeen aanvaarde Bijbelse chronologie zoals de geleerde Edwin R. Thiele ze gefabriceerd heeft, en zodoende verbanden missen.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343



    23-05-2017 om 13:32 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gemummificeerde dino ontdekt: huid en ingewanden intact

    Job 40: 10 Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund. 11 Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks. 12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. 13 Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen. 14 Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht. 15 Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar. 16 Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks. 17 De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem. 18 Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken. 19 Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? (Statenvertaling)

     

    De NBG Vertaling uit 1951 heeft gemeend het Hebreeuwse woord BEHEMOTH te mogen vertalen met nijlpaard. De Statenvertaling echter heeft heel wijselijk de Hebreeuwse naam Behemoth behouden. Behemoth is een Oud-Hebreeuwse naam van een reusachtig dier dat beschreven wordt in het Bijbelboek Job. Volgens de beschrijving is het de koning der dieren. Sinds de zeventiende eeuw al is getracht de Behemoth te identificeren. Toen de Statenvertaling tot stand kwam bestond de naam Dinosaurus nog niet, die naam kwam pas in de negentiende eeuw in gebruik en betekent reuzenhagedis. De NBG-vertalers van de Bijbel in 1953 vertaalden tegen beter weten in met: nijlpaard. De beschrijving van de Behemoth in het Bijbelboek Job doet nochtans niet aan het nijlpaard denken. Het Nijlpaard heeft bijvoorbeeld ook vandaag geen staart als een ceder maar eerder een staartje.

    De Behemoth uit het Bijbelboek Job is een historisch dier dat zijn woonplaats ten tijde van Job aan de rivier de Jordaan had en was volgens de beschrijving in het Bijbelboek Job zondermeer een reuzenhagedis. Het monster dat Job beschrijft was een vegetarisch dier dat hooi at als een rund (Job 40:10). Zijn biotoop was (Job 40:16) de oever van de Jordaan waar hij een schuilplaats had in het riet en in het slijk onder schaduwachtige bomen.

    In een artikel op dit blog van 07.04.2016 gaf ik aandacht aan de chronologische plaatsing van Job op de tijdsbalk en dateerde hem in de zeventiende eeuw v. Chr. zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1459720800&stopdatum=1460325600

    De beschreven reuzenhagedis in het Bijbelboek Job dateert uit dezelfde periode. In de zeventiende eeuw voor Christus was de drastische klimaatwijziging die het gebied in de achtste eeuw v. Chr. (Jesaja 5:6) trof nog ver weg en al het land oostelijk en westelijk van de Jordaan was als de tuin van Eden.

     

    De dinosauriŽrs of reuzenhagedissen worden door de wetenschap vandaag op aarde geplaatst miljoenen jaren vooraleer de mens volgens de theorie zijn intrede deed. Volgens het Bijbelboek Job waren de behemoth (of reuzenhagedis) en de mens gelijktijdig op aarde. De dino ís waren gisteren opnieuw wetenschappelijk nieuws met de opmerkelijke ontdekking van een dino in 2011 die uitzonderlijk in goede staat als gemummificeerd met huid en al ontdekt werd. Men noemt het geen gewoon fossiel maar een "dinosaurusmummie". Het monster werd door een oliemijnwerker ontdekt en sinds dit jaar in het ĎRoyal Tyrrell Museum of Paleontologyí in Alberta, Canada tentoongesteld. Zie de link:

    http://www.demorgen.be/wetenschap/gemummificeerde-dino-ontdekt-huid-en-ingewanden-intact-bd751bc4/

    De beschreven dino in het artikel was een enorme planteneter op vier benen met een beschermend stekelig pantser. De dinosaurus zou naar schatting ongeveer 1.360 kilogram wegen. Vandaag is de nieuwgenoemde Ďnodosaurusí nog zo intact dat hij nog altijd 1.134 kilogram weegt.

     

    De vondst van een goed geconserveerde reuzenhagedis stelt ons in staat een beter beeld van de Bijbelse behemoth te krijgen en de dateringsmethode van de evolutietheorie in vraag te brengen.

    In het artikel van 07.04.2016 gaf ik niet alleen aandacht aan de chronologische plaatsing van Job op de tijdsbalk maar dateerde ook de meganatuurcatastrofe van kosmisch oorsprong die de aarde ten tijde van Job trof en in het Bijbelboek te vinden is. De cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong die planeet aarde van de vierentwintigste eeuw tot in de achtste eeuw voor Christus trof geeft een verklaring voor de ondergang van de reuzenhagedissen.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    17-05-2017 om 14:54 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!