Inhoud blog
  • Het tiende historische jubeljaar van oktober 954/september 953 v. Chr.
  • Was het Tetragrammaton in het oude Egypte in hiŽrogliefenschrift bekend?
  • Farao Ramses II en zijn tijd
  • Een vingerafdruk van koning Achaz van Juda uit de achtste eeuw v. Chr.?
  • De Egyptische tempel te Dendera
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    15-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het tiende historische jubeljaar van oktober 954/september 953 v. Chr.

    We vervolgen deze week onze reeks over de historische jubeljaren. Het laatste artikel op dit blog betreffende de historische jubeljaren dateert van 11.08.2017 met aandacht voor het negende historische jubeljaar van 1003/1002 v. Chr. ten tijde van de regeerperiode van Salomo. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1502056800&stopdatum=1502661600

     

     

    We zetten onze studiereis in de tijd langs de inmiddels vertrouwde tijdsbalken verder. De tijdsbalken zijn op millimeterpapier uitgewerkt met telkens veertien jaar per vel. De jaartallen bovenaan de tijdsbalk zijn op de westerse jaartelling gebaseerd met de geboorte van Jezus Christus, onderverdeeld in vier vakken van elk drie maanden van januari tot december. De sabbatjaren staan daaronder in een blauwe balk vermeld van april tot maart en de jubeljaren van oktober tot september. Het Jubeljaar zag zijn start in oktober van de negenenveertigste sabbatjaarcyclus en liep verder tot september van het volgende jaar waar inmiddels in april een nieuwe sabbatjaarcyclus van start was gegaan. Dit volgens de manier van tellen volgens William Whiston.

    Hierna een opsomming van de jubeljaren uit het werk van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V. Er zijn dertig jubeljaren vanaf 1395/1394 v. Chr. tot 27/28 AD, het jaar dat Jezus het ‘aangename jaar des HEREN’ uitriep en zich te Nazareth als Messias bekendmaakte.

    Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr. intocht Kanašn o.l.v. Jozua.

    Aantal en jaartallen v. Chr.:

    Historische periode:                                Historische jubeljaarverwijzing:

    v. Chr.:

    1.       1395/1394 Richter OthniŽl            geen

    2.      1346/1345          Richter Ehud               Ruth 6:6

    3.      1297/1296 Ehud & Samgar           geen

    4.      1248/1247 Debora en Gideon        geen

    5.      1199/1198  Richter Thola               geen

    6.      1150/1149  Richter Eli                   geen

    7.      1101/1100  Richter SamuŽl            geen

    8.      1052/1051 SamuŽl & Saul             geen

    9.      1003/1002 Salomo                        geen

    10.    954/953  Rehabeam                 geen

    11.     905/904   Josafat                          geen

    12.     856/855   Joas                              geen

    13.     807/806   Amazia                         geen

    14.     758/757    Uzzia                             geen

    15.     709/708   jaar 14 Hizkia               Jesaja 37:30

    16.     660/659   Manasse                       geen

    17.     611/610    Josia - Val Nineveh      Nahum 1:15

    18.     562/561    jaar 37 Jojachin           2 Koningen 25:27

    19.     513/512    Haggaï                          geen

    20.    464/463   Ezra                              geen

    21.     415/414     Nehemia                       geen

    22.    366/365    Perzische periode        geen

    23.    317/316     Griekse periode            geen

    24.    268/267    Griekse periode            geen

    25.    219/218     Griekse periode            geen

    26.    170/169     Griekse periode            geen

    27.    121/120     MakkabeeŽn                 geen

    28.     72/71        MakkabeeŽn                 geen

    29.    23/22       Hongersnood               Flavius Josephus

    30.    27/28 AD          Messias Jezus              Lucas 4:19

     

    In het vorige artikel over de jubeljaren hebben we gezien dat David in het najaar van 1007 v. Chr. stierf en dat zijn zoon Salomo bij Bathseba na heel wat verwikkelingen de troonopvolger werd. Deze geschiedenis wordt in het Bijbelboek 1 Koningen in de eerste twee hoofdstukken gebracht. Twaalf jaar jong (1 Koningen 3:7) nam Salomo de kroon van David over. In zijn vierde regeringsjaar zou Salomo zestien jaar zijnde aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem beginnen.

    Toen het negende historische jubeljaar in oktober 1003 v. Chr. aanving was men sinds het voorjaar van dat jaar aan de werkzaamheden met de bouw van de Tempel te Jeruzalem begonnen. Hoewel dit voor Salomo volgens de Bijbel jaren van geestelijke en materiele voorspoed waren tekenden zich al donkere wolken aan zijn geestelijk firmament af. Hij ging namelijk een verbond aan met de farao van Egypte door diens dochter tot vrouw te nemen. In vergelijking met de bouw van de Tempel zou Salomo daarna bijna de helft meer in tijd en energie aan zijn eigen bouwwerken besteden. Het toont iets van de geestelijke metamorfose die plaatsvond bij zijn groei van jongeling tot man. Met zijn zestien jaar was hij nog vol geestelijke ijver aan de Tempel begonnen die met zijn drieŽntwintigste jaar afgewerkt was. In de tussentijd had hij echter de dochter van farao van Egypte getrouwd en deze in de Stad David ’s ondergebracht. Het verbond met Egypte zou nefast uitdraaien en uiteindelijk IsraŽl zijn onafhankelijkheid kosten.

    Op de bijgevoegde schema ’s zijn via groene tijdsbalken de tijdgenoten van Salomo in Egypte ingevoegd. In het vorige artikel zagen we dat de farao met wie Salomo zich verzwagerde Thothmosis I van de Egyptische achttiende dynastie was. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 197-203, heb ik deze identificatie uitgewerkt. Bij de dood van Thothmosis I in 986 v. Chr. nam zijn dochter Hatsjepsoet na een co-regentschap van twee jaar met haar halfbroer Thothmosis III het bewind over Egypte over en werd zo de eerste vrouwelijke farao. Zij bezocht Salomo als de koningin van Scheba in haar negende regeringsjaar. Op de tijdsbalk zitten we in het dertigste regeringsjaar van Salomo in het jaar 977 v. Chr. en ik postuleer dat Salomo dat jaar volgens Egyptische traditie zijn dertigjarig bewind vierde. De koningin van Scheba heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 208-209 behandelt. Hierna een belangrijk citaat:

    “Het is de logica zelve dat Egypte als grootste buurland van IsraŽl op de roep van Salomo afkwam. De Joodse historicus Flavius Josephus uit de eerste eeuw van de christelijke tijdrekening, schreef dat het de koningin van Egypte en EthiopiŽ was die Salomo bezocht (Joodse Oudheden Boek. VIII,vi.5). Bijbelvorsers die de conventionele (chronologisch-foutieve) Egyptologie volgen zien het verband met Egypte niet en zoeken de Bijbelse koningin van Scheba elders op de kaart. De Egyptische dynastieŽn zoals ze door de orthodoxe Egyptologie op de tijdsbalk verankerd werden kenden geen vrouwelijke farao of koningin ten tijde van Salomo rond ca. 1000 v. Chr. Vandaar de reden om aan het Arabische schiereiland de voorkeur te geven als de plaats vanwaar de koningen van Scheba kwam. Zij zien een lange stoet met kamelen vanuit Jemen naar Jeruzalem trekken voor een tocht die ook vandaag met dezelfde transportmiddelen van toen heel moeilijk blijft. Deze theorie herleidt Salomo samen met het dateren van Salomo in het IJzertijdperk, in feite tot een bedoeïenenstamhoofd wat te betreuren is en geen recht aan de Bijbel doet. Het IsraŽl van David en Salomo was naast Egypte een grootmacht in de regio toen. Het is de orthodoxe Egyptologie en haar foute dateringsmethode dat maakt dat Salomo en zijn in de Bijbel beschreven bouwwerken in de verkeerde strata in IsraŽl geplaatst en aldus tot mythe verklaard worden. Deze strata of lagen worden namelijk gedateerd aan de hand van de orthodoxe Egyptologie. De tijd van Salomo wordt op het einde van IJzer I geplaatst dat orthodox gedateerd werd van 1200 tot 930 v. Chr. In deze strata of lagen is echter weinig terug te vinden dat getuigt van de vele bouwwerken van Salomo zoals de Bijbel deze uitvoerig beschrijft en daarom wordt het Rijk van Salomo door vele historici tot mythe verklaart. Het is pas wanneer men de orthodoxe Egyptologie en haar dateringsmethode volledig afwijst dat men een nieuwe tijdsdatering van Laat Brons en IJzer kan invoeren en dit op basis van de historische boeken van de Bijbel. Of hoe belangrijk het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid is.”

    Einde citaat.

     

     

    In het najaar van 967 v. Chr. stierf Salomo en werd opgevolgd door zijn zoon Rehabeam wiens moeder de Ammonietische Našma was. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 211-215. Het begin van de ongerechtigheid van IsraŽl nam in 983 v. Chr. een aanvang bij de huwelijksvoltrekking van Salomo met Našma. Tien van de twaalf stammen van IsraŽl zouden zich kort na de troonsbestijging van Rehabeam afscheuren. Zij volgden Jerobeam die op een woord des HEEREN van de profeet de leiding over tien stammen opnam.

    Ik werk momenteel aan de afronding van mijn nieuw boek: ‘Kronieken der koningen van IsraŽl’, dat in het najaar gepubliceerd zal worden. Jerobeam I krijgt hier als eerste koning van IsraŽl heel wat aandacht. Ik houd mijn lezers van de verschijningsdatum op de hoogte. Het boek brengt specifiek de chronologie van de koningen van het tienstammenrijk vanaf Jerobeam I tot Hosea en hun historische verankering op de tijdsbalk op basis van de sabbat- en jubeljaren. Vooral veel aandacht besteed ik aan de revisie van de koningen van AssyriŽ op de tijdsbalk in relatie tot de historische gegevens over de koningen van IsraŽl.

     

     

    Het is met het derde schema van deze aflevering dat we bij het tiende jubeljaar van oktober 954/september 953 v. Chr. arriveren. Op de tijdsbalk bevinden we ons in het dertiende regeringsjaar van Rehabeam. In de Bijbel vinden we geen verwijzing naar het houden van het sabbatjaar- en jubeljaargebod ten tijde van de regeerperiode van Rehabeam. Integendeel:

    1 Koningen 14:21 Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die de HEERE verkoren had uit al de stammen van IsraŽl, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Našma, de Ammonietische. 22 En Juda deed, wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij verwekten Hem tot ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden. 23 Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op allen hogen heuvel, en onder allen groenen boom. 24 Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelen der heidenen, die de HEERE van het aangezicht der kinderen IsraŽls uit de bezitting verdreven had. 25 Het geschiedde nu in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem. 26 En hij nam de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. (Statenvertaling)

     

    Onder het bewind van Rehabeam ging het er wat de afgoderij betreft nog erger aan toe dan tijdens de regeerperiode van Salomo. Meer dan al hun vaderen gedaan hadden, staat er in 1 Koningen 14:22.

    In het vijfde regeringsjaar van Rehabeam in 961 v. Chr. rukte farao Sisak alias Thothmosis III Juda binnen en plunderde de tempel te Jeruzalem.

    2 Kronieken 12:1 Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en gans IsraŽl met hem. 2 Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den HEERE), 3 Met duizend en tweehonderd wagenen, en met zestig duizend ruiteren; en des volks was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte, Libyers, Suchieten en Moren; 4 En hij nam de vaste steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe. 5 Toen kwam Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak. 6 Toen verootmoedigden zich de oversten van IsraŽl en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig. 7 Als nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in kort ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden. 8 Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en den dienst van de koninkrijken der landen. 9 Zo toog Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis des HEEREN en de schatten van het huis des konings weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. (Statenvertaling)

     

    In het tienstammenrijk onder leiding van hun eerste koning Jerobeam I zou er geen enkele verwijzing meer voorkomen naar het houden van sabbatjaar- en/of jubeljaren. Jerobeam voerde in het gebied van IsraŽl een tegen-godsdienst in ter voorkoming dat mensen uit zijn rijk naar de jaarlijkse feesten des HEEREN in Jeruzalem zouden optrekken (1 Koningen 12:26:33).

    Het tiende jubeljaar van 954/953 v. Chr. was een historisch jubeljaar op basis van de dertig jubeljaren die er waren vanaf het openbaar worden van Jezus van Nazareth als de Messias in de synagoge van zijn thuisstad zoals door de evangelist Lucas (4:19) gebracht, en vervolgens terug de tijd in vanaf oktober 27/september 28 AD tot het eerste jubeljaar van oktober 1395/september 1394 v. Chr. Het historisch verifieerbare vijftiende jubeljaar van 709/708 v. Chr. met het veertiende regeringsjaar van Hizkia (Jesaja 37:30) en het achttiende jubeljaar van 562/561 v. Chr. (2 Koningen 25-27) met de vrijlating van Jojachin in dien zevenendertigste ballingsjaar, zijn de navigatiepunten op de tijdsbalk, die onze reis in de tijd terug als correct bevestigen. Twee tot drie navigatiepunten en een kruispeiling zijn ook vereist en voldoende ter navigatie waar dan ook.

     

    Op het bijgevoegde schema heb ik een verticale lijn getrokken van het vijfentwintigste regeringsjaar van Thothmosis III naar het vijfde regeringsjaar van Rehabeam. Voor Thothmosis III was dit zijn derde veldtocht naar Klein-AziŽ sinds de dood van Hatsjepsoet zijn halfzuster en rivale voor de troon van Egypte. In mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid is 961 v. Chr. een ankerjaar op tijdsbalk, een navigatiepunt waar we de koningen van Egypte mee in lijn met die van IsraŽl brengen. Dat het negende jaar van Hatsjepsoet bijvoorbeeld met haar reis naar het land Poent/IsraŽl gelijk viel met het dertigste regeringsjaar van Salomo is het resultaat van het verankeren van Thothmosis III met Rehabeam. Zo ook worden de vorige farao’s Thothmosis I en Ahmose aan de chronologie van IsraŽl gelinkt. Farao Ahmose had samen met Saul van IsraŽl de Hyksos of Amalekieten in Klein-AziŽ verslagen. Zie een eerdere studie op dit blog over de Bijbelse farao Sisak van 20.03.2017, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489964400&stopdatum=1490569200 en scrol naar beneden.

    De plaatsing van het Egyptische Nieuwe Rijk op de tijdsbalk heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 197-203, uitgewerkt. De verschillende historische bronnen wat de faraolijst en hun regeertijd betreft worden in dit hoofdstuk naast elkaar gezet en op basis van Bijbelse navigatiepunten op de tijdsbalk in lijn met de koningen van IsraŽl gebracht.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    15-09-2017 om 08:46 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    08-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Was het Tetragrammaton in het oude Egypte in hiŽrogliefenschrift bekend?

    Het was het herlezen van het boek: “The Splendour that was Egypt, A general survey of Egyptian culture and civilization, 1949, by Margaret A. Murray, dat me op de piste voor een nieuw artikel op dit blog zette. De vraag is namelijk of het Hebreeuwse Tetragrammaton in het oude Egypte bekend was? Volgens sommige egyptologen wel, wat ik echter meen te kunnen weerleggen. De Egyptologe Margaret A. Murray (1863/1963) laat de naam van God al in de tweede helft van het vierde millennium v. Chr. (orthodoxe chronologie) in Egypte bekend worden.

    De naam van de HEERE God, het Tetragrammaton dat niemand vandaag door het ontbreken van de juiste klinkers nog correct kan uitspreken, werd door Mozes voor de eerste maal in de geschiedenis van Egypte aan het hof van farao uitgesproken. We schrijven dan 1484 v. Chr. ťťn jaar voor de Exodus, wanneer Mozes en Aaron voor farao stonden met de opdracht van God: Laat Mijn volk trekken. Of de wereldbekende Engelse woorden uit de KJB: Let My People go.

    Exodus 3:13 Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen IsraŽls, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen? 14 En God zeide tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen IsraŽls zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden! 15 Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen IsraŽls zeggen: De HEERE (Tetragrammaton: JHWH), de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht. (Statenvertaling)

     

    De exacte uitspraak weten we dan niet meer met absolute zekerheid, de betekenis is bewaard gebleven: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL.

    Het Bijbelboek Exodus maakt ook duidelijk dat deze naam voor farao een nieuwe naam was van een God die hij voordien niet kende.

    Exodus 5:1 En daarna gingen Mozes en Ašron heen, en zeiden tot Farao: Alzo zegt de HEERE, de God van IsraŽl: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn! 2 Maar Farao zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om IsraŽl te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook IsraŽl niet laten trekken. 3 Zij dan zeiden: De God der HebreŽn is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, den weg van drie dagen in de woestijn, en den HEERE, onzen God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard. (Statenvertaling)

     

     

    Rechts: hiŽrogliefen-afbeelding van een buitenlandse berg-god uitgebeeld met het teken van drie heuvels gevolgd door de afbeelding van een god. Daarnaast links, de tijdens de zesentwintigste dynastie toegevoegde hiŽrogliefen. Deze zouden bij transliteratie de letters JHW hebben weergegeven.

     

    De Egyptologe Margaret A. Murray werd geboren in 1863 in Calcutta als kind van een uit Engeland afkomstig gezin en kwam in 1894 naar het UCL voor het bestuderen van hiŽrogliefen. Murray leidde ook een van het eerste mummieonderzoeken in 1906 en deed belangrijke archeologische ontdekkingen in Egypte en SyriŽ. Een aantal van honderdvijftig publicaties waren uiteindelijk het resultaat van al haar onderzoeken. Een van haar boeken ‘The Splendour that was Egypt, A general survey of Egyptian culture and civilization’, kon ik bij toeval op 17 maart 2001 in een antiquariaat in Canterbury op de kop tikken. Dat ik zo nauwkeurig de dag, de maand en het jaar kan vermelden volgt voort vanuit mijn gewoonte in elk van mijn verkregen boeken mijn naam met plaats en datum van aankoop te vermelden. Het boek blijft naar mijn mening een aanrader als inleiding tot de studie van de Egyptologie. Het is in het eerste hoofdstuk dat Murray de voorgeschiedenis van Egypte brengt met vooral aandacht voor de Gerza-tijd die vooraf ging aan de eerste dynastie met als eerste farao: Menes.

     

     

    Een afbeelding uit de zogenaamde Gerza-tijd daterend van de ‘Pre-dynastische periode’ voor Egypte. Het stelt buitenlandse schepen voor die Egypte aandoen. Het zijn enorme roeiboten met aan de achtersteven grote roeren bevestigd. In het midden hebben de schepen twee cabines met een grote mast met embleem in de top bevestigd aan een van de cabines. De bergen in de vorm van een punt staan volgens het hiŽrogliefenschrift voor vreemde landen. Ook het embleem op de mast met drie tot vijf bergen afgebeeld staat voor de berg-god die zijn oorsprong in het land van herkomst had.

     

    Op de getoonde afbeelding daterend uit de Gerza-tijd meent de Egyptologe Margaret A. Murray het hiŽroglief van de berg-god te herkennen. Een hiŽroglief dat ten tijde van de zesentwintigste dynastie na transliteratie als J-H-W gelezen kon worden. Ook hier ontbreken de klinkers echter en blijft de correcte uitspraak een vraagteken. Bovendien zijn het slechts drie letters en geen vier zoals in het Hebreeuwse Tetragrammaton. De farao ’s van de zesentwintigste dynastie dateren we van 675 tot 525 v. Chr. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de zesentwintigste dynastie van Manetho, blz. 375-384. Een bekende farao van deze dynastie was Necho II die in de Bijbel bij naam vermeld staat. Het is deze farao die in de slag bij Megiddo in 609 v. Chr. koning Josia van Juda doodde en op het slagveld hierbij een woord van de God van IsraŽl aan Josia meedeelde.

    2 Kronieken 35:20 Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den (Eu)Frath; en Josia toog uit hem tegemoet. 21 Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve. 22 Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo. (Statenvertaling)

     

    %

     

    Deel van een granieten deurstijl van Ramses II: waarschijnlijk een afbeelding van koning Josia van Juda, sneuvelend te Megiddo. Zie het artikel op dit blog van 01.09.2017: Farao Ramses II en zijn tijd.

     

    Ondanks de betoonde genade op genade liet Josia het leven op het slagveld te Megiddo. Volgens de Joodse overlevering was Josia namelijk door de profeet Jeremia gewaarschuwd om niet tegen Necho te strijden maar farao met zijn leger naar de Eufraat te laten oprukken. Een eigenzinnige Josia trok niettemin met zijn leger richting Megiddo om te strijden tegen farao Necho, en werd op het slagveld een tweede maal door de God van IsraŽl ditmaal door monde van Necho zelf, gewaarschuwd de strijd alsnog af te breken en huiswaarts te keren. Het resultaat kennen we vanuit de Bijbelse geschiedschrijving:

    2 Kronieken 35:23 En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond. 24 En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. 25 En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in IsraŽl; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen. 26 Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN; 27 Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van IsraŽl en van Juda. (Statenvertaling)

     

    In verband met ons onderwerp over het wel of niet gekende Hebreeuwse Tetragrammaton in het oude Egypte is het belangrijk op te merken dat farao Necho op het slagveld te Megiddo niet de Naam van God het Tetragrammaton in de mond neemt, maar het Hebreeuwse ‘El’ wat naar het Nederlands vertaald wordt met het Germaanse ‘God’.

     

    De Egyptologe Margaret A. Murray vermoedde dat de plaats van afkomst van de schepen die Egypte aandeden met de berg-god in het vaandel, Kreta was. Maar dit is gissen. De Gerza-tijd die aan de eerste Egyptische dynastie voorafging wordt door de orthodoxe egyptologie rond 3500 v. Chr. gedateerd en de eerste farao daaropvolgend rond 3150 v. Chr. In het licht van de chronologie die het Bijbelboek Genesis levert valt de Gerza-tijd na de spraakverwarring en de verspreiding van de volken vanuit de vlakte van Sinear over de oude wereld. De nakomelingen van de Cham, een van de zonen van Noach, trokken daarop naar Egypte en andere landen. In een artikel op dit blog van 04.07.2016 bracht ik deze geschiedenis: chronologie van Nimrod tot Abram/Abraham, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1467583200&stopdatum=1468188000

    De moderne wetenschap Egyptologie negeert het Bijbelboek Genesis met zijn oorsprongsgeschiedenis en brengt een pre-dynastieke geschiedenis van Egypte op basis van de evolutietheorie. De tijd die aan de eerste farao’s voorafging wordt over verschillende tijdperken uitgesmeerd en de aanvang bij gebrek aan schriftelijke bronnen in een ver niet meer verifieerbaar verleden geplaatst. Het Paleo-lithicum-tijdperk plaatst men bijvoorbeeld rond 500.000 à 300.000 tot 10.000 v.Chr. op de tijdsbalk. Deze constructie is volledig op de evolutie-gedachte gebaseerd, en blijft een theorie. Of zoals wijlen Huib Verweij (De boom der kennis, 1973, blz. 18) het ooit opmerkte: de evolutietheorie is uitgevonden om te bewijzen wat nog bewezen moet worden. Men kan nochtans via het Bijbelboek Genesis een exacte (jonge) geschiedenis van de oudheid brengen.

    Te Naqada in Egypte werd een site door archeologen blootgelegd met een nederzetting die voor de Archaïsche tijd gedateerd werd, de zogenaamde Naqada-cultuur, verwijzend naar de mensen die tijdens de Kopertijd van circa 4400 tot 3150 v. Chr. het land daar bewerkten. De Naqada-cultuur werd onderverdeeld in drie fases van bewoning. De oudste veronderstelde fase is die van ‘Naqada I’ die bestond uit een lokale dorpscultuur. Maar ook voor de Naqada-cultuur laat men Egypte al bevolkt worden. Vanaf circa 10.000 tot 5000 v. Chr. rangschikken deskundigen het tijdperk van het Epipa-leolithicum op de tijdsbalk. Tijdens deze periode laat men volgens de theorie, bevolkingsgroepen vanuit Zuidwest-AziŽ (!), de Sahara en de Boven-Nijl Egypte binnenkomen.

    Vanuit het Genesismodel gezien zijn dit de eerste kolonisten van de grote trek die in het jaar 2239 v. Chr. vanuit het Tweestromenland op gang kwam. De feiten op het terrein kloppen met elkaar, met uitzondering van de orthodoxe dateringsmethode.

    De Gerza-tijdperk-schepen die Egypte aandeden zie ik vanuit het oosten en/of het zuidwesten het gebied van Egypte aandoen en niet vanuit Kreta waar Murray de oorsprong van de schepen zag. De berg-god die de zeevaarders als embleem in hun masten toonden is nu een van de vele goden uit het pantheon van Nimrod, de kleinzoon van Cham.

     

    Een andere egyptoloog die meent dat de naam van God in het oude Egypte bekend was, is Donald B. Redford (1934-). In zijn boek Egypt, Canaan, and Israel in Ancient Times, 1992, geeft de auteur minstens vijftien verwijzingen naar de naam Yahweh, samen met de toegevoegde klinkers die sommige Anglo-Amerikanen menen te kunnen aanbrengen. De naam wordt ook beginnend met een Ypsilon geschreven in plaats met de letter J of Jod maar dat heeft met de Engelse uitspraak te maken.

    De egyptoloog Donald B. Redford beschouwt de Bijbel als een verzameling van verhalen en legenden zonder historische waarde en in wezen gelijk aan de vele mythologieŽn. De aartsvader Jozef bijvoorbeeld ziet hij als een fictief persoon die geen enkele historische waarde heeft. Hij gaat er van uit dat de Hyksos-periode in Egypte de oorzaak van het ontstaan van mythes in Kanašn werd wat leidde tot het verhaal rond Mozes. De auteur van het Bijbelboek Exodus had volgens Redford geen kennis van het oude Egypte van voor de zevende eeuw v. Chr.

    Wanneer Redford in zijn boek ‘Egypt, Canaan, and Israel in Ancient Times’ over het historische IsraŽl schrijft doet hij dat aan de hand van de enkele schaarse bewaard gebleven berichten uit het oude Egypte. Een voorbeeld is de Merneptah-stele waarop naar het volk IsraŽl verwezen wordt. Er bestond volgens Redford pas een IsraŽlitische entiteit in Kanašn aan het einde van de dertiende eeuw v. Chr. Meer wil hij echter niet invullen. De oorsprongsgeschiedenis van IsraŽl zoals gebracht in de Bijbelboeken Genesis en Exodus wijst hij af. Wat de dateringsmethode van de Egyptische dynastieŽn op de tijdsbalk betreft volgt Redford de sinds meer dan honderd jaar geldende Sothis-kalender die de Egyptoloog Eduard Meyer aan het begin van de twintigste eeuw lanceerde. Farao Merneptah zit aldus foutief in 1212/1202 v. Chr. op de tijdsbalk. Over de gereviseerde plaats van Merneptah op de tijdsbalk schreef ik eerder op dit blog op 02.08.2016 een artikel: een verwijzing naar IsraŽl op de Merneptah-stele, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1470002400&stopdatum=1470607200

    In lijn met de orthodoxe egyptologie laat Redford de Tempel te Jeruzalem in het volgens de Bijbel vijfde regeringsjaar van Rehabeam door farao Sjosjenq I van de Libische tweeŽntwintigste dynastie plunderen. Hier meent hij (Chapter 12) dat de Bijbel voor de eerste maal pas een verifieerbare link met Egypte maakt? In zijn hoofdstuk 12 verwijst Redford zelfs naar ‘het Huis van Yahweh’ te Jeruzalem. Het is hier dat de wetenschapper Professor Donald Bruce Redford B.A., M.A. and Ph.D zich naar mijn mening laat meeslepen door de algemeen door de orthodoxie aanvaarde maar fout bevonden schikking van de Libische dynastie op de tijdsbalk. Geen enkele Egyptisch-Libische oudheidbron verwijst namelijk ten tijde van Sjosjenq naar het Huis van Yahweh te Jeruzalem. Niettemin verbindt Redford het ‘Huis van Yahweh’ met Sjosjenq I.

    Het is de verdienste van de revisionist van de geschiedenis van de oudheid de egyptoloog David M. Rohl de plaatsing van de Libische dynastie in de tiende eeuw v. Chr. weerlegd te hebben. In zijn boek A TEST OF TIME, The Bible – From Myth to History, 1995, Chapter Five, toont Rohl op wetenschappelijke wijze aan dat farao Sjosjenq I nooit in Jeruzalem geweest is en dat zijn veldtocht naar Klein-AziŽ noordelijk van Judea plaatsvond. Rohl haalt hier op grandioze wijze een van de pilaren van de orthodoxe egyptologie neer.

    Redford echter blijft trouw aan de dateringsmethode van de egyptologie waarmee de dynastieŽn van Manetho op de tijdsbalk gerangschikt werden. Als een gevolg daarvan ziet hij de Amarna-tijd in de veertiende eeuw v. Chr. met de vermelding van Jeruzalem in de kleitabletten-briefwisseling van een veronderstelde Kanašnietische koning Abdi Hiba met residentie in Jeruzalem met de farao ’s Amonhotep III en IV van de achttiende dynastie Chapter 10). De algemene briefwisseling beschrijft volgens de orthodoxie de toestand in Kanašn voor de intocht van de IsraŽlieten. De orthodoxie ziet in de vermelde Habiroe in de Amarna-correspondentie een verwijzing naar de HebreeŽn van Jozua.

    De draad met het Tetragrammaton en het Egyptische hiŽroglief Y-H-W neemt Redford op wanneer hij de Sjasoe in Kanašn beschrijft. Hij vereenzelvigd zonder bewijs de Egyptische naam Y-H-W met het Tetragrammaton als stammend uit Edom en de Sjasoe.

    For half a century it has been generally admitted that we have here the tetragrammaton, the name of the Israelite god, “Yahweh”, and if this be the case, as it undoubtedly is, the passage constitutes a most precious indication of the whereabouts during the late fifteenth century BC of an enclave revering this god. And while it would be wrong to jump to the conclusion that “Israel” as known from the period of the Judges or the early monarchy was already in existence in Edom at this time, one cannot help but recall the numerous passages in later Biblical tradition that depict Yahweh “coming forth from Seir” and originating in Edom. The only reasonable conclusion is that one major component in the later amalgam that constituted Israel, and the one with whom the worship of Yahweh originated , must be looked for among the Shasu of Edom already at the end of the fifteenth century BC.

     

    Op basis dat al gedurende een halve eeuw het toegegeven wordt dat het Egyptische Y-H-W het Hebreeuwse Tetragrammaton voorstelt moet volgens Redford de conclusie zijn dat het Tetragrammaton met Edom verbonden kan worden? Ter ondersteuning van zijn postulaat dat het Tetragrammaton uit Edom stamt, haalt hij zonder bronverwijzing veronderstelde zogenaamde talrijke passages uit de Bijbel en de overleveringen aan waar vermeldt wordt dat de HEERE God uit Seïr optrekt. Ik ben vanuit mijn studie vertrouwd met deze Bijbelgedeelten zoals dit van de profeet Habakuk. Dit zijn Bijbelgedeelten die hun vervulling ten tijde van de Exodus kenden en ook nog een eindvervulling zullen zien bij de alsnog toekomstige Apocalyps. In die beschreven zogenaamde Apocalyptische tijd zal overigens ook Edom opnieuw zijn rol spelen.

    Het laatste hoofdstuk van de profeet Zacharia sluit af met een apocalyptisch gedeelte. Daarin wordt geprofeteerd over een wereldoorlog, over een oprukken van alle natiŽn tegen het herstelde Jeruzalem (14:2). Op het hoogtepunt van de beschreven eindstrijd grijpt de HEERE God in (14:3-4) en ziet de profeet Zacharia Hem staan op de Olijfberg die als een gevolg splijten zal, waarna een apocalyptisch beeld zonder weerga geschetst wordt. Het is de gevreesde en lang verwachte Dag des HEEREN die beschreven wordt (14:5-8). En dan vervolgd de profeet met een bijzondere voorspelling wat betreft de Naam van God:

    Zacharia 14:9 En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE een zijn, en Zijn Naam een. (Statenvertaling)

    Jesaja 42:8 Ik ben de HEERE (JHWH), dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden. (Statenvertaling)

     

    IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL, de betekenis van het Tetragrammaton, zal dan voor ieder duidelijk zijn. Het jaar 70 AD met de vernietiging van de Tempel door de Romeinen en de wegvoering van de Joodse bevolking in ballingschap betekende niet het definitieve einde van IsraŽl maar zal volgens het Profetische woord van de Bijbel een vervolg kennen.

     

    De conclusie van de egyptoloog Donald B. Redford dat de enige redelijke verklaring voor de vraag waar het Tetragrammaton ontstond de Sjasoe in Edom was, is niet aangetoond. Hij maakt zich zelfs hierbij naar mijn mening, schuldig aan een cirkelredenering die in wezen niets bewijst. Alleen het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid geeft uitkomst. De achttiende en negentiende dynastie horen op de tijdsbalk niet thuis in de veertiende en dertiende eeuw v. Chr. waar de orthodoxie ze plaatste maar komen volgens de revisie op de tijdsbalk zo een zeshonderd jaar dichterbij. Wie de Sjasoe in werkelijkheid waren wordt pas in de zevende eeuw v. Chr. volledig duidelijk. Zie het artikel op dit blog van 11.08.2016: Farao Seti I van de Egyptische negentiende dynastie, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1470607200&stopdatum=1471212000

     

    Mijn conclusie is dat het Egyptische hiŽroglief van de berg-god niets anders is dan de voorstelling van een vreemde berg-god. De oorsprong was het land van Nimrod: Sinear, van waaruit Egypte aangedaan werd, en dit lang voor er sprake van Edomieten en/of Sjasoe was. Ik merk ook op dat Redford nergens naar de Egyptologe Margaret A. Murray en haar studie: “The Splendour that was Egypt, A general survey of Egyptian culture and civilization, 1949, verwijst. Murray maakt nochtans duidelijk dat de berg-god Y-H-W al tijdens de Gerza-periode zijn intrede in Egypte deed en diens oorsprong dus niet in Edom ligt.

     

    Let op: het is een onderdeel van het werk van de egyptoloog Donald B. Redford dat ik afwijs en niet zijn gehele studie. In mijn boek ‘De Zonaanbidder’ uit 2016 verwijs ik in mijn bibliografie naar het werk van Redford met vooral aandacht voor zijn studie ‘Akhenaten-The Heretic King, 1987. In dit boek toont Redford zich een genie die egyptologie en archeologie meesterlijk verbindt en hiermee een nooit eerder getoond profiel van Achnaton weergeeft. Wat ik afwijs is de orthodoxe dateringsmethode waarmee zij de Egyptische dynastieŽn op de tijdsbalk geplaatst hebben.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    08-09-2017 om 10:07 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Farao Ramses II en zijn tijd

    Mijn aflevering van deze week draagt de titel van een boek van wijlen Dr. Immanuel Velikovsky (1895/1979). Een boek dat bij de publicatie in 1978 niet alleen van de orthodoxe egyptologie heel wat tegenwind kreeg maar ook van revisionisten van de geschiedenis van de oudheid. Op basis van oudheidgeschriften, inscripties en monumenten kwam Velikovsky tot de conclusie dat de Egyptische chronologie zoals die door de orthodoxe egyptologie uitgedokterd was, niet correct was, maar dat er op de tijdsbalk verschillen zijn die oplopen tot zeshonderd jaar wanneer men zijn revisie hanteert. Volgens Velikovsky is Ramses II dezelfde farao als Necho II en was de BabyloniŽr Nebukadnezar een tijdgenoot en zijn antagonist. Het Hettietische koninkrijk zou volgens Velikovsky hetzelfde rijk zijn geweest als het Chaldeeuwse rijk van Nebukadnezar?

     

     

    Zijn eerder gepubliceerde boeken ďWerelden in botsingĒ (1951) en ďAarde in beroeringĒ (1952) waarin Velikovsky zijn catastrofistische theorieŽn uiteenzette werden bij de publicatie door de academische wereld verworpen. De catastrofetheorie leert dat bepaalde tijdperken in de geschiedenis van de aarde abrupt werden afgesloten door rampen van kosmische oorsprong, zoals het langs de aarde scheren van een komeet, die zich vervolgens in een permanente baan om de zon heeft gevestigd en nu bekend is als de planeet Venus. Deze rampen zouden in het collectieve geheugen van de mensheid zijn gegrift en de bron vormen van diverse mythen over de hele wereld.

    Verder deed Velikovsky beweringen over eigenschappen van de planeten Venus en Jupiter. Zo was hij van mening dat de planeet Jupiter radiosignalen uit zou moeten zenden. Dit werd 1954 toevallig bevestigd door Bernard Burke en Kenneth Franklin van het Carnegie Instituut in Washington D.C., afdeling radioastronomie en aardmagnetisme. Op 6 april 1955, tijdens een bijeenkomst van de American Astronomical Society, meldden ze hun bevindingen. Ook beweerde hij dat de oppervlaktetemperatuur van Venus zeer hoog zou liggen, in de orde van honderden graden Celsius boven nul. Dit stond haaks op de toen algemeen geaccepteerde inzichten over Venus. In 1962 passeerde de ruimtesonde Mariner 2 de planeet Venus en stelde vast dat de oppervlaktetemperatuur ongeveer 400 graden Celsius bedraagt. Tevens nam de sonde waar dat Venus een retrograde, tegengestelde, draairichting heeft ten opzichte van de andere planeten, behalve Uranus, in ons zonnestelsel.

    Hierna volgt een korte samenvatting van Velikovskyí s kosmologische bevindingen in relatie tot de geschiedenis van het oude Egypte en IsraŽl. Rond 1500 voor Christus was de planeet Venus nog een komeet, die ontstaan was uit Jupiter, en rond deze tijd de baan van de aarde verstoorde. Beide hemellichamen geraakten in elkaars invloedssfeer en de aarde werd in zijn omloop om de zon gestoord, met als een gevolg te lange en te korte dagen en nachten wat door oudheidastronomen ook waargenomen werd. Een ander resultaat waren aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en het vormen van nieuwe gebergten als gevolg van een bewegende aardkorst. Uit de staart van de komeet viel een rode stof, soms vermengd met vloeistof, meteorieten en koolwaterstoffen op aarde neer. Met de interactie tussen Venus en planeet Aarde nam men elektrische ontladingen waar tussen de kop en de staart van de komeet. Op aarde gaf deze waarneming aanleiding tot het ontstaan van heel wat mythologische verhalen. De plaats van de polen op aarde veranderde. De door de grote hitte verdampte hoeveelheid water viel als sneeuw neer op plaatsen, waar vroeger geen koud klimaat heerste, met resultaat ingevroren mammoets in SiberiŽ. Dit ganse kosmologische scenario gebeurde tegelijk met de Exodus van de IsraŽlieten uit Egypte in 1483 v. Chr. en verklaart de Bijbelse plagen en het uiteengaan van de Rode Zee. Daarna vond nog een cyclus van bijna-botsingen plaats alvorens de planeten van ons zonnestelsel tot rust kwamen en hun huidige baan om de zon innamen.

     

     

    Velikovsky herschikte de Egyptische dynastieŽn op de tijdsbalk met ditmaal de historische Bijbelboeken als leidraad. Het Egyptische Oude en het Midden-rijk waren volgens hem contemporain en gingen als een gevolg van de tien plagen en de Exodus ten onder. Nog hetzelfde jaar werd Egypte door de Hyksos overrompeld. Velikovsky identificeerde de Hyksos of Amoe uit Egyptische bron met de Bijbelse Amalekieten en voegt de periode van de Hyksos als tussenperiode in de Egyptische geschiedenis in, van de vijftiende tot de tiende eeuw v. Chr. Zo verhuist het Nieuwe Rijk met het begin van de achttiende Egyptische dynastie op de tijdsbalk naar de periode van de koningen van IsraŽl: Saul, David en Salomo rond 1000 v. Chr. De revisie door Velikovsky van de geschiedenis van de Oudheid werd zoals eerder opgemerkt door de academische wereld verworpen. Tot enkele decennia terug wekte de naam Velikovsky in het wetenschappelijke establishment afkeer op. Tegenwoordig vind men de boeken van Velikovsky alleen nog in gespecialiseerde antiquariaten en dikwijls worden ze geklasseerd onder het vak: esoterie, wat spijtig is. Men kan namelijk op onderdelen van Velikovsky ís baanbrekend werk van mening verschillen en/of afwijzen, maar niet heel zijn werk. Wat mij persoonlijk betreft in mijn studie van de chronologie van de oudheid, passen de bevindingen van Velikovsky sluitend in mijn chronologische reconstructie met de Bijbel als leidraad. In mijn boek ĎTIJD en TIJDEN, 2016í volg ik de grote lijnen van Velikovsky ís reconstructie met hier en daar enkele afwijkingen waar ik meen een verbetering te kunnen aanbrengen. Een voorbeeld is de bekende Amarna-tijd in Egypte dat ik op de tijdsbalk in de achtste eeuw v. Chr. onderbracht met de koningen Pekah en Hosea van het tienstammenrijk als correspondenten met farao Achnaton.

    Wat het boek Ramses II en zijn tijd betreft wijk ik van Velikovsky af in die zin dat ik Ramses II van de negentiende dynastie niet zoals Velikovsky als een alter ego van farao Necho II van de zesentwintigste dynastie zie maar als contemporain met elkaar. Ramses II is in mijn reconstructie ondergeschikt aan Necho II. Zo zijn ook Nebukadnezar en Hattoesilis tijdgenoten van elkaar en niet ťťn en dezelfde persoon. Het was het boek van C. Verburg, Farao nagerekend, 1977, hoofdstuk II, 43-45, dat me op deze denkpiste zette.

     

    Ramses II ook wel Ramses de Grote genoemd, nam als onderdeel van het leger van Necho met zijn legereenheid deel aan de slag bij Karkemis in 605 v. Chr. Velikovsky (Ramses II en zijn tijd, hoofdstuk 1) toonde in zijn werk aan dat de slag tussen Ramses II en de Hettieten wel degelijk bij Karkemis aan de rivier de Eufraat werd uitgevochten en niet aan de rivier de Orontes. Zijn bewijslast voor de herkenning van het Egyptische ĎKadesjí dat Ďheiligeí betekent, met Karkemis is overtuigend. Karkemis betekent Ďde stadí (Kar) van Kemis of ĎKemosjí. Als naar een god genoemde of aan een god gewijde stad was het een heilige plaats: Kadesj. Op Assyrische muurreliŽfs van Salmaneser met afbeeldingen van de stad Karkemis herkennen we dezelfde stad zoals afgebeeld op Egyptische muurreliŽfs. Dr. ImmanuŽl Velikovsky put zijn gegevens uit een grondig onderzoek van oudheidteksten en oude topografische kaarten en plannen van veldslagen en van stratigrafische methoden van de archeologie. Zo een voorbeeld is de tombe en de sarcofaag van koning Ahiram te Byblos in FeniciŽ, of Jebeil in het moderne Libanon.

     

     

    De tombe werd in de vorige eeuw in 1921 door archeologen blootgelegd en onderzocht. De sarcofaag behoorde aan een Fenicische koning Ahiram of Hiram. Het is een naam die meerdere Fenicische koningen over de eeuwen heen hadden. De afbeelding hierboven toont koning Ahiram op een troon met gevleugelde sfinxen en hovelingen tegenover hem. De andere zijde toont een processie van personen die offeranden dragen. De uiteinden van de sarcofaag tonen vier rouwklagende vrouwen. Aan de ingang van de tombe vond men een vervloekingstekst in Hebreeuwse/Fenicische letters. Dicht bij de ingang werden verscheidene fragmenten van een albasten vaas gevonden met de naam van Ramses II er op vermeld. Daarnaast vond men in de tombe Cypriotisch aardewerk dat door deskundigen als een product uit de zevende eeuw v. Chr. gedateerd werd. Dit was overigens de start van een jarenlange discussie over hoe dit aardewerk in de tombe van koning Hiram verzeild was geraakt, een koning die men aan de hand van de cartouches van Ramses II in de dertiende eeuw v. Chr. gedateerd had. Voor Velikovsky is de conclusie duidelijk: Het Cypriotische aardewerk is contemporain met de tombe en farao Ramses II hoort aan het einde van de zevende eeuw, begin zesde eeuw v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst. Zo ook het Hebreeuwse/Fenicische schrift aan de ingang en op de sarcofaag, dat ook in de zevende eeuw v. Chr. thuishoort. Velikovsky citeert in zijn boek een IsraŽlische geleerde M. Haran, die in 1958 een artikel schreef over de afbeelding van de vier klaagvrouwen op de sarcofaag. Twee van de vier vrouwen slaan zich op de heupen, terwijl de andere twee het hoofd in de handen houden. De IsraŽlische historicus haalde verscheidene voorbeelden aan van het slaan met de handen in het Oude Testament als uiting van diepe smart, met name in het Bijbelboek Jeremia 31:19 en EzechiŽl 21:12. De andere vrouwen zetten de handen op hun hoofd Ė eveneens een bekend verschijnsel bij klagen, bij rouw en bij pijn. De profeten Jeremia en EzechiŽl waren tijdgenoten van Nebukadnezar in de zesde eeuw v. Chr. en zo was Ramses II eveneens contemporain met hen.

    Op het hierna volgende citaat van Velikovsky zeg ik eveneens amen: ďNiets is zo vermoeiend als een gedetailleerde chronologie. Maar indien deze wiskunde van de geschiedenis nageplozen wordt niet ter wille van zichzelf maar om identiteiten vast te stellen en als het dient om deze identiteiten te kunnen bewijzen, dan kan er een boeiende studie uit voortvloeienĒ.

     

     

    Zoals bij de aanvang van mijn artikel vermeldt bestaat er geen overeenstemming onder de vele revisionisten van de geschiedenis van de oudheid over de exacte plaatsing van Ramses II op de tijdsbalk. De onderzoeker Donovan A. Courville (The Exodus Problem and its Ramifications, 1971) bijvoorbeeld laat de negentiende dynastie van Manetho de achttiende dynastie opvolgen en plaatst Ramses II op de tijdsbalk in 805/739 v. Chr. en maakt hem een tijdgenoot van de koningen Uzzia van Juda en van Jerobeam II van IsraŽl. Deze koningen van Juda en IsraŽl evenaarden echter de macht van David en beheersten het gebied vanaf de beek van Egypte tot aan de Eufraat. Ramses II laat zich tijdens deze epoque niet eenvoudig op de tijdsbalk plaatsen.

    De egyptoloog David Rohl (A Test of Time, 1995) heeft in zijn reconstructie Ramses II dan weer als tijdgenoot van Salomo en Rehabeam in de tiende eeuw v. Chr. en meent Ramses II met de Bijbelse Sisak te kunnen identificeren. Rohl laat de negentiende dynastie van Manetho de achttiende opvolgen, en linkt zijn constructie aan een vermeende zonsverduistering over Oegarit in 1012 v. Chr. Ik vermeldde eerder in mijn boek ĎDe Assyriologie herzien, 2012í dat men geen exacte zonsverduisteringen meer kan berekenen voorbij de achtste eeuw v. Chr., de tijd in. In die eeuw werden er in de oudheid als een gevolg van een verstoring van de aarde in haar baan om de zon, kalenderwijzigingen noodzakelijk en doorgevoerd.

    Maar mijn grootste bezwaar tegen de constructie van Rohl is dat als een gevolg van zijn plaatsing van de Amarna-faraoís op de tijdsbalk, de Bijbelse koningen Saul en David nu tot correspondenten en vazallen van de faraoís Amonhotep III en Achnaton gemaakt worden. Wanneer men de betreffende Amarna-brieven online op het internet leest dan valt onmiddellijk op dat de Amarna-correspondenten allen afgodendienaars waren. De persoon van David staat uitvoerig in de Bijbel beschreven waar vooral de Bijbelboeken 1 en 2 SamuŽl, 1 Koningen en 1 Kronieken zijn levensloop beschrijven. Zo ook zijn er meerdere psalmen in de Bijbel die door David geschreven zijn. ĎEen man naar mijn hartí noemt de HERE God hem. Wanneer men al deze informatie tot zich neemt is het onmogelijk koning David van IsraŽl als een afgodendienaar te herkennen. Daarenboven leert de Bijbel dat het knechtschap van IsraŽl/Juda aan Egypte, eerst ten tijde van Rehabeam aanving (2 Kronieken 12:8) en niet eerder. Men kan op basis van dit Schriftgedeelte onmogelijk koning David als een knecht of vazal van farao van Egypte herkennen. Zie ook het artikel op dit blog van 20.03.2017: De Bijbelse farao Sisak, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489964400&stopdatum=1490569200 en scrol naar beneden.

     

    De orthodoxe Egyptologie heeft Ramses II op de tijdsbalk geplaatst van het jaar 1279 tot 1212 v. Chr. en dit op basis van een veronderstelde Sothis-kalender. Volgens de historische boeken van de Bijbel bevinden we ons voor deze periode op de tijdsbalk ten tijde van de Richteren. Richteren die na de dood van Jozua en de oudsten, het IsraŽlitische volk leidden. Heel opmerkelijk: het Bijbelboek Richteren zwijgt over Egypte als grootmacht gedurende deze tijd. Zie het artikel van 18.08.2017 op dit blog voor de Sothis-kalender.

     

     

    In mijn onderzoek van de geschiedenis van de oudheid meen ik dat Velikovsky gelijk heeft met zijn plaatsing van Ramses II aan het einde van de zevende eeuw begin zesde eeuw v. Chr. Wat ik afwijs is zijn stelling dat de zesentwintigste dynastie een fabricatie van Manetho was en dat deze farao ís in wezen alter-egoís van de farao ís van de negentiende dynastie waren. Zoals eerder opgemerkt meen ik dat Ramses II als een ondergeschikte co-regent met ťťn divisie van het Egyptische leger, aan de slag bij Kadesj/Karkemis deelnam. Het leger van Necho II/Ramses II tijdens de slag bij Karkemis bestond uit vier divisies. Ramses II commandeerde slechts ťťn van de divisies van het leger van farao Necho, namelijk de divisie van Amon die aan de Eufraat in moeilijkheden geraakte en gered werd door het tijdig op het strijdtoneel verschijnen van de andere legergroep. Een andere divisie van het legen van Necho was samengesteld met de Sardan of LidiŽrs. Deze soldaten worden ook beschreven door de profeet Jeremia. De oudheidhistoricus Herodotos (Boek 2:154) leert ons dat ten tijde van de regering van Psammetichos van Manetho ís zesentwintigste dynastie het aan Griekse huurlingen toegestaan werd zich in noordoostelijk Egypte te vestigen. De LidiŽrs of Loedim in het Hebreeuws, die de profeet Jeremia vermeldt zijn de Griekssprekende huurlingen die in het leger van Necho dienden en mee aan de Eufraat in de slag bij Karkemis tegen Nebukadnezar vochten.

     

    In mijn variant op de reconstructie van Velikovsky meen ik dat farao Necho II tijdens de slag bij Karkemis in 605 v. Chr. het leven liet en Ramses II ongedeerd met het leger naar Egypte terugkeerde. Dat Necho sneuvelde in de slag bij Karkemis kan men afleiden uit Jeremia 46:17 waar farao Ďeen rumoermakerí genoemd wordt die zijn tijd liet voorbijgaan. De regeringsjaren der faraoís van de zesentwintigste dynastie zijn dus ook aan een revisie toe en hiermee komt dan misschien het laatste heilig huisje van de Egyptologie neer. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 375-384, bied ik een chronologische reconstructie van de zesentwintigste dynastie van Manetho aan.

    Bij zijn behouden thuiskomst trok Ramses II alle macht naar zich toe en voerde een damnatio memoriae naar de persoon van Necho II uit. Het kanaal van de Nijl naar de Rode Zee bijvoorbeeld een werk dat door Necho begonnen (Herodotos Boek 2:158), kwam aldus op naam van Ramses II. Ook op vele bouwwerken van Necho werd de naam van Ramses II toegevoegd (Kroniek van de faraoís - Peter A.Clayton - hoofdstuk negentiede dynastie Ramses II - Ramses de bouwer ). Ook de gevestigde Egyptologie spreekt over een voor hen alsnog onverklaarde damnatio memoriae. De beelden van Necho II werden het offer van de razernij waarmede zijn nagedachtenis werd vervolgd. Momenteel werden slechts een klein aantal steles, enkele reliŽfs en twee bronsjes gevonden die voor vernieling bewaard gebleven zijn.Ē

    Tot aan de era van Ramses II maakten Egyptische kunstenaars hun afbeeldingen op zogenaamde bas-reliŽfs. Tijdens de regering van Ramses II ging men over naar het zogenaamde verzonken reliŽf. De reden hiertoe was dat Ramses II zich heel wat gebouwen in Egypte tijdens zijn bewind toe-eigende en er zijn naam in liet beitelen. Met andere woorden: door toepassing van het verzonken reliŽf werd de naam van Ramsesí voorganger weggebeiteld, met zijn naam in de plaats eroverheen. Op deze manier werden al bestaande bouwwerken die Ramses' bevielen van zijn naam voorzien en usurpeerde hij ze.

    Wanneer men de plaatsing van Ramses II op tijdsbalk door de verschillende onderzoekers zowel uit orthodoxe hoek als van revisionistische zijde onderzoekt en aan de Bijbel toets blijkt dat hun revisie niet in overeenstemming met de historische boeken van de Bijbel is. Alleen in de zevende en zesde eeuw v. Chr. waar Velikovsky en anderen Ramses II op de tijdsbalk plaatsen blijkt dat Ramses II daar op zijn plaats zit en er geen contradictie bestaat.

    Tot slot wil ik aandacht geven aan de tot nu toe niet opgegraven hoofdplaats SaÔs van de zesentwintigste dynastie. De Griekse naam SaÔs komt in de Bijbel niet voor, alhoewel farao Necho II en zijn tijd wel vermeld werden. De naam van de hoofdplaats van Necho II in Egypte had in de Bijbel een andere naam.

    Het Bijbelboek Jeremia geeft heel wat informatie over het Egypte van de zevende eeuw voor Christus. Tijdens de periode van de slag bij Kadesj/Karkemis leert Jeremia dat Egypte meerdere koningen had met ieder een hoofdstad:

    Jeremia 46:13 Het woord, dat de HEERE tot den profeet Jeremia sprak, van de aankomst van Nebukadrezar, den koning van Babel, om Egypteland te slaan. 14 Verkondigt in Egypte, en doet het horen te Migdol; doet het ook horen te Nof en Tachpanhes; zegt: Stelt er u naar, en maakt u gereed, want het zwaard heeft verteerd, wat rondom u is. 15 Waarom zijn uw sterken weggeveegd? Zij stonden niet, omdat hen de HEERE voortdreef. 16 Hij maakte der struikelenden veel; ja, de een viel op den ander; zodat zij zeiden: Staat op en laat ons wederkeren tot ons volk, en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard. 17 Daar riepen zij: Farao, de koning van Egypte, is maar een gedruis; hij heeft den gezetten tijd laten voorbijgaan. (Statenvertaling)

     

    Tachpanhes lijkt de belangrijkste plaats in Egypte geweest te zijn omdat Jeremia (hfst.43:9) daar het paleis van de farao situeert. De stad Nof was Memfis, maar van Tachpanhes en Migdol weten we tot op heden niet waar deze plaatsen zich bevonden. Migdol betekent wachttoren en lag vermoedelijk aan de grens van Egypte met Klein-AziŽ.

    De orthodoxe Egyptologie heeft de hoofdstad SaÔs van de zesentwintigste dynastie in de noordwestelijke Nijl-Delta op de kaart geplaatst. Nu blijkt vanuit het werk van Velikovsky dat deze keuze heel lichtvaardig gemaakt is en in wezen zonder archeologische basis. Tot op heden werden in feite geen ruÔnes van deze toch belangrijke stad gevonden. De ondergrond van het huidige Sa al-Hagar (waar men vermoedt dat SaÔs begraven ligt) is van water verzadigd en daarom nooit grondig onderzocht (Peter A. Clayton, Kroniek van de faraoís - 26ste dynastie). Wat gevonden werd zijn slechts enkele oesjabtiís met de naam van Psammetichos, de vader van Necho er op vermeld. Velikovsky stelt dat men te snel tot voorbarige conclusies is gekomen wat de plaatsing van SaÔs betreft op de kaart van Egypte.

    Velikovsky leert dat Tanis, (het Bijbelse Zoan), en SaÔs ťťn en dezelfde stad zijn. Hier ook volg ik een eigen variant los Velikovsky. Ik meen namelijk op grond van Jeremia ís opgave van Egyptische steden dat niet Tanis, maar het Bijbelse Tachpanhes het SaÔs van de oudheid is. SaÔs en het Bijbelse Tachpanhes met het paleis van farao zijn dan ťťn en dezelfde stad. En er zijn in de Bijbel aanwijzingen waar Tachpanhes te vinden is. De Joodse vluchtelingen, door Jeremia (43:5-7) beschreven, doen als eerste stad in Egypte Tachpanhes aan. Dit gegeven plaatst deze stad zondermeer in het noordoosten van Egypte. Een en ander wordt door de Griekse Septuagint Bijbelvertaling bevestigd; dat Tachpanhes als Taphínas weergeeft. En dit zou de belangrijke versterkte stad Daphnai in noordoostelijk Egypte geweest kunnen zijn. Het ontdekken van het werkelijke Sais zou wel de archeologische vondst van het derde millennium kunnen zijn. Herodotos(Boek 2:169) beschrijft het paleis en de begraafplaats van farao Amasis en zijn voorgangers. Op basis van wat de Bijbel over farao Necho en zijn hoofdplaats Tachpanhes leert, had men beter voor het Griekstalige ĎSaÔsí op zoek gegaan in de noordoostelijke Nijldelta en heel wat tijd, energie en geld bespaart. Ook de oudheidhistoricus Herodotos wijst naar de noordoostelijke Nijldelta voor de plaatsing van SaÔs op de kaart, langs de door hem beschreven SaÔtische Nijlmonding stroomafwaarts.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    01-09-2017 om 09:10 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een vingerafdruk van koning Achaz van Juda uit de achtste eeuw v. Chr.?

    Koning Achaz regeerde over het tweestammenrijk Juda van 739 tot het voorjaar van 722 v. Chr. De afbeelding is van een kleizegeltje van slechts een paar centimeter groot dat in het moderne IsraŽl gevonden werd. De Hebreeuwse tekst er op vermeld luidt: ďbehorend aan Achaz (zoon van) Jotham koning van JudaĒ.

     

     

    Het werd gebruikt om een perkamentrol te verzegelen. Over de oorsprong van het zegel bestaat er onder specialisten weinig discussie. Indien Achaz het zegel zelf heeft aangebracht hebben we hier een (gedeeltelijke) vingerafdruk van de koning.

    De chronologische verankering van de regeerperiode van koning Achaz op de tijdsbalk heb ik uitvoerig behandeld in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 289-294.

    Achaz was ook buiten de grenzen van Juda/IsraŽl bekend. De AssyriŽrs bijvoorbeeld verwijzen in hun annalen naar Achaz bij name. De Assyrische koning Tiglath Pileser III vermeldt Achaz in een van zijn bewaarde muur reliŽfs: Nimrud, Zuid oostelijk paleis, Slab inscriptie ( 6-16). Zie het artikel op dit blog van 14.04.2016, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1460325600&stopdatum=1460930400

    Volgens mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid was de Bijbelse Achaz een tijdgenoot en correspondent met de farao ís Amonhotep III en Achnaton van de achttiende dynastie. Met hen correspondeerde hij in de Akkadische taal onder de naam Abdi Hiba. Ook de AssyriŽr Tiglath Pileser III vinden we in dezelfde briefwisseling met farao terug.

    Hierna een extract uit mijn boek ĎDe Zonaanbidder, 2016í dat een en ander van mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid verklaart.

    Citaat:

    De Amarna-briefwisseling van Abdi-Hiba alias Ebed Tov (de goede dienstknecht) met farao Amonhotep III en farao Amonhotep IV

    De Amarna-briefwisseling is een verzameling kleitabletten die de briefwisseling van de (Klein-Aziatische) vazallen met de faraoís Amonhotep III en IV in Klein-AziŽ, bevat. De orthodoxe egyptologie dateert ze via hun foutieve Sothis-kalender in de vijftiende en veertiende eeuw voor Christus. Velikovsky beweerde dat ze in de negende eeuw voor Christus thuishoren. Er werden meer dan honderd bladzijden in zijn boek ĎEeuwen in chaosí aan de Amarna-kleitabletten gewijd. Volgens Dr. Velikovsky waren de Bijbelse koningen Achab en Josafat tijdgenoten en correspondenten van Achnaton. Velikovsky wees er terecht op dat de vertaling van het Akkadisch spijkerschrift meerdere vertalingen, wat betreft namen van personen en plaatsen, mogelijk maakt. Enkele alternatieve voorbeelden die Velikovsky voor Abdi Hiba aanhaalt zijn bijvoorbeeld: Abdi-Kheba, Abdi-Hepat, Abdi-Hebat of Ebed-Nob. Een betere vertaling van Abdi Hiba volgens Velikovsky is het Hebreeuwse Ebed Tov dat Ďde goede dienstknechtí betekent.

    In mijn studie ĎGenesis versus Egyptologieí identificeerde ik koning Achaz van Juda en koning Hosea van IsraŽl, als Abdi Hiba en Rib Addi uit de Amarna-briefwisseling. De rebel Labaja in de Amarna-brieven is Pekah van het tienstammenrijk. Deze genoemde koningen van IsraŽl en Juda waren volgens de Bijbel, alle afgodendienaars en passen dus beter in het plaatje wat de inhoud van de briefwisseling betreft. Ik heb moeite met de identificatie van Abdi Hiba met bijvoorbeeld koning Josafat van Juda, die volgens de Bijbel op de HERE God vertrouwde, maar in zijn vermeende briefwisseling met Farao andere goden gediend zou hebben. Dit is al voldoende basis om de identificatie van Josafat als een Amarna-briefschrijver af te wijzen. Deze opmerkingen nemen uiteraard het opzoekwerk dat vooral Velikovsky geleverd heeft, niet weg. Opzoekingen die het fundament voor het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid legden.

    De taal van de Amarna-briefwisseling was het Akkadisch, een oudheidtaal waarvan het gebruik er van tegenwoordig te vergelijken is met het Engels als internationale communicatietaal. De faraoís Amonhotep III en IV worden in de briefwisseling aangeduid als Nimoeria en Nafoeria. De identificatie van de briefontvangers Nimoeria en Nafoeria staat buiten twijfel. De identificatie van de verzenders is niet eenvoudig. Geen van de brieven is gedateerd, wat het chronologisch schikken moeilijk maakt. De meeste brieven zijn van Faraoís vazallen in Klein-AziŽ. Sommige brieven zijn van onafhankelijke vorsten zoals koning Suppiluliuma van het Hethietenrijk en Boernaboeriasj van Babylon.

    Zoals eerder opgemerkt heb ik vanaf het eerste regeringsjaar van Horemheb in 671 v. Chr. op de tijdsbalk teruggewerkt en de farao ís Eje, Toetanchamon, Smenkhkare en Achnaton chronologisch gerangschikt.

    Horemheb is in Velikovsky ís reconstructie een vazal van de AssyriŽrs. In mijn model past dit volkomen en ik laat logischerwijze de Amarna-farao ís aan de regeerperiode van Horemheb, voorafgaan. Enkele belangrijke puzzelstukjes worden op deze manier ingevoegd. Farao Achnaton bijvoorbeeld regeert nu ten tijde van de val van Samaria in 717 v. Chr. De verovering van Samaria of Soemoer is in de Amarna-briefwisseling terug te vinden. We moeten bedenken dat de hoofdstad Samaria van het tienstammenrijk in zijn geschiedenis vanaf koning Omri, de bouwer van de stad, slechts eenmaal ingenomen werd.

    In totaal zijn er vijf brieven (kleitabletten) van Abdi Hiba uit Jeruzalem te Amarna, het Achetaton uit de oudheid, gevonden. Deze brieven werden door de wetenschappers gecatalogeerd onder de nummers: EA 285 tot 290 en zijn inmiddels alle online op het internet-vertaald naar het Engels te lezen. Hierna volgen de brieven die ik heb gedownload:

    EA 285, EA 286, EA 287, EA288, 290Ö.

    EA289

    Ö To the king, my lord, hath spoken thus, Abdi-hiba, thy servant. At the feet of the king, my lord, seven times and seven times I fall. . . . Behold, hath not Milki-lim revolted to Labaya's sons and to Arzaya's, so as to claim the land of the king for them. A prince who has done this deed why does not the king call him to account ? Behold Milki-lim and Tagi, the deed which they have done is this : After having taken the city Rubuda (Rabbath), they are now seeking to take Jerusalem. If this land belongs to the king, why (delay till) the IJazati are at the king's disposal. Behold the land of Grinti-kirmil belongs to Tagi, and the people of Ginti form a garrison in Betsani (Bethsjean) ; and the same will befall us now that Labaya and the land of Shakmi have given everything to the Habiru. Milki-lim has written to Tagi and his sons : " As two are . . ., give to the people of Ö

     

    De briefschrijver Abdi Hiba in Jeruzalem is herkenbaar als een zelfstandige vazal van farao te Jeruzalem. Dat Abdi Hiba koning te Jeruzalem was, wordt door de orthodoxie niet betwist. De orthodoxie ziet hem echter in hun tijdsbestek als een Kanašnietisch koning die ten tijde van de intocht van de IsraŽlieten (of HebreeŽn) te Jeruzalem resideerde en naar farao vijf brieven schreef, vragend om hulp tegen de Habiroe die naar zijn land en stad oprukten. De Habiroe worden door de orthodoxie met de HebreeŽrs van de veertiende eeuw v. Chr. geÔdentificeerd. Er zijn echter onderzoekers die de identificatie van de Habiroe als etnische groep van de hand wijzen. De Habiroe worden in alle Amarna-brieven namelijk als soldaten of knechten gezien. Ook kan men ze vanuit de brieven herkennen als een onafhankelijke bende huurlingen. Hun leider was Labaja naar wie ook in andere brieven van vazallen van farao, verwezen wordt. In mijn variant is Labaja de usurpator en koning van het tienstammenrijk: Pekah. En de briefschrijver uit Jeruzalem Abdi Hiba is koning Achaz.

    In Juda was aan de lange regeertijd van koning Uzzia in 750 v. Chr. een einde gekomen en nam zijn zoon Jotham in dat jaar de alleenheerschappij over. Koning Jotham was voor een hele tijd co-regent met zijn vader geweest, als een gevolg van de opgelopen melaatsheid door Uzzia, toen deze meende zowel het ambt van koning als van hogepriester te mogen uitoefenen (TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: kroniek van koning Uzzia van Juda, blz. 279-284). Ik postuleer dat de jonge Amonhotep IV tijdens zijn ballingschap in Jeruzalem Uzzia en Jotham gekend heeft. Vanaf het rampjaar 776 v. Chr. nam Jotham de staatszaken waar en leefde de melaatse Uzzia in quarantaine. In 739 v. Chr. nam de zoon van Jotham, Achaz, de scepter van Juda over (TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 289-294). Hij is de Amarna-briefschrijver onder de naam Abdi Hiba.

    In mijn reconstructie pas ik dezelfde werkmethode als Velikovsky toe. Hierna een citaat uit ĎEeuwen in Chaosí, 1952, blz.255:

    ďÖ in de zaal van de historie, waar mensenmenigten uit vele eeuwen elkaar verdringen, wijs ik rechtstreeks bepaalde figuren aan, die geheel andere namen dragen  dan de door ons gezochte personen, men zegt zelfs, dat ze thuishoren in een eeuw, die wel zes eeuwen gescheiden is van de tijd van de personen die wij zoeken. Zelfs nog eer ik onderzoek doe naar de op deze wijze schijnbaar zonder recht van spreken uitgekozen personen, verklaar ik de identificatie als juist. Het kompas in mijn hand is het kompas van de tijdmeting; ik bekort met zes eeuwen de tijd van Thebe en el-Amarna en tref koning Josafat te Jeruzalem, Achab te Samaria en Benhadad te Damascus aan. Indien mijn kompas van de tijdmeting me niet bedriegt, zijn zij de koningen, die in de el-Amarna periode regeerden in Jeruzalem, Samaria en Damascus.Ē

    Ik schuif ditmaal meer dan zeven eeuwen op de tijdsbalk, met als resultaat Achaz in Jeruzalem, Pekah in Samaria en Rezin in Damascus. Laat ons nu zien of het historische kader van de briefschrijver Abdi Hiba past in het Juda van de achtste eeuw v. Chr.

    Het is vooral de EA-brief 289 die vanwege de inhoud eerst mijn aandacht trok. Abdi Hiba vraagt namelijk om hulp aan farao tegen Labaja en diens zonen. Daarnaast verwijst Abdi Hiba naar de val van de stad Rubuda en de bedreiging die er nu voor Jeruzalem is. Over de identificatie van Rubuda wordt door de orthodoxie getwist, maar een opmerkelijke identificatie is die met Rabbath, de hoofdstad van Ammon in Trans-JordaniŽ. Het is deze identificatie die in mijn variant past. De Amarna-brief met nummer 289 verwijst volgens mij duidelijk naar het conflict dat in het Bijbelboek Jesaja hoofdstuk 7 en 2 koningen hoofdstuk 16 beschreven staat.

    De (geciteerde) Bijbelcitaten spelen zich af in de dagen van Achaz, de koning van Juda, toen Resin, de koning van Aram in bondgenootschap met Pekah, de zoon van Remaljahu, de koning van IsraŽl, tegen Jeruzalem ten strijde trok. Achaz meende het niet tegen dit bondgenootschap te kunnen halen. De beschreven oorlog kan vanuit de Bijbel nauwkeurig gedateerd worden. Koning Achaz werd koning over Juda in het zeventiende regeringsjaar van Pekah van IsraŽl het jaar okt739/sep738 v. Chr. Aangezien Pekah twintig jaar regeerde, komen slechts de drie laatste jaren van diens regering in aanmerking voor het plaatsen van de beschreven invasie op de tijdsbalk. Deze jaartallen gaan van april 738 tot maart 735 v. Chr. Dus een van deze jaren 738/737, 737/736 en 736/735 v. Chr. was getuige van de oorlog van Damascus en Samaria tegen Jeruzalem. Het is chronologisch mogelijk om vanuit de Bijbel het jaar 736 v. Chr. als het jaar van de invasie aan te geven. De kinderen van de profeet Jesaja en hun bijzondere naamgeving waren namelijk als een teken voor het Juda van zijn tijd gegeven.

    Jesaja 8:3 En ik was tot de profetes genaderd, en zij was zwanger geworden en baarde een zoon. En de HERE zeide tot mij: Noem hem: Maher-Salal Chas-Baz, 4 want voordat de jongen zal kunnen roepen: Mijn vader en mijn moeder, zal men de rijkdom van Damascus  en de buit van Samaria vůůr de koning van Assur dragen.

     

    Volgens dit Schriftwoord zou Damascus door de AssyriŽrs ingenomen worden voordat het zoontje van Jesaja in staat zou zijn om mama en papa te kunnen zeggen. Koning Achaz wilde echter niet vertrouwen op het Woord des HEREN van de profeet Jesaja, maar verkoos in de plaats daarvan zelf zijn plan te trekken. Vermoedelijk schreef hij eerst een brief aan de farao van Egypte om hulp, maar van die kant kwam er geen hulp. We weten vanuit de Bijbel dat hij daarop de koningen van Assur benaderde om een bondgenootschap (tegen betaling) tegen Damascus en Samaria.

    2 Kronieken 28:16 In die tijd zond koning Achaz het verzoek tot de koningen van Assur hem te helpenÖ

    2 Koningen 16:9 En de koning van Assur gaf hem gehoor; de koning van Assur trok op tegen Damascus, nam het in en voerde de bevolking in ballingschap weg naar Kir; en Rezin bracht hij ter dood. Daarop ging Achaz Tiglath-Pileser, de koning van Assur, tegemoet naar DamascusÖ

     

     

    Volgens de gereviseerde chronologie van de oudheid zit de campagne van Tiglath Pileser III tegen Damascus in het jaar 735 v. Chr.

    Het bestuderen van (de bijgevoegde kaart) maakt het inpassen van EA289 in het Bijbelrelaas eenvoudiger. We merken op de kaart een geallieerd leger van Damascus en Samaria dat tegen het Jeruzalem van Abdi Hiba, alias Achaz, oprukt. Hun bedoeling is het doden of afzetten van Achaz en het op de troon van Juda plaatsen van de zoon van Tabeal. Tegelijkertijd zien we op de kaart een Aramees leger dat oostelijk van de Jordaan naar Rabbath oprukt, deze hoofdplaats van Ammon inneemt en daarna verder oprukt naar Edom. Westelijk van Juda toont de kaart aanvalsrichtingen vanuit het gebied van de Filistijnen en in het bijzonder Ashkelon. Over dit algemeen conflict handelen de vijf brieven van Abdi Hiba uit Jeruzalem over handelen. Er zijn al voldoende namen van steden met Akkadische briefnamennamen geÔdentificeerd om deze conclusie te kunnen trekken. In EA-brief 288 verwijst Abdi Hiba ook naar Nahrima. Het Egyptische Naharim is een verbastering van het Bijbelse Aram-NaharaÔm, het Aram van de twee rivieren of MesopotamiŽ. In mijn werk ĎGenesis versus Egyptologieí toonde ik al aan, dat het Mitanni uit Egyptische bron, in feite het Assyrische Rijk was, en dat beide rijken ťťn waren. De Egyptoloog Alan Gardiner verwijst in zijn opus magnum (EGYPT OF THE PHARAOHS, Egypt under foreign rule, pagina 341.) naar het merkwaardige feit dat Egyptische bronnen nooit naar het Assyrische Rijk verwijzen. Nochtans merkt Alan Gardiner op, zou zelfs Thebe helemaal in het zuiden van Egypte, uiteindelijk ook door de AssyriŽrs ingenomen worden.

    Wanneer we de Amarna-periode transponeren naar de negende en de achtste eeuw v. Chr. blijkt dat de EA-schrijver uit Mitanni met de naam Tushratta niemand minder is dan Tiglath Pileser III van AssyriŽ. Hij is de derde hond, bij wijze van spreken, die het been waarover Samaria en Damascus vochten, wegkaapte.

    Einde citaat

    Voor wie het boek eventueel wil aanschaffen volgt er hierna een internetlink.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    24-08-2017 om 09:25 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    18-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Egyptische tempel te Dendera

    In een Egyptische tempel te Dendera die ten tijde van de PtolemeeŽrs in de eerste eeuw v. Chr. gebouwd werd en gewijd aan Hathor de godin van wijsheid en liefde, staat in het plafond de Astrologische waterman-opstelling afgebeeld. Kenners dateren de afbeelding voor de periode 4300 tot 2200 v. Chr. In de eerste eeuw voor Christus ten tijde van de PtolemeeŽrs was het watermantijdperk echter al oude geschiedenis en normaal zou men voor die tijd het vissentijdperk als afbeelding verwacht hebben. Waarom werd het Watermantijdperk afgebeeld? Vermoedelijk werd de afbeelding van de Waterman door de Egyptische priesters in verband gebracht met de zogenaamde voortijd. Volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid zoals in mijn boek TIJD en TIJDEN van 2015 gebracht, stelt de waterman-opstelling het begin van de geschiedenis van Egypte voor: slechts ongeveer vierduizend jaar geleden. Het begin van het neolithische tijdperk voor Egypte is hiermee astrologisch (voor zover dat waarde mag hebben) op de tijdbalk vastgesteld.

     

     

    De orthodoxe Egyptologie dateert het begin van de Egyptische beschaving veel eerder en dit op basis van hun veronderstelling van het gebruik van een dubbele kalender in het oude Egypte: de zogenaamde Sothis-kalender met tijdperken van telkens 1460 jaar .

     

    Het was de Egyptoloog Eduard Meyer die in 1904 de Sothis-kalender introduceerde: Ďkalender en Sothis-periodeí. Hij ging er van uit dat er in het oude Egypte twee kalenders naast elkaar bestaan hadden. Een burgerlijke en een godsdienstige gebaseerd op het opkomen van de Hondsster of Sothis en/of Sirius zoals de ster in het Grieks en het Latijns genoemd wordt. De Egyptenaren noemden de ster Sopdet. Meyer ging er van uit dat een Egyptisch jaar 365 dagen telde en als een gevolg elk vierde jaar op de kalender een schrikkeljaardag verloren ging. Hij veronderstelde (postuleerde) als een gevolg dat er twee kalenders in het oude Egypte gehanteerd werden: een officiŽle kalender die met de maand Thoth begon en geen rekening met schrikkeljaren hield en een zonnekalender die gebaseerd was op het opkomen van de Hondsster en astronomisch correct.

    De twee kalenders begonnen bij een nieuwe Sothisperiode officieel gelijktijdig op de eerste dag van de maand Thoth maar na vier jaar al liep de officiŽle kalender ťťn dag op de astronomische kalender achter. Op deze wijze verloor de kalender op achtentwintig jaar tijd ťťn week en op een periode van honderdtwintig jaar ging er ťťn maand verloren. Na een tijdspanne van 1460 jaar liepen de twee kalenders weer gelijk en hier werd verondersteld dat er een nieuwe Sothisperiode begon.

    In het jaar 239 AD vermeldde de Romeinse grammaticus Censorinus dat in 139 AD de eerste dag van het Egyptische kalenderjaar daadwerkelijk samenviel met de heliakische verschijning van Sirius Ė wat het einde van een Sothis-cyclus veronderstelde. Terugrekenend concludeerde Meyer dat er zich 1460 jaar eerder een vergelijkbare situatie had voorgedaan.

    Eduard Meyer meende het bewijs van zijn veronderstelling gevonden te hebben in het Ebers-papyrus. Op dit bewaard gebleven papyrus zou er een vermelding staan naar de opkomst van Sopdet ten tijde van het negende regeringsjaar van farao Amonhotep I. Veel blijft echter een raadsel. Zo staat er niet Amonhotep I maar de naam Zeserkere, waarschijnlijk de voornaam van Amonhotep I.

    Zijn tweede bewijs was een kalenderfragment op een steen gevonden in Elephantine waar een verwijzing te vinden is naar het vermeende opkomen van Sothis in de dagen van Thothmosis III. Het regeringsjaar van Thothmosis III wordt echter niet vermeld en ook is niet duidelijk of de verschijning van Sothis betrekking had op het zonnejaar, noch of een eerste verschijning bedoeld werd. Daarbij merkt de Egyptoloog Cecil Torr op dat het gebouw weliswaar van Thothmosis III was, de inscriptie echter van een opvolger geweest kan zijn.

    De derde aanduiding voor Meyer was de vermelding van de verschijning van de ster Sothis op 16 Pharmuti in het papyrus van Illahun. Het papyrus Illahun dateert de verschijning van Sothis op de zestiende van de Egyptische maand Pharmuti in het zevende jaar van een farao waar men van aanneemt dat het Senwosret III van de twaalfde dynastie is. De naam zelf van de farao is niet bewaard gebleven, maar wordt uit allerlei verspreide gegevens afgeleid.

    De bekende revisionist van de geschiedenis van de oudheid de Egyptoloog David Rohl (A Test of Time, appendix D) merkt echter op dat het papyrusfragment een voorspelling bevat en geen vaststelling van een gebeurd feit is. De tekst luidt: ďu moet weten dat het opkomen van SOPDET zal gebeuren in de vierde maand Pharmuti, op dag 16Ē.

    Het is aldus vrij eenvoudig de theorie van Eduard Meyer op losse schroeven te zetten. Een tijdgenoot en tegenstander van Eduard Meyer was de Egyptoloog Cecil Torr die in zijn werk vermelde dat de Sothis-cyclus een uitvinding van de Grieken was van latere tijd. Noch is er enige indicatie, schrijft hij, dat de Egyptenaren de cyclus kenden; geen vermelding wordt er over gevonden in hun inscripties of papyri, buiten enkele occasionele vermeldingen over het opkomen van de Hondsster.

     

     

    Daarenboven bestaat er onduidelijkheid over het afsluiten van een veronderstelde Sothisperiode in 139 AD? Er bestaat namelijk een toegevoegde notitie in het middeleeuwse manuscript van Theon, een vierde eeuwse astronoom, over een zekere Menophres. Op het manuscript van Theon staat er een notitie in het Grieks dat er Ďvanaf Menophres en tot aan het eind van het tijdperk van Augustusí 1605 jaar waren. Terugrekenend geeft dit 1321 v. Chr. als jaartal van de nieuwe veronderstelde Sothis-periode. In ditzelfde manuscript van Theon van AlexandriŽ wordt echter vermeld dat de Sothis periode eindigde in het vijfde jaar van Augustus zijnde het jaar 26 v. Chr. Censorinus zoals eerder gezien, plaatste het begin van een nieuwe Sothis-periode in 139 AD. Een verschil van zo maar even 165 jaar, wat vragen zou moeten oproepen. Het verschil van 165 jaar tussen de gegevens van het manuscript van Theon en dat van Censorinus is nooit opgehelderd.

    Met recht verklaart ook Velikovsky het werk van Eduard Meyer als overgewaardeerd en een grote oefening in futiliteit (Ramses II en zijn tijd Ė Epiloog Ė vraag 8 en De Zeevolken Ė hoofdstuk 2 Sirius). Eveneens is er het studiewerk van de eerder geciteerde Egyptoloog Cecil Torr (Memphis and Mycenae, 1896), van de onderzoeker F.J. Kerkhof (BW Bijbel en Archeologie 1 Ė ISBN 9070145049) en van Dr. Donovan Courville (The Exodus Problem and its Ramifications Ė volume 2 Ė chapter IV) dat het chronologische fundament van de Egyptologie onderuit haalt.

     

    Dat de conventionele Egyptologie hardnekkig vasthoudt aan de Sothis-kalender die Eduard Meyer in 1904 wereldkundig maakte heeft te maken met het feit dat zij geen ijkpunten op de tijdsbalk ter beschikking hebben ter exacte plaatsing van de Egyptische dynastieŽn van Manetho. De Bijbel zien zij louter als een godsdienstig boek zonder historische waarde en wordt door hen niet gehanteerd. Wanneer men nochtans de historische boeken van de Bijbel en de bijgevoegde chronologie als historisch correct hanteert zijn er een aantal belangrijke ijkpunten waarmee verschillende Egyptische farao ís op de tijdsbalk verankerd kunnen worden.

     

     

    Ook de oudheidhistoricus Herodotos die in de vijfde eeuw v. Chr. Egypte bezocht en een faraolijst doorgaf wordt door de gevestigde Egyptologie niet naar waarheid aanvaard. Herodotos was nochtans de eerste classicus die een gedetailleerd verslag over Egypte neerschreef. In de vijfde eeuw voor Christus wanneer Herodotos Egypte bezocht was de geschiedenis van dit land nog steeds een levende geschiedenis. De piramiden in beneden-Egypte hadden bijvoorbeeld nog steeds hun glanzende buitenbedekking. Herodotos reisde het gehele land door tot aan de grens met NubiŽ en sprak met de Egyptische priesters over hun geschiedenis. Hoewel hij als de vader der historie aanvaard is en zijn geschiedschrijving van Klein-AziŽ niet in twijfel getrokken, wordt hij wat Egypte betreft met zijn lijn en opvolging van Egyptische farao Ďs door de gevestigde Egyptologie niet gevolgd. De hoofdreden is de veronderstelde Sothis-kalender die maakt dat bijvoorbeeld de piramiden op het Gizeh-plateau in het derde millennium v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst worden, waar de piramiden met de gegevens die Herodotos verstrekt in de negende en achtste eeuw v. Chr. geplaatst kunnen worden. En dit is slechts ťťn voorbeeld. Zie het artikel op dit blog van 07.06.2017: door wie werd de Grote Piramide op het Gizeh plateau gebouwd en wanneer? Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1496613600&stopdatum=1497218400

     

    Tot slot een veelzeggende opmerking van een Egyptoloog uit de oude school:

    ďIk ben bang dat onze kennis van de Egyptische historie niet veel verder gaat dan wanneer iemand zich op grond van enkele data en namen het volgende beeld van de Nieuwere Geschiedenis zou maken: íeen oude dynastie behelst de koningen van Lodewijk XVI tot Louis Philippe. De eerste was een tijdgenoot van Frederik de Grote. Daarnaast regeerden drie tegenkoningen, die al door hun naam, Napoleon, bewijzen, dat zij tot een andere familie behoren en ook een andere titel dragen. De eerste schijnt in Duitsland oorlog te hebben gevoerd; de derde moet wel een belangrijke heerser geweest zijn, want hij heeft vele bouwwerken nagelatení.Ē

    1911, de Duitse Egyptoloog Adolf Erman

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    18-08-2017 om 08:46 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Salomo en het negende historische jubeljaar van 1003/1002 v. Chr.

    We vervolgen de geschiedenis van de jubeljaren met het negende jubeljaar van oktober1003/september1002 v. Chr. sinds we op 19.04.2017 op dit blog met het overzicht van de historische jubeljaren begonnen. Het laatste artikel met als onderwerp het achtste jubeljaar dateert alweer van 14.06.2017, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2997811

     

    Het Bijbelse Jubeljaar was een belangrijk onderdeel in de wet van Mozes van 1483 v. Chr. betreffende het beheer en het eigendomsrecht over het Beloofde Land Kanašn dat de IsraŽlieten veertig jaar later in 1443 v. Chr. zouden binnentrekken. Het doel van het jubeljaar was om uiteindelijk alle mogelijk individueel verlies van land en rijkdom in het negenenveertigste jaar van de sabbatjaarcyclus te herstellen en aan de rechtmatige eigenaar terug te bezorgen. De toepassing van de wet betekende een garantie tegen blijvende verarming van onfortuinlijke, denk bijvoorbeeld aan de geschiedenis van Naomi. De bijzondere wet wordt in het derde boek van Mozes in de Bijbel Leviticus hoofdstuk 25:1-55 in detail beschreven.

    De sabbatjaar- en jubeljaartelling nam een aanvang bij de intrede van het land Kanašn door de IsraŽlieten onder leiding van Jozua. De historische sabbat- en jubeljaren zijn vanaf het jaar 1443 v. Chr. te rekenen.

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE.

     

    Zeven jaar na het betreden van het land Kanašn in 1443 v. Chr. was het beloofde land veroverd en werd het onder de twaalf stammen verdeeld. Het eerste historische jubeljaar viel in oktober1395/september1394 v. Chr. zeven maal zeven jaar of negenenveertig jaar na de aankomst in het land Kanašn. Alhoewel de IsraŽlieten zelden het jubeljaargebod gehouden hebben zijn er toch enkele belangrijke aanwijzingen in de Bijbel die er op wijzen dat de HEERE God in Zijn handelen met Zijn verbondsvolk met jubeljaren rekende.

     

     

    We zetten onze studiereis in de tijd langs de inmiddels vertrouwde tijdsbalken verder. De tijdsbalken zijn op millimeterpapier uitgewerkt met telkens veertien jaar per vel. De jaartallen bovenaan de tijdsbalk zijn op de westerse jaartelling gebaseerd met de geboorte van Jezus Christus, onderverdeeld in vier vakken van elk drie maanden van januari tot december. De sabbatjaren staan daaronder in een blauwe balk vermeld van april tot maart en de jubeljaren van oktober tot september. Het Jubeljaar zag zijn start in oktober van de negenenveertigste sabbatjaarcyclus en liep verder tot september van het volgende jaar waar inmiddels in april een nieuwe sabbatjaarcyclus van start was gegaan. Dit volgens de manier van tellen volgens William Whiston.

    Hierna een opsomming van de jubeljaren uit het werk van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V. Er zijn dertig jubeljaren vanaf 1395/1394 v. Chr. tot 27/28 AD, het jaar dat Jezus het Ďaangename jaar des HERENí uitriep en zich te Nazareth als Messias bekendmaakte.

    Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr. intocht Kanašn o.l.v. Jozua.

    Aantal en jaartallen v. Chr.:

    Historische periode:                       Historische jubeljaarverwijzing:

    v. Chr.:

    1.       1395/1394 Richter OthniŽl            geen

    2.      1346/1345          Richter Ehud               Ruth 6:6

    3.      1297/1296 Ehud & Samgar           geen

    4.      1248/1247 Debora en Gideon        geen

    5.      1199/1198  Richter Thola               geen

    6.      1150/1149  Richter Eli                   geen

    7.      1101/1100  Richter SamuŽl            geen

    8.      1052/1051 SamuŽl & Saul             geen

    9.      1003/1002 Salomo                    geen

    10.    954/953   Rehabeam                             geen

    11.     905/904   Josafat                          geen

    12.     856/855   Joas                              geen

    13.     807/806   Amazia                         geen

    14.     758/757    Uzzia                             geen

    15.     709/708   jaar 14 Hizkia               Jesaja 37:30

    16.     660/659   Manasse                       geen

    17.     611/610    Josia - Val Nineveh      Nahum 1:15

    18.     562/561    jaar 37 Jojachin           2 Koningen 25:27

    19.     513/512    HaggaÔ                          geen

    20.    464/463   Ezra                              geen

    21.     415/414     Nehemia                       geen

    22.    366/365    Perzische periode        geen

    23.    317/316     Griekse periode            geen

    24.    268/267    Griekse periode            geen

    25.    219/218     Griekse periode            geen

    26.    170/169     Griekse periode            geen

    27.    121/120     MakkabeeŽn                 geen

    28.     72/71        MakkabeeŽn                 geen

    29.    23/22       Hongersnood               Flavius Josephus

    30.    27/28 AD          Messias Jezus              Lucas 4:19

     

    Zoals in het artikel over het achtste jubeljaar vermeld viel de veertigjarige regeertijd van David tussen twee jubeljaren in. Zijn regeertijd nam een aanvang in het najaar van 1047 v. Chr. en liep tot het najaar van 1007 v. Chr. De regeertijd van David is op de tijdsbalk verankerd met het vierde regeringsjaar van Salomo in oktober 1004/september 1003 v. Chr. op basis van de sabbatjaar en jubeljaartelling. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 185-195. Het vierde regeringsjaar van Salomo is een ijkpunt op de tijdsbalk dat men bereikt door vanaf het verkregen exodusjaar in april 1483 v. Chr. via de jubeljaren, 480 jaar terug te rekenen tot het vierde jaar van Salomo en het begin van de bouw van Tempel te Jeruzalem.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda tussen het negende jubeljaar met Salomo en het achttiende jubeljaar met het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda, op de tijdsbalk gerangschikt. Zie ook het artikel van 21.06.2017 op dit blog.

     

    Ik werk momenteel aan de afronding van mijn nieuw boek: ĎKronieken der koningen van IsraŽlí, dat in het najaar gepubliceerd zal worden. Ik hou mijn lezers van de verschijningsdatum op de hoogte. Het boek brengt specifiek de chronologie van de koningen van het tienstammenrijk vanaf Jerobeam I tot Hosea en hun historische verankering en plaats op de tijdsbalk op basis van de sabbat- en jubeljaren. Vooral veel aandacht besteed ik aan de revisie van de koningen van AssyriŽ op de tijdsbalk in relatie tot de historische gegevens over de koningen van IsraŽl.

     

     

    Met de regeerperiode van David stevig op de tijdsbalk verankerd kunnen we de historische gegevens van de Bijbel aangaande David invullen. De eerste zeven jaar van zijn regeerperiode had David zijn hoofdplaats in Hebron. Daarna in zijn achtste regeringsjaar in het voorjaar van 1039 v. Chr. veroverde hij Jeruzalem op de Kanašnietische Jebusieten en vestigde zich daarop in Jeruzalem dat zijn hoofdstad werd (2 Samuel 5:6-10). David í s volgende daad zou het weghalen van de ark van het verbond te Gibeon zijn en het vervoer ervan naar Jeruzalem, naar een tent die David had laten klaarmaken. De Seder Olam plaatst deze geschiedenis chronologisch drieŽnveertig jaar voordat de ark van het Verbond haar plaats vond in de tempel te Jeruzalem, toen de tempel klaar was in het elfde regeringsjaar van Salomo: oktober van het jaar 996 v. Chr. Wanneer we vanaf oktober van het jaar 996 v. Chr. drieŽnveertig jaar op de tijdsbalk terugrekenen arriveren we op de tijdsbalk in oktober 1039 v. Chr. voor het plaatsen van de Ark van het Verbond in Jeruzalem. Dit toont aan dat chronologisch gezien de verovering van Jeruzalem in het voorjaar van 1039 v. Chr. plaatsvond en de beschreven oorlog met de Filistijnen (2 SamuŽl 5:1-25) volgde in de daaropvolgende maanden tot in het najaar. Na het verslaan van de Filistijnen begon David aan een reeks militaire veldtochten die maakten dat hij zijn heerschappij tot aan de Eufraat in het noorden, vestigde (2 Samuel 8:1-14).

    Op de tijdsbalk plaatsen we de in de Bijbel beschreven veldtochten van David vanaf het jaar dat hij Jeruzalem innam en de Filistijnen versloeg in het jaar 1039 v. Chr. tot aan het jaar 1022 v. Chr. Een periode van ongeveer zeventien jaar. Het is de Joodse Seder Olam die jaartallen aanreikt. Deze Joodse overlevering leert dat Salomo bij zijn troonsbestijging twaalf jaar oud was. Dit plaatst de geschiedenis van de moeder van Salomo: Bathseba, ongeveer veertien jaar voor de dood van David op de tijdsbalk. Het tiende hoofdstuk van het Bijbelboek 2 SamuŽl sluit af met de onbesliste strijd tegen Ammon. En hoofdstuk 11 vervolgd aldus:

    2 Samuel 11:1 In het daaropvolgende jaar, ten tijde, dat de koningen plegen ten strijde te trekken, zond David Joab uit en zijn knechten met hem, benevens geheel IsraŽl, en zij vernietigden de Ammonieten en sloegen het beleg voor Rabba, maar David bleef in Jeruzalem. 2 Op zekere avond stond David van zijn rustbed op en wandelde op het dak van het paleis, en hij zag van het dak af een vrouw, bezig zich te baden; en die vrouw was zeer schoon van uiterlijk.

     

     

    Terwijl zijn leger het beleg van Rabba doorvoert blijft David te Jeruzalem en vindt de relatie met Bathseba de vrouw van Uria, een van zijn generaals, plaats. Het eerste kind dat uit deze relatie verwekt wordt sterft heel jong. Deze gebeurtenissen staan uitvoerig beschreven in de hoofdstukken 11 en 12 van het Bijbelboek 2 SamuŽl. Na het verlies van de eerstgeborene van Bathseba wordt Salomo verwekt.

    2 SamuŽl 12:24 Daarna troostte David zijn vrouw Batseba; hij kwam tot haar en had gemeenschap met haar, zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. De HERE nu had hem lief: 25 Hij zond een boodschap door de profeet Natan en noemde hem Jedidja, om des HEREN wil.

     

    Voor deze geschiedenis reken ik met ongeveer twee jaar op tijdsbalk en plaats deze geschiedenis in het jaar 1022 v. Chr. Volgens een Joodse overlevering was Salomo twaalf jaar oud toen hij koning over het Verenigd Koninkrijk van IsraŽl werd. Dat laat hem geboren worden in 1020 v. Chr. en plaatst de verhouding van David met Bathseba op de tijdsbalk tot twee jaar eerder. De Seder Olam leert ook dat er een periode van twaalf jaar gaat vanaf de verkrachting van Tamar, de zuster van Absalom, door zijn halfbroer Amnon tot aan het laatste jaar van de regeerperiode van David en dat deze misdaad in hetzelfde jaar geschiedde als de geboorte van Salomo.

    2 Samuel 13:1 Daarna gebeurde het volgende. Absalom, de zoon van David, had een bekoorlijke zuster, Tamar geheten; en Amnon, de zoon van David, kreeg haar lief. EnzoverderÖ

     

    ĎDaarnaí betekent volgens de Seder Olam dat in hetzelfde jaar dat Salomo geboren werd en van de HERE God door de profeet Nathan de naam Jedidja kreeg, de verkrachting van Tamar door Amnon geschiedde. Vanaf het jaartal 1020 v. Chr. laat de Bijbel toe deze geschiedenis chronologisch jaar na jaar op de tijdsbalk te plaatsen. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 191-195, ga ik in detail door de verschillende Bijbelgedeelten.

     

     

    Het Bijbelboek 2 SamuŽl 21:1 vermeldt ook een hongersnood van drie jaar in het land:

    2 SamuŽl 21:1 Er was in de dagen van David een hongersnood gedurende drie jaren achtereen; en David zocht het aangezicht des HEREN.

     

    Hier staat echter niet het chronologische Ďdaarnaí maar alleen de vermelding: Ďin de dagen van Davidí. Toch kunnen we aannemen omdat deze geschiedenis praktisch aan het einde van het Bijbelboek 2 SamuŽl gebracht wordt, dat de hongersnood tegen het einde van de regeerperiode van David plaatsvond. Het was een straf van God naar aanleiding van de volkstelling die op bevel van David werd uitgevoerd en uitvoerig in de Bijbelboeken 2 SamuŽl 24 en 1 Kronieken 21:1-30 beschreven.

    2 SamuŽl 24:16 Toen de engel zijn hand naar Jeruzalem uitstrekte om het te verdelgen, berouwde het onheil de HERE, en Hij zeide tot de engel die verderf bracht onder het volk: Genoeg! Laat nu uw hand zinken. De engel stond toen bij de dorsvloer van de Jebusiet Arauna. 17 En David sprak tot de HERE, toen hij de engel zag, die onder het volk verderf bracht: Zie, ik heb gezondigd, en ik heb ongerechtigheid bedreven, maar deze schapen Ė wat hebben zij gedaan? Laat toch uw hand zijn tegen mij en mijn familie.

     

    1 Kronieken 21:16 Toen sloeg David zijn ogen op en zag de engel des HEREN staan tussen hemel en aarde, met in zijn hand het getrokken zwaard, uitgestrekt over Jeruzalem; en David en de oudsten, in rouwgewaad gehuld, wierpen zich op hun aangezicht. 17 Hierna zeide David tot God: Was ik het niet, die bevel gaf het volk te tellen?

     

    De beschreven verderfengel met een getrokken zwaard boven Jeruzalem is volgens Dr. I. Velikovsky in zijn werk ĎWerelden in botsingí waarschijnlijk een beschrijving van een fenomeen van een kosmische oorsprong. De onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer hebben in hun werk: (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Chapter VI Catastrophes of the Davidic Era, The Greater Davidic Catastrophe 972 BC page 159), de bevindingen van Velikovsky verder uitgewerkt en wetenschappelijk vanuit de kosmologie verklaart.

    De ramp die in 1 Kronieken 21:16 beschreven wordt kunnen we aan de hand van de studie van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, in het laatste regeringsjaar van David dateren. Er was namelijk een cyclus van rampen van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong aan de hand met intervallen van 54 jaar en zes maanden. Gerekend vanaf oktober 1443 v. Chr. met het fenomeen rond de zon en de vallende stenen tijdens de slag bij Gibeon tussen de IsraŽlieten onder leiding van Jozua en de coalitie van Kanašnietische koningen kom ik uit in 1007 v. Chr., (niet toevallig) het laatste regeringsjaar van Koning David. Hierna een citaat uit het aangehaalde werk van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, dat de horror van de meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong beschrijft:

    In the closing days of Davidís reign, a tense international situation developed . Baal/Mars was again expected to closely approach the earth. According to the Patten/Hatch model of orbital movement, Mars approached the earth every two years, coming successively closer each time. At 1000 BC the planets may have been within 8.000.000 miles of each other. By 972 BC (Thiele Ďs jaartal) the distance was probably reduced to 150.000 miles. Under these circumstances, no government could exercise real authority. Destruction from the close encounter of the planets could destroy cities, and armies, navies, perhaps even decimate whole coastlines. Who would escape the destruction? Nations began to arm themselves for the looting and pillaging that they knew must certainly come from marauding bands of warriors on the land and on the sea. Civil authority would break down in many places. In this context the Philistines began a revolt (1 Chronicles 21).

     

     

    Het is na de beschreven meganatuurcatastrofe dat David de berg Moria van de Jebusiet Ornan kocht voor de som van zeshonderd gouden sikkelen (1 Kronieken 21:18-30).

    Deze geschiedenis heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 193, chronologisch in het jaar 1007 v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst. De berg Moria had al eerder mijn bijzondere aandacht in het artikel op dit blog 16.08.2016: Unieke archeologische vondst te Jeruzalem. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1471212000&stopdatum=1471816800

     

    In het najaar van 1007 v. Chr. stierf David en werd zijn zoon Salomo bij Bathseba na heel wat verwikkelingen de troonopvolger. Deze geschiedenis wordt in het Bijbelboek 1 Koningen in de eerste twee hoofdstukken gebracht. Twaalf jaar jong (1 Koningen 3:7) nam Salomo de kroon van David over. In zijn vierde regeringsjaar zou Salomo met zijn zestien jaar aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem beginnen. Voor Salomo waren dit volgens de Bijbel jaren van geestelijke en materiele voorspoed. Hoewel er al zich donkere wolken aan zijn geestelijk firmament aftekenden. Hij ging namelijk een verbond aan met de farao van Egypte door diens dochter tot vrouw te nemen. Het derde hoofdstuk van het Bijbelboek 1 Koningen verhaalt onder andere deze geschiedenis.

    1 Koningen 3:1 En Salomo verzwagerde zich met Farao, den koning van Egypte; en nam de dochter van Farao, en bracht ze in de stad Davids totdat hij voleind zou hebben het bouwen van zijn huis en het huis des HEEREN, en den muur van Jeruzalem rondom. 2 Alleenlijk offerde het volk op de hoogten, want geen huis was den Naam des HEEREN gebouwd, tot die dagen toe. 3 En Salomo had den HEERE lief, wandelende in de inzettingen van zijn vader David; alleenlijk offerde hij en rookte op de hoogten. 4 En de koning ging naar Gibeon, om aldaar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Salomo op dat altaar. 5 Te Gibeon verscheen de HEERE aan Salomo in een droom des nachts en God zeide: Begeer wat Ik u geven zal. 6 En Salomo zeide: Gij hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid des harten met U; en Gij hebt hem deze grote weldadigheid gehouden, dat Gij hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, als te dezen dage. 7 Nu dan, HEERE, mijn God! Gij hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan. 8 En Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat Gij verkoren hebt, een groot volk, hetwelk niet kan geteld noch gerekend worden, vanwege de menigte. 9 Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? 10 Die zaak nu was goed in de ogen des HEEREN, dat Salomo deze zaak begeerd had. 11 En God zeide tot hem: Daarom dat gij deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uwer vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtszaken te horen; 12 Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke voor u niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal. 13 Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom en eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. 14 En zo gij in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen. 15 En Salomo waakte op, en ziet, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de ark des verbonds des HEEREN, en offerde brandofferen, en bereidde dankofferen, en maakte een maaltijd voor al zijn knechten.

     

    Het zesde hoofdstuk van 1 Koningen geeft ons jaartallen waarmee we deze gebeurtenissen op de tijdsbalk kunnen plaatsen. De tempelbouw begon in het vierde jaar van Salomo in de tweede maand van de IsraŽlitische kalender, vierhonderdtachtig jaar na de Exodus uit Egypte:

    1 Koningen 6:1 Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na den uitgang der kinderen IsraŽls uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over IsraŽl, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis des HEEREN bouwde.

     

    Op onze tijdsbalk uitgetekend merken we dat het vierde regeringsjaar van Salomo van oktober 1004 tot september 1003 v. Chr. liep. In oktober van 1004 v. Chr. zat men in het zesde jaar van de sabbatjaarcyclus, een jaar van dubbele zegening over het land. De oogst van dat jaar was voldoende voor het overbruggen van het zevende sabbatjaar gevolgd ditmaal door het jubeljaar, jaren dat er niet gezaaid werd maar dat men leefde van wat het land vanzelf opbracht. In het voorjaar van 1003 v. Chr. begon het zevende en laatste sabbatjaar van de zeven maal zeven sabbatjaarcyclus, gevolgd in oktober 1003 v. Chr. met het begin van het negende jubeljaar. In de praktijk betekende dit dat een groot aantal landbouwarbeiders nu ter beschikking waren voor de bouw van de tempel. Een verwijzing naar het specifiek houden van het jubeljaar vinden we in de Bijbel niet terug. We mogen er echter van uit gaan dat de jonge devote Salomo zich hier aan de Wet des HEEREN gehouden heeft.

     

     

    Zeven jaar lang zou men aan de Tempel te Jeruzalem bouwen. In het elfde jaar van de regeerperiode van Salomo was het gebouw klaar.

    1 Koningen 6:37 In het vierde jaar werd de grond van het huis des HEEREN gelegd, in de maand Ziv; 38 En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; alzo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd. (Statenvertaling)

     

    De achtste maand van de Hebreeuwse kalender staat voor oktober/november van de westerse kalender. Volgens de westerse jaartelling zijn we hier in het najaar van 996 v. Chr.

    Onmiddellijk na het afwerken van de Tempel liet Salomo zijn paleis oprichten en nog een bijzondere woning met de naam: Ďhet huis des wouds van Libanoní, een bouwkunstwerk dat hij liet versieren met driehonderd gouden schilden. Over Salomo ís huis: woud van de Libanon, schreef ik eerder op dit blog op 09.03.2015 een artikel, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1425855600&stopdatum=1426460400

    1 Koningen 7: 1 Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn ganse huis. 2 Hij bouwde ook het huis des wouds van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.

     

    In vergelijking met de Tempel zou Salomo bijna de helft meer in tijd en energie aan zijn eigen bouwwerken laten besteden. Het toont al iets van de geestelijke metamorfose die zich aan het voltrekken was bij zijn groei van jongeling tot man. Met zijn zestien jaar was hij vol geestelijke ijver aan de Tempel begonnen die met zijn drieŽntwintigste jaar afgewerkt was. In de tussentijd had hij de dochter van farao van Egypte gehuwd en deze in de Stad David ís ondergebracht. Daarna zou hij als een ware oosterse potentaat een harem van 999 vrouwen verzamelen. Bij zijn dood in 967 v. Chr. scheurden zich vanwege het harde regeerbeleid van Salomo, tien van de twaalf stammen van IsraŽl van zijn zoon en troonopvolger Rehabeam af. Rehabeam was de zoon van Salomo bij diens tot hoofdvrouw verkozen bruid: de Ammonietische Našma. Het begin van de ongerechtigheid van IsraŽl nam hier in 983 v. Chr. een aanvang. Zie ook het recente artikel op dit blog van 21.06.2017: Dr. Floyd Nolen Jones: 'The Chronology of the Old Testament' en de 390 jaar van de profeet EzechiŽl Ďs Ďongerechtigheid van het huis IsraŽlsí.

    Na het afwerken van de Tempel te Jeruzalem vulde de ĎHeerlijkheid des HEERENí als een wolk het Heilige der heiligen in de Tempel.

    1 Koningen 8:10 En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde. 11 En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld. 12 Toen zeide Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.

     

    Volgens de Joodse overlevering zou het wonen van de HEERE God in het Heilige der heiligen in de Tempel een jaar op zich hebben laten wachten.

    "The Temple was finished in the month of Bul, now called Marheshwan, but the edifice stood closed for nearly a whole year, because it was the will of God that the dedication take place in the month of Abraham's birth. Meantime the enemies of Solomon rejoiced maliciously. "Was it not the son of Bath-sheba," they said, "who built the Temple? How, then, could God permit His Shekinah to rest upon it?" When the consecration of the house took place, and "the fire came down from heaven," they recognized their mistake. The importance of the Temple appeared at once, for the torrential rains which annually since the deluge had fallen for forty days beginning with the month of Marheshwan, for the first time failed to come, and thenceforward appeared no more. "

    Louis Ginzberg, Legends of the Jews, V, Volume 4.

     

     

    Dat het met Salomo spoedig fout liep merken we in de Bijbel. Zo leert het hierna volgende Bijbelcitaat dat er jaarlijks bij Salomo 666 talenten goud werden binnengebracht. Dit getal is in het laatste Bijbelboek Apocalyps verbonden met de naam van het Beest, de pseudo-Messias van de eindtijd. Dit betekent historisch gezien dat Salomo zich van een oorspronkelijke vredevorst ontpopte tot een pseudo-vredevorst die zijn volk en zijn rijk uiteindelijk onheil bracht.

    1 Koningen 10:14 Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten gouds; 15 Behalve dat van de kramers was, en van den handel der kruideniers, en van alle koningen van ArabiŽ, en van de geweldigen van dat land. 16 Ook maakte de koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas. 17 Insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning leide ze in het huis des wouds van Libanon. 18 Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met dicht goud. 19 Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen. 20 En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, desgelijks is in geen koninkrijken gemaakt geweest.

     

    De Joodse overlevering voegt nog een geloofwaardig detail aan de afvallige Salomo toe. Zo leert de legende dat het huwelijksfeest van Salomo met zijn Egyptische bruid op dezelfde dag geschiedde als de inhuldiging van de Tempel. Zijn vreugde was volgens de legende groter over zijn huwelijk dan als over het afgewerkt zijn van de Tempel. In de huwelijksnacht zou de dochter van farao op talloze verschillende muziekinstrumenten voor Salomo laten spelen hebben. Muziekinstrumenten die zij uit Egypte had meegebracht en waarvan elk instrument aan een Egyptische god opgedragen was. En telkens wanneer een muziekinstrument gebruikt werd, werd de naam van de Egyptische god luid op aangeroepen (The Legends of the Jews, Volume IV, Chapter V, The Marriage of Solomon).

     

     

    2 Kronieken 9:17 Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met louter goud. 18 En de troon had zes trappen en een voetbank van goud, aan den troon vast zijnde, en leuningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen. 19 En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest.

     

    Wie de farao van Egypte was met wie Salomo zich verzwagerde heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 197-203, geÔdentificeerd. Op het bijgevoegde schema staat de naam Thothmosis I van de Egyptische achttiende dynastie vermeld. Volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid begon deze farao aan zijn regeerperiode in 1000/999 v. Chr. In zijn vijfde regeringsjaar in 996/995 v. Chr. leidde farao Thothmosis I een veldtocht naar Klein-AziŽ waarbij hij de stad Gezer innam. Deze stad schonk hij als bruidsschat aan Salomo voor het huwen met zijn dochter.

    1 Koningen 9:16 Want Farao, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanašnieten, die in de stad woonden, gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven. (Statenvertaling)

     

    Farao Thothmosis I was aanvankelijk een generaal van het Egyptische leger die door zijn huwelijk met prinses Ahmose de dochter van Ahmose I en koningin Nefertari, in de Koninklijke familie werd opgenomen. Op deze manier legitimeerde hij zijn farao-schap. Met de naam Thothmosis werd eer gebracht aan de god Thoth die vereerd werd i.v.m. de uitdrijving van de Hyksos. Thothmosis I maakte van NubiŽ een Egyptische provincie en voerde veldtochten tot aan de Eufraat. De noordelijke campagne van Thothmosis I naar Naharin aan de Eufraat wordt in zijn vijfde regeringsjaar gedateerd. Het is dezelfde veldtocht waarbij de stad Gezer door farao veroverd werd en aan Salomo als bruidsschat geschonken.

    De studie van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid kan soms heel boeiend zijn. Zo is er bijvoorbeeld het voortreffelijk werk van Peter H. Schulze met zijn boek: Herrin beider Lšnder Hatschepsut. In hoofdstuk 4 vermeldt hij het ontbreken van campagnedetails over de tocht doorheen Retenoe, wat voor het gebied van IsraŽl staat, naar Naharin in het noorden aan de Eufraat, wat hem vreemd overkwam. In het revisionistische model bestaan er geen vraagtekens. Thothmosis I marcheerde door het bevriende Rijk van Salomo naar de Eufraat. IsraŽl en Egypte waren sinds de verdrijving van de Hyksos/Amalekieten geallieerde naties. Door zijn huwelijk met de dochter van farao maakte Salomo er een ware bond van.

     

    Wordt vervolgdÖ.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps

    11-08-2017 om 09:05 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    03-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jericho in het Middenbrons tijdperk

    Joshua (fit) fought the battle of Jericho and the walls came tumbling down

    Dit zijn de bekende woorden van het Amerikaanse gospellied geÔnspireerd door het Bijbelverhaal van de verovering van Jericho door de IsraŽlieten onder leiding van Jozua. Een verhaal dat wereldwijd bekend is. Eerst zond Jozua twee verkenners naar Jericho om inlichtingen te vergaren over de verdedigingswerken en het moreel van de stadsbevolking. De twee mannen kregen onderdak in het huis van Rachab een prostituť, die bij de uiteindelijke verovering en vernietiging van Jericho door de IsraŽlieten samen met haar familie behouden bleef. De verovering van Jericho wordt op wonderlijke wijze in de Bijbel beschreven. Dag na dag zes dagen lang trok het leger van de IsraŽlieten in stilte omheen de stadsmuur. Op de zevende dag echter sloegen de IsraŽlieten toe. Die dag hieven zij na zes maal om de muur te zijn getrokken, een luid krijgsgehuil aan en werd er op de ramshorens geblazen en prompt kwam de muur naar beneden. Elke soldaat liep daarop recht voor zich uit, staat er geschreven, de ingestorte muur over en sloeg heel de stad in de ban. Daarna werd Jericho tot de grond toe afgebrand. Dit is een weergaloos verhaal en was een uitdaging voor de archeologen wanneer deze wetenschap van start ging, om te onderzoeken. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon het werk. Verschillende expedities werkten over de jaren heen na elkaar in het gebied. De meest bekende namen zijn deze van de Bijbelgeleerde Ernst Sellin, professor John Garstang en Kathleen Kenyon.

     

     

    Een Duits-Oostenrijks team onder leiding van de theoloog Ernst Sellin werkte enkele jaren te Jericho van 1907 tot 1909. Zij hadden toelating tot graven gekregen van de toenmalige heersers over het gebied van het oude IsraŽl: de Ottomanen. Sellin was een pionier op het gebied van Bijbelse archeologie. In zijn werk werd hij geassisteerd door de archeoloog Carl Watzinger. Hij bevond dat de noordelijke muur van Jericho niet volledig was neergekomen en concludeerde (terecht) dat deze zijde het huis van Rachab, die gespaard werd, moest gehuisvest hebben. Een gedeelte van de muur met een hoogte van ongeveer 2,40 meter stond in 1907 namelijk nog recht. Met de rapportering van zijn bevindingen betreffende de opgravingen te Jericho werd hij nog niet geplaagd door het gebruik van foutieve dateringsmethoden door latere archeologen.

     

    De Brit John Garstang werkte te Jericho in de dertiger jaren van de twintigste eeuw. De Britten hadden toen het zeggenschap over het gebied. Het huidige gebied van IsraŽl en JordaniŽ werd na de Eerste Wereldoorlog een Brits mandaatgebied. Garstang bestudeerde de versterkingen en herkende vier achtereenvolgende bouwfasen, waarvan de laatste gewelddadig verwoest en verbrand was. Hij schreef die vernietiging toe aan de periode van de IsraŽlitische intocht, die hij dateerde rond 1400 voor Christus, dit in afwijking van het meer algemeen aangenomen jaartal 1250 v. Chr., de zogenaamde late en vroege datering. Wanneer Garstang de vloeren van de Midden-brons stad blootlegde vond hij kruiken tot de rand toe gevuld met verkoold graan wat het Bijbelse relaas bevestigde dat de IsraŽlieten Kanašn binnenkwamen met Pesach op het moment dat er geoogst was. Ook vermeldt de Bijbel dat alles met vuur verbrand werd.

     

    Deze bevindingen van Garstang werden echter in de vijftiger jaren door de archeologe Kenyon volledig onderuit gehaald. Zij bevond dat er een grote stad uit de vroege bronstijd in Jericho was geweest gedurende heel het derde millennium tussen 3000 en 2300 v. Chr., waarvan de muren niet minder dan zeventien maal gevallen en weer opgetrokken waren, toen de stad als een gevolg van een ramp vernietigd werd. De laatste drie fasen van deze versterkingen waren zeven meter voorbij de lijn van de oorspronkelijke muren gebouwd, lager langs de helling van de heuvel of Tell. Dit waren dan de muren geÔdentificeerd door Garstang en gedateerd ten tijde van Jozua maar nu door Kenyon gereviseerd naar zo een duizend jaar eerder dan de intocht van de IsraŽlieten. Gedurende vele eeuwen na de vernietiging van Jericho in 2300 v. Chr. werd Jericho volgens Kenyon, alleen bezet door nomaden tot wanneer in ongeveer 1900 v. Chr. een nieuwe stad ontstond: het Jericho van de Midden-bronstijd. Deze stad kwam volgens haar, aan haar einde ten tijde van de laatste Hyksos-faraoís in Egypte rond 1550 v. Chr. op basis van de orthodoxe tijdsdatering. De verwoesting door vuur werd verklaard vanuit de theorie van de verdrijving van de Hyksos uit Egypte en een achtervolging door het leger van farao tot aan Jericho. Na deze vermeende vernietiging door het leger van farao, (waar geen enkel Egyptisch historisch verslag van bestaat), werd de plaats van Jericho volgens Kenyon verlaten en begon het puin van de verwoeste stad langs de hellingen van de Tell weg te spoelen. De plaats werd volgens Kenyon opnieuw bezet rond 1400 v. Chr. maar op een veel kleiner schaal. Er werden geen nieuwe muren gebouwd, maar vermoedelijk lapten de nieuwe bewoners de resten van de midden-brons muren op. Deze tweedehands muren zouden dan de muren geweest zijn die Jozua deed vallen. Kathleen Kenyon bleef er echter bij dat de herbezetting van Jericho minder dan een eeuw duurde totdat de stad opnieuw verlaten werd, niet later dan 1300 v Chr. Haar conclusie is dat Jericho al een ruÔne was ten tijde van de IsraŽlitische intocht wanneer die orthodox gedateerd wordt in 1250/1225 v. Chr.

     

    Sindsdien heeft de Bijbel voor de wetenschap van de archeologie als historisch boek alle krediet verloren en wordt niet langer meer als een accuraat historisch boek beschouwd. Verlegenheid op verlegenheid was troef bij menig Bijbelgetrouw student vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw. Chronologische constructies werden opgezet en aangeboden om toch een en ander te kunnen verzoenen. Hierbij werd altijd uitgegaan van de juistheid van het aangeboden raamwerk door de orthodoxe Egyptologie.

     

     

    Het diabolische is dat de hiervoor vermeldde archeologen die overigens prachtig werk op het terrein geleverd hebben, een foute dateringsmethode hanteerden en als een gevolg daarvan tot hun boude verklaringen kwamen. Alle aardlagen en strata in IsraŽl werden en worden namelijk aan de hand van de foutieve jaartallen van de orthodoxe Egyptologie, gedateerd. Wanneer bijvoorbeeld een scarabee van een zekere farao in een bepaalde laag aangetroffen wordt, wordt dit stratum op basis van het gevonden Egyptische object gedateerd. En aangezien het chronologische raamwerk van de Egyptologie fout is geeft dit foute dateringen weer in het gebied van het oude IsraŽl. Zie ter illustratie het artikel van 16.08.2016 op dit blog: Unieke archeologische vondst te Jeruzalem, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1471212000&stopdatum=1471816800

    Alleen het revisionisme van de Egyptologie geeft uitkomst. Vooral Dr. ImmanuŽl Velikovsky was in de tweede helft van de twintigste eeuw met zijn publicaties de aanzet tot een wereldwijde studie. De Bijbel had toch gelijk. In de tussentijd houdt de orthodoxie hardnekkig vast aan de juistheid van haar vermeende Egyptische Sothis-datering. Zie mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de geschiedenis van de geschiedenis, blz. 27-41.

    Betreffende de exodus uit Egypte en veertig jaar later de intocht in Kanašn door de IsraŽlieten leren de meeste boeken (en ook Hollywoodfilms) dat farao Ramses II de farao van de Exodus was. Deze farao wordt door de orthodoxie in het Laatbrons tijdperk geplaatst en dus zocht men naar sporen van een IsraŽlitische invasie in Kanašn op het einde van het Laatbrons tijdperk, meer nauwkeurig bij de overgang van Laatbrons LBIIb naar het IJzertijdperk IA. Farao Ramses II was een farao van de negentiende dynastie. De onderzochte strata van het Laatbrons te Jericho geven echter geen beeld weer van een vernietiging zoals de Bijbel die leert. Volgens het Bijbelrelaas kwam de vestingmuur van Jericho volledig naar beneden en werd de stad met alle voorraden erin verbrand.

     

     

    Een bekend revisionist van de geschiedenis van de oudheid is Dr. Donovan Courville. De onderzoeker B. Th., B.A., M.A., Ph. Dr. Donovan Courville laat de Exodus op het einde van de Egyptische zesde dynastie en het Oude Rijk plaatsvinden en verplaatst Vroeg Brons IV naar de tweede helft van de vijftiende eeuw voor Christus. Het Oude en het Midden-rijk waren volgens Courville contemporain met slechts ťťn tussenperiode, die van de Hyksos, die na de Exodus met de vernietiging van het leger van farao, Egypte overrompelden. De IsraŽlieten vervolgden hun weg naar Kanašn dat zij veertig jaar later in bezit namen. Zij waren nieuwkomers met logischerwijze een nieuwe soort potten en pannen. Zij namen, gepaard gaande met natuurlijke catastrofes, op gewelddadige wijze het land in bezit. In het model van Courville volgt de Midden-brons periode onmiddellijk op het Vroeg-brons tijdperk. Het archeologische beeld in de streek van Jericho is duidelijk Ė een noodlottige catastrofe, gevolgd door bezetting door nieuwkomers. Het is in feite een eenvoudige oefening die Courville toepast. Hij toont aan dat de Egyptologie er zeshonderd jaar naast zit. Wanneer we de datering van het begin van Midden-brons aan de Bijbelse gegevens aanpassen valt veel op zijn plaats. Niemand twijfelt er aan dat de IsraŽlieten later het machtigste volk van IsraŽl werden; dus veroverden ze op deze wijze het land. Dat is uitgangspunt, het fundamentele feit. Een citaat van de Bijbelvorser en Wetenschapper Courville:
    ď...It must not be forgotten that the task of historians is not to create history.
    The events of history have occurred, and there is nothing that can be done to change the time relationships between these events by a single minute. The task is rather that of unraveling the confused records which have come down to us, and when this task has been done correctly, it is axiomatic that it should not be necessary to apologize for inconsistencies and anomalies at every turn of events.Ē1971, Donovan A. Courville, B.Th., B.A., M.A., Ph.D.

     

    Conclusie: het is alleen de volledige herziening van de chronologie van de orthodoxe Egyptologie dat echt uitkomst biedt. Er zijn onderzoekers die niettemin het Bijbelverhaal alsnog trachten recht te doen door het zoeken naar alternatieve oplossingen. Er worden constructies aangeboden waarbij men de moeilijke Bijbelse jaartallen loslaat en naar een zogenaamde late datering van de exodus gaat om een en ander te kunnen verklaren. De Griekse LXX Septuagint Bijbelvertaling met haar afwijkende jaartallen wordt ook gehanteerd wat alleen maar aan de verwarring toevoegt. Men zit namelijk in het keurslijf van de orthodoxe Egyptologie dat men als een historische bron beschouwd en zoekt naar aanvaardbare faraokandidaten voor de exodus in de achttiende en negentiende dynastie van Manetho. Een moeilijke opdracht aangezien de Bijbel leert dat farao samen met zijn leger (Psalm 136:15) in de Rode Zee verzoop wanneer hij de IsraŽlieten meende te kunnen achtervolgen. Zie mijn boek EXODUS, 2016, hoofdstuk; farao met zijn heir in de Schelfzee gestort, blz. 93-106.

    Men kan dan eventueel in een naÔef geloof blijven zoals dat zondagsschoolventje dat nadat hij de onderwijzer had horen uitleggen dat de Rode Zee zich helemaal niet geopend had zoals het in de Bijbelfilm Exodus te zien is, maar dat de IsraŽlieten door een riet-zee trokken met water slechts tot aan de knieŽn. Het zondagsschoolmannetje merkte toen op: maar meester, dan is er toch een groter wonder geschied, want dan zijn al die Egyptenaren in een halve meter hoog water verzopen. Men kan hier om glimlachen, intussen blijft het onze verantwoordelijkheid om de geschiedenis te ontrafelen. Al diegenen die oprecht, naÔef of moedwillig, in de strata van het Laatbrons tijdperk te Jericho op zoek gaan naar bewijzen van een vernietiging van Jericho zoals de Bijbel leert, zijn in feite bezig zoals de illustratie van dat dappere ventje in de zondag klas die de riet-zee-route maar op de koop toe neemt, maar verder geen onderzoek doet naar de correcte weg van de exodusroute.

     

     

    Het resultaat van het plaatsen van de vernietiging van Jericho in het Laatbrons tijdperk is dat dan ook het grote rijk van Salomo zoals beschreven in de Bijbel, in het IJzertijdperk valt en van de uitgebreide bouwactiviteiten van Salomo zijn in de strata van het IJzertijdperk geen echte sporen terug te vinden. De diabolische consequentie hiervan is dat heel de Bijbel dan mythe wordt. Of hoe belangrijk het werk van het revisionisme van de oudheid is. Tot slot nog even opmerken dat de benaming: brons en ijzertijd niet veel met het gebruik van deze metalen te maken heeft maar alles met het gebruik van de verschillende soorten aardewerk zoals potten en pannen die in de verschillende strata gevonden worden en die op basis van de orthodoxe Egyptologie gedateerd worden.

    Over de archeologie in het licht van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid publiceerde ik eerder op 11.08.2015 op dit blog het artikel van een specialist ter zake: Dr. John J. Bimson, Exodus and Conquest -- Myth or Reality? Can Archaeology Provide the Answer? Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1439157600&stopdatum=1439762400

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    03-08-2017 om 08:04 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkerenÖ

    Het feit dat we stoffelijk zijn en uiteindelijk over een leeftijdsspan heen tot stof wederkeren maakt dat we ook een mensenleven van de geboorte tot het sterven chronologisch op een tijdsbalk kunnen uittekenen. De Bijbel geeft de mens in Psalm 90 een leeftijdsspan van zeventig tot tachtig jaar, afhankelijk of een mens sterk is of niet. We weten allen dat hierop uitzonderingen mogelijk zijn. Boeiend is het te bedenken dat Mozes de auteur van Psalm 90 is en deze psalm al ongeveer 3500 jaar oud. Vooral boeiend vanwege de opgegeven leeftijdsspan van zeventig tot tachtig jaar, een levensspan die in het Westen pas in de twintigste eeuw als een gemiddelde bereikt werd. De voedings- en reinigings-wetten van Mozes zullen in het oude IsraŽl hun rol gespeeld hebben.

    Psalm 90:1 Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht. 2 Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God. 3 Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen! 4 Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak. 5 Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; 6 In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort. 7 Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt. 8 Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns. 9 Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

    10 Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.

    11 Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? 12 Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen. 13 Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten. 14 Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. 15 Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben. 16 Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen. 17 En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat. (Statenvertaling)

     

    De vermelde zeventig tot tachtig jaar als leeftijdsspan kan ook volgens de Bijbel verder in belangrijke ontwikkelingsfasen ingedeeld worden. Ook op geestelijk gebied:

    1 Johannes 2:12 Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil. 13 Ik schrijf u, vaders! want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend. (Statenvertaling)

     

    We beginnen (zowel geestelijk als lichamelijk) als kinderkens, vervolgens groeien we naar kinderen toe, daarna tot jongelingen en daarna het ouderschap. Het getal zeven valt in deze fase van ontwikkeling op. Zeven jaar oud, veertien jaar oud en vervolgens eenentwintig jaar oud toont een ontwikkeling in stappen. In het Oude Testament werd men voor zijn daden verantwoordelijk gesteld vanaf het eenentwintigste levensjaar (20plus). Dat merken we in de Exodusgeschiedenis waar alle van het IsraŽlitische geslacht, van ouder dan twintig jaar, die weigerden het Beloofde Land binnen te trekken, veroordeeld werden tot veertig jaar in de wildernis en daar ook aan hun einde kwamen.

    De beschreven leeftijdsspan van de mens, die overigens getekend is door moeite en verdriet, eindigt volgens Psalm 90:3 in de verbrijzeling van het lichaam.

     

     

    De dood is over de mens en de schepping gaan heersen vanaf Genesis 3:17 ďÖzo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. 18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten. 19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkerenĒ.

     

    Dit alles als een gevolg van het oordeel over de rebellie van de eerste mensen. Een oordeel dat van generatie op generatie aanhoudt (Romeinen 5:12), ook voor diegenen die niet op gelijke wijze zoals Adam hun doel gemist hebben.

    Doornen en distels brengt de vervloekte aarde sindsdien voort (Genesis 3:17:19), en het sterven heerst over alles. De Schepping is dienstbaar aan de vergankelijkheid geworden, en kreunt zoals in een barensnood in al haar delen (Romeinen 8:20-23).

    Het Bijbelboek Prediker hoofdstuk twaalf beschrijft in detail het aftakelingsproces dat zich al heel vroeg in een mensenleven inzet met uiteindelijk in vers zeven: de beschreven dood. Wat de mens onderscheidt van de dieren en de rest van de schepping is dat bij zijn of haar dood, zijn/haar levensadem wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.

    Prediker 12:7Ö en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.

     

    Prediker 3:19 Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja, eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben enerlei adem, waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren; want alles is ijdelheid, 20 alles gaat naar ťťn plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof. 21 Wie bemerkt, dat de adem der mensenkinderen opstijgt naar boven en dat de adem der dieren neerdaalt naar beneden in de aarde? (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Hierna het Bijbelgedeelte uit het boek Prediker dat in detail het aftakelingsproces beschrijft. Ik heb tussen haakjes de Bijbelse beeldspraak verduidelijkt.

    Prediker 12:Gedenk dan uw Schepper in uw jongelingsjaren, voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen, waarvan gij zegt: Ik heb daarin geen behagen; 2 voordat de zon verduisterd wordt evenals het licht en de maan en de sterren en de wolken na de regen wederkeren; 3 op de dag, dat de wachters (de armen) van het huis (het lichaam) beven en de sterke mannen (de benen) zich krommen, en de maalsters (de tanden) ophouden, omdat haar aantal gering geworden is, en zij, die uit de vensters (de ogen) zien, hun glans verliezen (staar), 4 en de deuren (de oren) naar de straat gesloten worden; als het geluid van de molen verzwakt, en de stem hoog wordt als die van een vogel en alle tonen gedempt worden; 5 op de dag, dat men ook vreest voor de hoogte, en er verschrikkingen op de weg zijn (insomnia), de amandelboom (witte haren) bloeit, de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbes niet meer helpt (seks) Ė want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers gaan rond op de straat Ė; 6 voordat het zilveren koord (ruggengraat) losgemaakt en de gouden lamp (de schedel) verbroken wordt; voordat de kruik bij de bron verbrijzeld en het scheprad in de put verbroken wordt (falen van het hart), 7 en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.

     

    Dit beschreven dienstbaar zijn aan de vergankelijkheid is voor alle mensen van alle generaties van zowel verleden als heden gelijk. Dit zowel voor gelovigen als voor niet-gelovigen, andersgelovigen, binnen het verbond, buiten het verbond enzoverder, allen worden getroffen en er is geen uitzondering.

    De aarde is sinds de eerste rebellie van de mens door de Schepper aan de vruchteloosheid onderworpen (Romeinen 8:20), leert Paulus in het Nieuwe Testament.

    Paulus ondervond in zijn eigen lichaam de eerdere beschrijving van het verval van de mens. In zijn brief aan de Galaten lezen we in hoofdstuk 4 vers twaalf, dat hij ziek geworden was. Het was vermoedelijk een oogkwaal, zoals we kunnen opmaken uit Galaten 4:15 en Galaten 6:11:

    Galaten 4:12 Weest zoals ik, bid ik u, broeders, omdat ook ik ben zoals gij. Gij hebt mij in geen enkel opzicht verongelijkt. 13 Ja, gij weet, dat ik aan u de eerste maal, omdat ik ziek geworden was, het evangelie verkondigd heb, 14 en toch hebt gij de verzoeking, die er voor u in mijn lichamelijke toestand gelegen was, niet als iets verachtelijks beschouwd of ertegen gespuwd, maar gij hebt mij ontvangen als een bode Gods, (ja), als Christus Jezus. 15 Gij hebt u toen gelukkig geprezen; wat is daarvan over? Want ik kan van u getuigen, dat gij, ware het mogelijk geweest, uw ogen uitgerukt en ze mij gegeven zoudt hebben.

     

    Aan de KorintiŽrs schreef Paulus (2 KorintiŽrs 12:7-10) dat hem een doorn in het vlees gegeven was, een angel die hem lichamelijk zwak maakte, waar hij onder gebukt ging. Driemaal had hij God gebeden die angel weg te nemen, maar vergeefs. ďMijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheidĒ, was het antwoord van God op Paulus gebed om genezing.

    Ook anderen kon Paulus niet altijd helpen. Aan TimoteŁs zijn vriend en mede-evangelist, die aan gedurige maagongesteldheden leed schreef Paulus (1 TimoteŁs 5:23) als recept voor zijn maag, dat hij niet alleen water zou drinken maar ook een beetje wijn.

    In de tweede brief aan TimoteŁs (2 Tim. 4:20) schrijft Paulus dat hij een medewerker met de naam Trofimus te Milete, ziek zijnde had moeten achterlaten.

    Aan de Filippenzen schrijft Paulus in zijn brief aan hen over Epafroditus, een medestrijder en afgevaardigde van Paulus, dat deze doodziek was geweest, maar dat God Zich over hem ontfermd had.

    Filippenzen 2:25 Maar ik achtte het noodzakelijk, Epafroditus tot u te zenden, mijn broeder en medearbeider en medestrijder, die uw afgevaardigde was om mij te helpen in hetgeen ik nodig had. 26 Immers, hij was vol verlangen naar u allen en ook in zorg, omdat gij gehoord hadt, dat hij ziek was. 27 Hij is ook ziek geweest, de dood nabij, maar God heeft Zich over hem ontfermd, en niet alleen over hem, maar ook over mij, opdat ik niet droefheid op droefheid zou hebben. 28 Ik zend hem dan met te meer spoed, opdat gij, als gij hem ziet, u weer verblijden moogt en ik minder zorg moge hebben.

     

    Vers 27 geeft vandaag hoop aangezien we mogen weten dat God in deze tijd de huidige bedeling van de genade, Zich wil ontfermen. Alhoewel er toch een groot onderscheid is met de toestand tijdens de bedeling onder de Wet. Aan het oude IsraŽl dat als natie met de Exodus in 1483 v. Chr. uit Egypte getrokken was, was de belofte gegeven dat zij vrij van ziekten zouden zijn, indien zij de Wet zouden onderhouden.

    Exodus 15:26 En (Mozes) zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!

     

    De troost die Paulus, de apostel der heidenen, aan de Romeinen onder de huidige bedeling doorgeeft is de volgende:

    Romeinen 8:18 Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. 19 Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods.

     

    Het openbaar worden van de zonen Gods, gebeurt bij de (tweede) komst van Jezus Christus. Het is de in de Bijbel beloofde opstanding. Een opstanding die in chronologische etappes gebeuren zal. Eerst de Christus, vervolgens de Ekklesia (1 KorintiŽrs 15:20-28), vervolgens IsraŽl en de volken (DaniŽl 12:2, 3 en 13). Het is de vertroosting van de tweede komst van Christus en de daarmee gepaard gaande opstanding van de Ekklesia die Paulus aan de Thessalonicenzen doorgaf, wanneer zij geliefden aan de dood, aan de verbrijzeling moesten afgeven.

     

     

    (de hierboven getoonde afbeelding is niet naar waarheid getekend maar is alleen maar een poging tot visuele uitbeelding van de opstanding. De auteur is mij onbekend en ik zal de afbeelding bij eerste verwittiging dan ook verwijderen. De beeldspraak is wel zeer treffend. Het laat een kerkgebouw met kerkhof in verval zien alsof het christendom in die toekomende tijd van weinig tel meer is. Wat ook opvalt is de eerder beschreven opstanding in etappes. De tijdens hun leven wedergeboren christenen krijgen op de afbeelding hun opstanding terwijl de overige doden in hun graven (voorlopig) onberoerd blijven.)

     

    1 Thessalonicenzen 4:14 Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem. 15 Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. 16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. 18 Zo dan, vertroost elkander met deze woorden. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het begrijpen van de Romeinenbrief hoofdstuk 8 kan ook vandaag als een troost en berusting werken wanneer men zelf (of geliefden) getroffen wordt door de eerder in Psalm 90 beschreven moeite en verdriet eindigend in de verbrijzeling van het lichaam. De Romeinenbrief heeft het over het lijden van de tegenwoordige tijd. Dit lijden is gelijk voor gelovigen en niet-gelovigen. Alle zijn aan de dienstbaarheid van de vergankelijkheid onderworpen. De schepping zucht en is als in barensnood.

    Romeinen 8:20 Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, 21 in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. 23 En niet alleen zij, maar ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.

     

    De enige hoop voor de van ouds rebellerende mens is het aannemen van Jezus Christus als zijn Heer en Heiland, en de verwachting van Zijn (weder)komst als de Losser die alles hersteld.

    Filippenzen 3:20 Want wŪj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, 21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen

     

    Romeinen 8:24 Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? 25 Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding. 26 En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. 27 En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit. 28 Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. 29 Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid  aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; 30 en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vůůr ons is, wie zal tegen ons zijn? 32 Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? 33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; 34 wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? 36 Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen.

    37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, 39 noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here. (NBG Vertaling 1951)

     

    Wordt zeker vervolgdÖ.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    27-07-2017 om 15:28 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.360 dagen in een jaar in de oudheid?

    Er zijn schriftelijke overleveringen die leren dat de wereld van de oudheid ooit een jaar van 360 dagen kende in tegenstelling tot de huidige tijd waar een jaar uit 365, 25 dagen bestaat. De Bijbel bijvoorbeeld brengt de geschiedenis van de zondvloed van meer dan vierduizend jaar geleden op basis van een jaar van 360 dagen. Ook in andere beschavingen rekende men met maanden van dertig dagen (BW Bijbel en Wetenschap, Chronologie door F.J. Kerkhof, Blz. 25, ISBN 90 70145 04 9). De AssyriŽrs bijvoorbeeld rekenden met maan-maanden van dertig dagen. Een jaar telde 360 dagen en een decennium of Sarus telde 3600 dagen. In India verdeelden de Vedaís het jaar in twaalf maanden van dertig dagen. Pas in de zevende eeuw voor Christus begonnen de Hindoes te rekenen met een jaar van 365,25 dagen. In Babylon begonnen de maanden van dertig dagen met het licht van de nieuwe maan, twaalf maal per jaar. In de achtste eeuw voor Christus werden vijf dagen toegevoegd. Ook in Egypte rekende men aanvankelijk met een jaar van 360 dagen. Het papyrus Ebers, een bewaard document ten tijde van het Nieuwe Rijk had een jaar van twaalf maanden, elk van dertig dagen. De vijf extra dagen het epagomena, werden pas later toegevoegd. Deze toevoeging was niet het gevolg van een betere astronomische kennis maar was noodzakelijk als een gevolg van veranderingen aan de sterrenhemel, zoals het Canopus Decreet ook vermeldt. Dit document dateert uit 239 v. Chr. en stelt dat gedurende een bepaalde periode in de geschiedenis van Egypte een jaar slechts 360 dagen telde en dat later vijf dagen werden toegevoegd. Een ander Egyptisch document van de oudheid: het Sothisboek vermeldt dat het jaar van 360 dagen tijdens de Hyksos-heerschappij tot stand kwam en dat in de achtste eeuw v. Chr. de vijf epagomena aan het jaar werden toegevoegd.

     

     

    Een kalenderafbeelding uit de tempel van Senemmoet, een dienaar van Hatsjepsoet, achttiende dynastie.

     

    Hierna een citaat van de oudheidhistoricus Herodotos die over de Egyptische kalender van 360 dagen en de wijziging naar 365 dagen berichtte.

    Herodotos Boek II, 4. But as to those matters which concern men, the priests agreed with one another in saying that the Egyptians were the first of all men on earth to find out the course of the year, having divided the seasons into twelve parts to make up the whole; and this they said they found out from the stars: and they reckon to this extent more wisely than the Hellenes, as it seems to me, inasmuch as the Hellenes throw in an intercalated month every other year, to make the seasons right, whereas the Egyptians, reckoning the twelve months at thirty days each, bring in also every year five days beyond the number, and thus the circle of their seasons is completed and comes round to the same point whence it set out. They said moreover that the Egyptians were the first who brought into use appellations for the twelve gods and the Hellenes took up the use from them; and that they were the first who assigned altars and images and temples to the gods, and who engraved figures on stones; and with regard to the greater number of these things they showed me by actual facts that they had happened so. Ö

     

     

    En om af te sluiten: Plutarchus, een Griekse historiograaf en filosoof (ca. 46/120 AD), schreef in zijn Ďleven van Numaí, dat in de dagen van Romulus in de achtste eeuw v. Chr., de Romeinen een jaar van slechts 360 dagen hadden.

    De beschavingen van de oudheid bouwden veel van hun tempels en andere gebouwen in relatie tot en rekeninghoudend met de sterren- en planetenhemel en dit met een heden bekende verbazingwekkende nauwkeurigheid. Men kan er gerust van uitgaan dat zij een grote astronomische kennis hadden en dat zij ook accuraat veranderingen aan diezelfde hemel hebben genoteerd en doorgegeven. Deze veranderingen kunnen historisch geduid worden en tegen het einde aan van de achtste eeuw voor Christus werd een definitieve kalenderwijziging nodig.

    Er was een historisch verifieerbare cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong aan voorafgegaan en deze was de oorzaak van de storing van planeet aarde in haar omwenteling om de zon. Op dit blog heb ik regelmatig aan de cyclus van meganatuurcatastrofes in de oudheid aandacht gegeven. Het meest recente artikel dateert van 13.03.2017: de zondvloed van Deucalion, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489359600&stopdatum=1489964400

    De hiervoor beschreven theorie dat planeet aarde nog in een recent verleden van slechts 2800 jaar geleden door een serie kosmische catastrofes getroffen werd wat een kalenderwijziging noodzakelijk maakte, wordt door de moderne wetenschap kosmologie op basis van de evolutietheorie afgewezen. De moderne wetenschap kosmologie volgt de uniformiteittheorie. 'The present is the key to the past': vanuit deze theorie neemt men aan dat wat men tegenwoordig in de kosmos vaststelt altijd zo geweest is. Alle vermeldingen naar kalenderwijzigingen in de achtste eeuw voor Christus worden door moderne kosmologen als een slecht lezen van de hemellichamen door de oudheidastronomen verklaard.

    Het zijn de Bijbel en de Joodse overleveringen die toelaten de periode van de kalenderwijziging nauwkeurig op de tijdsbalk te duidden. In het sterfjaar van koning Achaz van Juda in het voorjaar van 722 v. Chr. leert de Joodse overlevering een storing van de aarde in haar loop om de zon.

    While the northern kingdom was rapidly descending into the pit of destruction, a mighty upward impulse was given to Judah, both spiritually and materially, by its king Hezekiah. In his infancy the king had been destined as a sacrifice to Moloch. His mother had saved him from death only by rubbing him with the blood of a salamander, which made him fire-proof. In every respect he was the opposite of his father. As the latter is counted among the worst of sinners, so Hezekiah is counted among the most pious of Israel. His first act as king is evidence that he held the honor of God to be his chief concern, important beyond all else. He refused to accord his father regal obsequies; his remains were buried as though he had been poor and of plebeian rank. Impious as he was, Ahaz deserved nothing more dignified. God had Himself made it known to Hezekiah, by a sign, that his father was to have no consideration paid him. On the day of the dead king's funeral daylight lasted but two hours, and his body had to be interred when the earth was enveloped in darkness.

    (The Legends of the Jews, by Louis Ginzberg, IV, Bible Times and Characters, From Joshua to Esther, Hezekiah)

     

    Vierenvijftig jaar en zes maanden eerder in oktober 776 v. Chr. werd de wereld van de oudheid door een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong getroffen. De magnitude van deze ramp en de datering heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 279-284, beschreven.

     

    Maar de meganatuurcatastrofe die planeet aarde trof in het veertiende regeringsjaar van Hizkia van Juda in 709 v. Chr. maakte dat daarna geen enkel religieus feest in IsraŽl noch daarbuiten nog seizoen-correct gebeurde.

     

     

    In het Bijbelboek Jesaja vinden we een verwijzing naar een verstoring van de omloop van de aarde om de zon.

    Jesaja 38:1 In die dagen werd Hizkia ten dode toe ziek. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, tot hem en zeide tot hem: Zo zegt de HERE: tref beschikkingen voor uw huis, want gij zult sterven en niet herstellen. 2 Toen keerde Hizkia zijn gelaat naar de wand en bad tot de HERE 3 en zeide: Ach, HERE, gedenk toch, dat ik voor uw aangezicht in trouw en met een volkomen toegewijd hart gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in uw ogen. 4 En Hizkia weende luid. Toen kwam het woord des HEREN tot Jesaja: 5 Ga en zeg tot Hizkia: zo zegt de HERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal aan uw levensdagen vijftien jaar toevoegen, 6 en Ik zal u en deze stad uit de macht van de koning van Assur redden en deze stad beschutten. 7 En dit zal u het teken zijn van des HEREN kant, dat de HERE ook doen zal wat Hij gesproken heeft: 8 zie, Ik doe de schaduw op de treden waarlangs zij door de zon op de trap van Achaz is afgedaald, weer tien treden teruggaan. En de zon ging tien treden (voeten) terug op de treden die zij gedaald was.

     

    Het resultaat dat het teruggaan van de schaduw op de trap van Achaz had wordt verhaald in de Joodse legenden:

    ďFurthermore, the day of Hezekiah's recovery was marked by the great miracle that the sun shone ten hours longer than its wonted time.Ē( The Legends of the Jews, by Louis Ginzberg, IV, Bible Times and Characters, From Joshua to Esther, Miracles wrought for Hezekiah)

     

     

    ĎDe Trap van Achazí is volgens het studiewerk van Donald W. Patten (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Page 123) een zonnewijzer zoals het ook in Egypte gebruikt werd. Patten maakt zijn berekening op basis van een hoogte van zestig voet of ongeveer achttien meter en een breedte van acht tot tien voet aan de basis.

    Een conclusie echter die heel wat revisionistische onderzoekers van de geschiedenis van de oudheid niet maken is dat wanneer de vermelding van het teruggaan van de zon zoals vermeld door de profeet Jesaja een historisch feit is, men geen correcte zonsverduisteringen voorbij het jaar 709 v. Chr. in de tijd terug, meer kan uitvoeren.

     

    Naar mijn weten is er maar ťťn onderzoeker geweest die op het feit van de kosmische catastrofe in het veertiende regeringsjaar van Hizkia wees en de onmogelijkheid er aan verbond om voorbij dit jaartal terug de tijd in exacte zonsverduisteringen te berekenen: de heer Christoph Marx (1932/2016). Zijn opmerking werd gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijk magazine ĎAncient History and Catastrophismí in juni 1980 maar kreeg geen bijval en niemand maakte naar mijn weten, daarna gebruik van zijn bevinding.

     

    De hoofdreden volgens mijn mening voor het afwijzen van de kalenderwijziging in de achtste eeuw v. Chr. is de Assyriologie en haar ijkpunt op de tijdsbalk: de genoteerde zonsverduistering over Nineveh in 763 v. Chr. Dit jaartal is voor de Assyriologie een ijkpunt op de tijdsbalk waar de regeerperioden van de koningen van AssyriŽ mee verbonden zijn.

    Het ankerjaar van de Assyriologie met de genoteerde veronderstelde zonsverduistering over Nineveh in 763 v. Chr. komt echter op losse schroeven te zitten wanneer we aannemen dat 709 v. Chr. en het veertiende regeringsjaar van Hizkia een mijlpaal op de tijdsbalk is. Accurate zonsverduisteringen voorbij dit jaartal de tijd zijn niet meer mogelijk. De geavanceerde computersystemen zijn alle geprogrammeerd op basis van de uniformiteittheorie: de aarde is nooit in haar baan om de zon verstoord en ons zonnestelsel loopt sinds mensengeheugenis als een klokwerk.

    Het orthodoxe ankerpunt en navigatiepunt in de tijd terug met de vermeende zonsverduistering over Nineveh ten tijde van de koning Assur Dan III in het eponiem van Bur-Saggile is nochtans van geen tel meer wanneer men aanneemt dat de omloop van de aarde om de zon inderdaad tegen het einde van de achtste eeuw voor Christus van een jaar van 360 dagen naar een jaar van 365,25 jaar is gewijzigd.

    De consuquentie is dat de datering van de Assyrische koningslijst volledig herzien moet worden.

     

    De genoteerde zonsverduistering over Nineveh ten tijde van de koning Assur Dan III in het eponiem van Bur-Saggile heb ik in mijn boek ĎDe Assyriologie herzien, 2012, verankerd met het jaar van de meganatuurcatastrofe in 800 v. Chr. ten tijde van de profeet Amos.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 271-278 heb ik een hoofdstuk geschreven over de profeet Amos en het dateren van de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong waar hij het begin van zijn bediening aan koppelt.

    Amos 8:9 Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik op de middag de zon zal doen schuilgaan en bij klaarlichte dag het land in het donker zal zetten. 10 Dan zal Ik uw feesten in rouw verkeren, en al uw liederen in klaagzang. Dan zal Ik rouwgewaad brengen op alle heupen en kaalheid op elk hoofd. En Ik zal het maken als de rouw over een eniggeborene en het einde ervan als een bittere dag.

     

    De profeet Amos (4: 11) vergelijkt de ongewone zonsverduistering met de ramp die Sodom en Gomorra een millennium eerder getroffen had: ďIk heb onder u een omkering aangericht, gelijk God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft, zodat gij gelijk zijt geworden aan een brandhout uit het vuur geruktĒ.

     

    Wanneer ik de aardbeving ten tijde van de profeet Amos een meganatuurcatastrofe noemde heb ik niet overdreven. De ramp die het Midden-Oosten en heel de wereld in 800 v. Chr. trof was gelijk aan het geweld toen Sodom en Gomorra in 1889 v. Chr. vernietigd werden.

    Genesis 19:24 Toen liet de HERE zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen, van de HERE, uit de hemel; 25 en Hij keerde die steden om, benevens de gehele Streek, met al de inwoners der steden en het gewas van de aardbodem. (NBG Vertaling 1951)

     

    Dat de kosmos in de dagen van de profeet Amos letterlijk in beroering was leert de Bijbel duidelijk. Hierna een citaat met tussen haken de namen der planeten toegevoegd:

    Amos 5:8 Die het Zevengesternte (KHIMA=Saturnus) en den Orion (KHESIL=Mars) maakt (ordonneert), en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, HEERE is Zijn Naam. 9 Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting. (Statenvertaling)

     

    Het jaartal 800 v. Chr. is ook het resultaat-jaar waar men op de tijdsbalk arriveert wanneer men de regeerperiodes van de Assyrische koningen vanaf Salmaneser III aanbrengt. In het artikel van 23.01.2017 heb ik de regeerperiode van Salmaneser III met het rampjaar 860 v. Chr. verbonden. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1485126000&stopdatum=1485730800

    Al de koningen van AssyriŽ en hun vermelde regeerperioden van Salmaneser III af tot Assur Dan III hebben aldus in mijn studie op de tijdsbalk hun plaats gevonden. Het is opmerkelijk hoe Salmaneser III en Assur Dan III via twee genoteerde meganatuurcatastrofes met elkaar verbonden zijn, en op de tijdsbalk nu meer dan ťťn ankerpunt opleveren, in tegenstelling tot de conventionele zonsverduistering van 763 v. Chr. met slechts een ankerpunt.

    De verwijzing in het eponiem van Bur-Saggile zegt alleen dat de zon verduisterd werd. Wanneer men op de tijdsbalk de genoteerde zonsverduistering van Bur Saggile met de buitengewone zonsverduistering van de profeet Amos verankerd, was een ander hemellichaam verantwoordelijk voor de verduistering en overigens veel schrikwekkender. Ik vraag me ook af waarom men in de eponiemlijsten alleen de zonsverduistering ten tijde van Assur Dan III zou vermelden en niet het astronomisch fenomeen ten tijde van de profeet Amos? Beiden gaan volgens mij over dezelfde zonsverduistering dat zowel over Jeruzalem als Nineveh zichtbaar was.

     

    De afkeer bij onderzoekers voor het in twijfel trekken van het jaar 763 v. Chr. als ijkpunt voor de plaatsing van de Assyrische koningen op de tijdsbalk zijn de consequenties daarmee verbonden. Ik merkte al op dat de Assyrische koningslijst en haar regeerperioden opnieuw op de tijdsbalk gerangschikt dient te worden. Dit betekent ook dat heel wat constructies door revisionisten van de geschiedenis van de oudheid hun huiswerk opnieuw dienen te maken. Ik haal twee voorbeelden met dit artikel aan.

    De Egyptoloog David Rohl bijvoorbeeld maakt in zijn boek ĎA TEST OF TIMEí van Saul en David tijdgenoten en vazallen van farao Achnaton. Dit als gevolg van zijn hanteren en voor waar houden van de uitgedokterde tijdsconstructie van Edwin R. Thiele van de koningen van IsraŽl en Juda in relatie tot de koningen van AssyriŽ. Zijn ankerpunt voor Achnaton op de tijdsbalk is een zonsverduistering over Oegarit in het jaar 1012 v. Chr. op 9 mei in de namiddag, precies te 18.09 u. (A Test of Time, Chapter Eleven, Navigating by the Stars. The Ugarit Solar Eclipse). Een astronoom berekende voor hem met een computerprogramma dat geprogrammeerd volgens de uniformiteittheorie de exacte (?) tijd voor de zonsverduistering over Oegarit. Rohl bouwt zijn thesis op rond de ontdekking van een kleitablet in de ruÔnes van Oegarit. Het ontcijferde kleitablet KTU 1.78 bevat de volgende tekst: The day of the new moon of Hiyaru was put to shame as the sun (goddess) set, with Rashap (?) as her gate keeper. In de Amarnabrief EA151 beschrijft de koning van Tyrus: Abimilki, het catastrofale einde van Oegarit aan farao Achnaton: ďEn vuur heeft Oegarit, de stad van de koning, verteerd; de helft ervan is verteerd, en de andere helft niet; en het volk van het leger van Hatti is niet daarĒ. Rohl verankerde vanuit zijn bevindingen het twaalfde regeringsjaar van farao Achnaton met het jaar 1012 v. Chr., en rangschikte de overige regeerperioden van de farao ís van de achttiende dynastie op basis van dit ankerjaar.

    De reconstructie van Rohl met Saul en David als tijdgenoten van Achnaton houdt echter alleen steek wanneer de uitgedokterde jaartallen van Thiele voor de koningen van IsraŽl correct zijn? Thiele ís reconstructie van de koningen van Juda en IsraŽl op de tijdsbalk gaat er van uit dat er een genoteerde zonsverduistering in 763 v. Chr. was tijdens het eponiem van Bur Saggile, en dat de slag bij Karkar in 853 v. Chr. negentig jaar eerder gedateerd moet worden. Thiele verbond het laatste regeringsjaar van koning Achab van IsraŽl met het jaartal van de slag bij Karkar waar Achab met zijn leger aan deelnam. De verankering van de regeerperiode van Achab met de slag bij Karkar maakt dat Salomo op de tijdsbalk met de regeerperiode 970/930 v. Chr. verbonden wordt. Saul krijgt volgens deze noodlottige constructie een regeerperiode van 1050/1010 v. Chr., gevolgd door David met een regeerperiode van 1010/970 v. Chr.

    Dat Schriftuurlijk gezien Saul en David geen vazallen of knechten van farao van Egypte konden zijn heb ik al eerder op dit blog aangetoond. Zie het artikel van 20.03.2017 : de Bijbelse farao Sisak, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489964400&stopdatum=1490569200 en scrol naar beneden.

    Ik wil er op wijzen dat ik hier op een onderdeel van het werk van David Rohl opmerkingen heb en niet op heel zijn studie. Wie met regelmaat mijn blog volgt weet de maat van de waarde die ik aan het algemene onderzoek van de Egyptoloog David Rohl hecht.

     

    Een volgend voorbeeld dat ik wil aanhalen is de tijdsconstructie die Dr. Stephen E. Jones uitwerkte. Ook deze chronoloog gaat ervan uit dat het jaar 763 v. Chr. een ijkpunt op de tijdsbalk is en de schikking van de koningen van AssyriŽ correct. Ik gaf al aandacht aan de studie van Dr. Stephen E. Jones, Secrets of Time, 1996, in het artikel op dit blog van 07.07.2017.

    In zijn aangehaalde boek: Secrets of Time, 1996, hoofdstuk 2: Fundamentele Bijbelse chronologie, H: van Salomo ís dood tot de dood van Achab, blz. 43, gaat Jones uit van de correctheid van de plaatsing van de regeerperioden van de koningen van AssyriŽ op de tijdsbalk door de orthodoxe Assyriologie aan de hand van de door de moderne astronomie gedateerde zonsverduistering in 763 v. Chr. over Nineveh. Hij laat Achab in hetzelfde jaar van de slag bij Karkar waar deze zich geallieerd met Aram/SyriŽ tegen Salmaneser III streed, tegen Aram keren en in de slag bij Ramoth-Gilead het leven laten.

    Indien Achab aan de slag bij Karkar geallieerde met Aram/SyriŽ heeft deelgenomen, want de Bijbel zwijgt over dit wapenfeit, dan is het toch de logica zelve dat hij dit deed ten tijde van het drie jaren-bestand (1 Koningen 22:1) tussen IsraŽl en Aram (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 243-249).

    Het aanvaarden dat de slag bij Karkar in 853 v. Chr. hetzelfde jaar voorafging aan de slag bij Ramoth Gilead waar Achab sneuvelde levert bovendien een anomalie op. Twaalf jaar later namelijk in het achttiende regeringsjaar van Salmaneser III claimt de AssyriŽr schatting ontvangen te hebben van Jehu van het huis van Omri. Maar in dat jaar had Jehu de dynastie van Omri al uitgemoord en het koningschap over het tienstammenrijk overgenomen. Thiele ging er van uit dat de AssyriŽrs niet wisten wie hen schatting bracht, wat toch onzin is? Hier is het ook logischer het brengen van schatting aan Salmaneser III op de tijdsbalk onder te brengen toen Jehu nog generaal van het leger van IsraŽl was. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik generaal Jehu van het huis van Joram, de kleinzoon van Achab, twee jaar eerder op de tijdsbalk passend ingevuld.

     

    Het is alleen een drastische herziening van de regeerperioden van de Assyrische koningen in lijn met de Bijbels-chronologische gegevens dat soelaas brengt. Zoals eerder opgemerkt ontbreken er zondermeer namen van Assyrische koningen in de lijst die om verschillende redenen door de Assyrische kroniekschrijvers van de oudheid in opdracht van hun koningen verwijderd werden. In het artikel van 14.07.2017 verhaalden we over de Bijbelse koning Jareb van Assur, een naam die in de Assyrische koningslijst ontbreekt. De niet bij naam genoemde Assyrische koning in de Bijbel die zich op de prediking van Jona tot de God van IsraŽl ter uitredding richtte, wordt in de eponiemlijsten ook niet vermeld, noch de beschrijving van het afwenden van de aangekondigde meganatuurcatastrofe van 776 v. Chr. De Grieken begonnen in dat jaar hun Olympische Spelen als dank naar hun goden voor de afgewende ramp. In AssyriŽ was het een en al anarchie en chaos tijdens deze periode. De Griekse legende over Sardanapallos heb ik in mijn boek ĎDe Assyriologie herziení op de tijdsbalk tijdens deze periode ondergebracht. Het was ook in het jaar 776 v. Chr. dat we het optreden van de Hebreeuwse profeet Jona plaatsen. De Assyrische koning die niet bij naam in de Bijbel vermeldt wordt en zich op de prediking van Jona tot de God van IsraŽl voor uitkomst keerde werd ook door de Assyrische kroniekschrijvers in opdracht van hun koningen van de lijst als onwaardig verwijderd.

    Voldoende redenen om de rangschikking door de orthodoxie van de Assyrische koningen op de tijdsbalk met als ijkpunt het jaar 763 v. Chr. af te wijzen. Er rest nu de taak tot een volledige revisie van de chronologie van de Assyrische koningen te komen. De Egyptoloog en revisionist van de geschiedenis van de oudheid Dr. David Rohl, maakte al een begin in zijn bekende boek: A TEST OF TIME, 1995, door een appendix E toe te voegen over de Assyrische chronologie en op de noodzaak tot correcties te wijzen. Hij gaat echter niet ver genoeg, blijft in zijn eigen vakgebied: de Egyptologie en laat in wezen de echte taak over aan een eventuele Assyrioloog (die nog moet opstaan) om tot actie over te gaan.

     

    Met het artikel van 21.06.2017 op dit blog gaf ik aandacht aan de chronoloog Dr. Floyd Nolen Jones en zijn boek 'The Chronology of the Old Testament'. Deze onderzoeker laat de fabricatie van Thiele vallen en keert terug naar de normale onverkorte regeertijd van de koningen van IsraŽl en Juda, wat zondermeer lovenswaardig is. Ook deze onderzoeker beseft dat men dan in conflict met de gevestigde wetenschap Assyriologie komt en de noodzaak tot correctie van de bewaarde Assyrische gegevens. Ook deze onderzoeker gaat echter niet ver genoeg en laat bijvoorbeeld de val van Samaria en de wegvoering van de tien stammen in ballingschap door de Assyrische koning Sargon II voltrekken. Daar waar de Bijbel leert dat Salmaneser V hiervoor verantwoordelijk was (2 Koningen 17:2) en niet de usurpator Sargon II die met dit Schriftgedeelte als een leugenaar en geschiedvervalser ontmaskerd wordt.

     

    De sleutel tot het corrigeren van de regeerperioden van de Assyrische koningen Salmaneser V, Sargon II en Sanherib is het volgende Bijbelgedeelte:

    2 Koningen 18:9 Het geschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkia (hetwelk was het zevende jaar van Hosea, den zoon van Ela, den koning van IsraŽl) dat Salmaneser, de koning van AssyriŽ, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. 10 En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, den koning van IsraŽl, als Samaria ingenomen werd. 11 En de koning van AssyriŽ voerde IsraŽl weg naar AssyriŽ, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden der Meden. 12 Daarom dat zij de stem des HEEREN, huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht des HEEREN, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan. 13 Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van AssyriŽ, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. Ö(Statenvertaling)

     

    Tussen de val van Samaria door het leger van Salmaneser V in het zesde regeringsjaar van Hizkia en de vernietiging van het Assyrisch leger van Sanherib voor de poorten van Jeruzalem in het veertiende regeringsjaar van Hizkia zitten er volgens de Bijbel acht jaar. In het chronologische model dat de moderne Assyriologie levert past de Bijbelse chronologie niet. De Assyriologie laat Samaria door Sargon II in 722 v. Chr. veroveren en de belegering van Jeruzalem door Sanherib in 701 v. Chr. of een periode van eenentwintig jaar wat een verschil van dertien jaar op de tijdsbalk oplevert. Voor Thiele was het onmogelijk de Bijbels-historische gegevens dienaangaande met de Assyrische bronnen te verzoenen en dus verklaarde hij schaamteloos dat 2 Koningen hoofdstuk 18 kunstmatig aan de Bijbel toegevoegd was. Wanneer we echter de chronologische gegevens van 2 Koningen 18:9-13 als historisch correct hanteren (alsof er een andere wijze zou bestaan?) vormen zij de sleutel tot het op losse schroeven zetten van heel het Assyrische model en tegelijkertijd de oplossing.

    Het veertiende regeringsjaar van Hizkia zit namelijk op de tijdsbalk verankerd met het sabbat- en jubeljaar van 709/708 v. Chr. Het was het jaar dat het Assyrische leger van Sanherib bij Jeruzalem vernietigd werd en Jeruzalem gered. Acht jaar daarvoor in het zesde regeringsjaar van Hizkia zijnde 717 v. Chr. werd Samaria door Salmaneser V ingenomen.

    In mijn boek ĎDe Assyriologie herziení heb ik de Assyrische koningen Salmaneser V, Sargon II en Sanherib op de tijdsbalk herschikt. Salmaneser V veroverde Samaria in 717 v. Chr. met Sargon II op dat ogenblik als co-regent en ondergeschikt aan Salmaneser V. Bij de belegering van Jeruzalem in 709 v. Chr. is Salmaneser V verdwenen en regeert Sargon II met zijn zoon Sanherib als co-regent. Sargon II was een usurpator van de Assyrische troon die een Ďdamnatio memoriaeí naar zijn voorganger Salmaneser V doorvoerde. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1462140000&stopdatum=1462744800

    De bekende prismastele van Sanherib waar onder andere de belegering van Jeruzalem op beschreven wordt verwijst naar het aantal veldtochten en niet naar de regeringsjaren van Sanherib. Ten tijde van Achaz en Hizkia deelden meerdere Assyrische koningen de troon met elkaar. De Bijbel verwijst tijdens deze periode dan ook meerdere malen naar de koningen van AssyriŽ in het meervoud.

     

    Ik heb in mijn geciteerde boek een begin gemaakt met de herziening van de Assyrische koningslijst en haar plaatsing op de tijdsbalk. Het werk is echter niet af.

    Wat naar mijn mening nodig is, is een nieuwe autodidact zoals eertijds Dr. I. Velikovsky (1895/1979) er een was die schaamteloos met kennis van zaken buiten zijn vakgebied trad en op de vele anomalieŽn wees bij zowel kosmologie als geologie, egyptologie enzoverder en dit tot irritatie van velen.

     

    Wat als een paal boven water staat is dat de achtste eeuw voor Christus een eeuw van een planeet aarde in beroering was. Aan het eind van die eeuw werd een kalenderwijziging nodig die door de beschavingen van die tijd genoteerd werd. Daarenboven kende de oude wereld in de achtste eeuw voor Christus een klimaatwijziging. Flora en fauna waren in het Nabije Oosten nooit meer dezelfde als voorheen.

     

     

    Het laatste boek (Mankind in Amnesia, 1982) dat de controversiŽle onderzoeker Dr. ImmanuŽl Velikovsky (1895/1979) schreef was gewijd aan het verdringen van de historische meganatuurcatastrofes dat hij catologeerde onder een Ďcollectief geheugenverliesí van de moderne mensheid. Velikovsky omschreef het als het volgt: De herinnering aan catastrofes werd uitgewist, niet door gebrek aan geschreven overleveringen, maar door een kenmerkend proces, dat later gehele naties, tezamen met hun geletterden, in deze overleveringen allegorieŽn of vergelijkingen deed zien, terwijl in werkelijkheid kosmische natuurverstoringen daarin heel duidelijk stonden beschreven.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    21-07-2017 om 08:33 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De datering van de profeet Jona te Nineveh

    Met deze aflevering wil ik de Bijbelse profeet Jona chronologisch op de tijdsbalk plaatsen en de koning van AssyriŽ identificeren die zich op de prediking van Jona te Nineveh tot de God van IsraŽl voor uitkomst wendde.

     

     

    De Bijbel leert dat Jona als profeet optrad ten tijde van de regering van koning Jerobeam II van het tienstammenrijk:

    2 Koningen 14:23 In het vijftiende jaar van Amasja, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van IsraŽl, koning te Samaria; hij regeerde eenenveertig jaar. 24 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, hij week niet af van al de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, IsraŽl had doen bedrijven. 25 Hij heroverde het gebied van IsraŽl, van de weg naar Hamat tot de zee der Vlakte, volgens het woord dat de HERE, de God van IsraŽl, gesproken had door zijn knecht, de profeet Jona, de zoon van Amittai, uit Gat-Hachefer. 26 Want de HERE had gezien, dat de ellende van IsraŽl zeer bitter was, dat het met hoog als met laag gedaan was en dat er geen helper was voor IsraŽl. 27 Maar de HERE had niet gezegd, dat Hij de naam van IsraŽl van onder de hemel zou uitwissen; dus verloste Hij hen door Jerobeam, de zoon van Joas. (NBG Vertaling 1951)

     

    Ook de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus plaatst de bediening van Jona ten tijde van de eenenveertigjarige regeringsperiode van Jerobeam II maar geeft verder ook geen exacte tijdsaanduiding wanneer juist Jona de stad Nineveh bezocht.

    1. IN the fifteenth year of the reign of Amaziah, Jeroboam the son of Joash reigned over Israel in Samaria forty years. This king was guilty of contumely against God, and became very wicked in worshipping of idols, and in many undertakings that were absurd and foreign. He was also the cause of ten thousand misfortunes to the people of Israel. Now one Jonah, a prophet, foretold to him that he should make war with the Syrians, and conquer their army, and enlarge the bounds of his kingdom on the northern parts to the city Hamath, and on the southern to the lake Asphaltitis; for the bounds of the Canaanites originally were these, as Joshua their general had determined them. So Jeroboam made an expedition against the Syrians, and overran all their country, as Jonah had foretold.

    2. Now I cannot but think it necessary for me, who have promised to give an accurate account of our affairs, to describe the actions of this prophet, so far as I have found them written down in the Hebrew books. Jonah had been commanded by God to go to the kingdom of Nineveh; and when he was there, to publish it in that city, how it should lose the dominion it had over the nations. But he went not, out of fear; nay, he ran away from God to the city of Joppa, and finding a ship there, he went into it, and sailed to Tarsus, in Cilicia and upon the rise of a most terrible storm, which was so great that the ship was in danger of sinking, the mariners, the master, and the pilot himself, made prayers and vows, in case they escaped the sea: but Jonah lay still and covered [in the ship,] without imitating anything that the others did; but as the waves grew greater, and the sea became more violent by the winds, they suspected, as is usual in such cases, that some one of the persons that sailed with them was the occasion of this storm, and agreed to discover by lot which of them it was. When they had cast lots, the lot fell upon the prophet; and when they asked him whence he came, and what he had done? he replied, that he was a Hebrew by nation, and a prophet of Almighty God; and he persuaded them to cast him into the sea, if they would escape the danger they were in, for that he was the occasion of the storm which was upon them. Now at the first they durst not do so, as esteeming it a wicked thing to cast a man who was a stranger, and who had committed his life to them, into such manifest perdition; but at last, when their misfortune overbore them, and the ship was just going to be drowned, and when they were animated to do it by the prophet himself, and by the fear concerning their own safety, they cast him into the sea; upon which the sea became calm. It is also reported that Jonah was swallowed down by a whale, and that when he had been there three days, and as many nights, he was vomited out upon the Euxine Sea, and this alive, and without any hurt upon his body; and there, on his prayer to God, he obtained pardon for his sins, and went to the city Nineveh, where he stood so as to be heard, and preached, that in a very little time they should lose the dominion of Asia. And when he had published this, he returned. Now I have given this account about him as I found it written [in our books.]

    (Flavius Josephus, Joodse Oudheden Boek IX, x, 1-2)

     

    Koning Jerobeam II zit op de tijdsbalk verankerd met de regeerperiode van 816 tot 776 v. Chr. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 279-284.

     

     

    Beide historische bronnen: de Bijbel en Josephus brengen een bijzondere geschiedenis over Nineveh, de bekering namelijk van een Assyrische koning tot de God van IsraŽl naar aanleiding van de oordeelaankondiging van de Hebreeuwse profeet Jona te Nineveh. Deze historische gebeurtenis vinden we nochtans niet in de Assyrische kronieken terug. De vermaledijde Assyrische koning die de goden van Assur voor de God van IsraŽl inruilde werd met zekerheid uit de annalen verwijderd en is een aanwijzing dat de wel genoteerde annalen van de AssyriŽrs onbetrouwbaar zijn. Men kan zelfs spreken van een Ďdamnatio memoriaeí voor deze periode in AssyriŽ.

    Hierna het relevante Bijbelgedeelte over de bekering van de koningen van AssyriŽ ten tijde van Jerobeam II en Jona:

    Jona 3:1 Het woord des HEREN kwam ten tweeden male tot Jona: 2 Maak u op, ga naar Nineveh, de grote stad, en breng haar de prediking, die Ik tot u spreken zal. 3 Toen maakte Jona zich op en ging naar Nineveh, overeenkomstig het woord des HEREN. Nineveh nu was een geweldig grote stad, van drie dagreizen. 4 En Jona begon de stad in te gaan, ťťn dagreis, en hij predikte en zeide: Nog veertig dagen en Nineveh wordt ondersteboven gekeerd! 5 En de mannen van Nineveh geloofden God en riepen een vasten uit en bekleedden zich, van groot tot klein, met rouwgewaden. 6 Toen het woord de koning van Nineveh bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn opperkleed af, trok een rouwgewaad aan en zette zich neder in de as. 7 En men riep uit en zeide in Nineveh op bevel van de koning en van zijn groten: Mens en dier, runderen en schapen mogen niets nuttigen, niet grazen en geen water drinken. 8 Zij moeten gehuld zijn in rouwgewaden, mens en dier, en met kracht tot God roepen en zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en van het onrecht dat aan hun handen kleeft. 9 Wie weet, God mocht Zich omkeren en berouw krijgen en zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet te gronde gaan. 10 Toen God zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het God over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het afwenden van de geprofeteerde ramp die Nineveh ondersteboven zou keren plaats ik op de tijdsbalk in het jaar 776 voor Christus. Het is het jaar dat in de oude wereld de Olympische Spelen van start gingen en dit uit dankbaarheid naar hun goden toe, voor het afwenden van Ďdeí ramp. Er was namelijk al eerder een cyclus van meganatuurcatastrofes aan de hand die met een regelmaat van tijd planeet aarde met allerhande calamiteiten teisterde. Het recentste artikel op dit blog dateert van 13.03.2017: de zondvloed van Deucalion, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489359600&stopdatum=1489964400

     

    Toen Jerobeam II de kroon in het tienstammenrijk overnam was de macht van AssyriŽ aan het tanen. Vooral ten tijde van de regeerperiode van Assur Dan III (808/790 v. Chr. Ė gereviseerde chronologie) vermelden de Eponiemlijsten regelmatig jaren van pestilentiŽn, revoluties en meerdere malen de laconieke opgave: Ďde koning bleef in het landí, wat in feite op niets doen wijst. Dit in contrast met de eerdere koningen van Assur die jaarlijks militaire veldtochten hielden.

    In mijn chronologische revisie van de Assyrische koningen heb ik de regeerperiode van Salmaneser III verbonden met het meganatuurcatastrofe-jaar 860 v. Chr., en met de Bijbelse ankerpunten van koning Achab en Jehu van IsraŽl op de tijdsbalk. Vanaf 860 v. Chr. heb ik op de tijdsbalk teruggewerkt en de Assyrische opvolgers van Salmaneser III tot op koning Assur Nerari V, gerangschikt. In mijn boek ĎDe Assyriologie herzien, 2012, verklaar ik een en ander.

    Als een gevolg van het linken van Salmaneser III aan de Bijbelse chronologische gegevens ontstaat er in de achtste eeuw v. Chr. ruimte op de tijdsbalk voor het inbrengen van de ontbrekende namen van Assyrische koningen die niet in de koningslijst vermeld werden.

    In het jaar 782 v. Chr. laat ik volgens mijn revisie bij de dood van Assur Nerari V in AssyriŽ een Ďdamnatio memoriaeí aanvangen. Het laatste eponiem van zijn regeerperiode heeft als commentaar: Ďopstand in Kalhuí. Ik neem aan dat deze opstand zich over heel het Assyrische gebied uitgebreid heeft en plaats maakte voor koningen zoals Sardanapallos vanuit de Griekse overlevering en voor de Bijbelse koningen Jareb en Pul.

     

    De jaren voor Christus: 860, 830, 816, 800 en 790 waren jaren met meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong geweest. We kunnen ons voorstellen dat de oude wereld vol spanning en angst rond 776 v. Chr. uitzag naar de volgende ramp die over hen heen moest komen. In 776 v. Chr. werd deze ramp afgewend en het zou tot 761 v. Chr. duren alvorens een nieuwe calamiteit planeet aarde trof. In het jaar 722 v. Chr.. bij de dood van Achaz van Juda, exact 54 jaar en zes maanden na 776 v. Chr. zou een nieuwe meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong de aarde treffen. Aan deze rampen gingen telkens tekenen aan de hemel vooraf. Volgens het studiewerk van de geleerden Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, met hun werk: ĎThe Long Day of Joshua and Six Other Catastrophesí uit 1973 was de planeet Mars verantwoordelijk voor het verstoren van de omloop van de aarde om de zon.

    Het jaar 776 v. Chr. is volgens mijn revisie het jaar van de grote aardbeving ten tijde van de regeerperiode van koning Azaria/Uzzia in Juda. Het gebied van Juda en IsraŽl werd bijzonder zwaar getroffen want de kracht van de aardbeving ten tijde van Uzzia wordt door de profeet Zacharia als van apocalyptische aard beschreven.

    Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, gaan in hun studie zeer gedetailleerd te werk en leveren een schema met een cyclus van catastrofes van 2484 v. Chr. tot 701 v. Chr. Hun ankerjaar op de tijdsbalk: 701 v. Chr. van waar af zij in de tijd teruggaan is echter van Edwin R. Thiele die foutief het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda met de Assyrische chronologie verbond. Er doet zich een afwijking van acht jaar voor met de historische-verifieerbare regeringstijd van Hizkia op basis van de sabbat- en jubeljaartelling. Zie ook TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 327, hoofdstuk: de kroniek van koning Hizkia.

    Als een gevolg van het hanteren van de chronologie van Thiele voor de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda, zitten Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer wat hun ijkpunt op de tijdsbalk betreft er acht jaar naast en gaan historische verbanden verloren. Wanneer men echter het cyclusmodel van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer, binnen de sabbat- en jubeljaarchronologie hanteert zijn de resultaten nochtans verbluffend. De catastrofe-cyclus is volgens Patten nauwkeurig te berekenen tot 54 jaar en zes maanden met iedere keer een planetaire interactie in de maand maart, het Romeinse Tubilustrium en de daaropvolgende catastrofe 54 jaar en zes maanden later in oktober, het Romeinse Armilustrium. Volgens het studiewerk van Donald W. Patten was de planeet Mars in de oudheid de boosdoener. Hierna een citaat van Patten met een beschrijving, en de gevolgen van zulk een interactie tussen planeten:

    ďOn one or two occasions of the Mars fly-bys, Mars was as close as 70.000 miles from Earth, and at such a distance would appear 50 times as large as the Moon, would reflect 100 times as much sunlight as the Moon (since its albedo or reflectivity is 15% compared to the lunar 7%). Mars at that distance would create tidal effects possibly as much as 350 times as intense as the average lunar tides experienced today. Thus earthquakes plus blizzards of meteors were experienced. Under such circumstances ancient Teutons might well implore Thor to control his ďcelestial sonĒ Tyr or Tiwes

     

     

    Wanneer de profeet Jona voorafgaande aan oktober 776 v. Chr. naar Nineveh gestuurd werd waren de tekenen aan de hemel voor ieder sterveling zichtbaar en de boodschap van de profeet meer dan onheilspellend.

    Alhoewel het land Juda in oktober 776 v. Chr. zwaar getroffen werd kwamen de Grieken en de AssyriŽrs er met weinig kleerscheuren vanaf.

     

    De koning van AssyriŽ die zich volgens de historische bron de Bijbel op de prediking van de profeet Jona tot de God van IsraŽl voor verlossing keerde, kennen we niet bij naam. De AssyriŽrs verwijzen ook niet naar een afgewende ramp in hun bewaard gebleven annalen. We mogen aannemen dat zijn naam uit alle registers verwijderd werd.

    Een eigennaam van een Assyrische koning die we in de Bijbel voor deze periode vinden is die van JAREB. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

    Hosea 5:8 Blaast de bazuin in Gibea, de trompet in Rama! Maakt alarm in Bet-Awen! Achter u, Benjamin! 9 Tot een woestenij zal EfraÔm worden ten dage des oordeels. Over de stammen IsraŽls maak Ik bekend wat vast besloten is. 10 De vorsten van Juda zijn als zij die de grenzen verleggen. Op hen zal Ik mijn verbolgenheid uitgieten als water. 11 Verdrukt is EfraÔm, verpletterd door het recht, omdat hij heeft verkozen het ijdele te volgen. 12 Daarom ben Ik voor EfraÔm als een mot, en als een beeneter voor het huis van Juda. 13 Toen EfraÔm zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, ging EfraÔm naar Assur en zond boden naar koning JAREB (Strijdlust). Deze echter kan u geen genezing schenken, en zal het gezwel van u niet wegnemen.

     

    Hosea 10:1 IsraŽl is een welige wijnstok, die zijn vruchten voortbrengt; naarmate hij meer vrucht verkreeg, maakte hij meer altaren; naarmate het zijn land beter ging, maakte hij mooiere gewijde stenen. 2 Bedrieglijk was hun hart, nu zullen zij hun schuld boeten: Hij zal hun altaren verwoesten, hun gewijde stenen vernielen. 3 Nu zeggen zij wel: Wij hebben geen koning Ė maar, wanneer wij de HERE niet vrezen, wat zou dan de koning voor ons kunnen doen? 4 Zij spreken holle woorden: zweren valse eden, sluiten maar verbonden. En het gericht schiet op als een gifplant in de voren van de akker. 5 Om dat kalf van Bet-Awen zijn de inwoners van Samaria bezorgd; ja, daarover treurt het volk, daarover maken de afgodspriesters misbaar, omdat de heerlijkheid daarvan is geweken. 6 Ja, het wordt zelf naar Assur gebracht als een geschenk voor koning Strijdlust (sv)JAREB.

     

    De profeet Hosea (1:1) trad in IsraŽl op in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van IsraŽl. Deze tijdspanne is dezelfde als de tijd wanneer de profeet Jona naar Nineveh gezonden werd. De profetische woorden aangaande JAREB werden uitgesproken/vervuld na de dood van Jerobeam tijdens de periode van 775 tot 764 v. Chr. wanneer het tienstammenrijk een hele tijd zonder koning zat. Deze tussenperiode in de lijn van de koningen van het tienstammenrijk werd eveneens door Hosea voorspeld:

    Hosea 3: Ö 4 Want vele dagen zullen de IsraŽlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Ö

     

    Hosea hoofdstuk vijf en verder beschrijft de toestand in IsraŽl na de dood van Jerobeam II. Dezelfde tijd dat JAREB koning van AssyriŽ was met als hoofdstad Nineveh.

    In de grondtekst van de Bijbel staat er ĎJarebí wat de SV Statenvertaling correct als een eigennaam doorgaf. De NBG Vertaling (1951) vertaalde JAREB met ĎStrijdlustí. De NBV vertaling (2004) maakte er Ďkemphaaní van.

    We merken hier het gezag dat de wetenschap Assyriologie heeft ten overstaan van nieuwe Bijbelvertalingen. Aangezien de Bijbelse eigennaam JAREB in de Assyrische koningslijsten niet voorkomt neemt men aan dat het Hebreeuwse JAREB wel een andere betekenis moet gehad hebben. Volgens het studiewerk van Dr. Arie Dirkzwager kan de naam Jareb wat een Hebreeuwse verbasterde versie van een Assyrische naam is, in verband gebracht worden met de Griekse legende over Sardanapallos en zijn antagonist Arbakes. Zie link: http://www.dirkzwagerarie.be/joomla/files/Arbaces,%20Jareb,%20Assyr_%20chronol_.PDF

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    14-07-2017 om 08:18 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!