Inhoud blog
  • Farao Sethos van Manetho ‘s negentiende dynastie
  • Het twintigste historische Jubeljaar van oktober 464/september 463 v. Chr.
  • De ivoren troon van Salomo
  • Waar lag de vestingstad stad Avaris en wie bouwde ze?
  • Het negentiende historische Jubeljaar van oktober 513/september 512 v. Chr.
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    11-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Farao Sethos van Manetho ‘s negentiende dynastie

    Farao Sethos I of Seti I was de vader van de bekende Ramses II. Volgens de conventionele Egyptologie regeerde Seti I van ongeveer 1290 tot 1279 v. Chr. in de dertiende eeuw v. Chr. Ik schrijf ongeveer aangezien er in de orthodoxie een verschil van mening aangaande de regeertijd bestaat. Andere bronnen geven data van 1294 en of 1290 tot 1279 v. Chr. De totale regeertijd van Seti I wordt volgens de orthodoxe egyptologie gesteld tussen elf en vijftien jaar te liggen. Dit gebaseerd op de data die de bewaard gebleven monumenten in Egypte opgeven.

    De Egyptische oudheidhistoricus Manetho echter gaf Sethos (zijn Griekse naam) via zijn kopieerders Africanus en Eusebius een regeertijd van vijfenvijftig tot eenenvijftig jaar op. Ik zal aantonen dat een regeertijd van ruim vijftig jaar realistischer is op basis van een aangetoonde link met o.a. koning Manasse van Juda. Zo dadelijk hierover meer.

    Dat de farao ‘s Seti I en Ramses II in de dertiende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk beland zijn is een gevolg van het veronderstelde gebruik door de conventionele egyptologie van een dubbele kalender in het oude Egypte: de zogenaamde Sothis-kalender,. Het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heeft de Sothis-kalender echter ontegensprekelijk onderuitgehaald. Zie o.a. het artikel op dit blog van 27.02.2017: chronologie van het oude Egypte, link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?startdatum=1488150000&stopdatum=1488754800

    Volgens de gereviseerde chronologie van Dr. I. Velikovsky hoort Seti I of Sethos op de tijdsbalk in de zevende eeuw v. Chr. thuis. Een verschil van circa 670 jaar op de tijdslijn. Wie heeft gelijk?

     

     

    Farao Seti I is vandaag ook bekend door de koningslijst die hij heeft nagelaten. In een tempel van Osiris te Abydos in Egypte heeft hij in een muur een koningslijst van zesenzeventig namen-cartouches van zijn voorgangers laten uithakken. Op de afbeelding zien we Seti I en zijn opvolger Ramses II in de zogenaamde hal der voorvaderen die een offer brengen aan hun gemeenschappelijke voorouders. De eerst vermelde farao is Menes met vervolgens chronologisch in twee rijen diens opvolgers. Wanneer men een vergelijking met de andere bekende koningslijsten van Egypte maakt blijkt echter dat een aantal namen van farao’s door Seti I weggelaten werden. De Hyksos-farao’s bijvoorbeeld die bij Manetho de dynastieŽn 15 en 16 uitmaken werden door Seti I niet erkend en komen in de lijst niet voor. De eerste farao’s van de achttiende dynastie volgen bij Seti onmiddellijk na de farao ’s van de twaalfde dynastie. Maar ook de vrouwelijke farao Hatsjepsoet van de achttiende dynastie werd niet vermeld, niet waardig geacht net zoals de heerseres Nitocris van de zesde dynastie. Dat EthiopiŽrs, LibiŽrs en Aziaten met intervallen over Egypte geheerst hebben vinden we in de koningslijst van Seti I ook niet vermeld. Net zo min als de gehate ketter-farao ’s: Achnaton, Smenkhkare, Toetanchaton en Eje. De conclusie moet zijn dat de lijst alleen nuttig is ter vergelijking met de andere vandaag bekende Egyptische koningslijsten.

     

    Het is een hele taak na het opgeven van de rangschikking van de Egyptische dynastieŽn door de orthodoxe egyptologie, een correcte plaatsing voor de negentiende dynastie uit te werken. Ik begon dit artikel met de verwijzing naar de gereviseerde chronologie van Dr. I. Velikovsky die Seti I op de tijdsbalk in de zevende eeuw v. Chr. plaatst, met een verschil van 670 jaar op de tijdsbalk met de orthodoxie.

    Maar ook bij de revisionisten van de geschiedenis van het oude Egypte bestaat er onderling geen overeenstemming waar juist op de tijdsbalk bepaalde farao ’s geplaatst moeten worden.

     

     

    De onderzoeker Dr. Donovan A. Courville (The Exodus Problem and its Ramifications, 1971) bijvoorbeeld plaatst Seti I en zijn zoon Ramses II op de tijdsbalk op het einde van de negende eeuw v. Chr. tot midden achtste eeuw v. Chr. en maakt hem een tijdgenoot van de koningen Uzzia van Juda en van Jerobeam II van IsraŽl.

     

    De egyptoloog David Rohl (A Test of Time, 1995) heeft in zijn reconstructie de farao ‘s Seti I en Ramses II dan weer als tijdgenoten van Salomo en Rehabeam in de tiende eeuw v. Chr., en meent Ramses II de zoon en troonopvolger van Seti I met de Bijbelse Sisak te kunnen identificeren. Maar ook Rohl wordt niet door iedere revisionist gevolgd.

     

    Wat alle revisionisten gemeen hebben is hun afwijzing van Dr. ImmanuŽl Velikovsky ’s (Ramses II en zijn tijd, 1978) plaatsing van Seti I en Ramses II in de zevende en zesde eeuw v. Chr. als alter-ego ‘s van de farao ’s Psammetichos en Necho II van de zesentwintigste dynastie. Dat is voor velen te gortig en wordt afgewezen.

     

     

    In mijn onderzoek van de geschiedenis van de oudheid ben ik al langer tot de conclusie gekomen dat Velikovsky gelijk heeft met zijn plaatsing van Seti I en Ramses II in de zevende en zesde eeuw v. Chr. Velikovsky haalt zijn gegevens uit een grondig onderzoek van oudheidteksten, oude topografische kaarten, plannen van veldslagen en van stratigrafische methoden van de archeologie.

    Wat ik afwijs is zijn stelling dat de zesentwintigste dynastie een fabricatie van Manetho was en dat deze farao ’s in wezen alter-ego ’s van de farao ’s van de negentiende dynastie waren. Ik zie farao Seti I (XIX) niet als identiek met Psammetichos (XXVI) maar als een ondergeschikte co-regent die met zijn legereenheid aan de veldtochten van Psammetichos deelnam of in opdracht van de ouder geworden Psammetichos veldtochten naar Klein-AziŽ ondernam. Ook onder de opvolger van Psammetichos: Necho II, voerde Seti I nog veldtochten uit. Het was het boek: C. Verburg, Farao nagerekend, 1976, dat me op deze denkpiste zette en een eyeopener werd.

    Farao Seti I maakte met zijn legergroep deel uit van het leger van farao Psammetichos en daarna van farao Necho II dat in 609 v. Chr. door het gebied van IsraŽl heen naar Karkemis oprukte. Te Megiddo kwam toen koning Josia van Juda aan zijn einde.

     

    De plaatsing van farao Sethos I op de tijdsbalk door Velikovsky in de zevende eeuw v. Chr. maakt de identificatie van steden die Sethos in Kanašn veroverde eenvoudiger. Er bestaat in de orthodoxe egyptologie bijvoorbeeld discussie over de juiste identificatie van (PKNN) Pa-Kanašn, de eerste stad in Kanašn die veroverd werd. Meestal wordt Gaza aangeduid maar dat is gissen. Zo ook met de plaatsnaam Jenoam waar geen overeenstemming te vinden is. In het gereviseerde model valt veel meer op zijn plaats. Nu Seti I oprukt in het voormalige gebied van het tienstammenrijk is het mogelijk in het Egyptische JENOAM de Bijbelse plaats Janoah (2 Koningen 15:29) westelijk van Hazor, in het gebied van Naftali, te herkennen, een stad die de AssyriŽr Tiglath Pileser eerder innam.

     

     

    Op de bijgevoegde kaart uit de voortreffelijke MacMillan Bible Atlas, heb ik via mijn PC (paint) ingebroken en aanvalsrichtingen, afbeeldingen en plaatsnamen ter verduidelijking ingevoegd.

     

    Een plaatsnaam die voor verrassingen zorgt en de revisie van Velikovsky bevestigd is die van Beth-Sjean. Beth-Sjean wordt al in het Bijbelboek Richteren vermeld.

    Richteren 1:27 En Manasse verdreef Beth-sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, (enzoverder…) Statenvertaling)

     

    Het is interresant vast te stellen dat de Joodse Septuagint vertalers die in de derde eeuw v. Chr. in Egypte de Bijbel naar het Grieks vertaalden, aan de Bijbeltekst toevoegden dat Beth-Sjean gelijk is aan ‘de stad der Scythen’ of Scythopolis in het Grieks.

    LXX Judges 1:27 And Manasse did not drive out the inhabitants of Baethsan, which is a city of Scythians, nor her towns, nor her suburbs; etcetera…

     

     

    De invasie van de Scythen en de inname van Beth-Sjean door hen dateren we in 621 v. Chr. in het eerste regeringsjaar van Kyaxares. Het is de oudheidhistoricus Herodotos (Boek 1.105) die de Scythische invasie van Klein-AziŽ beschreven heeft. Herodotos schrijft dat wanneer de Scythen tot aan de grens met Egypte opgerukt waren, farao Psammetichos hen kon omkopen. Hun tocht leidde hen vanuit het noorden aan de Eufraat langs de kust van de Levant naar Ashkelon, de plaats waar zij door farao Psammetichos afgekocht werden. De kustplaats Ashkelon werd daarop geplunderd en vervolgens trokken zij terug naar het noorden. Te Beth-Sjean hebben de Scythen nog kamp gemaakt. Deze versterkte heuvelstad in Samaria werd later door de Grieken Scythopolis genoemd. Daarna zouden de Scythen gedurende een periode van achtentwintig jaar een gesel voor de Meden betekenen. In 593 v. Chr. kon Kyaxares hen door list ten val brengen (Herodotos Boek 1.106).

    De heuvel of 'tell' van het oude Beth-Sjean/Scythopolis werd in de twintigste eeuw door archeologen onderzocht en de verschillende blootgelegde strata door hen gedateerd. Het oudste onderzochte stratum door de archeologen genummerd met IX, werd aan de regeerperiode van farao Thothmosis III toegewezen en aldus orthodox foutief gedateerd van het jaar 1501 tot 1447 v. Chr. In het gereviseerde model van Dr. I. Velikovsky schuift farao Thothmosis III (de Bijbelse farao Sisak) op de tijdsbalk van de vijftiende naar de tiende eeuw voor Christus. De blootgelegde strata IX tot V te Beth-Sjean bestrijken nu de periode van Thothmosis III tot Ramses II of de Bijbelse periode van Salomo tot Zedekia. De heuvel werd echter slechts tot op een diepte van ongeveer dertien meter onderzocht. Wat zich hieronder bevind blijft alsnog onontgonnen en een vraagteken. Ook belangrijk was de vondst te Beth-Sjean van een overwinningsstele van farao Seti I.

    Farao Seti I heeft tijdens zijn regeerperiode gevochten tegen de achtergebleven plunderende horden Scythen. Zij zijn in het gereviseerde model de door de Egyptenaren vermelde Sjasoe. In het conventionele model worden de Sjasoe met Bedoeïenen geïdentificeerd. Volgens mijn revisie zijn het de gevreesde Scythen, de ruiters van de steppe.

     

    Op bewaard gebleven reliŽfs te Karnak nabij Thebe worden de krijgsgevangen in hun eigen karakteristieke uniformen getoond worden. Hier doet zich echter in het orthodoxe model een anomalie voor. De tegenstanders van Seti I zijn volgens de orthodoxe Egyptologie in de dertiende eeuw v. Chr. Hethieten en bedoeïen of Sjasoe, terwijl op de tempelmuren duidelijk een derde groep vijanden getoond wordt. Zij worden afgebeeld als infanterie met strijdwagens en cavalerie op niet-gezadelde paarden. De orthodoxie maakt melding van deze eigenaardigheid maar identificeert deze derde groep bij gebrek aan andere kandidaten in de dertiende eeuw v. Chr. eveneens als Hethieten. Naar de zevende eeuw v. Chr. getransponeerd kan de derde afgebeelde groep tegenstanders nu met Scythen geïdentificeerd worden.

     

    Onder de oud-Egyptische term Sjasoe vallen niet alleen bedoeïeen maar een meer variante groep van vijanden. De Sjasoe komen we ook al tegen in documenten van de achttiende dynastie. Het is daar een volk dat zich in de huidige Sinaï en in het gebied van Edom ophield.

    De bekende egyptoloog J. H. Breasted (1865/1935) maakte van de Sjasoe zelfs de IsraŽlieten die volgens de conventionele theorie rond deze tijd het land Kanašn binnentrokken. Dezelfde IsraŽlieten die enkele decennia daarvoor tijdens de Amarna-tijd verondersteld werden de Habiroe van de Amarna-briefwisseling te zijn? Het lijkt er sterk op dat de oud-Egyptische term Habiroe en Sjasoe naar een soort gewapende benden van vrijbuiters verwijst en niet naar een regulier volksleger.

     

    Op mijn tijdsbalken heb ik de periode van de laatste vijftien jaar van de regeertijd van Sethos I gelijk gemaakt met de regeertijd van farao Necho. Hun eerste regeringsjaar wordt nu 621/620 v. Chr. In de tijd terug reken ik met een totale regeerperiode van vijfenvijftig jaar, de periode die Manetho via Africanus aan Sethos I toekent. Het resultaat op de tijdsbalk is nu 662/661 v. Chr. voor Seti ’s eerste jaar als co-regent van Psammetichos die na de val van Thebe een vazal van de AssyriŽr Assurbanipal werd. De vader van Sethos I: Ramses I, regeerde volgens Manetho slechts anderhalf jaar en maak ik contemporain met het begin van Sethos’ regeerperiode.

    De plaatsing op de tijdsbalk maakt van Sethos I een tijdgenoot van de Bijbelse koning van Juda: Manasse. De Egyptoloog J. H. Breasted verwijst in zijn studie (Breasted, Records, III, Sec. 118) naar een Aziatisch volk: M-N-T-Y, dat hij volgens zijn tijdsbestekplaatsing identificeert met de IsraŽlitische stam van Manasse, een zoon van de aartsvader Jozef:

    118. Slaying of the Asiatic Troglodytes ( Ynw-Mn' t' yo), all inaccessible countries, all lands, the Fenkhu of the marshes of Asia, the Great Bend (p r wr) of the sea (w' d-wr). Smiting the Troglodytes, beating down the Asiatics (Mn't'yzo), making his boundary as far as the "Horns of the Earth," as far as the marshes of Naharin (N-h-r-n).

     

    Getransponeerd van de dertiende eeuw naar de zevende eeuw v. Chr. zijn de ‘Mn’t’yzo’ nu soldaten van koning Manasse van Juda. Manasse regeerde voor een lange periode van vijfenvijftig jaar (TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 339/344) van 697 tot 642 v. Chr. en was een tijdgenoot van farao Sethos vanaf 662 v. Chr. Manasse was de koning van een verzwakt Juda die in een vazalstatus moest schipperen tussen de grootmachten Egypte en AssyriŽ. Het is logisch dat Sethos I op zijn veldtochten in Klein-AziŽ langs de grenzen van Juda heen tegen soldaten van Manasse moest optreden. Het land (NHRN) Naharin waar Sethos naar verwijst ligt in het noorden aan de Eufraat. Het is de westelijke grens van het door de orthodoxe Egyptologie gefabriceerde Rijk van Mitanni dat in wezen niets anders is dan AssyriŽ. In mijn boek ‘de zonaanbidder, Achnaton de strenge en hardvochtige farao volgens de profeet Jesaja’, 2016, blz. 131-136, verklaar ik een en ander.

     

     

    Sethos’ veldtocht in zijn eerste jaar als co-regent van farao Necho II is te Karnak op een tempelmuur geconserveerd gebleven. De afbeelding hierboven toont de terugkeer van een triomfantelijke Sethos I na zijn veldtocht in Retenoe (Kanašn). Zijn strijdwagen is versierd met afgehakte hoofden van Aziatische tegenstanders.

    Van rechts naar links zijn op de afbeelding de veroverde steden vanaf Tjaru afgebeeld. De plaats Tjaru heb ik recent nog op dit blog geïdentificeerd met het Rhinocolura van farao Horemheb dat ťťn en dezelfde plaats was als de vestingstad Avaris die door de eerste Hyksos-farao: Salatis, gebouwd werd. Zie het artikel op dit blog van 21.05.2018, link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?ID=3083189

    Het Assyrische Rijk was in de zevende eeuw v. Chr. in verval en zou zoals door de Hebreeuwse profeten voorspelt, door de gemeenschappelijke slagen van Meden en BabyloniŽrs ten onder gaan. In het ontstane machtsvacuŁm zochten ook de Egyptenaren hun buit binnen te halen. Zij waren tijdens de lange regeerperiode van Psammetichos van de zesentwintigste dynastie zelfs vazallen van AssyriŽ geweest. Samen met Sethos I van de ondergeschikte negentiende dynastie volgden veldtochten naar Klein-AziŽ. Vanuit Egypte ging het iedere keer langs de kustroute naar het noorden toe. Het land Juda onder de leiding van de godvruchtige koning Josia bleef gedurende deze periode gevrijwaard van het oorlogsgeweld (zie TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 361-365).

     

    De eerste veldtocht van Seti I/Sethos naar Kanašn plaatsen we in de lente van 620 v. Chr. in zijn eerste regeringsjaar 621/620 v. Chr. In Juda zat dan koning Josia op de troon maar dit land liet Seti I links liggen en richtte zijn veldtocht naar het noorden, naar de Assyrische provincies in het gebied van het voormalige tienstammenrijk.

    De eerste stad die ingenomen werd was PKNN of Pa-Kanašn. De Egyptische ‘PKNN stad van Kanaan’ identificeer ik met Asdod, een stad die farao Psammetichos (XXVI) voordien volgens Herodotus (Boek 2, 157) gedurende eenentwintig jaar belegerd had. Het is aldus naar mijn mening logisch de Egyptische plaatsnaam PKNN in de zevende eeuw v. Chr. met Asdod te identificeren en niet met Gaza.

     

     

    De Egyptische plaatsnaam JENOAM die Seti I op zijn lijst van veroverde steden in Kanašn vermeld geeft wat de identificatie in de dertiende eeuw v. Chr. betreft reden tot discussie. De stad wordt door Seti I beschreven als liggende op een beboste heuvel tussen twee meren in. Door het verschuiven van de regeerperiode van Seti I naar de zevende eeuw v. Chr. wordt de identificatie eenvoudiger. De Egyptische benaming JENOAM kan niet anders zijn dan dezelfde plaats als het Janoah van het Bijbelboek 2 Koningen 15:29. Een stad westelijk van Hazor, in het gebied van Naftali, die ook de AssyriŽr Tiglath Pileser III eerder veroverde. Op de bijgevoegde landkaart ligt het Bijbelse Janoah langs de aanvalsrichting van het leger van Sethos I nabij Hazor, Kedesj en Beth-Anath. De plaats Janoam zuidelijk van het meer van Galilea die de orthodoxie verkiest, ligt wat de aanvalsrichtingen van het leger Sethos I betreft, in the middle of nowhere.

     

    Met het hierna volgende citaat van Velikovsky ga ik volledig akkoord:

    “Niets is zo vermoeiend als een gedetailleerde chronologie. Maar indien deze wiskunde van de geschiedenis nageplozen wordt niet ter wille van zichzelf maar om identiteiten vast te stellen en als het dient om deze identiteiten te kunnen bewijzen, dan kan er een boeiende studie uit voortvloeien”.

     

    Wordt vervolgd…

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    11-06-2018 om 07:03 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    04-06-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het twintigste historische Jubeljaar van oktober 464/september 463 v. Chr.

    Met onze aflevering van 14.05.2018 op dit blog behandelden we het negentiende jubeljaar van oktober 513/september 512 v. Chr. Deze week vervolgen we onze reis in de tijd met het twintigste historische jubeljaar sinds de instelling ervan door Mozes in de vijftiende eeuw v. Chr.

     

     

    Tijdschema 508/495 v. Chr.

     

    Het tijdschema 508/495 v. Chr. toont het eerste en het tweede sabbatjaar van de twintigste jubeljaarcyclus en vermeld de lange regeerperiode van de Pers Darius I. Een regeerperiode van 01.01.521 tot 22.12.486 v. Chr. die in overeenstemming met de Bijbels-chronologische gegevens voor deze periode, stevig verankerd op de tijdsbalk vastzit. Darius had het Perzische wereldrijk van zijn voorgangers Kambyses en Kores geŽrfd en heerste over de oude wereld vanaf de Indus tot aan de Nijl en vormde een bedreiging voor Griekenland en Europa. Onder zijn regering zou de eerste oorlog tegen de Grieken losbarsten. Het Joodse volk dat tijdens de regeerperiode van Kores naar het land IsraŽl is teruggekeerd en de Tempel herbouwd heeft leeft daar onder Perzische heerschappij.

     

     

    De wijze van rekenen met de Bijbelse sabbat- en jubeljaren heb ik van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V) overgenomen. Ik heb dertig jubeljaren uit zijn lijst geselecteerd en op een tijdsbalk ondergebracht. Vanaf het eerste jubeljaar in 1395/1394 v. Chr. na de inname van het Beloofde Land Kanašn tot het openbaar worden van Jezus Christus als de Messias in 27/28 AD zitten er dertig jubeljaren. Hierna een opsomming van de jubeljaren die we met onze artikelenreeks al behandeld hebben.

    Exodus jaartal: 1483 v. Chr. Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr.

    Jubeljaren en jaartallen v. Chr.:    Historische periode:

    1.       1395/1394                             Richter OthniŽl

    2.      1346/1345                                      Ruth 6:6

    3.      1297/1296                             Richter Ehud

    4.      1248/1247                             verdrukking Jabin

    5.      1199/1198                              Richter Thola

    6.      1150/1149                              verdrukking Ammon

    7.      1101/1100                              Richter en profeet SamuŽl

    8.      1052/1051                             Saul

    9.      1003/1002                                     Salomo

    10.    954/953                               Rehabeam

    11.     905/904                               Josafat

    12.     856/855                                Joas

    13.     807/806                               Amazia

    14.     758/757                                Uzzia

    15.     709/708                               Jaar 14 jaar van Hizkia

    16.     660/659                               Manasse

    17.     611/610                                  Josia- val van Nineveh

    18.     562/561                                Jaar 37 ballingschap Jojachin

    19.     513/512                                  Darius I

    20.   464/463                               Artaxerxes I

     

    De onderlijnde jaartallen zijn jubeljaren die absoluut op de tijdsbalk der geschiedenis verankerd zitten, en een kruispeiling betekenen voor ons navigeren naar het verleden.

     

     

    Tijdschema 494/481 v. Chr.

     

    Het tijdschema 494/481 v. Chr. toont het derde en het vierde sabbatjaar. In december 486 v. Chr. kwam aan de regeerperiode van Darius I een einde en werd hij opgevolgd door Xerxes die over het Perzische Rijk zou regeren van december 486 tot december 465 v. Chr. Onder Xerxes zou de tweede oorlog tegen de Grieken losbarsten. Xerxes is de vierde Perzische koning waar de profeet DaniŽl naar verwijst.

    DaniŽl 11:1 Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius, den Meder, om hem te versterken en te stijven. 2 En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie koningen in PerziŽ staan, en de vierde zal verrijkt worden met groten rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.

     

    Na Darius de MediŽr kwamen inderdaad nog drie koningen op: Kores, Kambyses en Darius I. De vierde heerser waar DaniŽl naar verwees was Xerxes.

     

     

    Omstreeks 485 v. Chr. werd Herodotos de Griekse oudheidhistoricus geboren. Op volwassen leeftijd zou de bekende historicus naar Egypte reizen en hier in zijn geschriften over berichten.

    De titel ‘vader der historie’ kreeg Herodotos na zijn dood van de bekende Romeinse staatsman Cicero. Halikarnassos waar hij geboren werd, heet tegenwoordig Bodrum en ligt aan de zuidwestkust van Turkije. In Herodotos’ tijd was het een Griekse kolonie met het Ionisch als omgangstaal.

    ‘Herodotos is mijn naam, ik kom uit Halikarnassos en maak hierbij het verslag wereldkundig van het onderzoek dat ik heb verricht om de herinnering aan het verleden levend te houden en de grootse, indrukwekkende prestaties van de Grieken en andere volken te vereeuwigen.’

    Met het werk van Herodotos vernemen we onder andere de regeerperioden van de Perzische vorsten. Herodotos was ook de eerste classicus die een gedetailleerd verslag over Egypte neerschreef. In de vijfde eeuw voor Christus toen Herodotos Egypte bezocht was de geschiedenis van dit land nog een levende geschiedenis. De piramiden in beneden-Egypte hadden bijvoorbeeld nog steeds hun glanzende buitenbedekking. Herodotos reisde het gehele land door tot aan de grens met NubiŽ. Zijn faraolijst: de rangschikking en de regeerperioden, worden door de gevestigde Egyptologie niet serieus genomen, omdat het niet past in hun rangschikking van de faraolijsten op basis van hun veronderstelde Sothis-kalender.

     

     

    Tijdschema 480/467 v. Chr.

     

    Het bijgevoegde tijdschema 480/467 v. Chr. toont het vijfde en het zesde sabbatjaar ten tijde van de Perzische heerschappij over het gebied van IsraŽl.

     

     

    Tijdschema 466/453 v. Chr.

     

    Het bijgevoegde schema 466/453 v. Chr. toont het zevende sabbatjaar gevolgd door het twintigste jubeljaar van oktober 464 tot september 463 v. Chr.

    In december 465 v. Chr. kwam aan de regeerperiode van Xerxes een einde waarna deze werd opgevolgd door Artaxerxes I die regeerde van 17.12.465 tot 07.12.424 v. Chr. Het bijgevoegde tijdschema toont het begin van de zeventig jaarweken van de profeet DaniŽl in het zevende regeringsjaar van de Pers Artaxerxes I. De chronologische details hiervoor gaan we met de aflevering van het eenentwintigste jubeljaar leveren.

     

    Wordt vervolgd…

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    04-06-2018 om 08:19 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De ivoren troon van Salomo

    1 Koningen 10:18 Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met dicht goud. 19 Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen. 20 En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, desgelijks is in geen koninkrijken gemaakt geweest.

     

     

    De afbeelding van de schilder Edward Poynter (1836/1919) is uiteraard slechts een artistieke poging tot het weergeven van de troon van Salomo en alle luister die daarmee gepaard ging. De prent stelt het bezoek van de koningin van Scheba voor.

     

    2 Kronieken 9:17 Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met louter goud. 18 En de troon had zes trappen en een voetbank van goud, aan den troon vast zijnde, en leuningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen. 19 En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest. (Statenvertaling)

     

    In de Bijbel wordt naast zijn andere bouwwerken de bijzondere troon van Salomo vermeld. De troon was volgens de Bijbelse Kroniekschrijver uniek in de oude wereld. Een notering waar ik niet aan twijfel en een begeerlijk iets voor de buurvolken. Maar buiten de vermelding van het materiaal dat gebruikt werd en de versieringen krijgen we geen informatie over afmetingen en dergelijke. De Joodse overlevering leert dat in het vijfde regeringsjaar van Rehabeam de opvolger van Salomo de troon door farao Sisak werd buitgemaakt en naar Egypte getransporteerd. Het is ook de Joodse overlevering die meer uitleg geeft over de constructie en mogelijkheden van de troon. Over de Salomo-era schreef ik eerder op 04.01.2018 op dit blog een artikel: de era van Salomo en de archeologie. Zie link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?startdatum=1514761200&stopdatum=1515366000

    Vooraleer ik de relevante Joodse legende citeer geef ik mijn leidraad weer bij het onderzoek van overleveringen en legendes. Die leidraad zijn de woorden van Paulus de apostel voor de niet-Joden:

    1 Thessalonicenzen 5:20 Veracht de profetieŽn niet. 21 Beproeft alle dingen; behoudt het goede. (Statenvertaling)

    De NBG Vertaling 1951 heeft het als het volgt weergegeven:

    1 Thessalonicenzen 5:20 veracht de profetieŽn niet, 21 maar toetst alles en behoudt het goede.

     

    The Legends of the Jews, Volume IV, Chapter V.

    “Next to the Temple in its magnificence, it is the throne of Solomon that perpetuates the name and fame of the wise king. None before him and none after him could produce a like work of art, and when the kings, his vassals, saw the magnificence of the throne they fell down and praised God. The throne was covered with fine gold from Ophir, studded with beryls, inlaid with marble, and jewelled with emeralds, and rubies, and pearls, and all manner of gems. On each of its six steps there were two golden lions and two golden eagles, a lion and an eagle to the left, and a lion and an eagle to the right, the pairs standing face to face, so that the right paw of the lion was opposite to the left wing of the eagle, and his left paw opposite to the right wing of the eagle. The royal seat was at the top, which was round.

    On the first step leading to the seat crouched an ox, and opposite to him a lion; on the second, a wolf and a lamb; on the third, a leopard and a goat; on the fourth perched an eagle and a peacock; on the fifth a falcon and a cock; and on the sixth a hawk and a sparrow; all made of gold. At the very top rested a dove, her claws set upon a hawk, to betoken that the time would come when all peoples and nations shall be delivered into the hands of Israel. Over the seat hung a golden candlestick, with golden lamps, pomegranates, snuff dishes, censers, chains, and lilies. Seven branches extended from each side. On the arms to the right were the images of the seven patriarchs of the world, Adam, Noah, Shem, Job, Abraham, Isaac, and Jacob; and on the arms to the left, the images of the seven pious men of the world, Kohath, Amram, Moses, Aaron, Eldad, Medad, and the prophet Hur. Attached to the top of the candlestick was a golden bowl filled with the purest olive oil, to be used for the candlestick in the Temple, and below, a golden basin, also filled with the purest olive oil, for the candlestick over the throne. The basin bore the image of the high priest Eli; those of his sons Hophni and Phinehas were on the two faucets protruding from the basin, and those of Nadab and Abihu on the tubes connection the faucets with the basin.”

     

    Na het lezen en bestuderen van de hiervoor geciteerde legende meen ik dat de beschrijving van de troon in grote lijnen gezien geloofwaardig overkomt. Alleen de vermelding van afbeeldingen van de zeven patriarchen van de wereld en van de zeven vrome mensen van de wereld lijkt me in verband met het beeldverbod in de Wet ongeloofwaardig. De legende heeft het verder ook over het feit dat het gebruikte goud uit Ofir kwam. Waar Ofir op de wereldkaart vandaag gesitueerd moet worden blijft een vraagteken. Ik meen dat de identificatie van Ofir met BraziliŽ correct is. Zie het artikel van 13.06.16 op dit blog: Toekkijim: pauw of toekan? Zie link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?startdatum=1465768800&stopdatum=1466373600

    De Joodse legende plaatst pauwen bij de troon van Salomo, en ook de kunstenaar van de hierboven getoonde afbeelding heeft gemeend dat er pauwen aan het hof van Salomo waren. De link naar het artikel van 13.06.2016 geeft een andere denkpiste weer die hoewel niet absoluut bewijsbaar toch een andere mogelijke identificatie van het Hebreeuwse woord Toekkijim voor een tropische vogels weergeeft. Maar nu eerst verder met citeren van de Joodse overlevering:

     

    “On the upper part of the throne stood seventy golden chairs for the members of the Sanhedrin, and two more for the high priest and his vicar. When the high priest came to do homage to the king, the members of the Sanhedrin also appeared, to judge the people, and they took their seats to the right and to the left of the king. At the approach of the witnesses, the machinery of the throne rumbled the wheels turned, the ox lowed, the lion roared, the wolf howled, the lamb bleated, the leopard growled, the goat cried, the falcon screamed, the peacock gobbled, the cock crowed, the hawk screeched, the sparrow chirped all to terrify the witnesses and keep them from giving false testimony.”

     

     

    Na het lezen van het voorgaande met het advies van Paulus in gedachten: “Beproeft alle dingen; behoudt het goede” wil ik vooral geloof hechten aan de bewering dat er een machinerie aan de troon verbonden was.

     

    “When Solomon set foot upon the first step to ascend to his seat, its machinery was put into motion. The golden ox arose and led him to the second step, and there passed him over to the care of the beasts guarding it, and so he was conducted from step to step up to the sixth, where the eagles received him and placed him upon his seat. As soon as he was seated, a great eagle set the royal crown upon his head. Thereupon a huge snake rolled itself up against the machinery, forcing the lions and eagles upward until they encircled the head of the king. A golden dove flew down from a pillar, took the sacred scroll out of a casket, and gave it to the king, so that he might obey the injunction of the Scriptures, to have the law with him and read therein all the days of his life. Above the throne twenty-four vines interlaced, forming a shady arbor over the head of the king, and sweet aromatic perfumes exhaled from two golden lions, while Solomon made the ascent to his seat upon the throne.

    It was the task of seven heralds to keep Solomon reminded of his duties as king and judge. The first one of the heralds approached him when he set foot on the first step of the throne, and began to recite the law for kings, "He shall not multiply wives to himself." At the second step, the second herald reminded him, "He shall not multiply horses to himself"; at the third, the next one of the heralds said, "Neither shall he greatly multiply to himself silver and gold." At the fourth step, he was told by the fourth herald, "Thou shalt not wrest judgment"; at the fifth step, by the fifth herald, "Thou shalt not respect persons," and at the sixth, by the sixth herald, "Neither shalt thou take a gift." Finally, when he was about to seat himself upon the throne, the seventh herald cried out: "Know before whom thou standest."

     

    Opnieuw geef ik hetzelfde commentaar als voorheen. Ik citeer de legende in zijn geheel zodat de lezer van dit blog zelf kan onderscheiden wat belangrijk is. Het relaas over de zeven herauten komt mij geloofwaardig over aangezien het met de Wet van Mozes overeenstemt wat de plichten van een koning waren. Maar het gaat mij om mijn grote interesse in wereldgeschiedenis dat het laatste gedeelte van de Joodse overlevering zo interessant maakt.

    “The throne did not remain long in the possession of the Israelites. During the life of Rehoboam, the son of Solomon, it was carried to Egypt. Shishak, the father-in-law of Solomon, appropriated it as indemnity for claims which he urged against the Jewish state in behalf of his widowed daughter. When Sennacherib conquered Egypt, he carried the throne away with him, but, on his homeward march, during the overthrow of his army before the gates of Jerusalem, he had to part with it to Hezekiah. Now it remained in Palestine until the time of Jehoash, when it was once more carried to Egypt by Pharaoh Necho. His possession of the throne brought him little joy. Unacquainted with its wonderful mechanism, he was injured in the side by one of the lions the first time he attempted to mount it, and forever after he limped, wherefore he was given the surname Necho, the hobbler. Nebuchadnezzar was the next possessor of the throne. It fell to his lot at the conquest of Egypt, but when he attempted to use it in Babylonia, he fared no better than his predecessor in Egypt. The lion standing near the throne gave him so severe a blow that he never again dared ascend it. Through Darius the throne reached Elam, but, knowing what its other owners had suffered, he did not venture to seat himself on it, and his example was imitated by Ahasuerus. The latter tried to have his artificers fashion him a like artistic work, but, of course, they failed. The Median rulers parted with the throne to the Greek monarchs, and finally it was carried to Rome.”

     

     

    Toen farao Sisak de Tempel en het paleis van Salomo te Jeruzalem plunderde nam hij volgens de legende de troon van Salomo mee naar Egypte. Dit lijkt mij een geloofwaardig verhaal, alleen al vanwege het goud dat gebruikt was ter constructie van de troon. Indien Sisak zelfs driehonderd gouden schilden uit het huis van de Libanon te Jeruzalem liet verwijderen voor transport naar Egypte, dan logischerwijze ook de troon van Salomo. De Joodse Seder Olam voegt hieraan toe dat de Bijbelse farao Sisak zijn scheldnaam kreeg vanwege zijn begeren van de gouden troon van Salomo. Volgens de Seder Olam betekende de naam Sisak: verlangen of begeren. Sisak rukte volgens de overlevering tegen Jeruzalem op omdat hij de ivoren goudovertrokken troon van Salomo begeerde. De troon van Salomo nam Sisak volgens de overlevering ook daadwerkelijk naar Egypte als buit mee. Ik merkte eerder in een artikel van 20.03.2017 op dit blog op dat indien de Joodse overlevering correct is het geen zin heeft om de identificatie van de Bijbelse naam Sisak op basis van linguïstische gronden met Egyptische namen, te zoeken. De Hebreeuwse naam Sisak is namelijk een scheldnaam en geen eigennaam. Zie link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?startdatum=1489964400&stopdatum=1490569200

    en scrol naar beneden

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 220-224, kies ik voor de identificatie van de Bijbelse Sisak met farao Thothmosis III van de achttiende dynastie.

    De troon zou niet lang in het bezit van Sisak blijven want de Joodse legende verhaalt dat de Bijbels-Ethiopische koning Zera de troon van Salomo op Sisak veroverde toen deze van uit NubiŽ doorheen Egypte naar het Juda van Asa oprukte.

    The Legends of the Jews, Volume IV, Chapter VI.

    Asa, the son of Abijah of Judah, was a worthier and a more pious ruler than his father had been. He did away with the gross worship of Priapus, to which his mother was devoted. To reward him for his piety, God gave him the victory over Zerah, the king of the Ethiopians. As a result of this victory he came again into possession of the throne of Solomon and of the treasures Shishak had taken from his grandfather, which Zerah in turn had wrested form Shishak.

     

    Toen Zera de EthiopiŽr na zijn nederlaag tegen het Judese leger van Asa moest afdruipen kwam de troon van Salomo volgens de Joodse legende in het bezit van koning Asa. Ik stel vast dat de Joodse legendes zoals gecompileerd door Louis Ginzberg in 1909 zich hier tegenspreken. In het eerder geciteerde hoofdstuk V bleef de troon in Egypte tot aan de invasie van de AssyriŽrs. Maar in hoofdstuk VI blijkt de troon van Salomo ten tijde van Asa opnieuw in Juda te zijn? Ook hier hanteren we de gouden regel van Paulus (1 Thessalonicenzen 5:21) en toetsen we de legendes en behouden wat bruikbaar is.

    The Legends of the Jews, Volume IV, Chapter V, vervolgt met de geschiedenis van troon en laat het kunstwerk door Sennacherib of Sanherib buitmaken. Dit klopt historisch gezien niet. De AssyriŽr Sanherib is weliswaar tot aan de grens van Egypte opgerukt en heeft daar slag geleverd maar is niet overgegaan tot een bezetting van Egypte. Het is pas ten tijde van de AssyriŽr Essarhaddon dat Egypte door de AssyriŽrs bezet werd. Ik meen dat een betere kandidaat voor het buitnemen van de troon van Salomo de Aziaat Arsu was, die ik eerder op dit blog op 08.12.2017 met koning Azarja van Juda identificeerde. Zie link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?startdatum=1512342000&stopdatum=1512946800

    De gouden troon van Salomo is daarop tot in de zevende eeuw v. Chr. in Juda gebleven tot aan het einde van de regeerperiode van koning Josia:

    “Now it remained in Palestine until the time of Jehoash, when it was once more carried to Egypt by Pharaoh Necho. His possession of the throne brought him little joy. Unacquainted with its wonderful mechanism, he was injured in the side by one of the lions the first time he attempted to mount it, and forever after he limped, wherefore he was given the surname Necho, the hobbler.”

     

    Het is vrij moeilijk de legende in verband met Necho bij gebrek aan bewijzen op haar historische betrouwbaarheid te bewijzen. Er is namelijk heel weinig bewijsmateriaal over de zesentwintigste dynastie van Manetho tot wie Necho behoorde, voorhanden. Nochtans meen ik het gedeelte over farao Necho niet onmiddellijk als onwaar van de hand te doen. De Bijbel bevestigt de Necho van Manetho als een historisch persoon evenals de oudheidhistorici Herodotos en Josephus. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 375-384 wijs ik op het gebrek aan archeologisch materiaal in Egypte betreffende de zesentwintigste dynastie. Er is amper bruikbaar materiaal van onder het zand tevoorschijn gekomen. Er is zelfs de hoogste twijfel dat de hoofdstad Saïs, die door de orthodoxe egyptologie in de noordwestelijke Nijldelta geplaatst wordt, gevonden werd. Zie hierna een citaat vanuit orthodoxe hoek:

    De ondergrond van Saïs (het huidige Sa Al Hagar) in de noordwestelijke Nijldelta is van water verzadigd en is daarom nooit grondig onderzocht. Hoewel aangenomen wordt dat het hier de Koninklijke begraafplaats betreft, bestaat er vreemd genoeg maar weinig bewijsmateriaal van, op enkele oesjabti’s na die ook nog merendeels van niet-Saïtische herkomst zijn. Van de tien oesjabti’s met de naam Psammetichos is moeilijk te zeggen van welke koning van die naam ze precies waren. Er is ook een prachtige oesjabti en een hartscarabee van Necho II verder drie oesjabti’s van ApriŽs en zes van Amasis.

    Kroniek van de farao’s, Peter A. Clayton, 26ste dynastie (Saïtisch), Einde citaat

     

    De Koninklijke begraafplaats waar de Egyptoloog Peter Clayton naar verwijst en die uitvoerig beschreven wordt door Herodotos vanwege de pracht en praal is tot nu toe nooit gevonden. Tot op heden zijn er geen stoffelijke resten van al de vermelde farao’s van Manetho ’s zesentwintigste dynastie gevonden. Het toevallig vinden van de begraafplaats van de farao’s van de zesentwintigste dynastie zou de ontdekking van de tombe van Toetanchamon en haar schatten volledig in de schaduw zetten. Hierna de beschrijving door Herodotos in zijn tweede boek:

    169 b. The Saites buried all the kings who belonged to their canton inside this temple; and thus it even contains the tomb of Amasis, as well as that of Apries and his family. The latter is not so close to the sanctuary as the former, but still it is within the temple. It stands in the court, and is a spacious cloister built of stone and adorned with pillars carved so as to resemble palm trees, and with other sumptuous ornaments. Within the cloister is a chamber with folding doors, behind which lies the sepulchre of the king.

    170. Here too, in this same precinct of Minerva at Sais, is the burial-place of one whom I think it not right to mention in such a connection. It stands behind the temple, against the back wall, which it entirely covers. There are also some large stone obelisks in the enclosure, and there is a lake near them, adorned with an edging of stone. In form it is circular, and in size, as it seemed to me, about equal to the lake in Delos called “the Hoop.”

     

    De Joodse legende aangaande farao Necho die de bijnaam ‘Necho, de hobbler’ kreeg kan bij gebrek aan bewijs niet bevestigd noch ontkend worden. Zijn laatste rustplaats is namelijk tot heden toe niet gevonden, noch tempel noch enige afbeelding. Het zou fascinerend zijn de mummie van Necho II (indien ze ooit gevonden wordt) naar beenbreuken te onderzoeken.

    Dit is overigens een algemene toestand wat het onderzoek van de algemene geschiedenis van het oude Egypte betreft dat zelfs door Egyptologen van de oude school toegegeven wordt:

    “It must never be forgotten that we are dealing with a civilization thousands of years old and one of which only tiny remnants have survived. What is proudly advertised as Egyptian History is merely a collection of rags and tatters.”

    1961, de Britse Egyptoloog Sir Alan Gardiner

     

    De volgende historische persoon die volgens de legende de troon van Salomo in bezit kreeg was de BabyloniŽr Nebukadnezar.

    Nebuchadnezzar was the next possessor of the throne. It fell to his lot at the conquest of Egypt, but when he attempted to use it in Babylonia, he fared no better than his predecessor in Egypt. The lion standing near the throne gave him so severe a blow that he never again dared ascend it.

     

    Ook Nebukadnezar kreeg volgens de legende een slag van een van de artificiŽle leeuwen die deel uitmaakte van de machinerie aan de troon verbonden, toen hij de troon wilde bestijgen, zij het met minder schade dan farao Necho. Ook van Nebukadnezar is er net zoals bij farao Necho vandaag heel weinig archeologisch materiaal voorhanden. Er is zelfs geen beeld van hem bewaard gebleven. Het weinige archeologische materiaal dat er vandaag is zijn bakstenen met zijn naam in spijkerschrift er in gedrukt.

    Toen Babylon door de Meden en de Perzen werd ingenomen verhuisde de troon naar Elam. Vervolgens kwam de troon in bezit van de Griekse monarchen en uiteindelijk namen de Romeinen volgens de legende de troon over en vervoerden het ding naar Rome.

    “Through Darius the throne reached Elam, but, knowing what its other owners had suffered, he did not venture to seat himself on it, and his example was imitated by Ahasuerus. The latter tried to have his artificers fashion him a like artistic work, but, of course, they failed. The Median rulers parted with the throne to the Greek monarchs, and finally it was carried to Rome.”

     

    Het is een fascinerende reis die de Joodse legende verhaalt die ons tot vandaag met heel wat vragen laat zitten. Het is wachten op een of andere aanwijzing door gespecialiseerde onderzoekers zoals archeologen geleverd, vooraleer we antwoord krijgen op het raadsel van de verblijfplaats in het verleden van de troon van Salomo. Ik kan me voorstellen dat het goud en het ivoor uiteindelijk in de loop der tijden een andere bestemming heeft gekregen.

     

    Wordt vervolgd…

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    28-05-2018 om 08:44 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waar lag de vestingstad stad Avaris en wie bouwde ze?

    De vestingstad Avaris werd door de eerste Hyksos-farao Salatis gebouwd. Dat is de historische informatie die de oudheidhistoricus Flavius Josephus doorgeeft wanneer deze in de eerste eeuw van de westerse tijdrekening de Egyptische oudheidhistoricus Manetho citeerde. Hierna het relevante gedeelte:

    Flavius Josephus Against Apion Bk. I, 14.

    ĎI shall begin with the writings of the Egyptians; not indeed of those that have written in the Egyptian language, which it is impossible for me to do. But Manetho was a man who was by birth an Egyptian, yet had he made himself master of the Greek learning, as is very evident; for he wrote the history of his own country in the Greek tongue, by translating it, as he saith himself, out of their sacred records; he also finds great fault with Herodotus for his ignorance and false relations of Egyptian affairs. Now this Manetho, in the second book of his Egyptian History, writes concerning us in the following manner. I will set down his very words, as if I were to bring the very man himself into a court for a witness:

    "There was a king of ours whose name was Timaus. Under him it came to pass, I know not how, that God was averse to us, and there came, after a surprising manner, men of ignoble birth out of the eastern parts, and had boldness enough to make an expedition into our country, and with ease subdued it by force, yet without our hazarding a battle with them. So when they had gotten those that governed us under their power, they afterwards burnt down our cities, and demolished the temples of the gods, and used all the inhabitants after a most barbarous manner; nay, some they slew, and led their children and their wives into slavery. At length they made one of themselves king, whose name was Salatis; he also lived at Memphis, and made both the upper and lower regions pay tribute, and left garrisons in places that were the most proper for them. He chiefly aimed to secure the eastern parts, as fore-seeing that the Assyrians, who had then the greatest power, would be desirous of that kingdom, and invade them;

     

     

    and as he found in the Saite Nomos, [Sethroite,] a city very proper for this purpose, and which lay upon the Bubastic channel, but with regard to a certain theologic notion was called Avaris, this he rebuilt, and made very strong by the walls he built about it, and by a most numerous garrison of two hundred and forty thousand armed men whom he put into it to keep it. Thither Salatis came in summer time, partly to gather his corn, and pay his soldiers their wages, and partly to exercise his armed men, and thereby to terrify foreigners. When this man had reigned thirteen years, after him reigned another, whose name was Beon, for forty-four years; after him reigned another, called Apachnas, thirty-six years and seven months; after him Apophis reigned sixty-one years, and then Janins fifty years and one month; after all these reigned Assis forty-nine years and two months. And these six were the first rulers among them, who were all along making war with the Egyptians, and were very desirous gradually to destroy them to the very roots. This whole nation was styled HYCSOS, that is, Shepherd-kings: for the first syllable HYC, according to the sacred dialect, denotes a king, as is SOS a shepherd; but this according to the ordinary dialect; and of these is compounded HYCSOS: but some say that these people were Arabians." Now in another copy it is said that this word does not denote Kings, but, on the contrary, denotes Captive Shepherds, and this on account of the particle HYC; for that HYC, with the aspiration, in the Egyptian tongue again denotes Shepherds, and that expressly also; and this to me seems the more probable opinion, and more agreeable to ancient history. [But Manetho goes on]: "These people, whom we have before named kings, and called shepherds also, and their descendants," as he says, "kept possession of Egypt five hundred and eleven years.(Vertaling naar het Engels door William Whiston)

     

    De orthodoxe Egyptologie wijst tegenwoordig de plaats Tell El Daba in het noordoosten van de Nijldelta aan als de plaats van het historische Avaris. En ook de bekende revisionistische Egyptoloog David Rohl gaat er van uit dat Tell el Daba met Avaris geÔdentificeerd moet worden. Te Tell el Dabía werd namelijk door Oostenrijkse archeologen een stad bloot gelegd die in de oudheid door Aziaten bewoond werd. David Rohl is zelfs van mening dat de nederzetting die in de aardlaag ĎFí werd blootgelegd, de hoofdplaats van Gosjen was, het gebied waar de IsraŽlieten zich ten tijde van Jozef mochten vestigen. Hij wijdt een hoofdstuk in zijn boek ĎA TEST OF TIMEí aan het vermeende graf van Jozef, dat te Tell El Daba volgens hem werd blootgelegd. In een vernield beeld van een hoogwaardigheidsbekleder meent hij zelfs de patriarch Jozef als onderkoning van Egypte te herkennen. De Aziatische trekken zijn nog af te leiden uit de restanten van het beeld.

    Het lijkt wel het einde van alle vraagstelling en discussie. Tell el-Dabía zou zelfs identiek zijn met een van de voorraadsteden die de IsraŽlieten in slavernij voor farao dienden te bouwen: Pithom en Rašmses.

     

    Gunnar Heinsohn, een notoire revisionist van de geschiedenis van de oudheid (Die Sumerer gab es nicht, 1988 Ė blz. 175-182), stelt echter boudweg dat de straat-grafische laag ĎFí te Tell El Daba rond de jaren 750/720 v. Chr. gedateerd moet worden, en identificeert de Klein-Aziatische nederzetting van laag F met het bezettingsleger van de Aziaat Arsu of Irsu uit het bekende Egyptische oudheiddocument: het Harris-papyrus, dat in het British Museum bewaard wordt. Er zijn dus andere pistes mogelijk.

    Arsu was volgens het Harris-papyrus een veldheer uit Klein-AziŽ die met een leger van ongeveer 200.000 man Egypte overheerste. De seculiere wetenschapper Heinsohn hanteert ditmaal de Bijbel als historisch Boek wanneer hij beweert dat Arsu met de Bijbelse koning Azaria van Juda, te identificeren is. Indien hij gelijk heeft is Tell El Daba slechts ťťn van nog meerdere te vinden plaatsen waar het leger van Arsu/Azaria/Uzzia gekazerneerd was. In mijn boek De Zonaanbidder, 2016, blz. 33-44, beschrijf ik de periode toen Egypte door Juda gesuperviseerd werd met Joodse garnizoenen in het land. In 748 v. Chr. werd het Judese leger teruggetrokken.

     

     

    Dr. ImmanuŽl Velikovsky meende dat het Avaris van de Hyksos te El Arisj gelegen was, een plaats vandaag in het noorden van de SinaÔ waar de beek van Egypte, de Wadi el Arisj in de Middellandse Zee uitmondt. In zijn bekend werk ĎEeuwen in Chaosí wijst hij El Arisj aan alwaar de archeologen zouden moeten graven, want daar ligt het Avaris van de Hyksos onder het zand begraven.

    Toen hij zijn werk in de jaren vijftig van de vorige eeuw wereldkundig maakte was het enige bewijsmateriaal dat hem op deze denkpiste zette, een zwart granieten monoliet met hiŽroglyfen beschreven, dat in El Arisj in 1860 toevallig ontdekt werd. Tot dan toe was het door Arabieren als een drinkbak voor hun vee gebruikt. De hiŽroglyfentekst werd in 1890 vertaald en gepubliceerd. Het document verhaalt dezelfde gebeurtenissen zoals in het Bijbelboek Exodus beschreven, maar dan van de zijde der Egyptenaren bekeken. De naam van de farao van de Exodus wordt ook vermeld: Thom. Velikovsky zag onmiddellijk het verband van de naam van farao Thom met de naam van de stad die de IsraŽlieten in slavernij volgens de Bijbel, moesten bouwen: Pi-thom, wat stad van Thom betekende. De Egyptische naam Thom van het schrijn te El Arisj is dan dezelfde naam als de ďTimausĒ die Manetho via Josephus in de Griekse taal doorgaf.

    Van eveneens groot belang voor Velikovsky ís identificatie van El Arisj met Avaris was de bewaard gebleven proclamatie van farao Horemheb in feite een wettekst, waarin als straf voor bepaalde misdadigers het afsnijden van de neus werd voorgeschreven, waarna zij verbannen werden naar Tjaru, een plaats oostelijk van de Nijldelta. De afgesneden neuzenstraf was de reden dat dit verbanningsoord later de naam Rhinocolura kreeg. En dit Rhinocolura is zonder twijfel vandaag El Arisj. Tjaru, Rhinocolura, Avaris en El Arisj zijn ťťn en dezelfde plaats.

    Wat het mogelijk opgraven van Avaris te El Arisj betreft is het echter wachten op een nieuwe Heinrich Schliemann. Geen ťťn archeoloog die de orthodoxe egyptologie volgt heeft naar mijn weten vandaag plannen om te El Arisj te graven.

    Dr. Schliemann was een rijke dilettant-archeoloog die uit enthousiasme zijn kapitaal besteedde ter locatie van het historische Troje. In 1873 slaagde hij erin Troje van onder het zand tevoorschijn te brengen. Door zijn inzet werd de Ilias van Homerus plots van een dichterlijk werk als een historisch werk bevestigd.

     

    Hierna het commentaar van Velikovsky betreffende het gehoopte archeologisch opgraven van Avaris als ĎThe Greatest Fortress of Antiquity':

    With this imposing score of confirmations from the field of archaeology, ever growing since 1952, for my work of reconstruction of ancient history, the question could be asked: which test, besides a complete radiocarbon survey of the New Kingdom in Egypt would I desire and which discovery reflecting on chronological problems would I anticipate in the years to come? Compelling evidence will continue to arrive from almost every excavated place and there will be an ever-growing number of surprises. I shall select here one site of great promise for excavation. the identification of Avaris and el-Arish was offered by me as a crucial testófor my equation of the Hyksos (called Amu by the Egyptians) and the Amalekites, one of the basic contentions of Ages in Chaos: ďgenerally, Avaris is looked for in the eastern part of the Delta, from Pelusium to Heliopolis, passing through Tell el Her, el-Qantara, San el-Hagar (Tanis), Tell el-Yahudieh,Ē wrote P. Montet in Le Drame díAvaris. The site as identified in Ages in Chaos is quite a distance northeast from the Delta: el-Arish is at the wadi of the same name, known in the Old Testament as Nakhal Mizraim (ďStream of EgyptĒ ), the historical frontier between Egypt and Palestine. Despite many efforts made to have el-Arish surveyed and then also excavated, neither when the site was under the Egyptian authorities nor since it was occupied by the Israelis following the six-day war, has any survey or excavation taken place. In June 1968 John Holbrook Jr., architect, backed by a group organized for the purpose of performing tests to determine the validity of my thesis (Foundation for Studies of Modern Science) proceeded to el-Arish in the military occupation zone to gain an impression as to the site of future excavation when, in days to come, such facilities might be extended, or permit granted. Chances are good that at such a time, however close or far, the excavators will lift sand from the greatest fortress of antiquity: before it fell it sheltered a huge garrison of warriors. It is also quite possible that much treasure had been dug into the ground by the besieged before the fortress that dominated the ancient East for several centuries surrendered. The virgin ground of the site never excavated cannot but entice the curiosity of field archaeologists; the prize of discovering Avaris is one of the great rewards that still lie in store for the enterprising

     

    Er is nog een manier om de juiste ligging van Avaris te bepalen en dat is via de marsroute van het Egyptische leger van farao Ahmose dat de Hyksos uit Egypte verdreef en hun vestingstad Avaris veroverde. Het is het inmiddels bekende Rhind-papyrus dat een historische vermelding van de verdrijving van de Hyksos en de marsroute bevat:

    Jaar 11, tweede maand van het oogstseizoen. Heliopolis werd ingenomen. De eerste maand van het overstromingsseizoen, 23ste dag, de bevelhebber (?) van het leger (?) tegen (?) Tjaru. 25ste dag, het werd vernomen dat Tjaru ingenomen was. Jaar 11, de eerste maand van het overstromingsseizoen, derde dag. Geboorte van Seth, de majesteit van deze god maakte dat zijn stem gehoord werd. Geboorte van Isis, de hemelen regenden.

     

     

    De marsroute van het leger van Ahmose (groene kwastlijn op de bijgevoegde kaart) liep vanaf Thebe naar het noorden, over Memfis naar Heliopolis en vervolgens naar Tjaru wat het einde van de veldtocht betekende met de verdrijving van de Hyksos. De plaats Tjaru lag aan de grens van Egypte, het latere Rhinocolura, nabij het moderne El Arisj.

     

    Wanneer men Avaris met Tell el Daba wil identificeren dan betekent dit dat Ahmose volgens het Rhind-papyrus, in zijn oprukken naar het noorden Avaris links liet liggen en van Heliopolis direct naar Tjaru oprukte. Het is echter logischer aan te nemen dat Ahmose gewoon uitgevoerd heeft zoals in het papyrus beschreven staat, namelijk met zijn vloot noordwaarts naar Heliopolis, en daarop via het kanaal van het latere Boebastis, richting kust en verder naar Avaris nabij het huidige El Arisj. In dit model zijn Tjaru en Avaris dat ten tijde van Horemheb de naam Rhinocolura kreeg ook ťťn en dezelfde plaats.

     

    De verdrijving van de Hyksos uit Egypte had al eerder op dit blog mijn aandacht. Zie de aflevering van 18.10.2016, link:

    http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1473631200&stopdatum=1474236000

     

    Tot slot wil ik nog een gedachtesprong doorgeven die me al een tijd bezig houdt, en dat is de ligging van het Bijbelse Pitom, een voorraadstad die de IsraŽlieten onder Egyptische slavernij moesten bouwen.

    Pitom wordt zoals eerder vermeld met Tell el Maskhuta geÔdentificeerd, een plaats in de noordoostelijke Nijldelta. Alhoewel sinds de identificatie van deze plaats door de Zwitserse archeoloog en egyptoloog Henri …douard Naville (1844/1926) met het Bijbelse Pitom, zijn er sindsdien andere mogelijke sites in de Nijldelta als het Bijbelse Pitom aangewezen.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 89-98, ging ik er nog vanuit dat de voorraadstad Pitom uit de oudheid gevonden was en geen verdere studie nodig achtte. Vandaag ben ik van mening dat de blootgelegde Aziatische nederzettingen in de Nijldelta alle terug te voeren zijn naar de garnizoenssteden van Arsu alias Azaria van Juda in de achtste eeuw v. Chr. De voorraadsteden Pitom en Rašmses dienen nog vanonder het zand tevoorschijn gebracht te worden.

     

    Een mogelijke vindplaats zou nabij het huidige El Arisj kunnen zijn. Op dezelfde plaats waar een laag hoger het Avaris van de Hyksos gevonden zou kunnen worden. De Egyptische oudheidhistoricus Manetho zoals geciteerd door Flavius Josephus geeft volgens mij een hint dat mijn gedachtesprong wel eens juist zou kunnen zijn.

    Flavius Josephus Against Apion Bk. I, 14:

    ďÖ and as he (Salatis) found in the Saite Nomos, [Sethroite,] a city very proper for this purpose, and which lay upon the Bubastic channel, but with regard to a certain theologic notion was called Avaris, this he rebuilt, and made very strong by the walls he built about it, and by a most numerous garrison of two hundred and forty thousand armed men whom he put into it to keep it.Ē

     

    Avaris blijkt volgens de tekst herbouwd te zijn over een vorige stad. Wat me intrigeert is dat El Arisj, waar Velikovsky meent dat Avaris te vinden is, de vindplaats is van de eerder vermelde zwarte monoliet beschreven met hiŽrogliefen bevattende een verslag dat nauw aansluit bij het Bijbelboek Exodus en het relaas van de tien plagen en uittocht van de IsraŽlieten. De tekst op de monoliet werd in 1890 vertaald en gepubliceerd (I. Velikovsky, Eeuwen in Chaos, 1979, blz. 64-70). De naam van de farao in een cartouche op de monoliet is: Thom of Tom dat aansluit bij Pi-tom wat Ďde stad van Tomí betekent.

    Maar zolang er niet door archeologen te El Arisj gegraven wordt zal het bij een theorie blijven.

     

    Wordt vervolgdÖ

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    21-05-2018 om 08:29 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het negentiende historische Jubeljaar van oktober 513/september 512 v. Chr.

    Met onze aflevering van 23.04.2018 op dit blog behandelden we het achttiende jubeljaar van oktober 562/september 561 v. Chr. dat bij uitstek een vast verankerd historisch jubeljaar op de tijdsbalk bleek te zijn.

     

     

    Wat het achttiende jubeljaar zo bijzonder maakt is dat het samenvalt met het eerste regeringsjaar van de BabyloniŽr Evil Merodach die in dat jaar zijn gestorven vader Nebukadnezar opvolgde, en in dat jaar koning Jojachin van Juda in diens zevenendertigste ballingsjaar uit zijn gevangenschap verloste. Evil Merodach nam volgens de PtolemeŁs koningslijst de scepter op 11 januari 561 v. Chr. van zijn vader over. En in februari/maart, de twaalfde maand (Adar), van het jaar 561 v. Chr. werd Jojachin uit zijn gevangenis verlost (2 Koningen 25:27-30). Het feit dat de vrijlating van Jojachin door de nieuwe koning van Babylon Evil Merodach in een Jubeljaar geschiedde, is heel opmerkelijk en geen toeval. Het is volledig in lijn met de bedoeling van de wet op het jubeljaar. Het uitroepen namelijk van Ďhet jaar van het welbehagen des HEERENí en Ďom te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenisí zoals de profeet Jesaja het vooraf verkondigd had:

    Jesaja 61: 1 De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis; 2 Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten; 3 Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde. 4 En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weder oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht. 5 En uitlanders zullen staan, en uw kudden weiden; en vreemden zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn. 6 Doch gijlieden zult priesters des HEEREN heten, men zal u dienaren onzes Gods noemen; gij zult het vermogen der heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult gij u roemen. 7 Voor uw dubbele schaamte en schande zullen zij juichen over hun deel; daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten; zij zullen eeuwige vreugde hebben. 8 Want Ik, de HEERE, heb het recht lief, Ik haat den roof in het brandoffer, en Ik zal geven, dat hun werk in der waarheid zal zijn; en Ik zal een eeuwig verbond met hen maken. 9 En hun zaad zal onder de heidenen bekend worden, en hun nakomelingen in het midden der volken; allen, die hen zien zullen, zullen hen kennen, dat zij zijn een zaad, dat de HEERE gezegend heeft. 10 Ik ben zeer vrolijk in den HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap. 11 Want gelijk de aarde haar spruit voortbrengt, en gelijk een hof, hetgeen in hem gezaaid is, doet uitspruiten; alzo zal de Heere HEERE gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor al de volken. (Statenvertaling)

     

    Het is opmerkelijk dat de Heer Jezus Christus met Jom Kippoer in het jaar 27 AD in de synagoge van zijn thuisstad Nazareth dit Bijbelgedeelte tot in de helft van vers twee voorlas, het Boekrol daarop sloot en verkondigde dat dit Bijbelgedeelte nu vervuld was. Het was het dertigste jubeljaar sinds de instelling ervan. Indien IsraŽl Hem had aangenomen zou de ganse profetie van Jesaja hoofdstuk 61 haar vervulling toen al gekend hebben.

    Voor koning Jojachin betekende het in het jaar 561 v. Chr. zijn verlossing uit de gevangenis. Voor wie geestelijke oren en ogen had was de vingerwijzing Gods duidelijk zichtbaar en verstaanbaar.

     

    De wijze van rekenen met de Bijbelse sabbat- en jubeljaren heb ik van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V) overgenomen. Ik heb dertig jubeljaren uit zijn lijst geselecteerd en op een tijdsbalk ondergebracht. Vanaf het eerste jubeljaar in 1395/1394 v. Chr. na de inname van het Beloofde Land Kanašn tot het openbaar worden van Jezus Christus als de Messias in 27/28 AD zijn er niet toevallig we dertig jubeljaren. Hierna een opsomming van de jubeljaren die we met onze artikelenreeks al behandeld hebben.

    Exodus jaartal: 1483 v. Chr. Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr.

    Jubeljaren en jaartallen v. Chr.:    Historische periode:

    1.       1395/1394                             Richter OthniŽl

    2.      1346/1345                                      Ruth 6:6

    3.      1297/1296                             Richter Ehud

    4.      1248/1247                             verdrukking Jabin

    5.      1199/1198                              Richter Thola

    6.      1150/1149                              verdrukking Ammon

    7.      1101/1100                              Richter en profeet SamuŽl

    8.      1052/1051                             Saul

    9.      1003/1002                                     Salomo

    10.    954/953                               Rehabeam

    11.     905/904                               Josafat

    12.     856/855                                Joas

    13.     807/806                               Amazia

    14.     758/757                                Uzzia

    15.     709/708                               Jaar 14 jaar van Hizkia

    16.     660/659                               Manasse

    17.     611/610                                  Josia- val van Nineveh

    18.     562/561                                Jaar 37 ballingschap Jojachin

    19.    513/512                                Darius I

     

     

    Tijdschema 550/537 v. Chr.

    Het bijgevoegde tijdschema toont het tweede en het derde sabbatjaar in de nieuwe cyclus naar het negentiende jubeljaar toe. Een belangrijk historisch feit op onze tijdsbalk is de val van Babylon in het najaar van 539 v. Chr. Het betekende het einde van de Babylonische overheersing van Jeruzalem en het begin van de heerschappij van de Meden en de Perzen over het gebied van het ontvolkte IsraŽl. Vier jaar later in 535 v. Chr. zou de Pers Kores alias Cyrus aan de Joden in ballingschap toelating tot terugkeer naar het oude land der vaderen geven. In datzelfde jaar kon de herbouw van de Tempel te Jeruzalem een aanvang nemen. Volgens de profeet DaniŽl was Darius de MediŽr de eerste heerser over het veroverde Babylon van 539 tot 535 v. Chr.

    DaniŽl 9:1 In het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het geslacht der Meden, die koning geworden was over het koninkrijk der ChaldeeŽn Ė 2 in het eerste jaar van zijn koningschap lette ik, DaniŽl, in de boeken op het getal van de jaren, waarover het woord des HEREN tot de profeet Jeremia gekomen was, dat Hij over de puinhopen van Jeruzalem zeventig jaar zou doen verlopen. (NBG Vertaling 1951)

     

    De regeerperiode van Darius de MediŽr ving aan bij de inname van Babylon door de legers van de Meden en de Perzen in het jaar 539 v. Chr.

    DaniŽl 5:25 Dit is het schrift, dat geschreven is: Mene, mene, tekel ufarsin. 26 Dit is de uitlegging van de woorden: Mene: God heeft uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; 27 Tekel: gij zijt in de weegschaal gewogen en te licht bevonden; 28 Peres: uw koninkrijk is gebroken en aan de Meden en Perzen gegeven. 29 Toen bekleedde men DaniŽl, op bevel van Belsassar, met purper en hing hem een gouden keten om de hals, en men riep over hem uit, dat hij de derde heerser in het koninkrijk zou zijn. 30 In dezelfde nacht werd Belsassar, de koning der ChaldeeŽn, gedood. (NBG Vertaling 1951)

     

    DaniŽl 6:1 Darius, de Meder, ontving het koningschap, toen hij tweeŽnzestig jaar oud was. 2 Het behaagde Darius over het koninkrijk honderd en twintig stadhouders aan te stellen, die over het gehele koninkrijk verdeeld zouden zijn; 3 en over hen drie rijks-bestuurders, van welke DaniŽl er een was; aan hen moesten die stadhouders rekenschap geven, opdat de koning geen schade zou lijden. 4 Toen overtrof deze DaniŽl de rijks-bestuurders en de stadhouders, doordat een uitnemende geest in hem was; en de koning was van zin Ďs hem over het gehele koninkrijk te stellen.

     

    Dit Schriftgedeelte leert duidelijk dat Darius de MediŽr het koningschap ontving bij de val van Babylon in het jaar 539 v. Chr. Darius de MediŽr zou vier jaar regeren tot in 535 v. Chr. tot wanneer de Pers Kores of Cyrus, de scepter zou overnemen. De Bijbelse Darius de MediŽr werd opgevolgd door de Pers Kores.

    Chronologisch gezien verliepen er vier jaren vanaf de verovering van Babylon door de Meden en de Perzen in 539 v. Chr. tot het eerste regeringsjaar van Kores in 535 v. Chr. en het definitieve einde van de zeventigjarige Babylonische ballingschap. De profeet Zacharia vermeldt dit vierde jaar in het bijzonder:

    Zacharia 7:1 Het gebeurde nu in het vierde jaar van den koning Darius, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Zacharia, op den vierden der negende maand (december 536 v. Chr.), namelijk in Chisleu. 2 Toen men naar het huis van God gezonden had Sarezer, en Regem-melech, en zijn mannen, om het aangezicht des HEEREN te smeken; 3 Zeggende tot de priesters, die in het huis des HEEREN der heirscharen waren, en tot de profeten, zeggende: Moet ik wenen in de vijfde maand, mij afzonderende, gelijk als ik gedaan heb nu zo vele jaren? 4 Toen geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende: 5 Spreek tot het ganse volk dezes lands, en tot de priesters, zeggende: Toen gij vasttet en rouwklaagdet, in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, hebt gijlieden Mij, Mij enigszins gevast? 6 Of als gij at, en als gij dronkt, waart gij het niet, die daar at, en gij, die daar dronkt?

     

    Het zevende hoofdstuk van de profeet Zacharia en de logische identificatie van Darius met Darius de MediŽr past als een puzzelstukje in het chronologische kader. Het was in het vierde regeringsjaar van Darius de MediŽr dat de Joden al zeventig jaar in ballingschap waren. Die vier jaren waren een periode van vasten, klagen en bidden voor een spoedige toelating tot terugkeer naar het land, geweest. Ook bij de profeet DaniŽl lezen we in hoofdstuk 7:1 dat DaniŽl in het eerste jaar van Darius de MediŽr de Bijbel (van zijn tijd) onderzocht en las bij de profeet Jeremia, dat de ballingschap zeventig jaar zou duren. Hij begreep op dat moment dat binnen vier jaar aan de ballingschap een einde zou komen. DaniŽl ging vervolgens in gebed en kreeg een openbaring van God in verband met het einde van de Ballingschap en de uitgestelde komst van het Koninkrijk Gods.

    Het resultaat van het verankeren van het Bijbelboek Zacharia met de regeerperiode van Darius de MediŽr maakt dat heel wat details van zijn profetieŽn over de buurvolken van Juda, historisch geplaatst kunnen worden.

    Meestal wordt de Darius die de profeet Zacharia vermeldt geÔdentificeerd met de Pers Darius I, de opvolger van de Pers Kambyses. De reden is dat er geen buiten-Bijbelse bronnen naar Darius de MediŽr voorhanden zijn, wat voor verlegenheid bij sommige theologen zorgt en vandaar de identificatie met de Pers. Als een gevolg hiervan gaan naar mijn mening heel wat historische verbanden verloren.

    De regeringsperiode van Darius I de Pers waar ook de oudheidhistoricus Herodotos naar verwijst zit algemeen bevestigd met de jaren van 521 tot 486 v. Chr., op de tijdsbalk. Een klein maar belangrijk verschil van zeventien jaar met het tweede regeringsjaar van de Bijbelse Darius de MediŽr.

     

     

    Tijdschema 536/523 v. Chr.

    Het bijgevoegde tijdschema toont het vierde en vijfde sabbatjaar van de negentiende jubeljaarcyclus. In 535 v. Chr., in het zeventigste jaar van de Babylonische ballingschap voor de Joden, werd Kores koning over Babylon. De oudheidhistoricus Flavius Josephus verbindt het eerste jaar van Kores met het einde van de zeventigjarige ballingschap.

    1 In the first year of the reign of Cyrus which was the seventieth from the day that our people were removed out of their own land into Babylon, God commiserated the captivity and calamity of these poor people, according as he had foretold to them by Jeremiah the prophet, before the destruction of the city, that after they had served Nebuchadnezzar and his posterity, and after they had undergone that servitude seventy years, he would restore them again to the land of their fathers, and they should build their temple, and enjoy their ancient prosperity. And these things God did afford them; for he stirred up the mind of Cyrus, and made him write this throughout all Asia: "Thus saith Cyrus the king: Since God Almighty hath appointed me to be king of the habitable earth, I believe that he is that God which the nation of the Israelites worship; for indeed he foretold my name by the prophets, and that I should build him a house at Jerusalem, in the country of Judea."

    Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek XI, i.1

     

    Onder de leiding van Zerubbabel keerden de eerste Joodse ballingen terug naar oude het land der vaderen. Het eerste wat zij bij hun terugkeer deden was het altaar van de God van IsraŽl te Jeruzalem, oprichten. Daarna werden de fundamenten voor een nieuwe Tempel gelegd (Ezra 3:1-8).

     

    2 Kronieken 36:22 Maar in het eerste jaar van Kores, koning van PerziŽ, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, door den mond van Jeremia, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van PerziŽ, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:

    23 Zo zegt Kores, koning van PerziŽ: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is; wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op. (Statenvertaling)

     

    Het eerste jaar van Kores zondermeer op de tijdsbalk invullen is geen eenvoudige opdracht. De figuur Kores of Cyrus de Grote is nochtans vanuit de wereldgeschiedenis goed bekend en gedocumenteerd. De oudheid-historicus Herodotos bijvoorbeeld geeft heel wat informatie over zijn leven zoals afstamming, carriŤre en dood. Zijn eerste jaar als koning van de Perzen is dan 559 v. Chr. Maar in dat jaar was Babylon nog niet door de Meden en Perzen veroverd en waren de Joden nog in hun zeventigjarige Babylonische ballingschap. Het jaar 559 v. Chr. is aldus uitgesloten indien we bij het geciteerde Bijbelgedeelte van 2 Kronieken 36:21 blijven. De sleutel tot het berekenen van het Bijbelse eerste jaar van Kores is het verankeren op de tijdsbalk van het begin en het einde van de zeventig jaar ballingschap zoals door de profeet Jeremia voorspelt. Er zijn in totaal drie wegvoeringen in Babylonische ballingschap geweest. De eerste geschiedde in het vierde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda , de zoon van Josia, in 605 v. Chr. (Jeremia 25:1-3). De tweede wegvoering geschiedde op het einde van de drie maanden regeerperiode van koning Jojachin in 597 v. Chr. zijnde het achtste regeringsjaar van Nebukadnezar. De derde en laatste wegvoering geschiedde in 586 v. Chr. wanneer ook de Tempel te Jeruzalem vernietigd werd. De zeventigjarige Babylonische ballingschap rekenen we vanaf de eerste wegvoering in 605 v. Chr.

    Jeremia 25:11 En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren. 12 Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HEERE, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der ChaldeeŽn, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. 13 En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken. (Statenvertaling)

     

    De periode van de zeventigjarige ballingschap zoals door de profeet Jeremia voorzegd vangt aan in het jaar 605 v. Chr. en eindigde in 535 v. Chr. Volgens Flavius Josephus is het eerste jaar van Kores gelijk aan het zeventigste Babylonische ballingsjaar (Flavius Josephus, Antiquities, Book XI, i.). Het eerste jaar van Kores is aldus op de tijdsbalk te plaatsen in 535 v. Chr. De val van Babylon was sinds oktober 539 v. Chr. al vier jaar geschiedenis.

    De Pers Kores was honderdveertig jaar eerder door de profeet Jesaja (hoofdstuk 4:1-13) bij naam voorspeld en als degene die de IsraŽlieten zou doen terugkeren naar hun thuisland.

     

    Dat de profeet Jesaja deze profetie had uitgesproken en neergeschreven in 726 v. Chr., honderdveertig jaar voor de feiten, weten we van Flavius Josephus.

    Flavius Josephus, Antiquities, Book XI, i.

    2. This was known to Cyrus by his reading the book which Isaiah left behind him of his prophecies; for this prophet said that God had spoken thus to him in a secret vision: "My will is, that Cyrus, whom I have appointed to be king over many and great nations, send back my people to their own land, and build my temple." This was foretold by Isaiah one hundred and forty years before the temple was demolished. Accordingly, when Cyrus read this, and admired the Divine power, an earnest desire and ambition seized upon him to fulfill what was so written; so he called for the most eminent Jews that were in Babylon, and said to them, that he gave them leave to go back to their own country, and to rebuild their city Jerusalem, and the temple of God, for that he would be their assistant, and that he would write to the rulers and governors that were in the neighborhood of their country of Judea, that they should contribute to them gold and silver for the building of the temple, and besides that, beasts for their sacrifices.

     

    Josephus schrijft dat men Kores de profetie van de profeet Jesaja heeft laten lezen en deze zo onder de indruk van de profetie was dat hij de Joden beval voor de HEERE God van IsraŽl een Huis te Jeruzalem te bouwen, en aldus de profetie van Jesaja van honderdveertig jaar eerder, te vervullen.

     

    Het volgende aandachtspunt op het tijdschema 536/523 v. Chr. is het jaar 525 v. Chr. met de invasie van Egypte door de Pers Kambyses. Dit betekende het einde van de zesentwintigste dynastie en tegelijkertijd het einde van de Egyptische onafhankelijkheid. Het is de historicus Herodotos die de geschiedenis van de overrompeling van Egypte door Kambyses beschreven heeft. De gegevens van de oudheidhistoricus Herodotos, de PtolemeŁs-canon en de Bijbel blijken in harmonie met elkaar te zijn.

     

     

    Tijdschema 522/509 v. Chr.

    Het bijgevoegde tijdschema 522/509 v. Chr. toont het zesde en het zevende sabbatjaar gevolgd door het negentiende jubeljaar. Bovenaan het tijdschema zien we de regeerperiode van de Perzische koningen. Naar het einde toe van de regeerperiode van Kambyses in 522 v. Chr. volgde er een periode van anarchie in het Perzische Rijk waarbij een zekere ĎSmerdis de MagiŽrí zich uitgaf als de vermeende zoon van Cyrus. De oudheid-historicus Herodotos brengt deze geschiedenis in detail. Zie link: http://www.sacred-texts.com/cla/hh/hh3060.htm

    Belangrijk is de chronologie van de Pers Darius I. In het zesde regeringsjaar van deze heerser leert de Bijbel dat de nieuwe Tempel te Jeruzalem gebouwd was.

    Ezra 6:14 En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggai en Zacharia, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God IsraŽls, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van PerziŽ. 15 En dit huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; datzelve was het zesde jaar van het koninkrijk van den koning Darius. 16 En de kinderen IsraŽls, de priesteren en Levieten, en de overige kinderen der gevangenis deden de inwijding van dit huis Gods met vreugde. 17 En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans IsraŽl, naar het getal der stammen IsraŽls.

     

    Het zesde sabbatjaar van april 520/ maart 519 v. Chr., een jaar dat het land moest rusten werd voorafgegaan door het zesde jaar dat een jaar van dubbele zegening over het land betekende, was ditmaal een tegenvaller. De profeet HaggaÔ hebben we al vermeld gezien in het eerder geciteerde Bijbelgedeelte van Ezra 6:14. De profeet HaggaÔ (hoofdstuk 1:1-8) begint zijn boek in het Oude Testament met de vermelding dat zijn bediening een aanvang nam in het tweede jaar van koning Darius.

    De Bijbel geeft jaar, maand en dag aan ter chronologische plaatsing van de bediening van HaggaÔ op de tijdsbalk: ďIn het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maandĒ. Volgens de westerse tijdrekening was dit augustus van het jaar 520 v. Chr. midden in het sabbatjaar dat blijkbaar toen geen zegening over het land zag. Het zesde jaar had minder dan de helft van de normale oogst gegeven (HaggaÔ 1:9-12).

    In het tweede hoofdstuk van de profeet HaggaÔ wordt dit opnieuw onderlijnd:

    HaggaÔ 2:1 Op den vier en twintigsten dag der maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van den koning Darius. 2 In de zevende maand, op den een en twintigsten der maand, geschiedde het woord des HEEREN door den dienst van den profeet Haggai, zeggende: 3 Spreek nu tot Zerubbabel, den zoon van SealthiŽl, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en tot het overblijfsel des volks, zeggende: 4 Wie is onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu? Is dit niet als niets in uw ogen? 5 Doch nu, wees sterk, gij Zerubbabel! spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Josua, zoon van Jozadak, hogepriester! en wees sterk, al gij volk des lands! spreekt de HEERE; en werkt, want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen; 6 Met het woord, in hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet! 7 Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. 8 Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen. 9 Mijn is het zilver, en Mijn is het goud, spreekt de HEERE der heirscharen. 10 De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen. 11 Op den vier en twintigsten dag der negende maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord des HEEREN door den dienst van den profeet Haggai, zeggende: 12 Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Vraag nu den priesters de wet, zeggende: 13 Ziet, iemand draagt heilig vlees in de slip van zijn kleed, en hij raakt met zijn slip aan het brood, of aan het moes, of aan den wijn, of aan de olie, of aan enige spijze, zal het heilig worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Neen. 14 En Haggai zeide: Indien iemand, die onrein is van een dood lichaam, iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Het zal onrein worden. 15 Toen antwoordde Haggai, en zeide: Alzo is dit volk, en alzo is deze natie voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE, en alzo is al het werk hunner handen; en wat zij daar offeren, dat is onrein. 16 En nu, stelt er toch ulieder hart op, van dezen dag af en opwaarts, eer er steen op steen gelegd werd aan den tempel des HEEREN; 17 Eer die dingen geschiedden, kwam iemand tot den koren hoop van twintig maten, zo waren er maar tien; komende tot den wijnbak, om vijftig maten van de pers te scheppen, zo waren er maar twintig. 18 Ik sloeg ulieden met brandkoren, met honigdauw en met hagel, al het werk uwer handen; en gij keerdet u niet tot Mij, spreekt de HEERE. 19 Stelt er toch uw hart op, van dezen dag af en opwaarts; van den vier en twintigsten dag der negende maand af, van den dag af, als het fondament aan den tempel des HEEREN is gelegd geworden, stelt er uw hart op. 20 Is er nog zaad in de schuur? Zelfs tot den wijnstok, en den vijgeboom, en den granaatappelboom, en den olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van dezen dag af zegenen. 21 Het woord des HEEREN nu geschiedde ten tweeden male tot Haggai, op den vier en twintigsten der maand, zeggende: 22 Spreek tot Zerubbabel, den vorst van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen. 23 En Ik zal den troon der koninkrijken omkeren, en verdelgen de vastigheid van de koninkrijken der heidenen; en Ik zal den wagen omkeren, en die daarop rijden; en de paarden, en die daarop rijden, zullen nederstorten, een iegelijk in des anderen zwaard. 24 Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van SealthiŽl, Mijn knecht! spreekt de HEERE, en Ik zal u stellen, als een zegelring; want u heb Ik verkoren, spreekt de Heere der heirscharen.

     

    Volgens de westerse kalender zijn we nu in oktober van het jaar 521 v. Chr. op de laatste dag van het Loofhuttenfeest (Leviticus 23:24) en werd de zomeroogst gevierd die dat jaar minder dan de helft van het normale geweest was. Het verkwikkende vers twintig leert dat het van toen af er anders aan toe zou gaan en dat de HEERE zou zegenen. De volgende oogst zou verzekerd zijn. Het wintergewas werd in december 521 v. Chr. geplant.

    Dit Bijbelgedeelte bevestigt de telling van de sabbatjaren zoals de geleerde William Whiston ze ons aangereikt heeft. In zijn JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V, is het jaar 520/519 v. Chr. een van de tien historische vermeldingen die de dertig jubeljaren op de tijdsbalk verankeren. In dit geval is het zesde sabbatjaar in de cyclus van het negentiende jubeljaar verankerd met het twee regeringsjaar van de Pers Darius I dat op zijn beurt bevestigd wordt door de oudheidhistoricus Herodotos (Boek 3.78, 3.84-88) en de PtolemeŁscanon wat zelfs een kruispeiling ter navigatie op de tijdsbalk der geschiedenis mogelijk maakt.

     

    Een bijzonder aandachtspunt dat ik mijn lezers onder de aandacht wil brengen is vers acht van het eerder geciteerde Bijbelgedeelte van HaggaÔ hoofdstuk 2: ďJa, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen.Ē

    De ĎWens aller heidenení is in de heilsgeschiedenis de (ver)Losser die al in Genesis hoofdstuk 3:15 aangekondigd werd. Hij is Ďhet zaad van de vrouwí die Ďde doodí, het sterven dat sinds Genesis over de Schepping heerste, overwonnen heeft. In de lijn van Sem, de zoon van Noach zou het zaad van de vrouw zich openbaren en alles herstellen. Deze belofte hebben ook de twee andere zonen van Noach: Jafeth en Cham na de spraakverwarring in 2239 v. Chr. vanuit de vlakte van Sinear naar hun nieuwe vestigingsgebieden meegenomen en aan de volgende geslachten (zij het meestal misvormd) doorgegeven. Het dertigste Jubeljaar van het jaar 27/28 AD zou de Losser uiteindelijk via IsraŽl aan de wereld bekendmaken.

    Ik gebruik in dit blog vooral de Statenvertaling, een vertaling die naar mijn gevoelen het dichts bij de grondtekst is gebleven. In latere Nederlandse vertalingen van de Bijbel: de NBG 1951 en de NBV 2005 is de voorzegging over: ĎDe Wens aller heidenení verdwenen, wegvertaald, wat voor mij onbegrijpelijk is. Een reden voor mij om vooral op de Statenvertaling te vertrouwen in mijn studie van de Bijbel.

    Wordt vervolgdÖ

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    14-05-2018 om 13:31 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    07-05-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een verborgen kamer in de tombe van Toetanchamon?

    Toen in de vorige eeuw in 1922 de graftombe van Toetanchamon ontdekt werd was dit de vondst bij uitstek van die eeuw. Het was de archeoloog en egyptoloog Howard Carter (1874/1939) die het graf in de koningsvallei nabij Thebe blootlegde.

     

     

    © Ludo Ielegems

    De ontdekking van het graf kreeg bijna honderd jaar geleden nu, vooral veel aandacht vanwege het gouden dodenmasker van Toetanchamon en een enorme schat van gouden voorwerpen die gevonden werd. Het was een vondst vergelijkbaar met het blootleggen van het oude Troje in de heuvel te Hisarlik (Turkije) door Heinrich Schliemann (1822/1890) en het vinden van de schat van Priamus in 1873. Als een gevolg van de inzet van Heinrich Schliemann werd de Ilias van Homerus toen van een louter dichterlijk werk plotseling als een historisch werk bevestigd.

    Het is de verdienste van Howard Carter het graf van Toetanchamon uiteindelijk ontdekt te hebben. Op basis van een eerder ontdekte cartouche met de hiŽrogliefennaam van Toetanchamon was hij overtuigd van de historiciteit van de farao en zocht hij ijverig in de koningsvallei verder. De Egyptische oudheidhistoricus Manetho had namelijk de namen van de Aton-ketters in zijn koningslijsten niet vermeld. Voor hem hadden de Aton-ketters: Achnaton, Smenkhkare, Toetanchamon en Eje nooit bestaan. Manetho gaf een alternatieve lijst van faraoís op via een dochter van Amonhotep III: Acencherches, tot aan Horemheb. Ook de bekende Abydos-koningslijst van farao Seti I en Ramses II vermeldt de Aton-ketters niet maar springt van farao Amonhotep III onmiddellijk over naar Horemheb. Toen de oudheidhistoricus Herodotos in de vijfde eeuw v. Chr. Egypte bezocht hadden de priesters daar de grootste moeite de naam van de ketter-koning Achnaton te vermelden (De zonaanbidder, 2016, hoofdstuk: Anysis, de blinde farao uit de stad Anysis, blz. 55-64).

     

    Toetancha(m)(t)on was de voorlaatste van de reeks van gehate Aton-ketters, de zogenaamde Amarna-farao Ďs. Een rij van heersers waarvan weinig archeologisch materiaal bewaard bleef, het gevolg van de beeldenstorm van generaal Horemheb, de latere farao die de Aton-era voor Egypte definitief afsloot.

     

     

    © http://www.dailymail.co.uk/sciencetech/article-5341599/Egypt-starts-radar-scans-secret-rooms-Tuts-tomb.html

     

    De tombe van Toetanchamon is sinds een aantal jaren opnieuw wereldnieuws op basis van het vermoeden dat er zich nog ťťn of twee geheime kamers in de graftombe bevinden.

    De inmiddels in de media goed bekende Egyptoloog Ph. D. Nicholas Reeves beweert sinds 2009 dat de stoffelijke resten van koningin Nefertete zich in een kamer grenzend aan die van Toetanchamon zou bevinden.

    Voor een degelijke update betreffende de opzoekingswerken zie link: https://news.nationalgeographic.com/2018/02/king-tut-tomb-hidden-chamber-scan-egypt/

     

    Wanneer men op het internet onderzoek naar het onderwerp doet lijkt het dat er geen andere pistes meer mogelijk zijn dan dat een verborgen kamer de stoffelijke resten van koningin Nefertete zou bevatten. De kamer moet overigens nog te voorschijn komen?

    Wie mijn boek ĎDe zonaanbidder: Achnaton, de strenge en hardvochtige farao volgens de profeet Jesaja, 2016, gelezen heeft weet dat nochtans een andere piste mogelijk is.

    Toetanchamon was een zoon van de ketterfarao Achnaton en hoort volgens mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid in de zevende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk thuis. In mijn boek identificeer ik Herodotosí farao Anysis uit de stad Anysis met Achnaton uit Achetaton en maak de verbinding met het werk van Dr. Immanuel Velikovsky (Oedipus en Achnaton, Is de Griekse Oedipus-legende van Egyptische oorsprong?, 1974) die stelde dat Achnaton de Oedipus van de Griekse legende was en dat heel de Griekse tragedie in de familiegeschiedenis van Achnaton past. Het is een theorie die op bevestiging wacht. Volgens Velikovsky is Achnaton/Oedipus te Thebe door Eje/Creon gedood en zijn stoffelijke resten door Eje in een verborgen tombe te Thebe geplaatst (Oedipus en Achnaton, deel II, blz. 172/179). Ik ben van mening dat er een goede kans bestaat dat de stoffelijke resten van Achnaton/Oedipus door farao Eje/Creon, zijn bijgezet in een verborgen kamer in de tombe van Toetanchamon. Dat zou pas de ontdekking van de eeuw worden, wat schrijf ik, misschien wel de ontdekking bij uitstek van het derde millennium, maar nu overdrijf ik. Tenzij de stoffelijke resten van Achnaton op een verborgen plaats in de nabijheid van de tombe van Toetanchamon gevonden wordt.

    Het zou ook eerherstel voor de erudiete Dr. Immanuel Velikovsky (1895/1979) betekenen. Vanaf het publiceren van zijn boeken ĎWerelden in botsing, 1950í en Ďeeuwen in chaos, 1952í is hij door de gevestigde wetenschap aangevallen en verguisd. Ook uit de hoek van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid werd hij op de korrel genomen. Soms door onderzoekers die naambekendheid nastreefden op de kap van een beroemd iemand.

     

    Wat ook opvalt zijn telkens de jaartallen die men aan Toetanchamon toekent op basis van het veronderstelde gebruik van een dubbele kalender in het oude Egypte: 1334/1325 v. Chr. In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 345/356, zit Toetanchamon op de tijdsbalk verankerd met de regeerperiode 683/675 v. Chr.

    De gevestigde wetenschap egyptologie zweert nog altijd bij de tijdsconstructie die de egyptoloog Eduard Meyer in 1904 lanceerde en sindsdien niet betwist wordt zij het dan alleen door revisionisten van de geschiedenis van de oudheid. Eduard Meyer ging er foutief van uit dat er in het oude Egypte twee kalenders naast elkaar bestaan hadden. Een burgerlijke en een godsdienstige gebaseerd op het heliakisch opkomen van de Hondsster of Sothis. Met tijdsprongen van 1460 jaar werd de vermeende geschiedenis van het oud Egypte op de tijdsbalk aangebracht. Vertrekpunt was het jaar 139 AD dat van de Romeinse grammaticus Censorinus verkregen werd. De vermeende Sothis-kalender is echter een fantasie van Romeinen en Grieken dat zelfs door orthodoxe Egyptologen eerder opgemerkt werd:

    De Egyptoloog Cecil Torr (Memphis and Mycenae, 1896) een tegenstander van Eduard Meyer in de negentiende eeuw, stelt dat de Sothis-cyclus een uitvinding van de Grieken was, van latere tijd. Noch is er enige indicatie, schrijft hij, dat de Egyptenaren de cyclus kenden; geen vermelding wordt er over gevonden in hun inscripties of papyri, buiten enkele occasionele vermeldingen over het opkomen van de Hondsster.

    ďThis all looks as though the cycle was invented by the later Greeks at Alexandria. Nor is there anything to indicate that it was known to the Egyptians in earlier times; no mention of it being found in their inscriptions or papyri, though occasionally these note the rising of the dog-star.Ē

    Over de chronologie van het oude Egypte schreef ik eerder op dit blog op 27.02.2017 een artikel. Zie link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?startdatum=1488150000&stopdatum=1488754800

     

    Dat men binnen de orthodoxe egyptologie halsstarrig aan de Sothis-kalender van Eduard Meyer vasthoudt heeft te maken met het gebrek aan ankerpunten op de tijdsbalk. De oudste absolute historische datum die men voor Egypte heeft is het jonge jaartal 661 v. Chr. met de binnenvallende AssyriŽrs en de val van Thebe. De bestaande Egyptische koningslijsten zoals die van Abydos, Karnak en de Turijn-lijst bevatten geen ankerpunten ter bevestiging op de tijdsbalk.

    Voorbij het jaartal 661 v. Chr. de tijd in zijn er voor de orthodoxe egyptologie geen ankerpunten voorhanden. Tenzij men de Egyptische koningslijst van de oudheidhistoricus Herodotos zou gebruiken, alsook die gedeelten van het werk van Manetho die de oudheidhistoricus Flavius Josephus verbonden met de IsraŽlitische geschiedenis doorgaf. Maar die wijst men af omdat ze haaks staan op de constructie van Eduard Meyer. De historische boeken van de Bijbel leveren ook heel wat ankerpunten op de tijdsbalk waarbij zowel het oude Rijk, het Midden-rijk als het Nieuwe Rijk en de respectievelijke tussenperioden op de tijdsbalk ondergebracht kunnen worden. Zie bijvoorbeeld het artikel op dit blog van 09.11.2017: De datering van het Egyptische Oude Rijk aan de hand van de Bijbelboeken Genesis en Exodus, link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?startdatum=1509922800&stopdatum=1510527600

    Maar de Bijbel wordt sinds de negentiende eeuw in het kielzog van de evolutietheorie en Bijbelkritiek louter als een godsdienstig boek betracht met weinig historische waarde, wat te betreuren is. De Bijbelse chronologie levert nochtans een raamwerk van historische gebeurtenissen tot meer dan vierduizend jaar terug die op een tijdsbalk ondergebracht kunnen worden, met links naar vooral het oude Egypte.

     

    Wordt vervolgdÖ

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    07-05-2018 om 14:04 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Theudas, de oproerkraaier die beweerde dat hij iets was

    Handelingen 5:35 En hij (GamaliŽl) zeide tot hen: Gij IsraŽlitische mannen, ziet voor u, wat gij doen zult aangaande deze mensen. 36 Want voor deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden. 37 Na hem stond op Judas, de GalileeŽr in de dagen der beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden. (Statenvertaling)

     

    Aan het woord is GamaliŽl een farizeeŽr en Schriftgeleerde en lid van de Joodse raad in Jeruzalem. Op de tijdsbalk bevinden we ons in de zomer van 30 AD, een korte tijd na Pinksteren of Sjavoeot met de uitstorting van de Heilige Geest over de discipelen, mannen en vrouwen die het begin van de Joodse Gemeente te Jeruzalem waren. Met wonderen en tekenen werd sindsdien tot ergernis van de Joodse leiders het evangelie aan het Joodse volk gebracht. Als een gevolg waren de apostelen gevankelijk voor de Joodse raad gebracht en met de doodstraf bedreigd. De Schriftgeleerde GamaliŽl die het vertrouwen van het volk had stond onder het tumult in de raad op en overtuigde de andere leden voorzichtig met het uitspreken van de doodstraf over de apostelen te zijn. Zijn wijze woorden waren: Laat u niet in met deze mensen en laat hen geworden; want indien dit streven of dit werk uit mensen is, zal het vernietigd worden, maar indien het uit God is, zult gij hen niet kunnen vernietigen; het mocht eens blijken, dat gij tegen God strijdt. Vervolgens lezen we zijn woorden voor de raad hierboven in het Bijbelgedeelte uit het boek Handelingen vanaf vers 35 geciteerd. Hij verwijst hierbij naar twee oproerkraaiers uit het verleden: Thadeus en Judas de GalileeŽr. Het zijn twee mannen die ten tijde van de bekende beschrijving van de Romeinse keizer het volk ophitsten. Thaddeus had een aanhang van ongeveer vierhonderd mannen en Judas de GalileeŽr wordt beschreven als de leider van veel volk.

     

    De auteur van het Bijbelboek Handelingen is de evangelist Lukas. Handelingen is zijn tweede boek. Zijn eerste boek: het evangelie naar Lukas, begint hij met de woorden:

    Lukas 1:1 Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben; 2 Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn; 3 Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus! 4 Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt. (Statenvertaling)

     

    Met andere woorden de evangelist Lukas stelt dat hij het nodige onderzoek uitgevoerd heeft en alles van meet aan nauwkeurig heeft nagegaan opdat men zeker zou mogen zijn van de historische dingen die hij in geregelde orde neerschreef. Ik twijfel er niet aan dat Lukas bij wijze van spreken zijn huiswerk degelijk gemaakt heeft en ons een historisch overzicht van de gebeurtenissen van tweeduizend jaar geleden bezorgd heeft. Theudas en Judas de GalileeŽr zijn historische personen die aan het begin van de westerse jaartelling hun plaats op de tijdsbalk hebben. Een struikelsteen voor sommigen is dat Flavius Josephus een naamgenoot van Theudas vermeld die rond 45 AD voor problemen zorgden. Sommige godgeleerden komen dan tot boude uitspraken zoals: Lukas heeft zich vergist, hij heeft zijn huiswerk niet goed gemaakt. Heel de rede van GamaliŽl wordt zelfs als een maaksel door Lukas in twijfel getrokken en bevonden een onmiskenbare historische vergissing te zijn.

     

    Wat de Bijbelkritiek betreft is er niets nieuws onder de zon. Veel van de kritiek werd in het verleden door Bijbelgetrouwe geleerden al eens eerder weerlegd. Ook het schijnbare probleem met de naamgenoten Theudas werd eerder al getackeld.

     

     

    De Britse geleerde William Whiston (1667/1752) die vooral bekendheid kreeg door zijn vertaling van de werken van Flavius Josephus van het Grieks naar het Engels reikte in zijn voetnoten de oplossing voor Theudas en zijn naamgenoot aan. Het is de oudheidhistoricus Flavius Josephus die de tijdgenoot van Lukas’ Theudas in 45 AD plaatst. Hierna het betreffende gedeelte:

    Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek XX, 5

    1. NOW it came to pass, while Fadus was procurator of Judea, that a certain magician, whose name was Theudas, (9) persuaded a great part of the people to take their effects with them, and follow him to the river Jordan; for he told them he was a prophet, and that he would, by his own command, divide the river, and afford them an easy passage over it; and many were deluded by his words. However, Fadus did not permit them to make any advantage of his wild attempt, but sent a troop of horsemen out against them; who, falling upon them unexpectedly, slew many of them, and took many of them alive. They also took Theudas alive, and cut off his head, and carried it to Jerusalem. This was what befell the Jews in the time of Cuspius Fadus's government.

     

    De geleerde William Whiston voegde in zijn vertaling al een voetnoot bij ter verduidelijking dat we hier met een naamgenoot te doen hebben en niet met een vergissing door Lukas gemaakt die Theudas in de dagen van de inschrijving plaatst. Hierna het heldere commentaar van Whiston:

    (9) This Theudas, who arose under Fadus the procurator, about A.D. 45 or 46, could not be that Theudas who arose in the days of the taxing, under Cyrenius, or about A.D. 7, Acts v. 36, 37. Who that earlier Theudas was, see the note on B. XVII. ch. 10. sect. 5.

     

     

    De Theudas die Lukas aan het begin van onze huidige jaartelling plaatst had een aanhang van ongeveer vierhonderd man. De naamgenoot Theudas die Josephus aanhaalt had een enorme massa mensen als aanhang. Dit is een vaststelling die aantoont dat de Theudas van Lukas en de Theudas van Josephus twee te onderscheiden verzetsmannen waren.

    Voor de geleerde William Whiston was dit ook een uitgemaakte zaak. Hierna het citaat uit Flavius Josephus, Boek XVII:

    Ant. XVII.10.5. There was also Judas, (16) the son of that Ezekias who had been head of the robbers; which Ezekias was a very strong man, and had with great dificulty been caught by Herod. This Judas, having gotten together a multitude of men of a profligate character about Sepphoris in Galilee, made an assault upon the palace [there,] and seized upon all the weapons that were laid up in it, and with them armed every one of those that were with him, and carried away what money was left there; and he became terrible to all men, by tearing and rending those that came near him; and all this in order to raise himself, and out of an ambitious desire of the royal dignity; and he hoped to obtain that as the reward not of his virtuous skill in war, but of his extravagance in doing injuries.

    Hierna Whiston ‘s voetnoot voor F. Josephus Ant. Book XVII.10.5:

    (16) Unless this Judas, the son of Ezekias, be the same with that Theudas, mentioned Acts 5:36, Josephus must have omitted him; for that other Thoualas, whom he afterward mentions, under Fadus the Roman governor, B. XX. ch. 5. sect. 1, is much too late to correspond to him that is mentioned in the Acts. The names Theudas, Thaddeus, and Judas differ but little. See Archbishop Usher's Annals at A.M. 4001. However, since Josephus does not pretend to reckon up the heads of all those ten thousand disorders in Judea, which he tells us were then abroad, see sect. 4 and 8, the Theudas of the Acts might be at the head of one of those seditions, though not particularly named by him. Thus he informs us here, sect. 6, and Of the War, B. II. ch. 4. Sect. 2, that certain of the seditious came and burnt the royal palace at Amsthus, or Betharamphta, upon the river Jordan. Perhaps their leader, who is not named by Josephus, might be this Theudas.

     

    Dit is een plausibele verklaring van de geleerde William Whiston (1667/1752) die alle gezaaide twijfel in de kiem smoort.

     

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    30-04-2018 om 08:48 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het achttiende historische Jubeljaar van oktober 562/september 561 v. Chr.

    We vervolgen deze week met onze afleveringen over de historische jubeljaren. Met het artikel van 04.04.2018 op dit blog gaven we aandacht aan het zeventiende jubeljaar dat ten tijde van de regeerperiode van koning Josia en de val van Nineveh viel.

     

     

    De val van Nineveh was door de profeet Nahum (1:1-15) aangekondigd. Aan het einde van de oordeelsaankondiging door Nahum volgt het belangrijk vers 15 waar staat: Vier, o Juda, uw feesten, betaal uw geloften!

    Nahum 1:15 Zie, op de bergen de voeten van de vreugdebode die heil verkondigt. Vier, o Juda, uw feesten, betaal uw geloften! Want voortaan zal de snoodaard niet meer door u heentrekken, hij is geheel en al uitgeroeid. (NBG Vertaling 1951)

     

    Kan het duidelijker? Vier, o Juda, uw feesten, betaal uw geloften!

    Dit zijn de feesten waaronder ook het jubeljaar, dat in het derde Bijbelboek Leviticus hoofdstuk 25:9-12 beschreven staan. Het zeventiende jubeljaar is op deze wijze als absoluut historisch op de tijdsbalk verankerd en bevestigd de wijze van tellen van de wetenschapper William Whiston (1667/1752).

    De wijze van rekenen met de Bijbelse sabbat- en jubeljaren heb ik van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V) overgenomen. Ik heb dertig jubeljaren uit zijn lijst geselecteerd en op een tijdsbalk ondergebracht. Vanaf het eerste jubeljaar in 1395/1394 v. Chr. na de inname van het Beloofde Land Kanašn tot het openbaar worden van Jezus Christus als de Messias in 27/28 AD zijn er niet toevallig we dertig jubeljaren. Hierna een opsomming van de jubeljaren die we met onze artikelenreeks al behandeld hebben.

    Exodus jaartal: 1483 v. Chr. Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr.

    Jubeljaren en jaartallen v. Chr.:    Historische periode:

    1.       1395/1394                             Richter OthniŽl

    2.      1346/1345                                      Ruth 6:6

    3.      1297/1296                             Richter Ehud

    4.      1248/1247                             verdrukking Jabin

    5.      1199/1198                              Richter Thola

    6.      1150/1149                              verdrukking Ammon

    7.      1101/1100                              Richter en profeet SamuŽl

    8.      1052/1051                             Saul

    9.      1003/1002                                     Salomo

    10.    954/953                               Rehabeam

    11.     905/904                               Josafat

    12.     856/855                                Joas

    13.     807/806                               Amazia

    14.     758/757                                Uzzia

    15.     709/708                               Het 14de jaar van Hizkia

    16.     660/659                               Manasse

    17.     611/610                                  Josia- val van Nineveh

    18.    562/561                               Jaar 37 ballingschap Jojachin

     

    Deze week gaan we verder met het achttiende historische jubeljaar van oktober 562/september 561 v. Chr.

     

     

    Op het bijgevoegde tijdschema voor de periode van 606 tot 593 v. Chr. merken we het eerste en het tweede sabbatjaar in de cyclus van het achttiende jubeljaar. Bovenaan de tijdschema staan de jaartallen volgens de westerse kalender vermeld onderverdeeld in vier kwartalen. Daaronder staan de sabbatjaren en jubeljaren via een blauwe tijdsbalk uitgetekend. Een sabbatjaar liep van april tot maart in het volgend jaar en een jubeljaar volgde na zeven sabbatjaren. Het jubeljaar begon in oktober en liep tot september van het volgend jaar, een jaar waar in april een nieuwe sabbatjaarcyclus begonnen was. Dit is in een notendop de wijze van rekenen die William Whiston ons doorgegeven heeft.

    William Whiston (1667/1752) was een Engelse wiskundige, historicus en theoloog. Hij is vooral bekend door zijn vertaling van de werken van Flavius Josephus uit het Grieks naar de Engelse taal. In zijn eerder vermelde Ďdissertatie Ví geeft Whiston tien historische verwijzingen naar het houden van sabbat- en jubeljaren door het oude IsraŽl vanuit de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en vanuit de apocriefe boeken MakkabeeŽn. Deze verwijzingen vormen als het ware een ketting waarmee men op de tijdsbalk naar het verleden kan navigeren. Aan deze lijst van tien historische verwijzingen voegde ik het historische jubeljaar van 562/561 v. Chr. toe, een jubeljaar dat met deze aflevering onze aandacht krijgt.

     

     

    Het volgende tijdschema dat ons op de tijdsbalk naar het achttiende jubeljaar loodst gaat over de periode 592 tot 579 v. Chr. Dit was een dramatische tijdsperiode voor het koninkrijk Juda. Het uitgestelde oordeel over het koninkrijk Juda tijdens het leven van koning Josia zou ten tijde van zijn zoons Jojakim, Jojachin en zijn broer Zedekia als koningen over Juda uitgevoerd worden. Via drie wegvoeringen zouden de twee stammen Juda en Benjamin samen met de Levieten naar Babylon in ballingschap voor in totaal zeventig jaar lang weggevoerd worden. Eťn jaar voor elk jaar dat zij in hun lange geschiedenis over honderdtwintig sabbatjaren heen, zeventig keer het sabbatjaargebod genegeerd hadden. In de zomer van 586 v. Chr. zou ook de Tempel te Jeruzalem door de BabyloniŽrs vernietigd worden. Het ontvolkte land had daarop van het jaar 605 tot het jaar 535 v. Chr. rust. Over de exacte datering van deze geschiedenis plaatste ik eerder op 31.10.2016 op dit blog een artikel: het jaartal van de vernietiging van de Tempel van Salomo door de BabyloniŽrs. Zie link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?startdatum=1477868400&stopdatum=1478473200

     

     

    Het bijgevoegde tijdschema gaat over de periode van 578 tot 565 v. Chr. en toont het vijfde en zesde sabbatjaar over het sedert 586 v. Chr. ontvolkte land. De eerste wegvoering gaat terug tot 605 v. Chr., een wegvoering waar de bekende jonge DaniŽl deel van uitmaakte. De tweede wegvoering door de BabyloniŽrs geschiedde in 597 v. Chr. waarbij koning Jojachin, een zoon van Josia, na een korte regeerperiode van drie maanden gevankelijk weggevoerd werd. Jojachin werd opgevolgd door zijn oom Zedekia die de BabyloniŽrs als vazal over Jeruzalem installeerden. Het is de gedocumenteerde ballingschap van Jojachin in de Bijbel die de sleutel tot het historische achttiende jubeljaar is.

     

     

    Het laatste tijdschema voor dit artikel gaat over de periode 569/556 v. Chr. en toont het zevende sabbatjaar gevolgd door het achttiende jubeljaar in het jaar oktober 562/september 561 v. Chr. Dit jubeljaar is heel merkwaardig omdat het samenvalt met het eerste regeringsjaar van de BabyloniŽr Evil Merodach die in dat jaar zijn gestorven vader Nebukadnezar opvolgde, en dat jaar koning Jojachin van Juda in diens zevenendertigste ballingsjaar uit zijn gevangenschap verlostte. Het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin viel in oktober 562/september 561 v. Chr. en is gelijk aan het jubeljaar. Evil Merodach nam volgens de PtolemeŁs-koningslijst de scepter van zijn vader over op 11 januari 561 v. Chr. In de twaalfde maand (Adar-februari/maart) van het jaar 561 v. Chr. werd Jojachin uit zijn gevangenis verlost.

    2 Koningen 25:27 En het geschiedde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojakin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zevenentwintigste van de maand, dat Ewil-Merodak, de koning van Babel, in het jaar van zijn troonsbestijging, Jojakin, de koning van Juda, begenadigde en uit de gevangenis ontsloeg; 28 hij sprak vriendelijk met hem en stelde zijn zetel boven die van de koningen die met hem in Babel waren; 29 hij mocht zijn gevangenisklederen afleggen, en hij at geregeld aan zijn tafel, zolang hij leefde. 30 En zijn levensonderhoud werd hem geregeld vanwege de koning verstrekt, zoveel hij elke dag nodig had, zolang hij leefde. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het feit dat de vrijlating van Jojachin door de nieuwe koning van Babylon Evil Merodach in een Jubeljaar geschiedde, is heel opmerkelijk. De vrijlating van Jojachin was een vingerwijzing Gods voor het volk van IsraŽl in Babylonische ballingschap. Zij waren namelijk in ballingschap als straf voor het zeventig maal niet houden van het sabbatjaar-gebod in het verleden.

     

     

    Van de gevangenzetting in Babylon en Jojachin ís levensonderhoud daar heeft de archeologie een bewijsstuk gevonden. Robert Johann Koldewey (1855/1925) was de Duitse archeoloog die tijdens de vorige eeuwwisseling te Babylon de vondst deed. Niet dat de Bijbel bewezen moet worden, maar alleen ter extra onderlijning voeg ik de archeologische vondst aan het artikel toe. In Berlijn in het Pergamon-Museum heeft men dit bijzonder Babylonisch Spijkerschrifttafeltje ontcijferd. Het document heeft het over een overzicht van leveranties van levensmiddelen zoals olie en andere producten aan de gevangengenomen koning Jaí-u-kin of Jojachin van Juda. De Babylonische kleitabletten met betrekking tot Jojachin dragen bovendien als jaartal het dertiende regeringsjaar van Nebukadnezar wat de datering mogelijk maakt.

     

    Een observatie die ik bij het bestuderen van de Bijbelse chronologie maak is de waarde die de Bijbelse Kroniekschrijver aan de datering van de Babylonische koningslijst geeft. De verovering van Jeruzalem door de BabyloniŽrs en de wegvoering in ballingschap van Juda is gedateerd aan de hand van de regeringsjaren van Nebukadnezar (2 Koningen 25:1-30).

    Vandaag weten we dat de regeerperiode van Nebukadnezar op de tijdsbalk absoluut verankerd zit vanaf zijn eerste regeringsjaar in 605 v. Chr. tot aan zijn laatste jaar in 561 v. Chr. Babylonische annalen op kleitabletten die in het British Museum te Londen bewaard worden, leren dat Nabopolassar, de vader van Nebukadnezar, eenentwintig jaar op de troon zat en stierf op de achtste dag van de maand Ab, ofwel zestien augustus, en dat Nebukadnezar daarop naar Babylon terugkeerde, en op de eerste dag van de maand Eloel of zeventien september, de troon van Babylon besteeg. Het eerste regeringsjaar van Nebukadnezar zit op de tijdsbalk verankerd via twee genoteerde zonsverduisteringen in de oudheid. De eerste vond plaats op 22 april 621 v. Chr. in het vijfde jaar van Nabopolassar, de vader van Nebukadnezar. Zijn sterfjaar is dus 605 v. Chr. De tweede zonsverduistering is die van 4 juli 568 v. Chr., in het zevenendertigste regeringsjaar van Nebukadnezar. Weer wordt 605 v. Chr. bevestigt als ankerpunt.

    Een andere observatie die ik maak is dat geen enkele koning van IsraŽl en Juda ooit met een jaartal van een Assyrische koning werd verbonden. De Assyrische koningslijst en haar zogenaamde verankering op de tijdsbalk is bij nader onderzoek als ťťn grote puinhoop te beschrijven, coregentschappen en het deleten van ongewenste koningsnamen waren schering en inslag. Nochtans worden meestal sinds Thiele de koningen van IsraŽl en Juda foutief met de Assyrische koningslijst op de tijdsbalk verankerd.

    De regeerperioden van de Babylonische en Perzische koningen zijn bewaard gebleven in de PtolemeŁs-canon. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik afgesloten met een appendix over de PtolemeŁs-canon en deze als betrouwbaar bevonden. Samen met de chronologische ketting van sabbat- en jubeljaren en de negenenzestig jaarweken van de profeet DaniŽl past de PtolemeŁs-canon in de overbrugging van het Oude naar het Nieuwe Testament.

    De zogenaamde stille periode die er zit tussen de profeet Maleachi en het optreden van Johannes de Doper wordt door de PtolemeŁs canon overbrugd en bevestigd door de chronologie van de sabbatjaar- en jubeljaren en door de negenenzestig jaarweken van de profeet DaniŽl.

     

    Wordt vervolgdÖ

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    23-04-2018 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De chronologie van het evangelie van MatteŁs.

    Met het artikel op dit blog van 12.01.2018 bracht ik de chronologie van het evangelie van Johannes. Ik beloofde toen de chronologie van de gebeurtenissen beschreven door de overige evangelisten op de nieuw samengestelde schema ’s onder te brengen. De bijgevoegde tijdschema ‘s tonen ditmaal twaalf centimeter voor ťťn jaar. Met groene tijdsbalken is op het schema de sabbatjaar- en jubeljaarcyclus afgebeeld. Het dertigste Jubeljaar van september 27 AD tot oktober 28 AD zit op de tijdsbalk verankerd op basis van de studie van de achttiende-eeuwse wetenschapper William Whiston (1667/1752). Zie het artikel van 12.01.2018, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1515366000&stopdatum=1515970800

    MatteŁs begint zijn evangelie met het geslachtsregister van Jezus Christus in de lijn van Maria zijn moeder. Het is de koninklijke lijn in tegenstelling tot de evangelist Lucas die het geslachtsregister van Jezus brengt in de wettelijke lijn van Jozef, de echtgenoot van Maria. Na het geslachtsregister van MatteŁs 1:1-17, volgt de geschiedenis van de geboorte van Jezus, het bezoek van de wijzen uit het Oosten, het bloedbad onder de onschuldige (onnozele) kinderen te Bethlehem door de hand van Herodes, de vlucht naar Egypte en de terugkeer naar Nazareth (MatteŁs 1-18-25, 2:1-23). De evangelist MatteŁs gaat met zijn geschiedvertelling verder de tijd terug in dan de evangelist Johannes die zijn chronologisch verhaal begint bij de bediening van Johannes de Doper. Bij MatteŁs hoofdstuk drie gearriveerd belanden we bij het optreden van Johannes de Doper waar we de draad met het Johannes evangelie en mijn samengestelde tijdschema ’s weer opnemen.

     

     

    De beschreven gebeurtenissen in MatteŁs 3: 1-17 plaats ik op de tijdsbalk aan het begin van het vijftiende regeringsjaar van Keizer Tiberius in oktober 26 AD en dit in lijn met de berichtgeving van de evangelist Lucas die het optreden van Johannes de Doper verbindt met het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder over Judea was (Lucas 3:1-2). Op mijn bijgevoegde tijdsbalk heb ik het vijftiende regeringsjaar van Tiberius met een gele tijdsbalk aangebracht van oktober 26 AD tot september 27 AD. Het vijftiende regeringsjaar van Tiberius van 26/27 AD is gerekend vanaf 12 AD toen Tiberius als ‘co-princeps’ van keizer Augustus over het oostelijke gedeelte van het Romeinse Rijk benoemd werd. Deze aanstelling als co-regent vinden we in Romeinse bronnen terug: SUETONIUS, Tib. Vita, 21 a.u.c.765.

    MatteŁs 4:1-11 waar Jezus vervolgens in de woestijn beschreven wordt met de satan die Hem tracht te verzoeken tot ongehoorzaamheid aan Zijn missie, plaats ik op de tijdsbalk in oktober/november van het jaar 26 AD. Veertig dagen zou de Heiland in de woestijn zonder eten doorbrengen. Ik kan me voorstellen dat ‘de verzoeker’ Hem benaderde toen de doodshonger zich bij de Heiland inzette.

    Bij MatteŁs 4:12-25 zijn we op de tijdsbalk in december 26 AD beland. De beschreven gebeurtenissen laat ik op de tijdsbalk tot september 27 AD lopen.

    Een schijnbaar chronologisch probleem lijkt MatteŁs 4:12 te zijn waar vermeld wordt dat Johannes de Doper tijdens de beschreven epoque al ‘overgeleverd’ was. Dit betekent echter niet dat Johannes tijdens deze tijdsperiode al in de gevangenis geworpen was. Dat maakt het Johannes-evangelie duidelijk:

    Johannes 3:23 Doch ook Johannes doopte, te Enon bij Salim, omdat daar veel water was, en de mensen kwamen daar en lieten zich dopen; 24 want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. (NBG Vertaling 1951)

    Met ‘overgeleverd’ kan alleen bedoelt zijn dat er vanuit Jeruzalem ‘navraag’ gedaan werd naar Johannes de Doper en zijn bediening. Zoals ook het Johannesevangelie doorgeeft:

    Johannes 1: 19 En dit was het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten tot hem zonden om hem te vragen: Wie zijt gij? 20 En hij beleed en ontkende het niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet. 21 En zij vroegen hem: Wat dan? Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben het niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen. 22 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? Wij moeten toch antwoord geven aan hen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelf? 23 Hij zeide: Ik ben de stem van een die roept in de woestijn: Maakt recht de weg des Heren, gelijk de profeet Jesaja gesproken heeft. 24 En er waren sommigen afgezonden uit de FarizeeŽn. 25 En zij vroegen hem en zeiden tot hem: Waarom doopt gij dan, indien gij de Christus niet zijt, noch Elia, noch de profeet? 26 Johannes antwoordde hun en zeide: Ik doop met water; midden onder u staat Hij, van wie gij niet weet, 27 Hij, die na mij komt, wiens schoenriem ik niet waardig ben los te maken. (NBG Vertaling 1951)

     

    Zoals vermeld plaatsen we de beschreven gebeurtenissen van MatteŁs 4:12-25 op de tijdsbalk vanaf december 26 AD tot september 27 AD. Tijdens deze periode verhuist Jezus van Nazareth naar KafarnaŁm aan het meer van Galilea. Daar roept Hij zijn eerste discipelen en verkondigd dat het Koninkrijk der hemelen nabijgekomen is. In april 27 AD was het zevende sabbatjaar begonnen dat aan het dertigste Jubeljaar voorafging.

    De Bergrede van MatteŁs hoofdstuk vijf tot en met hoofdstuk zeven is de grondwet van het aangeboden Hemelse Koninkrijk en hoort op de tijdsbalk thuis bij het begin van het Jubeljaar dat op 29 september met Jom Kippoer een aanvang nam. Een heel jaar lang van september 27 AD tot oktober 28 AD zou aan de generatie van Joden toen het Koninkrijk der hemelen aangeboden worden.

    De beschreven gebeurtenissen van MatteŁs hoofdstuk 8 volgen chronologisch onmiddellijk na het beŽindigen van de Bergrede. De ontmoeting met de Romeinse Centurion gevolgd door de genezing van diens knecht gebeurde onmiddellijk bij het verlaten van de berg. Het schijnbaar gelijkaardige verhaal dat de evangelist Lucas (hoofdstuk 7) brengt geschiedde een jaar later opnieuw met dezelfde Centurion of honderdman.

    De gebeurtenissen zoals beschreven in de hoofdstukken acht tot en met twaalf plaatsen we op de tijdsbalk tijdens het dertigste Jubeljaar van september 27 AD tot oktober van het jaar 28 AD. De roeping en uitzending van de apostelen zoals beschreven in MatteŁs hoofdstuk 10 hoort op de tijdsbalk aan het begin van het Jubeljaar thuis. MatteŁs hoofdstukken 11 en 12 zitten op de tijdsbalk naar het einde van het Jubeljaar toe. Johannes de Doper die als Elia (Mt. 11:14) de Messias had aangekondigd is door de overheid gevangengenomen en de Schriftgeleerden en FarizeeŽn worden in het volgende hoofdstuk door de Heiland geadresseerd als een boos en overspelig geslacht (Mt. 12:39).

    Aan het einde van het Jubeljaar blijkt duidelijk dat de Joodse generatie ten tijde van het dertigste jubeljaar Jezus niet als de Messias aanvaard heeft en het aangeboden Vrederijk verworpen is. In het Johannesevangelie zijn we dan bij hoofdstuk 6:66 op de tijdsbalk op hetzelfde tijdstip gearriveerd: “Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede.”

    Vanaf hoofdstuk 13 van het MatteŁs-evangelie spreekt Jezus alleen nog maar in gelijkenissen tot het volk. MatteŁs hoofdstuk 13 plaatsen we op de tijdsbalk vanaf oktober 28 AD na het afsluiten van het jubeljaar.

    Alleen aan zijn discipelen verklaart Jezus zijn gelijkenissen. Zijn blik is vanaf nu op Jeruzalem gericht waar Hij met Pesach 30 AD als het Lam van God (Johannes 1:29) Zichzelf voor de wereld zal geven. De belofte van de Verlosser (Genesis 3:15) en de wederoprichting van alle dingen (Handelingen 3:19-21) was nabijgekomen.

    MatteŁs 13:10 De leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen: ‘Waarom spreekt u in gelijkenissen tot hen?’ 11 Hij antwoordde: ‘Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van de hemel kennen, hun is dat niet gegeven. 12 Want wie heeft zal nog meer krijgen, en het zal overvloedig zijn; maar wie niets heeft zal zelfs het laatste worden ontnomen. 13 Dit is de reden waarom ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen. 14 In hen komt deze profetie van Jesaja tot vervulling:

    “Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. 15 Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou ik hen genezen.” 16 Gelukkig jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen! 17 Want ik verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien, en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen.

    (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Het tweede nieuw samengestelde tijdsschema leidt ons via het derde Pesachfeest van april 29 AD naar het vierde en laatste Pesach-feest van april 30 AD waar de Heiland Jezus Christus met Goede Vrijdag Zijn leven zal geven voor de zonden van de wereld. Op de derde dag stond Hij op uit de dood met veertig dagen later Zijn Hemelvaart.

    De dood van Johannes de Doper zoals beschreven in hoofdstuk 14:1-13 van het evangelie van MatteŁs volgend op de gelijkenissen plaats ik op de tijdsbalk in de winter van 28/29 AD. De beschrijving van de eerste wonderbare spijziging van ongeveer vijfduizend mannen, de vrouwen en kinderen (Mt. 14:14-21) niet meegerekend plaats ik op de tijdsbalk een korte tijd later in de wintermaanden van het voorjaar van 29 AD. Zo ook het beschreven wonder van Jezus gaande over het meer van Galilea in strijd met alle natuurwetten, waar Hij boven staat (Mt. 14:22-36). Ook hoofdstuk 15:1-20 volgt tijdens deze epoque in de winter van het voorjaar van 29 AD.

    MatteŁs hoofdstuk 15:21-28 plaatst Jezus in de omgeving van Tyrus en Sidon ten noorden van Judea. Op mijn bijgevoegd tijdschema plaats ik deze geschiedenis aan het begin van de lente in 29 AD. De tweede wonderbare spijziging van vierduizend mannen (Mt. 15:29-39) ook de vrouwen en kinderen ditmaal niet meegerekend, bij zijn terugkeer in het gebied van IsraŽl is eveneens in de lente van 29 AD te situeren. De vraag van de FarizeeŽn aan Jezus om een bijzonder teken zoals verhaalt in MatteŁs 16:1-12 volgt chronologisch onmiddellijk na de wonderbare spijziging. Daarna vervolgt MatteŁs 16:13-20 met Jezus in de omgeving van Caesarea en de belijdenis van Petrus, dat we in de zomer van 29 AD op de tijdsbalk plaatsen. De eerste aankondiging van Jezus (Mt.16:21-28) dat Hij naar Jeruzalem moet gaan en daar veel lijden zou ondergaan is eveneens in de zomer van 29 AD op de tijdsbalk onder te brengen. Naar het einde toe van de zomer van 29 AD plaatsen we de verheerlijking van Jezus op een hoge berg, vermoedelijk de Hermonberg, zoals in MatteŁs 17:1-21 beschreven. Wat zich in dezelfde tijdsperiode voordoet is de tweede aankondiging door Jezus van zijn lijden, maar gevolgd door Zijn geprofeteerde opstanding ten derde dage (Mt.17:22-23). Bij MatteŁs hoofdstuk 17:24-27 en 18:1-35 zijn we op de tijdsbalk in de herfst van 29 AD gearriveerd. De gebeurtenissen beschreven in MatteŁs hoofdstuk 19 tot en met hoofdstuk 20 plaatsen op de tijdsbalk in de wintermaanden van het voorjaar van 30 AD. Bij MatteŁs hoofdstuk 21 en verder zijn we in de lente van 30 AD gearriveerd.

     

    Ik heb het MatteŁs-evangelie (NBG 1951) met illustraties van James Tissot en Gustave Dorť met verklarende voetnoten op een PDF-document samengesteld. De illustraties (public domain) heb ik van het internet geplukt. De voetnoten zijn een synthese van de studiebijbels van Scofield, BŁllinger en Thompson. Dit zijn studiebijbels die ik al in 1975 heb aangeschaft en sindsdien met grote voldoening raadpleeg. De lezer(es) van mijn blog die eventueel interesse in dit document heeft stuur ik het graag per email door.

     

    Tot slot voor dit artikel:

    MatteŁs 27:33 En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats, 34 Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken. 35 Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen. 36 En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar. 37 En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN.

     

     

    38 Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-, en een ter linker zijde. 39 En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden. 40 En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis. 41 En desgelijks ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en FarizeŽn, Hem bespottende, zeiden: 42 Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning IsraŽls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven. 43 Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. 44 En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren. 45 En van de zesde (12.00 u) ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure (15.00 u) toe. 46 En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten! 47 En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: Deze roept Elias. 48 En terstond een van hen toe lopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken. 49 Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elias komt, om Hem te verlossen. 50 En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest. 51 En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeŽn, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden. 52 En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; 53 En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen. 54 En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon! (Statenvertaling)

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    17-04-2018 om 08:18 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    10-04-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De holocaust of Sjoa

    Deze maand zal het vijfenzeventig jaar geleden zijn dat op 19 april 1943 in het Joodse getto van Warschau een opstand tegen de Nazi-Duitse bezetter losbarstte. De opstand zou tot 16 mei 1943 aanhouden waarna het getto door de Duitsers volledig met de grond gelijk werd gemaakt en de resterende Joodse bevolking naar de vernietigingskampen weggevoerd. Er zaten zo een half miljoen Joodse mensen binnen het kleine woongebied van 3.3 km2 onder mensonterende levensomstandigheden samengepakt. In maart 1940 hadden de Duitsers dit getto al opgericht en er de Joden van Warschau en andere plaatsen in samengebracht. Daar werden zij prijsgegeven aan verhongering, ziekte en dood. Binnen de muren van het getto was uiteindelijk een Joodse weerstandskern ontstaan die op 19 april 1943 een gewapende opstand begon.

     

     

    Een wereldwijd bekende foto die symbool staat voor de holocaust. Overlevenden van de Warschau-getto-opstand, zowel vrouwen als kinderen, worden door SS-beulen samengedreven en weggevoerd.

     

    Het woord Holocaust is afgeleid van het Grieks en betekent Ďbrandofferí. Het woord staat voor de volledige vernietiging van een slachtoffer. Het Hebreeuwse woord Sjoa staat voor vernietiging zonder de religieuze betekenis en heeft als term voor de genocide de voorkeur bij Joden. De term kwam na de tweede wereldoorlog in gebruik ter duiding van de systematische vervolging en uitroeiing van de Europese Joden door de nazi-Duitsers en hun bondgenoten van 1941 tot 1945. Meer dan zes miljoen Joodse mensen werden uiteindelijk slachtoffer van de ontketende gruwel tegen hen. De jaren voorafgaand aan 1941 werden al gekenmerkt door de verdrukking en vele moorden van Joodse mensen in het door de Nazi-Duitsers bezette en gecontroleerde Europa. Vanaf de inval echter in Sovjet-Rusland door de Duitse legers en hun bondgenoten in de zomer van 1941 begon in het oosten achter de frontlijn onmiddellijk de fysieke vernietiging van alle daar ter plaatse aangetroffen Joodse gemeenschappen door speciaal opgerichte moordcommando ís van de Nazi Ďs.

    Dat de Duitse dictator Hitler de fysieke vernietiging van de Joden al eerder in gedachten had werd voor de goede luisteraar in binnen- en buitenland zondermeer duidelijk bij een rede van hem voor de Rijksdag op 30 januari 1939, zeven maanden voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog:

    "Ich will heute wieder ein Prophet sein: Wenn es dem internationalen Finanzjudentum innerhalb und auserhalb Europa gelingen sollte, die VŲlker noch einmal in einen Weltkrieg zu stŁrzen, dann wird das Ergebnis nicht die Bolsjewisierung der Erde und damit der Sieg des Judentums sein, sondern die Vernichtung der jŁdischen Rasse in Europa".

     

    In december 1941 bleek dat de Duitse weermacht niet in staat was geweest in een korte veldtocht het Rode Leger te vernietigen, het initiatief niet langer bij Hitler lag en dat hij te hoog gegrepen had. Daarenboven had zijn bondgenoot Japan in het verre oosten de Verenigde Staten de oorlog aangedaan en vervoegde deze industriŽle grootmacht nu volop de zijde van Groot-BrittanniŽ dat tot dan toe alleen tegen Nazi-Duitsland en zijn bondgenoten had standgehouden. Op termijn was het lot van het zelfverklaarde duizendjarige rijk bezegeld. Het jaar 1942 zou nog enkele beperkte successen van het Duitse leger aan het oostfront en in Afrika laten zien, maar in de herfst van dat jaar volgde definitief het keerpunt. Geen duizend jaar maar slechts gedurende twaalf jaar van 1933 tot 1945 zouden de Nazi ís hun ding kunnen doen.

     

    Ergens in de maand december van 1941 heeft Hitler na zijn oorlogsverklaring aan de VS verbaal de opdracht aan Himmler gegeven alle Joden op dat moment onder Nazi-Duitse controle te laten opjagen en vermoorden. Dat werd zijn drijfveer voor het voortzetten van zijn niet meer te winnen oorlog tegen de drie grootmachten: de VS, Groot-BrittanniŽ en Sovjet-Rusland. Wat volgde was de zogenaamde 'Wannsee' conferentie op 20 januari 1942, zo genoemd naar de plaats van samenkomst nabij Berlijn. Op deze conferentie van de politieke top in Duitsland onder leiding van SS ObergruppenfŁhrer Heydrich werd de vernietiging van het Europese Jodendom uitgewerkt. Een lijst van elf miljoen Joodse mensen die per land verdelgd moesten worden was opgesteld. Er werd besloten om alle Europese Joden onder nazi-controle naar vernietigingskampen in het oosten te voeren. Het hele SS-apparaat werd hiervoor in werking gesteld samen met alle bureaucratieŽn van het Duitse bestuursapparaat. Elke deportatie zou tal van administratieve maatregelen vereisen. Er moest gezorgd worden voor treinen, bewakers, bevoorrading en financiering. Voor het Jodendom in bezet Europa begon in de zomer van 1942 een periode van onbeschrijflijk leed. Overal werden Joodse mensen opgejaagd, naar verzamelplaatsen gebracht en vervolgens in beestenwagons doorheen Duitsland naar het oosten vervoerd. Er dient hierbij opgemerkt te worden dat de ambtenaren-administratie van zowel bezette als bevriende landen met de Naziís samenwerkte voor het transport van deze mensenmassa. Een triest voorbeeld van zulk een samenwerken van ambtenaren in de bezette gebieden zijn de Britse kanaal-eilanden die in juni 1940 door de weermacht veroverd werden. Vandaar zijn ook een tiental Joden door Britse ambtenaren opgepakt en aan de Naziís overgeleverd. Geen een van deze Joodse mensen heeft het transport naar het oosten overleefd. Deze geschiedenis werd mij pas bekend na het bekijken van de bekroonde BBC documentaire uit 2005: Auschwitz Ė The Nazis & The Final Solution van Laurence Rees. Het laat iets zien van de grondigheid van de Naziís van de wijze hoe zij bezet Europa op Joden uitkamden.

    In totaal zijn meer dan zes miljoen Joden het slachtoffer van de Nazi-genocide geworden. Alleen al in de vernietigingskampen in het door de Nazi-Duitsers bezette Polen: Auschwitz, Chelmno, Belzec, Sobibor, Treblinka en Maidanek werden 4.851.200 joden vermoord.

    Toen de Wannsee-conferentie plaatsvond waren zoals eerder opgemerkt al honderdduizenden Joden in westelijk Rusland bij het oprukken van de Duitse weermacht achter de frontlijn ter plaatse van kant gemaakt.

     

     

    Ergens in Oost-Europa. Liquidatie van Joodse mensen achter de frontlijn door speciale SS-moordcommando Ďs. Een foto zegt soms meer dan duizend woorden. De Joodse man die geknield voor het massagraf gelaten zijn nekschot afwacht ziet er uit Ďals een schaap dat stom voor zijn scheerders isí. Afgemat en doodsmoe getergd ondergaat hij zijn noodlot. Van de Joodse genocide zijn weinig afbeeldingen bewaard gebleven. Voor de officiŽle berichtgeving in het derde rijk was dit een taboe onderwerp. De getoonde foto zou in 1945 in Praag in het Gestapohoofdkwartier daar gevonden zijn.

     

    Nazi-Duitsland heeft de genocide niet straffeloos kunnen uitvoeren. In mei 1945 toen het land door de geallieerden onder de voet was gelopen waren haar steden verwoest en naar schatting negen miljoen Duitsers dood. Miljoenen Duitse burgers van alle leeftijden en geslacht waren in de geallieerde luchtbombardementen omgekomen. In het oosten vanaf Memel tot aan de rivier de Oder werden miljoenen Duitse burgers ontheemd en vele van hen gruwelijk door de binnenvallende Sovjet-Russen gemolesteerd. De Tsjechen maakten zich aan dezelfde misdaad schuldig door drie miljoen Duits-Oostenrijkse burgers binnen hun grenzen van 1919 brutaal nietsontziend te ontheemden. Men moet ook bedenken dat alle weerbare Duitse mannen van zestien tot zestig jaar op dat moment in het Duitse leger dienden indien zij al niet vermist, zwaargewond of gedood waren.

    Duitsland werd daarop gedurende vier jaar door de geallieerden in vier zones verdeeld en bezet. In 1949 werd in het westen de bondsrepubliek Duitsland opgericht en in de Russische zone werd een communistische satellietstaat gevormd. Het land en de hoofdstad Berlijn zou daarop nog eens veertig jaar tot 1989 verdeeld blijven. Dit zijn jaartallen die in de Bijbel dikwijls voor een periode van oordeel staan. Denk bijvoorbeeld aan de veertig jaar verblijf in de woestijn door de IsraŽlieten alvorens de nieuwe generatie het Beloofde Land Kanašn kon betreden. Daarnaast vinden we in de Bijbel een waarschuwing over een bijzondere zegening en vloek in verband met de Joodse aartsvader Abram:

    Genesis 12:1 De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. 2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! 3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. (Statenvertaling)

     

    De belofte van God aan Abraham dat eenieder die hem en zijn zaad zou zegenen gezegend zou worden, en dat een ieder die hem vervloekte, vervloekt zou worden, is door de geschiedenis heen duidelijk herkenbaar. Landen die de 'Jood' hebben vervloekt, zijn binnen ťťn generatie steeds zelf het slachtoffer geworden. Zo ook wat de zegening betreft.

    In de geschiedenis van BelgiŽ vinden we naar mijn mening een voorbeeld van een zegening. Het verhaal begint in de zomer van 1939, nog voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog. De antisemitische propagandamachine van de nazi's draaide op volle toeren. Groot-Duitsland had toen ongeveer 400.000 Joden binnen zijn grenzen die het kwijt wilde en het bleek dat in feite geen enkel land ter wereld bereid was hun op te nemen. Dit feit wilden de nazi's onderstrepen toen zij hun diabolisch plan bedachten om ongeveer negenhonderd welgestelde Duitse Joden op een luxeboot (de St.-Louis) de Atlantische Oceaan over naar Cuba te zenden.

     

     

    Hun uitreispapieren mochten dan wel in orde zijn - alle met een rode 'J' gemerkt; in Havana (Cuba) ontschepen zou door Duitse agenten verhinderd worden. De wereld zou getuige zijn van het onoplosbare Jodenvraagstuk. Het schip voer daarna ook daadwerkelijk vruchteloos van haven naar haven. Zelfs de VS weigerde de negenhonderd Joden de toegang tot zijn grondgebied en uiteindelijk moest het schip de steven richting Duitsland wenden, terug over de Atlantische Oceaan. Terwijl het schip richting Duitsland voer, zetten Joodse organisaties zich in om toch een land te vinden dat deze onfortuinlijke mensen asiel zou willen verlenen. Het ging ten slotte toch maar om slechts negenhonderd zielen. Geen enkele van de grote naties gaf het schip echter toestemming om ťťn van hun havens binnen te lopen. De VS, Frankrijk en Groot-BrittanniŽ de laatste overgebleven grote democratieŽn, hielden hun grenzen en die van het mandaatgebied Palestina gesloten. Toen de St. Louis het Engelse kanaal naderde was er nog steeds geen oplossing in zicht. Ten langen laatste ging een Joodse zaakgelastigde in BelgiŽ te Brussel aankloppen. Daar vond hij wťl gehoor en wel op persoonlijk initiatief van Koning Leopold III. Op 16 juni 1939 meerde de St. Louis in de haven van Antwerpen aan en konden deze Joodse ballingen weer voet aan wal zetten. BelgiŽ stond 214 Joden toe in het land te blijven.

    Dank zij de inzet van koning Leopold III die al zijn diplomatieke relaties benutte konden ook 181 Joodse mensen naar Nederland vertrekken, 224 weken naar Frankrijk uit en 288 kregen asiel in Engeland. Deze twee laatste landen werden uiteindelijk toch bereid gevonden om enkele Joden asiel te verlenen. Intussen waren 400.000 Duitse Joden veroordeeld om in het 'slachthuisí dat Nazi-Duitsland voor hen zou worden, te blijven. Voor hen was in 1939 nergens plaats. Het zogenaamde christelijk Europa draaide de broeders van hun Heer de rug toe. De Joden van de St. Louis die op het vasteland van Europa asiel gevonden hadden, zijn later door de Nazi Ďs opgespoord en naar de vernietigingskampen in Polen weggevoerd.

    BelgiŽ had toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak een Joodse gemeenschap van ongeveer 50.000 mensen. Van deze 50.000 Joden werden er ongeveer 25.000 naar Polen weggevoerd. Slechts enkelen keerden in 1945 terug. De overige 25.000 doken onder bij niet-joodse burgers. Dit was een spontane actie, want er was helemaal niets van tevoren georganiseerd. Toen de Duitsers in de zomer van 1942 de Joden begonnen op te pakken in BelgiŽ en naar de kampen in Polen voerden, konden 25.000 Joden - de helft van de Joodse gemeenschap in BelgiŽ - spontaan bij niet-Joodse landgenoten onderduiken: zowel in Vlaanderen als in WalloniŽ. Ik geloof dat dit een uniek feit in heel bezet Europa was, met uitzondering van de heldendaad van Denemarken. Wat de ouderlijke overleveringen betreft herinner ik me zeer goed de getuigenissen van mijn grootouders aan beide zijden van de familie. Er woonden namelijk heel wat Joodse families in hun gemeente Berchem bij Antwerpen. Aan mijn vaders familiekant woonde naast hun huis in de Apollostraat een Joods gezin. Ze moeten orthodox geweest zijn want het verhaal gaat dat mijn grootvader tijdens de winter op sabbat, kolen in de kachel in hun woning deed. In de zomer van 1942 werden ook zij bij nacht en nevel plotseling weggevoerd. Mijn grootmoeder aan moeders zijde was tijdens die zomer toevallig getuige van het wegvoeren van een Joods gezin aan de Diksmuidelaan een winkelstraat te Berchem bij Antwerpen. Zij was getuige hoe een Joodse moeder naast haar op het voetpad in panische angst uitbrak bij het zien van een verhuiswagen met Duitsers voor de deur van haar woning. Blijkbaar werden niet alleen mensen afgevoerd maar was er tegelijkertijd een hele economie met hun bezittingen gemoeid. En wat had mijn grootmoeder kunnen doen? De politie bellen? Die stonden samen met Duitsers aan de deur van de Joodse woning.

    Waar ligt nu de beloofde zegen zoals ze aan Abraham voorzegt was voor het BelgiŽ van tijdens de Tweede Wereldoorlog? Het was voor BelgiŽ onmogelijk om uiteindelijk buiten het conflict tussen Frankrijk en Engeland met Duitsland te blijven. Door de eeuwen heen is het land - in feite een landbrug tussen Pruisen en Frankrijk - dikwijls het slagveld voor vreemde legers geweest. Zo ook in 1940 baande Duitsland zich een weg door BelgiŽ heen naar Frankrijk. Wat naar mijn mening in het oog springt bij het bestuderen van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog is de snelle bevrijding van BelgiŽ in september 1944 geweest. Op enkele dagen tijd werden de Duitsers uit het land verdreven. Er was heel wat schade maar in vergelijking met andere onfortuinlijke landen viel het nog mee. In dit gebeuren meen ik de zegen zoals beschreven in Genesis hoofdstuk 12 te herkennen. Dit is uiteraard een persoonlijke mening. Ik ben na de tweede wereldoorlog in 1948 geboren en probeer op basis van getuigenissen van het vorige geslacht een beeld te krijgen van de waanzin waar mijn ouders en grootouders getuige van waren.

    De zegen en de vloek van Genesis 12 over andere Europese landen herkennen en neerschrijven ligt gevoelig. In Polen is er nog maar net een strafwet gestemd tegen het gebruik van formuleringen zoals bijvoorbeeld Ďde Poolseí concentratiekampen. Lange tijd verdrongen de Europese landen zowel de door de Nazi ís bezette landen als de bondgenoot-landen met de Nazi Ďs, hun eigen aandeel in de Holocaust en sommige zijn er blijkbaar nog steeds niet klaar mee. Het antisemitisme was voor en tijdens de tweede wereldoorlog een veel voorkomend feit in vele landen in Oost-Europa waar grote aantallen Joodse mensen verbleven. De veelvolkerenstaat Polen bijvoorbeeld had naast Volks-Duitsers, Wit-Russen en OekraÔners, meer dan drie miljoen Joodse burgers binnen zijn grenzen van 1939. Aan het einde van de genocide waren er in 1945 nog slechts honderdduizend arbeid-inzetbare Joodse overlevenden. De overige drie miljoen Joodse mensen waren vermoord (Albert Speer, De slavenstaat, 1981, vierde deel: het noodlot der joden, Blz. 272). Buiten enkele zogenaamde Ďrechtvaardigení individuele niet-Joodse Poolse burgers die Joden hielpen onderduiken, kon er niet op hulp gerekend worden. En zo was de toestand in vele landen in Europa.

    De vloek van Genesis 12 herken ik in de late bevrijding van de landen van Oost-Europa die pas na de val van de Berlijnse muur in 1989 en de implosie van de Sovjet-Unie in 1991 hun vrijheid herkregen.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    10-04-2018 om 13:17 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!