Inhoud blog
  • De moeder van alle verwoestingen
  • De datering van het Egyptische Oude Rijk aan de hand van de Bijbelboeken Genesis en Exodus
  • De mogelijke oorsprong van Halloween
  • Het twaalfde historische jubeljaar van oktober 856/september 855 v. Chr.
  • Dunkirk, 1940
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    17-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De moeder van alle verwoestingen

    Jesaja 1: 1 Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda. 2 Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden. 3 Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar IsraŽl heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet. 4 Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige IsraŽls gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts. 5 Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat. 6 Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht. 7 Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden. 8 En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als een belegerde stad. 9 Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. (Statenvertaling)

     

     

    Toen de bekende Oudtestamentische profeet Jesaja zijn bediening begon was het gebied van IsraŽl net door een meganatuurcatastrofe getroffen. De hierboven geciteerde verzen geven een beschrijving van het land dat als omgekeerd beschreven wordt met alom verbrande steden. De dodentol aan mensenlevens moet enorm geweest zijn want de overlevenden worden als een overblijfsel beschreven. De verwoesting was haast gelijk aan de bekende historische verwoesting van de steden Sodom en Gomorra in oktober 1889 v. Chr.

    De beschrijving van de verwoesting van het land door de profeet Jesaja was zo desastreus dat de profeet Zacharia er later naar verwijst wanneer deze de komst van de HEERE God op de Olijfberg te Jeruzalem beschrijft.

    Zacharia 14:1 Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem! 2 Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden. 3 En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. 4 En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeŽn gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden. 5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda; dan zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE! 6 En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis. 7 Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. (Statenvertaling)

     

    De profetie van het Bijbelboek Zacharia hoofdstuk 14 is uitgebreider en gaat tot en met vers eenentwintig. Ik wens echter in het bijzonder de aandacht te vestigen op vers vijf waar de profeet de omvang van de aardbeving ten tijde van koning Uzzia beschrijft. De profeet onderlijnt hier het destructieve karakter van de apocalyptische meganatuurcatastrofe wanneer Jesaja zijn bediening als profeet van de HEERE aanving.

     

     

    Het dateren van de meganatuurcatastrofe in het jaar dat Jesaja zijn bediening begon doen we met de hulp van de historische Bijbelboeken en de Joodse historicus uit de eerste eeuw van onze tijdrekening: Flavius Josephus.

    De regeerperiode van koning Uzzia heb ik in mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: De kroniek van koning Uzzia van Juda: blz. 279, uitgewerkt en op de tijdsbalk verankerd met de jaren: 803/750 v. Chr.

    De Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus reikt het ankerjaar aan tot het exact dateren van het begin van de bediening van Jesaja als profeet. Ook hij beschrijft hoe het land Juda door een aardbeving getroffen werd op het moment dat koning Uzzia/Azaria zich met Jom Kippoer de rol van hogepriester toe eigende:

    In the meantime a great earthquake shook the ground and a rent was made in the temple, and the bright rays of the sun shone through it, and fell upon the king's face, insomuch that the leprosy seized upon him immediately. And before the city, at a place called Eroge, half the mountain broke off from the rest on the west, and rolled itself four furlongs, and stood still at the east mountain, till the roads, as well as the king's gardens, were spoiled by the obstruction. Now, as soon as the priests saw that the king's face was infected with the leprosy, they told him of the calamity he was under, and commanded that he should go out of the city as a polluted person. Hereupon he was so confounded at the sad distemper, and sensible that he was not at liberty to contradict, that he did as he was commanded, and underwent this miserable and terrible punishment for an intention beyond what befitted a man to have, and for that impiety against God which was implied therein. So he abode out of the city for some time, and lived a private life, while his son Jotham took the government; after which he died with grief and anxiety at what had happened to him, when he had lived sixty- eight years, and reigned of them fifty-two; and was buried by himself in his own gardens.

    (Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek IX,x.4)

     

    In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, De archeologische site in Egypte te Tell el Daba, blz. 285, beschrijf ik hoe Uzzia hoogstwaarschijnlijk geïdentificeerd kan worden met de Aziatische veldheer Arsu die volgens het Egyptische Harris-papyrus voor een tijd Egypte overheerst heeft.

    Het begin van de regeerperiode van Uzzia betekende aanvankelijk een tijd van welvaart voor Juda en heel de regio.

    2 Kronieken 26:6 Want hij toog uit, en krijgde tegen de Filistijnen, en brak den muur van Gath, en den muur van Jabne, en den muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in Asdod, en onder de Filistijnen. 7 En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te Gur-baal woonden, en tegen de Meunieten. 8 En de Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en zijn naam ging tot den ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste. (Statenvertaling)

     

    Maar aan dit alles kwam een einde in oktober van het jaar 776 v. Chr. wanneer een hoogmoedige koning Uzzia met Jom Kippoer meende niet alleen als koning maar ook als hogepriester te kunnen optreden. Het resultaat was dat hij met melaatsheid geslagen werd en de volgende vijfentwintig jaar tot aan zijn dood in quarantaine geplaatst.

    2 Kronieken 26:16 Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen den HEERE, zijn God; want hij ging in den tempel des HEEREN, om te roken op het reukaltaar. 17 Doch Azaria, de priester, ging hem na, en met hem des HEEREN priesters, tachtig kloeke mannen. 18 En zij wederstonden den koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, den HEERE te roken, maar den priesteren, Ašrons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van den HEERE God. 19 Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesteren, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht der priesteren in het huis des HEEREN, van boven het reukaltaar. 20 Alstoen zag de hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesteren en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij stieten hem met der haast van daar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat de HEERE hem geplaagd had. 21 Alzo was de koning Uzzia melaats tot aan den dag zijns doods; en melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis des HEEREN afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis des konings, richtende het volk des lands. 22 Het overige nu der geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amos, beschreven. 23 En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats. (Statenvertaling)

     

    Het laatste vers van het hiervoor geciteerde hoofdstuk maakt duidelijk dat koning Uzzia in quarantaine geplaatst werd en dat zijn zoon in zijn plaats het land bestuurde. Een jaartal geeft de Kroniekschrijver niet op, maar zowel THE LEGENDS OF THE JEWS gecompileerd door Louis Ginzberg als de SEDER OLAM vermelden een periode van vijfentwintig jaar dat de zoon van Uzzia: Jotham, als co-regent optrad.

    Het historisch laatste regeringsjaar van Uzzia op de tijdsbalk was het jaar okt751/sep750 v. Chr. Wanneer we vanaf dit jaartal vijfentwintig jaar terugrekenen arriveren we in de maand oktober van het jaar 776 v. Chr.

    Het jaar 776 v. Chr. is niet toevallig het jaartal van de instelling van de Olympische Spelen door de Grieken, als dank naar hun goden toe voor de afgewende meganatuurcatastrofe. Ook over Nineveh werd in 776 v. Chr. een verwoesting afgewend. Het was hetzelfde jaar dat de profeet Jona naar Nineveh gezonden werd ter aankondiging van de nakende verwoesting. Het is geen toeval dat we Bijbels-chronologisch naar hetzelfde jaartal geloodst worden voor de datering van de aardbeving van Uzzia en het begin van de bediening van de profeet Jesaja. De combinatie van de hiervoor aangehaalde chronologische bronnen leveren allen het jaar 776 v. Chr. voor de grote aardbeving ten tijde van de regeerperiode van Uzzia en het jaar van het begin van het optreden van de profeet Jesaja, op.

     

    In de reconstructie die de geleerde Edwin R. Thiele (1895/1986) maakte van de chronologie van de koningen van Juda en IsraŽl gaat het verband met het jaar van de aardbeving ten tijde van Uzzia en het jaar 776 v. Chr. verloren of wordt het niet gezien. Zie het artikel op dit blog van 06.02.2017: De Assyriologie, Thiele en het noodlottige jaartal 930 v. Chr., zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1486335600&stopdatum=1486940400

     

    Ook de revisionistische onderzoeker van het eerste uur Dr. ImmanuŽl Velikovsky (1895/1979), Werelden in botsing, 1950, hanteerde de conventionele datering van de regeerperiode van de koning Uzzia (Werelden in botsing, 1971, eerste hoofdstuk, het jaar -747) en mist zo enkele verbanden op de tijdsbalk. Dit zijn echter schoonheidsfoutjes die niet aan de pioniersarbeid van Velikovsky afdoen. Velikovsky ziet namelijk de grote natuurramp ten tijde van koning Uzzia als een scheidslijn tussen twee tijdsperioden. Als een gevolg van de meganatuurcatastrofe werd in het Midden-Oosten in 747 v. Chr. een nieuwe kalender ingevoerd. Dat jaar was het begin van de era van Nabonassar, een tot dan toe onbekende koning van Babylon. Volgens Velikovsky werden de Olympiaden die in 776 v. Chr. van start gingen door een of andere kosmische gebeurtenis ingeluid. In het tweede hoofdstuk van zijn boek ‘Werelden in botsing’ maakt hij de link met de planeet Mars en de Romeinse mythologie. De Romeinse maand maart was aan de planeet Mars gewijd die volgens de Romeinse mythologie verondersteld werd als god, de vader van Romulus, de stichter van Rome te zijn.

    De stichting van Rome in 753 v. Chr. vond plaats in een tijd, niet ver verwijderd van ‘de grote verwoesting’ of zoals de titel van mijn artikel luidt: ‘de moeder van alle verwoestingen’, die de profeet Jesaja in 776 v. Chr. beschreef. Volgens een Romeinse overlevering zouden de ontvangenis van Romulus door zijn moeder, de stichting van Rome en de dood van Romulus hebben plaatsgevonden in jaren van grote natuurberoeringen die gepaard gingen met verschijnselen aan de hemel en storingen in de beweging van de zon.

     

    Mijn boek ‘De Zonaanbidder – Achnaton, de strenge en hardvochtige farao volgens de profeet Jesaja, 2016, begin ik met een inleiding in het jaar 800 v. Chr. met als onderwerp een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong. Het is de in de Bijbel beschreven aardbeving waar de profeet Amos het begin van zijn optreden met verbindt. Het beleg van Troje heb ik gedateerd van 800 tot 790 v. Chr. Het is dezelfde periode waar ook de legendarische Memnon op het slagveld bij Troje aan zijn einde kwam en in Egypte farao Thothmosis IV de gelegenheid te baat nam het Ethiopische juk af te schudden en de macht te grijpen. Ook in dit boek verwijs ik naar het werk van Velikovsky 'Werelden in botsing, derde hoofdstuk: wanneer werd de Ilias geschreven?, naar de Ilias, de geschiedenis van de belegering van Troje. De Griekse goden Athene en Ares waren volgens Velikovsky de planeten Venus en Mars, die toen de baan van de aarde om de zon verstoorden, en interacties met elkaar hadden. Velikovsky citeert heel wat stukken uit de Ilias, als aanwijzingen voor de juistheid van zijn kosmische catastrofetheorie. Hij maakt duidelijk dat er zich boven het slagveld te Troje een kosmisch gebeuren afspeelde, met dramatische gevolgen voor de aarde.

    Indien mijn historische reconstructie correct is ontvluchte de legendarische/historische Aeneas in 790 v. Chr. het brandende Troje en begon dat jaar aan zijn lange zwerftocht naar Rome via Dido in Carthago.

     

    De getoonde tijdschijf van 54 jaar en zes maanden op het bijgevoegde schema tussen meganatuurcatastrofes in, heb ik van de studie van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, ‘The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes’. Zij identificeren zeven rampen van kosmische oorsprong die planeet aarde in de oudheid teisterden. Zij hebben echter ook gebruik gemaakt van de gefabriceerde jaartallen van de geleerde Edwin R. Thiele en missen als een gevolg enkele verbanden zoals het jaar 776 v. Chr. voor de aardbeving van Uzzia. Wanneer men echter het cyclusmodel van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer, met rampen alle 54 jaar en zes maanden binnen de nieuwe chronologie gebaseerd op de sabbat- en jubeljaren, hanteert zijn de resultaten verbluffend.

    Zoals eerder opgemerkt is de meganatuurcatastrofe-cyclus volgens Patten nauwkeurig te berekenen tot 54 jaar en zes maanden met iedere keer een planetaire interactie in de maand maart, het Romeinse Tubilustrium en de daaropvolgende catastrofe 54 jaar en zes maanden later in oktober, het Romeinse Armilustrium. Het was volgens hen de planeet Mars die in die tijd de aarde in haar omloop rond de zon periodiek verstoorde.

    Wanneer men vanaf het jaartal 776 v. Chr. in oktober 54 jaar en zes maanden op de tijdsbalk naar voor en naar achter rekent arriveert men in de jaren maart 830 en maart 722 v. Chr.

    Het verkregen jaartal 722 v. Chr. is hier opmerkelijk omdat dit jaar volgens de Bijbelse chronologie op basis van de sabbat- en jubeljaarrekening, in het voorjaar de dood zag van koning Achaz, de vader van Hizkia, met een vermelding van een kosmisch fenomeen. Een Joodse legende verhaalt namelijk dat op de dag dat koning Achaz stierf er slechts gedurende twee uur daglicht was (Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Volume IV, Bible Times and Characters. From Joshua to Esther). De oorzaak ligt volgens de catastrofetheorie bij een storing van planeet aarde in haar omwenteling om de zon.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    17-11-2017 om 09:33 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De datering van het Egyptische Oude Rijk aan de hand van de Bijbelboeken Genesis en Exodus

    De benaming: het Egyptische Oude Rijk, is een geschiedkundige indeling volgens de gevestigde wetenschap: Egyptologie. De dynastieŽn van de oudheidhistoricus Manetho: III, IV, V en VI worden hier ondergebracht. Op de tijdsbalk plaatst de orthodoxe egyptologie de farao ís van deze dynastieŽn tussen 2686 en 2181 v. Chr. en dit volgens de theorie dat er in het oude Egypte een dubbele kalender gebruikt werd: de zogenaamde Sothis-kalender. Zie recent het artikel op dit blog van 18.08.2017, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1502661600&stopdatum=1503266400

    De foutieve datering van het Egyptische Oude Rijk op de tijdsbalk maakt dat elk mogelijk verband met de Bijbel en de aartsvaders zoek is. Volgens de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus was het bijvoorbeeld Abram/Abraham die aan de Egyptenaren de kennis van de astronomie en andere wetenschappen doorgaf, wat een heel ander licht op de ontstaansgeschiedenis van het oude Egypte werpt.

    Joodse Oudheden, Boek 1, hoofdstuk VIII.

    2. For whereas the Egyptians were formerly addicted to different customs, and despised one another's sacred and accustomed rites, and were very angry one with another on that account, Abram conferred with each of them, and, confuting the reasonings they made use of, every one for their own practices, demonstrated that such reasonings were vain and void of truth: whereupon he was admired by them in those conferences as a very wise man, and one of great sagacity, when he discoursed on any subject he undertook; and this not only in understanding it, but in persuading other men also to assent to him. He communicated to them arithmetic, and delivered to them the science of astronomy; for before Abram came into Egypt they were unacquainted with those parts of learning; for that science came from the Chaldeans into Egypt, and from thence to the Greeks also. (link: http://sacred-texts.com/jud/josephus/ant-1.htm)

     

    Abram was dan ook geen in lompen geklede nomade (zoals Hollywood e.a. bronnen hem al eens afbeelden) maar een prins in zijn tijd die aan de hoven van de nieuw ontstane koninkrijken ontvangen werd. Later zou de zoon van Jakob: Jozef, onderkoning van Egypte zijn en vonden de twaalf stammen van IsraŽl/Jakob asiel in Egypte ten tijde van een zevenjarige hongersnood. Later zouden de IsraŽlieten in Egypte verdrukt worden toen een farao van een geheel nieuwe dynastie de macht overnam. De tijdens de verdrukking geboren Mozes zou door de dochter van de farao van de verdrukking geadopteerd worden en daarop veertig jaar aan het hof van farao verblijven. Daarna volgde na heel wat perikelen de vlucht van Mozes naar het land Midian voor een periode van ook veertig jaar. Naar het einde toe van de tweede veertigjarige periode kwam het bericht dat de farao van de verdrukking in Egypte overleden was. De farao van de verdrukking regeerde Bijbels gezien voor een periode van meer dan tachtig jaar.

     

     

    De Bijbel reikt drie ankerpunten aan waarmee farao ís van het Oude Rijk op de tijdsbalk geplaatst kunnen worden. Het Oude Rijk verhuist hierbij op de tijdsbalk naar de periode van 1739 v. Chr. tot 1483 v. Chr. of een verschil van 947 jaar met de orthodoxe constructie.

    In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 107-111, heb ik farao Pepi II van de zesde dynastie als de farao van de verdrukking in Egypte geÔdentificeerd (Exodus 1:1-11).

    De aanleiding tot de identificatie was de lange regeerperiode van farao Pepi II van negenennegentig jaar. De enige lange regeerperiode van alle farao ís van Egypte dat overeenkomt met de Bijbelse chronologische gegevens waarbij de farao van de verdrukking minstens twee tijdsschijven van veertig jaar op de troon zat.

    Voor diegenen die zouden twijfelen aan de hoge ouderdom van Pepi II; ook de andere beschikbare Egyptische bronnen vermelden een regeerperiode van Ďplusí negentig jaar. De Turijnkoningslijst bijvoorbeeld die meestal in afwijking van Manetho kleinere getallen voor regeerperioden opgeeft, geeft ditmaal voor Pepi II ook negentig plus jaar op. Zelfs de orthodoxe Egyptoloog J. H. Breasted zag geen reden om aan dit hoge getal te twijfelen.

    Pepi II is zonder twijfel de farao van de verdrukking van de IsraŽlieten in Egypte. Manetho bericht dat hij als zesjarige de troon besteeg en negenennegentig jaar regeerde. Hij stierf een korte tijd voor de uittocht van de IsraŽlieten. Een exodus die we op de tijdsbalk plaatsen in het jaar 1483 v. Chr.

     

     

    De Bijbel leert ook dat met het opkomen van de farao van de verdrukking een nieuwe dynastie of huis aan de macht was.

    Exodus 1:1 Dit nu zijn de namen der zonen van IsraŽl, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis. 2 Ruben, Simeon, Levi, en Juda; 3 Issaschar, Zebulon, en Benjamin; 4 Dan en Nafthali, Gad en Aser. 5 Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte. 6 Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broeders, en al dat geslacht, 7 Zo werden de kinderen IsraŽls vruchtbaar en wiesen overvloedig, en zij vermeerderden, en werden gans zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd. 8 Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had; 9 Die zeide tot zijn volk: Ziet, het volk der kinderen IsraŽls is veel, ja, machtiger dan wij. 10 Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. 11 En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Raamses. (Statenvertaling)

     

    Het Griekse Nieuwe Testament maakt nog duidelijker dat een volledig nieuwe dynastie was aangetreden. In het Bijbelboek Handelingen hoofdstuk 7 lezen we het verhaal van Stefanus die voor het Sanhedrin heel beknopt maar duidelijk de geschiedenis van IsraŽl bracht. Stefanus zei het volgende over de farao van de verdrukking: ďDoch naarmate de tijd der belofte, waarmede God Zich aan Abraham verbonden had, naderde, vermeerderde het volk en vermenigvuldigde zich in Egypte, totdat er over Egypte een andere koning aan het bewind kwam, die Jozef niet gekend had. Deze nam list te baat tegenover ons geslacht en handelde slecht met de vaderen, en liet hen hun zuigelingen te vondeling leggen, opdat het volk zich niet zou voortplanten.Ē

     

    In de Griekse taal staat er het woord ĎHETEROSí voor wat Ďeen andereí betekent. ĎHETEROSí staat voor Ďeen gans andereí in plaats van het normale Griekse woord ĎALLOSí wat gewoon anders betekent binnen een zelfde soort. Het gebruik van het Griekse ĎHETEROSí maakt duidelijk dat een farao van een nieuw huis of dynastie de macht overnam. Of hoe een beetje Bijbelstudie van de grondtekst heel wat licht op de Egyptologie kan werpen. De conclusie moet zijn dat de dynastieŽn van Manetho van het Oude Rijk niet achter elkaar geheerst hebben maar elkaar dikwijls overlapten waarbij de zesde dynastie een nieuwkomer was.

     

     

    De volgende verankering van een Egyptische farao van het Oude Rijk op basis van de Bijbelse chronologie is die van farao Zoser van de derde dynastie van Manetho.

    In mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 61-71, heb ik de farao die Jozef als onderkoning had geÔdentificeerd met farao Zoser van de derde dynastie. Uit de tijd van de PtolemeeŽrs is er een rotsinscriptie bewaard gebleven met de vermelding van een zevenjarige hongersnood die Egypte ten tijde van farao Zoser getroffen heeft. Ook hier zoals bij de hoge leeftijd van de farao van de verdrukking is de vermelding over een hongersnood die bovendien exact zeven jaar duurde geen toeval maar een aangereikt ankerpunt op de tijdsbalk waarmee we een regeerperiode van een farao kunnen vastpinnen. Het was in het achttiende regeringsjaar van farao Zoser dat de hongersnood van zeven jaar voorbij was. De overige farao ís volgend op Zoser heb ik op de tijdsbalk ingevuld. Het is geen toeval dat de farao die de IsraŽlieten asiel verleende ook uit het zogenaamde Oude Rijk stamde.

     

    Als derde farao heb ik Oenas van de vijfde dynastie op basis van Bijbelse chronologie op de tijdsbalk verankerd. De vijfde dynastie had mijn aandacht in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 104-106. De laatste farao van dynastie V: Oenas, heb ik op de tijdsbalk verankerd met de tien plagen gevolgd door de exodus van IsraŽl uit Egypte. Van de regeerperiode van Oenas is er een bericht bewaard gebleven over een hongersnood die Egypte toen trof. De vermelding van een hongersnood was heel ongewoon voor het anders vruchtbare Egypte en er zijn over een periode van ruim tweeduizend jaar slechts enkele verwijzingen naar een hongersnood. De hongersnood van de periode van Oenas past hier in het Bijbelrelaas van het boek Exodus met de tien plagen, die Egypte voor de Exodus troffen. De uittocht van de IsraŽlieten betekende in de gereviseerde chronologie het einde van het Oude Rijk van Egypte en dus ook van de vijfde dynastie.

     

    De orthodoxe egyptologie gaat er van uit dat de dynastieŽn die Manetho opgeeft in opeenvolging over Egypte geheerst hebben. Zij laten bijvoorbeeld de vijfde dynastie opgevolgd worden door de zesde dynastie alhoewel hier weinig of geen aanknooppunten over bewaard zijn gebleven. Er zijn orthodoxe Egyptologen zoals Sir Alan Gardiner die dit ook toegeven:

    It is unknown why Teti (Dynasty VI) should have been regarded as the inaugurator of a new dynasty, but it is about this time that we first become fully aware of the momentous change that had come about in the character of the Egyptian realm. Past and gone was the extreme centralization of the previous periodsÖ.

    Sir Alan Gardiner, Egypt of the Pharaohs, 1961, Book II, The Old Kingdom, page 91

     

    In hetzelfde hoofdstuk vestigt Alan Gardiner de aandacht op het feit dat de bekende en alom wat chronologie betreft, gerespecteerde faraolijst: de Turijn-canon, farao Oenas als laatste op een lijst van de farao ís vanaf de eerste farao Menes, opgeeft. Wat er volgens hem op wijst dat een bepaalde belangrijke periode in de geschiedenis van Egypte met Oenas afgesloten werd.

    After Unis the Turin Canon inserted a total of all the years from the accession of Menes down to that reign; the number is unfortunately lost, but the entry serves a useful purpose by showing that a great period was thought of as terminating here.

    Sir Alan Gardiner, Egypt of the Pharaohs, 1961, Book II, The Old Kingdom, page 91

     

    De gegevens die van Manetho via zijn kopieerders bewaard bleven spreken elkaar tegen wat aantal en regeerduur van de verschillende farao ís van de vijfde dynastie betreft. De kroniekschrijver Africanus, een van de kopieerders van Manetho, vermeldt negen faraoís voor de vijfde dynastie met een totaal van 248 jaar. De andere kopieerder van Manetho echter: Eusebius, vermeldt eenendertig faraonamen, maar verward heel duidelijk de faraoís van de vijfde dynastie met die van de zesde dynastie. De bekende Abydos-koningslijst geeft in afwijking van Manetho faraonamen voor de vijfde dynastie op, zij het zonder de regeerduur te vermelden. De gefragmenteerde Turijnlijst heeft dan weer negen koningen waarbij de derde naam in de lijst als gevolg van zware beschadigingen aan het papyrusdocument verloren ging.

    De archeologie komt te hulp in het reconstrueren van de regeerperioden van de respectievelijke farao Ďs. In het British Museum is een grote kalkstenen schijndeur uit het graf van de edelman Ptahsjepses te Sakkara, tentoongesteld.

     

     

    Deze edelman beschrijft in een inscriptie op de deur hoe hij tot zijn dood onder zeven faraoís leefde. Twee faraoís van de lijst werden geÔdentificeerd als zijnde van de vierde dynastie van Manetho en vijf faraoís zijn van de vijfde dynastie. Er bestond aldus interactie tussen beide dynastieŽn die blijkbaar voor een periode gezamenlijk over hun deel van Egypte heersten.

    De Britse egyptoloog Sir Alan Gardiner verwijst in zijn studie: Egypt of the Pharaohs, 1961, hoofdstuk IV, naar graftempels van de vijfde en de zesde dynastie en toont aan dat de weergegeven reliŽfs soms identiek met elkaar zijn en volgens hem van elkaar gekopieerd. Zo schrijft hij dat de tombe van Farao Sahoe-ra van de vijfde dynastie een muurreliŽf heeft met een scŤne van krijgsgevangen Libische stamhoofden samen met buitgemaakt vee. Dit blijkt een identieke scene te zijn met de gegevens gevonden in de dodentempel van Pepi II van de zesde dynastie. Zelfs de opgegeven aantallen van krijgsgevangenen en vee kloppen nauwkeurig. Voor de orthodoxe Egyptologie is dit een anomalie. Volgens mijn reconstructie is er echter geen sprake van plagiaat maar waren de faraoís Sahoe-ra (1536/1529 v. Chr.) en Pepi II (1586/1487 v. Chr.) tijdgenoten van elkaar, met Sahoe-ra ondergeschikt aan Pepi II.

    Wat de rangschikking van de farao ís van de vijfde dynastie op de tijdsbalk betreft heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, als ankerpunt het jaartal van de exodus genomen: 1483 v. Chr. en van dit ankerjaar in de tijd teruggewerkt tot aan de regeerperiode van farao Menkaura van de vierde dynastie, waar ik de verbinding met de vijfde dynastie maakte. De regeerperiode van farao Oenas loopt aldus van het ankerjaar 1483 v. Chr. tot 1513 v. Chr. met een regeerperiode van dertig jaar, die de Turijnkoningslijst opgeeft. Zoals eerder vermeld is er uit de tijd van de regeerperiode van farao Oenas is een vermelding bewaard gebleven over een hongersnood die Egypte toen getroffen heeft.

     

     

    De tien plagen betekenden voor Egypte een economische ramp zonder weerga en de vernietiging van het leger van farao in de Rode Zee daaropvolgend betekende dat het land openlag voor de invasie van de Amoe /Hyksos /Amalekieten.

    Een tot dan toe ononderbroken lijn van farao ís vanaf Menes tot op Oenas was aan haar einde gekomen. Vreemde heersers zouden daarop voor een lange periode de heerschappij over Egypte overnemen. Zie ook mijn boek: EXODUS, 2016, blz. 107-124

    De enige intentie van de Egyptische oudheidhistoricus Manetho in de derde eeuw voor Christus ten tijde van het Griekse bewind over Egypte, was om zijn tijdgenoten en collega-historici aan te tonen dat de Egyptische geschiedenis de oudste van heel de wereld was. Hierbij manipuleerde hij zijn faraolijsten waaruit moest blijken dat zij in opeenvolging geregeerd hadden en elkaar niet overlapten wat in werkelijkheid dikwijls het geval was.

     

    Wordt vervolgdÖ.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    09-11-2017 om 08:03 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De mogelijke oorsprong van Halloween
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Wanneer men op het internet naar de oorsprong van het inmiddels ook in BelgiŽ bekende Halloweenfeest onderzoek doet dan blijkt de oorsprong bij de Kelten te liggen en moeten we enkele duizenden jaren terug de geschiedenis in tot voor de tijd dat het christendom zich in onze lage landen bij de zee kon vestigen. Over de Kelten is niet veel geweten, zij waren de inwoners van onze gewesten voor de Germaanse volksverhuizingen van de vierde eeuw na Christus. Vlamingen, Brabanders en Limburgers stammen af van de Germaanse Salische Franken die zich vanaf 370 na Christus in Laag-BelgiŽ vestigden. In Groot BrittanniŽ en Ierland waar zich vooral de Germaanse stammen Angelen en Saksen vestigden is het Keltische element wat ras en gebruiken betreft niet volledig verdwenen. Halloween is dan ook een feest dat vooral in deze landen bewaard bleef en vandaar met de immigratie van grote groepen mensen uit de Britse eilanden ook in Noord-Amerika terecht kwam. Het lijkt dan ook een protestants feest te zijn maar is het niet echt. De oorsprong zou volgens sommige bronnen een oogstfeest van de Kelten geweest zijn dat gevierd werd rond 31 oktober en 1 november.

    Toen de door het Romeinse Rijk tot staatsgodsdienst gepromoveerde Roomse Kerk ook Noordwest Europa inpalmde en alle heidendom verbood nam zij het Keltische oogstfeest over en maakte er een algemene dodenherdenking van: het bekende allerheiligen en allerzielen.

    Op de Britse eilanden bleef het oorspronkelijke gebruik van Halloween beter bewaard. De Kelten geloofden dat op die dag de geesten van de overledenen van het voorbije jaar terugkwamen ter inbezitneming van de levenden. Ter afwering van deze zogenaamde boze geesten droegen de Kelten maskers.

    Tot hier in het kort wat men algemeen over de oorsprong van het Halloweenfeest op het internet vindt.

     

    De vermoedelijke oorsprong van Halloween met in het bijzonder de dodenherdenking gaat terug tot de achtste eeuw v. Chr. en eerder toen planeet aarde met intervallen van 54 jaar en zes maanden door een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong getroffen werd.

    In vorige afleveringen op dit blog bracht ik de cyclus van meganatuurcatastrofes van de wetenschappers Patten, Hatch en Steinhauer (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973) onder de aandacht. Het is met de cyclus van deze rampen die afwisselend in de maanden maart en oktober planeet aarde teisterden dat Halloween en de dodenherdenking met het massaal begraven van de slachtoffers in de maand november zijn oorsprong heeft. Ook de afbeeldingen van heksen op bezemstelen die door de lucht vliegen vinden hier vermoedelijk hun oorsprong. Wanneer planeet aarde in haar baan om de zon door een interactie met andere planeten en hemellichamen geschud werd en als een gevolg ruimteafval de dampkring binnendrong zal dit door de Kelten verklaard zijn door middel van geesten en heksen op bezemstelen.

    Het meest recente artikel op dit blog betreffende de cyclus van oudheidnatuurcatastrofes dateert van 21.07.2017. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1500242400&stopdatum=1500847200

     

    Zie ook het artikel op dit blog van 18.10.2016: voorjaar 1049 v. Chr.: de verdrijving van de Hyksos/Amalekieten uit Egypte en de notering van een meganatuurcatastrofe. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1476655200&stopdatum=1477260000

     

    Wat als een paal boven water staat is dat de achtste eeuw v. Chr. en het begin van de zevende eeuw v. Chr. een periode van een planeet aarde in beroering was. Voor de oude Kelten en andere volken van die tijd betekende het iedere keer een ondergang van hun wereld met ontelbaar veel slachtoffers en het daarna massaal verwijderen van de stoffelijke resten van de slachtoffers. Volgens de catastrofetheorie kwam het zonnestelsel rond 668 v. Chr. tot rust en namen de legendes hun aanvang.

     

    Het laatste boek (Mankind in Amnesia, 1982) dat de controversiŽle onderzoeker Dr. ImmanuŽl Velikovsky (1895/1979) schreef was gewijd aan het verdringen van de historische meganatuurcatastrofes dat hij catologeerde onder een ‘collectief geheugenverlies’ van de moderne mensheid. Velikovsky omschreef het als het volgt: De herinnering aan catastrofes werd uitgewist, niet door gebrek aan geschreven overleveringen, maar door een kenmerkend proces, dat later gehele naties, tezamen met hun geletterden, in deze overleveringen allegorieŽn of vergelijkingen deed zien, terwijl in werkelijkheid kosmische natuurverstoringen daarin heel duidelijk stonden beschreven.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    01-11-2017 om 08:38 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    27-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het twaalfde historische jubeljaar van oktober 856/september 855 v. Chr.

    We vervolgen deze week onze reeks over de historische jubeljaren. Het laatste artikel op dit blog betreffende de historische jubeljaren dateert van 06.10.2017 met aandacht voor het elfde historische jubeljaar van oktober 905/september 904 v. Chr. ten tijde van de regeerperiode van koning Josafat van Juda. Een jubeljaar dat hoogstwaarschijnlijk ten tijde van de regeerperiode van Josafat nageleefd werd. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=3026048

     

    Hierna een opsomming van de jubeljaren uit het werk van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V., die we al behandeld hebben. Er waren dertig jubeljaren vanaf 1395/1394 v. Chr. tot 27/28 AD, het jaar dat Jezus zich te Nazareth als Messias bekendmaakte en het ‘aangename jaar des HEREN’ uitriep.

    Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr. intocht Kanašn o.l.v. Jozua.

    Aantal en jaartallen v. Chr.:

    Historische periode:                                Historische jubeljaarverwijzing:

    v. Chr.:

    1.       1395/1394 Richter OthniŽl            geen

    2.      1346/1345          Richter Ehud               Ruth 6:6

    3.      1297/1296 Ehud & Samgar           geen

    4.      1248/1247 Debora en Gideon        geen

    5.      1199/1198  Richter Thola               geen

    6.      1150/1149  Richter Eli                   geen

    7.      1101/1100  Richter SamuŽl            geen

    8.      1052/1051 SamuŽl & Saul             geen

    9.      1003/1002 Salomo                        geen

    10.    954/953   Rehabeam                             geen

    11.     905/904   Josafat                          geen

    12.    856/855  Joas                             geen

     

    In het vorige artikel over de jubeljaren hebben we gezien dat het jubeljaar dat gelijk viel met het eerste regeringsjaar van Josafat, door de in de Bijbel beschreven godvruchtige koning hoogstwaarschijnlijk gehouden werd.

     

     

    Het Bijbelse Jubeljaar was een belangrijk onderdeel uit de wet van Mozes van 1483 v. Chr. betreffende het beheer en het eigendomsrecht over het Beloofde Land, het land Kanašn dat ze veertig jaar later in 1443 v. Chr. zouden binnentrekken. Het doel van het jubeljaar was om uiteindelijk alle mogelijke individueel verlies van land en rijkdom in het negenenveertigste jaar van de sabbatjaarcyclus te herstellen, en aan de rechtmatige eigenaar terug te geven. De toepassing van de wet betekende een garantie tegen blijvende verarming van onfortuinlijke Leviticus 25:1-55. Denk bijvoorbeeld aan de geschiedenis van Naomi in het Bijbelboek Ruth dat we op dit blog met het artikel van 24.04.2017 behandelden. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1492984800&stopdatum=1493589600

     

     

    Op het bijgevoegde schema merken we dat Josafat vijfentwintig jaar regeerde waarna zijn zoon Joram de alleenheerschappij overnam. Joram regeerde namelijk al een hele tijd in co-regentschap met zijn vader. Hij was de eerste keer als co-regent aangesteld in 889 v. Chr. voorafgaand aan de slag bij Ramoth-Gilead in 888 v. Chr. Een conflict met Aram/SyriŽ dat Josafat in bondgenootschap met Achab van IsraŽl was aangegaan. Dit was een wijze beslissing van Josafat want zijn bondgenoot Achab van IsraŽl bijvoorbeeld sneuvelde in deze slag tegen de ArameeŽrs.

    De complexe chronologie voor de tijdsperiode heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 237-241, behandelt.

    De bijgevoegde tijdsschema ‘s zijn op millimeterpapier uitgewerkt met telkens veertien jaar per vel. De jaartallen bovenaan de tijdsbalk zijn op de westerse jaartelling gebaseerd onderverdeeld in vier vakken van elk drie maanden van januari tot december. De Bijbelse sabbatjaren staan daaronder in een blauwe balk vermeld van april tot maart en de jubeljaren van oktober tot september. Het Jubeljaar zag zijn start in oktober van de negenenveertigste sabbatjaarcyclus en liep verder tot september van het volgende jaar waar inmiddels in april een nieuwe sabbatjaarcyclus van start was gegaan. Op het hierboven getoonde schema zien we de tweede, derde en vierde sabbatjaarcyclus afgebeeld.

     

    Op het hierboven getoonde schema merken we ook een vermelding naar de slag bij Karkar. Deze oorlog staat niet in de Bijbel vermeld maar kennen we vanuit een Assyrische bron. Te Karkar streden de AssyriŽrs onder leiding van Salmaneser III tegen een coalitie van Klein-Aziatische koningen, waaronder Achab van IsraŽl. In mijn nieuw boek: ‘Kronieken der koningen van IsraŽl’, dat in het najaar gepubliceerd zal worden, geef ik heel wat aandacht aan deze periode in de geschiedenis van het tienstammenrijk. Vooral de link met de Assyrische koningslijst wordt uitgediept en gereviseerd aan de chronologische gegevens die de Bijbel verstrekt. De datering van de slag bij Karkar wordt hierbij gereviseerd naar het jaar 889 v. Chr. in plaats van het orthodoxe jaartal 853 v. Chr.

     

     

    Het volgende schema toont de vijfde en zesde sabbatjaarcyclus tijdens een zeer bewogen periode in de geschiedenis van het koninkrijk Juda. Joram, de zoon van Josafat, stierf in 876 v. Chr. en werd opgevolgd door een van zijn jongere zonen: Ahazia.

    2 Kronieken 22:1 En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn kleinsten zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eersten gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde. 2 Twee en veertig jaar was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athalia, een dochter van Omri. 3 Hij wandelde ook in de wegen van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn raadgeefster, om goddelooslijk te handelen.4 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want zij waren zijn raadgevers, na den dood zijns vaders, hem ten verderve. (Statenvertaling)

     

    Ahazia regeerde slechts een jaar en kwam aan zijn einde door de hand van Jehu van IsraŽl op dezelfde dag dat deze Joram, de zoon van Achab doodde in het voorjaar van 875 v. Chr. Deze geschiedenis en chronologie heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 251-256, uiteengezet.

    Bij de dood van Ahazia door de hand van Jehu deed zijn moeder die een dochter van Omri was, een poging tot uitroeiing van het nakomelingschap van David en hiermee de geslachtslijn waaruit de Messisas, de beloofde Losser die alles herstellen zou, geboren zou worden.

    2 Koningen 11:1 Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om. 2 Maar Joseba, de dochter van den koning Joram, de zuster van Ahazia, nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd. 3 En hij was met haar verstoken in het huis des HEEREN zes jaren; en Athalia regeerde over het land. (Statenvertaling)

     

    Zes jaar zou de koninginmoeder Athalia over het land Juda heersen terwijl de kleine Joas samen met zijn tante verborgen zat in een vertrek in de Tempel van Salomo. In het zevende jaar (2 Koningen 11:4-21) werd de jonge Joas door de priester Jojada, ondersteund door de hoofdmannen van het leger, tevoorschijn gebracht en Athalia gedood waarna Joas tot koning over Juda gezalfd werd.

    2 Kronieken 23:1 Doch in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten der honderden, Azarja, den zoon van Jeroham en IsmaŽl, den zoon van Johanan, en Azarja, den zoon van Obed, en Maaseja, den zoon van Adaja, en Elisafat, den zoon van Zichri, met zich in een verbond. 2 Die togen om in Juda, en vergaderden de Levieten uit alle steden van Juda, en de hoofden der vaderen van IsraŽl, en zij kwamen naar Jeruzalem. 3 En die ganse gemeente maakte een verbond in het huis Gods, met den koning; en hij zeide tot hen: Ziet, de zoon des konings zal koning zijn, gelijk als de HEERE van de zonen van David gesproken heeft. (Statenvertaling)

     

    De geslachtslijn van de koningen Juda vinden we ook in het evangelie naar MatteŁs terug waar deze de geslachtslijn van Maria, de moeder van Jezus Christus. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, appendix 1: het geslachtsregister van Jezus Christus.

    Met de actie van Athalia tot uitroeiing van de geslachtslijn van David zien we de tegenstander aan het werk die sinds Genesis er alles aan doet om Gods heilsplan te dwarsbomen. Dit heilsplan begon met de belofte in Genesis (3:15) over het zaad van de vrouw, de losser die de schepping van de dood zou verlossen, de kop van de slang vermorzelen en alles herstellen. Het zijn de jubeljaren die ons naar de toekomst toe naar dit beloofde herstel zullen leiden.

    In het laatste boek van de Bijbel Openbaring hoofdstuk 12 zien we het einde van de tegenstander beschreven worden met een opsomming van alle namen waaronder hij sinds Genesis berucht was (12:9): de grote draak, de oude slang, duivel en/of Satan.

     

     

    Op onze bijgevoegde tijdsbalk merken we dat het twaalfde jubeljaar van oktober 856 v. Chr. tot september 855 v. Chr. gelijk liep met het vijftiende regeringsjaar van Joas. De Bijbel zwijgt over een eventueel naleven van het sabbat-  en jubeljaar gebod? We mogen echter terecht twijfelen of het jubeljaar in het vijftiende regeringsjaar van Joas gehouden werd? Er staat namelijk geschreven dat Joas na de dood van de profeet Jojada de wet des HEEREN verliet.

    2 Kronieken 24:15 En Jojada werd oud en zat van dagen, en stierf; hij was honderd en dertig jaren oud, toen hij stierf. 16 En zij begroeven hem in de stad Davids, bij de koningen; want hij had goed gedaan in IsraŽl, beide aan God en zijn huize. 17 Maar na den dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, en bogen zich neder voor den koning; toen hoorde de koning naar hen. 18 Zo verlieten zij het huis des HEEREN, des Gods hunner vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld. 19 Doch Hij zond profeten onder hen, om hen tot den HEERE te doen wederkeren; die betuigden tegen hen, maar zij neigden de oren niet. 20 En de Geest Gods toog Zacharia aan, den zoon van Jojada, den priester, die boven het volk stond, en hij zeide tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des HEEREN? Daarom zult gij niet voorspoedig zijn; dewijl gij den HEERE verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten. 21 En zij maakten een verbintenis tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod des konings, in het voorhof van het huis des HEEREN. 22 Zo gedacht de koning Joas niet der weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; dewelke, als hij stierf, zeide: De HEERE zal het zien en zoeken! (Statenvertaling)

     

    We weten niet wanneer chronologisch gezien de dood van Jojada plaatsvond en als een gevolg is het invullen van het jaar van de afval van Joas op de tijdsbalk onmogelijk. Met het twaalfde jubeljaar bereikte Joas de volwassen leeftijd van eenentwintig jaar en was verantwoordelijk voor zijn daden.

     

    Op het bijgevoegde schema zien we in het najaar van 860 v. Chr. een verticale rode lijn afgebeeld met de vermelding van de stichting van Carthago dat jaar. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 257-263, schreef ik een hoofdstuk over de datering van de stichting van Carthago op basis van de Bijbelse sabbat- en jubeljaartelling.

    Het is de oudheidhistoricus Flavius Josephus, Against Apion, Book I. 17-18, die in zijn geschiedschrijving de sleutel aanreikt ter berekening van de stichting van Carthago. Josephus wijst op de chronologische link die er bestaat tussen de bouw van de Tempel te Jeruzalem en de stichting uiteindelijk van Carthago. Er zaten namelijk exact honderddrieŽnveertig jaar en acht maanden tussen het twaalfde regeringsjaar van de Fenicische koning Hiram en het begin van de bouw van de Tempel te Jeruzalem tot aan het zevende regeringsjaar van Pygmalion.

    De regeerperiode van Salomo is verankerd met de jaren 1007/967 v. Chr. en dit op basis van de sabbat- en jubeljaartelling volgens William Whiston. Mijn jaartal voor de dood van Salomo in 967 v. Chr. wijkt met zesendertig jaar af van het tegenwoordig gangbare jaartal 931 v. Chr. De Tempelbouw te Jeruzalem ving aan in het vierde regeringsjaar van Salomo in april 1003 v. Chr. en in oktober van het jaar 996 v. Chr., zeven jaar later, was de Tempel afgewerkt.

     

     

    Het twaalfde regeringsjaar van Hiram op de tijdsbalk verankerd met het vierde regeringsjaar van Salomo, is gelijk aan april 1003/maart 1002 v. Chr. Vanaf dit jaartal gerekend arriveren we in het jaar 860 v. Chr. voor het zevende regeringsjaar van de Fenicische koning Pygmalion. Het is in dat jaar dat de zuster van Pygmalion: Dido, uit Tyrus moest vluchtten en datzelfde jaar nog Carthago stichtte. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, toon ik aan dat het jaar 860 v. Chr. getuige van een meganatuurcatastrofe was, wat de revisie van de geschiedenis van de oudheid zo boeiend maakt. Het zijn iedere keer puzzelstukjes die men kan samenvoegen zodat het plaatje duidelijker wordt². Zo een belangrijk puzzelstukje is het samenkomen van schijnbare toevalligheden zoals bijvoorbeeld de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong in het jaar 860 v. Chr. Dat jaar met de catastrofe werd de oorzaak dat sommige TyriŽrs naar nieuwe vestigingsplaatsen op zoek gingen. Wanneer men de aangepaste chronologie van Edwin R. Thiele in verband met de regeerperiode van Salomo hanteert mist men dit verband.

     

    Het twaalfde jubeljaar van oktober 856/september 855 v. Chr. was een historisch jubeljaar op basis van de schakel dat het is in de lange ketting van de dertig jubeljaren die er waren vanaf het openbaar worden van Jezus van Nazareth als de Messias in de synagoge van zijn thuisstad zoals door de evangelist Lucas (4:19) gebracht, en vervolgens terug de tijd in vanaf oktober 27/september 28 AD tot het eerste jubeljaar van oktober 1395/september 1394 v. Chr., vijftig jaar na de intocht in het Beloofde Land onder leiding van Jozua.

     

    Uiteindelijk zal onze reeks over de historische jubeljaren ons leiden naar een alsnog toekomstig jubeljaar met het herstel van alle dingen zoals beloofd in het Profetische Woord van de Bijbel.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    27-10-2017 om 13:10 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    20-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dunkirk, 1940

    ĎDunkirkí is een oorlogsfilm van de producer en regisseur Christopher Nolan (į1970-) die dit jaar in de bioscopen getoond werd. De film verhaalt Ďoperatie Dynamoí, de reddingsactie van de Britse marine en luchtmacht voor hun door de Duitsers ingesloten troepen in Noord-Frankrijk.

    Ik heb de film deze maand gezien en maak van mijn historische (oudheid) blog gebruik om enkele van mijn indrukken in de vorm van een film-beoordeling aan mijn lezers door te geven.

    Duinkerken in 1940 is weliswaar geen oudheidgeschiedenis maar ligt toch al zevenenzeventig jaar achter ons en de generatie van achttienjarigen toen, zijn door de dood ingehaald. De geschiedenis van de uitredding van het grootste deel van het Britse expeditieleger in 1940 was bepalend voor de uitkomst van de Tweede Wereldoorlog die in september 1939 als een Europese oorlog tussen Groot BrittanniŽ geallieerd met Frankrijk en Nazi-Duitsland begonnen was. De aanleiding was de onoplosbaarheid van het Pools-Duitse geschil omtrent de vrijhaven Danzig en de Poolse corridor door voormalig Duits gebied naar de Baltische Zee geweest. Hitler-Duitsland eiste in de zomer van 1939 de terugkeer van de vrijstad Danzig naar het Reich en de toelating van Polen tot het aanleggen van een extra autobaan en spoorlijn vanuit het Reich naar het sinds 1919 via het opgelegde vredesverdrag van Versailles, afgescheurde Oost-Pruisen. Een jaar eerder in de zomer van 1938 was er de crisis rond Tsjecho-Slowakije geweest dat aanvankelijk weigerde zijn Duitstalige gebieden aan het Reich af te staan. In de lente van 1938 was Oostenrijk bij Duitsland ingelijfd, de zogenaamde Ďanschlussí en het was voor Hitler-Duitsland de logica zelve dat ook de overige Duitstalige gebieden in de sinds 1919 geschapen randstaten (na de ontmanteling van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie) zoals Tsjecho-Slowakije, deze gebieden zouden afstaan. Door bemiddeling van vooral Chamberlain, de premier van Groot-BrittanniŽ toen, was een conflict afgewend en werden de Tsjechen aangemaand tot het opgeven van alle verzet en ging het zogenaamde Sudetenland met zijn Duits-Oostenrijkse bevolking zonder strijd naar Groot-Duitsland. Toen de rest van de meer-volkerenstaat Tsjecho-Slowakije daarop binnen zes maanden desintegreerde als een gevolg in de eerste plaats door de afscheuring van de Slowaken van de Tsjechen-staat op 14 maart 1939, gevolgd door de Hongaren en de Polen die ook hun deel van de Tsjechen-staat opeisten, hield Chamberlain-Engeland, Hitler-Duitsland hiervoor verantwoordelijk. Een direct resultaat was een Britse garantie aan Polen in het voorjaar van 1939. Dit land was namelijk het volgende doel van Hitler-Duitsland tot rechtzetting van het in 1919 te Versailles opgelegde vredesverdrag.

     

     

    Kaart uit een Belgische schoolatlas van april 1939. Men merkt dat de algemene verwachting was dat Duitsland het uiteindelijk toegestaan zou worden alle verloren gebieden in het oosten ten gevolge van het vredesverdrag van Versailles in 1919 opnieuw te verkrijgen.

     

    Duitsland werd in 1919 als enige schuldige voor het uitbreken van de Grote Oorlog in 1914 veroordeeld en verplicht tot herstelbetalingen aan de overwinnaars, daarnaast werd aan de nieuw opgerichte staat Polen een transithaven aan de Baltische Zee geschonken met een Poolse corridor door Duits land naar de zee. In het westen ging het Duitstalige Elzas-Lotharingen terug naar Frankrijk en verkreeg BelgiŽ het Duitstalige gebied van Eupen-Malmedy-Sankt Vith. Het was de tijd van het landjepik. In het noorden ging een gedeelte van Sleeswijk-Holstein met haar Deense inwoners terug naar Denemarken. Het Duitse koloniale rijk in Afrika en AziŽ werd onder de overwinnaars verdeeld waarbij Engeland de vetste delen toegewezen kreeg. Ook de Belgen kregen een stukje van Duits Oost-Afrika in de vorm van het mandaatgebied Roeanda-Oeroendi. De Belgen hadden dan weliswaar tijdens de eerste wereldoorlog Tabora, de hoofdstad van Duits Oost-Afrika veroverd, maar ook zij werden door de Engelsen en Fransen te Versailles in 1919 gedicteerd betreffende wat kon en niet kon. De Britten pikten Duits Oost-Afrika: Tanganyika, in en de Belgen kregen slechts twee kruimeltjes van de grote taart.

    Ik schrijf deze inleiding ter aantoning van de schuld die de overwinnaars van november 1918 dragen in verband met het uitbreken van een tweede wereldoorlog slechts twintig jaar later. Engeland dat zich in mei 1940 in Vlaanderen militair verpletterd zag droeg in wezen medeschuld aan het tweede conflict met Duitsland als een gevolg van hun behandeling van een verslagen vijand in 1918/1919.

    In november 1918 was er in het oorlog moede Keizerrijk Duitsland revolutie uitgebroken en werd er om een wapenstilstand met de geallieerden verzocht op basis van een te onderhandelen vredesverdrag. Dat vredesverdrag is er in juni 1919 gekomen echter niet op basis van onderhandelingen maar als een dictaat van de overwinnaars. De Engelse blokkade van de Duitse zeehavens werd in november 1918 ook niet opgegeven maar doorgezet tot de zomer van 1919 met als resultaat honderdduizenden hongerdoden in het algemeen verzwakte Duitsland. De Duitse delegatie in Versailles in 1919 mocht niets onderhandelen maar kreeg integendeel een ultimatum voorgeschoteld waarbij zij het vredesdictaat konden tekenen of de volledige bezetting van Duitsland door de geallieerden verkiezen. Zij tekenden het document waarbij belangrijke delen van hun territorium met bevolking naar vreemde overheersing ging en hun koloniaal rijk voor hen volledig verloren ging. Bovendien aanvaarden zij de schuldige voor het uitbreken van de grote oorlog geweest te zijn met de verantwoordelijkheid tot het betalen van buitenproportionele herstelbetalingen aan de overwinnaars die zichzelf tot slachtoffer declareerden. De jonge Duitse republiek die na het vertrek van de keizer uitgeroepen was had geen schijn van kans zich als volwaardige democratie te ontwikkelen noch te handhaven. De straten werden in de jaren twintig van de twintigste eeuw beheerst door de met elkaar rivaliserende communisten en nationaalsocialisten, twee extreme antidemocratische bewegingen die elkaar naar het leven stonden. De Duitse communisten werden gedirigeerd vanuit Moskou-Rusland.

    Het tsaristische Rusland was in 1917 met de novemberrevolutie (oktober volgens de juliaanse kalender) door de communisten onder leiding van Lenin neergeslagen en deze hadden daarop een vredesverdrag met het Keizerrijk Duitsland gesloten. Nadat de communisten via een bloedige burgeroorlog orde op zaken in Rusland gebracht hadden maakten dezen zich op om daarna de rest van de wereld met hun communistische boodschap te veroveren. De Komintern of communistische internationale was door Lenin in maart 1919 te Moskou opgericht met het doel van het oprichten van communistische partijen in de landen van het westen. Hun doel was over de gehele wereld een internationale proletarische revolutie te bewerken ter vestiging van de dictatuur van het proletariaat. De leiding van dit alles geschiedde sinds 1922 vanuit Moskou met de nieuwe dictator Stalin aan het hoofd. Het geÔndustrialiseerde Duitsland was voor hen een belangrijk doel van waaruit zij hoopten de rest van Europa te kunnen onderwerpen.

    Voor de westerse grootmachten van 1919 was Sovjet-Rusland sindsdien een bedreiging en werd het land als een paria behandeld. Zij waren niet uitgenodigd in Versailles.

    Het Tsaristische Rusland was een van de medeschuldigen voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog in de zomer van 1914. Het was de mobilisatie van het Russische leger geweest dat de dominostenen in beweging bracht. De grote oorlog die in 1914 uitbrak kwam ook zo maar niet uit de lucht vallen maar was al jaren daarvoor gepland en voorbereid. Er waren vier hoofdschuldigen voor het conflict: Frankrijk, Rusland, Engeland en Duitsland. In deze volgorde maar alle vier gelijk wat hun verantwoordelijkheid betreft. Vooreerst Frankrijk dat sinds de oorlog van 1870 aan de terugwinning van Elzas Lotharingen werkte door middel van nieuwe bondgenootschappen aangezien het te zwak was om Duitsland alleen aan te pakken. Hun eerste bondgenoot was Rusland waar de tsaar droomde van een Groot-Slavisch Rijk met Rusland als leider. Rusland ís doel was hier de neerwerping en ontmanteling van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie met vele Slavische volken binnen haar grenzen zoals Tsjechen, Slowaken, Polen, Roethenen, Kroaten, Slovenen en ServiŽrs. Oostenrijk-Hongarije was echter een bondgenoot van het Keizerrijk Duitsland en kon aldus niet aangepakt worden zonder met Duitsland in conflict te geraken. Hier raakten de belangen van Rusland en Frankrijk elkaar met Duitsland als een gemeenschappelijke hinderpaal die verwijderd moest worden. Voor Frankrijk was dit de voorwaarde tot het verkrijgen van Elzas Lotharingen en voor Rusland de voorwaarde tot aanhechting van de Oostenrijks-Slavische gebieden bij hun Rijk.

    Deze coalitievorming tegen Duitsland werd echt gevaarlijk toen Engeland aan het begin van de twintigste eeuw besloot om een verbond met Frankrijk te sluiten, gericht tegen Duitsland. Zij hadden hun zinnen op het koloniaal rijk van de jonge Duitse staat gezet en begeerden de wereldwijde Duitse export van goederen te vervangen door Britse producten. ĎMade in Germanyí was een van de redenen voor het uitbreken van de grote oorlog in 1914. Het was sinds 1904 wachten op de juiste gelegenheid om de militaire machinerie in beweging te zetten. Deze gelegenheid deed zich voor toen de Oostenrijkse kroonprins en diens echtgenote in juni 1914 door een Servische terrorist in Sarajevo in de Oostenrijkse (Slavische) provincie BosniŽ-Herzegovina vermoord werden. Oostenrijk legde de schuld voor het moordcomplot bij het naburig ServiŽ dat echter door Rusland gesteund werd. De opgestelde dominostenen begonnen te wankelen en de eerste dominosteen viel toen Rusland besloot te mobiliseren tegen Duitsland, de beschermer van Oostenrijk-Hongarije. Binnen de maand stond Europa in brand. Duitsland was de vierde medeschuldige voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog. Uiteraard wist Duitsland via zijn kanalen van de geheime diplomatie tussen Frankrijk en Rusland tegen hen gericht en hadden zij zich militair voorbereid tot het neutraliseren van de dreiging. Een oorlog op twee fronten tegelijkertijd werd terecht als zeer moeilijk betracht en daarom was het plan voorzien om vooreerst in het Westen Frankrijk te verslaan door middel van een oprukken door het neutrale BelgiŽ heen in een omsingelingsslag voor het Franse leger dat tegenover Elzas en Lotharingen ontplooid was. Na het verslaan van het Franse leger zou het Russische leger aan de oostelijke grens aangepakt worden en verslagen. De bedoeling was om een vergroot Duits bastion tegen het oosten op te richten. Toen men vernam dat Engeland de Frans-Russische as vervoegd had zag Duitsland als enige tegenmaatregel de uitbreiding van haar zeevloot in de Noordzee. Een actie die Engeland nog meer reden gaf ter uitschakeling van de Duitse militaire macht. Hun bedoeling was om de Duitse eenheidstaat door de legendarische Bismarck opgericht te herleiden tot de oorspronkelijke staat van de verschillende vorstendommen.

    De Belgische koning Albert I werd door de Duitse Keizer benaderd voor toelating van het doortrekken van het Duitse leger op weg naar Frankrijk met als beloning voor BelgiŽ de terugkeer van de verloren provinciŽn aan Frankrijk: Frans-Vlaanderen, ArtesiŽ en PicardiŽ. De Belgische koning, de Saksen-Coburger Albert I, mocht dan wel van Duitse afstamming zijn grondwettelijk was hij op dit domein ondergeschikt aan de regering. BelgiŽ was in 1914 een Franstalige unitaire staat met een Nederlandstalige meerderheid die monddood was en haar rechten miste. Moest er in 1914 een federale staat BelgiŽ bestaan hebben zoals we die vandaag kennen dan had er vermoedelijk in de kamer een fiks debat plaatsgevonden over het voorstel van de Duitse keizer. De mogelijke uitkomst van zulk een hypothetisch debat vandaag voorspellen is onmogelijk.

    De kanonnen van Augustus deden in 1914 hun werk en de verschillende nationale legers kwamen in beweging voor een frisse vrolijke oorlog waar iedereen van dacht dat het met Kerstfeest 1914 allemaal voorbij zou zijn. Het resultaat was uiteindelijk een bloedbad dat meer dan vier jaar zou aanhouden en zou resulteren in een verscheurd Europa met fascisten en communisten in vele landen als nieuwe realiteit.

    Hoewel het historisch vandaag geduid kan worden dat er vier schuldigen waren en niet alleen Duitsland werd dit laatste land in 1919 als de enige schuldige gebrandmerkt en gestraft. Engeland en Frankrijk kwamen uiteindelijk verzwakt uit dit conflict en waren in 1938 niet in staat het nieuwe nationaalsocialistische Duitsland aan te kunnen. Daar komt bij dat de Britse regeringen voor dat Chamberlain het roer overnam in Sovjet-Rusland een groter gevaar zagen dan in Nazi-Duitsland. De invoering van de dienstplicht en uitbreiding van het Duitse leger in 1935 werd aanvaard, alsook de militarisering van het Rijnland door Duitsland in 1936. Het vlootverdrag tussen Baldwin-Engeland en Hitler-Duitsland waarbij Duitsland toegestaan werd zijn vloot tot de sterkte van een derde van de Britse vloot uit te breiden was getekend met in het achterhoofd de dreiging van Stalin-Rusland dat zijn leger en marine alsmaar uitbreidde tot een niveau dat gelijk was aan de sterkte van alle legers wereldwijd samen. Het is geweten dat Baldwin-Engeland die zich in Spaanse burgeroorlog van 1936-1939 neutraal opstelde, de fascist Franco verkoos boven een mogelijke Bolsjewistische overwinning in Spanje. Te laat besefte men dat in Duitsland sinds 1933 een psychopathische dictator aan de macht was die zijn eigen programma zoals uiteengezet in zijn boek ĎMein Kampfí aan het uitvoeren was. Men had in de jaren twintig de jonge Duitse republiek als volwaardig moeten behandelen en het vredesverdrag van 1919 herzien. In 1933 was het voor dit mogelijk scenario te laat.

    De Britten begonnen pas echt aan hun herbewapening na de MŁnchen-akkoorden van 1938 en vertrouwden op het Franse leger toen zij op 3 september 1939, drie dagen na de Duitse invasie van Polen, Duitsland de oorlog verklaarden. Buiten het doorvoeren van een maritieme blokkade en het trachten te betrekken van zoveel mogelijk neutrale landen bij het conflict, hadden zij geen plan voor het voeren van hun oorlog. Daarbij komt dat Nazi-Duitsland een pakt gesloten had met Stalin-Rusland, een land dat hun van alle grondstoffen nodig voor het voeren van een oorlog voorzag. De zeeblokkade mocht dan weliswaar werken maar was een lachertje als een gevolg van de Russische leveringen aan Duitsland. Als een gevolg van dit bijzondere pakt tussen Russen en Duitsers was Duitsland bovendien in staat om in de lente van 1940 al zijn divisies, zijn gehele leger in het westen te ontplooien. Het restant-Polen en TsjechiŽ werden door politie-eenheden en gewapende arbeidsmannen (O. T.) in bedwang gehouden.

    Ik schrijf deze inleiding tot het beter begrijpen van de toestand op 10 mei 1940 toen de Duitse legers hun offensief tegen het westen begonnen.

     

    De film ĎDunkirkí brengt zulk een inleiding niet en plaatst de kijker ineens voor de omsingelde geallieerde legers in Noord-Frankrijk en Vlaanderen. Er wordt een aantal van 400.000 soldaten vermeldt die dienen geŽvacueerd te worden, wat onmiddellijk vragen oproept. Het Britse expeditieleger in Frankrijk bestond uit slechts tien divisies met in totaal iets meer dan 200.000 man, de helft van het getal dat de filmmaker opgeeft. De overige zijn dan Fransen en Belgen hoewel dat niet vermeld wordt en het vermoeden laat dat Britten bedoeld zijn. Als de sfeerfilm van Nolan begint zien we een kleine groep Britse soldaten Duinkerken binnentrekken waar zij echter onmiddellijk door zowel Franse als Duitse soldaten onder vuur worden genomen.

     

     

    Tegelijkertijd dwarrelen flyers uit de lucht op de soldaten neer. De flyer toont een kaart met de frontlijn van 24 mei 1940 en de boodschap dat de geallieerde legers omsingeld zijn en beter hun wapens kunnen neerleggen. De film is nog geen tien minuten bezig of de eerste schoonheidsfouten doen zich al voor. Op 24 mei stonden de Duitsers namelijk nog niet in de straten van Duinkerken maar ruim daarbuiten zoals de kaart overigens laat zien. Op 24 mei was ook het Belgische leger nog niet uitgeschakeld maar woedde de slag aan de Leie met een betreurenswaardige hoge tol aan mensenlevens aan Belgische zijde. De Belgen komen nochtans in de film niet aan bod. Het kleine neutrale BelgiŽ had op 10 mei 1940 een leger van 600.000 man gemobiliseerd dit in contrast met de Britten die sinds hun oorlogsverklaring van 3 september 1939 slechts iets meer dan 200.000 man in Frankrijk gestationeerd hadden. Maar zoals eerder opgemerkt vertrouwden zij op het Franse leger. Tot hier even mijn eerste indruk van de film die vooral sinds ik de trailer bekeken had wel wilde zien. De trailer toont al iets van de audiovisuele kracht van de film met speciale effecten die alleen met de huidige computertechnologie mogelijk zijn.

    Nolan toont het Duinkerkenepos van 1940 vanuit drie invalshoeken: land, zee en lucht. De verschillende personages in de film worden niet geÔntroduceerd maar men zit meteen middenin de gefilmde chaos van Duinkerken zonder enige verhaalstructuur.

    Dat hij slechts een patrouille van drie Spitfires toont die over het kanaal opereren ter bescherming van de geallieerde schepen ervaarde ik teleurstellend als historisch niet correct. De RAF Royal Air Force had namelijk zestien eskaders jagers over het kanaal ingezet of ongeveer 250 vliegtuigen waarvan er een honderdtal verloren gingen. De Duitsers verloren ruim honderddertig vliegtuigen gedurende de geallieerde evacuatie. Hoewel de film ĎDunkirkí prachtige animatiebeelden van drie ingezette Spitfires weergeeft geeft dit niet een correct beeld weer van de armada van vliegtuigen die dagelijks over het kanaal en boven de stranden strijd voerden. Ook aan Duitse zijde toont Nolan in de film een eenzame Heinkel-111 bommenwerper die een schip in het vizier neemt en daarop door de Spitfires onderschept wordt. Het is een prachtige historisch correcte animatie van Heinkel Ďs en Stuka ís maar ik had meer vliegtuigen in de lucht afgebeeld.

     

     

    © Hans-Adolf Jacobsen, DŁnkirchen, 1958

     

    Hierboven ziet u een situatiekaart van het frontverloop op 24 mei 1940. Rechtsboven op de kaart ziet men de opstelling van het Belgische leger aan de Leie. Op de rechtervleugel van het Belgische leger zitten de Britten opnieuw in hun stellingen aan de Frans-Belgische grens, vanwaar ze op 10 mei 1940 naar de Dijle-stelling in BelgiŽ waren vertrokken. Na de Duitse doorbraak bij Sedan op 14 mei 1940 waar een geheel Frans leger op de loop ging, trokken de Britten zich volgens plan samen met het Belgische leger terug op de Schelde en daarna als een gevolg van de gelukte Duitse doorbraak naar het kanaal, trokken zij zich verder terug op hun oorspronkelijke stellingen aan de grens. Buiten achterhoedegevechten heeft het Britse leger in mei 1940 nooit een echte veldslag dienen uit te vechten. Op de kaart ziet men ook duidelijk dat indien de Duitsers een wig tussen de Britten en het Belgische leger hadden kunnen drijven, de Britten gelegerd aan de Frans-Belgische grens, Duinkerken nooit hadden kunnen bereiken. Het is de slag aan de Leie en het volhouden van de Belgen tot de avond van 27 mei dat de Britten redde. Dit heeft nooit in de geschiedschrijving over de tweede wereldoorlog die overigens door Anglo-Amerikanen gedomineerd wordt, veel aandacht gekregen. In de film van Nolan ook al helemaal niet.

    Een volgende vaststelling die ik in de loop van de film deed is dat nooit of nergens iemand van hoog tot laag de naam ĎGodí in de mond neemt. Vandaag in de derde generatie van de ontkerkelijking in Europa heel normaal maar niet in 1940. Een tijd terug las ik in de krant dat de Belgen vandaag de koelste godsdienstminnaars in Europa zijn. Ik neem aan dat de situatie in Engeland vandaag iets beter is.

    Wanneer men echter een historische film maakt zoals die van Nolan over Dunkirk 1940, dient het historische kader te kloppen. En dat correcte historische kader was dat God en religie een onlosmakelijk deel van de Britse cultuur was. Het land was samen met zijn Dominions en Commonwealth het grootste protestantse land ter wereld met bovendien koning Georges VI als hoofd van de Engelse kerk, de C.O.E. Church of Engeland.

    Op zondag 26 mei 1940 riep koning Georges VI de Britten tot een ĎNational Day of Prayerí op dat door miljoenen Britten over heel het eiland werd opgevolgd. Zie link: https://www.youtube.com/watch?v=1zbUqeYnyxw

    Men besefte op 26 mei dat het noodlot toesloeg en dat menselijk gezien de kans groot was dat het Britse expeditieleger zou ondergaan met alle gevolgen van dien. Het wonderlijke is dat het zeewater in het kanaal daarop extreem kalm werd, iets dat in geen dertig jaar was voorgekomen en dan nog gedurende tien dagen, de periode van de inscheping vanaf de stranden bij Duinkerken. De inscheping vanaf de stranden met kleine boten was alleen mogelijk omdat de zee zo vlak als een spiegel was met haast geen deining. De dag na de inschepingen beukten de golven opnieuw tegen de stranden aan.

    De film van Nolan laat hier niets van zien. Integendeel de opnamen tonen de moeilijkheid van het inschepen in sloepen bij gewone deining toen de film gedraaid werd. Ik nodig mijn lezers uit om op het internet enkele documentaires over het Dunkirk-epos op te zoeken en in het bijzonder op de wonderlijke kalme zee te letten. Zie o.a. de link: https://www.youtube.com/watch?v=PGjGdksK37Y

    De inscheping vanaf de stranden maakte het mogelijk uiteindelijk ruim 335.000 soldaten (geen 400.000) in te schepen waarvan ongeveer 200.000 Britten en 135.000 Fransen.

    Toen alles voorbij was werd op zondag 9 juni 1940 in alle kerken in Groot-BrittanniŽ een ĎDay of National Thanksgivingí gehouden. Dit laatste nogmaals ter illustratie dat God en religie geen dode letter in het Engeland van 1940 waren.

    Ik heb in 2007 een boek over de tweede wereldoorlog gepubliceerd waar ik in het bijzonder metahistorische accenten trachtte te leggen. Hierna een citaat uit mijn boek dat betrekking op het wonder van Duinkerken heeft:

     

     

    Citaat: HET WONDER VAN DUINKERKEN.

    De manier waarop de Britten 338.000 geallieerde soldaten vanuit Duinkerken konden redden kan als een wonder omschreven worden. Menselijk kunnen speelde zeker een rol en de prestaties van de Royal Navy en de RAF die boven de stranden een ware luchtslag uitvochten waren mee bepalend. Maar het feit dat het Kanaal zelf opmerkelijk rustig was en dat Hitler op 24 mei zijn 'Panzers' tot staan had gebracht, waren feiten waarop het Britse opperbevel geen invloed had. Voor wie geestelijke ogen en oren heeft is de hand Gods in dit gebeuren zichtbaar. Een armada van schepen aller aard bracht met achterlating van hun materieel, het leger veilig naar Engeland. Deze geslaagde terugtocht gaf Engeland gelegenheid om de strijd verder te zetten en was een garantie op hoop voor bezet Europa. We moeten bedenken dat indien het Britse expeditieleger zou zijn vernietigd Engeland evenals Frankrijk om een wapenstilstand had moeten verzoeken. Bij de aanvang van mijn werk heb ik kritiek geleverd op Engeland, vanwege het feit dat het met Frankrijk een bepaalde politiek tegen het Duitsland van 1918 heeft gevoerd dat het zaad van de Tweede Wereldbrand in zich droeg. Door de uithongering en vernedering van het Duitse volk na 1918 hebben Engeland en Frankrijk een pad gelegd voor de duistere machten die bezit hebben genomen van de Duitse ziel. Wanneer nu echter in 1940 het nationaalsocialistische Duitsland zijn 'Nieuwe Orde' opdringt aan Europa zodat Engeland alleen overblijft om weerstand te bieden tegen dit goddeloze systeem dan dwingt deze realiteit ons tot sympathie voor Engeland. In Engeland is nu een regering van nationale eenheid aan de macht met Winston Churchill als eerste minister en bezield om de strijd verder te zetten.

    De nationaalsocialistische leer is een ideologie die bezit wilde nemen van de hele mens ook van zijn denken. Het facet dat na de Tweede Wereldoorlog vooral belicht werd is de rassenleer. Dominerend in de nationaalsocialistische leer is het antisemitisme en de superioriteit van de Germaanse mens. De rassenleer was niet exclusief nationaalsocialistisch maar vindt men al terug bij Nietsche en andere denkers uit de negentiende eeuw. Door de slechte leefomstandigheden in Duitsland na 1918 en in de jaren twintig vinden de nazi's in het Duitse volk een voedingsbodem om hun waanideeŽn aan de man te brengen. Duitsland diende machtiger te worden. Het diende als 'Herrenvolk' Europa te regeren. Het nationaalsocialisme legde de nadruk op 'het volk', het eiste een onvoorwaardelijk opgaan van het individu in de gemeenschap en de gehoorzaamheid aan ťťn leider: " FŁhrer befehl, wir folgen"! Een andere slagzin was: ďDu bist nichts, Dein Volk ist allesĒ. De Joden werden aangewezen als de schuldigen voor alle tegenslag van het Duitse volk en daarom vervolgd. Uiteindelijk was een 'EndlŲsung' voorzien, waarbij door genocide 4.851.200 Europese Joden enkel en alleen al in de vernietigingskampen Auschwitz, Chelmno, Belzec, Sobibor, Maidanek en Treblinka, vergast en gecremeerd zijn geworden. Daarbij komen nog de ontelbare honderdduizenden die in westelijk Rusland in 1941 al bij het oprukken van de Wehrmacht ter plaatse van kant werden gemaakt. Het totaal moet ongeveer liggen bij zes miljoen Joden, allen slachtoffer van deze rassenleer. Dat deze leer demonisch geÔnspireerd was is duidelijk en het is opmerkelijk dat het 'protestantse' Engeland, als volk de geestelijke kracht heeft om de 'Nieuwe Orde' te weerstaan. Zo werd het zelfs de enig resterende macht in Europa om het joods-christelijke cultuurgoed te bewaren.

    DE ROL VAN ENGELAND IN HET LOT VAN EUROPA

    ĎGod zond de windí, luidde de historische uitspraak over het wonder van de vernietiging van de Spaanse armada in 1588. ĎGod verbood de wind te waaiení, zou de uitspraak kunnen zijn over het wonder van de redding uit Duinkerken in 1940... Het hierna volgende citaat gaat over dit wonder: ďWant als gedurende deze dagen de wind was opgestoken zou een complete zeeramp het gevolg zijn geweest. Het inladen van de soldaten op de stranden zou trouwens praktisch ondoenlijk zijn geweest. Maar de zee was en bleef kalm en spiegelglad, een week lang. Dat was ongewoon in het Kanaal. Een dag na afloop van de operatie stak de wind op en beukten hoge golven de verlaten stranden.Ē

    De laatste vierhonderd jaar is het handelen van Groot-BrittanniŽ als protestantse natie dikwijls bepalend geweest voor het verdere bestaan van een vrij Europa. De eerste bedreiging was die van Philips II van Spanje die Europa wilde verenigen en de contrareformatie met haar absolutisme grondvesten. De enige gevaarlijke tegenstander was Engeland. In de zestiende eeuw was alleen Noordwest-Europa namelijk redelijk veilig overgebleven doch verdeeld. Duitsland bijvoorbeeld bestond als eenheidsstaat nog niet maar was samengesteld uit tientallen vorstendommen. Noord-Nederland had zich weliswaar boven de grote rivieren tegen de opdringende Spanjaarden kunnen handhaven maar dit alles zou voor Philips II gevallen zijn bij een geslaagde landing in Engeland. Daarom geloof ik ook dat God verantwoordelijk is voor de vernietiging van de Spaanse Armada op weg naar Engeland in 1588. Een volgende antichrist die zich aandiende was Napoleon die in de achttiende eeuw Europa wilde verenigen en zijn nieuwe orde vestigen. Ook toen was het alleen Engeland dat deze dictator weerstond en garant stond voor een nieuw en vrij Europa. De Conventie van Wenen volgend op de slag bij Waterloo in 1815 zag de langst durende vrede die West-Europa ooit kende. Tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914/1918 was het Engeland ís alliantie met Frankrijk en Rusland dat het tij voor Frankrijk deed keren. Het verloop van de geschiedenis kennen we. In 1940 stond Engeland weer alleen tegen de zoveelste dictator die zich op het continent aandiende. Ditmaal echter was het een tot de tanden toe bewapende despoot die erop uit was zijn duizendjarig rijk te vestigen. Engeland had militair onvoorbereid, deze man de oorlog verklaard en zag zich nu haast totaal verpletterd. Het kleine Britse expeditieleger van slechts 200.000 man was na amper tien dagen strijd omsingeld in Vlaanderen en Noord-Frankrijk met slechts ťťn uitweg: de zee. Het is hier dat ik meen dat de HERE God weer heeft ingegrepen. Net zoals bij de vernietiging van de Spaanse Armada gebruikte Hij de natuurelementen. Alleen met dit verschil dat de zee nu kalm bleef wat de inscheping vanaf de stranden bij Duinkerken mogelijk maakte. Wanneer men enkele degelijke werken over de Tweede Wereldoorlog naslaat, dan blijkt dat er inderdaad iets ongewoons met de zee gaande was tussen 21 en 31 mei 1940. Mijn eerste citaat was dat van L. J. Hartog uit zijn boek Ďen morgen de hele wereld. Deze onderzoeker stelt dat de zee een week lang kalm en spiegelglad was en dat ťťn dag na afloop van de evacuatie van het Britse leger de wind opstak en hoge golven op de verlaten stranden beukten. Dat er iets met de zee aan de hand was vinden we in verschillende studies terug. Het hierna volgende citaat spreekt boekdelen: ďDe zee is wonderbaarlijk kalm; bij de minste achter-vloed zou het gebruik van de stranden onmogelijk zijn, wat tot gevolg zou hebben dat het effect van de evacuatie tot de helft zou worden teruggebracht"

    Een ander wonder waren de 'toevalligheden' van het weer dat dikwijls in het nadeel van de ĎLuftwaffeí werkte. Vermoedelijk had GŲring de evacuatie niet kunnen verhinderen maar hij had veel meer schade kunnen toebrengen. Telkens waren er wolken, regen en mist, op voor de ĎLuftwaffeí ongelukkige momenten. Er vonden zware luchtaanvallen plaats op 27 en 28 mei, en op 1 juni. Telkens was er de volgende dag een mistlaag die de Duitsers verhinderde om de resultaten van hun bombardementen te evalueren. Positief voor de Duitse Luftwaffe was het feit dat zij zelden de dichtbevolkte stranden met mitrailleurvuur bestookte. Ook werden er nooit fragmentatiebommen gebruikt die een verschrikkelijke tol aan levens op de stranden geŽist zouden hebben. Vreemd is dat de Luftwaffe tijdens deze periode, Dover en andere ontschepinghavens niet aanviel. Duizenden geallieerde soldaten meer zouden gesneuveld zijn. We moeten bedenken dat indien het Britse Expeditieleger zou zijn vernietigd Engeland vermoedelijk net zoals Frankrijk, een wapenstilstand met Nazi-Duitsland had moeten sluiten. Zeker met betere voorwaarden dan deze die Frankrijk accepteerde, maar het had in ieder geval geresulteerd in een Nazi-Duitse heerschappij van het Europese continent. Dit is een variant dat zich in deze tijdsperiode had kunnen voordoen. ItaliŽ was aldus ook buiten de oorlog gebleven. Er zou geen oorlog in de Balkan of de Middellandse Zee hebben plaatsgevonden en Duitsland zou er vermoedelijk in 1941 in geslaagd zijn het Rode Leger te vernietigen. Het resultaat zou vermoedelijk een nazificering van het hele continent geweest zijn met alle gevolgen van dien. Dit alles werd vermeden door de redding van het Britse leger van de stranden bij Duinkerken. Dit is een hypothese en moet als een variant beschouwd worden. Ik besef dat we in een postchristelijk tijdperk leven en dat mijn betoog over een Goddelijke tussenkomst over het slagveld rondom Duinkerken en vooral over de zee voor vele van mijn lezers als wereldvreemd moet overkomen. Dit ongeloof neemt echter de realiteit niet weg van die andere dimensie en van de geestelijke machten die hun strijd om planeet aarde voeren. De strijd van duisternis tegen Licht is naar mijn mening voor wie wil zien waar te nemen. Einde citaat.

     

     

    © De Fabribeckers, de veldtocht van het Belgische Leger in 1940, 1966

    Het laatste schip dat Duinkerken verliet was de Belgische trawler A5 van het Marinekorps in de nacht van 2 op 3 juni 1940 met 240 Franse soldaten en hun officieren aan boord.

    De evacuatievloot bestond volgens Churchill uit 693 Britse en 168 geallieerde vaartuigen aller aard, hoewel deze cijfers tussen de verschillende auteurs afwijken. De vermelde geallieerde vaartuigen waren vooral Nederlandse en Belgische schuiten.

     

    Hierna een boekbeoordeling van de hand van Jan van Barneveld:

    De Vlaamse auteur Robert de Telder heeft een bijzondere belangstelling voor geschiedenis. Bijbelse geschiedenis in zijn boeken ĎVan Noach tot Christusí en ĎKroniek van het oude IsraŽlí. Wereldgeschiedenis van de oudheid in Kronos, waarin hij de chronologie van de oudheid aan een kritisch onderzoek onderwerpt. Zijn vlijtig verzamelen en onderzoeken van feiten en gegevens, gebeurtenissen en ontwikkelingen heeft hij in bovengenoemde boeken voor ons ten nutte willen maken. De Tweede Wereldoorlog door het oog van een Belg is een interessant historisch document. Drie zaken spelen door het hele boek heen. De persoonlijke ervaringen van zijn vader, die een deel van de oorlog als dwangarbeider in Duitsland doorbracht. Wat de Holocaust en de demonie van Hitler en ook Stalin betreft probeert de schrijver metahistorische accenten te leggen. Hij legt ook een vinger bij de zegen en de vloek (Gen. 12:3) over Europese landen die samenhangt met hun behandeling van het Joodse volk. In zijn uitvoerige literatuurlijst treffen we dan ook het beroemde boek aan van Normann Grubb: Op de bres, het leven van Rees Howells. De hoofdmoot van dit boek is de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. De ontwikkelingen van de oorlog in landen als Frankrijk, Denemarken, Noorwegen, Nederland, Oost Europese landen en vooral BelgiŽ komen ter sprake. De Duitse opmars, het doorzettingsvermogen van Churchill (zijn boek De Tweede Wereldoorlog is een belangrijke bron voor De Telders boek), het 'halt!' van Stalingrad, de opmars van de geallieerden, alles komt uitvoerig toegelicht met kaarten en foto's ter sprake. Door een gedetailleerde inhoudsopgave is het goed mogelijk om het boek ook als naslagwerk te gebruiken. Een paar gevoelige onderwerpen die ter sprake komen en waarbij de 'neutrale Belg' zijn menig niet verdoezelt, zijn de rol van de Rooms katholieke kerk, van paus Pius XII en het onbarmhartige en onnodige plat bombarderen van Duitsland door de geallieerden (terwijl de spoorlijnen naar Auschwitz Birkenau intact bleven, JvB). Ik werd tijdens het lezen wel wat overweldigd door de grote hoeveelheid feiten die in een enorm tempo op me afkwamen. Maar ja, zo ging het in Tweede Wereldoorlog.

    Jan van Barneveld

     

    Hierna een opgave van boeken die ik raadpleegde tot het schrijven van mijn filmbeoordeling:

    Winston Churchill, DE TWEEDE WERELDOORLOG, 1948

    Hans-Adolf Jacobsen, DŁnkirchen, 1958

    De Fabribeckers, de veldtocht van het Belgische Leger in 1940, 1966

    Raymond Cartier, DE TWEEDE WERELDOORLOG, 1968

    STANDAARD, GESCHIEDENIS VAN DE TWEEDE WERELDOORLOG, 1977

    Norman Grubb, OP DE BRES, HET LEVEN VAN REES HOWELLS, 1980

    L. J. Hartog, EN MORGEN DE HELE WERELD, 1985

    J. Cleeremans, LEOPOLD III IN HET JAAR 40, 1986

    Roger Keyes, LEOPOLD III Ė deel 1 & 2, 1986

    John Lukacs, DE KRACHTMETING, 1992

    Guido Knopp, Hitler Ė Eine Bilanz, 1995

    Edward Radzinsky, STALIN, 1996

    J. H. J. Andriessen, DE ANDERE WAARHEID, 1998

    John Lukacs, HITLER EN DE GESCHIEDENIS, 1999

    Gerd Schultze-Rhonhof, Der Krieg, der viele Všter hatte, 2003

    John Lukacs, Vijf dagen in Londen, 2005

    Viktor Suworow, Dmitrij Chmelnizki, Ueberfall auf Europa, 2009

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    20-10-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wie was de Bijbelse farao met de Hebreeuwse naam ĎSoí ten tijde van de val van Samaria in 717 v. Chr.?

    2 Koningen 17:1 In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over IsraŽl te Samaria, en regeerde negen jaren. 2 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; evenwel niet, als de koningen van IsraŽl, die voor hem geweest waren. 3 Tegen hem toog op Salmaneser, koning van AssyriŽ; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf. 4 Maar de koning van AssyriŽ bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, den koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan den koning van AssyriŽ niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van AssyriŽ, en bond hem in het gevangenhuis. 5 Want de koning van AssyriŽ toog op in het ganse land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren. 6 In het negende jaar van Hosea, nam de koning van AssyriŽ Samaria in, en voerde IsraŽl weg in AssyriŽ, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden. (Statenvertaling)

     

    De Hebreeuwse naam ĎSoí komt niet in de gekende Egyptische koningslijsten voor en dus bestaat de taak er in deze Bijbelse koning over Egypte met een Egyptische naam te identificeren. Farao So heerste volgens de Bijbel over Egypte tijdens de belegering van Samaria door de AssyriŽrs van 720 tot 717 v. Chr.

    De Statenbijbel en de Engelstalige King James Bijbel hebben beide de naam So onvertaald gehandhaafd. Zo ook de NBG en NBV vertalingen. Ook de Joodse historicus Flavius Josephus (Joodse Oudheden, Bk IX, xiv) uit de eerste eeuw van de westerse tijdrekening, vermeld de naam So als koning van Egypte ten tijde van de val van Samaria.

    De Septuagintbijbel LXX echter, de Griekse vertaling van het Oude Testament daterend uit de derde eeuw voor Christus en tot stand gekomen in AlexandriŽ in Egypte, heeft het Hebreeuwse So als ĎSegorí neergezet. Maar ook deze naam vinden we niet terug in de ons bekende Egyptische koningslijsten. De betekenis van de naam Segor is Ďstandvastigheidí of Ďsterkteí wat misschien een hint inhoudt naar een mogelijke identificatie.

    SEPTUAGINT, IV Kings, Chapter 17

    1 In the twelfth year of Achaz king of Juda began Osee the son of Ela to reign in Samaria over Israel nine years. 2 And he did evil in the eyes of the Lord, only not as the kings of Israel that were before him. 3 Against him came up Salamanassar king of the Assyrians; and Osee became his servant, and rendered him tribute. 4 And the king of the Assyrians found iniquity in Osee, in that he sent messengers to Segor king of Egypt, and brought not a tribute to the king of the Assyrians in that year: and the king of the Assyrians besieged him, and bound him in the prison-house. 5 And the king of the Assyrians went up against all the land, and went up to Samaria, and besieged it for three years. (LXX)

     

    Maar laat ons eerst de tijdsconstructie schilderen waar de hiervoor beschreven geschiedenis in moet passen. De val van Samaria dateer ik in 717 v. Chr. en dit in afwijking van het gangbare jaartal 722 v. Chr. Dit laatste jaartal is foutief gebaseerd op de verankering van de Bijbelse koningslijst met de van Assyrische koningslijst door de geleerde Edwin R. Thiele. Zie mijn boek De Assyriologie herzien, 2012. De gevestigde Assyriologie gaat er bovendien van uit dat Sargon II de veroveraar van Samaria was en verantwoordelijk voor de wegvoering van de tien stammen in ballingschap. De Bijbel stelt echter duidelijk dat het de Assyrische koning Salmaneser V was die Samaria innam. Salmaneser was de zoon en opvolger van Tiglath Pileser III, Assyrische koningen die tijdens hun regeerperiode expansionistisch buiten hun gebied traden en een gesel voor de buurlanden werden. Het zijn ook namen van koningen die voor deze periode bij name in de Bijbel terug te vinden zijn.

    Egypte was tijdens deze periode geen grootmacht meer en bovendien was de Nijldelta verdeeld over verschillende huizen of dynastieŽn. De profeet Jesaja bijvoorbeeld die optrad tijdens deze epoque beschrijft Egypte aldus:

    Jesaja 30:1 Wee den kinderen, die afvallen, spreekt de HEERE, om een raadslag te maken, maar niet uit Mij, en om zich met een bedekking te bedekken, maar niet uit Mijn Geest, om zonde tot zonde te doen; 2 Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte. 3 Want de sterkte van Farao zal ulieden tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande. 4 Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes; 5 Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal. 6 De last der beesten, van het zuiden, naar het land des angstes, en der benauwdheid, van waar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende draak; hun goederen zullen zij voeren op den rug der veulens, en hun schatten op de bulten der kemelen, tot het volk, dat hun geen nut zal doen. 7 Want Egypte zal ijdellijk en te vergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen; Stilzitten zal hun sterkte zijn. (Statenvertaling)

     

    Het Bijbelboek Jesaja 30:4 spreekt over de vorsten (in het meervoud) van Egypte die te Zoan verblijven en er wordt verwezen naar de residentie Chanes waar gezanten arriveren. Beide Egyptische hoofdplaatsen heb ik eerder geÔdentificeerd met het Egyptische Tanis dat voor het Hebreeuwse Zoan staat en de plaats Chanes is identiek met het Egyptische ĎTe-haphíne-hesí wat Ďresidentie van de NubiŽrí betekende. De Nijldelta was ten tijde van de profeet Jesaja als een lappendeken met verschillende huizen of dynastieŽn die ieder over hun gebied van Egypte als vazallen heersten. Hun leenheer was Amonhotep IV die volgens mijn revisie in de achtste eeuw v. Chr. op de tijdsbalk thuishoort. Zie mijn boek: De zonaanbidder, Achnaton de strenge en hardvochtige farao volgens de profeet Jesaja, 2016.

    De tweeŽntwintigste Libische dynastie had haar hoofdplaats in Tanis, het Bijbelse Zoan, samen met een afsplitsing van de drieŽntwintigste dynastie. In Memfis, het Bijbelse Nof, zat de vierentwintigste dynastie tezamen met vertegenwoordigers van de achttiende dynastie. Deze laatsten hadden naast Thebe ook in Memfis een residentie. En te Chanes was de vijfentwintigste dynastie vertegenwoordigd met een EthiopiŽr of NubiŽr op de troon. De LibiŽrs en de EthiopiŽrs heb ik mijn studie beschreven als een soort politiehonden die door Amonhotep III en Achnaton gebruikt werden ter handhaving van hun macht, zowel binnen als buiten de grenzen van Egypte. Dit is het ook het plaatje dat de profeet Jesaja in zijn negentiende hoofdstuk over Egypte neerzette. Egypte zou na een opstand van stad tegen en stad en koninkrijk tegen koninkrijk overgegeven worden in de macht van een hardvochtig en gestreng heer. Deze dwingeland identificeerde ik met de godsdienstige fanaticus Amonhotep IV of Achnaton. Deze farao verplaatste zijn hoofdstad van Thebe naar een nieuw gebouwde stad met de naam Achet-Aton. Voor zijn gebieden in Klein-AziŽ had hij minder interesse die dan ook een voor een verloren gingen.

    Het is uit de rij van de hiervoor opgegeven dynastieŽn dat farao So geselecteerd dient te worden. Voorwaar geen eenvoudige opdracht.

    Wie was farao So? Een EthiopiŽr? Een LibiŽr? Een autochtone Egyptenaar?

     

    Herodotus (Boek 2, 137) heeft het meerdere malen over een Ethiopische koning met de naam Sabakoos, die het zowel Psammetichos als zijn voorganger Anysis moeilijk maakte gedurende een periode van vijftig jaar. Diodorus van SiciliŽ, een historicus uit de eerste eeuw voor Christus, schrijft in zijn historisch werk dat in totaal vier Ethiopische faraoís over Egypte geheerst hebben en dit gedurende een periode van 36 jaar, hoewel hij schrijft dat dit heersen met intervallen gebeurde.

    In 709 v. Chr. vond tijdens de belegering van Jeruzalem door het Assyrische leger, de slag van Elteke plaats tussen het leger van Egypte en dat van AssyriŽ aan de grens met Egypte. De Bijbel noemt Tirhaka bij naam als de koning van EthiopiŽ die in bondgenootschap met Hizkia tegen de AssyriŽrs optrok maar geen uitredding bracht. Tirhaka is zodoende als farao van EthiopiŽ met het veertiende regeringsjaar van Hizkia verbonden. Tirhaka regeerde in co-regentschap met de EthiopiŽrs Sjabaka en Sjebitkoe. De Kawa-stele maakt dit duidelijk. Deze inscriptie leert dat het zesde jaar van Tirhaka gelijk was aan het vijftiende jaar van Sjabaka en het derde jaar van Sjebitkoe. De voorganger van Sjabaka was Pianchi die in zijn eenentwintigste regeringsjaar een invasie vanuit NubiŽ naar de Nijldelta leidde. Op de tijdsbalk plaatsen we farao Sjabaka ten tijde van de val van Samaria. Was hij de Bijbelse So? Of was het Pianchi zijn voorganger?

    Volgens het werk van Dr. ImmanuŽl Velikovsky was de Bijbelse So een Sosenk of een Osorkon van de Libische tweeŽntwintigste dynastie de meest geschikte kandidaat. Velikovsky plaatste de tweeŽntwintigste dynastie in de achtste en zevende eeuw v. Chr. op de tijdsbalk en brak terecht met de orthodoxe identificatie van Sheshonk of Sjosjenq I met de Bijbelse farao Sisak die in het vijfde regeringsjaar van Rehabeam Juda binnenviel en de Tempel te Jeruzalem plunderde.

    De bekende wetenschapper Isaac Newton die een revisionist van de geschiedenis van de oudheid was, schreef ook zijn mening over farao So neer. Volgens Newton was de EthiopiŽr Sabakoos of Sabacon die Herodotos beschreef de Bijbelse farao So. En mogelijk schrijft Newton, was Sabacon identiek met Sethon of Sethoos. Hierna het betreffende gedeelte dat ik van het internet plukte:

    In the Dynasties of Manetho; Sevechus is made the successor of Sabacon, being his son; and perhaps he is the Sethon of Herodotus, who became Priest of Vulcan, and neglected military discipline: for Sabacon is that So or Sua with whom Hoshea King of Israel conspired against the Assyrians, in the fourth year of Hezekiah, Anno Nabonass. 24. Herodotus tells us twice or thrice, that Sabacon after a long Reign of fifty years relinquished Egypt voluntarily, and that Anysis who fled from him, returned and Reigned again in the lower Egypt after him, or rather with him: and that Sethon Reigned after Sabacon, and went to Pelusium against the army of Sennacherib, and was relieved with a great multitude of mice, which eat the bow-strings of the Assyrians; in memory of which the statue of Sethon, seen by Herodotus, [339] was made with a Mouse in its hand. A Mouse was the Egyptian symbol of destruction, and the Mouse in the hand of Sethon signifies only that he overcame the Assyrians with a great destruction. The Scriptures inform us, that when Sennacherib invaded Judśa and besieged Lachish and Libnah, which was in the 14th year of Hezekiah, Anno Nabonass. 34. the King of Judah trusted upon Pharaoh King of Egypt, that is upon Sethon, and that Tirhakah King of Ethiopia came out also to fight against Sennacherib, 2 King. xviii. 21. & xix. 9. which makes it probable, that when Sennacherib heard of the Kings of Egypt and Ethiopia coming against him, he went from Libnah towards Pelusium to oppose them, and was there surprised and set upon in the night by them both, and routed with as great a slaughter as if the bow-strings of the Assyrians had been eaten by mice. Some think that the Assyrians were smitten by lightning, or by a fiery wind which sometimes comes from the southern parts of Chaldśa. After this victory Tirhakah succeeding Sethon, carried his arms westward through Libya and Afric to the mouth of the Straits: but Herodotus tells us, that the Priests of Egypt reckoned Sethon the last King of Egypt, who Reigned before the division of Egypt into twelve contemporary Kingdoms, and by consequence before the invasion of Egypt by the Assyrians.

    (THE CHRONOLOGY OF ANCIENT KINGDOMS AMENDED. A SHORT CHRONICLE from the First Memory of Things in Europe, to the Conquest of Persia by Alexander the Great, by Sir ISAAC NEWTON, London, MDCCXXVIII, 1728 AD)

     

    Het boeiende aan de studie van Newton is dat deze onderzoeker in de achttiende eeuw uitsluitend werkte met het historische materiaal dat toen voorhanden was via de Bijbel, Flavius Josephus, Herodotos, Diodorus en vele andere historici. Het archeologische terrein in Egypte lag toen nog braak en zou pas voor het Westen toegankelijk worden na de campagne van Napoleon in Egypte in de negentiende eeuw. Maar de eerder vermelde oudheidhistorici had Newton door en door in de grondtekst bestudeerd en toen al had hij een revisie van de Egyptische geschiedenis neergepend waar heden heel wat bruikbare puzzelstukjes in gevonden kunnen worden.

    Met dit artikel wil ik echter verder aandacht geven aan farao Sethoos van de historicus Herodotos. De naam Sethoos is een Griekse naamversie van een Egyptische farao. Herodotos schrijft dat farao Sethoos een tijdgenoot van de AssyriŽr Sanherib was. En van Sanherib weten we dat deze de zoon en troonopvolger van Sargon II, de usurpator was. Sanherib staat ook in de Bijbel vermeld met zijn belegering van Jeruzalem in het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda zijnde 709 v. Chr. Dit jaartal is slechts acht jaar verwijderd van de val van Samaria in 717 v. Chr.

    Herodotos Boek 2,

    141. After him there came to the throne the priest of Hephaistos, whose name was Sethos. This man, they said, neglected and held in no regard the warrior class of the Egyptians, considering that he would have no need of them; and besides other slights which he put upon them, he also took from them the yokes of corn-land which had been given to them as a special gift in the reigns of the former kings, twelve yokes to each man. After this, Sanacharib king of the Arabians and of the Assyrians marched a great host against Egypt. Then the warriors of the Egyptians refused to come to the rescue, and the priest, being driven into a strait, entered into the sanctuary of the temple and bewailed to the image of the god the danger which was impending over him; and as he was thus lamenting, sleep came upon him, and it seemed to him in his vision that the god came and stood by him and encouraged him, saying that he should suffer no evil if he went forth to meet the army of the Arabians; for he himself would send him helpers. Trusting in these things seen in sleep, he took with him, they said, those of the Egyptians who were willing to follow him, and encamped in Pelusion, for by this way the invasion came: and not one of the warrior class followed him, but shop-keepers and artisans and men of the market. Then after they came, there swarmed by night upon their enemies mice of the fields, and ate up their quivers and their bows, and moreover the handles of their shields, so that on the next day they fled, and being without defence of arms great numbers fell. And at the present time this king stands in the temple of Hephaistos in stone, holding upon his hand a mouse, and by letters inscribed he says these words: "Let him who looks upon me learn to fear the gods."

     

    Herodotos beschrijft Sethoos als de opperpriester van Hefaistos en maakt hem een tijdgenoot van Sanherib van AssyriŽ, tegen wie hij ook moest strijden. De strijd vond plaats bij Peloesion, de gangbare toegang tot Egypte in het noorden langs de kustroute, en Herodotus verhaalt hoe de AssyriŽrs moesten vluchten vanwege een muizenplaag die het Assyrische leger teisterde.

    De conclusie is dat meerdere Egyptische legers en legerbevelhebbers aan de beschreven strijd deelgenomen te hebben. We hebben Tirhaka met een legertroep en we hebben Sethoos met een legertroep die geallieerd een Assyrische invasie een halt toeroepen. Twee aanvoerders; wat verwijst naar de vorsten van Zoan van de profeet Jesaja in de Bijbel.

    Maar wie was Sethos? Met welke farao moet hij geÔdentificeerd worden?

     

     

    In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 307-311, identificeerde ik hem met farao Zet van de drieŽntwintigste dynastie. Volgens het studiewerk van Donovan A. Courville (The Exodus Problem and its Ramifications, Chapter XVIII) was de laatste farao van dynastie XXIII met de naam Zet gelijk aan de ĎSethnakhtí de grondvester van de twintigste dynastie. Sethnakht was volgens Courville een overgangsfiguur tussen de twee dynastieŽn. De orthodoxe Egyptologie heeft niet veel informatie over deze koning en veel over zijn afkomst en leven wordt gespeculeerd.

    De ĎSethoosí van Herodotos wordt opgevolgd door twaalf koningen die ieder voor een tijd over een gebied van Egypte heersten. Later zou ťťn van hen: farao Psammetichos, de alleenheerschappij overnemen.

    Herodotos Boek 2:

    147. but I will now recount that which other nations also tell, and the Egyptians in agreement with the others, of that which happened in this land: and there will be added to this also something of that which I have myself seen.

    Being set free after the reign of the priest of Hephaistos, the Egyptians, since they could not live any time without a king, set up over them twelve kings, having divided all Egypt into twelve parts. These made intermarriages with one another and reigned, making agreement that they would not put down one another by force, nor seek to get an advantage over one another, but would live in perfect friendship: and the reason why they made these agreements, guarding them very strongly from violation, was this, namely that an oracle had been given to them at first when they began to exercise their rule, that he of them who should pour a libation with a bronze cup in the temple of Hephaistos, should be king of all Egypt (for they used to assemble together in all the temples). Ö

     

    151. Now the twelve kings continued to rule justly, but in course of time it happened thus:--After sacrifice in the temple of Hephaistos they were about to make libation on the last day of the feast, and the chief-priest, in bringing out for them the golden cups with which they had been wont to pour libations, missed his reckoning and brought eleven only for the twelve kings. Then that one of them who was standing last in order, namely Psammetichos, since he had no cup took off from his head his helmet, which was of bronze, and having held it out to receive the wine he proceeded to make libation: likewise all the other kings were wont to wear helmets and they happened to have them then. Now Psammetichos held out his helmet with no treacherous meaning; but they taking note of that which had been done by Psammetichos and of the oracle, namely how it had been declared to them that whosoever of them should make libation with a bronze cup should be sole king of Egypt, recollecting, I say, the saying of the Oracle, they did not indeed deem it right to slay Psammetichos, since they found by examination that he had not done it with any forethought, but they determined to strip him of almost all his power and to drive him away into the fen-country, and that from the fen- country he should not hold any dealings with the rest of Egypt.

     

    152. This Psammetichos had formerly been a fugitive from the Ethiopian Sabacos who had killed his father Necos, from him, I say, he had then been a fugitive in Syria; and when the Ethiopian had departed in consequence of the vision of the dream, the Egyptians who were of the district of SaÔs brought him back to his own country. Ö

     

    De identificatie van de Sethoos van Herodotos met Sethnakht de grondvester van de twintigste dynastie ligt voor de hand wanneer we in de twaalf koningen van Herodotos als opvolgers van Sethos, de Ramessieden willen herkennen. De tien Ramessieden die samen met Necho en Psammetichos de twaalf koningen van Herodotos maken. Het is een passend puzzelstuk dat men via deze identificatie kan invoegen.

     

    De vraag naar wie exact farao So van de Bijbel was blijft nog onbeantwoord, maar farao Sethnakht alias Sethoos is naar mijn mening de meest logische kandidaat. We moeten ook bedenken dat de Egyptische faraoís meerdere namen hadden met buiten Egypte dikwijls andere namen. De faraoís Amonhotep III en Amonhotep IV bijvoorbeeld werden in Klein-AziŽ in het Akkadisch aangesproken als Nimmoeria en Nafoeria. Het is alzo niet ongewoon dat in IsraŽl een farao met de naam So bekend was.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    13-10-2017 om 09:56 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-10-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het elfde historische jubeljaar van oktober 905/september 904 v. Chr.

    We vervolgen deze week onze reeks over de historische jubeljaren. Het laatste artikel op dit blog betreffende de historische jubeljaren dateert van 15.09.2017 met aandacht voor het tiende historische jubeljaar van oktober 954/september 953 v. Chr. ten tijde van de regeerperiode van koning Rehabeam van Juda. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=3019971

     

    We zetten onze studiereis in de tijd langs de inmiddels vertrouwde tijdsbalken verder. De tijdsbalken zijn op millimeterpapier uitgewerkt met telkens veertien jaar per vel. De jaartallen bovenaan de tijdsbalk zijn op de westerse jaartelling gebaseerd met de geboorte van Jezus Christus, onderverdeeld in vier vakken van elk drie maanden van januari tot december. De sabbatjaren staan daaronder in een blauwe balk vermeld van april tot maart en de jubeljaren van oktober tot september. Het Jubeljaar zag zijn start in oktober van de negenenveertigste sabbatjaarcyclus en liep verder tot september van het volgende jaar waar inmiddels in april een nieuwe sabbatjaarcyclus van start was gegaan. Dit volgens de manier van tellen door William Whiston.

    Hierna een opsomming van de jubeljaren uit het werk van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V., die we al behandeld hebben. Er waren dertig jubeljaren vanaf 1395/1394 v. Chr. tot 27/28 AD, het jaar dat Jezus zich te Nazareth als Messias bekendmaakte en het Ďaangename jaar des HERENí uitriep.

    Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr. intocht Kanašn o.l.v. Jozua.

    Aantal en jaartallen v. Chr.:

    Historische periode:                                Historische jubeljaarverwijzing:

    v. Chr.:

    1.       1395/1394 Richter OthniŽl            geen

    2.      1346/1345          Richter Ehud               Ruth 6:6

    3.      1297/1296 Ehud & Samgar           geen

    4.      1248/1247 Debora en Gideon        geen

    5.      1199/1198  Richter Thola               geen

    6.      1150/1149  Richter Eli                   geen

    7.      1101/1100  Richter SamuŽl            geen

    8.      1052/1051 SamuŽl & Saul             geen

    9.      1003/1002 Salomo                        geen

    10.    954/953   Rehabeam                             geen

    11.     905/904 Josafat                       geen

     

    In het vorige artikel over de jubeljaren hebben we gezien dat ten tijde van Rehabeam, de zoon van Salomo bij de Ammonietische Našma, het tiende jubeljaar hoogstwaarschijnlijk niet gehouden werd (1 Koningen 14:21-22). Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 211-215. Het begin van de ongerechtigheid van IsraŽl nam in 983 v. Chr. een aanvang bij de huwelijksvoltrekking van Salomo met Našma. Tien van de twaalf stammen van IsraŽl zouden zich kort na de troonsbestijging van Rehabeam afscheuren. Zij volgden Jerobeam die op een woord des HEEREN van de profeet de leiding over tien stammen opnam.

     

    Het Bijbelse Jubeljaar was een belangrijk onderdeel uit de wet van Mozes van 1483 v. Chr. betreffende het beheer en het eigendomsrecht over het Beloofde Land, het land Kanašn dat ze veertig jaar later in 1443 v. Chr. zouden binnentrekken. Het doel van het jubeljaar was om uiteindelijk alle mogelijke individueel verlies van land en rijkdom in het negenenveertigste jaar van de sabbatjaarcyclus te herstellen, en aan de rechtmatige eigenaar terug te geven. De toepassing van de wet betekende een garantie tegen blijvende verarming van onfortuinlijke Leviticus 25:1-55. Denk bijvoorbeeld aan de geschiedenis van Naomi in het Bijbelboek Ruth. Het sabbat-en het jubeljaargebod van Leviticus hoofdstuk 25 leert ook duidelijk dat de sabbatjaar- en jubeljaartelling een aanvang nam bij de inbezitneming van het land Kanašn door de IsraŽlieten.

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE.

     

    IsraŽl heeft in zijn lange geschiedenis zelden het jubeljaargebod gehouden. Volgens mij zonder twijfel als reden van winstbejag door de machthebbers. De wortel van alle kwaad is de geldzucht leert de Bijbel (1 TimoteŁs 6:10). Van de in totaal honderdtwintig sabbatjaren vanaf het eerste sabbatjaar van apr1437/mrt1436 v. Chr. gerekend, tot en met het sabbatjaar van apr604/mrt603 v. Chr., hebben zij slechts met intervallen vijftig keer het sabbatjaargebod gehouden. Na het zeventig keer negeren van het sabbatjaargebod volgde de Babylonische ballingschap. Een ballingschap die exact zeventig jaar duurde ter vergoeding voor het (ontvolkte) land dat toen zijn sabbatrust kreeg.

     

     

    Bij de dood van Rehabeam in 949 v. Chr. werd deze opgevolgd door zijn zoon Abiam die voor een korte tijd regeerde. Daarna zie we op het bijgevoegde schema dat Asa, de zoon van Abiam, de scepter van Juda overnam. Hetzelfde schema toont in het voorjaar van 941 v. Chr. een verticale lijn dat een meganatuurcatastrofe weergeeft die dat jaar vooral Egypte trof. Het was de zogenaamde zondvloed van Deucalion die ik meen te kunnen dateren. Zie het artikel van 13.03.2017 op dit blog, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489359600&stopdatum=1489964400

    In vorige afleveringen gaf ik aandacht aan de cyclus van meganatuurcatastrofes van de wetenschappers Patten, Hatch en Steinhauer (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973) onder de aandacht. Het is in de cyclus van deze rampen, dat de beschreven zondvloed van Deucalion geplaatst moet worden. In een cyclus van 54 jaar en zes maanden werd planeet aarde in de oudheid vanaf de vierentwintigste eeuw tot aan de achtste eeuw v. Chr. getroffen. Daarna kwam volgens de theorie ons zonnestelsel tot rust.

     

     

    Het volgende schema toont de lange regeerperiode van Asa via de derde, vierde en vijfde sabbatjaarcyclus. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 225-228 heb ik de chronologie van de koningen van IsraŽl en Juda voor deze periode uitgewerkt. Chronologie is de ruggengraat van alle geschiedschrijving. De definitie van chronologie is de volgende: volgorde van tijdstippen waarop gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. 

    Het Nederlandse woord Ďchronologieí komt uit het Griekse: K R O N O L O G I A. ĎKronosí betekent tijd en Ďlegeiní betekent Ďzeggení of Ďvertellení. ĎKronosí en ĎKronologieí nemen in de Bijbel een belangrijke plaats in wat logisch is aangezien de Bijbel ook een historisch boek is.

     

    Het vijftiende regeringsjaar van Asa was getuige van een Ethiopisch-Nubische invasie van Juda die Asa kon afslagen. Het gevolg van de Nubische invasie was een breuk in de Egyptische achttiende dynastie vanaf Amonhotep II tot Thothmosis IV. Het Nubische miljoenenleger van Zera was namelijk doorheen Egypte naar Klein-AziŽ opgerukt. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 229-232. Dat er een Nubische tussenperiode in de achttiende dynastie zat, heb ik in mijn boek ĎDe Zonaanbidder, Achnaton de strenge en hardvochtige farao volgens de profeet Jesajaí, aangetoond.

     

     

    Aan de lange regeerperiode van Asa kwam een einde in 906 v. Chr., waarna hij opgevolgd werd door zijn zoon Josafat. De blauwe balk toont de vijfde, zesde en zevende sabbatjaarcyclus die ons via het volgende schema naar het elfde jubeljaar leidt.

    Op het bijgevoegde schema merken we verder in het tienstammenrijk de regeerperiode van Omri en de bouw van Samaria door hem in 914 v. Chr. In mijn nieuw boek: ĎKronieken der koningen van IsraŽlí, dat in het najaar gepubliceerd zal worden, geef ik heel wat aandacht aan deze periode in de geschiedenis van het tienstammenrijk. Vooral de link met de Assyrische koningslijst wordt uitgediept en gereviseerd aan de chronologische gegevens die de Bijbel verstrekt. De AssyriŽrs verwijzen in hun annalen naar de dynastie van Omri en Achab.

     

     

    Het bijgevoegde schema toont via een blauwe verticale balk het historische elfde jubeljaar sinds de instelling ervan door Mozes. Het is niet toevallig dat het eerste regeringsjaar van Josafat gelijk valt met het elfde jubeljaar. Over Josafat vinden we veel positiefs geschreven in de Bijbel.

    1 Koningen 22:41 Josafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, den koning van IsraŽl. 42 Josafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azuba, de dochter van Silchi. 43 En hij wandelde in al den weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen des HEEREN. 44 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 45 En Josafat maakte vrede met den koning van IsraŽl. 46 Het overige nu der geschiedenissen van Josafat, en zijn macht, die hij bewezen heeft, en hoe hij geoorloogd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? 47 Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren. 48 Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder des konings. 49 En Josafat maakte schepen van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-geber. 50 Toen zeide Ahazia, de zoon van Achab, tot Josafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Josafat wilde niet. 51 En Josafat ontsliep met zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. (Statenvertaling)

     

    Er staat in vers 43 van het hiervoor vermelde Bijbelcitaat dat Josafat Ďwandelde in al den weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen des HEERENí. We kunnen aannemen dat alhoewel de Bijbel niet specifiek naar het houden van het jubeljaar verwijst, dit bijzonder jaar door Josafat toch gehouden werd. Het hierna volgende citaat uit het Bijbelboek 2 Kronieken leert dat Josafat leraren naar de steden van Juda uitzond die het volk onderrichten in de Wet des HEEREN.

    2 Kronieken 17:1 En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen IsraŽl. 2 En hij leide krijgsvolk in alle vaste steden van Juda, en leide bezettingen in het land van Juda, en in de steden van EfraÔm, die zijn vader Asa ingenomen had. 3 En de HEERE was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Bašls niet. 4 Maar hij zocht den God zijns vaders, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van IsraŽl. 5 En de HEERE bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en gans Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte. 6 En zijn hart verhief zich in de wegen des HEEREN; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit Juda weg. 7 In het derde jaar nu zijner regering zond hij tot zijn vorsten, tot Ben-chail, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nathaneel, en tot Michaja, opdat men zou leren in de steden van Juda. 8 En met hen de Levieten, Semaja en Nethanja, en Zebadja, en AsaŽl, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Tob-adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisama en Joram. 9 En zij leerden in Juda, en het wetboek des HEEREN was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk. 10 En een verschrikking des HEEREN werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Josafat. 11 En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken. 12 Alzo nam Josafat toe, en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en schatsteden. 13 En hij had veel werks in de steden van Juda, en krijgslieden, kloeke helden in Jeruzalem. 14 Dit nu is hun telling, naar de huizen hunner vaderen. In Juda waren oversten der duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden. 15 Naast hem nu was de overste Johanan; en met hem waren tweehonderd en tachtig duizend; 16 Naast hem was Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig den HEERE overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend kloeke helden. 17 En uit Benjamin was Eljada, een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren. 18 En naast hem was Jozabad; en met hem waren honderd en tachtig duizend, ten krijge toegerust. 19 Dezen waren in den dienst des konings; behalve degenen, die de koning in de vaste steden door gans Juda gezet had. (Statenvertaling)

     

    Vers vier van het hierboven vermelde Bijbelcitaat verwijst naar het tienstammenrijk: IsraŽl, dat halsstarrig zijn weg los van de HEERE God verder volgde.

    De chronologie van de regeerperiode van Josafat en zijn tijdgenoten in het tienstammenrijk heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: kroniek van koning Josafat van Juda, blz. 237-241, uiteengezet.

     

    Het elfde jubeljaar van oktober 905/september 904 v. Chr. was een historisch jubeljaar op basis van de dertig jubeljaren die er waren vanaf het openbaar worden van Jezus van Nazareth als de Messias in de synagoge van zijn thuisstad zoals door de evangelist Lucas (4:19) gebracht, en vervolgens terug de tijd in vanaf oktober 27/september 28 AD tot het eerste jubeljaar van oktober 1395/september 1394 v. Chr. Het historisch verifieerbare vijftiende jubeljaar van 709/708 v. Chr. met het veertiende regeringsjaar van Hizkia (Jesaja 37:30) en het achttiende jubeljaar van 562/561 v. Chr. (2 Koningen 25-27) met de vrijlating van Jojachin in dien zevenendertigste ballingsjaar, zijn de belangrijkste navigatiepunten op de tijdsbalk, die onze reis in de tijd terug als correct zijnde bevestigen. Hierna een opgave van de jubeljaren volgend op het elfde jubeljaar:

    Historische periode:                                Historische jubeljaarverwijzing:

    v. Chr.:

    12.     856/855   Joas                              geen

    13.     807/806   Amazia                         geen

    14.     758/757    Uzzia                             geen

    15.     709/708   jaar 14 Hizkia               Jesaja 37:30

    16.     660/659   Manasse                       geen

    17.     611/610    Josia - Val Nineveh      Nahum 1:15

    18.     562/561    jaar 37 Jojachin           2 Koningen 25:27

    19.     513/512    HaggaÔ                          geen

    20.    464/463   Ezra                              geen

    21.      415/414    Nehemia                       geen

    22.     366/365   Perzische periode        geen

    23.     317/316    Griekse periode            geen

    24.     268/267   Griekse periode            geen

    25.     219/218    Griekse periode            geen

    26.     170/169    Griekse periode            geen

    27.     121/120    MakkabeeŽn                 geen

    28.      72/71       MakkabeeŽn                 geen

    29.      23/22      Hongersnood               Flavius Josephus

    30.    27/28 AD          Messias Jezus              Lucas 4:19

     

    Het jaar oktober 27/september 28 AD was heilshistorisch gezien het jaar van het openbaar worden van Messias Jezus aan IsraŽl. Paulus noemt het in zijn brief aan de Galaten: Ďde volheid des tijdsí.

    Galaten 4:4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; 5 Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. 6 En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! 7 Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus. (Statenvertaling)

     

     

    De evangelist Lucas brengt in zijn vierde hoofdstuk (4:16-21) de geschiedenis van de Heer Jezus Christus die op de sabbatdag in de synagoge te Nazareth voor de daar verzamelde Joden zich bekend maakt als de Gezalfde of de Christus. Hij deed dit door in het Bijbelboek Jesaja dat Hem aangereikt werd, de plaats op te zoeken waar geschreven staat:

    Jesaja 61:1 De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis; 2 Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, ÖÖ

     

    In het midden van de zin van vers twee stopte hij echter met voorlezen, gaf de boekrol terug aan de dienaar en verklaarde aan de gemeente dat dit Schriftwoord nu voor hun oren vervuld was. Het resultaat was dat Hij door de aanwezige Joden afgewezen werd en uit de synagoge geworpen (Lucas 4:28-30).

     

    Het blijft boeiend om het Schriftgedeelte van de profeet Jesaja in zijn geheel te lezen. Vers twee vervolgd namelijk met de vermelding van een dag der wraak ter troosting van alle treurigen Sions. Hierna het betreffende Schriftgedeelte dat in wezen het toekomstige herstel van IsraŽl in het land der vaderen leert bij de wederkomst van de Messias:

    Jesaja 2:2 ÖÖ en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten; 3 Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde. 4 En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weder oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht. 5 En uitlanders zullen staan, en uw kudden weiden; en vreemden zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn. 6 Doch gijlieden zult priesters des HEEREN heten, men zal u dienaren onzes Gods noemen; gij zult het vermogen der heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult gij u roemen. 7 Voor uw dubbele schaamte en schande zullen zij juichen over hun deel; daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten; zij zullen eeuwige vreugde hebben. 8 Want Ik, de HEERE, heb het recht lief, Ik haat den roof in het brandoffer, en Ik zal geven, dat hun werk in der waarheid zal zijn; en Ik zal een eeuwig verbond met hen maken. 9 En hun zaad zal onder de heidenen bekend worden, en hun nakomelingen in het midden der volken; allen, die hen zien zullen, zullen hen kennen, dat zij zijn een zaad, dat de HEERE gezegend heeft. 10 Ik ben zeer vrolijk in den HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap. 11 Want gelijk de aarde haar spruit voortbrengt, en gelijk een hof, hetgeen in hem gezaaid is, doet uitspruiten; alzo zal de Heere HEERE gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor al de volken. (Statenvertaling)

     

    Uiteindelijk zal onze reeks over de historische jubeljaren ons leiden naar een alsnog toekomstig jubeljaar met het herstel van alle dingen zoals beloofd in het Profetische Woord van de Bijbel.

     

    Wordt vervolgdÖ.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    06-10-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De zinloze tochten van Wen-amon

    Het reisverslag van Wenamon met de titel: ‘de zinloze tochten van Wen-amon’ is een bewaard gebleven rapport van een Egyptische handelsmissie in de oudheid waar de ambtenaar Wen-amon mee belast werd. Volgens het verslag moest de heilige bark van Amon-Ra in Thebe hersteld worden. Omdat Egypte geen degelijk hout bezat werd Wenamon eropuit gestuurd om in Byblos in Klein-AziŽ cederhout te gaan halen.

     

     

    Tijdens de reis werd Wen-amon volgens het reisverslag bestolen door een van zijn bemanningsleden en als een gevolg arriveerde hij zonder goud en geloofsbrieven in de haven Dor waar hij niet hartelijk ontvangen werd door Tjeker-bašl, de lokale vorst. Na veel onderhandelen en het toezenden van extra fondsen uit Egypte kreeg Wenamon toch zijn lading hout, maar zijn problemen waren verre van voorbij. Na vervolgens een reis via Tyrus en Sidon, belandde hij zelfs op Cyprus waar hij door een koningin met de naam Hatiba, werd opgenomen. De beklagenswaardige indruk die Wen-amon maakte is evenredig met de positie, die Egypte blijkbaar op dat tijdstip in de oude wereld innam. Het einde van het relaas is verloren gegaan, maar aangezien het papyrus in Thebe gevonden werd, kunnen we er zeker van zijn dat de opdracht van Wenamon een goed einde kende.

    Volgens de orthodoxe Egyptologie wordt het reisverslag van Wen-Amon aan het einde van Manetho ’s twintigste of het begin van de eenentwintigste dynastie in de elfde eeuw voor Christus gedateerd. De meningen betreffende het plaatsen van Wenamon op de tijdsbalk lopen ook in de orthodoxie uiteen. Sommige onderzoekers zoals de Egyptoloog J.H. Breasted (1865-1935) menen het einde van de tijdsperiode van de regering van Ramses XI te herkennen, en weer anderen verankeren het vermelde vijfde regeringsjaar in het reisverslag aan de regering van farao Smendes I van Manetho ’s eenentwintigste dynastie. Het was de Grieks-Egyptische historicus Manetho die de eenentwintigste dynastie in de geschiedenis van Egypte inlaste. In werkelijkheid waren de zogenaamde heersers van dit huis geen farao’s van Koninklijke afstamming, maar alleen maar machtige priesters.

    Het merkwaardige van het reisverslag van Wenamon is dat de aanvang van de reis in het vijfde regeringsjaar van een niet bij naam genoemde farao gedateerd wordt. Het is als een gevolg raden naar de identiteit van de niet bij naam genoemde farao en ook is het vooral een raden naar het waarom van het niet vernoemen van de naam van de dan regerende farao, wat ongebruikelijk was in het oude Egypte?

     

     

    Een kaart uit de voortreffelijke Bijbelatlas ‘The MacMillan Bible Atlas, 1968, no. 67. De Assyrische provinciegrenzen van de achtste eeuw v. Chr. heb ik aangebracht. De Tjeker hadden zich volgens de herziening sinds het einde van de achtste eeuw v. Chr. aan de kust van het oude IsraŽl gevestigd.

     

    Volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid en vooral het herschikken van de Egyptische koningslijsten, zoals in ‘TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 27-46, gebracht, behoort Wenamon gereviseerd op de tijdsbalk in de zevende eeuw voor Christus.

    De twintigste dynastie met als toonaangevende farao Ramses III verhuist volgens mijn revisie op de tijdsbalk naar de achtste en zevende eeuw v. Chr. De invasie van de zeevolken heb ik zelfs nauwkeurig in het jaar 712 v. Chr. gedateerd in het achtste regeringsjaar van Ramses III. Zie: De Assyriologie herzien, 2012, Appendix 2. Zie ook het artikel op dit blog van 29.11.2016: de chronologie van Ramses III en de zeevolken gereviseerd, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1480287600&stopdatum=1480892400

    Hoewel Ramses III de overwinning op de zeevolken claimde was het toch mogelijk dat bepaalde zeevolken zoals de Tjeker en nieuwe Filistijnen zich daarna langs de kust van Klein-AziŽ konden vestigen. Het was in de havenstad Dor bij de Tjeker dat Wenamon’s nachtmerrie begon. De seculiere Egyptologie heeft geen moeite met een onafhankelijk Tjeker-land in de elfde en tiende eeuw v.Chr. aan dezelfde kust waar de koningen van IsraŽl toen zeggenschap hadden. Het gebied viel nochtans volgens de Bijbel tijdens de orthodoxe tijdsperiode onder de controle van de koningen van IsraŽl en de Bijbel zwijgt over de Tjeker. Een sterk verenigd IsraŽl dat onder de koningen David en Salomo toen heerste van de beek van Egypte af tot aan de Eufraat en waar het plaatje van de orthodoxie niet in past. Het plaatsen van de eenentwingtigste dynastie tijdens deze tijdsperiode is het gevolg van het hanteren van de foutieve Sothiskalender gelanceerd door de Egyptoloog Eduard Meyer (1855/1930). Zie het artikel op dit blog van 18.08.2017: de Dendera tempel.

    Binnen het raamwerk van de herziene chronologie komen nu heel wat puzzelstukjes passend samen. De eenentwintigste dynastie hoort op de tijdsbalk namelijk thuis in de periode volgend op de verwijdering van de Aton-vereerders, de lange periode (739/671 v. Chr.) dat de eredienst aan de god Amon in Egypte verboden was en al de tempels gesloten. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 345-360.

    Het is logisch aan te nemen dat de zogenaamde heilige houten bark van Amon-Ra daarna aan restauratie toe was, het enige doel trouwens van de reis van Wenamon in het vijfde regeringsjaar van de dan regerende farao.

    Maar waarom geen naamvermelding van de dan heersende farao? De eenentwintigste dynastie van Manetho was een zogenaamde priesterdynastie die regeerde rond de heiligdommen van de god Amon te Thebe, maar ook een residentie te Tanis in de Nijldelta had. Een Nijldelta die in deze tijdsperiode een lappendeken was van dynastieŽn of huizen die allen vazallen van de AssyriŽrs waren, AssyriŽrs die Egypte ten tijde van Essarhaddon in 671 v.Chr. onder de voet hadden gelopen. De belangrijkste aangestelde vazal van de AssyriŽrs was Horemheb. Velikovsky maakte duidelijk dat Horemheb in deze tijdspanne als farao te plaatsen is. Waar ik bij Velikovsky van afwijk is dat ik meen dat de Amarna-farao’s, de zogenaamde Aton-vereerders, onmiddellijk aan Horemheb voorafgingen.

     

     

    Farao Achnaton was een tijdgenoot van Achaz in Juda en van Pekah en Hosea in IsraŽl. De zogenaamde Amarna briefwisseling werd met deze koningen gevoerd. In mijn boek ‘De Zonaanbidder, Achnaton, de strenge en hardvochtige farao volgens de profeet Jesaja, 2016, blz. 89-125, toon ik aan dat de rebel Labaja van de Amarnabriefwisseling met Pekah van IsraŽl geïdentificeerd kan worden en Rib Addi met Hosea.

     

    Farao Horemheb die door de buitenlandse AssyriŽrs tot farao aangesteld werd was een gehaat heerser en het ligt voor de hand dat dit de reden voor Wen-amon was om deze gehate naam in zijn reisverslag niet te vermelden.

    De AssyriŽrs hadden het veroverde gebied in Klein-AziŽ in nieuwe provincies ingedeeld. Dor was op deze manier een schatplichtig land aan AssyriŽ met een redelijk onafhankelijk koning aan het hoofd. In Juda zat de eveneens aan AssyriŽ schatplichtige Manasse op de troon. In Egypte werden tijdens deze periode massaal graven van achttiende dynastie-heersers geschonden en geplunderd. Het waren de priester-heersers van de eenentwintigste dynastie die een en ander trachten te herstellen. De Egyptoloog Breasted vermeldt ook dat ten tijde van Ramses IX een aantal Egyptische afgezanten gedurende zeventien jaar in Dor door lokale stadvorsten gegijzeld werden en daarna de dood vonden. Een periode van chaos en anarchie was het voor heel de regio en het is binnen het raamwerk van de herziening van de geschiedenis van de oudheid dat een en ander beter verklaarbaar wordt.

    Dat Wenamon met de nodige fondsen naar Dor reisde toont aan dat deze regio niet langer schatplichtig aan Egypte was. Een toestand die ten tijde van de AssyriŽrs onder Sanherib, Essarhaddon en Assurbanipal het geval was. Het gebied van de Levant stond van dan af onder de AssyriŽrs en onder Essarhaddon werd Egypte zelfs onder de voet gelopen.

    De vorst van de Tjeker te Dor stelt zich dan ook aanmatigend en onafhankelijk tegenover Wenamon op met absolute onverschilligheid naar de Egyptische god Amon toe.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    29-09-2017 om 08:30 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De tocht van de profeet Elia naar de berg Gods Horeb in ArabiŽ

    De bijzondere geschiedenis van het optreden van de profeet Elia ten tijde van koning Achab en zijn beruchte Fenicische vrouw Izebel is onder Bijbelkenners heel bekend.

    1 Koningen 16:29 Achab, de zoon van Omri, werd koning over IsraŽl in het achtendertigste jaar van Asa, de koning van Juda. En Achab, de zoon van Omri, regeerde te Samaria tweeŽntwintig jaar over IsraŽl. 30 Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, meer dan allen die vůůr hem geweest waren. 31 Het minst erge was, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, maar hij nam tot vrouw Izebel, de dochter van Etbašl, de koning der SidoniŽrs, en ging de Bašl dienen en zich voor hem neerbuigen. 32 Vervolgens richtte hij voor de Bašl een altaar op in het huis van de Bašl, dat hij te Samaria gebouwd had. 33 Verder maakte Achab de gewijde paal; en Achab ging voort met zů te handelen, dat hij de HERE, de God van IsraŽl, meer krenkte dan alle koningen van IsraŽl die vůůr hem geweest waren. (NBG Vertaling 1951)

     

    Achab plaatsen we op de tijdsbalk van het jaar 909 tot 888 v. Chr. en dit op basis van de nieuwe chronologie volgens de sabbat- en jubeljaren. De plaatsing van de regeerperiode van Achab op de tijdsbalk in relatie tot de koningen van Juda heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 225-228 uitgewerkt. De gangbare jaartallen voor Achab zijn: 874/853 v. Chr. Deze regeerperiode werd door de geleerde Edwin R. Thiele (The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings,1951) uitgedokterd op basis van een verankering van de Bijbels-chronologische gegevens van de koningen van IsraŽl en Juda met die van AssyriŽ. In mijn boek TIJD en TIJDEN, appendix 4, heb ik Thiele ís wijze van (mis)rekenen uitgelegd.

     

     

    Tegen de afgoderij van Achab trad de profeet Elia op en ging de confrontatie met de priesters van Bašl aan. Wat volgde was een hongersnood van drie jaar en zes maanden die het land IsraŽl zou teisteren

    1 Koningen 17:1 Toen zeide de Tisbiet Elia, uit Tisbe in Gilead, tot Achab: Zo waar de HERE, de God van IsraŽl, leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord.

     

    Gedurende een periode van drie-plus jaren (1 Koningen 18:1) zou de hongersnood IsraŽl en de buurlanden teisteren. In het Nieuwe Testament verwijst de Heer Jezus Christus naar dezelfde hongersnood en vermeldt de duur van de hongersnood voor een periode van exact drie jaar en zes maanden.

    Lucas 4:25 Doch Ik zeg u naar waarheid, er waren vele weduwen in de dagen van Elia in IsraŽl, toen de hemel drie jaren en zes maanden lang gesloten bleef en er grote hongersnood was over het gehele land, 26 en tot geen van haar werd Elia gezonden, doch wel naar Sarepta, bij Sidon, tot een vrouw, die weduwe was. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    De Joodse overlevering Seder Olam plaatst het begin van de grote hongersnood in het dertiende regeringsjaar van koning Achab. Op mijn tijdsbalk heb ik met deze gegevens gewerkt en de hongersnoodperiode laten aanvangen vanaf het najaar van 897 v. Chr. tot het voorjaar van 893 v. Chr.

    Bij de aanvang van de hongersnoodperiode vertoeft de profeet Elia volgens 1 Koningen 17:2-24, in de woestijn nabij een beek die in de Jordaan uitmondt, met raven die hem van Godswege ís morgens en ís avonds van voedsel voorzien. Maar na een tijd droogt als een gevolg van het ophouden van de vroege en late regen ook de beek op en wordt Elia daarop naar FeniciŽ geleid (1 Koningen 17:8) naar het huis van een weduwe die voor hem zorgt.

    In het derde jaar van de hongersnood krijgt de profeet Elia daar het Woord des HEREN met de opdracht naar Achab te gaan.

    1 Koningen 18:1 Toen er geruime tijd verstreken was, kwam in het derde jaar het woord des HEREN tot Elia: Ga heen, vertoon u aan Achab, want Ik wil regen op de aardbodem geven. 2 En Elia ging heen om zich aan Achab te vertonen. De honger nu was sterk in Samaria.

     

    Wat volgt in het Bijbelboek 1 Koningen hoofdstuk 18, is de confrontatie van de profeet Elia met de priesters van de god Bašl op de berg Carmel. Deze geschiedenis heb ik op de tijdsbalk verankerd met het voorjaar van 893 v. Chr.

    1 Koningen 18:36 Op de tijd nu, dat men het avondoffer brengt, trad de profeet Elia naar voren en zeide: HERE, God van Abraham, Isaak en IsraŽl, heden moge bekend worden, dat Gij God zijt in IsraŽl, en dat ik uw knecht ben, en op uw bevel al deze dingen doe. 37 Antwoord mij, HERE, antwoord mij, opdat dit volk wete, dat Gij, HERE, God zijt, en dat Gij hun hart weer terugneigt. 38 Toen schoot het vuur des HEREN neer en verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en de aarde, en lekte het water in de groeve op. 39 Toen het gehele volk dat zag, wierpen zij zich op hun aangezicht en zeiden: De HERE, die is God! De HERE, die is God! 40 Daarop zeide Elia tot hen: Grijpt de profeten van de Bašl, laat niemand van hen ontkomen. Zij grepen hen, en Elia voerde hen naar de beek Kison en liet hen daar slachten.

     

    Nadat Izebel, de Fenicische vrouw van Achab, het bericht van de dood van de priesters van de Bašl vernam, zweert zij Elia te laten doden. Deze geschiedenis vinden we in het negentiende hoofdstuk van het Bijbelboek 1 Koningen, beschreven. De profeet Elia vlucht voor zijn leven naar Berseba in Juda en vervolgens naar de berg Gods, een tocht voor hem van veertig dagen.

    De gebeurtenissen op de Carmel laat ik in het voorjaar van 893 v. Chr. tijdens de Pesach-week geschiedden. Dit maakt dat Elia rond Sjavoeot aan de berg Gods arriveerde.

     

     

    Vijfhonderdnegentig jaar na de Exodus met Pesach vluchtte de profeet Elia in het jaar 893 v. Chr. voor zijn leven, naar de berg Gods Horeb. Deze vluchtroute kunnen we op een landkaart uittekenen.

    1 Koningen 19:1 En Achab zeide Izebel aan al wat Elia gedaan had, en allen, die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard. 2 Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent dezen tijd uw ziel stellen, als de ziel van een hunner. 3 Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om zijns levens wil, en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn jongen aldaar. 4 Maar hij zelf ging henen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.5 En hij leide zich neder, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zeide tot hem: Sta op, eet; 6 En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een fles met water; alzo at hij, en dronk, en leide zich wederom neder.7 En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn. 8 Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht derzelver spijs, veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods, Horeb.

     

     

    © Howard Blum, The Gold of Exodus, The Discovery of The Most Sacred Place on Earth, 1998. Deze onderzoeker identificeert overtuigend de berg ĎJabal al Lawzí in Saoedi ArabiŽ met de Bijbelse SinaÔ dat hij doet dit op basis van archeologisch onderzoek ter plaatse. Rechtsboven op de afbeelding zien we de plaats gemarkeerd waar een spelonk ontdekt werd met de vermoede plaats waar de profeet Elia schuilde.

     

    9 En hij kwam aldaar in een spelonk, en vernachtte aldaar; en ziet, het woord des HEEREN geschiedde tot hem, en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elia? 10 En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen IsraŽls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. 11 En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezicht des HEEREN. En ziet, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor den HEERE henen; doch de HEERE was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet; 12 En na de aardbeving een vuur; de HEERE was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte. 13 En het geschiedde, als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel, en uitging, en stond in den ingang der spelonk. En ziet, een stem kwam tot hem, die zeide: Wat maakt gij hier, Elia? 14 En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen IsraŽls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. 15 En de HEERE zeide tot hem: Ga, keer weder op uwe weg, naar de woestijn van Damaskus; en ga daar in, en zalf HazaŽl ten koning over SyriŽ. 16 Daartoe zult gij Jehu, den zoon van Nimsi, zalven ten koning over IsraŽl; en Elisa, den zoon van Safat, van Abel-mehola, zult gij tot profeet zalven in uw plaats. 17 En het zal geschieden, dat Jehu hem, die van het zwaard van HazaŽl ontkomt, doden zal; en die van het zwaard van Jehu ontkomt, dien zal Elisa doden. 18 Ook heb Ik in IsraŽl doen overblijven zeven duizend, alle knieŽn, die zich niet gebogen hebben voor Bašl, en allen mond, die hem niet gekust heeft. 19 Zo ging hij van daar, Ö

     

    De afstand heden van BeŽr-Sjeva tot de Jabal al-Lawz in ArabiŽ de berg ik in mijn boek EXODUS, 2017, als de berg Gods aanwees, bedraagt ongeveer vierhonderd kilometer. Dit betekent dat de profeet Elia gedurende veertig dagen en nachten zo een tien kilometer per schijf van vierentwintig uur afgelegd heeft, alvorens bij de berg Gods te arriveren. Vanuit vers zeven maken we op dat de profeet Elia erg verzwakt was en dat zonder de bijzondere aangereikte voeding de af te leggen weg voor hem te veel geweest zou zijn.

    Bij de berg Gods gearriveerd krijgt Elia opnieuw een Woord des HEREN met de opdracht naar IsraŽl terug te keren via de woestijn van Damascus, en daar HazaŽl tot koning over Aram te zalven, vervolgens Jehu in IsraŽl tot koning te zalven en als derde opdracht, Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, tot profeet in zijn plaats te zalven:

    1 Koningen 19:15 Daarop zeide de HERE tot hem: Keer op uw schreden terug, naar de woestijn van Damascus, en als gij daar gekomen zijt, dan zult gij HazaŽl zalven tot koning over Aram. 16 Voorts zult gij Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over IsraŽl; en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats. 17 Wie dan aan het zwaard van HazaŽl ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden. 18 Doch Ik zal in IsraŽl zevenduizend overlaten, alle knieŽn die zich niet gebogen hebben voor de Bašl, en elke mond die hem niet gekust heeft.

     

    Het uitvoeren van deze drie opdrachten plaatsen we in het najaar van 893 v. Chr.

    Met mijn in 2016 gepubliceerde boek ĎEXODUSí gaf ik ook aandacht aan de juiste locatie van de berg Gods in ArabiŽ. Het is de christelijke traditie dat sinds de regeerperiode van Keizer Constantijn in de vierde eeuw na Christus, de berg Gods foutief in het zuiden van de hedendaagse SinaÔwoestijn geplaatst wordt. Constantijn liet op die plaats een klooster bouwen en tot in de twintigste eeuw zou men zonder meer aannemen dat op deze plaats Mozes de Wet van God in ontvangst kreeg?

    Een beetje Bijbelstudie maakt echter al snel duidelijk dat men voorbarig voor deze locatie gekozen heeft. De apostel Paulus bijvoorbeeld plaatst namelijk gezaghebbend de berg Gods in ArabiŽ.

    Galaten 4:21 Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet? 22 Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, ťťn bij de slavin en ťťn bij de vrije. 23 Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte. 24 Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg SinaÔ, die slaven baart, dit is Hagar. 25 Het (woord) Hagar betekent de berg SinaÔ in ArabiŽ. Het staat op ťťn lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. (NBG Vertaling 1951)

     

    De apostel Paulus plaatst de berg SinaÔ in ArabiŽ en wijst zelfs de locatie van de berg aan, namelijk Hagar. Een naam die SinaÔ betekent. Hij doet dit bij het doorgeven van een geestelijke les via het wijzen op twee bedelingen in de Heilsgeschiedenis: de bedeling van de Wet namelijk, die voorafging aan de huidige bedeling van de genade (Gal. 5:5).

    Het ArabiŽ van Paulusí tijd was het koninkrijk der NabateeŽrs. Een koninkrijk dat zich uitstrekte over de huidige landen: JordaniŽ en het noordwesten van Saoedi-ArabiŽ. De huidige plaats Hegra zou zelfs met het Bijbelse Hagar verband kunnen hebben. Het Arabische Hegra is dan hetzelfde als het Griekse Hagar, de taal waarin Paulus zijn brieven schreef.

    De berg Gods lag nabij het gebied van het Bijbelse Midian. Het was te Midian dat Mozes gedurende veertig jaar asiel verkreeg na zijn vlucht voor zijn leven uit Egypte. Het was te Midian oostelijk van de Schelfzee aan de huidige golf van Akaba, dat Mozes als herder in dienst van zijn schoonvader Jethro door de HERE God geroepen werd, ter uitredding van de IsraŽlieten in Egypte.

    Flavius Josephus maakte in zijn historisch werk (Joodse Oudheden, Boek 2, xi.1) duidelijk dat Midian aan de Rode Zee ligt en hij noemt de plaats waar Mozes na een tocht door de woestijn terecht kwam: Madiane. Deze plaats kan men heden op een landkaart van het Arabische schiereiland nog altijd terugvinden onder de naam Modiana.

    De ligging van de berg ĎJabal al Lawzí als eindpunt van de exodustrek past in het Bijbelse relaas:

    1. Mozes die vanuit Midian op weg naar Egypte trekt komt onderweg zijn broer Aaron tegen die hem op een woord van God tegemoet ging. De ontmoeting vond plaats nabij de berg Horeb. (Exodus 4: 27 En de HERE zeide tot Ašron: Ga Mozes in de woestijn tegemoet. Hij ging en ontmoette hem bij de berg Gods en kuste hem.) Dit Schriftgedeelte plaatst de berg Gods noordelijk van Al Bad (Midian) de woonplaats van de schoonvader van Mozes.

    2. Volgens het Bijbelboek Deuteronomium 1:2 zijn het elf dagreizen vanaf Horeb tot Kades-Barnea wat alleen zin heeft indien de berg Gods de Jabal al Lawz is.

    In mijn boek ĎEXODUS, 2016, blz. 107-124, verwijs ik naar de studie van Howard Blum (The Gold of Exodus, The Discovery of The Most Sacred Place on Earth, 1998). Deze onderzoeker identificeert overtuigend de berg ĎJabal al Lawzí in Saoedi ArabiŽ met de Bijbelse SinaÔ en hij doet dit op basis van archeologisch onderzoek ter plaatse.

     

    Het jaar 893 v. Chr. zag in het voorjaar een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong. Volgens het onderzoek van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer met hun boek ĎThe long day of Joshua and six other catastrophes, 1973, wijzen de verzen elf en twaalf van 1 Koningen 19 naar een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong.

    Het was Dr. ImmanuŽl Velikovsky met zijn boek: Worlds in Collision, 1950 en naar het Nederlands vertaald in 1973: Werelden in botsing, dat voor sommige vak-wetenschappers de aanzet is geworden voor een kosmologische studie van Velikovsky Ďs catastrofetheorie. Zulk een werk dat ik kan aanbevelen is de studie van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer met ĎThe long day of Joshua and six other catastrophes, 1973.

    Het is volgens deze theorie de planeet Mars die in de negende en achtste eeuw voor Christus verantwoordelijk was dat planeet aarde in haar loop rond de zon periodiek verstoord werd met iedere keer de daarmee gepaard gaande meganatuurcatastrofes. Deze boosdoener werd door de volkeren van de oudheid vergoddelijkt en werd een oorzaak van afgoderij ook in IsraŽl. De planeet Mars kreeg van hen diverse namen zoals: Ares bij de Grieken, Tyr bij de Germanen, Horus in Egypte, Baal en/of Bel in Klein-AziŽ, Indra in India en MARS bij de Romeinen.

    Ik geef op dit blog regelmatig aandacht aan de cyclus van meganatuurcatastrofes die planeet aarde in de negende en achtste eeuw v. Chr. geteisterd hebben. Het meest recente artikel dateert van 21.07.2017: 360 dagen in ťťn jaar. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1500242400&stopdatum=1500847200

    Wie dacht dat de meganatuurcatastrofes van de negende en achtste eeuw v. Chr. het einde van een aarde in beroering betekende, komt bedrogen uit. Wanneer we het laatste Bijbelboek Openbaring los van de orthodoxe uitlegkunde bestuderen en de beschreven aangekondigde rampen als nog in de toekomst te geschiedden willen zien, blijkt dat planeet aarde eens wederom danig geschud zal worden. Of zoals de Heer Jezus Christus in zijn rede over de laatste dingen Zijn wederkomst aankondigde:

    Lucas 21:25 En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, 26 terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. 27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid.

     

    En aan deze gebeurtenissen gaat de (weder)komst van de profeet Elia vooraf

    Maleachi 4:4 Gedenk der wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem bevolen heb op Horeb aan gans IsraŽl, der inzettingen en rechten. 5 Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elia, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zal. 6 En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart der kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla.

     

    Tijdens die grote en vreselijke dag des HEEREN die we eindtijd noemen, een toekomstige periode van zeven jaar, is er opnieuw sprake van vuur uit de hemel dat het slachtoffer van de nieuw ingestelde offerdienst in Jeruzalem verteerd, zij het in negatieve vorm.

    Openbaring 13:11 En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde en het had twee horens als die van het Lam, en het sprak als de draak. 12 En het oefent al de macht van het eerste beest voor diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde en zij, die daarop wonen, het eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wond genezen was. 13 En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel doet nederdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.

     

    Het is een nieuw ingestelde offerdienst in een nieuw opgerichte tent der samenkomst op de Tempelberg te Jeruzalem. Het is tegen deze nieuw ingestelde offerdienst dat de twee getuigen van de HEERE God, waaronder Elia, zullen getuigen.

    In die alsnog toekomstige tijd in de tweede helft van de zevenjarige eindtijdperiode komt volgens het profetische woord van de Bijbel ook de berg Gods Horeb opnieuw in het vizier.

    Jesaja 16:1 Heersers des lands, zendt de lammeren van de rotsen (Petra) de woestijn in naar de berg der dochter van Sion. 2 En het zal geschieden, dat de dochters van Moab als vluchtende vogels, een opgejaagd nest, aan de voorden van de Arnon zullen zijn. 3 Schaf raad, geef een beslissing, maak op de volle middag uw schaduw als nacht, verberg de verdrevenen, verraad de vluchtelingen niet.

     

     

    Openbaring 14:1 En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem 144.000, op wier voorhoofden zijn naam en de naam zijns Vaders geschreven stonden. 2 En ik hoorde een stem uit de hemel als de stem van vele wateren en als de stem van zware donderÖ

     

    Jeremia 31:2 Zo zegt de HERE: Het volk der ontkomenen aan het zwaard vond genade in de woestijn, IsraŽl, op weg naar zijn rust.

     

    Hosea 2:13 Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn, en spreken tot haar hart. 14 Ik zal haar aldaar haar wijngaarden geven, en het dal Achor maken tot een deur der hoop. Dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte.

     

    De beschreven woestijn in de hierboven geciteerde Bijbelgedeelten is het gebied oostelijk van de Jordaan en de Wadi el Arab. Het is een gebied waar een overblijfsel van IsraŽl voor de koning van het noorden tijdens de tweede helft van de zevenjarige eindtijdperiode, veilig zal zijn. Zie het artikel van 28.06.2017 op dit blog: Chronologie van de Apocalyps (vervolg), link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1498428000&stopdatum=1499032800

     

    De berg ĎJabal al Lawzí zit op de landkaart als de berg Horeb duidelijk op zijn juiste plaats en past in het kader dat de profetische gedeelten van de Bijbel voor deze periode schildert.

     

    Wordt vervolgdÖ

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009: dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar.

    22-09-2017 om 07:23 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-09-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het tiende historische jubeljaar van oktober 954/september 953 v. Chr.

    We vervolgen deze week onze reeks over de historische jubeljaren. Het laatste artikel op dit blog betreffende de historische jubeljaren dateert van 11.08.2017 met aandacht voor het negende historische jubeljaar van 1003/1002 v. Chr. ten tijde van de regeerperiode van Salomo. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1502056800&stopdatum=1502661600

     

     

    We zetten onze studiereis in de tijd langs de inmiddels vertrouwde tijdsbalken verder. De tijdsbalken zijn op millimeterpapier uitgewerkt met telkens veertien jaar per vel. De jaartallen bovenaan de tijdsbalk zijn op de westerse jaartelling gebaseerd met de geboorte van Jezus Christus, onderverdeeld in vier vakken van elk drie maanden van januari tot december. De sabbatjaren staan daaronder in een blauwe balk vermeld van april tot maart en de jubeljaren van oktober tot september. Het Jubeljaar zag zijn start in oktober van de negenenveertigste sabbatjaarcyclus en liep verder tot september van het volgende jaar waar inmiddels in april een nieuwe sabbatjaarcyclus van start was gegaan. Dit volgens de manier van tellen volgens William Whiston.

    Hierna een opsomming van de jubeljaren uit het werk van William Whiston (JOSEPHUS Complete Works, Translated by William Whiston, A.M., Appendix Dissertation V. Er zijn dertig jubeljaren vanaf 1395/1394 v. Chr. tot 27/28 AD, het jaar dat Jezus het ‘aangename jaar des HEREN’ uitriep en zich te Nazareth als Messias bekendmaakte.

    Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr. intocht Kanašn o.l.v. Jozua.

    Aantal en jaartallen v. Chr.:

    Historische periode:                                Historische jubeljaarverwijzing:

    v. Chr.:

    1.       1395/1394 Richter OthniŽl            geen

    2.      1346/1345          Richter Ehud               Ruth 6:6

    3.      1297/1296 Ehud & Samgar           geen

    4.      1248/1247 Debora en Gideon        geen

    5.      1199/1198  Richter Thola               geen

    6.      1150/1149  Richter Eli                   geen

    7.      1101/1100  Richter SamuŽl            geen

    8.      1052/1051 SamuŽl & Saul             geen

    9.      1003/1002 Salomo                        geen

    10.    954/953  Rehabeam                 geen

    11.     905/904   Josafat                          geen

    12.     856/855   Joas                              geen

    13.     807/806   Amazia                         geen

    14.     758/757    Uzzia                             geen

    15.     709/708   jaar 14 Hizkia               Jesaja 37:30

    16.     660/659   Manasse                       geen

    17.     611/610    Josia - Val Nineveh      Nahum 1:15

    18.     562/561    jaar 37 Jojachin           2 Koningen 25:27

    19.     513/512    Haggaï                          geen

    20.    464/463   Ezra                              geen

    21.     415/414     Nehemia                       geen

    22.    366/365    Perzische periode        geen

    23.    317/316     Griekse periode            geen

    24.    268/267    Griekse periode            geen

    25.    219/218     Griekse periode            geen

    26.    170/169     Griekse periode            geen

    27.    121/120     MakkabeeŽn                 geen

    28.     72/71        MakkabeeŽn                 geen

    29.    23/22       Hongersnood               Flavius Josephus

    30.    27/28 AD          Messias Jezus              Lucas 4:19

     

    In het vorige artikel over de jubeljaren hebben we gezien dat David in het najaar van 1007 v. Chr. stierf en dat zijn zoon Salomo bij Bathseba na heel wat verwikkelingen de troonopvolger werd. Deze geschiedenis wordt in het Bijbelboek 1 Koningen in de eerste twee hoofdstukken gebracht. Twaalf jaar jong (1 Koningen 3:7) nam Salomo de kroon van David over. In zijn vierde regeringsjaar zou Salomo zestien jaar zijnde aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem beginnen.

    Toen het negende historische jubeljaar in oktober 1003 v. Chr. aanving was men sinds het voorjaar van dat jaar aan de werkzaamheden met de bouw van de Tempel te Jeruzalem begonnen. Hoewel dit voor Salomo volgens de Bijbel jaren van geestelijke en materiele voorspoed waren tekenden zich al donkere wolken aan zijn geestelijk firmament af. Hij ging namelijk een verbond aan met de farao van Egypte door diens dochter tot vrouw te nemen. In vergelijking met de bouw van de Tempel zou Salomo daarna bijna de helft meer in tijd en energie aan zijn eigen bouwwerken besteden. Het toont iets van de geestelijke metamorfose die plaatsvond bij zijn groei van jongeling tot man. Met zijn zestien jaar was hij nog vol geestelijke ijver aan de Tempel begonnen die met zijn drieŽntwintigste jaar afgewerkt was. In de tussentijd had hij echter de dochter van farao van Egypte getrouwd en deze in de Stad David ’s ondergebracht. Het verbond met Egypte zou nefast uitdraaien en uiteindelijk IsraŽl zijn onafhankelijkheid kosten.

    Op de bijgevoegde schema ’s zijn via groene tijdsbalken de tijdgenoten van Salomo in Egypte ingevoegd. In het vorige artikel zagen we dat de farao met wie Salomo zich verzwagerde Thothmosis I van de Egyptische achttiende dynastie was. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 197-203, heb ik deze identificatie uitgewerkt. Bij de dood van Thothmosis I in 986 v. Chr. nam zijn dochter Hatsjepsoet na een co-regentschap van twee jaar met haar halfbroer Thothmosis III het bewind over Egypte over en werd zo de eerste vrouwelijke farao. Zij bezocht Salomo als de koningin van Scheba in haar negende regeringsjaar. Op de tijdsbalk zitten we in het dertigste regeringsjaar van Salomo in het jaar 977 v. Chr. en ik postuleer dat Salomo dat jaar volgens Egyptische traditie zijn dertigjarig bewind vierde. De koningin van Scheba heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 208-209 behandelt. Hierna een belangrijk citaat:

    “Het is de logica zelve dat Egypte als grootste buurland van IsraŽl op de roep van Salomo afkwam. De Joodse historicus Flavius Josephus uit de eerste eeuw van de christelijke tijdrekening, schreef dat het de koningin van Egypte en EthiopiŽ was die Salomo bezocht (Joodse Oudheden Boek. VIII,vi.5). Bijbelvorsers die de conventionele (chronologisch-foutieve) Egyptologie volgen zien het verband met Egypte niet en zoeken de Bijbelse koningin van Scheba elders op de kaart. De Egyptische dynastieŽn zoals ze door de orthodoxe Egyptologie op de tijdsbalk verankerd werden kenden geen vrouwelijke farao of koningin ten tijde van Salomo rond ca. 1000 v. Chr. Vandaar de reden om aan het Arabische schiereiland de voorkeur te geven als de plaats vanwaar de koningen van Scheba kwam. Zij zien een lange stoet met kamelen vanuit Jemen naar Jeruzalem trekken voor een tocht die ook vandaag met dezelfde transportmiddelen van toen heel moeilijk blijft. Deze theorie herleidt Salomo samen met het dateren van Salomo in het IJzertijdperk, in feite tot een bedoeïenenstamhoofd wat te betreuren is en geen recht aan de Bijbel doet. Het IsraŽl van David en Salomo was naast Egypte een grootmacht in de regio toen. Het is de orthodoxe Egyptologie en haar foute dateringsmethode dat maakt dat Salomo en zijn in de Bijbel beschreven bouwwerken in de verkeerde strata in IsraŽl geplaatst en aldus tot mythe verklaard worden. Deze strata of lagen worden namelijk gedateerd aan de hand van de orthodoxe Egyptologie. De tijd van Salomo wordt op het einde van IJzer I geplaatst dat orthodox gedateerd werd van 1200 tot 930 v. Chr. In deze strata of lagen is echter weinig terug te vinden dat getuigt van de vele bouwwerken van Salomo zoals de Bijbel deze uitvoerig beschrijft en daarom wordt het Rijk van Salomo door vele historici tot mythe verklaart. Het is pas wanneer men de orthodoxe Egyptologie en haar dateringsmethode volledig afwijst dat men een nieuwe tijdsdatering van Laat Brons en IJzer kan invoeren en dit op basis van de historische boeken van de Bijbel. Of hoe belangrijk het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid is.”

    Einde citaat.

     

     

    In het najaar van 967 v. Chr. stierf Salomo en werd opgevolgd door zijn zoon Rehabeam wiens moeder de Ammonietische Našma was. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 211-215. Het begin van de ongerechtigheid van IsraŽl nam in 983 v. Chr. een aanvang bij de huwelijksvoltrekking van Salomo met Našma. Tien van de twaalf stammen van IsraŽl zouden zich kort na de troonsbestijging van Rehabeam afscheuren. Zij volgden Jerobeam die op een woord des HEEREN van de profeet de leiding over tien stammen opnam.

    Ik werk momenteel aan de afronding van mijn nieuw boek: ‘Kronieken der koningen van IsraŽl’, dat in het najaar gepubliceerd zal worden. Jerobeam I krijgt hier als eerste koning van IsraŽl heel wat aandacht. Ik houd mijn lezers van de verschijningsdatum op de hoogte. Het boek brengt specifiek de chronologie van de koningen van het tienstammenrijk vanaf Jerobeam I tot Hosea en hun historische verankering op de tijdsbalk op basis van de sabbat- en jubeljaren. Vooral veel aandacht besteed ik aan de revisie van de koningen van AssyriŽ op de tijdsbalk in relatie tot de historische gegevens over de koningen van IsraŽl.

     

     

    Het is met het derde schema van deze aflevering dat we bij het tiende jubeljaar van oktober 954/september 953 v. Chr. arriveren. Op de tijdsbalk bevinden we ons in het dertiende regeringsjaar van Rehabeam. In de Bijbel vinden we geen verwijzing naar het houden van het sabbatjaar- en jubeljaargebod ten tijde van de regeerperiode van Rehabeam. Integendeel:

    1 Koningen 14:21 Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die de HEERE verkoren had uit al de stammen van IsraŽl, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Našma, de Ammonietische. 22 En Juda deed, wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij verwekten Hem tot ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden. 23 Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op allen hogen heuvel, en onder allen groenen boom. 24 Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelen der heidenen, die de HEERE van het aangezicht der kinderen IsraŽls uit de bezitting verdreven had. 25 Het geschiedde nu in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem. 26 En hij nam de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. (Statenvertaling)

     

    Onder het bewind van Rehabeam ging het er wat de afgoderij betreft nog erger aan toe dan tijdens de regeerperiode van Salomo. Meer dan al hun vaderen gedaan hadden, staat er in 1 Koningen 14:22.

    In het vijfde regeringsjaar van Rehabeam in 961 v. Chr. rukte farao Sisak alias Thothmosis III Juda binnen en plunderde de tempel te Jeruzalem.

    2 Kronieken 12:1 Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en gans IsraŽl met hem. 2 Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den HEERE), 3 Met duizend en tweehonderd wagenen, en met zestig duizend ruiteren; en des volks was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte, Libyers, Suchieten en Moren; 4 En hij nam de vaste steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe. 5 Toen kwam Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak. 6 Toen verootmoedigden zich de oversten van IsraŽl en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig. 7 Als nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in kort ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden. 8 Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en den dienst van de koninkrijken der landen. 9 Zo toog Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis des HEEREN en de schatten van het huis des konings weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. (Statenvertaling)

     

    In het tienstammenrijk onder leiding van hun eerste koning Jerobeam I zou er geen enkele verwijzing meer voorkomen naar het houden van sabbatjaar- en/of jubeljaren. Jerobeam voerde in het gebied van IsraŽl een tegen-godsdienst in ter voorkoming dat mensen uit zijn rijk naar de jaarlijkse feesten des HEEREN in Jeruzalem zouden optrekken (1 Koningen 12:26:33).

    Het tiende jubeljaar van 954/953 v. Chr. was een historisch jubeljaar op basis van de dertig jubeljaren die er waren vanaf het openbaar worden van Jezus van Nazareth als de Messias in de synagoge van zijn thuisstad zoals door de evangelist Lucas (4:19) gebracht, en vervolgens terug de tijd in vanaf oktober 27/september 28 AD tot het eerste jubeljaar van oktober 1395/september 1394 v. Chr. Het historisch verifieerbare vijftiende jubeljaar van 709/708 v. Chr. met het veertiende regeringsjaar van Hizkia (Jesaja 37:30) en het achttiende jubeljaar van 562/561 v. Chr. (2 Koningen 25-27) met de vrijlating van Jojachin in dien zevenendertigste ballingsjaar, zijn de navigatiepunten op de tijdsbalk, die onze reis in de tijd terug als correct bevestigen. Twee tot drie navigatiepunten en een kruispeiling zijn ook vereist en voldoende ter navigatie waar dan ook.

     

    Op het bijgevoegde schema heb ik een verticale lijn getrokken van het vijfentwintigste regeringsjaar van Thothmosis III naar het vijfde regeringsjaar van Rehabeam. Voor Thothmosis III was dit zijn derde veldtocht naar Klein-AziŽ sinds de dood van Hatsjepsoet zijn halfzuster en rivale voor de troon van Egypte. In mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid is 961 v. Chr. een ankerjaar op tijdsbalk, een navigatiepunt waar we de koningen van Egypte mee in lijn met die van IsraŽl brengen. Dat het negende jaar van Hatsjepsoet bijvoorbeeld met haar reis naar het land Poent/IsraŽl gelijk viel met het dertigste regeringsjaar van Salomo is het resultaat van het verankeren van Thothmosis III met Rehabeam. Zo ook worden de vorige farao’s Thothmosis I en Ahmose aan de chronologie van IsraŽl gelinkt. Farao Ahmose had samen met Saul van IsraŽl de Hyksos of Amalekieten in Klein-AziŽ verslagen. Zie een eerdere studie op dit blog over de Bijbelse farao Sisak van 20.03.2017, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489964400&stopdatum=1490569200 en scrol naar beneden.

    De plaatsing van het Egyptische Nieuwe Rijk op de tijdsbalk heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 197-203, uitgewerkt. De verschillende historische bronnen wat de faraolijst en hun regeertijd betreft worden in dit hoofdstuk naast elkaar gezet en op basis van Bijbelse navigatiepunten op de tijdsbalk in lijn met de koningen van IsraŽl gebracht.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Apocalyps, 2009,

    (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).

    15-09-2017 om 08:46 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!