Inhoud blog
  • Het drieŽntwintigste historische Jubeljaar van oktober 317/september 316 v. Chr.
  • Een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid (deel 1)
  • Een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid - deel 3
  • Een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid (deel 4)
  • Een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid (deel 2)
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    13-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het drieŽntwintigste historische Jubeljaar van oktober 317/september 316 v. Chr.

    Met onze aflevering van 23.07.2018 brachten we het tweeŽntwintigste jubeljaar onder de aandacht. Deze week gaan we verder met het drieŽntwintigste jubeljaar dat in het jaar 317/316 v. Chr. viel. Tijdens deze periode maken we het einde van de Perzische heerschappij over het gebied van IsraŽl mee. Het derde beestrijk van de profeet DaniŽl: Griekenland, zou in 331 v. Chr. de nieuwe heerser over Jeruzalem en de Tempel worden.

     

     

    Tijdschema 368/355 v. Chr.

     

    De bijgevoegde tijdsbalken hebben bovenaan de westerse jaartelling met daaronder via een blauwe tijdsbalk de sabbatjaar- en jubeljaar-telling. Daaronder ziet men via een donkerblauwe tijdsbalk de zeventig jaarweken van DaniŽl afgebeeld. Het is een tijdsbalk die de overbrugging tussen het Oude en het Nieuwe Testament maakt tot op het optreden van Johannes de Doper in 26 AD als heraut van de komende Messias.

    In 359 v. Chr. merken we op het tijdschema het einde van de regeerperiode van de Pers Artaxerxes II Mnemon en het begin van de regeerperiode van Artaxerxes III Ochus.

     

     

    Tijdschema 354/341 v. Chr.

     

    Het bijgevoegde tijdschema toont het tweede en het derde sabbatjaar van de nieuwe jubeljaarcyclus die ons naar het drieŽntwintigste jubeljaar zullen loodsen. Het is de tijd van de regeerperiode van de Pers Artaxerxes III Ochus.

     

     

    Tijdschema 340/327 v. Chr.

     

    Het bijgevoegde tijdschema toont het vierde en het vijfde sabbatjaar in de jubeljaarcyclus.

    In de maand november van het jaar 331 v. Chr. verwelkomde Jeruzalem Alexander de Grote, die voordien het Perzische leger onder leiding van Darius III in de slag bij Issos verslagen had. Het was het begin van de overheersing van IsraŽl door de Grieken en het einde van de Perzische periode over IsraŽl die 208 jaar geduurd had.

    Alexander de Grote (21.07.356 v. Chr. Ė 11.06.323 v. Chr.) staat in de geschiedenis van de oudheid bekend als de schepper van een van de grootste imperiums ooit. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 409-417 heb ik uitgebreid aandacht aan hem gegeven.

     

    Na het verslaan van de Perzen in de slag bij Issos trok Alexander langs de kust van de Levant verder naar het zuiden. Het eerste obstakel was Tyrus dat toen nog een eiland voor de Libanese kust was. De handelslieden van Tyrus waanden zich veilig voor Alexander op hun eiland. Alexander liet echter met het puin van een vorige belegering onder Nebukadnezar, een dam aanleggen en veroverde aldus de stad Tyrus. Woedend over de weerstand van de TyriŽrs liet hij toe dat zijn soldaten de stad plunderden en verwoesten. De mannen van Tyrus werden gekruisigd en de vrouwen als slavinnen verkocht. Daarna vervolgde Alexander zijn tocht naar het zuiden en bereikte via Gaza Egypte dat hem als bevrijder ontving en als nieuwe farao installeerde. Tot hier wat betreft de gekende en algemeen aanvaarde geschiedenis over Alexander de Grote. De Bijbel door monde van de profeet DaniŽl had in de zesde eeuw voor Christus de persoon van Alexander en zijn rijk al beschreven. De Joodse historicus Flavius Josephus heeft uitvoerig de geschiedenis over Alexander de Grote in zijn relatie tot de Joden neergeschreven. Het was na de verovering van Tyrus en Gaza dat Alexander de Grote zich volgens Flavius Josephus, naar Jeruzalem begaf (Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek XI, viii. 4-5).

    4.b ÖÖ. Now Alexander, when he had taken Gaza, made haste to go up to Jerusalem; and Jaddua the high priest, when he heard that, was in an agony, and under terror, as not knowing how he should meet the Macedonians, since the king was displeased at his foregoing disobedience. He therefore ordained that the people should make supplications, and should join with him in offering sacrifice to God, whom he besought to protect that nation, and to deliver them from the perils that were coming upon them; whereupon God warned him in a dream, which came upon him after he had offered sacrifice, that he should take courage, and adorn the city, and open the gates; that the rest should appear in white garments, but that he and the priests should meet the king in the habits proper to their order, without the dread of any ill consequences, which the providence of God would prevent. Upon which, when he rose from his sleep, he greatly rejoiced, and declared to all the warning he had received from God. According to which dream he acted entirely, and so waited for the coming of the king.

    5. And when he understood that he was not far from the city, he went out in procession, with the priests and the multitude of the citizens. The procession was venerable, and the manner of it different from that of other nations. It reached to a place called Sapha, which name, translated into Greek, signifies a prospect, for you have thence a prospect both of Jerusalem and of the temple. And when the Phoenicians and the Chaldeans that followed him thought they should have liberty to plunder the city, and torment the high priest to death, which the king's displeasure fairly promised them, the very reverse of it happened; for Alexander, when he saw the multitude at a distance, in white garments, while the priests stood clothed with fine linen, and the high priest in purple and scarlet clothing, with his mitre on his head, having the golden plate whereon the name of God was engraved, he approached by himself, and adored that name, and first saluted the high priest. The Jews also did all together, with one voice, salute Alexander, and encompass him about; whereupon the kings of Syria and the rest were surprised at what Alexander had done, and supposed him disordered in his mind. However, Parmenio alone went up to him, and asked him how it came to pass that, when all others adored him, he should adore the high priest of the Jews? To whom he replied, "I did not adore him, but that God who hath honored him with his high priesthood; for I saw this very person in a dream, in this very habit, when I was at Dios in Macedonia, who, when I was considering with myself how I might obtain the dominion of Asia, exhorted me to make no delay, but boldly to pass over the sea thither, for that he would conduct my army, and would give me the dominion over the Persians; whence it is that, having seen no other in that habit, and now seeing this person in it, and remembering that vision, and the exhortation which I had in my dream, I believe that I bring this army under the Divine conduct, and shall therewith conquer Darius, and destroy the power of the Persians, and that all things will succeed according to what is in my own mind." And when he had said this to Parmenio, and had given the high priest his right hand, the priests ran along by him, and he came into the city. And when he went up into the temple, he offered sacrifice to God, according to the high priest's direction, and magnificently treated both the high priest and the priests. And when the Book of Daniel was showed him (23: The place showed Alexander might be Daniel 7:6; 8:3-8, 20--22; 11:3; some or all of them very plain predictions of Alexander's conquests and successors.) wherein Daniel declared that one of the Greeks should destroy the empire of the Persians, he supposed that himself was the person intended. And as he was then glad, he dismissed the multitude for the present; but the next day he called them to him, and bid them ask what favors they pleased of him; whereupon the high priest desired that they might enjoy the laws of their forefathers, and might pay no tribute on the seventh year. He granted all they desired. And when they entreared him that he would permit the Jews in Babylon and Media to enjoy their own laws also, he willingly promised to do hereafter what they desired. And when he said to the multitude, that if any of them would enlist themselves in his army, on this condition, that they should continue under the laws of their forefathers, and live according to them, he was willing to take them with him, many were ready to accompany him in his wars.

     

     

    The MacMillan Bible Atlas plaatst bij de reisroute van Alexander de Grote naar Jeruzalem een vraagteken? De reden is hoogstwaarschijnlijk dat alleen de oudheidhistoricus Flavius Josephus de reis van Alexander naar Jeruzalem en de ontmoeting met de hogepriester vermeldt. Geen andere historische bron is voorhanden.

     

    Flavius Josephus schrijft dat wanneer Alexander Jeruzalem nadert, de Joden door de Samaritanen bij hem in een kwaad daglicht gesteld zijn. De hogepriester wendde het gevaar af door een Goddelijke ingeving in een droom te gehoorzamen. De hogepriester ging daarop in vol ornaat getooid met op zijn hoofdbedekking een gouden plaat met daarop de naam JHWH geschreven, gevolgd door een grote menigte, Alexander tegemoet. Bij het zien van de hogepriester en de naam van JHWH bewijst Alexander eer aan de Naam van de God van IsraŽl door alleen naar de priester toe te gaan, HASHEM te aanbidden en de priester te groeten. Als er dan hierop reactie van de Griekse omstaanders kwam antwoordde Alexander dat bij het zien van de hogepriester van Jeruzalem, hem een droom in herinnering kwam. Een droom die hij eerder in Dios in MacedoniŽ had. Het droombeeld had hem toen verteld niet te vrezen maar haast te maken met het oversteken van de zee naar AziŽ. Zeker en vast zou hij de heerschappij over het Rijk der Perzen veroveren.

    Flavius Josephus verhaalt verder hoe men Alexander te Jeruzalem het Bijbelboek(rol) van de profeet DaniŽl toonde met de gedeelten die op hem betrekking hadden.

    Dit is meta-historie waar vooral Dr. F. De Graaff in zijn boek: IsraŽl-Hellas-Rome, het mysterie van de antieke beschaving, 1993, over uitweid. De God van Abraham, Izaak en Jakob/IsraŽl is Heer over het wereldgebeuren. Hij leidt de geschiedenis van deze wereld en grijpt meermaals in de loop der gebeurtenissen in. Gebeurtenissen die sinds de rebellie zoals beschreven in het Bijbelboek Genesis schijnbaar geleidt worden door toeval, oorzaak en gevolg.

    Voor de Joden betekende de val van het Perzische Rijk geen vrijheid maar alleen een wisseling van heersers die achtereenvolgens over hun gebied heersten. Eerst de BabyloniŽrs, daarna de Meden en de Perzen en vervolgens de Grieken. Later zouden vanaf 63 v. Chr. de Romeinen de heerschappij overnemen.

     

     

    Tijdschema 326/313 v. Chr.

     

    Het tijdschema 326/313 v. Chr. toont het zesde en het zevende sabbatjaar gevolgd door het drieŽntwintigste jubeljaar in 317/316 v. Chr. We bezitten geen enkele informatie over het eventueel houden of niet-houden van het jubeljaargebod door de teruggekeerde ballingen in Judea.

     

    Op ons schema merken we de vroegtijdige dood van Alexander de Grote in 323 v. Chr. Bij zijn dood strekte het nieuwe wereldrijk zich uit van de kusten van de oostelijke Middellandse Zee tot aan de rivier de Indus in India. Na de dood van Alexander de Grote zou het Rijk door zijn generaals of diadochen in vier gedeeld worden nadat zij een serie oorlogen met elkaar uitvochten. Het land Judea zou hierbij een twistappel zijn tussen vooral de Griekse koning van het Zuiden in Egypte en de Griekse Koning van het Noorden in SyriŽ.

     

    De geschiedenis die we hier behandelen werd haarfijn door de profeet DaniŽl in 539 v. Chr. voorzegt en opgeschreven:

    DaniŽl 11:1 Ik echter, ik stond in het eerste jaar van Darius de MediŽr hŤm tot een helper en toevlucht Ė. 2 Nu dan, ik zal u de waarheid bekendmaken. Zie, nog drie koningen zullen in PerziŽ opstaan (1. Cyrus II 550/330, 2. Cambyses 529/522, 3. Darius I Hystaspes 521/486 v. Chr.), en de vierde (Xerxes I 486/465 v. Chr.) zal grotere rijkdom bezitten dan alle anderen, en als hij sterk geworden is door zijn rijkdom, zal hij alles in beweging brengen tegen het koninkrijk van Griekenland. 3 En er zal een heldhaftige koning (Alexander de Grote) opstaan, die met grote heerschappij zal regeren en doen zal wat hem goeddunkt. 4 Maar nauwelijks is hij opgestaan, of zijn koninkrijk zal verbroken worden en verdeeld naar de vier (1. Kassander - MacedoniŽ, 2. Lysimachus - ThraciŽ en Klein-AziŽ, 3. PtolemeŁs I Ė Egypte, 4. Seleucus Ė SyriŽ.) windstreken des hemels; doch niet aan zijn nakomelingen, en zonder de macht waarmee hij heerste; want zijn koninkrijk zal uiteengerukt worden en aan anderen dan dezen komen. (NBG Vertaling 1951)

    Hierna een opsomming van de jubeljaren die we met onze artikelenreeks al behandeld hebben.

    Exodus jaartal: 1483 v. Chr. Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr.

    Jubeljaren en jaartallen v. Chr.:    Historische periode:

    1.       1395/1394                             Richter OthniŽl

    2.      1346/1345                                      Ruth 6:6

    3.      1297/1296                             Richter Ehud

    4.      1248/1247                             verdrukking Jabin

    5.      1199/1198                              Richter Thola

    6.      1150/1149                              verdrukking Ammon

    7.      1101/1100                              Richter en profeet SamuŽl

    8.      1052/1051                             Saul

    9.      1003/1002                                     Salomo

    10.    954/953                               Rehabeam

    11.     905/904                               Josafat

    12.     856/855                                Joas

    13.     807/806                               Amazia

    14.     758/757                                Uzzia

    15.     709/708                               Jaar 14 jaar van Hizkia

    16.     660/659                               Manasse

    17.     611/610                                  Josia- val van Nineveh

    18.     562/561                                Jaar 37 ballingschap Jojachin

    19.     513/512                                  Darius I

    20.    464/463                                Artaxerxes I

    21.     415/414                                 Nehemia

    22.    366/365                                Artaxerxes II Mnemon

    23.   317/316                                Griekse overheersing

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    13-08-2018 om 09:31 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-08-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid (deel 1)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Jesaja 1:1 Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda. 2 Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden. 3 Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar IsraŽl heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet. 4 Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige IsraŽls gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts. 5 Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat. 6 Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht. 7 Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden. 8 En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als een belegerde stad. 9 Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. (Statenvertaling)

     

    %%%FOTO1%%%

     

    Toen de bekende Oudtestamentische profeet Jesaja zijn bediening begon was het gebied van IsraŽl net door een meganatuurcatastrofe getroffen. De geciteerde verzen geven een beschrijving van het land dat als omgekeerd beschreven wordt met alom verbrande steden. De dodentol aan mensenlevens moet enorm geweest zijn en de overlevenden worden als een overblijfsel beschreven. De verwoesting kon men vergelijken met de bekende historische verwoesting van de steden Sodom en Gomorra in oktober van het jaar 1889 v. Chr.

    De beschreven verwoesting van het land door de profeet Jesaja was zo desastreus dat later de profeet Zacharia ernaar verwijst wanneer deze de Apocalyps van de HEERE God op de Olijfberg te Jeruzalem beschrijft.

    Zacharia 14:1 Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem! 2 Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden. 3 En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. 4 En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeŽn gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden. 5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda; dan zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE! 6 En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis. 7 Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. (Statenvertaling)

     

    De profetie van Zacharia hoofdstuk 14 is uitgebreider en gaat tot en met vers eenentwintig. Ik wens echter in het bijzonder de aandacht te vestigen op vers vijf waar de profeet de omvang van de aardbeving ten tijde van koning Uzzia beschrijft. De profeet onderlijnt hier het destructieve karakter van de apocalyptische meganatuurcatastrofe wanneer Jesaja zijn bediening als profeet van de HEERE aanving.

     

    Het dateren van de meganatuurcatastrofe in het jaar dat Jesaja zijn bediening begon doen we met de hulp van de historische Bijbelboeken en de Joodse historicus uit de eerste eeuw van onze tijdrekening: Flavius Josephus.

    De regeerperiode van koning Uzzia heb ik in mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: De kroniek van koning Uzzia van Juda: blz. 279, uitgewerkt en op de tijdsbalk verankerd met de jaren: 803/750 v. Chr.

    De Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus reikt het ankerjaar aan tot het exact dateren van het begin van de bediening van Jesaja als profeet. Ook hij beschrijft hoe het land Juda door een aardbeving getroffen werd op het moment dat koning Uzzia/Azaria zich met Jom Kippoer de rol van hogepriesters toe eigende:

    In the meantime a great earthquake shook the ground and a rent was made in the temple, and the bright rays of the sun shone through it, and fell upon the king's face, insomuch that the leprosy seized upon him immediately. And before the city, at a place called Eroge, half the mountain broke off from the rest on the west, and rolled itself four furlongs, and stood still at the east mountain, till the roads, as well as the king's gardens, were spoiled by the obstruction. Now, as soon as the priests saw that the king's face was infected with the leprosy, they told him of the calamity he was under, and commanded that he should go out of the city as a polluted person. Hereupon he was so confounded at the sad distemper, and sensible that he was not at liberty to contradict, that he did as he was commanded, and underwent this miserable and terrible punishment for an intention beyond what befitted a man to have, and for that impiety against God which was implied therein. So he abode out of the city for some time, and lived a private life, while his son Jotham took the government; after which he died with grief and anxiety at what had happened to him, when he had lived sixty- eight years, and reigned of them fifty-two; and was buried by himself in his own gardens.

    (Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek IX,x.4)

     

    Het was in de maand oktober met Jom Kippoer van het jaar 776 v. Chr. dat Uzzia meende niet alleen als koning maar ook als hogepriester te kunnen optreden. Het resultaat was dat hij met melaatsheid geslagen werd en de volgende vijfentwintig jaar tot aan zijn dood in quarantaine geplaatst (2 Kronieken 26:16-23).

    Het vermelde Bijbelgedeelte maakt duidelijk dat koning Uzzia in quarantaine geplaatst werd en dat zijn zoon van dan af in zijn plaats het land bestuurde. Een jaartal geeft de Kroniekschrijver niet op, maar zowel THE LEGENDS OF THE JEWS gecompileerd door Louis Ginzberg als de SEDER OLAM vermelden een periode van vijfentwintig jaar dat de zoon van Uzzia: Jotham, als co-regent optrad.

    Het laatste regeringsjaar van Uzzia op de tijdsbalk was het jaar oktober 751/september 750 v. Chr. Wanneer we vanaf dit jaartal vijfentwintig jaar terugrekenen arriveren we in de maand oktober van het jaar 776 v. Chr.

    Het jaar 776 v. Chr. is het jaartal van de instelling van de Olympische Spelen door de Grieken, als dank naar hun goden toe voor de afgewende meganatuurcatastrofe. Ook over Nineveh werd in 776 v. Chr. een verwoesting afgewend. Het was hetzelfde jaar dat de profeet Jona naar Nineveh gezonden werd ter aankondiging van de nakende verwoesting. Het is geen toeval dat we Bijbels-chronologisch naar hetzelfde jaartal geloodst worden voor de datering van de aardbeving van Uzzia en het begin van de bediening van de profeet Jesaja. De combinatie van de hiervoor aangehaalde chronologische bronnen leveren allen het jaar 776 v. Chr. voor de grote aardbeving ten tijde van de regeerperiode van Uzzia en het jaar van het begin van het optreden van de profeet Jesaja, op.

     

    In de reconstructie die de geleerde Edwin R. Thiele (1895/1986) maakte van de regeerperiode van de koningen van IsraŽl en Juda gaat het verband met het jaar 776 v. Chr. verloren of wordt het niet opgemerkt.

    Thiele dokterde op basis van de Assyrische koningslijst het jaartal 701 v. Chr. voor het veertiende regeringsjaar van Hizkia, uit. Het veertiende regeringsjaar van Hizkia wijkt met acht jaar van de Bijbelse chronologische gegevens af en het sterfjaar van Salomo wijkt zelfs met zevenendertig jaar af van de Bijbels-chronologische gegevens volgens de Sabbatjaar- en jubeljaarcyclus.

    Fundamentele Bijbels-chronologische citaten zoals 2 Koningen 18:9-13 die niet compatibel met de fabricatie van de Assyriologie zijn verklaarde Thiele zelfs als kunstmatig aan de Bijbel toegevoegd. Zijn werk “The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings, 1951” wordt nochtans door godgeleerden vandaag beschouwd als de definitieve Bijbelse chronologie en vindt men in menig naslagwerk terug. Een reden voor mij om de studie van de Bijbel niet uitsluitend aan theologen over te laten. Ik blijf uiteraard dankbaar naar die theologen toe die ons de Statenvertaling en andere degelijke vertalingen van het Hebreeuws en het Grieks leverden.

     

    De erudiete onderzoeker van het eerste uur Dr. ImmanuŽl Velikovsky (1895/1979), Werelden in botsing, 1950 ziet de grote natuurramp ten tijde van koning Uzzia als een scheidslijn tussen twee tijdsperioden. Als een gevolg van de meganatuurcatastrofe werd in het Midden-Oosten tegen 747 v. Chr. noodgedwongen een nieuwe kalender ingevoerd. Dat jaar was het begin van de era van Nabonassar, een tot dan toe onbekende koning van Babylon. Over dit onderwerp ga ik uitgebreid in met mijn werk TIJD en TIJDEN, blz. 331, de noodzakelijke kalenderhervorming van de achtste eeuw voor Christus.

    Volgens Velikovsky werden de Olympiaden die in 776 v. Chr. van start gingen door een of andere kosmische gebeurtenis ingeluid. In het tweede hoofdstuk van zijn boek ‘Werelden in botsing’ maakt hij de link met de planeet Mars en de Romeinse mythologie. De Romeinse maand maart was aan de planeet Mars gewijd die verondersteld werd als god, de vader van Romulus, de stichter van Rome te zijn.

    De stichting van Rome in 753 v. Chr. vond plaats in een tijd, niet ver verwijderd van ‘de grote verwoesting’ of zoals de titel van dit hoofdstuk  luidt: ‘de moeder van alle verwoestingen’, die de profeet Jesaja in 776 v. Chr. beschreef. Volgens een Romeinse overlevering zouden de ontvangenis van Romulus door zijn moeder, de stichting van Rome en de dood van Romulus hebben plaatsgevonden in jaren van grote natuurberoeringen die gepaard gingen met verschijnselen aan de hemel en storingen in de beweging van de zon.

     

    Een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong.

    Ik besef dat het aanvaarden van een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid, voor menigeen moeilijk is. Men kan de schouders ophalen voor een theorie die ontwikkeld en gebaseerd is op Mythisch-historische overleveringen en niet op astrofysische waarneming. Het lijkt dan ook fantastisch wanneer men bedenkt dat het zonnestelsel dat in de huidige tijd als een klokwerk loopt, ooit tot slechts 2650 jaar terug de tijd in, in beroering was.

    Het boek ‘Werelden in botsing’ van Dr. I. Velikovsky las ik de eerste maal in 1975. De kosmologische aspecten waren voor mij toen een vrij moeilijke materie, een onderwerp die ik niet onmiddellijk vanuit mijn opleiding en vorming kon toetsen. De motivatie van Velikovsky voor zijn studie en publicaties was echter de Bijbel, een Boek dat hij als seculiere Jood als een historisch boek benaderde. De Exodus uit Egypte van de IsraŽlieten was voor hem een historisch feit en de tien plagen gevolgd door het scheuren van de Rode Zee verklaarde hij vanuit de kosmologie. Ik stond aldus open voor de voor mij nieuwe theorieŽn die hij bracht.

    Op 21 februari 1991 was ik uitgenodigd in Hilversum in het programma van Feike ter Velde: Mag ik eens met je praten, (https://teleblik.nl/media/5424617), en in het vervolg van dit gebeuren mocht ik daarna enkele malen op de radio komen. Bij zulk een opname voor een radioprogramma in Katwijk aan Zee kreeg ik als afscheid van ds. Willem Glashouwer twee recensieboeken cadeau, boeken die hem vanuit Amerika waren toegestuurd. Eťn boek was het al eerder geciteerde boek: ‘The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes’ van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, en het andere boek was ‘The Biblical Flood and the Ice Epoch’ van Donald W. Patten. Het was na het lezen en bestuderen van deze werken dat ik ook de draad met Velikovsky en de kosmologie weer opnam. Vooral dan het chronologische aspect van de cyclus van kosmische rampen kreeg mijn aandacht.

    Ik ben van mening dat de onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, chronologisch gezien wat de intervallen tussen de catastrofes betreft, correct zitten. Wat men ook wil geloven of afwijzen wat betreft de kosmische catastrofetheorie, een cyclus van meganatuurcatastrofes kan vanuit de Bijbel, de werken van Flavius Josephus en andere bronnen, chronologisch aangetoond worden, en in dat spoor ga ik verder.

    De geleerden Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, ‘The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes’, leveren een schema met een cyclus van catastrofes van 2484 v. Chr. tot 701 v. Chr. Zij identificeren zeven rampen van kosmische oorsprong die planeet aarde in de oudheid teisterden. Het jaar 701 v. Chr. is hun vertrekpunt op de tijdsbalk en ankerpunt vanaf waar zij in de tijd terugrekenen.

    Het noodlottige jaartal 701 v. Chr. dat de onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer als vertrekpunt op de tijdsbalk nemen hebben zij van eerder vermelde geleerde Edwin R. Thiele. Thiele dokterde op basis van de Assyrische koningslijst het jaartal 701 v. Chr. voor het veertiende regeringsjaar van Hizkia, uit. Hij deed dit via het aanpassen van de Bijbelse chronologische gegevens aan de Assyrische Khorsabad-koningslijst. Om in lijn met de Assyrische chronologische gegevens te komen verkorte Thiele de algemene regeringstijd van de koningen van IsraŽl en Juda met ongeveer veertig jaar. Het veertiende regeringsjaar van Hizkia wijkt op die manier met acht jaar van de Bijbelse chronologische gegevens af. Het Exodusjaartal 1447 v. Chr. wijkt zelfs zesendertig jaar af van de Bijbels-chronologische gegevens volgens de Sabbatjaar- en jubeljaarcyclus.

    Als een gevolg van het hanteren van de chronologie van Thiele voor de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda zit ook Donald W. Patten in zijn cycluslijst van rampen er acht tot achtendertig jaar en gaan verloren. Zij werken als een gevolg dikwijls met ‘circa ’s jaartallen wat de datering van de meganatuurcatastrofes betreft.

    Wanneer men echter het cyclusmodel van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer, binnen de nieuwe chronologie hanteert zijn de resultaten nochtans verbluffend.

    Een voorbeeld is het bekende jaartal 776 v. Chr. met de instelling van de Olympische Spelen door de Grieken als dank naar hun goden toe, toen een verwachte ramp werd afgewend. Het is een ankerjaar bij uitstek waar we met zekerheid de cyclus van rampen mee kunnen linken. Heel de wereld hield tegen het jaar 776 v. Chr. de adem in voor de aangekondigde ramp die planeet aarde dan opnieuw zou treffen.

    Wanneer men vanaf het jaartal 776 v. Chr. in oktober 54 jaar en zes maanden op de tijdsbalk naar voor rekent arriveert men in maart 722 v. Chr.

    Het verkregen jaartal 722 v. Chr. is hier opmerkelijk omdat dit jaar volgens de Bijbelse chronologie in het voorjaar de dood zag van koning Achaz, de vader van Hizkia, met een historische vermelding van een kosmisch fenomeen. Een Joodse legende verhaalt namelijk dat op de dag dat koning Achaz stierf er slechts gedurende twee uur daglicht was (Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Volume IV, Bible Times and Characters. From Joshua to Esther). De oorzaak ligt volgens de catastrofetheorie bij een storing van planeet aarde in haar omwenteling om de zon.

     

    Voorjaar 722 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar

    Het jaar dat koning Achaz van Juda stierf en begraven werd was het voorjaar van 722 v. Chr. Sinds het begin van de bediening van Jesaja in oktober 776 v. Chr. waren er 54 jaar en zes maanden verlopen. Een tijdsperiode die de cyclus van meganatuurcatastrofes volgens Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, in hun studie; ‘The long day of Joshua and six other catastrophes, had.

    Een Joodse overlevering leert dat een meganatuurcatastrofe van kosmische aard de aarde trof op de dag van het overlijden van koning Achaz van Juda:

    While the northern kingdom was rapidly descending into the pit of destruction, a mighty upward impulse was given to Judah, both spiritually and materially, by its king Hezekiah. In his infancy the king had been destined as a sacrifice to Moloch. His mother had saved him from death only by rubbing him with the blood of a salamander, which made him fire-proof. In every respect he was the opposite of his father. As the latter is counted among the worst of sinners, so Hezekiah is counted among the most pious of Israel. His first act as king is evidence that he held the honor of God to be his chief concern, important beyond all else. He refused to accord his father regal obsequies; his remains were buried as though he had been poor and of plebeian rank. Impious as he was, Ahaz deserved nothing more dignified. God had Himself made it known to Hezekiah, by a sign, that his father was to have no consideration paid him. On the day of the dead king's funeral daylight lasted but two hours, and his body had to be interred when the earth was enveloped in darkness.

    Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Volume IV, Bible Times and Characters. From Joshua to Esther.

     

    Zoals eerder opgemerkt was het volgens de theorie de planeet Mars die in de achtste eeuw voor Christus verantwoordelijk was dat planeet aarde in haar loop rond de zon periodiek verstoord werd met iedere keer de daarmee gepaard gaande catastrofes. Deze boosdoener werd door de volkeren van de oudheid vergoddelijkt en kreeg van hen diverse namen zoals: MARS bij de Romeinen, Ares bij de Grieken, Tyr bij de Germanen, Horus in Egypte, Baal of Bel in Klein-AziŽ en Indra in India.

     

    De hiervoor vermelde volkeren verwijzen in hun bewaarde geschriften naar een cyclus van rampen die de wereld getroffen hebben met intervallen van ongeveer 54 en 108 jaar.

    Wanneer men het jaartal 776 v. Chr. als ankerjaar en navigatiepunt gebruikt en vanaf hier 54 jaar op de tijdsbalk naar voor en naar achter rekent verkrijgt men meer dan eens passende historische vermeldingen van meganatuurcatastrofes.

     

    Essarhaddon ‘s veldtocht naar Egypte en de vermelding van een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong.

    De geleerden Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, in hun studie: ‘The long day of Joshua and six other catastrophes’, plaatsen de laatste ramp in 701 v. Chr. op de tijdsbalk en volgens hen kwam daarna ons zonnestelsel tot rust kwam en namen de planeten hun huidige stand in:

    After the year 701 BC, Mars was sufficiently ‘bumped’ or perturbed in its orbit by Earth to throw its orbit out of 2:1 resonance. It subsequently arrived in its current orbit, which is 1.88 in its period compared to Earth’s orbital period.’ (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Chapter II)

     

    Nochtans bestaat er een primaire bron met een indicatie dat er nog een ramp volgde. De annalen van de Assyrische koning Essarhaddon verwijzen namelijk mogelijk naar een gelijkaardige meganatuurcatastrofe wanneer deze zijn veldtocht tegen Egypte ondernam.

    Wanneer we van het vorige meganatuurcatastrofe-jaar 722 v. Chr. met een tijdschijf van 54 jaar en zes maanden rekenen arriveren we op de tijdsbalk in oktober 668 v. Chr.

    De annalen van Essarhaddon verwijzen naar een storm-demon die hem vooraf naar Egypte ging. Ik meen dat de verwijzing van Essarhaddon van een storm-demon naar een kosmisch fenomeen verwijst dat past in de cyclus van meganatuurcatastrofes die planeet aarde van de vierentwintigste tot de achtste eeuw voor Christus plaagden. Hierna het betreffende gedeelte uit de bewaarde annalen van Essarhaddon dat over de storm-demon handelt:

    “The king, whose sovereignty the lord of lords, Marduk, has exalted, far above that of the kings of the four quarters, who has brought all the lands in submission under his feet who has exacted tribute and tax from them. (He is) conqueror of his foes, destroyer of his enemies; (He is) the king whose walk is a storm, and whose deeds a raging wolf. Before him is a storm-demon, behind him a cloudburst. The onset of his battle is mighty. He is a consuming flame, a fire that does not go out. (He is) the son of Sennacherib, king of the universe, king of Assyria, son of Sargon, king of the universe, king of Assyria, viceroy of Babylon, king of Sumer and Akkad. (He is of) the eternal seed of priesthood, of Bel-bani, son of Adasi, who established the kingdom of Assyria, who at the command of AĻĻur, Shamash, Nabu, and Marduk, the great gods, his lords, overthrew the servitude of the city of AĻĻur.”

    (Adapted from Luckenbill 2:224-27, Luckenbill, Daniel David. Ancient Records of Assyria and Babylonia. Vol. 2: From Sargon to the End. Chicago: University of Chicago Press, 1927.)

     

    De invasie van Egypte door Essarhaddon wordt in zijn annalen vermeldt in zijn tiende regeringsjaar in 671 v. Chr. wat met drie jaar afwijkt van het verkregen meganatuurcatastrofe-jaar in oktober 668 v. Chr.

    Een afwijking in de cyclus is echter niet onmogelijk wat de onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, in hun boek: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, overigens bevestigen.

    Het zou echter ook mogelijk zijn dat de annalen van Essarhaddon niet nauwkeurig zijn, en dan wordt het jaartal 668 v. Chr. een eventueel nieuw ankerpunt op de tijdsbalk.

    Hierna enkele citaten van de zijde van de Assyriologie over de regeerperiode van Essarhaddon en Assurbanipal:

    “The sources for the reign of Esarhaddon are difficult to date and are not reliable with regard to 15 details of campaigns and to their chronology. There are considerable differences in the recorded order of events between the Esarhaddon and the Babylonian chronicles and Esarhaddon’s prisms. Eph’al has questioned the reliability of the Esarhaddon and Babylonian Chronicles. Etcetera…

    “However, Cf. H. Tadmor, “An Assyrian Victory Chant and Related Matters”, in: G. Frame (ed.), From the Upper Sea to the Lower Sea: Studies on the History of Assyria and Babylonia in Honour of A. K. Grayson (Leiden, 2004) 269-272. Tadmor postulates that Esarhaddon’s Annals were ideologically edited and thus are less valid for chronological reconstruction than the Esarhaddon and the Babylonian chronicles. However, note that some events in the Chronicles were also wrongly placed. Tadmor, “Autobiographical Apology”, 272. Cf. J. A. Spalinger, “Esarhaddon and Egypt: An Analysis of the First Invasion”

     

    Vanuit mijn persoonlijke opleiding kan ik moeilijk over afwijkingen in de cyclus van catastrofes oordelen en blijft het voor mij een vraag wanneer juist planeet aarde en het zonnestelsel tot rust kwam en het exacte klokwerk, dat we vandaag van alle planeten waarnemen, een aanvang nam. Het is vooral via mijn interesse voor chronologie dat de cyclus van catastrofes van kosmische oorsprong al lange tijd mijn aandacht heeft aangezien het past in de in de Bijbel beschreven rampen in de oudheid.

    De moderne wetenschap kosmologie wijst de theorie van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer die gebaseerd is op mythologische bronnen en de Bijbel, af. Hun geavanceerde computersystemen zijn alle geprogrammeerd op basis van de uniformiteittheorie: de aarde is nooit in haar baan om de zon verstoord en ons zonnestelsel loopt sinds mensengeheugenis als een klokwerk.

    Het laatste boek: Mankind in Amnesia, 1982, dat de controversiŽle onderzoeker Dr. ImmanuŽl Velikovsky (1895/1979) schreef was gewijd aan dit door de moderne kosmologie afwijzen van de nochtans historisch gedateerde meganatuurcatastrofes dat hij catalogeerde onder een ‘collectief geheugenverlies’ van de moderne wetenschap. Velikovsky omschreef het als het volgt: De herinnering aan catastrofes werd uitgewist, niet door gebrek aan geschreven overleveringen, maar door een kenmerkend proces, dat later gehele naties, tezamen met hun geletterden, in deze overleveringen allegorieŽn of vergelijkingen deed zien, terwijl in werkelijkheid kosmische natuurverstoringen daarin heel duidelijk stonden beschreven.

     

    Voorjaar 830 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    We keren terug naar het jaar 776 v. Chr. waar we ons verhaal mee begonnen zijn. Vanaf dit ankerjaar op de tijdsbalk gaan we in tijdschijven van 54 jaar en zes maanden terug de tijd in.

    Het resultaat voor de eerste tijdschijf vanaf 776 v. Chr. is het voorjaar van 830 v. Chr. voor een veronderstelde meganatuurcatastrofe. Aanwijzingen naar mogelijke historische rampen voor dit jaar hebben we niet. Dat er niettemin tekenen aan de hemel waren staat volgens mij buiten twijfel. In de chronologie van de koningen van Juda en IsraŽl is het jaar 830 v. Chr. het sterfjaar van koning Joahaz van het tienstammenrijk en nam zijn zoon Joas het bewind over. Joas was in 833 v. Chr. als co-regent al aangesteld.

    Het voorjaar van 830 v. Chr. zag ook niet toevallig de dood van koning Joas en de troonsbestijging van diens zoon Amazia, en had waarschijnlijk verband met tekenen aan de kosmische hemel. Het is een mogelijke verklaring voor de gerapporteerde ziekten in de Bijbel voor deze tijd en het aanstellen van co-regenten in zowel IsraŽl als Juda. Ook het fenomeen van de afgodendienst in Juda (2 Kronieken 25:14) en IsraŽl dat iedere keer opnieuw de kop opstak kan misschien vanuit de cyclus van meganatuurcatastrofes verklaard worden.

     

    Het fenomeen van de afgoderij dat in de oudheid stak telkens opnieuw de kop op in zowel IsraŽl als Juda. De oorsprong en oorzaak ligt volgens mij bij de cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong die planeet aarde met intervallen vanaf de vierentwintigste eeuw v. Chr. tot de zevende eeuw v. Chr. getroffen heeft. De wereld van de oudheid was voor een lange tijd in beroering en een bron van afgoderij bij de volkeren en IsraŽl die meenden in de planeten in beroering, goden aan het werk te zien. Toen de IsraŽlieten onder leiding van Mozes in 1483 v. Chr. uit Egypte trokken namen zij hun afgoden al mee. Het bekende gouden kalf dat zij bij de berg Gods maakten was een afbeelding van een Egyptische afgod. Het is Stefanus die in 30 AD voor de Joodse raad staande deze onheilsgeschiedenis beknopt doorgaf:

    Handelingen 7:41 En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen. 42 En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis IsraŽls? 43 Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon. (Statenvertaling)

     

    Stefanus citeerde de profeet Amos hoofdstuk vijf waar de god Remfan vermeldt wordt. Er is verschil in schrijfwijze van de naam Remfan, ook in het Grieks. De Septuagintvertalers noemden hem Raephan. De NBG-vertalers van 1951 vertaalden de naam naar Kewan. Deze naam staat voor de oud-Babylonische god: Kajawanu, die de planeet Saturnus voorstelde. De verering van Saturnus en de naam Saturnus kan zelfs in verband gebracht worden met Nimrod, de anti-messias van Genesis. In het oude Babylon werd de naam als ‘Stur’ geschreven, een naam met een getalswaarde van zeshonderdzesenzestig.

    Als men dan niet het geloof van Mozes heeft naar HebreeŽn 11:27 ‘die voorwaarts ging als ziende de Onzienlijke’, dan maakt men geestelijk blind en doof zijnde de verkeerde keuzes wanneer ‘werelden in botsing’ komen, en mist men zijn doel.

     

    Wordt vervolgd….

     

    Met vriendelijke groet?

    Robert De Telder

    06-08-2018 om 07:31 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid - deel 3

    Najaar 1212 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Voor het bekomen jaartal 1212 v. Chr. in de cyclus van meganatuurcatastrofes bezitten we ook ditmaal naar mijn weten geen bijzondere vermelding in de Bijbel of andere bronnen.

    Het was de tijd van de Richteren voor de twaalf stammen van IsraŽl. In het najaar van 1212 v. Chr. zitten we naar het einde toe van de bediening als richter van de bekende Deborah en Gideon die beiden gedurende veertig jaar het volk geleidt hebben. De aanvang van de bediening van Deborah was getuige van een kosmisch fenomeen.

    In Egypte heersten sinds de Exodus de Hyksos of Amalekieten over het land. De Egyptische oudheidhistoricus Manetho verdeelt hun regeerperiode over twee dynastieŽn: de vijftiende en zestiende dynastie. Het is een lange periode in de oudheidgeschiedenis van Egypte waar we als een gevolg van de ontketende beeldenstorm door farao Ahmose van de achttiende dynastie na de verdrijving van de Hyksos weinig over weten.

     

    Voorjaar 1266 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Op de tijdsbalk zoals in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, gebracht vinden we geen verwijzing naar een meganatuurcatastrofe voor het jaar 1266 v. Chr. Maar zoals in het vorige hoofdstuk opgemerkt hebben we wel een verwijzing naar een kosmisch fenomeen in de Bijbel in het jaar dat de richter Deborah haar bediening aanvangt in het voorjaar van 1249 v. Chr. wat een verschil van zeventien jaar in de veronderstelde cyclus oplevert. De aanvang van de richterperiode van Deborah is op de tijdsbalk chronologisch stevig verankerd, wanneer we met de voorhanden zijnde chronologische gegevens terugrekenen vanaf de richter Jefta in 1143 v. Chr. toen er driehonderd jaar verstreken waren sinds de inname van Kanašn onder leiding van Jozua. Het resultaat is 1249 v. Chr. voor het begin van het richter-schap van Deborah. Als generaal van het militieleger van IsraŽl versloeg zij het machtige leger van Jabin die over negenhonderd ijzeren strijdwagens beschikte (Richteren 4:1-16).

    Het Bijbelboek Richteren geeft een verwijzing naar een kosmisch fenomeen dat zich tijdens de slag tussen de IsraŽlieten en het leger van Jabin afspeelde:

    Richteren 5:20 “Van de hemel streden de sterren (Hebreeuws: KOWKAB), vanuit haar banen (Hebreeuws: MECILLAH) streden zij tegen Sisera.” (NBG Vertaling 1951)

     

    De onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer, verbinden in hun studie ‘The long day of Joshua and six other catastrophes – Chapter VI - (1973), het kosmisch fenomeen van Richteren 5:20 met een ‘fly-by’ van de planeet Mars. De Hebreeuwse grondtekst-woorden die ik in het Bijbelcitaat hierboven tussen ronde haken vermeld heb zijn van hen. Hierna hun commentaar voor de Hebreeuwse woorden KOWKAB en MECILLAH.

    KOWKAB: a blazing or rolling star, a shining star, a luminary, and we propose, a rotating planet such as Mars.

    MECILLAH: which Strong’s Concordance translates as a viaduct, a staircase, a causeway, a course, a highway, a path, a terrace, and our belief is it could also be accurately translated ‘an orbit’, or ‘orbits’, paths of the luminaries.

     

    Het Bijbelgedeelte van Richteren 5:20 “Van de hemel streden de sterren, vanuit haar banen streden zij tegen Sisera.”, krijgt in het licht van de studie van Patten wel een heel letterlijke betekenis. Het resultaat was dat het machtige leger van de koning van Kanašn verslagen kon worden. Voor de IsraŽlieten was het duidelijk dat de HERE God ingegrepen had. De onderzoeker Patten schrijft dienaangaande in zijn werk iets heel merkwaardig neer:

    ‘Agnostics will in the future , more and more, discount evolutionary uniformitarianism, and will see the validity in the astronomical, catastrophic view of science and ancient history, yet perhaps without the hand of God.’ (The long day of Joshua and six other catastrophes by Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, 1973)

     

    Het nieuwe ankerpunt op de tijdsbalk is het jaar 1249 v. Chr. ter berekening van eerder plaatsgevonden meganatuurcatastrofes.

    Wanneer we verder terug de tijd ingaan vanaf 1249 v. Chr. met schijven van 54 jaar en 6 maanden krijgen we volgende resultaten:

    september/oktober            1304 v. Chr.

    Maart/april              1358 v. Chr.

    Het verkregen jaartal 1304 v. Chr. levert geen historische verwijzing naar een natuurcatastrofe op maar het jaar 1358 v. Chr. wel. Het is een jaartal dat verbonden is met de genoteerde hongersnood ten tijde van Naomi zoals beschreven in het Bijbelboek Ruth.

     

    Voorjaar 1358 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Ruth 1:1 In de dagen dat de richters richtten, gebeurde het, dat er een hongersnood in het land was. Toen trok een man uit Bethlehem in Juda met zijn vrouw en zijn beide zonen weg om als vreemdeling te vertoeven in het veld van Moab. 2 De naam van de man was Elimelek, de naam van zijn vrouw Naomi en de namen van zijn beide zonen Machlon en Kiljon, Efratieten uit Bethlehem in Juda; en in het veld van Moab aangekomen, bleven zij daar. 3 Toen stierf Elimelek, de man van Naomi, zodat deze met haar beide zonen achterbleef. 4 Dezen namen zich Moabitische vrouwen: de ene heette Orpa en de andere Ruth; en zij woonden daar ongeveer tien jaren. 5 Toen stierven ook die twee, Machlon en Kiljon, zodat die vrouw achterbleef, zonder haar beide zonen en haar man. 6 Daarna maakte zij zich met haar schoondochters op en keerde uit het veld van Moab terug, want zij had in het veld van Moab vernomen, dat de HERE naar zijn volk omgezien had door hun brood te geven. (NBG Vertaling 1951)

     

    Mijn plaatsing van de sabbat- en jubeljaren op de tijdsbalk zoals in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 147-163, gebracht levert het jaar 1358 v. Chr. als het jaar van de hongersnood die in het Bijbelboek Ruth 1:1 vermeld wordt. De meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong maakten dat in ťťn slag oogsten en dergelijke vernietigd werden en hongersnoden als gevolg. Het resultaat waren meestal volksverhuizingen op grote schaal met mensen die op zoek gingen naar nieuwe vestigingsgebieden.

    De Sabbat- en Jubeljaarcyclus ging van start in 1443 v. Chr. in de maand Nisan wanneer de IsraŽlieten onder de leiding van Jozua de Jordaan overtrokken ter inbezitneming van het Beloofde Land. In 1437 v. Chr. was het land veroverd en begon het eerste sabbatjaar. Zeven maal zeven sabbatjaren later begon in de maand Tishri van het zevende sabbatjaar, het eerste jubeljaar dat van 1395 tot 1394 v. Chr. liep.

    Het was het tweede jubeljaar van oct1346/sep1345 v. Chr. sinds de instelling ervan dat het jubeljaar was ten tijde van Naomi en Ruth. Het zesde jaar van de dubbele zegening in de sabbatjaarcyclus was maart 1347/april 1346 v. Chr. Dit was het jaar dat Naomi in haar ballingsland Moab vernam dat de HERE God naar zijn volk had omgezien door het brood te geven. Het was het jaar van de zogenaamde dubbele zegening zodat de opbrengst van het land voldoende zou zijn om het sabbatjaar en ditmaal ook het Jubeljaar te overbruggen.

    Vanaf het jaartal 1347/1346 v. Chr. rekenen we tien jaar terug voor het vertrek van Naomi als een gevolg van de hongersnood, naar Moab wat ons in het jaar 1357 v. Chr. brengt. Het is het exacte jaartal voor de hongersnood ten tijde van de verdrukking (1367/1349 v. Chr.) van de IsraŽlieten door de koning van Moab Eglon.

    Het jaartal 1357 v. Chr. als een meganatuurcatastrofe-jaar met mislukte oogsten tot gevolg is een jaartal dat Patten en zijn medewerkers gemist hebben en dit uitsluitend als een gevolg van hun hanteren van Thiele ’s ankerjaar 701 v. Chr. op de tijdsbalk.

     

    Najaar 1413 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Voor het bekomen jaartal 1413 v. Chr. in de cyclus van meganatuurcatastrofes met het rekenen van tijdschijven van 54 jaar en zes maanden bezitten we ook ditmaal naar mijn weten geen bijzondere vermelding in de Bijbel of andere bronnen.

    Het was de tijd kort na de dood van Jozua gevolgd door de tijd dat oudsten de twaalf stammen van IsraŽl richtten.

    In Egypte heersten sinds de Exodus de Hyksos of Amalekieten over het land die na de Exodus en de tien plagen het land overrompelden.

     

    Voorjaar 1467 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Het jaartal 1467 v. Chr. bekomen we door opnieuw met een tijdschijf van 54 jaar es zes maanden vanaf het vorige navigatiepunt op de tijdsbalk in de tijd terug te rekenen. Dit jaartal levert in de mij bekende bronnen geen vermelding naar een meganatuurcatastrofe op. Wat wel opvalt is dat we met de rekenoefening op de tijdsbalk het jaartal 1443 v. Chr. gepasseerd zijn. Dit jaartal levert in de Bijbel een vermelding naar een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong op. Het is het bericht van het stilstaan van de zon op het woord van Jozua ten tijde van de slag bij Gibeon waar de IsraŽlieten tegen een coalitie van Kanašnietische vorsten moesten strijden. Tussen de jaartallen 1413 v. Chr. en 1443 v. Chr. bestaat er een verschil van zo maar even dertig jaar. Wat is hier aan de hand?

     

    Najaar 1443 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar!

    In onze studie van de cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong zoeken we altijd absolute ankerpunten op de tijdsbalk. Op dit fundament zetten we onze reis verder in de tijd terug met najaar 1443 v. Chr. als navigatiepunt op de tijdsbalk.

    De IsraŽlieten arriveerden aan de Jordaan aan de oostelijke grens van Jericho, in de lente van het jaar 1443 v. Chr., exact op de dag af, veertig jaar na de exodus uit Egypte. In mijn werk TIJD en TIJDEN, 2015, verankerde ik het jaartal van de Exodus met het jaar 1483 v. Chr. Dit laatste jaartal was het resultaat van het chronologisch hanteren van de Jubeljaren volgens de opgave door William Whiston. In totaal waren er van oct27/sep28 AD, het jaar dat Jezus het ‘aangename jaar des HEREN’ of Jubeljaar uitriep en zich als Messias bekendmaakte, tot het jubeljaar van oktober 1395/ september 1394 v. Chr. dertig jubeljaren geweest. Van het eerste Jubeljaar in okt1395 tot sep1394 v. Chr. zijn het zeven maal zeven jaar of negenenveertig jaar teruggerekend (sabbatjaren van maart/tot april tot maart/april) tot het begin van de inname van het Beloofde Land in 1443 v. Chr.

    Jozua 4:19 Het volk nu is uit de Jordaan opgeklommen op de tiende der eerste maand en zij legerden zich te Gilgal, aan de oostelijke grens van Jericho.

     

    Jozua 5:10 Terwijl de IsraŽlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Jericho; 11 en zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag. 12 En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de IsraŽlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanašn opleverde.

     

    Deze twee Bijbelcitaten plaatsen we aldus chronologisch op de tijdsbalk in de maand Nisan of maart/april, van het jaar 1443 v. Chr. Vanuit Jozua 5:12 maken we op dat in 1443 v. Chr. met de maand nisan, de sabbatjaarcyclus van start ging met zes jaar later het eerste sabbatjaar in het jaar apr1437/mrt1436 v. Chr.

    Wat diezelfde maand Nisan van 1443 v. Chr. na het Pesachfeest chronologisch volgde, was de inname van Jericho, zoals beschreven in het Bijbelboek Jozua hoofdstukken 5 en 6. Daarna plaatsen we het debacle bij Ai (Jozua 7:1-26) op de tijdsbalk, met daarna de overwinning over Ai (Jozua 8;1-29), nog altijd in het voorjaar van 1443 v. Chr.

    Vervolgens gaat het Bijbelboek Jozua (8:30-35) na de verovering van Ai, verder met een bericht dat Jozua op de berg Ebal een altaar voor de HERE God van IsraŽl bouwt en daar de Wet van Mozes aan het volk voorleest. Ook in de ‘Legends of the Jews’ merken we dezelfde chronologische volgorde, waarbij men onmiddellijk na het oversteken van de Jordaan naar de berg Ebal optrekt:

    When the people arrived on the further shore, the holy Ark, which had all the while been standing in the bed of the river, set forward of itself, and, dragging the priests after it, overtook the people. The day continued eventful. Unassailed, the Israelites marched seventy miles to Mount Gerizim and Mount Ebal, and there performed the ceremony bidden by Moses in Deuteronomy: six of the tribes ascended Mount Gerizim, and six Mount Ebal (Legends of the Jews by Louis Ginzberg, 1909, Volume IV, I. JOSHUA).

    De mobilisatie van de overige koningen van Kanašn volgt na het bouwen van het altaar op de berg Ebal. Dit feit plaats ik in de herfst van 1443 v., Chr. op de tijdsbalk.

    Jozua 9:1 Zodra al de koningen aan de westzijde van de Jordaan, op het Gebergte, in de Laagte en langs de ganse kust der Grote Zee tot tegenover de Libanon, de Hethieten, de Amorieten, de Kanašnieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten dit hoorden, 2 sloten zij zich aaneen om eendrachtig Jozua en IsraŽl te bestrijden.

     

    De inwoners van de stad Gibeon hadden intussen met een list een bondgenootschap met Jozua en de IsraŽlieten gesloten en werden vervolgens het doelwit van de overige koningen van Kanašn. Deze geschiedenis staat in Jozua hoofdstuk 9 beschreven. Chronologisch zitten we nu ongeveer in de herfst van 1443 v. Chr. Wat daarna volgt is de in Jozua hoofdstuk 10, beschreven oorlog:

    Jozua 10:1 Zodra Adonisedek, de koning van Jeruzalem, hoorde, dat Jozua Ai veroverd en met de ban geslagen had – evenals hij met Jericho en zijn koning gedaan had, zo had hij ook met Ai en zijn koning gedaan – en dat de inwoners van Gibeon met IsraŽl vriendschap gesloten hadden en in hun midden waren, 2 toen werd men zeer bevreesd, want Gibeon was een grote stad, als een der koninklijke steden, ja, het was groter dan Ai, en al haar mannen waren helden. 3 Daarom zond Adonisedek, de koning van Jeruzalem, aan Hoham, de koning van Hebron, aan Piram, de koning van Jarmut, aan Jafia, de koning van Lakis, en aan Debir, de koning van Eglon, deze boodschap: 4 Trekt op tot mij en helpt mij, opdat wij Gibeon slaan, omdat het vriendschap gesloten heeft met Jozua en de IsraŽlieten. 5 Hierop verenigden zich de vijf koningen der Amorieten en trokken op: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon, zij met al hun legers; zij belegerden Gibeon en streden ertegen. 6 Toen zonden de mannen van Gibeon tot Jozua, naar de legerplaats te Gilgal, deze boodschap: Trek uw hand niet van uw knechten af, ruk haastig tot ons op, verlos ons en help ons, want alle koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons verzameld. 7 Toen trok Jozua uit Gilgal op, hij en al het krijgsvolk met hem, allen dappere helden. 8 En de HERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hen, want Ik geef hen in uw macht, niemand van hen zal voor u standhouden. 9 En Jozua overviel hen plotseling – de ganse nacht was hij, van Gilgal uit, opgetrokken – 10 en de HERE bracht hen voor het aangezicht van IsraŽl in verwarring, zodat hij hun een grote nederlaag toebracht bij Gibeon, hen vervolgde in de richting van de bergpas van Bet-Choron en hen versloeg tot bij Azeka en Makkeda. 11 Terwijl zij nu voor IsraŽl vluchtten en zij juist op de helling van Bet-Choron waren, wierp de HERE uit de hemel grote stenen op hen, tot Azeka toe, zodat zij stierven; die door de hagelstenen stierven, waren talrijker dan die, welke de IsraŽlieten met het zwaard doodden. 12 Toen sprak Jozua tot de HERE ten dage, waarop de HERE de Amorieten aan de IsraŽlieten overleverde, en hij zeide in tegenwoordigheid van IsraŽl: Zon, sta stil te Gibeon en gij, maan, in het dal van Ajjalon! 13 En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijand gewroken had. Is dit niet geschreven in het Boek des Oprechten? De zon nu bleef staan midden aan de hemel en haastte zich niet onder te gaan omstreeks een volle dag. 14 Een dag als deze is er noch vroeger, noch later ooit geweest, waarop de HERE zů iemands stem verhoorde, want de HERE streed voor IsraŽl. 15 Hierop keerde Jozua en geheel IsraŽl met hem terug naar de legerplaats te Gilgal. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het hiervoor beschreven treffen tussen het leger van de IsraŽlieten onder leiding van Jozua en de Kanašnietische coalitie van de vijf koningen plaats ik op de tijdsbalk in de maand oktober van het jaar 1443 v. Chr., nog hetzelfde jaar dat Jericho en Ai ingenomen werden.

    De meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong die het Bijbelboek Jozua beschrijft, is hiermee indirect door de plaatsing van de sabbat- en jubeljaren op de tijdsbalk, gedateerd. De Seder Olam plaatst het fenomeen van het stilstaan van de zon gelijk met de zonnewende in de maand juni van dat jaar en meent hiermee een verklaring voor het fenomeen te kunnen invullen. Het stilstaan van de zon, op het woord van Jozua, is dan ook een aller ongelooflijkst verhaal, schreef Dr. I. Velikovsky in zijn werk ‘Werelden in botsing, 1950, hfst.1. De verdienste van de erudiete Velikovsky is dat hij het gebeuren met de zon op het slagveld bij Gibeon, wetenschappelijk aanvaardbaar vanuit andere oudheid-bronnen, kosmologisch verklaart heeft. De wereld van de oudheid werd vanaf het jaar 2341 v. Chr. tot en met het jaar 668 v. Chr. geplaagd door een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong.

    Hierna een korte samenvatting van Velikovsky ‘s kosmologische bevindingen zoals uiteengezet in ‘Worlds in Collision’ of ‘Werelden in botsing’. Rond het jaar 1500 voor Christus was de planeet Venus nog een komeet, die ontstaan was uit Jupiter, en rond deze tijd de baan van de aarde verstoorde. Beide hemellichamen geraakten in elkaars invloedssfeer en de aarde werd gestoord in zijn omloop om de zon, met als een gevolg te lange en te korte dagen en nachten wat door oudheidastronomen ook waargenomen werd. Een ander resultaat waren aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en het vormen van nieuwe gebergten als gevolg van een bewegende aardkorst. Uit de staart van de komeet viel een rode stof, soms vermengd met vloeistof, meteorieten en koolwaterstoffen op aarde neer. Met de interactie tussen Venus en planeet Aarde nam men elektrische ontladingen waar tussen de kop en de staart van de komeet. Op aarde gaf deze waarneming aanleiding tot het ontstaan van mythologische verhalen. De plaats van de polen op aarde veranderde. De door de grote hitte verdampte hoeveelheid water viel als sneeuw neer op plaatsen, waar vroeger geen koud klimaat heerste met resultaat ingevroren mammoets in SiberiŽ. Dit ganse kosmologische scenario gebeurde tegelijk met de Exodus van de IsraŽlieten uit Egypte in 1483 v. Chr. en verklaart de Bijbelse plagen en het uiteengaan van de Rode Zee. Daarna vond nog een cyclus van bijna-botsingen plaats alvorens de planeten van ons zonnestelsel in de achtste eeuw voor Christus tot rust kwamen en hun huidige baan om de zon innamen. Vooral de planeet Mars zou de planeet aarde nog vele eeuwen kopzorgen bezorgen waarvan de volkeren van de oudheid in hun geschriften getuigenis van aflegden.

     

    De afwijking van dertig jaar in de cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong vereist een verklaring die ik schuldig moet blijven. Mijn opleiding en vorming laten me niet toe een verklaring vanuit de kosmische catastrofetheorie te geven. Mijn terrein van onderzoek ligt al vele jaren bij de chronologie van de herziening van de geschiedenis van de oudheid waar ik meen enige kennis over vergaard te hebben.

    Wanneer ik het van het najaar van 1443 v. Chr. als navigatiepunt op de tijdsbal reken met tijdschijven van 54 jaar en zes maanden arriveer ik negen cycli eerder in het najaar van 1007 v. Chr. Dit jaartal is opmerkelijk omdat dit koning David laatste regeringsjaar was met de beschrijving in de Bijbel (1 Kronieken 21:16-17 en 2 Samuel 24:16-17) van een kosmisch fenomeen boven Jeruzalem.

    1 Kronieken 21:14 De HEERE dan gaf pestilentie in IsraŽl; en er vielen van IsraŽl zeventig duizend man. 15 En God zond een engel naar Jeruzalem, om die te verderven; en als hij haar verdierf, zag het de HEERE, en het berouwde Hem over dat kwaad; en Hij zeide tot den verdervenden engel: Het is genoeg, trek nu uw hand af. De engel des HEEREN nu stond bij den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet. 16 Als David zijn ogen ophief, zo zag hij den engel des HEEREN, staande tussen de aarde en tussen den hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten.

     

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 185-195, beschrijf ik de chronologie van het gebeuren.

    Het najaar van 1443 v. Chr. staat als navigatiepunt op de tijdsbalk vast verankerd en vanaf dit nieuwe ankerpunt rekenen we verder de tijd in aan tijdschijven van 54 jaar en zes maanden wat enkele verrassende resultaten oplevert. De optelberekening geeft het volgende resultaat:

    Maart 1497 v. Chr., oktober 1552 v. Chr., maart 1606 v. Chr. en oktober 1661 v. Chr.

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    06-08-2018 om 07:24 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid (deel 4)

    Najaar 1661 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar!

    Het najaar van 1661 v. Chr. kan exact verbonden worden met de meganatuurcatastrofe die in het Bijbelboek Job beschreven wordt:

    Job 1:16 Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

     

    Job 9:1 Maar Job antwoordde en zeide: 2 Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? 3 Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden. 4 Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad? 5 Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn; 6 Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden; 7 Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren; 8 Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee; 9 Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden; 10 Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.

     

    Job 26:7 Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet. 8 Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet. 9 Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover. 10 Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis. 11 De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden. 12 Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing. 13 Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen. 14 Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?

     

    Een Joodse overlevering leert dat het onheil over Job met nieuwjaarsdag een aanvang nam: “This day of Job's accusation was the New Year's Day, whereon the good and the evil deeds of man are brought before God.”

    (Legends of the Jews, by Louis Ginzberg, Chapter III, Job and the Patriarchs)

    Het beschreven vuur uit de hemel uit Job 1:16 geschiedde in de maand oktober en sluit aan met de beschreven cyclus van meganatuurcatastrofes.

    De Seder Olam die ik eerder citeerde, geeft aanwijzingen waarmee we het jaar 1661 v. Chr. als navigatiepunt op de tijdsbalk kunnen vastpinnen. De geboorte van Job plaatsten we in het jaar van de trek van Jacobs familie naar Egypte in het jaar 1699 v. Chr. De leeftijdsspan van Job was 140 jaar wat hem een plaats op de tijdsbalk geeft van 1699 tot 1559 v. Chr. Job was in zijn achtendertigste levensjaar toen het vuur uit de hemel toesloeg.

    Volgens het onderzoek van Donald W. Patten is het niet mogelijk vanuit de Bijbel of de Talmoed de catastrofe ten tijde van Job te dateren? Zij geven in hun studie twee mogelijke jaartallen op: oktober 1728 v. Chr. en/of 1620 v. Chr. Dit als een gevolg van hun gebruik van het jaar 701 v. Chr. dat zij van THIELE ontleend hebben.

    De lezer moet beseffen dat ik geen kritiek lever op het inhoudelijke werk van Patten en zijn medewerkers maar alleen op de chronologische aspecten er van. Hun kosmologisch-wetenschappelijke bevindingen blijven onaangetast en zijn bovendien verstaanbaar geschreven voor diegenen die niet met hun vakwetenschap vertrouwd zijn.

     

    Voorjaar 1715 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Dit jaartal is het resultaat van het verder in de tijd terugrekenen vanaf het vorige navigatiepunt op de tijdsbalk: 1661 v. Chr. Op mijn tijdsbalken, zoals in TIJD en TIJDEN, 2015, gepubliceerd vinden we geen bijzondere verwijzing naar een eventuele meganatuurcatastrofe. Dat er zich tekenen aan de hemel hebben voorgedaan lijkt voor de hand te liggen. Het volgende jaartal dat bekomen wordt is 1770 v. Chr. met idem dito geen verwijzingen naar catastrofes. Daarna volgt het jaar 1824 v. Chr., gevolgd door 1879 v. Chr. en 1933 v. Chr. Het is pas in het najaar van 1988 v. Chr. dat er zich een merkwaardigheid voordoet.

     

    Najaar 1988 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?!

    Op mijn tijdsbalk blijkt dit jaar het geboortejaar van Abram/Abraham geweest te zijn. Een jaar waarvan we kunnen aannemen dat het met tekenen aan de hemel gepaard ging. De Joodse legendes verbinden een kosmisch fenomeen met de nacht dat Abram geboren werd:

    Terah had been a high official at the court of Nimrod, and he was held in great consideration by the king and his suite. A son was born unto him whom he called Abram, because the king had raised him to an exalted place. In the night of Abraham's birth, the astrologers and the wise men of Nimrod came to the house of Terah, and ate and drank, and rejoiced with him that night. When they left the house, they lifted up their eyes toward heaven to look at the stars, and they saw, and, behold, one great star came from the east and ran athwart the heavens and swallowed up the four stars at the four corners. They all were astonished at the sight, but they understood this matter, and knew its import. They said to one another: "This only betokens that the child that hath been born unto Terah this night will grow up and be fruitful, and he will multiply and possess all the earth, he and his children forever, and he and his seed will slay great kings and inherit their lands."

    (Legends of the Jews compiled by Louis Ginzberg, 1909, Volume I, Chapter V)

     

    Het zijn dezelfde legendes die leren dat de ‘Heerlijkheid des HEREN’ de Tempel van Salomo te Jeruzalem pas vulde een jaar na het afwerken van het Heiligdom in 995 v. Chr. De reden hebben we eerder gezien, was dat dit fenomeen gelijk moest lopen met de maand van Abram ’s geboorte (Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Volume 4, Chapter V).

     

    Wanneer we van het geboortejaar van Abram ditmaal op de tijdsbalk vooruit rekenen arriveren we in het jaar 1889 v. Chr. voor zijn negenennegentigste levensjaar en de vermelding in de Bijbel die de vernietiging van Sodom en Gomorra met dat jaar verbind.

    Genesis 19:24 Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel. 25 En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands. (Statenvertaling)

     

    De in de Bijbel beschreven ramp met zwavel en vuur dat vanuit de hemel over de steden Sodom en Gomorra wijkt tien jaar van de cyclus van meganatuurcatastrofes af. Afwijkingen waar de onderzoekers Patten en zijn medewerkers rekening mee hielden.

     

    Najaar 2206 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?!

    Wanneer we onze rekenoefening met tijdschijven van 54 jaar en zes maanden verder de tijd inzetten arriveren we in het najaar van 2206 v. Chr. in de dagen van Peleg.

    Genesis 10:25 En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan. (Statenvertaling)

     

    Het is een kort Bijbelcitaat waar nochtans meerdere verklaringen over gegeven worden. Eťn verklaring leert dat de continentale drift, het uiteenscheuren van de aardelandmassa, in ťťn meganatuurcatastrofe plaatsgevonden heeft. Het is een verklaring die in lijn ligt met de gepresenteerde catastrofetheorie.

     

    De grootste catastrofe ooit die planeet aarde trof was de Grote Vloed of zondvloed die ik op basis van sabbat- en jubeljaarkalender in het jaar 2341/2340 v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst heb.

    De chronologie van mijn boek TIJD en TIJDEN is opgebouwd binnen het raamwerk van de sabbat- en jubeljaren volgens de telling van William Whiston als fundament. Er waren dertig jubeljaren vanaf het optreden van de Heer Jezus Christus in oktober 27 AD te Nazareth volgens Lukas hoofdstuk 4, wanneer de Heiland het ‘aangename jaar des HEREN’ uitriep. Het eerste jubeljaar terug de tijd viel in okt.1395/sep.1394 v. Chr. Zeven maal zeven jaar eerder waren zij in 1443 v. Chr. het beloofde land Kanašn binnengetrokken en begon de eerste sabbatjaren-cyclus. Veertig jaar daarvoor waren de IsraŽlieten in 1483 v. Chr. uit Egypte opgetrokken. Volgens het Bijbelboek 1 Koningen 6:1 waren het vierhonderdtachtig jaar vanaf het exodusjaar tot het vierde regeringsjaar van Salomo wanneer deze aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem begon. Het vierde regeringsjaar van Salomo viel volgens de sabbat- en jubeljaar-telling in oktober 1004/september 1003 v. Chr. Zijn eerste regeringsjaar begon in oktober 1007 v. Chr. Daarvoor hebben we de veertigjarige regeerperiode van David: 1047/1007 v. Chr. en daarvoor regeerde Saul van 1087 tot 1047 v. Chr. over de twaalf stammen van IsraŽl. De koningen van IsraŽl en Juda heb ik tussen de jaartallen 1087 en 586 v. Chr. op de tijdsbalk herschikt met de historische sabbat- en jubeljaren als ijkpunten.

    Vanaf Pesach in het voorjaar van 1483 v. Chr. met de Exodus en negenenveertig dagen later Sjavoeot en het geven van de Tien Woorden aan Mozes zijn het vierhonderddertig jaar terug tot de roeping van Abram/Abraham (Galaten 3:17) in 1913 v. Chr. Het was in het stervensjaar van Thera dat Abram uit Haran naar Kanašn vertrok (Genesis 11:32 en 12:1-4). Vanaf Thera de vader van Abram/Abraham hanteren we de jaartallen van de geslachtslijn van Sem de zoon van Noach (Genesis 11:10-22) tot op Thera. Het resultaat is 2340 v. Chr. voor het einde van de Grote Vloed. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 13-21, wijs ik ook op de hogere jaartallen die de Griekse Septuagintvertaling hanteert ter berekening van het jaar van de zondvloed en leg uit waarom ik de Masoretische tekst van onze Bijbel verkies.

    Mijn keuze voor een jong jaartal voor de zondvloed werd bevestigd door de studie van Dr. Werner Papke aan: “Die Sterne von Babylon, Die geheime Botschaft des Gilgamesch – nach 4000 Jahren entschlŁsselt”. Het werk dateert al van 1989 (ISBN 3 7857 0498 4). De auteur brengt een Duitse vertaling van het Gilgamesj-epos en berekend de astronomische datum van de Babylonische versie van de zondvloed. Tot mijn verrassing kwam in zijn studie telkens weer het jaar 2340 v. Chr. tevoorschijn, voor het gebeuren. Het is hetzelfde jaartal waar ik bij arriveerde in mijn studie: TIJD en TIJDEN. Dit op basis van de sabbat- en jubeljaartelling op de wijze van tellen volgens William Whiston en vervolgens via de juiste verbinding met het tijdstip van de roeping van Abraham, voorafgegaan met de Genesisgeslachtsregisters van de aartsvaders. Ik beschouw de verkregen astronomische datum van 2340 v. Chr. van Werner Papke voor het Gilgamesj-epos, als een kruispeiling dat mijn in de tijd terug navigeren via de sabbat- en jubeljaren, bevestigd. Verbazend bij het lezen van het werk van Dr. Werner Papke was ook de astronomische kennis van de ChaldeeŽrs. Zij waren blijkbaar Copernicus vierduizend jaar vooraf. Zij wisten bijvoorbeeld dat de planeten niet om de aarde, maar om de zon cirkelen en dat planeet aarde met haar maan op de vierde plaats na Saturnus komt. Het toont veel over de kennis van de nakomelingen van Noach in het derde millennium v. Chr. Dit alles is een kennis die later verloren ging en in het Westen slechts vijfhonderd geleden opnieuw verkregen werd.

    Het Bijbelboek Genesis leert een wereldwijde grote vloed dat het einde van de eerste beschaving sinds de Schepping betekende met een nieuw begin in 2340 v. Chr. De wereld die onderging was een beschaving zonder weerga geweest gelijk aan het Atlantis uit de Griekse mythologie. Maar het was een beschaving geweest die haar eigen weg naar de ondergang ging. Honderdtwintig jaar voor de Grote Vloed was de maat vol en was de aarde en alles wat er op leefde gedoemd tot sterven. Wat de maat vol maakte was het vermengen van de zonen Gods met de dochters der mensen, met als resultaat: de Nefilim. Een Hebreeuws woord dat meestal vertaald wordt met reuzen of geweldenaars.

    Genesis 6:1 Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, 2 zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. 3 En de HERE zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. 4 De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam. 5 Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6 berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN.

     

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik de Grote Vloed gedateerd van oktober/november Anno Mundi 1656 tot oktober/november van AM 1657 of 2341/2340 v. Chr. volgens de westerse jaartelling. Dat de meganatuurcatastrofe dat de zondvloed was, een volledig jaar duurde leert het Bijbelboek Genesis:

    Genesis 7:10 Na zeven dagen kwamen de wateren van de vloed over de aarde. 11 In Noach ‘s zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand (oktober/november), op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend. 12 En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde.

    Genesis 8:13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand (september/oktober), op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van de aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op. 14 In de tweede maand (oktober/november), op de zevenentwintigste dag der maand, was de aarde droog.

     

    De beschrijving in Genesis 7:11 dat alle kolken der grote waterdiepten openbraken verklaart Patten vanuit kosmische krachten veroorzaakt wanneer planeet aarde in haar baan om de zon door andere hemellichamen verstoord werd. Patten verklaart verder de continentale drift op aarde en de vorming wereldwijd van bergketens als een gevolg van de zondvloedramp. Zie het commentaar op de cover van het boek hierna:

    The author contends that, through the agency of astral principles, the Earth became engaged, or engulfed, in simultaneous gravitational upheavals and magnetic conflicts. There came with suddenness to our fragile, spiraling sphere, The Biblical Flood and The Ice Epoch. Readers of this unique book will find a challenging and refreshing view of ancient catastrophism and its conclusion, Divine Creation, a subject of importance in this age of increasing intellectual rootlessness.

    It is over and against the prevailing monopoly of uniformitarian thought (which proposes that oceans of time are necessary for anything and everything, both geologically and biologically) that Mr. Patten proposes his view of historical celestial crises, global catastrophes. Such catastrophes may explain many features about several planets. Such catastrophes, relative to the Earth-Moon system, explain the raising up of mountain ranges, sweeping across the face of the Earth in arcuate alignment, similar to the mountain patterns of the Moon.

    This was achieved suddenly, and by tidal upheavals within the oceans (of centrifugally rotating lava) within the Earth's crust. Simultaneously, tidal upheavals engulfing the oceans raised tides of subcontinental dimensions on the Earth's crust, thus the historically recorded Deluge, or Flood.

    (The Biblical Flood and the Ice Epoch by Donald Wesley Patten, 1966)

     

    Een periode van Gods handelen met de mens werd in 2341/2340 v. Chr. definitief afgesloten. Ik vind het opmerkelijk dat er in het Bijbelboek Genesis staat geschreven dat de HEERE God de deur van de ark sloot en niet Noach:

    Genesis 7:16b … En de HEERE sloot achter hem toe..

    Het betekende het afsluiten van een Bijbelse bedeling. Slechts acht mensen: vier mannen en vier vrouwen overleefden de meganatuurcatastrofe van Godswege en begonnen daarna met een verbond van God en met de belofte dat Hij nooit meer de aarde zou verderven (Genesis 9:9-11) aan een nieuw leven met nieuwe verantwoordelijkheden. Het ‘kwaad’ (Rom. 3:9-17) was echter mee de ark ingegaan en in de geslachtslijn van Cham zou er dra een nieuwe opstand opkomen. Het was de Bijbelse Nimrod die het verzet na de grote vloed leidde. Met de roeping van Abram/Abraham in 1913 v. Chr. werd ook de bedeling van na de vloed afgesloten en ving de periode van de belofte aan.

     

    De Joodse legendes over de Grote Vloed verhalen ook over de kosmos die bij de ramp betrokken was:

    The flood was produced by a union of the male waters, which are above the firmament, and the female waters issuing from the earth. The upper waters rushed through the space left when God removed two stars out of the constellation Pleiades. Afterward, to put a stop to the flood, God had to transfer two stars from the constellation of the Bear to the constellation of the Pleiades. That is why the Bear runs after the Pleiades. She wants her two children back, but they will be restored to her only in the future world. There were other changes among the celestial spheres during the year of the flood. All the time it lasted, the sun and the moon shed no light, whence Noah was called by his name, "the resting one," for in his life the sun and the moon rested. The ark was illuminated by a precious stone, the light of which was more brilliant by night than by day, so enabling Noah to distinguish between day and night.

    (Legends of the Jews compiled by Louis Ginzberg, 1909, Volume 1, Chapter IV)

     

    Het is opmerkelijk dat de legende het heeft over een herstel van de kosmos over de wereld die volgens de Hebreeuwse profeten van de Bijbel nog komen moet.

    In zijn boek hanteert Patten de sleutel: ‘The past is the key to the future’. Het is deze sleutel die niet alleen deuren opent naar verleden en heden maar ook naar de toekomst. Want voor wie dacht dat de meganatuurcatastrofes van de vierentwintigste eeuw tot de zevende eeuw voor Christus het einde van een aarde in beroering betekende, komt bedrogen uit. Wanneer we het laatste Bijbelboek Openbaring los van de orthodoxe uitlegkunde bestuderen en de beschreven aangekondigde rampen als nog in de toekomst te geschiedden willen zien blijkt dat planeet aarde wederom danig geschud zal worden. Of zoals de Heer Jezus Christus zijn wederkomst aankondigde in zijn rede over de laatste dingen:

    Lucas 21:25 En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, 26 terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. 27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid.

     

    Openbaring 22:20 Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! 21 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    06-08-2018 om 07:23 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid (deel 2)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Najaar oktober 885 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Onze reis in de tijd terug voert ons van het vorige meganatuurcatastrofe-jaar in het voorjaar van 830 v. Chr. aan 54 jaar en zes maanden naar het najaar van 885 v. Chr.

    Niet toevallig vinden we in de Bijbel tijdens deze epoque de geschiedenis van de wegvoering van de profeet Elia in een vurige wagen ten tijde van een storm.

    2 Koningen 2:1 Het geschiedde nu, als de HEERE Elia met een onweder ten hemel opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van Gilgal. 2 En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Beth-el gezonden. Maar Elisa zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzo gingen zij af naar Beth-el. 3 Toen gingen de zonen der profeten, die te Beth-el waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil. 4 En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzo kwamen zij te Jericho. 5 Toen traden de zonen der profeten, die te Jericho waren, naar Elisa toe, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil. 6 En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! En zij beiden gingen henen. 7 En vijftig mannen van de zonen der profeten gingen henen, en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan. 8 Toen nam Elia zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld; en zij beiden gingen er door op het droge. 9 Het geschiedde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zeide tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen worde. En Elisa zeide: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn! 10 En hij zeide: Gij hebt een harde zaak begeerd; indien gij mij zult zien, als ik van bij u weggenomen worde, het zal u alzo geschieden; doch zo niet, het zal niet geschieden. 11 En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elia met een onweder ten hemel. (Statenvertaling)

     

    De tijdperiode van het optreden van de profeet Elia wordt in de Bijbel beschreven als een bijzondere tijd van tekenen aan de hemel. Zo beschrijft het Bijbelboek 1 Koningen hoofdstuk 18 hoe de profeet Elia getuige was van hemels (kosmisch) vuur dat zijn slachtoffer op het altaar van twaalf stenen op de berg Karmel, volledig verteerde, stenen en al. Het kosmisch verband met deze beschreven gebeurtenis wordt door de wetenschappers Patten, Hatch en Steinhauer in hun boek: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Page 153-159, uitvoerig beschreven. Hun datering van de catastrofe gebeurde echter aan de hand van Thiele ís jaartallen voor Achab van IsraŽl en zit er als een gevolg enkele jaren naast. De plaatsing van de regeerperiode van koning Achab van IsraŽl op de tijdsbalk aan de hand van de sabbat- en jubeljaren, heb ik in mijn boek ĎKronieken van de koningen IsraŽl, 2017, blz. 59-70, beschreven. Achab regeerde van het jaar 909 tot 888 v. Chr. Zijn zoon Ahazia volgde hem op nadat deze in co-regentschap met zijn vader de troon gedeeld had.

    De Seder Olam (Part 2, Chapter 17) leert dat de wegvoering van Elia in het tweede regeringsjaar van koning Achazja van IsraŽl gebeurde:

    ďAhaziah ben Ahab ruled for two years . In Ahaziah ís second year, Elijah was hidden and will not be seen again until King Messiah will come, then he will be seen, then hidden a second time until Gog and Magog come.

     

    Indien de geleverde chronologie in de Seder Olam correct is wijkt de wegvoering van Elia in een vurige storm met drie jaar af. Het tweede regeringsjaar van Ahazia van IsraŽl viel in april 888/maart 887 v. Chr.

     

    Voorjaar 939 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar? Of voorjaar 942 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Aangezien de chronologie van de wegvoering van Elia in een vurige wagen ten tijde van een kosmische storm niet absoluut vast ligt hebben we twee mogelijke resultaten wanneer we in de tijd verder terug rekenen met de tijdschijf van 54 jaar en zes maanden, en arriveren we op de tijdsbalk in de periode tussen oktober 942 en oktober 939 v. Chr.

     

    %%%FOTO1%%%

     

    Tijdens deze epoque valt binnen het raamwerk van de herziening van de geschiedenis van de oudheid de regeerperiode van farao Thothmosis III en de vermelding van de zondvloed van Deucalion door de Egyptische historicus Manetho.

    De zondvloed van Deucalion behoort tot de zondvloedverhalen uit de Griekse mythologie en wordt ook al eens in verband met de Bijbelse Genesiszondvloed gebracht. Nu vermeldt de Egyptische historicus Manetho echter dat de overstroming van Deucalion plaatsvond tijdens het bewind van de zesde farao uit de achttiende dynastie. Het is mijn overtuiging dat de zondvloed van Deucalion in de periode tussen oktober 942 en oktober 939 v. Chr. te plaatsen is.

    In mijn studie TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 197-203 en blz. 220-223, heb ik de regeerperiode van farao Thothmosis III/ Misphragmuthosis/ Mencheperre, op de tijdsbalk op basis van de Bijbelse chronologie verankerd.

    Misphragmuthosis of beter bekend als Mencheperre of Thothmosis III was de zesde farao van de achttiende dynastie van Manetho. Alleen de kopieerder van Manetho: Africanus, vermeldt laconiek bij zijn regeerperiode voor Misphragmuthosis dat in zijn tijd de vloed van Deucalion plaatsvond. De andere kopieerders van Manetho: Eusebius en Josephus, zwijgen over de vloed. Africanus geeft verder geen chronologische indicatie wanneer juist de ramp Egypte trof.

    Uitgaande van een aangetoonde cyclus van meganatuurcatastrofes zijn we in staat (ongeveer) een jaartal aan de vloed van Deucalion ten tijde van Misphragmuthosis te geven.

    Gerekend vanaf oktober 776 v. Chr. en vervolgens vanaf maart/april 830 v. Chr. met tijdschijven van telkens 54 jaar en zes maanden arriveerden we in oktober 885 of 888 v. Chr. Vanaf de verkregen twee mogelijke ankerpunten verder de tijd ingerekend arriveren we in het voorjaar van 939 of 942 v. Chr. tegen het einde aan van de regeerperiode van Thothmosis III/Misphragmuthosis in diens vijfenveertigste of zevenenveertigste regeringsjaar.

    De nasleep van de meganatuurcatastrofe betekende een verzwakking van de macht van Thothmosis III over de regio, want daarna vinden we geen genoteerde veldtochten meer terug (Sir Alan Gardiner, Egypt of the Pharaohs, 1961, Book II, VIII, The Theban Supremacy, page 197).

    Na de grote vloed van Deucalion volgde in 933 v. Chr. de invasie van het geruÔneerde Egypte door de Bijbelse farao Zera de EthiopiŽr. Over de Ethiopische invasie en bezetting van Egypte en de ontstane tussenperiode in de achttiende dynastie, besteedde ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 229-232, een hoofdstuk.

    Op het bijgevoegde schema merken we ook dat het jaar 942 v. Chr. tijdens de regeerperiode van Asa van Juda viel, en tijdens de regeerperiode van Baesa van het tienstammenrijk. De Bijbel zwijgt tijdens deze periode over buitensporig natuurgeweld. Ik neem aan dat in het bijzonder de Grieken en de Egyptenaren dat jaar getroffen werden en het gebied van IsraŽl grotendeels verschoond bleef.

     

    Najaar 994 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar? Of najaar 997 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Het toepassen van de tijdschijf van 54 jaar en zes maanden voor de intervallen in de cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong brengt ons voor dit hoofdstuk op de tijdsbalk tussen 997 en 994 v. Chr. afhankelijk van het jaartal dat men als ankerjaar of navigatiepunt op de tijdsbalk hanteert.

    Wanneer we op mijn tijdsschema ís zoals in TIJD en TIJDEN, 2015, gebracht in deze periode op zoek gaan naar een vermelding in de Bijbel naar een kosmisch fenomeen met gevolgen op aarde komen we verrassender wijze uit bij het afgewerkt zijn van de Tempel van Salomo te Jeruzalem in het najaar van 996 v. Chr. en de Heerlijkheid des HEEREN of de Sjekinah die daarop het Heilige der heiligen in de Tempel vulde.

    1 Koningen 6:37 In het vierde jaar werd de grond van het huis des HEEREN gelegd, in de maand Ziv; 38 En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand (oktober/november), was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; alzo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd.

     

    2 Kronieken 7:1 Als nu Salomo voleind had te bidden, zo daalde het vuur van den hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde het huis. 2 En de priesters konden niet ingaan in het huis des HEEREN; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld. 3 En als al de kinderen IsraŽls dat vuur zagen afdalen, en de heerlijkheid des HEEREN over het huis, zo bukten zij met hun aangezichten ter aarde op den vloer, en aanbaden en loofden den HEERE, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid. (Statenvertaling)

     

    Wanneer we de relevante hoofdstukken in het Bijbelboek 2 Kronieken lezen lijkt het er op dat de heerlijkheid des HEEREN de Tempel vulde in dezelfde maand en jaar wanneer de Tempel voltooid was. Een expliciet jaartal wordt niet geleverd. Volgens de Joodse legendes echter vond het fenomeen van het vuur uit de hemel pas een jaar later plaats.

    "The Temple was finished in the month of Bul, now called Marheshwan, but the edifice stood closed for nearly a whole year, because it was the will of God that the dedication take place in the month of Abraham's birth. Meantime the enemies of Solomon rejoiced maliciously. "Was it not the son of Bath-sheba," they said, "who built the Temple? How, then, could God permit His Shekinah to rest upon it?" When the consecration of the house took place, and "the fire came down from heaven," they recognized their mistake. The importance of the Temple appeared at once, for the torrential rains which annually since the deluge had fallen for forty days beginning with the month of Marheshwan, for the first time failed to come, and thenceforward appeared no more. "

    Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Volume 4, Chapter V.

     

    Indien de aangeboden chronologie vanuit de Joodse overlevering correct is dateren we het vuur vanuit de hemel in het najaar van 995 v. Chr., ťťn jaar na de voltooiing van de Tempel.

    De legende leert eveneens dat er zich daarna een klimaatwijziging voordeed want de hevige regenbuien die de wereld blijkbaar sinds de Grote Vloed ieder jaar gedurende veertig dagen getroffen had, bleven daarna weg.

     

    Met de chronologische informatie die we nu bezitten komen twee ankerjaren en navigatiepunten op de tijdsbalk tevoorschijn als mogelijk tijdstip voor een jaar met een kosmisch fenomeen: najaar 996 en/of najaar 995 v. Chr. Vanaf deze jaartallen gaan we verder de tijd in en op zoek naar historische bronnen die een en ander bevestigen.

     

    Voorjaar 1049 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Mijn keuze valt op het voorjaar van 1049 v. Chr. voor een jaar dat opnieuw getuige van een meganatuurcatastrofe was. Het was namelijk in 1049 v. Chr. dat in Egypte de Hyksos/Amalekieten verdreven werden met de notering van een meganatuurcatastrofe. Dat zelfde jaar trok koning Saul van het Verenigd Koninkrijk IsraŽl ten strijde tegen de stad van Amalek in zijn achtendertigste regeringsjaar.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 179-194, behandel ik de veertigjarige regeerperiode van Saul.

    Binnen het tijdskader van de nieuwe chronologie rukte in Egypte farao Ahmose van de achttiende dynastie in diens elfde regeringsjaar in 1049 v. Chr. op naar het noorden, naar de Nijldelta en dwong de Hyksos tot terugtrekken. Daarna rukte farao Ahmose Klein-AziŽ binnen ter belegering van Sjaroehen, een plaats die Velikovsky in zijn boek ĎEeuwen in Chaosí, in de nabijheid van Petra situeerde. Saul en Ahmose hebben geallieerd aan de heerschappij van de Amalekieten/Hyksos een einde gebracht.

     

    Dat het achtendertigste regeringsjaar van Saul gelijk valt met het elfde regeringsjaar van farao Ahmose is het resultaat van het verankeren van het vijfentwintigste regeringsjaar van farao Thothmosis III alias de Bijbelse Sisak, met het vijfde regeringsjaar van koning Rehabeam van Juda in het voorjaar van 961 v. Chr. Dat jaar plunderde Sisak de Tempel te Jeruzalem. Dit heb ik in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 197-203 en blz. 220-223, uiteengezet.

    Vanaf het jaartal 961 v. Chr. heb ik de regeerperiode van Thothmosis III en van zijn voorgangers op de tijdsbalk gerangschikt. Het eerste regeringsjaar van Thothmosis III wordt nu 986/985 v. Chr. Dit jaar loopt gelijk met het begin van de regeerperiode van Hatsjepsoet, de vrouw die voor een periode van tweeŽntwintig jaar farao over Egypte was. Thothmosis III was gedurende deze tijd ondergeschikt aan Hatsjepsoet. Na haar dood in het jaar 964 v. Chr. rukte Thothmosis III in zijn drieŽntwintigste regeringsjaar voor de eerste maal Klein-AziŽ binnen en beŽindigde de periode van vrede die er was tussen Hatsjepsoet en Salomo. Hatsjepsoet werd door Velikovsky overtuigend geÔdentificeerd met de Bijbelse koningin van Scheba. Zie TIJD en TIJDEN, blz. 208-210. De expeditie naar het land Poent door Hatsjepsoet in haar negende regeringsjaar, was naar het IsraŽl van Salomo. Salomo zat dan dertig jaar op de troon en vierde naar ik aanneem, een soortgelijk Heb-Seb-festival  zoals in Egypte gebruikelijk was. De voorganger van Hatsjepsoet was haar vader Thothmosis I die veertien jaar regeerde van 1000/999 v. Chr. tot 987/986 v. Chr. De korte regeerperiode van Thothmosis II loopt gelijk met die van zijn echtgenote Hatsjepsoet. Thothmosis I had ook een zoon bij een bijvrouw genaamd Isis: Thothmosis III. Deze troonopvolger zou echter moeten wachten tot de dood van Hatsjepsoet alvorens de scepter in Egypte te kunnen overnemen. De voorganger van Thothmosis I op de troon in Egypte was farao Amonhotep I met een regeerperiode van vierentwintig jaar. Zijn regeringsjaren gaan van het jaar 1024/1023 tot 1001/1000 v. Chr. De chronologische bronnen van Manetho geven verschillende aantallen voor de regeringsduur. Africanus geeft een regeringsduur van 24 jaar op, Eusebius 21 jaar, Josephus 20 jaar en zeven maanden. Ik heb gekozen voor de periode van 24 jaar omdat dit als een puzzelstukje in het gereviseerde plaatje past. De voorganger van farao Amonhotep I op de faraolijst was een farao met de naam Chebros of Chebron. En zo arriveren we terugrekenend vanaf het vijfentwintigste regeringsjaar van Thothmosis III bij de farao die de Hyksos uit Egypte verdreven heeft: farao Ahmose. Hij krijgt van de kopieerders van Manetho een regeerperiode van vijfentwintig jaar tot vijfentwintig jaar plus tien maanden toebedeeld. Naast de aangehaalde kroniekschrijvers met hun al eens afwijkende jaartallen hebben we in Egypte de overgebleven monumenten met ook heel wat informatie over regeerperioden van faraoís. Het hoogste getal wat de regeerperiode voor Ahmose betreft is hier echter tweeŽntwintig jaar. Op mijn samengestelde tijdsbalk heb ik farao Ahmose vanaf het jaar 1060 tot 1037 v. Chr. aangebracht. Zijn elfde regeringsjaar valt in 1050/1049 v. Chr. met in het voorjaar van 1049 v. Chr. zijn oorlog met de Hyksos.

    Dat de verdrijving van de Hyksos uit Egypte specifiek in het elfde regeringsjaar van farao Ahmose plaatsvond, hebben we van het zogenaamde Rhind-papyrus. Het Rhind-papyrus heeft zijn naam te danken aan de vinder ervan: de Schotse egyptoloog Alexander Henry Rhind namelijk, die anno 1858 in Thebe in de ruÔnes van een klein gebouw in de buurt van het Ramesseum de vondst deed. Het British Museum kocht dit stuk uit zijn nalatenschap in 1865. De papyrusrol, die in het hiŽratisch, een vorm van cursieve hiŽrogliefen beschreven is, is een enkele rol met een lengte van vijf en een halve meter en een breedte van 32 centimeter. De inhoud gaat voor het grootste gedeelte over de wiskunde van de oude Egyptenaren, maar op het document staat ook een historische vermelding over farao Ahmose en de verdrijving van de Hyksos. Hierna het betreffende gedeelte:

    Jaar 11, tweede maand van het oogstseizoen. Heliopolis werd ingenomen. De eerste maand van het overstromingsseizoen, 23ste dag, de bevelhebber (?) van het leger (?) tegen (?) Tjaru. 25ste dag, het werd vernomen dat Tjaru ingenomen was. Jaar 11, de eerste maand van het overstromingsseizoen, derde dag. Geboorte van Seth, de majesteit van deze god maakte dat zijn stem gehoord werd. Geboorte van Isis, de hemelen regenden.

     

    De meganatuurcatastrofe meen ik in de vermelding van het Rhind-papyrus te herkennen in de ĎGeboorte van Seth, de majesteit van deze god maakte dat zijn stem gehoord werd. Geboorte van Isis, de hemelen regendení.

     

    Voor de Egyptenaren waren de planeten en de natuurelementen hun goden die hun in de strijd tegen de Hyksos, die de god Seth vereerden, ter hulp kwamen. Zo werd Isis in het oude Egypte met de planeet Venus geassocieerd en Seth met de komeet Typhon. Dit zou ook de komeet geweest zijn die bij de Exodus verantwoordelijk voor heel wat plagen en ziektes was. De geboorte van Isis en een regen van vuur samen met een vloedgolf, bezegelden het lot van de Hyksos in 1049 v. Chr. die de strijd opgaven. De zogenaamde stormwind-stele van Ahmose die te Karnak gevonden werd en waarop hij het herbouwen van de piramiden van zijn voorgangers vermeld, zou kunnen verwijzen naar de meganatuurcatastrofe van 1049 v. Chr.

    Steinhauer, chronologisch gezien wat de intervallen tussen de catastrofes betreft correct zijn.

     

    Najaar 1104 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Wanneer we weer dezelfde rekenoefening maken met de tijdschijf van 54 jaar en zes maanden vanaf het vorige ankerjaar: voorjaar 1049 v. Chr. arriveren we in het najaar van 1104 v. Chr. voor een meganatuurcatastrofe.

    Het is de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus die de ramp beschrijft die de Filistijnen overkwam in ongeveer 1104 v. Chr.

    Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek VI,ii.2b.

    Ö.Now while the altar had the sacrifice of God upon it, and had not yet consumed it wholly by its sacred fire, the enemy's army marched out of their camp, and was put in order of battle, and this in hope that they should be conquerors, since the Jews were caught in distressed circumstances, as neither having their weapons with them, nor being assembled there in order to fight. But things so fell out, that they would hardly have been credited though they had been foretold by anybody: for, in the first place, God disturbed their enemies with an earthquake, and moved the ground under them to such a degree, that he caused it to tremble, and made them to shake, insomuch that by its trembling, he made some unable to keep their feet, and made them fall down, and by opening its chasms, he caused that others should be hurried down into them; after which he caused such a noise of thunder to come among them, and made fiery lightning shine so terribly round about them, that it was ready to burn their faces; and he so suddenly shook their weapons out of their hands, that he made them fly and return home naked. So Samuel with the multitude pursued them to Bethcar, a place so called; and there he set up a stone as a boundary of their victory and their enemies' flight, and called it the Stone of Power, as a signal of that power God had given them against their enemies.

     

    De wetenschappers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch enLoren C. Steinhauer stellen dat deze steen een meteoriet was: ďin all likelihood a Mars-asteroid, once a part of the fragmented planet, Electra.Ē

    The Ďstone of powerí was a large impressive meteorite, and it was selected, appropriately enough, for an historical monument. (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Chapter VI, Catastrophes of the Davidic Era, The Samuelic Catastrophe)

     

    Het Bijbelboek 1 SamuŽl verhaalt in een gelijkaardig verslag het fenomeen ten tijde van de slag bij Eben-HaŽzer tussen de Filistijnen en de IsraŽlieten ten tijde van het richter-schap van SamuŽl.

    1 SamuŽl 7:9 En toen SamuŽl voor IsraŽl tot de HERE riep, antwoordde de HERE hem. 10 Terwijl SamuŽl bezig was het brandoffer te brengen, rukten de Filistijnen op ten strijde tegen IsraŽl, maar de HERE deed te dien dage machtig de donder rollen over de Filistijnen en bracht hen in verwarring, zodat zij tegen IsraŽl de nederlaag leden. 11 De mannen van IsraŽl trokken toen uit Mispa, vervolgden de Filistijnen en versloegen hen tot beneden Bet-Kar. 12 En SamuŽl nam een steen en stelde die op tussen Mispa en Sen; hij gaf hem de naam Eben-HaŽzer, en zeide: Tot hiertoe heeft ons de HERE geholpen. 13 Zo werden de Filistijnen vernederd en drongen het gebied van IsraŽl niet meer binnen. (NBG Vertaling 1951)

     

    Ook op andere plaatsen in Klein-AziŽ, zijn er verwijzingen voor deze tijd, naar vallende stenen. De onderzoekers Patten & Co maken bijvoorbeeld de link met de neergekomen meteoriet ten tijde van SamuŽl, met de zwarte steen in Mekka.

    The Ďstone of powerí was a large impressive meteorite, and it was selected, appropriately enough, for an historical monument. That kind of monument occurs elsewhere on the Arabian peninsula. During one or another of these many cyclic catastrophes a meteorite fell in on near Mecca, for the black stone of Kaaba in Mecca is also a meteorite. In ancient times, it, too, fell from the sky, and became a holy thing to surrounding tribes. Later it was brought into Islamic faith, an adoption from local cosmic lore. One ancient Arab legend relates it was brought down by the Archangel Gabriel, an archangel or celestial being sometimes considered a governor of the luminaries. (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Chapter VI, Catastrophes of the Davidic Era, The Samuelic Catastrophe)

     

    Donald W. Patten en zijn medewerkers plaatsen het voorval in Ďongeveerí 1080 BC. Zij hebben gebruik gemaakt van de jaartallen die Edwin R. Thiele samengesteld heeft voor de regeerperioden van de koningen van IsraŽl en Juda. Hun ankerpunt en vertrekpunt op de tijdsbalk is het jaar 701 v. Chr. Vanaf dit jaartal op de tijdsbalk terugwerkend arriveren zij in ongeveer in het jaar 1080 v. Chr. voor de catastrofe ten tijde van de richter Samuel.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de opgerichte steen van SamuŽl te Eben HaŽzer, blz. 169-175, dateerde ik de meganatuurcatastrofe ten tijde van de profeet SamuŽl exact voor de maand oktober van het jaar 1103 v. Chr. en dit op basis van de nieuwe chronologie via het raamwerk van de sabbat- en jubeljarentelling. Dit betekent een afwijking van ťťn jaar met het veronderstelde catastrofejaar in 1104 v. Chr.

    Volgens mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid viel in 1103 v. Chr. het einde van de veertigjarige verdrukking van de IsraŽlieten door de Filistijnen.

    1 SamuŽl 7: 13 Zo werden de Filistijnen vernederd en drongen het gebied van IsraŽl niet meer binnen. De hand des HEREN was tegen de Filistijnen al de dagen van SamuŽl, 14 en de steden die de Filistijnen aan IsraŽl ontnomen hadden, kwamen opnieuw aan IsraŽl, van Ekron af tot Gat toe; en IsraŽl ontrukte het daarbij behorende gebied aan de macht der Filistijnen. Ook was er vrede tussen IsraŽl en de Amorieten. 15 SamuŽl nu was richter over IsraŽl, zolang hij leefde. (NBG Vertaling 1951)

     

    De periode van de verdrukking van veertig jaar door de Filistijnen begon in 1143 v. Chr. op. Dat jaartal was op de tijdsbalk al een ankerjaar. Het was het jaar dat de richter Jefta optrad en het exact driehonderd jaar tot aan de intocht in Kanašn o.l.v. Jozua in 1443 v. Chr. was. Het is ook het jaar dat de bekende richter Simson aan zijn bediening begint. Van de richter Simson staat er nergens in het Bijbelboek Richteren geschreven dat hij Ďrustí in het heel het land bracht. Deze rust zou pas onder SamuŽl na de overwinning op de Filistijnen bij Eben-HaŽzer werkelijkheid worden. Simson heeft echter wel gedurende een periode van twintig jaar, het leven van de Filistijnen zuur gemaakt.

     

    Voorjaar 1157 v. Chr.: meganatuurcatastrofe-jaar?

    Voor dit bekomen jaartal in de cyclus van meganatuurcatastrofes bezitten we geen bijzondere vermelding in de Bijbel of andere bronnen.

    Het was de tijd van de Richteren voor de twaalf stammen van IsraŽl. De richter en priester Eli had in 1163 v. Chr. zijn bediening opgenomen met de geboorte van de latere richter en profeet SamuŽl in hetzelfde jaar. In 1161 v. Chr. was de verdrukking van de IsraŽlieten door de hand van de Filistijnen en de Ammonieten begonnen (Richteren 10:7).

    In Egypte heersten sinds de Exodus de Hyksos of Amalekieten over het land. Een periode waar we als een gevolg van de ontketende beeldenstorm door farao Ahmose van de achttiende dynastie na de verdrijving van de Hyksos weinig over weten.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    06-08-2018 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De datering van de val van Homerosí Troje

    Ik heb verleden week de (dvd)film Troy uit 2004 bekeken en dit is de aanleiding voor een nieuw artikel op mijn blog geworden. De film van meer dan twee uur is gebaseerd op de Ilias en de Odyssee van Homeros en werd geregisseerd door Wolfgang Petersen. Bij de aanvang van de film merkt men onmiddellijk dat de belegering van Troje rond 1200 v. Chr. op de tijdsbalk geplaatst wordt. Het jaartal 1200 v. Chr. is het gangbare jaartal dat door de orthodoxie gehanteerd wordt. Net zoals alle andere jaartallen die aan historische gebeurtenissen in Klein-AziŽ en Griekenland verbonden zijn, zijn deze gelinkt aan het verkregen tijdskader van de Egyptologie. Ik geef ťťn voorbeeld: de bekende invallen van de zeevolken in de Levant en Egypte zijn gelinkt aan het achtste regeringsjaar van Ramses III van de twintigste dynastie van Manetho. Als een gevolg van de verankering van de Egyptische dynastieŽn op de tijdsbalk op basis van veronderstelde Sothis-perioden met tijdsprongen van iedere keer 1460 jaar, vanaf 139 AD terug het verleden in, belandde de twintigste dynastie in de twaalfde eeuw v. Chr. en kreeg Ramses III van de orthodoxie de regeringsjaren 1182 tot 1151 v. Chr. toebedeelt. In het achtste en elfde regeringsjaar van Ramses III moest deze prins strijd leveren tegen een invasie van Zeevolken. Zeevolken die vanuit de Griekse eilanden Klein-AziŽ binnenvielen, het Hethietenland onder de voet liepen en verder langs de Levant richting Egypte oprukten. Het is een strijd die gedetailleerd op de muren van Ramses IIIí dodentempel te Medinet Haboe afgebeeld staat. Hoewel Ramses III meldt dat Hatti of het Hethieten-rijk als een gevolg van de invasie van de Zeevolken ten onder ging blijkt dat de AssyriŽrs nog tot in de achtste eeuw v. Chr. naar de Hethieten blijven verwijzen. Wat is hier aan de hand? Het antwoord is vrij simpel: als een gevolg van het hanteren van de vermeende (foutieve) Sothis-kalender door de Egyptologie belandde Ramses III in de twaalfde eeuw v. Chr. op de tijdsbalk in plaats van in de correcte achtste eeuw v. Chr. Zie het artikel op dit blog van 24.03.2015: Ramses III en de zeevolken, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1427065200&stopdatum=1427670000

     

    De film uit 2004 wijkt op heel wat punten van het boek van Homeros af. De oorlog bijvoorbeeld lijkt in de film binnen ťťn seizoen te geschieden waartegenover Homeros leert dat de belegering tien jaar in beslag heeft genomen. Op het internet vindt men sites die alle fouten in de film mooi op een rijtje opsommen. Eťn treffend voorbeeld was een gefilmde opgang van de zon boven de zee (dvd 1.00.55). Aangezien Troje echter aan de westkust van het huidige Turkije ligt betekent dat, dat de zon in het westen opkomt?

     

     

    Wat in de film helemaal niet aan bod komt is de rol van de goden tijdens het beleg van Troje door de Grieken. In de Ilias van Homeros nemen de Griekse goden Zeus, Hera, Pallas Athene, Ares en Apollo actief aan de strijd deel.

    De notoire Dr. Immanuel Velikovsky (1895/1979) verwees in zijn bestseller 'Werelden in botsing' (derde hoofdstuk: wanneer werd de Ilias geschreven?) naar de Ilias, de geschiedenis van de belegering van Troje. De Griekse goden Athene en Ares waren volgens Velikovsky de planeten Venus en Mars die toen de baan van de aarde om de zon verstoorden, en interacties met elkaar hadden. Velikovsky citeert heel wat stukken uit de Ilias, als aanwijzingen voor de juistheid van zijn kosmische catastrofetheorie. Hij toont aan dat er zich boven het slagveld te Troje een kosmisch gebeuren afspeelde, met dramatische impact over het slagveld en voor de aarde.

     

     

    © Robert De Telder, De zonaanbidder, Achnaton de strenge en hardvochtige farao volgens de profeet Jesaja, 2016

     

    Het is de verdienste van de in zijn tijd voor dilettant uitgescholden Heinrich Schliemann het legendarische Troje vanonder het zand tevoorschijn gebracht te hebben. Heinrich Schliemann (1822/1890) was een succesvol zakenman en daarnaast autodidact in geschiedenis en archeologie. Omdat hij Homeros niet alleen als dichter zag maar overtuigd was dat Homeros met zijn strijd om Troje geschiedenis geschreven had, ging hij op zoek naar het Troje van de oudheid. In 1868 begon hij zijn zoektocht in het landschap Troas in het Ottomaanse gedeelte van Klein AziŽ. In de heuvel Hissarlik groef hij door de verschillende vestigingslagen heen tot hij de oudste sporen van de vestiging: Troje II ontdekte. Geweldige muren van een burcht kwamen te voorschijn. Overal waren er sporen van brand zichtbaar, wat bij Schliemann alle twijfel wegnam. Troje II is het Troje van de Ilias. Als kers op de taart vond hij in deze laag een grote goudschat. Duizenden objecten van zuiver goud, waaronder diademen met 2272 gouden ringen komen te voorschijn. Schliemann was er van overtuigd de schat van Priamus gevonden te hebben. De Ilias was niet langer een dichterlijk werk en een legende maar echte geschiedschrijving. Geen fictie meer maar non-fictie.

     

    Mijn boek DE ZONAANBIDDER, 2016, begin ik met de geschiedenis van het beleg van Troje maar dan getransponeerd naar de achtste eeuw v. Chr. van 800 tot 790 v. Chr.

    De legendarische Ethiopische heerser Memnon krijgt in mijn boek nu ook een historische plaats op de tijdsbalk. Memnon was volgens een legende een van de geallieerden van Priamos, de koning van Troje. Memnon trok met een leger vanuit Egypte over Klein-AziŽ naar Troje om het te steunen in zijn strijd tegen de Grieken, maar kwam daar aan zijn einde. In de Odysseus (III.111-2) verwijst Nestor naar de dood van zijn zoon Antilochos die sneuvelde door de speer van ďde glorierijke zoon van de verlichte morgen,Ē (Odysseus IV.185-202) wat het epitheta is voor Memnon. Nestor smeekte daarop Achilles wraak te nemen, waarna Achilles Memnon doodde.

     

     

    Later wordt de Ethiopische krijgsheer bij naam genoemd als de grote Memnon (Odysseus XI.522). Van Memnon zijn in AnatoliŽ beelden bewaard gebleven waar ook Herodotus (2:106) naar verwijst, maar deze identificeert de beelden met de Egyptische farao Sesostris. De autochtone bevolking van AnatoliŽ echter beweerde dat de beelden Memnon voorstelden.

    In mijn studie maak ik van Memnon een tijdgenoot van farao Thothmosis IV van de achttiende dynastie van Manetho. Het is de oudheidhistoricus Herodotos die me jaren geleden al op deze denkpiste plaatste. Het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid heeft sinds 1975 mijn aandacht al. Het werk van Herodotos heb ik naast de werken van Flavius Josephus en uiteraard de Bijbel, toen voor de eerste maal doorgenomen.

    Wist u dat Herodotos (Boek 2:112, 120) een variant op de kaping van Helena van Sparta door Paris heeft doorgegeven?

    Boek 2:112. After him (Pheros), they said, there succeeded to the throne a man of Memphis, whose name in the tongue of the Hellenes was Proteus; for whom there is now a sacred enclosure at Memphis, very fair and well ordered, lying on that side of the temple of Hephaistos which faces the North Wind. Round about this enclosure dwell Phenicians of Tyre, and this whole region is called the Camp of the Tyrians. Within the enclosure of Proteus there is a temple called the temple of the "foreign Aphrodite," which temple I conjecture to be one of Helen the daughter of Tyndareus, not only because I have heard the tale how Helen dwelt with Proteus, but also especially because it is called by the name of the "foreign Aphrodite," for the other temples of Aphrodite which there are have none of them the addition of the word "foreign" to the name.

     

    113. And the priests told me, when I inquired, that the things concerning Helen happened thus:--Alexander having carried off Helen was sailing away from Sparta to his own land, and when he had come to the Egean Sea contrary winds drove him from his course to the Sea of Egypt; and after that, since the blasts did not cease to blow, he came to Egypt itself, and in Egypt to that which is now named the Canobic mouth of the Nile and to Taricheiai. Now there was upon the shore, as still there is now, a temple of Heracles, in which if any man's slave take refuge and have the sacred marks set upon him, giving himself over to the god, it is not lawful to lay hands upon him; and this custom has continued still unchanged from the beginning down to my own time. Accordingly the attendants of Alexander, having heard of the custom which existed about the temple, ran away from him, and sitting down as suppliants of the god, accused Alexander, because they desired to do him hurt, telling the whole tale how things were about Helen and about the wrong done to Menelaos; and this accusation they made not only to the priests but also to the warden of this river-mouth, whose name was Thonis.

     

    Het is duidelijk dat Herodotos zijn Egyptische farao Ďs met een Griekse naam aanduidt. De opdracht is om deze Griekse namen met Egyptische namen die ons via de monumenten bereikten te identificeren.

    Farao Proteus wordt door de vader der historie: Herodotos (Boek 2:113, 120), met de bekende ontvoering van Helena uit het Griekse epos verbonden. In feite is het verhaal over het stranden van Helena op de Egyptische kust de enige anekdote die Herodotos over de persoon van Proteus en diens regeerperiode vermeldt. Ten tijde van Herodotosí reis naar Egypte bevond het graf van Proteus zich in Memfis waar ook een tempel aan Aphrodite de vreemdelinge gewijd was. Gefascineerd door deze tempel liet Herodotus zich door de priesters van Egypte onderwijzen in de geschiedenis van Helena. Na de schaking van Helena uit Sparta met Alexandros op weg naar zijn vaderland, werd zijn schip midden op de EgeÔsche zee door winden uit koers geslagen en naar de Egyptische kust gedreven. Herodotos vult zoveel details in over de lotgevallen van deze Grieken in Egypte dat dit verhaal als heel aannemelijk als historie overkomt. Deze geschiedenis is dan een variant op het relaas van Homeros' Ilias, wat Herodotos ook bevestigt.

     

    Farao Proteus van de oudheidhistoricus Herodotos is volgens mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid, identiek met farao Thothmosis IV van Manetho Ďs achttiende dynastie. In mijn uitgave ĎDe zonaanbidder, Achnaton de strenge en hardvochtige farao volgens de profeet Jesaja, 2016, blz. 25-31, heb ik de regeerperiode van farao Thothmosis IV op de tijdsbalk verankerd met de jaren 797/776 v. Chr. en mijn revisie van de koningen Egypte toegelicht.

     

     

    © Robert De Telder, De zonaanbidder, Achnaton de strenge en hardvochtige farao volgens de profeet Jesaja, 2016,

     

    Als een gevolg van de herschikking van de achttiende Egyptische dynastie op de tijdsbalk verdwijnen ook de zogenaamde duistere eeuwen voor Griekenland en plaatsen we de belegering van Troje op de tijdsbalk nu van 800 tot 790 v. Chr. Twee jaartallen die met kosmische meganatuurcatastrofe-jaren verbonden zijn en passen in het plaatje dat we uit de Ilias hebben met de planeetgoden actief in de kosmische hemel boven het slagveld te Troje.

     

    De legendarische EthiopiŽr Memnon is in mijn revisie de koning die de Nubisch/Ethiopische tussenperiode sinds de invasie van Juda door de Bijbelse EthiopiŽr Zera, afsloot.

    Memnon was met zijn leger naar het slagveld bij Troje vertrokken en niet teruggekeerd. Dit was het moment voor de jonge prins met de naam Thothmosis IV om de macht in 790 v. Chr. over te nemen en het Nubische juk af te schudden.

     

    Gevolgtrekking: het beleg van Troje is hiermee via de identificatie van Herodotosí Proteus met Thothmosis IV en dit binnen het raamwerk van de herziening van de geschiedenis van de oudheid, gedateerd van 800 tot 790 v. Chr.

     

    Wordt vervolgd

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    %%% FOTO5%%%

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).




    30-07-2018 om 07:45 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    23-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het tweeŽntwintigste historische Jubeljaar van oktober 366/september 365 v. Chr.

    Met onze aflevering van 09.07.2018 op dit blog behandelden we het eenentwintigste jubeljaar van oktober 415/september 414 v. Chr. Deze week vervolgen we onze reis in de tijd met het tweeŽntwintigste jubeljaar sinds de instelling ervan door Mozes.

    De bijgevoegde tijdschema ’s beslaan telkens veertien jaar met bovenaan de jaartallen volgens de westerse kalender. Elk jaar beslaat twintig millimeter verdeeld in vier kwartalen van elk vijf millimeter. Onder de westerse jaartelling ziet men de Joodse sabbatjaren- en jubeljaren in een lichtblauwe tijdsbalk uitgetekend. De sabbatjaren lopen van april tot maart ononderbroken door in een cyclus van zeven maal zeven jaar. In het negenenveertigste jaar begon in oktober het jubeljaar, dat liep tot september van het jaar daarop, waar het eerste jaar van een nieuwe sabbatjaarcyclus al in april aangevangen was. Dit is de wijze van tellen door de geleerde William Whiston (1667/1752 AD), aangereikt en juist bevonden te zijn.

     

     

    Tijdschema 410/397 v. Chr.

     

    Het bijgevoegde tijdschema 410/397 v. Chr. toont het eerste en het tweede sabbatjaar in de cyclus van het tweeŽntwintigste jubeljaar. Wat onmiddellijk op het tijdschema 410/397 v. Chr. opvalt is de verticale blauwe tijdsbalk in het jaar 410/409 v. Chr. Sinds het jaar 458 v. Chr. met de start van de zeventig jaarweken van de profeet DaniŽl zijn er zeven maal zeven jaarweken of negenenveertig jaar verlopen. Hierna het relevante Bijbelcitaat:

    DaniŽl 9:24 Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven. 25 Weet dan en versta: vanaf het ogenblik (458 v. Chr.), dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken (410/409 v. Chr.); en tweeŽnzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. 26 En na de tweeŽnzestig weken (26+ AD) zal een gezalfde worden uitgeroeid (30 AD), terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten (70 AD), maar zijn einde zal zijn in de overstroming (370AD+); en tot het einde toe (20?? AD) zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is. (NBG Vertaling 1951)

     

    De zeventig jaarweken hebben hun begin in april 458 v. Chr. in het zevende regeringsjaar van de Pers Artaxerxes I. De zeventig jaarweken zijn verdeeld in drie perioden of tijdschijven van jaarweken. De eerste periode die zeven maal zeven jaarweken beslaat eindigt op ons tijdschema in april 410/maart 409 v. Chr. In 409 v. Chr. begon de tweede tijdschijf van jaarweken van in totaal tweeŽnzestig jaarweken.

    De gezalfde waar in vers 25 naar verwezen wordt identificeren we zuiver chronologisch gezien als de landvoogd Nehemia van het gelijknamige Bijbelboek.

    In het jaar 405 v. Chr. in de maand december merken we op het tijdschema de regeringswissel in PerziŽ waar Artaxerxes II Mnemon de scepter van Darius II Nothus overneemt.

     

     

    Tijdschema 396/383 v. Chr.

     

    Het bijgevoegde tijdschema (396/383 v. Chr.) toont het derde en het vierde sabbatjaar van tweeŽntwintigste jubeljaarcyclus. De donkerblauwe tijdsbalk toont de voortgang van de zeven plus tweeŽnzestig jaarweken met daaronder de regeerperiode van de Pers Artaxerxes II Mnemon.

    De sabbatjaar- en jubeljaarcyclus loodsen ons samen met de zeventig jaarweken van DaniŽl en de jaartallen van de PtolemeŁs-canon, over de stille periode na het afsluiten van het Oude Testament naar de tijd van het optreden van Johannes de Doper, de heraut die in de geest en kracht van Elia de weg voor de Messias baande.

     

     

    Tijdschema 382/369 v. Chr.

     

    Het tijdschema 382/369 v. Chr. toont het vijfde en het zesde sabbatjaar van de tweeŽntwintigste jubeljaarcyclus. Buiten het commentaar voor het vorige Tijdschema 396/383 v. Chr. valt er niets nieuws te melden. Een restant van de Joden is uit Babylonische ballingschap onder leiding van Zerubbabel, Ezra en Nehemia naar Judea teruggekeerd en leeft daar onder Perzische heerschappij.

     

     

    Tijdschema 368/355 v. Chr.

     

    Het laatste bijgevoegde tijdschema 368/355 v. Chr. toont het zevende sabbatjaar gevolgd door het tweeŽntwintigste jubeljaar. De Bijbel geeft geen indicatie over het houden van het jubeljaargebod in deze tijdsperiode.

    In november van het jaar 359 v. Chr. merken we op het tijdschema (tijdschema 368/355 v. Chr.) de regeringswissel in PerziŽ. Koning Artaxerxes II Mnemon wordt opgevolgd door Artaxerxes III Ochus.

     

    Hierna een opsomming van de jubeljaren die we met onze artikelenreeks al behandeld hebben.

    Exodus jaartal: 1483 v. Chr. Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr.

    Jubeljaren en jaartallen v. Chr.:    Historische periode:

    1.       1395/1394                             Richter OthniŽl

    2.      1346/1345                                      Ruth 6:6

    3.      1297/1296                             Richter Ehud

    4.      1248/1247                             verdrukking Jabin

    5.      1199/1198                              Richter Thola

    6.      1150/1149                              verdrukking Ammon

    7.      1101/1100                              Richter en profeet SamuŽl

    8.      1052/1051                             Saul

    9.      1003/1002                                     Salomo

    10.    954/953                               Rehabeam

    11.     905/904                               Josafat

    12.     856/855                                Joas

    13.     807/806                               Amazia

    14.     758/757                                Uzzia

    15.     709/708                               Jaar 14 jaar van Hizkia

    16.     660/659                               Manasse

    17.     611/610                                  Josia- val van Nineveh

    18.     562/561                                Jaar 37 ballingschap Jojachin

    19.     513/512                                  Darius I

    20.    464/463                                Artaxerxes I

    21.     415/414                                 Nehemia

    22.   366/365                               Artaxerxes II Mnemon

     

    Wordt vervolgd…

     

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    23-07-2018 om 07:25 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Assyrische annalen van Shamsi Adad V, Adad Nirari III en de Bijbelse chronologie.

    We vervolgen deze week onze afleveringen over de herziening van de chronologie van de Assyrische koningen in relatie tot de Bijbelse koningen van IsraŽl en Juda. Met onze aflevering van 02.07.2018 op dit blog gaven we aandacht aan de regeerperiode van Salmaneser III en brachten deze Assyrische koning chronologisch in lijn met de koningen Achab en Jehu van het tienstammenrijk. Zie link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?ID=3102210

    Het einde van de regeerperiode van Salmaneser III werd gekenmerkt door een opstand en algemene rebellie tegen het gezag van Salmaneser III. In het licht van de kosmische catastrofetheorie was de oorzaak voor de rebellie de tekenen aan de kosmische hemel die de voorbode van een meganatuurcatastrofe op aarde betekende. De boosdoener was de planeet Mars – de Assyrische godheid Nergal – die volgens de catastrofetheorie onheilspellend op een geschatte afstand van 200.000 mijl de baan van aarde en haar maan om de zon verstoorde (Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer, The long day of Joshua and six other catastrophes, 1973, Chapter VI).

     

     

    Ik besef dat het aanvaarden van een cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong in de oudheid, voor menigeen moeilijk is. Men kan de schouders ophalen voor een theorie die ontwikkeld en gebaseerd is op mythisch-historische overleveringen en niet op astrofysische waarneming. Het lijkt dan ook fantastisch wanneer men bedenkt dat het zonnestelsel dat in de huidige tijd als een klokwerk loopt, ooit tot slechts 2650 jaar terug de tijd in, in beroering was. Wat chronologie betreft zijn de cyclus-rampjaren een hulpmiddel tot het verankeren van heel wat bepaalde regeerperioden van koningen op de tijdsbalk.

     

     

    Het fenomeen van de afgoderij dat in de oudheid telkens opnieuw de kop opstak in zowel IsraŽl als de buurvolken had als oorzaak de cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong die planeet aarde met intervallen vanaf de vierentwintigste eeuw v. Chr. tot de zevende eeuw v. Chr. getroffen heeft. De wereld van de oudheid was voor een lange tijd in beroering en een bron van afgoderij bij de volkeren en IsraŽl die meenden in de planeten in beroering, goden aan het werk te zien.

     

     

    © Robert De Telder, Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017

     

    Het was in een tijd van een planeet ‘aarde in beroering’ dat Shamsi Adad V zijn vader Salmaneser III opvolgde. De eponiemlijst die op de regeerperiode van Shamsi Adad V betrekking heeft vermeldt voor zijn eerste drie jaar van regeren dat er ‘opstand of rebellie’ in het land was. De orthodoxe Assyriologie geeft Shamsi Adad V een regeerperiode van 822 tot 809 v. Chr. Dit op basis van hun gehanteerde ankerpunt op de tijdsbalk: de genoteerde zonsverduistering over de hoofdstad Nineveh in het eponiem van Bur Saggile in 763 v. Chr. De slag bij Karkar hebben we gezien in het artikel over Salmaneser III, wordt in het jaar 853 v. Chr. gedateerd aan de hand van het terugtellen van negentig eponiemjaren vanaf het ijkpunt op de tijdsbalk: 763 v. Chr.

    Een eponiem zou een Assyrische ambtenaar voorstellen naar wie een bepaald jaar genoemd werd met een verwijzing naar een bijzondere gebeurtenis dat jaar zoals een zonsverduistering, een nieuwe koning die aantrad, een veldtocht enzoverder. De Eponiemlijsten zijn samengesteld vanaf 892 tot 648 v. Chr. wat ook een belangrijke periode in de geschiedenis van de koningen van IsraŽl en Juda was.

    De geleerde Edwin R. Thiele (1895/1986) zag het in de vorige eeuw als zijn opdracht de Bijbelse chronologie van de koningen van IsraŽl Juda in lijn met de Assyrische koningslijsten te brengen , die hij een groter gezag toekende. De regeerperiode van de Bijbelse koningen Achab en Jehu bracht hij op de tijdsbalk in lijn met de Assyrische gegevens. Zijn werk “The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings” wordt door velen vandaag beschouwd als de definitieve Bijbelse chronologie en vindt men in menig Bijbelatlas en naslagwerk terug. Thiele verkorte de regeringsduur van bepaalde koningen van Juda en IsraŽl om deze te laten passen in het Assyrische tijdskader. Het resultaat was een inkorting van de regeertijd van de koningen van IsraŽl en Juda tot ongeveer veertig jaar. De val van Samaria en de wegvoering van de tien stammen van IsraŽl in Assyrische ballingschap in lijn brengen met de Assyrische chronologische gegevens bleek onmogelijk. De regeerperiode van Hizkia van Juda voor deze periode en vooral dan diens zesde regeringsjaar staat hier haaks op de Assyrische en dus verkondigde Thiele dat de Bijbelse gegevens van 2 Koningen hoofdstukken 17 en 18 foutief waren en kunstmatig aan de Bijbel toegevoegd.

     

    Het is dan ook een dilemma voor velen. Welke keuze maakt men? De Bijbelse chronologie aanpassen aan de Assyrische? Of een Bijbelse chronologie op de tijdsbalk voor de eigen achterban uittekenen die echter door seculiere onderzoekers schouderophalend afgewezen wordt? De zaak is nochtans uiterst belangrijk geworden. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw met de publicatie van de boeken van Dr. ImmanuŽl Velikovsky wordt er namelijk wereldwijd door onderzoekers aan een herziening van de chronologie van de geschiedenis van de oudheid gewerkt. De meeste onderzoekers die ik ken hanteren hierbij de gefabriceerde chronologie van de koningen van IsraŽl en Juda van Thiele en verkrijgen als een gevolg hiervan verkeerde uitkomsten. Een voorbeeld is de revisionistische egyptoloog David Rohl (A Test of Time, 1995, Part Three, Chapter Nine) die van Saul en David tijdgenoten van farao Achnaton maakt maar hierbij de uitgedokterde jaartallen van Edwin R. Thiele voor de regeerperiode van Saul en David hanteert die zesendertig jaar van de historische werkelijkheid afwijken.

     

    Volgens mijn herziening van de chronologie van de koningen van AssyriŽ heeft Shamsi Adad V nu een regeerperiode van 860/859 tot 848/847 v. Chr.

    Hierna de relevante eponiemgegevens van Shamsi Adad ’s regeerperiode. Tussen haakjes staan de jaartallen van de orthodoxe Assyriologie met daarnaast in vette cijfers de gereviseerde jaartallen:

    [822/821] 860/859 Tijdens het eponiem van ©amĻi-Adad [V], de koning van AssyriŽ, opstand.

    [821/820] 859/858 Tijdens het eponiem van Yahalu, de opperbevelhebber, opstand.

    [820/819] 858/857 Tijdens het eponiem van Bêl-dan, de paleis maarschalk, de opstand werd neergeslagen

    [819/818] 857/856 Tijdens het eponiem van Inurta-ubla, gouverneur van [...], veldtocht tegen Mannea

    [818/817] 856/855 Tijdens het eponiem van ©amaĻ-ilaya, gouverneur van [...], veldtocht tegen [...]Ļumme

    [817/816] 855/854 Tijdens het eponiem van Nergal-ilaya, gouverneur van Isana, veldtocht tegen Tille.

    [816/815] 854/853 Tijdens het eponiem van AĻĻur-bunaya-usur, de opperdienaar, veldtocht tegen Tille.

     [815/814] 853/852 Tijdens het eponiem van ©arru-hattu-ilpe, gouverneur van Nisibis, veldtocht tegen Zaratu.

    [814/813] 852/851 Tijdens het eponiem van Bêl-lu-ballat, de opperbevelhebber, veldtocht tegen Der; Anu de Grote ging naar Der.

    [813/812] 851/850 Tijdens het eponiem van MuĻekniĻ, gouverneur van Habruri, veldtocht tegen Ahsana.

    [812/811] 850/849 Tijdens het eponiem van Inurta-aĻared, gouverneur van Raqmat, veldtocht tegen Chaldaea.

    [811/810] 849/848 Tijdens het eponiem van ©amaĻ-kumua, gouverneur Arrapha, veldtocht tegen Babylon

    [810/809] 848/847 Tijdens het eponiem van Bêl-qate-sabat, gouverneur van Mazamua, de koning bleef in het land.

     

     

    © Robert De Telder, Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017

     

    De vermelding ‘de koning bleef in het land’ tijdens het eponiem van Bêl-qate-sabat, gouverneur van Mazamua, betekent zoveel als niets doen. Bij het volgende eponiem zou Adad Nerari III de kroon van AssyriŽ overnemen.

    Tijdgenoten van Shamsi Adad V in IsraŽl en Juda waren de koningen Jehu en Joas.

     

     

    © Robert De Telder, Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017

     

    De Assyrische minderjarige koning Adad Nirari III volgde onder voogdijschap van zijn moeder koningin Sammurat, zijn vader Shamsi Adad V op. Zijn regeringsjaren zijn volgens de orthodoxe berekening: 812/783 v. Chr. Volgens mijn revisie regeerde hij echter van 847 tot 820 v. Chr. Adad Nerari III was een tijdgenoot van de Bijbelse koningen Joahaz en Joas in IsraŽl en van Joas en Amazia in Juda.

    Van de moeder koningin en regentes Sammurat is een stele bewaard gebleven (gevonden te Kalat Sherkat in AssyriŽ) waarin het co-regentschap met de minderjarige Adad Nirari III vermeld wordt. Een andere vermelding (Saba’a stele) geeft een periode van vijf jaar als de duur van het co-regentschap.

    De orthodoxe Assyriologie die pretendeert de juiste leer aangaande het oude Assur te bezitten identificeert koningin Sammurat met de legendarische Semiramis, de vrouw van de Bijbelse Nimrod, de eerste machthebber op aarde na de Grote Vloed. De Bijbels-historische gegevens betreffende Nimrod worden door hen als mythe beschouwd. Dit is echter niet mijn uitgangspunt. Het Bijbelboek Genesis is geschiedschrijving. De Sammurat van de negende eeuw voor Christus is te onderscheiden van de Semiramis van het derde millennium voor Christus.

    De eerder vermelde Saba’a-stele verhaalt eveneens een militaire campagne van Adad Nirari III naar Damascus in zijn vijfde regeringsjaar. Dit jaar is volgens de revisie nu het jaartal 843 v. Chr.:

    Against Aram I marched. Mari', king of Aram, in Damascus his royal city, I shut up. The terrifying splendour of Assur overwhelmed him and he laid hold of my feet, he became my vassal. 2300 talents of silver, 20 talents of gold, 3000 talents of copper, 5000 talents of iron, coloured woollen and linen garments, an ivory bed, an ivory couch...his property and his goods, in immeasurable quantity, in Damascus, his royal city, in his palace, I received.

     

    De vermelding past echter niet met de Bijbelse gegevens betreffende Damascus/Aram als belager van het tienstammenrijk tijdens deze periode. Het Bijbelboek 2 Koningen geeft Aram weer als een vijand van koning Joahaz van IsraŽl tot praktisch het einde van diens regeringstijd van zeventien jaar van 847 tot 830 v. Chr. Een Assyrische belegering van Damascus met een verzwakking van Aram tot gevolg past niet in dit tijdsschema. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

    2 Koningen 13:1 In het drieŽntwintigste jaar van Joas, de zoon van Achazja, de koning van Juda, werd Joachaz, de zoon van Jehu, koning over IsraŽl te Samaria; hij regeerde zeventien jaar. 2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN en volgde de zonden na, die Jerobeam, de zoon van Nebat, IsraŽl had doen bedrijven; daarvan week hij niet af. 3 Daarom ontbrandde de toorn des HEREN tegen IsraŽl, en Hij gaf hen in de macht van HazaŽl, de koning van Aram, en in de macht van Benhadad, de zoon van HazaŽl, al die tijd. (NBG 1951 vertaling)

     

     

    © Robert De Telder, Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017

     

    De conclusie moet zijn dat de vermelding op de Saba’a stele betreffende de belegering van Damascus in het vijfde regeringsjaar van Adad Nirari III fout is. Hoogstwaarschijnlijk hebben we met een schrijffout te maken en is het vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III bedoeld. De Assyrische gegevens spreken elkaar onderling ook tegen wat maakt dat ik van een foutieve Assyrische kroniek kan uitgaan. De bekende eponiemlijsten geven namelijk voor het vijfde regeringsjaar van Adad Nirari III geen veldtocht naar Damascus weer, maar een veldtocht naar Arpad in Noord-SyriŽ. Wat vreemd is aangezien Arpad slechts een provinciestad was en Damascus daarentegen de hoofdstad van het machtige Aram. Hierna de Eponiemlijst van alle regeringsjaren van Adad Nirari III ter illustratie. De jaren tussen haakjes zijn de jaartallen van de orthodoxie met rechts mijn gereviseerde jaartallen:

    [809/808] 847/846 During the eponymy of Adad-Nirari [III], the king of Assyria, campaign against Media

    [808/807] 846/845 During the eponymy of Nergal-ilaya, the commander in chief, campaign against Guzana.

    [807/806] 845/844 During the eponymy of Bêl-d‚n, the palace herald, campaign against Mannea.

    [806/805] 844/843 During the eponymy of Sil-Bêli, the chief butler, campaign against Mannea.

    [805/804] 843/842 During the eponymy of AĻĻur-taklak, the chamberlain, campaign against Arpad.

    [804/803] 842/841 During the eponymy of Ilu-issiya, governor of AĻĻur, campaign against Hazazu.

    [803/802] 841/840 During the eponymy of Nergal-ereĻ, governor of Rasappa, campaign against Ba'alu.

    [802/801] 840/839 During the eponymy of AĻĻur-balti-ekurri, governor of Arrapha, campaign against the Sealand; plague.

    [801/800] 839/838 During the eponymy of Inurta-ilaya, governor of Ahizuhina, campaign against HubuĻkia.

    [800/799] 838/837 During the eponymy of ©ep-IĻtar, governor of Nisibis, campaign against Media.

    [800/799] 837/836 During the eponymy of ©ep-IĻtar, governor of Nisibis, campaign against Media

    [799/798] 836/835 During the eponymy of Marduk-iĻmanni, governor of Amedi, campaign against Media.

    [798/797] 835/834 During the eponymy of Mutakkil-Marduk, the chief eunuch, campaign against LuĻia.

    [797/796] 834/833 During the eponymy of Bêl-tarsi-iluma, governor of Kalhu, campaign against Namri.

    [796/795] 833/832 During the eponymy of AĻĻur-bêla-usur, governor of Habruri, campaign against Manduate.

    [795/794] 832/831 During the eponymy of Marduk-Ļaduni, governor of Raqmat, campaign against Der.

    [794/793] 831/830 During the eponymy of Kinu-abua, governor of TuĻhan, campaign against Der.

    [793/792] 830/829 During the eponymy of Mannu-ki-AĻĻur, governor of Guzana, campaign against Media.

    [792/791] 829/828 During the eponymy of MuĻallim-Inurta, governor of Tille, campaign against Media.

    [791/790] 828/827 During the eponymy of Bêl-iqiĻanni, governor of ©ibhiniĻ, campaign against HubuĻkia.

    [790/789] 827/826 During the eponymy of ©ep-©amaĻ, governor of Isana, campaign against Itu'a.

    [789/788] 826/825 During the eponymy of Inurta-mukin-ahi, governor of Nineveh, campaign against Media.

    [788/787] 825/824 During the eponymy of Adad-muĻammer, governor of Kalizi, campaign against Media; foundations of the temple of Nabû in Nineveh laid.

    [787/786] 824/823 During the eponymy of Sil-IĻtar, governor of Arbela, campaign against Media; Nabû entered his new temple.

    [786/785] 823/822 During the eponymy of Nabû-Ļarra-usur, governor of Talmusu, campaign against Kisku.

    [785/784] 822/821 During the eponymy of Adad-uballit, governor of Tamnuna, campaign against HubuĻkia; [the god] Anu the Great went to Der.

    [784/783] 821/820 During the eponymy of Marduk-Ļarra-usur, governor of Arbela, campaign against HubuĻkia.

    [783/782] 820/819 During the eponymy of Inurta-nasir, governor of Mazamua, campaign against Itu'a.

    [782/781] 819/818 During the eponymy of Iluma-le'i, governor of Nisibis, campaign against Itu'a.

     

     

    De conclusie is dat naar het einde toe van de regeringsperiode van Joahaz van IsraŽl, en los van de tegensprekelijke eponiemlijst een Assyrische invasie in Aram heeft plaatsgevonden. Vermoedelijk in het vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III. De AssyriŽr Adad Nirari III werd zodoende een verlosser voor IsraŽl:

    2 Koningen 13:4 Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van IsraŽl, dat de koning van SyriŽ hen verdrukte. 5 (Zo gaf de HEERE IsraŽl een verlosser, dat zij van onder de hand der SyriŽrs uitkwamen; en de kinderen IsraŽls woonden in hun tenten, als te voren. (Statenvertaling)

     

    De Bijbel noemt de naam noch de nationaliteit van de verlosser die hen van de overheersing door de SyriŽrs (Aram) verloste. Maar ook in het Assyrische verslag wordt bijvoorbeeld de naam van de koning van Aram niet genoemd. Er is slechts een verwijzing naar een ‘Mari, koning van Aram’. Mari is echter geen eigennaam maar betekent alleen HEER. De Assyrische berichtgeving voor deze tijdsperiode is onduidelijk en levert vraagteken op vraagteken. Met de hulp van de historische boeken van de Bijbel is het mogelijk een en ander te reconstrueren. De Eponiemlijst vermeldt in het vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III een campagne naar ‘Manduate’. Dit gebied wordt algemeen als de Beka-vallei in de Libanon geïdentificeerd. Het ligt voor de hand aangezien het van de Beka-vallei slechts een steenworp naar Damascus is, dat in datzelfde jaar Damascus belegerd werd.

    Er is ook een stele van Adad Nirari III gevonden waar deze claimt schatting van koning Joas van IsraŽl ontvangen te hebben:

    “Adad-nirari [III], … great king of Assyria …  by Ashur,  his lord; who has made submit  to his feet the princes within the four rims  of the earth; conquering … the Hittites,  Amurru, Tyre, Sidon, Palestine [Philistines] [Joash of] Israel [lit. Omri], Edom,    … submit to my feet, imposing tribute …  king Mari [Ben-Hadad-III] of Damascus  I received 2,300 talents of silver,  20 talents of gold, 5,000 talents of iron,  garments of linen with multicolored  trimmings, a bed (inlaid) with ivory,  a couch mounted  and  inlaid with ivory...”

    (Omri-land Stela from Calah/Nimrod of Adad-nirari III, 796 BC)

     

    Dit gegeven past ook in mijn gereviseerd jaar 833/832 v. Chr. met het eerste regeringsjaar van Joas als co-regent met zijn vader Joahaz over IsraŽl.

     

    Wordt vervolgd

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

     

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    16-07-2018 om 07:13 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het eenentwintigste historische Jubeljaar van oktober 415/september 414 v. Chr.

    Met onze aflevering van 04.06.2018 op dit blog behandelden we het twintigste jubeljaar van oktober 464/september 463 v. Chr. Zie link: http://bloggen.be/Robertdetelder/archief.php?startdatum=1528063200&stopdatum=1528668000

    Deze week vervolgen we onze reis in de tijd met het eenentwintigste jubeljaar sinds de instelling ervan door Mozes.

     

     

    Tijdschema 466/453 v. Chr.

     

    Het bijgevoegde schema 466/453 v. Chr. toont het zevende sabbatjaar gevolgd door het twintigste jubeljaar van oktober 464 tot september 463 v. Chr.

    In december 465 v. Chr. kwam aan de regeerperiode van Xerxes een einde waarna deze werd opgevolgd door Artaxerxes I die regeerde van 17.12.465 tot 07.12.424 v. Chr. In het zevende regeringsjaar van koning Artaxerxes arriveerde de bekende Schriftgeleerde Ezra te Jeruzalem:

    Ezra 6:6 Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de HEERE, de God IsraŽls, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand des HEEREN, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek. 7 Ook sommigen van de kinderen IsraŽls, en van de priesteren en de Levieten, en de zangers, en de poortiers, en de Nethinim, togen op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van den koning Arthahsasta. 8 En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand; dat was het zevende jaar dezes konings. 9 Want op den eersten der eerste maand was het begin des optochts uit Babel, en op den eersten der vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand zijns Gods over hem. 10 Want Ezra had zijn hart gericht, om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in IsraŽl te leren de inzettingen en de rechten.

     

    Op de tijdsbalk valt het zevende regeringsjaar van Artaxerxes in 458 v. Chr. Het was het zesde jaar van de nieuw aangevangen sabbatjaarcyclus die ons naar het volgende jubeljaar zal loodsen. Een jaar van dubbele zegening over het land betekende het zesde jaar in de sabbatjaarcyclus met ditmaal ook een geestelijke betekenis er aan verbonden. De Schriftgeleerde Ezra arriveerde in Jeruzalem bij de al eerder teruggekeerde ballingen met een schrijven van koning Artaxerxes:

    Ezra 6:11 Dit is nu het afschrift des briefs, dien de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde; den schriftgeleerde van de woorden der geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen over IsraŽl:

    12 Arthahsasta koning der koningen, aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde der wet van den God des hemels, volkomen vrede en op zulken tijd. 13 Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van IsraŽl, en van deszelfs priesteren en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga. 14 Dewijl gij van voor den koning en zijn zeven raadsheren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judea, en te Jeruzalem, naar de wet uws Gods, die in uw hand is; 15 En om henen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwilliglijk gegeven hebben aan den God IsraŽls, Wiens woning te Jeruzalem is; 16 Mitsgaders al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het ganse landschap van Babel, met de vrijwillige gave des volks en der priesteren, die vrijwilliglijk geven, ten huize huns Gods, dat te Jeruzalem is; 17 Opdat gij spoediglijk voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hun spijsofferen, en hun drankofferen, en die offert op het altaar van het huis van ulieder God, dat te Jeruzalem is. 18 Daartoe, wat u en uw broederen goed dunken zal, met het overige zilver en goud te doen, zult gijlieden doen naar het welgevallen uws Gods. 19 En geef de vaten, die u gegeven zijn tot den dienst van het huis uws Gods, weder voor den God van Jeruzalem. 20 Het overige nu, dat van node zal zijn voor het huis uws Gods, dat u voorvallen zal uit te geven, zult gij geven uit het schathuis des konings. 21 En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan gene zijde der rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde der wet van den God des hemels, van u zal begeren, spoediglijk gedaan worde; 22 Tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift. 23 Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk des konings en zijner kinderen? 24 Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle priesteren en Levieten, zangers, poortiers, Nethinim en dienaars van het huis dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen. 25 En gij, Ezra, naar de wijsheid uws Gods, die in uw hand is, stel regeerders en richters, die al het volk richten, dat aan gene zijde der rivier is, allen, die de wetten Gods weten, en die ze niet weet, zult gijlieden die bekend maken. 26 En al wie de wet uws Gods en de wet des konings niet zal doen, over dien laat spoediglijk recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot uitbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden.

    27 Geloofd zij de HEERE, de God onzer vaderen, Die alzulks in het hart des konings gegeven heeft, om te versieren het huis des HEEREN, dat te Jeruzalem is. 28 En heeft tot mij weldadigheid geneigd, voor het aangezicht des konings en zijner raadsheren, en aller geweldige vorsten des konings! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand des HEEREN, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit IsraŽl vergaderd, om met mij op te trekken.

     

    Ezra arriveerde in Jeruzalem in de vijfde maand (juli/augustus) in het zevende jaar van Artaxerxes een jaar dat op onze tijdsbalk van het voorjaar van 458 v. Chr. tot het voorjaar van 457 v. Chr. loopt, wat maakt dat de vijfde maand in het jaar 458 v. Chr. van de westerse jaartelling viel.

    Daarna in de zevende maand of september/oktober volgens de westerse maandtelling, las Ezra de wet aan de verzamelde gemeente voor (Nehemia 8:1). Het Bijbelboek Nehemia beschrijft in het achtste hoofdstuk in het bijzonder de geestelijke impact die het voorlezen van de Wet van Mozes op het volk had: zij weenden (Nehemia 8:10). Het houden van het komende sabbatjaar van april 457/maart 456 v. Chr. ligt hier voor de hand, net zoals ze met ijver het Loofhuttenfeest in dat jaar 458 v. Chr. gehouden hebben (Nehemia 8:15-1).

     

    Het zesde jaar van de dubbele zegening over het land van april 458 tot maart 457 v. Chr. wordt door de geleerde William Whiston aangehaald ter staving van zijn schikking van de sabbatjaar- en jubeljaren op de tijdsbalk:

    Nehemia 8:11 Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen HEERE heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap des HEEREN, die is uw sterkte. 12 En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet. 13 Toen ging al het volk henen om te eten, en om te drinken, en om delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt.

     

    Op mijn tijdsschema 466/453 v. Chr. heb ik het sabbatjaar via een blauwe verticale tijdsbalk geaccentueerd. Het is het Bijbelboek Nehemia (5:14) dat voor deze periode de chronologie geeft. Maar ook de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus verwijst naar deze periode en bevestigt een en ander chronologisch, wat de herbouw van de muur van Jeruzalem onder leiding van Nehemia betreft.

    Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek XI, v.

    8. But now when the Ammonites, and Moabites, and Samaritans, and all that inhabited Celesyria, heard that the building went on apace, they took it heinously, and proceeded to lay snares for them, and to hinder their intentions. They also slew many of the Jews, and sought how they might destroy Nehemiah himself, by hiring some of the foreigners to kill him. They also put the Jews in fear, and disturbed them, and spread abroad rumors, as if many nations were ready to make an expedition against them, by which means they were harassed, and had almost left off the building. But none of these things could deter Nehemiah from being diligent about the work; he only set a number of men about him as a guard to his body, and so unweariedly persevered therein, and was insensible of any trouble, out of his desire to perfect this work. And thus did he attentively, and with great forecast, take care of his own safety; not that he feared death, but of this persuasion, that if he were dead, the walls for his citizens would never be raised. He also gave orders that the builders should keep their ranks, and have their armor on while they were building. Accordingly, the mason had his sword on, as well as he that brought the materials for building. He also appointed that their shields should lie very near them; and he placed trumpeters at every five hundred feet, and charged them, that if their enemies appeared, they should give notice of it to the people, that they might fight in their armor, and their enemies might not fall upon them naked. He also went about the compass of the city by night, being never discouraged, neither about the work itself, nor about his own diet and sleep, for he made no use of those things for his pleasure, but out of necessity. And this trouble he underwent for two years and four months; (14) for in so long a time was the wall built, in the twenty-eighth year of the reign of (Arta)Xerxes, in the ninth month. Now when the walls were finished, Nehemiah and the multitude offered sacrifices to God for the building of them, and they continued in feasting eight days. However, when the nations which dwelt in Syria heard that the building of the wall was finished, they had indignation at it. But when Nehemiah saw that the city was thin of people, he exhorted the priests and the Levites that they would leave the country, and remove themselves to the city, and there continue; and he built them houses at his own expenses; and he commanded that part of the people which were employed in cultivating the land to bring the tithes of their fruits to Jerusalem, that the priests and Levites having whereof they might live perpetually, might not leave the Divine worship; who willingly hearkened to the constitutions of Nehemiah, by which means the city Jerusalem came to be fuller of people than it was before. So when Nehemiah had done many other excellent things, and things worthy of commendation, in a glorious manner, he came to a great age, and then died. He was a man of a good and righteous disposition, and very ambitious to make his own nation happy; and he hath left the walls of Jerusalem as an eternal monument for himself. Now this was done in the days of Xerxes.

     

    Het is interessant het commentaar van de geleerde William Whiston en vertaler van het Grieks naar het Engels van Josephus te lezen. Er staat in de tekst naar verwezen met het nummer 14 tussen haakjes:

    (14). It may not be very improper to remark here, with what an unusual accuracy Josephus determines these years of (Arta)Xerxes, in which the walls of Jerusalem were built, viz. that Nehemiah came with his commission in the twenty-fifth of (Arta)Xerxes, that the walls were two years and four months in building, and that they were finished on the twenty-eighth of Xerxes, sect. 7, 8. …..

     

    Over de chronologie van de Pers Artaxerxes I en Nehemia schreef ik eerder op dit blog op 22.11.2016 een artikel, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1479682800&stopdatum=1480287600

     

    Het bijgevoegde tijdschema 466/453 v. Chr. laat de aanvang van de geprofeteerde zeventig jaarweken van de profeet DaniŽl in het voorjaar van 458 v. Chr. zien.

    DaniŽl 9: 24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven. 25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. 26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. 27 En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste.

     

    Mijn keuze voor het jaartal 458 v. Chr. wordt uitsluitend door de chronologie bepaald, die maakt dat er inderdaad negenenzestig jaarweken aan zeven maal zeven jaar per week of 483 zonnejaren zitten tussen april 458/maart 457 v. Chr. en 25/26 AD. De zeventigste jaarweek is vandaag nog toekomst en maakt dat er een tijdskloof zit tussen het einde van de negenenzestigste jaarweek en het begin van de zeventigste. De duur van de tijdskloof is niet geopenbaard en kan niet berekend worden.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 395-399, ga ik uitvoerig op de verschillende gehanteerde berekeningen in. Op het einde van 25/26 AD treed een jaar later Johannes de Doper op die ik meen met de gezalfde van DaniŽl hoofdstuk negen te mogen identificeren. Het optreden van Johannes de Doper ging vooraf aan het openbaar worden van Jezus Christus van Nazareth als de Gezalfde of Messias. In oktober 27 AD proclameerde de Heer Jezus Christus bij zijn voorlezen uit de Bijbelrol van Jesaja in de synagoge te Nazareth het ‘aangename jaar des HEEREN’, bij de aanvang van het dertigste jubeljaar.

     

    Een alternatief jaartal dat door Bijbelvorsers gehanteerd wordt is het twintigste regeringsjaar van Artaxerxes I wanneer Nehemia (2:1) in dat jaar 445 v. Chr. de toelating kreeg naar Jeruzalem op te trekken. Ik wil mijn lezers het onderzoek van wijlen Rev. Clarence Larkin (1850/1924), die vanaf het jaartal 445 v. Chr. rekende, niet weerhouden. Larkin ging er van uit dat de zeventig jaarweken gebaseerd waren op jaren van 360 dagen, die hij als profetische jaren aanduidde. Dit is niet onlogisch wanneer we bedenken dat het laatste Bijbelboek Openbaring een zevenjarige eindtijdperiode hanteert met twee perioden van 1260 dagen en/of 42 maanden, wat 360 dagen per jaar uitmaakt. De zeventigste jaarweek kent hier haar vervulling. In het tijds-dal tussen de negenenzestigste en de zeventigste jaarweek zit de huidige periode (sinds 30 AD) van de Ekklesia en de bedeling van de genadetijd. Hierna de berekening van Rev. Clarence Larkin (Dispensational Truth, 1918) van bijna honderd jaar geleden nu:

    According to ordinary chronology, the 475 years form BC 445 t AD 30 are Solar years of 365 years each. Now counting the years from BC 445 to AD 30 inclusively, we have 476 solar years. Multiplying these 476 years by 365 (the number of days in a solar year) we have 173.740 days, to which add 119 days for leap years, and we have 173.859 days. Add to these 20 days inclusive from March 14 to April 2, and we have 173.879 days. Divide 173.879 by 360 (the number of days in a prophetical year) and we have 483 years all to one day, the exact number of days (483 in 69 weeks, each day standing for a year. Could there be anything more conclusive that Daniel’s 69 weeks ran out on April 2, AD 30, the day that Jesus rode in triumph into the city of Jerusalem”.

     

     

    Tijdschema 452/439 v. Chr.

     

    Het bijgevoegde tijdschema toont met een lichtblauwe tijdsbalk het tweede en het derde sabbatjaar in de nieuwe jubeljaarcyclus. Daaronder merkt men een donkerblauwe tijdsbalk met de zeventig jaarweken van de profeet DaniŽl die een aanvang namen in het zevende regeringsjaar van de Pers Artaxerxes I in 458 v. Chr. Het is een tijdsbalk die ons naar het optreden van Johannes de Doper in 26 AD zal loodsen.

     

    In het twintigste regeringsjaar van de Perzische koning Artaxerxes I in april 445/maart 444 v. Chr. kreeg de Jood Nehemia, die een dienaar van Artaxerxes was, de toelating van de koning om de muren van Jeruzalem te herbouwen.

    Nehemia 2:1 In de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Artachsasta, toen er wijn voor hem gereed stond, hief ik de wijn op en reikte die de koning toe. Nu was ik nooit treurig geweest in zijn tegenwoordigheid. 2 De koning zeide tot mij: Waarom staat uw gezicht zo somber, hoewel gij niet ziek zijt? Dit kan niet anders dan hartzeer zijn. Toen werd ik ten zeerste bevreesd, 3 en zeide tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn gezicht niet somber staan, daar de stad, de plaats waar de graven mijner vaderen zijn, verwoest is en haar poorten door vuur verteerd zijn? 4 En de koning zeide tot mij: Wat is dan uw verzoek? Toen bad ik tot de God des hemels. 5 En ik zeide tot de koning: Dat gij, indien het de koning goeddunkt en indien uw knecht u welgevallig is, mij zendt naar Juda, naar de stad waar de graven mijner vaderen zijn, om haar te herbouwen. 6 De koning zeide tot mij, terwijl zijn gemalin naast hem zat: Hoelang zal uw reis duren, en wanneer zult gij terugkeren? En de koning stemde erin toe mij te zenden; en ik gaf hem een bepaalde tijd op. 7 En ik zeide tot de koning: Indien het de koning goeddunkt, laat men mij brieven geven voor de landvoogden van het gebied over de Rivier, dat zij mij laten doortrekken, totdat ik in Juda kom; 8 ook een brief aan Asaf, de houtvester des koning ‘s, dat hij mij hout geve om de poorten van de burcht die bij de tempel behoort, van zolders te voorzien, en voor de muur van de stad en voor het huis, waar ik mijn intrek nemen zal. En de koning gaf ze mij, daar de goede hand van mijn God over mij was. 9 Ik kwam bij de landvoogden van het gebied over de Rivier en gaf hun de brieven van de koning. Ook had de koning legeroversten en ruiters met mij meegezonden…

     

    Nehemia 5:14 Ook hebben van de dag af, dat koning Artachsasta mij (=Nehemia) aanstelde tot landvoogd over het land Juda, van zijn twintigste tot zijn tweeŽndertigste regeringsjaar, twaalf jaar lang, noch ik, noch mijn broeders het brood van een landvoogd gegeten.

     

     

    Tijdschema 438/425 v. Chr.

     

    Het bijgevoegde tijdschema toont het vierde en het vijfde sabbatjaar in de cyclus naar het eenentwintigste jubeljaar.

    We geven vooral aandacht aan de jaren van de regeerperiode van Artaxerxes die we van de PtolemeŁs-canon hebben overgenomen en die aansluit bij de sabbatjaar- en jubeljaartelling volgens de geleerde William Whiston. Met een blauwe verticale balk is het sabbatjaar van april 436/maart 435 v. Chr. extra gemarkeerd.

    Het is naar het houden van het sabbatjaargebod tijdens de herbouw van de muren van Jeruzalem dat het Bijbelboek Nehemia verwijst. Ook de oudheidhistoricus Flavius Josephus verwijst in zijn werk ‘Joodse Oudheden’ naar deze periode wanneer de muur van Jeruzalem door de teruggekeerde ballingen onder leiding van Nehemia, gebouwd werd. Hierna eerst het commentaar van William Whiston op dit historisch gedeelte van Josephus gevolgd door het relevante gedeelte:

    (14). It may not be very improper to remark here, with what an unusual accuracy Josephus determines these years of Xerxes, in which the walls of Jerusalem were built, viz. that Nehemiah came with his commission in the twenty-fifth of Xerxes, that the walls were two years and four months in building, and that they were finished on the twenty-eighth of Xerxes, sect. 7, 8. It may also be remarked further, that Josephus hardly ever mentions more than one infallible astronomical character, I mean an eclipse of the moon, and this a little before the death of Herod the Great, Antiq. B. XVII. ch. 6. sect. 4. Now on these two chronological characters in great measure depend some of the most important points belonging to Christianity, viz. the explication of Daniel's seventy weeks, and the duration of our Savior's ministry, and the time of his death, in correspondence to those seventy weeks. See the Supplement to the Lit. Accorap. of Proph. p. 72.

     

    Flavius Josephus, Joodse Oudheden, Boek XI, v.8

    8. But now when the Ammonites, and Moabites, and Samaritans, and all that inhabited Celesyria, heard that the building went on apace, they took it heinously, and proceeded to lay snares for them, and to hinder their intentions. They also slew many of the Jews, and sought how they might destroy Nehemiah himself, by hiring some of the foreigners to kill him. They also put the Jews in fear, and disturbed them, and spread abroad rumors, as if many nations were ready to make an expedition against them, by which means they were harassed, and had almost left off the building. But none of these things could deter Nehemiah from being diligent about the work; he only set a number of men about him as a guard to his body, and so unweariedly persevered therein, and was insensible of any trouble, out of his desire to perfect this work. And thus did he attentively, and with great forecast, take care of his own safety; not that he feared death, but of this persuasion, that if he were dead, the walls for his citizens would never be raised. He also gave orders that the builders should keep their ranks, and have their armor on while they were building. Accordingly, the mason had his sword on, as well as he that brought the materials for building. He also appointed that their shields should lie very near them; and he placed trumpeters at every five hundred feet, and charged them, that if their enemies appeared, they should give notice of it to the people, that they might fight in their armor, and their enemies might not fall upon them naked. He also went about the compass of the city by night, being never discouraged, neither about the work itself, nor about his own diet and sleep, for he made no use of those things for his pleasure, but out of necessity. And this trouble he underwent for two years and four months; (14) for in so long a time was the wall built, in the twenty-eighth year of the reign of Xerxes, in the ninth month. Now when the walls were finished, Nehemiah and the multitude offered sacrifices to God for the building of them, and they continued in feasting eight days. However, when the nations which dwelt in Syria heard that the building of the wall was finished, they had indignation at it. But when Nehemiah saw that the city was thin of people, he exhorted the priests and the Levites that they would leave the country, and remove themselves to the city, and there continue; and he built them houses at his own expenses; and he commanded that part of the people which were employed in cultivating the land to bring the tithes of their fruits to Jerusalem, that the priests and Levites having whereof they might live perpetually, might not leave the Divine worship; who willingly hearkened to the constitutions of Nehemiah, by which means the city Jerusalem came to be fuller of people than it was before. So when Nehemiah had done many other excellent things, and things worthy of commendation, in a glorious manner, he came to a great age, and then died. He was a man of a good and righteous disposition, and very ambitious to make his own nation happy; and he hath left the walls of Jerusalem as an eternal monument for himself. Now this was done in the days of Xerxes.

     

     

    Tijdschema 424/411 v. Chr.

     

    Het bijgevoegde tijdschema toont het zesde en het zevende sabbatjaar gevolgd door het eenentwintigste jubeljaar.

    In de maand december van het jaar 424 v. Chr. zien we het einde van de regeerperiode van Artaxerxes I. De Perzische koning waaronder Nehemia optrad en de muren van de stad Jeruzalem opbouwde.

    De Bijbel zwijgt over een eventueel in acht nemen van het jubeljaargebod door de teruggekeerde Joden onder Nehemia. We mogen echter aannemen dat ditmaal het jubeljaargebod gehouden werd.

     

    Hierna een opsomming van de jubeljaren die we met onze artikelenreeks al behandeld hebben.

    Exodus jaartal: 1483 v. Chr. Begin sabbatjaartelling: 1443 v. Chr.

    Jubeljaren en jaartallen v. Chr.:    Historische periode:

    1.       1395/1394                             Richter OthniŽl

    2.      1346/1345                                      Ruth 6:6

    3.      1297/1296                             Richter Ehud

    4.      1248/1247                             verdrukking Jabin

    5.      1199/1198                              Richter Thola

    6.      1150/1149                              verdrukking Ammon

    7.      1101/1100                              Richter en profeet SamuŽl

    8.      1052/1051                             Saul

    9.      1003/1002                                     Salomo

    10.    954/953                               Rehabeam

    11.     905/904                               Josafat

    12.     856/855                                Joas

    13.     807/806                               Amazia

    14.     758/757                                Uzzia

    15.     709/708                               Jaar 14 jaar van Hizkia

    16.     660/659                               Manasse

    17.     611/610                                  Josia- val van Nineveh

    18.     562/561                                Jaar 37 ballingschap Jojachin

    19.     513/512                                  Darius I

    20.    464/463                                Artaxerxes I

    21.    415/414                                Nehemia

     

    wordt vervolgd…

    Met vriendelijke groet

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    09-07-2018 om 07:31 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    02-07-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Assyrische koning Salmaneser III gereviseerd.

    De regeerperiode van Salmaneser of Salmanasser III wordt volgens de Assyriologie op de tijdsbalk van 859 tot 824 v. Chr. geplaatst. Zijn Assyrische naam vanuit het spijkerschrift ontleed, luidt: ©ulmānu-aĻarēdu, wat vrij vertaald: “de god Sulmanu is uitmuntend", betekent.

    Zijn lange regeerperiode van vijfendertig jaar werd gekenmerkt door de vele veldtochten die hij tegen de buurlanden ondernam. Deze gebeurtenissen vinden we jaar na jaar in de Eponiemlijsten vermeld. Van de slag bij Karkar tegen een coalitie van Klein-Aziatische vorsten is bovendien een stele bewaard gebleven. Hierna volgt het gedeelte van de stele dat betrekking op Achab van het tienstammenrijk heeft:

    “Ik vernietigde en verbrandde de stad Karkar, de koninklijke stad. 1,200 wagens, 1,200 cavalerie, en 20,000 soldaten van Hadad-Ezer ("Arad-idri") van Damascus; 700 wagens, 700 cavalerie, en 10,000 soldaten van Irhuleni, de Hamathiet; 2,000 wagens en 10,000 soldaten van Achab, de IsraŽliet; 500 soldaten van Byblos; 1,000 soldaten van Sumur; 10 wagens en 10,000 soldaten uit het land van Irqanatu; 200 soldaten uit Matinu-Ba'al van de stad Arvad; 200 soldaten uit het land van Usanat; 30 wagens van Adon-Ba'al uit het land  ©ianu; 1,000 dromedarissen van Gindibu uit ArabiŽ; ... Honderden soldaten van Ba'asa uit Bit-Ruhubi, de Ammoniet. Deze twaalf koningen nam hij als geallieerden. Zij streden tegen mij.”

     

     

    De AssyriŽrs claimen in de slag bij Karkar tegen onder andere Achab van IsraŽl gestreden te hebben. Twaalf jaar later in 841 v. Chr. vermeldt Salmaneser III schatting ontvangen te hebben van Jehu van de dynastie van Omri van IsraŽl.

    De slag bij Karkar wordt vandaag door de Assyriologie in het jaar 853 v. Chr. geplaatst. Zij arriveren op de tijdsbalk bij dit jaartal door vanaf hun ankerpunt de zonsverduistering over Nineveh van juni 763 v. Chr., negentig jaar terug te tellen. De zonsverduistering over Nineveh staat genoteerd in het tiende regeringsjaar van Assur Dan ten tijde van het eponiem van Bur Sagale. Een eponiem zou een Assyrisch ambtenaar geweest zijn naar wie een bepaald jaar genoemd werd met in de lijst voor dat jaar een vermelding naar een belangrijke gebeurtenis zoals bijvoorbeeld een veldtocht, een pestziekte, het eerste regeringsjaar van een Assyrische koning, een zonsverduistering enz.

    De Eponiemlijsten vermelden per eponiem negentig namen tussen de zonsverduistering en de slag bij Karkar in het zesde jaar van Salmaneser III. Men gaat er hier echter vanuit dat er geen namen van koningen of gebeurtenissen in de Eponiemlijsten ontbreken. Ik meen echter in mijn boek ‘De Assyriologie herzien, 2012, isbn 978 16 1627 424 5’ aangetoond te hebben dat meerdere namen van koningen van AssyriŽ voor een of andere reden uit de koningslijsten verwijderd werden. Het chronologische gebruik van de eponiemlijsten door de Assyriologie is aldus onbetrouwbaar, tenzij bevestigd door andere bronnen.

     

    De wetenschap Assyriologie heeft nochtans zoveel gezag dat men in de twintigste eeuw de Bijbelse chronologie van de koningen van IsraŽl aan de Assyrische koningslijst en haar datering aangepast heeft. Menig Bijbelvorser werd door het wetenschappelijk gezag van de Assyriologie in verlegenheid gebracht totdat Thiele kwam. De geleerde Edwin R. Thiele (1895/1986) dokterde in de twintigste eeuw een nieuwe chronologie van de koningen van IsraŽl en Juda uit, die in lijn met de Assyriologie gebracht werd. Zijn werk “The Mysterious Numbers of the Hebrew Kings” wordt tegenwoordig algemeen beschouwd als de definitieve Bijbelse chronologie en vindt men in menig Bijbels atlas en naslagwerk terug.

    Thiele verkorte de regeringsduur van bepaalde koningen van Juda en IsraŽl om deze te laten passen in het Assyrische tijdskader. Met het inkorten van sommige regeerperioden van IsraŽlitische koningen verdedigde hij de zogenaamde ‘dual dating’ en paste het enkele malen toe, ook daar waar de Bijbel niet expliciet duidelijk over is.

    In de chronologische constructie van Thiele wordt de slag bij Karkar in het laatste regeringsjaar van Achab geplaatst en Jehu’ s eerste regeringsjaar, twaalf jaar later. De aangereikte jaartallen door de Assyriologie: 853 v. Chr. en 841 v. Chr. werden voor Thiele zogenaamde sleuteljaren op de tijdsbalk vanwaar hij de koningen van IsraŽl naar voor en naar achter in de tijd rangschikte. Het resultaat was onder andere dat de scheuring van het Verenigd Koninkrijk van IsraŽl bij de dood van Salomo nu in het jaar 931/930 v. Chr. gedateerd wordt. Daar waar men voorheen het jaartal 975 v. Chr. hanteerde. Een jaartal dat men in studiebijbels van voor de publicatie van Thiele ’s werk tegenkomt. Een verschil van zo maar even vierenveertig jaar? Wanneer men bijvoorbeeld vandaag de exodus foutief rond circa 1445 v. Chr. dateert is dit een gevolg van het voor waar houden van de chronologische fabricatie van Thiele.

    Een oefening die Thiele moest uitvoeren was het linken van de regeerperiode van koning Achab van het tienstammenrijk aan het verkregen jaartal voor de slag bij Karkar in 853 v. Chr. De regeerperiode van Achab corrigeerde hij naar de jaren 874/853 v. Chr. Thiele liet Achab aan de strijd bij Karkar deelnemen in zijn laatste regeringsjaar, hetzelfde jaar dat hij aan zijn einde kwam in de slag bij Ramoth Gilead tegen Aram. Dezelfde ArameeŽrs met wie Achab volgens de Karkar-stele in datzelfde jaar in bondgenootschap tegen de AssyriŽrs te Karkar streed? Dezelfde ArameeŽrs met wie Achab voor het grootste gedeelte van zijn regeerperiode in oorlog was? Indien Achab aan de slag bij Karkar heeft deelgenomen, want de Bijbel zwijgt over dit wapenfeit, dan is het toch de logica zelve dat hij dit deed ten tijde van het drie jaren-bestand (1 Koningen 22:1) tussen IsraŽl en Aram (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 243-249), dat er ooit bestond tussen Aram en IsraŽl.

     

     

    © Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, Robert De Telder

     

    Koning Achab van IsraŽl was ťťn van de antagonisten van Salmaneser III tijdens de slag bij Karkar en heeft een Bijbels-historisch verifieerbare regeerperiode van 909 v. Chr. tot 888 v. Chr. In mijn boek Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, heb ik de koningen van IsraŽl en Juda op de tijdsbalk chronologisch geschikt binnen het raamwerk van de historische Bijbelse sabbat- en jubeljaren.

     

    In mijn boeken ‘De Assyriologie herzien, 2015’ en ‘Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017’ heb ik de Assyrische chronologische gegevens met de Bijbelse ankerpunten verbonden en aldus een nieuwe chronologie voor de koningen van AssyriŽ uitgewerkt. Salmaneser III krijgt nu op de tijdsbalk een regeerperiode van 895 tot 860 v. Chr.

     

    De historische Boeken van de Bijbel zijn overigens veel beter geplaatst om een chronologische reconstructie van de buurvolken van het oude IsraŽl te maken. De Bijbel levert een raamwerk van chronologie van koning Salomo af tot de wegvoering in Babylonische ballingschap in 586 v. Chr. De regeerperiode van de Bijbelse koningen Jojakim, Jojachin en Zedekia, de laatste koningen van Juda, zijn bovendien in de Bijbel verankerd met de regeerperiode van de Babylonische vorst Nebukadnezar wiens regeerperiode door middel van vermeldingen van twee zonsverduisteringen op bewaard gebleven tabletten absoluut vastligt. Zie het artikel van 31.10.2016 op dit blog: het jaartal van de vernietiging van de Tempel van Salomo door de BabyloniŽrs. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1477868400&stopdatum=1478473200

    De regeerperioden van de koningen van het tienstammenrijk zijn verankerd met de koningen van Juda. Men kan dus vrij nauwkeurig een betrouwbare chronologie van de koningen van Juda en IsraŽl op de tijdsbalk uitwerken die tot 1000 v. Chr. loopt. Een geschiedschrijving overigens die uitvoeriger gedetailleerd is dan de summiere eponiemvermeldingen over de koningen van AssyriŽ. Dat men deze historische bron die de Bijbel is niet als chronologisch ankerpunt gebruikt, heeft te maken met het feit dat men de Bijbel uitsluitend als een godsdienstig boek wil zien. Alsof de bewaard gebleven Assyrische annalen vrij van religie zouden zijn?

     

    Jozua 24:15 Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!

     

    Het zesde regeringsjaar van Salmaneser III met de slag bij Karkar wordt in de revisie het jaar april 889/maart 888 v. Chr. wat op de tijdsbalk gelijk loopt met het eenentwintigste regeringsjaar van Achab. De historische werkelijkheid is dat Achab aan de slag bij Karkar tegen de AssyriŽrs deelnam in coalitie met Aram/Damascus, in de periode van de drie jaar rust tussen beide landen zoals beschreven in:

    1 Koningen 22:1 Nadat men drie jaar stilgezeten had, zonder oorlog tussen Aram en IsraŽl, 2 gebeurde het in het derde jaar….

     

    Een jaar later zou er opnieuw oorlog met Aram zijn. Een slag om het bezit van Ramoth-Gilead dat Achab ditmaal geallieerd met Josafat/Juda uitvocht en waar hij smadelijk aan zijn einde kwam.

     

     

    © Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, Robert De Telder

     

    Een anomalie in de constructie van Thiele is dat Jehu van het huis van Omri (tienstammenrijk) schatting aan Salmaneser III overhandigd in diens eerste regeringsjaar. Het jaar dat Jehu de dynastie van Omri al uitgeroeid had en als generaal de kroon in bezit genomen. De Assyrische inscriptie verwijst echter naar Jehu van het huis of dynastie van Omri?

    Deze anomalie wordt opgelost door het correct verankeren van de regeerperiode van Salmaneser III met de chronologische gegevens van koning Achab van IsraŽl. Het tijdstip van het betalen van de schatting door generaal Jehu van het huis van Omri aan Salmaneser III valt nu in het jaar 877/876 v. Chr. wat op de tijdsbalk twee jaar oplevert vooraleer generaal Jehu overgaat tot het uitroeien van de dynastie van Omri door het doden van koning Joram.

    De Assyrische vermelding dat Jehu van ‘het huis van Omri’ was klopt dus. In de constructie van Thiele is Jehu al koning en blijken de AssyriŽrs schijnbaar niet op de hoogte van wie hen schatting brengt, wat absurd is.

     

     

    Van het betalen van schatting door Jehu is een Assyrische overwinningsobelisk bewaard. Deze zwarte obelisk bevindt zich in het British Museum te Londen en toont Jehu die letterlijk op zijn knieŽn en gezicht voor Salmaneser III ligt.

    Conclusie: mijn revisie van de chronologie van de Assyrische koningslijst en in het bijzonder de regeerperiode van Salmaneser III blijkt te kloppen. Het zesde regeringsjaar van Salmaneser III hoort op de tijdsbalk thuis in de periode van wapenstilstand tussen IsraŽl en Aram: zijnde de jaren 891/888 v. Chr. Het achttiende regeringsjaar van Salmaneser III wanneer deze schatting van Jehu van het huis van Omri ontvangt is nu 877/876 v. Chr. en geschiedt voor de uitroeiing van de dynastie van Omri door generaal Jehu in 875 v. Chr.

     

     

    © British Museum

    Ik was ooit in Londen voor een dag-bezoek aan het British Museum. Het was de tijd voor de smartphone en had mijn beste camera meegenomen om een en ander van Assyrische en Egyptische artefacten te kunnen vereeuwigen. Tot mijn verrassing was de ruimte waar de zwarte obelisk opgesteld staat voor het publiek die dag afgesloten. Ik had mijn hoofd tussen de zeilen aan de ingang van de expositieruimte gestoken en begreep dat men nog niet met de geplande werkzaamheden begonnen was. Ik klampte daarop de supervisor aan en verzocht hem vriendelijk of ik toch even de ruimte mocht betreden, ik was tenslotte helemaal uit het verre Belgium gekomen om de zwarte obelisk van Salmaneser III te bewonderen. Heel dankbaar was ik toen ik de toelating kreeg om alleen de ruimte te betreden. Ik had de zaal helemaal alleen voor mezelf en kon naar hartenlust een filmrolletje aan AssyriŽ besteden.

     

     

    © Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, Robert De Telder

     

    Het resultaat op de tijdsbalk met de verankering van de regeerperiode van Salmaneser III met koning Achab en generaal Jehu van het tienstammenrijk is dat zijn laatste regeringsjaar in 860 v. Chr. valt. Niet toevallig trof toen in oktober van het jaar 860 v. Chr. een meganatuurcatastrofe de oude wereld.

    Een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong die volgens de theorie van een cyclus van catastrofes die sinds de Grote Vloed planeet aarde teisterden, aan de basis ligt van het vertrek van Dido uit Tyrus op weg naar een nieuwe vestigingsplaats. Tot die bevinding kom ik door de betreffende chronologische gegevens van Flavius Josephus te verankeren met mijn revisie van de koningen van IsraŽl en Juda. Flavius Josephus (Against Apion Book I, 17) schrijft dat er een tijdsduur van 143 jaar en acht maanden zit tussen het vierde regeringsjaar van Salomo, met het begin van de bouw van de tempel, dat gelijk is aan het twaalfde jaar van de FeniciŽr Hiram en dat het vanaf deze datum 143 jaar en acht maanden zijn tot het zevende regeringsjaar van de FeniciŽr Pygmalion en de bouw van Carthago. Het vierde regeringsjaar van Salomo was, op basis van William Whiston, een sabbatjaar gevolgd door een jubeljaar. Deze constructie levert het jaar 860 v. Chr. op voor de wereldwijde meganatuurcatastrofe.

    De catastrofetheorie had mijn aandacht in TIJD en TIJDEN, 2016, blz. 157 -163, 169-175, 193 en 331-338. Het is de studie van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch and Loren C. Steinhauer met hun boek ‘The long day of Joshua and six other catastrophes, 1973, chapter VI’, dat ik onderzocht en toepaste in mijn reconstructie van de geschiedenis van de oudheid.

     

    Het mega-natuurcatastrofejaar van 860 v. Chr. in Salmaneser ’s laatste regeringsjaar geeft een verklaring voor de oproer in AssyriŽ die er genoteerd staat voor zijn laatste vier regeringsjaren. Ik kan me voorstellen dat de meganatuurcatastrofe die volgens de studie van Patten &Co van kosmische oorsprong was, voor de bijgelovige AssyriŽrs een teken aan de wand was dat Salmaneser III in ongenade bij de goden gevallen was. De eponiemlijst met betrekking tot Salmaneser ’s regeerperiode heeft voor de laatste vier jaar tijdens het eponiem van Dayan-AĻĻur, AĻĻur-bunaya-usur, Yahalu en Bêl-bunaya de laconieke vermelding: opstand (De Assyriologie herzien, 2015, blz. 45-46). De rebellie die tijdens deze periode uitbrak zou nog enkele jaren onder Salmaneser ’s opvolger: Shamsi Adad V, aanhouden. De oorzaak waren volgens de herziening van de Assyrische chronologie, de tekenen aan de kosmische hemel.

     

    In het vervolg van de nieuwe serie afleveringen over de koningen van AssyriŽ in relatie tot de koningen van IsraŽl en Juda, zal ik aantonen dat de genoteerde zonsverduistering over Nineveh in 763 v. Chr. aan de hand van de cyclus van rampen die met intervallen tijdens de achtste eeuw v. Chr. planeet aarde teisterden, opnieuw gedateerd kan worden. Een serie meganatuurcatastrofes ligt aan de basis voor het ontbreken van naar schatting vijfenzestig jaar kroniekschrijven in AssyriŽ.

    De belangrijkste meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong die de Bijbel voor de achtste eeuw voor Christus vermeldt vinden we bij de profeet Jesaja in hoofdstuk 38:1-8 vermeldt. In het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia van Juda ging de schaduw van de zon tien voet op de zonnewijzer van Achaz terug. Ook in ‘The Legends of the Jews’ gecompileerd door Louis Ginzberg, wordt het fenomeen over de zon vermeldt: “Furthermore, the day of Hezekiah's recovery was marked by the great miracle that the sun shone ten hours longer than its wonted time”.

    Het is mijn overtuiging dat de gebeurtenissen in het veertiende regeringsjaar van Hizkia bepalend waren dat de aarde toen van een jaar van 360 dagen naar een jaar van 365,25 dagen ging. Het mechanisme dat hiervoor verantwoordelijk was, was vermoedelijk een planetaire interactie. Het is de verdienste van Dr. ImmanuŽl Velikovsky dat deze onderzoeker als eerste onderzoeker dit Bijbelbericht als historisch correct beschouwde en in zijn werken aantoont dat dit kosmisch fenomeen ook door andere oude beschavingen genoteerd werd.

    Een conclusie die vele revisionistische onderzoekers echter niet maken is dat wanneer de vermelde historische gebeurtenis van het teruggaan van de zon zoals vermeld door de profeet Jesaja een feit is, men geen correcte zonsverduisteringen voorbij het jaar 709 v. Chr. in de tijd kan uitvoeren! Het orthodoxe ankerpunt met de zonsverduistering berekend in 763 v. Chr. wordt hiermee op losse schroeven gezet.

    Naar mijn weten is er maar ťťn onderzoeker geweest die op het feit van de kosmische catastrofe in het veertiende regeringsjaar van Hizkia wees en het gevolg voor het berekenen van exacte zonsverduisteringen voorbij dit jaar, en dat was de Duitstalige Zwitser de heer Christoph Marx (1931-2016). Zijn opmerking werd gepubliceerd in het Amerikaanse magazine ‘Ancient History and Catastrophism’ in juni 1980 maar kreeg geen bijval en niemand maakte naar mijn weten, daarna gebruik van zijn bevinding. De Assyriologie blijkt in de geesten van sommige onderzoekers nog een heiliger koe dan de Egyptologie te zijn.

     

    De vermelding van een zonsverduistering in het eponiem van Bur Sagale in het tiende regeringsjaar van Assur Dan hoort gereviseerd op de tijdsbalk thuis in 800 v. Chr. Het is een bijzonder jaar dat we met de Bijbel kunnen reconstrueren als het jaar van ‘de aardbeving van Amos’.

    Amos 8:9 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere HEERE, dat Ik de zon op den middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren. 10 En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle lenden een zak, en op alle hoofd kaalheid brengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enigen zoon, en deszelfs einde als een bitteren dag. (Statenvertaling)

    Zie mijn uitgave: De zonaanbidder, 2016, blz. 7-12 en TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 331-337.

     

    In nog te volgen afleveringen op dit blog zal ik aantonen dat de herziening van de chronologie van de koningen van AssyriŽ op de tijdsbalk in de achtste eeuw v. Chr. ruimte geeft tot het invullen van ontbrekende namen in de Assyrische koningslijsten. Een voorbeeld is de koning van AssyriŽ die zich op de doemprediking van de Hebreeuwse profeet Jona tot de God van IsraŽl keerde voor uitkomst. Zie het artikel op dit blog: De moeder van alle verwoestingen van 17.11.2017, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1510527600&stopdatum=1511132400

     

    Wordt vervolgd…

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

    Kronieken van de koningen van IsraŽl, 2017, zie link: https://www.bol.com/nl/p/kronieken-van-de-koningen-van-israel/9200000086650052/?suggestionType=searchhistory

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

     

    Genesis versus Egyptologie, 2009, dit boek is uitverkocht maar kan online gelezen worden op de hierna volgende link: http://jezusleeft.weebly.com/genesis-versus-egyptologie.html

     

    Apocalyps, 2009, (dit boek is uitverkocht maar op een PDF-document gratis op eenvoudig verzoek per email bij de auteur verkrijgbaar).


    02-07-2018 om 07:01 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 02/07-08/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!