Inhoud blog
  • De datering van de Grote Vloed in het jaar 2340 v. Chr.
  • Gemummificeerde dino ontdekt: huid en ingewanden intact
  • Het vierde historisch genoteerde Jubeljaar van (okt.) 1248/(sept.) 1247 v. Chr.
  • Het derde historisch genoteerde Jubeljaar van (okt.) 1297/ (sept.) 1296 v. Chr.
  • De geschiedenis van Juda en Thamar Ė chronologie en hoerenkleding
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    KRONOS
    chronologie - archeologie - oudheid
    23-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De datering van de Grote Vloed in het jaar 2340 v. Chr.

    Ik heb recent het boek van de Amerikaanse wetenschapper Donald Wesley Patten: The Biblical Flood and the Ice Epoch, gelezen. Het boek dat in 1966 voor de eerste maal gepubliceerd werd en meerdere herdrukken kende blijft een aanrader. Voor diegene die meende dat de Bijbelse Grote Vloed alleen maar een periode van veel regen over een bepaald gebied op aarde betekende krijgt met het boek een beter begrip van de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong die planeet aarde in het derde millennium voor Christus getroffen heeft.

     

     

    Zoals de cover van het boek al laat zien verbindt Patten de IJstijd met de Zondvloed en verklaart hij het ontstaan van de ijskappen op de Noord- en Zuidpool door ijs dat uit Ďouter spaceí met catastrofale gevolgen op planeet aarde gedeponeerd werd. Ik had het boek al langer in bezit nadat ik het jaren geleden samen met dat andere boeiende boek van Patten: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, verkreeg. Dit laatste boek kreeg op mijn blog al heel wat aandacht. De opdracht is om de historische cyclus van meganatuurcatastrofes op de tijdsbalk chronologisch aan te brengen. De wetenschapper Donald Wesley Patten en zijn medewerkers Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer hanteerden namelijk ter berekening van hun cyclus de jaartallen van de Bijbelse koningen volgens de fabricatie van de chronoloog Edwin R. Thiele die in de twintigste eeuw de Bijbelse koningslijsten met die van de Assyrische koningen verbond. Thiele verkorte hierbij de regeerperiode van de koningen van IsraŽl en Juda met zo maar even een afwijking van acht tot veertig jaar ter inpassing in het Assyrische koningslijstkeurslijf. Zie het artikel op dit blog van 06.02.2017: De Assyriologie, Thiele en het noodlottige jaartal: 930 v. Chr. link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1486335600&stopdatum=1486940400

    Een exact jaartal voor de Grote Vloed of Zondvloed geeft Patten niet maar werkt met circa Ďs.

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, heb ik de Grote Vloed gedateerd van oktober/november Anno Mundi 1656 tot oktober/november van AM 1657 of 2341/2340 v. Chr. volgens de westerse jaartelling. Dat de meganatuurcatastrofe dat de zondvloed was, een volledig jaar duurde leert het Bijbelboek Genesis:

    Genesis 7:10 Na zeven dagen kwamen de wateren van de vloed over de aarde. 11 In Noach Ďs zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand (oktober/november), op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend. 12 En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde.

    Genesis 8:13 In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand (september/oktober), op de eerste der maand, waren de wateren opgedroogd van de aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de ark, en hij zag uit, en zie, de aardbodem droogde op. 14 In de tweede maand (oktober/november), op de zevenentwintigste dag der maand, was de aarde droog.

     

    De beschrijving in Genesis 7:11 dat alle kolken der grote waterdiepten openbraken verklaart Patten vanuit kosmische krachten veroorzaakt wanneer planeet aarde in haar baan om de zon door andere hemellichamen verstoord werd. Patten verklaart verder de continentale drift op aarde en de vorming wereldwijd van bergketens als een gevolg van de zondvloedramp. Zie het commentaar op de cover van het boek hierna:

    The author contends that, through the agency of astral principles, the Earth became engaged, or engulfed, in simultaneous gravitational upheavals and magnetic conflicts. There came with suddenness to our fragile, spiraling sphere, The Biblical Flood and The Ice Epoch. Readers of this unique book will find a challenging and refreshing view of ancient catastrophism and its conclusion, Divine Creation, a subject of importance in this age of increasing intellectual rootlessness.

    It is over and against the prevailing monopoly of uniformitarian thought (which proposes that oceans of time are necessary for anything and everything, both geologically and biologically) that Mr. Patten proposes his view of historical celestial crises, global catastrophes. Such catastrophes may explain many features about several planets. Such catastrophes, relative to the Earth-Moon system, explain the raising up of mountain ranges, sweeping across the face of the Earth in arcuate alignment, similar to the mountain patterns of the Moon.

    This was achieved suddenly, and by tidal upheavals within the oceans (of centrifugally rotating lava) within the Earth's crust. Simultaneously, tidal upheavals engulfing the oceans raised tides of subcontinental dimensions on the Earth's crust, thus the historically recorded Deluge, or Flood.

    (The Biblical Flood and the Ice Epoch by Donald Wesley Patten, 1966)

     

    Bijzonder fascinerend vond ik Patten Ďs theorie in hoofdstuk IX, 4, dat planeet aarde ook al voor de zes-dagenschepping door meganatuurcatastrofes van kosmische aard getroffen werd en hij geeft een wetenschappelijke verklaring voor het Bijbelgedeelte van Genesis 1:1-2: In den beginne schiep God den hemel en de aarde. 2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; Ö

    Hierna een citaat uit het boek:

    The Earth then became a dark, hydrocarboniferous dump at the time of the earlier catastrophe or catastrophes. Part of the surface tar (bitumen) from that period may have been utilized by Noah and his sons for the pitching of the Ark (Genesis 14). Bitumen was also gathered several centuries after the Flood in the oil-rich Mesopatamian Valley. It was used at that later time to pitch the Tower of Babel so that it, too, like the Ark, would be impervious to water if another Flood might recur (Genesis 11:3). Similarly, bitumen was reported in the slime pits of Sodom and Gomorrah (Genesis 14:10) at a time which may have just preceded a rifting of the Earth's crust in that region. Thus, it is posited, some 10,000 or 20,000 years ago, our planet may well have been the scene of a dark, celestial, carboniferous dump. This might help explain why horizontal seams of coal, like subterranean pools of petroleum, contain virtually no Carbon-14 (along with limestones). Perhaps this is how our antediluvian canopy originated, with its abundances of water vapor and carbon dioxide, merely oxygenated hydrogen and carbon. Our planet may have become literally a dark dump or void, a contention suggested in Genesis 1:2.

    The Earth became without form and an empty waste (or void), and darkness was upon the face of the very great deep. (King James)

     

    Hoe ik de datering van de zondvloed in het jaar 2341/2340 v. Chr. bekomen heb is vrij eenvoudig uit te leggen. De chronologie van mijn boek TIJD en TIJDEN is opgebouwd binnen het raamwerk van de sabbat- en jubeljaren volgens de telling van William Whiston als fundament. Er waren dertig jubeljaren vanaf het optreden van de Heer Jezus Christus in oktober 27 AD te Nazareth volgens Lukas hoofdstuk 4, wanneer de Heiland het Ďaangename jaar des HERENí uitriep. Het eerste jubeljaar terug de tijd viel in okt.1395/sep.1394 v. Chr. Zeven maal zeven jaar eerder waren zij in 1443 v. Chr. het beloofde land Kanašn binnengetrokken en begon de eerste sabbatjaren-cyclus. Veertig jaar daarvoor waren de IsraŽlieten in 1483 v. Chr. uit Egypte opgetrokken. Volgens het Bijbelboek 1 Koningen 6:1 waren het vierhonderdtachtig jaar vanaf het exodusjaar tot het vierde regeringsjaar van Salomo wanneer deze aan de bouw van de Tempel te Jeruzalem begon. Het vierde regeringsjaar van Salomo viel volgens de sabbat- en jubeljaar-telling in oktober 1004/september 1003 v. Chr. Zijn eerste regeringsjaar begon in oktober 1007 v. Chr. Daarvoor hebben we de veertigjarige regeerperiode van David: 1047/1007 v. Chr. en daarvoor regeerde Saul van 1087 tot 1047 v. Chr. over de twaalf stammen van IsraŽl. De koningen van IsraŽl en Juda heb ik tussen de jaartallen 1087 en 586 v. Chr. op de tijdsbalk herschikt met de historische sabbat- en jubeljaren als ijkpunten.

    Vanaf Pesach in het voorjaar van 1483 v. Chr. met de Exodus en negenenveertig dagen later Sjavoeot en het geven van de Tien Woorden aan Mozes zijn het vierhonderddertig jaar terug tot de roeping van Abram/Abraham (Galaten 3:17) in 1913 v. Chr. Het was in het stervensjaar van Thera dat Abram uit Haran naar Kanašn vertrok (Genesis 11:32 en 12:1-4). Vanaf Thera de vader van Abram/Abraham hanteren we de jaartallen van de geslachtslijn van Sem de zoon van Noach (Genesis 11:10-22) tot op Thera. Het resultaat is 2340 v. Chr. voor het einde van de Grote Vloed. In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 13-21, wijs ik ook op de hogere jaartallen die de Griekse Septuagintvertaling hanteert ter berekening van het jaar van de zondvloed en leg uit waarom ik de Masoretische tekst van onze Bijbel verkies.

    Mijn keuze voor een jong jaartal voor de zondvloed werd bevestigd door de studie van Dr. Werner Papke aan: ďDie Sterne von Babylon, Die geheime Botschaft des Gilgamesch Ė nach 4000 Jahren entschlŁsseltĒ. Het werk dateert al van 1989 (ISBN 3 7857 0498 4). De auteur brengt een Duitse vertaling van het Gilgamesj-epos en berekend de astronomische datum van de Babylonische versie van de zondvloed. Tot mijn verrassing kwam in zijn studie telkens weer het jaar 2340 v. Chr. tevoorschijn, voor het gebeuren. Het is hetzelfde jaartal waar ik bij arriveerde in mijn studie: TIJD en TIJDEN. En dit op basis van de sabbat- en jubeljaartelling op de wijze van tellen volgens William Whiston en vervolgens via de juiste verbinding met het tijdstip van de roeping van Abraham, voorafgegaan met de Genesisgeslachtsregisters van de aartsvaders. Ik beschouw de verkregen astronomische datum van 2340 v. Chr. van Werner Papke voor het Gilgamesj-epos, als een kruispeiling dat mijn in de tijd terug navigeren via de sabbat- en jubeljaren, bevestigd. Verbazend bij het lezen van het werk van Dr. Werner Papke was ook de astronomische kennis van de ChaldeeŽrs. Zij waren blijkbaar Copernicus vierduizend jaar vooraf. Zij wisten bijvoorbeeld dat de planeten niet om de aarde, maar om de zon cirkelen en dat planeet aarde met haar maan op de vierde plaats na Saturnus komt. Het toont veel over de kennis van de nakomelingen van Noach in het derde millennium v. Chr. Dit alles is een kennis die later verloren ging en in het Westen slechts vijfhonderd geleden opnieuw verkregen werd.

    Het Bijbelboek Genesis leert een wereldwijde grote vloed dat het einde van de eerste beschaving sinds de Schepping betekende met een nieuw begin in 2340 v. Chr. De wereld die onderging was een beschaving zonder weerga gelijk aan het Atlantis uit de Griekse mythologie. Maar het was een beschaving geweest die haar eigen weg naar de ondergang ging. Honderdtwintig jaar voor de Grote Vloed was de maat vol en was de aarde en alles wat er op leefde gedoemd tot sterven. Wat de maat vol maakte was het vermengen van de zonen Gods met de dochters der mensen, met als resultaat: de Nefilim. Een Hebreeuws woord dat meestal vertaald wordt met reuzen of geweldenaars.

    Genesis 6:1 Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, 2 zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. 3 En de HERE zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. 4 De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam. 5 Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6 berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN.

     

     

    Een periode van Gods handelen met de mens werd in 2341/2340 v. Chr. definitief afgesloten. Ik vind het opmerkelijk dat er in het Bijbelboek Genesis staat geschreven dat de HEERE God de deur van de ark sloot en niet Noach:

    Genesis 7:16b Ö En de HEERE sloot achter hem toe..

    Het betekende het afsluiten van een Bijbelse bedeling. Slechts acht mensen: vier mannen en vier vrouwen overleefden de meganatuurcatastrofe van Godswege en begonnen daarna met een verbond van God en met de belofte dat Hij nooit meer de aarde zou verderven (Genesis 9:9-11) aan een nieuw leven met nieuwe verantwoordelijkheden. Het Ďkwaadí (Rom. 3:9-17) was echter mee de ark ingegaan en in de geslachtslijn van Cham zou er dra een nieuwe opstand opkomen. Het was de Bijbelse Nimrod die het verzet na de grote vloed leidde. Met de roeping van Abram/Abraham in 1913 v. Chr. werd ook de bedeling van na de vloed afgesloten en ving de periode van de belofte aan.

     

    Het belang van exacte chronologie blijkt iedere keer opnieuw wanneer men merkt dat wetenschappers zoals bijvoorbeeld Patten en zijn medewerkers vanuit hun bepaalde vakwetenschap in vertrouwen gebruik maken van de algemeen aanvaarde Bijbelse chronologie zoals de geleerde Edwin R. Thiele ze gefabriceerd heeft, en zodoende verbanden missen.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties:

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343



    23-05-2017 om 13:32 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gemummificeerde dino ontdekt: huid en ingewanden intact

    Job 40: 10 Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund. 11 Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks. 12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. 13 Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen. 14 Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht. 15 Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar. 16 Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks. 17 De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem. 18 Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken. 19 Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? (Statenvertaling)

     

    De NBG Vertaling uit 1951 heeft gemeend het Hebreeuwse woord BEHEMOTH te mogen vertalen met nijlpaard. De Statenvertaling echter heeft heel wijselijk de Hebreeuwse naam Behemoth behouden. Behemoth is een Oud-Hebreeuwse naam van een reusachtig dier dat beschreven wordt in het Bijbelboek Job. Volgens de beschrijving is het de koning der dieren. Sinds de zeventiende eeuw al is getracht de Behemoth te identificeren. Toen de Statenvertaling tot stand kwam bestond de naam Dinosaurus nog niet, die naam kwam pas in de negentiende eeuw in gebruik en betekent reuzenhagedis. De NBG-vertalers van de Bijbel in 1953 vertaalden tegen beter weten in met: nijlpaard. De beschrijving van de Behemoth in het Bijbelboek Job doet nochtans niet aan het nijlpaard denken. Het Nijlpaard heeft bijvoorbeeld ook vandaag geen staart als een ceder maar eerder een staartje.

    De Behemoth uit het Bijbelboek Job is een historisch dier dat zijn woonplaats ten tijde van Job aan de rivier de Jordaan had en was volgens de beschrijving in het Bijbelboek Job zondermeer een reuzenhagedis. Het monster dat Job beschrijft was een vegetarisch dier dat hooi at als een rund (Job 40:10). Zijn biotoop was (Job 40:16) de oever van de Jordaan waar hij een schuilplaats had in het riet en in het slijk onder schaduwachtige bomen.

    In een artikel op dit blog van 07.04.2016 gaf ik aandacht aan de chronologische plaatsing van Job op de tijdsbalk en dateerde hem in de zeventiende eeuw v. Chr. zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1459720800&stopdatum=1460325600

    De beschreven reuzenhagedis in het Bijbelboek Job dateert uit dezelfde periode. In de zeventiende eeuw voor Christus was de drastische klimaatwijziging die het gebied in de achtste eeuw v. Chr. (Jesaja 5:6) trof nog ver weg en al het land oostelijk en westelijk van de Jordaan was als de tuin van Eden.

     

    De dinosauriŽrs of reuzenhagedissen worden door de wetenschap vandaag op aarde geplaatst miljoenen jaren vooraleer de mens volgens de theorie zijn intrede deed. Volgens het Bijbelboek Job waren de behemoth (of reuzenhagedis) en de mens gelijktijdig op aarde. De dino ís waren gisteren opnieuw wetenschappelijk nieuws met de opmerkelijke ontdekking van een dino in 2011 die uitzonderlijk in goede staat als gemummificeerd met huid en al ontdekt werd. Men noemt het geen gewoon fossiel maar een "dinosaurusmummie". Het monster werd door een oliemijnwerker ontdekt en sinds dit jaar in het ĎRoyal Tyrrell Museum of Paleontologyí in Alberta, Canada tentoongesteld. Zie de link:

    http://www.demorgen.be/wetenschap/gemummificeerde-dino-ontdekt-huid-en-ingewanden-intact-bd751bc4/

    De beschreven dino in het artikel was een enorme planteneter op vier benen met een beschermend stekelig pantser. De dinosaurus zou naar schatting ongeveer 1.360 kilogram wegen. Vandaag is de nieuwgenoemde Ďnodosaurusí nog zo intact dat hij nog altijd 1.134 kilogram weegt.

     

    De vondst van een goed geconserveerde reuzenhagedis stelt ons in staat een beter beeld van de Bijbelse behemoth te krijgen en de dateringsmethode van de evolutietheorie in vraag te brengen.

    In het artikel van 07.04.2016 gaf ik niet alleen aandacht aan de chronologische plaatsing van Job op de tijdsbalk maar dateerde ook de meganatuurcatastrofe van kosmisch oorsprong die de aarde ten tijde van Job trof en in het Bijbelboek te vinden is. De cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong die planeet aarde van de vierentwintigste eeuw tot in de achtste eeuw voor Christus trof geeft een verklaring voor de ondergang van de reuzenhagedissen.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    17-05-2017 om 14:54 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het vierde historisch genoteerde Jubeljaar van (okt.) 1248/(sept.) 1247 v. Chr.

    Met de aflevering van 08.05.2017 op dit blog gaf ik aandacht aan het derde jubeljaar sinds de inname van Kanašn door de IsraŽlieten. Met de aflevering van deze week vervolgen we onze reis in de tijd met de chronologie van de historische sabbat- en jubeljaren en geven aandacht aan het vierde en het vijfde jubeljaar.

     

     

    We hebben gezien dat tegen het einde aan van de tachtig jaar vrede bij de dood van de richter Ehud in 1269 v. Chr. de IsraŽlieten zich niet meer aan het sabbatjaargebod hielden. De dood van Ehud viel uitgerekend in het zesde jaar van de derde sabbatjaarcyclus. Een jaar dat vermoedelijk geen dubbele zegening over het land zag. De verdrukking door Jabin begon niet toevallig in het vierde sabbatjaar van de zeven maal zeven jaarcyclus. Een jaar dat zij normaal gezien rust moesten hebben, indien zij trouw waren gebleven aan de Wet des HEEREN en trouw aan hun belofte deze wetten te houden.

    Richteren 4:1 Maar de kinderen IsraŽls voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, als Ehud gestorven was. 2 Zo verkocht hen de HEERE in de hand van Jabin, koning der Kanašnieten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera; dezelve nu woonde in Haroseth der heidenen. (Statenvertaling)

     

     

    De verdrukking door de Kanašniet Jabin zou twintig jaar duren tot het voorjaar van 1249 v. Chr. Het laatste jaar van de verdrukking was (niet toevallig) weer een jaar van dubbele zegening over het land toen de IsraŽlieten op de HEERE God riepen en Hij hen de richter Deborah gaf ter verlossing van het juk van Jabin.

    Op uitnodiging van de IsraŽlieten nam de profetes Deborah de leiding over van het IsraŽlitische militieleger en versloeg het gigantische leger van Sisera de generaal van Jabin. De IsraŽlitische legertroep was in staat het vijandelijke leger van negenhonderd strijdwagens te overkomen als een gevolg van een heel bijzonder ingrijpen van de zijde van de HEERE God.

    Richteren 4:13 Zo riep Sisera al zijn wagenen bijeen, negenhonderd ijzeren wagenen, en al het volk, dat met hem was, van Haroseth der heidenen tot de beek Kison. 14 Debora dan zeide tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, in welken de HEERE Sisera in uw hand gegeven heeft; is de HEERE niet voor uw aangezicht henen uitgetogen? Zo trok Barak van den berg Thabor af, en tien duizend man achter hem. 15 En de HEERE versloeg Sisera, met al zijn wagenen, en het ganse heirleger, door de scherpte des zwaards, voor het aangezicht van Barak; dat Sisera van den wagen afklom, en vluchtte op zijn voeten. (Statenvertaling)

    In Richteren hoofdstuk 5 vers 20 in het overwinningslied van Debora staat er geschreven: van de hemel streden de sterren, vanuit haar banen streden zij tegen Sisera. ÖHet Bijbelboek Richteren geeft hier een verwijzing naar een kosmisch fenomeen dat zich over het slagveld afspeelde in de strijd tussen de IsraŽlieten en het leger van Jabin:

    Richteren 5:20 van de hemel streden de sterren (Hebreeuws: KOWKAB), vanuit haar banen (Hebreeuws: MECILLAH) streden zij tegen Sisera. (NBG Vertaling 1951)

    De onderzoekers Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer verbinden in hun studie: The Long Day of Joshua and Six other Catastrophes, Chapter VI, 1973, het kosmisch fenomeen van Richteren 5:20 met een Ďfly-byí van de planeet Mars. De Hebreeuwse grondtekstwoorden die ik in het Bijbelcitaat hierboven tussen ronde haken vermeldde zijn van hen. Hierna hun commentaar voor de Hebreeuwse woorden KOWKAB en MECILLAH.

    KOWKAB: a blazing or rolling star, a shining star, a luminary, and we propose, a rotating planet such as Mars.

    MECILLAH: which Strongís Concordance translates as a viaduct, a staircase, a causeway, a course, a highway, a path, a terrace, and our belief is it could also be accurately translated Ďan orbití, or Ďorbitsí, paths of the luminaries.

    Het Bijbelgedeelte van Richteren 5:20 krijgt in het licht van de studie van Patten wel een heel letterlijke betekenis. Het jaartal van Donald W. Patten, Ronald R. Hatch en Loren C. Steinhauer voor de ramp ten tijde van Debora corrigeren we op basis van de sabbatjaar- en jubeljaartelling volgens William Whiston naar 1249 v. Chr. en dit jaar wordt een ijkpunt op de tijdsbalk waar we andere kosmische fenomenen mee kunnen verbinden. Wanneer we bijvoorbeeld vanaf 1249 v. Chr. in de tijd terugrekenen met Patten-schijven van 54 jaar en zes maanden voor de cyclus van meganatuurcatastrofes verkrijgen we volgende resultaten:

    september/oktober     1304 v. Chr.

    Maart/april                  1358 v. Chr.

    Het verkregen jaartal 1304 v. Chr. levert geen historische verwijzing naar een eventuele natuurcatastrofe op maar het jaar 1358 v. Chr. wel. Het is een jaartal dat verbonden is met de genoteerde hongersnood ten tijde van Naomi een hongersnood die voorafging aan het tweede jubeljaar. Zie het artikel op dit blog van 24.04.2017, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?ID=2985037

    De meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong van 1358 v. Chr. is een jaartal dat Patten en zijn medewerkers als een gevolg van hun hanteren van Edwin R. Thiele ís gefabriceerde jaartallen en ankerpunt op de tijdsbalk niet herkend hebben. Wanneer we echter hun aangetoonde cyclus van kosmische meganatuurcatastrofes de juiste ijkpunten op de tijdsbalk geven met intervallen van 54 jaar en zes maanden komen er extra historische verbanden tevoorschijn. Recent schreef ik nog een artikel op 13.03.2017 over de cyclus van meganatuurcatastrofes van kosmische oorsprong: de zondvloed van Deucalion, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489359600&stopdatum=1489964400

     

    Op onze tijdsbalk merken we dat het jaar 1249 v. Chr. ook het Richter-schap van de bekende Gideon zag aanvangen. De voorafgaande verdrukking van zeven jaar door Midian kwam toen aan haar einde.

    Richteren 6:1 Maar de kinderen IsraŽls deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; zo gaf hen de HEERE in de hand der Midianieten, zeven jaren. 2 Als nu de hand der Midianieten sterk werd over IsraŽl, maakten zich de kinderen IsraŽls, vanwege de Midianieten, de holen, die in de bergen zijn, en de spelonken, en de vestingen. 3 Want het geschiedde, als IsraŽl gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen. 4 En zij legerden zich tegen hen, en verdierven de opkomst des lands, tot daar gij komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in IsraŽl, noch klein vee, noch os, noch ezel. 5 Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kemelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven. 6 Alzo werd IsraŽl zeer verarmd, vanwege de Midianieten. Toen riepen de kinderen IsraŽls tot den HEERE. (Statenvertaling)

     

     

    Debora en Gideon zouden vanaf 1249 v. Chr. beiden gedurende veertig jaar de IsraŽlieten richten. De chronologische rangschikking van de richters heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 147-153 behandelt. Het ijkpunt op de tijdsbalk ter plaatsing van het raamwerk der richteren is het jaar 1143 v. Chr. bij het begin van het optreden van richter Jefta. Dat jaar (Richteren 11:12-29) waren er namelijk driehonderd jaar sinds de intocht in Kanašn ten tijde van Jozua verlopen. Vanaf 1143 v. Chr. heb ik op de tijdsbalk de richters voor en na Jefta gerangschikt en dit binnen het raamwerk van de sabbat- en jubeljaren volgens William Whiston. Hierbij hadden we ook richters zoals bijvoorbeeld Gideon en Debora die tegelijkertijd de verdrukkers van de IsraŽlieten aanpakten. In 1249 v. Chr. rukte Gideon tegen de Midianieten op en hetzelfde jaar versloeg Debora de Kanašnieten onder leiding van Sisera.

     

     

    In Egypte was de vijftiende Hyksos-dynastie opgevolgd door de zestiende Hyksos-dynastie. Volgens de herziening van de geschiedenis van de oudheid hebben de Hyksos na de Exodus Egypte overrompeld en deze vreemde heersers zouden over Egypte de scepter zwaaien tot aan koning Saul van het verenigd koninkrijk van IsraŽl. De naam Griekse naam Hyksos bereikte ons via Flavius Josephus die gedeelten van het werk van Manetho met betrekking tot de Joden kopieerde. Zij zijn volgens de revisie identiek met de Amoe uit Egyptische bron en met de Bijbelse Amalekieten. Van de zestiende dynastie hebben we haast geen namen van Hyksos-farao Ďs als een gevolg van de beeldenstorm door farao Ahmose van de achttiende dynastie na hun verdrijving uitgevoerd.

     

     

    In het voorjaar van 1209 v. Chr. kwam aan de periode van rust bij de dood van Debora en Gideon een einde. Wat volgde was het optreden van de usurpator Abimelek een van de zonen van Gideon (Richteren 9:1-57) voor een korte periode van drie jaar. Dit waren drie jaren dat de IsraŽlieten na de dood van Gideon zich van de HEERE God omkeerden en de Bašls gingen dienen.

    Richteren 8:32 En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets. 33 En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen IsraŽls zich omkeerden, en de Bašls nahoereerden; en zij stelden zich Bašl-berith tot een God. 34 En de kinderen IsraŽls dachten niet aan den HEERE, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom. 35 En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbašl, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij IsraŽl gedaan had.

     

    In 1206 v. Chr. bij het begin van het zesde sabbatjaar stond de Richter Thola op, die IsraŽl voor een periode van drieŽntwintig jaar zou richten.

    Richteren 10 1 Na Abimelech nu stond op, om IsraŽl te behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van EfraÔm. 2 En hij richtte IsraŽl drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir.

     

     

    Het was tijdens het richter-schap van Thola dat het vijfde Jubeljaar sinds de inname van Kanašn door de IsraŽlieten plaatsvond. Een jubeljaar dat vermoedelijk door de IsraŽlieten toen in acht werd genomen. We schrijven vermoedelijk omdat er geen verwijzing in de Bijbel naar te vinden is. Wel weten we dat van de 120 sabbatjaren die er waren tussen de inname van Kanašn in 1443 v. Chr. en de eerste wegvoering in Babylonische ballingschap in 605 v. Chr. de IsraŽlieten vijftig maal het sabbatjaargebod gehouden hebben.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    16-05-2017 om 08:34 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    08-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het derde historisch genoteerde Jubeljaar van (okt.) 1297/ (sept.) 1296 v. Chr.

    Met onze aflevering van 24.04.2016 op dit blog brachten we de geschiedenis van het tweede jubeljaar (oktober) 1346/(september) 1345 v. Chr. sinds de verovering van het Beloofde Land Kanašn door de IsraŽlieten.

     

     

    We gingen er van uit dat aan de bepalingen van het Jubeljaar zoals beschreven in Leviticus hoofdstuk 25 door de IsraŽlieten toen voldaan werd. Het bijzondere zesde jaar waar de tweede sabbatjaarcyclus van zeven maal zeven jaar mee afsloot zag inderdaad een dubbele zegening van Boven over het land dat dat jaar zijn vrucht gaf ter overbrugging van de twee volgende jaren dat er niet gezaaid mocht worden.

    Leviticus 25:20 Wanneer gij zegt: wat zullen wij in het zevende jaar eten, zie, wij mogen niet zaaien noch onze oogst inhalen Ė 21 dan zal Ik mijn zegen in het zesde jaar over u gebieden, dat het u een opbrengst geve voor drie jaren. 22 In het achtste jaar zult gij zaaien, maar van de vorige oogst eten, tot het negende jaar; totdat de oogst daarvan binnenkomt, zult gij van de vorige eten. (Statenvertaling)

     

    Het was deze bijzondere zegening over het land dat ook de uitgeweken berooide weduwe Naomi in de velden van Moab bereikte en maakte dat zij naar het land Juda terugkeerde:

    Ruth 1:6 Toen maakte zij (Naomi) zich op met haar schoondochters, en keerde weder uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat de HEERE Zijn volk bezocht had, gevende hun brood. 7 Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op den weg, om weder te keren naar het land van Juda,Ö (Statenvertaling)

     

     

    Onder het richter-schap van Ehud gevolgd met dat van de richter Samgar zouden de IsraŽlieten tachtig jaar rust hebben.

    Richteren 3:30 Alzo werd Moab te dien dage onder IsraŽls hand te ondergebracht; en het land was stil tachtig jaren. 31 Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; alzo verloste hij ook IsraŽl. (Statenvertaling)

     

     

    De lange periode van tachtig jaar rust nam een aanvang in 1349 v. Chr. en liep tot 1269 v. Chr. waarna de verdrukking van de Kanašniet Jabin zou volgen:

    Richteren 4:1 Maar de kinderen IsraŽls voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, als Ehud gestorven was. 2 Zo verkocht hen de HEERE in de hand van Jabin, koning der Kanašnieten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera; dezelve nu woonde in Haroseth der heidenen. (Statenvertaling)

     

    Maar voor een lange periode van tachtig jaar zouden de IsraŽlieten rust hebben, zou het stil zijn en dit als een gevolg van hun houden van de wet in het algemeen en in het bijzonder van de sabbatjaren. Tachtig jaar is ook vandaag nog een lange tijd voor een periode van vrede. Het einde van de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld is dit jaar al tweeŽnzeventig jaar geschiedenis en ieder mens in het westen hoopt en bidt dat de vrede nog lang mag aanhouden (1 TimoteŁs 2:1-2). Vijfenzeventig jaar geleden was het voor de Joodse medeburgers in ons land een tijd van grote verdrukking. In de zomer van 1942 begonnen de nazi ís namelijk na twee jaar harassment met de fysieke wegvoering van hen naar de vernietigingskampen in het oosten. Een lichtpunt voor velen was dat de helft van de Joodse bevolking in BelgiŽ bij niet-Joodse medeburgers (van alle politieke- en geloofsovertuigingen) spontaan kon onderduiken. Dit was een uniek feit in de geschiedenis van de andere door de nazi-Duitsers bezette landen (met uitzondering van Denemarken) waar Joodse mensen niet altijd als medeburgers aanzien werden. De beloofde zegening in de Bijbel (Genesis 12:3) bleek in september 1944 toen BelgiŽ op slechts enkele dagen bevrijd werd en aan de nachtmerrie een einde kwam. In mijn boek ĎDe tweede wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, heb ik deze bijzondere geschiedenis uitgediept.

     

     

    De bijgevoegde tijdsschema Ďs zijn inmiddels vertrouwd en tonen bovenaan met een blauwe tijdsbalk de sabbatjaren van april tot maart aan. Het Jubeljaar zag altijd zijn start in oktober van de negenenveertigste sabbatjaarcyclus en liep verder tot september van het volgende jaar waar inmiddels in april een nieuwe sabbatjaarcyclus van start was gegaan. De jaartallen bovenaan de tijdsbalk zijn volgens de westerse jaartelling gebaseerd op de geboorte van Jezus Christus, onderverdeeld in vier vakken van elk drie maanden.

     

     

    Het derde jubeljaar van 1297/1296 v. Chr. zal vermoedelijk door de IsraŽlieten onder het Richter-schap van Ehud gehouden zijn. In 1297 v. Chr. waren er op de tijdsbalk al drieŽnvijftig van de tachtig jaar verstreken sinds de richter Ehud de IsraŽlieten van de verdrukking van Moab bevrijdde. Ik merkte al eerder op dat er in totaal 120 sabbatjaren zaten vanaf de inname van Kanašn tot aan de wegvoering in Babylonische Ballingschap in 605 v. Chr. Zeventig sabbatjaren hadden de IsraŽlieten tegen het jaar 605 v. Chr. niet gehouden en vandaar het oordeel van de Babylonische Ballingschap waarbij het land als een gevolg van de ontvolking zijn rust kreeg. Dit oordeel was bij het overhandigen van de Wet in 1483 v. Chr. aangekondigd en kan men nalezen in het Bijbelboek Leviticus hoofdstuk 26. De volledige tekst heb ik in de aflevering van 19.04.2017 op dit blog geciteerd. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1492380000&stopdatum=1492984800

     

     

    In het voorjaar van 1296 v. Chr. begon de vierde sabbatjaarcyclus van zeven maal zeven jaren, sinds de verovering van Kanašn onder leiding van Jozua. Op het getoonde schema merken we onderaan met een blauwe tijdsbalk de periode van het Richter-schap van Ehud en Samgar. Daarboven met een groene kleur merken we de tijdsbalk van de Hyksos-heersers over Egypte en daarboven zien we de gereviseerde Assyrische koningslijst. Zowel Egypte als AssyriŽ kregen in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, aandacht met de respectievelijke koningslijsten gereviseerd op een tijdsbalk aangebracht.

    De Hyksos-farao met de Griekse naam Assis was de laatste van de eerste zes Hyksos-farao ís sinds zij in 1483 v. Chr. twee maanden na de exodus Egypte zonder slag of stoot overrompelden. Het was de Joodse oudheidhistoricus Flavius Josephus die een belangrijk gedeelte van de Egyptische geschiedenis samengesteld door de Egyptische historicus Manetho doorgaf. Over de periode van de Hyksos-heerschappij over Egypte schreef ik eerder op dit blog op 12.09.2016 een artikel, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1473631200&stopdatum=1474236000

     

    De AssyriŽrs zitten in de geslachtslijn van Abraham die na de dood van Sara met Ketura hertrouwde. Het prille begin van de Assyrische clan kan vanaf 1848 v. Chr. gereconstrueerd worden. Maar dit heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: De AssyriŽrs en Abraham, blz. 47-58, uitgewerkt.

     

     

    Naar het einde toe van het Richter-schap van Ehud liep het met de IsraŽlieten fout. In het voorjaar van 1269 v. Chr. stierf Ehud en begon onmiddellijk de verdrukking door de Kanašniet Jabin die twintig jaar zou aanhouden.

    Richteren 4:1 Maar de kinderen IsraŽls voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, als Ehud gestorven was. 2 Zo verkocht hen de HEERE in de hand van Jabin, koning der Kanašnieten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera; dezelve nu woonde in Haroseth der heidenen. (Statenvertaling)

     

    De dood van Ehud valt uitgerekend in het zesde jaar van de derde sabbatjaarcyclus. Een jaar dat vermoedelijk geen dubbele zegening over het land zag. De verdrukking door Jabin begon niet toevallig in het vierde sabbatjaar van de zeven maal zeven jaarcyclus. Een jaar dat zij normaal gezien rust moeten hebben, indien zij trouw waren gebleven aan de Wet des HEEREN en trouw aan hun belofte deze wetten te houden.

     

    Epiloog

    Enkele weken geleden werd mijn aandacht gevestigd op een website van de Amerikaan Wayne L. Atchison, een website die ik verwacht werd te onderzoeken en commentaar te geven. Atchison levert een theorie waarbij hij de Jubeljaren vanaf de Schepping meent te kunnen tellen ter berekening van het einde der tijden? Een nieuw jaartal voor de Apocalyps is volgens hem 2023? In het weerleggen van een stelling gaat al dadelijk heel veel tijd in, tijd die dan verloren gaat voor naar mijn mening meer interessante studie. Wat het onwaarschijnlijke jaartal 2023 betreft zal de tijd ook dit jaartal en de berekening ontmaskeren als een futiel Ďtijdí verdrijf. We kunnen echter met zekerheid stellen dat dit sommige onderzoekers niet zal weerhouden nieuwe jaartallen te berekenen alsof de tijden of gelegenheden betreffende het herstel van IsraŽl aan de Ekklesia geopenbaard zou zijn.

    Handelingen 1:6 Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor IsraŽl? 7 Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde. (NBG Vertaling 1951) Tijd: 30 AD kort voor de Hemelvaart van de Heiland Jezus Christus.

    De historische Jubeljaren hebben alleen zin en waarde wanneer men ze Bijbels-concordant vanaf de inname van Kanašn door de IsraŽlieten rekent en niet eerder. Wanneer men de historisch bevestigde jubeljaren als ijkpunten op de tijdsbalk hanteert dan blijkt overigens de constructie van Atchison daar volledig haaks op te staan. Als een gevolg van zijn gebruik van verkeerde ijkpunten op de tijdsbalk zit ook zijn eindtijdjubeljaar fout.

    Men wil blijkbaar niet leren van de foutieve jaartallen die in het verleden gelanceerd werden. Het is inmiddels sinds het nationale herstel van IsraŽl in 1948 een hele lijst van jaartallen geworden. Enkele voor mij bekende jaartallen waren: 1988, 1989, 1996, 2000, 2005, 2012, 2014, 2015, 2017 en vermoedelijk ontbreken er nog enkele jaartallen aan deze lijst.

    In Weet Magazine van april 2017 stond er een column over de tekenen der tijden met aandacht voor het astronomische sterrenbeeld maagd van 23 september 2017. Men wekt de verwachting dat er misschien dan iets rond IsraŽl zou kunnen gebeuren. De theorie is dat het sterrenbeeld maagd van 23 september 2017 in verband zou kunnen gebracht worden met het Bijbelboek Openbaring hoofdstuk 12?

    Daarom is chronologie zo belangrijk, niet alleen voor het verleden waar chronologie de ruggengraat van alle geschiedenisonderzoek is, maar ook voor de toekomst. De zevenjarige eindtijdperiode van het Bijbelboek Openbaring en de meeste toekomstige gebeurtenissen daarin vermeld kunnen chronologisch ingevuld worden. Dan zal dat gebeuren en daarna dat, en dat kan niet gebeuren alvorens dat gebeurd is enzoverder. Vooral het begin van de zevenjarige eindtijdperiode, het midden en het einde zit chronologisch op een alsnog toekomstige tijdsbalk verankerd. Zie het artikel op blog van 27.03.2017, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1490565600&stopdatum=1491170400

    Bij Openbaring hoofdstuk 12 bijvoorbeeld zitten we chronologisch in de helft van de zevenjarige eindtijdperiode en daar is voor Ď23 september 2017í op de eindtijdtijdsbalk geen plaats voor.

    In de Bijbel zitten geen verborgen tijdslijnen verstopt. Iets wat Bijbelvorsers zoals Atchison en anderen menen te beweren. Integendeel, zowel het chronologisch-historische als het chronologische toekomstige handelen van de HEERE God met IsraŽl, de Ekklesia en de wereld is in de Bijbel geopenbaard en vindbaar voor elke gelovige Bijbelvorser.

    2 TimoteŁs 3:14 Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wŤl bewust van wie gij het hebt geleerd, 15 en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus. 16 Elk van God ingegeven Schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, 17 opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust. (NBG Vertaling 1951)

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    08-05-2017 om 00:00 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-05-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De geschiedenis van Juda en Thamar Ė chronologie en hoerenkleding

    In het Bijbelboek Genesis hoofdstuk 38 wordt de bijzondere geschiedenis gebracht van Juda en Thamar. Thamar was de schoondochter van Juda door haar huwelijk met Er, de eerstgeboren zoon (en erfgenaam) van Juda bij de dochter van de Kanašnietische man Sua, uit Adullam. In Kanašn zouden aan Juda bij de dochter van Sua drie zonen geboren worden: Er, Onan en Sela. Het huwelijk van Thamar met de eerstgeborene van Juda: Er, bleef kinderloos. Over Er staat er geschreven (Genesis 38:7) dat hij kwaad was in des HEEREN ogen en dat Hij hem doodde. Toen gaf Juda de opdracht aan Onan zijn tweede zoon bij de dochter van Sua, bij Thamar nageslacht voor Er te verwekken volgens het later in de wet van Mozes beschreven zwagerhuwelijk. Maar Onan die waarschijnlijk zichzelf na de dood van de eerstgeborene Er als de erfgenaam zag, verspilde zijn zaad via coitus interruptus opdat aan Er via Thamar, geen erfgenaam voor Juda geboren zou worden. Dit was kwaad in de ogen des HEEREN en Hij doodde ook Onan (Genesis 38:8-10) staat er geschreven. Daarop lezen we dat Juda bevreesd werd dat ook zijn derde zoon Sela via het zwagerhuwelijk het leven zou verliezen, en zei met een smoes tot Thamar in het huis van haar vader te blijven totdat Sela volwassen zou zijn (Genesis 38:11). Na het overlijden van de dochter van Sua, de moeder van Er en het elders troost zoeken door de aartsvader Juda (Genesis 38:12-13) bedacht Thamar een list ter verkrijging van nageslacht ter veiligstelling van het erfrecht van haar overleden man Er, de eerstgeborene van Juda. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:

    Genesis 38:13 En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren. 14 Toen leide zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven. 15 Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had.

     

     

    16 En hij week tot haar naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij ingaat? 17 En hij zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij pand zult geven, totdat gij hem zendt. 18 Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem. 19 En zij maakte zich op, en ging heen, en leide haar sluier van zich af, en zij trok aan de klederen van haar weduwschap. 20 En Juda zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet. 21 En hij vraagde de lieden van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest. 22 En hij keerde weder tot Juda, en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest. 23 Toen zeide Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb dezen bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden. 24 En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeide Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde! 25 Als zij voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij den man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn. 26 En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer. 27 En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik. 28 En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam dezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit. 29 Maar het geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez. 30 En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam Zera. (Statenvertaling)

     

    De naam van de dochter van de Kanašniet Sua wordt in de Bijbel niet meegedeeld. Maar de Griekse Septuagint-vertaling heeft de naam Sava overgeleverd:

    LXX-Genesis 38:1 And it came to pass at that time that Judas went down from his brethren, and came as far as to a certain man of Odollam, whose name was Iras. 2 And Judas saw there the daughter of a Chananitish man, whose name was Sava; and he took her, and went in to her. 3 And she conceived and bore a son, and called his name, Er.

     

    Historisch-chronologisch gezien lijkt het dat de beschreven geschiedenis in Genesis hoofdstuk 38 volgt op de geschiedenis van het overleveren van Jozef door zijn halfbroers, inclusief Juda, aan Midianieten op weg naar Egypte, in 1722 v. Chr. (Genesis 37). Er staat namelijk geschreven:

    Genesis 38: 1 En het geschiedde ten zelven tijde, dat Juda van zijn broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira.

     

    De Seder Olam (de Joodse overlevering) volgt deze chronologie en plaatst de beschreven geschiedenis van hoofdstuk 38 na het overleveren van de zeventienjarige Jozef aan Midianieten, in hoofdstuk 37. Dit maakt echter dat er slechts drieŽntwintig jaar resten tot op het tweede jaar van de zevenjarige hongersnood in 1699 v. Chr. voor de achtereenvolgende geboorten van Er, Onan en Sela. In 1699 v. Chr. vertrok de clan van Jakob, Juda incluis, naar Egypte. Zie de aflevering op dit blog van 08.12.2016, de chronologie van de aartsvaders Jakob en Jozef. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1480892400&stopdatum=1481497200

     

    De negentiende-eeuwse Bijbelvorser Dr. E. W. BŁllinger (1838/1913) merkt in zijn commentaar (link: http://www.companionbiblecondensed.com/OT/Genesis...pdf) op dat het hoofdstuk 38 met de geschiedenis van Juda, Thamar en Perez, vanwege het geslachtsregister van Jezus Christus volgens MatteŁs, ingevoegd is, maar chronologisch gezien voor de overlevering van Jozef naar Egypte, op de tijdsbalk te plaatsen is.

    Na het Bijbelgedeelte van Genesis 38:13-30 te hebben doorgenomen leren we veel over de mannenwereld van die tijd (en van alle tijden). Juda, die evenzeer schuldig is als Thamar beveelt aanvankelijk dat Thamar (naar de pre-Hammoerabi-code) verbrand zou worden. Met list en met groot gevaar voor haar leven moest Thamar ervoor zorgen dat het erfenisrecht van Er, haar overleden man en eerstgeborene van Juda niet verloren ging maar via haar naar haar eerstgeborene ging. Het is een onfrisse geschiedenis die niet verdoezeld werd maar onverbloemd in de Bijbel gebracht.

    Het is in de huidige tijd verrassend in de Bijbel te lezen dat een prostituť in de oudheid herkend werd door kleding die heel haar lichaam bedekte, zoals beschreven staat in Genesis 38: ď14 Toen leide zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven. 15 Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had. ÖĒ

     

     

    We hebben een vrij goed beeld van de klederdracht in Kanašn ten tijde van Juda en Thamar vanuit een tombe in Egypte daterend uit het Midden-rijk. De vrouwen op de afbeelding hierboven hebben slechts een haarband voor hun lange ravenzwarte haren, maar geen sluier, noch andere hoofdbedekking. De kleding doet voor wie algemene Bijbelkennis heeft, denken aan de veelvervigen mantel van de aartsvader Jozef.

     

    Het is de Rooms-katholieke kerk met haar heiligenbeelden en sinds de twintigste eeuw Hollywood met haar zogenaamde sandalen-filmen die verantwoordelijk zijn voor het foutief beeld van de klederdracht van Bijbelse vrouwen. Steevast worden vrouwen altijd met lange gewaden en hoofdbedekking afgebeeld.

    Ik vermoed dat de Griekse wereld van de oudheid model stond voor de bijzondere klederdracht van vrouwen zoals die zich in de overlevering heeft vastgezet. In de derde eeuw voor Christus strekte de Griekse beschaving zich van Europa uit tot aan de Indus in AziŽ en had een impact op alle gebied van de samenleving. Op afbeeldingen die bewaard bleven zoals die hieronder getoond, merken we de lange gewaden voor vrouwen die in die tijd ingang vonden.

     

     

    Wanneer we de eerste brief van Paulus aan de KorintiŽrs in verband met Ďde hoofdtooi der vrouwí (1 Kor. 11:3-16) lezen en in gedachten de klederdracht en hoofdbedekking van de Griekse vrouwen van toen voor ogen hebben, kunnen we een andere invulling tegen de traditie in, geven. Het lange haar van een vrouw is haar tot een sluier gegeven, schrijft Paulus in vers vijftien. Tegelijkertijd wil hij in vers zestien vermijden dat cultuurverschillen tussen de Griekse wereld van toen en de IsraŽlitische tot scheuring binnen de gemeente zou leiden. Paulus haalt in zijn betoog de natuur erbij die ook vanuit de Schepping een boodschap heeft:

    1 KorintiŽrs 11:14 Leert de natuur zelf u niet, dat, indien een man lang haar draagt, dit een schande voor hem is, 15 doch dat, indien een vrouw lang haar draagt, dit een eer voor haar is? Immers, het haar is haar tot een sluier gegeven. 16 Maar, indien het er iemand om te doen is gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods. (NBG Vertaling 1951)

     

    Op zijn sterfbed in Egypte zou de aartsvader Juda, volgens een Joodse legende, zijn grove misstap met Thamar aan zijn kinderen met spijt in zijn hart nog verhalen. Volgens de legende werd Juda honderdnegentien jaar oud. Op onze tijdsbalk uitgerekend was dit het jaar 1619 v. Chr. Jozef, zijn halfbroer en onderkoning van Egypte, was al enkele jaren daarvoor in 1628 v. Chr. gestorven.

    Hierna het betreffende citaat uit de Joodse legende:

    Legends of the Jews, Volume II, From Joseph to the Exodus, Chapter II, The Sons of Jacob, compiled by by Louis Ginzberg

    Judah did not conceal his shortcomings, either. He confessed how drunkenness and passion had betrayed him first into marriage with a Canaanitish woman, and then into improper relations with his daughter-in-law Tamar. He said to his children:

    "Do not walk after the desire of your hearts, and vaunt not the valiant deeds of your youth. This, too, is evil in the eyes of the Lord. For while I boasted that the face of a beautiful woman had never allured me in the wars, and reviled my brother Reuben for his transgression with Bilhah, the spirit of passion and unchastity gained possession of me, and I took Bath-shua to wife, and trespassed with Tamar, though she was the affianced of my son. First I said to Bath-shua's father, 'I will take counsel with my father Jacob, to know whether I should marry thy daughter,' but he was a king, and he showed me an untold heap of gold accredited to his daughter, and he adorned her with the magnificence of women, in gold and pearls, and he bade her pour the wine at the meal. The wine turned my eyes awry, and passion darkened my heart. In mad love for her, I violated the command of the Lord and the will of my father, and I took her to wife. The Lord gave me a recompense according to the counsel of my heart, for I had no joy in the sons she bore me.

    "And now, my children, I pray you, do not intoxicate yourselves with wine, for wine twists the understanding away from the truth, and confuses the sight of the eyes. Wine led me astray, so that I felt no shame before the throngs of people in the city, and I turned aside and went in to Tamar in the presence of them, and committed a great sin. And though a man be a king, if he leads an unchaste life, he loses his kingship. I gave Tamar my staff, which is the stay of my tribe, and my girdle-cord, which is power, and my signet-diadem, which is the glory of my kingdom. I did penance for all this, and unto old age I drank no wine, and ate no flesh, and knew no sort of pleasure. Wine causes the secret things of God and man to be revealed unto the stranger. Thus did I disclose the commands of the Lord and the mysteries of my father Jacob to the Canaanite woman Bath-shua, though God had forbidden me to betray them. I also enjoin you not to love gold, and not to look upon the beauty of women, for through money and through beauty I was led astray to Bath-shua the Canaanite. I know that my stock will fall into misery through these two things, for even the wise men among my sons will be changed by them, and the consequence will be that the kingdom of Judah will be diminished, the domain that the Lord gave me as a reward for my obedient conduct toward my father, for never did I speak in contradiction of him, but I did all things according to his words. And Isaac, my father's father, blessed me with the blessing that I should be ruler in Israel, and I know that the kingdom will arise from me. In the books of Enoch the just I read all the evil that ye will do in the latter days. Only beware, my children, of unchastity and greed, for love of gold leads to idolatry, causing men to call them gods that are none, and dethroning the reason of man. On account of gold I lost my children, and had I not mortified my flesh, and humbled my soul, and had not my father Jacob offered up prayers for me, I had died childless. But the God of my fathers, the merciful and gracious One, saw that I had acted unwittingly, for the ruler of deception had blinded me, and I was ignorant, being flesh and blood, and corrupt through sins, and in the moment when I considered myself invincible, I recognized my weakness."

    Then Judah revealed to his sons, in clear, brief words, the whole history of Israel until the advent of the Messiah, and his final speech was: "My children, observe the whole law of the Lord; in it is hope for all that keep His ways. I die this day at the age of one hundred and nineteen years before your eyes. None shall bury me in a costly garment, nor shall ye cut my body to embalm it, but ye shall carry me to Hebron."

    Having spoken these words, Judah sank into death.

     

    De verwekte baby Perez bij de moedige Thamar zit zoals eerder opgemerkt, in de geslachtslijn van de Heer Jezus Christus.

    MatteŁs 1:1 Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham. 2 Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broeders, 3 Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, 4 Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, 5 Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte IsaÔ, 6 IsaÔ verwekte David, de koning. Ö (NBG Vertaling 1951)

     

    Wie gedacht zou hebben dat in de geslachtslijn van Jezus alleen heilige heel bijzondere mensen zouden zitten, vergist zich. Hij is de mens gelijk geworden op alle gebied met uitzondering van de zonde.

    Filippenzen 1:5 Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, 6 die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, 7 maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. 8 En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. (NBG Vertaling 1951)

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    01-05-2017 om 06:57 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het tweede historisch genoteerde Jubeljaar van (okt.)1346/(sept.)1345 v. Chr.

    Met onze aflevering van 19.04.2017 brachten we de geschiedenis van het eerste jubeljaar van oktober1395/september1394 v. Chr. dat gehouden werd in het vijftigste jaar sinds de inname van het Beloofde Land Kanašn. De sabbatjaar- en jubeljaartelling (Leviticus 25:1-55) nam namelijk een aanvang bij de inname van Kanašn door de IsraŽlieten onder leiding van Jozua in 1443 v. Chr., veertig jaar na de Exodus gevolgd door het geven van de Wet aan Mozes.

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE.

     

     

    De sabbatjaar- en jubeljaartelling dienen we Schriftuurlijk concordant gezien te rekenen vanaf de inname van Kanašn door de IsraŽlieten onder leiding van Jozua en niet eerder.

    We zetten onze studiereis in de tijd langs de inmiddels vertrouwde tijdsbalken verder. De tijdsbalken zijn op millimeterpapier uitgewerkt met telkens veertien jaar per vel. De jaartallen bovenaan de tijdsbalk zijn de westerse jaartellingen gebaseerd op de geboorte van Jezus Christus onderverdeeld in vier vakken van elk drie maanden. De sabbatjaren staan in een blauwe balk vermeld van april tot maart en de jubeljaren van oktober tot september. Het Jubeljaar zag zijn start in oktober van de negenenveertigste sabbatjaarcyclus en liep verder tot september van het volgende jaar waar inmiddels in april een nieuwe sabbatjaarcyclus van start was gegaan.

     

     

    We gingen er in de vorige aflevering bij het eerste jubeljaar van 1395/1394 v. Chr. van uit dat de IsraŽlieten toen onder de Richter OthniŽl de bepalingen van het jubeljaar gehouden hebben. In het voorjaar van 1407 v. Chr. had OthniŽl de IsraŽlieten bevrijd van de verdrukking door Koning Kusan-RisataÔm van MesopotamiŽ, een verdrukking die acht jaar geduurd had. Voor een periode van veertig jaar had het land onder het richter-schap van OthniŽl daarna rust, staat er geschreven:

    Richteren 3:7 De IsraŽlieten deden wat kwaad is in de ogen des HEREN, zij vergaten de HERE, hun God, en dienden de Bašls en de Asjeraís. 8 Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen IsraŽl: Hij gaf hen over in de macht van Kusan-RisataÔm, koning van MesopotamiŽ, en de IsraŽlieten dienden Kusan-RisataÔm acht jaar. 9 Toen riepen de IsraŽlieten tot de HERE, en de HERE verwekte de IsraŽlieten een verlosser om hen te bevrijden: OtniŽl, de zoon van Kenaz, de jongere broeder van Kaleb. 10 De Geest des HEREN kwam over hem, hij richtte IsraŽl en trok uit ten strijde. De HERE gaf Kusan-RisataÔm, de koning van Aram, in zijn macht, zodat hij de overhand kreeg over Kusan-RisataÔm. 11 Toen had het land veertig jaar rust. En OtniŽl, de zoon van Kenaz, stierf. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het hierboven getoonde schema geeft de periode 1381/1368 v. Chr. weer. Het valt binnen de tijdsperiode dat de eerste richter OthniŽl het land IsraŽl leidde. De blauwe tijdsbalk bovenaan het schema toont de sabbatjaarcyclus met sabbatjaren in apr1381/mrt1380 en apr1364/mrt1373 v. Chr. We kunnen er nochtans niet zondermeer van uitgaan dat de IsraŽlieten alle sabbatjaren ten tijde van het richter-schap van OthniŽl gehouden hebben. De reden ligt bij de nieuwe verdrukking die zich aandiende na de dood van OthniŽl. Het sabbatjaar 1367/1366 v. Chr. zag het begin van de verdrukking door de koning van Moab: Eglon. Een verdrukking die achttien jaar zou aanhouden en de oorzaak was van het niet houden van de Wet des HEEREN door de IsraŽlieten.

     

     

    In mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 147-153, heb ik het chronologisch kader geleverd waarbinnen de Richteren op de tijdsbalk gerangschikt moeten worden.

    De hierboven getoonde tijdsbalk toont via de rode tijdsbalk het begin van de achttienjarige verdrukking door Moab. Daar kwam bovenop de in het Bijbelboek Ruth beschreven hongersnood die onder meer maakte dat de IsraŽliet Elimelek en zijn vrouw Naomi en hun twee zonen naar Moab emigreerden. De grijze verticale lijn op de tijdsbalk in 1357 v. Chr. geeft de hongersnood weer voorafgegaan door de grijze lijn van het voorjaar van 1358 v. Chr. die de meganatuurcatastrofe voorstelt die de oude wereld toen trof en verantwoordelijk was voor de hongersnood als een gevolg van mislukte. In TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 157-163, heb ik aangetoond dat de meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong was en de oorzaak van alle ellende op aarde. Het voorjaar van 1358 v. Chr. was getuige van Ďwerelden in botsingí en een Ďaarde in beroeringí om Velikovskyaanse termen te gebruiken.

    De hongersnood staat beschreven in het Bijbelboek Ruth:

    Ruth 1:1 In de dagen dat de richters richtten, gebeurde het, dat er een hongersnood in het land was. Toen trok een man uit Bethlehem in Juda met zijn vrouw en zijn beide zonen weg om als vreemdeling te vertoeven in het veld van Moab. 2 De naam van de man was Elimelek, de naam van zijn vrouw Naomi en de namen van zijn beide zonen Machlon en Kiljon, Efratieten uit Bethlehem in Juda; en in het veld van Moab aangekomen, bleven zij daar. 3 Toen stierf Elimelek, de man van Naomi, zodat deze met haar beide zonen achterbleef. 4 Dezen namen zich Moabitische vrouwen: de ene heette Orpa en de andere Ruth; en zij woonden daar ongeveer tien jaren. 5 Toen stierven ook die twee, Machlon en Kiljon, zodat die vrouw achterbleef, zonder haar beide zonen en haar man. 6 Daarna maakte zij zich met haar schoondochters op en keerde uit het veld van Moab terug, want zij had in het veld van Moab vernomen, dat de HERE naar zijn volk omgezien had door hun brood te geven. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Onze laatste tijdsbalk voor deze aflevering is die van de periode 1353/1340 v. Chr. Aan de verdrukking door koning Eglon van Moab kwam een einde door de linkerhand van de Richter Ehud die Eglon in zijn paleis met een kort tweesnijdend zwaard doodde.

    Richteren 3:14 En de kinderen IsraŽls dienden Eglon, koning der Moabieten, achttien jaren. 15 Toen riepen de kinderen IsraŽls tot den HEERE, en de HEERE verwekte hun een verlosser, Ehud, den zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen IsraŽls zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, den koning der Moabieten. 16 En Ehud maakte zich een zwaard, dat twee scherpten had, welks lengte een el was; en hij gordde dat onder zijn klederen, aan zijn rechterheup. 17 En hij bracht aan Eglon, den koning der Moabieten, dat geschenk; Eglon nu was een zeer vet man. 18 En het geschiedde, als hij geŽindigd had het geschenk te leveren, zo geleidde hij het volk, die het geschenk gedragen hadden; 19 Maar hij zelf keerde wederom van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zeide: Ik heb een heimelijke zaak aan u, o koning! dewelke zeide: Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit. 20 En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zeide Ehud: Ik heb een woord Gods aan u. Toen stond hij op van den stoel. 21 Ehud dan reikte zijn linkerhand uit, en nam het zwaard van zijn rechterheup, en stak het in zijn buik; 22 Dat ook het hecht achter het lemmer inging, en het vet om het lemmer toesloot (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik), en de drek uitging. 23 Toen ging Ehud uit van de voorzaal, en sloot de deuren der opperzaal voor zich toe, en deed ze in het slot. 24 Als hij uitgegaan was, zo kwamen zijn knechten, en zagen toe, en ziet, de deuren der opperzaal waren in het slot gedaan; zo zeiden zij: Zeker, hij bedekt zijn voeten in de verkoelkamer. 25 Als zij nu tot schamens toe gebeid hadden, ziet, zo opende hij de deuren der opperzaal niet. Toen namen zij den sleutel en deden open; en ziet, hunlieder heer lag ter aarde dood. 26 En Ehud ontkwam, terwijl zij vertoefden; want hij ging voorbij de gesneden beelden, en ontkwam naar Sehirath. 27 En het geschiedde, als hij aankwam, zo blies hij met de bazuin op het gebergte van EfraÔm; en de kinderen IsraŽls togen met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht heen. 28 En hij zeide tot hen: Volgt mij na; want de HEERE heeft uw vijanden, de Moabieten, in ulieder hand gegeven. En zij togen af, hem na, en namen de veren van de Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan. 29 En zij sloegen de Moabieten te dier tijd, omtrent tien duizend man, allen vette en allen strijdbare mannen, dat er niet een man ontkwam. 30 Alzo werd Moab te dien dage onder IsraŽls hand te ondergebracht; en het land was stil tachtig jaren. 31 Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; alzo verloste hij ook IsraŽl. (Statenvertaling)

     

    Het resultaat van het optreden van de Richter Ehud was het begin van een lange periode van vrede voor de IsraŽlieten. Samen met het Richter-schap van Samgar betekende het tachtig jaar rust voor het land. Een periode ook dat de IsraŽlieten met zekerheid de sabbat- en jubeljaren gehouden werden.

    Het historische tweede Jubeljaar van 1346/1345 v. Chr. viel in het vierde jaar van het Richter-schap van Ehud. Op het hierboven getoonde schema merken we het zesde jaar van de zevende sabbatjaarcyclus met een gele verticale balk aangeduid. Het zesde jaar in de sabbatjaarcyclus was een jaar van dubbele zegening over het land. Het land moest immers voedsel leveren ter overbrugging van het zevende sabbatjaar gevolgd door het vijftigste jubeljaar.

    Leviticus 25:20 Wanneer gij zegt: wat zullen wij in het zevende jaar eten, zie, wij mogen niet zaaien noch onze oogst inhalen Ė 21 dan zal Ik mijn zegen in het zesde jaar over u gebieden, dat het u een opbrengst geve voor drie jaren. 22 In het achtste jaar zult gij zaaien, maar van de vorige oogst eten, tot het negende jaar; totdat de oogst daarvan binnenkomt, zult gij van de vorige eten. (Statenvertaling)

     

    Ten tijde van de Richter Ehud werd aan de voorwaarde die de Wet van Mozes stelde voldaan en gaf het land zijn wonderlijke dubbele vrucht. Het was de zegening van het zesde jaar van de sabbatjaarcyclus waar Naomi in de velden van Moab over bericht werd. Er waren tien jaar verlopen sinds zij haar man Elimelek naar Moab moest volgen. Berooid was zij na de dood van haar man en haar twee zonen met haar twee schoondochters in het veld van Moab achtergebleven.

    Ruth 1:6 Daarna maakte zij zich met haar schoondochters op en keerde uit het veld van Moab terug, want zij had in het veld van Moab vernomen, dat de HERE naar zijn volk omgezien had door hun brood te geven. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Het boek Ruth is het achtste Bijbelboek in de Joodse Bijbel en volgt op het boek Richteren. Het begint met een hongersnood en de beslissing van een man om zijn heil buiten IsraŽl in Moab te gaan zoeken. Zijn eigenzinnige keuze sleurt zijn vrouw en zonen mee, weg in het ongeluk. Na zijn dood en de dood ook van zijn zonen die in Moab Moabietische vrouwen gehuwd hebben blijft de weduwe Naomi alleen met haar twee schoondochters achter. Na het nieuws dat de HEERE God naar zijn volk heeft omgezien door hun brood te geven, besluit Naomi naar IsraŽl terug te keren. Een van haar schoondochters genaamd Ruth is degene die beslist om bij haar schoonmoeder te blijven en mee naar IsraŽl te trekken.

    Het Jubeljaar van 1346/1345 v. Chr. maakt dat de berooide Naomi door haar Losser Boaz in haar verloren gegane bezittingen hersteld wordt. Deze geschiedenis is goed bekend. De losser Boaz huwt met de Moabietische Ruth en verwekt Obed bij haar, de grootvader van David. Het Bijbelboek Ruth sluit dan ook af met de geslachtslijst van David:

    Ruth 4:18 Dit nu zijn de nakomelingen van Peres: Peres verwekte Chesron, 19 Chesron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab, 20 Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salma, 21 Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, 22 Obed verwekte IsaÔ en IsaÔ verwekte David. (NBG Vertaling 1951)

     

    Het Nieuwe Testament sluit hierbij aan met het geslachtsregister van Jezus Christus:

    MatteŁs 1:1 Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham. 2 Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broeders, 3 Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, 4 Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, 5 Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte IsaÔ, 6 IsaÔ verwekte David, de koning.

     

    Het huwelijk van de Moabietische Ruth de schoondochter van Naomi met de losser Boaz in het jubeljaar van 1346/1345 v. Chr. maakt van Boaz een oude man van tachtig ŗ negentig jaar. De geslachtsregisters van de Bijbelboeken Ruth en MatteŁs maken dit duidelijk. Boaz was de zoon namelijk van Rachab de geredde hoer van Jericho en door Salmon verwekt na de inname van het land Kanašn in 1436 v. Chr. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, appendix 1: het geslachtsregister van Jezus Christus, blz.454-462.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

    24-04-2017 om 08:13 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het eerste historische Jubeljaar van (oktober)1395/(september)1394 v. Chr.

    Het Bijbelse Jubeljaar was een belangrijk onderdeel uit de wet van Mozes van 1483 v. Chr. betreffende het beheer en het eigendomsrecht over het Beloofde Land, het land Kanašn dat ze veertig jaar later zouden binnentrekken. Het doel van het jubeljaar was om uiteindelijk alle mogelijke individueel verlies van land en rijkdom in het negenenveertigste jaar van de sabbatjaarcyclus te herstellen, en aan de rechtmatige eigenaar terug te geven. De toepassing van de wet betekende een garantie tegen blijvende verarming van onfortuinlijke. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte dat een en ander duidelijk maakt.

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE. 3 Zes jaar zult gij uw akker bezaaien en zes jaar zult gij uw wijngaard snoeien, en de opbrengst daarvan inzamelen, 4 maar in het zevende jaar zal het land een volkomen sabbat hebben, een sabbat voor de HERE: uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien. 5 Wat vanzelf opkomt van uw oogst, zult gij niet inoogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok zult gij niet inzamelen; het zal een jaar van rust voor het land zijn. 6 De sabbatopbrengst van het land zal u tot voedsel zijn: u en uw slaaf en uw slavin, uw dagloner en uw bijwoner, die bij u vertoeven. 7 Ook voor uw vee en voor het gedierte, dat in uw land is, zal de gehele opbrengst daarvan tot voedsel zijn. 8 Voorts zult gij u zeven jaarsabbatten tellen, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarsabbatten negenenveertig jaren zijn. 9 Dan zult gij bazuingeschal doen rondgaan in de zevende maand op de tiende van de maand; op de Verzoendag zult gij de bazuin doen rondgaan door uw ganse land. 10 Gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners, een jubeljaar zal het voor u zijn, dan zal ieder van u tot zijn bezitting en tot zijn geslacht terugkeren. 11 Een jubeljaar zal dit vijftigste jaar voor u zijn, dan zult gij niet zaaien, en wat dan vanzelf opkomt zult gij niet oogsten en dan zult gij de ongesnoeide wijnstok niet aflezen. 12 Want het zal u een jubeljaar zijn, heilig zal het u zijn; van de akker zult gij eten wat hij opbrengt. 13 In dit jubeljaar zal ieder van u zijn bezitting terugkrijgen. 14 Wanneer gij iets aan uw volksgenoot verkoopt of iets van hem koopt, dan zal de een de ander niet benadelen. 15 Rekening houdend met de jaren na een jubeljaar, zult gij het van uw volksgenoot kopen; rekening houdend met de oogstjaren zal hij het u verkopen. 16 Bij een groter aantal jaren zult gij de koopsom naar verhouding hoger stellen; bij een geringer aantal jaren zult gij de koopsom naar verhouding lager stellen: want het getal der oogsten verkoopt hij u. 17 Gij zult elkander niet benadelen, maar voor uw God vrezen, want Ik ben de HERE, uw God. 18 Zo zult gij mijn inzettingen opvolgen en mijn verordeningen nauwgezet in acht nemen; dan zult gij veilig wonen in het land. 19 En het land zal zijn vrucht geven, zodat gij tot verzadiging eet en daarin veilig woont. 20 Wanneer gij zegt: wat zullen wij in het zevende jaar eten, zie, wij mogen niet zaaien noch onze oogst inhalen Ė 21 dan zal Ik mijn zegen in het zesde jaar over u gebieden, dat het u een opbrengst geve voor drie jaren. 22 In het achtste jaar zult gij zaaien, maar van de vorige oogst eten, tot het negende jaar; totdat de oogst daarvan binnenkomt, zult gij van de vorige eten. 23 En het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij. 24 In het gehele land, dat gij in bezit hebt, zult gij lossing voor het land toestaan. 25 Wanneer uw broeder verarmd is en iets van zijn bezitting heeft moeten verkopen, dan zal zijn naaste bloedverwant als losser optreden, en hij zal loskopen wat zijn broeder heeft moeten verkopen. 26 Wanneer iemand geen losser heeft, maar zijn vermogen wordt toereikend, zodat hij verwerft, wat hij voor lossing nodig heeft, 27 dan zal hij de jaren sinds de verkoop in rekening brengen, en wat nog overblijft de man terugbetalen aan wie hij het verkocht heeft, opdat hij zijn bezitting terugkrijgt. 28 Maar indien hij niet verwerft wat nodig is, om hem terug te betalen, dan blijft wat hij verkocht heeft, in het bezit van hem die het gekocht heeft, tot het jubeljaar: maar in het jubeljaar zal het vrijkomen, en hij zal zijn bezitting terugkrijgen. 29 Wanneer iemand een woonhuis verkoopt in een ommuurde stad, dan zal het recht van lossing duren tot er een jaar na de verkoop verstreken is; een jaar zal het recht van lossing duren. 30 Maar indien het niet gelost is, voordat een vol jaar verstreken is, dan komt dat huis, dat in een ommuurde stad stond, voorgoed aan hem die het gekocht heeft, in zijn geslacht: in het jubeljaar zal het niet vrijkomen. 31 De huizen echter in de dorpen, waar geen muur om is, zullen bij het akkerland gerekend worden, daarvoor zal wel recht van lossing zijn en in het jubeljaar zullen zij vrijkomen. 32 En aangaande de steden der Levieten, de huizen der steden, die zij in bezit hebben Ė de Levieten zullen een altoosdurend recht van lossing hebben. 33 Als iemand van de Levieten het inlost, dan zal het verkochte huis, in de stad van zijn bezit, in het jubeljaar vrijkomen; want de huizen van de steden der Levieten zijn hun bezit in het midden van de IsraŽlieten. 34 En het weideland bij hun steden zal niet verkocht worden, want dat is hun altoosdurend bezit. 35 Wanneer uw broeder verarmt en zich bij u niet meer staande kan houden, dan zult gij hem Ė vreemdeling en bijwoner Ė ondersteunen, opdat hij bij u in het leven blijve. 36 Gij zult geen rente of winst van hem nemen, maar gij zult voor uw God vrezen, opdat uw broeder bij u in het leven blijve. 37 Gij zult hem uw geld niet op rente geven noch uw voedsel tegen winst. 38 Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte heb geleid, om u het land Kanašn te geven, opdat Ik u tot een God zou zijn. 39 Wanneer uw broeder verarmt bij u en zich aan u verkoopt, dan zult gij hem geen slavenarbeid laten verrichten. 40 Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u arbeiden. 41 Dan zal hij van u weggaan, hij met zijn kinderen, en naar zijn geslacht terugkeren en hij zal het bezit zijner vaderen terugkrijgen. 42 Want zij zijn mijn knechten, die Ik uit het land Egypte heb geleid: zij zullen niet verkocht worden, zoals men een slaaf verkoopt. 43 Gij zult niet met hardheid over hem heersen, maar gij zult voor uw God vrezen. 44 Doch uw slaaf of slavin, die gij houdt, zullen zijn uit de volken rondom u; uit hen zult gij een slaaf of slavin kopen. 45 Ook uit de kinderen der bijwoners die bij u vertoeven, uit hen zult gij ze kopen en uit hun geslacht, dat bij u is, dat zij in uw land hebben voortgebracht, en zij zullen uw bezit zijn; 46 gij zult hen aan uw kinderen na u tot een erfenis geven, zodat zij in hun bezit overgaan; voor altoos zult gij hen in dienst houden, maar over uw broeders, de IsraŽlieten, zult gij niet, de een over de ander, met hardheid heersen. 47 Wanneer het vermogen van een vreemdeling of bijwoner bij u toeneemt, en uw broeder bij hem verarmt en zich aan die vreemdeling of bijwoner bij u, of aan iemand die uit een geslacht van vreemdelingen afkomstig is, verkoopt, 48 dan zal hij, nadat hij zich verkocht heeft, recht van lossing hebben: een van zijn broeders mag hem loskopen; 49 of zijn oom of de zoon van zijn oom mag hem loskopen, of zijn naastbestaande uit zijn geslacht mag hem loskopen, of, als zijn vermogen toereikend wordt, mag hij zich zelf loskopen. 50 Dan zal hij samen met zijn koper een berekening maken van het jaar af, dat hij zich aan hem verkocht, tot het jubeljaar, en de prijs van zijn verkoop zal zich richten naar het aantal jaren; op de wijze van een dagloner zal hij bij hem zijn. 51 Indien het nog vele jaren zijn, zal hij dienovereenkomstig zijn losgeld terugbetalen van het geld, waarvoor hij was gekocht. 52 Indien er weinige jaren overblijven tot het jubeljaar, dan zal hij met hem een berekening maken; overeenkomstig die jaren zal hij zijn losgeld terugbetalen. 53 Zo zal hij als een dagloner van jaar tot jaar bij hem zijn; deze zal bij u niet met hardheid over hem heersen. 54 Maar indien hij op deze wijze niet gelost wordt, dan komt hij in het jubeljaar vrij, hij met zijn kinderen. 55 Want de IsraŽlieten zijn Mij tot knechten: mijn knechten zijn zij, die Ik uit het land Egypte heb geleid; Ik ben de HERE, uw God. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Het sabbat-en het jubeljaargebod van Leviticus hoofdstuk 25 dat we hierboven in zijn geheel citeerden leert onder meer duidelijk dat de sabbatjaar- en jubeljaar-telling een aanvang nam bij de inbezitneming van het land Kanašn door de IsraŽlieten.

    Leviticus 25:1 En de HERE sprak tot Mozes op de berg Sinai: 2 Spreek tot de IsraŽlieten en zeg tot hen: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u geef, dan zal het land rusten, een sabbat voor de HERE.

     

    IsraŽl heeft in zijn lange geschiedenis zelden het jubeljaargebod gehouden. Volgens mij zonder twijfel als reden van winstbejag door de machthebbers. De wortel van alle kwaad is de geldzucht leert de Bijbel (1 TimoteŁs 6:10). Van de in totaal honderdtwintig sabbatjaren vanaf het eerste sabbatjaar van apr1437/mrt1436 v. Chr. gerekend, tot en met het sabbatjaar van apr604/mrt603 v. Chr., hebben zij slechts met intervallen vijftig keer het sabbatjaargebod gehouden. Na het zeventig keer negeren van het sabbatjaargebod volgde de Babylonische ballingschap. Een ballingschap die exact zeventig jaar duurde ter vergoeding voor het (ontvolkte) land dat toen zijn sabbatrust kreeg.

    De geschiedvertelling die we hier brengen is geen gewone geschiedschrijving zoals met de geschiedenis van bijvoorbeeld Egypte, AssyriŽ en andere volken, maar is Heilsgeschiedenis. De HERE God heeft in Zijn eeuwig voornemen, de IsraŽlieten uitverkoren om tot Zijn doel te komen: het herstel van alle dingen.

    Exodus 19:1 In de derde maand na de uittocht der IsraŽlieten uit het land Egypte, op dezelfde dag, kwamen zij in de woestijn Sinai. 2 Nadat zij van Refidim opgebroken waren, kwamen zij in de woestijn Sinai en legerden zich in de woestijn; en IsraŽl legerde zich daar tegenover de berg. 3 Toen klom Mozes op tot God, en de HERE riep tot hem van de berg, en zeide: Zů zult gij zeggen tot het huis van Jakob en meedelen aan de IsraŽlieten: 4 gij hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb. 5 Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. 6 En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de IsraŽlieten spreken zult.

     

    Jesaja 49:6 Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in IsraŽl; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. (Statenvertaling)

     

     

    Het gaat om de beloofde Verlosser, waarvan de draad aanvangt in het eerste Bijbelboek Genesis, met de belofte van een herstel van alle dingen. De dood, het sterven, dat was gaan heersen vanaf de eerste rebellie van de mens, zou ooit aan zijn einde komen. Doorheen de Bijbel zien we dan ook de ontvouwing van de belofte van de komende Verlosser, van Genesis naar Exodus, naar Leviticus en zo verder, ingevuld worden. Het begint bij Adam, daarna naar Seth, naar Noach, naar Sem, naar Abraham, naar Izaak, naar Jakob, naar Juda, naar David, om uiteindelijk de vervulling te vinden in Jezus Christus, de (ver)Losser. Ten tijde van Jozua en later de Richterenperiode, was de invulling van de belofte van de Losser nog niet compleet. De Bijbel bestond toen alleen uit de eerste vijf boeken van Mozes, enkele Psalmen en het Boek Jozua. Later zou via de overige Bijbelboeken het beeld van de komende Verlosser van de dood duidelijker worden. De profeet Jesaja van de achtste eeuw v. Chr. zag en beschreef zowel de ene komst van de komende Koning der koningen als degene die zou komen als plaatsvervangend Lamslachtoffer. Het tijds-dal tussen de twee komsten van de ene Verlosser mochten de Hebreeuwse profeten niet zien (1 Petrus 1-10-12 Ė Efeze 3:1-7)

    Jesaja 53:5 Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. 6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.

     

    Het is ook belangrijk om het beloofde land Kanašn van toen voor de geest te halen. Het was namelijk een zeer vruchtbaar land zonder weerga, dat in de Bijbel beschreven wordt, een land overvloeiende van melk en honing. Het is een beschreven vruchtbaarheid die tegenwoordig sinds de klimaatwisseling van de achtste eeuw v. Chr. nog moeilijk voor te stellen is. De zogenaamde Bijbelse vroege en late regen was als een zegen van Boven verantwoordelijk voor jaarlijks meerdere rijke oogsten, aller aard.

     

     

    Nu moeten we ons het volk van die tijd voorstellen. Het begon met de belofte aan ťťn man Abraham. Een belofte die aan zijn zoon Izaak herhaald werd en daarna aan diens zoon Jakob. Ten tijde van Jakob en zijn twaalf zonen was het een familieverband van zeventig mensen, die in 1698 v. Chr. ten tijde van de wereldwijde hongersnood, Egypte binnentrokken. En tweehonderdvijftien jaar later was het een volk geworden van ruim twee miljoen mensen die in april 1483 v. Chr. met Pesach op een vrijdag Egypte o.l.v. Mozes op weg naar het Beloofde Land uittrokken. Vijftig dagen later, in datzelfde jaar 1483 v. Chr. kregen zij in de wildernis de Wet, hun grondwet. Van de IsraŽlieten werd gehoorzaamheid aan de wet en geloofsvertrouwen op God verlangd. In het tweede jaar sinds de uittocht uit Egypte (Numeri 10:11) trokken zij uit de wildernis op, richting Kanašn. Een meerderheid van de verspieders (10/12) die het land Kanašn verkend hadden weigerden echter het land Kanašn binnen te trekken, uit vrees voor de bewoners en slaagden erin het volk van hun eigen angst en ongeloof te overtuigen. Het resultaat was dat het volk weigerde binnen te trekken. Als straf volgden 38 jaar in de wildernis voor heel het volk. Heel het geslacht ouder dan twintig jaar zou in de wildernis achterblijven. Veertig jaar (2+38) later trokken Jozua en Kaleb, de twee moedige verspieders (van de twaalf) met de nieuwe in de wildernis geboren generatie het land Kanašn binnen.

    De intocht in Kanašn en de verovering van het land heb ik uitvoerig beschreven in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: Jozua en de inbezitneming van Kanašn, blz. 121-142.

     

    Jozua 5:10 Terwijl de IsraŽlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Jericho; 11 en zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag. 12 En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de IsraŽlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanašn opleverde.

     

    Dit Bijbelcitaat plaatsen we chronologisch op de tijdsbalk in de maand Nisan of maart/april, van het jaar 1443 v. Chr. En vanuit Jozua 5:12 maken we op dat toen in dat jaar 1443 v. Chr. met de maand nisan, de sabbatjaarcyclus van start ging met zeven jaar later het eerste sabbatjaar in apr1437/mrt1436 v. Chr.

     

    Het eerste sabbatjaar viel in het jaar apr1437/mrt1436 v. Chr. Een sabbatjaar dat ongetwijfeld onder leiding van Jozua gehouden werd. Na de dood van Jozua namen zogenaamde oudsten de leiding over. En de vraag is of dat ook ten tijde van de oudsten, het tweede volgende sabbatjaar (van apr1430/mrt1429 v. Chr.) sinds de intocht, gehouden werd, en het land zijn rust kreeg? Ik betwijfel het, omdat na het vierde sabbatjaar apr1416/mrt1415 v. Chr. de verdrukking van de IsraŽlieten door MesopotamiŽ al een aanvang nam. Een verdrukking die als een oordeel over de twaalf stammen van IsraŽl ging.

    De chronologische schikking van de richters op de tijdsbalk heb ik in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 147-156, gegeven.

     

     

    Ons schema (1423/1410 v. Chr.) toont de sabbatjaren van apr1423/mrt1422 v. Chr. en apr1416/mrt1415 v. Chr., ten tijde van de oudsten als opvolgers van Jozua, waarna in het voorjaar van 1415 v. Chr., bij het begin van een nieuwe sabbatjaarcyclus, de eerste verdrukking van de IsraŽlieten door de hand van Kushan RischataÔm begint. Voor deze verdrukking en nog zes te volgen, had de HERE God gewaarschuwd. Zie het relevante Bijbelcitaat hierna:

    Leviticus 26:1 Gij zult u geen afgoden maken; een gesneden beeld noch een gewijde steen zult gij u oprichten; ook een steen met beeldhouwwerk zult gij in uw land niet zetten, om u daarvoor neder te buigen, want Ik ben de HERE, uw God. 2 Mijn sabbatten zult gij houden en mijn heiligdom ontzien, Ik ben de HERE. 3 Indien gij in mijn inzettingen wandelt en mijn geboden nauwgezet in acht neemt, 4 dan zal Ik u te rechter tijd uw regens geven, zodat het land zijn opbrengst geeft en het geboomte des velds zijn vrucht draagt; 5 de dorstijd zal bij u duren tot de wijnoogst, en de wijnoogst tot de zaaitijd; gij zult uw brood eten tot verzadiging en veilig in uw land wonen. 6 En Ik zal vrede in het land geven, zodat gij nederliggen zult, zonder dat iemand u opschrikt; Ik zal de wilde dieren uit het land uitroeien, en het zwaard zal uw land niet teisteren. 7 En gij zult uw vijanden vervolgen, en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. 8 Vijf van u zullen honderd achtervolgen, en honderd van u zullen tienduizend achtervolgen, en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. 9 En Ik zal Mij tot u wenden, u vruchtbaar doen zijn en u talrijk maken, en Ik zal mijn verbond met u bevestigen. 10 En gij zult het overjarige, dat overgebleven is, eten, en het overjarige zult gij vůůr het nieuwe moeten wegdoen. 11 En Ik zal mijn tabernakel in uw midden zetten, en Ik zal geen afkeer van u hebben, 12 maar Ik zal in uw midden wandelen en u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn. 13 Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte heb geleid, opdat gij hun niet meer tot slaven zoudt zijn; Ik heb de stangen van uw juk verbroken en u rechtop doen gaan.

     

    14 Maar indien gij naar Mij niet luistert en al deze geboden niet doet, 15 indien gij mijn inzettingen versmaadt en van mijn verordeningen een afkeer hebt, zodat gij geen van mijn geboden doet en mijn verbond verbreekt, 16 dan zal Ik ook aldus met u doen en met verschrikking u bezoeken: tering en koorts, die de ogen verteren en het leven doen verkwijnen; dan zult gij tevergeefs uw zaad zaaien, want uw vijanden zullen het eten. 17 Ik zal mijn aangezicht tegen u keren, zodat gij voor uw vijanden geslagen zult worden, en die u haten, zullen over u heersen, en gij zult vluchten, zonder dat iemand u vervolgt. 18 En indien gij desniettegenstaande niet naar Mij luistert, dan zal Ik u blijven tuchtigen wegens uw zonden, tot zevenmaal toe, 19 en uw trotse macht zal Ik breken en uw hemel maken als ijzer en uw land als koper. 20 Dan zal uw kracht tevergeefs verbruikt worden; uw land zal zijn opbrengst niet geven en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet dragen. 21 Indien gij u tegen Mij verzet en naar Mij niet wilt luisteren, dan zal Ik u nog zevenmaal harder slaan, naar uw zonden; 22 Ik zal het wild gedierte op u loslaten, dat u van kinderen beroven en uw vee uitroeien zal en uw aantal zo zal verminderen, dat uw wegen verlaten zullen zijn. 23 Indien gij u door deze tuchtiging nog niet tot Mij keert en u tegen Mij blijft verzetten, 24 dan zal ook Ik Mij tegen u verzetten en dan zal Ik u ook zevenmaal slaan wegens uw zonden, 25 en over u een zwaard brengen, dat wraak neemt over het verbond; wanneer gij dan in uw steden bijeenkomt, dan zal Ik de pest onder u zenden en gij zult aan de vijand overgeleverd worden. 26 Als Ik u de staf des broods verbreek, dan zullen tien vrouwen uw brood in ťťn oven bakken en zij zullen uw brood afgewogen teruggeven, en gij zult eten, maar niet verzadigd worden. 27 En indien gij desondanks niet naar Mij luistert en u tegen Mij blijft verzetten, 28 dan zal Ik Mij met grimmigheid tegen u verzetten en Ik, ja Ik, zal u zevenmaal tuchtigen over uw zonden, 29 en gij zult het vlees uwer zonen eten en het vlees uwer dochters zult gij eten. 30 En uw hoogten zal Ik verwoesten en uw wierookaltaren uitroeien; Ik zal uw lijken werpen op de lijken uwer afgoden en Ik zal een afkeer van u hebben. 31 Uw steden zal Ik tot een puinhoop maken en uw heiligdommen verwoesten en Ik wil niet meer uw liefelijke reuk ruiken. 32 Ik zelf zal het land verwoesten, zodat uw vijanden, die daarin wonen, zich daarover zullen ontzetten. 33 Maar u zal Ik onder de volken verstrooien en Ik zal achter u het zwaard trekken, en uw land zal een woestenij zijn en uw steden een puinhoop. 34 Dan zal het land zijn sabbatsjaren vergoed krijgen, al de dagen dat het woest ligt en gij in het land uwer vijanden zijt; dan zal het land rusten en zijn sabbatsjaren vergoeden. 35 Al de tijd der verwoesting zal het rusten, de rust die het niet gehad heeft gedurende uw sabbatsjaren, toen gij daarin woondet. 36 En Ik zal vrees brengen in de harten van hen die van u zijn overgebleven, in de landen hunner vijanden, zodat het geluid van een opgewaaid blad hen opjaagt, en zij zullen vluchten, zoals men vlucht voor het zwaard, en vallen, zonder dat er een vervolger is. 37 En de een zal over de ander struikelen als voor het zwaard, zonder dat er een vervolger is, en gij zult voor uw vijanden geen stand kunnen houden. 38 En gij zult onder de volken te gronde gaan, en het land uwer vijanden zal u verteren. 39 En wie van u overgebleven zijn, zullen in de landen hunner vijanden wegkwijnen vanwege hun ongerechtigheid en ook vanwege de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij, evenals dezen, wegkwijnen. 40 Maar belijden zij hun ongerechtigheid en die hunner vaderen, in de ontrouw waarmede zij tegen Mij ontrouw zijn geweest, en ook dat zij zich tegen Mij verzet hebben, Ė 41 ook Ik verzette Mij tegen hen en bracht hen in het land hunner vijanden Ė of vernedert zich dan hun onbesneden hart en boeten zij dan hun ongerechtigheid, 42 dan zal Ik mijn verbond met Jakob gedenken; ook mijn verbond met Isaak en ook mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en Ik zal het land gedenken. 43 Maar het land zal door hen verlaten worden en het zal zijn sabbatsjaren vergoed krijgen, terwijl het verwoest ligt zonder hen, en zij zullen hun ongerechtigheid boeten, omdat, ja, omdat zij mijn verordeningen versmaadden en van mijn inzettingen een afkeer hadden. 44 Maar ook zelfs, wanneer zij in het land hunner vijanden zijn, versmaad Ik hen niet en heb Ik geen afkeer van hen, zodat Ik hen zou vernietigen en mijn verbond met hen verbreken: want Ik ben de HERE, hun God. 45 Maar Ik zal hun ten goede gedenken het verbond met hun voorvaderen, die Ik voor de ogen der volken uit het land Egypte heb geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de HERE. 46 Dit zijn de inzettingen en verordeningen en wetten, die de HERE gegeven heeft tussen Zich en de IsraŽlieten op de berg Sinai, door de dienst van Mozes. (NBG Vertaling 1951)

     

    Voorwaar, men wordt niet vrolijk van het lezen van deze waarschuwing aan de IsraŽlieten over wat er zou gebeuren indien zij het sabbat- en jubeljaargebod in het land Kanašn zouden negeren. Wanneer we door de geschiedenis van IsraŽl heengaan merken we hoe nauwkeurig dit alles uitgekomen is. Er zijn bijvoorbeeld inderdaad zeven verdrukkingen geweest. Zes ervan vinden we in het Bijbelboek Richteren vermeldt. Zie hierna de relevante Bijbelcitaten.

    1)     Richteren 3:8 Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen IsraŽl: Hij gaf hen over in de macht van Kusan-RisataÔm, koning van MesopotamiŽ, en de IsraŽlieten dienden Kusan-RisataÔm acht jaar.

    2)   Richteren 3:12 Maar de IsraŽlieten deden opnieuw wat kwaad is in de ogen des HEREN; toen maakte de HERE Eglon, de koning van Moab, sterk tegen IsraŽl, omdat zij gedaan hadden wat kwaad is in de ogen des HEREN. 13 Hij dan verbond zich met de Ammonieten en de Amalekieten, trok op en versloeg IsraŽl; de Palmstad namen zij in bezit. 14 Achttien jaar dienden de IsraŽlieten Eglon, de koning van Moab.

    3)   Richteren 4:2 Toen gaf de HERE hen over in de macht van Jabin, de koning van Kanašn, die regeerde te Hasor, en wiens krijgsoverste Sisera was, die te Charoset-Haggojim woonde. 3 En de IsraŽlieten riepen tot de HERE, want hij bezat negenhonderd ijzeren strijdwagens en hij had de IsraŽlieten wreed verdrukt, twintig jaar.

    4)   Richteren 6:1 Maar de IsraŽlieten deden wat kwaad is in de ogen des HEREN; daarom gaf de HERE hen over in de macht van Midjan gedurende zeven jaar, 2 waarin Midjan de overhand had over IsraŽl.

    5)    Richteren 10:7 Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen IsraŽl, en Hij gaf hen over in de macht der Filistijnen en der Ammonieten. 8 In datzelfde jaar verdrukten en vertrapten zij de IsraŽlieten: en achttien jaar lang deden zij dit met alle IsraŽlieten aan de overzijde van de Jordaan, in het land der Amorieten in Gilead.

    6)   Richteren 13:1 De IsraŽlieten deden opnieuw wat kwaad is in de ogen des HEREN; toen gaf de HERE hen over in de macht der Filistijnen, veertig jaar.

    7)    En de zevende verdrukking volgde nadat de IsraŽlieten voor de zeventigste maal het sabbatjaargebod genegeerd hadden: de Babylonische Ballingschap die zeventig jaar in beslag nam.

     

    Het volgende schema geeft de periode 1409/1396 v. Chr. weer en toont de sabbatjaren van apr1409/mrt1408 v. Chr. en apr1402/mrt1401 v. Chr. In het voorjaar van 1407 v. Chr. komt aan de verdrukking door de koning van Aram; Kusan-RisataÔm, een einde door het optreden van de eerste richter in IsraŽl: OthniŽl.

     

    Richteren 3:1 Dit nu zijn de volken, die de HERE liet overblijven om door hen al die IsraŽlieten op de proef te stellen, welke geen van de oorlogen om Kanašn gekend hadden, 2 slechts opdat de geslachten der IsraŽlieten, voorzover zij daarvan tevoren geen ervaring hadden, met de strijd vertrouwd zouden raken, doordat Hij hen daarin oefende: 3 de vijf stadsvorsten der Filistijnen en al de Kanašnieten, SidoniŽrs en Chiwwieten, die het gebergte Libanon bewonen, van de berg Bašl-Hermon tot de weg naar Hamat. 4 Zij toch waren ertoe bestemd, dat Hij door hen IsraŽl op de proef zou stellen, om te weten, of zij zouden luisteren naar de geboden, die de HERE hun vaderen door de dienst van Mozes geboden had. 5 De IsraŽlieten dan woonden te midden der Kanašnieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten; 6 zij namen zich hun dochters tot vrouw en gaven de eigen dochters aan hun zonen en dienden hun goden. 7 De IsraŽlieten deden wat kwaad is in de ogen des HEREN, zij vergaten de HERE, hun God, en dienden de Bašls en de Asjeraís. 8 Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen IsraŽl: Hij gaf hen over in de macht van Kusan-RisataÔm, koning van MesopotamiŽ, en de IsraŽlieten dienden Kusan-RisataÔm acht jaar. 9 Toen riepen de IsraŽlieten tot de HERE, en de HERE verwekte de IsraŽlieten een verlosser om hen te bevrijden: OtniŽl, de zoon van Kenaz, de jongere broeder van Kaleb. 10 De Geest des HEREN kwam over hem, hij richtte IsraŽl en trok uit ten strijde. De HERE gaf Kusan-RisataÔm, de koning van Aram, in zijn macht, zodat hij de overhand kreeg over Kusan-RisataÔm. 11 Toen had het land veertig jaar rust. En OtniŽl, de zoon van Kenaz, stierf. (NBG Vertaling 1951)

     

     

    Met het volgende schema met de periode van 1395/1382 v. Chr. zien we in het jaar okt1395/sep1394 v. Chr. het eerste jubeljaar vermeld.

    De historische boeken van de Bijbel zwijgen over een eventueel wel of niet houden van het jubeljaargebod door de IsraŽlieten. De enige vermelding is dat de richter OthniŽl de overhand kreeg over Kusan-RisataÔm en dat het land daarna veertig jaar rust had tot aan de dood van OthniŽl, waarna echter onmiddellijk een nieuwe verdrukking begon.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

    19-04-2017 om 07:43 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    14-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Goede vrijdag 7 april 30 AD

    Het was niet toevallig een vrijdag dat Jezus Christus als het Lam Gods zijn leven voor de verlossing van IsraŽl en de wereld, gaf. De verlossing uit Egypte met de Exodus van de IsraŽlieten onder leiding van Mozes, geschiedde namelijk ook op een vrijdag. In mijn boek ĎEXODUSí, 2016, blz. 71, in het hoofdstuk: de maand, de dag en de route van de Exodus, toon ik dit aan. De Joodse overlevering leert dat de Tien Woorden Gods met Sjavoeot op een zaterdag aan Mozes overhandigd werden. Zo wordt het eenvoudig te berekenen dat zeven maal zeven weken of negenenveertig dagen eerder, de Exodus op een vrijdag aan het einde van de eerste Pesachweek in de geschiedenis, plaatsvond.

    Het oude IsraŽl had een maankalender. Volgens die kalender was de eerste maand van het jaar de maand Nisan (maart/april), de maand van de verlossing uit Egypte in 1483 v. Chr. Een nieuwe maand begon met de avond waarop de opkomende maan na zonsondergang voor het eerst zichtbaar werd. De lammeren op het Joodse Pesachfeest werden geslacht op de veertiende Nisan in de namiddag. Het Paasfeest werd bij zonsondergang gevierd (Zie: Leviticus 23:5 en Numeri 28:16).

     

    Merkwaardig is, dat het volgend jaar in 2018 exact 3500 jaar geleden zal zijn dat de verlossing uit Egypte plaatsvond. Nog een merkwaardigheid is dat de Joodse Pesachweek volgend jaar van 30 maart tot 7 april 2018 genoteerd staat. Zeven april is hier dezelfde kalenderdag als in 30 AD.

     

    Astronomen kunnen tegenwoordig berekenen wanneer in Jeruzalem bijna twee millennia geleden een nieuwe maand begon. De eerste dag van de maand Nisan kan aldus vastgesteld worden en de veertiende dag van de maand Nisan vult zichzelf in. Moderne astronomen (Astronomy and the date of the Crucifixion Ė Colin Humphreys and W.G. Waddington) leveren de volgende data af voor de veertiende Nisan op specifiek een vrijdag: 11 april 27 AD, 7 april 30 AD en 3 april 33 AD. Ik vermeld de drie data aangezien er verschil van mening bestaat betreffende het correcte jaar van de kruisdood en Opstanding van Jezus Christus. Mijn bronvermelding van Colin Humphreys hierboven hanteert overigens 33 AD voor het jaar van de kruisiging. De motieven voor het hanteren van een late datum zijn (soms) ontstaan als een gevolg van de de vervangingsleer die het christendom aanhangt. Het is een leer die zegt dat de kerk(en) in de plaats van IsraŽl gekomen is en alle oudtestamentische profetie in haar vervult. De zeventigste jaarweek van de profeet DaniŽl bijvoorbeeld volgt onmiddellijk op de negenenzestigste jaarweek, zonder een tijdskloof van twee millennia, is al geschiedenis, en kende haar eindvervulling in 33 AD. Dit is ťťn handige reden voor de keuze van 33 AD.

     

    Waarom kies ik voor 7 april 30 AD? Omdat deze datum bevestigd wordt door de sabbat- en jubeljaaropgave van William Whiston. Het dertigste jubeljaar viel volgens Whiston in het jaar 27/28 AD. In oktober 27 AD werd dit aangename jaar des HEREN door Jezus in de synagoge van zijn vaderstad met Jom Kippoer afgekondigd, zoals we lezen in het Lukas evangelie hoofdstuk 4:16. Het jaar 27 AD en de maand oktober worden ijkpunten waar we de overige chronologische gegevens van de evangeliŽn mee verankeren.

     

     

    De vier pelgrimsfeesten die de evangelist Johannes opgeeft passen in dit schema. Het eerste paasfeest dat Johannes 2:13 vermeldt viel in de maand nisan van 27 AD. Het tweede pelgrimsfeest volgens Johannes 5:1 in 28 AD, het derde paasfeest naar Johannes 6:4 in 29 AD en het vierde paasfeest in 30 AD met het beschreven lijden, sterven, opstanding en hemelvaart van Jezus Christus. Betreffende het derde paasfeest, door de evangelist Johannes vermeld, bestaat er onder onderzoekers verschil van mening. Sommigen lezen Johannes 6:1 door een westerse bril met een lineair tijd-denken en verklaren dat Jezus die op een berg de broden vermenigvuldigende voor een menigte ver in het noorden van IsraŽl, onmogelijk tegelijkertijd in Jeruzalem kon zijn. De conclusie van sommige onderzoekers is zelfs dat dit Schriftgedeelte niet geÔnspireerd is en later toegevoegd. Hierna het bewuste Schriftgedeelte:

    Johannes 6:1 Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. 2 En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. 3 En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. 4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten?

     

    Wanneer we dit Schriftgedeelte hebben doorgenomen kan de conclusie alleen maar zijn dat de vermenigvuldiging van de broden op de berg geschiedde kort voor het Pascha. Met Ďkort voorí, bedoelen we dan de tijd die nodig is om van het noorden van IsraŽl naar Jeruzalem te trekken. Nog zulk een schijnbare moeilijkheid voor sommigen is de vermelding van Ďhet feest der Jodení in Johannes hoofdstuk 5:1. Is dit nu een verwijzing naar de Pesachweek of is een ander feest bedoeld? De verklaring levert weer de invulling van de sabbat- en jubeljarenopgave volgens William Whiston, op de tijdsbalk.

    Het paasfeest van 28 AD zag een nieuwe cyclus van zeven maal zeven jaar aanvangen. Het was tevens de periode van het dertigste Jubeljaar en volgens een Rabbijnse traditie zat men bovendien in het vierde millennium anno mundi, de vierde dag van de Schepping die symbolisch voor het Licht stond. De zon der gerechtigheid, de Messias was komende. De algemene verwachting in IsraŽl was dat de komst van de Messias nabij tot zeer nabij was. De wederkomst van de profeet Elia zou aan deze komst voorafgaan. Daarom ben ik van mening dat de evangelist Johannes naar Ďhet feest der Jodení verwijst. Het was inderdaad ook een feest met toen al in gedachten de nakende vertroosting van IsraŽl.

    Met het paasfeest van 27 AD begon het zevende jaar in de sabbatjaarcyclus. Het zesde jaar in de sabbatjaarcyclus, een jaar van de beloofde dubbele zegening liep van april 26 AD tot maart 27 AD. Het was het jaar van het optreden van Johannes de Doper, de doop van Jezus in het najaar, de verzoeking in de woestijn, het uitroepen van de eerste discipelen en het begin van het openbaar optreden van Jezus Christus in IsraŽl. In de zomer van 26AD was Jezus dertigplus jaar oud. Hij was namelijk geboren in de vijfde maand (Ab = juli/augustus) van het jaar vijf voor Christus.

     

    Deze constructie moet eveneens duidelijk maken waar juist het vijftiende regeringsjaar van Keizer Tiberius op de tijdsbalk te verankeren is. Het vijftiende jaar van Tiberius liep van oktober 26 tot september 27 AD. Het is de evangelist Lukas die het optreden van Johannes de Doper aan het vijftiende regeringsjaar van Tiberius koppelt. Betreffende het exacte begin van de regering van Tiberius bestaat onenigheid tussen onderzoekers. Moet men rekenen vanaf de dood van keizer Augustus in 14 AD of vanaf 12 AD wanneer Tiberius als Ďco-princepsí van Augustus over het oostelijke gedeelte van het Romeinse Rijk benoemd werd. Deze aanstelling als co-regent vinden we in Romeinse bronnen terug: SUETONIUS, Tib. Vita, 21 a.u.c.765. De conclusie moet zijn dat volgens de hier aangeboden chronologische reconstructie de evangelist Lukas het co-regentschap bedoelde. Voor wat het oostelijk gedeelte van het Romeinse Rijk betreft en waar Judea een onderdeel van was, was Tiberius vanaf 12 AD de-facto Keizer.

     

    Vanaf het eerst vermelde Paasfeest door de evangelist Johannes in hoofdstuk 2:13 in 27 AD zijn het zesenveertig jaar terug tot het begin van de herbouw van de Tempel te Jeruzalem door Herodes de Grote.

    Johannes 2:20 De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21 Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams. 22 Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had. 23 En terwijl Hij te Jeruzalem was, op het Paasfeest, geloofden velen in zijn naam, doordat zij zijn tekenen zagen, die Hij deed;Ö

     

    Dit Schriftgedeelte leert dat er zesenveertig jaar zijn vanaf het beginjaar van de herbouw van de tempel door Herodes de Grote in 20 v. Chr. en het eerste Pesachfeest dat de evangelist Johannes vermeldt. Het is Flavius Josephus, de Joodse historicus uit de eerste eeuw na Christus, die jaartallen geeft.

    Josephus (Joodse Oudheden Boek XV, xi.1-6) schrijft dat Herodes in zijn achttiende regeringsjaar besloot tot herbouw van de tempel. Verder schrijft Josephus dat aanvankelijk achttien maanden aan de tempel gewerkt werd. Exact zesenveertig jaar later speelt Johannes hoofdstuk 2 zich af. (Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 437-453)

    Al de verkregen jaartallen via de jubeljaartelling van William Whiston in dit artikel, bevestigen het jaar 30 AD als het jaar van de kruisdood van de Christus, gevolgd door Zijn Opstanding en Hemelvaart. En de belofte van Zijn wederkomst.

     

     

    1 KorintiŽrs 15:1 Ik maak u bekend, broeders, het evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook staat, 2 waardoor gij ook behouden wordt, indien gij het zů vasthoudt, als ik het u verkondigd heb, tenzij gij tevergeefs tot geloof zoudt gekomen zijn. 3 Want vůůr alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften , 4 en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, 5 en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven. 6 Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. 7 Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen; 8 maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene. (NBG Vertaling 1951)

    Paulus aan de KorintiŽrs.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

    14-04-2017 om 11:47 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    10-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tirhaka, de koning van Koesj, farao over Egypte.

    2 Koningen 19:6 En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gij tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars van den koning van AssyriŽ gelasterd hebben. 7 Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen. 8 Zo kwam Rabsake weder, en vond den koning van AssyriŽ, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was. 9 Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weder boden tot Hizkia, zeggende: 10 Zo zult gij spreken tot Hizkia, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van AssyriŽ niet gegeven worden. (Statenvertaling)

     

    Jesaja 37:9 Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; toen hij zulks hoorde, zo zond hij weder boden tot Hizkia, zeggende: Ö(Statenvertaling)

     

     

    De koning van Koesj of NubiŽ, die in de Bijbelboeken 2 Koningen en Jesaja vermeld wordt, was een farao van de vijfentwintigste dynastie van Manetho Ďs Egypte. Het historische Koesj lag binnen de grenzen van het huidige Soedan.

    De orthodoxe egyptologie geeft hem tegenwoordig de volgende regeerperiode: 689/664 v. Chr. De gegevens van de oudheidhistoricus Manetho die ons via zijn kopieerders Africanus en Eusebius bereikten zijn wat de duur der regeerperioden betreft, met elkaar in tegenstrijd. Beide kopieerders geven weliswaar drie namen voor de vijfentwintigste dynastie op, maar met een verschil in regeerduur van 40 tot 44 jaar voor de hele dynastie. Africanus vermeldt achttien jaar als regeerduur voor Tirhaka, maar Eusebius noteerde twintig jaar.

    De regeerperiode van de egyptologie voor Tirhaka wijkt enkele jaren af van de Bijbelse jaartallen in verband met koning Hizkia van Juda en de belegering van Jeruzalem in diens veertiende regeringsjaar. Het jaar van de belegering van Jeruzalem door de AssyriŽr Sanherib in het veertiende regeringsjaar van Hizkia dateren we in het jaar 709 v. Chr., en dit op basis van de herschikking van de koningen van Juda en IsraŽl op de tijdsbalk volgens de sabbat- en jaartelling.

    Dat Tirhaka, de koning van Koesj, tegen het Assyrische leger oprukte, in het veertiende regeringsjaar van Hizkia, maakt de Bijbel duidelijk:

    2 Koningen 19:9 Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weder boden tot Hizkia, zeggende: 10 Zo zult gij spreken tot Hizkia, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van AssyriŽ niet gegeven worden.

     

    Jesaja 36:1 En het geschiedde in het veertiende jaar van den koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van AssyriŽ, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. (Statenvertaling)

     

    In het citaat van Jesaja 37:9 wordt de koning van Koesj vermeld: Tirhaka, die naar de grens van Egypte bij Eltekeh oprukte.

    Het volgende hoofdstuk achtendertig van de profeet Jesaja verhaalt de geschiedenis van het dodelijk ziek worden van Hizkia, diens genezing en het toevoegen van vijftien levensjaren aan zijn leeftijd.

    De Seder Olam verhaalt de duur van de ziekte van Hizkia voor een periode van drie dagen, waarna zijn herstel volgde, en dit tijdens de belegering in zijn veertiende regeringsjaar. Daarna werden vijftien jaar aan zijn leven toegevoegd.

    De regeerperiode van Hizkia en de verankering op de tijdsbalk via het vijftiende jubeljaar heb ik verklaard in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 327-330. Voor wie het boek eventueel wil aanschaffen: zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    Koning Tirhaka van Koesj en de vijfentwintigste dynastie hadden ook mijn aandacht in mijn boek ĎDe zonaanbidder, 2016, blz. 73-75. Voor wie het boek wil aanschaffen, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    De belegering van Jeruzalem door de AssyriŽr Sanherib en het ter hulp komen van Tirhaka voor Hizkia had al eerder op dit blog mijn aandacht. Zie het artikel op dit blog van 06.06.2016: maar in het veertiende jaar van den koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van AssyriŽ. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1465164000&stopdatum=1465768800

     

    Met de belegering van Jeruzalem door Sanherib in het veertiende regeringsjaar van Hizkia in 709 v. Chr. breek ik met een onderdeel van Velikovsky ís werk, die de vernietiging van Sanherib ís leger in 687 v. Chr. plaatst, op basis van een genoteerde meganatuurcatastrofe in het oude China (Werelden in botsing, 1950, tweede hoofdstuk: het jaar -687)

     

    De koning van Koesj: Tirhaka, werd tijdens de slag bij Eltekeh in 709 v. Chr. door de AssyriŽrs verslagen, in ketenen geslagen en gevankelijk naar de Assyrische hoofdmacht die Jeruzalem belegerde, weggevoerd. Na de Pesachnacht, waarbij het belegerende Assyrische leger grotendeels vernietigd werd, werden Tirhaka en andere koningen en prinsen volgens de Joodse overlevering, door Hizkia bevrijd.

    Ook Sanherib beschrijft het treffen met het Egyptische leger en de gevangenneming van de Egyptische prinsen (meervoud!) op zijn prisma-stele. Hierna het betreffende citaat:

    ďÖ. The officials, nobles, and people of Ekron, who had thrown Padi their kingóbound by oath and curse of Assyriaó into fetters of iron and had given him over to Hezekiah, the Judahiteóhe kept him in confinement like an enemyó their heart became afraid, and they called upon the Egyptian kings, the bowmen, chariots and horses of the king of Meluhha [Ethiopia], a countless host, and these came to their aid. In the neighborhood of Eltekeh, their ranks being drawn up before me, they offered battle. With the aid of Assur, my lord, I fought with them and brought about their defeat. The Egyptian charioteers and princes, together with the Ethiopian king's charioteers, my hands captured alive in the midst of the battle. Eltekeh and Timnah I besieged, I captured, and I took away their spoil. Ö(Prisma-stele van Sanherib)

     

    De Joodse overlevering (The Legends of the Jews, Boek IX) verhaalt dat de vernietiging van het Assyrisch leger voor de poorten van Jeruzalem geschiedde tijdens de Pesach-nacht. Het neerslaan van het Assyrische leger door de Engel des HEREN wordt door Patten, Hatch en Steinhauer in hun boek: The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, vanuit kosmische oorsprong, verklaard. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 331-337.

    Als het stof van de kosmische meganatuurcatastrofe van 709 v. Chr. ging liggen werd zelfs een kalenderhervorming noodzakelijk. Het boek ĎThe Legends of the Jewsí lijkt ook een verstoring van de aarde in haar loop om de zon te leren:

    Ö. A number of miracles besides were connected with the recovery of Hezekiah. In itself it was remarkable, as being the first case of a recovery on record. Previously illness had been inevitably followed by death. Before he had fallen sick, Hezekiah himself had implored God to change this order of nature. He held that sickness followed by restoration to health would induce men to do penance. God had replied: "Thou art right, and the new order shall be begun with thee." Furthermore, the day of Hezekiah's recovery was marked by the great miracle that the sun shone ten hours longer than its wonted time. The remotest lands were amazed thereat, and Baladan, the ruler of Babylon, was prompted by it to send an embassy to Hezekiah, which was to carry his felicitations to the Jewish king upon his recovery.

     

    Bij het doornemen van de Joodse legendes probeer ik altijd het historisch-betrouwbare van het fantastische te filteren, en te gebruiken. De legende leert dat na het wegtrekken van het restant van het leger van Sanherib, de Joden de volgende morgen het Assyrische bivak binnentrokken en daar de farao van Egypte en de Ethiopische koning Tirhaka uit hun ketenen verlosten, en huiswaarts zonden. Deze beide koningen waren eerder in de slag bij Eltekeh aan de grens met Egypte, door Sanherib verslagen en krijgsgevangen genomen.

    ďÖ..In view of all the wonders God had done for him, it was unpardonable that Hezekiah did not feel himself prompted at least to sing a song of praise to God. Indeed, when the prophet Isaiah urged him to it, he refused, saying that the study of the Torah, to which he devoted himself with assiduous zeal, was a substitute for direct expressions of gratitude. Besides, he thought God's miracles would become known to the world without action on his part, in such ways as these: After the destruction of the Assyrian army, when the Jews searched the abandoned camps, they found Pharaoh the king of Egypt and the Ethiopian king Tirhakah. These kings had hastened to the aid of Hezekiah, and the Assyrians had taken them captive and clapped them in irons, in which they were languishing when the Jews came upon them. Liberated by Hezekiah, the two rulers returned to their respective realms, spreading the report of the greatness of God everywhere. And again, all the vassal troops in Sennacherib's army, set free by Hezekiah, accepted the Jewish faith, and on their way home they proclaimed the kingdom of God in Egypt and in many other lands.Ē

     

     

    De chronologie van Tirhaka en de vijfentwintigste dynastie op de tijdsbalk had al eerder mijn aandacht in mijn geciteerde boeken. Hierna een korte samenvatting. Vooreerst moet het duidelijk zijn dat de Bijbel in het veertiende regeringsjaar van Hizkia, naar Tirhaka verwijst als koning van Koesj, en niet als koning van Egypte. De installering van Tirhaka als farao over Egypte geschiedde later.

    Volgens mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid zoals o.a. in Ďde zonaanbidderí uiteengezet, waren de NubiŽrs aanvankelijk bondgenoten van farao Amonhotep III en de Aton-ketters, maar keerden ze zich later tegen hen. In 722 v. Chr., het jaar van een meganatuurcatastrofe, rukte de oom van Tirhaka: Sjabaka, Egypte binnen, doodde farao Bokchoris van de vierentwintigste dynastie en maakte dat farao Anysis uit de stad Anysis naar een moerasgebied moest vluchten. De NubiŽr Sjabaka is dezelfde als de Griekse naam Sabacon waarmee de oudheidhistoricus Herodotos hem aanduidde. Farao Anysis uit de stad Anysis van Herodotos is dezelfde als Achnaton uit Achet-aton (De Zonaanbidder, 2016, blz. 55-64). De alleenheerschappij over Egypte hadden de NubiŽrs niet. De Nijl-delta was tijdens deze epoque een lappendeken van dynastieŽn die de macht met elkaar deelden. De belangrijkste was farao Sethoos van Herodotos die we eerder geÔdentificeerd hebben met farao Zet van de drieŽntwintigste dynastie (TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 307-311), een andere naam voor farao Setnakht van de twintigste dynastie en de Ramessieden.

    Dat Tirhaka met zijn divisie als een onderdeel van het Egyptische leger aan de slag bij Eltekeh deelnam, heeft met het delen van de macht in de Nijldelta te maken.

    Als koning van Koesj deelde Tirhaka de troon met de koningen Sjabaka en Sjebitkoe, dat maakt de zogenaamde Kawa-stele duidelijk. Deze inscriptie leert dat het zesde jaar van Tirhaka gelijk was aan het vijftiende jaar van Sjabaka en het derde jaar van Sjebitkoe. Tirhaka was de zoon van Pianchi, wiens eenentwintigjarige regeerperiode aan die van Sjabaka voorafging. Sjabaka was de broer van Pianchi en aldus oom van Tirhaka. Sjebitkoe was de broer van Tirhaka.

    De verankering van de regeerperiode van de koningen van Koesj op de tijdsbalk doe ik aan de hand van het veertiende regeringsjaar van Hizkia en de notering van een meganatuurcatatastrofe in de Bijbel in dat jaar.

    Voor het derde regeringsjaar van Sjebitkoe vinden we een notering in Egypte van een ongewoon hoge Nijlwaterstand in de maand april, de enige die tijdens zijn bewind overigens genoteerd werd. Ook Tirhaka liet de bijzonder hoge Nijl van zijn zesde regeringsjaar noteren, samen met een buitengewone grote oogst als gevolg van de Nijloverstroming (Alan Gardiner, Egypt of the Pharaohs, 1961, XII, Egypt under foreign rule, page 344).

    Als er inderdaad volgens de theorie een meganatuurcatastrofe van kosmische oorsprong plaatsvond en de aarde in haar baan om de zon verstoord werd, is een hoge waterstand van de Nijl buiten het gewone seizoen verklaarbaar. Ik gebruik het jaar 709 v. Chr. als een ankerpunt om de koningen van Koesj op de tijdsbalk te rangschikken. Tirhaka begint zijn co-regentschap-regeerperiode in het jaar 715 v. Chr. en dit als een gevolg van de verankering van zijn zesde jaar in 709 v. Chr., en Sjebitkoe met zijn derde jaar in 709 v. Chr. heeft als resultaat het jaar 712 v. Chr. voor zijn eerste regeringsjaar. Sjabaka ís regeerperiode vangt aan in 724 v. Chr. In het tweede regeringsjaar van Sjabaka in 722 v. Chr. vermoordde hij farao Bocchoris van de vierentwintigste dynastie. Deze geschiedenis heb ik uitvoerig in TIJD en TIJDEN, 2015, blz. 301-306, beschreven.

     

    De regeerperiode van Tirhaka als koning over Egypte is verankerd via de Apis-lijsten. Een Apis-stier die stierf op eenentwintigjarige leeftijd in het twintigste regeringsjaar van Psammetichus werd geboren in het zesentwintigste jaar van Tirhaka. Dit maakt dat Tirhaka in zijn veertiende regeringsjaar als koning van Koesj, in het jaar 702 v. Chr.,te Memfis als farao over Egypte erkend werd. Over de Apislijsten schreef ik op 30.01.2017 op dit blog een artikel, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1485730800&stopdatum=1486335600

     

    De AssyriŽrs die onder leiding van de zoon van Sanherib: Essarhaddon, Egypte in 671 v. Chr. zouden binnenrukken vonden opnieuw Tirhaka op hun weg. Ook ditmaal werd Tirhaka met zijn Nubisch leger teruggedreven. Zie het artikel van 20.06.2016 op dit blog, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1466373600&stopdatum=1466978400

     

     

    Het volgehouden verzet van de Nubische soldaten maakte hen gehaat bij de AssyriŽrs. Essarhaddon maakt in zijn annalen melding over de NubiŽrs en Tirhaka. Hij vermeldt cynisch dat hij alle NubiŽrs deporteerde en er zelfs geen ťťn overhield om hem hulde te brengen. Over Egypte stelde Essarhaddon nieuwe koningen en gouverneurs aan, van wie de belangrijkste Horemheb was. Zie TIJD en TIJDEN, 2015, Horemheb, blz. 357-358. De afbeelding hierboven is een overwinnings-stele van Essarhaddon met vermoedelijk Tirhaka er op afgebeeld. Er bestaat nochtans een meningsverschil betreffende de identiteit van de afgebeelde NubiŽr, sommige Assyriologen menen dat de gevangengenomen zoon van Tirhaka afgebeeld staat, en andere menen Tirhaka te herkennen vanwege de afgebeelde Uraeus op het hoofd.

    Na de plotse dood van Essarhaddon slaagde Tirhaka er in om Memfis te heroveren. In het jaar 668 v. Chr. viel de zoon van Essarhaddon: Assurbanipal, Egypte opnieuw binnen en rukte helemaal naar het zuiden naar Thebe op, dat hij ook innam. Tirhaka kon echter ook ditmaal verder naar het zuiden, naar Napata ontkomen.

    Over zijn levenseinde is niets bekend. Zijn grafpiramide bevindt zich te Nuri, zuidelijk van Napata, zijn hoofdplaats.

     

    Wordt vervolgdÖ

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    10-04-2017 om 13:37 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    03-04-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste drieduizend jaar (vervolg)

    De chronologie van Mozes tot de Exodus

    Met de aflevering van 06.03.2017 sloten we op onze reis in de tijd chronologisch af bij de geboorte van Mozes en zijn adoptie door de dochter van farao, zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1488754800&stopdatum=1489359600

    Met deze aflevering behandelen we chronologisch de geschiedenis van Mozes tot aan de Exodus.

    Op de bijgevoegde inmiddels vertrouwde schema ís staan bovenaan de Anno Mundi jaartallen vermeld, met daaronder de westerse jaartelling gebaseerd op de geboorte van de Christus. Elk jaar beslaat twee centimeter op millimeterpapier zodat de vier jaarkwartalen duidelijk zichtbaar, en handig zijn voor het aanbrengen van de chronologische gegevens die de Bijbel en andere historische bronnen aanreiken.

     

     

    Bovenaan het schema zien we de levenslijn van Mozes vervolgend met zijn negentiende levensjaar. Vanaf de leeftijd van drie maanden werd hij door de dochter van farao aan het hof opgevoed. De Bijbel geeft niet veel informatie over de eerste schijf van veertig jaar dat Mozes in Egypte doorbracht.

    Handelingen 7:20 In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders. 21 En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon. 22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken. 23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen IsraŽls, te bezoeken.

     

    Het is de oudheid-historicus Flavius Josephus die meer historische informatie over de eerste veertig jaar van Mozes aan het hof van farao doorgeeft. Zo beschrijft Josephus dat Mozes de volwassenheid bereikt hebbende, als generaal van het Egypte leger een Ethiopisch/Nubische invasie afweerde en vervolgens met een Egyptisch leger NubiŽ binnenrukte. In mijn boek EXODUS, 2016, blz. 47-58, breng ik deze geschiedenis en plaats ze binnen het historische kader van de Egyptische twaalfde dynastie.

     

     

    Na veertig jaar aan het hof van farao als prins van Egypte te hebben doorgebracht , kwam het in Mozesí hart op zijn broeders de IsraŽlieten te bezoeken. Alzo brengt Stefanus deze geschiedenis in het Nieuwe Testament toen deze voor de Joodse raad stond. Het is een beknopte geschiedenis van IsraŽl die Stefanus daar bracht, en handig om de chronologische geschiedenis van de epoque die we nu behandelen, te brengen.

    Handelingen 7:22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken. 23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen IsraŽls, te bezoeken. 24 En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar. 25 En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan. 26 En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk? 27 En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? 28 Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt? 29 En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.

     

    Te Madiam, of Midian volgens de NBG vertaling van 1951, zou Mozes veertig jaar asiel verkrijgen, waarna hij door de HEERE God geroepen werd ter uitredding van de IsraŽlieten. In Midian huwde Mozes met Sippora, de dochter van RehuŽl, de priester van Midian, zijn asielverlener.

     

     

    Handelingen 7:30 En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg SinaÔ, in een vlammig vuur van het doornenbos. 31 Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem, 32 Zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien. 33 En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land. 34 Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden. 35 Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos. 36 Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren. 37 Deze is de Mozes, die tot de kinderen IsraŽls gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.

     

     

    Ik gebruik weer de beknopte geschiedenis van Stefanus zoals hij deze voor de Joodse raad in 30 AD bracht. Het gaat me met dit artikel namelijk alleen om het brengen van de chronologie van de aartsvaders en dan is Stefanus handig.

    Het is in het land Midian nabij de berg Gods waar Mozes later de Tien Woorden, de Wet, in ontvangst zal nemen, dat de God van Abraham, Izaak en Jakob-IsraŽl Zich aan Mozes persoonlijk openbaarde. Deze bijzondere gebeurtenis heeft Mozes in het Bijbelboek Exodus hoofdstuk 3 doorgegeven. Aan Mozes openbaarde God zich daar met Zijn Naam: JHWH, het tetragrammaton, of vertaald naar het Nederlands: IK ZAL ZIJN.

    Exodus 3:14 En God zeide tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen IsraŽls zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden! 15 Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen IsraŽls zeggen: De HEERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.

     

     

    In 1487 v. Chr. stierf na een lange regeerperiode van negenennegentig jaar, de farao van de verdrukking: Pepi II van de zesde dynastie, en een andere dynastie, de dertiende van Manetho, nestelde zich in het ontstane machtsvacuŁm. Het was voor farao Sobekhotep IV dat Mozes en Ašron stonden met hun opdracht van de HEERE God met de wereldwijd bekende woorden: ĎLaat Mijn volk gaaní.

    In mijn boek EXODUS, 2016, blz. 93-106, schilder ik het historische kader. Zie ook het artikel van 07.09.2015 op dit blog, link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1441576800&stopdatum=1442181600

     

    De farao van Egypte weigert aanvankelijk de IsraŽlieten te laten gaan en pas na tien plagen die in opeenvolging over het land Egypte razen, geeft hij in de Pesachnacht na de dood van zijn eerstgeborene, de toelating aan de IsraŽlieten om te gaan. Deze geschiedenis is ook alom bekend en ligt met Pesach dit jaar op 10/18 april al 3499 jaar achter ons.

     

    De oorzaak van de tien plagen en de vernietiging van het leger van farao in de Rode Zee nadat de IsraŽlieten door de drooggelegde bedding naar de andere oever getrokken waren, zijn volgens de Amerikaanse onderzoekers Patten, Hatch en Steinhauer (The Long Day of Joshua and Six Other Catastrophes, 1973, Chapter VIII, The Exodus Catastrophe), van kosmische oorsprong. De cyclus van meganatuurcatastrofes die de oude wereld teisterden heeft al een hele tijd mijn aandacht. Recent bracht ik de grote vloed van Deucalion en de kosmische verbanden onder de aandacht, in een artikel van 13.03.2017 op dit blog. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1489359600&stopdatum=1489964400

     

    De in Egypte aan het hof van farao opgeleide Mozes werd na de exodus in de wildernis, de auteur van de eerste vijf boeken van de Bijbel, en verschillende psalmen. Ook het Nieuwe Testament bevestigt Mozes als de schrijver van de Bijbelboeken Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Voor de samenstelling van het Bijbelboek Genesis heeft Mozes hoogstwaarschijnlijk gebruik gemaakt van een voorhanden zijnde bibliotheek van kleitabletten die de aartsvaders van vader op zoon doorgegeven hadden (P. J. Wiseman (1888Ė1948), New discoveries in Babylonia about Genesis, 1936). De boeken volgend op Genesis zijn ooggetuigenverslagen van Mozes, die hij onder inspiratie van de Geest Gods neerschreef.

     

    Mozes was aldus ook op de hoogte van de cyclus van meganatuurcatastrofes die planeet aarde sinds de zondvloed plaagden. Het maakte deel uit van de dorens en distels en in het bijzonder van Ďde doodí, die sinds dat de mens in Genesis zijn eigen weg ging, los van God, de schepping teisterde. De HEERE God van IsraŽl was voor Mozes niet een van de planeet-goden zoals de volken hen vereerden, maar Diegene die in controle over alles stond en het naar Zijn wil leidde. De belofte van de komende Verlosser in Genesis die alles nieuw zou maken gaf hem moed en vertrouwen om stand te houden als ziende de Onzienlijke.

     

    Mozes vertrouwde op de profetieŽn die aan Abraham, Izaak en Jakob waren uitgesproken. Uit hen zou een volk voortkomen uit wie de Verlosser in Ďde volheid der tijdení geboren zou worden. Het uitverkoren volk zou volgens de profetie aan Abraham, Izaak en Jakob ontstaan in het vreemde land Egypte, waaruit het na een verdrukking bevrijd zou worden en uitgeleid naar het beloofde land Kanašn. Via dit nieuwe volk IsraŽl zouden alle overige volken gezegend worden en zouden Ďde tijden van de wederoprichting aller dingení volgen. De Ekklesia, de Gemeente en de 'tussen-tijd', mocht Mozes nog niet zien. 

     

    HebreeŽn 11:23 Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet. 24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden; 25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; 26 Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke. 28 Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging des bloeds, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou. 29 Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken. (NBG Vertaling 1951)

     

    Wordt vervolgdÖ.

     

    Met vriendelijke groet,

    Robert De Telder

     

    Recente publicaties van Robert De Telder

     

     

    EXODUS, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/102331

     

    De Zonaanbidder, 2016, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/87999

     

    TIJD en TIJDEN, 2015, Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579

     

    De Assyriologie herzien, 2012, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/76234

     

    De Tweede Wereldoorlog door de ogen van een neutrale Belg, 2007, zie link: http://www.bravenewbooks.nl/books/69343

    03-04-2017 om 08:02 geschreven door Robert De Telder  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 30/12-05/01 2014
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!