|
Verdenk ik mijzelf van megalomanie?
Uit de prille correspondentie tussen mezelf en een medeschrijver,
haal ik volgende brief. Ik herschrijf hem, om geen gegevens te
openbaren die louter mijn correspondent toebehoren, bevrijd hem van
enkele beschamende taalfouten en neem hem openlijk in beschouwing:
"Beste,
Zolang een afspraak niet gezien wordt
als sollicitatiegesprek voor een potentieel tot liefde (in ene noch
andere richting) wil ik u graag ontmoeten. Ik verwacht dan ook dat uw
eigen integriteit daarin overeind blijft. Uw agenda is voller, laat
mij weten wanneer het u past, dan leg ik de mijne naast uw voorstel.
Uiteraard geloof ik net als u dat wij elkaar heel wat kunnen bieden.
Anders had ik geen van de woorden die u reeds ontving, of deze,
geschreven. Ik kijk ernaar uit en hoop dat ons wederzijds vermoeden
bevestigd zal worden in een aangenaam, stimulerend en misschien zelfs
inspirerend delen van de tijd.
Over het cijfer dat psychologie wil
kleven op ons potentieel tot inzichten vergaren, spreek ik mij liever
niet uit. Het lijkt mij duidelijk dat we in staat zijn elkaars
gedachtegang te begrijpen, op zijn minst te verstaan. Inzicht is één
ding; kennis een heel ander; de gebieden waarover het denken zich
buigt, zijn een keuze; perceptie en gevoel zetten een bijkomende
stempel en bovendien is waarheid, altijd, subjectief. In die zin, is
zo'n cijfer zinloos. In andere zin, biedt zo'n cijfer bijkomend
begrip over waarom men soms zo onbegrepen en alleen middenin de massa
verblijft.
Liefde is een gevoel. Een relatie
echter, is een keuze waarvan het gros der tijdgenoten graag de mooie
kant wil koesteren maar verantwoordelijkheid noch moeilijkheden wil
dragen. Dat alleen al - de tijdsgeest - maakt het moeilijk tot
vrijwel onmogelijk, zelfs indien beide partners bewust een
gezamenlijk ideaal in keuze nastreven, om liefde tot werkbaar delen
van het leven te brengen. Het vergt heel wat om een gebroken relatie
met goed resultaat te verwerken: gemis is immer pijnlijker wanneer
het onnatuurlijk en redeloos is. (verwijzing naar eerder verhaald
gemis in de dood)
Tot slot, wees zo vriendelijk om
rekening te houden met het volgende: ik raak overal met het openbaar
vervoer en kan elke tijd op bus of trein nuttig besteden, maar mijn
woonplaats is voor mij de minst belastende stad gezien zij mijn
uitvalsbasis in de wereld is.
Universeel liefs,
Resi."
Nee, ik verdenk mijzelf niet van
megalomanie. Wel van overmoed. Ben ik wel zeker van mijn eigen
integriteit, betreffende de verwachting in eerste alinea? Ik durf
erin te berusten, maar geheel zeker ben ik niet. Anderzijds,
impliceert de verwachting ook een vorm van vertrouwen. Er had kunnen
staan: "Houdt u vooral uw eigen integriteit overeind mocht de
mijne ten onder gaan." Niet dat ik een bewust
sollicitatiegesprek tot liefde zou houden. Ik besef slechts dat geen
mensenhart op deze wereld immuun is aan eenzaamheid of doelloos
verlangen. Een spreekwoordelijk hart valt niet ter objectief oordeel
te onderwerpen en is moeilijk te temmen. Rede raakt even vlot
begeesterd door de illusie van liefde als door de waarheid ervan. De
leegte der eenzaam verlangen kent, vreemd genoeg, slechts een vage
grens met de volheid van werkelijke liefde. Een inzicht dat geen
cursus of psychologisch cijfer kan duiden. Ook deze tekst kan u niet
helpen indien u niet reeds weet wat ik bedoel. Alleen het leven kan u
leiden, ik wens u veel sterkte want het hart kan u evenzeer pijnigen
als verblijden. Indien u reeds begrijpt: ik zie nu pas waarom ik ú
niet eerder begreep. Op de drempel van mijn dertigste verjaardag, dan
nog. Wat is het leven toch ondoorgrondelijk boeiend en poëtisch in
zijn toevalligheden, of men nu wel of niet wiskunde daarin ziet. Jona
geeft mij een koekje van het onbewuste deeg waarmee ik meermaals
andermans hart tot onbruikbare pannenkoek heb gebakken. Slechts
zelden vermoed ik wat hij achterlaat, door mij veroorzaakt. Voor de
zeldzame: mijn spijt is reeds geleden. Het bestaan waarin wij
leren... Het is fair. Het is steenhard. Alles, ook ik, heeft zijn
ongekende reden.
Van egocentrisme kon ik mezelf
ronduit beschuldigen, zou ik er wat verkeerds in zien. Ik zie niets
verkeerds. Zolang de balans tussen altruïsme en egoïsme naar gene
zijde overhelt, is er niets mis met introspectie volgens mijn
voorzichtig gevormde normen en waarden. Ik gebruik te weinig woorden
als 'misschien', 'lijkt', 'zou zijn' om duidelijk te maken dat ik
slechts één ding echt zeker weet: niets is een volkomen zekerheid.
Vanuit die zekerheid vermoed ik elke andere, dat maakt dergelijke
woorden vrijwel overbodig. Als introvert zou het niemand wat kunnen
schelen. Zowel gelauwerd als bespuwd omwille van het extraverte
delen, zeg ik u: niemand is verplicht een ander te aanhoren of te
lezen. Dat lijkt mij een universeel geldend waarheidje, waaruit wij
heel wat kunnen groeien als individu én als samenleving. Wie ook
welke subjectieve waarheid deelt, of wat hij ook bereiken wil of
tracht te verkopen: een mens heeft zelf in handen aan welke uitingen
of propaganda hij zich blootstelt of zelfs overgeeft.
Woorden zijn maar woorden. Ik weet er
soms spontaan mee te toveren, nochtans heb ik ze zelden zeer
zorgvuldig uitgekozen. Hij die mij beschuldigde van doelgerichte
manipulatie in louter eigenbelang waar ik ons belang altijd
vooropstelde in samenspraak en indien toch een keuze diende gemaakt,
altijd het zijne belangrijker vond... Hij werd er sindsdien zélf van
verdacht. Het idee was anders niet eens in mij opgekomen. De
dodelijke kogel was door onze eerder zo verenigde geesten geschoten.
Sindsdien heb ik gewacht op openheid van zijn kant om opnieuw mijn
warmste, zachtste, vertrouwende kant te kunnen tonen. Als god zou
bestaan, kon hij alleen weten hoe ik probeerde desondanks. Ik heb
woorden gezegd, gehuild, gelachen, geschreeuwd, gefluisterd en
geschreven, ik zweeg ook zolang ik kon wanneer dat volgens hem beter
was. Ik heb allerlei mogelijkheden aangereikt in een poging samen de
wond te genezen... Hij heeft me amper gehoord of gelezen. Laat staan
dat hij de moeite nam er antwoord op te geven. Geen enkele
mogelijkheid heeft hij aangegrepen. Onder de stilte, heeft hij ons
bestaan alleen genegeerd en zich op andere dingen - ook de band met
andere vriendinnen - geconcentreerd. Mijn allesoverheersende geloof
in zijn liefde voor mij, werd bekogeld met de gruwelijkste testen en
vlammen vol wantrouwen, het raakte dodelijk gewond. Toen het me
duidelijk werd dat hij zich echter wel alle moeite in de wereld
getroostte om ons beiden te overtuigen dat het hem niets kon
schelen... Toen het me pijnlijk voor ogen kwam te staan dat het
werkelijk onwil was, geen onkunde... Staakte ik de maandenlange
poging tot reanimatie. Ik ben vrij in hart, zoals ik altijd al was,
slechts geketend door mijn eigen keuzen. Ik geloofde al die tijd
werkelijk dat hij slechts angstig was. Het bracht me tot de
waanzin van mijn eigen angsten en ik keek ze moedig in de ogen.
Liefde zou ik nooit verloochenen. Ik ben vernederd en belachelijk
gemaakt. Ik werd langdurig en meermaals genegeerd tot ik de eer had
nogmaals onderuit te worden gehaald. Ik liet alles gebeuren, als een
vrome non in het oog van de dood tijdens een marteling van vijandige
ongelovigen: biddend tot haar god, louter vertrouwend in haar eenzame
overtuiging terwijl ze krijste van de pijn. Ik ga mij niet schamen
omwille van mijn idealen, al begrijp ik best dat Don Quichote
lachwekkend is. Ik hield uit beleefdheid mijn emoties zo goed ik kon
in de hand, maar natuurlijk lukte dat niet zo denderend. Bijna raakte
ik mezelf kwijt, bovenop de enkeling in mijn vriendenkring die
afscheid van me nam erdoor. De kogel is door mijn kerk: mijn geloof
in zijn liefde onder onvermogen het te tonen, is werkelijk dood. Mijn
keuze was een belachelijke onmogelijkheid, mijn god een ijle
luchtspiegeling van zijn diepe, eenzame verlangen. Zijn liefde was
nooit: er was slechts dat. Ik draai mij om. Ik wandel weg, met
geheven hoofd en zelfs vol onvoorwaardelijke liefde, onder alle
boosheid er momenteel nog in vervat. Waarom hij ook zijn tijd
verdeed, wat zijn reden ook was om mijn keuze zo lang mogelijk tot
bestaan te dwingen in onzekerheid, angst en twijfel: ik hoop dat hij er werkelijk wat aan had, zoals
het ook voor mij - hoewel pijnlijk confronterend - zinvol was.
Ik herinner me zijn lieve knuffel aan
de afwasbak, zijn zucht, zijn warme stem en woorden in mijn oor:
"Ik hoop echt dat ik bijdraai
voor het te laat is,"
Ik zoende geduldig de muizenissen in
zijn lichtjes kalende hoofd, waarop hij me abrupt losliet, zijn zin
koud vervolgde:
"maar bij u is het toch nooit te
laat!"
en iets te eten nam.
De repetitie begint. Ik moet gaan.
Mijn liefde voor hem zal altijd in mijn liedjes staan. Ik hoop dat
hij bijdraait voor het te laat is: een andere dame is misschien nog
wel sterk genoeg om onder zijn bombardementen overeind te blijven, met een cd-speler valt niets te delen.
27-01-2010 om 00:00
geschreven door Resi Di Rogue 
|