Jona staart
voor zich uit. Het ergert me. Na alles wat gebeurde, durf ik mijn
vermoedens over wat er onder die lange wimpers van hem schuilgaat,
niet meer te vertrouwen. Ik vraag bevestiging. Of ontkenning. Zolang
het maar waarheid is. Waarop de dichterlijke dromer, acuut en
dringend, begint te dromen - want hij kent de waarheid niet. De hel
die mijn Orpheus niet kan betreden: niets dan waarheden! Doch slechts
één zekerheid: niets is een vaststaand, zeker feit. Ik dring aan.
Luidop. Ik som, met duizelingwekkend snelle, slimme woorden, alle
mogelijkheden op. Dat zijn er heel wat. De mensen rondom luisteren
geboeid, of geërgerd, naar de klanken. Sommigen kijken reikhalzend
uit naar het spektakel dat zo'n woordenstroom lijkt te zullen
beloven. Ik stel ze graag teleur. Jona vlucht alleen maar verder weg.
Ik laat mijn tranen stromen in het bushokje. Een dame naast mij kijkt
verongelijkt.
Ach, beste
dame, ik mag dat - ik ben gek. Een stap die u maar één keer in uw
leven kan wagen. U kan nooit meer terug maar daarna hoeft u zich
nergens meer om te schamen. Dan kan u mij, met veel meer dan een
blik, openbaren dat u mij een kreng vindt omdat ik openlijk durf te
huilen om liefde, terwijl u in stilte zoveel verdriet verdraagt omdat
u haar niet kent. Ik zal u net zo onbeschaamd antwoorden dat eigen
pijn, voor elk van ons unieke individuen onder dit overkoepelende dak
van De Lijn, de ergste is. En dat u en alle anderen gerust een potje
mee mogen grienen, er is geen wet die dat verbiedt. Ik stop echter
bij één uitgewisselde vreemde blik en sluit me bij Jona aan wat het
negeren van de omgeving betreft. Behalve dan dat mijn werkelijkheid
krampachtig de zijne wil penetreren. Tenslotte penetreert hij mij en
ik vind - misschien ten onrechte, want ik ben gek - dat ik daarom
recht op inzage heb. Feedback. O mijn lieve comateuze intellect,
feedback? Jona droomt verder en negeert mij volstrekt.
Ik hak en tak
de bus op. We belanden recht tegenover elkaar - andere mensen anoniem
achter mijn rug. Ze kunnen dan ook mijn rug op. Jona echter, zit waar
ik nu niet zou willen zitten. De stakker. In zijn geval wordt hij
gelukkig stilzwijgend door het reizende collectief geprezen om zijn
ijzige geduld. Want ik, gekkin, ratel maar door. Het ene woord na het
andere. Soms rijmend en allitererend, zonder schroom. Als hij zich
mag beschermen met een stoïcijnse, pijnlijke stilte - mag ik het met
een even pijnlijke woordenvloed. Al wil ik hem zeker geen pijn doen.
Het lukt anders simpelweg niet. We hebben wel meer van die
contrasterende raakvlakken, hij en ik. Wij zijn havermout en melk:
zonder elkaar lijkt zo'n ontbijt nergens naar. Giet ze samen en je
kan er een leven lang je dagen op bouwen. Maar angst brengt brokken
in de pap. Het hele goedje begint dan apocalyptisch over te koken.
Cerberus, mijn botten! Ik heb vandaag lak aan hoogdravende mythen:
zolang het vuur der liefde brandt, hoeven we alleen maar te roeren.
Het is simpel als pap. Hier, in dit angstaanjagend diepe oogcontact
boven de stilte der zwijgen en de stilte der spreken, ligt de eerste
stap.
We stappen af
terwijl zijn telefoon rinkelt. Hij neemt op en voert een gesprek met
zijn broer. Ik zwijg en luister naar zijn woorden. Mijn verdriet
wordt in één klap van zijn troon gedreven door een woedend geluk.
'Wat? Hoezo, we zijn er nog over aan het discussiëren? Je besluit
stond toch vast, kan je dat je broer niet vertellen? Je bent nog
gekker dan ik, jij!' De woede
valt prompt van mijn geluk af terwijl mijn oog gretig het beeld
opzuigt van een Jona die quasi verlegen lacht. Klein, klein,
kleutertje voelt zich net zo koppig als betoeterd en betrapt. Ik wil
boos zijn. Mijn lichaam staat het niet toe. De radjes in mijn
hersenen pompen razendsnel een cocktail van serotonine, endorfine en
oxytocine door mijn lijf. Mijn lippen trillen heel even maar mijn
ader injecteert het spul, vrijwel onmiddellijk, diep in mijn hart. Er
blijft geen boosheid overeind: ik voel niets dan liefde voor het
gevoelige, bange jochie dat verstopt zit in dat goddelijke uiterlijk.
Zelfs met zo'n betrapt snoetje, is hij het beeld van een Griekse God
waardig. Hij gooit zijn arm om me heen en het valt me plots zwaar om
na te denken: 'Neuk me, lief. Neuk me hard. Neuk me zacht.
Neuk me vooral lang en tot het ochtendgloren.' Ik
weet niet langer wat er loos was nu zijn masker is gevallen. Ik
schiet zelf in de lach.
'Je bent
echt een eikel, weet je dat?' 'Ja, ik hou van je.'
Weet je nog hoe
we al je angsten overwonnen in en om de grote stad? De bus, de trein,
de tram. De vreemde massale parade in de winkelstraten. De
dronkenmannen in de Ierse pubs met hun gitaren. Hoe je piepend om
mijn benen kronkelde, je kleine staartje opgetrokken tussen je toen
nog veel te grote pootjes. Tot je trots naast me liep want je had al
snel geleerd hoe dat vreemde allegaartje onnatuurlijke gewoonten
veilig genoeg was. De kindjes op het speelterrein. Weet je nog het
water? De regen, de sneeuw, de douche, de meren, zelfs de grote zee?
Hoe je heen en weer panikeerde op de kustlijn en ik je alleen maar
bij me hoefde te roepen. Je werd nooit een echte waterrat maar als
het nodig was, zwom je met me mee. Weet je nog de parken en de
boerderijen? De kippen, de katten, de koeien, de paarden? En de
eerste keer dat ik je alleen liet, mooi op wacht... Je dacht dat ik
nooit meer terug zou komen. Je was de bangste pup die ik in mijn
leven heb ontmoet en je vertrouwde alleen mij - maar je leerde snel.
Na twee jaar, hoefde ik alleen maar je kussen ergens neer te gooien
en je wist dat daar was waar ik je altijd weer zou vinden en dat ik
nooit echt lang weg zou zijn.
Herinner je de
wandelingen die we maakten, Nushi. Droom van de kronkelpaadjes en de
wankele bruggetjes over het water. De lange tochten naast me, je
eigen rugzak op je rug. Hoe we zochten naar een plekje voor de tent.
Hoe je wachtte tot ik in mijn slaapzak lag en dan - zo tevreden dat
we leefden - met een sprongetje op jouw plekje slapen kwam. Hoe je
bij de rugzak waakte terwijl ik een ochtendbad in één of ander
riviertje nam. Je liep soms de hele tocht voor me uit achter je stok
aan. Die je telkens vrolijk terugbracht. Ik kon mijn kilometers vaak
niet meer tellen, jij deed er drie keer zoveel.
De woordjes die
ik je leerde en hoe je daarop meteen wist wat je taak was, vrolijk
omdat ik het omwille van jou was. Je rolde op commando door het gras.
Je gooide zelf je touw weg nadat ik het op je snoet had gelegd en pas
als ik het signaal gaf. Je liep in een drafje naast de fiets. Er
waren weleens mensen die ons toeriepen dat ik een dierenbeul was - ze
namen de moeite niet om te zien hoe gelukkig het jou maakte.
Als ik boos of
bang was, kroop je weg. Je dacht te voelen dat het aan jou lag, maar
ik was het nooit zonder ander in de buurt. Tenzij die ene keer, toen
je mijn gloednieuwe schoenen kapot gebeten had. Alles wat niet naar
mijn lichaam geurde en op de grond lag, was speelgoed voor jou en die
nieuwe dingen had ik nog niet aangehad: het was mijn schuld. Soms was
ik echt te hard. Je vergaf me al mijn foutjes. Als je me wilde
verdedigen, mocht je dat niet, omdat ik wist dat mijn angst ongegrond
was en ik wilde niet dat je aanvallen zou. Je leerde wegkruipen,
waardoor je niet aanviel toen het die ene keer wel nodig was. Ik ben
er blij om, want de wetten in dit land zouden je met een spuitje naar
vroegtijdige dood hebben beloond. Volgens hun lijsten ben jij een
gevaarlijke hond en kortzichtig als ze zijn: eens die hebben
gebeten...
Je beet mij
nochtans een keer. En ik beet terug. Je aanvaardde simpelweg dat ik
nog steeds de leiding had. Als ik triest was, kroop je dicht tegen me
aan en likte je een traan. Eentje, want daarna kreeg je ruzie omdat
je niet in m'n gezicht likken mocht. Nu laat ik je. Lik ze maar
allemaal. Neem ze met je mee. Sommigen die ons kenden in je jongere
jaren, zeiden dat ik dood zou gaan als jij het deed. Ik heb ze lang
geloofd. Ik heb het hen ooit zelfs beloofd. Ik meende het toen, maar
je bleef leven en nu is alles anders - ik leerde zoveel bij en ik
kwam Jona tegen. Sommigen, ze kwamen tot ze afscheid namen. Wij
zwierven, wij verhuisden, maar altijd bleven we samen. Neem alles met
je mee, Nush. Red me nog een laatste maal, ik zal je niet
teleurstellen.
Al die jaren
stond je sterk aan mijn zijde en nu lig je hier zo klein en kwetsbaar
naast me, je oortjes futloos tegen je hoofd. Je krijgt alle koekjes
waar je me nooit om bedelde: je gewrichten trekken zich je gewicht
toch niet meer aan. Je vermagert zelfs alleen maar. Ik moet nog
afwassen. En kuisen. Eten, ook. Maar ik heb er geen zin in. Ik schuif
de zetels tegen elkaar om je ruimte te geven en toch bij je te
liggen. Je ligt zo moeilijk. Het duurt geen ademtocht voor je recht
komt. Je hoofd loodzwaar en bevend, duw je jezelf omhoog. Je kruipt
falend over mijn lichaam om tegen me aan te liggen waar elf jaar lang
jouw plekje was: het hoekje dat door mijn opgetrokken benen wordt
gevormd. Je valt neer op mijn heup. Ik help je erover. Je krult
jezelf moeizaam op, legt je zuchtend neer, mijn billen onder je
machtig mooi gemaskerde kop.
Straks zal ik
hem nooit nog zien of aaien. Dus ik lig, en kijk ernaar. Ik aai je
vacht, pluk de losse haren en kijk hoe je ligt te dromen, je hartslag
trillend in je koude oren. Je pootjes drukken in kleine schokjes
tegen me aan. Het spijt me dat ik je halve leven niet het geweldige
baasje van eerder voor je was. Het spijt me hoe ik een man - en het
verlies ervan - zoveel voor me liet betekenen dat ikzelf en dus ook
jij, er jarenlang de dupe van was. We liggen samen in één zetel. De
andere naast ons. Leeg waar Jona nu had kunnen liggen lezen maar hij
ligt er niet. Ach, wij leerden afscheid nemen in dit leven. We deden
het nooit eerder van elkaar. We liggen samen, jij en ik. En straks
lig ik alleen. Alleen in dit veel te grote krot dat ik alleen maar
kocht om jou niet te verliezen want ik beloofde voor je te zorgen. Ik
deed het, Nush, the best i could: ik zorgde voor je.
Mijn gezicht klaart op. Niks 'té
versleten'! Gewoon recentelijk teveel verdriet van mij onder haar vel
gekregen. Een onbenullige foute bacterie is ervan gaan profiteren om
zich doelgericht te profileren. Niks ernstigs aan de hand.
Antibioticaatje en we zijn weer hossend in de bossen samen achter het
levenslicht aan. Toch? De dierenarts neemt een stethoscoop en zet hem
tegen Nush's borstkas. Ik houd mijn bange vertrouwelingetje tegen me:
één hand om haar buik, de ander aait onder haar hals door over de
zijkant van haar kop en kneedt haar oortje. De dierenarts fronst.
- Dat hart is niets meer waard.
Ik weet plots heel goed hoe dat
voelt. Het mijne klopt zelfs niet langer. De dame vervolgt haar
onderzoek. Ik sta dwaas voor me uit te staren. Haar stem klinkt vaag
door de kamer, ergens op de achtergrond.
- Verdikking... waarschijnlijk
tumoraal... bloed trekken... antibiotica... koortsremmers... nog wat
rekken... oké?
Ik voel alleen nog dat lieve, warme
hoofd: vol vertrouwen, in mijn handen.
- Oké.
Dat nieuwtje, tezamen met antibiotica
en koortsremmers om de laatste dagen tot maand nog wat aangenaam te
maken: zevenenzeventig euro. De kosten van het labo en de uitslag
volgen nog. Ik weet bijna zeker dat die laatste geen hoop zal
brengen. Ik ken mijn hond, ze is afscheid aan het nemen. Ik voel me
schuldig als ik naar het toilet ga. Dan sloft ze met grootse
moeite achter me aan om gedurende de tijdspanne van mijn urinestraal
op de mat naast me te liggen en weer op te staan. Niks nog wandelen.
Niks nog touwtje-trek. Niks nog balletje gooien. Plasje en weer
slapen, elk moment kan ze doodvallen. We doen het tóch. Rustigaan en
slechts een enkel keertje, maar we doen het toch. Rekken heeft alleen
zin als we mogen spelen. Soms lijkt er amper iets aan de hand. Dan
weer zakt ze door haar poten en kan ze niet meer opstaan. Oude dag
naast mij in de zetel, we huilen samen zwarte tranen. Ze heeft één
gebroken hart teveel van mij geheeld, dit leven. Acht jaar geleden
kon ik ze nog redden. Deze keer is haar eigen hart te versleten om
het te absorberen. Deze keer gaat ze dood.
In februari zou ze elf worden. Twee
keer is ze ziek geweest. Elf jaar en slechts de laatste maand last
van kwaaltjes gekregen. Een paar maanden geleden nog, terwijl we
samen stonden te spelen, merkte een passant op:
- Dat is nog een jong beestje, denk
ik he?
Ja hoor. Mijn
eeuwige, lieve, bange, speelse puppy: dat is zij. Het viel de
dierenarts eerder al op dat haar hartje veel ouder was dan de rest
liet uitschijnen. Haar hartkleppen sloten niet meer zoals het hoorde,
wat niet zou genezen maar ze kon er evengoed nog jaren mee leven.
Evengoed... Mij leek het anders veel beter.
Wat de reactie eergisteren betreft -
al is het niet mijn gewoonte op reacties te reageren - even terzijde:
Vriend, ik
gooi mijn verdriet eruit. Dat is mijn goed recht en in tegenstelling
tot een mij onbekend individu dat u weleens ontmoet wanneer u in de
spiegel kijkt, gooi ik het niet in een poging andere mensen pijn te
doen. Soms komen hier lezers die, elk om eigen reden, werkelijk om
mij geven. Straks maakt u die mensen nodeloos ongerust. Het gaat
duidelijk niet goed in mijn leven en niet iedereen is zich bewust van
het feit dat uw oppervlakte mij niet kan deren. Werkelijk, bespaar
uzelf de moeite, maar wel aardig: zelfs u vindt mij het lezen
waardig.
Logica ontneemt
mij het recht nog langer te voelen voorbij de zintuiglijke waarneming
van het moment. Logica zegt me dat ik moet leren tijd doorstaan
zonder actie. Als er niets is wat ik kan doen, als het beter is dat
ik niets doe: hoor ik niets te doen. Zonder schuldgevoel. Simpel. Tik
tik tik. Ik ben getikt oud aan het worden. Dertig jaar lang al,
zowaar. Het ideale moment om alle ballast die niet van wezenlijk
belang is, overboord te gooien. Het schip is al half gezonken.
Waaraan klamp ik me vast? Wat is overbodig?
Alles is
overbodig. De spullen sowieso, hoewel het leven flink vervelend wordt
zonder ze. Aan de andere kant: hoe minder spullen ik heb, hoe minder
ik eraan ben gebonden. Geplukte kippen verliezen geen veren meer.
Hoop schept verwachting. Verwachting stelt teleur. Mensen zijn niet
te vertrouwen. (Ik beweer niet dat mensen onbetrouwbaar zijn - ze
zijn onmogelijk te vertrouwen: er is een torenhoog verschil) Honden
gaan dood. Ik doe wat ik doe wanneer ik het doe en ik doe het alleen.
Genoeg! Wat wíl ik doen? Onschuld opzoeken. Loslaten. Stil en veilig
zijn. Liefhebben. Goddelijk zijn, zonder vragen wie of wat God is.
Drijven op het levenswater.
Ik word moe van
zwemmen. Bovenop ben ik maar twee uur toegelaten in het zwembad,
inclusief douche en omkleden. Ondanks de klok voelt het heerlijk,
zo'n tijdje zwemmen. Juister om te zeggen: af en toe voelt het een
minuutje heerlijk aan. Het vergt namelijk heel wat concentratie om de
juiste beweging te vinden. Het maakt niet uit of ik snel of traag
door dat water glijd. Belangrijker is het glijden. Wanneer dat goed
zit, is er een eeuwigdurend geluk van één zijn met het water. Het
heeft iets spiritueels. Iets sensueels, zelfs. Tot de kant,
natuurlijk, want dan moet er gekeerd worden.
Heen en weer.
Jona slingert me heen en weer tussen liefde en angst. Bestaat liefde
in angst? Staat liefde misschien gelijk aan angst voor een volwassen
kind dat altijd bang van mama was? Hij gelooft dat hij mij meer kwaad
doet door bij me te zijn dan door me te verlaten. Ik geloof er niets
van. Dan ben ik niet langer bang, tot zover de feiten. Ik overwon
heel wat angsten door ze recht in de ogen te kijken. Hij sluit die
ogen, in het beste geval, maar ik wil helemaal geen lafaard zijn. Er
is niets wat ik kan doen. Het is beter dat ik niets doe. Niets is
eenzamer dan liefde voorbij het universele.
Er liggen
eenzame, pijnlijke tijden in het verschiet. Ouderdom begint op mijn
viervoetertje te wegen. Ouderdom weegt nog steeds op mijn oudste maar
liefste familielid. Nog drie jaar en ze heeft een hele eeuw gehaald.
Altijd zorgend voor de kinderen waarvan geen enkele haar eigen
baarmoeder deelde. Nog dit jaar zal ik mijn meubelen opstapelen in
andermans garages en koten, om vervolgens enkele maanden her en der
bij vrienden en kameraden te wonen. Tegelijkertijd, zal ik een paar
nuttige opleidingen volgen. Zingen in het bandje of in ieder geval
toch teksten voor hen schrijven. Wekelijkse therapie bovenop. Daarna
volgen mooiere tijden. Mijn huisje afwerken. Na de hele beproeving
zou het mogelijk moeten zijn op eigen kracht. Werkelijk alles wat ik
niet zelf kan, zou gedaan zijn tegen dan. Misschien weet ik mezelf
dan veilig en tevreden. Misschien stop ik dan wel met roken.
Misschien lukt het me dan eindelijk mijn leven in te richten. Wie
weet, wie weet. Alles is mogelijk. Want ik eet terug. En ik zwem. Ik
geloof. En ik ben.
De onzin in mijn hoofd zingegeven in een zin - of meerdere - een onafgemaakt lied bestaat omdat het zinderend blijft zingen waar ik het liggen laat
zonder publiek
Een kleurrijk beeld herleid tot zwart-wit asse geworpen op mijn naakte blad om telkens weer wat anders te tonen van de chaos die altijd al in mezelf zat