|
Attitudeonderzoek bij Nederlands- en Franstaligen in de Vlaamse Rand rond Brussel
|
|
|
Samenvatting VUB-masterproef Taal- en Letterkunde
|
Een derde van de Nederlandstalige inwoners in de Rand ergert zich aan het gebruik van andere talen op openbare plaatsen. Niettemin is een niet onaanzienlijk deel van hen bereid om over te schakelen naar de taal van de gesprekspartner indien de situatie dit vereist. Franstalige inwoners van de Rand staan in het algemeen meer open voor andere talen. Dit blijkt uit het onderzoek dat VUB-studente Dorien De Mars uitvoerde in het kader van haar eindscriptie tot master in de Taal- en Letterkunde. In het onderzoek werd de taalgevoeligheid van de bevolking in de Rand getoetst aan de hand van een schriftelijke bevraging bij verschillende verenigingen in Meise en Wemmel. Hierbij werd uitgegaan van de leeftijd en de taalachtergrond van de respondenten als belangrijke determinanten van identiteit, intenties en houdingen ten aanzien van taal en taalgebruik in de Rand.
Situering en onderzoeksopzet
Het attitudeonderzoek in de Vlaamse Rand is het resultaat van een samenwerkingsverband tussen de VUB, de Wetenschapswinkel Brussel en vzw ‘de Rand’. In navolging van het initiatief van het Documentatiecentrumom een lijst samen te stellen met mogelijke onderwerpen voor papers en eindscripties werden een aantal specifieke onderzoeksvragen verder ontwikkeld en aangepast in functie van de individuele noden van aspirant-onderzoekers.
Het centrale concept waarrond de scriptie is uitgebouwd is taalgevoeligheid. Naar de context van de Vlaamse Rand kan dit begrip vertaald worden als de mate waarin men gevoelig is voor het feit dat in een Vlaamse gemeente niet door iedereen Nederlands wordt gesproken. De invalshoek van het onderzoek hierbij is vooral van praktische aard. Er wordt toegespitst op het concrete gebruik van taal op openbare plaatsen en in verenigingen. Het voordeel van deze benadering is dat heikele bestuurskwesties en politieke valkuilen vakkundig gemeden worden.
Attitudes ten opzichte van groepsidentiteiten
Vooraleer de taalintenties en –attitudes worden bevraagd, wordt nagegaan met welke groep, categorie of gemeenschap de respondenten zich het meest vereenzelvigen. Op deze manier wordt de link gelegd tussen taalgroepen en groepsidentiteiten. Drie taalgroepen worden onderscheiden: Nederlandstaligen, Franstaligen en tweetaligen Nederlands-Frans.
De Nederlandstalige inwoners van de Rand zien zichzelf in de eerste plaats als Vlaming, inwoner van hun gemeente en als Belg. Ze voelen zich het minst aangesproken door de labels ‘Franstalige’, ‘wereld(burger)’ en ‘Brusselaar’. Franstalige randbewoners voelen zichzelf vooral Belg en Brusselaar. In tweede instantie identificeren ze zichzelf ook als Franstalige. Met de wereld, de Vlamingen en de Nederlandstaligen voelen ze zich het minst verwant. De tweetaligen die in de Rand wonen, identificeren zich voornamelijk als ‘Belg’. Hun band met de woongemeente is daarentegen niet eenduidig. Voor deze antwoordcategorie worden vrij hoge scores voor zowel positieve als negatieve identificaties genoteerd.
Taalgedragintenties
Ruwweg kunnen, vanuit theoretisch oogpunt, twee strategische vormen van gedrag met betrekking tot taal onderscheiden worden. Een eerste taalstrategie is gericht op aanpassing. Tijdens een conversatie kunnen de gesprekspartners immers bewust of onbewust hun taalgedrag aanpassen aan elkaar. Dit taalgedrag wordt convergent genoemd. Naast taalconvergentie bestaat ook zoiets als taaldivergentie, waarbij de gesprekspartners hun gedrag zo sturen dat ze zich door middel van taal van elkaar (willen) distantiëren. In dit geval gaat het dus om een strategie waarmee bestaande taalverschillen worden benadrukt.
Op basis van bovenstaande bipolaire indelingbrengtdeonderzoekerde taalgedragintenties van de bevolking in de Rand in kaart. De respondenten krijgen drie concrete situaties voorgelegd waarin de conversatiepartner hen in een andere taal antwoordt dan die waarin zij hem of haar hebben aangesproken. In twee situaties is de respondent klant, namelijkop de markt enin de supermarkt/buurtwinkel. In de derde situatie wordtgepeild naarde taalstrategie van derespondent als lid binnen een vereniging. Er zijn vijf mogelijke antwoordcategorieën. De twee ‘extreme’ antwoordmogelijkheden zijn "u schakelt over op de andere taal” (convergentie) aan de ene kant en "u gaat weg” (divergentie) aan het andere eind van het spectrum. Tussen deze uitersten bevinden zich de meer ‘gematigde’ opties "u combineert uw moedertaal met woorden uit de taal waarin de andere persoon zijn/haar antwoord formuleerde, zodat hij/zij u kan begrijpen”, "u schakelt met tegenzin over op de andere taal” en "u gaat verder met de taal die u oorspronkelijk sprak”.
De resultaten van de bevraging tonen aan dat Nederlandstalige randbewoners minder geneigd zijn om over te schakelen naar de taal van de gesprekspartner. Toch ziet nog ongeveer 1 op 3 Nederlandstaligen zich bereid om dit te doen. Bij de Franstaligen en de traditioneel tweetaligen gaat het om meer dan de helft van de respondenten.
Het percentage Nederlandstalige respondenten dat consequent de eigen taal blijft spreken, schommelt eveneens rond een derde. Het taalgedrag van Franstaligen varieert naargelang de locatie. In de supermarkt of buurtwinkel blijft 15% Frans spreken. Op de markt zakt het aandeel terug tot een goede 6%. Ook het aandeel Nederlandstaligen dat resoluut weggaat, verschilt naargelang de context. Op de markt gaat meer dan 8% van de bevraagden zijn geluk elders zoeken als ze geconfronteerd worden met anderstaligheid. Gelijkaardige situaties in de winkel leiden slechts in 4% van de gevallen tot het vertrek van de klant. De vastgestelde verschillen tussen de markt en de supermarkt/buurtwinkel kunnen wellicht verklaard worden door de verschillen in leeftijdssamenstelling opbeide locaties. Markten trekken immersvoornamelijk een ouder publiek aan.
De sociale contacten binnen een vereniging zijn van een andere aard dan die tussen klanten en verkopers. De status van de leden is over het algemeen evenwaardig. Dit resulteert in een hoger percentage respondenten dat overschakelt naar de taal van de gesprekspartner: 40% van de Nederlandstaligen en 70% van de Franstaligen. Er wordt ook vaker geopteerd om een combinatie van Frans en Nederlands te gebruiken tegenover Franstalige clubleden dan op de markt of in de winkel. Taalconvergentie komt met andere woorden vaker voor naarmate de status van de gesprekspartners meer gelijklopend is.
Attitudes ten opzichte van taalgebruik in de Vlaamse Rand
In het derde en laatste luik van het onderzoekbestudeertDorienDeMarsde houdingen ten aanzien van het taalgebruik in de randgemeenten. Vier thema’s die tot het publieke domein behoren, komen aan bod: taal op openbare plaatsen, taal in het onderwijs, anderstalige reclame en taal in het openbaar vervoer. Voor elk domein wordt nagegaan in welke mate de respondenten gevoelig zijn voor het feit dat er andere talen dan de eigen taal worden gesproken.
Nederlandstaligen staan in het algemeen weinig open voor het gebruik van andere talen op openbare plaatsen zoals handels- & horecazaken, de markt en sportverenigingen. Meer dan 60% van de Nederlandstalige randbewoners vindt dat de communicatie tussen handelaar en klant in het Nederlands zou moeten gebeuren. Op restaurant en op café verwacht meer dan drie vierde van de Nederlandstalige respondenten dat hij of zij in het Nederlands wordt bediend. Bijna 1 op 4 verlangt dat het horecapersoneel tegenover alle klanten Nederlands spreekt, ook tegenover anderstaligen. Vooral oudere Nederlandstalige bewoners van de randgemeenten hebben een voorkeur voor exclusieve eentaligheid op openbare plaatsen. Franstalige randbewoners storen zich in mindere mate aan het taalgebruik van anderen. Verder valt ook op dat vooral van sportverenigingen verwacht wordt dat ze exclusief Nederlandstalig zijn, meer dan op de markt of in handelszaken.
De opvattingen over de rol van taal in het onderwijs worden getoetst aan de hand van de concrete houding van de respondenten ten aanzien van meertalig onderwijs. Deze vorm van onderwijs houdt in dat een deel van het schoolcurriculum in het Frans wordt onderwezen. Afhankelijk van de leeftijd lopen de meningen van de Nederlandstaligen in de Rand uiteen. De jongeren zijn eerder tegenstander van meertalig onderwijs, terwijl de zestigplussers positief staan tegenover de onderwijsmethode,zowordtvastgesteld.De Franstalige randbewoners van hun kant blijkenvrijwel unaniem voorstander van meertalig onderwijs. Ook de traditioneel tweetaligen dragen deze onderwijsvorm een warm hart toe. Een opmerkelijke vaststelling is dat een op twee Nederlandstaligen positief staat tegenover een algemeen verbod op het gebruik van Frans op de speelplaats. Dit geldt in bijzondere matevoor jongeren en 36- tot 60-jarigen.
Voor het thema openbaar vervoer werd aan de respondenten gevraagd of zij zich storen aan tweetalige mededelingen en opschriften op bussen. De meerderheid heeft hiermee geen probleem. Wel geeft een deel van de ondervraagden aan dat de plaatsnamen zouden moeten opgegeven worden in de taal van het taalgebied waartoe ze behoren. De tolerantie van de Nederlandstalige randbewoners neemt af naarmate de leeftijd stijgt.
Tot slot blijkt anderstalige reclame in de brievenbus door weinig Nederlandstalige randbewoners te worden geapprecieerd. Meer dan de helft van de respondenten verklaart zich effectief te storen aan dit fenomeen. Vooral bij de oudere leeftijdsgroepen ligt dit gevoelig.
Algemeen besluit
Uit het attitudeonderzoek blijkt dat de Nederlandstalige bevolking van de Rand rond Brussel een niet onaanzienlijke mate van taalgevoeligheid aan de dag brengt. Een deel onder hen is ervan overtuigd dat het openbare leven bij voorkeur een eentalig Vlaams karakter zou moeten hebben. Niettemin schakelen veel Nederlandstaligen gewoon over op het Frans als de situatie dit vereist. Franstalige randbewoners zijn in het algemeen toleranter ten aanzien van andere talen dan hun moedertaal. Op zich is dit natuurlijk geen merkwaardige vaststelling, aangezien de officiële taal van het grondgebied verschilt van hun moedertaal.
Download het onderzoekDorien De Mars, Attitudeonderzoek bij Nederlands- en Franstaligen in de Vlaamse Rand rond Brussel, Vrije Universiteit Brussel, 2009, 177 p., (Word, 3 MB)
29-12-2009 om 18:36
geschreven door Fons Piessens 
|