Uitnodiging poëzieproject 'Met vlerkdunne armen beroer ik de taal van het landschap'
UITNODIGING
Op zaterdag 28 januari 2012, aanvang 18.30 u wordt u hartelijk verwacht in Kunsten- en Literaire taverne DE KLEINE NOTELAAR, Vlassenbroek 222 te Vlassenbroek/Baasrode voor de bekendmaking van de 10 BESTE GEDICHTEN rond het nationale kunstenproject
“MET VLERKDUNNE ARMEN BEROER IK DE TAAL VAN HET LANDSCHAP”
Die avond stelt auteur Patricia De Landtsheer haar nieuwste roman voor: De Engel & Geheimen Een samenwerking tussen haar en kunstschilder Geerlinde Verbrugge. De originele werken van de illustrator worden tentoongesteld.
Programma
Verwelkoming door Melissa Leboeuf, organisator
Voorstelling van het project zomer 2012 ‘Met vlerkdunne armen’
door Marc Leboeuf, voorzitter Symbiose
Bekendmaking en voorstelling van de 10 beste gedichten door Patricia De Landtsheer
Inleiding en voorstelling van de roman De Engel & Geheimen
Poëziepodium door de 10 dichters
De voorstelling wordt opgeluisterd met passende muzikale intermezzo’s.
Receptie aangeboden door De Kleine Notelaar, Symbiose vzw & auteur Patricia De Landtsheer
***
De roman ‘De Engel & Geheimen’ is verkrijgbaar bij de auteur of bij Unibook.com. ISBN 9781616275525
Gelieve tijdig uw komst en het aantal aanwezigen te verwittigen. Voor de intekenaars: gelieve duidelijk naam en adres te vermelden en aan te stippen of u het boek op de voorstelling afhaalt of het moet worden verzonden. Storting kan op rek.nr. IBAN BE69 0631 3870 4678
Een mooier boek dan kus me nog eens wakker van auteur Gerrit Molenaar en fotograaf Bert Verhoeff kreeg ik het laatste decennium niet meer in mijn bus. Een juweeltje om te koesteren, zowel naar verpakking als naar inhoud. Uitgeverij de Brouwerij Maassluis verdient de Prijs voor het Mooiste Boek: sterke grafische vormgeving, grote toegankelijkheid, grote communicatie over en weer tussen alle spelers: de makers, de schrijver, de fotograaf, de dementerende hoofdpersonages, de uitgever en de lezers. Innovatief voor wat design betreft, aanleunend tegen de sterke traditie van ‘het boek’.
Als uiterlijk vertoon geen rol meer speelt en je niet meer beheerst wordt door je gedachten, als het begrip tijd niet meer bestaat, wat gebeurt er dan met je? Wat blijft er precies van je over als je lichaam afbrokkelt en je brein helemaal in de war is? Dat is de probleemstelling in het boek. De auteurs hebben ervaren dat er meer werkelijkheden zijn dan alleen maar die van ons. Door dit boek bieden zij de lezer ruimte om tot contact te komen met demente mensen. Zij nodigen ons uit om samen met hen een intiem kijkje te nemen in het leven van negen mensen die te kampen hebben met dementie.
Rozen kunnen bloeien uit vuilnishopen. Maar er is ook veel pijn, er is verdriet, onbegrip, wanhoop, angst voor het onbekende. Het is tegelijkertijd verschrikkelijk en mooi. Voor de makers van dit boek (de auteurs en de uitgever) is het project een zoektocht naar de kern van het bestaan, naar de sleutel tot geluk. Wat doet dementie met ons?
Het thema ‘dementie’ komt vaak voor in kunst. Er zijn al zoveel boeken hierover geschreven dat ik dacht dat het boek van Uitgeverij de Brouwerij de andere niet meer zou kunnen overtreffen. Niets blijkt minder waar. De foto’s tonen de wereld zoals demente mensen die waarschijnlijk zullen zien. Details, herkenningpunten, terugkerende elementen en herinneringen aan vroeger. De gedichten verwoorden de verwarring, maar ook de verlangens. Uit foto’s en gedichten spreekt een ontroerende tederheid, zelfs een gezond tikje humor.
De auteurs tonen via gedichten, tekst en foto’s aan dat er zoveel rijkdom schuilt in mensen met dementie. De hoofdpersonen in het boek houden de lezer een spiegel voor. Zij leren hem/haar om op een meer gevoelsmatige manier naar de werkelijkheid te kijken. Demente mensen kunnen ons leren dat alles wat we om ons heen opbouwen instabiel is. De enige stabiele factor in ons leven is ons zelf.
Kus me nog eens wakker bevat in grote lijnen twee in elkaar lopende delen: gedichten en foto’s van resp. Gerrit Molenaar en Bert Verhoeff en een nawoord door de eerste. Zij verbleven dag en nacht in verpleeghuizen en trokken intensief op met dementerende mensen en hun families om te leren hoe zij in een andere werkelijkheid konden treden.
Fotograaf Bert Verhoeff (1949) begon als fotojournalist. Vanaf 1978 werkte hij als freelancer voor veel landelijke kranten en weekbladen, vooral voor ‘De Volkskrant’, waar hij vast medewerker was tot 2004. In 1994 kreeg hij van het Rijksmuseum de opdracht ‘100 jaar sociaal democratie in beeld’. De foto’s die hij hiervoor maakte tonen chaos en woede, ontroering en verdriet. De laatste jaren werkt Verhoeff in hoofdzaak aan langer lopende projecten zoals fotoboeken. In 2009 verscheen Kuiven en Kraplappen. In dit boek worden vrouwen in klederdracht in beeld gebracht. De vrouwen hechten zichtbaar aan hun tradities. Verhoeff laat zien dat het ‘eigentijds leven’ niet in de weg zit. In 2004 kwam Het Wonder van Waterland uit over de regio ten noorden van Amsterdam.
Verhoeff’s foto’s stralen rust uit. Hij fotografeert de andere kant van de samenleving. Dit doet hij met foto’s van dieren in landschappen, bewoners in hun habitat en de natuur in al haar glorie. Op bijna iedere foto is er een spanning tussen actie en reactie. Hij fotografeert de werkelijkheid zichtbaar, maar even vaak verborgen. Hij won verscheidene prijzen, waaronder de ‘Zilveren Camera’ in 1984 en hij werd ‘Fotojournalist van het Jaar’ in 1988.
FotograafBert Verhoeffen goede vriend Gerrit Molenaar (pseudoniem van econoom en journalist Gerrino Mulder)maakten een chaotisch boek over dementie. Daarin volgen zij negen mannen en vrouwen met dementie en proberen zij de ziekte van een iets vrolijker kant te bekijken.
Een wonderlijk boek en ik die dacht dat ik iets wist over dementie. Zoals je niet weet waar je vandaan komt, heb je ook geen idee waar je naar toe gaat. Als je een dementerende persoon ziet, denk dan niet dat je weet hoe het is om zo te zijn. Fotograaf en dichter trekken de grauwsluier van dementie open. Wat blijft er over als lichaam en geest langzaam aftakelen? Gerrit Molenaar en Bert Verhoeff probeerden het vast te leggen. Hun moeizame schrijfsels grepen hen naar de keel. Beiden zochten naar iets dat boven lichaam en geest uitstijgt, naar de kern van de mens, zijn essentie. Ontdaan van alle ballast komt vaak letterlijk de ware aard van een mens naar boven.
Molenaar schrijft pakkende gedichten, - heerlijke poëzie, - op basis van zijn relaties met de dementerende personen die hij, samen met zijn vriend, ongeveer twee jaar lang volgde. Zij verwerkten hun levensverhaal. De totstandkoming van het boek is een heel confronterende zoektocht geweest.
Het boek is vooral een ‘kijkboek’, met bijzonder mooie en indringende foto’s in kleur. Summiere teksten, opgetekende citaten en korte gedichten zijn de bijdrage van Gerrit Molenaar aan het werk. Aan het eind van het boek geeft Molenaar in veertien bladzijden de wordingsgeschiedenis ervan tegen zijn persoonlijke achtergrond.
Waarschijnlijk zullen de meeste mensen het boek eerst als een kijkboek ter hand nemen. Onderweg worden ze dan verrast door kleine tekstbladen als een soort bijlage, met een citaat of een gedicht. Wondermooie teksten en foto’s uit een onbekende realiteit, deels geschreven of gedicteerd door de demente hoofdpersonen in het boek zelf. De foto’s van Verhoeff zijn soms spiegels van de ziel van de negen hoofdpersonages: een kattebelletje met een hartje, een staande wandklok op volle bladzijde, een vertederd tafereeltje, een innige omhelzing, een zachte aanraking, een handdruk, André Rieu op TV, (herinneringen aan) de dieren op de boerderij, een verwelkte tuin, een blik op de wereld door het raam, de ondergestopte wijnkelder, enz.
Wat ik als lezer van het boek onthoud? Hoe ongelooflijk verschillend, gecompliceerd en genuanceerd mensen (en dus niet alleen dementerenden) in elkaar zitten. Dat is precies wat de auteurs van het boek hebben willen bereiken: tonen wat een rijkdom er schuilt in mensen met dementie. Als je het maar wilt zien en voelen. Daarvoor is tijd, ruimte en stilte nodig, elementen waar in de huidige samenleving nog maar weinig aandacht aan wordt besteed. Demente mensen kunnen niet anders. Ze hebben alle tijd van de wereld. Hun eerlijkheid is soms pijnlijk, soms ook grappig, met verrassend veel intens diepe gedachten.
Ik wil een apart stukje wijden aan de mooie gedichten in het boek (soms weet ik niet helemaal zeker wie het gedicht heeft geschreven: Molenaar of een demente persoon). Ik ga ervan uit dat ik het onderscheid kon maken. Mooie gedichten die het midden houden tussen werkelijkheid, andere werkelijkheid, verrassende pointe. Een andersoortig realisme en het surreële gaan hier hand in hand, in perfecte harmonie, met af en toe een (dementerende) knipoog naar de lezer of een dooreenhalen van zien en aanvoelen, van kijken en iets anders zien.
Ik heb haren op mijn hoofd
…
mijn lievelingseten is kroketjes
…
ik ben gevallen op m’n kamer
omdat ik honger had
nu heb ik een poepje gelaten
of:
de maan schiet een gat in mijn hoofd
…
een laatste, puntloze zin
waarop geen antwoord mogelijk is
omdat de vraag nooit is gesteld
of:
en zelfs als je de krant
van rechts naar links leest
staat er helemaal niets in
Gedichten die getuigen van een verbluffend inlevingsvermogen, met veel overtuiging geschreven. Met zintuiglijke en ogenschijnlijk heldere poëzie trekt Molenaar de lezer de wereld van de demente mens in, om samen erin te verdwalen. Hoewel het leven zich blozend openbaart, is er toch iets heel erg mis. De woorden zitten vol met kleine dingetjes die een sterke opmerkzaamheid verraden.
Bijzonder opvallend is de wisselwerking tussen de demente mens en de dichter in nood, in een emotionele puinhoop, hoe beiden zoeken naar ergens een nooduitgang. Het nawoord van Molenaar is een pareltje van intimiteit. De betekenis die hij geeft aan zijn ervaringen, belicht de fasen in zijn leven en de context waarin hij een en ander beleeft. Dat beïnvloedt de wijze waarop hij naar de demente wereld en naar zichzelf kijkt.
Ieder mens ervaart de wereld om zich heen op zijn eigen manier. Maar pas als iemand zijn ervaringen met een ander (hier de demente mens) deelt, krijgen ze betekenis. Het lijkt soms of de ‘ongelukkige’ dichter en zijn dementerende medemens kracht, uitdaging en perspectief vinden en hoe zij betrokken worden in elkaars werkelijkheid.
Kus me nog eens wakker | Bert Verhoeff, Gerrit Molenaar en Teun van der Heijden | Uitgeverij de Brouwerij | ISBN: 9789078905530 | Gebonden 256 pag. | € 29,50
Mogen wij even je aandacht voor een uniek project!
Als kunstentaverne zoekt De Kleine Notelaar (info op: www.dekleinenotelaar.be) altijd naar nieuwe uitdagingen. Voor de zomer van 2012 gaan we proberen een knalproject uit de grond te stampen!
Auteur Patricia De Landtsheer stuurt een zin: MET VLERKDUNNE ARMEN BEROER IK DE TAAL VAN HET LANDSCHAP de poëzieminnende wereld in. Deze zin sluit aan bij het thema van gedichtendag 2012: Stroom. (De zin heeft een dubbele bodem. Patricia verklaart zich hierover nader: Wat zegt ons de taal van het landschap?Spreekt het landschap een harde of een zachte taal? Hoe ervaren wij het landschap in de huidige maatschappij. Er wordt zoveel gesleuteld aan het landschap, kapotgemaakt, verwoest, maar misschien ook wel hersteld, herschapen, of met ‘vlerkdunne’ armen beroerd zodat het geen pijn lijdt, want het is zo broos dat het zo kan breken. Het landschap heeft niet alleen met natuur te maken, maar tevens met de stad, het dorp, de wereld in zijn geheel, meer: het landschap heeft ook te maken met de mens want hij staat centraal in dat landschap, enerzijds als een schepper, anderzijds als een vernietiger. En dan is er ‘stroom’ dat zoveel kan zijn: niet alleen water, maar ook elektriciteit, massa, vernietiging, maar ook genezing. Zelfs een stroom van mensen, die uiteindelijk misschien zichzelf vernietigt.
1) Schrijf een gedicht dat op een A5-formaat kan passen (niet langer dan een halve bladzijde) rond dit poëtische thema en stuur dit met je gegevens voor 31 december 2011 naar dekleinenotelaar@hotmail.com. Lettertype: times new roman 11. Ook Tanka’s zijn welkom.
2) De 10 beste gedichten worden geselecteerd. Deze worden bekend gemaakt op zaterdag 28 januari 2012 tijdens een poëzieavond in Kunsten- en Literaire Taverne De Kleine Notelaar, Vlassenbroek 222 te Baasrode-Vlassenbroek/Dendermonde. (ong. 200 m voorbij het kerkje de weg volgen tot aan de vijver. Parking langs de dijk, wegbeschrijving onder www.dekleinenotelaar.be) Aanvang: 19.00u. De geselecteerde gedichten worden voorgelezen en zullen door getalenteerde musici worden begeleid. Patricia De Landtsheer leidt in. U wordt hartelijk verwelkomd met een natje en een droogje.
3) De gekozen gedichten worden aan verschillende kunstenaars overhandigd, die hun interpretatie mogen geven aan het gedicht in beeldend werk. Zij hebben hiervoor tijd tot 1 mei 2012.
4) Een aantal fotografen maken foto’s van de kunstenaars terwijl ze aan het werk zijn, of van het eindresultaat. De foto’s worden aan de organistoren afgeleverd op 1 juni 2012.
5) Er wordt een compilatie gemaakt van het gedicht met 1 foto. Deze wordt afgedrukt op een posterformaat van 50x70 cm.
6) Begin juli 2012 wordt een datum gekozen voor de officiële vernissage. Hierop zal een powerpointpresentatie worden getoond van alle foto’s. De gedichten worden voorgedragen met muzikale omlijsting.
7) Tot eind september 2012 worden de 10 posters, de beeldende kunstwerken en de powerpointpresentatie tentoon gesteld in De Kleine Notelaar, Vlassenbroek. Alle promotie van de medewerkers wordt ook opgenomen op de website. Gedurende de Notelaarse Zomer & Montmartre a/d Schelde III zullen bijkomende kunstzinnige evenementen worden gekoppeld, die de kunstwerken nog eens in het licht zetten.
Heb je zin om mee te werken? En ben je bereid om 20€ deelnamekosten te betalen als jouw poster gekozen wordt om de kosten van het afdrukken en ophangen te kunnen dekken? Je krijgt je pareltje na afloop natuurlijk mee naar huis…
Stuur dan snel je deelnemend gedicht naar dekleinenotelaar@hotmail.com en wie weet hangt jouw werk in een echte symbiose met andere kunstvormen deze zomer in Vlassenbroek! Extra info op nummer 0496/52.22.80 (Melissa) of 0499/60.19.61(Patricia) en onze website.
Dit is geen wedstrijd. De gedichten worden gekozen in samenspraak met de deelnemende kunstenaars en dienen volledig in het concept te passen, zowel naar inhoud als naar vorm. Bij selectie krijgen de deelnemende dichters een specifieke overeenkomst te ondertekenen om hun en onze rechten te vrijwaren.
Van de ingezonden en geselecteerde gedichten wordt door Patricia De Landtsheer een bloemlezing samengesteld, die in samenspraak met de deelnemende dichters zal worden uitgegeven bij Unibook. Info hierover volgt ten gepaste tijde.
Met dankbaarheid voor uw deelname en de schone kunsten,
Wie is Berthe Morisot? Een vrouw, een mysterie. Geboren in Bourges (1841) en overleden in Parijs (1895) Dé vrouw tussen de impressionisten over wie veel is geschreven, maar gedichten over haar en haar werk ontbraken tot nu. In een ogenschijnlijk eenvoudige en filmische taal geeft Ina Stabergh met deze bundel het leven van deze mysterieuze figuur gestalte.
De bundel is een poëtische evocatie van Morisot's leven en werk waarbij elk gedicht een verhaal op zich vormt.
Morisot wist zich met haar schilderijen een weg te banen in een mannenbastion. Na haar dood nam haar roem sterk toe, ook doordat ze werd ontdekt door de feministen.
Ina Stabergh publiceert sinds 1981 proza. In 1983 debuteerde zij met poëzie in literaire en andere tijdschriften. Haar werk werd vaak bekroond en vertaald. Verscheidene gedichten werden getoonzet en meerdere keren uitgevoerd door bekende koren en dirigenten.
In 2006 werd zij officieel aangesteld als stadsdichter van Diest en eerste stadsdichteres van Vlaanderen. In 2008 vierde zij haar 25-jarig jubileum als dichter met de publicatie Verwondering, waarin de 75 mooiste gedichten uit negen bundels werden gebloemleesd door dichter Henk van Zuiden. In 2009 werd zij aangesteld tot eerste Hagelanddichter en verscheen haar bundel Darwin en ik.
Ina Stabergh - en ik weet dat ik in herhaling verval, - is één van de betere dichters in Vlaanderen. Om velerlei redenen.
Primo: zij schrijft aansprekende poëzie. Zij laboreert: zij zoekt de grenzen van de poëzie af, wat zoveel betekent als: zij zoekt de grenzen van haar zelf af, om te zien hoe ver haar vrijheid reikt. Zij herschept chaos. Zij kan afstand nemen en kritisch toekijken op wie zij is en wat zij schrijft.
Haar poëzie is ad rem: er is spanning, vraagstelling, flexibele vormgeving, engagement.
Secundo: zij beheerst een breed woordlandschap. Uit alles wat zij tot nu toe schreef, spreekt de liefde voor het leven. Het leven in al zijn facetten. Weinigen weten dit zo trefzeker te verwoorden.
Dichter en ‘bedicht personage’ volgen een parallel spoor en trekken zich aan elkaar op, bewegen zich binnen eenzelfde spanningveld. En dit is kunst: je eigen weg zoeken, je positioneren, gedreven een eigen spoor trekken en in dat spoor loopt ook het personage dat je portretteert.
In mijn vorige recensies heb ik dit fenomeen een ‘tweesporenverhaal’ genoemd. Vorm en inhoud zijn één.
Tertio: Stabergh geeft een eigen interpretatie van en een eigen dimensie aan haar personage. Zij gebruikt de passende ingrediënten, zoals verlangen, hunker, illusie, droom, sympathie, bezorgdheid. De wereld die zij ‘bedicht’ (lees: verbeeldt) is nooit fake.
Drie redenen - en straks noem ik er nog enkele op - om deze nieuwe bundel aan te prijzen. Stabergh verleidt de lezer: ofwel dromen zij beiden en ontsnappen zo aan de werkelijkheid, ofwel zien zij het leven als een spel, entertainment. En dat alles gebeurt in slow motion. Zij vernevelt haar ambachtelijkheid. Dat is alleen bij grote dichters een feit. Misschien is dit een vierde reden om haar poëzie de hemel in te prijzen: zij dicht loepzuiver, soms rakelings langs het sentiment.
Ina Stabergh trekt de lezer in haar dichterlijke ruimte, je kunt ook zeggen: zij creëert een intieme ruimte waarin Berthe Morisot, vrouw is en mysterie. Zij slaat een brug tussen toen en nu, verleden en heden, tussen droom en werkelijkheid, tussen orde en chaos, tussen berekening en sentiment.
Haar poëzie heeft een omsluierd meditatief karakter, waarin zij iedere keer een nieuwe wereld bouwt met overgeleverde bouwstenen. Zij is schepper.
Het is niet toevallig dat de bundel begint met het gedicht “Hoe alles begon”.
Het gedicht is een synthese van haar poëzie: sober, universeel, met een licht sensuele ondertoon.
In de pauze (schiep God)
een vrouw.
(p. 11)
Nadat God de maatschappelijke ranking heeft geduid, begint de sprookjesvertelster haar verhaal over zeven mannen/ en een vrouw/in hun atelier. De vrouw heet Berthe Morisot. Eén vrouw tussen een dozijn impressionisten in de tweede helft van de 19de eeuw. De vrouw, sinds mensenheugenis schildersmodel of hoogstens minnares, is thans schilder onder de schilders.
De schilder heeft haar veertien keer/op doek gelegd. Zij is de vrouw in profiel, de vrouw met de bonten mof, ( p. 14). De schilder heeft handen als penselen (p. 15). De vrouw is zijn muze.
En dan ineens komt Morisot het mannenbastion ‘treiteren’.
Perfectie
Niets aan haar was kenmerkend klassiek
en romantiek paste niet bij haar ogen
…
Alleen heftigheid was haar deel
…
en groter dan haar uithoudingsvermogen.
(p. 17)
In het tweede deel Een stap in de wereld schetst Stabergh de wereld van Morisot, haar tijd, haar jeugd, haar zoektocht van atelier naar atelier (p. 27), haar ontmoeting met de vier musketiers: met puntbaard, met de baard van een kerstman, de mopperaar en de dichter (p. 27). Hun eerste tentoonstelling:
Niet in het Louvre maar in de eigen Salon
barsten sommigen in lachen uit
om al die korte streepjes op doek
waaronder schilders hun naam hebben gezet.
Bomen, lucht van verse koude boter
en vrouwenhuid in schimmelkleur
als je niet oppast komen de figuren
uit hun kader gestapt recht in je gezicht.
(p. 28)
Het derde deel gaat over een vrouw aan de zijlijn (p. 31): Berthe Morisot, geboren in Bourges, eerst verleidelijk (als meisje), dan muze en pas jaren later werd zij/als een van hen aanvaard (p. 31).
Zij schildert een park met/paarden en hun ruiters/en vogels die fluiten en kwam onder de invloed van Fragonard: het licht en het sensuele (p. 33).
“Evenwaardig” (p. 34) vindt zij antwoorden op vele vragen, maar komt zichzelf nog elke dag tegen:
Jij ziet me
telkens nieuw: glashelder, vurig en soms wild,
ondoorzichtig en stil. Ik ben een spiegel.
Alleen ik kom mezelf nog tegen, alleen ik weet
dat ik in wezen niet verander.
(p. 35)
Ina Stabergh schrijft op het eerste gezicht toegankelijke poëzie, elegant, rustig, maar soms moet je horden lopen naar de meet. Hierdoor wekt zij een groot gevoel van suspense op: zij geeft aan een schijnbare ‘nuchtere’ beschrijving een onbestemd gevoel voor drama, om een sfeer van melancholie te creëren.
Deze gedichten vragen om aandacht voor het afwezige, het perifere, voor de sporen van een boeiende, maar mysterieuze vrouw. Stabergh spiegelt zich aan Morisot, zodat zij haar eigen onvolkomenheden herkent en verbetert. Zij neemt dezelfde houding aan als de schilderes. Het is een literair bijzonder geslaagde vorm van escapisme.
Even terug naar de inhoud.
In het vierde deel Groeien beschrijft de dichteres de geleidelijke opgang van Morisot. Eigenlijk kan ik dat beter duiden als een aanvaarding van haar ‘uitzonderlijke’ plaats onder de impressionisten. ‘Uitzonderlijk’, omdat haar een ‘afgemeten’ ruimte wordt gegund als vrouw en als schilder.
Zij schildert de moeder die hapert en leest, of moeder en kinddie wachten tot het volgende orgasme, of hoe zij met engelenvleugels/gehurkt op een jongen wacht, of verstoppertje speelt, of hoe zij pubert en zich opschikt met een snoer van parels/naast een zoenvlek (p. 40 en43).
Morisot gebruikt de thema’s van de impressionisten, maar haar voorstelling is anders: met zoveel meer rood en groen en zon (p. 45).
De relatie moeder-dochter beheerst haar privé leven: in gedichten, zoals “De moeder en de vader” (p. 18), “Voorlezen” (p. 39), “De wieg” (p. 40), “Moeder en dochter” (p. 48).
Zij bezoeken samen Giverny, de twintig kathedralen van Rouen, het impressionisme is voorhen streepjes van woede/streepjes van pijn/streepjes van genot/en in elkaar vervloeien (p. 48).
Ina Stabergh blijft trouw aan haar eigen manier van poëzieschrijven, ze heeft geen boodschap aan veel uiterlijk vertoon of aan trends in de poëzie, ze laat zich niet beïnvloeden door de smaak van het moment, ze blijft haar eigen koers varen. Zij schrijft in een zuivere en eigen stijl.
Ook het vijfde en laatste deel van de bundel Berthe Morisot, een vrouw, een mysterie bevestigt mijn analyse: verrassend en origineel, hoe de dichteres het verschrompelen van de tijd oproept, hoe zij leven omarmt tussen geboorte en dood, in deze tussentijd ligt het meisje te kijken/alsof ze iemand verwacht (p. 53), zij ziet op haar gezicht/de wreedheid van het ouder worden (p. 54), zij vraagt zich of zij dan belangrijk is geweest (p. 55). Wanneer zij het einde naderbij voelt komen, sterven ook de ogen/in voor altijd vergeten (p. 56), dan/wordt de stilte een hindernis zonder uitgang./Zonder herkenbaarheid (p. 57).
“De laatste wil” van Stabergh/Morisot is als de vervulling van hun wensdroom:
Waar zij in stilte naar had getracht
gebeurde
na haar dood.
De musketiers hingen al haar doeken op.
…
Meer dan honderd, een overzicht van haar leven
een vrouw tussen de impressionisten.
(p. 60)
Met Berthe Morisot, een vrouw, een mysterie bevestigt Ina Stabergh nog maar eens haar uitzonderlijk poëtisch vermogen. Zij is zonder overdrijving een van de meest getalenteerde Vlaamse dichters.
Thierry Deleu
Ina Stabergh, Berthe Morisot, een vrouw, een mysterie, Uitgeverij De Brouwerij, Maassluis, 2011, ISBN 978 90 78905 39 4
Dat 'Heibel' er graag en gretig op los slaat, is een torenhoog cliché. En toch: het tijdschrift zal in het historisch geheugen blijven smeulen als (toen) noodzakelijke verstoorder van het wankele literaire evenwicht in Vlaanderen.
Ik heb het al zo vaak geschreven: ik kijk altijd en met veel ongeduld reikhalzend uit naar een nieuw nummer. Mijn vrouw zegt bij zo’n opstoot van ongeduld steevast: “Heibel past bij jou als twee druppels water!”
Het nummer 17 van de nieuwe reeks slaat weer spijkers met koppen, vooral de “kop” van Walter van den Broeck moet het (alweer) ontgelden. Neen, het komt nooit meer goed tussen Walter en Frans.
Met Van den Broeck had ik een eeuw geleden (exact 40 jaar geleden) een goede, maar afstandelijke band (letterlijk). Wij komen uit dezelfde “bevolkingslaag”, veeleer links, niet zó gelovig, socialistisch (althans dat dacht ik), een beetje rebellerend tegen het katholieke Vlaanderen. Ik schrijf er gauw bij dat ik al snel ben geëvolueerd tot een Vlaams, liberaal en ongestructureerd subject. Dit laatste woord is goed gekozen, hoor: in het college, op het atheneum, op school, in de vrijzinnigheid, in de maatschappij voel ik mij een gewillig proefpersoon, altijd op zoek naar waarheid en leugen, kieskeurig zoals een strandjutter (titel van mijn laatste gedichtenbundel).
Van den Broeck dus is alweer schietschijf van de Heibeliers. Man, wat wordt die man eer aangedaan. Van blz. 10 tot en met blz. 61 of de helft van het nummer! En opgelet, je was het misschien vergeten: dit is het 2de deel!
Ik probeer de essentie te vatten na het (ver)lezen van de (vuile) was.
Zijn nieuwe roman/essay Terug naar Walden bulkt van namen van “wereldberoemde auteurs”, van “flapperende -ismen en -asmen” en “driekwarthoge pagina’s voetnoten. Met zoveel derny’s om het essay te gangmaken overlaadt Van den Broeck ook mij met hels lawaai van ronkende motoren. Ik lees liever in stilte.
En och arme, hij vergist zich (te) dikwijls van woord en naam als hij een begrip of een auteur citeert. Dat mag niet, Walter! En… lap: hij zoekt het vaak te ver, zijn parallellen zijn (soms) bij het haar (de haren) getrokken.
En ja hoor, ook in zijn romans neemt hij graag zijn toevlucht tot gesofisticeerde spelletjes. Tot woordspelletjes, geheimzinnigheidjes, symbooltjes e.d. Foei, want dat bevordert de leesbaarheid niet!
Ik dacht dat ik kort kon zijn: na 61 bladzijden over het essay Terug naar Walden kan ik een oordeel vellen: te veel raadsels, te weinig informatie, te veel haakjes en oogjes. Niet dus: de kous is nog niet af. Wat lees ik (graag)? “We hoeven niet te zeggen dat dit je reinste flauwekul is, waarmee je wel Vlaamse literatuur kunt maken, liefst met een grote L, maar zeker geen economische wereldcrisis te lijf kunt gaan of zelfs geen bedrijf van het faillissement kunt redden.”
In zijn ambitie om een totaalboek te maken (een oorbare intentie) heeft Van den Broeck (nog altijd volgens Depeuter) een potpourri geschreven.
Wanneer Depeuter Van den Broeck vergelijkt met Walschap, en Terug naar Walden met Alter ego, dan moet ik toch even slikken (de pret is er een beetje af, de spot wordt bot): beiden zeveren bladzijden en bladzijden; het toeval speelt een te grote rol; beide boeken zijn kunstmatig en onhandig geschreven; beide zijn een flop.
Amai, mijn ratje, wat heeft Walter voor een mess aan frustraties gezorgd, hij lijkt Depeuter wel een trauma te hebben bezorgd. Opgelet, ik lach daar niet mee, hoor, ik koester er ook enkele en die maken mij het schrijven zo heerlijk.
Is Terug naar Walden literatuur met een grote L? Voor vele critici wel. Zij noemen de roman “snedige humor”. Voor Depeuter is het veeleer melige humor, zoals Kamagurka het genre beoefent: flets, klierig. Ik hou ook niet van Kama, Frans, dit is onze tijd niet en onze humor, dit is modernistisch gelul, je reinste bedriegerij, uitgekookt, om mensen die “in” willen zijn “voer” aan te reiken. “Heb je iets met Kama?” “Ja, zalig, dat is een artiest hé!” “En zo simpel dat hij is!” “O ja, hij is een van ons, hé!” (einde gesprek).
En toch, Frans, lees ik Walter van den Broeck. Hij is best “niet onnavolgbaar”, maar hij kan schrijven. Iedere auteur makt schoonheidsfoutjes. En o ja, ik bewonder jouw analytisch en synthetisch vermogen, Frans. Elk artikel, iedere bijdrage van jou is een essay. Soms denk ik dat je zult verdrinken in de details, in het aanbod van informatie, maar neen, je blijft leesbaar, genietbaar, boeiend.
En met op zijn minst één argument ben ik het met je eens: “Laten wij een boek dat maatschappijkritisch pretendeert te zijn, niet loskoppelen van de realiteit, omdat de auteur er tijdens het schrijven lol heeft aan beleefd!”
En ja, dat moet nu wel opvallen, Frans, zijn lol en ernst ook in jouw geschriften geen eigenschappen?
Ik wil resumeren: Terug naar Walden is een totaalroman, volgens de enen “in een onnavolgbare stijl geschreven”, voor anderen “ongeloofwaardig”, “ongegeneerd rommelig”. Ik houd het bij de vaststelling dat Walter van den Broeck dit keer zijn hand heeft overspeeld.
En ja, voor hen die eraan zouden twijfelen: ik hou niet van pastoors die alles met het evangelie proberen te verklaren en evenmin van leken die alles met Marx proberen uit te leggen. Ik negeer de (metafysische) spiritualiteit niet en evenmin de (evoluerende) wetenschap.
Robin Hannelore (generatiegenoot die ik minder goed kan schatten) - wat een poëtische naam bovendien! - strooit kwistig verder zijn herinneringen in het rond. Over de veldwachter van Pulle.
Dit doet mij denken aan een voorvalletje uit mijn kinderjaren (1949). Na school was ik met een vriendje mee gestapt naar zijn huis aan de andere kant van de gemeente. Zijn bezorgde moeder wilde mij terugsturen, maar bedacht zich en dropte mij bij meester Vanhalst in de gebuurte (meester gaf mij iedere week speciale les Rekenen). Hij waarschuwde mijn moeder die mij kwam oppikken. Terug thuis liet zij de veldwachter komen en, gezeten aan de “buzestove” (Mechelse kachel), moest ik hem plechtig beloven nooit meer weg te lopen.
Hannelore vertelt over Sooi, de beruchtste stroper van de Kempen, over Krabbels, de birdwatcher, over Sterke Peer, de krachtpatser. En o, tot mijn (aangename) verbazing merk ik op een foto dat Robin ook een zevende voorbereidende heeft gevolgd aan het college. Toen ik na vier jaar intern naar het atheneum in dezelfde stad ging, was ik al één jaar achterop. Daar kwam ik in een klas met meisjes terecht. Resultaat: het jaar overzitten. Lap, twee jaar. Het eerste was de schuld van mijn goedgelovige papa en het tweede was de prijs die ik moest betalen voor vrijheid en vrijerstijd.
De prinselijke brief van Laurent aan 'Heibel' heb ik met trots gelezen. Daarin heeft de prins af tegen de “Vlaamse inboorlingen”, de “Flamins”, tegen de simpele geesten van VTM, die hem koeioneren. Die “Flamins” schrijven mij op de bon, zij beletten mij de juiste peter te kiezen voor Louise, ze beschuldigen mij van fraude, ze zeggen dat ik een lief heb, dat ik een villa heb gekocht met mijn dotatie, ze blameren mijn reisje naar Congo. Het zijn allemaal vette leugens. Gelukkig is er die “goeie Hilde Sabbels van Het Laatste Nieuws”.
Bart de Man beklaagt zich over de “mopperkonten” Marc Reynebeau, Lukas De Vos, Paul Jambers en Pol Vanden Driessche.
De eerste twee kunnen zeuren en knorren en zich opblazen van zelfgenoegzaamheid en pedanterie. Paul verzamelt zichzelf en Pol wordt pulpschrijver.
Staf Versweyveld blaast lucht-, zeep- en Hei-belletjes. Hij heeft gelijk als hij zegt dat cinema geen literatuur is. “Film is een ongeloofwaardig medium, film is doodgewoon stom of… is film realistischer dan ik denk?” Een schoolvoorbeeld van vrij onderzoek.
Het boeiendste stuk komt van Depeuter over Dirk van Bastelaere. Waarover heeft hij het? Over een filmpje op internet, getiteld Sharing the Wife, waarin iemand die als twee druppels water op Dirk Van Bastelaere gelijkt, zich laat behandelen door een blote dame. De broek op de enkels, de benen gespreid.
Gerrit Komrij is “apetrots” op de Nacht van de Poëzie te mogen optreden “naast een heuse pornoster”. Fried’l Lesage interviewt hierover Joost Vandecasteele die de acteerkunst van De Bastelaere toejuicht. Joost vindt het wel niet kunnen dat Komrij dit wereldkundig (wat een overdrijving) maakt.
Wie is de andere acteur die aan de rechterhand van de dame bengelt? De neef van kardinaal Danneels? Driesje Breyne?
Dichter Van Bastelaere valt uit de lucht, tenzij “het een filmpje van tien jaar geleden is?” “Niets is wat het lijkt,” zegt Frans ten slotte. Ik ben het met hem eens: Van Bastelaere moet een ferme som schadevergoeding krijgen in de vorm van extra donatie uit het Fonds!
Mijn vriend Julien bereidt weer “hersentjes met appelmoes”. Als voorgerecht een Van Bastelaertje, gevolgd door le plat du jour: een spirituele ontmoeting met Wilfried Van Craeynest in gezelschap van Firmin Van Hecke en Etienne Van Hyfte, en als toetje een optreden van Eddy Wally.
Hannelore doet dan weer “de hei-belletjes rinkelen”. De Hei-bel! En ik die altijd sprak van 'Heibel' = herrie, een grote mond opzetten, gekijf.
Hij brengt een aantal oude druksels in herinnering, zoals de gedichtenbundel Vlaamsche Dichters bidden van Leo Simoens, Anthologie de Poètes Français de France et de l’étranger van Jean Van Dooren, De Zuidnederlandsche schrijvers van het tijdstip der Fransche overheersing van J.O. De Vigne. Ik huiver van eerbied.
Willy Copmans opent zijn boekenkraam. In de etalage liggen Zwijgen kan niet verbeterd worden en een herdruk van 2006 met als nieuwe titel Nagelaten Werk, in een elfdelige reeks van het oeuvre van Willem Elsschot.
In 2010 heeft men op diverse manieren en in alle mogelijke toonaarden het overlijden van Elsschot vijftig jaar vroeger (1960) herdacht. Ook in Koksijde. Elsschot vond in Koksijde een tweede thuis. Hij bouwde in de duinen van Sint-Idesbald zijn villa Kerkepanne en zong in boeken en brieven vol lof over zijn geliefkoosde badstad. In de voetsporen van Willem Elsschot kun je er een wandeling maken doorheen de charmante badplaats uit begin jaren 1900 waar de Vlaamse schrijver zijn vakanties doorbracht met zijn familie.
Van Yves Petry’s De maagd Marino zegt Copmans o.a.: “Petry beperkt zich tot een strakke analyse van de gebeurtenissen en de geestesgesteldheid van de twee hoofdpersonages, met daarenboven een sterke karaktertekening.”
Leo Pleysier’s Dieperik “is echt een dieptepunt in zijn werk.”
Onvermoeibare Frans bouwt een feestje van “echte” en “onechte” dichters. “Waar is da feestje? Hier is da feestje!” Ook nachtburgemeester Vitalski was van de partij. En vetmester Jozef Deleu. Velen werden niet uitgenodigd in de Gentse Vooruit, zoals Annie Reniers, Frank de Crits, Frans Deschoemaeker, Frans Depeuter.
“Waar zijn we mee bezig?” vraagt Frans zich terecht af. “Masturbatie in drie minuten!” Indien ik zou zijn uitgenodigd, dan zou ik geen behoefte hebben “om daar te staan fladderen tussen al die kraaiende hanen.” Ik ook niet, Frans, ik ben opgelucht dat ik er niet bij was!
Hannelore verzamelt dan weer enkele weetjes, waarin het Hof en de prinsjes een bijzondere rol spelen. Eén weetje wil ik onthouden: Laurent stelt zich kandidaat voor de Nobelprijs van de Vrede.
Op blz. 105 (op 20 blz. van het einde) vind ik een foto van mezelf en een appaloosa-paard. Verrast? Neen, ik wist dat het kon. Maar het pleziert mij enorm dat ik gastdichter ben in 'Heibel', mijn favoriete blad sinds decennia. Frans en Robin zijn tijdgenoten. Wanneer ik 'Heibel' in de bus vind, voel ik de nostalgie in mij opkomen en vertoef dagen in een wolk van herinneringen.
Ik hoop dat de geselecteerde gedichten gelezen worden door een ruim publiek van abonnees en occasionele lezers, thuis en in bibliotheken.
Het is geen toeval dat de gedichten opgedragen zijn aan mijn vrouw, mijn kinderen en kleinkinderen, de zee, de Westhoek en de dood.
Gastdichter in 'Heibel' is mij veel waard!
De Brakke Hond publiceerde ooit ook poëzie van mij. Gekke naam, niet? “Wat voor beest is dat?” vraagt Depeuter zich af.
Een visie, een credo moet je bij De Brakke Hond niet zoeken. Wat er ook van zij, het tijdschrift bestaat al 28 jaar. Met steun van het Fonds (20.000 €). Leesbare verhalen, ja, maar niet altijd om naar uit te kijken. Veruit het interessantst in het recente nummer zijn de kronieken van Joris Note, Chrétien Breukers, Ann Meskens en Jeroen Brouwers.
De genaamde Breukers is mij zeker niet onbekend, maar ook bemind? Misschien door grote namen als wijlen Claus, Snoek en Pernath, of door Gruwez, Nolens, Spinoy, Van Bastelaere. Dichters die “veel rijker, gevarieerder en spannender” dichten dan de Nederlanders. Hij heeft ook een goed woordje voor Van Bruggen, Stassaert, Van Maele, Klein, Van Rijssel en Denoo.
Breukers heeft in het verleden al vaker gratuite uitspraken gedaan. Zo verdedigt hij met vuur in zijn kont de subsidiëringspolitiek van het ministerie van Cultuur en het Fonds die enkel de commercie (onder)steunen van de erkende uitgeverijen. Hoe wordt de dichter vergoed? En vooral: welke subsidie krijgt de dichter die in eigen beheer uitgeeft, of bij een POD of een kleine (niet erkende) uitgeverij? Niks, nada,nougabollen!
Jeroen Brouwers heeft gelijk als hij beweert dat de Nederlandse Taalunie enkel haar nut heeft voor “de dure salarissen van de 35 ambtenaren”.
Bij Meulenhoff verscheen in 2011 De tegenstrijdige Generatie/Dichters van de jaren 70 samengesteld door Yves T’Sjoen. Komen Hannelore en Depeuter daar in een volgend nummer op terug? Graag.
'Heibel', 16de jaargang, nummer 2, juni 2011 sluit af met een bijdrage van Boanerges of “De Zoon des Donders”, vol van haiku’s, grafschriften en limericks.
'Heibel' heeft mij geboeid, soms ook geërgerd, vaker gevleid, ik voel mij thuis in dit (toch wel) rechtse huis dat davert op zijn katholieke grondvesten. Maar de redactie neemt geen blad voor de mond en slaat (meestal) nagels met koppen.
Op zondag 14 & maandag 15 augustus 2011organiseert Kunsten- en Literaire taverne De Kleine Notelaar te Vlassenbroek haar2de Montmartre aan de Schelde. Beeldend- en Grafiscb kunstenaars,Schrijvers, Dichtersworden uitgenodigdop het terrein van De Kleine Notelaar om hun talent aan het publiek te tonen.Bedoeling is dat er zoveel mogelijk ter plaatse wordtgewerkt. Laat het publiek van uw kunsten meegenieten. Tegelijk kan je je talent verkopen. Zij die een plaatsje willen om hun werk tentoon te stellen zorgen zelf voor het bijbehorend materiaal, bv. een parasol tegen extreme hitte (wij hebben de onze nodig voor de klanten), een tafeltje, een schraag enz. Je dient wel vooraf in te schrijven. Bij regen of onweer gaat Montmartre uiteraard niet door, maar dan zorgen we wel voor gezelligheid binnenshuis.Schrijvers en dichterswagenhun kans om ter plaatse een stukje poëzie, een haïku, of een gedicht te schrijven. Zij kunnen hun dichtbundels/boeken ter plaatse verkopen. Woordkunstenaarsdie hunpennenvrucht willen voorlezen, worden hiertoe na afloop uitgenodigd. Patricia, coördinator van het gebeuren geeft hiervoor de start met volgende titel:
Met vlerkdunne armen beroer ik de taal van het landschap.
De mooistegedichten zulleneen plaats krijgen tijdens de poëzieavond rond gedichtendag januari 2012 en zullen tevens aansluiten bij het thema (nog te bepalen) rond Vlassenbroek Poëziezomer 2012.Bijkomend wordt opnieuw de uitgave van een bloemlezing overwogen. (Praktische regels hiervoor verschijnen later op de websitewww.dekleinenotelaar.been de literaire blog van Patricia De Landtsheerwww.bloggen.be/patricia52onder de benaming: 'Literair nieuws van De Kleine Notelaar'.
Hoe gaan wij te werk?
Je neemt contact op met Patricia, Melissa of Marc omuw komst op 'Montmartre a/d Schelde te bevestigen, of een standje met tentoon te stellen werk op te zetten. Gezien de beperking in ruimte kunnen slechts max. tien beeldende kunstenaars deelnemen. De plaatsen worden verdeeld zodat iedereen voldoende aan bod komt.
Contactadres: De Kleine Notelaar, Vlassenbroek 222, te 9200 Baasrode-Dendermonde. Tel. 0494/601961 gsm Patriciaof 052/211180 (thuisadres) mail:dekleinenotelaar@hotmail.comoflandtsheer@yahoo.com
Datum:14 of 15 augustus 2011 of allebei, duur 14 tot 18 uur. (de deelnemers zorgen ervoor ten laatste om 13 uaanwezig te zijn teneindehun plaats in alle rust in te nemen.Wij verwachten uw bevestiging ten laatste op 12 augustus.
OPGELET:Op 14 en 15 aug. is ergeen parkingmogelijk op onze terreinen. Parking gebeurt langsheen de dijk. Enkel laden en lossen is mogelijk voor de kunstenaars.
Kostprijs:U neemt gratis deel. U verkoopt voor eigen rekening. De kunstenaar zorgt zelf voor promotiemateriaal indien hij/zij dit wenst. De organisatoren stellen het uiteraard op prijs dat de deelnemende kunstenaar zoveel mogelijk reclame maakt voor het evenement. Flyers worden hiervoor tijdig aangeboden. Gelieve deze zoveel mogelijk te verspreiden of digitaal door te zenden (beschikbaar in de KL.NOT.)
Totop Montmartre a/d Schelde. Men zegge het voort.
ingeleid door de bekende Leuvense dichter/essayist en beeldend kunstenaar
Mark Meekers/Marcel Rademakers.
RECENSIE
Thierry Deleu schreef recensies, essays, romans, biografieën, bloemlezingen, leerboeken Nederlands en gedichtenbundels. Hij sloot zich niet wereldvreemd op in zijn papieren literatuurhuis, maar kwam ook naar buiten als leerkracht, directeur en kabinetsattaché. Heeft oog voor beeldende kunst en organiseerde meerdere tentoonstellingen. Hij stond mee aan de wieg van de tijdschriften “Kreatief”, “Boulevard” en van uitgeverij “Het Schaap.”
Zijn dichterlijk oeuvre is terug te vinden in nagenoeg alle Vlaams en Nederlandse literaire tijdschriften en omvat 18 bundels. Een “schrijfgeiser” als Thierry Deleu afblokken op 50 gedichten, die een tocht van 45 jaar illustreren, is hem tekortdoen. Zeker als die gedichten geen loutere, gratuite taalspinsels zijn, maar een spiegeling van leven, denken, voelen, dromen van zijn vijfentwintigste tot zijn zeventigste. In die halve eeuw (1967-2010) verschoof er heel wat in de wereld en in de literatuur. Deleu bewijst in zijn recensies dat hij als geen ander de evolutie van de Nederlandse poëzie met haar codes en modes kent: hij bleef trouw aan zijn visie en opvattingen. Hij heeft een stevige gyroscoop die hem overeind hield. Hij ebde niet mee als een golfje op een of andere stroming. Interessante “uitvindingen” van de laat-experimentele of nieuw-romantische golf stak hij op zak voor zover ze pasten in zijn poëtica. Een chronologische schikking van de gedichten is dan ook overbodig, een indeling in cycli maakt niets uit. De dichter is niet in schijfjes te snijden, net zomin als de mens. Hij koos de gedichten in functie van het beeld en de boodschap die hij wil nalaten. Poëzie is een van de weinige overgebleven vrijplaatsen. Zal men de dichter dan in een romantisch, realistisch of postmodern keurslijf riemen?
Deleu is een democraat en wil niet schrijven voor de incrowd, hij doet geen deuren dicht: wie wil kan ook zonder eruditie of diploma in intellectualistische verwaandheid, zijn gedichten binnenstappen. Hij maakt van zijn bundel geen rariteitenkabinet, vol surrealistische strapatsen. Hij houdt het bij eenvoud, maar dan wel verfijnd en gepolijst. “De dichter hier is nederig… Dit heeft niets te maken met valse bescheidenheid, de mensen hier… zijn eenvoudig in woord en daad, zij zetten zich af tegen het erudiete, zij willen als het ware een gat vinden om de poëzie in te duikelen. De dichter hier is niet elitair, hij is allergisch voor dit woord.”
Deleu is een mens van zijn streek. Hij dicht niet over uitzonderlijke, heroïsche, fantastische, surrealistische feiten of situaties, maar over het dagdagelijkse leven. Veel termen zijn dan ook ontleed aan de huiselijke omgeving of de kleding (17).
Het woord “huis” komt elfmaal voor. Deleu is in het gewone thuis.
In Strandjutter wordt die heldere eenvoud ook in de structuur van het gedicht vertaald: alle verzen bestaan uit drie of vier strofen van drie of vier regels. Geen gezochte typografie of schikking. Deze voor de hand liggende vorm geeft cachet aan de bundel. Wie de woordenschat van de dichter preciezer ontleedt, kan met deze rasterpunten een robotfoto samenstellen van zijn thema’s, zijn persoonlijkheid en zijn dichterlijke bezieling.
In de verzen van Deleu rijdt geen auto of trein, wel vind je er de zelfstandige naamwoorden kar (1) en koets (1). Er zijn nauwelijks sporen van het snelle moderne leven: de woorden stad en fabriek worden slecht eenmaal genoemd.
Deleu neemt ons mee in de volle natuur van de Westhoek. Hier is nog land (10) en landschap (6), ziet men nog de lucht (8), de wolken (4), de hemel (3). In deze landelijke omgeving houdt men rekening met de weersomstandigheden (46) waarbij vooral de wind (16) en de regen (13) spelen. Ook de seizoenen komen ter sprake: een vlokje winter met sneeuw (2), hagel, ijs en ontij, herfst en lente (elk 4) en vooral veel zomer (6), waarbij de woorden zon (18) en licht (14), tegenlicht en lichtelaaie door heel de bundel stralen.
Natuur is het thema van twaalf gedichten en komt in de andere verzen ook ruim aan bod als decor of vergelijkingspunt. De dichter is een brok natuur.
Binnen enkele eeuwen zal men op grond van de gegevens (82) van deze bundel nog de flora van de streek kunnen samenstellen. Er is het (nacht)woud (6) met zijn bomen (6), beuken, eiken, berken, zijn blaren (4), takken (3), kruinen (2). Negen soorten bloemen (6), van sneeuwklokjes, over chrysanten en viooltjes. Velden en weiden (3) zijn vertegenwoordigd met halmen (2), helmen, zwalmen en gras(spriet) (7). Polders kunnen niet zonder riet(gras/land) (7), mos (2), lis, eendenkroos en waterwied.
De fauna is vertegenwoordigd met dieren (9) van 39 verschillende soorten. Naast de vissen (5) zijn er de viervoeters: de honden (4), de schapen (4) en de paarden (3). We leven in een wereld waarin er nog vlinders (12) in overvloed zijn. Maar de vogels (22) halen het met glans; vijf reigers, twee wulpen en zeven meeuwen zeilen langs de regels.
Deleu is gefascineerd door de vogel en zijn vlucht. De termen vleugels (7), vlerken (3), wieken en wiekslag wijzen hierop.
Hij voelt zich volkomen thuis in de natuur. “Dit is mijn land mijn vrij asiel.” Uit de verzen spreekt een grote liefde: “ik heb de regen lief als vlinders”. Hij gaat er vertrouwd mee om: “de regen is mijn beste vriend”. Hij is getrouwd met de aarde: “De aarde voelt als een jong gezin.”
De dichter incorporeert deze natuur via ingenieuze verschuivingen van beelden en associaties. Zijn vingers zijn als vlinders en deze “vingervlinders” … “schuilen onder mijn daknagels / in de nerven van mijn hand.” Hij neemt de natuurfenomenen bijna lijfelijk in zich op, zoekt bijvoorbeeld contact met een reiger: “met je hand raken / even maar zijn dij.” Hij is een groene jongen en heeft een “groene keelbeker” waarmee hij de gedichten, die de natuur schrijft, opdrinkt. Zo kan hij in hun naam spreken: “Ik ben een vlinder van verleden tijd”.
De verzen vormen een sfeervolle, serene pastorale: “De wind krimpt. Achter de kim in een /buil van licht schuilt hoog zwanger een / zachte regen. Ineens voluit als een open mond verbazing /stort het licht in weide akkers neer.”
Er hangt een pre-industriële sfeer van harmonie: mens, dier en plant leven evenwichtig, natuurlijk samen. De gedichten krijgen een klassieke uitstraling, bezitten een “Edle Einfalt und stille Grösse”. Goethe luistert mee met: “alle vogels zwijgen / kijken in elkaars ogen // de stilte is in het land.” Ware er niet die enkele dissonante toetsen -“zieltogend ben ik mens”- die wijzen op de vergankelijkheid van die schoonheid, zou je van een idylle kunnen gewagen.
Als strandjutter steelt Deleu ook de schatten van de zee. Zij ruist door een zestal gedichten. Het element water (22) speelt een belangrijke rol: niet minder dan 22 verschillende termen hebben erop betrekking: van dijk (4) over moeren (3) en golven (3) tot oever (2) en rivier (2). De hoofdrol is echter weggelegd voor het woord zee: het komt 20 maal voor.
De descriptieve taferelen met wisselende lichtinval, vogels en allerlei klanken doen denken aan de impressionistische doeken van Artan. Hoor hoe meesterlijk de klanknabootsende alliteraties de scheervlucht van de meeuwen oproepen: “En witveren vogels schillen het schuim / met het scherp van hun vleugels.”
De zee wordt getekend als een vrouw: ze “dringt haar rondingen op” en de dichter is haar “koele minnaar”, die zich opmaakt “tot genieten”. Het gedicht “De zee is een vrouw” is een heerlijke liefdesverklaring, die elke kustgemeente op haar dijk te lezen zou moeten zetten. Of waarom niet “Haar nachtgewaad”, waarin de menselijke kleinheid, “overmand door verre einder”, contrasteert met haar onmetelijkheid? Het zou een gemoderniseerd vers van Kloos kunnen zijn!
De opgelijste zelfstandige naamwoorden tonen echter ook aan dat Deleu niet alleen vleugels heeft maar ook van deze wereld is, lichaam (5), lijf (2) en bloed (2) bezit. Meer dan tweehonderd woorden verwijzen naar die lichamelijkheid. Je vindt een catalogus van lichaamsdelen van kruin tot enkel, zonder schoot, onderlijf, roede, fallus, voorhuid te verzwijgen, die een hoofdrol spelen in het liefdesspel.
De meest voorkomende woorden zijn ogen (20), handen (16), lippen (13): zien, handelen, spreken. Mond (8), huid (7), dijen (6), oor (5), vingers (5), been (5), voet (5). Een mens dus van vlees en bloed, die flink voorzien is van zintuigen: ziet (blik (3), zicht (2), netvlies), hoort (geluid (4), proeft (smaak, zout), riekt (geur (6), parfum), voelt (greep, gebaar). De werkwoorden kunnen dat nog meer verduidelijken: zien (11) en kijken (7); voelen (9) en strelen (6), horen (7), proeven (5), ruiken (5).
Hoewel de hele bundel een liefdesverklaring aan natuur en leven is, zijn er 22 specifieke liefdesgedichten. De romances spelen zich in dit groene decor af. “In het zand dat mijn voetstap draagt, / schrijf ik jou ten voeten uit.” Ze worden voltrokken, “tussen broek en schote”.
Metaforen en vergelijkingen worden aan de natuur ontleend en komen hierbij flink aan hun trekken: “…ik waar rond / in je tepelhof, je lichaam // ritselt als vallende blaren”.
Liefde is een natuurlijk, dierlijk gegeven. De vrouw is een “lenig dier”, een “vredig dier”. De man is jager en piraat: “haar buik de zee die ik / bevaar onder piratenvlag.”
Het ritueel van de liefdesact, van “overval” tot coïtus, wordt met sensuele pen en met inzet van alle zintuigen beschreven: “naast mij de vrouw gelukzalig / in bedwelmend naakt zij ligt.” In twee prachtige tableaus wordt het ontwaken van de geliefde opgehangen (“Ontwaken” en “Het ontwaken”). Hij beschrijft de verleiding: zij “rekt zich uit tot zacht bespringen.” “Mijn hand glijdt naar haar schoot / en loopt verrukt haar lichaam in.” Of: “Een avontuur in jou te klimmen.” Het is een speelse gebeurtenis, “vol van zang en dol van zinnen”, met een snipper humor verwoord.
Hij maakt geen geheim van zijn instrumentarium: “ik ben de fallus die zijn zaden plant.” Of: “een kleine kraai”, “mijn roede haar trouw reptiel”, “mijn stethoscoop”. En kijk: “ik verstijf tot pagode”. Hij neemt geen blad voor de mond: “Als zij haar lippen / om mijn voorhuid legt.”
Het is duidelijk dat de seksuele revolutie hier voorbijgekomen is: angst, schaamte of zondebesef zijn niet van de partij: “…ik / strijk neer en fluit van zotte vreugd / het lied van onze zondeval.”
De ultieme liefdesdaad komt aan bod in “Een zomer in de Moeren”: “Als zij openwaait delta /van genot moeras onderkomen /voel ik het koolwitje / beven in haar heup.” Elders kan het nog explicieter: “Met vingers die haar adem stokken / streel ik het dier achter in haar huid. / En zij stuiptrekt voor het geheim.” Of “… als zij kreunend / openbarst haar schoot mijn bloeiende dood.”
De gevolgen blijven niet uit: “Na deze dageraad een nieuw kind / zal zij dragen, als een dracht waaraan // geen liefde vreemd gebleven is.” Dan verschuift de focus van het uiterlijke naar het innerlijke, het emotionele. De geliefden kennen schroom: “als verfijnde dieren hebben / wij ons uit het zicht gelegd.”
Liefde is dus meer dan louter lichaamsoefening of vogeltjespassie, het is ook versmelten in elkaar. In het gedicht “Ik lig in mezelf” is de rivier een metafoor voor het vrouwenlichaam, waarin de minnaar opgaat: “mijn droom een vis gelijk / met wilde vinnen…” Deze harmonie is “Als een volmaakt gedicht: jij en ik.” Beminnen heeft iets geheimvol, sacraal: “zij spon zilveren draden / tussen mij en de eeuwigheid” en “de nacht als een vogel over onze tempel wiekt.”
Naast deze drie hoofdthema’s zijn er nog vier ik-gedichten, waarin Deleu zich bezint op de wie-wat-waar-coördinaten. In vier reisgedichten ruilt hij zijn biotoop in tegen locaties in Frankrijk.
Indien we aannemen dat de bijvoeglijke naamwoorden een spiegeling van de emoties zijn, stellen we vast dat zijn adjectieven meestal zakelijk en descriptief zijn. Daaruit besluiten dat de dichter een koele kikker is, is een sprong te ver. Gevoelsgeladen woorden komen voor: dartel, schuchter, innig, geil, (geluk)zalig, verrukt, of in negatieve zin: hysterisch en bang, maar ze zijn sterk in de minderheid. Er is één uitzondering: het voor-de-hand-liggende zacht (11), zachtaardig en in liefdesgedichten niet ongebruikelijk: lief (2) en teder. Emotionele oververhitting en tranerigheid zijn aan Deleu niet besteed.
Wat opvalt, zijn de woorden met het voorvoegsel -on (onzichtbaar, ongezien, onaanraakbaar, onvoelbaar, onhoorbaar, oneindig, ondoorgrondelijk).
Het meer dan gewone gebruik van comparatief (8) en superlatief (10) drukt een zeker enthousiasme uit, een gedrevenheid om het gewone te overstijgen: weg zakelijke vaststelling in termen als: beter / ouder / vaker / zachter / mooier / voorzichtiger / later (2) / of: vlugste / rankste / eerste (3) / laatste (3) / nederigste.
Talrijke voltooide deelwoorden (66) worden als adjectief gebruikt en drukken een voltooide situatie uit. Als actief contrapunt zijn er de menigvuldige tegenwoordige deelwoorden (40). Zo ontstaat contrast en dus spanning.
Deleu kleurt zijn zelfstandige naamwoorden in als een schilder: op zijn poëtisch palet komen alle tinten voor, uitgezonderd gewelddadig rood dat niet in overeenstemming is met de sfeer van vrede, rust en traag (5) -heid, die uit de bundel spreekt. Wit (7) van het licht en groen (6) van de natuur voeren natuurlijk het hoge woord.
De karakteristieke eigen stem van Deleu komt tot uiting in de rijk gevarieerde woordenschat. Korte zinnen houden het helder. Hij gebruikt zelden vreemde of moeilijke termen, vermoeiende stadhuiswoorden, grammaticale bokkensprongen laat hij achterwege, een enkele keer laat hij de interpunctie weg om een overvloeiingseffect te bereiken. “Poëtisch taalgebruik is voor mij strikt genomen niet anders dan normaal taalgebruik.” Eén leesbeurt kan volstaan. Wie herleest ontdekt echter de gelaagdheid en het taalraffinement.
Alliteraties liggen als krenten in de verzen ingebakken: “De zomer is voorbij / en de raten rijk / ik ruik honger en honig…”
Binnenrijmen zorgen voor muzikaliteit: “het ontij aan de overzij”, “door riet en waterwied” of “scheur en leur”. Soms is het ritme zo sterk dat het een woordendans wordt: “Vluchtende monniken dansende / monniken witte benen / tussen reikhalzende schapen / die als juffers opgejaagd…”
Hij schrikt niet terug om in de taalkerk te vloeken en streekgebonden woorden als “kortwoner, schote, knoezel” over de tong te laten rollen. Van mij mag hij zijn gedichten kruiden met die dialectwoorden: ik verkies handgeperst “appelsiensap” boven “sinaasappelsap” uit eenheidsblik: het personifieert een tekst. Dialect is geen “vuilbaknederlands” het nuanceert en verfijnt de begrippen, brengt nestwarmte in de koude standaardtaal. Hiermee situeert hij zich, lokaliseert hij zich in tijd en ruimte, in zijn “kleine hier” als dichter in Vlaanderen, in de Westhoek.
Door het gebruik van oudere woorden plaatst hij zich in een traditie en maakt zich los van zijn “kleine nu”: vadem, eenwijl, zwalmen, ree, verwijlen e.a. Met milde ironie zou ik zeggen dat hij voor de eeuwigheid schrijft.
Deleu gaat zo gemoedelijk om met vogels, dieren, dingen en planten, dat hij hun in talrijke personificaties zijn stem leent. De verzen lijken een verslag van een permanent gesprek tussen mens en natuur. Hij geeft een hedendaagse versie van Gezelles: “Als de ziele luistert / spreekt het al een taal dat leeft…” Deleu spreekt van: “het breekbaar spreken van takken”. Hij wekt tot leven. Enkele nuggets van die vermenselijking: “Als zee haar driften botviert”, “het land herschikt zijn garderobe”, “alle vogels kijken in elkaars ogen”, “de wind staat te blaten op de hoek” of “wat ik aanraak gunt mij geen blik”. En wat te denken van: “... Praatziek de paarden / als het gehinnik van hun ruiters.”
Hét middel bij uitstek dat de dichter, de magiër, de alchemist, de priester, hanteert is de beeldspraak. Deleu maakt er gul gebruik van.
Deze indirecte manier van spreken leidt sneller, efficiënter tot het doel: het onuitsprekelijke tastbaar maken, sfeer, intuïtie, gevoel overdragen op de lezer zodat die in dezelfde toon resoneert. Er is een moeilijk / quasi onmogelijk te definiëren overeenkomst tussen het beeld en het beschreven iets, een overeenkomst die de ratio overstijgt, maar daardoor juist des te dieper doordringt. Indien er geen raakpunt, geen verband is, belanden we in een chaotisch, surrealistisch tableau, dat slechts spektakelwaarde heeft. Een dichterlijke woordsjamaan gebruikt een beeld om te verduidelijken, niet om te verdoezelen.
Deleu beschikt over een uitgebreid beeldenarsenaal, dat bestaat uit vergelijkingen, ingezet met als, zoals: “ik heb de regen lief als vlinders”, “bloemen als tepels van licht” of ”rotsen zijn als tepels op een oneindig lijf” en vele andere. Of talrijke genitiefconstructies “speren van regen”, “een ladder van zon”, “de strandstoel van haar adem”.
Bijzonder zijn de uitgebreide samenstellingen (25), die als verrassende neologismen en originele metaforen kunnen gelezen worden: krekelstemmen, vingervlinders, schouderzee, knikkerogen enz…
Deleu vertrekt van het concrete, van wat hij ervaart, opmerkt, beleeft. Hij is geen introvert, gebruikt nauwelijks abstracte begrippen.
Op basis van zijn vocabularium lijkt hij een vrij nuchter iemand. Slechts een handvol termen (9) wijst in een andere richting: weemoed (4), droom (3), maan (2) of onrust en waanzin. Als je de losse woorden echter gaat verbinden ontstaat er een heel andere stemming: met vrij zakelijke termen brengt hij ons in een lyrisch-romantische sfeer. De idyllisch afgeschilderde natuur, de pastorale stemming, de liefde, het vogelmotief zijn modelmotieven.
Dichter Deleu heeft beslist een aanleg voor empathie, die hem in staat stelt om rechtstreeks contact te leggen met de essentie van dingen en mensen. “Ik zucht opgelucht met de wind mee”, elders: “ik ben een vlinder” of “ik dacht mij een vogel”. Hij schakelt zichzelf uit, luistert, kijkt, riekt, voelt en geeft hun het woord.
De eigenschappen die hij aan de door hem bewonderde streekgenoot Fernand Florizoone toeschrijft, zijn in zekere mate ook bij hemzelf terug te vinden: “…Een bijna mystisch verlangen naar eenheid, één zijn met het Goddelijke, de natuur, de mensen, het land dat leeft en leven geeft.”
In Deleus verzen klinkt ver weg nog een religieus klokje in woorden als Beeldenstorm, evangelium, monniken (2), huiskapel, heiligenbeelden, kruisteken of genade. In de talrijke vlinders, vogels en meeuwen die in de geest van Deleu zweven zie ik meer dan een teken aan de hemel, namelijk een archetype dat in de psyche doorwerkt, een symbool voor het loslaten van de materie. Schilder Georges Braque zag het juist: ““Tout ce qui est important dans l'art, se trouve au delà des paroles.” Het woord adem dat twaalf keer voorkomt, nauwelijks nog materieel is, wijst in de richting van de zoekende ziel, de geest. Begrippen als eindeloosheid, eeuwigheid, geest en stilte (3) versterken die indruk.
Deleu brengt romantiek op een natuurlijke wijze, met stijl, zonder clichés, kitsch of goedkope dromerigheid. Geen sentimentaliteit of expressionistische getormenteerdheid, geen melodramatische bastoon, wel een gevoelige eerlijkheid. Poëzie mag weer contact leggen, in gesprek gaan, raken, beroeren, zelfs ontroeren. Hij stelt zich niet kwetsbaar op, hij is kwetsbaar.
Deze sensibiliteit wordt gecounterd door een relativerende humor. Soms “krult het vuur zich dubbel van het lachen” of start een wulp “de show”. Paters worden als in een cartoon vergeleken met schapen “die als juffers opgejaagd / over het plein tippelen.” In het gedicht “Gedonder” wordt een blikseminslag als volgt uit de doeken gedaan: “Ineens laat de berg een knal / van een wind de hemel trilt”. En deze boerengrol eindigt met: “de berg herneemt zijn fatsoen.”
De dichter minimaliseert, ironiseert zijn eigen poëtische inbreng tot “woordjes in de oortjes”. Met een blik op een vlinder, beseft hij zijn vergankelijkheid: “Bezeten ontzind verliefd op elke bloem, / als een eindeloosheid, van korte duur.” Het dringt tot hem door “dat de zee mij niet eens meer ziet.” “En het water neemt je naam.” Hij beschrijft zijn einde: “… Opgebaard lig ik / als een mannelijke vis, met / droge lippen knikkerogen. / Schrei niet, gooi amorce en confetti.”
Deleu is een “Strandjutter”, die geen krabben in de mand heeft, maar wel vijftig schitterende vissen, die van gezondheid blaken: een edel natuurproduct. Hij lijdt niet aan wereldvreemdheid of poësitis, dat gesubsidieerd, autistisch navelstaren. Hij speelt niet de slimme jongen door zijn tekst en scène te zetten met intellectualistische of post-modernistische tics. Hij is (h)eerlijk, authentiek, deelt mee wat hij meemaakt(e). Ik geloof niet dat hij één zin geschreven heeft die hij niet beleefd heeft. Voor Deleu staat literatuur niet los van het leven: het is op de eerste plaats communicatiemiddel, op de tweede plaats muziek. Inhoud primeert op de vorm, schoonheid op innovatie en experiment. De schoonheid schuilt in de inhoud en de aangepaste verklanking. Een poëtische mededeling is maar boeiend als er werkelijk iets mee te delen valt. In een tijd waarin leegte de levens vult, de massificatie heerst, zijn er maar weinigen die het wagen van hun poëzie een spiegelbeeld te maken.
Deleu belicht de goede, mooie kant van het leven. De natuur, de zee en de liefde maken het mooie weer uit. Hij is “Bezeten ontzind verliefd op elke bloem, / als een eindeloosheid, van korte duur.” Leed, drama, verdriet, armoede, frustraties komen niet ter sprake (dood slechts eenmaal). Het duistere, donkere laat hij aan de kant. Hij is een man van de ochtend (6), de dageraad, de morgen (3), het volle licht, de volle zon. Met termen als jolijt, paradijs, vreugde, schaterlach, genot, genieten: geeft hij een positieve invulling van het leven: “het is goed in deze tijd / te proeven tot de bodem / de rijkdom…”
Hij gaat creatief om met zijn taalmateriaal en vindt het juiste evenwicht tussen taligheid en inhoud. Er schuilt een grote kracht in het virtuoze ciseleerwerk van zijn beelden. Lectuur moet mentaal genot verschaffen, een streling zijn voor de geest.
Zijn eenvoud en heldere verwoording besparen ons vermoeiend decodeerwerk dat de zin tot lezen ontneemt. Deleu kent perfect de juiste balans tussen lichtjes afwijkend taalgebruik en de lustervaring van de lezer.
De warme toon, de openheid voor dingen, dieren, land en mensen, treft.Dichter Deleu blijft verwonderd en dat is niet verwonderlijk want de sleutel hiervan ligt in een liefdevolle blik.
Hoewel de leefstreek van de dichter beperkt is, gaat er een weids gevoel van uit. De brede gezonde adem die door zijn verzen waait, kan de amechtige, kleine geesten in de grootstad reanimeren. Er lopen weinig strandjutters van die soort in de literatuur rond. Hun gevonden schatten worden nauwelijks nog aanvaard. De hand van de consumptiemens is er te klein voor geworden. Deleu weet dat: “Ik ben een vlinder van verleden tijd”: maar dit betekent niet dat hij uit- of afgeschreven is. Hij wil van alle tijden zijn en vereenzelvigt zich met het tijdloze: “eindeloos de zee in mijn mistige blik”.
Thierry is een man met beide voeten op de grond, maar die wel zalige, poëtische engelensprongen maken kan. In Strandjutter staan vijftig dergelijke woordvoltiges.
Wanneer “Heibel” in mijn bus valt, hoor ik de stem van een goede fee. Wanneer ik het nieuwe nummer lees, zitten op mijn frêle schouders engeltjes en duiveltjes. En hoewel ik mij vaak enerveer (of ook soms gefrustreerd voel), blijf ik het nummer doorlezen met een ijver en een gedrevenheid die ik voor andere bladen niet kan opbrengen. Waarom? Een moeilijke vraag of op zijn minst één vraag voor vele antwoorden. Ik probeer het.
- "Heibel" is een blad zonder blad voor de mond dat nagels slaat met koppen.
- "Heibel" is een onafhankelijk kritisch-satirisch-polemisch tijdschrift.
- "Ophef" wordt geredigeerd door generatiegenoten (lees +70-ers).
Uit deze drie informanten puur ik mijn antwoorden. Ik hou niet van mensen in die mij naar de mond praten. Ik hou niet van mensen die zich verkopen om “een slag te slaan”, of om “de kerk in het midden van het dorp te houden”, of om “de geveinsde waardering op te wekken van overheid en media” en “de sympathie van de collega’s”. Ik besef wel dat je met dergelijke houding geen prijzen wint, letterlijk noch figuurlijk.
Wat maakt je groot in Letterenland? Deze vraag wordt mij meestal gesteld door hen die geen flauw benul hebben van hoe groot “groot” is. Ik heb het al zo dikwijls uitgelegd en geargumenteerd, maar zij blijven het mij vragen. Laten wij aannemen dat het niet is om mij een plezier te doen en even met mij mee te lopen in het smalle literaire weggetje, dat grillig door de Lage Landen bij de zee kringelt.
Zij die mij deze vraag stellen, moeten natuurlijk (willen) lezen, daarom niet eens een volledig boek, indien zij bereid zijn om met gretigheid te bladeren in kranten, weekbladen en tijdschriften of op internet te surfen naar literaire online magazines, ben ik al tevreden.
In het Vlaamse Letterenland moet een mens op zijn woorden letten, zeker als het gaat over macht en centen. De machthebbers (die zich verstoppen achter structuren) zijn niet gediend met pottenkijkers zoals ik. Maar op mijn 71ste kan ik tegen discriminatie en verbanning indien het mijzelf betreft. Ook de collegialiteit onder de auteurs is niet voorbeeldig. Het zijn individualisten. Ze beconcurreren elkaar graag, maar ze verenigen zich niet graag. Nochtans “eendracht maakt macht”: macht in de vorm van inspraak, controle, medebeheer, beleid.
Erger: auteurs laten zich opnemen in vermelde structuren waar ze worden opgehemeld (mentaal als financieel), maar waar ze eigenlijk worden ingekapseld en geneutraliseerd. “Je kunt maar beter goede maatjes zijn met de bazen!” is hun argument.
Opnieuw zullen velen zeggen: die krasse knar is daar weer! Soit! Ik voel mij niet zo, maar ik ben ook geen jonge hemelbestormer meer!
Hoe word je “groot”? Onze ouders (die van mij toch, in de jaren ’50) zouden zeggen: door naar het bord te kijken! Zij bedoelden: door hard te studeren om later “voor de staat” te kunnen werken, dit biedt zekerheid!
Opleiding en werkzekerheid zijn zeker sterke troeven. “Plus kwaliteit,” hoor ik je met nadruk zeggen. Je maakt grote kans om een “groot” auteur te worden indien je geen imbeciel bent, goed je brood verdient en vast werk hebt.
Ik ben geen imbeciel, ik heb mijn boterham verdiend en ik “stond rotsvast in het onderwijs”. En toch ben ik geen “groot” schrijver geworden. (Of ik een goed schrijver ben, laat ik in het midden.) Neen, ik geef niet uit bij bekende (erkende) uitgeverijen, over mij wordt nauwelijks geschreven en gepraat in de nationale media, ik krijg geen ronkende recensies in vakbladen, ik word niet geldelijk gesteund door de overheid. In termen van maatschappelijke status: ik ben niet “groot”. Waarom is het mij niet gelukt? Ik had toch alles in handen om te slagen.
Wat had ik niet dat véél belangrijker is? Een gunstige wind! Toeval? Toeval bestaat niet, maar ik kwam nooit terecht in “gunstige omstandigheden”. Hugo Claus kwam Henri Vandeputte tegen, enkele kleinkunstenaars vonden genade bij Johan Anthierens, Magritte en Delvaux liepen Gustave Nellens tegen het lijf, Paul Snoek had veel te danken aan Anton van Wilderode en schurkte zich tegen Hugues C. Pernath… Wat ik wil zeggen, is simpel: via via is de juiste weg naar succes. Op één voorwaarde: de persoon die jou wil helpt, mag zelf niet hulpbehoevend zijn! Vele getalenteerde auteurs blijven ter plaatse trappelen, omdat zij een netwerk hebben opgebouwd van enerzijds “zuchtigen” - en daar is niets van te verkrijgen - en anderzijds komedianten die veinzen en valse hoop creëren.
Het is mooi als je met de nodige huisvlijt en vooral veel liefde aan je boek vijlt, maar het helpt je niet vooruit. Toch niet wat je naambekendheid betreft. En je weet: geen naam, geen faam, geen uitgever, geen subsidie, geen aankoop door de bibliotheken.
Wat betekent dit in de praktijk? Hopen op een gunstige wind? Op een mecenas? Op een “gearriveerde” die het met jou wel ziet zitten? Op een vriend die een vriend kent die bevriend is met?
Deze wereld is een komedie en een groot circus. Het leven is een spel, soms wreed, soms aangenaam, maar we spelen allemaal naar best vermogen. Ik word dit spelletje moe. Ik kan het niet langer aanzien hoe jonge debutanten en begaafde auteurs niet aan hun trekken komen, omdat ze niet behoren tot het establishment en/of het kleine kransje critici en academici en/of de literaire elite in Vlaanderen en Nederland. Waar zijn onze waarden? Waarom deze normenvervaging? Waarom geen transparant beleid? Waarom gen objectieve criteria? Waarom geen gelijkwaardige behandeling?
Het geld moet worden verdeeld over meer schrijvers, over alle schrijvers die kwaliteit leveren. Alles in het literaire wereldje is perceptie. Een goed boek kan helpen, maar het is geen voorwaarde om in de belangstelling te komen. Mooi en mediageil zijn, is even belangrijk. En dit laatste is niet evident: je moet een vriend hebben die een vriend kent die bevriend is met… En zo ontstaan er literaire fabrieken, zoals de fabriek Lanoye, de fabriek Brusselmans, de fabriek Moeyaert…
Ik voel mij geen loser van het zuiverste water, helemaal niet. Ik voel mij geen eeuwige belofte die maar niet echt doorbreekt in de literatuur. Ik ben al lang voorbij alle dromen en schaamte. Ik heb niets te verliezen. Ik hoef niet te vervallen in loos gebabbel of opgesmukte deftigheid om te behagen.
Zijn stompzinnigheid, egoïsme en een goede gezondheid de sterkste troeven om te slagen? Heeft Flaubert gelijk? Ik zou er ook grofheid bij vermelden. Spelbederf.
Conclusie: bijna in hoofdzaak worden enkel nog recensies gepubliceerd over boeken van “grote” schrijvers (je kent ze wel) en worden niet-gesubsidieerde auteurs stelselmatig genegeerd.
De pijp ligt klaar, Maarten wacht, geen tijd meer te verliezen: ik begin met de lectuur van "Heibel", 16de jaargang, nummer 1, februari 2011. Omdat “de pijp aan Maarten geven” bij ons ook “sterven” betekent of “het niet overleven van de maand maart”, moet ik voortmaken.
De cover spreekt boekdelen: Walter van den Broeck wordt het nieuwe “slachtoffer”. De papieren zijn opgemaakt, de pleidooien kunnen worden gehouden, de conclusies kunnen worden getrokken.
Het dossier is volledig: het telt 42 bladzijden en de hoofdstukjes hebben ludieke titeltjes, zoals “De pudding is gekabbeld”, “Subsidies hier, subsidies daar, subsidies overal”, “Jij ook een Valiumpje, Walter?”.
Meester Frans Depeuter heeft het woord. Terug naar Walden loopt op krukken. Het boek verzuipt in een rommelige berg van onbenullige verhaaltjes; er worden lepels gebruiksklare grutten in geklutst, het bestaat uit een resem houterigheden. Zijn besluit staat vast: Terug naar Walden is compleet ongeloofwaardig ‘geliteratuur’.
Ook Dirk Leyman heeft het in “De Morgen” over “een rommelig kettingverhaal”, met “wriemelende, potsierlijke personages”. Een andere recensent die niet meezong, is Frank Tubex die in “Vlaanderen” (februari 2010) spreekt over “een zekere stroefheid”.
Als Bredero wordt opgevoerd, is het hek volledig van de dam. Het verleden van Van den Broeck laat een heel andere mens zien: eerst tegen en nu fervent voorstander van subsidie. Ook zijn mening over heiligen en heilige huisjes, over het literair patrimonium, over Gerard Walschap, over Hugo Claus, over Paul Snoek is 180% gekeerd.
O, wat hoor ik graag Depeuter verkondigen dat hij “afkeer heeft voor schone schijn”.
Met weemoed herinnert Frans zich de leuke momenten met zijn vriend Walter. Hij was de lolbroek, Robin Hannelore de spotter en Frans de loodaars, drie volkse belhamels.
Maar het kan verkeren, zei Bredero. Na 8 nummers (in 1966) stapte Van den Broeck uit “Heibel”. Hij vond (of hij had ze al) nieuwe vriendjes, onder wie Weverbergh, Jeroen Brouwers. Walter werd zelf “een heilig huisje” en viel gretig in de prijzen. Toch moest hij kritiek slikken, bv. van Jaap Goedegebuure die de roman Gek leven na het bal “flauwekul” noemde.
Tussen Depeuter en Van den Broeck zijn ondertussen wat haren in de boter gekomen. Walter is in 2010 niet bereid om zijn deel van de briefwisseling tussen beiden samen te publiceren in één boek.
VDB is links en stamboeksocialist. Walter is voor het “werkvolk”. Hij volgde echter de strategie van Snoek die indertijd drie partijkaarten had, kwestie van zeker prijs te hebben. Hannelore en Depeuter zijn opgegroeid in een katholiek nest, gingen naar een katholieke school. Beiden gingen later de Vlaamse toer op. Walter zag nogal snel in dat hij zich in hun gezelschap beter niet meer vertoonde.
VDB veroverde “Humo”, maar na tien jaar was de liefde wel wat geluwd. Skyline Entertainment zou wel Groenten uit Balen willen verfilmen. Waarom niet? Het is een goed boek.
Ik sluit het diagonaal lezen van VDB’s dossier af met Depeuter die schrijft: “Er zit te weinig vaart in het boek. Het geraakt niet van de grond.”
Spotter Robin Hannelore heeft het over zijn dierenroman, De oude Schrijver en de Eekhoorn. Woonplaats van de eekhoorn: de eik voor zijn deur. De schrijver: Hannelore zelf, eigenaar van een grote notenboom in zijn tuin. De reusachtige (200 jaar oude) eik werd geveld, hoewel de schrijver beroep had gedaan op de duurzaamheids- en mobiliteitsambtenaar. De eik werd geveld zonder vergunning. Robin schrijft: “Geef een Grobbendonkenaar een zaag en al wat in zijn weg staat, moet er aan.”
Johan Sanctorum, mij goed bekend, leidde - voor een publiek van vrijzinnigen - de tentoonstelling in van “Cartoons van Erwin Vamol” in de bibliotheek van Vilvoorde. Hij heeft enkele faits-divers uit de recente actualiteit geselecteerd en verpakt in drie stellingen.
De vrijzinnigen zijn de strafste katholieken en omgekeerd.
Veelvuldig knipogen kan tot blindheid leiden. Hier denkt Sanctorum in de eerste plaats aan de Wetstraat.
De beste cultuurminister is helemaal geen cultuurminister. “Wij hebben behoefte aan een incompetente cultuurminister,” zegt Johan, “een minister die geen last heeft van te veel sectorieel geroezemoes, zodat hij of zij de heren en dames cultuurdragers durft op hun plaats te zetten.”
Nagels met koppen van een eeuwige, maar sympathieke dwarsligger. Ik hou er ook van om tussen alle mazen van alle netten te glippen: Al Quada, de CIA, de Loge, Opus Dei, het Paleis, de Belgische politieke correctheid, de beroepsfederaties, de banken en de vakbonden.
Bart de Man pelt dan een eitje met Tom Naegels. “Heibel” publiceert de tirade van De Man over het fenomeen stadsdichters (overgenomen uit Knackblog van 24 september 2009).
“Wat heeft Tommeke toch dat ik niet heb?” vraagt Bart zich af. Hij vindt snel het antwoord: “Oogkleppen!”
Bart kan het niet pruimen dat Naegels het Beleg een jeugdroman noemt. Leyman in “De Morgen” spreekt van “een losse verhalentrommel met soapallures”. Neagels zegt dat hij de multiculturele roman heeft uitgevonden. Amai, mijn ratje! Bart is er niet over te spreken: “Naegels Tom is geen schrijver, maar een kolommenvuller van streekblaadjes.”
Staf Versweyveld valt in mijn gratie als hij schrijft dat Brusselmans “doodvermoeiende, doorvervelende leuterboeken schrijft.”
Tussenin deze bijdrage staat ingelijst een tekstje van Frans Depeuter (hij wil overal zijn neus tussen steken, of hoe dicht je komt bij “neuspeuteren”), maar ik moet toegeven: ik was aangenaam verrast dat ook hij zich eens afzette tegen De Post.
“De Post je vriend!” Ja, hoe vriendelijker de facteurs worden, hoe later ik mijn post krijg of helemaal niet. Frans schrijft: “ November vorig jaar stuurde ik 'Heibel' naar Thierry Deleu met de adresmelding Zandzeggelaan 18, 8670 Oostduinkerke. De zending werd geretourneerd, omdat de persoon “onbekend” was. Via contact met Thierry kwam ik te weten dat zijn brievenbus het nummer 102 droeg, zodat het volledige adres Zandzeggelaan 18-102 was. Tot dan toe had 18 nochtans altijd volstaan… Maar, ja, De Post is mijn vriend.”
Eindelijk ben ik gearriveerd bij Julien Vangansbeke. Generatiegenoot. Oud (75), maar hij blijft “hersentjes met appelmoes” serveren.
Hij vertelt over de broers en Latemse schilders Leon en Gust De Smet, over het tijdschrift “Deus ex machina” dat royaal wordt gesteund door de Vlaamse Gemeenschap, over de liefde die hij kreeg/krijgt van zijn ouders, zijn vrouw, zijn kinderen en kleinkinderen, over zijn behoefte om nog eens zijn eigen gedichten voor te lezen, over dichtersleed. Over dat laatste “leed” wil ik even uitweiden.
“Julien, wij zijn oude knarren geworden (wij, d.i. Frans, Robin, jij en ik), knarren met een a, geen knorren met een o, die minachtend hun hartje ophalen voor recensenten en bloemlezers. Onze naam heeft weliswaar nooit op een affiche van een groot poëziefestival geprijkt, maar het genoegen dat wij hebben beleefd aan het voorlezen op minder belangrijke poëzieavonden in vele Vlaamse steden en gemeenten, maakt (bijna) alles goed.”
Eenmaal stond ik geprogrammeerd voor het poëziefestival van Aalst (1972?), eenmaal kreeg ik een werkbeurs van 50.000 frank van wijlen Walter Debrock (toen administrateur-generaal dienst Cultuur), eenmaal stond ik naast Paul Snoek en John Lundström in het Zeepreventorium van Den Haan, dit zijn enkele uitschieters, ik rateerde eens een (toegezegde) reisbeurs naar Spanje (ik vermoed dat Ferket mij toen heeft geschrapt), voor de rest schreef ik (honderden keren) voorwoorden, verzorgde inleidingen, schreef teksten voor politici die geen bal afwisten van literatuur of beeldende kunsten.
En ja, Julien, ik kan mij ook behoorlijk ergeren aan het Nieuws en aan duidingprogramma’s. Ik hoor veel leugens in het thema ‘Werkelijkheid & Waarheid’.”
Was het vroeger beter dan nu?
Ik ben het ook eens met Vangansbeke als hij schrijft dat meester Vermassen op het parachuteproces “op pater Vuylsteke leek die in mijn jeugd jaarlijks vanop de preekstoel van de dorpskerk de beminde gelovigen de stuipen op het lijf joeg met hel en verdoemenis.
Nagels met koppen als Depeuter schrijft dat Mieke Van Hecke (zeg liever Mie), die niet afkerig staat tegen het geven van islamonderricht in de katholieke scholen, nooit zal tolereren dat die “heiligschennende” zedenleer in haar scholen zal worden gegeven. Zij schaart zich dan weer achter het vaandel van André-Joseph Léonard die graag meer nadruk zou willen leggen op verhaaltjes van de os en de ezel, het water dat in wijn veranderde, de opwekking van Lazarus, de redding van de kuise Suzanna.
Eindelijk, op blz. 85, een innovatie in de (herboren) “Heibel”: in elk nummer zal één dichter aan het woord komen, in dit nummer de Noord-Nederlander Harry M.P. van de Vijfelijke (°1946). Acht gedichten en een korte inleiding. Is 8 de max?
Joris van Hulle (dag, Joris, collega, zowel in onderwijs als op Onderwijs, lees school, Onderwijskabinet en katholieke -cel ten tijde van Vlaams minister Luc Vanden Bossche), hou zee!
Joris leidde op 17 oktober 2010 de nieuwe roman van Egbert Aerts, Het intieme script in tijdens de presentatie in Sint-Niklaas. Wanneer hij zegt dat Aerts “zijn eigen weg ging binnen de Vlaamse literatuur”, dan weet ik hoe laat het is: een Einzelgänger binnen onze literatuur wordt gedoogd, maar niet bemind (weinig gerecenseerd? Niet of bijna niet gesubsidieerd? Weinig aangekocht door de bibliotheken?)
Jaak Peeters lamenteert over ganzenpen, metalen pen (inktpen), balpen, het toetsenbord van de computer. Volgens hem bestaan er twee soorten scribenten: zij die de ganzenveer van toen met grote vaardigheid weten toe te passen enerzijds en anderzijds zij die verwijlen in een gedachtewereld en waarvoor de pen een gereedschap is. Bedoelt hij hier de dichters en de schrijvers? De kunstenaars? Ik bewonder, met Peeters, “de meesters die, naast de technische vaardigheid van het schrijven, ook nog hun meesterschap demonstreren in het bewandelen van de geestelijke wereld.”
Voor de tweede keer krijg ik het vermoeden dat Frans Depeuter de Kerk heeft verlaten. Niet zijn geloof, maar het Instituut. Hij is niet (meer) gebukt onder het gezag van de paus. Hij zou abortus provocatus goedkeuren indien het zou gaan over zijn verkrachte kleindochter van 16. Hij is voor waardig sterven (palliatieve zorgen en euthanasie).
Staf Versweyveld treurt om Jan Wauters, Harry Mulisch, Eric De Volder, Henri Van Daele, Elly Overzier en Marie-Rose Morel.
Iets verder in het nummer schrijft Staf in zijn vaste bijdrage “Over mannen en vrouwen van toen” over Stijn Streuvels en de o zo katholieke Maria Rosseels,
Met Frans deel ik de mening dat Bracke “Bracksels” vomeert. Als Logeman, ex-VRT-er, Humo-rist, SP-lid, NVA-volksvertegenwoordiger. Ook De Wever wordt bang: “Telkens hij zijn mond opendoet, gaat er en procent voor de NVA af.” Ook Marleen Temmerman “knijpt haar benen dicht”.
Op pag. 117 (ja, ja, “Heibel” telt 122 bladzijden, wie doet beter?) bespreekt Julien Vangansbeke in “Leeslint” de boeken Leven in twee werelden van Frank Seberechts en Frans-Jos Verdoodt (boeiend), Bewogen en beproefde jeugd in het Derde Rijk van Guido Becarren, Op hoop van zonnezegen van Mark van Tongele (soms beklijvend, soms te moraliserend) en Kieken zonder kop van Raf Goossens (een rasechte Vlaamse verteller).
“Heibel”, 16de jaargang, nummer 1, februari 2011, is een steengoed nummer, bijtend, (op)boeiend, sarcastisch, raak, soms eenkennig, striemend. Eigenschappen die je alleen in “Heibel” terugvindt!
7 juni: Stemdag! Op wie? Voor welke partij? Vlug mijn fiets genomen en naar het stemhok gereden waar het allemaal in nog geen twee minuten geklaard was. En dan hoor je ze, de kennis van om de hoek of enkele straten verder: Voor de goei gedaan? Wie zijn de goei? Als je elke dag ziet wat er in dit kleine Belgenland, amper een voorschoot groot, gebeurt. Aan elke partij zit een reukje. In elke partij liggen rotte appels voor het rapen. De dans der dwazen zal weer even vlug gepasseerd zijn, als anders. Hopelijk zo vlug mogelijk, want ik heb allang genoeg van al het beloven en niet uitvoeren. Maar ze blijven doorgaan, tot ze aan het gaatje zijn. Zielig. Belofte maakt schuld, een spreekwoord met een waarheid als een koe. Maar wie ligt ervan wakker? Alles kan en alles mag de dag van vandaag en als je niet 'modern' genoeg bent, word je sowieso uitgeveegd want dan ben je 'conservatief'. Laat ons alsjeblieft niet wakker liggen van de 'zakkenvullers'. Politiek is aan mij niet besteed. Ik doe wat ik moet doen, maar als ze op mijn teen trappen trap ik terug. Zo is dat. Zo heeft men de mens gemaakt.
De drukte van het stemhok en de kwalijke geurtjes die daar heersen op zo'n dag heb ik vlug achter mij gelaten, want het is 'vaderdag' vandaag. Jammer genoeg moest ik mijn vaderdag op het kerkhof vieren waar ik pake vlug een bezoekje bracht en hem enkele lieve woordjes toefluisterde. Ik weet zeker dat hij me gehoord heeft, ginds ergens tussen de wolken of misschien wel in mijn hart, want waar ligt die hemel eigenlijk verborgen? Voor het 'kotje' waar de twee urnen verenigd staan, heb ik woorden gezegd die wél gemeend zijn en die ik wél kan nakomen. Gelukkig maar. En de politiek: de pot op ermee!
Er is zoiets als vergankelijkheid. En soms doet het verdomd zeer. Prutske, mijn lieve grijze kater van bijna zeventien is niet meer. Een tijdje geleden kreeg hij mondkanker. Ik stond er op hem te verplegen. Wat was hij toch zielig geworden, de schat. Hij had geen pijn, maar voelde zich vies en overbodig, want Pruts was zeer gesteld op hygiëne. Zijn witte halsje en pootjes blonken altijd in de zon, zijn grijze vacht lag altijd in de plooi. Maar de kanker hield hem in zijn greep, deed zijn keeltje dichtslibben zodat hij bijna stikte. Zoiets mag niet. Dus brachten we Prutske naar zijn arts, die hem jaren heeft geholpen.
Op maandag 22 december hebben we hem laten inslapen. Hij rust nu onder de moerbeiboom achteraan in de tuin waar ook zijn broer Bolleke en onze lieve hond Ploef rusten. In de lente zal hij bloeien, die mooie boom met vreemde kronkeltakken en ik zal voor hen een lied zingen terwijl ik de was ophang.
Slaap maar zacht verder, lieve Pruts. We missen je, maar zijn meteen ook blij dat je eindelijk uit je lijden verlost bent. We zeggen niet: 'ach, 't is maar een kat... 't is maar een dier'. Dat zouden we nooit kunnen omdat een dier zo onvoorwaardelijk is, los van alle onrechtvaardigheid in de wereld. Bedankt Pruts voor je jarenlange trouw en vriendschap. Ik zal je heel erg missen, vooral wanneer je op mijn buik kwam slapen als het TV-tijd was.
Slaap onder de moerbeiboom. Wandel van tijd tot tijd eens van ster naar ster, samen met Ploef en Bol en Putske, maar ook met moeke en pake, die er ook al niet meer zijn.
Samen met mijn dochter ben ik vandaag naar Gent geweest. Het moest er eens van komen. Te lang heb ik een zieke vader verpleegd, gevoed en te drinken gegeven. Te lang heb ik naast zijn bed gezeten en naar zijn ademhaling geluisterd, angstig voor het moment dat die ademhaling zou stokken. Op 20 november is hij overleden. Hij kon het niet meer zeggen, maar ik weet dat achter zijn gesloten ogen het woord 'eindelijk' geschreven stond. Ik zag het gebeuren bij de verzorging. Zijn ogen waren zijn ogen niet meer. Ik heb vlug zijn hand gepakt en tegen mijn hart gedrukt. Dat was het laatste. Sindsdien heb ik nog niets over hem kunnen schrijven. Het is als lood in mijn hart dat nog niet vloeibaar is. Maar het zal komen, ik weet het. Nu nog niet, ik heb tijd. Ik mis hem. Mijn lieve, oude papa, kameraad van het eerste uur. Ik kan dit gemis nog niet ten volle plaatsen. Nu nog niet, maar het zal komen...
'Moeke, je moet er eens uit,' zei ze. Dus, samen naar Gent, zoals ik al zei. Feestverlichting, lachende mensen, draaiende paardenmolens, sfeervolle muziek... Lekker gegeten in een Turks restaurant en dan te voet naar het poëziecentrum. Een bezoek aan Gent draait altijd rond boeken én poëzie. We kunnen nu eenmaal niet zonder.
We sloegen een straat in die we niet kenden. Hoge, oude, gerestaureerde gevels in frisse kleuren. We keken, becommentarieerden, voelden ons gelukkig als twee kinderen, een ouder en een jonger kind. Twee handen op één buik, niet alleen moeder en kind, maar vriendinnen voor het leven.
Staan we daar plots oog in oog met een jongeman die zegt: 'Excuseer, mag ik jullie iets vragen? Heeft u voor mij 60 cent. Tegen vanavond moet ik 4 euro bij elkaar krijgen om een slaapplaats te kunnen betalen, maar ik heb 60 cent tekort.'
We kijken elkaar aan, weten niet wat gezegd. 'Weet je wat,' zegt dochterlief, 'neem maar alles'. Waarop ze in haar jaszak graait en om en bij de 2 euro opdiept. Voorzichtig legt ze het stapeltje in zijn uitgestoken hand. Hij bedankt ons hartelijk, er zit een glimlach in zijn ogen. Hij stapt weg. Kijkt zelfs niet naar wat er in zijn hand zit. Plotseling is hij weg. Met hem het licht dat er even was.
We staan nog altijd op dezelfde plaats en kijken elkaar aan. 'Begrijp jij nu zoiets?' vraag ik. 'Zestig cent, niets meer, niets minder. Gewoon zestig cent.'
We vervolgen onze weg. Tellen ondertussen een zestal bedelaars, maar die ene met zijn grote, donkere, maar eerlijke ogen blijft ons bij. 'Het leven zit raar in elkaar,' zeg ik. 'Dat is waar,' zegt mijn dochter. 'Maar die jongen zal vanavond toch in een bed liggen.'
Misschien is het niet veel, maar het is tenminste iets. En de hele wereld kun je tenslotte niet helpen.
Zaterdag 13 september
2008. (verjaardag dood van Ploefke, mijn lieve, kleine hond)
(geschreven op 6
sept. 2008 om 21 u. ’s avonds en toegevoegd aan ‘Liefdesbrieven creatief
schrijven – ergens blinkt voor hem een sterretje)
Lieve Ploef,
Een jaar ben je er
nu niet meer. Om exact te zijn, 13 sept. 2007 om 8.30 ’s morgens, je kopje op
mijn knie, blies je letterlijk en figuurlijk je laatste zucht uit. Je ging
zo licht als een veertje, je oogjes gebroken, je bijna zestien jaren van
onvoorwaardelijke trouw als een – voor even nog – warme klomp aan mijn been
gekluisterd.
En toen, plots, was
je er niet meer, of toch…
Ik luisterde, mijn
oor op je borst…
Ik heb mijn tranen
toen op je poot gelegd en werd daar in die ongemakkelijke houding, half
weggedoken onder de tafel, hond met jou.
Je lieve poot,
waarmee je soms aan mijn been krabde, of vroeg om een plas te doen, gleed
omlaag, bleef daar liggen.
Ik heb je toen
opgepakt, je in de zetel gelegd, en je toegedekt als een kind. Het moést zo. En
niemand mocht er om lachen.
Achteraf hebben we
je in een kistje gelegd dat mijn man nog vlug voor je timmerde. Helemaal zoals
het hoort. Het moést weer zo. En niemand…
Samen hebben we je
achter in de tuin begraven. Weet je dat nog?
Ja, je weet het, ik
voel dat je het weet.
Je met witte
keitjes bedekte plaatsje in de boomgaard, bij de moerbeiboom waaronder enkele
kippen scharrelen, licht op in het late zonlicht van deze vreemde
septemberavond.
Ik hang de was op
en neurie ondertussen het lied dat ik altijd zing als ik langs de stroom naar
Vlassenbroek fiets:
Ploefke ikke en gij
We zijn er geren bij
We hebben gene schrik
Van de grote stouterik
Ploefke ikke en gij
We zijn er geren bij
We zullen na de noen
Nog een toereke doen
Je loopt altijd
voor me uit, klein en zwart, je buikje rond en zwaar van de kankercellen die je
lever verteren, je op en neer wippende flapoortjes als twee kleine
vliegtuigvleugels dansend in de wind.
Je was en bent nog
steeds de liefste hond die iemand zich wensen kan. Eigenwijs, nukkig soms,
toehappend als iets niet ‘in je kraam paste’, maar oneindig trouw en echt.
Daarom deze brief
aan jou, ginds in de hondenhemel als die al mag bestaan.
Is het toegelaten
dat ik het vandaag zo moeilijk heb? Dat ik zo triest ben om je afwezigheid? Dat
ik je voel tot in de engste hoek van mijn lijf. Zou het iets te maken hebben
met dat ‘hond worden met jou’ en de tijd die terugkeert en zich wentelt in de
herinnering aan een ogenblik, een intens moment dat als een afdruk op netvlies
achterblijft?
Ik weet het niet.
Wat ik wel weet is dat ik aan je denk, je mis, je nog eens in mijn armen zou
willen nemen en je een lieve zoen geven.
Laat me maar met je
meestappen tot waar de horizon geen horizon meer is maar een baken, een warm
beschuttend nest waar we beiden in wegkruipen en ons met de met sterren
bezaaide hemel laten toedekken.
Patricia De
Landtsheer schrijft voor alle leeftijden. Vooral dieren krijgen
in haar verhalen een bijzondere plaats. Daar is hond Ploef het bewijs van.
Patricia heeft ook iets met heksen. Of het nu kleine of grote heksen
zijn, het maakt niet uit. Van zichzelf denkt ze dat er ergens een vreemde
kronkel in haar hoofd moet zitten. Zo praat ze soms zelfs met de bomen en het
water. De Schelde waarmee ze is opgegroeid, is haar trouwste vriend. De
meeste van haar verhalen spelen zich dan ook binnen haar onmiddellijke
leefwereld af. Voor de wat oudere lezers behandelt ze vaak thema’s, zoals
racisme, drugsverslaving, heksenvervolging en de Tweede Wereldoorlog. In haar
boeken staan vriendschap en verdraagzaamheid centraal.
Patricia geeft jaarlijks heel wat lezingen in scholen. Je kunt haar
hiervoor altijd contacteren. Haar grootste wens: nooit meer oorlog en overal lachende
gezichten.
Het begin: Patricia begon in 1979 met
gedichten bij uitgeverij Scribae – Antwerpen. In 1983 kwam haar eerste roman
op de markt: ‘Vluchtheuvel’. In 1986 haar tweede roman onder de titel
‘Sporen’ bij uitgeverij De Nederlanden Antwerpen. Na deze twee uitgaven
belandde ze in een periode van inactiviteit wegens ernstige
gezondheidsproblemen. Zij werkte als freelancer bij uitgeverij Averbode voor
Zonnestraal, Zonneland en De Stipkrant. In 1993 verliet zij dit circuit na
haar debuutjeugdboek bij uitgeverij Clavis. Sindsdien publiceert zij bijna
jaarlijks een nieuw boek.
Enkele titels: Nog even naar Jan(debuut
jeugdboek), Ploef, Ploef en het Ruisbeest, Ploef in de Kerstnacht, Ploef vist
het uit, Heikje heks, Heikje heks help een handje, Heikje heks in het
Trollenbos, Heikje heks reist in de tijd, Heikje heks en de wonderviool, Ze
zeggen dat ik stink, Licht uit Spots aan (een doe-theaterboek), Gekke Mon,
Egel Snuit, De grote oorlog van Martinus, Aan het einde van de tunnel, Bewaar
altijd een stukje brood, Mimi, De wereld van het wonder, Het andere uur, Het
heksenveld, De heksen van het Blaasveld.
Vanaf haar
prille jeugd voelde
Patricia zich aangetrokken tot alles wat met poëzie te maken had. Zij las, en
leest nog steeds, poëziebundels als een boek. Zij vult de leemten op tot een
verhaal ontstaat dat rond is en de lezer met een zoet gevoel achterlaat, ook
al is hier geen verklaring voor. Voor Patricia hoeven er niet altijd
verklaringen te worden gegeven. Volgens haar is de interpretatie van een
gedicht voor iedereen persoonlijk en onbetwistbaar. Een woord dat haar raakt
kan aanleiding geven tot het schrijven van poëzie. Een momentopname, soms
vluchtig waargenomen, eveneens. Vaak zijn het beelden die op het netvlies
verankerd blijven om later uit te groeien tot een veel groter geheel, soms
zelfs tot een boek. Tot voor kort beweerde Patricia van zichzelf geen dichter
te zijn. Met haar debuutdichtbundel ‘De zoete zucht der dingen’ bewijst zij
echter het tegendeel. Poëzie biedt soelaas in momenten van ontreddering en
verdriet. Toch bedrijft zij poëzie nooit als therapie. Eerder betekent zij
voor haar een thuiskomen, iets dat heelt en zalft en ons achterlaat met een
onverwoordbaar zoet gevoel.
Andere
bezigheden: Vanaf
de start van haar schrijverschap heeft Patricia getracht het grote woord
‘vriendschap’ te laten doordringen in haar boeken. Wanneer zij een boek (of
poëzie schrijft, moet zij voeling hebben met haar personages, zelfs met de
omgeving waarin het verhaal zich afspeelt. In haar gedichten werkt zij vooral
met metaforen. De mens staat centraal en in onmiddellijk verband met de
natuur. De mens, maar ook de dingen zijn onlosmakelijk verbonden
met tijd en stilte. Binnen het
gedicht krijgen zij een bijna tastbare betekenis.
Patricia De Landtsheer wordt veel
gevraagd voor scholen, culturele centra, bibliotheken, verenigingen. Haar
lezingen voor het jonge publiek combineert zij met verteltheater zoals: Ploef
is terug (verteltheater voor de eerste graad van het basisonderwijs), Heikje
heks (verteltheater voor de tweede graad van het basisonderwijs), De wereld
van het wonder (verteltheater voor de derde graad van het basisonderwijs,
voor de eerste graad van het secundair wordt dit verteltheater gekoppeld aan
een lezing over poëzie of een workshop rond poëzie), De tweede wereldoorlog
(lezing gekoppeld aan een getuigenis van een kampoverlevende of een
ondergedoken joods kind vanaf het zesde jaar basisonderwijs: boeken in dit verband: De grote
oorlog van Martinus (uitg. de Vries-Brouwers), Bewaar altijd een stukje brood
(uitg. de Vries-Brouwers) Mimi (uitg. de Vries-Brouwers), Aan het einde van
de tunnel (lezing gekoppeld aan een getuigenis van een ex-drugverslaafde),
lezingen i.v.m. rouwverwerking bij jongeren: Het andere uur (uitg. de
Vries-Brouwers), Voor 1ste, 2de, 3de, 4de
lj. Basisonderwijs samen of afzonderlijk: De Fruitfuif (duo dialoog: actrice
+ muzikant). Het heksenveld en De heksen van het Blaasveld (lezing over
heksenvervolging over de heksen van Dendermonde en de geschiedenis van
Dendermonde, doelgroep 3de graad basisonderwijs, 1ste
graad secundair).
Poëzie en
workshops: bundel
‘De zoete zucht der dingen’
uitgeverij Berghmans Uitgevers 2000 Antwerpen, Kleine markt 4 bus 5. Naast
deze bundel werden gedichten van Patricia’s hand ook opgenomen in
bloemlezingen. Je kunt Patricia contacteren voor een workshop poëzie of
verhalen schrijven (zie info website)
Sinds 1998 is Patricia de organisator
van Vlassenbroek-Poëziedorp een
tweejaarlijks grootschalig poëzie- en kunstgebeuren en van Gedichtendag Symbiose Dendermonde
waaraan een jaarlijkse wedstrijd is verbonden (info op 052/211180 of mail).
Bijkomend: Scholen kunnen met hun
klas(sen) een uitstap maken naar het Land
van Heikje heks. De schrijfster komt dan ter plaatse in Vlassenbroek waar
de boeken van Heikje zich afspelen en maakt een wandeling met de leerlingen.
Achteraf kan iets genuttigd worden in de kunstentaverne De Kleine Notelaar te
Vlassenbroek 222, Baasrode – Dendermonde. De schrijfster vertelt. Vooraf
telefonisch of schriftelijk af te spreken.
Info hierover
vindt u op www.patriciadelandtsheer.be
(onder het luik varia, link maken naar de verschillende programma’s)
Telefonisch
bereikbaar: 0494/60 19 61 of 052/21 11 80 (Patricia De Landtsheer)
In zijn inleiding schrijft essayist Erik
Vermeulen dat mensen en de natuur centraal staan in de
gedichten van Patricia De Landtsheer. Vaak gaan ze in een en
hetzelfde gedicht hand in hand. Mens en natuur, steden én
gedichten…Alles situeert zich in de Tijd. De mens beseft wat
de tijd in se is en is er soms bang voor, zoals in het vers:
‘Wij zijn tijdvreters met bange blik
volgen we het aureool van de zon’.
In de gedichten krijgt alles een plaats,
zelfs de terreur. Met dit poëziedebuut bewijst Patricia
ruimschoots een kritisch waarnemer te zijn van de dingen zoals
zij op haar afkomen en zoals zij ze ervaart. De stilte die tot
het laatste gedicht aanwezig blijft, zalft en heelt en laat
ons met een zoete zucht achter.
Berghmans Uitgevers
ILLUSTRATIE
: MARIJKE MEERSMAN
FOTOGRAFI E: PAUL DE MALSCHE
Ik stapte met mijn Ploef, heerlijke, kleine straathond (nu bijna zes maanden overleden) over de dijk. Bezocht elk plaatsje waar ik met hem had gelopen. Geen boom bleef gespaard voor zijn machtig waterstraalobject, geen grasspriet die hij niet heeft ondergesproeid.
Ach Ploef, wat mis ik je. Hoe graag zou ik je in mijn armen houden, je knuffelen, je met mijn liefde overstelpen tot je bijna geen adem meer hebt. Jij, die me telkenmale tot de orders riep als ik het weer maar eens niet meer zag zitten. En ja, wat zal ik zeggen, nu zie ik het minder en minder zitten en er is geen Ploef, geen hompje hond dat zegt: 'Kop op meid, hier is het leven en jij moet erdoor. Kijk naar mij, blaf desnoods, maar leef! Verhef dat hoofd van jou ook al doet het verdomd pijn en lijkt de wereld op zijn kop te staan!'
Toen zag ik hem verdwijnen in de nevels boven de stroom. Het deed me zowaar aan de styx denken. Maar er was geen styx te bekennen, gelukkig. Enkel Ploef en moeder. Hij leidde haar veilig naar de overkant. Zonder mijn Ploef, mijn zielig hoopje hond aan het eind van zijn leven, zou zij er toch nooit geraken, dement als ze was voor ze tenslotte stierf, maar hij, ho maar, hij reikte haar zijn poot en ...
Ik heb je daar in mijn hart gesloten, je gevoeld met alles wat aan en in je is, een homp, een klomp, een bundel liefde waar jij met mama middenin zit. Nu draag ik je overal mee en laat je nooit meer los.
Was dit Pasen? vraag ik me nu af terwijl ik dit schrijf. Natuurlijk, want Pasen is leven... met Ploef en mama.
Vreemd soms hoe indrukken zich vermengen met gevoelens, maar hier aan mijn kleine Notelaar in Vlassenbroek, thuishaven voor gelukkige, ongelukkige, nog niet aangekomen, maar ook reeds gestrande zielen, is zoiets niet zo vreemd. Tenminste, dat denk ik.
Ik parkeerde mijn karretje naast de vijver, stapte geruisloos - bijna vanwege de kiezels want de stilte was hoorbaar - naar de voordeur, stak de sleutel in het slot - klik, klik - opende, ging zitten, keek naar het kleine raam waar mijn boom is verdwenen en hoorde het...
Een vogel. Zijn heldere stem drong in mijn oor. Zou het dezelfde vogel zijn van toen de boom er nog stond? Ik vroeg het me af. Wat hebben mensen toch met de natuur als ze hun huis moeten verwarmen, maar hun mazouttank niet willen aanspreken omwille van het 'geld' dat in rook opgaat. Moest mijn boom daarvoor boeten?
Wrevel sloop in mij binnen toen ik dat heldere gekwinkeleer hoorde dat me naar buiten lokte. En ja, ik zag hem zitten in een andere boom bij de vijver. Zijn kraaloogjes boorden zich in de mijne en een ogenblik zag ik niets meer dan die ogen. Ik wrong mezelf in zijn kopje, nestelde me achter zijn kralen en zag mezelf staan, in het eerste zonlicht van de piepvroege lente en ik dacht... ' dit wordt mijn boom, van hier zal ik de mensen en de wereld bezingen en niemand die me zal verjagen'.
Floep, weg was hij en ik stond weer op mijn zelfde plaats, in het zonlicht, met de blauwe lucht boven me en ik dacht: 'vreemd, hoe indrukken zich vermengen met gevoelens, hoe alles wat met tijd te maken heeft, bezit van ons neemt, en hoe herinneringen de schakels worden van het leven'... altijd verder...altijd verder...
In
dunne slierten drijft mijn adem voor me uit, tekent de lucht met zo weer
vervagende wolkjes. De vrieskou bijt in mijn wangen.
Het
dijkpad is nauwelijks zichtbaar tussen het rossig opgeschoten gras. De
geluiden, soms schril van één of andere vogel die voor me wegvliegt, dringen
scherp tot me door. Verder is de stilte alom. Eén grote, grijze, mistige
lappendeken die mij omvat.
Bomen,
rondom het afdalende pad verspreid, dragen gelaten hun door sneeuw beladen
takken en zenden een vreemde ritsel doorheen de verlaten omgeving.
Ik
bemerk dat het huis alsmaar kleiner wordt. Slechts het rode pannendak met de
violette in lood gevatte ramen blijven duidelijk zichtbaar. Het krakende geluid
van de onder mijn voeten bevroren sneeuw, dringt zangerig en in afgemeten ritme
door de uitgestorvenheid. Voorbij de eerste meander ontplooit het landschap
zich tot één glinsterende uitgestrekte witheid.
Ik
kijk om. Het huis is enkel nog een donkere stip in het onmetelijk egale van
lichtgevend wit. Ik blijf staan, draai rond mijn as zodat ik een totaalbeeld
krijg van wat zich rondom mij bevindt: het pad met de omzoming van gras, de bomen
langs de oever. Ik volg de wattenwolken van mijn adem en besef dat ik leef.
Eigenlijk beseffen we dat haast nooit, denk ik. We lopen rond, we kijken,
observeren, zingen, lachen, huilen, maar écht beseffen is er nooit bij.
Tenminste, niet vaak genoeg.
Ik
beëindig het afdalende pad en kom in een soort kom terecht, bezijden omzoomd
door hoge bomen en sprokkelige heesters. Hier voel ik de wind met een vluchtige
aanraking van aangezicht en ledematen over me heenglijden en zacht zoemend
uitsterven in het woud, verderop.
Even
blijf ik roerloos staan, voel me klein en nietig in deze desolaatheid, zuig elk
minuscuul geluid in me op. Duidelijk voel ik de hand die de mijne zoekt en
lichtjes drukt, zoals Zij drukte in dat laatste uur van afscheid voor Zij aan
de grote overstap begon.
Het
licht verduistert, valt plots bijna totaal weg zodat de bomen schimmen worden,
de stroom een donkere, lonkende plas.
Ik
stap vlug door, tracht de hand vast te houden. Ik ben weer het kind dat met
korte pasjes achter Haar aanloopt. Zij neuriet een lied en stapt op de maat
ervan, afgemeten, ritmisch.
En
ik volg, zonder Haar los te laten. De wind in de bomen fluistert Haar naam.
Ploefke is zopas gestorven. Mijn kleine, lieve zwarte hondje is vredig ingeslapen op mijn knie, precies zoals ik het enkele dagen geleden in mijn gedichtje voor hem heb geschreven: met een traan op zijn poot.. Dag lieveling van me, het ga je goed.Ik zal je heel erg missen, maar je zult altijd in mijn herinnering blijven, dus blijf je daar verder leven. Vertel maar al die fantastische verhalen die je samen met ons hebt beleefd, ginds in de hondenhemel, want die is er echt, ik weet het zeker. Ik zal ze op mijn beurt aan de kindjes vertellen die over die legendarische Ploef willen horen en lezen. Gelukkig besta je ook verder in mijn boeken. Ik wou een vijfde boekje over jou schrijven, maar mocht niet meer van mijn uitgever. Maar ik doe het lekker toch. Alleen zal het dan niet meer over het levende Ploefke zijn, maar over het dode dat nu eindelijk rustig is na die maandenlange strijd tegen kanker. Dag schat van me, geen traan meer op je poot, maar een zoen.
Tja, de wereld draait maar door en door en rond en rond. Alhoewel, rond is veel gezegd. Eigenlijk draait de wereld op dit ogenblik zo vierkant als wat. Verdraagzaamheid is ver zoek. Mensen verstaan elkaar niet meer, zeuren over onbenulligheden, verleggen hun grenzen tot er niets meer overblijft en ze verplicht zullen worden terug te keren tot de basis. En ondertussen is daar dan mijn kleine, lieve, zwarte hondje dat zijn moegekankerd lijfje naar buiten sleept om een plasje te gaan doen. 'Vandaag gaat het helemaal niet meer,' vertellen mij zijn oogjes. Ik wil hem helpen. Wens, ondanks het grote verdriet dat als een loodzware last aan mijn borst vastzit, dat hij naar zijn hondenhemel zou kunnen, maar hij wil het niet, (denk en voel ik). Hij wil nog wat bij me blijven. Arme lieve sukkel, ik dank je oprecht voor die 16 fantastische jaren van vriendschap en onvoorwaardelijke trouw. Ik kijk in je ogen en probeer je wat van mijn kracht te geven, maar het lukt niet. Ik beloof je te verzorgen tot je laatste snik, ook al bevuil je de vloer en geraak je niet op tijd buiten om je plasje te doen.
Dag Ploef
ik leg mijn tranen op je poot koester je met mijn blik stap met je mee achter de horizon waar de zon altijd schijnt ik word hond met jou
Het wordt stiller, er zit al wat herfst in de lucht, met vochtige belletjes die spinnenwebben schittering geven. Gratis kunst, zo uit de lucht geplukt. Door mensen niet te evenaren. Je kunt er ook geen cursus voor volgen.
En toch... is daar die zweem van melancholie die je vanbinnen voelt, die je eigenlijk niet wilt, maar toch koestert... in stilte, zonder dat iemand je ziet. Het afsluiten van een periode, het einde van (weer een) de zomer, het hervatten van de school, het vroeg donker en laat licht. Het grijpen met beide handen, het denken aan, het dromen van... De wereld draait voort, alsmaar verder, alsmaar vlugger... Vergeet vooral niet stil te staan bij dit of dat moment dat nooit vergaat en luistert naar 'herinnering' (als die herinnering juist mooi is natuurlijk, want herinneringen kunnen ook nachtmerries zijn-ooit schreef magisch-realistschrijver Johan Daisne in één van zijn romans: 'het mooiste wat nog nooit verging is... herinnering).
Daarom dit gedicht over stilte:
onderhuids de huiver voor het ongekende verlangend naar fossielen van de ziel
een kiemcel het teken van herkenning lippen in naamloos prevelen gehuld de handen tot gebed gevouwen
stilte wordt verleden tijd voert mee naar ergens
(c) Patricia De Landtsheer
(alle gedichten worden auteursrechterlijk beschermd door SABAM)
Het is nu kwart voor één, middernacht allang voorbij dus. Zopas was ik nog in Vlassenbroek. Wij hadden daar een fijne avond gepland met kaarslicht, gezellig samenzijn tijdens een optreden.Gelukkig kon ik even aan de drukte ontsnappen om mijn pake naar het home te voeren. In het terugrijden nam ik de weg doorheen het bos (het trollenbos zoals ik het noem in mijn jeugdboek 'Heikje heks). De maan stond hoog en bijna rond. Hier en daar doken watten nevels op die laag over de weg zweefden en het licht van de maan opvingen. Prachtig was dat. In het midden van het bos ben ik gestopt, heb de lichten van mijn wagen gedoofd en ben uitgestapt. Vreemd hoe alles verandert als de omgeving donker is. Ik zoog de nachtgeluiden in me op, probeerde het beeld van de maan doorheen het gebladerte te vangen. Eigenlijk zijn het die momenten die een mens rijker maken en laten beseffen hoe dankbaar hij moet zijn om wat hij krijgt. Ik ben weer ingestapt, ben naar ons Notelaarke gereden. Het vocht kroop uit de aarde en de lucht was zwanger van de geur van moer en dras.Er zat al wat herfst in de lucht, en ik kon er niet om treuren, ook al heeft er niet veel zomer aangeklopt. So what! Ik maal er niet om. Ik leef elke dag in het volledige besef er te zijn, te bestaan en misschien wel iets te betekenen, voor iemand. Of voor niemand. Misschien wel gewoon voor mezelf. Dat is ook goed.
Ondertussen... slaap ze wereld... zacht of onzacht, want tenslotte bepaal je dat zelf.
Zopas het nieuwe jeugdboek 'Heikje heks en de wonderviool' ontvangen. Fantastisch! Ik voel me als een kind dat een snoepje krijgt. Alles moet klaar voor vrijdag en dan hop, vliegt het boek per e-mail de deur uit naar de drukker. Ik kan bijna niet wachten om het in mijn handen te houden. Eigenlijk gek wat er allemaal gebeurt als je zo'n personage als Heikje creëert. Het wordt een kindje, een meisje, een lachebek van mij. Net zoals mijn eigen dochter. Ik zou haar niet meer kunnen missen. Telkens bij volle maan is ze daar, die kleine heks, met bezem en al. Vlassenbroek is haar thuishaven. Wacht, ik heb daar iets over:
heb je 't al gezien langsheen het water loopt een pad tussen het riet zingen fluisterstemmen een vreemd lied
(hier wonen de kabouters nog)
de zon zoent mijn neus en ik lach naar jou.
(c) Patricia De Landtsheer.
Woesh, en nu naar Heksenland waar alles kan en alles mag!
De dag begint weer een beetje grijs, maar mijn hart zingt voor jou. Al weet ik niet wie je bent. Speciaal toch voor diegenen die het wat moeilijker hebben dan ik. Vandaag aan moeke gedacht, zoals elke dag trouwens. En aan vader, die er nog is met zijn 90 lentes, de schat. Ik denk dat moeke nu toekijkt en denkt: 'waar is ze in godsnaam weer mee bezig' Liever zou ik het in haar oor fluisteren, dat kleine oor waar het steeltje van haar bril aan vasthing en waarover de grijze krulletjes lustig ronddartelden. Ik moet vandaag over haar schrijven. En toegegeven, ook al ben ik professioneel schrijfster en doe ik eigenlijk niets anders voor 'de kost', toch is dat dode moeke (nee, ik zal er maar levend moeke van maken want ze leeft voort in mijn hart) zo moeilijk om over te schrijven. Waarom gaat het dan wel in een blog? Maanden na haar dood heb ik wel een gedicht geschreven. Het verhaalt exact hoe ik haar tijdens dat laatste uur op deze wereld begeleidde naar het andere, het niet meer toegankelijke voor mensen, het verhevene waar God misschien wel echt aanwezig is. Iets in mij roept om het kenbaar te maken. Het is voor jou, en voor jou en voor jou, maar het blijft toch speciaal voor dat moeke dat toekijkt en misschien wel fluistert: 'het is goed zo'.
verbondenheid
(in memoriam matris)
de herfst kwam ongeveer op hetzelfde ogenblik dat je handen uit de mijne gleden en je blik brak in het verschiet
dagen en nachten heb ik je gekoesterd warm gehouden met mijn woorden mijn snik gesmoord in de herinnering aan dagen
waarin we lakens plooiden en we 's avonds moe maar voldaan naar de eerste sterren keken ik vroeg je mee te komen naar de zon en je kwam, eindelijk, vol vertrouwen en overgave je was niet anders dan voordien kon het ook nooit worden
nu zoek ik je beeltenis in de lijnen van mijn hand waar ook de navelstreng ooit doorgeknipt opnieuw verankering vindt
Is die titel wel juist, vraag ik me af. Hoe dan ook, een nieuwe dag ligt voor me, open en bloot, afwachtend hoe het zal worden. Jammer dat zijn velletje grijs begint, met wolken, een bijna dichte hemel, maar we wachten af heb ik daarjuist gezegd. Niet te vlug meisje, verman je of 'vervrouw' je, want dat ben ik toch, niet? Spannend, die dag die zo onbeholpen voor je open ligt, zou je kunnen zeggen, en toch ook weer niet. Dat heeft iets te maken met hoe je je voelt. En ik... ik voel me gewoon goed. Kabbelend als een beekje dat toch maar naar de Schelde vloeit. De Schelde met zijn oevers, met riet dat ruist, met die typische geur van moer en dras. Sommige mensen zullen wel zeggen: moer en dras dat is slik en dat stinkt toch. Nee, nee, stinken is iets anders. Veel in de wereld stinkt, vind ik, maar moer en dras van mijn eigenste, lieve vriend Schelde? Nee, die ruikt, geurt, heelt en geneest. Zeker wanneer de wind eroverheen gaat en alles laat bewegen wat om en op en in en naast die oevers groeit, en bloeit, en huilt, en lacht...Dus, voor diegenen die zich niet goed mochten voelen: kop op, kijk rond, luister, breek uit je schulp, trek je mondhoeken op en lach, ondanks de pijn, het leed, het 'niet meer zien zitten'. Want het moét, je moet verder, stap voor stap tot je je weer goed begint te voelen. Weer kunt voelen van binnen hoe je eigenlijk bent, wat er ook aan vooraf is gegaan. En vergeet niet: stap de natuur in, ga naar de oever, de oever die op je wacht met de geur van moer en dras, kruiden, wiegend riet en zeilende wolken boven je...ook al zijn ze nu een beetje grijs. Ik wens je veel geluk met deze nieuwe dag...de zevende dag toen alles begon.
Welkom, Eindelijk is het me gelukt, na veel problemen, zweet en voetgestamp, een blog aan te maken. Amaai zeg, ik ben niet zo'n technisch aangelegd individu. Wel eerder iemand die zich dagelijks bezig houdt met schrijven van jeugdboeken, dromen, vreemde kronkels ontwarren in haar hoofd en zo voorts en zo verder. Bij deze, en nu ik toch EINDELIJK ben gestart, hoop ik mijn taak goed te volbrengen, onafgezien van het vele werk dan dat me binnen enkele uurtjes wacht in mijn schuilplaats 'taverne-kunstencafé DE KLEINE NOTELAAR' met één adres: Vlassenbroek 222 te Vlassenbroek-Baasrode-Groot Dendermonde, een onooglijk plaatsje dat zich uitstrekt tussen landerijen, bossen en de Schelde. Hier kun je nog kabouters tegenkomen, als je goed zoekt natuurlijk. Het gras biedt vaak 'piepduikplaatsjes' voor hen. Maar ik weet ze zitten. Voilà we zijn gestart. Ik hoop dat jullie me volgen op de lange weg van schrijfsels, probeersels, maar vooral de vriendschap en het sociaal contact, ook al is dat dan vaak 'doorheen' een computer.
Lieve groet,
Patricia De Landtsheer. (je kunt ook naar mijn website surfen onder: www.patriciadelandtsheer.be, waar je alles vindt wat nodig is om te weten wie ik ben)