Inhoud blog
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Inspectie in Engeland kiest ander spoor dan in VlaanderenI Klemtoon op kernopdracht i.p.v. 1001 wollige ROK-criteria!
  • Meer lln met ernstige gedragsproblemen in l.o. -Verraste en verontwaardigde beleidsmakers Crevits (CD&V) & Steve Vandenberghe (So.a) ... wassen handen in onschuld en pakken uit met ingrepen die geen oplossing bieden!
  • Schorsing probleemleerlingen in lager onderwijs: verraste en verontwaardigde beleidsmakers wassen handen in onschuld en pakken uit met niet-effective maatregelen
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Onderwijskrant Vlaanderen
    Vernieuwen: ja, maar in continuïteit!
    31-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Rake uitspraken over echte problemen met inclusief onderwijs /M-decreet
    De Berlijnse wetenschapsfilosoof Gerd Haberman stelde: “Radicale nclusie is wereldvreemd en gehandicaptenvijandig. De gangbare ideologie van radicaal egalitarisme en ’Gleichmacherei’ is de enige grond voor de inclusie-betrachtingen. Volgens die ideologie moeten ook alle waardenonderscheiden afgeschaft worden.”

    Dirk Van Damme -OESO- stelde onlangs nog:: "M-decreet hervorming  werd gedicteerd door dogmatisch inclusie-concept, niet door keuze voor deskundigheid en belang van het  kind  We hebben ons destijds vergist."

    De Engelse prof. Brahm Norwich betreurde dat ‘inclusief onderwijs’ als een toverwoord functioneert. Deze vrij wollige term heeft volgens hem in de vele inclusiepublicaties een soort vanzelfsprekendheid verworven. Inclusief onderwijs kreeg de status van een evident en absoluut recht: “Inclusive education has come to be seen as self-evidently a ‘good thing’ in a similar way that democracy or human rights have come to be self-evidently good. (Addressing Tensions and Dilemmas in Inclusive Education - zie Internet. Norwich is Professor Educational Psycho-logy and Special Educational Needs at the Univer-sity of Exeter, UK).

    Het bekende wetenschappelijk ERIC-informatiecentrum publiceerde een lijstje kritieken vanwege een groot aantal Amerikaanse onderwijsexperts. We vertalen even de belangrijkste kritieken: *Enkel ideologisch gedreven professionals en een beperkt aantal ouders propageren (radicale) inclusie *Veel special education children hebben gespecialiseerde ondersteuning en diensten nodig die enkel kunnen aangeboden worden in speciale klassen; van (gewone) leerkrachten en een gewone school kan men dit niet verlangen. *inclusie levert ook voor de gewone leerlingen meer negatieve dan positieve resultaten op. *de ‘full inclusion’ beweging heeft een verregaand destructief effect op het gewone onderwijs. (Men stuurt immers aan op het grotendeels afstand doen van de gangbare schoolgrammatica/ van het klassiek onderwijs: geïndividualiseerd onderwijs: voor elk kind een apart potje koeken.) *inclusie wordt vaak ook ingevoerd als besparingsmaatregel; en de extra financiële steun bij de initiatie van inclusief onderwijs erodeert al vlug.

    *Om de grote problemen van de leerkrachten te omzeilen/verdoezelen zegt me al te vaak dat leerkrachten niet opgeleid om les te geven in inclusieve klassen. Tekort aan gespecialiseerd opleiding is overigens niet het echte probleem; dit is een uitvlucht. En tijdens de lerarenopleiding kan men ze toch ook niet opleiden voor al die verschillende handicaps.

    31-03-2018 om 15:29 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:M-decreet, inclusief onderwijs
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Al 22 jaar waarschuwen we in Onderwiskrant e.d; voor ontwrichtende gevolgen van inclusief onderwijs zoals in het M-decreet

    Onderwijskrant over inclusie: 1996-2007

    De voorbije jaren liet Onderwijskrant zich niet onbetuigd in het debat over – en de strijd tegen – radicale inclusie.

    In Onderwijskrant nr. 93 (september 1996) formuleerden we een uitgebreid standpunt over inclusie en over het buitengewoon onderwijs. We protesteerden tegelijk tegen het VLOR-rapport ‘Op weg naar inclusief onderwijs’ van prof. Geert Van Hove en co en tegen de standpunten op het Forum Basisonderwijs over inclusief onderwijs (april 1996). Wij verdedigden als alternatief het optimaliseren van het gewoon onderwijs, het GON en de zorgverbreding. Op die manier konden we er tegelijk voor zorgen dat minder leerlingen zouden moeten afhaken en overstappen naar het buitengewoon onderwijs. We pleitten tegelijk voor het behoud en het verder optimaliseren van het buitengewoon onderwijs dat teveel aan zijn lot werd overgelaten door de beleidsmensen en de onderwijsondersteuners.


    In het beruchte VLOR-advies over ‘inclusief onderwijs’ van 1998 werd inclusie radicaal omschreven als: “Inclusief onderwijs gaat uit van de idee dat zoveel mogelijk – in principe alle – kinderen en jongeren kwaliteitsvol onderwijs kunnen genieten in een gewone school”. We lieten ons protest luid horen en betreurden dat ook de koepels en de vakbonden het advies ondertekend hadden. Dit laatste werd door de politici geïnterpreteerd alsof ook de praktijkmensen achter het VLOR-advies stonden. Niets was minder waar.

    Op een studiedag over het VLOR-advies te Torhout op 28.11.1998 verdedigde prof. Ghesquière het VLOR-advies; wij formuleerden de grote en principiële bezwaren van de praktijkmensen. We toonden tevens aan dat de vele verwijzingen en citaten waarin prof. Ruijssenaers als een inclusie-voorstander werd voorgesteld, totaal vervalst waren. André Severyns, adjunct-secretaris-generaal van de VLOR, deelde ons achteraf mee dat het inderdaad om regelrechte vervalsingen ging. Hij suste ons met de belofte dat we in de toekomst nauw betrokken zouden worden bij de verdere uitwerking van de inclusie-thematiek. Het bleek achteraf een loze belofte, enkel bedoeld om geen ruchtbaarheid te geven aan de groteske vervalsingen. Aan de kritiek op het VLOR-advies van 1998 besteedden we veel aandacht in Onderwijskrant nr. 105 (februari 1999): “Inclusief fabeltjesland versus zorgverbreding” (p. 20-42).

    In Onderwijskrant nr. 121 (mei 2002) namen we een uitvoerige reactie op over ‘Maatwerk in samenspraak’.
    In die tekst wordt o.a. gesteld dat de differentiatiekracht van de individuele leerkracht schromelijk overschat werd. Tegelijk besteedde minister Vanderpoorten geen aandacht aan de eigen aard en hardnekkigheid van de problemen van de b.o.-kinderen. Een b.l.o.-directeur stelde dat als gevolg van de sterke afslanking van het buitengewoon onderwijs dit afgeslankt onderwijs “maar weinig voedingsbodem meer zou kunnen bieden om op een volwaardige wijze zijn opdracht en taak nog te kunnen vervullen.” Door het slechts kunnen inrichten van een beperkt aantal b.o.-klassen, krijgt men ook te grote leeftijd- en niveauklassen per leergroep.

    We verheugden ons over het feit dat de discussienota ‘Maatwerk in samenspraak’ van minister Vanderpoorten (2001) op grote weerstand stootte in het onderwijsveld. We kregen de indruk dat de onderwijsvakbonden van plan waren zich dit keer schrap te zetten en zich niet langer te laten inkapselen binnen de VLOR. In 1998 hadden de vakbonden het VLORadvies goedgekeurd en achteraf stelden ze vast dat de overgrote meerderheid van de leerkrachten het VLOR-advies afwees.

    Naar aanleiding van het ‘Symposium inclusief onderwijs’ van 16.01.04 schreven we de bijdrage “Inclusief onderwijs: symposium en uitgesloten standpunten’. We stelden opnieuw dat er op dit symposium geen ruimte was voor de mening van de praktijkmensen. Al de inleiders waren inclusiesympathisanten, critici werden uitgesloten. Op een studienamiddag van het DHOS-verbond WestVlaanderen in 2003 gingen we een discussie aan met Karel Casaer – de secretaris-generaal van het verbond van het katholiek buitengewoon onderwijs. Op onze vraag wat inclusie tijdens een les cijferen in een derde leerjaar kon betekenen voor een inclusiekind dat nog worstelde met het rekenen van het 1ste leerjaar, antwoordde Casaer dat je voor alle kinderen wel dezelfde opdracht moest geven, maar dat het voor dit inclusiekind volstond dat het de cijfers kon benoemen. Later merkten we wel dat de katholieke koepel meer afstand nam van de inclusievisie van Karel Casaer. De reactie van het VSKO en van de VCLB op de discussienota ‘Leerzorg in het onderwijs’ (2005) bleef echter onduidelijk en ondermaats. Er werd geen principieel standpunt ingenomen t.a.v. radicale inclusie (zorgniveau 3 en 4). Vooral ook het voorstel om leerzorgniveau 3 los te koppelen van de eindtermen wekte de indruk dat hiermee ook de inclusie van leerzorgniveau 3-kinderen realiseerbaar werd.


    Begin februari 2007 lanceerden we via de O-ZON-website een opgemerkte petitie en campagne tegen de leerzorg- of inclusieplannen van minister Vandenbroucke. Een aantal directies en leerkrachten vroegen ons uitdrukkelijk om een actie te ondernemen. Ze betreurden dat de koepel en de vakbonden onvoldoende duidelijke standpunten innamen en in tegenstelling met drukkingsgroepen zoals ‘Ouders voor inclusie’ geen actie voerden. De standpunten van de vakbonden ten aanzien van het leerzorgplan van 2006 waren onvoldoende scherp; het ACOD-standpunt klonk nog het meest principieel. Vanuit de koepel van het vrij onderwijs kregen we uiteenlopende signalen. In een verslag van Codis-s.o. troffen we een groot aantal bezwaren aan, maar in een bijdrage van het Verbond van het Katholiek Buitengewoon Onderwijs in ‘Pedagogische Perspectieven’ (jan. 2007) merkten we dat dit verbond geen duidelijk standpunt innam.

    Met onze petitie wilden we onderwijskoepels, de onderwijsvakbonden duidelijk maken dat meer dan 90 % van de onderwijsmensen de leerzorgplannen principieel afwezen. We wilden ook aansporen om het VLOR-advies niet te ondertekenen en duidelijk afstand te nemen van het inclusie-standpunt van de VLOR-partners die niet rechtstreeks bij het onderwijs betrokken zijn. De petitie op de O-ZON-website werd door de leerkrachten en directies zelf verspreid en massaal ondertekend door individuele leerkrachten, directies en voltallige lerarencorpsen. We zetten deze campagne nog verder tot het eind van het schooljaar.

    We zijn ontgoocheld omdat de koepels en vakbonden – op VSOA na – toch op 15 februari het VLORadvies ondertekenden. De bonden en koepels koppelden hieraan wel enkele voorwaarden, maar buitenstaanders en politici kregen de indruk dat ze wel grotendeels akkoord gingen. Zo verklaarde CD&Vparlementslid Helsen in het parlement dat alle partijen achter het leerzorgplan stonden. Ze kon nu zonder schroom samen met minister Vandenbroucke de groep ‘Ouders voor inclusie’ hartelijk ontvangen in het parlement. Die drukkingsgroep eiste dat ook leerlingen van leerzorgniveau 4 (bijv. type 2) naar het gewoon onderwijs konden.

    Voor minister Vandenbroucke was de ondertekening van het VLOR-advies ook het sein om zijn plannen eind maart te laten goedkeuren door de Vlaamse ministerraad en om ze nog te radicaliseren. Zo merken we dat nu zelfs de leerzorgniveau 4-leerlingen in het gewoon onderwijs terecht kunnen – mits instemming wel van de plaatselijke scholen.


    De voorbije jaren publiceerden we tientallen bijdrage over deze thematiek: zie www.onderwijskrant.be

    31-03-2018 om 14:41 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Volgens VN/Unesco en hardliners moet voor inclusief onderwijs niet enkel het b.o. maar ook het gewoon onderwijs afgechaft worden en is er nog nergens radicaal inclusief onderwijs
    1   Inclusie vereist  geïndividualiseerd onderwijs    & geen assistent ondersteuning  inclusie-kind 
     
    Onlangs publiceerde de Unesco een nieuw rapport over inclusief onderwijs: A guide for ensuring inclusion and equity in education.  Ook volgens dit rapport vereist echt inclusief onderwijs een totaal ander onderwijsconcept,een totaal geïndividualiseerd leerproces waarin elke leerling   can work at his own pace and in his own way – met de leerkracht als coach. 
     
    Net zoals in tal van evaluatierapporten betreurt de Unesco dat nog weinig landen kiezen voor echt inclusief onderwijs:  inclusive schools in mainstream settings (inclusieleerlingen dus in gewone klassen). In veel landen werkt men met ‘special classes in integrated schools’: veelal zitten inclusieleerlingen in aparte & kleine klasjes binnen gewone scholen zoals in Finland, Italië e.d.  In Vlaanderen werd  vóór invoering van de wet van 1970 in 1974 ook grotendeels zo gewerkt. Maar volgens de Unesco is dit geen echte inclusie. 
     
    Daarnaast wordt volgens de Unesco ook nog jammer genoeg gewerkt met education for these children in different settings: special schools = aparte scholen voor buitengewoon onderwijs. In landen met een lage bevolkingsdichtheid kan/kon men zo’n scholen moeilijk organiseren, maar wel in Vlaanderen, Nederland ... De wet buitengewoon onderwijs van 1970 ging er terecht  vanuit dat die aparte b.o.-scholen  meer voordelen boden dan de aparte klassen binnen gewone  scholen (vaak grotere scholen in de steden): meer differentiatie volgens niveau, meer paramedische ondersteuning ... 
     
    Volgens de Unesco vereist echt inclusief onderwijs dus een radicaal geïndividualiseerd leerproces: elke leerling ‘can work at his own pace and in his own way: “Zolang men leren eng en klassiek definieert  als de verwerving van kennis die  aangeboden wordt door de leerkracht, worden scholen opgesloten in strak georganiseerde curricula en onderwijsaanpakken.  In sterk contrast hiermee gaan inclusieve curricula uit van de visie dat leren plaats vindt wanneer elke leerling actief betrokken is en zelf de leiding neemt in het zinvol maken van zijn
    speficieke ervaringen. Vanuit die nieuwe visie krijgt de leraar de rol van begeleider die het engagement en het leren  van de lerende stimuleert. Pas dit maakt het mogelijk om een diverse groep leerlingen samen te laten optrekken, omdat de leerlingen dan niet op hetzelfde punt moeten zijn in hun leerproces, of dezelfde instructie moeten krijgen van de leraar. Elke leerling kan dan werken op zijn eigen tempo. This approach also fosters a sense of belonging to a community and a shared understanding of keyvalues and global citizenship – a sense of being a part of a broader community and common humanity.”(UNESCO, 2015d) Prof. Wim Van den Broeck
     merkte hierbij op: “Waarom wil men dan leerlingen includeren als ze bij zo’n  sterk geïndividualiseerd onderwijs toch nauwelijks iets met elkaar te maken hebben?”
     
    De Unesco voegt er uitdrukkelijk aan toe dat men zo’n echt inclusief onderwijs ook niet kan bereiken door voor de begeleiding van de inclusieleerlingen  de aanpak in het buitengewoon onderwijs te transporteren naar gewone klassen,  en de inclusieleerlingen aparte ondersteuning te bieden.  (zie punt 4). 
     
    2  Unesco-model niet haalbaar & nefast voor    inclusieleerlingen en gewoon onderwijs
     
    Volgens het Unesco-rapport vereist inclusief onderwijs dus een totaal geïndividualiseerd leerproces.. Volgens de meeste leerkrachten, veel onderwijskundigen … is dit niet eens haalbaar en zou dit  ook leiden tot een totale ontwrichting en tot een sterke niveaudaling. Praktijkmensen en mensen met een gezond verstand weten  dat  in een klas met 20 à 30 leerlingen inclusieleerlingen die de gewone lessen niet kunnen volgen geen passend onderwijs kunnen krijgen. 
     
    Externe ondersteuning/begeleiding van de klasleerkracht biedt hier ook geen oplossing.   Minister Crevits en Co geven nu na twee jaar toe dat zo’n ondersteuning weinig effectief was.  Dat zal eveneens het geval zijn met de regionale ondersteuningsnetwerken die per 1 september worden ingevoerd -zoals ook  in Nederland en  Duitsland  vastgesteld werd. Bij de Noorderburen stelde men
    Nieuw Unesco-rapport: inclusie enkel mogelijk in radicaal ‘individueel’ onderwijs   & nog zelden echt inclusief onderwijs in de praktijk  Ook in VLOR-platformtekst-2005, in teksten  inclusie-hardliners,                                                                en zelfs in M-decreet wordt aangedrongen op omwenteling in het onderwijs ook veel discriminatie vast bij de verdeling van de ondersteuning  tusen de regio’s en tussen de inclusieleerlingen - en een toename van de planlast. 
     
    Als leerkrachten veel energie moeten besteden  aan inclusieleerlingen dan is dit ook ten koste van de andere leerlingen. En eveneens ten koste van de preventieve zorg voor leerlngen die ook wat extra zorg nodig hebben. Als fevolg van inclusie neemt ook het  totale aantal probleemleerlingen nog gevoelig toe (zie toename in Québec in punt 5).   3   Niet enkel Unesco, maar ook Vlaamse hard-      liners sturen aan op totale omwenteling
     
    In een  Unesco-rapport van 2009  lazen we ook al  dat  dan de vigerende schoolgrammatica (eintermen, leerplannen, jaarklassen, groepsinstructie....)  radicaal de helling op moest. We lazen verder: “Dit vereist  ook het  vervangen van de vele moeilijke ‘academische’ leerinhouden, van gemeenschappelijke leerplannen en eindtermen, van jaarklassen  door  een  flexibel curriculum, kind- en individugecentreerd onderwijs, doorgedreven differentiatie, flexibele en andere werkvormen, informeel leren.”(Policy Guidelines on Inclusion in Education, 2009).
     
    In een ERIC-publicatie die de belangrijkste kritieken van Amerikaanse wetenschappers op inclusief onderwijs op een rijtje plaatst, lezen we als belangrijkste kritiek: “De ‘inclusion’ beweging heeft ook een verregaand destructief effect op het gewoon onderwijs.” De inclusievelingen van de Unesco & VN en de vele anderen sturen immers aan op een radicale ontscholing, op het grotendeels afstand doen van de gangbare schoolgrammatica - als voorwaarde voor het kunnen welslagen van inclusief onderwijs. 
     
    Ook volgens prof. Geert Van Hove, hét Vlaams boegbeeld van inclusief onderwijs, vereist inclusief onderwijs  een totale omwenteling: “Inclusie gaat niet om het toevoegen van iets bij een onveranderbaar geheel, maar over een totaal herdenken van het schoolgebeuren, om ecologische aanpassing van curriculum, didactiek en instructie “(Inclusief onderwijs, Impuls, maart 2005). 
     
    Ook volgens de  VLOR-platformtekst van 2005 staat inclusief onderwijs haaks op het huidige “leerstofgerichte en meritocratische karakter van het onderwijssysteem. Het onderwijs moet bereid zijn zich aan te passen aan de behoeften van elke leerling in plaats van de leerling te dwingen zich aan te passen aan de onderwijsstructuren en leerinhouden.”
     
    De  Vlaamse actiegroep ‘docenten voor inclusie’ opteert voor radicale inclusie van alle leerlingen – ook type 2- en type-3-leerlingen met ernstige gedragsstoornissen. Dat is volgens hen enkel mogelijk indien “elk kind in het gewoon onderwijs een eigen leertraject kan volgen, in zijn eigen tempo en aansluitend bij zijn mogelijkheden, behoeften en interesses.” Annelies D’Espallier die als juriste veel mocht publiceren over de draagwijdte van het VNverdrag, stelde in Tertio: “Cru gesteld, het is volgens het VN-verdrag volstrekt aanvaardbaar dat in een klas een leerling zijn veters leert knopen terwijl zijn klasgenoten zich over integralen buigen.”
     
    Ook het M-decreet geeft eigenlijk aan scholen de bevoegdheid en zelfs plicht om in sterke mate af te wijken van dat gemeenschappelijke curriculum: voor individuele leerlingen doelen toevoegen of individuele leerlingen vooraf vrijstellen van het bereiken van doelen (= dispenseren). De tekst van het Mdecreet stelt overigens letterlijk dat “inclusie de eerste optie is” en dat het gaat om een totaal andere kijk op passend en moreel verantwoord onderwijs voor leerlingen met een handicap, om een ware cultuuromslag: “Vroeger lag de klemtoon op de medische benadering, ondertussen is deze verschoven naar de sociale benadering. De nadruk ligt nu meer op het sociale defect, op de samenleving/school die niet is aangepast, dan op het medische defect. De nieuwe visie op handicap ziet handicap als een afstemmingsprobleem tussen de klas- en school-context en de specifieke onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de jongeren.”  Er zijn blijkbaar geen probleemleerlingen meer, maar  enkel scholen die problemen veroorzaken en geen passend onderwijs bieden. 
     
    Volgens het M-decreet, het VN-verdrag en de hardliners  zijn de problemen die leerlingen met een handicap ervaren, het gevolg van een onaangepaste  school en niet van de handicap van de leerling.  Volgens het decreet en het inclusie-evangelie zouden we vroeger de beperkingen van leerlingen louter vanuit een asociaal, medisch en ‘deficit-model’ bekeken hebben. Nu moeten we dit alles bekijken vanuit een zgn. ‘sociaal model‘ en vanuit hetgeen de leerlingen wel kunnen i.p.v. niet kunnen. Minister Crevits twitterde in dezelfde zin  op 4 december 2015: “Wat een leerling kan wordt nu belangrijker dan wat hij niet kan.” Ook volgens kopstukken van de katholieke onderwijskoepel (Guimardstraat) gaat het om een omwenteling en totale mindshift. Op 15 december j.l. pleitten Lieven Boeve en Co dan ook voor het afschaffen van aparte scholen voor buitengewoon onderwijs. 
     

    Enerzijds stellen beleidsverantwoordelijken dat het om een totale omwenteling gaat. Anderzijds susten zij vaak de praktijkmensen met de gedachte dat er al bij al weinig verandert voor de gewone leerkracht. Of zoals Mieke Van Hecke die in 2013 nog sussend  beweerde dat het enkel zou gaan om inclusieleerlingen die het gewone curriculum en de gewone  lessen kunnen volgen.     
     
    4      Unesco: GEEN teaching-assistants        die inclusieleerling begeleidt in klas, 
     
    4.1   Geen individuele steun inclusieleerlingen         door teaching-assistants

     
    Als men aparte ondersteuning van inclusieleerlingen in klas toestaat, dan merken we volgens het recente Unesco-rapport:  *dat bij het wegvallen van die ondersteuning  leerkrachten niet  weten wat ze moeten doen;           * *dat bovendien de scholen dan geneigd zijn om ook voor andere leerlingen zo’n ondersteuning te vragen in functie van individuele curricula. En dan krijgen we geen echt inclusief onderwijs en  wordt inclusief onderwijs  onbetaalbaar. We citeren nog even uit het rapport. 
     
    “Inclusive schools will not be achieved by transplanting special education thinking and practice into mainstream contexts. For example, many countries have introduced support staff and teaching assistants into classrooms, working alongside class teachers, to give particular support to students categorized as having special needs. When such support is withdrawn, teachers may feel that they cannot handle their responsibilities.  At the same time, the requirement for individualized education plans – mandated by legislation in some countries – has led some school leaders to feel that many more learners will require such responses, thus creating budget problems within some education systems.
     
    Too often, the kinds of individualized responses that have been the hall-mark of special education divert attention from the forms of teaching and school conditions that can actually involve all of the learners in a class. This helps to explain why efforts at inclusion that depend on practices imported from special education tend to foster new and more subtle forms of segregation, albeit in mainstream settings (Florian et al., 2016). 
     
     
     
    4.2    Almachtige leerkracht-tovenaar
     
    Volgens VN en Unesco moeten leerkrachten blijkbaar duizendpotige leraar-tovenaars zijn.  We citeren even uit een rapport over de opleiding van leerkrachten voor inclusief onderwijs. 
     
    “Teacher education should  include:: the provision of individualized instruction; teaching using varied teaching methods to respond to the learning styles (leerstijlen-mythe!) and unique abilities of each person; the development and use of individual educational plans to support specific learning requirements; and the introduction of a pedagogy centred on students’ educational objectives.
     
    Teacher education should also include learning about the use of appropriate augmentative and alternative modes, means and formats of communication such as Braille, large print, accessible multimedia, easyread, plain language, sign language and deaf culture, educational techniques and materials to support persons with disabilities ...
     
    5 The  rhetoric of inclusive education does not necessarily turn into actions 
     
    Inclusierveantwoordelijken van de  Unesco, de EU en  andere inclusie-hardliners betreuren dat echte integratie van inclusieleerlingen in de gewone klas zelden ingevoerd wordt. In  visitatieverslagen in opdracht van de EU lezen we dat in de bezochte landen de onderwijswetgeving wel inclusief onderwijs oplegt, maar dat hiervan in de praktijk de voorbije 25 jaar al bij al weinig gerealiseerd werd. 
     
    Zo lazen we bijvoorbeeld: “The  rhetoric of inclusive education does not necessarily turn into actions. In all visited countries, inclusive education is not yet built as an alternative, principled way of providing education that combats all forms of discrimination. Traditional special education structures – special schools and special classes (in gewoon onderwijs) and disability-specific qualifications – seem to still be the basis of developments in inclusive education.”
     
    De Brusselse prof. Frank De Fever, een radicale inclusievoorstander, gaf al enkele jaren geleden openhartig toe dat hij totaal ontgoocheld was over de inclusie in het buitenland. Hij zag bij zijn bezoeken overal ‘paying lipservice to the political correct inclusion-notion’. 
     
     
     
    De Fever betreurde: “In de voorbije jaren bezocht ik samen met studenten ‘inclusief onderwijs’ in het buitenland en dat werd een ontnuchterende ervaring. In Oslo en in Bodo (Noorwegen) b.v. worden leerlingen vaak ‘bijgewerkt’ in speciale/aparte klassen (=segregatieve inclusie)  en/of moeten hulpleerkrachten er in de gewone klas voor zorgen dat de leerlingen met een handicap de lessen kunnen volgen. De Noren noemen dat ten onrechte inclusie” (In: Inclusie en onderwijs  van R. Fransen & M. Frederix -red., Garant). 
     
    “Ook in Engeland is er veeleer sprake van integratie dan inclusie, al is zelfs dat nog de vraag. Met al die ‘probleemleerlingen’ in de gewone school, liep de toestand totaal uit de hand, klaagden de leerkrachten. Ze gaven onze  studenten de goede raad nooit met ‘inclusief onderwijs’ te starten in Vlaanderen, want dat zou, net zoals in het Verenigd Koninkrijk, tot een ware catastrofe leiden.“   
     
    De Fever had na veel bezoeken aan zgn. inclusiescholen enkel in Catalonië een lichtend voorbeeld gevonden van echt inclusief onderwijs, maar het was o.i. wel een typisch voorbeeld van LAT-inclusie (=klasinterne exclusie). De Fever:  “Het bezoek aan een school in Matadepera (Catalonië) deed de hoop weer opleven dat inclusief onderwijs toch mogelijk is. De kinderen met een handicap zitten er in de gewone klas en krijgen nauwelijks speciale leerhulp. Zo tekenden de meeste leerlingen grafieken van de temperatuur die ze de voorbije week buiten hadden opgemeten. inclusieleerling Juan maakte intussen een tekening van een winterlandschap. 
     
    Toen we de leerkracht vroegen of Juan misschien een leerling was met een mentale handicap, kon ze daar geen antwoord op geven. Het interesseerde haar niet of leerlingen een leerstoornis hadden, of een mentale handicap of een bepaald soort van gedragsproblemen. De leerkrachten en de begeleidende pedagogen wilden evenmin iets te maken hebben met speciale aanpakken of methodes (zoals bijvoorbeeld het instrumenteel verrijkingsprogramma van Feuerstein,Cognet, orthodidactische methoden).  En aangezien ze iedere leerling behandelen als een individu met specifieke leerbehoeften, is er volgens hen ook geen sprake van fysieke of sociale uitsluiting.”    
     
    We begrijpen niet dat De Fever veronderstelt dat Juan volwaardig deelneemt aan de lessen en dat Juan  geen speciale leerhulp nodig heeft.  Wat heeft het tekenen van een winterlandschap te maken met
    het  leren opmaken van grafieken over de temperatuur?  Ook Juan zal wel beseffen dat hij nauwelijks geïntegreerd is in het gewone leerproces van de medeleerlingen, dat hij niet echt ‘sociaal’ ingesloten is.  Wat De Fever als een modelvoorbeeld van inclusie voorstelt, bestempelen wij al sinds 1996 als schijn- of LAT-inclusie, of: exclusie binnen de klas. 
     
    6     Inclusie leidt tot een  toename  van het        totale aantal probleemleerlingen
     
    Sinds de invoering inclusief onderwijs in Québec 15 jaar geleden is het aantal probleemkinderen sterk toegenomen: met een 25%. “Inclusief onderwijs functioneert niet”, aldus Gérald Boutin, professeur au Département d’éducation de l’UQAM. Ook in andere landen stelt men een toename van het aantal probleemleerlingen vast.    We citeren even uit een recent rapport over de gevolgen van de invoering van inclusief onderwijs een vijftien jaren geleden in Québec. Het aantal probleemleerlingen is er door de invoering gevoelig toegenomen: “Le nombre d’élèves en difficulté continue d’augmenter. Dans les écoles publiques près de 21 % des élèves font maintenant partie de cette catégorie.Le réseau scolaire comptait 182.162 élèves handicapés ou en difficulté d’adaptation ou d’apprentissage  en 2013-2014, selon les plus récents chiffres disponibles au ministère de l’Éducation. Il s’agit d’un record, puisque ce nombre n’a cessé d’augmenter depuis dix ans, la hausse étant de 23 %.
     
    La situation est préoccupante, selon Gérald Boutin, professeur au Département d’éducation de l’UQAM. Hij stelt dat inclusieleerlingen een extra-belasting    betekenen en dat daardoor minder tijd/energie overblijft voor preventieve zorg voor andere  zorgleerlingen. Boutin concludeert:  “Alors les difficultés de ces élèves augmentent avec les années. Ces chiffres prouvent que l’intégration des élèves en difficulté dans les classes ordinaires, amorcée depuis une quinzaine d’années au Québec, ne fonctionne pas.” 
     
    7   Besluiten
     
    In de voorstelling door de Unesco en de vele hardliners vereist inclusief onderwijs een totaal ander onderwijs, een totaal geïndividualiseerd leerproces. Dat wijst op de praktijkvreemdheid van veel inclusievelingen. Volgens de meeste leer

    krachten, onderwijskundigen, studies … zou dit niet enkel moeilijk realiseerbaar zijn, maar zou zo’n sterke individualisering ook leiden tot een totale ontwrichting en tot een sterke niveaudaling.
     
    We stellen vast dat Vlaanderen – in tegenstelling met de meeste landen -  er voor koos om inclusieleerlingen op te nemen in gewone klassen. We schrijven al 20 jaar dat dit niet heilzaam is.  Tegelijk zien de meeste mensen wel in dat  men moeilijk het gewone onderwijs totaal kan  ontwrichten – zoals de Unesco en de hardliners dit voorstellen.
     
    De Vlaamse beleidsmakers wekten 2 jaar geleden nog de illusie dat mits enige ondersteuning ook de opname van inclusieleerlingen die het gewone curriculum niet kunnen volgen   (en/of ernstige ge-  dragsstoornissen vertonen)  best haalbaar en effectief was. Na 2 jaar stelden ze vast dat de ondersteuning niet effectief was. Ten einde raad  pakten ze uit met regionale ondersteuningsnetwerken waarbij de (ondersteunings)bal gelegd werd in het kamp van de scholen.
    Uit de Koppen-enquête bleek destijds dat slechts 1,3% van de leerkrachten vindt dat het M- decreet best haalbaar is;  82,4% vindt van niet. De Brusselse prof. Wim Van den Broeck reageerde zo: “82% van de leerkrachten ziet M-decreet niet zitten. Het gaat hier dus om een ideologisch beleid dat ver af staat van de werkelijkheid.” Na 2 jaar M-decreet blijkt meer dan ooit dat de kritieken van de leerkrachten en directies  terecht waren.

    In Duitsland werk ook twee jaar geleden een gelijkaardig M-decreet ingevoerd. Niettegenstaande er veel meer geïnvesteerd werd in de ondersteuning van inclusieleerlingen, klinkt de kritiek er  even luid als in Vlaanderen. 
    Het M-decreet veroorzaakt ook veel conflicten tussen politieke partijen. In Länder met een SPDGrünen-bestuur is de inclusie meestal meer doorgedreven. Crevits’ christen-democratische collega's van de Duitse CDU/CSU hebben inmiddels ingezien dat inclusie vaak te radicaal en te ontwrichtend is. Bij recente verkiezingen in een aantal Länder was het terugschroeven van het decreet en het in eer herstellen van het buitengewoon onderwijs een propaganda-punt dat de CDU/CSU  veel stemmen heeft opgeleverd - ten koste van de socialisten (SPD) en van de Grünen.
     
     

    30-03-2018 om 09:02 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    Tags:inclusief onderwijs
    >> Reageer (0)
    29-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Euforie omtrent hervorming s.o. lijkt me voorbarig: gevaar voor chaotisch veelheidstype, nivellerende eindtermen e.d.


    Zelf verwacht ik veel minder heil van de aangepaste structuur van het s.o. dan een aantal beleidsmakers laten uitschijnen. Zo vrees ik –samen met veel praktijkmensen - dat b.v. de hervorming van de opties in de eerste graad zal leiden tot een uitholling ervan en tot een chaotisch veelheidstype i.p.v. eenheidstype. De invoering van domeinscholen naast de klassieke scholen leidt eveneens tot een veelheidstype en tot een onderling concurrerend tweestromenland. Het is ook geen toeval dat er in geen enkel land gewerkt wordt met 'domeinscholen', maar steeds met de klassieke opsplitsing tussen algemeen vormende aso-scholen en anderzijds tso/bso-scholen - ook in Finland.

    Het huidige eenheidstype functioneerde volgens de meeste waarnemers vrij goed. Prof. Jaap Dronkers stelde dat het een unieke combinatie bood van effectiviteit (hoge leerresultaten), vlotte (her)oriëtatie - ook via B-attesten, en optimale onderwijskransen. Never change a winning team, zou je dan denken. Maar nee! We betreuren ook dat de B-attesten in het eerste jaar worden afgeschaft.

    De 5 uur differentiatie-optie in het eerste jaar is geen echte optie meer. Een aantal technische opties verdwijnen ten koste van de specifieke motivatie van tso/bso-leerlingen. Dit zal bij die leerlingen tot schoolmoeheid leiden. De tso/bso-scholen vrezen ook voor een verdere afname van het aantal leerlingen.

    De meeste praktijkmensen appreciëren ook niet dat beleidsmakers uitpakken met de zegeningen van doorgedreven differentiatie en remediëring.

    We lezen verder in het ontwerpdecreet: "Elk schoolbestuur bepaalt op basis van de nieuwe ordening in het kader van vrijheid van onderwijs zelf welk schoolconcept het uitwerkt". Dit wekt de indruk dat er totaal verschillende schoolconcepten mogelijk zijn en dat elke school b.v. de opties in de eerste graad naar believen kan kiezen en invullen. De slechte ervaring met de geïmproviseerde invoering van de STEM-optie zou een waarschuwing moeten betekenen. Er komen volgens het akkoord geen financiële incentives financiële chantage) voor het oprichten van domeinscholen. Maar minister Crevits stelde wel terloops dat dit eventueel kon via een achterpoortje, via het project bestuurlijke optimalisering.

    Het beklemtonen van de vrijheidsmarges voor de scholen, lokte bij Lieven Boeve al de volgende zorgwekkende reactie uit: "Naargelang de beslissing van de raad van bestuur zal Katholiek Onderwijs Vlaanderen met haar schoolbesturen en directies overleggen hoe ze vanuit de vrijheid van onderwijs en organisatie, gebruik makend van de vrijheidsmarges binnen dit kader, een transparant, rationeel en kwaliteitsvol onderwijsaanbod kan doen." De koepels willen blijkbaar ook de vrijheid van de scholen beperken.

    Veel onderwijsmensen betreuren ook dat de voorbije 15 jaar al te veel energie en centen verkwist werden met die herstructureringsplannen. De egalitaire hervormers verkeken zich al die tijd ook op vermeende knelpunten en zagen echte knelpunten als b.v. de niveaudaling over het hoofd. De hardliners en de onderwijskoepels werkten net als bij het VSO ook de polarisering in de hand. Ze ondermijnden met hun vermeende knelpunten tegelijk de waardering voor het onderwijs en ontmoedigden de veldwerkers. Hun uitspraken over de leerlingen die in de waterval terecht komen, tastten ook de waardering van tso/bso aan.

    De concrete invulling van het curriculum voor de eerste graad en van de nieuwe eindtermen dreigt ook nog een heel moeilijke - en zelfs nivellerende operatie te worden. We ontvangen vooral kritische geluiden op over de gang van zaken. Zo werd als expert voor de cluster taalvakken niemand minder aangeduid als prof. Kris Van den Branden die in sterke mate verantwoordelijk is voor de uitholling van de huidige eindtermen en leerplannen. Ook de clustering van de vakken is een slechte zaak: mensen die weinig of niets afweten over het vak Frans, geschiedenis ...moeten nu hiervoor eindtermen helpen uitschrijven.

    In Onderwijskrant toonden we aan dat de meeste officiële rapporten/adviezen over de nieuwe eindtermen en leerplannen aansturen op ontscholing. Dit bleek ook uit de Consultatiecampagne van Crevits en Co. We maken ons ook zorgen over de uitwerking van curriculumdossiers door de onderwijskoepels. Zo stuurt het ZILL-leerplanconcept van de katholieke koepel aan op verdere ontscholing. Ook het GO! opteert voor de ‘zachte didactiek’. De GO-hoofdbegeleider Andries Vacke stelde vorige maand nog dat het lesgeven totaal voorbijgestreefd is. .

    29-03-2018 om 13:38 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:hervorming s.o.
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Prof. Martin Valcke in de Pano-uitzending: het onderwijs kraakt en er is maar 1 oplossing mogelijk: kraak de basisgrammatica ven het klassiek onderwijs.


    In tal van bijdragen sinds 1996 wezen we er op dat inclusief onderwijs zoals in het M-decreet niet enkel tot een ontwrichting van het b.o. zou leiden, maar ook tot een ontwrichting van het gewoon onderwijs, tot een totale omwenteling. Gisteren werd dit al duidelijk in de Pano-uitzending. Naarmate het aantal inclusieleerlingen ook in de hogere leerjaren nog zal toenemen wordt dit nog problematischer.

    In de Pano-uitzending pleitte inclusie-hardliner prof. Valcke voor het radicaal doorbreken van de klassieke schoolgrammatica en het jaarklassenprincipe. Gezien de feitelijke toestand van grote diversiteit is dit volgens hem de enige oplossing. Het onderwijs kraakt en er is maar 1 oplossing: we moeten radicaal afstand doen van de bassigrammatica van het 'klassiek' onderwis ; geen jaarklassen, geen groepsinstructie, geen jaarleerplannen mee ..., maar sterk geïndividualiseerd onderwijs: voor elk kind a.h.w. een apart potje koken.

    De wijze waarop in Vlaanderen inclusief onderwijs ingevoerd werd vormt inderdaad een grote bedreiging voor de klassieke schoolgrammatica.
    In landen als Finland - en in de meeste landen overigens- zitten de inclusieleerlingen in aparte en kleine klasjes - ook al is dit tegen de geest van het VN-verdrag. Zo blijft ook Finland werken met jaarklassen, leerplannen en methodes voor wiskunde .e.d. per leerjaar. De leerlingen die een groot deel van de gewone lessen niet kunnen volgen worden opgevangen in apart en kleine b.o.--klasjes - ongeveer zoals destijds in Vlaanderen tot 1973.

    Inclusiehardliners in Vlaanderen zoals de Gentse professoren Geert van Hove en Martin Valcke opteren voor radicaal inclusief onderwijs: alle leerlingen in gewone klassen. Zij voegen er ook steeds aan toe - net als de Unesco - dat dit betekent dat afstand genomen moet worden van de grammatica van klassiek onderwijs (zie bijlage over klassieke schoolgrammatica).
    De praktijkmensen en de meeste onderwijsspecialisten zijn er echter van overtuigd dat het radicaal afstappen van de klassieke schoolgrammatica zal leiden *tot een grote niveaudaling,* tot een sterke toename van de werkdruk en stress, *tot het minder aantrekkelijk maken van het lerarenberoep. In die zin zal ook de Pano-reportage jongeren afschrikken om voor het lerarenberoep te kiezen.

    Ook volgens prof. Geert Van Hove, hét Vlaams boegbeeld van inclusief onderwijs, vereist inclusief onderwijs een totale omwenteling: “Inclusie gaat niet om het toevoegen van iets bij een onveranderbaar geheel, maar over een totaal herdenken van het schoolgebeuren, om ecologische aanpassing van curriculum, didactiek en instructie “(Inclusief onderwijs, Impuls, maart 2005).

    Ook volgens de VLOR-platformtekst van 2005 staat inclusief onderwijs haaks op het huidige “leerstofgerichte en meritocratische karakter van het onderwijssysteem. Het onderwijs moet bereid zijn zich aan te passen aan de behoeften van elke leerling in plaats van de leerling te dwingen zich aan te passen aan de onderwijsstructuren en leerinhouden.”

    De Vlaamse actiegroep ‘docenten voor inclusie’ opteert voor radicale inclusie van alle leerlingen – ook type 2- en type-3-leerlingen met ernstige gedragsstoornissen. Dat is volgens hen enkel mogelijk indien “elk kind in het gewoon onderwijs een eigen leertraject kan volgen, in zijn eigen tempo en aansluitend bij zijn mogelijkheden, behoeften en interesses.”

    Annelies D’Espallier die als juriste veel mocht publiceren over de draagwijdte van het VN-verdrag, stelde in Tertio: “Cru gesteld, het is volgens het VN-verdrag volstrekt aanvaardbaar dat in een klas een leerling zijn veters leert knopen terwijl zijn klasgenoten zich over integralen buigen.”


    Ook het M-decreet geeft eigenlijk aan scholen de bevoegdheid en zelfs plicht om in sterke mate af te wijken van dat gemeenschappelijke curriculum: voor individuele leerlingen doelen toevoegen of individuele leerlingen vooraf vrijstellen van het bereiken van doelen dispenseren).

    De tekst van het M-decreet stelt overigens letterlijk dat “inclusie de eerste optie is” en dat het gaat om een totaal andere kijk op passend en moreel verantwoord onderwijs voor leerlingen met een handicap, om een ware cultuuromslag: “Vroeger lag de klemtoon op de medische benadering, ondertussen is deze verschoven naar de sociale benadering. De nadruk ligt nu meer op het sociale defect, op de samenleving/school die niet is aangepast, dan op het medische defect. De nieuwe visie op handicap ziet handicap als een afstemmingsprobleem tussen de klas- en school-context en de specifieke onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de jongeren.” Er zijn blijkbaar geen probleemleerlingen meer, maar enkel scholen die problemen veroorzaken en geen passend onderwijs bieden.

    Volgens het M-decreet, het VN-verdrag en de hardliners zijn de problemen die leerlingen met een handicap ervaren, het gevolg van een onaangepaste school en niet van de handicap van de leerling. Volgens het decreet en het inclusie-evangelie zouden we vroeger de beperkingen van leerlingen louter vanuit een asociaal, medisch en ‘deficit-model’ bekeken hebben. Nu moeten we dit alles bekijken vanuit een zgn. ‘sociaal model‘ en vanuit hetgeen de leerlingen wel kunnen i.p.v. niet kunnen. Minister Crevits twitterde in dezelfde zin op 4 december 2015: “Wat een leerling kan wordt nu belangrijker dan wat hij niet kan.” Ook volgens kopstukken van de katholieke onderwijskoepel (Guimardstraat) gaat het om een omwenteling en totale mindshift. Op 15 december j.l. pleitten Lieven Boeve en Co dan ook voor het afschaffen van aparte scholen voor buitengewoon onderwijs.

    Enerzijds stellen beleidsverantwoordelijken dat het om een totale omwenteling gaat. Anderzijds susten zij vaak de praktijkmensen met de gedachte dat er al bij al weinig verandert voor de gewone leerkracht. Of zoals Mieke Van Hecke die in 2013 nog sussend beweerde dat het enkel zou gaan om inclusieleerlingen die het gewone curriculum en de gewone lessen kunnen volgen.


    ------
    Bijlage: Continuïteit en duurzaamheid in schoolgrammatica van 'DEGELIJK' onderwijs


    Onderwijs is steeds in beweging, maar als we de balans opmaken de 20ste eeuw dan merken we tegelijk dat de basisgrammatica van 'DEGELIJK' onderwijs' grotendeels dezelfde gebleven is.
    Zo constateerden Larry Cuban en David Tyack, Amerikaanse professoren historische pedagogiek, in 1995 nog een grote mate van vaste patronen in het didactisch handelen van leerkrachten doorheen tijd en ruimte, van degelijk onderwijs.
    De ‘scholingsgrammatica’ (grammar of scholing) bleef in de loop van de 20ste eeuw grotendeels gelijk; er is eerder sprake van optimalisering dan van vervanging door een totaal nieuwe grammatica.

    Tyack en Cuban maken in hun historische studies (bv. 'Tinkering toward Utopia', 1995) duidelijk dat het steeds opnieuw nastreven van een onderwijsparadijs en cultuuromslag weinig zin heeft, omdat de geschiedenis uitwijst dat de basisgrammatica van effectief onderwijs – net zoals de grammatica van een taal – onverwoestbaar is, ook al wordt die door de vele 'ontscholers' van alle tijden radicaal in vraag gesteld. Het onderwijs heeft dan ook de vele ontscholingsorkanen doorstaan.

    De basisidee van een leerkracht die voor een groot deel simultaan lesgeeft aan een klas leerlingen en die zelf – op basis van maatschappelijke afspraken zoals leerplannen – bepaalt welke leerstof en in welk tempo wordt geleerd, bleef overeind. Er wordt in het 'gewoon' onderwijs bijna overal gewerkt met jaarklassen en met leerlingen die grotendeels de gewone lessen kunnen volgen. Groepsinstructie blijft heel belangrijk. Ook de basiskennis en de basisvaardigheden zijn vrij duurzaam en veel minder veranderlijk dan de spellingsvoorschriften van de Nederlandse Taalunie. Het kerncurriculum van de basisvorming en de basismethodiek kenmerken zich dan ook terecht door continuïteit.
    Cuban vergeleek het 'klassieke' onderwijs met een oude auto die nog steeds rijdt. De banden zijn verwisseld, de remblokken zijn vernieuwd, de waterpomp is gerepareerd en de accu is vervangen, maar een nieuw vervoermiddel is er niet gekomen, ondanks de claims van de ‘alternatieve’ onderwijsbeweging vanaf 1850. Een leerkrachtgestuurde benadering heeft nog steeds de overhand in de meeste scholen en het kerncurriculum is grotendeels gebleven. De geprogrammeerde instructie kende een kort bestaan. Er was wel voortdurend sprake van stapsgewijze vernieuwingen, maar niet van cultuuromslagen en revoluties.

    De psychologe Jeanne Chall schreef dit in 2000 terecht toe aan de bewezen effectiviteit van de traditionele leerkrachtgerichte aanpak, die door de jaren heen keer op keer betere resultaten voor een groot aantal kinderen opleverde dan de moderne, leerlinggerichte benaderingen (Chall, 2000). Tot die conclusie kwam ook de Amerikaanse historica Diane Ravitch in een boek met een titel die niets aan de verbeelding over laat: Left back. A century of failed school reform (2000).
    In ‘Tinkering toward Utopia’ of ‘Prutsend naar het paradijs’ gewagen Cuban en Tyack van de grammar of schooling . Met de metafoor van de grammatica wordt verwezen naar de taaiheid van institutionele patronen binnen het onderwijs. Tyack en Cuban zeggen daarover het volgende: “Practices such as agegraded classrooms structure school in a manner analogous to the way grammar organizes meaning in verbal communication. Neither the grammar of schooling nor the grammar of speech needs to be consciously understood to operate smoothly. Indeed, much of the grammar of schooling has become taken for granted as just the way schools are”.

    29-03-2018 om 12:01 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Valcke, M-decreet
    >> Reageer (0)
    28-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ook Monica Van Kerrebroeck (CD&V) was in 2008 tegenstander van lessen in het Turks in Gentse scholen

    ACTUELE VRAAG over het proefproject om Turkse les te geven in twee Gentse basisscholen 5 maart 2008 Plenaire vergadering Vlaams Parlement

    Monica Van Kerrebroeck (CD&V): tegenstander

    Op 26 oktober 2006 heb ik de minister een aantal vragen over dergelijke experimenten gesteld. Hij heeft toen naar zijn talennota verwezen. Ik heb die tekst eens nagelezen. In die nota staat niets over het onderwijs in de moedertaal, wat nu toch aan de orde is.
    Wat het project in Gent betreft, lijkt de groep me niet al te best gekozen. Het Lucerna College is een school van en voor de Turkse gemeenschap. Het gaat hier om een zeer goede school, waar alles in het Nederlands verloopt. Kinderen die zich in hun moedertaal uitdrukken, worden zelfs gesanctioneerd. De taalvaardigheid van de Turkse kinderen valt niet te onderschatten. Aangezien deze kinderen zich vlot kunnen uitdrukken, lijkt de groep me niet te best gekozen.

    Ik heb het moeilijk met de uitzonderlijke positie van die groep binnen de eigenlijke klasgroep. Die klasgroep bestaat immers uit allerlei anderstaligen. Indien binnen de klasgroep een bepaalde groep wordt geselecteerd, vrees ik voor enige discriminatie. De klas bestaat niet enkel uit Turken, maar ook uit Kosovaren, Ghanezen en Marokkanen. Indien die klas wordt opgesplitst, vraag ik me af hoe het met die andere talen zit.

    Ik heb het ook moeilijk met het geven van lessen in het Turks tijdens de reguliere lestijden. Op die manier wordt immers geknabbeld aan het aantal uren standaardtaal, het Nederlands, dat de kinderen moeten krijgen om de eindtermen voor het eerste en het tweede studiejaar te halen.
    Mijnheer de minister, dit zijn mijn bezwaren. Ik weet dat u hier ook andere ideeën over hebt. Ik ben het volledig eens met uw stelling dat we de anderstaligen moeten stimuleren om hun kinderen zo vroeg mogelijk school te laten lopen. Op die manier komen ze immers vroeg in een talenbad terecht en kunnen ze de standaardtaal goed in zich opnemen. Een ander voorbeeld, dat ik overigens schitterend vind, is het initiatief dat de heer Voorhamme in Antwerpen heeft genomen. De scholen proberen na de lestijden extra lessen te geven. De ouders worden verzocht deze lessen bij te wonen. Op die manier kunnen ze de standaardtaal leren en kan een goede participatie van de ouders tot stand komen. Ze kunnen aan heel het schoolleven deelnemen.

    Wat is uw houding ten aanzien van deze uitzonderingssituatie? Bent u van plan voor dergelijke experimenten in een bijkomende financiële input te voorzien? Zo ja, denk ik dat deze discussie nog vaak een vervolg zal krijgen.
    -------

    De heer Deckmyn (Vlaams Belang): tegenstander

    Mijnheer de minister, deze week liet de Gentse schepen van Onderwijs, de heer Coddens, weten dat er in Gent een proefproject zou worden opgestart voor het verstrekken van lessen Turks aan leerlingen van Turkse origine. Het zou gaan over vier à acht uur les per week, wat ongetwijfeld ten koste zal gaan van de lessen Nederlands.
    Mijnheer de minister, u liet weten dat u niet al te gelukkig was met dit initiatief. U liet er zich nogal kritisch over uit. Het project komt echter niet uit de lucht vallen. Het heeft een voorgeschiedenis. De vorige Gentse schepen van Onderwijs, mevrouw Van den Bossche, en haar opvolger, de heer Coddens, hebben al meermaals proefballonnetjes in die richting opgelaten. Uiteindelijk wordt dit project nu gelanceerd.

    Mijnheer de minister, in Nederland werden dergelijke projecten al uitgeprobeerd. Men is er echter volledig van afgestapt. In de jaren negentig bleek dat dit project geen kans op slagen had. Het werd afgevoerd omdat het een nefaste invloed had op de leerkwaliteit en op de integratie van de betrokken leerlingen.
    Blijkbaar wordt wat in Nederland is afgevoerd, nu in Gent ingevoerd. Daar werd opnieuw het warm water uitgevonden. Het wordt er bovendien nog als revolutionair bestempeld.

    Een dergelijk project schept een precedent. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met allochtone leerlingen uit andere taalgemeenschappen? En nog belangrijker, strookt dit alles wel met de vigerende taalwetgeving? Een punt dat voor u nog belangrijker zou moeten zijn, is of dit alles wel strookt met het beleid dat door de Vlaamse Regering wordt gevoerd inzake onderwijs en inburgering.
    Mijnheer de minister, wat is uw standpunt ter zake? Strookt dit wel met de vigerende taalwetgeving?

    U zou vandaag overleg plegen met de Gentse schepen van Onderwijs. Indien dat het geval is, zult u zich wel kritisch hebben opgesteld. Heeft het overleg al plaatsgevonden? Indien ja, wat zijn dan de resultaten? Worden in Vlaanderen nog andere soortgelijke projecten gepland?

    Antwoord van MinisterVandenbroucke

    : Mevrouw de voorzitter, het gaat hier om een zeer gecompliceerde discussie. Vaak spelen allerlei soorten argumenten een rol. Ik zal eerst even toelichten met welke bril we naar deze discussie kunnen kijken. Vervolgens zal ik een tweetal brillen opzetten.
    De eerste reeks vragen betreft de wettelijkheid van de situatie. De tweede reeks vragen betreft de wenselijkheid van dit project. Het is mijn ervaring dat onder de waterlijn van discussies over de aanwezigheid van het Turks, het Arabisch of een andere taal in de basisschool vaak andere gevoeligheden een rol spelen. Wat mij betreft, mogen die gevoeligheden geen invloed op de argumentatie hebben.
    Zo’n discussie gaat voor mij niet over de vraag of je nu al dan niet een signaal wil geven dat de taal die kinderen thuis spreken, ook een mooie taal is. Een leerkracht moet dat doen, wat die taal ook is. Je mag niet negatief staan tegenover een taal die kinderen thuis spreken en laat die maar eens klinken in de klas.

    Het gaat ook niet over taalpolitiek in de betekenis van het promoveren van een taal. Ik beargumenteer deze kwestie vanuit een onderwijspolitiek en een onderwijslogica. Ik licht dit dadelijk toe. Ik kom eerst bij de wettelijkheid. We worden hier geregeerd door de onderwijstaalwet, en die zegt dat het Nederlands de taal is in onze scholen. We zijn wel in staat om binnen het homogeen Nederlandstalige taalgebied als Vlaamse Gemeenschap daar modaliteiten voor in te voeren. We kunnen aanpassingen doen aan de onderwijstaalwet. De onderwijssituatie is niet zo eenduidig. Ik geef een voorbeeld: artikel 43 van het decreet Basisonderwijs maakt talensensibilisering mogelijk van in de kleuterklas. Talensensibilisering kent u. Als een kleutertje ‘Frère Jacques’ zingt, dan leert hij die klanken kennen. Dit is een voorbeeld van het Frans, maar het kan ook in andere talen. Dat is mogelijk van in de kleuterklas. Taalinitiatie is ook reeds mogelijk van in het begin van het basisonderwijs. Dat wordt mogelijk gemaakt door het decreet Basisonderwijs.

    Er is ook Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC) in onze regelgeving, maar dat is een beetje onduidelijker. De Gentenaars hebben me in een eerste overleg van deze morgen duidelijk gemaakt dat hun redenering zich op juridisch vlak veeleer zou situeren in OETC. OETC betekent dat men op een aantal plaatsen in Vlaanderen en Brussel vandaag lessen geeft in een andere taal. Is dat zo vreemd in onze regelgeving? Neen. Het Brusseldecreet dat is goedgekeurd in april 2004 geeft een subsidie voor een vorm van OETC, namelijk het bicultureel onderwijs in Brussel. Dat voorstel van decreet werd ingediend door de leden Gatz, Idrissi, Ramon, De Cock, Grouwels en Van Nieuwenborgh. Artikel 6 van dat decreet heeft het over de vzw Werkgroep Immigratie en de ondersteuning van OETC. Dat zit dus gewoon in onze regelgeving. We moeten daar niet zo verbaasd over zijn.

    Het decreet Basisonderwijs zegt uitdrukkelijk dat OETC niet gezien wordt als taalinitiatie. Dit staat in het decreet omdat taalinitiatie in de eerste plaats in het Frans moet. Dat verschilt van talensensibilisering waarover we niets zeggen qua taal. Een amendement van de heer Vanleenhove maakt dat duidelijk. Dit parlement heeft het GOK-decreet gewijzigd, wat daarnet al uitvoerig is besproken. Bij de wijziging van het GOK-decreet is ook gesproken over wat het betekent als een school vol is. Nadat een school vol is, is het toch nog mogelijk afwijkingen te hebben voor bepaalde leerlingen. Er kan dus een stoeltje bij worden gezet voor internaatkinderen, kinderen die geplaatst zijn, kinderen verbonden aan buitengewoon onderwijs en ook voor OETC. Dat begrip zit dus in onze decreten. Voor de rest is het niet zeer duidelijk geregeld. Het is niet zo dat we zomaar kunnen zeggen dat dit vreemd en onwettelijk is. We kennen het, want het wordt in decreten vermeld. De basisregelgeving daarover is echter niet bijzonder duidelijk. Als men in Gent iets wil doen met OETC, dan kunnen we moeilijk zeggen dat ze volkomen en overduidelijk onwettig zijn. Dat is niet zo eenvoudig.

    Ik wil het nu even hebben over de wenselijkheid. Ik verwijs naar een colloquium voor Ons Erfdeel waar ik uitvoerig heb gesproken over een onderscheid dat ik maak.

    Er is een onderscheid tussen de taalpolitieke logica – die is belangrijk, onder meer voor wat we in de rand rond Brussel doen – en de onderwijslogica. Mijn onderwijslogica zegt me wel dat een zeer grote klemtoon op taal nodig is. Taal is cruciaal voor de realisatie van gelijke kansen in het onderwijs. Ik ben een zelfverklaarde tegenstander van elk relativisme inzake taal en de noodzaak om het Nederlands goed te kennen.

    Volgens mij begint het verhaal in de kleuterklas, dat verder moet worden opgebouwd in het lager onderwijs en op een goed niveau moet worden gebracht tegen het einde van het secundair onderwijs. Dat moet anderstalige kinderen de kans bieden om niet alleen successen op de arbeidsmarkt te boeken, maar vooral ook om door te stromen naar het hoger onderwijs, waarvoor men het academische Nederlands moet beheersen. Dat laatste is een van de grote actuele knelpunten.

    Als u me vraagt of taal belangrijk is, dan zeg ik dat taal cruciaal is, en dan bedoel ik de taal van de klas, dus het Nederlands. Uit het overleg van deze ochtend heb ik onthouden dat die mensen zeggen dat hun doelstelling een goede beheersing van het Nederlands is. Dat is geruststellend. Ik ben wel bezorgd over wat ze zeggen, omdat ik vind dat ze nogal een grote hap nemen uit het curriculum om met een andere taal bezig te kunnen zijn. Dat is mijn eerste indruk. Die grote hap neemt mogelijkheden weg om een taalbad in het Nederlands aan te bieden. Ik heb hen gezegd dat ik daar bezorgd over ben.
    Het overleg met de mensen van Gent is nog niet afgerond. Het was een eerste kennisname van wat ze precies willen doen. Ik heb hen alvast gezegd dat ik niet graag heb dat een grote hap wordt weggenomen uit de schooltijd – de enige tijd waarin de kinderen worden geconfronteerd met het Standaardnederlands. Ik heb hen gevraagd daarover na te denken. Ik zal dat overleg met hen voortzetten.

    De heer Johan Deckmyn:

    Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Taal is een middel tot integratie. Het Gentse initiatief staat daar mijns inziens haaks op. In Nederland heeft men dat al op die manier geprobeerd, met behulp van verschillende projecten. In een studie is aangetoond dat die projecten faliekant zijn afgelopen. Ze tonen aan dat die aanpak nefast is voor de leerkwaliteit, maar ook voor de integratie van allochtone leerlingen.

    U bekijkt de zaak door twee brillen: die van de wettelijkheid en die van de wenselijkheid. Ik zou de collega’s eens willen uitnodigen om de toestand ook eens anders te bekijken. Dit project past duidelijk in de stimulering van de multiculturele maatschappij. Er is een andere aanpak mogelijk: die van de integratie en de assimilatie, waarbij men alles inzet op de aanpassing van de leerlingen aan onze eigen waarden, taal en cultuur. Het Gentse project staat haaks op die laatste visie.

    Ik betwijfel dat er geen wettelijke problemen zouden rijzen. De taalwetgeving is toch duidelijk: het onderwijs in Vlaanderen moet in het Nederlands gebeuren. De minister heeft dat gerelativeerd aan de hand van allerlei voorbeelden over plaatsen waar het zo al gebeurt en waar men wat op welke manier doet. Zo verdrinkt men de vis. Ik ben alvast blij dat de minister erkent dat er ter zake niet veel duidelijkheid heerst. En ik ben ook blij uit zijn mond te vernemen dat taalpolitiek belangrijk is.

    De finale doelstelling is een goede beheersing van het Nederlands. Dat is een belangrijk element van de aanpassing van vreemdelingen aan onze cultuur. Dat lost men niet op door lessen Turks in het onderwijs te geven. En dat is zeker zo als men, zoals de bedoeling is, dat gedurende vier tot acht uren per week wil doen. Dat zou een grote hap wegnemen uit het lessenpakket Nederlands.

    28-03-2018 om 13:01 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:meertalig, Turks
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vernietigende kritiek op onderwijsbeleid van parlementaire onderzoekscommissie-Dijselbloem - 2008 die nog steeds vrij actueel is en grotendeels van toepassing is op Vlaams onderwijs(beleid)


    *op invoering van de gemeenschappelijke basisvorming in de 1ste graad s.o., die ook tot aderlating voor technisch onderwijs leidde *competentiegericht & nieuwe leren, *inclusief onderwijs *niet invoeren van NT2-taalonderwijs vanaf kleuteronderwijs,
    *vervreemding van het onderwijsbeleid & druk vanuit vernieuwingsestablishment
    *invoering grootschalige scholengroepen die tot minder betrokkenheid leidde
    *pedagogische bemoeizucht, maar geen niveaubewaking door overheid en inspect
    ie

    Dit doorwrocht rapport werd in Vlaanderen met opzet verzwegen door beleidsverantwoordelijken ministerie, onderwijskoepels, sociologen… In Onderwijskrant besteedden we er veel aandacht aan. Omdat de kritiek in het Dijsselbloem-rapport grotendeels van toepassing was/ is op het Vlaams onderwijs(beleid) citeren we nog eens uitvoerig uit onze voorstelling van het rapport destijds in Onderwijskrant.

    Verkrampte gelijkheidsideologie en invoering gemeenschappelijke basisvorming in 1ste graad s.o.

    Een basisconclusie van het rapport-Dijsselboem luidde: “Verkrampte gelijkheidsideologie en al te brede gemeenschappelijke basisvorming in 1ste graad s.o. = miskenning van specifieke aanleg en noden en onderbenutting van talenten.”

    De Nederlandse parlementaire onderzoekscommissie-Dijsselbloem stelde in haar rapport van 2008 ‘Tijd voor onderwijs’ dat "het verkrampt gelijkheidsideaal van de jaren zeventig ertoe leidde dat alle kinderen zo lang mogelijk hetzelfde onderwijsaanbod moesten krijgen. Dit leidde tot de invoering van gemeenschappelijke basisvorming in de lagere cyclus van het voortgezet (=secundair) onderwijs. Dit betekende dat leerlingen van de meest uitlopende niveaus de eerste twee jaar ongeveer dezelfde leerstof kregen. Traditionele scholen voor technisch- of beroepsonderwijs met een behoorlijk aantal uren techniek waren uit den boze, omdat arbeiderskinderen daardoor zogezegd werden vastgepind op hun afkomst. De leerlingen moesten ook van alles eens kunnen proeven om zich op deze brede basis te kunnen oriënteren en dit leidde tot een al te breed en te weinig gedifferentieerd curriculum" cf. argumenten van pleitbezorgers van brede eerste graad in Vlaanderen.

    In het commissierapport lezen we verder: “De huiver om aparte leerroutes in te richten voor leerlingen die moeite hebben met het voor hen té theoretische, algemeen vormende onderwijs, zat bij meerdere linkse partijen diep. De vrees kwam voort uit de tijd waarin arbeidskinderen vroegtijdig van school af werden gestuurd om te gaan werken of op zijn best naar de ambachtsschool mochten. Kortom, deze kinderen mochten niet weer opnieuw slachtoffer worden van een onderschatting van hun talent."

    "Deze gelijkheidsideologie heeft er ten onrechte toe geleid dat er jarenlang voor leerlingen wier talent meer praktisch dan theoretisch is, geen volwaardige leerroutes waren. Dit heeft mede bijgedragen aan hoge schooluitval. In plaats van het onderkennen van talenten, ook wanneer die liggen in praktische vaardigheid, en deze verder te ontwikkelen kwam voor deze kinderen de nadruk te liggen op datgene wat ze niet konden.”

    "De gemeenschappelijke basisvorming bleek voor vmbo-’ers = bso- en tso-ers te moeilijk en te theoretisch, en voor vwo-’ers = aso-ers - veel te makkelijk. Toch werden ze er in gelijke mate aan onderworpen. Die opgelegde gelijkheid was een politiek dogma waar de onderwijspraktijk helemaal geen behoefte aan had. De minder slimme en andersgetalenteerde kinderen bleken dus allerminst met een ‘gelijke’ behandeling geholpen. Zij zijn massaal uitgevallen in het voor hen te theoretisch gerichte onderwijs. Ze werden in een theoretisch aso-keurslijf geduwd, in plaats van begeleid en beoordeeld te worden op basis van hun prestaties en specifieke talenten.

    Onderwaardering van technisch onderwijs

    De hervormers wekten door de overbeklemtoning van de ‘algemene’ vorming tegelijk de indruk dat alles wat te maken had met techniek en het latere beroep minderwaardig was. Dit leidde tevens tot een onderwaardering van technisch en beroepsonderwijs en van het werken met de handen. De sterkste leerlingen werden onder hun niveau aangesproken en daardoor gingen ze onderpresteren. Ze werden al te weinig uitgedaagd. Het nivellerend gelijkheidsdenken verving meritocratie door mediocratie. "

    "De sociaal en cognitief kwetsbare leerlingen waren – voorspelbaar genoeg ook – het meest de dupe van de daling van de kwaliteit van het onderwijs en/ of van de te brede basisvorming, van de verschuiving van de focus van schoolse kennis en vaardigheden naar algemene en vage competenties en van leerkracht- naar zelfgestuurd onderwijs. "

    Commissievoorzitter Dijsselbloem (PVDA) was streng in zijn oordeel: “Mijn socialistische partijleden, een aantal onderwijskundigen en ook nog anderen wilden gelijke kansen voor iedereen. Maar die ideologie leidde in de praktijk tot gelijke behandeling van zeer ongelijke leerlingen. Bij 12-jarigen zijn de verschillen al heel groot. Een grove fout dus. Want daardoor kregen veel leerlingen niet de begeleiding die ze nodig hadden. Daarmee zijn onnodige risico’s genomen”.

    Kritiek op inclusief onderwijs: grootste blunder voorbije decennia

    "Vanuit dezelfde illusie van gelijkheid en gelijke behandeling werd ook inclusief onderwijs ingevoerd waarbij het ‘buitengewoon’ secundair (lom)onderwijs zelfs werd afgeschaft." Voor Dijsselbloem was dit zelfs de grootste blunder van de voorbije decennia.

    Geen intensief NT2-taalonderwijs vanaf 1ste dag kleuteronderwijs

    En andere blunder luidde: "Allochtone kleuters mochten volgens universitaire taalkundigen e.d. ook geen specifiek en apart (taal)parcours volgen en zo kwam men niet tegemoet aan hun specifieke noden" " cf. de analoge situatie in Vlaanderen. Kris van den Branden en zijn Leuvens Steunpunt NT2 vonden intensief en specifiek NT2-taalonderwijs vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs overbodig.

    Kritiek op competentiegerichte aanpak en nieuwe leren

    Het rapport Dijsselbloem formuleerde ook veel kritiek op de competentiegerichte aanpak en het nieuwe leren die kennis minder belangrijk vindt dan vaardigheden en schoolse kennis en vaardigheden minder dan algemene en vage competenties. Dit leidde ook tot het mislukte experiment met het zgn. Studiehuis.

    Gelijkheidsideologie

    Voor Dijsselbloem en co was dat alles nu het bewijs “dat de acceptatie van natuurlijke ongelijkheid en gescheiden leerwegen juist de zwaksten kan helpen. En dat zou je moeten willen omdat ieder mens gelijkwaardig is. Door onderscheid te durven maken, verschillen benadrukken, kunnen kansen juist in rap tempo toenemen.” … ‘Differentiatie’ of ‘opsplitsing’ is in die zin soms de meest effectieve aanpak; te lang samenhouden en inclusie leiden tot discriminatie en onvoldoende inspelen op de specifieke talenten."

    De ideologische fout die aan de invoering van de gemeenschappelijke /brede basisvorming ten grondslag lag, was dus het te ver doordrijven van de ideologie van de gelijkheid en gelijke behandeling. PvdA-kamerlid Staf Depla stelde tijdens het kamerdebat van 15 april 2008: “We moeten het maximale halen uit leerlingen met verschillende talenten. Dat betekent dus ook: niet iedereen gelijk behandelen maar juist ruimte geven aan bijvoorbeeld vakscholen waar je op je 12de voor kiest.” Later in het debat werd een ruime consensus bereikt over het oprichten “van een vakopleiding voor leerlingen die beter met hun handen dan met hun hoofd kunnen leren”.

    Sociaal en cognitief kwetsbare kinderen waren het meest de dupe van de gemeenschappelijke eerste graad

    We lezen: "Extra schrijnend is dus dat tijdens de voorbije decennia de sociaal en cognitief kwetsbare leerlingen waarvoor veel hervormingen en GOK-centen bedoeld waren, het zwaarst geleden heeft onder de GOK-illusies.

    Een hoofddoel van de middenschoolgedachte was ‘dat je niet meer op 12-jarige leeftijd hoefde te kiezen’, aldus ex- PvdA-minister Wallage in zijn getuigenis. Een criticus repliceerde: “Dit is onzin. Vooral aanleg, intelligentie en aanwezige competenties bepalen of een 12-jarige geschikt is voor het vwo of het vmbo en niet de eigen keuze. Op 12-jarige leeftijd is de kwaliteit van de aanwezige neurofysiologische hardware bepalend voor de richting die het kind op zal gaan.

    De kern van de gemeenschappelijke basisvorming voor 12- à 15-jarigen is de illusie dat als je intelligente en minder intelligente scholieren bij elkaar zet, de eersten de tweeden omhoogtrekken. Dat is onjuist; de nadelen zijn veel groter dan de voordelen.” Zelf gaan we ervan uit dat tot 12 jaar de voordelen van het samen optrekken al bij al voordeliger zijn dan het opsplitsen. In Singapore & Duitsland is dat maar tot 10 jaar en in Engeland en Frankrijk tot 11.

    “Het grootste probleem zijn de kwetsbare leerlingen. Te veel van hen zijn door de vernieuwingen buiten de boot gevallen en hebben definitief geen diploma.
    Voor die groep is het het ergst”, zei Dijsselbloem in de Volkskrant. Maar de problemen zijn volgens velen net zo erg aan de bovenkant van de piramide. Het gelijkheidsdenken leidde ook tot mediocratie, middelmatigheid en diploma-inflatie. “Slecht onderwijs voor onze beste leerlingen is een even groot probleem als slecht onderwijs voor de onderkant. Die beste jongeren heeft onze maatschappij minstens even hard nodig om haar leiderschapstaak goed te kunnen vervullen.”

    Vervreemding van de politiek en beleidsadvisering

    Een andere basisconclusie van het rapport luidde: “De gehele beleidsadvisering en beleidsvoorbereiding speelde zich af binnen de kleine en gesloten kring van ambtenaren, zogezegde deskundigen, adviseurs en vertegenwoordigers van allerhande organisaties die ook op vernieuwing aanstuurden.”

    Commissievoorzitter Dijsselbloem voegde er het tijdens het Kamerdebat aan toe: “Het parlement mag de belangenorganisaties en vakbonden niet op hun blauwe ogen geloven als zij stellen dat hun achterban voor of tegen een voorstel is. Het moet zelf peilingen onder leerkrachten houden om erachter te komen of zij de nieuwe plannen wel steunen.”
    Volgens Tjeenk Willink, vice-voorzitter Raad van State, illustreerde het rapport bijzonder helder de vervreemding van de politiek.

    Pedagogische bemoeizucht en tegelijk verwaarlozing niveaubewaking

    De overheid wordt in het rapport-Dijssselbloem zowel beschuldigd van pedagogische bemoeizucht, als van het afstoten van haar kerntaken en verantwoordelijkheid – het verzekeren van deugdelijk onderwijs en van de ‘algemene’ regelgeving.

    “De overheid en de inspectie lieten na voldoende toezicht te houden op de onderwijsresultaten”. - Dit was de voorbije 20 jaar ook het geval in Vlaanderen en het ziet er niet naar uit dat dit met de 'nieuwe' inspectie beter zal zijn. De eindtermen (kerndoelen) voor de scholen en de basiscompetenties voor de lerarenopleidingen waren veel te vaag en de leeropbrengsten werden niet gecontroleerd. Tegelijk bemoeiden de overheid, de inspectie, de steunpunten … zich ten onrechte met het hoe, de didactiek in klas = staatspedagogiek. Samen met belangenorganisaties als de pedagogische centra, het zgn. ‘procesmanagement’ e.a. oefenden ze een ontscholingsdwang uit in de richting van het ‘nieuwe leren’. Dit was de voorbije 20 jaar ook het geval in Vlaanderen.

    Kritiek op grootschalige scholengroepen

    Tegelijk leidde de rage van de deregulering en van de verzelfstandiging er toe dat er geen ‘algemeen beleid’ en planificatie meer mogelijk was, dat de scholengemeenschappen te groot werden en bedrijfsmatig werden bestuurd. Hierdoor kwamen de schoolleiders verder af te staan van de primaire onderwijsopdracht.

    Het rapport-Dijsselbloem is/was o.i. een moedig rapport. Veel waarnemers hadden niet verwacht dat de parlementaire commissieleden geneigd zouden zijn om het eigen politiek beleid en het vernieuwingsestablishment zo kritisch te benaderen. Het rapport kreeg bijzonder veel aandacht in de media en kon op een massale instemmende respons rekenen, ook vanwege minister Plasterk en tijdens het kamerdebat van 15,17 & 18 april 2008.

    Het rapport is een aanklacht tegen de onbezonnenheid van het beleid en tegen de grote kloof tussen de Haagse beleidswerkelijkheid en de door de onderwijsmensen aan den lijve ervaren werkelijkheid.
    De beleidsmensen lieten zich volgens de commissie gewillig misleiden door pedagogische nieuwlichters en door de kopstukken van de belangenorganisaties (koepels, inspectie, raden allerhande, pedagogische centra, onderwijsvakbonden …).

    Het aantal ambtenaren, vrijgestelden, begeleiders, technocraten, managers en bureaucraten is de voorbije 30 jaar enorm gestegen. Deze managementlaag houdt zichzelf in stand en stuurt, adviseert en controleert het onderwijs. Het onderwijs is veel meer de eigendom van de topambtenaren, adviseurs, ondersteuners allerhande, kopstukken van de onderwijsnetten en de VLOR s en van schoolmanagers van grote scholengroepen dan van de leerkrachten. Dirk Van Damme (OESO) stelde op 21 maart in zijn KULAK-lezing dat leerkrachten en zelfs politici geen greep hebben op dit verneuwingsestablishment.

    Vanuit het maakbaarheidsgeloof en de ermee verbonden verlossingsdrang werd geen rekening gehouden met de al ‘beproefde waarden’ en met de mening van de praktijkmensen. Veel van de veranderingen verwaterden en werden weer afgebouwd: gemeenschappelijke basisvorming, studiehuis e.d. Veel leerkrachten oefenden gelukkig een stil verzet uit tegen de vernieuwingsdwang; zo konden de schade en de feitelijke ontscholing nog beperkt worden. Oerdegelijke waarden en aanpakken zijn intussen wel weggedeemsterd en het herstel wordt heel moeilijk. Het doorhollings- of omwentelingsbeleid was een breinloos en sektarisch beleid dat steeds opnieuw op cultuuromslagen aanstuurde.

    De onderwijsvernieuwingen leidden tot ontscholing, niveaudaling, kortom: tot afbraak van het onderwijs. Volgens vice-premier André Rouvoet hebben de jongeren als gevolg van het ‘nieuwe leren’ en van de schaalvergroting ook steeds meer het gevoel op zichzelf te zijn aangewezen. Honderdduizenden jonge mensen hebben een kennisachterstand en een gebrek aan algemene ontwikkeling opgelopen. Leerlingen vertonen hiaten in de meest elementaire kennis en vaardigheden, zowel op de basisschool, het middelbaar onderwijs, de lerarenopleidingen, als op de universiteit. De diploma-inflatie is enorm. Volgens het verkrampt gelijkheidsideaal van de jaren zeventig moesten leerlingen ook allemaal hetzelfde onderwijsaanbod krijgen. Bovendien was kennis minder belangrijk dan vaardigheden. Dit alles leidde tot onderwijsvernieuwingen als gemeenschappelijke basisvorming in de lagere cyclus s.o., inclusie en afschaffing buso, zelfstandig leren en studiehuis, competentiegericht (vaardigheids)onderwijs. De sociaal en cognitief kwetsbare leerlingen waren hier het meest de dupe van. De commissie pleitte voor de terugkeer naar het juiste pad.

    P.S.

    In zijn commentaar op het rapport-Dijsselbloem in het weekblad Tertio van 12 maart 2008 besloot Emmanuel Van Lierde: “Als Vlaanderen Nederland blijft achternalopen dan dreigt ons onderwijs spoedig in dezelfde impasse te belanden, als dat al niet gebeurde. Vlaanderen kan het best nu lessen trekken uit het feit dat Nederland op de rem gaat staan. Ons onderwijs moet ter wille van de kwaliteit o.a. een einde maken aan het doorvoeren van het ‘nieuwe leren’, het creëren van mastodontscholen, het opnemen van zorgleerlingen in het gewone onderwijs en het afslanken van het buitengewoon onderwijs – leerzorgplan” (‘Schoolstrijd barst los in Nederland – Nieuw leren is kop van jut’)

    28-03-2018 om 10:21 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:onderwijsbeleid, grootschalige scholengroepen
    >> Reageer (0)
    27-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Michel Foucault als naïeve bewonderaar van de Iraanse revolutie & Islam

    Bernard E. Harcourt | Introduction to Foucault on Iran: Revolt as Political Spirituality Waar komt Foucaults fascinatie voor Iraanse revolutie vandaan? Controversieel onderwerp.

    December 11, 2017

    Vooraf: (Source: Janet Afary and Kevin B. Anderson, Foucault and the Iranian Revolution

    Foucault, unfortunately, was precisely seduced by the popular uprising in Iran, which he claimed might signify a new "political spirituality", with the potential to transform the political landscape of Europe, as well as the Middle East. Thus, for example, in his October 1978 article, "What Are the Iranians Dreaming About?", he adopted an almost mythic rhetoric to describe the revolutionary struggle:

    "The situation in Iran can be understood as a great joust under traditional emblems, those of the king and the saint, the armed ruler and the destitute excile, the despot faced with the man who stands up bare-handed and is acclaimed by a people."

    And he added reassuringly that nobody in Iran envisaged bringing about a political regime in which clerics would have a controlling or even supervisory role. Rather, the popular uprising was aiming towards a "utopia" or "ideal", which involved a notion of "advancing toward a luminous and distant point where it would be possible to renew fidelity rather than maintain obedience." He added that in pursuit of this ideal, "the distrust of legalism seemed to be essential, along with a faith in the creativity of Islam."

    In the particulars, Foucault was effusive:

    "Islam values work; no one can be deprived of the fruits of his labor, what must belong to all (water, the sub-soil) shall not be appropriated by anyone. With respect to liberties, they will be respected to the extent that their exercise will not harm others; minorities will be protected and free to live as they please on the condition that they do not harm the majority; between men and women there will not be inequality with respect to rights, but difference, since there is natural difference. With respect to politics, decisions should be made by the majority, the leaders should be responsible to the people, and each person, as it is laid out in the Quran, should be able to stand up and hold accountable he who governs.

    On February 1st 1979, five million people were on the streets of Tehran to welcome back Ayatollah Khomeini after 14 years of exile. By the end of February, power effectively lay his hands and the hands of a revolutionary council. Former officials of the Shah's government were rounded up, and many were summarily executed. Public whipping was introduced for alcohol consumption. Libraries were attacked if they held books that were "anti-Islamic". Broadcast media was censored. As for women's rights, and Foucault's claim that there would not be inequality, only difference (whatever that actually means), on March 3rd, Khomeini decreed that women would be unable to serve as judges; on March 4th, that only a man could petition for divorce; on March 9th, women were banned from participating in sport; and on March 8th, as predicted by many more pessimistic voices, women were ordered to wear the chador.
    (Source: Janet Afary and Kevin B. Anderson, Foucault and the Iranian Revolution.)

    ---------------------
    Michel Foucault identified in the Iranian uprising of 1978 a modality of religious political revolt and a form of political spirituality that privileged, in the secular realm, expressly religious aspirations.

    What Foucault discovered in Iran was, in his words, a political spirituality: a mass mobilization on this earth modeled on the coming of a new Islamic vision of social forms of coexistence and equality.

    Foucault described the mass mobilization in Iran as an Islamic uprising. He did not minimize in any way its Islamic religious foundations or modes of expression. On the contrary, Foucault framed the uprising through the lens of Ernst Bloch’s thesis, in The Principle of Hope (3 vols., 1954-1959), on the rise, in Europe, from the twelve to the sixteenth century, of the religious idea that there could come about on this earth a form of religious revolution (see Foucault, There Can’t Be Societies without Uprisings, interview with Farès Sassine, August 1979). Foucault related the events in Iran to this religious model, originally formulated by dissident religious groups in the West at the end of the Middle Ages—and which Foucault referred to as “the point of departure of the very idea of Revolution.” (Ibid.).

    Foucault explicitly characterized the will of those Iranians in revolt with whom he had contact as taking the form of a “religious eschatology”—not the form of a quest for another political regime, nor in his words for “a regime of clerics,” but instead for a new Islamic horizon. (Sassine interview, 4) When those in revolt spoke of an Islamic government, Foucault maintained, what they had in mind were new social forms based on a religious spirituality, sharply different than Western models. (Sassine interview, 5-7) Foucault pointed to Ali Shariati as the thinker who had most clearly posed the problematic and formulated this vision. (Sassine interview, 10)

    It is to this model of uprising as political spirituality, this modality of religious political revolt that we turn to in Uprising 6/13. By contrast to the modality of revolt that we discussed during our seminar Uprising 3/13 on the Arab Spring, the modality of revolt that Foucault identified in Iran in 1978-79 was expressly and primarily religious. Much (but of course not all, as evidenced once again by subsequent events) of the ideological wellspring in Tahrir Square was more secular, leaderless, and occupational: a form of disobedience against a secular authoritarian regime—at least as portrayed in much of the reportage and documentaries like Tahrir: Liberation Square, directed by Stefano Savona (2012). The situation was very different in 1978 Iran, at least on Foucault’s assessment. And it gives rise to a different modality of revolt: a religious eschatological modality of uprising.
    ~~~
    In 1978-79, Foucault published a series of long-form essays, part editorial, part reportage, in the Italian newspaper Corriere della sera regarding the uprising in Iran. His first editorial, “The army, when the earth quakes,” was published on September 28, 1978, after he returned from his first trip to Iran from September 16 to 24, 1978. By that time—by the end of September 1978—martial law had already been declared in Iran, following several months of uprisings and the brutal repression and mass murders of demonstrators by the Shah’s army. Foucault published another five essays in October and early November, before returning to Iran from November 9 to 15, 1978. After that second trip, Foucault published three more essays in the Corriere della sera, the final one appearing on February 26, 1979. By that time, the Shah was deposed, having left for exile mid-January 1979, Khomeini had returned to Teheran and formed a new government, and Mehdi Bazargan was heading the country. Only a month later, at the end of March 1979, the country voted by referendum for an Islamic republic. Foucault published his last intervention on Iran, a capstone editorial in Le Monde, titled “Useless to revolt?,” on May 11-12, 1979. Foucault also gave several interviews over the period, and engaged in other debates, with a final interview in August 1979.

    From the opening essay (“The army, when the earth quakes,” Sept. 28, 1978), practically in the first opening paragraph, Foucault identified Islam as the symbol, node, and magnet for power resistance to the Shah. The Shah, on one side, is represented by terms such as “the administration,” “the government,” “the ministry,” “the official plans,” and simple “the power” [le pouvoir]; and is associated with “the notables” and the United States (D&E3 #241, 664, 668-69). The US, which restored the Shah to power, is portrayed as the dominating force in Iran—with 30 to 40 thousand American advisers to the Shah’s army, pervasive American military equipment, and the imposition of an American order in Iran. As a high military official, in the opposition, confided to Foucault, “the Americans dominate us.” (668)

    The other pole is “l’islam”—Islam: “Facing the government and against it, Islam: for ten years already.” (664). Islam is symbolically represented by that “cleric,” an anonymous cleric (not Khomeini, who does though already appear in the next paragraph), who leads and organizes the “artisans” and “farmers,” and together who respond to the earth quake and destruction of their village by building a mosque. (664) The only other force present is the specter of communism: the 80 military officers executed for being communist, the apparent international communist uprising that is not, the government propaganda against communism. (667) But the mounting uprising remains “the street, the merchants of the bazaar, employees and the unemployed” all “under the sign of Islam.” (667, emphasis added)

    This central opposition—the American Shah versus an Islamic popular movement—motivates Foucault’s interpretation of the events in Iran. And it is precisely the Islamic movement that he believes alone could overtake the army: “of the two keys that might control the army, the one that seems more adapted for the moment is not the one, American, of the Shah. It is the one, Islamic, of the popular movement.” (669)

    These themes run through the essays. The theme of Islam as the only possible form of opposition in a Cold War context where communism in Iran has been crushed by American domination in the face of the Soviet specter. It is within that geopolitics that Foucault identifies and develops a theory of political spirituality. A thesis about the Iranian uprising as a religious political form, modeled on religious eschatology:

    Their hunger, their humiliations, their hatred of the regime and their willingness to overthrow it, they inscribed it all within the bounds of heaven and earth, in an envisioned history that was religious just as much as it was political. […] Years of censorship and persecution, a political class kept under tutelage, parties outlawed, revolutionary groups decimated: where else but in religion could support be found for the disarray, then the rebellion, of a population traumatized by “development,” “reform,” “urbanization,” and all the other failures of the regime? (Useless to Revolt?)

    The resulting modality of revolt that Foucault identified and developed in the Iranian context of 1978-79 was framed by the relation between political uprising and religious eschatology. (Sassine interview, 2) And it was, for Foucault, an important discovery—not just in its descriptive accuracy, but also in its normative potential. For, as Daniele Lorenzini correctly emphasizes, “This was what Foucault was looking for: a mass uprising, in which people stand up against a whole system of power, but which isn’t inscribed in a ‘traditional’ (Western) revolutionary framework.”

    Foucault did not condemn this mode of political spirituality—to the contrary, he wrote about it with respect and admiration for those who rose up and risked their lives against their oppressors. Foucault did warn that “Islam—which is not simply a religion, but a mode of life, a belonging to a history and to a civilization—risks constituting a gigantic powder keg, at the scale of hundreds of millions of people. Since yesterday, any Muslim state can be revolutionized from within, from the basis of its secular traditions.” (A Powder Keg Called Islam, D&E3 #261, 761). But he traveled to Iran without hostility, rather with sympathy for the uprising. (Sassine interview, 8)

    For that, Foucault was excoriated by the French press and by his peers. To this day, Foucault is criticized vehemently for not having taken a position against the Islamic uprising. The book by Janet Afary and Kevin B. Anderson takes that position, guided by the opening question “Why, in his writings on the Iranian Revolution, did he give his exclusive support to its Islamist wing?” and by its argument that Foucault’s choice reveals deeper problems about his Nietzschean-Heideggerian influence. The controversy continues to the present, with the most recent publication, in 2016, by our guest, Behrooz Ghamari-Tabrizi, of Foucault in Iran: Islamic Revolution after the Enlightenment (University of Minnesota Press, 2016), offering a dramatically opposite reading. On this recent controversy, I will here leave the last word to Talal Asad:
    One may recall here a remark Foucault once made in relation to the Iranian revolution: “Concerning the expression ‘Islamic government,’ why cast immediate suspicion on the adjective ‘Islamic’? The word ‘government’ suffices, in itself, to awaken vigilance.” Naive critics of Foucault have taken his interest in the Islamic Republic of Iran as evidence of his romance with political Islam (in response perhaps to his early criticism of the left-wing romance with revolution). But they are mistaken. Foucault’s reaction to the Iranian revolution is his concern (as so often in his writings) to think beyond clichés and, in particular, to formulate questions about how truth is manifested in connection with the exercise of self on self, “the relations between the truth and what we call spirituality”—atopic that preoccupied him in his last years. In the comment about the Iranian revolution he is posing a question about the modern state’s practice of sovereignty and the sovereign subject in that state. The modern state (including varieties of the liberal state) is held together not by moral ideals and social contracts but by technologies of power, by instrumental knowledge, and also, importantly, by the way it requires dependence on and demonstration of truth (traitors are those who conceal the truth).[1]
    ~~~
    At the time, in 1979, Foucault responded to his critics. In both an essay in Le Monde, “Is it useless to revolt?” published on May 11-12, 1979, and in several interviews at the time, Foucault argued that one cannot judge others when they revolt against their oppression and that one cannot judge another who revolts by the outcomes of the ensuing political developments. One should not engage in critical thought about political practice from a position of hindsight. (I believe that the Arab Spring now lends additional support to this position).
    In perhaps his most direct response, drawing on his histories of the asylum and of the prison, Foucault wrote:
    One does not dictate to those who risk their lives facing a power. Is one right to revolt, or not? Let us leave the question open. People do revolt; that is a fact. And that is how subjectivity (not that of great men, but that of anyone) is brought into history, breathing life into it. A convict risks his life to protest unjust punishments; a madman can no longer bear being confined and humiliated; a people refuses the regime that oppresses it. That doesn’t make the first innocent, doesn’t cure the second, and doesn’t ensure for the third the tomorrow it was promised. (Useless to Revolt?)

    In this sense, political spirituality becomes part of the “counter-conduct” that Foucault explored and developed—and that Arnold Davidson discusses so well in his essay “In praise of counter-conduct”: “After rejecting the notions of ‘revolt’, ‘disobedience’, ‘insubordination’, ‘dissidence’ and ‘misconduct’, for reasons ranging from their being notions that are either too strong, too weak, too localized, too passive, or too substance-like, Foucault proposes the expression ‘counter-conduct.’”[2]

    It is here, in his last writing on Iran, that Foucault most clearly articulated what he called his own “theoretical ethic”: “It is ‘antistrategic’: to be respectful when a singularity revolts, intransigent as soon as power violates the universal.” (Useless to Revolt?)
    Respectful of the individual who rises up, in order to keep one’s indignation and intransigence for the power that represses. What a remarkable statement—and an excellent place to start our seminar on Foucault on Iran: Revolt as Political Spirituality.
    Welcome to Uprising 6/13!

    Notes
    [1] Talal Asad, “Thinking About Tradition, Religion, and Politics in Egypt Today,” Critical Inquiry 42 (Autumn 2015), p. 206.
    [2] Arnold Davidson, “In praise of counter-conduct,” History of the Human Sciences, 24(4):25-41 (2011), at p. 28. As Davidson argues, this relates closely to the “critical attitude,” which he defines as “a political and moral attitude, a manner of thinking, that is a critique of the way in which our conduct is governed, a ‘partner and adversary’ of the arts of governing (Foucault, 1990: 38).” Ibid., p. 37.e

    ---------------------

    Bijlage

    An excerpt from

    Foucault and the Iranian Revolution

    Gender and the Seductions of Islamism

    Janet Afary and Kevin B. Anderson

    What Are the Iranians Dreaming About?
    Michel Foucault

    "They will never let go of us of their own will. No more than they did in Vietnam." I wanted to respond that they are even less ready to let go of you than Vietnam because of oil, because of the Middle East. Today they seem ready, after Camp David, to concede Lebanon to Syrian domination and therefore to Soviet influence, but would the United States be ready to deprive itself of a position that, according to circumstance, would allow them to intervene from the East or to monitor the peace?

    Will the Americans push the shah toward a new trial of strength, a second "Black Friday"? The recommencement of classes at the university, the recent strikes, the disturbances that are beginning once again, and next month's religious festivals, could create such an opportunity. The man with the iron hand is Moghadam, the current leader of the SAVAK.

    This is the backup plan, which for the moment is neither the most desirable nor the most likely. It would be uncertain: While some generals could be counted on, it is not clear if the army could be. From a certain point of view, it would be useless, for there is no "communist threat": not from outside, since it has been agreed for the past twenty-five years that the USSR would not lay a hand on Iran; not from inside, because hatred for the Americans is equaled only by fear of the Soviets.

    Whether advisers to the shah, American experts, regime technocrats, or groups from the political opposition (be they the National Front or more "socialist-oriented" men), during these last weeks everyone has agreed with more or less good grace to attempt an "accelerated internal liberalization," or to let it occur. At present, the Spanish model is the favorite of the political leadership. Is it adaptable to Iran? There are many technical problems. There are questions concerning the date: Now, or later, after another violent incident? There are questions concerning individual persons: With or without the shah? Maybe with the son, the wife? Is not former prime minister Amini, the old diplomat pegged to lead the operation, already worn out?

    The King and the Saint

    There are substantial differences between Iran and Spain, however. The failure of economic development in Iran prevented the laying of a basis for a liberal, modern, westernized regime. Instead, there arose an immense movement from below, which exploded this year, shaking up the political parties that were being slowly reconstituted. This movement has just thrown half a million men into the streets of Tehran, up against machine guns and tanks.

    Not only did they shout, "Death to the Shah," but also "Islam, Islam, Khomeini, We Will Follow You," and even "Khomeini for King."

    The situation in Iran can be understood as a great joust under traditional emblems, those of the king and the saint, the armed ruler and the destitute exile, the despot faced with the man who stands up bare-handed and is acclaimed by a people. This image has its own power, but it also speaks to a reality to which millions of dead have just subscribed.

    The notion of a rapid liberalization without a rupture in the power structure presupposes that the movement from below is being integrated into the system, or that it is being neutralized. Here, one must first discern where and how far the movement intends to go. However, yesterday in Paris, where he had sought refuge, and in spite of many pressures, Ayatollah Khomeini "ruined it all."

    He sent out an appeal to the students, but he was also addressing the Muslim community and the army, asking that they oppose in the name of the Quran and in the name of nationalism these compromises concerning elections, a constitution, and so forth.

    Is a long-foreseen split taking place within the opposition to the shah? The "politicians" of the opposition try to be reassuring: "It is good," they say. "Khomeini, by raising the stakes, reinforces us in the face of the shah and the Americans. Anyway, his name is only a rallying cry, for he has no program. Do not forget that, since 1963, political parties have been muzzled. At the moment, we are rallying to Khomeini, but once the dictatorship is abolished, all this mist will dissipate. Authentic politics will take command, and we will soon forget the old preacher." But all the agitation this weekend around the hardly clandestine residence of the ayatollah in the suburbs of Paris, as well as the coming and going of "important" Iranians, all of this contradicted this somewhat hasty optimism. It all proved that people believed in the power of the mysterious current that flowed between an old man who had been exiled for fifteen years and his people, who invoke his name.

    The nature of this current has intrigued me since I learned about it a few months ago, and I was a little weary, I must confess, of hearing so many clever experts repeating: "We know what they don't want, but they still do not know what they want."

    "What do you want?" It is with this single question in mind that I walked the streets of Tehran and Qom in the days immediately following the disturbances. I was careful not to ask professional politicians this question. I chose instead to hold sometimes-lengthy conversations with religious leaders, students, intellectuals interested in the problems of Islam, and also with former guerilla fighters who had abandoned the armed struggle in 1976 and had decided to work in a totally different fashion, inside the traditional society.

    "What do you want?" During my entire stay in Iran, I did not hear even once the word "revolution," but four out of five times, someone would answer, "An Islamic government." This was not a surprise. Ayatollah Khomeini had already given this as his pithy response to journalists and the response remained at that point.

    What precisely does this mean in a country like Iran, which has a large Muslim majority but is neither Arab nor Sunni and which is therefore less susceptible than some to Pan-Islamism or Pan-Arabism?

    Indeed, Shiite Islam exhibits a number of characteristics that are likely to give the desire for an "Islamic government" a particular coloration. Concerning its organization, there is an absence of hierarchy in the clergy, a certain independence of the religious leaders from one another, but a dependence (even a financial one) on those who listen to them, and an importance given to purely spiritual authority. The role, both echoing and guiding, that the clergy must play in order to sustain its influence-this is what the organization is all about. As for Shi'ite doctrine, there is the principle that truth was not completed and sealed by the last prophet. After Muhammad, another cycle of revelation begins, the unfinished cycle of the imams, who, through their words, their example, as well as their martyrdom, carry a light, always the same and always changing. It is this light that is capable of illuminating the law from the inside. The latter is made not only to be conserved, but also to release over time the spiritual meaning that it holds. Although invisible before his promised return, the Twelfth Imam is neither radically nor fatally absent. It is the people themselves who make him come back, insofar as the truth to which they awaken further enlightens them.

    It is often said that for Shi'ism, all power is bad if it is not the power of the Imam. As we can see, things are much more complex. This is what Ayatollah Shariatmadari told me in the first few minutes of our meeting: "We are waiting for the return of the Imam, which does not mean that we are giving up on the possibility of a good government. This is also what you Christians are endeavoring to achieve, although you are waiting for Judgment Day." As if to lend a greater authenticity to his words, the ayatollah was surrounded by several members of the Committee on Human Rights in Iran when he received me.

    One thing must be clear. By "Islamic government," nobody in Iran means a political regime in which the clerics would have a role of supervision or control. To me, the phrase "Islamic government" seemed to point to two orders of things.

    "A utopia," some told me without any pejorative implication. "An ideal," most of them said to me. At any rate, it is something very old and also very far into the future, a notion of coming back to what Islam was at the time of the Prophet, but also of advancing toward a luminous and distant point where it would be possible to renew fidelity rather than maintain obedience. In pursuit of this ideal, the distrust of legalism seemed to me to be essential, along with a faith in the creativity of Islam.

    A religious authority explained to me that it would require long work by civil and religious experts, scholars, and believers in order to shed light on all the problems to which the Quran never claimed to give a precise response. But one can find some general directions here: Islam values work; no one can be deprived of the fruits of his labor; what must belong to all (water, the subsoil) shall not be appropriated by anyone. With respect to liberties, they will be respected to the extent that their exercise will not harm others; minorities will be protected and free to live as they please on the condition that they do not injure the majority; between men and women there will not be inequality with respect to rights, but difference, since there is a natural difference. With respect to politics, decisions should be made by the majority, the leaders should be responsible to the people, and each person, as it is laid out in the Quran, should be able to stand up and hold accountable he who governs.

    It is often said that the definitions of an Islamic government are imprecise. On the contrary, they seemed to me to have a familiar but, I must say, not too reassuring clarity. "These are basic formulas for democracy, whether bourgeois or revolutionary," I said. "Since the eighteenth century now, we have not ceased to repeat them, and you know where they have led." But I immediately received the following reply: "The Quran had enunciated them way before your philosophers, and if the Christian and industrialized West lost their meaning, Islam will know how to preserve their value and their efficacy."

    When Iranians speak of Islamic government; when, under the threat of bullets, they transform it into a slogan of the streets; when they reject in its name, perhaps at the risk of a bloodbath, deals arranged by parties and politicians, they have other things on their minds than these formulas from everywhere and nowhere. They also have other things in their hearts. I believe that they are thinking about a reality that is very near to them, since they themselves are its active agents.

    It is first and

    27-03-2018 om 15:21 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Foucault
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 15/09-21/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 11/08-17/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!