Inhoud blog
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Inspectie in Engeland kiest ander spoor dan in VlaanderenI Klemtoon op kernopdracht i.p.v. 1001 wollige ROK-criteria!
  • Meer lln met ernstige gedragsproblemen in l.o. -Verraste en verontwaardigde beleidsmakers Crevits (CD&V) & Steve Vandenberghe (So.a) ... wassen handen in onschuld en pakken uit met ingrepen die geen oplossing bieden!
  • Schorsing probleemleerlingen in lager onderwijs: verraste en verontwaardigde beleidsmakers wassen handen in onschuld en pakken uit met niet-effective maatregelen
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Onderwijskrant Vlaanderen
    Vernieuwen: ja, maar in continuïteit!
    02-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kris Van den Branden op zijn blog: beste leerkrachten luister aub niet naar twitteraars als Dirk Van Damme, Wouter Duyck, Wim Van den Broeck, Raf Feys ... en aar de 40.000 HNL-POLL-stemmers, maar enkel naar MIJ en naar de richtlijnen van je onderwijskoepe

    Daarnet revelerend twitter-debat over de taalkwestie in het zog van het debat dat de GO!-taalmaatregel de voorbije dagen uitlokte.

    We koppelen dit aan de oproep gisteren van Kris Van den Branden. Hij riep de leerkrachten op om naar Van den Branden en Co en naar de onderwijskoepels te luisteren; en om NIET te luisteren naar de lichtzinnige twitteraars (zie standpunt VdB in deel 2);
    dus:beste leerkrachten, luister a.u.b. niet naar de (gestoffeerde) standpunten van Dirk Van Damme (OESO), de psychologen Wouter Duyck en Wim Van den Broeck, de pedagoog Raf Feys ... en vele anderen, maar luister braafjes naar ons en naar richtlijnen van uw onderwjskoepel.
    Van den Branden probeert de leerkrachten ook al 2 jaar wijs te maken dat het Vlaams onderwijs hopeloos verouderd is. 

    Deel 1: twitterdebat

    1. Taalrelativist Steven Delarue (medewerker pedagogisch. Centrum Stad Gent) twitterde daarnet:

    Cruciaal, dit. Het belang van ‘functioneel meertalig leren’ wordt door veel leraren onderkend, maar op dit moment is er gewoon te weinig concreet lesmateriaal dat aangepast is aan de noden én de samenstelling van klasgroepen in (groot)stedelijke contexten.

    2. Reactie van lerares Karen Van de Cruys

    Maar wie zorgt ervoor dat onze leerkrachten Nederlands met de juiste materialen aan de slag kunnen gaan in de hyperdiverse grootstedelijke context? Waar blijven de uitgeverijen? We doen het zelf: dag in, dag uit, maar dit kost tijd en energie.

    3. Reactie van Raf Feys

    De taalrelativisten vinden de kennis van het Nederlands niet eens zo belangrijk. Zelfs het Leuvens Steunpunt NT2 van Kris Van den Branden dat werd opgericht en gedurende 20 jaar enorm veel geld kreeg voor de ondersteuning van NT2-taalonderwijs boycotte de invoering NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs en stelde dat er gewoon geen verschil was tussen NT1 en NT2.

    Voor anderstalige kleuters die nog het ABC van het Nederlands moeten leren en hierbij vaak thuis niet ondersteund worden, was er geen extra en aangepast taalonderwijs nodig.
    Ze beweerden onlangs ook nog dat er teveel Nederlands werd gegeven in de OKAN-klassen .

    tegelijk Maar de taalrelativisten Van Avermaet, Van den Branden, Delarue… verwachten wel alle heil van meertalig onderwijs. En Delarue vindt dat hiervoor dringend aangepast werkmateriaal ontwikkeld moet worden.

    Lerares Karen Van de Cruys doet terecht haar beklag over het feit dat er voor leerkrachten die Nederlands moeten geven aan anderstalige leerlingen nog steeds geen passend leermateriaal voorhanden is – en dit ondanks de grote investering in b.v. de GOK-steunpunten NT2 e.d.

    De kritiek op neerlandici als Van Avermaet, Van den Branden en Co is vooral dat zij het belang van de kennis van het Nederlands relativeren,
    zich steeds verzetten tegen de alarmerende taaloproepen van de opeenvolgende onderwijsministers,

    het vele geld dat ze de voorbije 20 jaar ontvingen voor de ondersteuning van NT2 in de periode 1990-2010 misbruikten om hun eigen eenzijdige taalvisie - de constructivistische en taakgerichte whole-language-aanpak te propageren.

    Van den Branden, Jaspaert en Co stelden herhaaldelijk vast dat de leerkrachten uit het lager - en het secundair onderwijs hun eenzijdige taalvisie niet lusten, maar houden gewoon geen rekening met de visie van de praktijkmensen. De leerkrachten hadden het volgens hen verkeerd voor.

    Ook de pedagogische coördinator van de leerplannen 1998 van de katholieke koepel, Jan Saveyn, stelde in 2007 dat Van den Branden en Co met hun eenzijdige taalvisie mede verantwoordelijk waren voor de uitholling van het taalonderwijs. Maar Van den Branden negeerde ook die kritiek vanuit de katholieke onderwijskoepel.

    Maar gisteren nog publiceerde dezelfde Van den Branden een bijdrage op zijn blog 'Duurzaam onderwijs' waarin hij de critici van zijn visie die de voorbije week hun stem lieten horen, verwijt dat ze geen rekening houden met de visie van de leerkrachten.
    En nu een van zijn vroegere medewerksters Machteld Verhelst de pedagogische chef geworden is binnen de katholieke onderwijskoepel vindt Van den Branden nu ook plots dat standpunten van de onderwijskoepels niet in vraag mogen gesteld worden. Onderwijsgoeroe VdB probeert nu zelfs het debat in de kiem te sporen en roept de leerkrachten op om niet te luisteren naar de standpunten van de' twitteraars, naar deze van Dirk Van Damme (OESO), de psychologen Wouter Duyck en Wim Van den Broeck, pedagoog Raf Feys ...

    De leerkrachten worden opgeroepen om enkel naar Van den Branden en Co en naar de koepels te luisteren. Zo schrijft hij: "Het valt te verhopen dat de leerkrachten de adviezen die ze van wetenschappers en onderwijskoepels krijgen overdacht, rationeel en in onderling overleg een plaats geven binnen de contouren van hun eigen onderwijsomgeving "

    Deel 2: Van den Branden gisteren op 'Duurzaam onderwijs'

    De vertwittering van het onderwijsdebat
    december 1, 2017

    Van den Branden: Debatten over onderwijs, die in de moderne media door hoogopgeleiden worden gevoerd, ontberen daarentegen vaak nuance en rationele afweging. Emoties laaien hoog op. Argumenten worden ideologisch gekruid eerder dan gedegen onderbouwd. Gifpijlen worden vanuit beide richtingen over metersdikke fortmuren afgeschoten: ze hebben vooral tot doel om snel en fel op te lichten zodat maximale zichtbaarheid is gegarandeerd en aan de eigen achterban kan worden getoond met hoeveel branie het eigen gelijk verdedigd wordt. Korte, onmiddellijke inslag is wat telt. Leerrijke gedachtewisseling wordt niet gevoed, maar verschroeid. Zo worden vooral de impulsieve vooroordelen en het kortetermijngeheugen van de bereidwillige luisteraars geprikkeld. De recente strijd in de sociale media over het gebruik van de moedertaal door niet-Nederlandstalige leerlingen was een doorslag van een haast identiek steekgevecht dat in 2014 over hetzelfde onderwerp oplaaide.

    Even kort, even heftig, haast onmiddellijk verhit tot mediagenieke slogans en holle frasen, opgebrand in een spervuur van tweets die even snel verdwenen als ze verschenen. Wetenschappers en onderwijsondersteuners die tegen heug en meug, en op basis van wetenschappelijk onderzoek, genuanceerde en onderbouwde adviezen aan schoolteams trachten te geven, worden door sensatiebeluste kranten met ronkende titels en uit-de-context-gelichte citaten in het enge keurslijf van polemische zwart-wit-discussies gewrongen. Op die manier leren we niets bij en dreigt het debat debiel te worden.

    Het valt dus maar te verhopen dat leraren en directies, als de onderwijsprofessionals die ze zijn, het hoofd koel houden onder de bliksemschichten van al die blitse mediagevechten. Het valt te verhopen dat zij de adviezen die ze van wetenschappers en onderwijskoepels krijgen overdacht, rationeel en in onderling overleg een plaats geven binnen de contouren van hun eigen onderwijsomgeving en ze aftoetsen aan hun eigen ervaringen, expertise en kennis van relevante wetenschappelijke bronnen.

    Pedagogische autonomie mag geen flikkerlicht zijn dat enkel opgezet wordt als het beleidsvoerders goed uitkomt. Onderwijsprofessionals verdienen het om over de ganse lijn als professionals behandeld en benaderd te worden: meer dan wie ook hebben zij de expertise opgebouwd om onderwijs zo krachtig mogelijk te doen werken voor alle leerlingen die aan hun school worden toevertrouwd. Meer dan wie ook zijn zij opgeleid tot oordeelkundige beslissers in pedagogisch complexe contexten: laat de cruciale oordelen en beslissingen dus aan hen over, en vertrouw erop dat zij de volle verantwoordelijkheid nemen om de kwaliteit van hun onderwijs kritisch tegen het licht te houden en voortdurend te optimaliseren.

    02-12-2017 om 13:56 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Van den Branden
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Engels onderwijsminister Nick Gibb & medewerkers hechten veel belang aan de ontwikkeling van degelijke en betaalbare leerboeken/methodes en maken daarvan een beleidsprioriteit.
    1. Engels onderwijsminister Nick Gibb & medewerkers hechten veel belang aan de ontwikkeling van degelijke en betaalbare leerboeken/methodes en maken daarvan een beleidsprioriteit. Maar in Vlaanderen beluisterden we de voorbije 2 jaar  vooral kritiek op het gebruik van methodes in klas - ook vanwege de ZILL-leerplanverantwoordelijken van het katholiek onderwijs.

      In de hoogst presterende PISA-landen wordt frequent gebruik gemaakt van methodes: niet enkel in de Aziatisc...he, maar ook in Vlaanderen, Finland ...

      The minister believes that the 'battle of ideas' over textbooks is about to be won

      Nick Gibb has said that a teacher-led move back to textbooks will be integral to the continued success of the national curriculum.
      Speaking at a panel discussion this evening, hosted by the Policy Exchange thinktank, the school standards minister said: “In England, only 10 per cent of teachers use maths textbooks as the basis for their teaching, compared to 70 per cent in Singapore.

      “The long-term movement away from textbooks is something that might be about to go into reverse…
      “The teacher-led move back to textbooks will be integral to ensuring that the national curriculum is as effective as we’d hoped.”
      He added that such changes would inevitably be led by teachers: “People are writing books. They’re attending conferences like ResearchEd. And I think the profession is taking control of the educational thinking that used to be the preserve of education professors.

      “They’re taking control of the profession. That’s how we win the battle of ideas against the entrenched hostility to textbooks.”
      'Must be cheaper'

      Challenged by audience members to explain how schools would be able to afford to buy large quantities of textbooks, Mr Gibb said: “It must be cheaper to buy a textbook than to continually produce through the photocopier worksheets for children.”
      This was backed up by other members of the panel – two of whom were also authors of textbooks – who spoke about their own experiences in schools. They all said that they preferred using textbooks to higher-tech alternatives.

      Emma Lennard, a primary-curriculum consultant and former primary teacher, said: “I’d rather spend money on some books that are going to last me several years than on the technology option.”

      And Robert Orme, head of divinity at West London Free School, and author and editor of a new set of RE textbooks, said: “There’s value still to something that can be held – physical material – rather than something that’s all on a screen.”
      Want to keep up with the latest education news and opinion? Follow Tes on Twitter and Instagram, and like Tes on Facebook

    02-12-2017 om 11:57 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verdiend & diepgaand welbevinden  (na productieve inspanning) is o.i. heel iets anders dan momentaan & oppervlakkig welbevinden

    Verdiend & diepgaand welbevinden  (na productieve inspanning) is o.i. heel iets anders dan momentaan & oppervlakkig welbevinden  (presenteïsme)

    De voorbije dagen en weken was er veel te doen rond ‘welbevinden ‘ in het onderwijs.  We gaan er even op in.

    De voorbije 25 jaar hebben we geregeld kritiek  geformuleerd op het centraal stellen van het 'onmiddellijk welbevinden' van de leerling door Ferre Laevers & CEGO, door topambtenaren, door minister Vanderpoorten, door een aantal onderwijskundigen…  Vanderpoorten poneerde al in haar eerste 'beleidsnota' dat het welbevinden centraal moest staan en niet het leren: "Het verwerven van kennis is niet langer de hoofdopdracht van ons onderwijs" (p. 68).  Leren op school moest volgens haar vooral als 'leuk' en zeker niet als 'lastig' ervaren worden. Vanderpoorten kreeg dan ook geregeld de kritiek dat ze met haar maatregelen en keuze voor de knuffelpedagogie de leeropdracht en het gezag van de leerkrachten,  directies en besturen aantastte.

    We besteedden veel aandacht aan de vele nefaste gevolgen van het overmatig beklemtonen van het 'momentaan welbevinden'. We schreven o.a: "Een school die werkkracht en diepere arbeidsvreugde wil stimuleren moet geleidelijk – langs methodische weg en met zachte hand – een overgang bewerkstelligen tussen onmiddellijk, oppervlakkig plezier (= voel-je-goed-nu welbevinden, presenteïsme) en een diepere tevredenheid (arbeidsvreugde) die moeilijker te bereiken is dan onmiddellijk en oppervlakkig plezier, maar tot een diepere en duurzamere voldoening (welbevinden) leidt. Een echte school streeft meer het welbevinden en beloning op termijn na dan het onmiddellijk welbevinden. Op enige afstand bekeken zijn veel leerlingen overigens het meest tevreden over veeleisende leerkrachten waarbij ze veel geleerd hebben." Vooral de vaststelling dat men na een inspanning iets gepresteerd heeft, bevordert o.i. het zelfvertrouwen en het gevoel van 'verdiend welbevinden'. Uit de ervaring en uit onderzoek blijkt dat vooral activiteiten waarvoor mensen moeite moeten doen om ze tot een goed einde te brengen veel meer bevrediging schenken dan de genoegens die je zonder noemenswaardige inspanning kunt verwerven.

    Diane Ravitch, prof. historische pedagogiek, betreurt dat vanaf de jaren tachtig in de Verenigde Staten en elders 'een self-esteem movement' ontstond waarin zelfwaardering en welbevinden niet enkel als een middel maar ook als het ultieme doel beschouwd werden. Lage prestaties van de leerlingen zouden volgens de pedagogen en psychologen die deze visie propageren in de eerste plaats te wijten zijn aan een laag zelfvertrouwen en welbevinden: "alles dat aanleiding zou kunnen geven tot hogere schoolresultaten – hoge eisen, punten, examens, huiswerk, correctie van spelling, rode balpen… hield een potentiële bedreiging in voor het zelfvertrouwen en het welbevinden van de leerling. De leerling moet zich vooral goed in zijn vel voelen" (Left Back. A century of failed schoolreforms, Simon & Schuster, New York, 2000).

     De Amerikaanse onderwijskundige Barbara Lerner betreurde in 1996 dat steeds meer pedagogen de indruk wekten dat 'momentaan welbevinden' de héfboom was voor het leerproces  Zij maakte een groot onderscheid tussen 'feel-good-now self-esteem' (voel je goed nu-welbevinden ) en anderzijds 'earned self-esteem' (verdiend welbevinden), dat het resultaat is van productieve inspanning, doorzettingsvermogen en zelfkritiek (Barbara Lerner, SelfEsteem and Excellence: the Choise and the Paradox', The American Educator, Summer 1996). Er is o.i. een groot verschil tussen motivatie en arbeidsvreugde enerzijds en anderzijds het momentaan welbevinden (= iets op dit moment als leuk en ontspannend ervaren).

    We mogen ons niet opsluiten in het presenteïsme, in het onmiddellijk welbevinden. Door de hoge eisen die destijds gesteld werden was ons 'onmiddellijk welbevinden' – het als leuk ervaren van vraagstukken of huiswerk – wellicht vroeger iets lager, maar het maken van leervorderingen leverde achteraf het nodige zelfvertrouwen en ('verdiend') welbevinden op. Onze meesters zagen de toename van het welbevinden en zelfvertrouwen vooral als een gevolg van het leerproces, van een geleverde prestatie. Ze gingen er van uit dat vooral de drang om zelfstandig nieuwe woordjes te kunnen lezen, de leesmotivatie bevorderde. Ze geloofden niet dat technische leesoefeningen 'leuk' en 'zinvol op zich' moesten zijn. Barbare Lerner schreef verder dat goed-bedoelde maar misleidende welbevinden-concepten ingebed geraakten in de schoolcultuur van tal van scholen en er een van de hoogste bedreigingen betekenen voor de leer-en leefkansen van de kinderen. Het nastreven van de leerdoelen wordt minder belangrijk dan het therapeutisch nastreven van het onmiddellijk welbevinden en succes.

    In een lezing op de COV-studiedag (Kortrijk, 05.04.06) stelde prof. Van Crombrugge dat Vlaamse pedagogen, onderzoekers en beleidsmensen al te weinig het belang van de initiatie in de cultuur en het stellen van eisen beklemtonen, maar vooral het bevorderen van het welbevinden van de leerling. Het pedagogisch gebeuren en het bevorderen van een goed leerklimaat wordt veelal versmald tot de vraag "hoe bevorderen we het (onmiddellijk) welbevinden van de leerling?’…. 

     “Bij onderwijsveranderingen gelden als pedagogische norm en criterium veelal ook het zich goed voelen van de leerling.”. Ook in het  onderwijspedagogisch onderzoek van de voorbije jaren ging de aandacht volgens Van Crombrugge eenzijdig naar onderzoek omtrent het welbevinden van de leerlingen. Hij verwees in dit verband naar de studie van professor N. Engels, T. Aelterman e.a. "Graag naar school. Een meetinstrument voor het welbevinden van leerlingen in het secundair onderwijs", 2004, Brussel, VUBpress. De onderwijskundigen onderzoeken "hoe de leerlingen de schoolcultuur beleven en dit wordt onmiddellijk gekoppeld aan het welbevinden van de leerling: waar voelt de leerling zich het best. … De vraag naar de meest waardevolle schoolcultuur wordt vertaald in de vraag naar het schoolklimaat waar het kind zich het best in zijn vel voelt. Vragen die peilen naar het schoolklimaat luiden dan: 'Kan er op jouw school al eens gelachen worden?', 'Ben je tevreden over de schoolsfeer?', 'Heb je de indruk dat de school hiervoor voldoende inspanningen levert?', "Is er voor jou voldoende afwisseling tijdens de schooldag'” (Voorbij schoolklimaat en welbevinden, Schoolwijzer, 22.04.06). Terloops: ook in vragenlijsten waarbij scholen peilen naar de beoordeling van het schoolgebeuren door de leerlingen, valt ons op dat veelal gevraagd wordt: 'Vind je wiskunde een leuk vak' en zelden of nooit: 'vind je wiskunde een belangrijk vak'? Moet rekenen even leuk zijn als ‘sport en spel’, vrij lezen…?

    Van Crombrugge poneerde verder: "… Als we kijken naar de geschiedenis van onderwijspedagogische ontwikkelingen, dan kunnen we vaststellen dat het welbevinden van de leerling van een voorwaarde voor goed onderwijs meer en meer motief en norm is geworden. … Men heeft de laatste jaren zoveel nadruk gelegd op dat voortdurend zich aanpassen van de leerkracht met als enige norm het welbevinden van de leerling, dat men dreigt te vergeten waar het in het onderwijs om gaat: cultuur. Cultuur zowel als schoolcultuur – die de fond vormt voor het welbevinden van de leerkracht en dat van de leerling, maar ook cultuur als datgene wat in het onderwijs al doorgevend verwerkelijkt wordt met als doel de leerlingen te vormen." Men zou ook kunnen stellen dat de   belangrijkste taak van het onderwijs – de cultuuroverdracht via de leermeester – aldus in het        gedrang komt.

     De leerkracht die vroeger zijn gedrag bijstelde, deed dat niet in de eerste plaats om zijn les plezant of aangenaam te maken, maar "op grond van zijn   ervaring dat zijn methode van lesgeven niet werkte, dat hij er niet in slaagde de leerling te brengen tot het doel dat de leerkracht zich gesteld had (of beter geacht werd na te streven). … Het motief was en bleef dat de leerling zich bepaalde zaken die wij als volwassenen belangrijk vinden voor zijn opvoeding zou eigen maken. Ervaringsgerichtheid, levendig maken… waren enkel middelen daartoe. Het motief was niet dat de leerling zich goed zou voelen, niet dat hij niet gefrustreerd mocht worden, niet dat hij zich nooit eens zou vervelen. De norm voor pedagogisch verantwoord onderwijs was nog niet dat de leerling zich altijd en overal zou amuseren en zich goed in zijn vel zou voelen." Volgens van Crombrugge werd het onmiddellijk welbevinden vroeger niet als hét doel van het onderwijs gezien, maar hoogstens als een van de voorwaarden of aandachtspunten. Men ging er ook niet van uit dat onderwijs per se en steeds leuk kon zijn; men moest voldoende eisen stellen aan het kind en de leerling moest ook leren om te volharden, om door een zure appel te bijten.

     Van Crombrugge verwees in dit verband ook naar de modieuze opvatting van prof. Tonia Aelterman (RU Gent) in haar bijdrage 'Opvoeding en school…' in H. Van Crombrugge (red.). Opvoedend Onderwijs (2001, Gent, Academia Press). Ook in de visie van Aelterman staan het welbevinden en de 'leerlinggerichtheid' centraal. Aelterman beschrijft en onderschrijft de visie in de DVO-tekst uitgangspunten bij de 'basiscompetenties' voor aanstaande leerkrachten waarin resoluut gekozen wordt voor 'leerlinggericht onderwijs' als dé emancipatorische opdracht voor de school. Hierbij wordt de pedagogische kernopdracht van het onderwijs losgekoppeld van leerinhoud en cultuuroverdracht.

     "Het eerste wat Aelterman als pedagogische opdracht van de leerkracht aankruist, is 'de aandacht voor het welzijn van de leerling als persoon. … 'Welbevinden op school drukt', aldus Aelterman, 'een positieve toestand uit van het gevoelsleven … Daarbij is de 'sociaal-emotionele' begeleiding van de leerlingen heel wezenlijk. Aandacht voor de emotionele noden van de leerling verwijst dus vooral naar een positief leefklimaat op school." … Aelterman reduceert weliswaar onderwijs niet tot deze 'coaching', … maar ons punt is dat het pedagogische van het  onderwijs omschreven wordt als de aandacht voor het welbevinden van de leerling, het tegemoetkomen aan zijn behoeften, het scheppen van een aangenaam leerklimaat. Aelterman schrijft: 'De pedagogische basis van het leraarschap … gaat om de wijze waarop de leraar de leerling als mens, als persoon benadert, los van de inhouden die het leerplan voorschrijft. Het gaat om de affectieve band tussen    leraar en leerling, de zorg om zijn welbevinden en de ontwikkeling van een zingevend vermogen'." Ook CEGO-medewerker Luk Bosman stelt in zijn bijdrage over het S.O. de sociaal-emotionele begeleiding van de jongeren en de ontplooiing van de persoonlijkheid centraal (Participatief leren en onderwijzen, Impuls, maart 2006; zie ook bijdrage over EGO in S.O.). Aan de universiteit leerden we in de jaren zestig nog dat de kern van de pedagogische opdracht vooral te maken had met instructie en vorming (Bildung) en niet losgekoppeld kon worden van de leerinhoud.

     

    Ego-centrisch welbevinden  en voorkomen van falen 

     Een goede leerkracht is volgens Ferre Laevers , CEGO  en de welbevindenbeweging in de eerste plaats begaan met het momentaan welbevinden en de persoonlijke verwachtingen van de leerling; het kind moet leren als leuk ervaren en men moet frustraties vermijden. Dit was ook de centrale gedachte binnen de onderwijsvisie van minister Vanderpoorten. Laevers stelde onlangs nog dat het heel slecht gesteld is met het welbevinden in het secundair onderwijw.: "De lessen sluiten immers niet aan bij wat de kinderen boeiend vinden.” Het S.O. is nog steeds leerstof- en prestatiegericht. Het leren is er te abstract, er moet meer aandacht gehecht worden aan de 'intuïtieve intelligentie', aan het concrete … (Interview   met Laevers: Annemie Eeckhout, 'Onderwijs fnuikt de creativiteit', Het Nieuwsblad, 26.04.06).  

    'Welbevinden' is een toverwoord waarmee je vele richtingen uit kan. Binnen het  ervaringsgericht onderwijs van Laevers betekent het  minder eisen stellen aan de leerling, soms ook ingaan op zijn allerindividueelste wensen. Van Herpen – directeur CEGO-Nederland – illustreerde onlangs het bevorderen van het 'welbevinden' met twee klassituaties. In een eerste casus kreeg een leerling die meer zin had om verder in een Harry Potter-boek te lezen dan de wiskundeles te volgen, de toestemming om de les wiskunde niet te volgen. Zo’n onmiddellijke beloning verhoogt volgens Van Herpen zijn actueel welbevinden. De tweede illustratie luidde: "In de evaluatiekring vertelt Henk (10 jaar) dat hij voor de zoveelste keer niet goed heeft gewerkt in de rekenhoek. Hij weet dat het ook aan hemzelf ligt. Hij neemt niet het initiatief om een andere plaats te zoeken als hij gestoord wordt. Hij merkt op dat hij in de taalhoek meestal veel beter werkt. Volgens Henk ligt dit aan de opstelling van de werktafeltjes in die hoek. Hij komt met het voorstel om de opstelling van de tafeltjes in de rekenhoek te veranderen. De leerkracht neemt dit voorstel op en vraagt Henk of hij morgen een plattegrondje wil maken van de rekenhoek met de opstelling die hij daar graag ziet. Henk gaat hiermee akkoord. Enige dagen later is de nieuwe opstelling in de rekenhoek naar Henks wens gerealiseerd" (Van Herpen, EGO, JSW, april 2006). Ook volgens CEGO-medewerker Luk Bosman moet men de leerlingen secundair onderwijs voortdurend vragen wat ze zinvol en wenselijk vinden.

     Een 'gewone' onderwijzer heeft geen tijd in het voortdurend bespreken van de allerindividueelste wensen van elke leerling. Verder is stellen van eisen een belangrijke zaak; een leerling kan zich bijvoorbeeld niet zomaar onttrekken aan de wiskundeles. In de klassieke opvatting moet een school vooral  begaan zijn met de leerprestaties, met het eisen van inspanningen vanwege de leerlingen – ook voor dingen die niet zomaar 'leuk' zijn.

     De EGO-knuffelpedagogiek komt ook tot uiting in het feit dat het EGO zich overmatig wil moeien met het gevoelsleven van de leerling en die leerling op dit vlak als uiterst kwetsbaar en gekwetst beschouwt. De leerkrachten moeten de onzekere, onderdrukte, angstige, gestresseerde … leerling uit zijn affectieve ellende bevrijden. Laevers spreekt over ‘bevrijdingsprocessen’ en een leraar moet zich therapeutisch opstellen; hij overbeklemtoont de kwetsbaarheid van het kind. De Engelse socioloog Frank Furedy drukt het zo uit: "In sommige Amerikaanse klassen draagt elk kind een T-shirt waarop staat: 'I'm special.' Geen enkel kind mag falen, ze worden niet meer geconfronteerd met echte uitdagingen. Op die manier isoleer je hen voor alles wat vreemd of eigenaardig of potentieel bedreigend is, je leert hen niet meer wat mislukken is. En zo ontneem je hun de mogelijkheid om te leren wat het betekent mens te zijn.   Risico's nemen hoort daar nu eenmaal bij” (J. De Ceulaer: 'Iedereen is kwetsbaar, 'KNACK, 24.10.04).

     

    02-12-2017 om 10:26 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:welbevinden
    >> Reageer (0)
    01-12-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Reactie op voorbijgestreefd pleidooi voor vooral aanluiten bij intrindiele motivatie door Brusselse pedagoge Els  Consuegra op 'DeAfspraak'

    Gisteren op ‘De Afspraak’ beluisterden  we een pleidooi  van de Brusselse pedagoge Els  Consuegra die stelde dat het onderwijs vooral moet aansluiten bij de intrinsieke motivatie van elke leerling.  We  dachten dat die visie en het strenge onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke  al lang voorbijgestreefd was. We schreven er in 2006 nog een bijdrage  over in  Onderwijskrant 13,  oktober 2006

     

    Betrokkenheid op culturele verwachtingen en wijde wereld versus leren vanuit ego-gerichte betrokkenheid,  zogezegd intrinsieke motivatie  en verlangens van elke leerling  

     

    1  Leerkrachten moeten Bbrede belangstelling wekken 

     

    1.1  Niet betrokken op kennis die men nog niet bezit 

    Volgens de meeste leerkrachten en pedagogen kan een leerling niet vooraf betrokken zijn op kennis die hij niet bezit; hij kan moeilijk op voorhand weten of een bepaalde taak zinvol is. Prof. Feere Laevers en de CEGO-mensen én andere 'moderne' pedagogen beklemtonen echter dat elke leerling vooraf een taak al leuk en zinvol moet vinden om hem aan het werk te krijgen; de leerkracht moet zich vooral afvragen wat elke leerling onmiddellijk leuk vindt en uit zichzelf als zinvol beschouwt. Hij moet er bovendien ook rekening mee houden dat dit sterk kan verschillen van leerling tot leerling en dat dus elke leerling onderwijs op maat en naar zijn 'zin' moet krijgen. Zo beweert CEGO-medewerker Luk Bosman zelfs dat een leerkracht S.O. vooraf moet onderhandelen met de leerlingen over wat zij van de eindtermen, leerplandoelen, voorgestelde thema's en teksten … zinvol vinden (zie bijdrage over EGO in S.O.).

     In de klassieke opvatting is een leerling een oningewijde die zich laat initiëren in een complex veld van weten en kunnen dat alles wat hij zelf spontaan nastreeft, de spontane betrokkenheid en verlangens, ver te buiten gaat. De leerling moet grotendeels vertrouwen op de autoriteit van diegenen die worden verondersteld wel veel te weten en te kunnen en die dit willen doorgeven aan de nieuwkomers. Bij kinderen speelt de (actieve) imitatiedrang overigens een centrale rol binnen het leerproces. De school als instelling, de leerkrachten, de ouders … moeten vooral belangstelling wekken voor zaken waarop de kinderen niet spontaan betrokken zijn.

    1.2  Externe verwachtingen & gezag 

    De Spaanse filosoof Fernando Savater stelt dat een kind – een maatschappelijke beginneling – tot op zekere hoogte slechts via extrinsieke motivering en actieve imitatie gaat leren. Waarom is er extrinsieke motivering nodig? "In het onderwijs kan men – en moet men – rekening houden met de initiële nieuwsgierigheid die kinderen eigen is. Maar 'rekening houden met' betekent hier vooral bijsturen en tot ont

    plooiing laten komen. Volstrekte onwetendheid leidt doorgaans niet eens tot vragen, terwijl een beetje weten dorst naar kennis aanwakkert. Een kind weet niet wat het niet weet, het mist de kennis niet die het niet bezit. Het is de taak van leraar om zich de    onwetendheid van de leerling aan te trekken, aangezien hij het is die de ontbrekende kennis als een positief aspect kan onderkennen. … Niemand kan of mag van een kind eisen dat het verlangt naar kennis over onderwerpen waarvan het zelfs geen vermoeden heeft. Leren gebeurt uiteindelijk op grond van vertrouwen in volwassenen en van     gehoorzaamheid aan hun gezag. Evenmin zal een kind spontaan veel waardering opbrengen voor het feit dat hem moeilijke sociale gewoonten worden opgelegd, zoals netheid, punctualiteit, respect voor zwakkeren, en andere gedragingen die niet stroken met zijn natuurlijke neigingen."

     Savater wijst er verder op dat bij kinderen veel    belangstelling kan gewekt worden voor de buitenwereld en voor anderen, meer zelfs dan voor hun eigen, beperkte belevingswereld en voor de afgronden van hun eigen subjectiviteit. "Luister eens naar hoe een kind zich uitdrukt: op een enkele uitzondering na is wat hem intrigeert en fascineert de wereld  buiten hem (en uiteraard zijn complexe relatie tot die wereld), niet zijn eigen innerlijke persoonlijkheid. Alleen wanneer een kind wordt mishandeld, ziet men het zich in elkaar terugtrekken. Wat een beginnend mens in de eerste plaats wil, is dat hem het universum met alle bijkomende raadsels en avonturen wordt aangereikt, dat hem minimale gegevens worden verstrekt over datgene wat – zonder zijn toestemming en zonder aan zijn grillen te gehoorzamen – reeds bestaat. Een kind wil kortom dat hij 'verrijkt' wordt door van ons de sleutel te ontvangen tot de wereld die hem omringt, en dat er niet in hem wordt gevist om parels op te duiken die – als het moment eenmaal daar is – ook vanzelf wel boven water zullen komen" (Fernando Savater, De waarde van opvoeden. Filosofie van onderwijs en ouderschap, Bijleveld, 2001, p. 92). Een leerling verwacht niet dat een leerkracht voortdurend een appel doet op zijn belevingswereld en op zijn allerpersoonlijkste verlangens en gevoelens. Hij verwacht nog minder dat hij zelf moet bepalen wat er aan bod moet komen in klas.

    Savater wijst er verder op dat leren de nodige externe druk vereist en verwijst hierbij naar de filosoof  Kant. Hij schrijft: "De filosoof Kant merkte op dat het een van de eerste en belangrijkste prestaties van een school is om kinderen te leren op hun stoel te blijven zitten. Kortom: men kan een kind niet onderwijzen zonder het in meer of mindere mate te dwarsbomen en druk uit te oefenen. Om zijn geest te verlichten, moet eerst zijn wil worden omgevormd. En dat doet altijd pijn. Het is dus belangrijk dit dwangelement dat elk onderwijs met zich meebrengt te verzoenen met de moderne opvattingen over vrijheid. … Opdat een kind – een beginnend mens – 'zichzelf' wordt, moeten onderwijs en opvoeding hem immers wel degelijk 'vormen' tot een volwassene. En dit kan niet anders dan volgens een vooropgezet model, hoezeer dat model ook open, tastend en vol alternatieven kan zijn. … ".

     De leerkracht heeft de belangrijke taak om belangstelling te wekken voor de vele zaken waarvoor de leerlingen geen spontane belangstelling hebben. Toen we in de jaren vijftig lager onderwijs volgden was de leermotivatie (betrokkenheid) waarschijnlijk nog groter dan op vandaag. Hierbij speelde de extrinsieke motivering vanwege onze leerkrachten en ouders een belangrijke rol. We geloofden onze leerkrachten die stelden dat letter-klankverbindingen inoefenen, vraagstukken en huiswerk … belangrijk waren voor onze toekomst en dat we moesten leren 'doorbijten'. Onze onderwijzers dachten er niet aan ons vooraf te vragen of dit wel aansloot bij onze allerindividueelste leervragen en of we het automatiseren van letterklankverbindingen en van tafels van vermenigvuldiging wel zinvol vonden.

     

    2 Zich inleven in verwachtingen omgeving 

    2.1 Wat verwacht omgeving van mij?

    Savater schrijft verder: "Het is niet zozeer de leraar/ opvoeder die moet bestuderen en observeren hoe de zgn. 'kern' van het kind tot rijpheid komt. Het kind moet vooral leren van het goede voorbeeld dat onderwijzers en opvoeders op hem overdragen. De leraar dient wel de bijzondere eigenschappen en specifieke aanleg van elk kind zo goed mogelijk te begrijpen om op de beste manier te kunnen onderwijzen, maar dat betekent niet dat hij het kind zelf tot richtsnoer moet nemen voor datgene dat hij bij de vorming van het kind nastreeft.”  

     Savater vervolgt: “Zelfstandigheid, sociale vaardigheden, intellectuele discipline, vrijwel alles wat een kind zal maken tot een onafhankelijk individu en tot een gerijpt mens, zijn niet zo maar aanwezig in de leerling maar moeten hem worden voorgelegd – en in zekere zin opgelegd – als een model om aan te leren. Simpelweg denken dat dit alles al 'in' een kind aanwezig is, leidt er juist toe dat deze fundamentele menselijke waarden hem nooit werkelijk 'eigen' worden. …" (Savater, o.c., p. 88-92). 

     Het motiveren van de leerlingen is door tal van omstandigheden wel moeilijker geworden, o.a. door de aantasting van het gezag van de leerkracht. Onderwijs kan niet zonder de autoriteit van de meester. Vorming kan niet zonder het bijna blindelings vertrouwen dat datgene wat de meester (de school) aanbrengt ook belangrijk is. Uit de vele recente studies omtrent de rol van actieve imitatie bij het leren kunnen we afleiden dat kinderen sterk gericht zijn op (actieve) imitatie van de kennis, intenties en attitudes van de leerkracht en van de medeleerlingen.

     Volgens Savater zijn het dus eerder de leerlingen die zich moeten inleven in de leerkracht, dan de leerkracht die zich moet inleven in de leerling(en). Volgens Laevers moet de leerkracht zich vooral inleven in wat elke leerling innerlijk beleeft, zinvol vindt. Hij beschrijft de leraar vooral als een coach die aandachtig moet observeren wat de leerling individueel bezielt en verwacht; hij moet achterhalen welke zijn leervragen zijn. Met wat oudere leerlingen moet permanent onderhandeld worden over wat ze al dan niet zinvol vinden. Savater en de meeste onderwijskundigen verkondigen een andere visie: verwachtingen worden door anderen – leerkrachten, ouders, … – gewekt (cf. visie van Lacan).  

    2.2 Betrokkenheid:   eerder resultaat dan voorwaarde

    De prestaties van de leerlingen zitten o.i. niet zozeer op de rug van de spontane betrokkenheid en het momentaan welbevinden, maar eerder omgekeerd. De betrokkenheid (motivatie) en het welbevinden stijgen naarmate een leerling er in slaagt een bepaalde prestatie te leveren – bv. tot het besef komt dat hij nieuwe woordjes al zelfstandig kan lezen. Laevers gaat er eerder van uit dat betrokkenheid en welbevinden iets is dat al volledig moet aanwezig zijn op het moment waarop de leerling de eerste leesoefeningen krijgt. Wij gaan ervan uit dat betrokkenheid niet iets is dat vooraf al volledig aanwezig moet zijn.

     Luc Ferry, filosoof en ex-minister onderwijs, formuleert het zo: "De modieuze opvatting dat de leerlingen eerst intrinsiek gemotiveerd moeten zijn/worden vooraleer men ze aan het werk kan zetten, moet in vraag gesteld worden. Het is eerder het omgekeerde: men interesseert zich maar echt en intens voor iets waaraan men veel gewerkt heeft, aanvankelijk vaak   onder dwang (extrinsieke motivering). Veel 'moderne' pedagogen verwachten ten onrechte alle heil van het ludieke (het onmiddellijk welbevinden)" (Humaniser par le travail, Le Monde de l'Education, juli 2005). Het kind verwerft volgens Ferry vooral autonomie en vrijheid via het werk, dat tegelijk een oefening betekent in het verwerven van meer autonomie en een confrontatie met de intellectuele en fysische wereld, die een zekere weerstand biedt en vereist dat men een inspanning levert om die weerstand te overwinnen. Als het kind zich inspant om de letter-klankverbindingen in te oefenen en om te synthetiseren dan levert het resultaat ook meer autonomie en welbevinden op, het besef dat men zelfstandig kan lezen en dat hierdoor een nieuwe wereld open gaat.

     3 Spontane en ego-gecentreerde    betrokkenheid     

    De voorbije jaren werd de term ‘betrokkenheid’ het alpha en de omega van het afgezwakt EGO-verhaal en van het EGO-kindvolgsysteem. Betrokkenheid kan volgens het EGO maar bereikt worden als de leerling vanuit zijn individueel behoeftepatroon en zijn spontane verlangens grotendeels zelf kan bepalen wat en hoe hij leert. De term 'betrokkenheid' wordt door Laevers heel wollig en uiteenlopend beschreven en krijgt tegelijk een enge, egogecentreerde betekenis. Het kind vertoont volgens Laevers enkel belangstelling (betrokkenheid) voor alles wat zijn individuele behoeftebevrediging en verlangens in de hand werkt. In een recente bijdrage over het S.O. schrijft ook Luk Bosman dat er moet "vertrokken worden vanuit de leervragen van jongeren en dat elke gelegenheid te baat genomen moet worden om jongeren te betrekken bij het vooraf bepalen van waarnaartoe gewerkt moet worden" (Participatief leren en onderwijzen, Impuls, maart 2006). Vooraf moet men de leerlingen vragen wat ze al dan niet zinvol vinden.

     Van Herpen – directeur CEGO-Nederland – stelde recent dat je alle ruimte moet geven ‘aan de betrokkenheid die het specifieke kind spontaan vanuit zichzelf heeft’ en dat je dus geen zaken moet opleggen (Van Herpen, EGO, JSW, april 2006). Hij illustreerde  deze uitspraak met volgend dialoogje tussen leerkracht en leerling Harris: "Het was keileuk want de leesmoeder heeft nog een bladzijde voorgelezen uit 'de Vuurbeker' van Harry Potter", vertelt Harris opgewonden als hij de klas weer inkomt. …  “En wat wil je nu graag doen?" vraag ik. "Ik weet het niet", zegt hij. "Zou je graag zélf in Harry Potter lezen?", vraag ik. …"Hoe lang mag ik lezen?", vraagt hij? … "Tot je niet meer wilt." "Hoef ik dan niet te rekenen vandaag?"… "Zo lang je leest hoef je niks anders te doen. Dat lijkt me niet te combineren".

     Laevers en Van Herpen verwachten alle heil van het vrij initiatief, van de intrinsieke motivatie en de spontane exploratiedrang. De leerkracht moet dan ook de bijzondere behoeften van elk kind zo goed mogelijk observeren. "De leidster moet uit (vaak kleine) signalen afleiden wat een kind van binnenuit nodig heeft, wat zijn oorspronkelijke behoeften zijn" (Werkboek voor een ervaringsgerichte kleuterklaspraktijk, 1981 ,p. 47). Van Herpen illustreerde dit met het geval Harris. De leerkracht leidde uit Harris 'opgewondenheid' af dat hij enkel zin had om 'Harry Potter' te lezen en niet om de wiskundeles te volgen. Volgens Van Herpen leidt de toestemming om verder te lezen ook tot een onmiddellijke beloning, tot het verhogen van momentaan welbevinden. Van Herpen sluit hier volledig aan bij Laevers’ (vroegere?) EGOstellingen. We moe(s)ten volgens Laevers de kleuters zelf laten beslissen in welke speelhoek ze willen spelen. Als een kind voortdurend in dezelfde poppen- of constructiehoek bezig was, dan betekende dit dat het kind zich daar het meest kon ontwikkelen. Kleuters konden volgens Laevers evenzeer leesrijp worden via spel in de poppenhoek dan via de letterhoek. De kinderen weten volgens Laevers en Van Herpen uit zichzelf wat ze nodig hebben voor hun ontwikkeling.

     

    Een 'nuchtere' onderwijzer zal Harris motiveren en zelfs verplichten om de rekenles te volgen. Hij gaat er tevens vanuit dat Harris via de rekenactiviteiten meer belangstelling voor het rekenen zal ontwikkelen. Volgens hem mag Harris de wiskunde-instructie niet missen en mag hij ook niet steeds zijn zin krijgen – ook al gaat dit in tegen zijn actuele verlangens. Een ‘nuchtere’ kleuterjuf weet dat een kleuter vooral leesrijp wordt via activiteiten ‘beginnende geletterdheid’ en dat precies kleuters zonder spontane     interesse voor letters het meest nood hebben aan activiteiten voorbereidend lezen. Leerlingen krijgen vaak maar zin 'al doende' en moeten zich leren   inleven in de verwachtingen van de school.

     Enkel leren dat aansluit bij de persoonlijke behoeften en intrinsieke leervragen lokt volgens de CEG-medewerkers betrokkenheid uit: "Aandacht die ontstaat omwille van extrinsieke motieven en die helaas veel schoolactiviteiten ondersteunt, is niet wat we met ware betrokkenheid bedoelen" (EGO in de basisschool, CEGO, 1992, p.14- 15). Bosman omschrijft in de geciteerde bijdrage 'betrokkenheid' nogal wollig als "de toestand waarin mensen verkeren wanneer zij zeer geconcentreerd met iets bezig zijn en     handelen vanuit verbondenheid met de eigen kwaliteiten en opvattingen". De notie 'betrokkenheid' is verbonden met het 'ontplooiingsmodel'. Het EGO neemt dan ook het kind en zijn spontane betrokkenheid (motivatie) als richtsnoer voor datgene wat men nastreeft dat het kind moet worden, voor de zorgverbreding, enz. Iedereen kan het eens zijn met de stelling dat de motivatie een belangrijke rol speelt bij het leren. Laevers en co formuleren echter een eenzijdige en ego-gecentreerde visie op alles wat te maken heeft met motivatie. Het rijke en veelzijdige begrip motivatie wordt gereduceerd tot spontane betrokkenheid vanuit eigen innerlijk aanvoelen. Laevers en co betreuren zelfs dat extrinsieke motieven een belangrijke rol spelen. De extrinsieke motieven zijn nochtans een voorwaarde om intrinsiek gemotiveerd te geraken voor zaken waarvan je vooraf de zinvolheid of bestaan niet vermoedde.

     Volgens de klassieke visie is het vanzelfsprekend dat opvoeding en onderwijs ook steeds een breuk inhouden met de spontane en individuele verlangens en interesses en met de beperkte (voor)kennis. Dit heeft veel te maken met de complexiteit van de cultuur en wereld waarmee een kind als nieuwkomer geconfronteerd wordt. In de vorige bijdrage zagen we al hoe cultuuroverdracht en actieve ‘imitatie’ een centrale rol spelen. Het EGO gaat uit van een concept van het kind dat als een subject zelf het leerproces stuurt en pleit voor het aansluiten bij zijn specifieke leervragen. Kinderen beseffen echter maar al te goed dat ze niet vanuit zichzelf kunnen weten wat allemaal belangrijk is voor hun ontwikkeling en voor de toekomst van zichzelf en van de maatschappij.

    4 Intens bezig zijn: geen graadmeter 

     Als leerlingen vorderingen maken, een degelijk opstel of werkstuk afleveren … dan leiden  leerkrachten daar ook uit af dat ze gemotiveerd (betrokken) bezig geweest zijn. Volgens Laevers ben je echter al zeker dat leerlingen zich optimaal ontwikkelen van zodra je merkt dat ze intens met iets bezig zijn. Je moet niet eens kijken naar het product, maar enkel naar het proces. In een interview stellen Laevers en Moons dat het observeren van de betrokkenheid niet eens veel tijd vergt en dat men op basis daarvan ook onmiddellijk merkt wie uit de boot dreigt te vallen (Misjoe Verleyen, De school blijft zitten,

    Knack, 14 februari 1995). Kinderen met een leerachterstand die intens bezig zijn, hebben volgens hem dan ook geen nood aan zorgverbreding.

     Dr. Jo Nelissen toonde in 2002 met observaties en lesprotocollen aan dat het EGO-begrip betrokkenheid geen betrouwbare graadmeter is voor de beoordeling van de kwaliteit van de leerprocessen en nog minder voor de beoordeling van de kwaliteit van de leereffecten. Hij stelde vast dat ondanks een  grote activiteit en intens bezig zijn, leerprocessen toch vaak een ongewenst verloop kennen en weinig opleveren. Hij poneerde verder dat de leerkracht binnen het EGO een te geringe actieve functie toebedeeld krijgt (Het oog van de meester, De wereld van het jonge kind, november 2002).

     Een belangrijke kritiek slaat dus op het feit dat Laevers betrokkenheid afleidt uit het intens bezig zijn met een bepaalde activiteit, bv. met spel in een speelhoek. Actief en affectief betrokken zijn op iets garandeert volgens Laevers dat men veel bijleert en optimaal functioneert. Dit is volgens Nelissen en vele anderen vaak niet het geval. De toepassing van Laevers’ stelling dat een kind dat intens (betrokken) bezig is geen zorgverbreding nodig heeft, leidt er ook toe dat veel kinderen van de nodige zorgverbreding verstoken blijven. De kansarme en allochtone leerlingen zijn het meest de dupe van zo’n aanpak (zie bijdrage over EGO en zorgverbreding).

    5 Leerling als drijvende kracht   achter leerproces? 

     De notie ‘betrokkenheid’ is bij Laevers verbonden met het beeld van de leerling als een zelfstandige ondernemer. De leerling is 'de drijvende kracht achter zijn allerpersoonlijkst leerproces, omdat hij in zich het verlangen en zelfs de capaciteit zou bezitten om zichzelf te sturen en om te weten wat hij nodig heeft voor zijn ontwikkeling. Ook in de al vermelde bijdrage van Luk Bosman luidt de centrale gedachte: aansluiten bij de leervragen van elke leerling en het voortdurend onderhandelen over wat leerlingen als leerinhoud (eindtermen, leerplan, thema's) zinvol en niet zinvol vinden.

     De meeste pedagogen gaan ervan uit dat de wil tot leren op school vooral een relationeel fenomeen is, waarbij de leerkrachten de leermotivatie stimuleren en belangstelling uitlokken. Dit verlangen om te leren en om te imiteren – deze leermotivatie – moet ook ondersteund en bevestigd worden door de ouders thuis, die datzelfde verlangen ondersteunen. De extrinsieke motivering – de verwachtingen van anderen – zijn uiterst belangrijk en leerlingen spiegelen zich aan die verwachtingen en aan het gedrag van de medeleerlingen. In punt 2 maakten we ook al duidelijk dat intrinsieke motivatie niet iets is dat vooraf aan de leerprestatie al volledig aanwezig moet en kan zijn; naarmate men ervaart dat men een bepaalde leesprestatie kan leveren, zal men ook meer leesmotivatie verwerven. De leerlingen moeten ook hun vele tegenstrijdige verlangens en de belangen van de klasgroep leren afwegen; ze moeten hierbij hun verstand gebruiken en niet louter hun 'ervaringsstroom'  (onmiddellijk en affectief aanvoelen) en 'momentaan welbevinden'.

     Om als leerling de drijvende kracht te worden achter de keuze van eigen leerobjecten, moet men al een hoog niveau aan intellectuele autonomie en bekwaamheid verworven hebben. Een leerling in het basisonderwijs mist – net als een puber in het secundair, de maturiteit en kennis om zelf te oordelen over wat hij wil of kan en over wat hij nodig heeft voor zijn ontwikkeling. Het belang en de mogelijkheden van het lezen bijvoorbeeld beseft men vooral ook naarmate men al technisch kan lezen. Laevers en co zien de leerling al te zeer als een autistisch of ego-betrokken wezen, en te weinig als persoon-in-relatie die ondersteund en gestimuleerd wordt door de verwachtingen van zijn omgeving – de leerkrachten, alle volwassenen die met hem in verbinding staan en de brede maatschappij die haar verwachtingen ook in eindtermen, leerplannen e.d. kenbaar maakt. Zij overschatten de leer-kracht van de leerlingen en nemen de leraren hun leer-kracht af; ze onderschatten ook de imitatiedrang van de leerlingen.

    6  Beoordeling betrokkenheid/intrinsieke motivatie: dubieus 

    Een andere kritiek luidt dat het observeren en beoordelen van betrokkenheid en welbevinden hachelijke zaken zijn. De leerkracht moet deze kwaliteiten op een vijfpuntenschaal beoordelen en dit op basis van uitwendig gedrag en voor elk van de 20 leerlingen. Volgens Laevers en co is het absoluut niet moeilijk om de betrokkenheid te achterhalen en te beoordelen op een vijfpuntenschaal.

     Dit 'observeren' en 'scoren' is o.i. niet enkel een tijdrovende, maar ook een hachelijke en behavioristische aangelegenheid. Ook een Brugs team van kleuterleidsters kwam tot deze conclusie. We citeren even uit een rapport van dit team: "Betrokkenheid en welbevinden zijn moeilijk te    observeren. Dit zijn dingen die zich binnenin het kind afspelen, maar uiterlijk geobserveerd moeten worden. Een kind dat tijdens een verhaal zit rond te kijken of te prutsen, kan eigenlijk wel betrokken luisteren, maar dit is niet merkbaar en bijgevolg zal het kind laag scoren op het gebied van betrokkenheid.

    Een ander kind dat men zijn mond open zit te 'luisteren', kan met zijn gedachten ergens helemaal anders zitten. Dit kind zal wellicht 'ten onrechte' hoog scoren inzake betrokkenheid.(NvdR: het is ook bekend dat kinderen om zich te concentreren vaak naar het plafond of naar buiten kijken.) Verder is het cijfer dat we moeten geven van 1 tot 5 uiterst subjectief. Voor de ene leidster is een bepaald gedrag een 3 waard, voor de andere is dit zelfde gedrag een 4 of zelfs een 5 waard! Het is heel moeilijk om hier tot sluitende afspraken te komen. Het KVS omschrijft wel de verschillende niveaus, maar uit ervaring weten wij dat de verschillende mensen die beschrijvingen verschillend interpreteren."    Welbevinden zien de EGO-mensen ook als een direct welbevinden, maar vaak is een uitgesteld welbevinden beter. Kinderen moeten leren doorzetten. Ze moeten hun frustratiedrempel leren verhogen en kunnen zo tot een 'uitgesteld' welbevinden komen. Ze zullen wellicht aanvankelijk lager scoren inzake welbevinden, maar op termijn komen ze dan toch tot een hogere score."

     Deze praktijkmensen bevestigen wat wij al meer dan 20 jaar stellen. We begrijpen dan ook geenszins dat destijds ook veel inspecteurs dit KVS-volgsysteem propageerden. Laevers heeft overigens in 2002 zelf aan de lijve ervaren dat hij de betrokkenheid van zijn studentenpubliek verkeerd had ingeschat. Zijn behavioristische indruk week sterk af van de beoordeling vanwege de studenten. 

     

    7 Besluit 

     

    Laevers stelt ten onrechte dat de leerkrachten het eens zijn met zijn visie op betrokkenheid en dat het observeren en quoteren van betrokkenheid een eenvoudige zaak is. Niets is minder waar. ‘Betrokkenheid’ als kernbegrip van het huidige EGO kan de toets der kritiek niet doorstaan en leidt tot ont-intellectualisering en tot onmondige en ontschoolde mensen. In de klassieke visie beklemtonen we meer het stimuleren van een brede belangstelling (betrokkenheid) voor de wijde wereld. Een onderwijs dat vooral uitgaat van de leervragen van het kind wekt al te weinig belangstelling voor zaken die de beperkte leef- en ervaringswereld overschrijden en leidt tot ego-cratie en autisme.

     

     

    01-12-2017 om 18:49 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:betrokkenheid, motivatie
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dirk Van Damme (OESO) : tweestromenland in het onderwijs : ontscholers versus herscholers e.d.

      De achtergrond/inzet van de debatten over het onderwijs van de voorbije maanden werd vandaag nog eens verwoord door Dirk Van Damme (OESO) op twitter:

      "Ee recente onderwijsdiscussies hebben geleerd dat we versneld evolueren naar een twee- of meerstromenland op dimensies
      van aspiratie, excellentie versus welbevinden,
      taal, pedagogische aanpak, ...
      sociale referentiegroep, enz. "

      Dat alles zet ook de sociale mobiliteitsfunctie verder onder druk."

      We schrijven in Onderwijskrant al een paar jaar dat in het huidige debat over de nieuwe eindtermen/leerplannen en de toekomst van het Vlaams onderwijs heel wat ontscholende tendensen de bovenhand halen. We vrezen dan ook dat de nieuwe eindtermen/leerplannen eens te meer tot verdere ontscholing en niveaudaling zullen leiden. En Van Damme stelt ook terecht dat opnieuw de kansarme leerlingen hiervan het meest de dupe zullen zijn.

      In de nieuwe Onderwijskrant - nr. 183 -besteden we hier 4 bijdragen aan:

      *Leerplancampagne Onderwijskrant: halt aan leerplan-operaties als ZILL die leiden tot ontscholing en aantasting ontwikkelingskansen

      *De leerling centraal in het onderwijs? Visie van Maarten Simons & Jan Masschelein (profs pedagogiek KU Leuven)

      *Negen academici tackelen heilige huisjes in onderwijs

      *Beleidsverantwoordelijken Engeland, Singapore, Shanghai … zweren bij kwaliteitsvolle handboeken/methodes maar hetze tegen gebruik in Vlaanderen

      http://www.onderwijskrant.be/index.php…


      Dat tweestromenland en die ontscholende tendensen waarop Van Damme zinspeelt waren er ook al bij de opstelling van de eindtermen/leerplannen in de jaren negentig. Dit kwam duidelijk tot uiting in de tekst 'Uitgangspunten bij de eindtermen' opgesteld door Roger Standaert en de zijn DVO. Ik verwees gisteren nog even naar de ontscholende & cultuurrelativistische visie van Standaert.

      De ex-DVO-directeur die de opstelling van de eindtermen destijds patroneerde (+ de inspectiecriteria!) poneerde ook nog in 2007 b.v. "De hoeveelheid kennis vermeerdert in een geometrische reeks … De reactie van de onderwijswereld (?) op de kennisexplosie is er een geweest van die kennis niet meer op de voet te volgen en kennis te leren zoeken wanneer je die nodig hebt.

      Een paar voorbeelden:
      *Je kan moeilijk het volledige groene boekje uit je hoofd leren. Dus kies ik maar voor inzichtelijke kennis: ik zoek gewoon op hoe ik ‘gedownloaded’ moet spellen.”
      *In welke mate moet je nog hoofdrekenen, met een calculator op zak?”
      *Waarom wordt weten wie Rubens was, hoger aangeslagen dan weten wie David Beckham
      *Waarom wordt ‘culture & parlure (AN) bourgeoise’ hoger gewaardeerd op school dan ‘culture & parlure vulgaire’? (Nova et Vetera, september 2007).

      In de razendsnel veranderende tijden zouden de basiskennis en de basisvaardigheden geen lang leven beschoren zijn. Leerlingen zouden vooral moeten voorbereid worden om steeds nieuwe kennis en vaardigheden te construeren: leren kennis opzoeken, calculator leren gebruiken, leren leren. Dat is ook een idee dat terug opduikt in het discours over de nieuwe eindtermen/leerplannen (

    01-12-2017 om 12:31 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:ontscholing
    >> Reageer (0)
    30-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Weg met punten, gemiddelden, schoolrapporten'???
    GO-woordvoerder over afschaffen van gemiddelde op rapport: Gemiddelden hebben een negatief effect op het welbevinden van kinderen. ‘ zegt Laurent (GO!
    En Roger Standaert, Ferre Laevers... pleiten ook voor het afschaffen van punten e.d.

    Vooral dat laatste argument lokt kritiek uit bij onderwijs­experts. ‘Kinderen moeten ook leren dat het leven niet altijd rozengeur en maneschijn is’, argumenteert cognitief psycholoog Wouter Duyck (UGent). ‘Bovendien hebben zulke ingrepen een invloed op de motivatie van jongeren. Een leerling die eens onder het gemiddelde scoort, zal de volgende keer misschien meer zijn best doen.’

    In ‘Laisser-faire-mentaliteit bedreigt kwaliteit Vlaams onderwijs’ drukte Van Damme nog meer zijn grote bezorgdheid uit over de kritiek op alles wat te maken heeft met het evalueren van leerlingen, rapporten e.d.. Hij schreef o.a.: “Als we in naam van gelijke kansen en welbevinden geen hoge eisen meer durven te stellen aan leerlingen, brengen we ons onderwijs in gevaar. Met enthousiaste leraren die de vonk kunnen doen overslaan, is een veeleisende school het beste voor alle leerlingen”( DS 25.08/.2014).

    Van Damme betreurde verder het in vraag stellen van alles wat te maken heeft met evalueren. Van Damme: “Punten, rapporten, attesten... zijn nochtans belangrijk; ze staan voor slagen en mislukken, bepalen studie- en beroepsloopbanen, geven houvast aan ouders, legitimeren de autoriteit van leraren, bepalen de kwaliteitsperceptie van scholen. Maar al jaren is er een tegenbeweging in onderwijsland om het evalueren te milderen.

    Het pas gepubliceerde boek van Roger Standaert – de man die jarenlang in de Guimardstraat en later op het departement Onderwijs de pedagogische vernieuwing uitdroeg – tegen de cijfercultuur in het onderwijs, blaast het debat nu nieuw leven in. Standaert pleit tegen de cijfercultus in onderwijs en voor een zachtere manier van evalueren, zonder punten en eerder gericht op stimuleren en motiveren dan op bestraffen (DS 24 augustus 2014).

    Het boek doet onmiddellijk stof opwaaien en zal ongetwijfeld meegesleurd worden in het ideologische debat dat in Vlaanderen sinds kort over onderwijs gevoerd wordt.

    Pleiten voor een softe evaluatiecultuur omwille van het welbevinden van leerlingen is eigenlijk zeggen dat we in onderwijs niet zulke hoge eisen mogen stellen aan leerlingen. Toen ik nog niet zo lang geleden pedagogische begeleiders hoorde zeggen dat ze in naam van gelijke kansen leraren de raad gaven wat minder streng te zijn en minder hoge eisen te stellen, besefte ik met enig afgrijzen hoe sterk deze pedagogische visie in onderwijs had wortel geschoten. Ik huiver hiervan, en zeker als gelijke kansen als argument wordt opgevoerd.”

    Pedagoog Dirk Van Damme drukte - op 9 juni 2017 nog eens zijn grote bezorgdheid uit. Hij schreef: “Het debat over de nieuwe eindtermen en leerplannen gaat voorbij aan de essentie, namelijk dat veel uitspraken over eindtermen e.d. getuigen van vandaag achterhaalde onderwijskundige concepten: constructivisme, overtrokken pedagogisch optimisme, te radicale verwerping van kennis, naïeve visie op abstractie.“ Naast een algemene niveaudaling vreest hij dat daardoor ook het aantal toppers verder zal afnemen.

    P.S. Uit een recente enquête bleek dat meer dan 90% van de ouders in Frankrijk voorstander is van het behoud van punten op het rapport.

    30-11-2017 om 12:12 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:punten, gemiddelde, schoolrapport
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Afwijzen van cijfer-rapport is vaak slecht onderdeel van een prestatie-vijandige & ontscholende onderwijsvisie -zoals bij Roger Standaert
    Roger Standaert is tegestander van cijferrapporten e.d. en pleit voor groeirapporten. Dit kadert in een prestatie-vijandige & ontscholende onderwijsvisie

    Zou Standaert ooit als lerarenopleider voor een rapport voor zijn studenten een groei- of vorderingenrapport opgemaakt hebben op basis van inhoudelijke criteria/normen Ik deed en kon dat niet als lerarenopleider. Roger Standaert deed en kon dat ook niet. Ik heb het dan ook nooit als ideaal voorgesteld aan mijn studenten/toekomstige onderwijzers.

    De prestatie-vijandige en ontscholende opstelling van Standaert reikt veel verder:

    De (ex-)DVO-directeur poneerde ook nog in 2007: "De hoeveelheid kennis vermeerdert in een geometrische reeks … De reactie van de onderwijswereld op de kennisexplosie is er een geweest van die kennis niet meer op de voet te volgen en kennis te leren zoeken wanneer je die nodig hebt.

    Een paar voorbeelden:
    *Je kan moeilijk het volledige groene boekje uit je hoofd leren. Dus kies ik maar voor inzichtelijke kennis: ik zoek gewoon op hoe ik ‘gedownloaded’ moet spellen.” … “
    *In welke mate moet je nog hoofdrekenen, met een calculator op zak?”

    *Waarom wordt weten wie Rubens was, hoger aangeslagen dan weten wie David Beckham
    *Waarom wordt ‘culture & parlure (AN) bourgeoise’ hoger gewaardeerd op school dan ‘culture & parlure vulgaire’?

    In de razendsnel veranderende tijden zouden de basiskennis en de basisvaardigheden geen lang leven beschoren zijn. Leerlingen zouden vooral moeten voorbereid worden om steeds nieuwe kennis en vaardigheden te construeren: leren kennis opzoeken, calculator leren gebruiken, leren leren (Nova et Vetera, september 2007).

    30-11-2017 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Standaert, prestatievijandigheid
    >> Reageer (0)
    29-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen."Ondersteuning die we krijgen voor kinderen met beperking is druppel op hete plaat"

    Kinderen met een beperking die in het gewone onderwijs terechtkomen, krijgen te weinig ondersteuning. Dat zegt de Kinderrechtencommissaris in zijn jaarrapport en het wordt bevestigd door het verhaal van de directrice van een school in Borgerhout en van een ouder.


    Kevin Calluy, Belga

    wo 22 nov 12:00

    Sinds het M-decreet vorig schooljaar van kracht werd, mogen scholen in principe kinderen met een beperking niet meer weigeren in het gewone onderwijs. Er werden ook maatregelen genomen om die kinderen daar extra te ondersteunen, zoals bijvoorbeeld een doventolk in de klas.

    Dit jaar werd die ondersteuning hertekend. Een aantal maatregelen werden gebundeld in een zogenoemd ondersteuningsnetwerk. De invoering van dat ondersteuningsnetwerk gebeurde pas laat, waardoor veel scholen bij het begin van het schooljaar geen of nauwelijks ondersteuning konden bieden aan kinderen met een beperking.

    "Dit schooljaar moeilijke start voor mijn zoon"
    Dat de hulp te laat op gang kwam, blijkt ook uit het verhaal van onze collega Katrien Kubben. Haar zoon heeft een autismespectrumstoornis en zit in het tweede leerjaar. Pas deze maand kwam de ondersteuning op gang.
    "Dit jaar was voor hem een heel moeilijke start", legt Kubben uit. "Het werd in sneltempo erger en we sukkelden van crisis naar crisis. Uiteindelijk wilde hij zelfs niet meer naar school gaan." De school treft geen schuld, benadrukt ze. "De school heeft er alles aan gedaan. De ondersteuning die was beloofd, was er gewoon niet. Het systeem was niet klaar. Sinds de invoering van de ondersteuning gaat het wel beter met hem."

    We sukkelden van crisis naar crisis. Uiteindelijk wilde mijn zoon niet meer naar school
    VRT NWS-collega Katrien Kubben
    De directrice van de school kan het verhaal beamen. "We waren vorig jaar heel laat op de hoogte van de verandering in ondersteuning. Alle betrokkenen zijn toen in hoogste versnelling moeten gaan en daardoor hebben we problemen ondervonden."

    Intussen is er ondersteuning, maar het is te weinig, klinkt het. "De uren die we krijgen zijn onvoldoende. Wij krijgen voor 3 leerlingen 4 lesuren per week. Dat is een druppel op een hete plaat. Wij hebben niets tegen inclusief onderwijs, maar er is meer ondersteuning nodig."
    Kinderrechtencommissaris
    De problematiek blijkt ook uit het jaarrapport van de Kinderrechtencommissaris dat vandaag wordt voorgesteld. Daaruit blijkt dat zij de meeste vragen krijgen over onderwijs.

    "Er zijn vandaag veel zoekende ouders", zegt Kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen. "Voor ons is het vooral belangrijk dat kinderen die van het bijzonder onderwijs overstappen naar het gewone onderwijs voldoende ondersteund worden. Nu zijn er niet genoeg middelen om dat te doen."

    "Niet alle ouders zetten de stap van het bijzonder onderwijs naar het gewone onderwijs door de kostprijs. Zo moeten ze zelf voor logopedie of kinesitherapie instaan, terwijl dat in het bijzonder onderwijs inbegrepen is. Vooral voor kinderen in een kansarm milieu is dat een probleem."
    PAB
    Het Kinderrechtencommissariaat kreeg het afgelopen jaar ook opvallend veel klachten over het persoonlijk-assistentiebudget (PAB), dat gezinnen met kinderen met een beperking moet ondersteunen, los van het onderwijs.

    Veel ouders krijgen te horen dat ze wel voldoen aan de criteria om een PAB te ontvangen, maar het door een gebrek aan budget toch niet krijgen. "In 2016 kregen 14 minderjarigen een PAB, in 2017 werd 50 miljoen extra vrijgemaakt, waardoor 200 tot 250 extra minderjarigen aanspraak maakten. Er zijn echter nog meer dan 1.000 kinderen en jongeren aan het wachten, en die wachttijd kan oplopen tot vijf jaar", klaagt Vanobbergen aan.

    Het Kinderrechtencommissariaat roept op om een beroepsinstantie te installeren en het wil ook dat er werk wordt gemaakt van het recht op een persoonlijke toelichting. Ook een doorzichtig beslissingsproces over de toekenning van de PAB's moet er komen, klinkt het.
    lees ook

    Vooral kinderen uit kansarme gezinnen krijgen het daardoor moeilijk. Dat zegt de Kinderrechtencommissaris in zijn jaarrapport.
    vrt.be

    29-11-2017 om 17:54 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:M-decreet: ondersteuningsnetwerken
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De taal- en maatschappijvisie van taalrelativisten & superdiversiteitideologen Van Avermaet, Blommaert & vele anderen

    De taal- en maatschappijvisie van taalrelativisten & superdiversiteitideologen Van Avermaet, Blommaert & vele anderen:

    *integratie is niet zo belangrijk & zelfs onmogelijk in zo'n diverse maatschappij; de kennis van het Nederlands is dus ook niet zo belangrijk *

    En dus verzetten Piet Van Avermaet en zijn GOK-Steunpunt zich dus ook al lang tegen de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs; tegen de vele lessen Nederlands binnen OKAN en NT2-cursussen voor volwassenen…., tegen de taaloproepen van de ministers Vandenbroucke, Smets en Crevits, …  En tegelijk pleiten ze dan voor het  intens gebruik van de moedertaal op school, voor het eerst leren lezen en rekenen in het Tuks (cf. experiment in Gent o.l.v. Van Avermaet) …

     

    Wiens Nederlands? Over taalnaïviteit in het beleid. (Jan Blommaert en Piet Van Avermaet)

    13 januari 2013

    Citaat vooraf: “Foute opvattingen liggen aan de grondslag van het beleid rond Nederlands aan migranten. Men gaat ervan uit dat Vlaanderen een eentalig Nederlands gebied is, dat men zonder Nederlands onmogelijk kan functioneren in dit land, dat kennis van het Nederlands allerhande mogelijkheden opent die er anders niet zouden zijn. Men gaat er eveneens van uit dat de talen van de migrant een obstakel zijn voor inburgering, dat ze bijvoorbeeld een negatieve invloed hebben op de leerresultaten van allochtone kinderen, dat die kinderen vanuit hun achtergrond een taalprobleem hebben”

    Wanneer we de feiten volgen en erkennen dat Vlaanderen een meertalige samenleving is, dan zien we nu twee dingen  Ten eerste, we zien dat de Vlaamse nadruk op ééntaligheid een ideologische nadruk is, geen feitelijke. …De suggestie dat men enkel een goeie buur kan zijn wanneer men Nederlands spreekt gaat uit van de veronderstelling dat men Nederlands nodig heeft in die buurt, en dat die buurt normaal gezien eentalig Nederlands is. Op de feitelijke sociolinguïstische structuur van die buurten komen we verder nog terug, maar we kunnen hier al melden dat die buurten vanzelfsprekend door-en-door meertalig zijn. De ideologische norm mag dan eentaligheid zijn, het hier gegeven empirische perspectief keert deze norm op z’n kop: de feitelijke norm is meertaligheid. Er is dus een groot verschil tussen de taalideologische norm en de sociolinguïstische norm. Een gezond beleid zou de laatste als uitgangspunt moeten nemen.

    We zien echter nog een tweede zaak. De norm is selectieve meertaligheid. De meertaligheid van de ene wordt gezien als een verrijking, als een belangrijk instrument, terwijl die van de andere wordt gezien als een probleem, als een obstakel voor een goede sociale cohesie en vlotte gang van zaken. Het is een welbekend fenomeen: niet elke taal is gelijk, en slechts enkele talen tellen mee als positieve qualificaties. …We zien dus een onderscheid tussen ‘goeie’ en ‘slechte’ meertaligheid, en noteer dat ‘goeie’ meertaligheid gewoonlijk niet als meertaligheid gezien wordt: het zijn gewoon extra qualificaties van mensen die zichzelf doorgaans als volmaakt eentalig beschouwen. We hebben hiervoor zelfs een andere term: taalkennis. Een Vlaming ‘kent zijn talen’, maar is naar eigen zeggen en zelfbeeld eentalig, niet ‘meertalig’, en de Vlaamse Regering beschouwt zichzelf niet minder eentalig Vlaams omdat ze zich van een Engelstalige propagandamachine bedient. Dat soort reële meertaligheid is derhalve een blinde vlek in ons denken, een typisch ideologisch effect: we geloven in de norm, ook al wijzen alle feiten in een andere richting.

    Ons eigen onderwijssysteem is hiervan (letterlijk) een schoolvoorbeeld. Onderzoek in de opvangklassen voor ‘anderstalige nieuwkomers’ in een aantal Vlaamse scholen toonde aan dat de meertaligheid van die anderstalige nieuwkomers geen enkele waarde had als taalbagage. Concreet: een kind dat Russisch, Georgisch en wat Engels spreekt, en vlot kan schrijven in het Cyrillische alfabet, werd gezien als een taal-loos en ongeletterd kind, een kind dat geen taal spreekt om een courant Vlaams gezegde te hanteren. De zeer ontwikkelde taalbagage van dat kind werd eenvoudigweg weggetoverd, want het kind ontbeerde één reeks zeer specifieke taalmiddelen: Nederlands. Zolang het kind geen Nederlands kende was het taal-loos en ongeletterd, ook al was het perfect in staat om lange en complexe uiteenzettingen te doen, mondeling en geschreven, in andere talen.[4] Dat soort meertaligheid is dus ongeldig.

    Het doel van dit opvang-onderwijs (OKAN) is de kinderen uiteindelijk te mainstreamen, ze in de ‘gewone’ klassen te kunnen opnemen, waar ze dan na enige tijd naast Nederlands ook Frans en Engels aangeleerd krijgen, en zo een nieuw ‘meertalig’ individu worden. Dat laatste soort meertaligheid is geldig, en het danst op een solide vloer van Nederlandse eentaligheid.

    Slotsom: we leven in een meertalige samenleving, die echter een onderscheid maakt tussen ‘goede’ en ‘slechte’ meertaligheid. Het zelfbeeld van eentaligheid, zowel als het onderscheid tussen ‘goeie’ en ‘slechte’ meertaligheid zijn allebei ideologische fenomenen. In realiteit hebben ze geen enkele relevantie: we zijn niet eentalig, en ook ‘slechte’ meertaligheid is belangrijke meertaligheid voor zij die ze gebruiken, zoals we verder nog zullen zien. Maar één brok naïviteit hopen we uit de wereld te hebben geholpen: de idee van de eentalige norm.

    Welk Nederlands?

    Een tweede brok naïviteit gaat over taal zelf: datgene wat men verstaat onder een term zoals ‘het Nederlands’. Noteer dat namen van talen steeds in het enkelvoud staan: ‘het’ Nederlands, ‘mijn’ Frans, ‘zijn’ Engels. Dat is op zich een uiting van een andere taalideologie: dat elke taal kan gezien worden als één coherente brok elementen – woorden  en structuren (de grammatica). Een moedertaalspreker wordt geacht al die dingen volledig te beheersen, en we zullen van een anderstalige zeggen dat hij/zij ‘de taal goed spreekt’ wanneer we weinig grammaticale fouten en een ‘rijke’ woordenschat menen te bespeuren. Meertaligheid wordt dan ook vaak gezien als ‘volledige’ beheersing van twee of meer dergelijke systemen, en het aanleren van een taal heeft vaak dat doel voor ogen: de taal leren beheersen zoals een moedertaalspreker. Het is een axioma in onze samenleving dat migranten dit doel niet bereiken en derhalve verschillende vormen van ‘taalachterstand’ hebben – dit axioma is onderliggend aan dozijnen ‘inburgerings-’ of ‘integratie’ maatregelen. Die taalachterstand gaat men dan pogen te remediëren door taalonderwijs, en de ‘Huizen van het Nederlands’ zullen hierbij een steeds belangrijker rol gaan spelen.

    Welk Nederlands heeft men echter voor ogen? Wanneer men zegt dat een migrant ‘taalachterstand’ heeft, welk specifiek brokje Nederlands ontbreekt dan? Want daar gaat het om: meertalige competentie is in de regel specifiek georganiseerde competentie, een competentie die ontwikkeld is voor bepaalde specifieke communicatietaken maar niet voor andere. …Wie ons in een universitair auditorium bezig hoort zal de indruk hebben dat hier een zeer competent spreker van het Engels staat; de loodgieter of de magazijnier van de supermarkt zal evenwel de indruk hebben dat we Engels-onkundige buitenlanders zijn.

    Meertalige repertoires zijn zo gevormd, ze bestaan niet uit ‘talen’ maar uit specifieke stukken taal: genres, stijlen van taalgebruik, bepaalde speciale registers voor bepaalde themata, enzovoort.[5] Het is een fenomeen dat we allemaal kennen: we verstaan gesproken Duits maar kunnen het niet schrijven, spreken een mondje Spaans maar kunnen het niet lezen, kennen genoeg Italiaans om ons ongehavend door een maaltijd in Italië te loodsen maar niet genoeg om een theatervoorstelling bij te wonen. En dat geldt evenzeer voor onze ‘moedertaal’ …

    Wanneer we nu stellen dat migranten een ‘taalachterstand’ hebben, of stellen dat ‘een goede kennis van het Nederlands essentieel is voor de sociale kansen van migranten’, dan moet meteen de vraag gesteld worden over welk stuk Nederlands men het heeft. Immers, wat we uit onderzoek opmaken is dat ‘migranten’ vaak specifieke Nederlandstalige competenties hebben – in een migrantenbuurt is het niet ongewoon dat men een Turkse bakker zijn Russische of Congolese klant in het Nederlands hoort aanspreken. De taalcompetenties zijn echter beperkt en specifiek taakgericht: ze dekken onmiddellijk relevante communicatietaken op de werkvloer, in de onmiddellijke buurt, in winkels en in contacten met openbare diensten. Nieuwkomers zijn vaak perfect in staat zich in het Nederlands staande te houden als winkelbediende, kelner of chauffeur, of tegenover bedienden van het ziekenfonds, de politie of het OCMW. Ze hebben echter niet de specifieke competenties die nodig zijn om een gesprek met een CLB-psychologe te volgen, om het huiswerk rekenen van hun kinderen te begeleiden of om de les aardrijkskunde op te vragen in het vooruitzicht van de toets van morgen. Dat betekent niét dat ze Nederlands-onkundig zijn; ze zijn onkundig in het specifieke Nederlands dat deze taken vereisen, en dit is een probleem van dezelfde orde dan dat van een hoog opgeleide Vlaming die de technische uitleg van een bacterioloog niet begrijpt.

    De meertaligheid van migranten is dus specifiek georganiseerd en meestal zit het Nederlands op een bepaalde plaats in het repertoire. Waar moeten we beginnen om dit te onderzoeken? De beste plaats is de buurt waarin ze vertoeven. We weten allemaal dat ‘migranten’ zich niet eender waar huisvesten, maar in de regel belanden in goedkope segmenten van de huisvestingsmarkt: in migrantenbuurten. In die buurten zien we een zeer ingewikkelde meertaligheid aan het werk, waarbij de verschillende talen van migranten – de ‘slechte’ meertaligheid van hierboven – uiterst belangrijke functies vervullen voor het opbouwen en in stand houden van essentiële economische en sociale netwerken.[7] Immers, de etnische homogeniteit (in zoverre die bestond) van ‘migrantenbuurten’ heeft in de jaren negentig plaats gemaakt voor een veel diverser populatie, zowel etnisch als sociaal-economisch, en dat heeft op zijn beurt geleid tot een veel ingewikkelder samenspel van talen en taalcompetenties. …

    Wanneer een Nigeriaan immigreert in de Gentse Rabotwijk, een buurt waar de autoriteitsfiguren – de lokale middenklasse van handelaars en een opkomende generatie van intelligentsia – overwegend Turks zijn, dan is kennis van het Turks voor die Nigeriaan vaak belangrijker dan kennis van het Nederlands. Zijn huisbaas is immers Turks, en kennis van een beetje Turks kan hem een baantje opleveren in één van de vele Turkse handelszaken in de buurt. Onze Nigeriaan heeft bovendien een aantal verwanten en kennissen in Antwerpen, Rijsel en London, en daarmee communiceert hij via de GSM in Nigeriaans Pidgin-Engels en in Yoruba, zijn thuistalen.[8] Het publieke domein van die Nigeriaan kan daarenboven gedomineerd worden door MTV en CNN, niet door VRT en VTM, en daardoor is Engels een belangrijker taal dan Nederlands. Nederlands heeft in zo’n buurt zeer beperkte functies die bepaalde variëteiten van het Nederlands vereisen, en die variëteiten – geen andere – gaan deel uitmaken van het repertoire van onze Nigeriaan. Zijn leven speelt zich immers niet af in ‘Vlaanderen’ in het algemeen maar in de Rabotwijk van Gent, en de daar heersende taalpatronen zijn degene die aanpassing afdwingen. De migrant past zich aan aan z’n reële habitat, de migrantenbuurt, niet aan Sint-Martens Latem of Brasschaat, en die habitat vereist ‘slechte’ meertaligheid. Wie de woonkamer van onze Nigeriaan binnenkomt zal dan ook taalvermenging horen. De TV staat op MTV en schalt luidkeels Engelstalige songs. Met z’n vrouw spreekt de Nigeriaan Yoruba vermengd met Pidgin-Engels; de kinderen worden aangesproken in Pidgin-Engels vermengd met Nederlands (yu wan do huiswerk?) maar antwoorden in vlekkeloos Nederlands met een Afrikaans accentje (straks mijn huiswerk doen!). Op tafel ligt een exemplaar van de Nederlandstalige Metro, en met ons spreekt de Nigeriaan een mengsel van Nederlands en Engels. Het is hoog tijd dat men de retoriek inzake ‘thuistaal’ versus ‘schooltaal’ herziet in het licht van dit soort intense meertaligheid: ze is de regel en niet de uitzondering in een globaliserende samenleving.

    Men kan dit betreuren, maar het is een feit: Nederlands is voor veel migranten in ons land lang niet de belangrijkste taal en zal dat ook niet snel worden. De reden is niet onwil of onkunde om het Nederlands te leren, en evenmin is het een ‘verkeerde keuze’ vanwege de migranten. Het is een effect van elementaire sociologische processen die ervoor zorgen dat bepaalde groepen van mensen in bepaalde buurten (moeten!) gaan samenwonen, daar netwerken vormen, en economische, sociale, culturele en politieke processen in gang zetten. De zogeheten ‘onkennis van het Nederlands’, of de ‘taalachterstand’ van migranten, is dan ook een gevolg van een bepaalde sociale positie, van marginaliteit, of wat we ietwat handiger zouden kunnen omschrijven als een volmaakte integratie in de marge van onze samenleving. Het is een indicator van een sociaal probleem, geen oorzaak ervan, en die vergissing lijken onze beleidsmakers steeds vaker te begaan.

    Samenvattend: Vlaanderen is geen eentalig gebied, maar het maakt een ideologisch onderscheid tussen ‘goeie’ en ‘slechte’ meertaligheid. De ‘taalachterstand’ van migranten is een gevolg van hun marginale sociale positie, en slaat in de regel op de afwezigheid van zeer specifieke taalcompetenties uit het meertalige repertoire van migranten. Die taalrepertoires (vaak opgebouwd uit ‘slechte’ meertaligheid) bieden een diagnose van de situatie van migranten: doorheen de structuur van die repertoires leest men de sociale netwerken van de migrant af, z’n reële taalbehoeften en mogelijkheden, en ook ‘slechte’ meertaligheid blijkt daarin een cruciale rol te spelen. Die ‘slechte’ meertaligheid is dan ook geen probleem maar een probleemoplossend instrument voor de migrant. En bijgevolg bestaat er geen algemeen geldend recept voor de remediëring van ‘taalachterstand’: zo’n remedies moeten gebaseerd zijn op een realistische en accurate inschatting van de behoeften, mogelijkheden en gebreken. Zoniet biedt men mensen een volkomen nutteloos instrument aan: een paar rolschaatsen om zich tegen de regen te beschermen. Zolang onze Nigeriaan in de Rabotwijk blijft wonen en niet naar Sint-Martens Latem kan verhuizen, en zolang de Turkse migrantengemeenschap zich sociaal-economisch verder emancipeert in die buurt (wat men moeilijk kan bestrijden) zal hij Turks nodig hebben.

    Wiens Nederlands?

    Een laatste element van taalkundige naïviteit slaat op de wijze waarop mensen taal gaan gebruiken.. Met andere woorden, de kwestie is hier: wat gebeurt er wanneer onze migranten wél Nederlands kennen?

    Twee elementaire zaken moeten eerst aangegeven worden. Ten eerste, ‘het Nederlands’ is vanzelfsprekend in realiteit een bonte collectie van varianten, van accenten, registers en stijlen. Er zijn geen twee mensen die precies hetzelfde Nederlands spreken. ..Ten tweede: elke vreemde taal wordt aangeleerd met een accent, want net dezelfde wetten gelden in die vreemde taal. …Migranten die Nederlands leren, leren het dus met een accent, en dat is normaal. De uitkomst van dit leerproces is dan ook het ontstaan van nieuwe taalvarianten in het Nederlands, nieuwe dialecten zo men wil: Turks-Nederlands, Marokkaans-Nederlands, Georgisch-Nederlands, Congolees-Nederlands, noem maar op. En elk van die varianten kan op zijn beurt nog regionaal gekleurd zijn, want iedereen leert Nederlands in een bepaalde plaats. We krijgen dus Georgisch-Nederlands met een Antwerps, Gents, Hasselts accent. Die varianten bestaan reeds, en hoe meer en meer diverse migranten er zijn, hoe verder het Nederlands zich diversifieert. Het is dan immers niet langer enkel ‘van ons’, maar ook ‘van hen’.[9] Het is hun taal geworden en dat was net wat we wilden, maar we moeten beseffen dat dit met een prijskaartje komt: het Nederlands van nà de migratie is een ander Nederlands dan dat van voor de migratie. Dat Nederlands kan bijvoorbeeld vermengd zijn met elementen uit de thuistalen van de sprekers – het kan ‘onzuiver’ zijn, en net daaraan zijn efficiëntie als communicatie-instrument ontlenen. Dàt vermengde Nederlands is vaak de voertaal onder allochtone schoolkinderen, we komen daar verder nog op terug.

    Als we dit gegeven nu samenvoegen met de vorige elementen, dan staan we voor de volgende sociolinguïstische situatie: veel migranten spreken specifieke taakgerichte vormen van Nederlands, met een accent dat hun afkomst en leeftraject weergeeft. Dit is, zoals we eerder aangaven, een succes van aanpassing, en het is een aanpassing aan een reële reeks maatschappelijke contexten. Nu kunnen we twee zaken doen. Ofwel beschouwen we die nieuwe varianten als ‘fout’ en ‘slecht Nederlands’, ofwel beschouwen we ze als wat ze in werkelijkheid zijn: nieuwe, specifieke en nuttige varianten van het Nederlands, die als probleemoplossend instrument dienen voor degenen die ze hebben ontwikkeld.

    Helaas gebeurt het eerste. Een migranten-accent is een ‘slecht’ accent, een gestigmatiseerd accent, en ook al is wàt men in dat accent zegt volmaakt steekhoudend en intelligent, leerkrachten zullen het vaak interpreteren als een zoveelste bewijs van de ‘taalachterstand’ van hun leerlingen. En die leerlingen weten dat, ze zijn zich bewust van het stigma dat op hun accent rust en ze spelen dit uit. Het baanbrekende onderzoek van Jürgen Jaspers toonde aan hoe Antwerps-Marokkaanse leerlingen uit het secundaire beroepsonderwijs (typische ‘probleemjongeren’met andere woorden) een uitgebreid repertoire aan accenten en taalvarianten beheersten, gaande van ‘illegaal Nederlands’ (hilarische imitaties van het Nederlands van nieuwe migranten) en mengvormen van ‘thuistalen’ en Nederlands over vlekkeloos Antwerps tot imitaties van gepolijst Hollands of ‘nieuwslezer-Nederlands’.[10] Voor elk van deze accenten bleken ze zich bewust van de symboolwaarde ervan: sommige accenten symboliseerden de ‘seutigheid’ die ze met autochtone middenklasse-Vlamingen associeerden, andere droegen connotaties van stoer mannelijk adolescentengedrag, nog andere – ‘illegaals’ bijvoorbeeld – dienden om de marginalisatie van nieuwe migranten gestalte te geven.

    Ze waren zich acuut bewust van het stigma dat door hun leerkrachten gehecht werd aan ‘migranten-Nederlands’: Nederlands met een zwaar Marokkaans accent, met hier en daar een Arabisch of Berber woord tussen, en met de klassieke fouten tegen lidwoorden of aanwijzende voornaamwoorden (ik wil die werk niet). De jongeren kenden deze variant en speelden hem vaak uit tegen leerkrachten, als bevestiging van de negatieve stereotypen die zij bij die leerkracht meenden te herkennen – ze gedroegen zich, met andere woorden, naar het beeld dat die leerkracht van hen had. Maar noteer: dit migranten-Nederlands was niet de enige variant die ze spraken, ze zaten er niet in gevangen maar waren perfect in staat om grammaticaal correcte en complexe standaard-Nederlandse volzinnen te brouwen. Ze spraken migranten-Nederlands strategisch, als specifiek instrument voor het bereiken van bepaalde effecten. En dat effect lag voor de hand: leerkrachten waren ervan overtuigd dat de jongeren een ‘taalprobleem’ hadden, want tegen hen spraken ze migranten-Nederlands. Dat migranten-Nederlands verborg echter (of was een effect van) een virtuose taalcompetentie die allerhande varianten van het Nederlands op een vernuftige manier kon ontplooien en met elkaar vermengde, vaak nog met behulp van elementen uit het Arabisch en uit Berbertalen, alsook Engels en Frans. Deze jongeren hadden echter wel degelijk een probleem met het Nederlands. Ze hadden ernstige problemen met geschreven vormen: hun mondelinge virtuositeit stond haaks op zeer zwakke resultaten voor zowat elke schriftelijke schoolopdracht. Dit is echter een geletterdheidsprobleem, geen taalprobleem en nog minder een probleem van botsende culturen. En het was een probleem dat ze deelden met de autochtone klasgenoten in hun beroepsopleiding.

    Het is in het licht van dit soort gegevens, zoals we eerder zegden, de hoogste tijd dat we de retoriek inzake ‘thuistaal’ en ‘schooltaal’ aanpassen aan de werkelijkheid. Die is noodzakelijk veel complexer: er is waarschijnlijk meer dan één thuistaal en meer dan één schooltaal, en wellicht overlappen beide registers gedeeltelijk. Eén ding is zeker: migranten doen allerlei zeer merkwaardige en creatieve zaken met ‘onze’ taal. Vaak zijn die dingen positief, het zijn hulpmiddelen waarvan we de finaliteit moeten begrijpen – we moeten weten welke specifieke behoefte ze dekken. Ze beschouwen als negatief, als taalachterstand, getuigt van een verregaande onwetendheid over hoe taal werkt in die delen van onze samenleving en van weinig respect voor de manier waarop zij met onze taal omgaan. Het betreft hier een taalpotentieel dat nog grotendeels onbegrepen is maar dat voor hen duidelijk van het grootste belang is. Het is hùn Nederlands, het verschilt stevig van het ‘onze’, maar dat neemt niet weg dat het als zodanig moet worden begrepen.

    Samenvattend: migratie verandert de sociolinguïstische context van onze samenleving, en één van de elementen daarin is het ontstaan van nieuwe varianten van het Nederlands bij migranten. Die varianten worden doorgaans negatief bestempeld, als vormen van ‘taalachterstand’, terwijl ze voor de migranten net een positief, functioneel ingrediënt van hun meertalige repertoires zijn.

    Welk doel hebben we?

    De kern van dit alles is dit. We gaan in onze samenleving uit van het beginsel dat taal uniform is, en dat heel de samenleving zich op uiteenlopende manieren van deze uniforme structuur bedient en moet bedienen. Deze (alweer ideologische) idee is onderliggend aan heel het denken over ‘taalniveaus’ (basis – intermediair – gevorderd) en taaltesting: men gaat ervan uit dat er algemeen geldende niveaus van bekwaamheid en kennis zijn, die op dezelfde wijze verworven kunnen worden en dus ook eenvormig kunnen getetst worden. Dit beginsel is volkomen fout: taal lijkt alleen maar uniform maar is altijd een uiterst divers complex, en deze diversiteit neemt enkel toe wanneer migratie en toenemende sociale diversificatie toenemen. Niemand heeft precies dezelfde taalachtergronden, behoeften, mogelijkheden en bekwaamheden, en hoe men ook probeert, men zal dit niet kunnen uniformiseren.

    Een categorie zoals ‘anderstalige nieuwkomers’ toont dit aan. Op het eerste zicht lijkt ze voor de hand liggend: alle kinderen in die categorie kennen geen Nederlands, en moeten dus aan een (uniform) traject van NT2 onderworpen worden. De eerder vermelde wegdefiniëring van de taalbagage van die kinderen past in dit plaatje. Maar er is natuurlijk een groot verschil tussen een kind dat er al ettelijke jaren formeel en kwalitatief aanvaardbaar onderwijs heeft opzitten (zoals kinderen uit de voormalige Sovjet-Unie) en kinderen die nog nooit een leslokaal van binnen hebben gezien (zoals kinderen van vluchtelingen uit Sierra Leone). De eerste groep weet wat geletterdheid is, weet waarvoor het dient, kent het verloop van een schooldag, is vertrouwd met de rollenpatronen in een leslokaal, enzovoort. De tweede groep wordt vaak voor het eerst geconfonteerd met de discipline van een school, heeft nog nooit een pen vast gehouden, is op geen enkele manier vertrouwd met de rolpatronen en gedragsverwachtingen in een leslokaal, enzovoort. Beide groepen worden simpelweg bij elkaar gezet, want ze zijn allebei ‘anderstalige nieuwkomers’. Maar geen enkele pedagogische ingreep kan die fundamentele verschillen overbruggen, en als bij wonder scoren kinderen uit de eerste groep hoger dan kinderen uit de tweede – iets wat dan vaak verklaard wordt door verwijzingen naar ‘cultuurverschillen’: harde werkers versus luiaards.[11]

    Wanneer we dit terugkoppelen naar het beleid, dan rijst de vraag: wat is het doel van de campagne rond Nederlands voor migranten? Welk soort Nederlands moeten ze kennen? En vanaf welk punt spreken we van een ‘succes’ in dit proces? Of nog: wanneer oordeelt men dat een migrant ‘genoeg’ Nederlands spreekt om ‘ingeburgerd’ te zijn? Of nog: zijn we er zeker van dat het specifieke Nederlands dat we hen aanleren echt van nut is voor de migrant? En dat we dus onze inburgeringsdoelstellingen bereiken met dat soort Nederlandse les? En wat doen we indien het antwoord op die vraag negatief is?

    We zijn er zeker van dat het beleid die vragen niet stelt, laat staan dat ze er antwoorden op heeft. De hele campagne rond Nederlands-als-sociale-panacee is immers gebaseerd op uiterst naïeve visies op taal in de samenleving, op wat het is en hoe het werkt, en op hoe mensen taal gebruiken. Het is gebaseerd op sociolinguïstische speculaties, niet op feiten. Dat is een ernstige zaak, want van een deugdelijk beleid mag men verwachten dat het zich baseert op feiten, op een grondige kennis van het veld waarin het opereert, en op aanneemlijke criteria voor succes en falen….

    …Een beleid dat nadrukkelijk op taal leunt om zijn doelstellingen te bereiken zou taal ernstig moeten nemen en geen genoegen mogen nemen met de eigen door allerlei sociale factoren bepaalde intuïtieve opvattingen erover.

    Dat soort (foute)opvattingen liggen aan de grondslag van het beleid rond Nederlands aan migranten. Men gaat ervan uit dat Vlaanderen een eentalig Nederlands gebied is, dat men zonder Nederlands onmogelijk kan functioneren in dit land, dat kennis van het Nederlands allerhande mogelijkheden opent die er anders niet zouden zijn. Men gaat er eveneens van uit dat de talen van de migrant een obstakel zijn voor inburgering, dat ze bijvoorbeeld een negatieve invloed hebben op de leerresultaten van allochtone kinderen, dat die kinderen vanuit hun achtergrond een taalprobleem hebben. En tenslotte gaat men ervan uit dat mensen normaal gesproken eentalig zijn, dat het de universele regel is dat de moedertaal van het kind overeenstemt met die van beide ouders, dat het Nederlands dat men in NT2 cursussen leert ouders meteen in staat stelt het huiswerk van hun kinderen te begeleiden of de uitleg van de CLB-consulent te begrijpen, dat taalvermenging een bewijs is van gebrekkige taalkennis, en dat iedereen gelukkig zou zijn indien onze migrantenbuurten eentalig Nederlands zouden zijn.

    Als ze al niet eenvoudigweg fout zijn, schreeuwen al die uitgangspunten om empirische bewijsvoering. In hun huidige staat is geen enkele ervan een wetenschappelijke zekerheid. Voor ons eigen land bestaat er nauwelijks enig onderzoek hierover, en de snippers die we hebben wijzen systematisch in heel andere richtingen. Maar men begrijpt de impact van dit alles: wanneer een beleid steeds meer gewicht verleent aan iets waarvan de uitgangspunten zeer twijfelachtig zijn, dan kan men weinig vertrouwen hebben in de mogelijke uitkomsten. Zowel het Gelijke Kansen beleid als het Inburgeringsbeleid staan op drijfzand, en wie het goed meent met onze samenleving moet zich hierover ernstige zorgen maken.


    Bijlage: Een reactie van leraar Philip Clerick op deze uitspraken van Van Avermaet en Blommaert: op zijn blog en op Doorbraak
    De sociolinguïstiek in het geweer tegen Hilde Crevit: 12 maart 2017

    Enkele jaren geleden schreef Piet van Avermaet, die van Gent dus, samen met Jan Blommaert, ook van Gent, een lang stuk over het Nederlands van de allochtonen. In dat stuk van Jan en Piet staat allerlei interessant nieuws. Zo leer ik dat ‘sociolinguïstiek in dit land nauwelijks wordt gestimuleerd.’ Daar ben ik niet rouwig om. Als die sociolinguïsten allemaal zijn zoals Jan en Piet doen zij mij te veel uit de hoogte. Zij zijn de enigen die de ‘echte’ taal bestuderen als ‘feitelijkheid’ en iedereen die dat niet doet, of niet doet op hun manier, bezondigt zich aan ‘ideologie’, ‘speculatie’ of minstens aan ‘naïeviteit’.

    En wat hebben ze voor waardevols ontdekt door de ‘echte’ taal als ‘feitelijkheid’ te bestuderen? Dat Vlaanderen een meertalig land is, want Vlaamse geleerden publiceren in het Engels, Vlaamse studenten lezen Engelse studieboeken, de televisie zendt Engelstalige films uit, de Vlaamse regering heeft een Engelstalige website, oudere jongeren die niet seutig willen zijn, gebruiken woorden als ‘babes’ en ‘celebs’, en in advertenties worden Engelstalige woorden gebruikt als ‘junior account manager’. Ik neem aan dat dat allemaal op onderzoek is gebaseerd. En anders geloof ik het ook. Ik heb er ook geen bezwaar tegen – behalve tegen die ‘babes’, die ‘celebs’ en die ‘junior account managers’ – en ben dan ook blij dat Jan en Piet dat allemaal ‘goede meertaligheid’ noemen.

    Daarnaast bestaat ook ‘slechte meertaligheid’. Niet Jan en Piet vinden die slecht, maar andere mensen, bekrompen mensen. Die ‘slechte’ meertaligheid is dan die van een Nigeriaan die in de Gentse Rabotwijk woont en een beetje Turks kent om met zijn Turkse huisbaas te onderhandelen, in het Yoruba telefoneert met kennissen in Rijsel, naar Engelstalige zenders als MTV en CNN luistert, en met zijn kinderen Pidgin-Engels spreekt, vermengd met Nederlands (‘Yu wan do huiswerk?’). En nu besluiten Jan en Piet over die hele situatie als echte sociolinguïsten: ‘Men kan dit betreuren, maar het is een feit’.

    De lezer krijgt sterk de indruk dat Jan en Piet de toestand in de Rabotwijk helemaal niet betreuren. Misschien juichen ze die zelfs toe, maar dan heel stilletjes, want als sociolinguïsten moeten ze zich aan de ‘feiten’ houden. En ikzelf? Kijk, ik betreur niet dat die Nigeriaan Yoruba spreekt met landgenoten of naar Engelstalige zenders luistert. Maar ik zou het fijn vinden als hij daarnaast vorderingen zou maken in het Nederlands en ik zou het nog fijner vinden als zijn kinderen later goed Nederlands zouden kennen. Daarnaast mogen ze ook nog Engels en Yoruba en Turks en Frans en Duits en Grieks en Latijn kennen, maar toch eerst en vooral goed Nederlands.

    Ik heb daar geen onderzoek voor nodig om te weten dat ik dat fijn zou vinden. Als sociolinguïsten met alle geweld iets willen onderzoeken, kunnen ze proberen te achterhalen hoeveel Vlamingen dat net als ik fijn zouden vinden. Zo’n gezamenlijke wens van heel veel Vlamingen – en daar zullen wel wat Nieuwe Vlamingen bij zijn* – zou dat ook geen ‘feitelijkheid’ zijn?**

    Eerst en vooral goed Nederlands dus. Onze sociolinguïsten zullen dat ‘goed’ van ‘goed Nederlands’ echter moeilijk verteren vrees ik. ‘Goed’ is een waardeoordeel. ‘Goed’ is geen feitelijkheid. ‘Goed’ hoort niet thuis in hun wetenschap. Want wat is immers ‘goed Nederlands’? Het Nederlands dat je nodig hebt als je een arts raadpleegt? Als je met de loodgieter praat? Als je een toneelvoorstelling wilt bijwonen? Als je een stuk wilt schrijven over het Nederlands van de allochtonen?

    Jan en Piet stellen het voor alsof je in al die situaties een andere taal nodig hebt. Ik meen dat ze daarin sterk overdrijven. Als mijn dokter een woord gebruikt dat ik niet begrijp, kan ik om uitleg vragen. Als een loodgieter iets uitlegt dat ik niet kan volgen, kan ik nog net genoeg volgen om te weten dat ik het eigenlijk niet wil volgen. Bij een toneelvoorstelling begrijp ik inderdaad niet alles, maar dat komt omdat ik wat doof ben. En als ik een stuk wil schrijven over het Nederlands van de allochtonen, ja, dan moet ik hard mijn best doen, en nadenken, en opzoeken of ik een woord wel correct gebruik. Maar het lukt. En ik hoop voor de toekomstige generatie Nigerianen in de Rabotwijk hetzelfde. En voor de toekomstige generatie Turken ook.


    * In 2014 verscheen een studie van Agirdag en Van Houte waarin de houding van de Nieuwe Vlamingen werd aangeraakt. Blijkt dat Turkse ouders willen dat hun kinderen op school zoveel mogelijk Nederlands spreken en zo weinig mogelijk Turks. De antiracistische onderzoekers leggen dat uit als een gevolg van indoctrinatie door de Vlaamse leidende klasse.

    ** Kan zo’n gezamenlijke wens de ‘feitelijke’ taalsituatie in allochtone wijken beïnvloeden? Misschien wel, als die in onderwijsbeleid vertaald wordt. Jan en Piet lijken ervan uit te gaan dat alleen nieuwe ‘communicatieve situaties’ tot taalontwikkeling leiden. Als onze Nigeriaan naar Sint-Martens-Latem verhuist, zal hij volgens hen wel Nederlands leren. Dat geloof ik graag. Maar ik geloof ook dat het onderwijs, liefst vanaf de kleuterklas, kan bijdragen tot een taalontwikkeling die niet aan buitenschoolse ‘communicatieve situaties’ gebonden is.


     

     

    29-11-2017 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:taalrelativisten
    >> Reageer (0)
    28-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Krasse uitsprake (nonsens) van onze 'wetenschappelijke' experts inzake taalproblemen allochtone leerlingen. Algemene teneur: taalproblemen zijn vooral fictieve, 'aangeprate' problemen

    Krasse uitsprake (nonsens) van onze 'wetenschappelijke' experts inzake taalproblemen allochtone leerlingen.
    Algemene teneur: taalproblemen zijn vooral fictieve, 'aangeprate' problemen en de kennis van het Nederlands is niet eens zo belangrijk binnen onze superdiverse maatschappij

    Van Avermaet “:Men gaat er ten onrechte van uit dat veel immigranten onvoldoende Nederlands kennen om te functioneren in onze samenleving”

    Van Avemaet: We hebben voorbije decennia gezien hoe het naïeve beeld ( de ideologie) van het belang van Nederlands zich steeds comfortabeler heeft genesteld in de publieke opinie. "

    Van Avermaet: Minister Vandenboucke gelooft volgens hem te sterk en te naïef in de taalstimulering als een belangrijke hefboom (Wiens Nederlands? Over taalnaïviteit in het beleid, Sampol, maart 2006).

    Ico Maly : “Nederlands leren bij allochtonen is niet emanciperend, maar discriminerend.” Eddy Bonte repliceerde: ”De waarheid luidt dat het valse discours van Ico Maly, Jan Blommaert, Piet Van Avermaet e.a. invloedrijke allochtonen er ook toe aanzet de kennis van het Nederlands te contesteren en zo de derde en binnenkort de vierde generatie verder het getto zal induwen”.

    Meyrem Almaci Groen) bestempelde in 2003 de vraag voor meer NT2 “als een vorm van ‘taalfetisjisme’ vanuit vele scholen, dat averechts werkt in de emotionele binding met de taal.”

    Koen Jaspaert, de eerste directeur van het Steunpunt NT2 en ex-directeur Taalunie stelde in 2014 nog in DS: ‘Het probleem van het Nederlands spreken wordt aangepraat als een probleem’. Ook de huidige pedagogische directeur van de katholieke onderwijskoepel, Machteld Verhelst, die voorheen bij het Steunpunt NT2 werkte, stemde daar in een reatie volmondig mee in.

    *Op 8 december 2016 relativeerde Orhan Agirdag in DS in sterke mate het belang van kennis Nederlands: “Slecht presteren komt niet door taalachterstand. Wie de kloof in het onderwijs wijt aan taalachtergrond, maakt de ongelijkheid alleen maar groter. In HUMO van 31 januari 2017 repliceerde Van Damme: “De taal speelt wel een grote rol. Ik wordt lichtjes ongemakkelijk als ik mensen hoor pleiten voor meer Arabisch of Turks in het onderwijs, omdat dat betere resultaten zou opleveren. De meeste pedagogen zijn het er toch over eens dat hoe vlugger een kind meertalig wordt, hoe beter het presteert. Dat zou dan gelden voor iedere taal, behalve voor het Nederlands? Zonder een grondige kennis van het Nederlands hypothekeer je je kansen van kinderen die thuis een andere taal spreken.”

    * Dirk Jacobs publiceerde op 8 december in demorgen.be : "Onderwijs is net iets te belangrijk voor vluchtige analyses, leerlingtovenaars of partijpolitieke spelletjes". Hierin ging hij heftig te keer gaat tegen het feit dat de psychologen Wouter Duyck , Wim Van den Broeck geenszins akkoord gaan met zijn PISA-analyse en wezen op de invloed van het onvoldoende beheersen van het Nederlands.

    Van Avermaet: "De suggestie dat men enkel een goeie buur kan zijn wanneer men Nederlands spreekt gaat uit van de veronderstelling dat men Nederlands nodig heeft in die buurt, en dat die buurt normaal gezien eentalig Nederlands is….

    Van Avermaet heeft zich steeds verzet tegen de taaloproepen van de minister Vandenbroucke, Smets en Crevits en tegen de invoering van intensief NT2-taalonderwijs vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs. We citeren even: "
    "In 2006 belijden onze regering en minister Frank Vandenbroucke heviger dan elke voorganger dat er buiten het Nederlands geen heil is, en dat onze samenleving slechts harmonieus kan zijn indien ze eentalig is en zo min mogelijk diversiteit kent. … "
    *Wanneer we stellen dat migranten een ‘taalachterstand’ hebben, of stellen dat ‘een goede kennis van het Nederlands essentieel is voor de sociale kansen van migranten’, dan moet meteen de vraag gesteld worden over welk stuk Nederlands men het heeft. …

    Wanneer een Nigeriaan immigreert in de Gentse Rabotwijk, een buurt waar de autoriteitsfiguren – de lokale middenklasse van handelaars en een opkomende generatie van intelligentsia – overwegend Turks zijn, dan is kennis van het Turks voor die Nigeriaan vaak belangrijker dan kennis van het Nederlands. Zijn huisbaas is immers Turks, en kennis van een beetje Turks kan hem een baantje opleveren in één van de vele Turkse handelszaken in de buurt."

    Eddy Bonte repliceerde: ”De waarheid luidt dat het valse discours van Ico Maly, Jan Blommaert, Piet Van Avermaet e.a. invloedrijke allochtonen er ook toe aanzet de kennis van het Nederlands te contesteren en zo de derde en binnenkort de vierde generatie verder het getto zal induwen”.

    *Taalexperts? Van Avermaert &Van den Branden in 2004 : “Van zodra kinderen van een andere etnische afkomst slechter presteren (b.v. minder goed Ned kennen), is er sprake van systematische kansenongelijkheid en discriminatie. leerpotentieel is immers gelijk verdeeld." Reactie Pprof. Bea Cantillon op een KBS-studiedag '07: “De specifieke taalproblemen worden jammer veelal ontkend of sterk gerelativeerd. Deze waarheid past niet binnen het politiek correcte denken" (van Agirdag, Van Avermaet, Jacobs, Nicaise, Van den Branden ..."

    *Steven Delarue “Vanuit Gents Ond.centrum stimuleren we ouders die thuis geen Nederlands spreken net om enkel hun thuistaal te gebruiken met hun kind" en dus niet ook Nederlands te spreken

    *Orhan Agirdag: poneerde in juni 2013: “Met de pleidooien voor het aanleren van het Nederlands is het voorlopige hoogtepunt van ‘taalracisme’ bereikt: de ongegronde overtuiging dat het gebruik en kennis van ‘witte’ talen superieur zijn aan het gebruik en kennis van ‘zwarte’ talen. In tijden waar het biologisch racisme alle politieke geloofwaardigheid heeft verloren, bedient de uitsluitingspolitiek zich uitvoerig van het taalracisme“, Taalbadmodel van Bart De Wever is diefstal, De Wereld Morgen, 25.06.13)."

    *Agirdag: "Het komt niet zelden voor dat kleuters een plakkertje op hun mond krijgen of dat leerlingen moeten nablijven voor strafstudie wanneer ze ‘betrapt’ worden op het spreken van hun moedertaal."
    Commentaar: Deze uitspraak is van de pot gerukt. In de praktijk reageren de leerkrachten heel begripsvol en mild! Dit bleek onlangs ook nog uit een studie van J. Jaspers in Pedagogische Studiën, 2015, nr. 4. Hij weerlegt in deze bijdrage de straffe beschuldigingen aan het adres van de leerkrachten.

    *Agirdag en Van Houtte stelden in een eigen studie (2014) vast dat de Gentse Turkse ouders verwachten dat hun kinderen op school zoveel mogelijk aangespoord worden om Nederlands (en GEEN Turks) te spreken. Ook Turkse leerkrachten in Gentse scholen verdedigen dit standpunt. Maar Agirdag en Van Houtte leggen de conclusies van de studie naast zich neer en beweren dat de ouders net als de leerkrachten een foute perceptie hebben omdat ze die geïndoctrineerd zijn door de Vlaamse leidende klasse.

    *Ides Nicaise en Co verzetten zich tegen het beleidsplan van het du Vandenbroucke-Van Daam om veel meer aandacht te besteden aan het aanleren van het Nederlands aan allochtone kleuters. "Het talenbeleidsplan ademt volgens hen de verderfelijke ‘assimilatiegedachte’ uit. De jonge allochtonen zijn taalkundig niet gehandicapt, het gaat enkel om achterstelling in de maatschappij en op school (‘De school van de ongelijkheid’, EPO, 2007, p. 153).

    *Op een studiedag van het Minderhedenforum (18.11.03) stelde Hilde De
    Smedt (De Foyer) dat er te veel gefocust werd op het taalprobleem. Spreekster Meyrem Almaci (VUB, Groen) “sprak daarna zelfs over een vorm van ‘taalfetisjisme’ vanuit vele scholen, dat averechts werkt in de emotionele binding met de taal

    In september 2006 publiceerde het ‘Platform onderwijs van het Vlaams Minderhedencentrum’ de brochure ‘Meertaligheid als meerwaarde. Visietekst met be-trekking tot het constructief omgaan met thuistalen in onderwijs en opvoeding’. In deze en in andere publicaties treffen we nooit pleidooien aan voor het aanleren van het Nederlands. We lezen zelfs dat de stelling dat het kennen van het Nederlands een belangrijke factor van het schoolsucces, heel betwistbaar is

    In 2005 organiseerde de Stichting in Gent het colloquium ‘Onderwijs onderweg in de immigratiesamenleving’ en ze publiceerde een gelijknamig boek bij Academia Press (2006). Veel experts inzake deze thematiek namen deel aan het debat: Koen Pelleriaux, Ides Nicaise, Koen Jaspaert, Kaat Delrue (Steunpunt), Mieke Van Houtte…
    De zgn. ‘experts’ geven wel toe dat hun adviezen voor meertalig onderwijs ingaan tegen de gangbare opvattingen. Zo besteden ze geen aandacht aan het wegwerken van de taalachterstand van de allochtone leerlingen, aan het belang van intensere taalstimulering in het kleuteronderwijs… Integendeel. De auteurs bekritiseren de “buitensporig hooggespannen verwachtingen omtrent de rol van taalonderricht in de bestrijding van onderwijsachterstanden.

    28-11-2017 om 15:40 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:NT2, meertalig onderwijs
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Rik Torfs kritisch over GO!-richtlijn over meertalig onderwijs vandaag 28 november in HLN

     Rik Torfs kritisch over GO!-richtlijn over meertalig onderwijs vandaag 28 november in HLN

    “Anderstalige leerlingen mogen hun moedertaal spreken, vindt het gemeenschapsonderwijs. In de klas blijft Nederlands de norm, maar leerlingen krijgen ruimte voor groepswerk in hun eigen klas. (Commentaar: of mogen b.v. Turks spreken in de speelhoeken in het kleuteronderwijs). Experts juichen, voelen zich er betrokken en ontwikkelen een beter zelfbeeld, luidt het. Wie ben ik om deskundigen die zich hun hele leven over dit onderwerp hebben  kapot gestudeerd, tegen te spreken.

    Toch maken we een vreemde evolutie mee. Terwijl tot voor kort integratie en verbondenheid over zowel ethische als sociale tegenstellingen als essentieel golden, primeren nu  de betrokkenheid en het zelfbeeld van de leerlingen. Ze voelen zich beter als er hun eigen taal mogen spreken. Ook als dat leidt tot een wankele kennis van het Nederlands waardoor ook hun kansen op de arbeidsmarkt verminderen? Zeggen dat wie zich beter in zijn vel voelt, vlotter talen leert, is al te simpel. Ik ken Franstalige politici met een positief zelfbeeld zonder dat zulks enige weerslag heeft op hun  beheersing van het Nederlands.

    Er is ook nog iets anders, je ziet zo al voor je de kliekjes die op de speelplaats een gesprek voeren in hun moedertaal. Enigszins spotttend, lichtjes grijzend kijken ze naar een wat verlegen kind dat alleen op de speelplaats staat, geen woord van het gesprek begrijpt, maar voelt dat het bespot wordt, en beschimpt. “Dat kind uitlachen, deden we niet, we spraken over voetbal, spreekt de anderstalige tegen de leraar. Spottende ogen zeggen dat de jongen liegt, maar de leraar staat machteloos. De taal van het grijzende groepje begrijpt hij niet. Ik weet niet of experts ook daaraan denken. Aan de voor anderen onverstaanbare moedertaal  als vrijplaats voor spot en pesten op school. Waar schuchtere, onzekere leerlingen met neergeslagen ogen buigen voor  de taal van de sterkste.

    28-11-2017 om 11:28 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    Tags:meertalig onderwijs
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fins onderwijs geen aards paradijs meer In zijn boek Finnish Lessons pakte Pasi Sahlberg uit met de hoge PISA-score voor Finland. Maar nu die score spectaculair daalde vindt hij dat PISA weinig zegt omtrent de kwaliteit van het Fins onderwijs
    In zijn boek Finnish Lessons pakte Pasi Sahlberg uit met de hoge PISA-score voor Finland. Maar nu die score spectaculair daalde vindt hij dat PISA weinig zegt omtrent de kwaliteit van het Fins onderwijs

    Fins onderwijs geen aards paradijs meer

    In zijn boek “Finnish lessons’ voor de andere landen pakte Pasi Sahlberg uit met de hoge PISA-scores (voor wiskunde wel nog steeds lager dan de Vlaamse!) om uit te pakken met het Fins onderwijs en de grote sociale gelijkheid. Nu de PISA-scores sterk gedaald zijn en ook de SES-correlatie sterk is toegenomen, stelt hij dat PISA-scores al bij al niet zoveel zeggen over de toestand van het onderwijs in Finland.
    Hij relativeerde gisteren ...de grote achteruitgang van Finland voor PISA (met inbegrip van de grote SES-correlaatie) met de stelling dat de PISA-uitslag heel relatief is: “Onderwijs is zoveel meer da PISA-scores. Die achteruitgang en ook de grote SES-correlatie kunnen veroorzaakt zijn door tal van factoren, net zoals de toename van PISA-scores door heel wat factoren kan veroorzaakt zijn. Zo wijst Sahlberg naar de toename van het aantal allochtone leerlingen in Finland. (Dit aantal is nog steeds veel groter in Vlaanderen.) Hij verwijst ook naar de toename van het TV-kijken naar TV en smartphone –gebruik bij jongeren.

    Leraar Greg_Ashman reageert terecht als volgt: In het verleden (in uw boek Finnish Lessons) pakte Shalberg steeds uit met de vele zegeningen van het Fins onderwijs op basis van de hoge PISA-score.

    Nu die score spectaculair gedaald is zegt Sahlberg plots dat dat PISA heel relatief is. En verder stelt Ahsman: : comparing a single country (Finlanf) with its past performance (en vaqstellen dat is far more valid than comparing different countries with different cultures and social contexts. PISA placed Finland in the spotlight and now it's declining. Waarom zouden we nu nog zoveel volgens Sahlberg zoveel van Finland kunnen leren?

    Meer weergeven

    28-11-2017 om 10:18 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Finland
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Taalrelativisten als Piet VanAvermaet & Co vertrekken vanuit een superdiversiteitsideologie die afstand neemt van de integratie-doelen en van het belang van de kennis van het Nederlands hierbij

    Superdiversiteit i.v.p. integratie? Multiculturalisme in het kwadraat? Is/was integratie  als beleidsconcept niet zinvol?

    Situering bijdrage

    In een opiniebijdrage in ‘De Morgen’ (Zijn we in oorlog? Niet in de klassieke zin) schrijft Torfs terecht: “Progressieve geesten waren altijd voor de multiculturele samenleving, zonder veel inhoudelijke verduidelijking.” Hij stelt o.a. “Er is enkel ruimte voor multiculturaliteit binnen de democratische rechtsstaat”.  Een paar jaar geleden pleitten heel wat progressieve geesten voor superdiversiteit, een radicalisering  van multiculturalisme  Volgens propagandisten van de superdiversiteit was het niet langer duidelijk aan welke opvattingen en gebruiken ‘minderheden’ zich zouden moeten aanpassen. Het klassieke integratieproject en zelfs de notie multiculturaliteit zouden voorbijgestreefd zijn.”  Volgens de de superdiversiteit-propagandisten betekent het radicaal opdoeken van het integratie-concept tevens betekent dat de kennis van het Nederlands nog veel minder belangrijk geworden is en zelfs de emancipatie van de allochtone burgers hindert i.p.v. bevordert.


    De superdiversiteitideologie komt o.a. tot uiting in uitspraken als: 

    Ico Maly : “Nederlands leren bij allochtonen is niet emanciperend, maar discriminerend.”

    Van Avermaet “:Men gaat er ten onrechte van uit dat veel immigranten onvoldoende Nederlands kennen om te functioneren in onze samenleving”

    Van Avemaet: We hebben voorbije decennia gezien hoe het naïeve beeld (de ideologie) van het belang van Nederlands zich steeds comfortabeler heeft genesteld in de publieke opinie. " 

    Van Avermaet: Minister Vandenboucke gelooft volgens hem te sterk en te naïef in de taalstimulering als een belangrijke hefboom (Wiens Nederlands? Over taalnaïviteit in het beleid, Sampol, maart 2006). 

    In 2008 poneerde Van Avermaet in zijn verzet tegen de taalplannen van minister Vandenbroucke, dat hij het absoluut NIET eens was met volgende stellingen: *dat migrantenkinderen vanuit hun achtergrond vaak een taalprobleem hebben *en dat dit een negatieve invloed heeft op hun leerprestaties *dat men zonder Nederlands onmogelijk goed kan functioneren; dat kennis van het Nederlands allerhande mogelijkheden opent die er anders niet zouden zijn.” (Taal, Onderwijs en de samenleving, 2008).


    We plaatsten in 2014 op ons facebook en  blog al een bijdrage over superdiversiteit, als reactie op twee recente en radicale pleidooien voor superdiversiteit. Er was vooreerst het pleidooi van de Nederlandse prof. Maurice Crul tegen ‘integratie’ en voor zgn. superdiversiteit (Multiculturalisme is dood, DM, 18 januari 2014.  De Leuvense prof.  Kris Van den Branden, ex-directeur Steunpunt NT2 Leuven en momenteel van het Leuvens ‘Centrum voor taal en onderwijs’,   schaarde zich in zijn blog ‘Over superdiversiteit, onderwijs en erbij horen” van 2 februari 2014 enthousiast achter de superdiversiteitsideologie en tegen het streven naar ‘integratie’. We citeren nog eens onze reactie (februari 2014) op deze twee superdiversiteitspleidooien.

    Onze reactie op superdiversiteit van februari 2014

    “In een aantal recente pleidooien voor superdiversiteit wordt de indruk gewekt dat door de multiculturaliteit de thematiek van de integratie en het belang hierbij van de kennis van het Nederlands niet zo belangrijk meer zijn. De Vlaamse samenleving en schoolbevolking zijn inderdaad in tal van regio’s superdivers geworden. Dit is o.i. geen argument om het belang van d.e kennis van het Nederlands te minimaliseren; integendeel: een gemeenschappelijke taal is nog belangrijker in een superdiverse maatschappij en school. Pleidooien voor superdiversiteit gaan vaak samen met pleidooien voor het relativeren van het belang van integratie en van de kennis van het Nederlands.

    Ook prof. Maurice Crul, pleit in zijn boek ‘Superdiversiteit. Een nieuwe visie op integratie’ voor het radicaal verlaten van de klassieke visie op integratie.’ Dit kwam ook tot uiting in zijn opiniebijdrage in De Morgen van zaterdag 18 januari 2014: j.l.: ‘Multiculturalisme is dood, rechts-populisme is achterhaald.’ Volgens Crul en andere propagandisten van de superdiversiteit is het niet langer duidelijk aan welke opvattingen en gebruiken ‘minderheden’ zich moeten aanpassen. Het klassieke integratieproject zou totaal voorbijgestreefd zijn.

    Kris Van den Branden, ex-directeur Steunpunt NT2 Leuven, schaarde zich in zijn blog ‘Over superdiversiteit, onderwijs en erbij horen” van 2 februari 2014 achter de superdiversiteitsideologie. Hij nam vooreerst afstand van de visie van minister Geert Bourgeois die de integratie en de kennis hierbij van het Nederlands heel belangrijk vindt. Van den Branden is steeds tegenstander geweest van NT2-onderwijs en concludeerde in dezelfde lijn: “Zou het kunnen dat de verdere kwaliteitsverhoging van het Vlaamse onderwijs minder afhangt van didactische spitsvondigheden dan van ons vermogen om elke leerder het gevoel te geven dat hij/zij erbij hoort?” Over NT2 repte hij met geen woord; het zou volstaan dat die leerlingen het gevoel krijgen erbij te mogen horen. Hieruit trekken sommigen de conclusie dat het opdoeken van de integratie-idee ook betekent dat de kennis van het Nederlands veel minder belangrijk geworden is.  Ook de Leuvense prof. Ides Nicaise fulmineerde al in ‘De school van de ongelijkheid’ (2007) tegen “het verderfelijke assimilatiespoor” en tegen NT2.  Van den Branden ontving met zijn Steunpunt NT2-Leuven in de periode 1990-2010  niet minder dan 12,5 miljoen euro ter ondersteuning van de uitbouw van intensief  NT2. Het Leuvens Steunpunt concludeerde al na een paar jaar dat NT2 overbodig was in het basisonderwijs en dat NT2=NT1.

     In het rapport ‘Biedt het concept integratie nog perspectief?’ (december 2013) nam het Nederlands Sociaal en Cultureel Planbureau terecht afstand van het schrappen van het integratie-concept vanwege superdiversiteit-ideologen. Het Planbureau wil niet zomaar het belang van integratie en van de kennis van het Nederlands hierbij laten vallen. We citeren even. “ Dat vanwege superdiversiteit niet langer duidelijk is aan welke opvattingen en gebruiken ‘minderheden’ zich moeten aanpassen, en dat daardoor iedereen zich aan iedereen gaat aanpassen lijkt ons een vreemde voorstelling van zaken. Alsof verschuivende getalsmatige verhoudingen ertoe leiden dat centrale elementen van een cultuur van de ontvangende samenleving als vanzelf en zonder problemen mee gaan schuiven.

     Superdiversiteit strijkt cultuurverschillen niet glad en met superdiversiteit zijn de discussies over de betekenis van verschillende normen niet beslecht. In Europees verband bestaan er tal van activiteiten, zowel beleidsmatig als in het onderzoek, die vertrekken vanuit het concept integratie. Het is belangrijk om hierop te kunnen blijven aansluiten. Integratie als (beleids)concept is nog steeds waardevol. Deze argumenten voor en tegen afwegend zijn wij van mening dat integratie als (beleids-) concept in ere gehouden moet worden. Het integratievraagstuk speelt nog in volle omvang, en dan is het vreemd om dit niet als zodanig te benoemen.” We merken overigens dat prof. Crul wel de superdiversiteit verdedigt, maar zich tegelijk geen tegenstander toont van intensief NT2.

     In een recent debat wees de ruimdenkende filosoof Philippe Van Parijs terecht op het belang van het kennen van de taal van de streek - ook voor de sociale integratie en cohesie: “Sprekers van nieuwe talen met lagere status leren best de taal van de streek waar ze gaan wonen omdat anders de sociale cohesie, de maatschappelijke samenhang onder druk dreigt te komen. Mensen die elkaars taal niet kennen, kunnen moeilijk samen-leven. Het gebrek aan kennis van de lokale taal, werkt ook de sociale mobiliteit van de nieuwkomers tegen, wat leidt tot economische achterstand. Tenslotte is de kennis van het Nederlands noodzakelijk om volwaardig burger te kunnen zijn in Vlaanderen en bijvoorbeeld het politieke en maatschappelijke debat te kunnen volgen, laat staan er aan deel te nemen." (Meer uitvoerig in E-book 1-Google: The linguistic territoriality principle: right violation or parity of esteem?)

     Bijlage 1

    In 2009 manifesteerde de Gentse academicus ICO Maly (momenteel: KifKif)zich als een radicale taalachterstandnegationist.  Docent Eddy Bonte (Hogeschool Gent & later NVAO-medewerker) ergerde zich mateloos aan de sterke relativering van de kennis van het Nederlands, zoals dit o.a. tot uiting kwam in Ico Maly’s boek “De beschavingsmachine. Wij en de Islam” (EPO, 2009) en in standpunten van Jan Blommaert. Een verontwaardigde Eddy Bonte schreef op zijn blog als reactie: “Ico Maly vertelt een wansmakelijk verhaal: Nederlands leren werkt bij allochtonen niet emanciperend, maar discriminerend. Ja, lees het opnieuw: allochtonen die Nederlands kennen hebben geen werktuig van emancipatie maar van discriminatie in handen. Hoe Maly dat bewijst? Simpel: in bepaalde gevallen is kennis van het Nederlands een voorwaarde, bijv. om een sociale woning te kunnen huren. Conclusie van Maly: ‘hier spreekt men Nederlands’ wordt gebruikt om te discrimineren…. Nederlands kennen werkt o.i. wel emanciperend, zoals de kennis van elke taal altijd emanciperend werkt. Natuurlijk kan men de voorwaarde “kennis van het Nederlands” contesteren, zoals men het bezit van papieren als noodzakelijke voorwaarde kan contesteren, maar dat doet niets af aan het feit dat wie Nederlands kent daar in Vlaanderen zijn voordeel mee doet.

    Jammer genoeg wordt deze opinie ook gesteund door een andere Gentse academicus, met name Jan Blommaert, en de groep KifKif, zodat veel zichzelf progressief noemende Vlamingen in deze open val trappen. In de VS twijfelt niemand aan het nut van de Engelse taal: wie niet slaagt voor de taaltest TOEFL, kan het vergeten. In Nederland hoor je het discours van Maly en Blommaert niet, in Frankrijk is het Frans de taal van de République, in Spanje leert elke vreemdeling meteen Spaans.

     ... De waarheid luidt dat het valse discours van Maly en Blommaert invloedrijke allochtonen ertoe zal aanzetten de kennis van het Nederlands te contesteren en zo de derde en binnenkort de vierde generatie verder het getto zal induwen ... De waarheid luidt dat een bepaald soort Vlamingen de allochtonen in deze zelfcastratie steunt, hun slachtofferrol voedt, hun achterstand vergoelijkt (nu met een academisch sausje) en ze paternalistisch behandelt als een bende achterlijke tsjoek-tsjoeks. Daarom noem ik het een wansmakelijk verhaal. No pasaran.”

    Bijlage 2

    Veel politiek correct denkenden, propagandisten van de ‘victimisation’ en pleitbezorgers van superdiversiteit i.p.v. integratie, hebben integratie veelal bestreden - ook kennis van het Nederlands was volgens hen niet belangrijk. Wie pleitte voor kennis van het Nederlands en voor het invoeren van intensief NT2-onderwijs vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs, werd zelfs als taalracist bestempeld.

    Malika Sorel (ex-lid Hoge Raad Migratie Frankrijk) stelt dat precies propagandisten van de ‘victimisatie’ mede-verantwoordelijk zijn voor de 'actes de violences contre la société. “Qui a participé à déresponsabiliser les migrants et leurs descendants et qui a, fait naître puis croître un ressentiment envers la France et les Français - lequel engendre de la souffrance, mais aussi des actes de violences contre notre société..... Le modèle français d'intégration n'a pas échoué, il n'a guère été appliqué : ...Les politiques de diversité, qui rendent plus attrayante la revendication d’appartenance à une communauté étrangère plutôt qu’à la communauté nationale française".

    28-11-2017 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:superdiversiteit
    >> Reageer (0)
    27-11-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Taalrelativist Piet Van Avermaet is mede verantwoordelijk voor taalproblemen van allochtone leerlingen

    Taalrelativist prof. Van Avermaet had het deze morgen weer voor het zeggen in Hautekiet.

    Taalrelativist Piet Van Avermaet is mede verantwoordelijk voor de taalproblemen van allochtone leerlingen, maar heeft het in Vlaanderen al 20 jaar voor het zeggen inzake taalbeleid/taaladvisering, ook deze morgen weer in 'Hautekiet' .

    De maat is vol, maar minister Crevits stelde daarnet in Hautekiet dat ze akkoord ging met de visie van Van Avermaet die nochtans ook haar recente taaloproepen als nonsens bestempelde.

    Ook Dirk Van Damme (OESO-expert) weerlegde daarnet op twitter de visie van Van Avermaet (en van Crevits?)
    Hij poneerde: Visie van Piet Van Avermaet is slechts één stroming in sociolinguïstiek. Onderzoek is duidelijk: bij jonge kinderen is meertaligheid perfect mogelijk en kan moedertaal tot op zekere hoogte helpen bij verwerving onderwijstaal. Maar te tolerant zijn in vervolg schoolloopbaan is nefast. Ambitie voor Nederlands hoog houden!
    Gebruik moedertaal op school kan snel leiden tot segregatie. Onderwijstaal is ook middel om ouders tot leren en gebruik Ndl aan te zetten. Kennis van het Nederlands bij anderstalige gezinnen is in VL te laag." (Ook opvallend lager dan in Nederland)  In Vlaanderen is verschil in PISA score tussen migrantenlln die thuis Ndl spreken en die thuis een andere taal spreken 51 punten, één van de hoogste verschillen. Is het dan aangewezen de moedertaal in de school te brengen, of eerder ambitieus te zijn in het verwerven van Ndl?, aldus nog steeds Van Damme.

    We citeren vooreerst een paar van zijn uitspraken uit 2006

    “We hebben voorbije decennia gezien hoe het naïeve beeld ( de ideologie) van het belang van Nederlands zich steeds comfortabeler heeft genesteld in de publieke opinie. "

    Van Avermaet heeft zich steeds verzet tegen de taaloproepen van de minister Vandenbroucke, Smets en Crevits en tegen de invoering van intensief NT2-taalonderwijs vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs. We citeren even:

    Van Avermaet: "De suggestie dat men enkel een goeie buur kan zijn wanneer men Nederlands spreekt gaat uit van de veronderstelling dat men Nederlands nodig heeft in die buurt, en dat die buurt normaal gezien eentalig Nederlands is….

    In 2006 belijden onze regering en minister Frank Vandenbroucke heviger dan elke voorganger dat er buiten het Nederlands geen heil is, en dat onze samenleving slechts harmonieus kan zijn indien ze eentalig is en zo min mogelijk diversiteit kent. …

    *Wanneer we stellen dat migranten een ‘taalachterstand’ hebben, of stellen dat ‘een goede kennis van het Nederlands essentieel is voor de sociale kansen van migranten’, dan moet meteen de vraag gesteld worden over welk stuk Nederlands men het heeft. …
    Wanneer een Nigeriaan immigreert in de Gentse Rabotwijk, een buurt waar de autoriteitsfiguren – de lokale middenklasse van handelaars en een opkomende generatie van intelligentsia – overwegend Turks zijn, dan is kennis van het Turks voor die Nigeriaan vaak belangrijker dan kennis van het Nederlands. Zijn huisbaas is immers Turks, en kennis van een beetje Turks kan hem een baantje opleveren in één van de vele Turkse handelszaken in de buurt."
    Eddy Bonte repliceerde: ”De waarheid luidt dat het valse discours van Ico Maly, Jan Blommaert, Piet Van Avermaet e.a. invloedrijke allochtonen er ook toe aanzet de kennis van het Nederlands te contesteren en zo de derde en binnenkort de vierde generatie verder het getto zal induwen”.

    Is het normaal dat een taalrelativist als Van Avermaet  die medeverantwoordelijk is voor de taalproblemen van allochtone leerlingen al 25 jaar door de overheid dik betaald wordt als  GOK-Steunpunt Diversiteit en als leider van alle mogelijke studies over de taalproblematiek.  

    Daarnet in Hautekiet beweerde Van Avermaet nog dat b.v. kinderen die thuis enkel b.v. Turks spreken ook nog de kans moeten krijgen om Turks te leren/spreken op school. Volgens een recent onderzoek hebben Vlaamse kleuters al voor de start van de kleuterschool een 4 miljoen woorden beluisterd. Ze kregen ook enorm veel kans om Nederlands te spreken - vaak ook in een 1-1-relatie. En ze krijgen ook achteraf nog veel kans.

    Allochtone kleuters die nog geen Nederlands kennen hebben dus een enorme achterstand. Het aantal uurtjes per week dat zo'n allochtone kleuter de kans krijgt om daadwerkelijk Nederlands te spreken en te oefenen is al bij al heel beperkt en veel beperkter dan de kansen die zo'n kind thuis, op straat, in de islam-school tijdens het weekend ... krijgt om zijn eigen moedertaal verder te oefenen. Als zo'n kleuter tijdens de groepswerkjes, in de kleuterspeelhoeken ook nog gestimuleerd wordt om Turks te spreken, dan blijven er nog weinig oefenkansen over. Die Turkse leerlingen zullen in de Gentse scholen b.v. ook geneigd zijn om samen met Turkse samen te werken/spelen. Uit een studie van Agirdag en Van Houtte bleek overigens dat vooral ook de Turkse ouders in Gentse scholen het heel belangrijk vinden dat hun kinderen in de klas, maar ook buiten de klas gestimuleerd worden om Nederlands te spreken. Maar ook die studie verzweeg Van Avermaet.

    De drie GOK-steunpunten bestreden samen de invoering van NT2-onderwijs. Het is dan ook niet verwonderlijk dat telkens opnieuw blijkt dat veel allochtoen leerlingen grote taalproblemen hebben. De 3 GOK-Steunpunten proclameerden samen in 2004 nog, dat er geen verschil was tussen de NT2-en de NT1-aanpak, dat expliciet onderwijs van woordenschat e.d. niet rendeerde, dat een specifieke aanpak van NT2-leerlingen niet deugde. Het Steunpunt NT2-Leuven van Kris Van den Branden liet later zelfs de term NT2 in zijn naam vallen en werd ‘Centrum voor taalonderwijs‘ (CTO). Je kunt o.i. NT2-leerlingen geen taalprogramma bieden alsof het Nederlandssprekende kinderen zijn. Vlaamse leerlingen kennen al duizenden woorden bij de start van de kleuterschool. De beginsituatie is totaal anders. En het aantal uren dat een anderstalig kind tijdens een schoolweek effectief Nederlands kan spreken en oefenen is vrij beperkt.

    In de visietekst van de GOK-Steunpunten van Van Avermaet, Van den Branden en Laevers werd het weigeren van de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuter als volgt vergoelijkt: “Met het verschijnen van de eindtermen beschikte het basisonderwijs over minimumdoelstellingen die ze met alle leerlingen, ongeacht hun etnische of socio-economische afkomst, moesten halen. Aangezien (a) die doelstellingen voor allochtonen en autochtonen dezelfde waren, (b) allochtonen en autochtonen mekaar konden ondersteunen bij het verwerven van die minimaal vereiste schoolse taalvaardigheid, en er (c) ook geen fundamenteel onderscheid viel op te maken tussen de manier waarop allochtonen taal verwerven en autochtonen dat doen, leek het onderscheid tussen NT1 en NT2 irrelevant en maakten de beide afkortingen in de loop der jaren ‘90 ook in de omzendbrieven van OVB en ZVB, plaats voor een andere, overkoepelende afkorting: TVO: Taalvaardigheidsonderwijs” (Breder, beter en met meer kleur. Een terugblik en suggesties voor de toekomst, 2004).

    Op het Lerarenforum getuigde onderwijzeres Dominike Vanbesien: “Ik woon en werk in Brussel. Ik vind het hemeltergend hoe er alsmaar gedaan wordt alsof anderstalige kinderen helemaal vanzelf een nieuwe taal leren. Bovendien is het voor een gewone juf of meester niet te doen om, naast al het andere wat in de klas moet gebeuren, ook nog eens iemand een taal aan te leren”.

    Referenties
    Referenties:
    Van Avermaet: Wiens taal men spreekt (2006)
    Piet Van Avermaet en Jan Blomaaert: Taalonderwijs en de samenleving. De kloof tussen beleid en realiteit (EPO, 2008)

    GOK-Steunpunten: Breder, beter en met meer kleur. Een terugblik en suggesties voor de toekomst, 2004).
    --------

    Bijlage: Een kort overzicht van de negatie van het belang van de kennis van het Nederlands en van de bestrijding van de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs

    1.Koen Jaspaert, de eerste directeur van het Steunpunt NT2 stelde in 2014 nog: ‘Het probleem van het Nederlands spreken wordt aangepraat als een probleem’. Ook de huidige pedagogische directeur van de katholieke onderwijskoepel die voorheen bij het Steunpunt NT2 werkte, stemde daar volmondig mee in.
    Als eerste directeur van het Steunpunt NT2-Leuven poneerde Jaspaert al in 1995 dat hij tegenstander was van de invoering van NT2-taalonderwijs vanaf de kleuterschool. Ook als directeur Taalunie verkondigde hij dit standpunt.
    Het Steunpunt NT2 kreeg gedurende 20 jaar (1990-2010) per jaar een 25 miljoen BFR om al heel vroeg te poneren dat NT2 (vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs) totaal overbodig was. Prof. Kris Van den Branden en het Steunpunt misbruikten de vele centen om hun nefaste taakgerichte en constructivistische visie op het taalonderwijs te propageren.

    2.Prof. Ides Nicaise (HIVA) poneerde in 2007: “De jonge allochtone leerlingen zijn taalkundig niet gehandicapt; het gaat enkel om achterstelling in de maatschappij en op school.” NT2 is gebaseerd “op het deficit-model, op de theorie van de ‘socioculturele handicap’ (De School van de Ongelijkheid).

    3. Volgens Ico Maly (UGent; KifKif) werd “hier spreekt men Nederlands’ gebruikt om te discrimineren”. Volgens hem en veel taalachterstandsnegationisten werkt het “Nederlands leren bij allochtonen niet emanciperend, maar discriminerend.” Dergelijke uitspraken lokten terecht veel verontwaardiging uit bij leerkrachten en bij veel burgers.

    Eddy Bonte repliceerde: ”De waarheid luidt dat het valse discours van Ico Maly, Jan Blommaert e.a. invloedrijke allochtonen er ook toe aanzet de kennis van het Nederlands te contesteren en zo de derde en binnenkort de vierde generatie verder het getto zal induwen”.

    4..Volgens de Gentse socioloog Orhan Agirdag was met de pleidooien voor het aanleren van Nederlands “het voorlopige hoogtepunt van ‘taalracisme’ bereikt: de ongegronde overtuiging dat het gebruik en kennis van ‘witte’ talen superieur zijn aan het gebruik en kennis van ‘zwarte’ talen. In tijden waar het biologisch racisme alle politieke geloofwaardigheid heeft verloren, bedient de uitsluitingspolitiek zich uitvoerig van het taalracisme“, Taalbadmodel van Bart De Wever is diefstal, De Wereld Morgen, 25.06.13).
    Voorstanders van NT2 - ook Onderwijskrant - worden door Agirdag bestempeld als mensen die allochtonen willen uitsluiten, als ’taalracisten’.

    5..Op initiatief van Agirdag verspreidden niet minder dan 21 universitaire taalachterstandsnegationisten verspreidden in 2009 een petitie met als titel: Gok Van Pascal: mythes over taalachterstand en onderwijs’ (DM, 30.10. 09). De ondertekenaars - sociologen van UGent, HIVA-Leuven en UA, medewerkers van GOK-steunpunten, neerlandici ... gingen niet akkoord met de stelling dat veel anderstalige leerlingen een grote taalachterstand hebben en onder meer omwille hiervan opvallend minder presteren. Ook zij herleiden de problemen tot sociale discriminatie en bestreden acties voor ’meer Nederlands’.

    6..De directeurs van de drie GOK-steunpunten (Kris Van den Branden, Piet Van Avermaet & Ferre Laevers) ontkenden resoluut de specifieke taal- en leerproblemen bij heel wat allochtone leerlingen. Volgens hen was NT2 perfect overbodig. NT2=NT1.
    In een gezamenlijke publicatie van 2004 luidde het zo: “Van zodra kinderen van een andere etnische afkomst slechter presteren (b.v. minder goed Nederlands kennen), is er sprake van systematische kansenongelijkheid en discriminatie. Het leerpotentieel en de bereidheid leerinspanningen te leveren zijn immers gelijk verdeeld over de verschillende volkeren en bevolkingslagen” (Steunpunt GOK, ‘Beter, breder en met meer kleur, 2004).

    Het was dan ook niet verwonderlijk dat de drie Steunpunten Zorgverbreding/GOK geen effectief voorrangs- en achterstandsonderwijs uitwerkten en de invoering van NT2 tegenwerkten.
    En in het handboek taal (Acco) voor de lerarenopleiding (2010) stelden Kris Van den Branden en Co dat er in dit handboek met opzet geen aandacht werd besteed aan de vakdidactiek/methodiek voor NT2, omdat daar niets specifieks over te vertellen viel. Gewoon taalonderwijs samen met de andere leerlingen was voldoende.

    Prof. Bea Cantillon stelde op een KBS-studiedag (2007) dat “het herleiden van de problemen van de allochtone leerlingen tot ”sociaaleconomische discriminatie een heel grote vergissing is. De problemen zijn ook cultureel, religieus, levensbeschouwelijk. Verder zijn er ook de taalproblemen. Kleuters beginnen al met een grote achterstand. De leerproblemen hebben verder ook te maken met het feit dat de ouders niet geïntegreerd zijn of zich niet laten integreren. Zij vormen een gesloten gemeenschap.”

    Deze specifieke problemen worden jammer veelal ontkend of sterk gerelativeerd. Deze waarheid past niet binnen het politiek correcte denken over de multiculturele samenleving en over gelijke kansen. Politica Zuhal Demir (Turkse roots) betreurde in Knack van 22 januari 2015: “Vandaag zijn er allochtone leerlingen van de derde generatie die slecht Nederlands spreken, dat kunnen we niet dulden.” Ze voegde er aan toe: “Ik geloof sterk in het belang van inburgering.”

    27-11-2017 om 16:48 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    Tags:NT2, Van Avermaet
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 15/09-21/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 11/08-17/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!