Inhoud blog
  • Minister Frank Vandenbroucke (Sp.a) nam Onderwijskrantinterview van januari 2006 afstand van de egalitaire onderwijsideologie van veel Vlaamse onderwijssociologen en Sp.a-kopstukken
  • Leraar Johan De Donder over stemmingmakerij tegen het onderwijs in de UNIA-studie over attestering & Rarf Feys over de nefaste gevolgen van vele stemmingmakerij van de voorbije decennia
  • Toevallig internet-debatje tussen Raf Feys (ex-lerarenopleider) en Koen Smets (lerarenopleider) over evidence-based onderwijs en belang van strikt wetenschappelijk onderzoek
  • Nefaste invloed van egalitaire en cultuurrelativistische Bourdieu-sociologen/pedagogen op het bevorderen van ontwikkelingskansen van (kansarmere) leerlingen
  • Over belang van (belaagde) vakdisciplines voor het onderwijs
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Onderwijskrant Vlaanderen
    Vernieuwen: ja, maar in continuïteit!
    03-01-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Opstellers Leuvvense zittenblijversstudies erkennen( te laat) dat ze zich vergist hebben

    Opstellers Leuvense zittenblijversstudies erkennen  dat ze zich vergaloppeerd en vergist hebben:  rechtzetting en schuldbekentenis te laat,  te partieel en geruisloos

    (Bijdrage in Onderwijskrant nr. 171)

     Woord Vooraf

    In de overzichtsstudie van de Leuvense onderzoekers over zittenblijven  ( Goos et al. ) werd gerapporteerd dat van de 7000 verzamelde studies, slechts 37  methodologisch voldoende betrouwbaar geacht werden om mee te nemen in hun review. Dat is dus amper 0,5 % van de onderzoeken. De Leuvenaars beweerden wel dat hun eigen onderzoek over b.v. zittenblijven in het eerste leerjaar lager onderwijs vrij solied en betrouwbaar was. Het behoort volgens hen dus tot die 0,5% degelijke studies.

    We hebben echter in een aparte en vorige bijdrage over die studie uitvoerig aangetoond dat dit  Leuvens onderzoek enorm veel methodologische fouten en andere mankementen vertoont en ook voorbarige en foutieve conclusies trekt.  Zo hadden de onderzoekers zelfs verzwegen dat ze zich niet hadden ingelaten met de duidelijke gevallen van zittenblijven, maar enkel met de twijfelgevallen – en toch trokken ze conclusies over zittenblijven in het algemeen. Dit lijkt op wetenschappelijk bedrog en betekent ook dat de bevindingen uit deze studie heel dubieus zijn. Ook de vergelijking met zittenblijven in Zweden en Finland liep totaal mank. De late bekentenis en rechtzetting dat “vanuit de Leuvense onderzoeksresultaten dan ook weinig concrete adviezen geformuleerd kunnen worden voor de praktijk”  betekent dus ook dat de Leuvenaars dit ten onrechte wel deden in hun publicaties van 2011 en 2012,  ten onrechte pleitten voor het zomaar afschaffen/verbieden van het zittenblijven.  

    Het voorbije jaar hebben de Leuvense onderzoekers (Bieke De Fraine, Jan Van Damme, Goos en Co) wel toegegeven dat ze zich op tal van vlakken vergaloppeerd hadden.  In deze bijdrage bekijken we hun recente rechtzettingen en schuldbekentenis. Jammer genoeg komen die rechtzettingen te laat en te geruisloos.  Het kwaad is al geschied en vrijwel niemand zal die rechtzetting in b.v. het tijdschrift ‘Pedagogische Studiën’ onder ogen krijgen. Dit betekent dat de verschillende kwakkels die de Leuvenaars over zittenblijven de voorbije jaren verspreid hebben, gewoon verder doorverteld zullen worden. Met deze bijdrage doen we toch een poging om de rechtzetting en schuldbekentenis van de Leuvense onderzoekers breder bekend te maken.      

      1        Inleiding: ‘we hebben ons in 2011/2012 vergaloppeerd’

    In 2011 publiceerden de Leuvense onderzoekers Jan Van Damme, M. Goos,  P. Onghena, K. Petry, K., & J. de Bilde een studie over zittenblijven in het eerste leerjaar waarin het zittenblijven radicaal in vraag werd gesteld en waaruit veralgemenend geconcludeerd werd dat zittenblijven in hét lager onderwijs frequent voorkomt (Zittenblijven in het eerste leerjaar: zinvol of niet?). In 2012 verscheen dan de Leuvense OBPWO-studie 'Zittenblijven in vraag gesteld. Een verkennende studie naar nieuwe praktijken voor Vlaanderen vanuit internationaal perspectief'. Dit rapport is opgesteld in opdracht van het departement Onderwijs door de Leuvense prof. prof. Bieke De Fraine en drie HIVA-medewerkers: G. Juchtmans, G., M. Goos, & A. Vandenbroucke. De OBPWO-opstellers beweerden begin 2012 dat uit tal van wetenschappelijke studies gebleken zou zijn dat zittenblijven zinloos is en dat die zittenblijvers uiteindelijk meer vorderingen zouden gemaakt hebben indien ze wel zouden overgegaan zijn. Zittenblijven zou daarnaast ook nadelig voor het zelfvertrouwen en welbevinden van de leerlingen en zou tot meer schooluitval leiden.

     

    Vanaf eind 2013 stelden we vast we dat de Leuvense onderzoekers erkenden dat ze zich in de rapporten van 2011 en 2012 vergaloppeerd hadden. Zo probeerde Bieke De Fraine In haar brief-reactie op de publicatie van prof. Van den Broeck via de truc van partiële toegevingen toch nog het Leuvens onderzoek overeind te houden (zie punt 2). De Fraine gaf nu zelfs grif  toe: “In ons OBPWO-rapport van 2012 staat inderdaad de aanbeveling om het zittenblijven in het basisonderwijs af te schaffen. Die drastische aanbeveling zou ik vandaag - met wat we nu weten- niet meer doen.“ 

     

    Niet enkel in deze brief van Bieke De Fraine, maar ook nog in twee andere publicaties bekenden de Leuvenaars (pedagogen en sociologen) dat ze zich in hun rapporten vergaloppeerd hadden: in Pedagogische Studiën’ van eind 2013 en in Caleidoscoop van augustus 2014. Een andere belangrijke schuldbekentenis in Pedagogische Studiën luidt: “Het is niet correct om uitsluitend op basis van de bevinding dat gemiddeld genomen zittenblijvers beter zouden presteren moesten ze toch zijn overgegaan, te besluiten dat zittenblijven een slechte onderwijspraktijk is.”  Straks bekijken we de rechtzettingen in de drie gesignaleerde publicaties.

     

    We zijn uiteraard tevreden over deze rechtzettingen en schuldbekentenissen, maar stellen tegelijk vast dat de Leuvenaars toch nog veel kritieken naast zich neerleggen en liever doodzwijgen (zie punt 4.1). Die rechtzettingen komen ook te laat. En het gaat ook niet om een publieke schuldbekentenis, maar om uitspraken in b.v. een wetenschappelijk tijdschrift als Pedagogische Studiën  dat door heel weinigen gelezen wordt. De in de publicaties van 2011 en 2012 verspreide kwakkels zullen wellicht nog decennia lang doorwerken.  zoals ook nog steeds het geval is met de grote kwakkel in een rapport van 1991,Het educatief bestel van België, waarin de kwakkel verspreid werd dat er 9% zittenblijvers waren in het eerste jaar s.o. (i.p.v. 3,3%) - met medeweten van prof.. Jan Van Damme en Georges Monard –

     

    2          Bekentenissen van De Fraine in november 2013

     

    2.1       Enkel twijfelgevallen onderzocht, dus foute conclusies

     

    In een brief eind november 2013 als reactie op de kritiek van Wim Van den Broeck gaf prof. Bieke De Fraine toe dat de Leuvense onderzoekers zich in de rapporten van 2011 en 2012 her en der vergaloppeerd hadden. Een belangrijke bekentenis luidde: “In ons OBPWO-rapport staat inderdaad de aanbeveling om het zittenblijven in het basisonderwijs af te schaffen. Die drastische aanbeveling zou ik vandaag - met wat we nu weten- niet meer doen.” 

     

    In die brief maakte De Fraine ook plots bekend dat niet alle zwakke presteerders, maar enkel de twijfelgevallen opgenomen werden in het onderzoek: “Het  onderzoek naar de effecten van  zittenblijven betreft enkel die kinderen die mogelijke ‘twijfelgevallen’ zijn. Anders gezegd:  we weten niet wat de gevolgen zouden zijn van overgaan voor zéér zwak presterende kinderen.”  Als (drog)reden voor de beperking tot de ‘twijfelgevallen’ lazen we achteraf in Pedagogische Studiën (o.c.): “Voor kinderen met een hogere kans op vertraging konden geen tegenhangers gevonden worden.” Dit komt natuurlijk omdat de duidelijke gevallen meestal overzitten. Dit betekent dus dat de conclusies niet opgaan aangezien men enkel twijfelgevallen vergeleek. Het is nogal evident dat bij leerlingen met een hogere kans op vertraging de effecten van doubleren positiever uitvallen dan bij twijfelgevallen. In de bijdrage over zittenblijven in het eerste leerjaar vermelden we een aantal van die studies.

    Ook prof. Van den Broeck uitte na de bekentenis van De Fraine zijn grote verontwaardiging over het feit dat de onderzoekers in hun rapport van 2011 en in hun commentaren de beperking tot de twijfelgevallen verzwegen. Van den Broeck stelde: Dus deze belangrijke rechtzetting dat jullie onderzoek slechts betrekking had op een deelpopulatie van de zittenblijvers en dus a fortiori niet op de groep waarbij het schoolteam nauwelijks twijfels had over het advies, was nergens te lezen in het OBPWO-rapport, noch in jullie studie over zittenblijven in het eerste leerjaar. Ik begrijp dat methodologisch wel (anders kon je al helemaal geen vergelijkingsgroep samenstellen), maar m.i. hebben jullie nu wel wat uit te leggen aan scholen, directies en leerkrachten.”

     

    2.2    Methodologische problemen en fouten  erkend

     

    De Fraine wees verder ook op een paar methodologische problemen bij het onderzoek van het zittenblijven.  Ze concludeerde dat zittenblijven verder onderzocht moest worden om meer gewettigde uitspraken te kunnen doen: “Ik ben vooral geïnteresseerd in de lange-termijn-effecten van zittenblijven (bijvoorbeeld op voortijdig schoolverlaten), maar daarvoor moeten we de loopbanen van leerlingen verschillende jaren kunnen opvolgen.” In het OBPOW-rapport stelden De Fraine en Co wel dat de de schooluitval in vergelijkingsland Zweden in 2010 kleiner was dan in België. Hiermee suggereerden ze ten onrechte dat het zittenblijven ook in Vlaanderen tot meer schooluitval leidde. 

     

    Men moet inderdaad vooral de langetermijn-effecten nagaan, maar hier stelt zich volgens De Fraine  nog een ander methodologisch probleem. Zij stelt: “Die lange termijn effecten zijn echter zeer moeilijk te onderzoeken omdat heel wat factoren die na het al dan niet zittenblijven optreden ook de lange termijn uitkomsten bepalen (zoals extra begeleiding op schools of buitenschools, verdere loopbaankenmerken zoals studiekeuze, ….).”  Ook op korte termijn speelt uiteraard de al dan niet extra begeleiding mee, maar daar hielden ook De Fraine en Co in hun eigen onderzoek geen rekening mee. Leerkrachten, CLB-adviseurs en ouders houden hier bij het adviseren van  ‘twijfelgevallen’ wel rekening mee. Zo zal men een twijfelgeval in het eerste leerjaar, vlugger adviseren over te gaan als men weet dat die leerling zal kunnen rekenen op buitenschoolse begeleiding/ondersteuning.

    In de bijdrage over zittenblijven in het eerste leerjaar wezen we nog op tal van andere methodische problemen/fouten in het Leuvens onderzoek die de Fraine in haar reactie niet erkende.

    3   Bekentenissen in Pedagogische Studiën eind 2013

    In een themanummer over zittenblijven van Pedagogische Studiën nr. 5 van eind 2013 bleek eveneens dat De Fraine en co hun uitspraken over zittenblijven in sterke mate relativeerden. Ze  erkenden dat ze in de rapporten van 2011 en 2012 te voortvarende conclusies geformuleerd hadden. In de bijdrage: Effect van zittenblijven in 3de kleuterklas op de wiskunde-groei” concluderen Bieke De Fraine, Jan Van Damme, M. Vandecandelare, G. Van Laer & M. Goos: “ “Het is niet correct om uitsluitend op basis van de bevinding dat gemiddeld genomen zittenblijvers beter zouden presteren moesten ze toch zijn overgegaan (naar b.v. het eerste leerjaar), te besluiten dat zittenblijven een slechte onderwijspraktijk is.”  De Leuvenaars bekennen verder: “Vanuit de onderzoeksresultaten kunnen dan ook weinig concrete adviezen geformuleerd worden voor de praktijk. De beslissing omtrent b.v. het al dan niet overdoen van de 3de kleuterklas moet voor elk kind een weloverwogen, doordachte beslissing zijn. Zo’n beslissing is erg complex.“  Die conclusies gelden evenzeer voor hun studie over het zittenblijven in het eerste leerjaar.  Dit zijn precies twee flagrante fouten die de Leuvenaars maakten in hun drastische uitspraken in hun studies van 2011 & 2012. In hun studie over het zittenblijven in het eerste leerjaar gingen ze nog een stap verder. Uit de vaststelling dat ‘twijfelgevallen’ die wel waren overgegaan beter presteerden, concludeerden ze zelfs dat  zittenblijven ‘in het algemeen’ (ook voor de duidelijke gevallen) zinloos was.   

    In ‘Pedagogische Studiën’ erkennen De Fraine en Co  ook methodologische fouten in hun onderzoek. Zij wijzen op een methodologisch probleem bij het samenstellen van  vergelijkingsgroepen: Hoewel zittenblijvers in de controlegroep gemiddeld gelijk scoorden voor wiskunde in de derde kleuterklas, werden in deze studie wel (andere) verschillen gevonden tussen leerlingen die normaal vorderden en andere loopbaangroepen (als zittenblijvers).  Aangezien de loopbaangroepen niet equivalent zijn voor wat betreft kenmerken die zittenblijven voorafgaan, kunnen er geen causale uitspraken worden gedaan over het verband tussen het deel uitmaken van specifieke loopbaangroepen en de wiskunde-groei.” Hiermee gaan de Leuvenaars dus akkoord met een van onze belangrijke kritieken i.v.m. de onvergelijkbaarheid van de twee vergelijkingsgroepen.

    Ze verwoorden dit methodologische probleem ook zo: “Leerlingen met dezelfde achtergrondkenmerken kunnen toch van elkaar verschillen wat betreft de verdere schoolloopbaan na het blijven zitten. Ook zijn er leerlingen die dezelfde achtergrondkenmerken hebben als de leerlingen die zijn blijven zitten, maar die verder de gehele schoolloopbaan normaal vorderen. Dit wijst op een verschil waar tot op heden nog onvoldoende zicht op is. Ook interactie-effecten van leerling-kenmerken en omgevingsinvloeden van leerlingen zijn nog onvoldoende bekend.”  Deze uitspraken betekenen ook dat dat de Leuvenaars in hun onderzoeken van 2011/2012 ten onrechte proclameerden dat de vergelijkingsgroepen wel gelijkwaardig waren, dat de gevonden verbanden ook causaal waren – enkel veroorzaakt waren door het al dan niet overgaan, enzovoort.

    De conclusie dat “vanuit de onderzoeksresultaten dan ook weinig concrete adviezen geformuleerd kunnen worden voor de praktijk”  betekent dus ook dat de Leuvenaars dit ten onrechte wel deden in hun publicaties van 2011 en 2012. 

    3          Bekentenissen in Caleidoscoop van augustus 2014

    Ook in een recentere bijdrage in ‘Caleidoscoop’ van augustus 2014 krabbelden de Leuvense onderzoekers terug. We citeren even enkele passages.

     Deze studie (= recentere studie over zittenblijven in het derde jaar kleuteronderwijs) relativeert  ons vroeger onderzoek in die zin dat zittenblijven niet als een eenduidig goede of slechte maatregel gezien kan worden.  … Onze (recentere) bevindingen  geven aan dat zittenblijven in de derde kleuterklas doorgaans wel een goed idee is voor kinderen waarbij men zeer grote twijfels heeft of ze het eerste leerjaar wel zullen aankunnen.”(NvdR: dit geldt o.i. nog in sterkere mate i.v.m. zittenblijven in het eerste leerjaar – ook al kwamen De Fraine, Van Damme en co in een eerder onderzoek dienaangaande tot de voorbarige conclusie dat zittenblijven niet zinvol was in het lager onderwijs.)

    De Fraine, Van Damme en co schrijven verder: “Of een kind al dan niet baat heeft hangt af van zittenblijven zal steeds afhangen van meerdere factoren. Overleg met de diverse betrokkenen (ouders, leraren, zorgleerkracht en CLB) is volgens ons de beste garantie op een doordacht en weloverwogen advies.” (NvdR: dit is wat ook steeds gebeurt!)... “Deze (nieuwe) studie illustreert tevens dat het eenvoudigweg afschaffen of verbieden van het zittenblijven hoogstwaarschijnlijk geen zinvolle maatregel is.”

    De voorzichtige conclusies in de  bijdrage in Caleidoscoop van augustus 2014 zullen wel mede beïnvloed zijn door de scherpe kritiek die wijzelf en prof. Van den Broeck formuleerden op hun rapporten van 2011 en 2012.  Indien de onderzoekers van de KULeuven en van het Hiva ook iets meer waardering  getoond zouden hebben voor de ervaringskennis van de leerkrachten en scholen, dan zouden ze zich in 2011 en 2012 niet zo sterk vergaloppeerd hebben.  De onderzoekers zijn duidelijk ook te weinig bekend met de dagelijkse praktijk van het onderwijs.

    4          Partiële en te late schuldbekentenis 

    4.1  Slechts partiële erkenning van fouten en voorbarige conclusies

    De schuldbekentenis in de drie publicaties van het voorbije jaar, betekent echter niet dat  de auteurs de meeste kritieken op hun studies openlijk als terechte kritieken erkennen. De Leuvenaars erkennen maar een beperkt deel van hun voorbarige uitspraken en kwakkels. Een paar voorbeelden. In de eerste bijdrage in dit nummer stonden we b.v. lang stil bij het gesjoemel met cijfers over zittenblijven, schooluitval ... in Vlaanderen en met de vergelijking met Zweden.  In de bijdrage over zittenblijven in het eerste leerjaar formuleerden  we ook nog tal van kritieken die de Leuvenaars over het hoofd zagen en blijkbaar ook niet openlijk willen erkennen en rechtzetten.

    De Leuvenaars reageren ook niet op de kritiek dat de door hen voorgestelde alternatieven voor zittenblijven vrij utopisch klinken en een totale breuk met de klassieke schoolgrammatica betekenen. Ze zouden veel meer negatieve dan positieve resultaten opleveren. Het gaat dus om een vrij partiële schuldbekentenis.

    4.2   Kwakkels kunnen niet meer weggewerkt worden

    De Leuvense onderzoekers bekenden het voorbije jaar wel dat ze zich in de studies van 2011 en 2012 vergaloppeerd hadden, maar het kwaad was intussen al geschiedt. Een relativering van hun uitspraken in een select wetenschappelijk tijdschrift als Pedagogische Studiën dat niet door beleidsverantwoordelijken, leraars, burgers ... gelezen wordt, kan de verdere verspreiding van hun zittenblijverskwakkels niet meer tegenhouden. De terloopse bekentenissen zullen de directies,  leerkrachten, ouders, burgers, beleidsverantwoordelijken ... wel niet bereiken. Ook in Klasse en in de pers werd aan die rechtzettingen geen aandacht besteed. De onderzoekers zelf verkiezen het publiekelijk toedekken van hun fouten en misleidende adviezen. Ze zijn blijkbaar precies niet van plan om hun studie niet verder te verspreiden.

     

    Ook met onze kritische analyses en deze van prof. Wim van den Broeck zullen er niet in slagen om de door de Leuvense studies verspreide kwakkels de kop in te drukken. Die kwakkels zijn inmiddels quasi onuitroeibare standaardopvattingen geworden.  Zo zijn we er na 23 jaar ook nooit in geslaagd om de fameuze  zittenblijverskwakkels van 1991 in het rapport ‘Het educatief bestel in België’ en in een Unesco-rapport recht te zetten. In 1991 waren er in het eerste jaar s.o. een dikke 3% zittenblijvers, maar in het ‘Educatief bestel...” lazen we dat er 9% waren en dat dus de eerste graad s.o. de probleemcyclus was  en dat de leraars-regenten dus gebrekkig waren opgeleid en hun opdracht niet aankonden. De eerste graad en het zittenblijven werden in het rapport bestempeld als de kankerplek van het Vlaams onderwijs. En die kwakkel doet ook op vandaag nog de ronde. De verantwoordelijken voor die kwakkel, de topambtenaren die de statistiek hadden opgesteld en prof. Jan Van Damme die het rapport over zittenblijven onderschreef, hebben zich nooit ingespannen om die kwakkel weer uit de wereld te helpen. Van Damme stelde bij een eigen telling in 1994 wel vast dat er slechts 3,3% zittenblijvers waren in het eerste jaar, maar de vaststelling bereikte het onderwijsveld en het grote publiek niet.

     

    Volgens de Vlaamse commentaren van september 1991 bij Unesco-rapport waren er in andere Europese landen bijna geen zittenblijvers in het lager onderwijs, maar in Vlaanderen waren er 5 à 6 maal meer. Pas een paar jaar later achterhaalden we dat onze topambtenaren het aantal leervertraagde zesde-klassers vergaten te delen door 6- het aantal klassen. 

    De Leuvense rapporten van 2011 en 2012 hebben ertoe bijgedragen dat de kwakkels over zittenblijven van 1991 nog meer standaardopvattingen zijn geworden. En ook in de context van het rapport van 1991 pakte de toenmalige DVO-directeur Roger Standaert al uit met de fabuleuze berekening van de zittenblijvers-kostprijs van 6 miljard BFr jaarlijks. In een recente berekening van de kostprijs voor de Belgische Staatskas noteerden we zelfs een bedrag van 2 miljard euro jaarlijks: naast de kostprijs voor de studies had men ook het verlies van een jaar loon e.d. verrekend. Dat de leerlingen in landen als Finland, Zweden ... met officieel weinig zittenblijvers veelal gemiddeld toch ouder zijn als ze het secundair en hoger onderwijs verlaten, zag men wel over het hoofd.   


    03-01-2015 om 11:48 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:Zittenblijven, Leuvense studies zittenblijven, De Fraine Bieke, Jan Van Damme, Goos
    >> Reageer (0)
    02-01-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Gesjoemel en misleiding in Leuvense studie over zittenblijven in 1ste leerjaar
    Gesjoemel en misleiding in Leuvense studie over zittenblijven in 1ste leerjaar -2011 Onderzoekers eind 2013: We hebben ons vergaloppeerd, zittenblijven toch zinvol ....
    Onderwijskrant (oktober-november-december 2014)

    1. Inleiding: rapport van 2011 & verbazing

    1.1. 2011: zittenblijven
    #zinvol, 2014: wel zinvol!

    In 2011 publiceerden de Leuvense onderzoekers
    Jan Van Damme, M. Goos, P. Onghena, ...K. Petry,
    K., & J. de Bilde een studie over zittenblijven in het
    eerste leerjaar: Zittenblijven in het eerste leerjaar:
    zinvol of niet? Hierin werd de zinvolheid van het
    zittenblijven radicaal in vraag gesteld. In Klasse van
    april 2011 werd deze studie voorgesteld onder de
    titel: “Zittenblijven: de pijn rendeert niet. Zittenblijven
    in ‘het basisonderwijs’(!) heeft negatief effect
    op lange termijn.” Er werd ook veralgemenend
    geconcludeerddat zittenblijven in hét (totale) lager
    onderwijs frequent voorkomt.

    De belangrijkste conclusie uit de studie over zittenblijven
    in het eerste leerjaar luidde: “Tijdens het
    bisjaar presteren zittenblijvers beter in wiskunde en
    technisch lezen en functioneren zittenblijvers vergelijkbaar
    op psychosociaal gebied als hun jongere
    leerjaargenoten. Maar dit effect verdwijnt al op het
    einde van het 2de leerjaar. Doorheen de lagere
    school groeien zittenblijvers zelfs trager in wiskunde
    en technisch lezen dan leerlingen van de vergelijkingssgroep
    – die even zwak waren in eerste
    leerjaar, maar die wel zijn overgegaan.“ Uit beide
    stellingen werd dan geconcludeerd dat zittenblijven
    niet zinvol was. Pas twee jaar later lazen we
    volgende rechtzetting in Caleidoscoop van augustus
    j.l. “Onze (recentere) bevindingen geven aan dat
    zittenblijven doorgaans toch wel een goed idee is
    voor kinderen waarbij men zeer grote twijfels heeft
    of ze het (eerste) leerjaar wel zullen aankunnen.”

    1.2. 1,73% zittenblijvers in lj 2 tot en met 6;
    5, 49% in het eerste leerjaar (in 2013)

    In de Leuvense publicatie werd ook de indruk
    gewekt dat zittenblijven in hét lager onderwijs heel
    frequent voorkomt (zie p.8). De Leuvenaars beperkten
    zich in hun onderzoek echter tot het eerste
    leerjaar, omdat vooral dit leerjaar zittenblijvers telt:
    5,49% in 2013. In de leerjaren twee tot en met zes
    is het gemiddelde 1,73%. Nederland telt 5%
    zittenblijvers in het 1ste leerjaar, maar 10% in derde
    kleuter - in Vlaan-deren is dit 4%. (Zelf zijn we meer
    voorstander van zittenblijven in 1ste leerjaar dan in
    3de kleuter.) Zittenblijven in hét lager onderwijs
    komt dus al bij al niet zo frequent voor. In regio’s
    met weinig allochtone leerlingen is dit nog een stuk
    minder; maar we krijgen daar geen uitsluitsel over.

    1.3 Stellige uitspraken verrasten ons

    De onderzoekers toonden in hun studie niet het
    minste begrip voor de visie van de ervaringsdeskundigen,
    voor het feit dat de ouders en de
    leerkrachten het eerste leerjaar als een scharnierjaar
    opvatten en het belangrijk vinden dat een
    leerling op het einde b.v. al het ABC van het lezen
    kent om te kunnen slagen in verdere leerjaren. De
    voorbije 45 jaar heb ik zelf als lerarenopleider een
    aantal keren ouders – soms ook collega’s -
    aangeraden hun kind toch maar het eerste leerjaar
    te laten overdoen. Achteraf vernam ik meestal dat
    dit voor hun kind de juiste keuze was geweest. En
    dan ging het in veel gevallen over kinderen die een
    te grote achterstand hadden voor lezen. Ook een
    grote algemene taalachterstand – veelal bij anderstalige
    leerlingen – speelt een belangrijke rol. Dit is
    ook wat we vaststelden in bevragingen van leerkrachten
    eerste leerjaar. Die leerkrachten getuigen
    ook dat het soms de ouders zijn die per se willen
    dat hun kind het jaar opnieuw doet.

    Hebben de vele duizenden leerkrachten en wijzelf
    zich al die tijd vergist en nodeloos het overzitten in
    een aantal gevallen aangeraden? We begrepen bij
    het verschijnen van de studie geenszins dat uit het
    onderzoek zou gebleken zijn dat zittenblijven hoe
    dan ook nefast was. Ook een tussendoor-zinnetje in
    het rapport stond o.i. nogal haaks op de basisconclusie
    over de zinloosheid: “Als zittenblijvers
    deel van twijfelgevallen) toch waren overgegaan,
    zouden ze een hogere kans gehad hebben om later
    te blijven zitten.” Was overzitten voor hen dan toch
    zinvol geweest? Dat laatste geldt echter nog meer
    voor de duidelijke gevallen die bleven zitten, maar
    waarvan we een paar jaar later vernamen dat deze
    niet in de studie betrokken werden.

    Zelf hebben we de voorbije 40 jaar veel energie
    geïnvesteerd in het uitwerken van didactische aanpakken
    om ook zwakkere leerlingen vlot te leren
    lezen, rekenen, spellen .... We pleiten ook al 25 jaar
    voor intensief NT2-onderwijs vanaf de eerste
    kleuterklas - tevergeefs. Maar dit alles betekent o.i.
    nog niet dat we b.v. zittenblijven in een eerste leerjaar
    volledig moeten en kunnen uitbannen.

    2. November 2013: ‘We onderzochten geen
    duidelijke gevallen, maar twijfelgevallen!


    Pas eind 2013 ontdekten we hoe de onderzoekers
    ons met hun uitspraken i.v.m. zittenblijven in het
    1ste leerjaar belazerd hadden en dat onze grote
    twijfels omtrent dit onderzoek gewettigd waren.
    Zo lieten de onderzoekers vooreerst de leerlingen
    waarbij evident leek dat zomaar overgaan geen
    oplossing was, de duidelijke gevallen dus, buiten
    beschouwing. Ze bekeken enkel de twijfelgevallen.

    Prof. Bieke De Fraine gaf dit laatste pas zelf toe in
    een reactie op de kritische analyse van prof. Wim
    Van den Broeck van november 2013. De Fraine
    bekende: “Ons onderzoek naar de effecten van
    zittenblijven betreft enkel die kinderen die mogelijke
    ‘twijfelgevallen’ zijn. We weten dus niet wat de
    gevolgen zouden zijn van overgaan voor zéér zwak
    presterende kinderen.” Dit laatste ondergraaft uiteraard
    de stellige uitspraken over het niet zinvol zijn
    van zittenblijven in het eerste leerjaar. Bij het bestuderen
    van het Leuvens rapport en bij de opstelling
    van zijn kritische analyse wist prof. Wim Van den
    Broeck overigens zelf nog niet dat dit het geval was.

    De beperking tot de ‘twijfelgevallen’ verantwoordden
    De Fraine en co achteraf in Pedagogische Studiën
    van eind 2013 (nr. 5) zo: “Voor kinderen met een
    hogere kans op vertraging konden geen tegenhangers
    gevonden worden.” Nu blijkt dus dat de onderzoekers
    geen vergelijkbare groep van even zwakke
    leerlingen die wel overgaan opstelden, omdat de
    zwaarste gevallen van zittenblijven zelden overgaan
    naar het tweede leerjaar. Ons vermoeden dat er
    gesjoemeld werd bij het opstellen van de vergelijkingsgroepen
    wordt hier dus al bevestigd.

    2. Positieve studies niet vermeld

    Het is nogal evident dat bij leerlingen met grotere
    tekorten en met een hogere kans op vertraging de
    effecten van doubleren positiever uitvallen dan bij
    twjfelgevallen. Indien de onderzoekers de evolutie
    van alle zittenblijvers in het eerste leerjaar hadden
    onderzocht, dan zou de leerwinst op het einde van
    het bisjaar een heel stuk groter zijn geweest. We
    vermelden even enkele recente studies waarin het
    zittenblijven als positief bestempeld wordt.

    *D. Diris toonde in een studie aan dat de effecten
    van overzitten bij leerlingen met grotere tekorten wel
    vrij positief uitvielen (Diris, D.: The economics of the
    school curriculum, Univ. Pers, Maastricht, 2012).
    *Qi Chen e.a. formuleerden onlangs dezelfde vaststelling:
    “Specifically, those children with the poorest
    LRS and academic achievement in their first time in
    first grade may have the most to gain by repeating
    first grade, both academically and socially”. (Differential
    growth trajectories for achievement among
    children retained in first grade,” by Qi Chen e.a. The
    Elementary School Journal, 2014, Volume 114,
    Number 3, pp. 327-35.).
    *Early Grade Retention and Student Success Evidence
    from Los Angeles van Jill S. Cannon & Stephen
    Lipscomb (zie Internet). De conclusie luidt:
    “We find that students retained in the first or second
    grade can significantly improve their grade-evel
    skills during their repeated year. Gains in reading
    skills among students retained in the first grade are
    significant and widely experienced. Among those
    retained in the second grade, the level of improvement
    in English language arts and mathematics is
    also remarkable –with larger shares in math (41%).”

    4. Invloed van buitenschoolse situatie/hulp
    niet verrekend = klassieke & grote fout


    Er zijn ook nog andere redenen om te stellen dat
    de ‘twijfelgevallen‘ die bleven zitten niet zomaar
    vergelijkbaar waren met de ‘twijfelgevallen’ die wel
    naar het tweede leerjaar overstapten. Zo zal een
    leerkracht een twijfelgeval vlugger adviseren over
    te gaan als hij/zij weet dat die leerling zal kunnen
    rekenen op buitenschoolse begeleiding/ondersteuning
    tijdens het schooljaar en eventueel ook tijdens
    de vakantie. De resultaten van ‘twijfelgevallen’ die
    wel overgaan worden dus ook positief beïnvloed
    door omgevingsfactoren en dat is minder het geval
    bij de ‘twijfelgevallen’ die wel overzitten. Het is dus
    moeilijk om hun resultaten tijdens de verdere
    loopbaan te vergelijken. Men mag de verschillen in
    leerwinst tussen de twee groepen niet enkel toeschrijven
    aan het feit dat de ene groep bleef zitten
    en de andere doorstroomde naar het tweede
    leerjaar. In bijdragen van 1991 hebben we al gewezen
    op deze klassieke fout in veel vergelijkende
    studies.

    Deze omissie in het onderzoek wijst er wellicht op
    dat de onderzoekers te ver afstaan van de
    complexiteit van het schoolgebeuren en van het adviseergedrag
    inzake zittenblijven in het bijzonder. Bij
    adviezen waarbij de ervaringswijsheid van de
    leerkrachten uit het heden en verleden meespelen,
    worden dergelijke factoren wel verrekend. Zo is het
    ook bekend dat ouders die het wenselijk vinden dat
    hun kind-twijfelgeval wel over gaat, vaak ouders zijn
    die weten dat hun kind ook buitenschools geholpen
    zal worden om de tekorten bij te werken. Leerkrachten
    en CLB-adviseurs zijn ook minder vlug
    geneigd overzitten te adviseren voor dat soort ‘twijfelgevallen’.

    De Leuvense studie ging er ten onrechte van uit dat
    de verschillen in verdere leerprestaties van de twee
    vergelijkingsgroepen ( alle twijfelgevallen), enkel
    een gevolg zijn van het al dan niet overzitten. Er
    zijn heel wat factoren buiten het onderwijs die mede
    de leerwinst bepalen en waarmee in het onderzoek
    van het zittenblijven geen rekening gehouden wordt.

    Ook de bekende sociologe en onderzoekster Nathalie
    Bulle stelde bij analoge onderzoeken de neiging
    vast tot het minimaliseren van de buitenschoolse
    factoren die het verschil in schoolse
    vooruitgang (leerwinst) bepalen Bulle formuleert
    het zo: “Certains facteurs ‘latents’ différencient la
    population des redoublants et la population dite
    analogue. Ils contribuent à expliquer à la fois les
    redoublements et les différences marquant les progrès
    d’ensemble des populations. Or, comme ils ne
    sont pas pris en compte, ils apparaissent, statistiquement,
    comme des effets propres du redoublement.
    Au total, lorsque le redoublement paraît
    avoir eu un effet moyen neutre sur les progressions
    (c’est ce que les études tendent à montrer), il est
    fort probable qu’il s’agisse d’un effet ‘neutralisant’,
    donc positif.” (De la politisation de l’éducation.
    L’exemple du redoublement , Skhole.fr. , 2012 -zie
    Internet). Als er minder extra ondersteuning kwam
    van huis uit voor de groep twijfelgevallen die niet
    overgingen, dan kan de vaststelling dat deze het
    jaar erop maar even veel rekenwinst maakten als
    deze die wel overgingen, toch betekenen dat er een
    positief effect was voor de overzitters.

    Nog dit. Dat de leerlingen die wel doorstroomden op
    een klassieke schoolvorderingstest een jaar later
    voor b.v. rekenen beter presteerden is mede een
    gevolg van het feit dat de zittenblijvers zaken uit de
    schoolvorderingstest die veelal pas in het tweede
    leerjaar aan bod komen, nog niet gezien hadden.
    Deze evidentie is absoluut geen argument tegen het
    zittenblijven.

    6. Andere aanduidingen van fouten
    bij samenstelling vergelijkingsgroepen

    Het niet betrekken van de duidelijke gevallen van
    zittenblijven betekent dat de Leuvense onderzoekers
    geenszins werkten met twee evenwaardige
    vergelijkingsgroepen en dat hun krasse uitspraken
    i.v.m. al dan niet zittenblijven ook helemaal niet
    kloppen.
    Dat de twee vergeleken groepen niet evenwaardig
    en vergelijkbaar waren, bleek volgens prof. Wim
    Van den Broeck b.v. ook nog uit uit twee andere
    vaststellingen. Hij schreef: “Ten eerste blijkt uit de
    resultaten dat zittenblijvers bij het begin van het
    bisjaar, dus na het eerste leerjaar volledig doorlopen
    te hebben, nauwelijks beter scoren op rekenvaardigheden
    dan hun vroegere klasgenoten uit de
    controlegroep toen zij begonnen aan het eerste
    leerjaar. Maar vooral de observatie dat zittenblijvers
    bij het begin van het bisjaar beduidend zwakker
    scoren op zowel rekenen als lezen in vergelijking
    met hun doorstromende leeftijdsgenoten uit de
    controlegroep (dus met zgn. ‘gelijk risico’) bij het
    begin van het tweede leerjaar, kan moeilijk anders
    geïnterpreteerd worden dan dat de groepen van
    meet af aan al ongelijk waren, tenminste indien er
    geen wonderbaarlijke dingen tijdens de vakantie
    gebeurd waren.” Dit wijst er op dat de groep zittenblijvers
    en de vergelijkingsgroep (beide zogezegd
    gelijkwaardige twijfelgevallen) al verschillend waren,
    nog voor het eventueel zittenblijven, anders
    zouden de twijfelgevallen-zittenblijvers wel zijn overgegaan
    naar het volgende leerjaar.

    “Een ander probleem, ook (achteraf) onderkend
    door de onderzoekers, is dat bij het formeren van de
    groep doorstromers alle kinderen die niet in het
    eerste leerjaar bleven zitten, maar wel in een ander
    leerjaar, uit de vergelijkingsgroep verwijderd werden.
    De auteurs geven bovendien zelf achteraf in
    een publicatie van 2013 aan dat deze niet geselecteerde
    kinderen zwakker scoorden op schoolse
    prestaties en SES en dat ze daardoor de negatieve
    effecten van zittenblijven overschat kunnen hebben
    (Goos et al., 2013a, p. 344).”

    Door het verwijderen van de doorgestroomde twijfelgevallen
    die overzaten in verdere leerjaren, wordt
    de relatieve leerwinst van de groep van de overgegane
    ‘twijfelgevallen’ dus overschat.

    7. Fouten met ‘gemiddelde’ leerwinst van
    Vergelijkingsgroepen

    Een ander methodologisch probleem betreft het
    werken met gemiddelden. Bij de twijfelgevallen die
    overzaten is het best mogelijk dat dit voor de
    gevallen die de leerkrachten adviseerden gemiddeld
    wel positief is uitgevallen, maar veel minder voor de
    gevallen waarbij enkel de ouders op zittenblijven
    aanstuurden. Als zittenblijven voor de ‘duidelijke’,
    maar niet onderzochte gevallen positieve effecten
    sorteert en daarnaast ook nog voor een aanzienlijk
    deel van de twijfgelgevallen, dan mag men uit het
    feit dat de gemiddelde leerwinst voor de groep
    twijfelgevallen die overzaten kleiner was dan de
    leerwinst van de niet-overzitters, nog niet besluiten
    dat zittenblijven niets opleverde en dat de leerkrachten
    een fout advies gaven.

    8. Leeftijdsfouten bij vergelijking met landen als Zweden en Finland

    De Leuvense studies houden bij het vergelijken van
    het zittenblijven met landen als Zweden, Finland ...
    geen rekening met de leeftijd bij de start van het
    eerste leerjaar. In b.v. het eerste leerjaar in Finland
    komt zittenblijven inderdaad veel minder voor, maar
    de kinderen mogen maar starten als ze ten volle 7
    jaar zijn. In Zweden starten ze naargelang de
    schoolrijpheid tussen 6 en 8 jaar. Men moet bij
    vergelijkingen rekening houden met het feit dat
    eersteklassertjes in andere landen veelal ouder zijn
    en daardoor ook veel minder de kans lopen te
    moeten overzitten. De Leuvense onderzoekers houden
    hier geen rekening mee.

    In de Leuvense studie en in tal van andere studies
    wordt ook steeds betreurd dat er bij de overzitters
    eerste leerjaar meer leerlingen zitten die in de laatste
    maanden van het jaar geboren zijn. Veelal wordt
    aan die vaststelling de conclusie verbonden dat die
    jongere kinderen ten onrechte gediscrimineerd worden.
    Indien men zou eisen dat leerlingen ten volle
    zes (of zelfs 7) jaar zijn om te mogen starten in het
    eerste leerjaar - zoals in een aantal landen het
    geval is, dan zouden veel van de jongste (gevaar-)
    kinderen zelfs meer dan een jaar ouder en rijper
    zijn. En dan zouden er ook veel minder zittenblijvers
    zijn in het eerste leerjaar (én in het derde kleuter).

    Aangezien toch veel leerlingen - zelfs van het einde
    van het jaar - het eerste leerjaar aankunnen, zouden
    we de Vlaamse wetgeving niet wijzigen. We
    hebben overigens nu al de indruk dat de kleuterschool
    voor een aantal kinderen te lang duurt en dat
    deze zich zouden vervelen als ze nog langer in het
    kleuteronderwijs zitten. Het gaat steeds om het
    afwegen van de voor- en nadelen. Als we de
    meeste kinderen pas later het lager onderwijs laten
    starten zoals in veel andere landen, dan zou dit de
    schatkist meer geld kosten dan de huidige extrauitgave
    voor het bisjaar.

    Als we de gemiddelde
    leeftijd berekenen van alle kinderen die de eerste
    klas verlaten, dan is deze veelal lager dan in andere
    landen het geval is – en opvallend lager dan in
    Finland. Finse leerlingen zijn ook gemiddeld
    minstens een jaar ouder als ze het diploma lager
    onderwijs behalen. En toch lezen we in statistieken
    dat er veel meer Vlaamse leerlingen leervertraagd
    zijn dan Finse en Zweedse. Veel zaken zijn relatief
    en bij vergelijkingen moeten we daar rekening mee
    houden. Bij het berekenen van de kostprijs van het
    zittenblijven vergeet men ook dat de jongere eersteklassertjes
    een half jaar minder kleuteronderwijs
    ‘gekost’ hebben.

    9. Ervaringswijsheid leerrkachten genegeerd

    In punt 1 stelden we al dat de onderzoekers de visie
    en ervaringswijsheid van de leerkrachten, directies
    en ouders als quantité négligeable beschouwen.
    Zittenblijven was zinloos en zat enkel ’tussen de
    oren’ van de zich vergissende leraars en ouders.

    Veel leerkrachten - en ook ouders - reageerden
    verontwaardigd op bijdragen in de kranten en in
    Klasse waarin zittenblijven als zinloos werd bestempeld.
    Ook in gesprekken met veel oudstudenten en
    met directies binnen de HIVO-opleiding vernamen
    we regelmatig dat zittenblijven achteraf veelal zinvol
    gebleken was. De Thaise inspecteur-generaal Prasert
    Boonruang stelde onlangs dat heel wat leerlingen
    in tal van provincies quasi anafabeet zijn
    omdat ze niettegenstaande grote leestekorten het
    eerste leerjaar niet mochten overdoen.

    We voegen nog een van de vele getuigenissen van
    ouders aan toe. Als reactie op de boodschap
    ‘Vermijd zittenblijven ‘ in Klasse voor ouders schreef
    Kathy V.: “Ik ben moeder van een nu bijna 14-jarige
    zoon. In het eerste leerjaar is hij blijven zitten. Al
    met kerst hadden mijn echtgenoot en ik samen met
    de leerkracht beslist hem opnieuw het jaar te laten
    overdoen. Hij kon lezen en rekenen, maar kon het
    tempo niet aan. Hij is van november. Hij weende
    veel dat eerste jaar dat hij niet kon wat anderen
    konden. De tweede keer dat hij zijn eerste leerjaar
    deed, is mijn zoon helemaal opengebloeid. Nu is hij
    een prachtig jonge man die in zijn eerste humaniora
    zit. Met kerst en Pasen had hij 82%. Wat ik 7 jaar
    geleden nooit gehoopt had, is toch gebeurd. Hij
    niet van het leven en weet dat hij moet werken om
    iets te bereiken. Voor heel wat kinderen is overzitten
    een perfecte oplossing. Ik vind het spijtig dat sommigen
    dat niet geloven. Hijzelf vindt het helemaal
    niet erg dat hij is blijven zitten. Nu hij in de humaniora
    zit, heeft hij ook nog veel contact met
    leerlingen die al in hun tweede jaar zitten.”

    Nietenkel de leerkrachten, maar ook de meeste ouders
    zijn ervan overtuigd dat het zomaar laten overgaan
    bij ernstige tekorten die de verdere schoolloopbaan
    volledig in het gedrang kunnen brengen onverantwoord
    is. Ook uit reacties in Klasse-Maks voor
    de scholieren bleek dat de meesten opteerden voor
    het behoud van het zittenblijven. In een Nedelandse
    enquête bij jongeren die zelf ooit een jaar
    hadden overgedaan, vonden de meesten ook dat dit
    voor hen heel zinvol was geweest.

    10. Besluiten: Leuvense kwakkelstudie

    10.1. Misleidend onderzoek & foute conclusies
    We stelden bij de analyse van de Leuvense studie
    over het eerste leerjaar veel methodologische en
    andere fouten vast. In de bijdrage van Wim Van den
    Broeck wordt dit nog verder uitgediept. Dit leidde tot
    voorbarige en foute conclusies. We wezen ook op
    misleidende vergelijkingen met landen waarin zittenblijven
    in het eerste leerjaar weinig voorkomt, maar
    waarbij de leerlingen die starten in het eerste
    leerjaar een heel stuk ouder zijn. De onderzoekers
    van het HIVA en de KU Leuven gaven in publicaties
    van het voorbije jaar wel een aantal fouten toe (zie
    volgende bijdrage),maar ze gingen voorbij aan tal
    van andere fundamentele kritieken.

    De onderzoekers concludeerden in hun studie al te
    vlug dat de leerkrachten veelal foutieve adviezen
    omtrent zittenblijven gaven en dat zittenblijven enkel
    tussen hun oren zit. De experts wisten het veel
    beter dan de leerkrachten en de ouders en verkondigen
    de enige en wetenschappelijke waarheid.
    Zittenblijven was zinloos en een louter financiële
    verspilling.

    In publicaties van De Fraine en Co van het voorbije
    jaar lezen we nu echter dat het zittenblijven in veel
    gevallen toch zinvol kan zijn – en zeker ook bij de
    duidelijke gevallen. Ze zouden naar eigen zeggen
    nu niet meer het drastisch advies geven om het
    zittenblijven in het lager onderwijs af te schaffen.

    Het advies bij de duidelijke gevallen was dus alvast
    een terecht advies. Maar hoe zit het met het advies
    bij de twijfelgevallen? Deze die volgens de studie
    wel terecht doorstromen, zijn veelal ook leerlingen
    waarbij de school het overgaan adviseerde. Bij de
    twijfelgevallen die volgens de studie ten onrechte
    bleven zitten, zijn er ook nog een aantal waarbij de
    school wel overgaan adviseerde, maar waarbij de
    ouders toch op zittenblijven aanstuurden. In de
    rapporten van 2011 en 2012 werd dus duidelijk ten
    onrechte geconcludeerd dat het advies van de
    school inzake al dan niet zittenblijven meestal fout is
    en zelfs getuigt van gemakzucht.

    De Leuvenaars lijken ook niet bereid om openlijk het
    boetekleed aan te trekken, hun verontschuldigingen
    aan te bieden en hun controversiële studie niet verder
    te verspreiden. Men mag dit onderzoek
    deontologisch gezien niet meer openlijk toegankelijk
    stellen. Tal van beleidsmensen, pleitbezorgers van
    het verbieden van het zittenblijven, buitenlandse
    onderzoekers ... beroepen zich nog steeds op die
    Leuvense studie. Ze zijn blijkbaar ook niet op de
    hoogte van de erkennning van tal van fouten en van
    de voorbarige uitspraken. We betreuren ook dat de
    onderzoekers en de commentatoren in de pers de
    indruk wekten dat ons lager onderwijs kampioen
    zittenblijven is. Ze verzwegen dat er het 2de tot en
    met 6de leerjaar weinig zittenblijvers zijn, gemiddeld
    1,73% per leerjaar.

    10.2 L’histoire se répète

    Ook op basis van een Unesco-rapport van 1991
    werd toen al ten onrechte overal verkondigd dat ons
    lager onderwijs - samen met Tobago-Trinidad wereldkampioen
    zittenblijven was. In de commentaren
    bij die studie lazen we op 1 september 1991 dat in
    andere Europese landen het zittenblijven beperkt
    was tot 2 à 2,5 % en dat dit in Vlaanderen 5 à 6
    maal meer was. Onze topambtenaren waren gewoon
    vergeten het aantal leervertraagden eind zesde
    leerjaar te delen door zes. En die kwakkel werd
    zomaar overgenomen door beleidsverant-woordelijken,
    Guy Tegenbos in De Standaard, professoren
    als Roland Vandenberghe en Henk van daele in
    Persoon en Gemeenschap. Het Leuvens rapport
    van 2011 leidde tot analoge kwakkels.

    Prof. Vandenberghe fantaseerde er in 1991 nog bij
    dat het beperkte aantal zittenblijvers in landen als
    Nederland een gevolg was van het opdoeken van
    het jaarklassensysteem. Dit beïnvloedde ook het
    later schrappen van het jaarklassenprincipe in het
    decreet basisonderwijs van 1997. Ook In 2012 stelden
    de Leuvense onderzoekers het opdoeken van
    het jaarklassensysteem voor in hun OBPWO-studie.
    mmm

    02-01-2015 om 18:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    Tags:zittenblijven, zittenblijven in 1ste leerjaar
    >> Reageer (0)
    29-12-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs, CBB-centra ... zijn niet klaar voor M-decreet

    Onderwijs, CLB-centra, Centra voor Ambulante Revalidatie …. niet klaar voor M-decreet

    Bijdrage van Peter Cousaert op Apache Nov 2014

    Op 1 september treedt het zogenaamde M-decreet in werking. Bedoeling is om leerlingen die extra zorg nodig hebben binnen het gewoon onderwijs te houden. Over het principe bestaat weinig discussie, over de concrete invulling des te meer. Er is namelijk (veel) minder geld om (veel) meer taken uit te voeren. 'Hoe we dat moeten waarmaken? Die vraag stellen wij ons ook en met ons zowat het hele onderwijsveld.'

    Het zal je kind maar zijn. Net gestart in het eerste leerjaar en het loopt niet makkelijk in de klas. Het Centrum voor Leerlingenbegeleiding doet wat het kan en ook de zorgjuf gaat aan de slag, maar jouw kind is niet het enige dat extra zorg nodig heeft. Een leerprobleem? Als u wil aankloppen bij een Centrum voor Ambulante Revalidatie dan moet u, afhankelijk van de regio, rekening houden met een flinke wachtlijst. Op sommige plaatsen bent u niet voor het einde van het schooljaar aan de beurt. Kinderpsychiatrisch onderzoek? Ook daar kan het soms lang duren voor u een afspraak krijgt en dan hebben we het nog niet over de zoektocht naar gespecialiseerde multidisciplinaire teams die tot in detail uitzoeken wat er aan de hand is en mee een toekomsttraject uitstippelen.

    Meer met minder geld
    Zorg in het onderwijs gaat natuurlijk over veel meer dan kinderen met slechte cijfers op hun rapport, en lang niet achter elke zorgvraag gaat een leerprobleem schuil, zoals hierboven geschetst, maar soms duurt het (te) lang voor de juiste hulp kan geboden worden en de implementatie van het M-decreet in combinatie met de forse besparingen in het onderwijs, dreigt de bestaande problemen en wachtlijsten enkel groter te maken.

    Het M-decreet wil leerlingen die extra noden hebben in de mate van het mogelijke in het regulier onderwijs opvangen. Vandaag komen ze te vaak in het buitengewoon onderwijs terecht. Dat moet anders. "We staan achter het basisprincipe van het M-decreet", zegt Yvan Winne. Hij is directeur van Accent, een Centrum voor Ambulante Revalidatie (CAR) in Kortrijk, en voorzitter van de werkgroep Onderwijs binnen de Federatie van Centra voor Ambulante Revalidatie. De nieuwe wetgeving in het onderwijsveld volgt hij met argusogen. "Dat kinderen die extra zorg nodig hebben in de mate van het mogelijke in het reguliere onderwijs terecht kunnen, is op zich een nastrevenswaardige zaak. Dat is ook wetenschappelijk goed gedocumenteerd. Het probleem is echter dat tegenover de extra opdrachten en verantwoordelijkheden die daar bij komen kijken geen bijkomende ondersteuning staat. Er komen heel wat extra taken bij de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) terecht. Die zijn daar in principe ook voor geschikt, maar er wordt helaas geen extra geld voor vrijgemaakt, integendeel."
    CLB's zullen meer moeten doen voor meer kinderen maar met minder geld.
    Het plaatje kan moeilijk duidelijker. Het aantal leerlingen dat beroep doet op een Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) nam de voorbije jaren toe. Het M-decreet legt extra (vooral administratieve) lasten op de CLB's. Die komen bovenop het extra werk voor CLB's, eigen aan de recente uitvoering van het decreet integrale jeugdhulpverlening. Meer kinderen dus waarvoor meer moet gebeuren. Maar met minder geld. Minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) besliste om de werkingsmiddelen voor CLB's met tien procent in te perken. Daar komt bij dat CLB's met een zogenaamde 'vaste enveloppe' werken. Dat wil zeggen dat hun financiering niet stijgt samen met het aantal kinderen dat ze zien. Bovendien wordt ook op de loonmassa 2 procent bespaard.

    Langere wachtlijsten

    Hoe dat met elkaar te verzoenen valt, daar breken ze ook bij de CLB's hun hoofd over. Tine Gheysen is binnen de Vrije-CLB-Koepel verantwoordelijk voor leerlingen met specifieke noden en zag de werkdruk de voorbije jaren stelselmatig toenemen. "Het is moeilijk om in cijfers uit te drukken wat het M-decreet precies zal betekenen, maar het staat buiten kijf dat de administratieve last zal toenemen. We maken nu natuurlijk ook verwijzingen, maar de inhoud ervan zal veranderen. Bovendien zullen er ook meer verwijzingen moeten worden gemaakt. Als er een verwijzing komt naar het basisaanbod in het buitengewoon onderwijs (het M-decreet voorziet in een 'basisaanbod' waar leerlingen die momenteel worden verwezen naar type 1 en type 8 worden samengebracht, ToC) dan gebeurt dat vandaag een keer. Het M-decreet voorziet dat er tweejaarlijks opnieuw geëvalueerd wordt. Dat betekent dus twee tot vier keer meer verslagen."

    Wat we zeker weten, is dat er meer kinderen met extra noden in het regulier onderwijs zullen blijven. Dat staat synoniem met meer en ernstigere zorgvragen.
    Bovendien bestaat over de diagnostiek grote onduidelijkheid. Kinderen die niet opgevangen kunnen worden in het regulier onderwijs blijven verwijsbaar naar het buitengewoon onderwijs, maar dat kan enkel na een diagnose door een multidisciplinair team. "Het M-decreet definieert een doelgroep waarvoor multidisciplinaire diagnostiek verplicht is", zegt Tine Gheysen. "Dat is op zichzelf een goede zaak, alleen is die multidisciplinaire diagnostiek vandaag nauwelijks voor handen. De wachtlijsten bij de gespecialiseerde diensten zijn nu al lang. Het valt te vrezen dat die door het M-decreet enkel langer zullen worden. Het beleid stuurt aan op een systeem waarbij CLB's en individuele kinderpsychiaters gaan samenzitten en waarbij CLB's dan het multidisciplinaire werk doen. Dat zou de oplossing moeten zijn voor het verwachte probleem van aangroeiende wachtlijsten bij multidisciplinaire centra, maar de vraag is natuurlijk of dat alternatief kwalitatief echt in de plaats kan komen. Bovendien is het de vraag wie het zal betalen."
    Ook de Centra voor Ambulante Revalidatie komen in beeld. "In principe hebben wij de ploeg en de ideale samenstelling om multidisciplinair onderzoek en diagnostiek te doen", zegt Yvan Winne. "Maar in de wetgeving staat dat in de regel op onderzoek ook therapie volgt. Na onderzoek moet weliswaar blijken dat de gestelde diagnose overeenkomt met de normen zoals opgesteld door het riziv en de adviserend geneesheer moet het dossier aanvaarden, maar punt is dat we kinderen die worden aangemeld voor onderzoek ook therapie moeten aanbieden. Daar is helaas geen personeel voor. Er zijn nu al lange wachtlijsten. Het staat in de sterren geschreven dat het M-decreet die wachtlijsten alleen maar langer zal maken."

    Meer en ernstigere zorgvragen

    Daarbovenop komt de onduidelijkheid. Op het terrein tracht iedereen zich in de mate van het mogelijke voor te bereiden op wat komen gaat, maar de onduidelijkheid is en blijft groot. Bij CLB's, bij directies en leerkrachten, bij kinderpsychiaters en ander (para)medici, maar ook bij ouders. Zullen scholen in staat zijn de noodzakelijke extra zorg te bieden? Hoe moet de geplande ondersteunende rol van het buitengewoon onderwijs binnen het regulier onderwijs concreet vorm krijgen? En hoe en door wie wordt precies bepaald welke kinderen nog wel naar het buitengewoon onderwijs kunnen?.....


    29-12-2014 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:M-decreet, inclusief onderwijs
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 15/09-21/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 11/08-17/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!