Het boek "Uit het schuim van de zee" (400 pag.) zal te verkrijgen zijn in de boekhandel vanaf 1 augustus 2011. Het behandelt de Griekse mythologie in 136 verhalen en is geïllustreerd met 17 tekeningen van de hand van Kurt Vangheluwe.
De meest indrukwekkende tekening komt van Michiel Noyez-Vermont! Apollo is pas geboren op het eiland Delos en reeds straalt zijn goddelijke glans af op het Griekse vasteland en in 't bijzonder op Delphi (verhaal nr.7). De slang Python heeft zich bevreesd teruggetrokken in de schaduw van het Parnassosgebergte, maar aan Apollo's dodelijke pijlen zal hij niet ontkomen. Waarachtig een wonderlijk kunstwerk van Michiel: de reden waarom we dit voor 't laatst gehouden hebben. < klik op de tekening om te vergroten
Deze fraaie tekening verdient ongetwijfeld een plaats in het museum voor moderne kunst. Jason vermeldt niet wat hier precies wordt voorgesteld en hij laat dus mogelijkheid voor interpretatie. Het zou de hel (Tartaros) kunnen voorstellen, met de rivier (Styx) die naar de onderwereld leidt... < klik op de tekening om te vergroten
Deze tekening, die overigens prachtig van kleur is, stelt de drietand van Poseidon voor, die door de in woede ontstoken god, vanuit de diepten van de zee, dwars doorheen de Akropolis werd geslingerd. < klik op de tekening om te vergroten.
Hermes is erg blij met de gaven en de attributen (staf, helm, gevleugelde sandalen) die hij van zijn vader gekregen heeft. Zeus zelf lijkt eveneens zeer opgetogen (verhaal nr.9). Stef heeft het allemaal duidelijk uitgebeeld. < klik op de tekening om te vergroten
Zeus is blij met het offer van de twee koeien. Hij is blijkbaar fier op zijn zoon, de deugniet Hermes, en de diefstal van de koeien lijkt hij hem al lang vergeven te hebben. Hera grijnslacht. De wolkjes stellen de hemel voor, Apollo is de zon. Een onovertrefbare illustratie bij verhaal nr.9, van Tibo Depuydt. < klik op de tekening om te vergroten
Deze fijne tekening toont ons de baby Hermes in zijn wiegje, slapend de slaap der onschuldigen, alsof er niets gebeurd is. Maar ondertussen heeft hij een kudde koeien gestolen, waarvan hij er twee aan de goden heeft geofferd, en hij heeft de lier uitgevonden (verhaal nr. 8). Dit alles heeft Marilou zeer knap uitgebeeld. Ook de Olymposberg met zijn besneeuwde top ontbreekt niet. < klik op de tekening om te vergroten
Sarah Vermeulen acht een pasgeboren baby ongetwijfeld niet in staat een kudde koeien te stelen (verhaal nr. 8). Ze heeft er dan ook een stevig knaapje van gemaakt. Hij heeft al de koeien mooi in 't gelid gesteld. Een origineel en lieftallig schilderijtje.
Op zijn eerste levensdag trekt Hermes, het boefje, erop uit (verhaal nr. 8). Hij gaat Apollo's koeien stelen, die grazen op de altijd groene en door de zon beschenen weiden, voorbij de grijze Olymposberg. Kijk, hoe hij de koeien lokt... Knap werk, Julie.
Naar deze tekening gaat mijn persoonlijke voorkeur. Zeer sober, maar treffend uitgebeeld: de zwangere Leto op het eiland Delos, tegen een palmboom leunend, met in haar nabijheid de slang Python, die haar tot op het laatst het leven zuur maakt (zie verhaal nr.7). Gaylle is ongetwijfeld een kunstenares in de dop!
We zien een fiere en glunderende Arachne die Athena overtroeft met haar kunstwerk (cf. verhaal nr.6). Maar de pret zal van korte duur zijn... Kelly doet hier een lovenswaardige poging om de benodigdheden voor het maken van zo'n weefstuk uit te beelden.
Ook hier wordt de metamorfose van Arachne bijzonder mooi in beeld gebracht. De tekening is buitengewoon gedetailleerd, wat erop wijst dat Ellen het verhaal (nr. 6) grondig gelezen heeft. Proficiat!
Ongetwijfeld één van de allermooiste en meest geslaagde tekeningen die ik mocht ontvangen. De godin Athena heeft met bliksemschichten het meisje Arachne veranderd in een spin (verhaal nr.6). De donkere wolken, waaruit eveneens bliksemschichten nederdalen bepalen mee de sfeer van wraak en griezel. Buitengewoon goed werk, Elise. Prachtige kleuren!
Ook dit moet Hephaistos voorstellen, die met een bijl zijn vader Zeus van zijn hoofdpijn wil verlossen (verhaal nr.4). In de achtergrond... een tempel.
Hephaistos heeft zopas met zijn bijl(tje) een hak gegeven in het achterhoofd van Zeus (verhaal nr.4) en de godin Athena komt er stralend uit te voorschijn, geharnast, met schild en met rouge op de lippen en de wangen. Eén mannetje slaat dit schouwspel van héél ver gade. De rest van de wereld gaat aan deze mirakuleuze gebeurtenis voorbij. Deze tekening van Laure zit boordevol symboliek... > klik op de tekening om te vergroten
Deze tekening stelt Hephaistos voor, op het eiland Lemnos (zie verhaal nr.3). In de open lucht smeedt hij een hoefijzer. Een sfeervolle tekening van Giles, die doet dromen van een reis naar dat zonnig eiland...
De drie broers hebben het heelal onder elkander verdeeld (verhaal nr.2): voor Zeus de hemel en de aarde, voor Poseidon de zeeën, voor Hades de onderwereld. Perfect weergegeven, Thomas!
Deze fantasierijke tekening stelt ongetwijfeld de kleine Zeus voor, die zijn wiegje is ontgroeid en zich oefent in het zichzelf transformeren in een arend. Het viervoetertje zou de geit Amalthea kunnen zijn, al lijkt het meer op een hondje. Alles speelt zich af in een grot op de Ida-berg op het eiland Kreta (verhaal nr.2).
De oergod Kronos heeft de in luiers gewikkelde steen ingeslikt (zie verhaal nr.2). De steen lijkt wel zwaar op zijn maag te liggen en hij staat er wat misselijk bij. Of zou hij onraad ruiken? In de verte zien we Rhea, met in haar armen de pasgeboren Zeus, die ze in veiligheid brengt op de berg Ida in Kreta. Zeer goed uitgebeeld, Jari!
In het verhaal nr. 1 was Jordi meer geboeid door boosaardige reuzen, ontstaan uit de bloeddruppels van Ouranos, dan door Aphrodite zelf. Een interessante en waardevolle tekening.
Prachtige illustratie bij verhaal nr.1. Aphrodite is opgestegen uit de zee. Een schelp zal haar naar het eiland Cyprus brengen. Op dat dorre land groeien nu nog enkel palmbomen. Van zodra Aphrodite dit land zal betreden zal het jonge gras er groeien en bloemetjes zullen bloeien... Mooi getekend. Proficiat, Julie!
Vorige week kreeg ik niet minder dan 23 tekeningen opgestuurd, van de leerlingen van het zesde leerlaar (6A) van de Vrije Basisschool “De Watermolen” te Heule. Het zijn illustraties bij de eerste 9 verhaaltjes van deze weblog. Er zitten echte kunstwerkjes tussen. Uit de tekeningen blijkt dat de kinderen de verhalen aandachtig gelezen hebben. Vanaf morgen zal om de twee of drie dagen één van de tekeningen op deze blog verschijnen. Ze komen alle 23 aan bod. Proficiat aan al die leerlingen en alleszins ook aan meester Lieven.
Aangezien het succes van deze blog maar matig is - althans in vergelijking met www.bloggen.be/dzeus - zullen hier geen nieuwe verhaaltjes meer verschijnen. Gelieve dus toch maar over te schakelen naar www.bloggen.be/dzeus. Daar staan heel wat meer (en ook langere) verhalen uit de Griekse mythologie: honderdzesendertig! Over een paar jaar worden deze verhalen in boekvorm uitgegeven.
Harmonia was een dochter van de oorlogsgod Ares en de liefdesgodin Aphrodite. Zij werd de bruid van Kadmos, de koning van Thebe. Ze kregen samen vijf kinderen, waaronder vier dochters. Eén van de dochters was Semele. Zeus liet zijn oog liet vallen op deze mooie maagd. Hij benaderde haar in de gedaante van een knappe jonge man en hij vertelde haar dat hij niemand minder was dan de oppergod, in menselijke gedaante. Semele dacht dat haar geliefde slechts een grapje maakte, maar diep in haar binnenste knaagde toch de twijfel. Ze vertelde alles aan haar zusters, die het verhaal belachelijk vonden. Ze zeiden: als hij werkelijk Zeus is, dat hij zich dan eens vertone in zijn goddelijke gedaante. En toen de jongeman haar weer benaderde en haar volop zijn liefde betuigde, zwoer hij haar in een onbezonnen ogenblik, dat hij haar, als bewijs van zijn liefde, alles zou geven wat zij maar wilde. Zij wenste maar één ding: dat hij zich, al was het maar één enkele keer, aan haar zou vertonen in zijn goddelijke gedaante, in zijn schitterend gewaad, met staf en bliksem en al. Zeus was niet weinig geschrokken door die wens. Hij wist immers dat geen enkele sterveling de aanblik van de oppergod in zijn ware gedaante kon doorstaan. Hij smeekte haar een andere wens te doen. Maar Semele bleef vastbesloten en wat Zeus plechtig beloofd had, daaraan moest hij nu voldoen. Hij deed nog zó zijn best om zijn geliefde een vreselijk lot te besparen: hij haalde zijn minst schitterend kleed uit de kast en uit de kist waarin hij zijn bliksems bewaarde, diepte hij zijn allerkleinste bliksempje op... Alles tevergeefs. Toen Semele de oppergod in al zijn glorie aanschouwde vatten haar lijf en leden vuur en smeulend ging zij ten onder. En toen realiseerde Zeus zich dat zij zijn kind droeg. Hij riep zijn trouwe zoon Hermes ter hulp en gebood hem het kind via een keizersnede uit de buik van de moeder te halen. Dit goddelijk kind zou weldra een echte god worden, de god van de wijn en de goede sier.
< deze tekening is van Jan Bauwens, Serskamp (naar Maxfield Parrisch, 1908)
< klik op de tekening om te vergroten
Eén van Europa’s broers was Kadmos. Met een aantal dappere vrienden trok hij naar het Griekse vasteland, op zoek naar zijn zuster. Na maandenlang tevergeefs zoeken, ging hij het orakel van Delphi raadplegen. Het orakel zei: “Zoek niet langer. Als ge hier buiten gaat zult ge een koe zien. Volg de koe tot de plaats waar ze zich zal neervleien in het gras. Daar moet ge een burcht bouwen.” Kadmos en zijn vrienden gehoorzaamden het orakel. Ze zagen de koe en volgden ze, vele kilometers ver, tot ze ging neerliggen. Dorstig als ze waren gingen de vrienden hier eerst op zoek naar een koele waterbron. Er was er een in de nabijheid doch die werd bewaakt door een monsterachtige slang. De mannen probeerden het monster te lijf te gaan, maar één voor één moesten ze het onderspit delven: allen werden gedood. Ongerust over hun lang wegblijven begaf Kadmos zich naar de plaats van het onheil. Hij zag zijn dode makkers en hij bad tot de godin Athena om sterkte. En de godin verhoorde hem. Onverschrokken bond hij de strijd aan met het monster en hij bracht het een dodelijke steek toe met zijn zwaard. En Athena sprak nu tot hem: “Ploeg de grond om waarop gij staat, trek de tanden van de slang en zaai ze in de mulle grond”. Kadmos zaaide de tanden zoals hem was opgedragen. Uit de gezaaide tanden schoten gewapende krijgers op uit de grond. Met hen bouwde Kadmos een burcht en hij stichtte een roemrijke stad: Thebe.
Europa was de dochter van Agenor, die koning was van Tyrus, een stad in Azië, gelegen aan de Middellandse Zee. De oppergod Zeus werd verliefd op de mooie koningsdochter. Teneinde haar op een onopvallende manier te kunnen benaderen veranderde hij zichzelf in een stier. Zo begaf hij zich tussen het vee van de koning, dat graasde dicht bij de kust van de zee. Europa merkte het dier op en raakte in vervoering door de indrukwekkende gestalte, de schitterende witte vacht en de grote trouwe ogen. De stier liet zich gewillig strelen door het meisje en nodigde haar uit op zijn rug plaats te nemen. Pas was dit geschied, of hij zette het op een lopen, recht de zee in, en waar het water te diep werd begon hij te zwemmen. Europa was niet weinig geschrokken, ze schreeuwde het uit van angst en ze riep de goden ter hulp. Maar de stier had geen oren naar haar smeekbeden en in een razend tempo zwom hij alover de Middellandse Zee tot hij het eiland Kreta bereikte. Daar ging hij aan land en hij nam weer zijn normale gedaante aan.
Koning Agenor stuurde Europa’s broeders uit om hun zuster te zoeken, maar ze konden haar niet vinden. Europa bleef haar leven lang op het eiland Kreta. Regelmatig kreeg zij het bezoek van Zeus. Zij werd moeder van drie zonen, alle drie kinderen van Zeus, waarvan de bekendste Minos was. Hij werd de eerste koning van Kreta.
De nimf Io trad in dienst bij de oppergodin Hera, als dienstmaagd. Ze was mooi, ook in de ogen van Zeus. Toen, op een kwade dag, de oppergod zich wat al te lang ophield met Io, ergens aan de oevers van een rivier, was dat niet aan de aandacht van Hera ontgaan. Zeus zag zijn gade in de verte al naderen en vlug toverde hij de geliefde Io om in een koe, een pracht van een dier, dat gedwee naast hem stond te grazen in de wei. Maar Hera was niet om de tuin te leiden. Ze sprak tot Zeus: dierbare echtgenoot, wat heb je daar een mooie koe, ik bid je, schenk ze mij. Zeus durfde niet te weigeren en willigde haar verzoek in. Hera nam de koe mee, wel wetende dat er iets niet pluis was en vertrouwde ze toe aan de reus Argos, teneinde haar te bewaken. Voor Argos was dat kinderspel: hij beschikte namelijk over honderd ogen en zelfs in zijn slaap bleef hij wakende, want te allen tijde bleven minstens twee van zijn ogen open. Argos bond Io aan een boom in de buurt van de stad Nemea en hield de wacht bij haar.
Zeus was door die hele gang van zaken zeer bedroefd en hij gaf opdracht aan zijn zoon Hermes zich naar Nemea te begeven teneinde zijn geliefde te bevrijden. Hermes begon met een praatje te slaan met Argos en voor de gezelligheid haalde hij een herdersfluit te voorschijn. Hij speelde een zo slaapverwekkende melodie op de fluit dat ook die laatste twee ogen dichtvielen. Het ogenblik was gekomen om toe te slaan: Hermes hakte Argos het hoofd af en bevrijdde Io. Maar Hera stuurde een horzel op haar af, waarop de koe het hazenpad nam en in ijltempo het Griekse vasteland doorkruiste in noordelijke richting. Aan de kusten van Epirus nam ze een duik in de zee, die naar haar genoemd wordt, de Ionische zee. Tenslotte arriveerde ze in Egypte. Hier gaf Zeus haar de normale gedaante terug.
Dit verhaal zou niet volledig zijn als ik niet zou vertellen wat er verder nog met het dode lichaam van Argos is gebeurd. Hera nam zijn ogen, alle honderd en strooide ze op de staart van haar lievelingsdier, de pauw, die daar heden ten dage nog mee pronkt.
En hier is dan de tekening van Aaron Dornez, 6e leerjaar, Onze Ark, Woesten. Zeus staat dreigend met zijn zwaard voor zijn vader Kronos, die zopas zijn vijf andere kinderen (op de voorgrond) heeft uitgebraakt. Kronos is op de knieën gedwongen en is duidelijk nog misselijk. De beker met de braakverwekkende drank waarvan hij gedronken heeft, ligt op de grond (zie verhaal nr. 2, over Zeus).
Vóór de Paasvakantie kreeg ik twee prachtige tekeningen toegezonden per e-mail, vanwege twee leerlingen van de basisschool "Onze Ark" in Woesten. De ene is van Lieze Dever, 4e leerjaar. De tekening getuigt van een ongewone opmerkingsgave en een beresterke fantasie. Het stelt Hera voor, hangend tussen hemel en aarde, met een zwaar metalen aambeeld aan het been (zie verhaal nr. 3, over Hephaistos). Dank zij Lieze kennen we nu het gewicht van dat aambeeld: zo maar eventjes 120 ton! Proficiat Lieze! Komende week is die andere tekening (van Aaron Dornez) aan bod.
Het duurde niet lang voor Apollo er achter kwam wie zijn koeien gestolen had. Hij haalde de kleine boef uit zijn wieg en bracht hem tot vóór de troon van vader Zeus onder beschuldiging van diefstal. De kleine Hermes ontkende eerst alles, maar tenslotte gaf hij toch zijn misdaad toe. Maar, zo sprak hij, ik heb er maar twee gedood en hun vlees heb ik in twaalf gelijke delen verdeeld en ik heb het geofferd aan elk van de twaalf goden. Op dat ogenblik waren er nog maar elf Olympische goden. Zeus en Apollo vroegen wie die twaalfde dan wel mocht zijn. Die twaalfde ben ík, zij Hermes zelfverzekerd, mijn deel heb ik overigens opgegeten. Terwijl Zeus en vooral Apollo daar hevig tegen protesteerden, haalde Hermes de lier te voorschijn, die hij inderhaast had meegenomen, en hij begon erop te tokkelen. Apollo was zo verrukt over die heerlijke klanken dat hij Hermes voorstelde hem de lier te geven in ruil voor de koeien. Akoord, zei het knaapje, als ik die twaalfde god mag worden. Apollo vond het allang goed, maar Zeus moest natuurlijk zijn toestemming geven. De oppergod bleek snel bereid aan dat verzoek van zijn pientere telg te voldoen en hem zijn zonde te vergeven. Hermes moest echter beloven nooit meer een dergelijke misdaad te plegen, het eigendomsrecht van eenieder te eerbiedigen en niet meer te liegen. Hermes beloofde het, al voegde hij er guitig aan toe, niet te kunnen verzekeren dat hij “altijd de hele waarheid” zou vertellen.
Zeus gaf zijn zoon een staf met linten, gevleugelde sandalen om zich snel door het luchtruim van de ene plaats naar de andere te kunnen verplaatsen, en een ronde hoed tegen de regen, en hij stelde hem aan tot bode van de goden en tot god van de commercie.
Hermes is de god van de handel, maar ook de dienstbode van de goden en… de god van de dieven. Dit verhaal gaat over zijn geboorte en zijn eerste levensdagen.
Hij was de zoon van de oppergod Zeus en van een nimf. Hij werd geboren in een grot, ergens in het midden van Griekenland. Geen kind groeide ooit sneller dan Hermes. Tegen de avond van zijn eerste levensdag verliet hij zijn wiegje. Nog in luiers gewikkeld trok hij erop uit naar het Noorden van het land, naar een plaats waar de prachtige kudde koeien weidde van zijn broer, de god Apollo. De kleine Hermes nam al de koeien met zich mee en hij leidde ze naar een grot, wel vijfhonderd kilometer daar vandaan in het Zuiden van Griekenland. Vooraleer de koeien te verbergen in de grot had hij er eerst twee van gedood, het vel afgestroopt en het vlees geofferd aan de goden. Bij de grot zag hij een schildpad. Hij ontdeed de schildpad van haar schild en hij bespande het schild met snaren die hij gemaakt had uit de koeiendarmen. Hij betokkelde de snaren met een houten plaatje. Er kwamen wondermooie klanken uit: de lier was uitgevonden. Met zijn lier en de twee koeienhuiden haastte hij zich nu snel naar de grot waar hij geboren was. Bij de ingang van de grot hing hij de huiden te drogen. Tegen de ochtend vond zijn moeder haar blozend kind in zijn wiegje, rustig slapend en nog steeds in zijn luiers gewikkeld, alsof er die nacht niets gebeurd was…
De godin Leto was een nicht van Zeus. De oppergod had haar zwanger gemaakt van een tweeling. Hera was woedend en ze stuurde een slang op Leto af, om haar overal te achtervolgen. Zeus veranderde Leto in een kwartel en in die gedaante dook ze in de zee, op zoek naar een eiland waar ze rustig haar kinderen zou kunnen baren. Maar geen enkel eiland wilde haar opnemen. Behalve één: Delos, een klein eilandje, dat los dobberde op het zeeoppervlak. Daar werd eerst een meisje geboren: Artemis, die de godin zou worden van de jacht. Het tweede kind was Apollo, die de god zou worden van de kunst en de wetenschap. Zeus was fier over deze goddelijke tweeling en hij liet een gouden glans stralen over Delos. Uit dankbaarheid voor de gastvrijheid die het eilandje Leto had geschonken, verankerde hij het met vier zuilen aan de bodem van de zee, zodat het niet langer hoefde rond te dolen.
Apollo groeide razendsnel. Na amper vier dagen was hij opgegroeid tot een jonge knaap. Zijn eerste taak was de slang doden die zijn moeder zoveel leed had aangedaan. Hij achtervolgde de slang met pijl en boog tot in de stad Delphi. Daar doodde hij haar in de buurt van een rots, waar we heden ten dage nog een grote steen kunnen zien. Het is de steen die door Kronos werd uitgebraakt, zoals we verteld hebben in verhaal nummer 2.
Athena was de godin van de wijsheid en van de wetenschappen. Zij schonk de mens allerlei nuttige werktuigen, zoals de ploeg en het weefgetouw. Zij leerde de mensen ook de kunst van het weven. In ruil eiste ze eerbied en erkentelijkheid. Wie haar poogde te kleineren werd vaak meedogenloos gestraft. Dat is wat het meisje Arachne is overkomen.
Als kind al had Arachne een buitengewone aanleg voor kunst. Athena zelf bemoeide zich met haar opvoeding en leerde haar de fijnste knepen van de weefkunst. Maar het duurde niet lang of het meisje was in staat zelfs mooiere stukken te weven dan haar leermeesteres. Alom werd Arachne geprezen om haar kunst. Maar de roem steeg haar naar het hoofd en ze begon hoogmoedig te worden. Aan al wie het horen wilde vertelde ze dat ze Athena overtrof in de kunst van het weven. Ze beweerde ook dat ze niets van de godin geleerd had en dat ze alles uit zichzelf kon. Toen Athena dat vernam ging ze bij Arachne op bezoek, vermomd als een oud vrouwtje. Ze spoorde Arachne aan tot meer nederigheid en tot eerbied en dankbaarheid tegenover haar leermeesteres en tegenover de goden. Maar de hoogmoedige Arachne riep uit: - Laat ze zich dan met mij meten, als ze durft, uw godin. Laten we beiden een weefstuk maken, opdat iedereen kan oordelen hoezeer ik haar overtref.
Ten zeerste ontstemd legde Athena nu haar vermomming af en zij ging met Arachne de wedstrijd aan om het mooiste weefstuk. Arachne weefde een kunstwerk dat de goden voorstelde op de Olympos-berg. Het was zo perfect dat die prestatie onmogelijk kon verbeterd worden. Maar Athena, verre van toe te geven dat het meisje iets onovertrefbaars had gemaakt, beschimpte het werk van Arachne, zeggende dat ze de goden had afgebeeld in onzedige houdingen en dat het werk allerminst getuigde van eerbied voor de goden. Ze scheurde het werk aan flarden en ze veranderde Arachne in een spin. Nu kunt ge in eeuwigheid verder weven, voegde ze er aan toe…
Het erechteion is de kleinere tempel die zich naast de kolossale parthenontempel bevindt op de Akropolis van Athene. Het erechteion dankt zijn naam aan Erichtonios, de koning-stichter van de stad. Erichtonios was in feite half slang half mens. Omdat hij geboren was uit de buik van moeder Gaia, van de Aarde dus, bezat hij het onderlichaam van een slang. Toen hij geboren werd legde de godin Athena hem in een gesloten mand. Ze vertrouwde de mand toe aan drie jonge vrouwen en ze verbood hen de mand te openen. Maar de nieuwsgierigheid van de jongedames was groter dan de schrik voor de godin en ze lichtten het deksel van de mand op. Bij het aanschouwen van het kind met het kronkelend slangenlijf, renden ze schreeuwend van angst naar de rand van de Akropolis en ze sprongen de afgrond in, hun dood tegemoet. Een kraai, toen nog Athena’s lievelingsvogel, ging hun ongehoorzaamheid melden aan de godin. Deze was zó verontwaardigd dat ze in haar woede de kraai vervloekte. De vogel moest zijn witte veren inruilen voor zwarte en zijn zoetgevooisde stem voor een vervelend gekras.
Athena moeide zich nu verder met de opvoeding van Erichtonios. Ze bracht hem op met veel tederheid, alsof het haar bloedeigen kind was. En dat kind zou dus later koning worden van Athene en de stamvader van een hele rij koningen. De beroemdste onder die koningen is Theseus. Over hem zullen we later nog uitgebreid vertellen.
Op een dag voelde Zeus zich kotsmisselijk. Het leek of er iets opsteeg uit zijn maag, in de richting van zijn hoofd. Het liep uit op een razende hoofdpijn. Zijn hoofd zwol en stond op barsten. De enige die hem van die ondraaglijke pijn kon verlossen, was zijn zoon Hephaistos, die de god was van de smeden. Hij liet Hephaistos komen en smeekte hem zijn hoofd te klieven met een bijl. En Hephaistos, al was het tegen zijn zin, kweet zich van zijn taak. En ziet: uit het hoofd van Zeus steeg een volwassen jonge vrouw op, fier rechtop, gehelmd en geharnast, met lans en schild. Het was Athena. Ze zou voor altijd Zeus’ meest geliefde dochter zijn.
Met haar oom, de god Poseidon, hield Athena een wedstrijd, om wie de beschermgod van de stad Athene mocht worden. Er werd overeengekomen dat die eer zou te beurt vallen aan de god die de stad het nuttigste geschenk zou aanbieden. Poseidon schonk de stad een paard en hij liet ook nog een zoetwaterbron ontspringen. Athena schonk een olijfboom, die ze plantte op de Akropolis. De bevolking koos voor Athena. Poseidon voelde zich vernederd door die keuze en in zijn woede stootte hij vanuit de zee zijn machtige drietand doorheen het aardoppervlak. Iedere toerist die een bezoek brengt aan Athene wordt verondersteld de Akropolis te bestijgen. Daar staat een grote tempel die aan Athena gewijd is, het Parthenon. Er staat ook nog een kleinere tempel, het Erechteion. In de buurt van die tempel staat nog steeds die olijfboom van Athena en daar is ook de scheur in de aardbodem te zien, die Poseidon met zijn drietand heeft gemaakt.
Athena was de godin van de wijsheid, de wetenschappen en de schone kunsten. Ze werd ook godin van de krijgskunst genoemd. Toch was ze bijlange niet zo oorlogszuchtig als haar broer, de oorlogsgod Ares. Wee echter degene die het met haar aan de stok kreeg. Daarover vertellen we meer in de volgende verhalen.
Komende week is er krokusvakantie en geen nieuw verhaaltje uit de Griekse mythologie. Tijd dus om de eerste drie verhalen nog eens door te nemen en er een mooie tekening bij te maken. Wie mij in de loop van die week de mooiste aangepaste tekening stuurt krijgt gratis het boek "Grijslokes Olympiade" thuis gezonden. Het boek is door mij geschreven en het handelt over de mythologische oorsprong van de Spelen (o.a. de Olympische) in het oude Griekenland. Tevens zijn de meeste mythologische verhalen erin verwerkt. De anderen krijgen een eervolle vermelding op mijn blog. Vergeet niet te vermelden: naam, adres, leeftijd, school en klas. Een foto van jezelf of zelfs van je hele klas mag ook...
De oppergod Zeus nam zijn jongste zuster Hera tot echtgenote. Zeus was echter verliefd op menig andere vrouw en dat vond Hera allerminst leuk en er kwamen talrijke echtelijke ruzies uit voort. Samen hadden ze vier kinderen, waarvan de bekendste zijn: Hephaistos, de god van de smeedkunst, en Ares, de god van de oorlog. Hephaistos was aartslelijk en onmiddellijk na de geboorte wierp Hera haar pasgeboren zoon in de zee. Maar de kleine Hephaistos werd opgevangen door twee zeenimfen. Deze voedden het kind op en deden het in de leer bij de dwerg Kedalion. Hier leerde Hephaistos de kunst van het smeden en hij bereikte daarin een ongelooflijke bekwaamheid. Om zich te wreken op zijn moeder smeedde hij een gouden zetel. Hij liet haar de zetel brengen naar de Olympos. Maar toen Hera in de zetel ging zitten, sloten onzichtbare klemmen zich om haar lichaam zodat ze gevangen zat. Dionysos, de god van de wijn, slaagde erin Hephaistos te overreden om zijn moeder te bevrijden, nadat hij hem eerst dronken had gemaakt. Maar Hephaistos eiste dat hij in ruil daarvoor Aphrodite, de godin van de liefde, als bruid zou krijgen. Dat werd hem toegestaan. Maar dat huwelijk was een grote vergissing, want nooit heeft Aphrodite gevoelens van liefde gehad voor de lelijke Hephaistos.
De wrok tegenover zijn moeder was nu over: voortaan zou hij zelfs haar verdediger worden. Op een dag had Zeus zijn vrouw aan een ketting opgehangen tussen hemel en aarde met aan elke voet een zwaar metalen aambeeld, omdat hij haar gezeur over zijn echtelijke ontrouw beu was. Hephaistos bevrijdde haar. Maar nu was Zeus vertoornd op zijn zoon en hij stampte hem uit de hemel. Hephaistos plofte neer op het eiland Lemnos. Hij hield er kreupele ledematen aan over. Aan handigheid had hij nochtans niets ingeboet en op Lemnos richtte hij een smidse in waar hij de mooiste juwelen, wapenrustingen, meubelen, instrumenten en dergelijke vervaardigde.
Nadat hij zijn vader had onttroond, als heerser van het heelal, bevrijdde Kronos zijn broeders en zusters. Hij trouwde met één van zijn zusters, Rhea. Kronos en Rhea hadden zes kinderen. Kronos was bang dat hij op zijn beurt van de troon zou gestoten worden door één van zijn kinderen. Daarom verslond hij ze allen, direct na hun geboorte. Maar toen de jongste, Zeus, geboren werd, schonk moeder Rhea een in luiers gewikkelde steen aan haar echtgenoot. Kronos verslond de steen en Rhea bracht haar jongste zoon in veiligheid op het eiland Kreta. Daar stond zijn wiegje, in een grot, op de berg Ida. Het kind werd verzorgd door de nimfen en gevoed met de melk van een geit, Amalthea. Op een dag brak één van de hoornen van de geit af. De kleine Zeus vulde die hoorn met korenaren en vruchten en allerlei kostbare dingen. Die hoorn werd “de hoorn des overvloeds” genoemd: ieder die hem in zijn bezit heeft krijgt alles wat zijn hartje lust.
Toen Zeus groot en krachtig geworden was, ging hij naar zijn vader toe en gaf hem een braakverwekkende drank. Kronos braakte meteen de twee broeders en de drie zusters van Zeus uit: Poseidon, Hades, Demeter, Hestia en Hera. Met zijn broers bond Zeus nu de strijd aan tegen Kronos en de Titanen, die ondertussen door Kronos bevrijd waren. De drie broers wonnen het pleit en ze verdeelden het heelal onder elkaar: Zeus werd de god van hemel en aarde, Poseidon werd de god van de zeeën en Hades de god van de onderwereld, het rijk der doden.Zeus en Poseidon, alsook hun zusters, namen als vaste verblijfplaats de Olympos, een hoge berg in het Noordoosten van Griekenland.
Vele duizenden jaren geleden was de hemelgod Ouranos de heerser van het heelal. Hij was getrouwd met Gaia, de godin van de Aarde. Samen hadden ze twaalf kinderen: de Titanen. Maar Ouranos hield niet van zijn kinderen. Hij was bang dat een van hen hem van zijn troon zou stoten. Daarom stopte hij hen allen in een kuil, diep in de aarde. Maar de jongste, Kronos, werd door zijn moeder Gaia bevrijd. En, jawel, hij kwam in opstand tegen zijn vader en stootte hem van de troon. Ouranos was door zijn zoon zwaar gewond en vanuit de hemel druppelde zijn bloed op de aarde en overal waar een druppel bloed gevallen was ontstonden levende wezens: lieflijke nimfen, maar ook gedrochtelijke reuzen. En er druppelde ook een levengevend zaad uit de hemel en dat zaad kwam in de zee terecht, niet ver van het eiland Cyprus. Op die plaats begon de zee te schuimen en uit dat schuim kwam een onvoorstelbaar mooie jonge vrouw te voorschijn: het was Aphrodite. De golven van de zee namen haar op en legden haar in een reusachtige schelp. En een zacht windje bracht haar naar het eiland. Toen ze aan land ging begonnen overal bloempjes te bloeien en vogeltjes te zingen om haar te verwelkomen als de godin van de liefde.
De bijbel vertelt dat God een figuur maakte uit klei en er leven in blies. Zo ontstond de eerste mens, Adam. Toen nam God een rib uit Adams lichaam en maakte daarvan de eerste vrouw, Eva.
Jullie denken waarschijnlijk dat dit niet écht gebeurd is. Het ís ook niet echt gebeurd. Dit is slechts één van de vele verhalen die de mensen hebben uitgevonden om te tonen dat ze geloven in een god, die alles geschapen heeft en over alles regeert: de zon en de aarde en alle sterren en planeten en de levende wezens…
Meer dan 3000 jaar geleden, lang voor het ontstaan van het christendom, geloofden de Grieken in een heleboel goden. Er ontstonden in Griekenland ontelbare verhalen over die goden. De Romeinen die zo’n 2000 jaar geleden regeerden over een groot deel van Europa (ook over óns land) vereerden dezelfde goden. Toen is het christendom ontstaan - en later nog de islam - en het geloof in de Griekse en Romeinse goden werd vervangen door het geloof in één enkele god. Maar de verhalen zijn bewaard gebleven. Wij noemen ze mythen en het geheel van die mythen noemen wij “de Griekse mythologie”.
De verhalen uit de Griekse mythologie zijn zeer belangrijk omdat zij een grote rol hebben gespeeld in het leven van de oude Grieken en Romeinen en omdat zij tot op de dag van heden het onderwerp geweest zijn van een ontzaglijk groot aantal kunstwerken in de literatuur, het theater, de film, de muziek, de schilderkunst, de beeldhouwkunst, de bouwkunst…
Op mijn weblog www.bloggen.be/dzeusverschijnen er sedert eind vorig schooljaar verhalen uit de Griekse mythologie, iedere maandag en iedere vrijdag. Ze zijn bedoeld voor het middelbaar onderwijs. Vanaf 25 januari begint een reeks verhalen op een nieuwe weblogwww.bloggen.be/mythos . Het zullen in feite dezelfde verhalen zijn, doch meer geschikt voor leerlingen van het vijfde en het zesde leerjaar van het lager onderwijs. De verhaaltjes zullen een beetje korter zijn en wat minder moeilijke woorden bevatten (de meester of de juf zullen gaarne de moeilijke woorden uitleggen, die er toch nog zouden inzitten). Ze zullen ook maar éénmaal in de week verschijnen, nl. op vrijdag. Er zal telkens een illustratie bij zijn.
Zouden jullie het geen leuk idee vinden om zelf ook nog voor een passende illustratie bij die verhalen te zorgen? Er zijn ongetwijfeld goede tekenaars onder onze leerlingen. De meest geslaagde tekening plaats ik dan op mijn weblog met vermelding van de naam van de leerling, van de school en de klas. De tekeningen kunnen via e-mail (kris.vansteenbrugge@skynet.be) of via de gewone post opgestuurd worden (Kris Vansteenbrugge, Sint-Denijsestraat 191 B, 8500 Kortrijk). Aanmerkingen, opmerkingen en vragen zijn eveneens welkom. Mijn dank bij voorbaat en… nog veel leesplezier.
Petros Papachristianopoulos zat fier op de eerste rij in de grootste schouwburg van het land. Rechts van hem zat de vrouw van de eerste minister, die dan ook nog geflankeerd werd door de eerste minister himself. Links van hem zat de burgemeester van de stad, die zelf een vrouw was en zonder partner was gekomen. En dat alles ter gelegenheid van de première van zijn toneelstuk “Odysseus op Aiaia”. Petros was niet aan zijn proefstuk toe. Maar nooit, au grand jamais, was één van zijn stukken opgevoerd. “De twistappel” niet en “De oorlog van Troje” niet, beide verhalen die te maken hadden met de Griekse mythologie. Net als “Odysseus op Aiaia” overigens. Maar ook “Een dochter voor het leven” en “De dokter wordt gigolo”, twee volkse blijspelen hadden geen genade gevonden in de ogen van de talrijke kleine toneelgroepen aan wie hij zijn werk had pogen te slijten. Tot hij, door een stom toeval, op een avondlijke receptie kennis maakte met de dochter van de eerste minister, wiens echtgenoot een dikke vinger in de pap bleek te hebben bij ’s lands belangrijkste toneelgezelschap. Uit het een kwam het ander voort en nu zat hij dus hier, ineens vanuit het niets opgeklommen tot nagenoeg de hoogste trap van de ladder die een toneelschrijver zich kan indenken.
De zaal zat afgeladen vol. Achteraan had men inderhaast een paar stoelen bijgezet. Omhoog ging het doek. De scène is een zonovergoten zuiders eiland. Er staan drie palmbomen en er stoeien drie jeugdige half naakte jonge meisjes. Eéntje doet aan touwtjespringen terwijl de twee anderen spelen met een grote strandbal. Hun namen zijn: Aglaia, Euphrosyne en Thalia. Het zijn dezelfde namen die ook de Charites dragen, de drie Gratiën. Die namen hebben ze ongetwijfeld van hun ouders gekregen bij hun geboorte, omdat die namen staan voor schoonheid, vreugde en geluk. Hun ouders? Maar wie zijn hun ouders? Ze weten het niet. In tegenstelling tot de Gratiën stammen ze allerminst af van Zeus, de oppergod.. Als wezenkinderen zijn ze opgegroeid op dit eiland, onder toezicht van Kirke. Ja, Kirke is een échte godin want zij is de dochter van de zonnegod Helios. Kirke heeft zich over de drie meisjes ontfermd, maar ze speelt ook lelijk de baas over hen en dat maakt hen ongelukkig. Buiten henzelf en Kirke is hier overigens geen menselijk wezen op dit eiland en ook dát maakt hen ongelukkig. Dieren zijn er hier anders genoeg: leeuwen, tijgers, beren, varkens. Ja, vooral varkens… Kirke zegt dat ook zij van hoge afkomst zijn: ontstaan uit het bloed van de oergod Ouranos. Deze was de god van de hemel en had bij de godin van de aarde, Gaia, een paar dozijn kinderen verwekt. Maar bang als hij was, dat een van zijn kinderen hem van zijn hemelse troon zou stoten, had Oeranos al die kinderen in de Tartaros, de onderwereld, geworpen. Gaia echter bevrijdde zelf haar jongste telg, Kronos. Ze gaf hem een sikkel en ze gaf hem de opdracht Ouranos te verrassen in zijn slaap en zijn geslachtsorganen af te snijden. En aldus is geschied. Na zijn vader ontmand te hebben gooide hij de hele santenboetiek van op het Griekse vasteland een paar honderd kilometer ver in zee. Druppels bloed leekten op de aardbodem, in de schoot van moeder Aarde, als het ware.
- Die bloeddruppels hebben onze aardmoeder bevrucht, zegt Aglaia, die de wijste is van de drie. Daaruit zijn wij ontstaan.
- Weet je zeker dat hetbloeddruppels waren? vragen Euphrosyne en Thalia. In de lessen van biologie hebben we dat wel even anders geleerd.
Maar Aglaia verzekert hen dat het voortplantingsmechanisme bij de goden nogal eens afwijkend kan zijn van de norm.
- Zijn wij dan goden? vraagt Euphrosyne.
- En hebben wij het eeuwig leven? vraagt Thalia. En de eeuwige jeugd?
Aglaia acht zich geroepen om dit even uit te leggen aan haar zusters. Neen, ze zijn geen echte goden en in tegenstelling tot de goden hebben zij niet het eeuwig leven. Maar er is hun wel een láng leven beschoren, een leven dat honderden, misschien wel duizenden jaren kan duren. En de eeuwige jeugd? Ja, die hebben ze wél… voor zolang hun eeuwigheid duren zal, natuurlijk. Geen rimpeltje, niet het minste grijze haar zal ooit hun schoonheid en hun jeugd ontsieren. Het eeuwig leven en de eeuwige jeugd zijn niet noodzakelijk met elkaar verbonden. Ze kennen toch het verhaal van de Eos, nietwaar, de godin van de dageraad, die verliefd was geworden op Tithonos, een sterveling. Eos vroeg aan de oppergod Zeus het eeuwig leven voor haar geliefde. Haar bede werd verhoord, maar omdat Eos vergeten had de eeuwige jeugd erbij te vragen, ontsnapte Tithonos niet aan een voortdurende veroudering. Op de duur was hij helemaal ineengeschrompeld als een krekel. En als krekel is hij blijven verder leven.
Ja, dat verhaal kennen ze: dat hebben ze op school geleerd. En dat de edele delen van Ouranos uiteindelijk in de zee beland zijn, op luttele kilometers afstand van het eiland Cyprus. En dat dáár pas de zaadcellen van de oergod zich gemanifesteerd hebben. Dat ze zich vermengd hebben met Pontos, de zee. En dat op dat ogenblik en op die plaats de zee is beginnen schuimen en dat uit dat schuim een vrouwelijk wezen is ontstaan dat nog oneindig veel mooier is dan zijzelf, een wezen dat zowel het eeuwig leven als de eeuwige jeugd in zich verenigt: Aphrodite, de godin van de liefde, een godin “pur sang”. Zij zelf zijn slechts “nimfen”.
Neen, gelukkig zijn onze drie maagdelijke nimfen niet. Wat hebben zij aan hun schoonheid en aan hun “eeuwige” jeugd. Beklagenswaardig vinden zij hun toestand, hier op dit eenzame eiland. Behalve zijzelf en de godin Kirke – een tovergodin naar zij menen te weten – woont hier niemand. De voorbije jaren is er nog wel wat afwisseling geweest: regelmatig was er nieuws van de oorlog van Troje, hetwelk zij vernamen via de radio. Het waren fantastische verhalen over heldhaftige krijgers die vochten om het bezit van een vrouw, de mooie Helena van Sparta. Ze droomden ’s nachts dat zijzelf Helena waren en dat stoere mannen met gespierde blote bovenlijven zich over hen ontfermden. Dan lagen ze te rillen in hun bed en er fladderde iets in hun onderbuik. Maar sinds de oorlog ten einde is brengt de radio enkel nog saaie jankerige muziek en slechts nu en dan zien ze een verdwaald schip in de verte. Zelden meert er iemand aan op het eiland, ofschoon er een haventje is. Het haventje bevindt zich in de buurt van het paleis van Kirke en als er al eens een vreemdeling het eiland betreedt wordt hij door de godin angstvallig aan het oog van de drie nimfen onttrokken. Gedurende een korte of langere tijd amuseert Kirke zich dan met de vreemdeling. Ze speelt spelletjes met hem en als ze moe gespeeld is, en als ze moe gespeeld is tovert ze hem om in een of ander dier. Verscheidene dieren bevolken het eiland, allemaal omgetoverde verdwaalde reizigers, vaak schipbreukelingen, die de nimfen enkel te zien krijgen in hun dierlijke gedaante. Er zijn leeuwen bij en tijgers en luipaarden, maar ze doen niemand kwaad en ze zijn zo zachtaardig als lammetjes.
Toch heerlijk zo te leven op een altijd zonbeschenen eiland, zou een mens denken. Maar het kan nimfen niet bekoren, en ook de talloze zongerijpte vruchten kunnen hen niet langer bekoren: druiven, peren, bananen, vijgen, sinaasappelen… Waar zij naar verlangen is een man. Een man. Zij weten nauwelijks hoe een man er uitziet, buiten enige noties uit de lessen biologie. Theoretische noties… En Kirke, die dwarsboomt alleen maar hun verlangens. Wat kan hun dit eiland schelen. En hoezeer hebben zij lak aan eeuwige jeugd of aan onsterfelijkheid. Wat hebben ze aan het leven, laat staan het eeuwig leven, een leven zonder man? Een man! Zie, ze krijgen weer trillingen in de buik, als ze alleen nog maar aan een man denken… Maar nu moeten ze even van het toneel. Kirke zou immers boos kunnen zijn omdat zij zo lang wegblijven…
Nu betreedt een man het toneel. Hij lijkt uitgeput. Hij is geen jonge knaap meer, maar duidelijk nog in de volle kracht van het leven. Zijn kleren hangen als lompen om zijn leden. Maar ondanks zijn gehavende toestand straalt de man kracht uit en adel. De vrouw van de eerste minister slaakt een zucht van opwinding. De man is niemand minder dan Odysseus, de koning van Ithaka, die op de terugweg is van Troje naar zijn geboortegrond, na een gruwelijke oorlog, die tien jaar geduurd heeft. Hij wenkt zijn drie kompanen. Zij komen te voorschijn, eveneens fel toegetakeld en met wonden overdekt. Van de vele strijders die Odysseus naar Troje vergezeld hebben zijn zij de enige nog overgeblevenen. Het grootste deel van de strijdmakkers is gesneuveld in de oorlog. Een ander deel werd gedood tijdens de terugreis, door de bewoners van het eiland Ismaros, de Kykonen. Dat was hun eigen schuld: ze hadden maar niet moeten plunderen op het eiland en de vrouwen van de Kykonen niet moeten verkrachten. Ook op het eiland van de éénogige reuzen zijn nog vele van de overblijvende strijdmakkers omgekomen, in het hol van Polyphemos, alwaar zij tot voedsel dienden voor de mensenetende cycloop. En toen zij voorbij het eiland van de Laystrigonen voeren, zijn hun schepen door de bevolking – eveneens reuzen – bekogeld met grote rotsblokken, zodat alle overblijvende mannen, op vier na, alsook de overblijvende schepen, op één na, ten onder zijn gegaan. Geen wonder dat Odysseus’ gezellen met een bang hart dit eiland betreden. Odysseus moedigt hen aan:
- Komaan, vrienden, op dit klein, lieflijk eiland hebben wij niets te vrezen.
- Zou dit eiland onbewoond zijn? Vraagt één van de makkers.
- Het lijkt wel zo, zegt Odysseus. Hier zijn ongetwijfeld geen woeste krijgers en geen mensenetende reuzen…
- En geen mooie vrouwen, die ons het heimwee naar huis kunnen doen vergeten, werpt er een op.
En dat ontlokt een zucht van ontgoocheling bij de andere twee.
- Dwazen, denkt Odysseus.
Geen van de vier schipbreukelingen heeft zin om lang op dit eiland te vertoeven. Maar de duisternis begint in te vallen en ze zullen alvast de komende nacht hier moeten doorbrengen. Morgenochtend zullen ze proberen hun gestrand schip weer zeevaardig te maken. Odysseus legt zich te ruste onder een boom. Zijn makkers verlaten het toneel: zij vinden het veiliger vannacht op het schip te slapen…
Odysseus ligt weldra te snurken als een varkentje. In het halfdonker nadert een sombere gestalte. De geheimzinnige is gehuld in een soort cape. Op het hoofd heeft hij een helm en hij heeft een staf in de hand. Hij loopt wat rond op de scène, tot hij Odysseus opmerkt. Hij gaat gezwind op hem af en schudt hem wakker. Odysseus is hevig geschrokken, hij grijpt naar zijn mes en wil daarmee de vreemde indringer te lijf gaan. Maar deze ontwijkt met een katachtige lenigheid en hij spreekt Odysseus toe:
- Stop dat mes weer in de schede, o dappere maar sterfelijke Odysseus. Mij doden kunt gij niet, want ik behoor tot de onsterfelijken. Tracht ook niet mij te verwonden, want ik kom in vrede. Ik kom in opdracht van mijn vader, de oppergod Zeus en van mijn halfzuster, de wijze godin Athena.
Odysseus staat nu recht tegenover de god. Hij laat het mes uit zijn handen glijden. Hij stamelt:
- Dan zijt gij ongetwijfeld Hermes, de bode van Zeus en de god van de commercie…
- …en van de leugenaars en de dieven, voegt Hermes er lachend aan toe. Dat hebt gij goed geraden. Niet voor niets zijt gij de slimste en de vindingrijkste onder alle stervelingen. Weet dat Poseidon, de god van de zeeën het op u gemunt heeft en niets anders wil dan u te vernietigen, uit wraak omdat gij zijn zoon Polyphemos zwaar verminkt hebt. Maar heb vertrouwen. Mijn vader Zeus staat aan uw zijde en nu zijn broer Poseidon voor enkele weken op reis is in Afrika, heeft hij besloten u te helpen. Daarom zendt hij mij om u bij te staan met raad en daad.
- Zeg mij dan waar ik mij bevind, hoe de naam is van dit eiland, waar mijn makkers en ik zijn terechtgekomen. En of het bewoond is door reuzen of monsters die ons naar het leven zullen staan.
- De naam van het eiland is Aiaia.
- Aiaia?
- Precies, Aiaia!
- Ja, natuurlijk, ik dacht al dat u zich pijn had gedaan. Maar vertelt u alstublieft verder.
- Dit eiland wordt bewoond door een onsterfelijke vrouw, een godin dus, die in schoonheid nauwelijks moet onderdoen voor de mooie Helena of zelfs voor Aphrodite. Haar naam is Kirke.
- Kirke!? Is zij niet de dochter van Helios, de zonnegod?
- Zeer zeker. Zij woont hier in een paleis. Het bevindt zich aan de andere kant van het eiland. En dan… wonen op dit eiland nog drie andere vrouwspersonen. Ze zijn aan Kirke’s onderdanige dienaressen.
- Sterfelijke vrouwen? Of zijn het godinnen?
- Nog ’t een nog ’t ander. Nimfen zijn het.
- Zijn ze jong? En mooi?
- Allebei. Nimfen zijn altijd jong en mooi. Niet zo mooi als Kirke natuurlijk, maar tóch: héél veel moeten ze niet voor hun meesteres onderdoen.
- O wee, wat voor rampen staan er nog te wachten. U moet weten dat ik hier met drie makkers aangespoeld ben op dit eiland. Als ze die meiden te zien krijgen zijn ze hier misschien met geen stokken meer weg te krijgen. Zij brengen nu de nacht door op het strand in ons gehavend schip, bang als ze zijn voor monsters en wilde dieren.
- Monsters zijn er niet op dit eiland en de wilde dieren zijn hier zo tam als lammetjes. En weinig hebt gij te vrezen van de nimfen: Kirke weet haar dienaressen steeds goed af te schermen van de andere sexe. Desondanks bedreigt u hier een groot gevaar!
- En dat is?
- Kirke zelf. Zij is namelijk zeer bedreven in de kunst van het toveren. Gij kunt ervan op aan dat ze zal proberen u in haar netten te strikken. Met alle tovermiddelen waarover zij beschikt, en ook met haar charme, zal zij pogen u vrouw en kind, familie en vaderland te doen vergeten en u vast te houden op het eiland.
- Dat hebben ze ook geprobeerd op het eiland van de Lotofagen, de lotuseters. Wij waren op het eiland aangespoeld, zoals wij nu op dit eiland zijn aangespoeld. Toen waren we nog veel talrijker. Bijna al mijn makkers zijn omgekomen. Er zijn er nog amper drie over. Wij werden er uitgenodigd om van de lotusplant te eten. De meesten waren op hun hoede, maar degenen die van de plant gegeten hadden, vergaten outer en heerd en wensten niets liever dan op het eiland te blijven. Gelukkig waren het er maar enkelen en met geweld konden ze weer naar de schepen gebracht worden.
- Dat verhaal is mij halvelings bekend. En Kirke is nog honderd keer meer te duchten dan de Lotofagen. Wat zij met uw makkers voor heeft, weet ik niet precies, maar ik weet wel zeker dat ze u op dit eiland wil vasthouden. Ze zal u ongetwijfeld iets te eten of te drinken aanbieden waardoor gij uw geliefde vaderland zult vergeten en alle zelfcontrole zult verliezen. Zij is een tovenares, Odysseus! Een tovenares in een betoverend lichaam, een gevaarlijk lichaam… Maar vrees niet: ik zei immers dat Zeus mij zendt om u te helpen.
Nu haalt Hermes van onder zijn mantel een plant te voorschijn en overhandigt ze aan Odysseus.
- Eet deze plant op staande voet op, Odysseus, met wortel en al, en ge zult voor altijd beschermd zijn tegen alle listen en tovertruken van Kirke.
Terwijl Hermes zich reeds verwijdert, roept Odysseus hem nog woorden van dank na en belooft hem een mooi offer te brengen als hij eenmaal in zijn vaderland zal teruggekeerd zijn. De plant die de god hem heeft gegeven is gauw verorberd. Ze heeft een bittere nasmaak en die spoelt Odysseus weg met een slok wijn uit de veldfles die nog om zijn middel bengelt. Hij prijst de wijn, een restant van de twaalf dozijn flessen die hij op het eiland Ismaros gekregen heeft van een priester, nadat hij hem het leven had gespaard. Die wijn heeft tenslotte ook zijn leven, en dat van verscheidene van zijn makkers gered op het eiland van de cyclopen. Ze hebben er de cycloop Polyphemos immers zo stomdronken mee gemaakt dat hij in een zeer diepe slaap viel. Daarna hebben ze Polyphemos’ enig oog uitgebrand, hetgeen hen in de gelegenheid stelde te ontsnappen.
Odysseus neemt er nog een slaappil bovenop en in minder dan geen tijd ligt hij weer te snurken.
Bij het eerste morgenlicht verschijnen de nimfen weer ten tonele. Ze horen een vreemd geknor. Zou het een varken zijn? Ze kennen het geknor van varkens: er lopen er genoeg rond op het eiland. Neen, het geknor van een varken klinkt toch anders. Ze schrikken geen klein beetje als ze plots Odysseus opmerken, die nog steeds zwaar snurkend “in Morfeus’ armen” ligt. Hun nieuwsgierigheid overwint de vrees en ze besluiten dit vreemde wezen te onderzoeken. Zou het een man kunnen Zijn? Hun vermoeden wordt bewaarheid: dank zij hetgeen ze zich nog herinneren uit de lessen van biologie komen ze tot de conclusie dat het hier wel degelijk om een man gaat. Maar, wat moeten zij met hem aanvangen? Waar dient zo’n man voor? Wat doe je eigenlijk met een man?
- Zullen we hem verstoppen? vraagt de ene.
- Misschien kunnen we hem beter eerst wakker maken, zegt een andere.
Dat lijkt hun een goed idee. Ze knijpen zijn neus dicht, kriebelen aan zijn voetzolen, ze trekken aan zijn oren. Tevergeefs. Het lijkt wel of deze vreemde man niet wakker te krijgen is.
- Als we eens probeerden hem te kussen, stelt Aglaia voor. Ze giechelt met haar eigen voorstel, en de anderen giechelen mee.
- Kussen op de mond?
- Ja, wáár anders?
Kussen, ja, dat lijkt hun wel wat. Aglaia buigt zich aarzelend al over Odysseus om hem te kussen. Maar ze durft niet goed.
- Doe jij maar eerst, zegt ze tegen Euphrosyne.
Maar deze durft evenmin:
- Ik ben bang dat hij verandert in een kikker, als ik hem ga kussen.
- Jij leest teveel sprookjes, zegt Thalia. En daarenboven, mannen veranderen nooit in kikkers. Het zijn kikkers die in mannen veranderen. Kom, ik zal het eens voordoen.
Maar ook Thalia durft niet goed. Ze aarzelt:
- Moeten we dit niet melden aan Kirke?
- Maar die zal hem natuurlijk weer voor zichzelf houden en hem na een tijdje misschien veranderen in een of ander dier. Laten we hem voorlopig verbergen, achter die struiken daar.
Dat lijkt hun alle drie een goed idee. Terwijl ze Odysseus optillen horen ze plots de stem van Kirke. Verschrikt laten ze de nog steeds slapende Odysseus vallen en ze gaan zich verbergen achter een struik, vanwaar ze met spanning zullen afloeren wat komen gaat.
Odysseus is wakker geschoten door de val. Kirke verschijnt nu ten tonele. Een schitterende, goddelijke verschijning. Ze herkent Odysseus onmiddellijk.
- Odysseus, roept ze uit, mijn held! Eindelijk zijt ge daar.
Kirke buigt zich over Odysseus en steekt haar armen naar hem uit, maar deze, nog enigszins bedwelmd en verblind door Kirkes uitstraling, maakt een afwerend gebaar:
- Wie zijt gij? Naar uw schoonheid en uw schittering te oordelen, moet gij wel een godin zijn.
- Dat hebt gij goed geraden, Odysseus, slimste aller stervelingen. Ik ben Kirke, dochter van niemand minder dan Helios, de zonnegod himself.
- Hoe kent gij mij? Hoe weet gij dat ik Odysseus heet? Is het dan toch waar dat goden alles weten?
Langzaam komt Odysseus rechtop zitten. Vol bewondering voor zijn gespierd lichaam staart Kirke hem aan. Ze rilt, ze is even de kluts kwijt, ze stamelt:
- Goden weten véél Odysseus, niet álles. Mijn vader Helios bijvoorbeeld weet enkel wat hij met eigen ogen gezien heeft, maar da’s natuurlijk wel een heleboel… De enige die álles weet is Zeus. En dan nog… ’t Gebeurt meer dan eens dat zijn aandacht afgeleid wordt waardoor iets aan zijn alziend oog ontsnapt. Maar dat ik u herken en dat ik niet verwonderd ben u hier te ontmoeten, mijn knappe welgebouwde held, heeft niets te maken met mijn goddelijke status: het orakel heeft het mij voorspeld!
Bij ’t uitspreken van de woorden “mijn knappe welgebouwde held” is Kirke naast Odysseus op de grond gaan zitten. Ze streelt zijn stoere borstkas en zijn gespierde armen. Hij reageert niet op haar strelingen. Roerloos zit hij voor zich uit te kijken.
- Vindt gij het niet aangenaam dat ik u aanraak, Odysseus? Vindt ge mij niet aantrekkelijk? Hoorde ik u daarnet niet mijn schoonheid roemen?
Odysseus blijft onbewogen, hij lijkt in gedachten verzonken.
- O, dappere, stoere, listige en ook verstandige held van mij! Hoezeer heb ik niet naar deze kennismaking uitgekeken. Zwermen vlinders hebben mijn lichaam doorzinderd, telkens als ik kennis kreeg van uw roemrijke daden tijdens de oorlog van Troje, de moeder van alle oorlogen. En toe ik vernam dat door uw listig optreden de oorlog in het voordeel van de Grieken beslecht was, stond mijn lichaam in vuur en vlam voor u. Uw onverschilligheid doet mij pijn, Odysseus. Zit toch niet steeds voor u uit te staren, kijk mij aan en zeg mij of ge mij mooi vindt.
Traag wendt Odysseus het hoofd in haar richting. Een poos kijkt hij haar aan en blijft daarna weer sprakeloos.
- Ik weet dat gij op weg zijt naar uw thuisland, Ithaka. En ik weet ook dat de goden u de terugtocht moeilijk, wat zeg ik, onmogelijk maken. Niemand beter dan ik begrijpt uw moedeloosheid. Geen menselijke gevoelens zijn godinnen vreemd, mijn lieve Odysseus. Daarin verschillen wij niet van de mensen. Wij kennen dezelfde gevoelens, dezelfde pijnen, hetzelfde genot. Op twee punten slechts verschillen wij van de mensen: wij hebben de eeuwige jeugd en de onsterfelijkheid. Maar dat doet hier niets terzake. Kom lieveling, laat uw hart ontdooien en vertel mij van uw wedervaren op de terugreis, die u niet naar Ithaka gebracht heeft, maar naar… mij.
Weer streelt Kirke de stoere borstkas.
- Vertel mij lieveling van uw omzwervingen, want daar is weinig of niets mij ter ore gekomen.
Zonder Kirke aan te kijken en zonder emotie te laten blijken, begint Odysseus een verhaal te doen.
- Een krachtige wind dreef onze schepen met de overgebleven manschappen vanuit het geplunderde en platgebrande Troje in noordelijke richting. Zo bereikten we de kusten van Thracië. Daar gingen we aan land bij een kustplaats die Ismaros heet. De inwoners van Ismaros, de Kikonen, waren tijdens de oorlog bondgenoten geweest van Troje.
Smachtend aanhoort Kirke haar held:
- En u werd er niet hartelijk verwelkomd?
- Vanzelfsprekend niet. Mijn mannen raakten slaags met de inwoners. Bij dat gevecht moesten de Kikonen al snel het onderspit delven. Alle mannelijke inwoners van het stadje, die er niet in slaagden het bergachtig binnenland in te vluchten, werden gedood. Eén werd er gespaard, door mijn toedoen: Maron, de priester van Apollo. Uit dankbaarheid schonk hij mij twaalf kruiken opperste beste wijn. Vooraleer van Ismaros weg te varen, plunderden mijn mannen de streek en ze verkrachtten de vrouwen.
- En gij, mijn held, hebt ook gij u schuldig gemaakt aan die barbarijen?
- Aan het plunderen wel, niet aan het verkrachten. Ik gaf mijn mannen de raad de plaats zo snel mogelijk te verlaten, maar ze sloegen mijn raad in de wind en bijna was dát hen fataal geworden. De enkelen die gevlucht waren, hadden geoefende krijgers uit de omgeving gemobiliseerd. Dezen gingen de confrontatie aan met ons. Vele van mijn mannen werden gedood. Toch konden de meesten nog de schepen bereiken…
Odysseus stopt even met zijn verhaal en blijft weer even in stilte verzonken.
- En hoe ging het verder Odysseus. Zie hoe zeer ik brand van verlangen om te weten hoe het verder is verlopen. Vertel verder, ik zie dat het u goed doet, uw hart te kunnen luchten. Uw versteende ziel begint stilaan te ontdooien.
- Een krachtige noordenwind dreef nu de schepen zuidwaarts tot aan kaap Malea, het meest zuidelijk punt van de Peloponnesos. Maar het was duidelijk dat de goden nu niet langer aan onze zijde stonden. Door een felle stormwind werden onze schepen, twaalf nog in getal, verder gedreven naar de kusten van Noord-Afrika, en uiteindelijk belandden wij in het land van de Lotophagen.
- Zijn dat niet de Lotuseters, die zich voeden met de vruchten van de lotusboom?
- Precies. Het zijn vriendelijke en gastvrije mensen. De vruchten die ze ons aanboden waren lekker, zo bleek.
- Maar wie de lotusvrucht eet, verliest zijn geheugen, nietwaar?
- Dat wist ik toen nog niet. Niettemin was ik op mijn hoede en ik weigerde van de vruchten te eten. Degenen die het wel gedaan hadden bleken zich plots niets meer te herinneren van hun geboortestreek, noch van hun familie, noch van de oorlog.
- Wat vreselijk!
Het klinkt niet echt gemeend zoals Kirke dit zegt. Ze streelt nog steeds Odysseus’ armen en borst. Deze gaat, schijnbaar onberoerd, verder:
- De behoefte om naar hun vaderland terug te keren was helemaal verdwenen en ze wensten niets liever dan te blijven in dat zonnig land, met zijn hartelijke mensen en zijn heerlijke vruchten.
- Was het in dat land zonniger dan hier, en waren de mensen er vriendelijker? Uiteindelijk zijn jullie daar toch weggegaan?
- Ikzelf en enkelen die evenmin van de lotusplant hadden gegeten, slaagden er uiteindelijk in allen met geweld naar de schepen te drijven.
- Wat vreselijk toch! zegt Kirke weer en haar stem klinkt nog valser dan daarnet.
- Maar het werd nog véél vreselijker. Het land waar wij, nog steeds door wilde stormen gedreven, vervolgens belandden, was bewoond door cyclopen. Ach, waren wij daar maar nooit terechtgekomen.
Odysseus’ stemt trilt en hij pinkt een traan weg. Kirke haast zich een zakdoek boven te halen en teder wrijft ze ermee over zijn wang. Dit ontlokt een lichte glimlach bij Odysseus. Hoofdschuddend en zwaar zuchtend begint hij zijn verhaal over het wedervaren bij de cycloop:
- Vóór de kust van het Cyclopenland, lag een eiland. Wij brachten er onze schepen aan land, behalve één, waarmee ik met de twaalf dappersten onder mijn mannen de tegenoverliggende kust ging verkennen. We kwamen bij een rotswand, waarin een groot gat was dat toegang gaf tot een reusachtig hol. Dat was het hol van de éénogige reus Polyphemos, de leider van de aldaar wonende cyclopen. Net als de andere cyclopen woonde Polyphemos alleen in zijn hol, zonder zich in te laten met zijn buren. Voorzichtig betraden wij de woonplaats van de reus. Ach, hadden we dat maar niet gedaan!...
Weer stokt zijn stem in de keel. Eén en al oor en één en al bewondering voor haar held, schurkt Kirke tegen hem aan:
- Ga verder, Odysseus. Laat mij niet in spanning.
- Toen onze ogen wat aan de duisternis gewend waren, zagen we enkele jonge geitjes en grote hoeveelheden kaas tegen de wanden. Voedsel te over dus voor onze hongerige magen. We roosterden een paar van de geitjes en we deden ons eveneens te goed aan de kaas. Toen kwam plots een kudde dieren de grot binnen, schapen en geiten door elkaar, gevolgd door een enorme reus met één oog, in ’t midden van een kolossaal voorhoofd.
Kirke ademde diep in en vergat weer uit te ademen van de spanning.
En in de zaal gebeurde precies hetzelfde met de vrouw van de eerste minister. Tegelijkertijd legde ze onbewust haar hand op de knie van Petros Papachristianopoulos, waarna ze die hand onmiddellijk verschrikt weer terugtrok: ’t was de spanning die haar parten speelde, die haar één seconde haar fatsoen had laten vergeten…
- Eenmaal binnen wentelde de reus een immens rotsblok voor de ingang. In het schemerdonker had hij ons niet opgemerkt. Achteraan in de grot zaten wij angstig weggedoken. De cycloop begon zijn schapen en geiten te melken. Toen hij met het werk klaar was, ontstak hij een fakkel. Deze verlichtte de plaats waar wij ons stilhielden. ‘Wie zijn jullie, waar komen jullie vandaan en wat komen jullie hier zoeken?’
Odysseus bootste de zware stem van Polyphemos na. Een stem die onheilspellend was als de donder. Kirke zat hem ademloos aan te staren, de dijen tegen elkaar genepen, de armen stevig voor de borst gekruist. Ze huivert als Odysseus zijn realistisch verhaal doet: hoe Polyphemos de mannen gevangen hield en dagelijks twee van de mannen nuttigde als ontbijt, nadat hij hun met de blote handen het hoofd van de romp had gerukt. En groot is haar bewondering voor de held als hij vertelt met welke list hij en zijn overgebleven gezellen uiteindelijk aan de éénogige reus wisten te ontsnappen. Deze knappe man met zijn gespierde zongebruinde torso doet Kirkes bloed alsmaar sneller stromen. Ze kan het niet laten hem over de stoere borst te strelen en ze smeekt hem verder te gaan met zijn verhaal. En Odysseus vertelt maar verder, over hun ervaringen bij de god Aiolos, op het eiland van de winden. Aiolos had Odysseus een zak meegegeven waarin alle stormwinden gevangen zaten, behalve die ene gunstige wind, die hen huiswaarts zou brengen. Maar toen ze hun thuishaven Ithaka bijna bereikt hadden, openden Odysseus makkers de zak, denkende dat in de zak kostbare geschenken zaten die Aiolos had meegegeven.
- Alle kwade stormwinden ontsnapten en joegen onze schepen weer de ruime zee in, zodat wij tenslotte weer belandden op het eiland van Aiolos. Maar deze was niet bereid ons een tweede maal te helpen.
- Wat een geluk, laat Kirke zich ontvallen, – maar ze herpakt zich – ik bedoel: wat een tegenslag en…
(zich wendend tot het publiek in de zaal)
… wat een geluk voor mij!
- We werden nu voortgejaagd langsheen het eiland van de woeste Laystrigonen die onze schepen bekogelden met rotsblokken. Eén enkel schip, ikzelf en nog drie medestrijders overleefden deze aanval: en dat is wat er nu nog overblijft van onze eens zo fiere vloot die ten strijde trok tegen Troje.
Kirke hangt aan zijn lippen, figuurlijk en – bijna – ook letterlijk.
- En waar is nu dat schip? En waar zijn uw makkers?
- Het schip is hier vlakbij gestrand. En mijn makkers hebben zich in het schip teruggetrokken om te slapen. Het zou mij niets verwonderen als zij nog steeds in Morpheus’ armen verzonken zijn.
- Ga hen halen Odysseus en breng hen naar deze plaats. Draag er zorg voor dat ge hier over een uur terug zijt; ondertussen zal ik mijn dienaressen opdracht geven een lekkere maaltijd klaar te maken.
De nimfen hebben, verstopt in het struikgewas, alles gade geslagen en ze fluisteren elkaar toe met veelbetekenende gebaren…
Met luide stem roept Kirke de nimfen:
- Aglaia! Euphrosyne! Thalia!
Ze komen vrijwel onmiddellijk opdagen en Kirke verwondert zich daarover:
- Zaten jullie te spioneren?
- Neen, zeggen de nimfen, wij kwamen toevallig hierheen gewandeld.
- Ik heb uitzonderlijk groot nieuws: er is een BG aangespoeld op ons eiland.
- Een BG? vragen de drie in koor.
- Een “Belangrijke Griek”! roept Kirke uit. Het is niemand minder dan Odysseus, de grote Odysseus, door wiens toedoen de oorlog tegen Troje in het voordeel van de Grieken is beslecht.
De nimfen lijken maar matig aangedaan door de woorden van Kirke, ook als ze hun vertelt dat er nog drie van Odysseus’ strijdmakkers op het eiland vertoeven. Iedere toeschouwer zou die lauwe reactie vreemd gevonden hebben. Het is duidelijk dat ze gespioneerd hebben, maar in haar enthousiasme merkt Kirke dat niet. Ze geeft hun een opdracht:
- Ga vliegensvlug een maaltijd bereiden. Voor acht personen; over een uur is Odysseus hier terug, mét zijn kompanen!
De nimfen zijn gewendhun meesteres snel en zonder morren te gehoorzamen. Ze haasten zich om de opdracht te vervullen, buiten de scène.
Kirke haalt ondertussen een tas te voorschijn met allerlei poeders: toverpoeders. Voor Odysseus reserveert ze een aphrodisiacum. Op het doosje dat ze voor hem apart zet staat duidelijk te lezen voor iedere aandachtige toeschouwer: “Viagros”.
De vrouw van de eerste minister geeft haar echtgenoot een por in de zij, als om hem aan te sporen zijn aandacht vooral niet te laten verslappen.
Kirke koestert nog even het doosje dat zij voor Odysseus heeft voorbehouden. Het is duidelijk dat zij al geniet van hetgeen ongetwijfeld nog komen zal. Ze streelt het doosje en een rilling loopt over haar lichaam:
- Dit is voor mijn liefste Odysseus. Niet één held, hij moge dan nog de overwinnaar van Troje zijn, kan aan de charmes van Kirke weerstaan, nadat hij dit ingenomen heeft. Wat een voorrecht is het toch om een beetje te kunnen toveren. Hm, Viagros, wat goed dat stervelingen dit tovermiddel niet kennen. En dat het nog minstens drieduizend jaar zal duren vooraleer de slimsten onder hen het zullen ontdekken, alsof het iets nieuws is, alsof de godin Kirke hen niet vele eeuwen te snel af was.
Ze haalt nu een doosje te voorschijn waarop geschreven staat : “Goeroen”. Ze leest wat er op het flesje staat en maakt daarbij een knorrend geluid.Grinnikend zegt ze:
- En dit is voor zijn drie makkers. Het worden drie lieve diertjes (weer maakt ze een knorrend geluid). Als we dat niet zouden doen zouden zij ongetwijfeld de aandacht van mijn meisjes teveel afleiden, zodat ze zich niet genoeg aan hun dienende taak kunnen wijden.
De vier mannen zijn precies een uur weggeweest. En kijk, daar zijn ze terug… met hongerige magen. Kirke laat een doordringend gefluit horen en daar komen de nimfen al opdraven met een gedekte tafel. Vliegensvlug komen ze nu het eten opdienen, terwijl Odysseus en zijn mannen begerig toekijken: het wordt een heerlijke maaltijd in open lucht en in aangenaam gezelschap. Allen gaan aan tafel, nadat Kirke ieder zijn plaats heeft toegewezen. De nimfen hebben de glazen reeds volgeschonken met de beste Aiaiaanse wijn. Op een listige manier weet de godin aller aandacht af te leiden, teneinde ongezien de toverpoeders in het glazen van de gasten te kunnen strooien.
Kirke heft nu het glas ter hoogte van de hoge gast. Odysseus dreigt zich van glas te vergissen, doch Kirke weet dit nog net op tijd te verhinderen. Er wordt nu getoast op van alles en nog wat:
- Op de gastvrijheid!
- Op de grootste held van de grootste oorlog aller tijden!
- Op de onovertrefbare schoonheid van de goddelijke gastvrouwe!
- Op Odysseus’ trouwe strijdmakkers!
- Op de jeugdige maagdelijkheid van de nimfen!
- Op ons geliefde vaderland Ithaka! roepen de makkers in koor.
- En op mijn lieve vrouw Penelope! voegtOdysseus er aan toe, met een krop in de keel. Kirke kijkt de andere kant op… Even later ziet ze met genoegen dat de held zijn glas tot op de bodem leeg drinkt. Ook de makkers drinken volop wijn. Ze raken in een geestdriftig gesprek met de nimfen, een gesprek dat we op zijn minst vriendschappelijk kunnen noemen. Iedereen laat zich het eten smaken. Het is duidelijk dat alles wat ze hebben meegemaakt de eetlust van de mannen geenszins heeft aangetast. Maar pas hebben Odysseus strijdmakkers het eten verorberd of ze voelen zich onwel, dit tot grote teleurstelling van de nimfen. Kirke stelt de mannen voor zich even ter ruste te begeven. Zij gebiedt de nimfen de mannen alleen te laten en zich ondertussen onledig te houden met het klaar maken van het dessert.
Nu alle andere anderen de scène verlaten hebben en Kirke zich alleen bevindt in het gezelschap van Odysseus, vraagt ze hem nog eens te vertellen over zijn wedervaren bij de cycloop. En Odysseus doet het hele verhaal, tot in de details. Niet zonder leedvermaak vertelt hij hoe hij en zijn makkers de aangescherpte punt van een dikke houten paal gloeiend hadden gemaakt in het vuur van de haard en hoe ze die punt dan in het enige oog van de cycloop Polyphemos hadden geplant.
- Het oog kookte en siste in de oogkas. Bloed spatte in het rond. De reus brulde van de pijn. Het gebrul was zo hevig dat andere cyclopen die in naburige holen woonden kwamen kijken waar het geroep vandaan kwam. Omdat de cyclopen niet de gewoonte hadden bij hun buren binnen te gaan bleven ze buiten staan en vroegen met luide stem wat er gaande was. En Polyphemos brulde: “Niemand heeft mij vreselijk verwond, Niemand heeft mij blind gemaakt”. Hij verkeerde immers in de waan dat mijn naam “Niemand” was; tenminste, ik had mij aldus voorgesteld bij de eerste kennismaking. Min of meer gerustgesteld en hoofdschuddend dropen de cyclopen dan maar weer af, zich afvragend waarom Polyphemos dan zo’n kabaal maakte, als niemand hem wat aandeed.
Kirke is naast Odysseus komen zitten. Smachtend kijkt ze hem aan, geboeid als ze is door zijn gespierd lichaam, zijn stem en zijn edele aangezichtstrekken, meer nog dan door het verhaal. Het verwondert haar dat de held, ondanks het snelwerkend aphrodisiacum dat ze met zijn wijn heeft vermengd, zich nog steeds afstandelijk gedraagt.
- Vertel mij, Odysseus, hoe jullie uit het hol van de cycloop zijn ontsnapt.
- Wij konden onmogelijk het enorme rotsblok wegrollen, waarmee de grot was afgesloten. We zaten weggedoken in een donkere hoek en we hielden ons stil. Het duurde uren voor het pijnlijk gebulder van de blinde reus ophield. Toen vond hij het nodig om zijn kudde uit te laten om te grazen. Hij rolde het rotsblok weg, doch slechts voor een klein deel, zodat niet meer dan drie schapen naast elkaar door de opening konden. Toen ze naar buiten gingen liet hij zijn handen over de schapen glijden om te voelen of wij soms niet op hun ruggen hadden plaats genomen om zodoende te ontsnappen. Maar ik bond elk van mijn makkers met een touw vast onder de buiken van drie naast elkaar lopende dieren en zelf klemde ik mij vast aan de buik van de grote ram, die als laatste naar buiten ging.
Terwijl hij dit alles vertelt zit Odysseus de hele tijd strak voor zich uit te staren, zonder Kirke ook maar één blik te gunnen. Ze gaat nu tegen hem aanleunen:
- Wat een wonderlijk verhaal! Een heldhaftig man zijt gij, Odysseus. Waarachtig, voor geen god hoeft gij onder te doen, noch in kracht, noch in verstand, noch in… schoonheid.
Hij kijkt haar nog steeds niet aan. Kirke trekt haar stoute schoenen aan en ze gaat vóór Odysseus staan en op de man af vraagt ze hem:
- Wat gaat er in u om Odysseus? Waarom kijkt gij zo somber? En waarom kijkt ge mij niet aan? Is het lijfelijke pijn die u kwelt of het verdriet om de vele vrienden die gij in Troje en tijdens uw terugreis verloren hebt? Of het heimwee naar uw vaderland? Het lijkt wel of ik niet besta voor u. Ben ik dan zo onaantrekkelijk dat ge mij geheel negeert.
Odysseus kijkt haar nog steeds niet aan. Haar “gezeur” schijnt hem alleen maar te irriteren. Ze gaat nu vóór hem op de knieën zitten.
- Vindt ge mij afstotelijk, Odysseus. En ik die zo vurig gehoopt had in uw hart een klein beetje liefde te vinden. Voor mij…
Plots stijgt een luid geknor op. Drie varkens komen op het toneel gelopen. Het ene varken, het grootste, trekt met zijn rechter achterpoot: precies zoals A, denkt Odysseus. Het tweede snuift nogal door de neus: hetlijkt sprekend op het gesnuif van B. Dan merkt Odysseus iets wat het bloed in zijn aderen doet stollen: het derde varken vertoont op zijn voorpoot precies dezelfde tatouage die zijn makker C droeg op een van zijn bovenarmen. Het wordt hem ineens pijnlijk duidelijk dat de drie varkens in feite zijn vrienden zijn, die door de toverkunsten van Kirke in deze beklagenswaardige toestand zijn gebracht. Terwijl ze nog geknield vóór hem zit, grij
Het boek "Uit het schuim van de zee" (400 pag.) zal te verkrijgen zijn in de boekhandel vanaf 1 augustus 2011. Het behandelt de Griekse mythologie in 136 verhalen en is geïllustreerd met 17 tekeningen van de hand van Kurt Vangheluwe.
E-mail mij
Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.
Gastenboek
Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek