(Meer dan) 1 jaar gratis concerten Verslagjes van concerten in 2008 & 2009 & 2010
16-06-2010
Chris Isaak
Chris Isaak AB, 16 juni 2010 Verslag: ja
Chris Isaak staarde me jaren lang aan, vanop een echte oude platenhoes. Enfin, hij staarde me niet echt aan - hij keek weg. Maar in mijn herinnering keek-ie recht in mijn ogen. Ze leek toch oud, die hoes: een sepia-foto die duidelijk was geïnspireerd door een Elvis-LP-hoes, toonde een uitermate coole jongeman. Vetkuif, een Kurt Russell-look. En een stem, manman: die stem had zoveel wereldsmart in zich dat je er ongemakkelijk door werd. Blue Hotel, Wicked Game, Dancin',... Geweldige songs dus, ook.
Liefst 25 jaar na zijn debuut, staart Chris Isaak me weer aan. Een uur voor zijn optreden in de AB geeft hij een interview, ergens in de coulissen. Hij bracht zijn gitaar mee, en zijn drummer Kenny. De verhalen dat Isaak een enorme eikel zou zijn die interviews bijna net zo veel haat als hij interviewers niet kan hebben, kloppen niet. De man is een prof: vraag beantwoorden, anekdotes en grapjes ertussen gooien, af en toe een liedje. Een opmerking over Neil Young krijgt een Young-imitatie, en hij lacht. Ook met flauwe grapjes. Zoals ik zei: een echte prof.
Dat blijkt ook op het podium. Hij en zijn groep spelen al 25 jaar samen, en ze spelen al 25 jaar dezelfde muziek. Amerikaanse roots-rock. Muziek zoals Elvis die speelde. En Roy Orbison. En voor hen Hank Williams. En zovele anderen. Als Elvis nu nog had geleefd, had-ie (hopelijk) ook dit soort muziek gebracht: swingende rocknummers, af en toe een echte tearjerker ertussen. Liedjes over liefde, verloren liefde, herwonnen liefde, onbereikbare liefde, onbeantwoorde liefde, stomende liefde, enfin: u snapt het beeldje wel. "Ik ben nooit echt in de mode geweest. Dus raakte ik ook nooit echt uit de mode", zei Isaak. "Ik kon al die tijd mijn ding doen, doen wat ik graag doe: optreden. En ik deed niets waarvoor ik me nu moet schamen."
Maar ook op het podium is Isaak dus op en top een prof. De hele groep zit strak in het pak, en de set is net zo strak. De setlist verandert niet tijdens een tournee, en snel wordt duidelijk waarom: alles is gerepeteerd, van de grapjes tot de gitaarwissels tot de pasjes. Wanneer hij 'Take My heart' aankondigt, jokt hij dat hij plots zin heeft om die song te spelen, en dat hij hoopt dat de groep hem kan volgen. Hij jokt, want hij speelt die song iedere avond. Maar voor een keer vind ik dat helemaal niet erg. Want zelfs als hij hier tegen zijn zin zou staan, doet hij nog altijd zijn stinkende best om ons te doen geloven dat hij het wél graag doet.
Ik geloof hem dan ook, wanneer hij het in het interview heeft over respect voor de fans. Dat hij beseft dat mensen betalen om hem te zien en horen doen wat hij het liefste doet, en dat ze verdienen dat hij er hard voor werkt. En wat zijn fans willen, krijgen ze dan ook: de poses, de heupzwaai, de show (tijdens Elvis' Love me Tender stapt hij van het podium de zaal in, en duikt hij plots op in de gaanderij op het eerste in de AB). En de muziek. Uitgepuurde Americana, gierende gitaren, zuivere akkoorden en harmonische zang. En Wicked Game, jawel. Alsof hij het voor het eerst zong.
Zeg dat ik het heb gezegd: Chris Isaak is een coole gast.
Mark Knopfler Lotto Arena, 6 juni 2010 Verslag: Ja
De heer Knopfler heeft een nieuwe plaat uit: Get Lucky. Daarop staan liedjes, met nogal wat gitaarklanken. Ook met violen, en fluiten, en accordeons. Knopfler noemt het een "zoektocht naar zijn muzikale roots". Get Lucky ligt daarmee in het verlengde van de Ragpickers Dream, een vroegere solo-cd van de heer Knopfler. En om dat allemaal duidelijk te maken, kwam de meneer nog eens naar België. Net twee jaar na zijn laatste passage (in Vorst) deed hij nu de Lotto Arena aan. Eigenlijk kan ik mijn verslag van toen recycleren (het was toen ook snikheet in de zaal, bijvoorbeeld) - dat deed hij ten slotte ook, grotendeels.
In het kort: de combinatie folk-Knopfler werkt niet voor mij. Kadril meets Dire Straits: neen, bedankt. Knopfler bracht zeven muzikanten mee, inclusief draailierspeler, violist en trekzakker, hij bracht een barkruk mee (waar hij de hele avond niet van af kwam), en hij had ook nog eens die nieuwe songs mee. Een volle zaal, een uiteenlopend publiek - alles was er voor een feest, dat maar niet kwam. Want Knopfler leek met de rem op te spelen. Telkens wanneer ik het gevoel kreeg dat het allemaal eindelijk eens loos zou kunnen gaan, liet hij het tempo zakken - voor weer een gitaarsolo, of een intiem moment, of een sfeervol intermezzo. Soms wel mooi hoor, maar toch vooral nefast voor de feestvreugde.
Met niet weinig weemoed dacht ik, terwijl ik daar zo stond te zweten, terug aan Springsteen. Toen die de Seeger Sessions uitbracht, vond ik dat ook maar een raar idee: de Boss die naar folkmuziek grijpt, en banjo's en wasborden in zijn muziek incorporeert. Maar kijk: met een groep van 18 muzikanten ging de Boss touren, en elk optreden was een reusachtig feest. Springsteen vond die ietwat belegen folk opnieuw uit, en paste zijn eigen songs een nieuw jasje aan. Steeds weer slopen Springsteen-klassiekers in de set, maar die liedjes kregen wel nieuwe arrangementen, zodat ze vlekkeloos in de rest van het optreden opgingen.
Niet zo bij Knopfler. Hij liet, heel opvallend, zijn twee laatste platen voor Get Lucky helemaal links liggen (alsof hij die ook maar niks vond), maar kon niet om de obligate Dire Straits-klassiekers heen. En die klassiekers werden ook klassiek gebracht - waardoor de muziek, de stem en de gitaar plots vloekten met de folk die hij ook wou brengen. Het paste als een tang op een varken.
Het publiek wist ook niet goed hoe te reageren, en deed dat dus heel verward. Iedere keer ze dachten mee te kunnen gaan in een liedje, kwam dus de break met DIre Straits-gitaarsolo's. Pas bij de echte Dire Straits-liedjes, was er echt enthousiasme. Na drie kwartier kregen we Romeo and Juliet, gevolgd door Sultans of Swing. Een nummer dat hij steeds duidelijker tegen zijn zin brengt - het zingen is nu definitief verworden tot gemompel. Maar toch, maar toch: toch was er plots iets van magie. Van wat ooit is geweest. Hij praatte ineens zelfs met zijn publiek, stel je voor.
Op het einde van de set kregen we nog een paar evergreens - Telegraph Road, Brothers in Arms, So Far Away. Schoon, en: duidelijk hetgeen het publiek wou horen. In de rest van de set werd eigenlijk alleen Sailing to Philadephia meegezongen (ik had vooral de indruk dat het liedje even lang duurde als de boottocht zelf). Het duurde tot het einde voor ik instemmend kon knikken (bij Speedway at Nazareth): ja, deze groep had een hele avond kunnen swingen.
Knopfler staat voor een onmogelijke opdracht: Dire Straits doen vergeten. Onmogelijk omdat het publiek vooral daarvoor blijft komen, onmogelijk omdat zijn stem en gitaar nu éénmaal Dire Straits zijn. Onmogelijk omdat zelfs bij de voorstelling van de groep de ex-Dire Straiters meer applaus krijgen dan de anderen. Onmogelijk omdat zijn solo-materiaal misschien muzikaal beter in elkaar zit, maar toch minder meezingpotentieel heeft. Enfin, onmogelijk dus. En de man heeft het daar duidelijk moeilijk mee.
Snow Patrol Vorst Nationaal, 24 mei 2010 Verslag: neen
De warmste dag van het jaar. Na een dag terrasleven, tuingeluiden en zwembadgeuren, nagenietend van Clapton en Winwood de vorige avond, jezelf toch nog naar Vorst Nationaal slepen. Om er helemaal bovenaan in een verschrikkelijke hitte te gaan zitten zweten en dampen. Om een absoluut kut-voorprogramma (the Foal) te moeten aanhoren. Om te hopen dat Snow Patrol het beter zal doen. Om vast te stellen dat het toch veel beter was op je terras, onder je boom. Om te rotten, is dat.
Begrijp me niet verkeerd: Snow Patrol is een meer dan aardig groepje. Het is een supergroep in wording, als het het intussen al niet is. Een uitverkocht en dolenthousiast Vorst Nationaal vond in ieder geval het laatste: het publiek was vast van plan om een feestje te bouwen, en de hitte te vergeten. En Snow Patrol leek hetzelfde plan te hebben. De Noord-Ieren die vanuit Schotland opereren, smeten zich volledig, maar werden compleet verneukt door het geluid. Van boven in Vorst hoorde je de stem van Gary Lightbody (iets te scherp, met constante echo) en verder: gerommel en gedreun. Vergelijk het met een festival: je verlaat de wei van Werchter, en trekt het dorp in voor een pint. Vanuit het dorp hoor je dan de bassen dreunen, een soep waarin je heel af en toe een melodielijn herkent. Dat geluid dus. Met de zanger vlak naast je oor. Het is niet zozeer jammer, als wel een geweldige schande. Onvoorstelbaar dat met de batterij computers en andere elektronische hulpmiddeltjes die de band gebruikte, de technici er niet in slaagden om de klank fatsoenlijk af te stellen. Af en toe leek het beter te gaan, tot de bas en percussie voluit gingen en het een weer niet van het ander te onderscheiden vielen. Gitaren? Nauwelijks gehoord. Piano? ja, die heb ik gezien.
Zonde, doodzonde. Want Snow Patrol hééft het. Een zanger (Lighthouse) die niet alleen een geweldige stem heeft, maar ook nog eens bakken charisma en tonnen energie. Ze hebben een sound. En ze hebben de songs. Goed, hun doorbraak kwam er vooral doordat Chasing Cars in de VS werd gebruikt als afsluiter van een seizoen van Greys' Atanomy, maar toch: ze hebben de songs om een publiek helemaal gek te krijgen. Run, You're all Alone, Hands Open, Shut your Eyes, Take Bakc the City, Crack the Shutters of Just Say Yes: negentig procent van de groepjes zouden armen én benen geven voor de helft van zo'n setlist. En ja, Lighthouse moet oppassen dat hij niet overdrijft - zijn 'meezingsessie' met het publiek (en nu de mensen bovenaan. en nu jullie beneden. En nu allemaal samen) was er ver over. Maar hij hééft het dus wel. Het duet met onze eigen Eva De Roover was waarschijnlijk zeer fijn (maar verdronk dus ook in de brij die voor geluid moest doorgaan), maar toch niets meer dan een intermezzo naar een stomende finale.
Snow Patrol staat deze zomer op Pukkelpop. Daar wordt het een feest, zeker weten: goed vooraan gaan staan, en compleet loos gaan bij Just Say Yes. Meer moet het soms niet zijn. Maar in Vorst mocht het gerust véél meer zijn. Meer muziek, minder lawaai.
Eric Clapton & Steve Winwood Sportpaleis Antwerpen, 23 mei 2010 Verslag: ja
Ik heb God gezien, en ik leef nog. Eric Clapton, de god in kwestie, leeft ook nog - en hoe. Na een leven vol seks & drugs & blues, is de 65-jarige gitaargod zelfs behoorlijk kickin'. Niet dat hij als een jong veulen dartel over het podium huppelt - maar hij heeft er duidelijk heel erg veel plezier in, om zijn kunstjes nog een keer te vertonen en zijn publiek mee te nemen op een trip doorheen zijn eigen muzikale geschiedenis. Dat hij dat ook nog eens kan doen met zijn vriend van lang geleden, Steve Winwood, aan zijn zij, maakt het plezier er alleen maar groter op - voor alle betrokken partijen.
De twee zestigers startten hun carrière in de Britse blues-scene. Winwood als puber, op het orgel bij de Amerikaanse blues-grootheden die toen door het UK toerden. Mannen als Muddy Waters of BB King werden door managers in hun eentje naar het UK gestuurd, waar een lokaal groepje werd samengesteld om hen te begeleiden. Winwood maakte als 12-jarige al deel uit van dat soort groepjes - op zijn veertiende stond hij in de Spencer Davis Group. De start van een lange carrière - net als Clapton werden de groepen waar hij deel van uitmaakte, prompt tot supergroep gebombardeerd. Traffic of Blind Faith (waar ze samen in zaten), Derek and the Dominos of Cream, the Yarbirds of John Mayalls Bluesbrakers (waar Clapton zijn andere bijnaam, Slowhand, kreeg): ze tilden die groepen naar hogere niveaus. ZIchzelf ook - vooral Clapton flirtte met allerlei verslavingen, van heroïne tot alcohol.
Wie naar het Sportpaleis kwam afgezakt om de eighties-versies van de twee aan het werk te zien, kwam bedrogen uit. De Clapton uit de tears in Heaven-episode (die gelijkliep met zijn MTV Unplugged), of de synthesiser-Winwood van Arc of a Diver gaven niet thuis. Ja, natuurlijk slopen er hits in hun set- dat zou er nog aan ontbreken. Maar de nadruk lag op die roots van de twee, de blues die ze deelden. Samen op het podium met een 5-koppige groep (een fantastische pianist, een geweldige drummer, een sobere bassist en twee verrukelijke achtergorndzangeressen) wisselden ze elkaar af en vulden ze elkaar perfect aan. Om beurten zingen, om beurten een liedje kiezen uit die verre verledens. Winwood eens op gitaar, dan weer op dat Hammond-orgel. De magie was nooit ver weg.
After Midnight zat vroeg in de set, maar verder werd het eerste deel vooral opgebouwd door blues-nummers.Presence of the Lord, of Had to Cry Today (een oudje van Blind Faith, net als Well Allright). Geen capsones, geen genkunstelde poses. Ze stonden op het podium omdat ze er thuis horen, en hun relaxte houding en het sprekende gemak waarmee ze wonderbaarlijk mooie dingen lieten horen, zorgden ervoor dat het publiek muisstil en vol bewondering dat podium aanstaarde, om na het laatste akkoord telkens in een oorverdovend, enthousiast applaus los te barsten. Wat van Clapton af en toe een gemompeld 'thank you' ontlokte.
Er waren te veel hoogtepunten - ik onthou vooral een verbluffende versie van While I see a chance van Winwood. Een nummer dat ik associeerde met die synth-pop peroide uit begin jaren tachtig, toen Winwood ons Arc of a Diver schonk. Maar dat hier werd uitgepuurd, uitgebeend, en in een verschroeiende bluesy versie weer werd opgebouwd en op ons losgelaten. Georgia on my Mind was ook al zo verstillend, en de akoestische set die we in het tweede deel kregen werd afgesloten met een swinend Layla. Een beetje spijt toch dat hier de elektrische gitaren niet loeiden - maar het slotakkoord van Cocaine liet me die oprisping snel vergeten. Man, wat een optreden. Wat een magie tussen die grootmeesters. En wat een fijn publiek, dat dat ook allemaal netjes verteerde.
Nog één detail vermelden: het beeld. Naast het podium waren twee supergrote schermen opgehangen - niets nieuws, dat zien we al jaren. Maar voor het eerst werden LED-of LCD- of plasmaschermen gebruikt (of toch: voor het eerst dat ik het zag), in combinatie met HD-camera"'s. Wat voor duizelingwekkend scherpe beelden zorgde. Je kon de haartjes op Winwoods hand tellen, je zag letterlijk de schaduw van Claptons snaren op zijn gitaar vallen. Een feest voor de echte gitaarfreaks, natuurlijk, die van overal in de zaal de vingerzetting perfect konden volgen. En een doorbraak in het concertgebeuren. Want die haarscherpe beelden zorgen er ook voor dat andere details, die normaal verborgen blijven, plots heel goed in beeld komen: de rommel naast het podium, de kleur van de podiumvloer, enfin: alles. Maar dit natuurlijk geheel terzijde: het ging vanavond om de muziek. En die hebben we gekregen. Een optreden om te koesteren, voorwaar.
Er zijn twee Jamie Lidells. De eerste is een stijlvolle klasbak, een zanger pur sang, die soul en funk mixt in fantastische songs. Die Jamie wordt terecht de (troon)opvolger genoemd van Otis Redding, Sam Cooke, Marvin Gaye en Prince, en verbaast met nummers als Another Day of Multiply. De tweede Jamie is een schuchtere nerd, die speelt met samplers, human beatbox-avonturen en elektronische effecten. Zijn beste vriendje is Beck, met wie hij de voorliefde voor chaos deelt.
De twee Jamies vechten een soms bittere strijd uit. In het begin van zijn carrière won de nerd het: moeilijke platen, ontoegankelijke muziek, waarin alleen die geweldige stem voor hoop kon zorgen. Maar verder was het knoppendraaierij, effecten voor het effect. Gaandeweg won de soulzanger het pleit, en op zijn vorige plaat (Jim , uit 2008) leek die blanke soulman het te winnen: Jim bevatte een aantal pareltjes waar de grootheden als Otis Redding veertig jaar geleden al ootmoedig het hoofd hadden gebogen, uit respect. Uitgerekend vandaag verscheen Lidells nieuwste worp, 'Compass', en kwam hij die voorstellen, als afsluiter van de Nuits Botanique.
En wat bleek? De twee Jamies stonden op het podium van de propvolle grote tent aan de Bota. Net als op Compass, vochten ze een bits duel uit: wordt het soul, funk of toch vooral luide r&b-grunge? Wordt het Gaye of Beck? Het duel eindigde onbeslist - waardoor het publiek verloor, zij het op punten.
Lidell tourde nog maar twee weken, en had een gloednieuwe groep rond zich verzameld. Drie piepjonge New Yorkse snaken, ik schat ze nog geen 20 jaar oud, die gitaar, drums en keyboards mochten beroeren. Naar verluidt wou Lidell een band die lekker strak speelt, zodat hij de ruimte krijgt om compleet loos te gaan. Wat hij dus ook deed. Hij stelde zijn nieuwe cd uitvoerig voor, en dat kwam de sfeer niet ten goede. Nieuwe nummers, dan ook nog eens heel moeilijke, vol onverwachte wendingen, het is geen hapklare brok. Het duurde een half uur voor hij, met Multiply, eindelijk de hele tent mee kreeg, en toen hij na een uur Another Day inzette, hoorde je links en rechts zelfs een zucht van opluchting klinken: eindelijk een melodie, een herkenbaar liedje.
Vreemd genoeg stond het publiek geen seconde stil. Het hele optreden door zag je de opeengepropte massa zachtjes wiegen, aarzelend dansen. Maar al te vaak stonden ze (we) wat verwonderd naar dat podium te kijken: wat doet hij nu weer? Waar komt dàt lawaai vandaan? Waar is die melodie naartoe? Kortom: zoals na een paar beluisteringen van Compass al te vrezen viel, is Lidell vergeten goeie songs te schrijven. Compass is geproduceerd door zijn maatje Beck, en dat kan als uitleg al volstaan. Completely Exposed, Coma Chameleon, I wanna be your Telephone: het zijn geen strakke, gestroomlijnde liedjes. Het zijn collages, met luide uithalen van oude synthesiserklanken, met ferme gitaarriffs, met verrassende drumroffels. Maar: het zijn géén goeie songs.
Net voor de bissen leek ook Lidell dat te beseffen. Hij verontschuldigde zich zelfs: ik heb heel lang aan deze plaat gewerkt, en constant vroeg ik me af of ze niet te gekunsteld zou zijn. Ik ben blij dat jullie besloten hebben om me te volgen op de weg die ik insloeg. Waarna hij me, voor het eerst deze avond, keihard en koud pakte, met een verstillende titelsong, Compass. Een bloedmooi nummer, geweldig gezongen.
Veronderstel nu even dat Otis Redding nog leefde. Welke weg zou hij dan zijn ingeslagen, onderweg? Zou hij vandaag een Lionel Richie zijn, die resoluut koos voor plat commercieel gewin en kleffe ballads? Of zou hij avontuurlijker zijn, de hulp inroepen van Kurt Cobain, the Editors en Giorgio Moroder? Om zo tot een nieuwe definitie van soul te komen? In het tweede geval zou Redding vervaarlijk dicht bij deze Lidell aanleunen. Wat een geweldig compliment is voor een lange, bleke Brit van 37 jaar. Maar wat ook een garantie is dat hij nooit een echte wereldster zal worden: door zijn keuzes is Lidell veroordeeld tot het wroeten en ploeteren en overtuigen. Telkens weer. Hij had het zich gemakkelijk kunnen maken, door een tweede 'Jim' te maken en een paar zeemzoete ballads op te nemen. Hij zou stinkend rijk kunnen worden, en een wereldster. Maar hij zou ook zeer ongelukkig zijn - ik kon me nu al niet van de indruk ontdoen dat hij nummers als Multiply en (zeker) Another Day op routine speelde, als betrof het verplichte nummertjes. Laat Lidell dus vooral zijn ding doen - af en toe valt er dan wel een geniaal moment uit de boom. Zoals 'Compass' - de song, niet de hele plaat.
Hannelore Bedert d'Oude School, Weerde, 14 mei 2010
Een zijsprongetje, een tussendoortje: op vijfhonderd meter van thuis (enfin, twee kilometer max) in een kleine zaal naar een Vlaamse artieste/chanteuse gaan kijken. Waarom ook niet, zeker wanneer het over Hannelore Bedert gaat. De West-Vlaamse jongedame maakte een diepe indruk op vriend en vijand met haar debuutplaat 'Wat Als'. Sterke, poëtische teksten die in beklijvende melodietjes werden gegoten, een frisse stem en af en toe een vettig West-Vlaamse zinsnede ertussendoor: meer moest dat voor Radio 1 niet zijn om de debutante dag en nacht te laten horen, in alle mogelijke programma's.
Tijdens de Radio 1 Sessie met Raymond van het Groenewoud, in november 2008, mocht juffrouw Bedert als gaste opdraven. Ze ging toen alleen aan de piano zitten om iedereen omver te blazen met een duizelingwekkende versie van 'Altijd Nooit Meer'. Zo diep onder de indruk was ik, dat ik de prestatie een paar weken later, in mijn jaaroverzicht op Radio 1, uitriep tot het 'Kippenvelmoment van het jaar'. Juffrouw Bedert liet weten dat ze dat een zeer fijne attentie vond, en zelfs een beetje vereerd was. En nu ze zo dicht bij de deur optrad, dacht ik: even gaan piepen of het lange lange touren sporen heeft nagelaten, of ze me nog steeds van m'n sokken kan blazen.
Laat het me kort houden, en meteen antwoorden: ja. Zo'n avondje Bedert is geen vrolijke bedoening, hoor. Nummers die ik al twee jaar hoor, krijgen door haar intro's plots een andere, vaak wrangere betekenis. Het blijken niet zelden wraakliedjes te zijn, afrekeningen met ex-lieven die haar kwaad berokkenden, ex-medestudenten die haar uitlachten met haar West-Vlaams accent, enfin: het is geen dame waarmee je heibel wil, want je wil absoluut niet op haar nieuwe plaat (die in december zou moeten verschijnen, vlak na haar bevalling - tadaaa) figureren in zo'n wraaklied.
Maar zelfs in deze vreemde setting - een parochiezaaltje, koude stenen vloer en schoolrefterstoelen - smijt Hannelore zich helemaal. Gesteund door viool en bas, laat ze haar stem kronkelen doorheen die melodietjes, en valt vooral op dat die tournee van twee jaar (door heel Vlaanderen en half Nederland) haar nog sterker heeft gemaakt. Ze weet wat ze doet, wat ze wil, hoe ze het moet doen en ze weet dat dat goed is. Sterk, heel sterk. Met nog steeds 'Altijd Nooit Meer' als hoogtepunt, al waren nummers als 'Dissolvant' evenzeer te pruimen. De minimale bezetting wérkte gewoon: de nummertjes werden uitgekleed, en vanuit hun essentie weer opgebouwd. En het belangrijkste was dan nog: de drie op het podium hadden er duidelijk plezier in. Als je dit doet, en je doet het graag, dan kan het nooit kapot.
Ik twijfel er niet aan dat die nieuwe plaat (na haar bevalling dus, tadaaa) weer een schoon plaatje wordt. En lukt het nu niet helemaal, dan wordt de daarop volgende plaat een wraakplaat, wat weer garant staat voor sterke nummers. Met andere woorden: het komt zeker goed met deze Hannelore Bedert. En ooit zal ik kunnen zeggen: ik zag die ooit in 'd Oude School in Weerde. Nu gij weer.
Tindersticks Koninklijk Circus, 13 mei 2010 Verslag: neen
Twee jaar geleden bracht ik een vrijdagavond door in ditzelfde Koninklijk Circus, op dezelfde ongelmakkelijke stoel, voor dezelfde Tindersticks. Of toch niet helemaal. Tindersticks zijn natuurlijk nog altijd honderd procent Stuart Staples - de man met de diepe, wondermooie stem, de man die geen woord wisselt met zijn publiek (behalve een beleefd Thank You na iedere song), de man die niet uitblinkt door vrolijke danspasjes. Maar in die twee jaar maakte de groep toch een evolutie door. Zo zijn de Tindersticks weer gegroeid (ze stonden met zeven man op het podium), en schoven ze duidelijk op in de richting van de gitaargroep.
Oh gruwel, een gitaargroep? Yep. Bij wijle vier, vijf gitaristen op het podium. Geen scheurende hard-rock-solo's, maar wel een andere sound dan we van Staples & Co gewoon waren. Tindersticks lijkt weg te stappen van het verhaal waarin Lambchop of Willard Grant Conspiracy zitten: multi-intstrumentalisten die een moderne soort pop-rock-kamermuziek brengen, muzikanten die in een kringetje op het podium zitten en wonderbaarlijk schone liedjes brengen. Deze nieuwe Tindersticks doen het af en toe iets... welja, haast swingender, en tasten voorzichtig af waar de stem van Staples naartoe kan en wil.
Die stem blijft indrukwekkend, en blijft vooral het belangrijkste instrument van Tindersticks. Waarmee meteen de grootste troef én de grootste beperking van de groep wordt blootgelegd: er zit verdomd weinig variatie in zo'n set. Net zo veel variatie als Staples' stem het toelaat, eigenlijk. Weinig dus.
Maar ik klaag niet: er zijn ergere zaken die je op een avond kunt doen, dan in het Koninklijk Circus, zelfs op een ongemakkelijke stoel, naar Tindersticks te zitten luisteren. Veel nieuwe zieltjes zullen deze mannen waarschijnlijk niet meer winnen, maar het werd in ieder geval wel duidelijk dat de fans steeds fanatieker worden.
Een vleugelpiano, een grijze man, en een zaal gevuld met aandachtige, dankbare luisteraars. Méér heb je soms niet nodig om magie te scheppen. Randy Newman bewees het in de AB, meer dan dertig liedjes lang. Op zijn 66ste is het risico groot, zoals hij zelf aangaf, dat de man aan een afscheidstournee bezig is. Als het al zo moet zijn: dit was een afscheid in alle schoonheid.
Newman is nooit een groots zanger geweest, en bewees overvloedig dat hij dat nu ook nooit nog zal worden. De man is in de eerste plaats een liedjesschrijver, een verteller. Cynische, ironische, satirische tot sarcastische liedjes - sinds zijn zeventiende is hij een broodschrijver, en daar komt hij graag voor uit. Zijn eerste liedjes werden opgenomen door Gene Pitney, The O'Jays, The Everly Brothers, Dusty Springfield of Nina Simone - om die maar te noemen. Toen hij zelf muziek ging opnemen, scoorde hij tot eenieders verbazing zelfs hitjes: Short People, maar ook Sail Away, Rider in the Rain, Mama Told me not to Come, You can Leave your Hat On, I Love LA, Louisiana, Birmingham, It's Money that Matters,... De lijst is lang.
En uit die lijst putte hij uitgebreid in de AB. Een donkere zaal, schaars licht op het podium, de zwarte Steinway en de grijze man. Die dus niet goed zong, maar alles goed maakte met frivool pianospel en sublieme bindteksten. En door zijn teksten met veel gevoel te brengen - Newman ging op in zijn songs, dit was geen verplicht nummertje of geen schaamteloze poenpakkerij. Newman is trouwens één van de weinige artiesten die niet hoeft op te treden op rijk te blijven. Sinds de jaren tachtig schreef hij immers een pak soundtracks, onder andere de muziek van de Pixar-films komen van zijn hand. You've got a Friend in Me uit Toy Story alleen al (nog zo'n nummer dat een geweldige inleiding kreeg van Newman) is een verzekerd pensioen voor hem.
Newman is ook een man die ons, Europeanen, met de Amerikanen kan verzoenen. Spits, grappig en relativerend: geen vendelzwaaien voor hem, maar fijne analyses en scherpe afkeuringen van wat fout loopt. Rednecks (waarin hij de verdediging op zich neemt van een racistische gouverneur uit de jaren zestig), maar ook Louisiana (over de grote overstroming van 1927) of Baltimore (man it's hard just to live). Zijn Political Science blijft een statement van formaat, en voor Great nations of Europe gaf hij blijk van een grondige kennis van onze huidige politieke situatie. Naar mijn gevoel is Newman een man die op dertien juni wél zou gaan stemmen, in de (misschien ijdele) hoop dat hij mee een verschil kan maken.
Een dankbaar publiek dus, dat de grappen smaakte en mooi stil bleef tijdens de zachte, melodieuze en doorleefde songs (I think it's going to rain today, of In Germany before the War), en even zacht en mooi meezong met de hitjes - zonder de meester te overstemmen of overroepen. Het is onbegonnen werk om de spitse bindteksten van Newman te gaan herhalen - in vrijwel iedere zin zit er ergens wel een pareltje verstopt. "If he were still alive today, he'd be rolling around in his grave" - maar een hoogtepunt was toch het zelfrelativerende introductietje van 'I'm dead (but I don't know it)", waarin hij uitlegt waarom oude rakkers als hijzelf maar blijen muziek maken, en blijven optreden: omdat er niemand is die aan Paul McCartney en companie durft te zeggen dat het genoeg geweest is. It's Lonely at the Top, en hij kan het weten.
65daysofstatic is een viertal uit Sheffield, dat zogenaamde postrock maakt. Het is maar een naam, natuurlijk: postrock. Ik zag en hoorde ze voor het eerst twee jaar geleden, toen ze in het Sportpaleis even mochten opwarmen voor The Cure. Sindsdien probeerde ik de jongens wat te volgen -wat niet bepaald eenvoudig is, want echt vaak wordt niet over hen geschreven of gepraat - hun muziek wordt zelfs niet op de radio gedraaid. Ik leerde wel dat ze intussen meer de weg van de electronische muziek waren ingeslagen, dat ze af en toe naar België afzakten voor een optreden en dat ze dit voorjaar nog een nieuwe plaat zouden voorstellen. En ik stelde vast: 65dos polariseert. Vrienden aan wie ik één van hun nummers hier horen, reageren ofwel vol afschuw- wat een lawaai! - ofwel razend enthousiast: wat een energie!
Ik was twee jaar geleden in ieder geval danig onder de indruk van de mannen. Wat ze doen is moeilijk te beschrijven. Met synthesisers, samplers en andere toestanden starten ze een track, niet zelden heerlijk melodieuze muziek. Daar spelen ze live dan bovenop: twee gitaren, een bas en een drummer die compleet uit de bol gaat. De songs - niet zelden werkstukjes van over de tien minuten lang - slingeren zo heen en weer tussen zachte melodieuze rock en harde, verschroeiende eh... rock. Raar, maar je moet het gehoord hebben.
In de AB sloten ze de hoofddag van het Domino-festival af. Eerst nog even naar de Fuck Buttons gekeken en geluisterd - twee jongens die aan knopjes draaien en heeeel veel monotoon lawaai produceren. Niks aan. De zaal vond het wel ok, reageerde enthousiast - maar spaarde toch duidelijk ook zijn krachten voor 65dos. En terecht. Van bij de start greep 65dos je bij de keel. Met veel, heel veel nieuw materiaal - dat inderdaad iets te veel naar het knopjedraaiende neigt. Maar ook met ouder werk, waaronder nummers die je haast als 'classics' kunt bestempelen - Radio Protector is en blijft een fantastisch nummer, dat ook nog eens uren lang in je hoofd blijft hangen.
Het kwartet had er in ieder geval veel zin in, en de AB genoot daar mee van. Het opvallend jonge publiek (voor een keertje was ik waarschijnlijk écht de oudste in de zaal) leefde intens mee, beleefde en overleefde de storm van lawaai die van het podium de zaal in rolde. Dit 65dos blijft indrukwekkend, wat de kenners er ook mogen over beweren. Een mega-groep zullen ze nooit worden, daarvoor is hun muziek net iets te moeilijk, te ontoegankelijk - en vooral niet radiovriendelijk genoeg. Maar wie ze op een podium kan meepikken: doen. Absoluut doen.
Heaven 17 Handelsbeurs Gent, 1 april 2010 Verslag: neen
Martyn Ware en Ian Craig waren twee snotneuzen in het grauwe Sheffield van de jaren zeventig, die graag prutsten aan synthesisers om daar allerlei vreemdsoortige klanken uit te persen. Ze deden dat in een groepje, The Human League, maar wilden méér, en anders, en beter - en verlieten de League. Ze richtten de British Electronic Foundation op (kortom BEF), brachten onder die naam wat coverplaten uit en creëerden een commercieel vehikel om BEF ook centen te doen opbrengen: BEF met zanger Glenn Gregory heette Heaven 17. En ze prutsten aan synthesisers, zoals ze dat zo graag deden. Dat hun vroegere vrienden van de Human League ineens wereldberoemd én stinkend rijk werden dank zij de eerste synthpophit Don't you Want me, kon hen aan hun Britse reet roesten. Ze maakten zich net zo min druk om het succes van andere Britse synthpop-groepjes als A Flock of Seagulls, Yazoo of zelfs Depeche Mode.
Want BEF had een dubbele missie: enerzijds de elektronica gebruiken om de ultieme muziek te maken, anderzijds keet schoppen in het oerconservatieve Engeland van toen. Met Heaven 17 slaagden de twee missies, met glans. Hun eerste LP, Penthouse and Pavement, werd door de BBC gebannen wegens te links, te controversieel. Zoals Ware en Craig zelf al hadden voorspeld: 'We don't need this Fascist Groove Thang'. De plaat was een voorbode voor een muziek die het beperkte synth-gepingel van hun collega's oversteeg. De tweede plaat, The Luxury Gap, bevatte een mix van new wave, soul, disco en rock. Met hits: Temptation, Let Me Go of Come Live with Me. Voor de opvolger huurde het trio zelfs de blazersectie in van Earth, Wind and Fire - en zoiets was toen completely not done. New-wavers trokken niet op met discotrutten, punt.
Dertig jaar na de release van Penthouse and Pavement, vond het resterende Heaven 17-duo (Craig verliet de groep en BEF) het tijd om met de plaat te gaan toeren. En die toer bracht hen dus naar de geweldige Handelsbeurs in Gent - waar veel en veel te weinig volk kwam kijken en luisteren. De relevantie van die eerste plaat, vandaag? Wel, Engeland maakt zich op voor een nieuwe ruk naar rechts, dus doen slogans als War-Peace-Sweat-Law (uit The Height of the Fighting) het wel weer. Om over 'Let's all make a Bomb' nog maar te zwijgen. En muzikaal? Muzikaal was het prima dik in orde, maak u vooral geen zorgen.
Glenn Gregory is opmerkelijk goed bij stem, Martyn Ware stuurt zijn stem door zijn synthesiser. Met zangeres Billie Godfrey stond er een raspaardje op het podium. Bassist Randy Hope-Taylor stal regelmatig de show en straalde bij iedere funky bass-loop pure seks en wellust uit. Gitarist Asa Bennett zorgde voor de ritmesectie, samen met Joel Farland op elektronische drums. Zelfs na dertig jaar blijft zo'n synth-drumstel enorm jeanetterig, maar bon.
Samen klonk dit Heaven 17 dus méér dan goed. Ze speelden Penthouse and Pavement van voor naar achter, in het midden kwamen er een paar BEF-covers (o.a. een overbodig Lou Reeds Perfect Day en een stomend Ball of Confusion, origineel door Tina Turner ingezongen). Kant twee van de elpee volgde, waarna de groep nog een paar extraatjes serveerde: Come live with Me (wat heb ik gebleit op dit nummer, toen ik als puber weer eens zonder lief zat), Let me Go (wat heb ik gebleit op dit nummer, toen ik als puber weer eens niet van een lief af geraakte), een geweldige disco-versie van Temptation, en als uitsmijter Being Boiled. Juist, de Being Boiled van de Human League - het allereerste nummer dat Matyn Ware ooit schreef... Listen to the voice of Budha. Het was niet de enige referentie naar de League (Gregory gaf halfweg een akoestische versie van Don't You Want mee, op akoestische gitaar), maar het was vooral een schoon orgelpunt.
Want tijdens het hele optreden door, begreep je: dit was echt wel een verdomd goed groepje. NIet dat ze vaak (ooit?) worden genoemd als invloedrijk, maar: het is duidelijk dat zij met hun mix van soul, funk, disco, new wave, elektro mee aan de basis liggen van wat vandaag door Faithless (om die maar te noemen) wordt gedaan. De nummers uit Penthouse & Pavement werden niet klakkeloos nagespeeld zoals ze dertig jaar geleden op plaat werden gegooid: telkens werd er iets aan toegevoegd. Een extra vettige baslijn, een harde drumroffel, of een uithaal van Billie Godfrey (die niet alleen knap zingt, maar ook gewoon knap is): sterk.
Misschien was het puur jeugdsentiment. Misschien was het de Duvel. Maar ik heb me geweldig geamuseerd, het hele concert lang. Ik heb verdorie zelfs gedanst. Geen paniek: mijn dansen was helemaal politiek correct, zoals het dertig jaar geleden al hoorde: voeten bij elkaar, handen in de zakken en nauwelijks bewegen. Maar toch: dansen. En ik beken ook: voor het eerst in jaren, kocht ik op een concert een t-shirt. Waarvoor mijn excuses. Of toch niet.
(we don't need this) Fascist Groove Thang - Penthouse & Pavement - Play to Win - Soul Warfare - Wichita Linemen - Don't you Want me - Ball of Confusion - Perfect Day - I'm your Money - Let's all Make a Bomb - The Height of the Fighting (He-La-Hu) - Song with no Name - We're going to Live for a Very Long Time - Come Live with Me - Let Me Go - Temptation - Are Everything - Being Boiled