(Meer dan) 1 jaar gratis concerten Verslagjes van concerten in 2008 & 2009 & 2010 & 2011
02-11-2011
Alice Cooper
Alice Cooper AB, 2/11/2011 Verslag: ja
Vincent Furnier is 63 jaar, en slaagt er als Alice Cooper nog steeds in de AB uit te verkopen. De t-shirts van AC/DC, Iron Maiden, Motörhead waren gestreken, spanden rond de bolle buiken, want iedereen die metal een béétje een warm hart toedraagt, wou de Godfather van de shock-rock wel eens zien. Nu het nog kon. Want 63 is 63, natuurlijk.
Alice Cooper was de eerste om horror met metal te combineren. De zombies, mummies, het bloed, de maskers van talloze metalgroepen is dus allemaal dank zij Cooper de muziek ingeslopen. In de jaren zeventig en tachtig zorgden zijn show voor ophef: de guillotines, de kippen en slangen, het bloed: de goegemeente vond het allemaal niet kunnen. Nu we probleemloos 'Exotische liefde' en 'Boer zoekt vrouw' op tv kunnen verteren, stellen die shows natuurlijk niet zoveel meer voor - maar toch doet Alice Cooper het allemaal nog netjes. Omdat het moet, ongetwijfeld - KISS probeerde ook ooit om het zonder make-up en plateauschoenen te redden, vergeefs.
De boa constrictor, de degen met dollarbiljetten, de gigantische frankenstein-pop, de onthoofding,... Het zal er allemaal in. Niemand die teleurgesteld naar huis kon gaan. Ook niet, toch wel verrassend, omwille van de muziek.
Want Alice Cooper, en dat vergeten we toch wel eens, heeft fan-tas-tische nummers geschreven. Classics, ook buiten het genre. Het wondermooie How you're gonna see me now stond niet op de setlist, maar daar heb ik als tiener vaak genoeg op geweend. Maar al de rest dus wel: I'm Eighteen, Billion Dollar Babies, No More Mr. Nice Guy, Hey Stoopid: ze zaten vooral in de set, zetten alles en iedereen in vuur en vlam, zorgden ervoor dat dit één van de hele grote AB-avonden leek te gaan worden.
Maar het liep fout - met zwakke nummers, nieuwe songs, met het publiek dat niet langer meezong en daardoor pijnlijk duidelijk werd dat Alice Cooper gewoon vals stond te zingen (pijnlijk vals zelfs), een drumsolo (heeeeelp! een drumsolo), en veel stoere poses van gitaristen: het middendeel was zelfs te slecht om slaapverwekkend te kunnen zijn.
Gelukkig herpakte de jonge groep rond de oude man zich prima. Feed My Frankenstein, Clones (dat veel beter klonk dan de eighties-versie op plaat), en natuurlijk: Poison, I Love the Dead, School's Out en Elected. Heerlijk. Met zulke nummers, met de drie loeiende gitaren (waarvan één toebehoorde aan een bekoorlijke blonde deerne), een pompende bas en stampende drummer en met een volle AB, kan zelfs Sam Gooris het niet meer kapot krijgen. Hou dat beeld even vast: vier gitaren op een rij, een drum, een guillotine en een elektrische stoel op het podium, en daartussen Sam Gooris die Poison zingt. Jaja, de horror doet het 'm nog steeds.
Wouter De Backer is een Bruggeling die op zijn tweede (!) naar Australië verhuisde. We zouden hem gewoon een Australiër genoemd hebben, had hij deze zomer niet totaal onverwacht - maar daarom niet onverdiend - een wereldhit gescoord met het aandoenlijke nummer Somebody that I used to know. Hij is dus een Bruggeling, een Belg zelfs. Met een enkele hit de AB uitverkopen is geen uniek gegeven - velen hebben het hem al voorgedaan. De meesten onder hen gingen grandioos af: te weinig vlees aan het been, te veel water in de soep, te vroeg om de zaal echt in de ban te krijgen en te houden. Menige hype werd in de AB tot de ware proporties herleid - we noemen geen namen, of het zou The XX moeten zijn.
Gotye bleef bij zijn maidenconcert in 'eigen' land aardig overeind. In een korte set (nauwelijks een uur) overtuigde hij: dit is geen ééndagsvlieg. Hij ziet eruit als een slungelachtige nerd, zijn Vlaams is aandoenlijk ('Bedankt om veel stil te zijn', of 'We spelen een keer meer nummer'), maar zijn muziek: hmm, ja. Flarden Massive Attack, af en toe een Crowded House met ballen, een Milow met smaak.
Met een bassist, een drummer en een sampler-tovenaar en Wally zelf in het midden tussen sample-machines, drumtoestellen en andere lawaaitoestellen, hield hij het concert in dat ene uurtje goed in gang. De filmpjes die op de achtergrond werden geprojecteerd waren nice, zij het overbodig, maar de songs bleven overeind. Liam Finn, die hier ooit in de Club stond, kon dat bijvoorbeeld niet: de song laten primeren op de klank, op het effect. Gotye deed dat dus wel - de haren stonden overeind bij Heart's a Mess (ook op het podium: de vier keken stomverbaasd toen het publiek de song overnam), Eyes Wide Open was krachtig, mooi, rechttoe rechtaan. En Somebody that I used to Know was een aardig hoogtepuntje. Met de zangeres Kimba op het scherm geprojecteerd.
Dat was, vreemd genoeg, ook het moment dat ik het allemaal iets té netjes en gelikt en gelukt vond. Want om een zangeres op een scherm feilloos te laten meezingen, moet je song ook tot op de halve seconde getimed zijn. Met andere woorden: je wéét dat veel klanken en effecten uit computers komen, maar eigenlijk was het net iets té. De stemmen klonken goed, té goed - zo dacht je plots.
Ja, het is detailkritiek. Gotye slaagde met glans voor zijn examen. Maar, zoals het Bruggelingen dezer dagen ook betaamt, gaven ze het in de laatste minuten toch nog uit handen. Totaal foute bisnummers, een Aldi-Motown-sound, foute tempo en foute toonaard, in de hoop de zaal nog even helemaal uit het dak te doen gaan. Wat dus mislukte. En trouwens ook totaal overbodig was. Jammer, toch.
Red Hot Chili Peppers Ahoy Rotterdam, 16 oktober 2011 Verslag: ja
De RHCP roepen heel gemengde reacties op. Voor de ene is het één van de weinige echte supergroepen, die telkens weer fantastische songs afleveren en voor stomende optredens zorgen. Voor de andere is het een zootje ongeregeld dat telkens weer met dezelfde hamer op dezelfde spijker klopt, en al lang zijn ziel verkocht. I'm with you, de eerste plaat in vijf jaar tijd, deed vermoeden dat die laatsten gelijk kregen: opvallend veel zwak materiaal, en een formule die echt wel wordt uitgemolken. Het vertrek van gitarist John Frusciante was koren op de molen van die critici: Josh Klinghoffer is misschien wel een toffe peer, maar hij is geen genie als Frusciante.
In hun wereldtournee laten ze België voorlopig links liggen, dus trokken we naar Rotterdam. Waar een propvolle Ahoy helemaal klaar was voor een RHCP-feestje. En het begon ook goed: het nieuwe en flauwe Monarchy of Roses werd meteen gevolgd door Dani California. Duizenden smart phones lichtten op, er werd luid meegezongen, de groep klonk strak en goed. Anthony Kiedis, nu met kortgeknipte haren en een afgrijselijke porno-snor, speelde snel zijn jasje uit om zijn tatoos te showen, bassist Flea zag er nog net zo gespierd en getekend uit als weleer, en de mannen hadden er zin in.
Maar toen al liep het fout: de klank viel uit, en de groep speelde door alsof er niets aan de hand was. Een halve minuut, een minuut duurde het - en je hoorde ze spelen, alsof op het podium van die grote zaal een transistorradiootje stond te spelen. De klank kwam weer goed, en de sfeer was er niet eens uit - de zaal bleef enthousiast verder doen. Scar Tissue bewees dat Kiedis een rapper is en geen zanger, en dat zijn stem duidelijk werd bijgestuurd. Vierde nummer: Ethiopia. En net als het land, werd het een regelrechte ramp. Weer viel de klank helemaal uit, langer deze keer, en kwam het eigenlijk niet meer goed. De rest van het optreden speelden ze aan zestig procent van het normale volume, was het geluid helemaal uit balans, viel af en toe de gitaar gewoon weg, klonk zijn stem eens te luid en dan weer te zacht, en galmden de drumsalvo's van Chad Smith doorheen de zaal. Er leken twee groepjes te spelen: de echte Peppers vooraan op het podium, en achteraan in de tribune een slechte tribute band die alles twee seconden later naspeelde.
Waarom werd er niet gewoon even gestopt om het een en het ander bij te sturen? Dat hadden we aan de computers te danken. Het podium was indrukwekkend aangekleed met een gigantisch LED-scherm (de volledige breedte van het podium en zeker vijf, zes meter hoog); daarboven hingen acht andere schermen die stegen, zakten, draaiden - en op al die schermen werden animaties getoond, of close-ups van de band. Een wervelende, schitterende show. Maar: wel een show die helemaal voorgeprogrammeerd is, en netjes door computers wordt aangestuurd. Ik stond net naast de kerel die het spul bediende - af en toe op een knopje drukken voor een overgang, méér kon hij niet ingrijpen.
Het hele optreden was dus eigenlijk een grote videoclip, waar de muzikanten live op speelden. En de clip kreeg voorrang op de muziek. Want zo'n computer stopzetten en weer opstarten, was blijkbaar geen optie. Wat een zonde. Een absoluut klotegeluid, veel te zacht - je begreep zelfs de bindteksten niet. Mensen die ongelukkiger en ongeduldiger werden - hoewel ze toch probeerden. Zowel de groep als het publiek wou er iets van maken, en Otherside, Look Around, Under the Bridge (het kampvuurmoment van de avond), Higher Ground, Californication: iedere keer weer kwam de sfeer erin, leek het toch goed te komen. Tot er weer een gitaarsolo wegviel, tot de drum(aan)slagen zodanig weerkaatsten dat je niet meer wist in welke song ze nu zaten.
Jammer maar helaas, dus. In de bissen leek het even goed te komen, klonk het allemaal weer voller en steviger. Maar toen was mijn kalf al verdronken, én verwerkt in een broodje Unox. Volgend jaar kunnen de RHCP revanche nemen. Op Pinkpop, Werchter, of andere festivalweiden.
Steve Earle & the Dukes & Duchesses AB, 10 oktober 2011 Verslag: ja
Steve Earle: wie kent hem? Geen kat, we moeten daar eerlijk over zijn. Nooit op MTV gedraaid, nooit in enige hitlijst opgedoken. Of het moeten de lijstjes zijn, die recensenten sinds 1986 opmaken over hun beste platen van het jaar. Daar kreeg Earle wis en zeker een plaatsje, af en toe. Het bleek in ieder geval in de AB: onbekend is onbemind. Nauwelijks volk, dus. En dat is een zonde, een doodzonde. Want Steve Earle moeten we koesteren, met ons allen.Zodat hij heel, heel lang door kan gaan.
De man toonde in een optreden van 2,5 uur immers aan hoe onze muziek van vandaag in elkaar zit. Waar alles vandaan komt. Hoe alles aan elkaar hangt. Country, bluegrass, Americana, oude rock 'n' roll, harde hedendaagse rock, zeemzoete ballads, jolige Keltische folk, blues... Natuurlijk kan de eerste de beste saaie bilbliothecaris je hetzelfde verhaal vertellen, en illustreren met de juiste boeken en platen. Maar Steve Earle hoeft niet eens te doceren: hij is een zodanige klasbak dat hij door gewoon te spelen en te zingen de muziekstijlen laat leven, naar elkaar klauwen, verwijzen.
Hij is intussen 56 jaar, en het archetype van wat in flauwe sitcoms als hippie wordt opgevoerd. Dikke buik, purperen hemd, kalend en toch de laatste slierten grijs haar in een paardenstaart in de nek, een lange, grijze volle baard, lullen over vrede en fulmineren tegen het systeem, om de drie woorden twee fucks gebruiken. En, zoals het echte hippies betaamt: rechts van hem een bloedmooie rosse krullenbol op viool en gitaar, links van hem een nog mooiere rosse op keyboards en gitaar en accordeon. De Duchesses. Die ene, nog mooiere, is trouwens zijn vrouw, Alison Moore. Zijn zesde vrouw, hoewel hij zeven keer is getrouwd. Juist: van die zeven trouwde hij twee keer met dezelfde, met Alison Moore. Wie haar versie van Sam Cooke's 'A Change is Gonna Come' hoorde, begrijpt waarom.
Maar goed, Earle dus. Voor hij in 1986 zijn eerste plaat uitbracht, had hij er al een leven als songschrijver opzitten. In een liedjesschrijvershuis in Nashville componeerde hij plaatjes voor countrysterren en voor de oude rockers als Carl Perkins. Zijn eerste plaat flopte, maar hij kreeg dus een herkansing. In de AB had hij het uitvoerig over herkansingen: hoe hij zodanig zwaar aan de heroïne zat, dat hij van de aardbol verdween, uiteindelijk in de gevangenis terechtkwam, daar afkickte. Hoe hij zijn zoon van veertien kreeg toevertrouwd, tegen wil en dank. Hoe Brokeback Mountain (waarin een song van hem werd gebruikt) hem de kans gaf een oud nummer nieuw leven in te blazen, en hetzelfde gebeurde met zijn carrière. Hoe New Orleans een tweede kans kreeg...
Zijn laatste platen zijn hommages aan Hank Williams en aan zijn grote mentor, Townes Van Zandt. Het was die laatste die hem de muziekwereld binnen trok - maar zijn naam viel niet één keer tijdens het optreden. Earle vertelde anders genoeg - mooie verhalen, grappige verhalen. Over politiek, discriminatie, wapens, het leven.
En tussen die verhalen door: wonderbaarlijke muziek. Hij nam je mee naar een Ierland van weleer, met opzwepende folk. Hij vertelde het verhaal van een jonge Ierse mijnwerker die as immigrant in de VS vol energie vocht voor het leven waarin hij geloofde, en voor de vakbond die hem steunde. Meteen erna: diezelfde Ierse immigrant op het einde van zijn leven, wanneer hij beseft 'he's fucked'. Aangrijpend, mooi. Earle gaf ons mooie bluegrass - een nummer dat hij schreef voor de tweede plaat van Alison Kraus en Robert Plant. Maar die plaat kwam er nooit, dus nam hij het nummer zelf op. Earle ging moeiteloos over naar rock, om af te sluiten met een zinderend, door gitaren mismeesterde The Revolution Starts Now. In de bissen gingen we de Hank Williams-toer op, en ook dat was een mooie rit.
Ik had het geluk het hele optreden lang op de eerste rij te kunnen staan. En wat opviel: de intense liefde die Earle en zijn groep hebben voor de muziek die ze brengen. Er wordt gelachen op het podium, maar vooral muziek beleefd. Daarom moeten we Earle koesteren. Want er zijn nooit genoeg rasmuzikanten als hij.
CW Stoneking and the Primitive Horn Orchestra Botanique, 7 oktober 2011 Verslag: neen
Wat was nu eigenlijk het belangrijkste? De waanzinnige zelfrelativering van Stoneking? Het plezier dat van het podium spat? De fijne muziek? Of de erbarmelijke omstandigheden waarin je het optreden moest bijwonen - omdat de Botanique de zaal eivol propte?
Speelt allemaal geen rol. Te onthouden:de 37-jarige Australiër is één van de betere entertainers die je dezer dagen in een concertzaal aan het werk kunt zien. Zijn muziek is niet bepaald voor de hand liggend - vooroorlogse blues, gespeeld op banjo of een oude bluesgitaar, begeleid door drums, trompet, trombone en bas of tuba. Lange verhalen, vol miserie, je kent het genre wel. Zijn stem is die van de zatte Tom Waits - schrapend, knarsend, zoekend. Geen idee hoe iemand uit het verre Australië een liefde ontwikkelt voor New Orleans blues, laat staan hoe hij er zo diep kan inkruipen dat hij nieuwe standards kan schrijven, maar hij doet het.
Met een wit pakje, vreemd opgeschoren kapsel en zijn blikken gitaar staat hij daar op dat podiummetje in de Botanique. De zaal stamvol, te vol, je kunt de man nauwelijks het applaus geven dat hij verdient. Hij vertelt lange verhalen - vrijwel allemaal verzonnen, maar uitermate grappig, en de perfecte inleiding voor de vaak al even wacko liedjes. Jungle Lullaby is geweldig, Love me or Die opzwepend. En ze grijpen je allemaal bij de keel, dank zij zijn stem, die uit een lang geleden afgesloten graftombe lijkt te komen.
Grappig, dus. Zelden zo'n perfecte combinatie van zanger en stand-up comedian aan het werk gezien als deze Stoneking. Wanneer hij alleen het podium opkomt: "Mijn groep vindt sommige van mijn liedjes zodanig vervelend, dat ze niet willen meespelen. Ik mag dit dus alleen doen. Joepie." Of een lang verhaal over hoe hij door de jungle van Afrika trok, en zijn avonturen met ons wil delen. "Ah, je gelooft me niet. Nochtans heb ik het heel netjes genoteerd, zodat jullie nu kunnen meeleven alsof je het echt meemaakt, en dat zonder enig gevaar voor jullie gezondheid."
Het had iets langer mogen duren, maar misschien is het met deze Stoneking wel als met Fawlty Towers: je kunt alleen vrezen dat het na het einde slechter was geworden, maar je zult het nooit weten. Fluitend trokken we de nacht in, onbevreesd,
Ook nog nooit van Anna Calvi gehoord? Maakt u zich vooral geen zorgen: u bent in goed gezelschap. Anna Calvi is een groep, genaamd naar de Britse zangeres eh... Anna Calvi. Door de BBC uitgeroepen tot grootste talent van 2011, en dan weet je het al: hype, hype, hype. Kenners rollen over elkaar heen om toch maar iets positiefs te kunnen declameren over de dame/groep, woorden schieten tekort om het immense talent te omschrijven. En vergelijkingen en verwijzingen, manman: de nieuwe Patti Smith, PJ Harvey, Siouxie, Nina Simone. Brian Eno vindt haar geweldig, en de vaste PJ Harvey-producer werkt voor haar. Indrukwekkend palmares.
Hypes hebben het vaak bijzonder moeilijk in de AB. Herinner u bijvoorbeeld de XX, die roemloos de mist in gingen. De druk, de onrealistische verwachtingen, gewoon te vroeg, te weinig inhoud? Geen idee - misschien is zo'n hype per definitie een over het paard getild muzikant. Anna Calvi had één groot voordeel: ze maakte een diepe, diepe indruk toen ze in februari het voorprogramma van Grinderman mocht verzorgen. Ook toen al schoten de superlatieven bij de connaisseurs te kort om de prestatie te bewierroken.
Enfin, u begrijpt: ik ging met heel veel reserves in de AB staan, die warme nazomerse maandagavond. Mij zouden ze niet liggen hebben, met hun stomme hypes. Maar zie. Iets na negen stapt een onzeker meisje het podium op, een veel en veel te grote gitaar omgegespt. De zaal wordt muisstil en houdt de adem in wanneer die gitaar begint te schreeuwen, janken en jammeren. Calvi tovert meteen een nieuwe wereld tevoorschijn, een eigen universum met ongewone klanken, rare ritmes, vreemde patronen. Haar bizarre gitaarspel is maar een deel van de verklaring waarom dit zo apart is - ze slaat geen noten aan, maar maakt cirkeltjes met haar rechterhand, waardoor ze meteen ook een hoeks ritme in haar gitaarspel legt.
Maar na dat instrumentale voorgerechtje moest ze me nog echt met verstomming slaan. Met haar stem. Een opera-diva-stem die luid de AB inrolt, tegen de muur kaatst en je dan bij je nekvel grijpt. Zo'n stem. Conclusie, na twee nummers: wat een wijf.
Calvi had haar vaste groepje meegebracht. Een drummer en een percussioniste (die af en toe ook een pomporgel bediende). Meer niet. In een drietal songs kwam er ook nog eens een extra gitarist het podium opgeslopen, maar de drie volstonden om die parallelle Calvi-wereld te scheppen. En die wereld, dames en heren, is een zeer bizarre wereld.
De sterkte van Calvi is dat ze niet vast te pinnen is op één bepaalde richting. Tijdens het optreden bleek dat echter ook haar zwakte te zijn. Het ene moment betoverde ze je met klanktapijten, ritmes en een bezwerende stem - de Elvis-cover Surrender was pure David Lynch. Wachten op de dansende dwerg op het podium, op de log lady, op andere rare creaturen. Even later haalde ze zo zwaar uit met die stem van haar, dat je er voorwaar bang van werd. Scott Walker stond grijzend in de coulissen: zo zou hij het ook doen, mocht hij nog leven - de brave kindjes bang maken met akelige zang. En nog wat later, in SUzanne and I, klonk Calvi in een retestrak rocknummer als de jonge Patti Smith. Hevig, stevig, smachtend, verlangend, zelfzeker. In Desire kwam alles dan samen, als een woeste uithaal, een ultieme poging om de wereld te redden.
Neen, het was geen gemakkelijke avond. Neen, ik zal nooit Calvi opzetten op een zonnige zondagmiddag, om even te bekomen van het aperitief. En neen, doorbreken zal ze waarschijnlijk nooit echt doen. Muzikanten zullen haar aan de borst blijven drukken, de incrowd zal haar blijvend koesteren. Maar ze wordt vast nooit een Elbow - voor haar muziek zijn er gewoon niet genoeg fans. Oh ja - als ik dan toch ook even aan name-dropping mag doen... Heel heel lang geleden zag ik in Londen een jonge Britse new-wave artieste aan het werk.In een kleine concertzaal verleidde ze moeiteloos onze 17-jarige hormonenhuishouding - met haar stem, haar bezwerende muziek, haar act, haar Riders on the Storm--cover. Na het optreden gingen we een handtekening vragen, in haar kleedkamer - en zag je de verbazing in de ogen van de blonde Annabel Lamb. Sindsdien nooit nog wat van gehoord, een lot dat ik Anna Calvi noch toewens noch toedicht. Maar zo af en toe deed ze me er wel aan denken - de vette knipogen naar de duistere eighties-new-wave waren dik ok.
Bony King of Nowhere en Midlake OpenLuchtTheater Rivierenhof, 14 augustus 2011 Verslag: ja
Ik zweer het: ik heb het geprobeerd. De hele cd van Midlake in één ruk door te beluisteren. Het is me niet gelukt. Hoe mooi ik 'The Courage of Others' ook vind, telkens glijdt een vinger naar de 'eject'-knop. Ergens halverwege. Een mens kan maar zoveel ellende, smart en droefnis aan. Als Midlake dan nog eens optreedt met The Bony King of Nowhere in het voorprogramma, weet je vooraf al dat de gezinsverpakking Prozac na het optreden moet worden aangesproken. Want dat is dus twee porties ellende, smart en droefnis. En dat is echt te veel.
Het Rivierenhof moet zowat de mooiste concertlokatie van dit land zijn. Een openluchttheater, verscholen in een groen park. Een droge zomeravond. Een vol huis - de gemiddelde toeschouwer leek me Account Manager bij een reclamebureau te zijn. Hip dus, op een opvallend niet-hippe manier. Met mojito of witte wijn in de hand, sigaret losjes tussen de vingers, mooie partner aan de zij. Losse sfeer, ook. Want plots stond die Bony King, Bram Vanparys, op het podium, met zijn gitaar in de aanslag. En met zijn portie liedjes klaar.
Mooie liedjes, hele mooie liedjes. Aangrijpend, pakkend. Maar hei, je kunt maar zoveel keer op een avond gepakt worden. TBKON probeerde wat variatie in de avond te brengen door met de bezetting te schuiven - een keer Bram alleen, dan met gitaar, dan alleen met bas, dan met hun vijven,... Maar hij gaf het zelf aan, na drie kwartier: 'Nu komt het triestigste liedje uit de set.' En hij loog dan nog ook. Ik greep een eerste keer naar Prozac. Het hoogtepunt van het voorprogramma: Brams bewerking van 'Het Huwelijk', mijn Elsschot-lievelingsgedicht. Vertaald, op muziek gezet, en om nooit meer te vergeten. Knap.
Daarna kwam Midlake dus. Zeven man op het podium, veel baarden, lang haar, en een bassist met een snor - hij leek recht uit Frankie Goes to Hollywood te komen. Maar goed: drums, keyboards, bas en vier gitaren. En wonderbaarlijk mooie liedjes, melodietjes - de ene keer hoorde je Radiohead (zoals ze klonken in de tijd van OK Computer, op hun hoogtepunt dus, tijdens dat onvergetelijke concert in Vorst, toen), de andere keer kwam Buffalo Springfield om de hoek kijken. Het was allemaal wat minder deprimerend dan ik vooraf had gevreesd, en bij Fortune (dat akoestisch werd gebracht) kwam er een voorzichtig hoogtepuntje. Maar, nogmaals: hoe vaak kun je op één avond echt gepakt worden? De stem van Tim Smith slaagt erin om zelfs vrolijker deuntjes intriest te doen klinken. En na een tijdje worden al die droeve historties een beetje, tja, vervelend.
Het publiek deed wat je moet doen bij zulke beleefde, welopgevoede muzikanten: beleefd applaudiseren. Meer kun je ook niet doen. Een ponolaise inzetten leek me heel erg ongepast, ik heb me dan ook heel beleefd verwijderd, en op de weg door het park een stiekem vreugdesprongetje ingezet.
Toots Thielemans Quartet Toots Thielemans, Kenny Werner, Oscar Castro-Neves & Airto Moreira Jazz Middelheim, 13 augustus 2011 Verslag: neen
Ooit kwam Toots naar de Kortrijkse Stadsschouwburg. Samen met François Glorieux. M'n vader nam me mee, want zoveel kansen om Toots nog aan het werk te zien, zou ik vast niet meer krijgen. Hij leek toen al een oud mannetje, Toots. Witte haren, die zware bril, wat amechtig praten. Maar man, wat kwam er allemaal uit dan mondmeziekske! En fluiten kon hij ook al zo goed. En gitaar spelen!! François Glorieux werd korte tijd later geveld door Parkinson, het zou de laatste keer geweest zijn dan ik hem live zag. Toots is, meer dan dertig jaar later, nog steeds springlevend. 89 jaar is hij intussen. Amechtig pratend. Witte haren, die zware bril.
Maar man, wat komt er allemaal uit dat mondmeziekske! Fluiten en gitaar spelen zit er niet meer in, maar Toots gaf een verstillend optreden. Muisstil was het op Middelheim. Muisstil en dankbaar, om dit nog te mogen meemaken. Kenny Werner, zijn pianist/vriend van vele oorlogen, zorgde voor de melodieën die om Toot's klanken heen dwarrelden. En Neves en Moreira, twee jazz-Brazilianen, zorgden voor de vaak exotische ritmesectie. De ene op percussie, de ander op akoestische gitaar. NIet alle arrengementen waren even geslaagd, soms stoorde het geluidgordijn van de percussie zelfs, maar Toots leek wel erg in zijn nopjes.
Praten deed hij niet echt veel met ons. Pas in het laatste deel van het concert gaf hij af en toe een woordje uitleg - om de solo's van het viertal te duiden, bijvoorbeeld. En je geloofde hem, wanneer hij vertelde dat hij het zo'n enorme eer vond om met die muzikanten samen op het podium te staan. Zoals je Toots zijn hele leven al gelooft wanneer hij zulke dingen zegt. Het komt nooit snoeverig over, wanneer hij het heeft over zijn echte thuis, New York. Of wanneer hij zegt met wie hij zoal samenwerkte. Want altijd voegt hij eraan toe dat hij vereerd is. Terwijl het natuurlijk net omgekeerd is, en dat werd in Wilrijk ten overvloede bewezen: Toots is de virtuoos, die de muzikanten rondom hem beter maakt.
Het was dus geen perfect concert. De synthesiser van Werner was er te veel aan, zocht te nadrukkelijk het effect van filmmuziekerige sfeer. En het Zuidamerikaanse feest kwam er ook maar zelden doorheen. Maar Toots maakte alles goed, met ronduit fantastische momenten, waarbij je het niet voor mogelijk achtte dat die klanken echt uit zo'n instrumentje kwamen. Loepzuiver. En: waar haalt hij die adem toch vandaan?
Paul Simon Vorst Nationaal, 5 juli 2011 Verslag: ja
Paul Simon, de getalenteerde helft van het hippieduo Simon & Garfunkel, wordt dit jaar zeventig. Zeventig! De kleine New Yorkse jood verplaatst zich voorlopig nog niet met een looprekje - hij is alleen wat grijzer, wat dikker geworden. Maar verder oogt hij nog bijzonder kwiek, geeft hij avond na avond uren lang het beste van zichzelf, en mag dat beste er nog eh... best zijn. Ja, zijn stem is wat fragieler, af en toe mist hij een noot, maar hij klinkt nog steeds als Paul Simon.
Eerder dit jaar bracht hij zelfs een nieuwe plaat uit, So Beautiful So What. Een mens kan zich afvragen waarom. Waarom ga je op je 69ste niet gewoon op je lauweren rusten? Je geld tellen, genieten van je leven, van je (derde) vrouw Edie Brickell, van die wondermooie muziek die je maakte. Enerzijds zal er wel een soort creatieve drive aan de basis liggen van die hoogbejaarde productiviteit. Maar net zo goed kan Simon het geld nodig hebben. Hij is al talloze keren artistiek (en financieel) dood verklaard. Na de split met Art Garfunkel. Na zijn succesperiode in de jaren zeventig - het album Graceland uit 1985 was een alles-of-niets-zet. Na zijn monsterlijke mislukking op Broadway, toen hij tientallen miljoenen pompte in het Capeman-project, dat na 68 uitvoeringen werd afgevoerd.
Eerlijk: het zal me worst wezen. Samen met een stampvol en bloedheet Vorst Nationaal was ik klaar om de held van vele jeugdjaren te omarmen. De soundtrack bij kampvuuravonden, de bard van pril puberaal liefdesverdriet, de dichter die schoolkaften sierde. De man wandelde het podium op, en de zaal maakte met een staande ovatie duidelijk dat ze blij waren bij dit onderdeurtje te zitten, en niet bij die andere niet-zo-uit-de-kluiten-gewassen man, Prince, die op hetzelfde ogenblik in Gent zijn ding deed. Of misschien wilden we ons allemaal haasten, hem een ovatie geven voor hij doodviel.
Simon had acht muzikanten meegebracht. Twee percussionisten, twee gitaristen, een bassist en drie toetsenisten. Die ook nog eens sax, trompet of percussie voor hun rekening namen. Twee en een half uur deed Simon het bijzonder slim: twee nieuwe of minder bekende nummertjes, telkens netjes afgewisseld met een evergreen. Boy in the Bubble gaf de aftrap, Mother and Child Reunion, Slip Slidin' Away,... Met een finale die kan tellen: Diamonds on the Soles of her Shoes, Gumboots, en een bisronde met The Sound of Silence (solo), Kodachrome, Here Comes the Sun (van The Beatles), Late in the Evening. En een tweede bisronde met Still Crazy after all those Years en You can call me Al. Het grote Simon-songbook werd vakkundig geplunderd, tot eenieders tevredenheid.
Was het perfect? Neen, verre van. De covers brachten totaal niets bij - Vietnam (van Jimmy Cliff) was hopeloos gedateerd, Mystery Train (van Junior Parker) en Wheels (Chet Atkins) waren symptomatisch voor het hele optreden: te braaf, te afgelikt. Je kunt van een man van bijna zeventig natuurlijk niet verwachten dat hij verwoestende Iron Maiden-uithalen voorschotelt, maar het was allemaal toch iets te beredeneerd, iets te veel op veilig gespeeld. The Obvious Child (uit het onderschatte The Tythm of the Saints uit 1990) zorgde de eerste keer voor iets dat op ambiance leek, maar bij Late in the Evening probeerden zelfs de blazers de hoge noten niet te halen. Allemaal net wat te afgelikt, afgeborsteld. Te braaf. Te jammer.
Maar goed: ik wil niet zeuren. Samen met Philippe, m'n maatje van toen, luisterden we uren lang naar het legendarische Concert in Central Park, de grote reünie met Art Garfunkel uit 1981. Waar een miljoen mensen getuige waren van een wonderbaarlijke avond, en wij niet. Wel, Simon heeft toch een deel van dat gemis goedgemaakt. The Only Living Boy in New York was beklemmend, Still Crazy after all those Years was mooi. Ik verwacht niet meneer Simon ooit nog op een podium te zien of horen. Simon is zoals een fles hele goede, dure wijn. Je bewaart ze zo lang mogelijk, maar uiteindelijk komt de dag dat je ze leegdrinkt en er meteen dus ook afscheid van neemt. Niet zelden maak je dan de opmerking: 'heel lekker, heel vol, heel rijk, maar lang moest ze toch niet meer blijven liggen. Beter zou ze in ieder geval nooit worden'. Simon wordt ook niet meer beter. Hopelijk voor hem wel nog veel ouder. En een beetje groter, misschien. Al is het daar te laat voor, zeker?
Boy in the Bubble; Dazzling Blue; 50 Ways to Leave your Lover; So Beautiful or So What; That Was Your Mother; Hearts and Bones; Mystery Train; Wheels; Slip Slidin' Away; Rewrite; Peace Like a River; The Obvious Child; The Only Living Boy in New York; The Afterlife; Questions fot the ANgels; DIamonds on the Soles of her Shoes; Gumboots; The Sound of Silence; Kodachrome; Here Comes the Sun; Crazy Love Vol II; Late in the Evening; Still Crazy after all those Years; You can call me Al.
Drie jaar geleden stond ik in een overvolle AB naar de Schotse deerne KT Tunstall te kijken en luisteren - en me vooral te ergeren. Want de meid maakte er een onwaarschijnlijk potje van: telkens het optreden een beetje vaart leek te krijgen, haalde ze er de sfeer en het tempo weer uit met flauwe grapjes, wacko verhalen en andere tussendoortjes. Pas helemaal op het einde barstte het feest toen los, met een zinderend Suddenly I see. Maar dat was niet genoeg om een ferme buis te vermijden. KT doolde, was de weg kwijt en in één kap ook het noorden.
Vorig jaar bracht ze haar derde studioplaat uit, Tiger Suit, en daarop staat meer van hetzelfde. Lekkere pop, maar geen onvergetelijke nummers. Wel af en toe experimenten met nieuwe klanken - dreigende beats, ze noemt het zelfs 'Nature Techno', en er wordt naar Bjork verwezen als invloed. Maar: de plaat passeerde onze contreien vrij geruisloos. Met als resultaat geen uitverkochte AB, maar nauwelijks 1600 verkochte tickets. Ik was de hetero in de zaal - KT heeft zich blijkbaar ook met haar lot verzoend dat ze een rolmodel is geworden voor holebi's, ze maakte er zelfs af en toe grapjes over.
Het is een goed optreden geworden. Een hemelsbreed verschil met drie jaar geleden. Op het podium stond quasi dezelfde groep, maar deze keer wel met een sterke, geconcentreerde en bijzonder hard werkende frontvrouw. Wat het ook was dat haar drie jaar geleden zo zuur opbrak: ze heeft het uit haar systeem. Heel veel nieuw werk - meer dan de helft van het optreden waren nieuwe nummers, maar ze speelde ze wel strak, vol overgave. En ze vond de goede mix tussen nieuw en oud, tussen solo en groep, tussen rock en disco, tussen ambiance en sfeer. Een optreden zoals een optreden hoort te zijn, kortom.
Heel tekenend was het verschil met drie jaar geleden in haar superdoorbraakhit, Black Horse and the Cherry Tree. Bij haar vorige passage bouwde ze dat nummer op, met haar sampler: laag na laag voegde ze er ritmes en klanken aan toe, legde ze ook uitvoerig uit wat ze deed, en stapte ze halverwege plompweg op een foute pedaalknop, waarna het nummer helemaal stilviel. Letterlijk en figuurlijk.
Nu deed ze grotendeels hetzelfde. Zonder uitleg, deze keer: ritme opnemen, afspelen, stemmetje (Woe-hoe) toevoegen, gitaarlick, en dan hop, erin vliegen. Net wanneer je dacht dat het afgelopen was, sloop de groep het podium weer op - gitaar, drums, bas en trompet zorgden voor een spetterende finale. Even later kregen we Saving My Face en werd het feest echt op gang getrapt. Een heel moo Madame Trudeaux, een stomend Push That Knot Away en een opzwepend Fade Like a Shadow (de laatste single). Knap. De bissen dan: (Still a) Weirdo, de voorlaatste single, gevolgd door de Cure-cover Close to Me, met Suddenly I See als afsluiter. Tijdens die CLose to Me viel mijn frank: KT Tunstall stond zich gewoon te amuseren. Ze vindt het weer plezant om op een podium te staan, om buzze te geven.
In juli komt KT naar Cactus in Brugge. Hou je klaar voor een feestje.