DNA pleit ook al in het voordeel van de creationisten.
20-06-2007
Mutatie
Citaat uit:" het Nederlands Dagblad."
Mens is beeld, geen soort.
De afzonderlijke schepping van de mens, met zijn specifieke geestelijke vermogens, heeft hem in staat gesteld te zondigen en ook van zonde te worden verlost. Daarin onderscheidt de mens zich van dieren.
Het probleem dat orthodoxe christenen met de evolutietheorie kunnen hebben, ligt niet aan de wetenschappelijke feiten. Die zijn duidelijk: als bacteriën, planten of dieren in veranderende omstandigheden komen, kunnen nieuwe vormen, rassen of zelfs soorten ontstaan, die aan die veranderingen beter zijn aangepast. Bijvoorbeeld bacteriën die resistentie tegen antibiotica ontwikkelen, of planten die een warmer klimaat beter verdragen. Deze evolutie kan dus de vormenrijkdom in de natuur vergroten.
Ook het mechanisme voor deze evolutie is in de vorige eeuw opgehelderd. De vorm en functie van levende organismen is erfelijk vastgelegd in de genen van het DNA, die de genetische codes bevatten voor de bouwstenen van de organismen. In dat DNA kunnen, naar men meent, toevallige veranderingen optreden die dikwijls, maar niet altijd, kunnen worden hersteld. Behalve deze mutaties kunnen zich ook wijzigingen voordoen in de volgorde en aantallen van de genen, die de codes bevatten. Zulke recombinaties voegen in principe geen nieuwe informatie aan het DNA toe, terwijl mutaties veranderingen in de vorming van de bouwstenen tot gevolg hebben. Hierdoor kunnen afwijkingen in de vorm of functie van de cellen van het organisme optreden die soms zelfs fataal voor het overleven kunnen zijn. Mutaties zijn vrijwel altijd verliesmutaties, zelden of nooit is een echte winstmutatie bij bacterie, plant of dier aangetoond. Zo is resistentie op zich natuurlijk gunstig, maar berust, voor zover genetisch onderzocht, op het verlies van de factor waarop het schadelijk agens zou moeten aangrijpen.
Evolutie door mutatie en/of recombinatie werkt dus meestal genetisch verarmend en is daarom bij uitstek ongeschikt voor de ontzaglijke toename van genetische informatie in het DNA, die zou hebben moeten optreden bij een evolutie ‘van amoebe tot mens’. Dit laatste is wat men gewoonlijk onder de evolutie in de levende natuur verstaat, maar dit zou als macro-evolutie moeten worden onderscheiden van de boven besproken, wetenschappelijk vastgestelde micro-evolutie op soortniveau. Darwin heeft, bij zijn geniale voorstelling van de evolutietheorie halverwege de negentiende eeuw, weliswaar op macro-evolutie gedoeld, maar miste de genetische en biochemische kennis, die pas in de vorige eeuw is ontwikkeld.
Wel vond hij het al zeer problematisch, dat bij fossiele resten van vroegere organismen geen sporen van zo’n evolutie waren gevonden. Bij een geleidelijk voortschrijdende evolutie van lagere naar hogere levensvormen zouden overgangsvormen immers heel overvloedig moeten optreden, maar dat was toen, en is ook thans nog, niet het geval. Fossielen, die als overgangsvorm kunnen worden geïnterpreteerd, zijn uiterst schaars. Gewoonlijk is een levensvorm in opeenvolgende aardlagen zeer constant tot hij opeens, in tal van opzichten veranderd, afgewisseld wordt door een nieuwe vorm in de hogere aardlagen. Het probleem dat christenen met evolutie kunnen hebben, is dat zij, in plaats van aan de wetenschappelijk bewezen micro-evolutie, denken aan de macro-evolutie, die niet alleen onbewezen is, maar waarvoor ook geen mechanisme bekend is.
Naar zijn aard We weten in de landbouwveredeling dat bijvoorbeeld tarwe en honden in tal van verschillende rassen zijn te kweken, maar het blijven altijd tarwe en honden, het worden nooit gerst of katten. Blijkbaar vertonen levensvormen grenzen waarbinnen ze micro-evolutie vertonen, maar waar ze niet buiten kunnen treden (behoudens moderne methoden van genetische manipulatie die in de vrije natuur niet voorkomen). Al in de vorige eeuw werd daarvoor het begrip ‘baramin’ ontwikkeld (‘bara’ = scheppen en ‘min’ = aard, soort). Dit vanuit de gedachte dat God volgens Genesis de oersoorten schiep ‘naar hun aard’, waaruit dan door micro-evolutie de verdere soortenrijkdom op aarde kon ontstaan. Deze idee is nog steeds in lijn met de wetenschappelijke feiten. Het blijft ook nog denkbaar dat God de micro-evolutie beïnvloedt om de vorming van nieuwe soorten te bewerkstelligen, maar dat onttrekt zich uiteraard aan wetenschappelijke toetsing. Dat al die soorten DNA bevatten, waarvan de samenstelling bij verschillende soorten grote overeenkomst kan vertonen, wekt geen verwondering. Ook de moderne ontwerper gebruikt dezelfde elementen om geheel uiteenlopende creaties vorm te geven.
Naar Gods beeld De mens is niet geschapen ‘naar zijn aard’, maar ‘naar Gods beeld’ en fossiele resten van primaten zijn dan ook òf typisch aapachtig of duidelijk menselijk. Zijn afzonderlijke schepping met zijn specifieke geestelijke vermogens heeft de mens in staat gesteld te zondigen en ook van zonde te worden verlost. Ieder, die een huisdier heeft, kent diens aanhankelijkheid en, tot op zekere hoogte, het onderling begrip. Maar er is geen gesprek mee mogelijk, zelfs niet met een papegaai. Dieren communiceren met geluiden, gebaren en mimiek, maar het in spraak formuleren van gedachten en gevoelens is voorbehouden aan de mens. Dieren kunnen ook in meerdere of mindere mate tellen, maar dat niet doorzetten tot in het oneindige, ze hebben geen besef van oneindigheid of eeuwigheid. En al vlooit en knuffelt een apin nog zo met haar jong, het blijkt dat zelfs een chimpansee zich niet in een ander kan verplaatsen: liefde is een typisch menselijk vermogen. Het zijn juist deze drie communicatieve eigenschappen van de mens, die de omgang mogelijk maken, onderling en met God.
Dr. Johan Bruinsma is emeritus hoogleraar biologie aan Wageningen Universiteit.
Bottom of Form 0
Dr. David Rosevear
"Mutaties zijn ‘toevalsveranderingen’ in de genen en kunnen daardoor niet anders dan leiden tot verlies van informatie. Er is geen enkele positieve mutatie bekend, en de meeste mutaties zijn duidelijk een vermindering van kwaliteit."
Dr. David Rosevear (Creation Science Movement)
16-09-2007
Kunnen genetische mutaties positieve veranderingen teweegbrengen in levende wezens?
Kunnen genetische mutaties positieve veranderingen teweegbrengen in levende wezens?
Auteur: Dr. David A. Demick, M.D. (patholoog)
Vertaling en voetnoten door M.V.
Evolutionisten zien genetische mutaties als een oprijlaan naar positieve veranderingen in levende organismen. Bijvoorbeeld, Richard Dawkins’ boek, The Blind Watchmaker [De blinde horlogemaker], tracht een godloze kosmos van toeval te bekrachtigen waarin het voorkomen van design in het leven door toeval optreedt, door de toenemende opstapeling van positieve veranderingen in de genen. Zijn betoog echter, gerelateerd aan biochemische genetica, bevat theoretische modellen die van weinig relevantie getuigen voor de werkelijke wereld.
Dus, de vraag blijft: Wat zien wij feitelijk in de wereld om ons heen wanneer we wetenschappelijke instrumentatie en observatie gebruiken? Zien wij dan deze “blinde horlogemaker” aan het werk, ergens in het ware leven, of zien wij juist het tegenovergestelde?
Mutaties
Evolutie of
Degeneratie?
Zijn mutaties verantwoordelijk voor de evolutie vanaf amoebe tot mens? Evolutionisten hebben wonderlijke krachten toegeschreven aan mutaties, de bekwaamheid om nieuwe lichaamsdelen te creëren en nieuwe dieren (amoebe tot mens evolutie). In werkelijkheid, zijn mutaties extreem gevaarlijk en richten zij een verwoesting aan in het menselijke ras en andere levende wezens.
Het doel van dit artikel is de armoe aan te tonen van de evolutietheorie om de feiten uit te leggen in één welonderzocht gebied van de biologie: het gebied van de menselijke genetica. Het zal laten zien hoe de feiten die door dit onderzoek aan het licht gebracht werden, aantonen dat mutaties niet als “blinde horlogemaker” werkzaam zijn, maar veeleer als een “blinde schutter”.
Het menselijke mutatie-probleem is ondeugdelijk en het wordt steeds erger
In recente jaren werden letterlijk duizenden menselijke ziekten gecatalogiseerd die geassocieerd worden met genetische mutaties, en voortdurend worden er meer beschreven. Een recent naslagwerk over medische genetica catalogiseert zo’n 4500 verschillende genetische kwalen. Van sommige overgeërfde syndromen, die klinisch gekarakteriseerd werden in de dagen vóór de moleculaire genetische analyse (zoals het Marfan-syndroom), werd nu aangetoond dat ze heterogeen zijn; dat is, geassocieerd met vele verschillende mutaties.
xml:namespace prefix = v ns = "urn:schemas-microsoft-com:vml" />