De gijzeling van Mithras
Een verdediging van het Christendom tegen het kerkendom
01-03-2009
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Download dit boek als PDF
Download dit boek als PDF

Bijlagen:
Jan Bauwens - De gijzeling van Mithras.pdf (444.6 KB)   


03-11-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Inhoud

De gijzeling van Mithras

Een verdediging van het Christendom

tegen het kerkendom

Jan Bauwens - Serskamp, 2005

D/2005/ISBN: 90-77532-21-8

Woord vooraf

De aarde heeft koorts, en het zieke organisme genereert een even zieke geest: de wereld is in paniek. Een nauwkeurige bevraging naar de oorsprong van deze pandemische waanzin, brengt ons op het spoor van de schuldige: de theorie van de erfzonde. Zij blijkt namelijk het ultieme middel waarmee het recht van de sterkste zich doorzet, en waarmee een kaste van machtswellustelingen zowel de godheid als het volk verschalkt. In werkelijkheid fnuikt het georganiseerde kerkendom het christendom, en trekken de clerus en de andere wereldse machthebbers samen aan één en hetzelfde zeel. Door gesofisticeerde massahypnose weten zij sinds oudsher het volk te instrumentaliseren. Een bloedige strijd tussen het goddelijk kind en het gouden kalf speelt zich in onze tijd af in de bijna niet te betreden kelders van de menselijke ziel ― zij is tenslotte de inzet van de rivaliserende machten. Waar valse profeten de scepter zwaaien, wordt het licht aan de ogen onttrokken en resten duisternis, onwetendheid en algemene verlamming. De gijzeling van Mithras wil het euvel duiden en nieuw licht werpen op deze zaak, en zodoende het christendom verdedigen tegen het kerkendom.

Serskamp, 18 november 2005

 

 

 

Woord vooraf

I. De bemiddelaars

Over de erfzondetheorie als de ultieme tactiek ter bestendiging van het recht van de sterkste

1. De menselijke autonomie ― een zeepbel

2. Het verweesde wezen

3. De boze wereld

4. Heden en verleden

5. Het goddelijk kind en het gouden kalf

6. Tegendoelmatigheid en respect

7. Tegendoelmatigheid signaliseert interne tegenspraak

8. Het ultieme bedrog

9. Hoe de sterkste zijn recht terugneemt

10. Afpersing en uitpersing

11. Het glazen kerkhof

12. De les van de horlogemaker

II. De bezweerders

13. De tactiek van de bezwering

14. Terug naar de natuur?

15. Wat is de natuur van het Christendom?

16. Hedendaagse schriftgeleerdheid

De zinvraag is fundamenteler dan de zijnsvraag.

Het 'zelf' is even reëel als de stoel

Iets kan pas bestaan als het erkend kan worden

Het Godsbegrip is noodzakelijk

17. Geloof en ethiek

III. De bezetters

18. Zoals lammeren onder de wolven

19. De lammeren en de wolven

20. Van slachtoffer naar beul ― Beknopte historiek van het kerkendom

Christenvervolgingen

De erkende kerk: intolerant en gewelddadig

Het pausdom

De katholieke 'sharia'

De katholieke 'jihad': de kruistochten

De paus als wereldheerser

Drie rivaliserende regerende pausen

Godsdienstoorlogen

Hervormingen en tegenhervormingen

De Franse revolutie

21. Virtuele concentratiekampen

Literatuur

>>>vervolgt >>>>>>>>


04-11-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1

I. De bemiddelaars

Over de erfzondetheorie als de ultieme tactiek ter bestendiging van het recht van de sterkste

Al jaren wordt het 'nieuws' volstrekt beheerst en verlamd door een algemene paniek. Zij is van een dergelijke omvang dat ze van zichzelf nog steeds niet beseft dat ze paniek is.

We kijken of luisteren niet meer naar het nieuws van zes uur, maar naar de paniek van zes uur, vervolgens naar de paniek van zeven uur, naar die van acht uur... En ten behoeve van wie er slapeloos van worden, is er ook nog de herhaling van de paniek gedurende de ganse nacht.

Ook onze conversaties blijken aangetast: ze herleiden zich tot de reproductie van de jongste paniekberichten. Per definitie laat paniek geen plaats voor ook maar iets anders dan zichzelf.

Een remedie tegen deze psycho-sociale pandemie die ― haar omvang ten spijt ― de meest miskende en ook de meest besmettelijke vorm van waanzin is, kon misschien wel dit opstel zijn. In een beknopte analyse van de vraag naar wat ons te wachten staat, wordt verduidelijkt wat er precies scheelt, en of de onnoemelijke kwaal nog te verhelpen is. Het gevonden spoor leidt verrassend genoeg naar de leer van de erfzonde...

1. De menselijke autonomie ― een zeepbel

“Wat zal de toekomst brengen?” Dit is de ‘simpele’ vraag die ons niettemin alle recht op eenvoud blijkt te ontnemen en die ons blijvend bezighoudt.

Maar niet wij stellen de vraag: zij stelt zichzelf, ze dringt zich aan ons op als een leemte, een ongemak van altijd onderschatte proporties, en ze vraagt om een antwoord met dezelfde aandrang waarmee de bedelaar vraagt om brood. Het ligt in ons vermogen om aan een bedelaar een brood te schenken maar de gestelde vraag beantwoorden kunnen wij niet. Omdat wij met onze vraag samenvallen, kunnen we ons net zomin van haar bevrijden als van onze fysieke pijn, en zo zijn wijzelf hier bedelend.

De vraag naar wat er straks zal zijn, en of er dan nog iets ― of iemand ― zal zijn, stelt zich bovendien op meerdere niveaus: niet alleen onze plaatselijke politiek of zelfs de wereldpolitiek, de economie, de toekomst van de wetenschappen en die van ons natuurkundig milieu zijn in het geding: even onafwendbaar werpt zich op het metafysische niveau de vraag op naar de toekomst van ons persoonlijk voortbestaan. De mens vraagt zich in verwarring af of hij na zijn einde überhaupt nog zal kunnen of moeten denken aan wie hij heden is, en aan de wereld die zijn kinderen tegemoet gaan.

We kunnen ons van de vraag naar onze toekomst onmogelijk bevrijden: net zoals ons lichaam en onze gedachten, de buitenwereld, de natuur, onze medemensen en alle andere schepselen, behoort zij blijkbaar onlosmakelijk tot de condities zelf van ons bestaan. We zijn als het ware met deze vraag geboren en, niettemin ze ons in onze vroege kindertijd niet lastig valt, groeit ze onafwendbaar met ons mee alsof ze een deel was van ons lichaam.

De vraag naar wat de toekomst brengen zal, heeft zich uiteraard altijd gesteld. Maar wat haar vandaag zo lastig maakt, is dat zij niet en nooit meer zal kunnen rekenen op de pasklare antwoorden die er in vroegere tijden, althans voor de doorsnee populatie, wel bleken te zijn.

Anderzijds is uit de aard van de zaak zelf elke onvrede met deze feitelijkheid onterecht: de ‘onzekerheid’ is immers de prijs die het leven dient te betalen voor zijn ontwikkeling: de natuurlijke drang tot zelfhandhaving streeft een maximale onafhankelijkheid of zelfstandigheid na ― in onze cultuur voor principieel elk individu.

Wanneer de hele kwestie alsnog als uiterst problematisch wordt ervaren, dan kan de reden daarvan enkel liggen in het feit dat onze verwachtingen hieromtrent niet werden ingelost zoals verhoopt: de nagestreefde zelfstandigheid die betaald werd met zekerheid, blijkt ― zoals alleen al de terminologie terzake verraadt ― zichzelf te verslinden. Er is, met andere woorden, een kwalijke contraproductiviteit in het spel naar binnen geslopen, welke het hele opzet onafgebroken aanvreet. Terwijl het naar een steeds grotere autonomie strevende ‘zelf’ in volume toeneemt, blijkt het tegelijk aan gewicht ― zelfzekerheid ― te verliezen. En we hebben het nog niet gehad over de toenemende interdependentie van staten en volkeren ― een onderlinge afhankelijkheid die als een onoverkomelijke tol de individuele ‘zelfbevrijding’ uitholt. De rust van de geest wordt pas door zware inspanningen van het lichaam bereikt en gehandhaafd, terwijl de rust van het lichaam de geest onrustig maakt; zo ook gaat het met de vrijheid en haar inperkingen.

Deze gang van zaken is nu onomkeerbaar: alsof de groeiende onzekerheid ons nog niet genoeg op de proef stelde, blijkt de efficiëntie waarmee dit euvel bestreden wordt, bovendien onderworpen aan een verouderingsproces, een irreversibel verval, dat haar tegen zichzelf in het harnas jaagt: het ooit gedienstige middel verwordt gestaag tot een last die tenslotte haar uitvinder en bedienaar ten gronde richt ― meer bepaald door hem op zijn beurt tot een katalysator van de gevreesde contraproductiviteit om te turnen. Op de koop toe blijken wij met het genoemde werktuig zozeer verbonden, dat wij ons evenmin daarvan kunnen bevrijden als van ons eigen lichaam. Het oerbeeld van de tegendoelmatigheid van ons streven ligt verankerd in de historische fundamenten van onze cultuur in de Griekse tragedie, waar ze, bij uitstek in Oedipus Rex een mythologische gestalte krijgt. Het thema keert terug, ook in het christendom: vooreerst in het oud-testamentische zondevalverhaal waar de wil tot vrijheid naar exact het tegendeel leidt; vervolgens bij Augustinus, die de middel-doelomkering aankaart, welke in het socialisme van Karl Marx werd te baat genomen en welke recent nog op onze maatschappij werd toegepast door Ivan Illich; tenslotte ook in de plotse woekering van de rijkdom en de hebzucht in de ontstaansgeschiedenis van het kapitalisme, dat regelrecht volgt uit de combinatie van spaarzaamheid, lust- of consumptie-angst én hypocrisie. Immers, harde werkers die hun geld opsparen, geven niet.

Een tekst die aanvangt met de vraag wat de toekomst zal brengen, kan bij de lezer de verwachting scheppen dat hij analyses biedt van het verleden, alsook wetten met betrekking tot hoe de toekomst eruit zou kunnen zien. Het moge nu reeds duidelijk zijn dat de lezer alvast in deze gebeurlijke verwachting teleurgesteld kan worden, temeer daar het omschreven euvel, indien het benaderd wordt met de vereiste ernst, een feitelijke contradictie vormt met elk naïef geloof in de maakbaarheid van de geschiedenis (Het maakbaarheidsgeloof inzake onze geschiedenis (ook 'vooruitgangsgeloof' genoemd) vormt de kern van het historisch materialisme. Het wordt echter afgestraft door de praktijk, zoals bij uitstek blijkt in de val van het communistische vroegere Oostblok. Dat niettemin het communistische China, dat een derde van de wereldpopulatie vertegenwoordigt, op weg is om de toekomstige wereldheerser te worden, toont aan dat ook het vrije Westen niet vrijuit gaat met haar blind toekomstgeloof, zoals bij uitstek blijkt in de doctrine van de 'onzichtbare hand' (het extreem liberalisme van Adam Smith): het 'gechristianiseerde' deel van de wereld is als geen ander ten prooi geworden aan de idolatrie, met name die van het gouden kalf. 'Gechristianiseerd' werd hier tussen aanhalingstekens geplaatst om het christendom als zodanig te verontschuldigen: het gaat hier immers niet over de christelijke leer, maar over de (katholieke, protestantse...) kerken). Anderzijds, en zoals reeds gezegd, helpt het niet om pogingen te ondernemen om op z’n stappen terug te keren, aangezien de toename van deze contraproductiviteit een blijkbaar entropisch vermogen eigen is, in die zin dat het klaarblijkelijke verval van efficiëntie in deze zaken even onafwendbaar blijkt als de wet van het energieverval in de fysica van de dode materie. De stilstand knaagt aan de beweging, de dood knaagt aan het leven, de wanhoop knaagt aan de geest. De enige resterende hoop die vanuit deze analogie nog kan gekoesterd worden, betreft de kwestie of er met betrekking tot ons onderwerp dan ook nog zoiets als ‘negentropie’ zou kunnen bestaan. Kan de duivel met zijn eigen listen worden gestrikt? Kan men van de stroper een boswachter maken?

De term ’negentropie’ (‘négentropie’) is een neologisme van de hand van de Franse theoloog en paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin (1881–1955); de term is een samentrekking van de woorden ‘entropie’ en ‘négatif’ en hij wordt door de visionair gebruikt om het niet-vervallende maar daarentegen in complexiteit toenemende karakter van de ‘levende materie’ te omschrijven. Onze vraag luidt nu als volgt: is een kracht zoals deze die maakt dat het leven zich boven alle vervalwetten verheft, en zich ontwikkelt, ook terug te vinden op het terrein waarop wij momenteel worstelen met ons onvermogen om een netto winst te boeken aan autonomie, onafhankelijkheid, vrijheid en bewustzijn? Is er een methode denkbaar welke ons zou toelaten om te ontsnappen aan de huidige feitelijkheid van de tegendoelmatigheid van onze geestelijke activiteit, meer bepaald van onze wil? Kunnen wij een weg vinden die het verval en de noodlottige omkering van de efficiëntie van onze handelingen omkeerbaar maakt; een methode welke ons vrijwaart van het optreden van het tot heden blijkbaar noodlottige omkeringproces dat ons verdoemt tot de slavernij van onze eigen middelen? Kunnen wij onze werktuigen, die ons zijn gaan controleren, opnieuw aan onze controle, aan onze wil, onderwerpen?

Indien wij in zulk een ― op het eerste gezicht vergezochte ― hoop enig soelaas zoeken, dan dienen wij de gegeven analogie ook door te trekken tot in al zijn consequenties, wat het volgende betekent: evenmin als het leven de wetten van de dode stof heeft veronachtzaamd, zal dit het geval zijn met onze verhoopt illustere handelwijze met betrekking tot de onderhavige zaak: zoals het leven de entropiewetten niet over het hoofd ziet, doch ze binnenin haar eigen plan incalculeert, zo ook zullen wij de ‘entropiewetten’ van de tegendoelmatigheid niet moeten pogen te veranderen, maar veeleer op een bijzondere manier moeten proberen te benutten in functie van hun onderwerping aan onze plannen. Alvast weten wij dat de achterliggende wetenschap van zo’n verhoopte techniek ― althans inzake het fysische gebeuren ― zich laat verwoorden in de wijsheid dat men er best aan doet om het niet bestrijdbare tot een bondgenoot te maken. Net zoals het leven de intelligentie heeft ontwikkeld om krachten te putten uit verval, net zo kon dan de heerschappij over de contraproductiviteit verworven worden door middel van een vernuft dat haar neerwaarts trekkende bewegingen zou kunnen aanwenden als hefbomen van de efficiëntie. Het vinden van zo’n techniek zou ons alvast kunnen bevrijden van het ons inziens grootste juk dat in de hedendaagse tijd de menselijke geest belaagt, met name de verlamming van de wil. Want het tanende vertrouwen in de werkelijkheidswaarde van de wil, tot zelfs het ontzeggen van enig relevant statuut aan deze ooit zo geroemde faculteit van de persoonlijkheid, is onderhuids werkzaam als een sluipend gif dat het humanitair karakter van onze soort zelf aantast, als het de overleving van het mensdom als zodanig al niet in het gedrang brengt.

2. Het verweesde wezen

De vraag naar wat de toekomst zal brengen, lijkt vooreerst een vraag naar kennis. Te geloven dat dit inderdaad het geval was, zou niettemin een kwalijke vergissing zijn. Het bemachtigen van enigerlei kennis met betrekking tot de toekomst kon immers ons probleem niet minder prangend maken, want zo’n antwoord kon ons niet eerder bevredigen dan tot op het ogenblik dat het een ultiem en volkomen antwoord was met betrekking tot het einde van alle dingen. Gesteld dat zo’n antwoord mogelijk was, dan zou de kennis die het zou verschaffen onmiddellijk in tegenspraak zijn met onze vrijheid ― welke een mogelijkheidsvoorwaarde is voor het bestaan van ons bewustzijn zelf. Dat niettemin het onmogelijke ― bovendien een onmogelijk na te streven zaak ― effectief lijkt nagestreefd te worden, is een illusie die wij ons pas kunnen voorhouden vanuit een grondige begripsverwarring aangaande de gestelde vraag.

De vraag naar wat de toekomst zal brengen, is immers geen vraag naar kennis: de vraag stelt zich niet vanuit een hiaat binnen ons wereldbeeld omdat het een vraag is die allerminst aan ons kennend vermogen ontspringt. Het gevoel van onzekerheid dat het zich stellen van de vraag vergezelt, betreft niet onze onwetendheid als zodanig, maar wel een ander euvel dat onze onwetendheid ondraaglijk maakt. Onze kennis is per definitie wezenlijk beperkt: ons bewustzijn is een tijdverslindend proces dat bijgevolg slechts plaats verleent aan één onderwerp of aan één samenhangend complex van onderwerpen tegelijk. Het overschouwen van alles ineens zou niets minder betekenen dan de totale bewusteloosheid, en dit vanzelfsprekend wegens de afwezigheid van voor het denken noodzakelijk afgebakende objecten binnen onze (per definitie subjectieve) gedachtenwereld. Vervolgens is het aantal gedachten of gedachtencomplexen welke überhaupt denkbaar zijn, oneindig in aantal, zodat zelfs de meest intense gedachtenactiviteit gedoemd blijft om oneindig veel meer mogelijke gedachten niét te denken dan dat zij er effectief denkt, en ook het eindeloos voortbestaan van het subject in de tijd zou hier geen zoden aan de dijk brengen ― wat aantoonbaar is met eenvoudige algebra. Niemand denkt er ook aan om deze aan het subject inherente beperkingen te problematiseren. Zodat uiteindelijk duidelijk wordt dat het spontaan naar de voorgrond treden van de specifieke vraag naar wat de toekomst zal brengen ― en dat is een vraag naar een welbepaalde kennis ― niet in de eerste plaats de kennis als zodanig betreft, maar wel een onderliggende drijfveer welke het ontberen van uitgerekend die kennis en geen andere ondraaglijk lijkt te maken.

Zodoende komt alvast één zaak aan het licht, namelijk dat het denken niet door zichzelf wordt gestuurd, dat de kennis niet op zichzelf bestaat zoals een postzegelverzameling die zich wil vervolledigen en die daartoe de activiteit van haar verzamelaar uitbuit. De kennis is daarentegen een instrument van het subject, en de subjectieve gedachten, welke wij kunnen samenvatten onder de noemer ’geest’, verhouden zich tot het subject zelf zoals zijn werktuigen zich verhouden tot de arbeider. Anders uitgedrukt, vallen wij geenszins samen met onze geest, net zomin als wij met ons lichaam samenvallen. Tenzij daar waar wij pijn hebben: daar verkeren wij per definitie in het absolute onvermogen om onszelf van onze pijn te distantiëren, want pijn is per definitie die toestand waarvan wij ons niet kunnen distantiëren: wij zijn de pijn die wij hebben. ( Cf.: J. Bauwens, Trans-atheïsme, Serskamp 2003: II.1).

Op dezelfde manier vallen wij ook samen met die gedachten die ons ‘pijn’ berokkenen, met andere woorden: deze die zich tegen heug en meug spontaan aan ons opdringen en die, net zoals een ontstoken tand doet, ons bewustzijn bezetten. De vraag naar wat de toekomst zal bieden ontspringt niet aan ons naar kennis hongerend denken, maar wel aan dat specifieke denken waarmee wij samenvallen en waarin wij afgebeeld worden in onze (subjectieve) nood. De vraag naar wat de toekomst bieden zal, is een van de meest accurate portretteringen van het wezen zelf van de mens, dat zich zodoende openbaart als een open wonde, een ongeneeslijke kwaal, een ziekte zonder vooruitzicht voor de zieke op beterschap. “Wat zal de toekomst bieden?”, zo vragen wij ons af, en hiermee leggen we het wezen bloot van ons zijn, dat klaarblijkelijk een verweesd-zijn is: de vraag naar wat de toekomst bieden zal, gelijkt daarom in gevoelswaarde sterk op de door hongerlijders uitgesproken vraag: “Wat zullen we morgen eten?” Wat anders dan gebakken peren?

3. De boze wereld

De ernst van de ‘ziekte’ van het menselijk bestaan waarvan de vraag naar wat de toekomst brengen zal, getuigt, wordt onafdoende weergegeven door het beeld van de open wonde. Sprekend over een wonde, kunnen we immers nog denken aan het vaste, levende vlees waarin de wonde is geslagen, terwijl de gestelde vraag zelf daarvan getuigt dat er met betrekking tot ons zijn, van zo’n ‘vastheid’ (of: ‘concreetheid’) hoegenaamd geen sprake meer kan zijn. Het toekomstige, waaromtrent wij in volstrekte onzekerheid verkeren, betreft immers niet een aan ons extern tijdsgebeuren, doch het slaat op ons zijn zelf. Slechts in al onze gesofisticeerde afbeeldingen ervan, lijkt ons bestaan zich te onttrekken ― niet alleen aan zijn vergankelijkheid die, illusoir genoeg, de gewezen ‘vastheid’ ervan als een vermeende vanzelfsprekendheid vooronderstelt, maar tevens aan een daaraan inherente ‘ijlheid’.

Aangezien ons leven op geen andere wijze gestalte kan krijgen dan als een proces, een ‘voortschrijden’ (in feite is het een ‘voortgesleept worden‘), waarbij zijn vermeende ‘vastheid’ zelf niets anders voorstelt dan die oneindig dunne grenslijn tussen, enerzijds, datgene wat reeds onherroepelijk voorbij is en, anderzijds, datgene waarvan wij niet en nooit kunnen weten of het nog komt, bevindt het eigen bestaan zich in een voortdurende toestand van ‘nauwelijks zijn’ ― want van ‘niet meer zijn’ en ‘nog niet zijn’ ― waarbij noch het eerstgenoemde, noch het laatstgenoemde op enige zekerheid kunnen bogen. Ons zijn is, met andere woorden, in wezen uiterst ijl, nog ijler zelfs dan het bestaan van het spook zoals dat ten tonele wordt gevoerd binnen de kinderlijke voorstellingswereld welke zodoende, alle horror ten spijt, slechts een flauwe afspiegeling kan bieden van de ware verschrikking van het menselijk bestaan.

Wat ons van spoken onderscheidt, is het feit dat wij tegen de dingen aan kunnen botsen en ons zodoende flink kunnen bezeren, met andere woorden: dat wij rekening dienen te houden met een aan ons externe werkelijkheid waarmee wij niet samenvallen, en die ons als een geheel van imperatieven tegemoet treedt, in de eerste plaats in onze pijnervaringen, welke ons alvast daarvan verzekeren dat het die externe werkelijkheid menens is met betrekking tot haar aan ons opgedrongen eisenpakket waar wij bovendien volstrekt het raden naar hadden indien onze volwassen soortgenoten met hun milde barmhartigheid ons als kind niet enigszins wegwijs zouden maken in dat meedogenloze labyrint. Terwijl spoken hun omgeving angst aanjagen, worden wij door onze omgeving zelf verschrikt: de ganse buitenwereld is voor de mens een spook. De externe orde laat geen mens koud omdat ze hem ― zelfs onmiddellijk ― koud kan en zal maken waar hij zich aan haar bevelen ― naar welke hij bovendien principieel het raden heeft ― onttrekt. Willen of niet, wij moeten leren van onze fouten die ons als zodanig kenbaar worden gemaakt door de soms extreme pijn en frustratie die ze met een niets ontziende, ijzeren hand berokkenen. De ‘concrete’ wereld die ons ― in tegenstelling tot onze spoken ― wél wordt opgedrongen, past helemaal niet bij ons zijn, bij ons zelfconcept, bij onze verwachtingen en bij de vermeende rechten waarop wij in onze aanvankelijke ― aangeboren ― naïeve zelfgenoegzaamheid aanspraak menen te mogen maken. De eerste contacten met de buitenwereld zijn voor het kind met zijn aangeboren ‘lange tenen’ een ware gruwel, en zolang de mens het klappen van de zweep niet kent, is hij gedoemd tot een verschrikkelijke lijdensweg. Verlichting komt er pas in zeer beperkte mate en voor relatief korte duur, van zodra wij ons met vallen en opstaan genoeg kennis hebben eigen gemaakt om al te noodlottige botsingen met de werkelijkheid enigszins te kunnen beperken. In die fase bewegen wij ons door de wereld met een acrobatische behendigheid, die echter onze aandacht voortdurend zo volkomen opeist, dat wij er ons bestaan zelf door vergeten omdat wij onszelf in die fase noodgedwongen hebben gereduceerd tot een radertje in een steeds grilliger veranderende machinerie. Het bereikte evenwicht wordt slechts met de grootste inspanningen en gedurende een relatief korte tijd in stand gehouden, wat wil zeggen dat het ‘uit evenwicht gebracht worden’ binnen de perken van het redelijke blijft ― perken die echter veel nauwer zijn dan we zelf bereid zijn om toe te geven na de verschrikkingen die ons tijdens de ‘aanpassingsfase’ reeds zijn te beurt gevallen. Edoch, tot welk een grote mate van behendigheid ons onze zware inspanningen tijdens de onafgebroken dressuur ook hebben gebracht ― de externe werkelijkheid gunt ons verworven rechten, rente noch rust: van zodra wij uitgeput geraken door aftakeling ingevolge de niets ontziende tand des tijds, breekt ons falen ons zuur op, en komen wij terecht in de zieligste hulpeloosheid en afhankelijkheid, waarbij wij, in tegenstelling tot de toestand in onze kindertijd, dit keer niet langer het object zijn van de hoop van medelevende en zelfs trotse soortgenoten, maar wel de weerloze prooi van aasgieren die ons het liefst zo gauw mogelijk dood zien teneinde zich van onze schamele materiële bezittingen meester te kunnen maken ― of slaaf.

De vraag naar wat er morgen te gebeuren staat, verwijst echter niet alleen naar de verschrikking van ons bestaan ― veel meer nog dan dat verkapt ze de grootste van alle gruwelen, met name in het feit dat zij, door zich te stellen, gelijktijdig verbergt wat heden aan de orde is. Want niemand stelt deze vraag naar morgen, zonder zichzelf eerst aangepraat te hebben dat het vandaag tenminste allemaal nog oké is. Dat niets echter minder waar is, toont zich in het wrange gevoel dat zich van ons meester zou maken nadat iemand die het weten kon en in wie wij alle vertrouwen mochten hebben, ons naar waarheid het best mogelijke antwoord had gegeven met de woorden: “Hetzelfde als vandaag”.

Het is perfect mogelijk, beste lezer, dat de verschrikking die dit antwoord in petto heeft, niet onmiddellijk tot u doordringt: wij, mensen, die het klappen van de zweep kennen, hebben onszelf immers sinds jaar en dag dan toch min of meer gewapend tegen alle mogelijke verschrikkingen, en daarbij hebben wij ons dan toch in zekere mate de bijzondere kunst eigen gemaakt van de verdringing: informatie die we met de eigen ogen waarnemen, laten we eerst wat antichambreren in het voorportaal van ons hoofd. Terwijl de boodschapper in de gang heeft plaatsgenomen, en geduldig wacht, slaan wij hem van door een gaatje gade, wij bekijken hem van top tot teen, we trachten er achter te komen wat hij te vertellen heeft nog vooraleer hij iets heeft gezegd, en wanneer onze vermoedens steeds duisterder worden, sturen we hem wandelen met het verhaal dat de meester des huizes ‘er momenteel niet is’. Deze kneep van de geest is alom bekend en wordt door ons allen vlijtig in de praktijk gebracht, maar uiteraard kan ze pas helemaal waterdicht werken op plaatsen waar de heer des huizes uithuizig blijft tot in de eeuwigheid, amen. Weliswaar verzet de boodschapper zich niet tegen de mededeling van ‘niemand thuis’: hij staat op en gaat, en doet dit niet zonder eerst de groeten te hebben doen overmaken en de butler ervan te verzekeren dat hij ‘zo spoedig mogelijk’ terug zal komen. Het lijdt bovendien geen twijfel dat hij dat ook zal doen, want boodschappers houden nu eenmaal aan totdat zij inderdaad hun boodschap kwijt zijn ― zij verschillen in dezer in geen enkel opzicht van ons allen, die met onze boodschap eveneens blijven terugkeren totdat het toilet vrij is. Het is derhalve mogelijk dat de verschrikking van dit antwoord voorlopig uitblijft, maar men weze gewaarschuwd dat dit uitstel nimmer afstel kan betekenen.

De vraag naar wat er morgen te gebeuren staat, veronderstelt een zelfgenoegzaamheid met betrekking tot het heden ― een zelfgenoegzaamheid die er bij nader toezien in het geheel niet is: het heden is immers pas vol te houden in het licht van de wetenschap dat het niet zal blijven duren, dat we er wel uit wegkomen, namelijk van zodra de dag van morgen aanbreekt. Het is de dag van morgen, die onzekere dag en die ongewisse en beangstigende toekomst, welke de dag van vandaag ― dat ijle heden ― voorlopig nog draaglijk maakt.

Maar is dat geen bizarre situatie? Hebben we onszelf met een dergelijke hersenkronkel niet om de tuin geleid? Of was het misschien juist onze bedoeling om onszelf met deze kneep een rad voor de ogen te draaien? Hoe dan ook blijkt in dit licht ― waarvan niemand dan toch in staat is om het schijnen te verbieden ― alvast duidelijk geworden dat de vraag naar wat de toekomst brengen zal, een hypocriete vraag is van de bovenste plank. Vandaar zeggen wij, de evangeliën indachtig: denk niet aan de dag van morgen, want elke dag heeft al genoeg aan zijn eigen leed. En dat deze houding niet getuigt van een kleinburgerlijk pessimisme, noch van een vermeend tekort aan vooruitziendheid, mag nu eens en voorgoed duidelijk wezen. Maar dat betekent in geen geval de vrijspraak van de hele malaise ― in tegendeel.

4. Heden en verleden

“Bekommer u niet om de dag van morgen, de dag van vandaag heeft al genoeg aan zijn eigen leed.” Allerminst is deze uitspraak een aanmaning tot zorgeloosheid; hij is daarentegen een terechtwijzing van wie gelooft dat hij al in het reine zou zijn met het heden, en daarom is hij een waarschuwing tegen de zelfgenoegzaamheid, en tegen de blindheid voor de eigenlijke betekenis van de actuele toestand. Het is volstrekt geen gemakkelijke opgave omdat wij geneigd zijn om ons verleden te verheerlijken en om zeer selectief te werk te gaan inzake het ophalen van herinneringen daaraan, maar een eerlijke terugblik op de eigen gemoedstoestand in de vroege kindertijd, moet ons hoe dan ook duidelijk kunnen maken dat de buitenwereld allerminst een pretje is voor het jonge kind. Het helemaal niet passen van de mens in de wereld, het helemaal niet passen van de wereld bij de verwachtingen van de prille mens, het keer na keer verontwaardigd worden bij het contact met de buitenwereld ― alle bescherming ten spijt ― zijn ervaringen die deel uitmaken van onze meest indringende en tegelijk meest verdrongen herinneringen. De winterse kou, het zich bekakken en nat worden, de gevoelens van honger, dorst en allerlei andere pijnen die niet kenbaar kunnen gemaakt worden aan de moeder omdat men nog niet over die precies dan hoogst nodige taal beschikt; het befaamde trauma van het afgestoten worden uit de baarmoeder: het zijn allemaal bijzonder onprettige ervaringen, en er gaat beslist geen dag voorbij dat een kind niet vele keren heeft gehuild, tenminste als het zich nog vrij genoeg voelt om op deze natuurlijke wijze lucht te geven aan de onnoemelijke frustraties. Volgt dan de verbanning uit de huiskring, wanneer de peuter genadeloos gedumpt wordt op een school, en dan nog bij vreemden die hij niet vertrouwt en van wie hij ― wegens zijn onwetendheid helemaal terecht ― vreest dat ze hem misschien wel zullen ombrengen; het feit dat deze verbanning zich genadeloos herhaalt, dag in dag uit, zonder dat er enig ontkomen aan is, want het zijn precies diegenen van wie hij afhankelijk is die dit voor hem bekokstoven; het eeuwig duren van elk van die kinderdagen die zich wel eindeloos zullen blijven herhalen; de frustraties van de ouders of van de opvoeders die, hoe onrechtstreeks of onbedoeld ook, dan toch steeds weer heel doeltreffend op zijn kap terecht komen…

Eenmaal ouder geworden, vergeet een mens die kindertijd al vlug: de gruwelen die hij te doorstaan had, blijkt hij met gemak te ontkennen en hij wijt ze aan het kind-zijn zelf, waar tegenover hij geheel onbewust een meewarige houding aanneemt. Hij verwisselt de naïeve, subjectieve belevingen van het kind met de kijk die hij als volwassene verworven heeft, en hij oordeelt dat er ‘objectief gezien’ niets aan de hand was, en dat kinderen bijgevolg altijd onterecht bang zijn of zich ellendig voelen: kinderen vergissen zich nu eenmaal, al is het vanzelfsprekend niet hun eigen schuld dat ze dat doen: hun kommer en kwel zijn aldus objectief gezien geheel onterecht ― zo besluit de volwassene, zijn eigen herinneringen aldus op een eigenlijk laffe manier miskennend. En waar hij inzake mededogen misschien wel een uitzondering maakt voor de eigen kroost, heeft hij, hierin mede gesterkt door de concurrentiepositie waarin zowel de natuurlijke als de maatschappelijke druk hem dwingen, alvast helemaal geen zin om al te veel begrip op te brengen voor het ‘kinderachtig’ gedrag van andermans telgen.

De filosofie van de ‘condition humaine’ vergeet deze gruwelijke kindertijd meestal volkomen: ze heeft het impliciet over volwassenen die de kindertijd allang verdrongen hebben en die zich gedragen en denken alsof zij altijd al volwassen zijn geweest en verder altijd volwassen zullen blijven. Zij mijmert over de geheel abstracte wijsgerige aangelegenheden die zich opperen eenmaal men na de dagtaak, van spijs en drank verzadigd, in een makkelijke fauteuil tot rust en vrede is gekomen met de pijp en de koekentrommel. De filosoof verlustigt zich in zijn nieuwe pen, in de maagdelijke blankheid van het met koningsblauwe inkt te beschrijven vel papier, in de krullen van een nieuw lettertype op zijn PC, en in de gedachtenconstructies waarin hij zich wenst te wentelen. Het naar het bewustzijn sleuren van de hier heel even aangeraakte poel van etterende trauma’s uit de verdrongen kelders van de hulpeloze kindertijd is op dat gezellige avonduur wel de verste van al zijn betrachtingen. De kinderpsychologie houdt voor dat zij in functie van de best mogelijke ‘opvoeding’ de raadselen van de groeiende mens tot object van haar ernstige studie heeft, maar zij doet niets dan becijferen en betuttelen, ze werkt met statistieken die gericht zijn op het selecteren van die dressuurmethodes die de beste resultaten moeten boeken in het kader van een immer intern concurrerende samenleving en haar zorgen betreffen meestal vooreerst het succes van haar eigen bedrijfstak, waarvan het geluk van het kind dan maar een vanzelfsprekende vrucht moet wezen. De geneeskunde en de kinderpsychiatrie, als die al betaalbaar zijn, verslaven steeds jongere kinderen en zelfs ongeborenen aan antidepressiva en ander vergif, nadat ze eerst hetzij de moeder, hetzij het kind met een ‘verleidelijke’ want zeldzaam en zorgwekkend klinkende ziektenaam hebben bestempeld, om korte tijd later met de ernst eigen aan het vak eendrachtig met collegae te declameren op de buis dat het helemaal niet wetenschappelijk bewezen is dat de oorzaken van het zorgwekkend toegenomen aantal kinderzelfmoorden te wijten zou zijn aan de bijwerkingen van deze ‘geneesmiddelen’. Vandaag draaien niet alleen meer de speelgoedeconomie en de zakenwereld van vertier en drugshandel om kinderen, maar ook al die bezigheden die zich als professionele hulpverlening profileren, waaronder de scholing, de zorgverstrekking en de pedagogie met al haar zijtakken en specialismen. Allen hebben zij immers begrepen dat de zwaksten onder ons de makkelijkste prooien zijn. Het op zich reeds kwalijk riekende devies, namelijk dat men te vriend moet maken die men niet bestrijden kan, blijkt zich hier te manifesteren in zijn antipode ― een hoogst macabere wet, te verwoorden in het volgende devies: "die men in zijn macht heeft, dient men uit te buiten".

Dat de genoemde zaken in feite nog slechts het topje van de ijsberg vormen, wordt pas duidelijk van zodra wij gaan beseffen dat reeds onmondige peuters, wiens persoonlijkheid nog volop moet gevormd worden rond de weke en uiterst beïnvloedbare, plastische kern van verhaaltjes en versjes, volop bloot staan aan de meest verschrikkelijke ideologische indoctrinaties. In tegenstelling tot hersenspoelingen toegediend aan slachtoffers van dictatoriale regimes of van oorlogen en terrorisme, die nadien ― weliswaar middels langdurige en ver doorgedreven professionele hulp en bijstand ― immers vaak nog kunnen ‘geheeld’ worden, is de ‘hersenspoeling’ uitgevoerd op peuters en kleuters, definitief en onherroepelijk: elke poging in het latere leven om af te komen van de angsten en de dwanggedachten die de menselijke activiteit verlammen en het leven voor zichzelf en voor anderen tot een hel maken ― dwanggedachten volgend uit de op kinderen toegepaste indoctrinatie ― is tot mislukken gedoemd en heeft onherroepelijk rampzalige gevolgen voor de persoonlijkheid als zodanig. ‘Indoctrinatie’ is zelfs een term die in dit verband allerminst bij machte is om de aldus aangerichte schade zelfs maar te benaderen. Indoctrinatie is het ingrijpen op de buitenkant van een reeds volwassenen brein: men kan de leugens er achteraf om zeggens weer afpellen, en de wonde laten helen. Bij jonge kinderen echter is geen sprake van een volgroeid brein, en gaat het dus niet om een ingreep op (de oppervlakte van) dat brein, maar om zijn wezenlijke mis-vorming, welke, eenmaal de groei zich voltrokken heeft, als het ware in het binnenste van de hersenen zit ingekapseld. Van herstel van de aangerichte schade kan dan nog minder sprake zijn dan in het geval van de Chinese vrouwen van wie de voeten toentertijd van in de prilste jeugd werden ingebonden. Kreupelheid was het gevolg en deze kreupelheid moest het door ijdelheid veroorzaakte schrikbeeld van de macho echtgenoten aan wie deze meisjes uitgehuwelijkt werden ― de vrees namelijk dat zij wel eens van hen zouden kunnen weglopen ― ongedaan maken. Dat overigens de misvormingen de vrouwelijke slachtoffers ook seksueel aantrekkelijker bleken te maken, toont aan dat deze attractiviteit rechtstreeks verbonden is met het ‘onmenselijke’ machtsinstinct. Edoch: lijkt met het zich ontwikkelen van beschavingen het fysieke geweld een weinig ingedijkt, dan heeft dat geweld zich onmiskenbaar verplaatst naar meer effectieve en tegelijk veel minder te beschermen terreinen. Hoe meelijwekkend vrouwen met kreupele kindervoetjes ook mogen zijn, hoe mensonwaardig deze praktijken ook zijn ― we moeten hier aan toevoegen: indien de psychische misvormingen, toegebracht aan onze hedendaagse kinderen, in beeld konden worden gebracht, men zou wegzinken van schaamte, en hetzelfde geldt voor het sociaal toegebracht geweld, waarvan het nog onlangs erkende ‘pestgedrag’ nog maar een heel onschuldig voorbeeld is. Dit alles ― hier nog zeer onontgonnen gelaten ― ter herinnering aan het feit dat het kwaad van de buitenwereld waarmee de mens te maken krijgt, verre van erkend en verre van in kaart gebracht is, laat staan dat het bestrijdbaar zou zijn.

5. Het goddelijk kind en het gouden kalf

Van in zijn vroegste kindertijd is de externe wereld allerminst vriendelijk voor de mens en in geen geval kan beweerd worden dat deze wereld past bij de ziel van het kind. Zoals dichters sinds de oudste beschavingen getuigen, kan immers nauwelijks een feller contrast uitgedacht worden dan dat tussen de kinderziel en de aard van de wereld; zij staan als de ultieme exponenten van volslagen onschuld en duivels kwaad tegenover elkaar van in de oudste ons bekende sprookjes. In onze christelijke cultuur is er het goddelijke kind, Jezus, omwille van wiens vermeende concurrentie met de machtswellustige Herodes, alle kinderen in het gebied van de tiran werden afgeslacht. Dezelfde gruweldaden herhalen zich doorheen de ganse geschiedenis, zij het in steeds andere en meer bedekte vormen, waarbij het gouden kalf het goddelijk kind alsook diens naam gebruikt, alleen om het eigen volume aan goud blijvend te kunnen vermeerderen. Het reeds door het Romeinse rijk in beslag genomen christendom ― in het Rome dat de eerder aan bod gekomen stelregel reeds bleek te kennen, namelijk dat men er het beste aan doet om wat of wie niet bestreden kan worden, tot bondgenoot te maken ― wordt heden voorgezeten door een dictatoriale staatsman, die zich vanuit zijn marmeren en met kunstwerken volgestouwde paleizen aan de hele wereld profileert als de onfeilbare plaatsvervanger van het goddelijke kind dat eertijds in een stal geboren, honger leed en kou, en na een leven van heilige rebellie tenslotte als een misdadiger veroordeeld moest sterven aan de toenmalige galg ― het kruis. Zich beroepend op de menslievende God die hij pleegt te vertegenwoordigen, ontketent hij met dogma’s en bullen sinds tweeduizend jaar oorlogen en terreur onder mensen, waarvan hij diegenen die voor hem knielen onderscheidt van de ‘booswichten’. De pauselijke toenaderingspogingen van de jongste jaren tot bepaalde groepen onder die ‘anderen’ krijgen een wel zeer vreemd uitzicht in het licht van de tegelijkertijd gedeclameerde veroordelingen van weer andere groepen. De kwalijke en moordende geschiedenis van de kerk en haar clerus, waaraan alleen de algemene en zeer heftige volksopstanden zoals de Franse Revolutie, alsook de met engelengeduld door ‘ketters’ verworven wetenschappelijke inzichten, zij het na verloop van heel wat jaren, enkele perken konden stellen, blijft echter doorgaan, zij het op steeds meer gesofisticeerde manieren. In het door de kerk georganiseerde godsdienstonderwijs dat met gelden van de staat werk verschaft aan massa’s leraren, verkiest men het zelfs om de eigen religie te verloochenen door ‘onderricht’ te geven waarvan de inhoud diametraal staat tegenover de christelijke leer, en men doet dat van zodra men vreest dat het ‘cliënteel’ ― want aldus worden opvoedelingen de facto beschouwd ― zal slinken. Tegelijk verstrakken de pausen hun totaal ontoepasselijke leer nog meer, teneinde de schijn van heiligheid op te kunnen houden voor de ogen van een door hen blind geachte en aldus geminachte wereld. Een conflict tussen de top van de kerk en haar veldwerkers komt er niet: de twee smeden samen in de kunst van het bedrog omdat zij weten wat er aan vasthangt en, elkaar knipoogjes toewerpend, gaan zij door zoals alleen doorgewinterde politici dat kunnen.

De valse profeten wachten niet totdat hun cliënten afhaken: ze zijn het volk altijd een stapje voor middels de methode van de doop, waarbij zij mensen reeds als baby bij zich weten in te lijven door handig in te spelen op de verantwoordelijkheidszin van ouders die zij vrees aanjagen met de ‘belofte’ dat alle ongedoopten de hellestraf van het eeuwige vuur in het hiernamaals te wachten staat, en welke ouder wil het risico lopen dat de ziel van zijn kind een dergelijke toekomst tegemoet gaat? Baat het niet, het schaadt ook niet, zo redeneert het gezond verstand, en de dooppraktijk overleeft ongehinderd de kritiek, van de ene generatie op de andere. Bovendien sticht de kerk parochies binnen de staatkundige gemeenschappen, met wekelijkse samenkomsten waarvan het succes tot voor kort gegarandeerd werd door psycho-sociale drukmechanismen, maar ook en niet in het minst door regelrechte chantage: mensen die hun kat sturen, verliezen in vele gevallen hun werk, zodat het onderhoud van hun gezin niet langer verzekerd wordt, en alvast verliezen zij hun ‘goede naam’, wat hun kansen op welslagen in het leven minimaliseert. Wordt deze toestand in vele westerse landen tot het verleden gerekend, dan dient men zich rekenschap te geven van het feit dat deze bevrijding wel eens zeer plaatselijk alsook van zeer geringe duur kon zijn, want de genoemde praktijken blijken onder de tafel duchtig voortgezet te worden. Hoe dan ook investeert het Vaticaan sinds geruime tijd zware middelen in het herstel van haar macht, en streeft zij naar niets anders dan het doen heropleven van de hypocriete moraal welke in het westen standhield tot bijna aan het einde van de voorbije eeuw.

De kerk mag dan al gevolg gegeven hebben aan het christelijke gebod: “Gaat en onderwijst alle volkeren!” ― of de inhoud van haar onderwijs ook strookt met de christelijke boodschap, is zeer de vraag. Het lijkt er vaak veeleer op dat zij het christendom voor haar kar spant in functie van de mobilisatie van goedgelovigen in een puur politieke machtsstrijd waarbij niet zozeer de christelijke naastenliefde wordt gepropageerd, dan wel ideologieën zoals het kapitalisme en het liberalisme. Kapitaal kan immers pas ontstaan door de combinatie van, enerzijds, hard labeur en, anderzijds, grote spaarzaamheid die samenhangt met lustangst. Dat arbeid adelend is voor de mens staat als een paal boven water, maar of met arbeid de geestdodende en slopende fabrieksarbeid, de kinderarbeid en de slavenarbeid wordt bedoeld, kan men met recht en rede betwijfelen, temeer daar de clerus zelf blijkbaar geen arbeid van deze aard nodig had om zichzelf te adelen. Toen bijvoorbeeld hier ten lande op het einde van de negentiende eeuw priester Daens de sociale wantoestanden van onze geïndustrialiseerde streken ging aanklagen te Rome, wees de ‘heilige vader’ hem terecht, en liet hij de man met zijn eenzame strijd voor de armen en de verdrukten in de kou staan. Pas achteraf, toen sociale omwentelingen het volk wakker schudden en het zijn rechten opeiste, richtte de kerk een concilie in en stak ze prompt de pluimen van de door haar verstoten rebellen op haar eigen hoed. In het merendeel van de gevallen werd de arbeid niet zozeer geprezen ter bevrijding van het volk maar, in tegendeel, ter verknechting van bevolkingen die werden uitgebuit door wereldlijke heersers die met de clerus dienaangaande afspraken maakten welke het daglicht schuwen.

Een van de meest tegen de borst stotende van deze afspraken was wel deze waarbij de onschuldige kindertijd van miljoenen volksmensen werd overgeleverd aan de psychochirurgische praktijken van het instituut van de kerk. De ziel van het kind, die in de jonge jaren van groei, wanneer zij zich taal en poëzie eigen maakt en waarin zij liefde moet ontvangen en leert om lief te hebben, in volle vertrouwen van nature openstaat om door de ouderen gevormd te worden, werd door handlangers van de kerk bewerkt op een manier die niet anders te benoemen is dan als zuivere conditionering ― een behandelingsmethode welke overeenkomt met de dressuur die zelfs dieren alleen uit noodzaak te beurt valt. Het kind werd vooreerst angstig gemaakt voor onnoemelijke en eeuwigdurende hellestraffen, en vervolgens gesust met een methode om die smarten te vermijden, zijnde het gevolgzaam slikken van de ’waarheden’ welke er door de kerk dagelijks werden ingedreund. Niet onderwezen: er ingedreund, door eentonige herhaling, waarbij het niet de zorg was of men wel verstond wat men zegde; het volstond dat men de geboden klakkeloos zou uitvoeren, precies zoals een hond doet wat hem gevraagd wordt omdat hij anders wordt geslagen en gestraft. Waar hier de in de bijbel zo hooggeprezen vrijheid die de goede God voor de mens sinds zijn schepping wilde, gebleven is, kan men zich afvragen ― de kerk heeft er alvast nooit van wakker gelegen. Over de rechtvaardiging van wereldwijde slavenhandel die amper een paar honderd jaar geleden nog een bloeiende praktijk was, over de praktijken van de aflaten en over de behandeling van monniken, nonnen en wezen is hier nog geen woord gezegd.

>>>


05-11-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2

6. Tegendoelmatigheid en respect

Een specifieke ‘entropiewet’ bewerkstelligt dat het nastreven van onafhankelijkheid na verloop van tijd in het tegendeel verkeert, namelijk: de toename van afhankelijkheid en slavernij. Sommigen geloven dat deze ‘wet’ dan ook omkeerbaar is, en in hun naïviteit ― of is het opportunisme? ― propageren zij dat het opleggen van principieel onnodige restricties de vrijheid ten goede komt.

Het is duidelijk dat een dergelijke gevolgtrekking pas geldig ware indien de tijd omkeerbaar was. Wie deze vergissing maken, getuigen alleen hiervan dat de essentie van de genoemde ‘entropiewet’ aan hen voorbijgaat, want zij duidt wezenlijk op onomkeerbaarheid. Wanneer, bijvoorbeeld, insecticiden na jarenlang gebruik resistentie opwekken bij insecten zodat ze pas dan, en geheel in tegenstrijd met de aanvankelijke bedoelingen, een ware plaag worden, dan is uiteraard het vervangen van het gebruik van insecticiden door de kweek van insecten, een absurde maatregel. Toch is dit de methode van diegenen die de genoemde tegendoelmatigheid inzake het vrijheidsstreven te lijf willen gaan met het aan banden leggen van de vrijheid. Eén zaak moet hier duidelijk zijn: de oorzaak van de resistentie bij de te verdelgen insecten, ligt in hun eigen aanpassingsvermogen, en aanpassingen die zich voltrokken hebben, nemen geen keer, en zeker niet als resultante van het kweken van die insecten. De verandering die zich heeft voorgedaan, is slechts vanuit het oogpunt van de landbouwer een ‘entropie’ of een ‘verval’ te noemen; vanuit het oogpunt van de insecten gaat het daarentegen om een verworvenheid, een winst. De zogenaamde tegendoelmatigheid verkapt derhalve een verloren strijd, en dat is iets heel anders. Of mag diegene die een strijd verliest dan besluiten dat het staken van de strijd voor een overwinning zal zorgen? Het ware absurd om dergelijke conclusies te trekken! Nochtans is dit de redeneerwijze van al wat ‘reactionair’ is in het politieke landschap. Of de reactionairen ook werkelijk in hun eigen propaganda geloven, is een heel andere vraag. Maar daar gaat het in de politiek dan ook niet om: het volstaat dat ideologieën anderen overtuigen. (Aanvankelijk wordt het gedrag met wetten geregeld; waar ze dat niet (meer) kunnen, passen de wetten zich aan het gedrag aan teneinde hun onmacht te verkappen; een verstrenging van de wetten zou slechts deze onmacht aan het licht brengen. Net zoals een verbod op insecticiden slechts de omvang van de resistentie van insecten kon etaleren: insecticiden veroorzaken resistentie, en dus een insectenplaag, maar een verbod op insecticiden kon de plaag nog slechts doen toenemen).

Dat het leven er niettemin in geslaagd blijkt om de entropie ‘om te keren’ tot de zogenaamde ‘negentropie’, is helemaal niet het gevolg van een op z’n stappen terugkeren naar een vroegere toestand, wel integendeel. Het leven heeft vooreerst de dode stof erkend, en heeft er vervolgens mee onderhandeld. Dit teneinde te bekomen dat wat voorheen onderling strijdig was, nu een symbiotisch karakter krijgt. Het drijven van handel (hand-el) is in wezen niets anders dan het gebruik van de handen bij het benaderen van de ander ― de (h)and-(el)-er of hand-(el)-aar, diegene met wie onderhandeld wordt. De ander wordt erkend, en met hem worden ruilacten voltrokken, welke het vermogen om aanvankelijke concurrentie in samenwerking om te buigen, omdat de beide partijen daar voordeel bij hebben terwijl de evenzeer voor de beide partijen verlieslatende confrontatie met geweld, vermeden wordt. De ruil voltrekt zich spontaan doordat de nood, bij elk van de partijen, aan het bezit van de respectievelijke ander, groter is dan de nood aan het eigen bezit: voor de beide partijen geldt dat ze elk hun eigen schaarste teniet kunnen doen door deze bij elkander te lenigen met telkenmale hun eigen overvloed. Op analoge manier weten sinds vele duizenden jaren maatschappijen hun aanvankelijk levensbedreigende vijanden tot onmisbare partners te maken. Ook in de relatie tussen mens en dier, met name bij de domesticatie van aanvankelijk levensbedreigende dieren, voltrekt zich deze vanzelfsprekende ruil, waarbij de mens het bruut natuurgeweld dat hem eerst bedreigde, tot werktuig van zijn eigen handelen maakt, het manipuleert (― van ‘manus’, dat ‘hand’ betekent) of instrumentaliseert, met name door het te erkennen en het dier in ruil voedsel, onderdak en bescherming te bieden. Ook dieren en planten onderling passen deze tactiek toe in de zogenaamde 'symbiose'.

Het leven handhaaft zich ondanks de entropiewetten van de dode stof, omdat het erin geslaagd is om de ‘val’ van de dode stof ‘op te vangen’ op zo’n wijze dat het de energie die bij deze val anders zou verloren gaan, middels een welbepaalde tactiek recupereert en voor de eigen kar spant. Deze tactiek is van dezelfde aard als deze die benut wordt door maatschappijen tegenover hun vijanden, of van mensen tegenover wilde dieren, zoals in de voorgaande paragraaf beschreven. De samenwerkenden hebben elkaar niet bestreden of afgemaakt; daarentegen hebben ze elkaar erkend, en op grond van deze erkenning hebben telkens de beide partijen zich onderworpen aan welbepaalde restricties die voor beiden voordeel boden en die in al dan niet geschreven wetten vastliggen. Het weze herhaald en onderstreept dat het fundament daarvan telkenmale berust bij de erkenning en de kennisname van de ander. Zo ook heeft het leven de wetten van de dode stof geenszins veranderd, net zomin als bijvoorbeeld, met zijn Nieuwe Testament, Christus de wetten van de profeten uit het Oude Testament veranderde. Wel integendeel werd het oude in het nieuwe geïntegreerd: het leven heeft de dode stof alsook de wetten die de dode stof constitueren, erkend, teneinde op grond van deze erkenning mét de dode stof scheep te kunnen gaan. Geen levend wezen vermag het om voort te bestaan onafhankelijk van de dode stof, en aldus is elk levend wezen in zijn voortbestaan van de dode stof afhankelijk ― zo verregaand is de onderlinge samenwerking tussen de twee partijen, dat het levend wezen er zonder de dode stof niet eens kon zijn.

Het ware echter een geheel overhaaste conclusie om uit deze afhankelijkheid bij het levend wezen van de dode stof, te besluiten tot het aan de orde zijn van ’tegendoelmatigheid’. Het leven zou zich grondig vergissen, mocht het de dode stof en de wetten van de dode stof gaan minachten: het is immers pas krachtens de blijvende erkenning van die wetten (van de dode stof), dat het leven zichzelf kan handhaven. Nu is er geen (gezond) levend wezen dat weigert om zichzelf te handhaven, en bijgevolg is er geen levend wezen dat de gemaakte afspraken met de dode stof wenst te loochenen. Dat wij, levende wezens, geconfronteerd worden met ziekte en met de dood, kan alleen volgen uit het feit dat hier een tekort in onze kennis speelt. Precies in de natuurwetenschappelijke activiteit betalen wij de prijs voor het herstel van deze vergetelheid, omdat het uitgerekend daar is dat wij op zoek gaan naar de afspraken die ooit het leven met de dode stof gemaakt heeft ― de afspraken waaraan het leven zijn bestaan en zijn voortbestaan dankt. Tegendoelmatigheid volgt aldus enkel uit een gebrek aan respect, in de meest letterlijke zin van het woord.

Op grond hiervan kunnen wij trouwens ook bevroeden dat de natuurwetenschappelijke activiteit van reminiscerende aard is, en dat twee conclusies gerechtvaardigd zijn: vooreerst mogen wij hopen dat de overwinning op ziekten en op de dood principieel binnen ons bereik ligt; vervolgens kunnen wij inzien dat de kennis van de afspraken tussen het leven en de voor het leven noodzakelijke dode stof ook via een andere weg bereikbaar is dan deze die door de natuurwetenschappen bewandeld wordt, meer bepaald omdat het hier in de eerste plaats een zaak van gerechtigheid betreft.

7. Tegendoelmatigheid signaliseert interne tegenspraak

De vraag rijst nu hoe de beschreven tactiek welke, zoals hoger uiteengezet, het optreden van tegendoelmatigheid afremt en een welbepaalde vorm van ‘negentropie’ mogelijk maakt, praktisch toepasbaar wordt met betrekking tot het hier aangesneden onderwerp, met name de algemene menselijke conditie zoals deze zich verscherpt uitdrukt in de vraag naar wat de toekomst bieden zal. Herhalen we eerst beknopt het probleem.

Niettegenstaande ons streven naar onafhankelijkheid en autonomie, blijkt in de confrontatie met de toekomst, dat een toename van onzekerheid uit het zelfstandigheidsstreven resulteert. Die onzekerheid treedt ons als het ware ongevraagd naderbij vanuit ons diepste wezen, zoals wij ons dat bijvoorbeeld kunnen herinneren uit de confrontatie met de buitenwereld in onze kindertijd. Die onzekerheid blijkt bovendien geen toevoegsel van buitenaf: ze is inherent aan onszelf en ze dringt zich naar de oppervlakte van ons bewustzijn met de boodschap dat ons zijn zelf uiterst ijl is. In de mate dat wij geloofden dat wij onze autonomie op eigen kracht aan het versterken waren, werden wij gedwongen tot de ontdekking van het uitermate ijl karakter van ons wezen. Het vergaat ons zoals de verzamelaar van geld die, in de mate dat hij rijker wordt, gaat beseffen dat de gewonnen gouden munten welke zijn bezit vormen, niets anders dan de reeds getelde dagen van zijn leven zijn. In dat licht weerspiegelt de vraag naar wat er morgen zal gebeuren in feite het hachelijke van de actuele toestand. Onze hele onderneming met betrekking tot de toekomst blijkt niets anders dan een vlucht voor het heden te zijn geweest, een vlucht voor de conditie waarmee we onherroepelijk samenvallen sinds onze geboorte. En de buitenwereld ― waarin wij helemaal niet passen ― blijkt niets anders op het oog te hebben dan ons de illusie te ontnemen dat wij zouden kunnen rekenen op de toekomst, omdat hij reeds met betrekking tot ons heden heel andere bedoelingen met ons heeft dan wij ons inbeelden. Alles in de buitenwereld werkt het streven van onze ziel tegen, en waar wij geloven bondgenoten te herkennen, blijken zij nog onze ergste vijanden te zijn: van in de prille kindertijd en van nature, maakt zijn conditie de mens achterdochtig, alsof precies dat de bedoeling was. Een in het nauw gedreven wezen kan alleen nog vechten, tenzij het nog iets anders te bieden heeft dan zichzelf, en zijn tegenstander onderhandelingen voorstelt.

Maar beschouwen we nu één ogenblik de gang van zaken in de natuur. De steen in de rivier onderhandelt met het stromende water en hij krijgt ronde vormen. De boom onderhandelt met de aarde, de lucht en het licht en wisselt stoffen met hen uit. De boom onderhandelt met de mens die hem verzorgt en in ruil van zijn vruchten kan eten. Het water, de steen, de boom en de mens: alle onderhandelen zij omdat zij daartoe ‘gedwongen’ worden: zij voeren welbepaalde activiteiten uit welke gericht zijn op zelfbehoud en op zelfstandigheid, maar tevens erkennen zij a priori hun afhankelijkheid, en zien zij deze niet als een onzekerheid. Het kind, bijvoorbeeld, is afhankelijk van de moeder, en derhalve symboliseert de moeder zekerheid voor het kind. Zo symboliseert de aarde zekerheid voor de landbouwer, precies omdat de boer van de aarde afhankelijk is. De afhankelijkheid vormt hier telkens de reden voor de zekerheid. Zo ook zou voor elke mens, elke andere mens, van wie zijn bestaan tenslotte afhangt, zijn zekerheid moeten symboliseren omdat hij van hem afhangt. Maar het tegendeel is het geval: het menselijke individu streeft naar autonomie, naar onafhankelijkheid van de ander, en waar hij van de ander afhangt, voelt hij zich onzeker. Het hoeft geen betoog dat die toestand zonder meer intern tegenstrijdig is. (Het is immers reeds duidelijk dat, indien de mens zekerheid kon hebben vanuit zichzelf alleen, dat dan de volstrekte autonomie hem ook gelukkig kon maken, en hij bijgevolg geheel gevrijwaard zou blijven van verdere behoeften. Maar in de praktijk blijkt daar helemaal niets van aan: een vermeend autonoom wezen voelt zich eenzaam en zoekt gezelschap op waarmee hij op de een of andere manier 'onderhandelingen' probeert te starten).

Deze vastgestelde interne tegenstrijdigheid is het nu, die de tegendoelmatigheid veroorzaakt in ons streven. De ontdekking van die tegendoelmatigheid is, net zoals de fysieke pijn, een objectieve parameter ― de meter bij uitstek ― welke ons waarschuwt voor objectieve beschadigingen en fouten. Derhalve zal de overwinning van de tegendoelmatigheid in ons streven nergens anders kunnen liggen dan in een specifieke heroriëntatie van dat streven zelf.

8. Het ultieme bedrog

Het streven naar autonomie, onafhankelijkheid en zelfbepaling resulteert in tegendoelmatigheid, met name waar ze, tot onze ontzetting, alleen maar onze onzekerheid doet toenemen. We hebben nu gezien dat precies het optreden van tegendoelmatigheid het signaal bij uitstek is dat ons waarschuwt voor een interne tegenspraak binnen ons streven zelf: dat het onafhankelijkheidsstreven uitmondt in onzekerheid, betekent niets anders dan dat de natuurlijke, betekenisvolle en zingevende band tussen afhankelijkheid en zekerheid verbroken werd.

Van nature immers, is het precies die- of datgene waarvan wij afhankelijk zijn, dat ons zekerheid biedt, zoals bijvoorbeeld in de relatie tussen moeder en kind, de moeder de zekerheid symboliseert omdat het kind van haar afhankelijk is. De ’moeder’ van de mens is nu de natuur (de medemens incluis): de ‘moeder’ van de boer is de aarde of het weer, de moeder van de fruitboom in de boomgaard is onder meer de mens en andersom, en telkens symboliseren deze ’moeders’ die alle levende en dode schepselen voor elkaar zijn, de zekerheden van hun aller bestaan zelf. De vraag die nu nog rest is deze: hoe is het kunnen gebeuren dat de band tussen afhankelijkheid en zekerheid verbroken werd en dat wij in plaats daarvan afhankelijkheid gingen vereenzelvigen met precies het tegenovergestelde, namelijk onzekerheid? Wie of wat is verantwoordelijk voor deze omslag die zich onmiskenbaar heeft voorgedaan in de loop van onze cultuurgeschiedenis, getuige het optreden van de besproken tegendoelmatigheid van ons streven die deze interne tegenspraak aan het licht brengt? Wie of wat heeft ons streven geperverteerd, en hoe is dat kunnen gebeuren op een zodanige wijze dat wij nog slechts met veel moeite in staat zijn om deze ‘fout’ op het spoor te komen?

Het feit dat wij naar onafhankelijkheid streven, grondt in de vermeende overtuiging dat autonomie zekerheid waarborgt, terwijl wij onmiddellijk kunnen inzien dat precies het tegendeel het geval is. Hoe zijn wij gaan geloven dat onafhankelijkheid nastrevenswaardig en alleenzaligmakend is? Hoe zijn wij ertoe gekomen om aan te nemen dat, in tegenstelling tot alles wat de natuur ons leert, het ’moederschap’ ― in haar ruime, hoger beschreven betekenis ― een bedreiging is in plaats van een bron van zekerheid en van vreugde? Wie heeft ons aangepraat dat het geluk gelegen is in het zich afscheuren van de ’moeder’, in het overbodig maken van haar, en in het ’op zichzelf bestaan’? Het is geen sinecure dit te achterhalen, maar het weze meteen ook opgemerkt dat de reden daarvoor niet dient gezocht te worden in een intellectueel onvermogen of in een hoge complexiteit van het probleem, maar veeleer in het feit dat zich in de loop der tijden een taboesfeer heeft ontwikkeld rond dit onderwerp omdat het, zoals we onmiddellijk hopen te verklaren, sterk verweven is met macht.

Hoger hebben we gezien dat de buitenwereld waarin we als mens ― en vooreerst als kind ― terecht gekomen zijn, vijandig staat tegenover onze ziel en tegenover ons streven. Een nog niet nader beschreven constellatie maakt namelijk dat de natuurlijke behoeften en verwachtingen van het kind onmiskenbaar alles behalve ingelost worden door het milieu waarin het als mens is geboren. Dat de natuur als zodanig verantwoordelijk zou zijn voor deze malaise, kan alleen worden verdedigd wanneer men er a priori vanuit gaat dat de mens principieel in onvrede leeft met die natuur, en dus wanneer men a priori een soort van ‘zondeval’-theorie poneert. Edoch, is die zondevaltheorie onmisbaar? Ons inziens kunnen de zaken namelijk even goed vanuit een heel ander perspectief worden beschouwd. Men zou de zondevaltheorie terzijde kunnen schuiven, en de beschreven malaise, welke alleen schijnbaar uit de vermeende zondeval voortkomt, ook kunnen wijten aan het feit dat men in de theorie van de zondeval als zodanig gelooft. Met andere woorden: het verwerpen van de zondeval-theorie zou in dat geval volstaan om alle ongemakken welke tot dan toe aan de zondeval toegeschreven werden, te overwinnen, en dit vanuit het inzicht dat niet een vermeende zondeval, maar wel het geloof in de theorie van de zondeval oorzaak is van deze malaise. Want men dient zich goed te realiseren dat wie de zondevaltheorie aanvaardt, spontaan geneigd zal zijn om alle malaise aan een vermeend feitelijke zondeval toe te schrijven, zodat die malaise, welke in feite voortkomt uit het eigen geloof in de zondeval, precies krachtens dit geloof zichzelf zal versterken en bestendigen.

De zaken kunnen misschien middels een eenvoudige analogie verduidelijkt worden. Stel dat wij de opdracht hebben om te gaan onderhandelen met een aantal mensen die ons onbekend zijn. Wanneer, alvorens wij erop uit worden gestuurd, vermeende ‘medestanders’ ons waarschuwen dat diegenen met wie wij moeten onderhandelen, sluwe en onbetrouwbare lieden zijn, dan zullen wij, aldus bevooroordeeld, zelfs de vriendelijkste woorden en gebaren van onze medeonderhandelaars interpreteren als listig en doortrapt. Ook indien de informatie van onze medestanders feitelijk fout was omdat diegenen met wie wij te onderhandelen hadden, in werkelijkheid goede mensen waren, dan zou al het goede dat zij voor ons tentoon hadden gespreid, door ons als list en gruwel worden geboekstaafd: ons uitgangspunt zorgt er dus voor dat onze medeonderhandelaars niet meer goed kunnen zijn voor ons. Hun tekorten worden sowieso geregistreerd als tekorten, en hun ogenschijnlijk goede kanten worden beschouwd als hypocriet. Welnu, dat is wat de theorie van de erfzonde, eenmaal ze ons heeft overtuigd, met ons beeld van de werkelijkheid doet: er vanuit gaande dat de natuur vijandig en bestraffend is, zijn wij niet meer in staat om haar onbevooroordeeld tegemoet te treden, en consolideren wij onze vooroordelen middels ongeacht welke natuurlijke gebeurtenis dan ook. De theorie maakt van de vriend een vijand en zodoende kan geen enkele van al onze toenaderingspogingen tot de natuur nog op enig welslagen rekenen: wij zijn bij voorbaat van elke waarachtige en harmonieuze relatie met de natuur beroofd!

De theorie van de erfzonde, niets meer en ook niets minder, heeft onze band met de natuur verstoord en onmogelijk gemaakt. En deze theorie werd ons precies met die bedoeling opgedrongen. Ze heeft de natuur voor ons zwart en ontoegankelijk gemaakt, en in plaats van de natuur heeft zich een instituut gevestigd dat zich opdringt als een soort van bemiddelaar tussen onszelf en onze oorspronkelijke ‘moeder’. Er van overtuigd dat de natuur zelf slecht is, en er dus op beducht om met de natuur zelf een relatie aan te gaan, richten we ons tot de bemiddelaar van zodra wij ons onzeker voelen over ons lot. De zelfverklaarde bemiddelaar maant ons aan ons van de natuur los te rukken, en ons voortaan tot hem te richten met al onze twijfels. Edoch, in tegenstelling tot de natuur is die bemiddelaar onzichtbaar en onbereikbaar, tenzij dan, op zijn beurt, via zijn bemiddelaars, de zogenaamde ‘priesters’, wat letterlijk vertaald betekent: ‘de vooraanstaanden’, ‘zij die dichter bij hem staan’. Zij beweren te weten wat de grote bemiddelaar beveelt en verbiedt aan diegenen die in zijn gunst wensen te komen.

Uiteraard zal dit groots opgezette bedrog voortdurend lekken, alleen al in de vele contradicties die deze massa aan leugens onvermijdelijk meebrengen. Maar omdat onze overtuiging (de doctrine van de erfzonde) nu eenmaal de verkeerde is, zijn wij blind voor deze leugens en vergoelijken we ze zelfs in de plaats van de bedriegers. Toch kunnen wij ons van het gevoel van bedrog niet volledig vrijmaken, en zo sluipt er onoverkomelijk twijfel en wantrouwen in onze relatie met de ‘priesters’. Dit wantrouwen wordt in de loop van de geschiedenis door de meest vrije geesten onderzocht, en wanneer zij uiteindelijk het bedrog ontmaskeren, willen zij vanzelfsprekend de afhankelijkheid van deze ‘priesters’ ongedaan maken: autonomie wordt het uitverkoren ideaal en het ultieme streefdoel. In feite bedoelden zij alleen maar de onafhankelijkheid tegenover de bedriegers, maar intussen werd het kind met het badwater buiten gegooid en onze oorspronkelijke band met onze eigenlijke ‘moeder’, de natuur, belandde derhalve in de vergetelheid.

9. Hoe de sterkste zijn recht terugneemt

Wat kan nu de betekenis en de zin zijn van een ‘komedie’ waarbij een instituut zich een plaats gaat toeëigenen tussen de mens en de natuur in? Wat anders kan de betekenis daarvan zijn dan dat dit instituut met het volk precies hetzelfde op het oog heeft als wat de landbouwer-veeteler wil wanneer hij zich tussen de natuur en de wilde planten en dieren in plaatst? De vergelijking is afschrikwekkend, maar de lezer wordt bij dezer uitgenodigd om de analyse zelf te controleren, en conclusies te trekken. De (wilde) dieren (en ook de planten) leven aanvankelijk in harmonie met de natuur, die zelf het best mogelijke evenwicht garandeert voor allen. Op een bepaald moment is de mens als soort gaan overheersen: hij heeft de planten en de dieren uit hun natuurlijke omgeving weggehaald en neergeplant in zijn territoria, op landbouwgrond en in stallen. De (nu gedomesticeerde) dieren en planten werden zodoende afgesneden van hun natuurlijke omgeving, en voortaan zijn ze in hun levensonderhoud afhankelijk van de mens, die zich een positie heeft veroverd als bemiddelaar tussen, enerzijds, de natuur en, anderzijds, de dieren en de planten. De nieuwe positie van de mens is voor hem bijzonder comfortabel, want voortaan zijn dier en plant in hun behoeftebevrediging van hem afhankelijk, terwijl hun natuurlijk biotoop onbereikbaar werd. De mens is aldus de gijzelnemer geworden van dier en plant, wat hem toestaat om onbeperkt over alle andere soorten te heersen. Zijn opgedrongen bemiddelaarschap heeft de mens als soort geen windeieren gelegd, maar evenzeer blijkt hoe catastrofaal deze hele onderneming op termijn wel is, met name in de totale verstoring van een sinds miljoenen jaren opgebouwd evenwicht. Uiteraard zal de natuur zich wreken, en het lot wil dat hij dat doet middels de onooglijkste van zijn wezentjes, zijnde de microben, maar dat is een ander verhaal.

Wat ons hier treft, is de vaststelling dat de beschreven gijzelingstactiek ‘natuur–mens–dier (en plant)’ de sterkst mogelijke gelijkenis vertoont met de gijzelingstactiek ‘natuur–clerus–volk’. In dit laatste geval ― de jongste manifestatie van deze tactiek ― behandelt de clerus het volk net zoals de mens de andere soorten behandelt in de oudere manifestatie. In beide gevallen gaat het essentieel om hetzelfde, namelijk: het zich verheffen van een elitaire groep boven al de rest, zijnde hetzij de andere en zwakkere soorten, hetzij de zwakkere soortgenoten, die aldus genoodzaakt worden om naar de pijpen van deze elite te dansen, op straffe van de eigen ondergang. Een pregnantere manifestatie van het recht van de sterkste kan men zich moeilijk inbeelden. Het wraakroepende van de hele toestand is nu, dat de gijzelnemende clerus, geheel in tegenstelling met wat zij daadwerkelijk verricht, er klaarblijkelijk in slaagt om het volk ervan te overtuigen dat zij het recht van de sterkste bestrijdt en opkomt voor de zwaksten!

De vaststelling is schokkend, en meteen rijst de vraag hoe het dan mogelijk is dat het volk blijkbaar altijd zo blind is geweest dat het tot vandaag met zich heeft laten sollen. Het antwoord op die vraag is echter relatief eenvoudig: de kerk behoedt inderdaad de zwaksten, zij het binnen welbepaalde perken, maar zij doet dat alleen maar om dezelfde redenen waarom ook de landbouwer-veeteler zijn producten behoedt tegen het brute natuurgeweld. De bescherming van de zwakkeren is dermate feitelijk, dat meteen alle ogen er door verblind worden. De zaak is alleen dat deze ‘bescherming’ tegen het natuurgeweld, die zowel het vee als het gedomesticeerde volk genieten, geen doel op zich is, maar een loutere nevenwerking. Noch het vee noch het volk willen inzien dat zij hun bescherming slechts te danken hebben aan het feit dat ze reeds het 'bezit' zijn van hun overheerser: op zijn tijd zal de boer het vee afslachten, en ook de clerus aarzelt niet om het volk te slachtofferen en in dienst te stellen van haar plannen.

Een illustratie hiervan levert onder meer het feit dat de kerk uiteindelijk alle voor haar nutteloze individuen en groepen, waar zij vermoedt dat dit niet op hevig verzet zal stuiten, meedogenloos veroordeelt. In haar arrogantie meent zij zich de luxe te kunnen veroorloven om giften aan noodlijdenden te weigeren wanneer deze aangeboden worden door mensen die welbepaalde (democratisch verkozen) politieke partijen genegen zijn, of zelfs om mensen op grond van hun geslacht of zelfs alleen maar op grond van hun sexuele geaardheid, niet toe te laten tot haar ambten. (Met de laatst genoemde Vaticaanse stellingname spreekt de kerk haar eigen leer overigens in hoge mate tegen, daar zij voorhoudt dat 'gezindheden' als zodanig niet zondig zijn zolang zij niet door welbepaalde daden bekrachtigd en bevestigd worden. Dit geheel afgezien van het feit dat het een publiek geheim is dat de kerkelijke ambten doorheen de ganse geschiedenis en ook nu nog bij uitstek worden bekleed door mensen die niet de gezindheid bezitten om een (heterosexueel) huwelijksleven te gaan leiden. Over de discriminatie van de vrouw kunnen we het hier niet hebben).

Inzake de kerk hebben we zodoende te maken met een tegenbeweging tegen het Christendom. Aanvankelijk heerst het recht van de sterkste dat, vooral binnen de menselijke soort, voor toestanden zorgt die als onmenselijk worden bestempeld. Tegen het mensonwaardige rebelleert Christus, en het christendom vervangt de wet van het recht van de sterkste door een nieuwe wet, de wet van de (naasten)liefde. Maar nog tijdens het leven van Christus zelf, wordt deze nieuwe wet verkracht door de heersende klasse, die ze perverteert en te baat neemt, en dit geheel overeenkomstig de regel dat men te vriend moet maken die men niet bestrijden kan. De heersende klasse incorporeert het christendom en veinst de bescherming van de zwaksten in een plan dat in tegendeel de totale onderwerping van allen beoogt. Middels het aldus verkrachte christendom wordt het volk nog strakker aan banden gelegd dan het rijk tot dan toe had durven dromen.

10. Afpersing en uitpersing

Keren we nu terug naar de mens als kind, en naar de kindertijd. We hebben gezien hoe de ziel van het mensenkind helemaal niet past in de pijnigende en frustrerende wereld waarin het terecht komt ― het is een wereld die de zwaksten onbeperkt uitbuit en ongestraft indoctrineert, aldus het mensenkind en de mens berovend van zijn vrijheid en van zijn goddelijkheid ― zijn natuurlijke soevereiniteit. Schermend met een macht die ze niet heeft, met de doctrine van de zondeval in het vaandel, met de afschrikking van de hel, en de 'richtlijnen' om eraan te ontsnappen, weet een clerus het volk, losgerukt uit zijn natuurlijkheid, aan zich te binden en tot slaaf te maken.

De impact van deze niets ontziende doctrine en indoctrinatie is zo groot, dat zelfs de niet-gechristianiseerde volkeren gebukt gaan onder haar juk. Eerst werden deze volkeren massaal als slaven naar het Westen verscheept, verkocht, uitgebuit en doodgemarteld, vaak onder het voorwendsel dat ze toch geen ziel hadden en dus geen menselijke status. Vervolgens werden zij gekoloniseerd, en wel als volgt: een voorhoede van goedmenende missionarissen, door de kerk uitgestuurd, trachtte het vertrouwen van de 'primitieven' te winnen, maar alras werden zij op de voet gevolgd door een schare van industriëlen die de bodemrijkdommen ter plekke gingen plunderen, alsook de oogsten en de culturele rijkdommen van de intussen ingepalmde volkeren. Sommigen werden verslaafd gemaakt aan alcohol en degenereerden, zoals men heden ten dage nog kan vaststellen in de Indianenreservaten in de Verenigde Staten, ofwel stierven ze uit, zoals bijvoorbeeld de Eskimo's nadat ze afhankelijk gemaakt werden van voedsel in blik; anderen werden uit hun natuurlijke biotoop weggerukt en 'geschoold' om te dienen als land- en fabrieksarbeider voor de westerse industrie. Zij die weerstand boden, werden de handen afgehakt of gedood. Allen werden ze beroofd van de eigen cultuur, huisvesting en taal, en in de plaats kregen zij de moderne westerse slavencultuur opgedrongen. Na de dekolonisatie van deze gebieden installeerde het Westen er gestaag corrupte dictators die als haar feitelijke handlangers de voortzetting van de uitbuiting ten haren bate moesten garanderen.

De gevolgen zijn nog steeds niet te overzien: de vervanging van rieten hutten door stenen huizen onder de Engelse kolonisatoren in India, maakte al honderdduizenden slachtoffers ingevolge aardbevingen; heel wat talen en andere culturele rijkdommen smolten weg als sneeuw voor de zon; de 'primitieve' maar natuurlijke en efficiënte tradities van bijvoorbeeld heel wat Afrikaanse stammen, dankzij welke zij reeds vele miljoenen jaren lang ― sinds het ontstaan van de mensheid ― overleefden, vielen weg, en ontreddering, hongersnood en ellende kwamen in de plaats en beheersen nu het ganse continent. Naast de weliswaar in culturele grootheidswaan wortelende maar misschien onbedoelde gevolgen, is de opzettelijk toegebrachte schade niet te beschrijven. Zo bijvoorbeeld wordt in Afrika momenteel de tactiek van de voedselafhankelijkheid toegepast met het oog op de totale onderwerping van ook dit deel van de wereld, aan een doctrine die van geen ophouden weet. (De georganiseerde, massale verkoop, in het Afrikaanse continent, van melkpoeder onder de lokale marktprijs, verplicht de plaatselijke boeren ertoe om hun melkkoeien te slachten teneinde van de verkoop van het vlees te kunnen overleven. Wanneer, in een volgende fase, de toelevering van melkproducten wordt stopgezet, is al het vee weg en rest de hongerdood). De 'zwartjes', die de blanken nochtans met dansen, bloemenkransen en ander eerbetoon als edele gasten verwelkomden, kennen wij nu alleen nog maar van de intrieste beelden van de hongersnood, de oorlogen en de slavenarbeid, of van de marginale wijken in verziekte westerse steden waar zij een hondenleven leiden in armoede en verdrukking, aan de wanhoop ten prooi. Alsnog brengen de begeesterde groepsgezangen waarmee deze arme families zich troosten in de van het westen overgenomen kerken, het schaars overgebleven, hypocriete publiek in onze versteende, macabere, katholieke tomben in beschaming.

De mens, sinds zijn geboorte en zijn kindertijd, wordt niet verwelkomd door deze wereld, en niet de natuur zit hem hier dwars, niet een of andere zondeval begaan door verre voorouders: wat hem uit het warme nest rukt, weg van zijn moeder, weg uit zijn stam en uit zijn biotoop, is de doctrine van de kerk, welke als een verlengstuk aan de arm van het wereldse rijk, met dat rijk samenzweert en, onder de vlag van het christendom en met de belofte van de bescherming van de zwaksten, het volk herleidt tot vee, het zijn natuurlijke waardigheid ontneemt en het dermate hersenspoelt dat het "van voren niet meer weet dat het van achteren leeft". Aldus beroofd van zijn natuurlijk en gezond verstand, laat de hedendaagse mens zich opjagen als een bedreigde slaaf die geen alternatieven heeft dan de totale overgave, fysiek en geestelijk, aan een macht waarvan de tentakels reiken tot in de kern van zijn verkrachte ziel.

11. Het glazen kerkhof

Wat zal de toekomst brengen? ― met die vraag zijn we van start gegaan, en wanneer we ze hier opnieuw stellen, dan kunnen we misschien al duidelijker inzien dat er niets goeds te verwachten valt, tenzij er mirakels gebeuren. De macht van de kerk werd een tijdlang teruggedrongen in het Westen, doch dat was alleen te wijten aan de onverwacht hoge levensstandaard die hier mede door haar eigen toedoen gedurende enkele decennia heerste in gevolge een nooit geziene uitbuiting van enorm uitgestrekte wereldgebieden, bodemschatten en energievoorraden. Zonder overdrijven kan gezegd worden dat de westerse mens tekeer ging zoals een kannibaal. De kortdurende 'welstand' was een feit ten koste van ontelbare mensenlevens in andere werelddelen en ook in het eigen continent, in de vorm van zowel fabrieksarbeiders als frontsoldaten. Dit enorme kerkhof begint nu als het ware te verglazen, zodat de lijken van de ontelbare slachtoffers niet langer aan het oog onttrokken zijn. Zoals de Leuvense 'fiere Margriet' kwam bovendrijven nadat zij ter dood was gebracht, zo ook kan nu het Westen zijn schuld niet langer verborgen houden, en begint het ware gelaat van de moordende doctrine die tot de huidige wereld van ongeluk en van ellende leidde, onweerstaanbaar op te doemen in de steeds meer intern contradictorisch wordende uitspraken die zij vanaf haar kansel naar beneden slingert. De armoede zalig verklarend vanuit haar marmeren paleizen, de naastenliefde met de lippen belijdend terwijl zij ongeremd mensen discrimineert en hen zodoende naar onzichtbare maar des te onherroepelijkere concentratiekampen verwijst, zichzelf tot 'de enige ware' uitroepend terwijl zij tegelijk gaat slijmen bij de andere religies, aanspraak makend op het statuut van vertegenwoordiger van God zelf en blijkbaar niet beseffend dat integendeel God de door haar verdrukten vertegenwoordigt (zie: R. Coppitters 2005: 101), weet zij van geen ophouden in haar hang naar steeds meer macht, terwijl zij anderzijds dient te belijden dat Christus de machteloze bij uitstek is.

In de persoonlijke vrijheid die samen met de welvaart de kop opstak in de vette jaren, kon kritiek worden geuit op het establishment en op de kerk. Niet langer slaagt de kerk erin om het volk met haar verouderde liturgieën in trance te brengen ― het volk heeft intussen immers andere en blijkbaar efficiëntere middelen ter beschikking. Ook de angst voor de hel werkt niet meer in een wereld die siddert onder de dreiging van atoomwapens en andere terreur. Wat er van de kerk overschiet, zijn alleen nog de begane vergissingen, leugens en misbruiken, die nu als het ware komen bovendrijven op de poel van de wereld. Haar pogingen om weer scheep te gaan met de staten, slaan niet meer aan, precies omdat zij de staten niet meer van dienst kan zijn, nu zij geen geloofwaardigheid, geen afschrikking en dus geen gezag meer heeft ― zij is, in tegendeel, een last geworden, en zij heeft af te rekenen met concurrenten die veel betere kansen maken bij de huidige 'vrijgezellen-staten' ― concurrenten, dan nog afkomstig uit ooit door haar 'bekeerde' gebieden, die wél nog geloofwaardigheid blijken te bezitten, of die tenminste het volk nog in hun greep hebben...

12. De les van de horlogemaker

De vraag naar wat de toekomst zal brengen, stelt zich onoverkomelijk, want vanuit de condities van ons bestaan. Onzekerheid blijkt de prijs voor ‘zelfstandigheid’: terwijl onze autonomie in volume toeneemt, verliest ze aan gewicht. Is deze tegendoelmatigheid omkeerbaar?

Zijn onzekerheid typeert de mens alvast als verweesd, en behalve de toekomst betreft ze ook het heden en het verleden: de harde buitenwereld vloekt reeds met de kinderziel. Maar wij zijn vergeetachtig en verblind, we hebben geen oog voor wat onze kindertijd ons heeft geleerd. Zo moet het goddelijke kind het nog steeds opnemen tegen Herodes: het gouden kalf, én de met het gouden kalf contractueel verbonden kerk die, paradoxaal genoeg optredend in naam van het goddelijk kind, dit kind van bij de geboorte van zijn vrijheid berooft door ongestrafte indoctrinatie.

Wij dienen te begrijpen dat de tegendoelmatigheid van ons streven vooreerst een teken is van het intern contradictorisch karakter van dat streven. Dan zien we dat niet een vermeende zondeval ons in de ellende heeft gestort, maar wel ― paradoxaal genoeg ― het geloof in de zondevaltheorie: die werd ons voorgehouden door machtswellustelingen die zodoende onze relatie met moeder natuur ― waartoe ook ons natuurlijk geweten behoort! ― onmogelijk maakten, terwijl ze zichzelf als ‘bemiddelaars’ opstelden en, schermend met een macht die zij niet hebben, de verweesde mens naar hun hand hebben gezet. Zoals de boer zich tussen de natuur en het vee in plaatst om aldus het vee in zijn levensbehoud van hem afhankelijk te maken en het volstrekt te beheersen, zo ook positioneert de clerus zich tussen de natuur en het volk. Weliswaar worden op die manier de zwakkeren beschermd tegen de natuur, maar dan alleen omdat zij reeds het bezit uitmaken van hun overheerser. Aldus wordt ― paradoxaal genoeg ― het christendom misbruikt om het recht van de sterkste te bestendigen.

De verknechtingsdoctrine heeft wereldwijd doorheen gans de geschiedenis ellende en dood gezaaid. In deze nieuwe eeuw taant de macht van de kerk, en steken concurrenten de kop op. Ons inziens is het daarom van het grootste belang dat hier lessen getrokken worden uit het verleden, meer bepaald dat niet andermaal de fout gemaakt wordt dat het kind met het badwater wordt buitengegooid. Want niet het christendom dient te worden afgestraft, maar wel de instituten die, zich beroepend op het christendom, precies het tegengestelde hebben bewerkt van wat Christus voorhoudt: de overwinning op het recht van de sterkste door de nieuwe wet van de (naasten)liefde. Alles wat met de christelijke liefdewet in strijd is, dient zonder meer en onverwijld afgedankt te worden.

De opdracht voor de toekomst is aldus niet mis te verstaan: alles zal ervan afhangen of de mens de moed zal kunnen opbrengen om die instituten van zich af te schudden die, zoals verzekeringsmakelaars, hem angsten aanpraten om zijn geweten te bewerken en hem in hun macht te krijgen. Zullen wij tot het inzicht komen dat Christus de waarheid en de liefde zelf is, en dat de waarheid en de liefde sterk genoeg zijn om op zichzelf te staan, dat zij geen bemiddelaars nodig hebben, geen hokus-pokus, en zeker geen indoctrinatie van in de wieg? Zal de mens van de toekomst in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid op te nemen voor zijn doen en laten? Zal zijn vertrouwen in de kracht van de liefde daartoe groot genoeg zijn?

Het gevaar bestaat, en blijft bestaan, dat valse profeten het pleit zullen winnen. Het gevaar dat de mens, ook morgen, gaat duizelen onder de last van zijn verantwoordelijkheid, en dat hij daarom gehoor geeft aan de verleidelijke stem die hem aanbiedt zich van die last te ontdoen. Het heropstaan van de angst voor het verlies van het eeuwig leven en de verdoemenis in het altijd durende hellevuur, is niet ondenkbaar, en zeker niet wanneer bepaalde 'bemiddelaars' morgen zullen beschikken over nog veel krachtiger wapens dan vandaag. De huiver bij de staatslieden om andermaal scheep te gaan met de kerk, heeft goede redenen, want de omvang en de impact van de huidige indoctrinatiemiddelen die het staatsapparaat ter beschikking kon stellen, is vrijwel onbegrensd. Op de keper beschouwd is het aldus ook in dit opzicht een uitstekende zaak dat Christus de wereld tegenspreekt, zodat staatslieden en religieuze bemiddelaars onmogelijk hetzelfde kunnen propageren, waardoor a priori forse restricties worden opgelegd aan gebeurlijke contracten tussen staat en kerk.

Nogmaals: onze enige hoop ligt hierin, dat wij de moed zullen opbrengen om onze onderlinge afhankelijkheid niet langer te beschouwen als een gemis aan zekerheid, maar daarentegen als de enige bron van onze zekerheid. Net zoals een kind zijn moeder dient te zien als de bron van zekerheid in plaats van als een bron van last van welke hij zich onafhankelijk zou moeten maken. En deze te cultiveren houding, die de liefde zelf is, wordt ook mogelijk wanneer wij ons bevrijden van de 'bemiddelaars', die immers niets anders op het oog hebben dan het ons aanpraten van schuld en van de noodzaak ons van onze natuurlijke afhankelijkheden te bevrijden. Een nieuwe cultuur van algemene interdependentie en vertrouwen kon in de toekomst het 'verloren paradijs' misschien herstellen, daar dit dan toch een cultuur is van de liefde waarover Christus spreekt. De betrachting om ― middels bemiddelaars ― op goede voet te staan met de heerser, is geen optie vanuit de naastenliefde, ook niet als die heerser de heerser bij uitstek is. Pas als we bereid zijn om elkaars lot en lasten te dragen, pas dan zullen we allemaal tegelijk hetzij naar de hemel gaan, hetzij naar de hel. Wij mogen het eerste hopen, doch het laatste te vrezen zou ons geloof regelrecht tegenspreken.

Tenslotte dient nog een woord gezegd over de 'bemiddelaars' in de actuele constellatie, meer bepaald de veldwerkers onder hen, zowel pastores als leken. Want uiteraard dragen zij niet noodzakelijk schuld aan de hier aangeklaagde wantoestanden binnen de verschillende kerkelijke instituten, of aan de vreemde wendingen die de wereldgeschiedenis van zowel het denken als van de politiek heeft genomen in de voorbije tweeduizend jaar. In hun protest getuigen immers velen onder hen van het besef van een diep verborgen ongerijmdheid in het opzet om een rijk dat niet van deze wereld is, alsnog in deze wereld te vestigen, en wel met quasi-politieke middelen. (We gaven reeds het voorbeeld van priester Daens uit de voorbije eeuw, maar men denke hier ook aan de terechtwijzingen vanwege het Vaticaan van sociaal geëngageerde missionarissen in Latijns-Amerika, aan de ontzetting uit zijn ambt van bisschop Galliot die de Parijse vierde wereld te zeer genegen bleek te zijn, of aan de moeilijkheden die de Vlaamse Jesuïet, pater Luc Versteylen ondervond in een consequent doorgetrokken beoefening van de naastenliefde. Verder kregen en krijgen ook heel wat eerlijk wetenschappelijk bedrijvige 'mystici' het hard te verduren, vanaf Copernicus en zijn tijdgenoten tot en met Teilhard de Chardin, alsook de Vlamingen Max Wildiers en Edward Schillebeeckx). Hier oppert zich het dilemma van Christus tegenover Barabbas, dat zelden zo zwart-wit is als het wel kan uitschijnen. De mens met al zijn tekorten is van goede wil, en dat volstaat: het probleem dat wij hier trachtten te schetsen situeert zich dan ook niet op het persoonlijke vlak, het gaat daarentegen om een structurele en doctrinaire 'knoop' waarin wij willens nillens verward geraken, en wel omdat wij niet alleen gevoelig zijn voor de stem van het persoonlijke geweten en het gezond verstand, maar ook voor de autoriteit van Christus, of zelfs van Jahweh, die in bepaalde kerkelijke interpretaties van het goddelijke Woord, de persoonlijke meningen en denkbeelden vaak lijken tegen te spreken. De tijd dat de bijbel verboden lektuur was voor het volk, dat het moest stellen met de herkauwde en bijgewerkte versie van het credo in de Katechismus, is weliswaar voorbij, maar de nood aan interpretaties blijft niettemin bestaan en neemt zelfs toe, in een tijdperk dat zich in zijn culturen van langs om meer verwijdert van de betrekkelijk eenvoudige samenleving waaruit het gegroeid is. Ons inziens kan de waarschuwing van Christus niet genoeg benadrukt worden, dat wij ons moeten richten naar de geest van de wet, en niet naar de letter, die immers een dode letter is. En de toepassing van deze leerstelling is nu onmogelijk zonder de bereidheid om zelf een stuk persoonlijke verantwoordelijkheid op te nemen voor ons handelen. Heel concreet betekent dat niets anders dan dat wij allen, elk voor zichzelf én in onderlinge samenspraak, onze eigen theoloog moeten leren zijn, en dat de vaak hoogdravende geloofsdiscussies die zich altijd hebben afgespeeld in kerkelijke synoden of in katholieke hogescholen, zich dienen te verplaatsen naar onze dagelijkse keukens en werkplaatsen.

Uiteraard zullen zich ook dan problemen voordoen, maar het zullen tenminste levende problemen zijn, principieel oplosbaar middels samenspraak, en indien niet, zullen ze algauw algemeen als mysteries worden erkend. Hoe dan ook zijn zij verkieslijker dan de huidige frustraties en onenigheden welke volgen uit de a priori geformuleerde antwoorden van een leger zichzelf immer tegensprekende, onfeilbare theoretici. Dat men in zijn dringende persoonlijke zoektocht niets opschiet met deze middens van specialisten, leerde ik onlangs in Brussel: toen ik daar, net voor ik de trein op moest, nog snel een horlogerie in de buurt in liep op zoek naar een batterijtje, en verward vroeg hoe laat het was, verklapte een lachende zaakvoerder mij dat wie dat wenst te weten, overal behalve in een horlogerie moet zijn. ( De auteur ontleende deze anekdote in feite aan zijn zuster, Mariek, waarvoor dank).

>>>>>>


06-11-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.3

II. De bezweerders

In het eerste deel, De bemiddelaars, poogden wij aan te tonen dat de erfzondetheorie oorzaak werd van ellende en verdrukking, waar zich bemiddelaars installeerden tussen de natuur en het volk in, met de bedoeling het volk aan hun macht te onderwerpen.

De bezweerders vormt het tweede luik van dat verhaal. We tonen hierbij aan dat de religie, zoals wij die kennen, niet de aanbidding van het opperwezen nastreeft, doch in tegendeel de verschalking ervan. Verder laten we zien dat niet alleen de zich religieus noemende instellingen deze tactieken hanteren: het instituut van het atheïsme moet inzake deze praktijken allerminst onderdoen voor de (andere) kerken.

Andermaal wil dit pleidooi het christendom verdedigen tegen de kerkendommen, ongeacht hoe deze laatsten zichzelf benoemen.

13. De tactiek van de bezwering

In wat voorafging trachtten we te beschrijven hoe een elitaire groep, gewapend met een zogenaamd christelijke erfzondetheorie, erin geslaagd blijkt om precies het tegendeel te bereiken van wat Christus op het oog had: in plaats van de naastenliefde te vestigen, bestendigde deze elite het recht van de sterkste. Het volk bestempelend als door het kwaad van de erfzonde afgesneden van zijn schepper ― en dus van zijn eigenlijke natuur ― en die natuur beschouwend als met het kwaad besmet, wenden zij voor door God te zijn aangeduid om de besmette natuur te vervangen. De mens mag niet meer bij de natuur te rade gaan, en zijn aanbidding mag haar niet langer tot voorwerp hebben: voortaan moet hij de kerk als zijn moeder beschouwen, meer bepaald de clerus, en dit naar verluidt voor zijn eigen bestwil.

Als wij met onze natuurlijke ogen zien dat de aarde rond de zon draait, en de clerus decreteert dat het net andersom is, dan dienen wij het ook andersom te belijden, want de clerus is onze nieuwe moeder, en wat onze natuurlijke ogen ons doen zien, is met de erfzonde besmet. Afgezien van de wetenschappelijke nonsens, afgezien van haar gruweldaden die de geschiedenis hebben getekend, en dus abstractie makend van het voor de hand liggende motief van de machtswellust, kan men de kerk alsnog vragen waarop zij zich beroept om gewag te maken van de goddelijke zending die deze nonsens en deze gruwelen zou rechtvaardigen.

In De bemiddelaars hebben we beweerd dat niet een vermeende erfzonde het kwaad veroorzaakt: daarentegen veroorzaakt een theorie over een erfzonde heel wat kwaad. Of met het opdoeken van de erfzondetheorie ook het kwaad uit de wereld gebannen wordt, is een vraag die nader onderzoek vergt. Laten we eerst eens de stelling bekijken dat de theorie van de erfzonde het bestaan van het kwaad moet verklaren.

Zoals elk weldenkend mens, worstelde ook Aurelius Augustinus (354-430), de eigenlijke architect van deze theorie, met het probleem van het kwaad. Aanvankelijk geloofde deze kerkvader dat het kwaad zijn oorsprong moest hebben in een boze God, net zoals al het goede zijn oorsprong heeft in een goede God ― zoals sinds oudsher probleemloos wordt aangenomen. Twee goden dus: de ene om de oorsprong van het goede te verklaren en de andere om uit te leggen waar het kwaad vandaan komt. (Bedoeld wordt het Manicheïsme, dat door Augustinus werd aangehangen totdat hij zich op zijn drieëndertigste tot het katholicisme bekeerde. Augustinus werd geboren ca. 77 jaar na de dood van Mani (216 - 276 of 277)). Edoch, sinds mensenheugenis is het een nachtmerrie voor de theoreticus om te moeten leven met meerdere principes. De droom van de menselijke geest bestaat in het vinden van dat ene, alles verklarende beginsel en de daaruit volgende, alles overkoepelende theorie. Waarom dit zo is, ligt wellicht in het feit dat deze droom een machtsdroom is: als alles afhangt van slechts één principe, dan geeft het bezetten van dat principe aan zijn bezetter alle macht. ( De machtsdrang hoeft overigens niet uitsluitend negatief geconnoteerd te worden of niet zomaar met het kwaad vereenzelvigd te worden: ze vindt haar oorsprong onmiskenbaar in de vrees voor het verlies van het eigen bestaan dat, natuurlijkerwijze, onze enige zekerheid is. Het getuigt overigens van de bovenmenselijke kracht van het authentieke christendom, dat het erin slaagt om gelovigen zover te brengen dat ze hun natuurlijke machtsdrang ― en aldus de angst voor de dood ― overwinnen krachtens de belijdenis (het praktiseren) van het geloof. Het contrast tussen het authentieke christendom en het katholicisme kan derhalve niet duidelijker gesteld worden dan in deze tegenstelling tussen, enerzijds, het opgeven van alle macht uit eerbied voor de glorie van de liefde en, anderzijds, het zich willen verzekeren van het eigen heil middels de gevolgzaamheid aan door het instituut voorgeschreven regels en wetten). Maar hier rijst een probleem: omdat onbeperkte macht tevens onbeperkte verantwoordelijkheid meebrengt, is een mens niet in staat om deze macht te dragen: hij wordt er krachtens zijn natuur toe verplicht om ze te delegeren bij een god. De meest comfortabele positie voor mensen bestaat er dan in om bij die god op een goed blaadje te staan: dat resulteert in een beperkte verantwoordelijkheid en onbeperkte gunsten.

Augustinus vond uiteindelijk een oplossing voor het twee-beginselen-probleem, met name in de ontkenning van het bestaan van het kwaad. God is de schepper van al het goede, zo zegt Augustinus, en het kwaad bestaat eigenlijk niet echt. Maar miskende Augustinus dan zijn uitgangspunt? De vaststelling van het werkelijk bestaan van het kwaad was immers Augustinus' eerste en enige probleem, en een probleem lost men niet op door te zeggen dat het 'niet echt' bestaat. De uitleg die Augustinus geeft, komt hier op neer: het is met het bestaan van het kwaad gesteld zoals met het bestaan van eender welk tekort, want een tekort aan iets, is niet iets wat is; het is daarentegen iets waaraan een tekort is bij iets anders dat wel is. Het kwaad is dus niets anders dan een 'niet-zijn', namelijk: een tekort aan het goede. ( In feite verdedigde reeds Plotinus (204-270) deze stelling).

Het kwaad heeft aldus geen eigen wezen, en het is er alleen om te laten zien dat het goede zo oneindig goed is, dat er nooit genoeg kan van zijn. Op die manier is zelfs het kwaad een eerbetoon aan het goede. Het goede duldt het kwaad ook niet, precies omdat het kwaad een tekort is aan het goede: het kwaad roept om het goede. Waar het goede afwezig is, wordt er spontaan om geroepen, en die vraag om 'meer goeds' noemen wij het kwaad. Kunnen we aldus niet spreken over het bestaan van het kwaad, en dus ook niet over zijn oorsprong, dan kunnen we toch zeggen dat het doel van het kwaad, het goede is: het kwaad is er om geen andere reden dan om met het goede opgevuld te worden, zoals een lege maag er is om met voedsel te worden opgevuld. Het kwaad is iets dat geen wezen heeft, maar wel een doel, namelijk het goede. Waarmee gezegd is dat het goede zo oneindig is, dat zelfs al datgene wat niet bestaat, het tot enig en altijddurend doel heeft. Het goede is zo oneindig dat het zich uitstrekt tot buiten het bestaan zelf. Nog anders verwoord: het Zijn van God, die het goede is, is zo alles overheersend dat zelfs daar waar men gelooft dat God afwezig is, men krachtens dat geloof zelf om zijn aanwezigheid roept.

In een eerder geschrift ( J. Bauwens, Trans-atheïsme, Serskamp 2003) hebben we deze stelling uitvoerig gedocumenteerd: zowel de fysieke pijn als de geestelijke nood hebben een objectief onmiskenbare en belangrijke signaalfunctie ter bescherming en ter ontplooiing van het bestaande goed. Een opmerking die hier aan bod moet komen luidt of het kwaad dan niet veeleer 'noodzakelijk' dient genoemd te worden, en bijgevolg: of het 'noodzakelijk kwaad' dan geen goed is, net zoals het goede zelf. Maar precies de vraag naar de oorsprong van dit 'noodzakelijk kwaad', blijkt in Augustinus' leer de theorie van de erfzonde zelf noodzakelijk te maken.

Wat Augustinus daarbij ons inziens over het hoofd ziet, is een niet geringe kwestie. Het is namelijk de vraag of er vóór de veronderstelde zondeval dan geen kwaad te bespeuren viel. Want indien er in het paradijs geen sprake kon zijn van het kwaad, hoe zat dat dan met de oneindigheid van het Zijn van de goede God? In andere bewoordingen: volgens Augustinus' leer zou de toestand vóór de zondeval van die aard geweest zijn, dat er ― althans voor de mens ― nergens een schreeuw om 'meer goeds' te bespeuren viel. Was de mens er blind voor? Hoefde hij het niet te weten, bijvoorbeeld omdat hij er ook niet verantwoordelijk voor was, en is zijn kennis van het kwaad er pas gekomen nadat hij er verantwoordelijk voor werd omdat hij er macht wilde over uitoefenen? Is de zondeval de hoogmoed zelf, zoals Augustinus beweert? En waar vandaan komt dan plotseling die hoogmoed, die dan toch onmiskenbaar zondig is?

Het is duidelijk dat zich hier de vraag naar de oorsprong van het kwaad opnieuw stelt, en wel onverminderd. Augustinus wijt het kwaad aan een tekort aan het goede, en hij legt uit dat dit tekort ontstaan is door een zonde, en dus door een kwaad, dat met name in het paradijs door de eerste mens werd begaan. Noodzakelijkerwijze moet ook dit 'eerste kwaad' een tekort aan het goede geweest zijn. Maar wie dit aanneemt, dient ook te beseffen dat zodoende de paradijslijke toestand in niets wezenlijks te onderscheiden is van de actuele situatie.

Deze kwestie blijft in wezen onopgelost, en ook het optreden van de slang ― al dan niet te vereenzelvigen met de duivel ― brengt hier geen zoden aan de dijk, want waar komt zij dan vandaan? Is zij een opstandige engel die reeds voor eeuwig werd verdoemd? En waar vandaan dan de mogelijkheid van de engelen om te kiezen tegen God, als zij ― in tegenstelling tot de naar Gods beeld en gelijkenis geschapen mens ― niet konden beschikken over de vrijheid om God al dan niet te dienen? Heeft de theologie het kwaad niet gewoon willen bezweren door het te verjagen naar ― uiteindelijk ― een duivels wezen dat nu maar voor eeuwig moet opdraaien voor de schuld van alle zonden van de wereld?

De figuur van de satan doet hier overigens sterk denken aan de Christusfiguur, die immers alle zonden van de mensheid op zich nam om ze uit te boeten met zijn lijden en zijn dood aan het kruis. Is deze boetedoening niet in de tijd beperkt, in tegenstelling tot de eeuwige straf van de satan, die zich tenslotte altijddurend opoffert, als het ware om de theologie van de kerk alsnog te redden?

Persoonlijk heb ik altijd een bijzonder mededogen gehad met de figuur van de duivel, en dit om hoger genoemde redenen. Ondanks gelijkenissen die zich opdringen, valt hij niet helemaal met de Christusfiguur te vergelijken, maar niettemin is zijn rol blijkbaar noodzakelijk in het geheel van het door de katholieke theologie veronderstelde, goddelijke heilsplan. Als 'drager van het licht', of : 'drager van het intellect' ― want dat is de betekenis van de naam 'Lucifer' ― moet hij zeker geweten hebben welk lot hij op zijn schouders nam toen hij aan Eva te eten gaf van de appel van de boom van de kennis van goed en kwaad. Berust er op dit mededogen dat ik deelachtig ben dan een zo sterk taboe dat het nooit uitgesproken wordt, niettemin het zich uit de aard van de zaak zelf dan toch onvermijdelijk meester moet maken van de geest van elkeen die over deze zaken al eens een ogenblik heeft nagedacht? En ligt in het niet verbreken van dit taboe dan niet de ultieme kracht van de enorme bezwering die de katholiek gelovige mensheid in staat moet stellen om het leven te aanvaarden zoals het is, het zogenaamde kwaad ― het lijden en de dood erin begrepen? Ligt in deze 'intellectuele zonde' het soelaas van de geïnstitutionaliseerde religie, die er eigenlijk geen is? Toont zich hier niet op een alles doordringende wijze de onverzettelijkheid van de Waarheid, die niet van instituties weten wil, die de vrees en de drang naar zekerheid en veiligheid veracht, en die alles op de Liefde verwedt, en op de Liefde alleen? In acht genomen dat de Liefde geen maat kent, luidt tenslotte het devies van Augustinus als volgt: "Dilige, et quod vis fac": "Bemin en doe wat je wil".

14. Terug naar de natuur?

Het zou verwaand zijn om te geloven dat met het verdwijnen van de erfzondetheorie, alle kwaad uit de wereld gebannen werd: voor een deel zou dat zeker het geval zijn, want het is geen verzinsel dat middels deze theorie de band tussen het menselijke schepsel en de natuur verbroken werd, dat er een rem gezet werd op de wetenschappelijke ontwikkeling, en dat gedurende vele generaties een elitaire groep zich van de zondevaltheorie bediende om ondergeschikten gebukt te doen gaan onder diep zondebesef en allerlei praktijken van uitbuiting. Niettemin de Schepper in het boek Genesis aan het schepsel mens het rentmeesterschap over zijn schepping toevertrouwde, draagt het antropocentrisch wereldbeeld dat eigen is aan de 'religies van het boek' (hieronder worden verstaan: het jodendom, het christendom en de islam) een groot deel van de verantwoordelijkheid voor de wereldwijde beschadigingen die in de loop van de voorbije eeuwen werden toegebracht aan het natuurlijk milieu. Vooreerst heeft het geloof in de voorbestemdheid der dingen ― een geloof dat in bepaalde vormen van christendom, meer bepaald in de predestinatietheorieën, schrikwekkende vormen aannam ― paradoxaal genoeg een mentaliteit aangewakkerd waarin men het niet zo nauw nam met z'n verantwoordelijkheid als rentmeester: het verloop der dingen stond immers van bij voorbaat vast, zodat menselijke handelingen daar nog weinig of niets meer konden aan veranderen. Verder geloofde de mens ― trouwens de 'koning van de schepping' genoemd ― dat alles op aarde in zijn dienst was voorbeschikt: zowel de planten en later ook de dieren, die hem tot voedsel en tot hulp moesten dienen, als de bodemschatten, en zelfs het uitspansel. Om ons te beperken tot dit laatste: na amper enkele decennia van ruimtevaart, bestaat reeds een niet te veronachtzamen kans dat nieuwe projectielen welke gelanceerd worden in de ruimte, door de inslag van zogenaamd 'ruimteschroot' vernietigd worden: de splinters van het achtergelaten schroot in het luchtledige blijven immers met ontzaglijke snelheden in ellipsvormige banen rondcirkelen en vormen daar een regen van ware kogels die doorheen de best gepantserde vaartuigen dringen, met alle gevolgen vandien. Over de rem die het geloof betekende voor de ontwikkeling van de wetenschappen, hadden we het al, alsook over de sociale impakt van bepaalde kerken. Zonder de erfzondetheorie ware heel wat onheil onbestaande geweest, maar de vraag luidt nu of het 'overige kwaad' er niettemin en onverminderd toch nog zou zijn.

Zonder twijfel waren er zonder het geloof in de zondeval evengoed het leed en de dood ― zij gingen immers aan de zondevaltheorie vooraf. De vraag is alleen of hun betekenis onder de invloed van de zondevaltheorie fors gewijzigd werd, en in welke zin. Meer bepaald kan men zich de vraag stellen of de koppeling van dood en leed aan het schuldbesef niet een unieke verworvenheid is van de 'religies van het boek'. Fervente atheïsten zullen dat onmiddellijk beamen, maar zij dienen zich tevens rekenschap te geven van het feit dat ook andere religies een dergelijke koppeling maken, zij het in steeds andere vormen.

In bepaalde vormen van geloof legt men zich neer bij deze noodlottigheden. In andere culturen gelooft men de goden te kunnen beïnvloeden door het brengen van offers, vaak ook mensenoffers. Die praktijk bestond trouwens ook in de religie van Jahweh, en hij werd pas door Jahweh zelf beëindigd ten tijde van Abraham, waar Hij deze vraagt om het eerst gevraagde offer van zijn zoon Isaac niet te voltrekken. Alvast gelooft men algemeen in een verband tussen het natuurlijke leed en de voorspoed, de goden, en de menselijke boetedoening of het brengen van offers. Als wij onszelf schade toebrengen, dan zal god ons niet langer benijden en zal hij ophouden ons nog meer schade te berokkenen ― zo redeneert de primitieve mens. Hij blijkt aldus te geloven in een vorm van gerechtigheid, alle noodlottigheden ten spijt. En zijn geloof in gerechtigheid en in schuld en boete, wordt door niets anders gevoed dan door zijn verlangen om zijn noodlot onder controle te krijgen: het verlangen zichzelf te bepalen, autonoom te zijn, onafhankelijkheid van een natuur die hij niet beheersen kan.

Paradoxaal genoeg blijkt aldus dat niet de erfzondetheorie het schuldbesef doet ontstaan: de mens voedt het denken in termen van schuld en boete, omdat hij hoopt dat hij zich aldus zal kunnen bevrijden uit de greep van diegene van wie hij afhangt. De conclusie die zich hier opdringt, klinkt niet bepaald vleiend voor de religieuze mens: het offeren, het bidden en het smeken tot zijn god, hebben geen andere bedoeling dan de verschalking van het opperwezen! De erfzondetheorie is aldus een 'uitvinding' van de mens met de bedoeling zijn Schepper om de tuin te leiden.

In het licht van wat wij in De bemiddelaars reeds plachten te beschrijven, namelijk dat de erfzondetheorie door een elitaire groep wordt gebruikt om medemensen te verschalken, krijgt de vaststelling die we hier doen, een wel zeer bijzondere betekenis. De erfzondetheorie bedoelt zowel mensen te verschalken als vermeende goden: zij werkt in twee richtingen, en telkenmale streeft zij een principieel absolute macht na voor wie haar hanteren. Zij is, met andere woorden, het ultieme geestelijke wapen ten dienste van de machtswellusteling. Indien we nu het begrip 'macht' opvatten zoals hoger in een voetnoot beschreven, namelijk als een niet noodzakelijk negatief of met zonde te verbinden gegeven, maar veeleer als een natuurlijk te rechtvaardigen wapen, gehanteerd vanuit de vrees voor zelfverlies, en dus ten dienste van de natuurlijke zelfhandhaving, dan kunnen we besluiten dat de religie, in een zin zoals hier beschreven, niets anders is dan een natuurlijk wapen van de mens. Dit wapen maakt voor hem een dubbele machtsuitbreiding mogelijk: enerzijds laat ze toe dat hij datgene wat aanvankelijk zijn noodlot was ― de grillen van de natuur ― aan zich onderwerpt en, anderzijds, maakt ze op een efficiënte manier mogelijk dat zich het mensdom ordent in sociale klassen of kasten, geregeerd door een wezenlijk elitaire 'politiek'. We herhalen: het gaat hier om de geïnstitutionaliseerde religies, de kerken, welke de staat niet alleen behulpzaam zijn inzake de verknechting van het volk, maar die deze tevens funderen en 'rechtvaardigen'. (Politieke onderdrukking wordt overigens niet alleen door de 'religies van het boek' ondersteund: ze is eigen aan religie tout-court. Zo bijvoorbeeld consolideren zowel het Hindoeïsme als het Boeddhisme het (Indiase) kastenstelsel, met name in de leer van de reïncarnatie. Het geloof in de persoonlijke schuld (het 'karma'), welke kan uitgeboet of vermeerderd worden, moet het kastenstelsel rechtvaardigen: wie goed doet, zal er in een volgend leven sociaal op voortuitgaan en wie zich met schuld belaadt, glijdt af naar ellendiger bestaansvormen. De religie zorgt ervoor dat mensen zich niet verplicht gaan voelen om de lijdenden te helpen, daar ze hen op die manier de kans ontnemen om hun schulden uit te boeten en heil te verwerven. Opvallend echter is het contradictorisch doch spontaan verzet hiertegen in het bestaan van de zogenaamde 'Boddhisattva's').

Het is nu precies tegen deze vormen van 'religie' dat Christus in opstand komt, getuige de talloze passages in de evangeliën waarin hij verzekert dat zijn rijk niet van deze wereld is, dat de wetten naar de geest dienen nageleefd te worden, en dat de schriftgeleerden witgekalkte graven zijn. Bovendien moeten wij geen macht nastreven: wij moeten worden zoals de kinderen, en Emmanuel is geen opperste heerser die Herodes naar het leven staat, doch de geringste onder de mensen. Ook de Zaligverklaringen laten geen twijfel bestaan over de ware inhoud van het christendom, en over het feit dat die diametraal staat tegenover de theologieën die de huidige kerken voorhouden in hun leerstellingen en hun reglementen allerhande.

Wij moeten dus niet terug naar de natuur, want de natuur ligt aan de oorsprong van het geïnstitutionaliseerde geloof: er is geen tegenstelling tussen, enerzijds, de aanbidding van de natuur en, anderzijds, de kerkelijkheid, precies omdat deze laatste in dienst staat van de zelfhandhaving en van het recht van de sterkste. Natuuraanbidders blijken in dit licht slechts 'primitieve kerkelijken' te zijn ― zij gaan immers beiden uit van exact dezelfde motieven en ze hebben ook dezelfde doelstellingen. In niets is hun streven christelijk, wel zeer in tegendeel. Het christendom verzet zich daarentegen heftig tegen deze natuuraanbidding, en eerst en vooral tegen haar jongste en meest ontwikkelde vorm die het kerkendom is. Christenen moet men derhalve evenmin zoeken in de kerken als bij de natuuraanbidders, daar de twee genoemde kategorieën uit één en hetzelfde deeg zijn gekneed.

Het ware christendom is geen terugkeer naar de natuur, maar evenmin is het tegennatuurlijk. Het christendom leidt daarentegen naar de ontdekking van de ware natuur. Een woordje uitleg.

15. Wat is de natuur van het Christendom?

Het authentieke christendom heeft niets te maken met bemiddelaars, en zeker niet met menselijke bemiddelaars, tussen de godheid en het volk. Zeer in tegendeel zelfs, kant het christendom zich uit alle macht daartegen. Reeds het allereerste openbare optreden van Jezus zelf getuigt hiervan, en Lucas beschrijft hoe de twaalfjarige op Pasen in de tempel te Jeruzalem achterbleef, "(...) waar Hij zat temidden der leraren, terwijl Hij naar hen hoorde en hun vragen stelde. Allen nu, die hem hoorden, waren verbaasd over zijn verstand en zijn antwoorden" (Luc. 2:46-47). Tijdens een van zijn eerste optredens als volwassene herhaalt zich impliciet de minachting voor de schriftgeleerden, met name in de eerste van de zaligsprekingen: "Zalig de armen van geest" (Matth. 5:3 alsook 18:3). En verder heeft Jezus nooit getheoretiseerd of gefilosofeerd: Hij sprak altijd in beelden, in gelijkenissen en in verhalen en ook daar krijgen de mannen van het sanhedrin ervan langs: "Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan" (Matth. 5:20). Zijn samenvatting van de wet klinkt als van Kant avant la lettre : "Alles nu wat gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten" (Matth. 7:12). Heel anders dan de clerus, die gehuisvest is in het overdadig rijke Vaticaan of in de talloze bisschoppelijke paleizen alom ter wereld, zal het de volgelingen van Jezus vergaan: zij hoeven zich niet te bekommeren om een huis, zelfs niet om een graf: "De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen. (...) Volg Mij en laat de doden hun doden begraven" (Matth. 8:20 en 22). Andermaal wordt de wijsheid gevat in de regel: "Om niet hebt gij ontvangen, geeft het om niet" (Matth. 10:8). Ook de zorg om voor een werelds rechter gedaagd te worden, ontbreekt waar men op het woord Gods mag vertrouwen (Matth. 10:19): "Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard" (Matth. 10:34). Trouwens: "Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden" (Matth. 10:39 en 16:26). Jezus staat zijn leerlingen toe om aren te plukken op de Sabbath (Matth. 12: 1-8) en wanneer Hij dan zelf een man geneest, spannen de schriftgeleerden tegen Hem samen om Hem om te brengen (Matth. 12: 14). En wat de rituelen betreft: "Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken (...)" (Matth. 12:39 en 16:4). Verder dienen zijn volgelingen zichzelf te verloochenen en hun kruis op te nemen (Matth. 16:24); de kleinburgerlijke politiek van het prediken voor het eigen gelovig publiek in de kerk is nutteloos: de goede herder dient zijn kudde te verlaten van zodra één schaap verloren dreigt te gaan (Matth. 18:14), en gemeenschap met Christus is er van zodra "(...) twee of drie vergaderd zijn in mijn naam" (Matth. 18:20). Tenslotte staat God boven elke wet: "(...) bij God zijn alle dingen mogelijk" (Matth. 19:26); "(...) vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten" (Matth. 19:30). Het zijn uitgerekend de schriftgeleerden en de overpriesters die handel drijven in de tempel (Matth. 21:12-13) en die Jezus ter dood veroordelen (Matth. 20:18), en Hij kondigt aan dat zijn rijk aan andere pachters zal gegeven worden (Matth. 21:43). "Want velen [met name: onrechtmatige pachters ― namelijk deze die zich niet kwijten van de taak die zij zeggen te voltrekken] zullen komen onder mijn naam (...)" (Matth. 24:5). De voorspelling van het einde der tijden op een ongekend tijdstip, alle voortekenen ten spijt ("(...) er zal dan een grote verdrukking zijn" (Matth. 24:21)), moet aanzetten tot bekering en volharding. Alvast wordt Christus ter dood gebracht, maar eerst geeft Hij een laatste avondmaal waarbij Hij zegt identiek te zijn aan het Leven: het brood en de wijn die ons voedsel zijn. (Zoals de lezer kan nagaan in elk van de vier gecanoniseerde evangeliën, wordt nergens gesproken over een verandering van brood en wijn in het lichaam en het bloed van Christus; alleen zegt Christus dat het brood en de wijn zijn lichaam zijn. Dat betekent dat er geen enkele grond bestaat voor de transsubstantiatieleer (zoals die is afgekondigd op het Concilie van Trente): Christus zegt alleen dat Hij identiek is aan het Leven, met andere woorden: dat het voedsel dat wij tot ons nemen om in leven te kunnen blijven, en aldus het leven zelf, van goddelijke oorsprong is). Na de verrijzenis ontpoppen de hogepriesters zich als de ongelovigen bij uitstek: zij trachten de wachters bij het graf met geld het zwijgen op te leggen, en de leugen te doen verspreiden dat Jezus' leerlingen zijn lijk gestolen hebben (Matth. 28).

Alvast mag duidelijk blijken dat Christus geen bemiddelaars wenst: geen hogepriesters, geen schriftgeleerden, geen politici. Christus' volgelingen zijn daarentegen daklozen, armen en verstotenen, die hun 'ellende' dragen omwille van de realisatie van het rijk Gods: zij die inzien dat alle wereldse rijkdom niets te betekenen heeft in het aanschijn van Gods rijk, en dat ze zelfs werkt als een sterke belemmering voor de tot stand koming van dat rijk, zoals onder meer met de parabel van de rijke jongeling verduidelijkt wordt. Dat uitgerekend deze parabel aan het volk diets gemaakt wordt vanuit de weelderige katheder van het Vaticaan, is een op zijn minst wel heel eigenaardige zaak te noemen. Is het een ander verhaal dan dat van de vos die de passie preekt?

Het christendom predikt niet het recht van de sterkste, en ook kan het van die wet van de jungle geen verkapping zijn, zoals het kerkendom dat is. Het geheel van rituelen die in de kerk worden opgevoerd, hebben immers geen ander oogmerk dan het zichzelf verzekeren van z'n heil, trouwens net zoals de hedendaagse politieke, economische en wetenschappelijke activiteit. In dat opzicht echter, is het kerkendom door de hedendaagse politieke en wetenschappelijke instituties achterhaald, en kan het anachronisme dat gebleven is, alleen als folklore nog ernstig worden genomen.

Dat doet echter niets af aan de waarde van het christendom zelf: het kerkendom heeft als het ware beslag gelegd op het christendom, het heeft het christendom gegijzeld, maar dan wel alleen dat deel ervan dat te gijzelen is, met name het geheel van de rituelen. Het mag intussen duidelijk zijn dat dit deel niet alleen overbodig is, maar tevens schadelijk voor het bestaan van het christendom zelf: de inhoud van het christendom, en dus de boodschap van Christus, werd door de kerken met zijn verpakking verwisseld. De kerken bezitten het woord met zijn dode letter, net zoals zij ook de relieken bezitten van hun heiligen, maar de levende daad kan van niemand het bezit zijn dan van wie hem voltrekt. Het woord Gods is tenslotte Christus zelf, dat wil zeggen: al de daden (waaronder de toespraken) die zijn levensgeschiedenis vormen, en die elkeen uitnodigen om aan diezelfde levensgeschiedenis te participeren. Nog anders verwoord: het christendom is geen leer, en het is ook niet de praktisering van een leer, maar het is, precies andersom, de 'tot-woord-making' van een praktijk. Want wie Christus volgt, participeert aan zijn leven, dat op zijn beurt samenvalt met het woord Gods.

Op die manier voltooit het christendom de schepping: in den beginne was het Woord waaruit alles geworden is wat is, en met het christendom wordt alles wat is, uitgenodigd om opnieuw Woord te worden, om terug te keren naar het Woord waaruit het geworden is. Nogmaals: de 'woord-wording' van de praktijk voltrekt zich in de navolging van Christus, omdat men in deze navolging aan Christus' leven mag participeren, terwijl Christus leven identiek is aan het Woord.

De gang van de geschiedenis gelijkt aldus op een cirkel die zich met ons leven in de navolging van Christus kan sluiten: schepping en herschepping. Waarom de schepping zich dient te sluiten, en waarom dit 'zich sluiten' van de schepping, een herschepping is, is een vraag die verder gaat dan datgene wat we tot nog toe hebben behandeld. Het is ook geen vraag waarop een zinnig antwoord kan gegeven worden. Wij dienen deze gang van zaken te beamen, en daarmee is dan ook alles gezegd. Dat, verder, het zich sluiten van de schepping niet de dood betekent, maar daarentegen het zogenaamde 'eeuwig leven', is evenmin te bevatten binnen het hier gehanteerde stramien van 'redelijkheid'. Dat er daarentegen veel meer bestaat dan de redelijkheid, kunnen wij echter wel bevroeden op grond van bijvoorbeeld onze ervaringen met betrekking tot schoonheid, goedheid en 'ultieme waarheid'. (Voorbeelden van andere dan louter rationele en op waarneming gebaseerde kenvormen (welke tevens allerminst irrationeel zijn), zijn er bij de vleet. Neem de taal. Wij kunnen de taal leren kennen en analyseren middels de rationele kenvorm van de grammatica en de taalanalyse, en op grond daarvan kunnen wij zinnen leren construeren en een (nieuwe) taal leren spreken. Maar naast deze 'rationele' aanpak leren peuters en kleuters met gemak verschillende talen tegelijk aan. Ook volwassenen met een zogenaamde 'talenknobbel' hebben een 'eigen methode' die veel efficiënter blijkt te zijn dan de rationele; ze hebben een eigen ratio. Hetzelfde geldt voor geboren muzikanten, voor wie de klassieke studie van de muziek slechts om praktische en communicatieve redenen noodzakelijk is; of voor getalenteerde tekenaars, die geen rationele perspectiefleer nodig hebben, en die deze zelfs overtreffen, met hun eigen 'ratio' of 'gevoel'. Anderzijds zijn er mensen die zeer rationeel aangelegd zijn, doch die niet bij machte zijn om muziek of beeldende kunsten te studeren, ook niet middels klassieke studies. Ze krijgen wel bepaalde technieken onder de knie, maar zijn niet in staat om 'levende muziek' voort te brengen. Precies omdat hen dat 'andere denken', dat klaarblijkelijk niet ofwel anders rationeel is, ontbreekt. Als men bijvoorbeeld niet in staat is om te begrijpen wat mensen doen wanneer zij zeggen te bidden, kan men wel bereid zijn om aan te nemen dat deze mensen een bijzonder gevoel hebben voor facetten van de werkelijkheid waarvoor men zelf geen gevoel heeft; het is immers eender inzake muziek en beeldende kunsten. Het is redelijk om aan te nemen dat het sommigen ontbreekt aan het specifieke denken en voelen dat nodig is voor het kennen van de betreffende werkelijkheden, terwijl anderen dit specifieke voelen wel eigen zijn. En dat ook het geloof met zo'n specifieke kenvorm, verschillend van de 'rationele', te maken heeft. Men kan zich van de zaak niet ontdoen met de uitleg dat bidden een voorstadium zou zijn van het rationele denken, want er zijn ook veel geleerde mensen die blijven bidden. Maar er is meer: geen enkele musicus of andere kunstenaar kan een rationele uitleg van zijn kunst appreciëren. Doet hij dat toch, dan slaat zijn bewondering op de schoonheid van de rationele constructie zelf, niet op de erkenning van die constructie als een soort 'verklaring' van het kunstwerk. Geen enkele rationele verklaring van kunst kan de kunst zelf naderbij komen, net zomin als rationele verklaringen van de liefde relevant kunnen zijn. In die zin kan men spreken van telkenmale een 'ander kennen'. Ook het probleem van de kennisextractie verwijst ontegenzeggelijk naar die andere kenvormen).

De natuur van het christendom is niet die van het recht van de sterkste, zoals de evangeliën getuigen: God zelf vereenzelvigt zich met de zwaksten, en Hij doet dit teneinde duidelijk te maken dat zelfs de meest indrukwekkende natuurkrachten niets betekenen vergeleken bij de goddelijke natuur. De heerlijkheid van de zich in liefde volkomen opofferende mens overtreft de heerlijkheid van de grootste oorlogsheld op een totaal onvergelijkbare wijze. Waar de oorlogsheld zijn glorie dankt aan de angst die hij bij anderen inboezemt, is de glorie van Christus aan het ogenschijnlijke tegendeel toe te schrijven. De katholieke typering van Christus als de 'Rex tremendae majestatis' of de 'Koning voor wiens macht wij beven' (- dit is de Nederlandse vertaling van het latijnse vers zoals gegeven in de oude, klassieke missalen) is in die zin bijzonder misleidend: niet Christus dient te worden gevreesd, wel echter zijn afwezigheid, want zonder Hem restte ons slechts een niets ontziend natuurgeweld; precies het feit dat zijn geweldloze glorie de machtigste natuurkrachten overtreft, kan rust brengen in het hart van de mens. De ongelovige is hij die van deze glorie geen weet heeft, en die daarom moet vrezen dat het recht van de sterkste het laatste woord heeft. In zijn beschouwing van de natuur als een onverschillig, zielloos en daarom ook een met menselijke maatstaven gemeten meedogenloos krachtenspectakel, mist de ongelovige het overtreffende en rustbrengende perspectief van de waarheid: hij waant zich in een labyrint achtergelaten en verloren, zonder hoop, precies omdat hij de kennis mist die de gelovige deelt: hij beseft niet dat de glorie van het offer de natuurkrachten overstijgt, en waant zich daarom aan deze natuurkrachten onderworpen zolang hij zich de offervaardigheid niet eigen heeft gemaakt. De natuur van het christendom miskent de natuurkrachten niet, maar daarentegen miskennen de ongelovigen de krachten die de natuur zoals zij die menen te kennen, te boven gaan. Die krachten zijn niet tegennatuurlijk: dat ze het aanzicht hebben antipoden van het brute natuurgeweld te zijn, volgt slechts uit het feit dat men het besef ontbeert van de 'Christus-kracht' die ze regeert. Nog anders verwoord: de mens die buigt voor het brute natuurgeweld, beschouwt dit geweld onterecht als het hoogste omdat zijn kennis van de natuur onvolkomen is: hij mist vooralsnog de 'ervaring' dat de heerlijkheid van de zich in liefde offerende mens deze van de grootste oorlogsheld op onvergelijkbare wijze overtreft.

>>>>>>


07-11-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.4

16. Hedendaagse schriftgeleerdheid

In het eerste deel van dit boek hebben wij de zogenaamd gelovige 'bemiddelaars' besproken, maar uiteraard zijn zij niet de enigen die het Christendom tegenstaan. Dezer dagen hebben zij in hun strijd om zieltjes (lees: 'stemmen') te winnen namelijk de concurrentie van georganiseerde atheïsten, die zich schaamteloos bedienen van het laaghartige middel van de spot om hun zogenaamd wetenschappelijk betoog kracht bij te zetten. Schriftgeleerde atheïsten spotten bijvoorbeeld met de idee van Gods tussenkomst in het zijn van de dingen, en zij gaan hierbij op een berekende en listige wijze tewerk: terecht vallen zij eerst bepaalde uitwassen van het pseudo-wetenschappelijke creationisme aan, om vervolgens, met dat creationisme, ook de idee van de schepping als nonsens van de kaart te vegen. ( Zie bijvoorbeeld Johan Braeckman in het juli-augustusnummer 2005 van het populaire wetenschapsblad 'Eos'). Dergelijke conclusies trekken zij evenwel alleen ten aanzien van een relatief onmondig publiek, want de discussie 'op niveau' ― hoezeer die ook bemoeilijkt wordt (- de auteur dezer heeft d.d. 2003 persoonlijk moeten ondervinden (met name aan de toenmalige K.U.N. ― de huidige Universiteit van Tilburg alsook de Radboud Universiteit) dat thesen welke het atheïstische gedachtengoed bekritiseren, zelfs aan zogenaamd katholieke universiteiten geheel onbeargumenteerd terzijde geschoven worden, terwijl ze hun auteur eerst een tiental jaren aan het lijntje houden met loze beloften en (professionele) aansporingen tot niet-publicatie van zijn teksten. Bij nader onderzoek blijken mogelijke promotoren die de kritische thesen zegden te steunen, uiteindelijk te dansen naar de pijpen van een ― jawel ― antikatholiek decanaat. Deze verziekte toestanden, die bovendien veel effectiever zijn dan de middeleeuwse boekverbrandingen, volgen rechtstreeks uit de vandaag helaas algemeen gangbare vriendjespolitiek en corruptie waaraan al diegenen die zich er niet tegen verzetten, medeplichtig zijn. Incluis de kerk, zoals de auteur ervoer, toen op zijn aan-klacht van de wantoestanden bij de bevoegde kerkelijke overheden (in casu d.d. 2003, bij het Aartsbisschoppelijke Paleis te Mechelen), tot heden (24.05.2006) helemaal geen antwoord kwam. Ook hier blijkt de ondervinding nog altijd de beste leermeester) ― laat er geen twijfel over bestaan dat het wetenschappelijke en het theologische discours vooralsnog onderling incommensurabel zijn.

Geloof hoeft immers niet strijdig te zijn met wetenschap. Meer nog: terecht kunnen uitspraken over de (natuur)wetenschappen in vraag worden gesteld, meer bepaald waar zij de grenzen waarmee die wetenschappen hun terrein definiëren, veronachtzamen, terwijl zij aldus (wetenschappelijke) stellingen verabsoluteren. En dat is wat de (atheïstische) sciëntisten doen: zij geloven in een (eenheids-)wetenschap die ooit alle vragen zal beantwoorden. Edoch, wat is zo'n geloof in de almacht van een (toekomstige) kennis waard? Is dat geen 'namaakgeloof'? Want terwijl de aanvaarding van een Godsidee tenminste nog het inzicht in onze beperktheid kan vertolken, spreekt het geloof in een uiteindelijk volkomen kennis zichzelf radicaal tegen. Volkomen kennis en bewustzijn sluiten elkaar immers aantoonbaar uit. De tegenspraak komt aan het licht in een haast ludiek bewijs dat echter qua stringentie niet moet onderdoen voor het klassieke bewijs voor de onomkeerbaarheid van de tijd. Het gaat als volgt. Bewustzijn vooronderstelt vrijheid. Maar volkomen kennis en vrijheid sluiten elkaar uit, want volkomen kennis impliceert volkomen kennis van de toekomst, welke op haar beurt het totale verlies van de vrijheid als noodzakelijke mogelijkheidsvoorwaarde heeft. ("Ik kon onmogelijk kiezen wat ik zou doen, indien ik dat op voorhand wist".)

Er is nog een tweede, antropologisch argument tegen het sciëntisme, met name dat van de hand van Aurelius Augustinus. Het werd impliciet herhaald door onder meer Spinoza, Kant en Gödel. Dit argument steunt op het inzicht dat het verabsoluteren van de wetenschappelijke kennis grondt in de foute vooronderstelling dat de dingen slechts constructies zouden zijn. ( Zie: J. Bauwens 2003). Uiteraard kunnen wij de dingen begrijpen als constructies omdat ons begrip verbonden is met ons (constructieve) handelen, maar deze mogelijkheidsvoorwaarde vormt uiteraard meteen een beperking van het menselijk inzicht. Het irrelevant te baat nemen van 'wetenschappelijke gegevens' in functie van ongeacht welke geloofspropaganda (in casu een overijverig anti-theïsme) ontsiert in deze tijd het betoog van menig ideoloog.

In hun ijver om voor wetenschappelijk door te gaan, "kiezen" de redacties van dergelijke magazines naar hun eigen zeggen "uiteraard voor de wetenschap" (- zie de rubriek 'postvak' in het oktobernummer 2005 van Eos), zodoende hetzij niet beseffend, hetzij opzettelijk verhullend dat zij reeds een sciëntistisch standpunt hebben ingenomen.(Het sciëntisme wordt gekenmerkt door haar aanspraak maken op de uniciteit en op het absoluut karakter van de (positief-)wetenschappelijke kennis. Reeds het feit dat verschillende wetenschappen onderling incommensurabel zijn, etaleert het oneigenlijke van deze ideologie). De sciëntist doet of zijn neus bloedt wanneer men hem erop wijst dat, paradoxaal genoeg, het sciëntisme door haar eigen geloof gedwongen wordt om de scheppingsgedachte ernstig te nemen. ( Betrokken atheïsten, nochtans professionele filosofen, achtten het tot heden (10 november 2005) blijkbaar onnodig om de hier herhaalde lezerskritiek zoals verschenen in de nummers van september en oktober 2005 van het genoemde blad, te beantwoorden). Deze school verdedigt immers de principiële maakbaarheid van de mens ( Zie: E. Vermeersch, Brugge 1967), en derhalve de principiële maakbaarheid van bewustzijn, met name in door de mens geconstrueerde, zelfbewuste entiteiten. Alleen reeds de veronderstelling dat de constructie van dergelijke entiteiten zich in de toekomst realiseert, en dat deze entiteiten zich dan de vraag stellen of zij hetzij geconstrueerd zijn, hetzij natuurlijk ontstaan, maakt objectief duidelijk dat de twijfel aan een natuurlijke evolutietheorie relevant is. Meer bepaald: een theorie die de principiële maakbaarheid van (zelf-)bewuste wezens verdedigt, wettigt het maken van de veronderstelling dat de mogelijkheid bestaat dat in de toekomst (zelf-)bewuste wezens op een objectief aantoonbaar relevante manier gaan twijfelen aan een theorie die zou zeggen dat zij natuurlijk geëvolueerd zijn. "Objectief aantoonbaar relevant": gesteld dat ooit een (zelf-)bewust wezen geconstrueerd wordt, dan is, objectief gezien, de twijfel die bij dit wezen kon rijzen met betrekking tot de theorie die zijn ontstaan wijt aan natuurlijke evolutie, uiteraard gerechtvaardigd. Nog anders verwoord: wie gelooft in de principiële maakbaarheid van de mens, heeft geen argumenten om het een mens kwalijk te nemen dat deze twijfelt aan zijn natuurlijk geëvolueerd zijn. Precies omdat het geloof in de construeerbaarheid van de mens, de gedachte aan de mogelijkheid van het zelf geconstrueerd-zijn spontaan oproept. Uiteraard is dit nog iets heel anders dan het scheppingsbegrip en, uiteraard, blijft eenzelfde twijfel bestaan inzake niet-Darwinistische ontstaansverklaringen. (Voor een uitgebreide behandeling van het scheppingsbegrip in contrast met het sciëntistische maakbaarheidsgeloof, zie: J. Bauwens, Trans-atheïsme (2003)).

Het geloof van de atheist in de volkomen verdedigbaarheid van een radikaal materialisme, verwijst al dan niet expliciet naar een (ons inziens ongeoorloofde) Spinoza-interpretatie, zoals bijvoorbeeld bij E. Vermeersch, en wij citeren: "Een consequentie van het spinozisme die door Spinoza zelf niet werd getrokken, is de volgende. Wanneer men stelt dat zowel de materiële als de geestelijke wereld volwaardige uitingen zijn van de godheid, dan suggereert men dat de godheid op een volledige wijze in de materiële wereld is uitgedrukt en daaruit kan de conclusie worden getrokken dat een ‘geestelijk’ attribuut overbodig is en dat men dus de werkelijkheid (de godheid) kan zien, als niets anders dan een oneindige materiële wereld" ( Zie: E. Vermeersch, syllabus bij de colleges Wijsbegeerte, R.U.G., Gent 1993). Maar deze Spinoza-interpretatie is apert oneigenlijk: vergelijkt men, bij wijze van voorbeeld, een ding met de definitie van dat ding, dan kan men zeggen dat deze definitie het ding op een volwaardige wijze uitdrukt. Dit betekent echter niet dat de definitie het ding overbodig maakt. De reden daarvoor is, dat de definitie het ding uitdrukt in een andere wereld (- voor alle duidelijkheid: met een 'andere' wereld wordt uiteraard bedoeld: een 'anders gedefinieerde' wereld; de wereld van de woorden is niet die van de fysische dingen omdat woorden meer zijn dan fysische geluiden. De moedige poging van E. Vermeersch (1967) om ― onder meer ― die twee werelden onderling te verbinden, rijdt zich uiteindelijk te pletter op de fatale discrepantie tussen object en subject. Zie: J. Bauwens, Trans-atheïsme (2003)) dan de wereld waarin het ding bestaat. Om over te kunnen gaan van de definitie van het ding naar het ding zelf, moet men beschikken over de wereld van het ding. Tenzij men aanneemt dat er geen discrepantie bestaat tussen het epistemische en het ontische. In dat geval moet ofwel het epistemische herleid worden tot een onderdeel van het ontische (wat resulteert in realisme), ofwel moet het ontische herleid worden tot een onderdeel van het epistemische (idealisme), ofwel moeten beide, zowel het epistemische als het ontische, herleid worden tot een derde wereld, bijvoorbeeld de wereld van het handelen (pragmatisme). Spinoza echter, wil zo’n reductie niet doorvoeren. Vandaar zegt hij dat God zich zowel in het materiële als in het geestelijke uitdrukt. Hij zegt echter niet dat God zich uitdrukt in het materiële, en via het materiële in het geestelijke, dat dan een onderdeel daarvan zou zijn. De door materialisten voorgestelde reductie is dan ook geheel onterecht.

Overigens is een radicaal materialisme pas verdedigbaar voor de sciëntist indien zijn argumenten uiteraard geen geloofsargumenten zijn. Edoch, in zijn verdediging verwijst de materialist onvermijdelijk naar geloof, met name het geloof dat in de toekomst alles door de wetenschap zal verklaard worden. Maar, zoals gezegd: binnen het sciëntisme heeft een geloof of een belofte geen enkele bewijskracht. Zodoende kan alleen een geloof in een radikaal materialisme verdedigbaar geacht worden ― uiteraard tevens op voorwaarde dat alle relevante tegenargumentaties daadwerkelijk weerlegd worden.

Bekijken we bijvoorbeeld de opvatting van de 'scheppende evolutie' en de irrelevante kritiek daarop: Teilhard de Chardin en zijn navolgelingen tonen aan dat het aanvaarden van een evolutietheorie principieel geen afbreuk doet aan de scheppingsgedachte, met name van zodra men aanneemt dat God middels de natuurlijke evolutie schept.

Sciëntisten verweren zich met de stellingname dat wetenschappelijke verklaringen bestaan in het ordenen van (bepaalde/alle) zintuiglijk waarneembare of daaruit (instrumenteel) afgeleide gegevens tot een samenhangende beschrijving zodat, ten eerste, mogelijkerwijze al het waarneembare (dat in het geding is) daarin een plaats heeft en, ten tweede, niets dat niet waarneembaar (of uit waarneming af te leiden) is (zoals bij uitstek het Godsbegrip), mag daarin een plaats krijgen. Aan die eis zou Darwins beschrijving beantwoorden, het scheppinsgeloof, incluis Teilhard's wereldbeeld, echter geenszins. ( Wat betreft de tweede voorwaarde werpt E. Vermeersch elders de vraag op waarom God dan leed en dood toeliet in zijn schepping).

Hierover dient vooreerst het volgende gezegd te worden. In de mate dat deze ― uiteraard welbepaalde en algemeen aanvaarde ― opvatting over wetenschap en verklaring kan beschouwd worden als zijnde de enig zaligmakende, heeft de sciëntist inderdaad een punt. Alleen blijkt hij blind voor het feit dat de beperkingen die aan deze (uiteraard binnen bepaalde perken zeer nuttige) vorm van verklaren eigen zijn, maken dat alleen al het stellen van de vraag zelf naar onze oorsprong (en bestemming) volkomen zinledig is. Maar dan blijft het een feit dat deze vraag gesteld wordt en dat zij (ook door heel wat wetenschapslui) algemeen ervaren wordt als zijnde zeker niet zinledig. Vandaar is het beschreven afgebakende terrein ter situering van 'wetenschappelijke verklaring' onbruikbaar voor de eventuele beantwoording van de zinvragen. Dit ware katastrofaal voor al wie zich in ernst de zinvraag stelt, indien het genoemde werkterrein het enig mogelijke was. Edoch: waarom zou dit terrein uniek en absoluut zijn? Het is tenslotte een menselijk fabrikaat, meer niet. Weliswaar een zeer werkzaam fabrikaat maar zeker niet alleenzaligmakend: het is zeer werkzaam en wenselijk binnen een evenzeer afgebakende werkelijkheid. Maar het heeft geen betrekking op de ganse werkelijkheid. Zoals de terreinafbakening zelf het zegt: het erkent (alleen) de zintuiglijk waarneembare gegevens, de objecten van onze zintuiglijke waarneming, als absoluut vertrekpunt. (Wij doelen hier niet op de erkenning van de zintuiglijke gegevens, maar wel op het feit dat ze hier als vertrekpunt gelden). Voor bijvoorbeeld de natuurwetenschappen lijkt deze strategie de meest geschikte, maar voor de zinvragen lijkt het aangewezen om naar andere vertrekpunten op zoek te gaan. (Immers: men kan aan het 'zintuiglijk ervaren' (van dingen, door bijvoorbeeld mensen) twee componenten toeschrijven: het ding en het bewustzijn ervan. Kunnen die (in bijvoorbeeld een materialisme, respectievelijk een idealisme) tot elkaar worden herleid? Dat is onmogelijk. Wil men ontsnappen aan de navenante eenzijdige verklaringen, dan is het zinvoller om een omvattender vertrekpunt te bepalen dat de twee genoemde insluit. De proces-denkers kiezen 'het gebeuren' als vertrekpunt, maar dat is nog steeds eenzijdig. In Trans-atheïsme hebben wij voorgesteld om als vertrekpunt de persoonlijke vrije handeling te kiezen. Het is perfect mogelijk om de ganse werkelijkheid te beschrijven vanuit dit vertrekpunt. Het argument dat de keuze voor het vertrekpunt van het (zintuiglijk waarneembare) ding, het meest eenvoudige en ogenschijnlijk ook het meest vruchtbare is, is wezenlijk naïef: planeten draaien ook niet in cirkels rond, niettemin dat eenvoudiger vormen lijken dan hun feitelijke banen. Hoe dan ook blijven in het sciëntisme, evenzeer als in de katholieke theologie zeer prangende menselijke ervaringen en vragen geheel terzijde en onbehandeld. De 'middeleeuwse eenheidswetenschap' heeft zich nu eenmaal opgesplitst in twee takken die elkaar zijn gaan miskennen).

Inderdaad kan kennis pas kennis zijn indien zij zo samenhangend mogelijk is, maar dat houdt tevens in dat een kennissysteem herzien dient te worden van zodra wezenlijke vragen opduiken die geen hoop hebben om met dit systeem opgelost te worden. En met betrekking tot het sciëntisme gaat het zelfs om vragen die binnen dit systeem niet eens kunnen gesteld worden. Moet men het stellen van deze vragen dan verbieden of ze beschouwen als zijnde 'onterecht zonder meer'? Zo'n houding is kenmerkend voor tanende systemen, zoals de geschiedenis leert.

Wat betreft nu het tweede punt: het Godsbegrip is niet opverbodig, doch noodzakelijk, en wel op grond van de aloude positief-wetenschappelijke verklaringsmethode. Ziehier waarom dit zo is.

Om aan te sluiten bij het hoger gehanteerde voorbeeld, kan het volgende gesteld worden: een 'robotmens' die niets van de mens afweet (bijvoorbeeld een op Mars, en uit Marsmateriaal vervaardigde, ter observatie geïmplanteerde kolonie van robots) zou ― objectief gezien ― terecht kunnen twijfelen aan een door een van zijn soortgenoten uitgedacht 'darwinisme' en hij zou ― objectief gezien terecht ― kunnen geloven in zijn (ongeziene) maker. Maar evenzo is het niet omdat wij God niet te zien krijgen, dat hij niet kàn bestaan. Meer nog: de reden om te denken dat Hij bestaat, hoeft niet te liggen in zintuiglijke waarneming: ze kan ook het gevolg zijn van zuivere reflectie. Einstein heeft een theorie gemaakt met betrekking tot lichtbuiging en zwaartekracht waarvan de waarde pas veel later door observatie bevestigd werd. Wetenschap voorspelt voortdurend zaken die (nog) niet gebeurd zijn, en ziet in haar voorspellingen aldus voortdurend dingen die er ogenschijnlijk niet zijn. Men hoeft dus niet te beamen dat de Godsidee van nergens komt: ze volgt weliswaar niet direct uit de wetenschappelijke kennis, maar dan toch uit een ander soort van kennen, met andere en misschien minder makkelijk te duiden uitgangspunten en wetten.

Laten we nu aantonen waarom het Godsbegrip niet overbodig is, doch noodzakelijk, en wel op grond van de aloude positief-wetenschappelijke verklaringsmethode zelf.

Zoals gezegd bestaat er betreft het ontstaan van het leven (en van de kosmos) een discussie over het hoe (en over het waarom) daarvan. Er worden grosso modo twee beschrijvingen naar voren geschoven die zich als verklaringen aandienen (ook een combinatie van die twee is mogelijk), namelijk: (1) de natuurlijke evolutieleer; (2) de scheppingstheorie. De eerste is een causale verklaring: zij neemt aan dat de betekenis van een verklaring ligt in het kunnen aanwijzen van een oorzaak. Gebeurtenis G wordt in zekere zin verklaard indien men een beschrijving geeft van een aan G voorafgaande gebeurtenis F, welke wij als zijnde reeds verklaard aanvaarden, waarbij men tevens aantoont dat G wordt voortgebracht door F. Voor deze bepaling verwijzen we naar Aristoteles: X verklaren betekent X plaatsen in een context van reeds verklaarde zaken, en wel op zo'n manier dat we kunnen aannemen dat X uit deze reeds verklaarde zaken voortkomt. (Zie: Aristote, Topiques I-IV, Les Belles Lettres, Paris 1967, Franse vertaling van Jacques Brunschwig, 1967, Livre I: Généralités sur la méthode dialectique; 1. Objet propre du traité; §2: "Le raisonnement déductif, sa nature, ses espèces").

In een verklaring gaat het er dus om, iets wat vreemd is, vertrouwd te doen worden, met name door het te relateren aan vertrouwde zaken. Ziehier een voorbeeld dat meteen van pas zal komen in een verdere stap: stel dat we een onbekend kind vinden zonder paspoort, en we willen weten waar het vandaan komt; we roepen het kind af, en daarop reageert de moeder, die wij kennen (of die geregistreerd is), we merken dat het haar kind is, en de zaak is opgelost.

Wanneer wij nu zoeken naar een causale verklaring voor het ontstaan van het leven (en van de kosmos), dan moeten wij ons goed realiseren dat zo'n verklaring tot mislukken gedoemd is. Waarom? Heel eenvoudig omdat de aan G voorafgaande toestand F, in dit geval, altijd minder sterk aanvaard zal zijn dan G zelf. Om terug te keren naar het voorbeeld van zoëven: we kunnen het gevonden kind niet 'verklaren' wanneer de moeder per definitie verder van ons af staat dan het kind zelf. Aristoteles daarentegen eist uitdrukkelijk dat wij de moeder al kennen, of dat zij geregistreerd is, opdat sprake zou kunnen zijn van een (causale) verklaring.

Toegepast op de zaak zelf: gesteld dat we zouden vinden dat de mens voortkomt uit de soort X, dan is dit geen verklaring omdat wij, zelf mens zijnde, per definitie verder afstaan van de soort X dan van de mens. En bij elke volgende stap (dus: bij elke verdere regressie), zal dat probleem alleen maar groter worden. Het enige wat op die manier tot stand kan komen, is een verklaring van de samenhang van een reeks gebeurtenissen, wat dus een verklaring van de evolutie zelf is. Maar wat we via deze weg niet en nooit verkrijgen, is een ontstaansverklaring. Meer zelfs: het geloof dat een ontstaansverklaring mogelijk is middels een causale verklaring, is regelrecht in strijd met het wezen van de causale verklaring zelf. Immers, het verklaren van G vooronderstelt het bestaan van F. Afgezien van de onkenbaarheid van F (F is slechts kenbaar via G, dus G kan bezwaarlijk middels F verklaard worden), is er inzake een ontstaansverklaring het nog bijkomende probleem dat F helemaal onkenbaar zal zijn, omdat het niets is. Met andere woorden: de verklaring van iets uit niets kan in geen geval een causale verklaring zijn, omdat een causale verklaring per definitie het bestaan én van een oorzaak én van een gevolg vereist. Omdat nu een ontstaansverklaring (van ons bestaan) geen causale verklaring kan zijn, heeft zij hoe dan ook niet meer rechten dan de scheppingsgedachte.

Het is alvast duidelijk dat een evolutietheorie alleen voor de betreffende evolutie zelf een verklaring kan proberen te bieden; voor het verklaren van het ontstaan echter, is zij geheel onbruikbaar, en dit krachtens het feit dat dit in strijd zou zijn met het wezen van de (causale) verklaring zelf. Zodat de scheppingsgedachte moet geopperd worden.

Maar de sciëntist heeft nog een tegenwerping: hij oppert namelijk dat 'God' geen verklaring biedt omdat we er geen eigenschappen kunnen aan toekennen. Die opmerking is inderdaad cruciaal. Maar de toestand waarin wij ons bevinden is dan ook even 'bizar', want onze causale verklaringsdrang snijdt geen hout met betrekking tot de vraag naar het ontstaan der dingen, zodat we verplicht worden om te aanvaarden dat het ontstaansprobleem een heel andere aanpak vraagt. Alvast kunnen we rationeel vaststellen dat het ontstaan van X uit niets, niet causaal van aard kan zijn. Omdat we niettemin willen 'verklaren', kunnen we alvast (en met recht en rede) een nieuw begrip lanceren, meer bepaald het begrip van het 'voortkomen van iets uit niets'. Edoch, deze omschrijving bevat een interne tegenspraak, vooral omdat wij inzien dat op een spontane wijze, uit niets niet zomaar iets kan voortkomen; er ontbreekt met andere woorden een verklaringsfactor om die onbekende stap te 'beschrijven'. Vandaar is het geoorloofd en zelfs aangewezen om aan deze onbekende en actieve factor een naam te geven, en de meest aangewezen naam is dan ook deze: "voortbrenger van iets uit niets", of kortweg "Schepper". Zodoende is het niet zo dat 'God' een arbitrair ingevoerd begrip is: het is daarentegen een noodzakelijk begrip ― noodzakelijk krachtens onze wil om te begrijpen wat er aan de hand is inzake het 'ontstaan'. Het is dus precies omdat we causaal willen kunnen blijven denken, dat we moeten aannemen dat er altijd 'iets' is geweest (dat de rest dan voortbracht), namelijk de Schepper. Verklaren wie of wat deze 'onbekende factor' is, is aldus een rationeel te verantwoorden opgave.

Keren we nu terug naar de zin-vraag, dan moet worden opgemerkt dat het aantoonbaar is dat de werkelijkheidswaarde van deze vraag tenminste even relevant is als de werkelijkheidswaarde van de ding-vraag. In onze uiteenzetting gaan we in drie stappen tewerk: eerst tonen we aan dat de zinvraag fundamenteler is dan de zijnsvraag. Vervolgens illustreren wij de werkelijkheidswaarde van een begrip dat voor het fysicalisme ontoegankelijk is, met name het begrip van het 'zelf'. Ten derde tonen we aan dat het zijn van een zaak afhankelijk is van de mogelijkheid van onze erkenning van die zaak. We doen dit middels een voorbeeld aan de hand van hetwelke de mogelijkheid van het bestaan van zelfbewuste robots weerlegd wordt. Dit alles (deze drie stappen) staan in functie van het verhelderen van de plausibiliteit van een werkelijkheidsopvatting welke draait om de as van de erkenningsact: zo'n opvatting, indien volledig uitgewerkt, kan aan zowel de objecten van het fysicalisme als aan de 'minder tastbare' begrippen uit het geloof een plaats geven, en wel op zo'n wijze dat deze (omvattender) werkelijkheidsbeschrijving haar consistentie volkomen behoudt. Dat zal principieel blijken uit het voorbeeld zelf. (In Trans-atheïsme wordt een metafysica aangeboden, uitgewerkt op basis van dit uitgangspunt).

De zinvraag is fundamenteler dan de zijnsvraag.

We herhalen dat zin-vragen (i.e.: de vragen naar de zin van bijvoorbeeld het leven, waartoe de discussie met betrekking tot de scheppingsgedachte te herleiden is) binnen het sciëntisme niet relevant kunnen gesteld worden, terwijl ze anderszins zeer zeker relevant zijn. Meer nog: het begrip 'zin' is binnen onze werkelijkheidsopvatting veel belangrijker dan het begrip 'ding'. We bepalen ons tot dit voorbeeld omdat het fysicalisme, onder meer bij E. Vermeersch (1967), een komaf wil maken met de metafysische twijfel aan de werkelijkheidswaarde van zogenaamd concrete zaken zoals tafels en stoelen. Welnu ― en om het bij dit voorbeeld te houden ― wat is bijvoorbeeld een stoel?

Men kan de vorm van de stoel beschrijven, het materiaal waaruit hij gemaakt is, de kleur, en nog veel meer kenmerken, maar het wezenlijke aan een stoel is dat hij een ding is waarop men kan gaan zitten: de wezensdefinitie van de stoel verwijst naar de zin van de stoel. En verder is die zin, direct of indirect, verbonden met ons handelen. Meer zelfs: dingen waarvan wij de zin (het wezen) niet kennen, kunnen wij ook niet waarnemen. Iemand die niet weet wat zitten is, ziet geen stoel, maar hij ziet een ding waarvan hij zich kan afvragen waarvoor het dan dient. Andersom wordt onze waarneming door onze kennis bepaald. Van zodra wij 'iets' waarnemen, gaan we ons onvermijdelijk afvragen wat het is, waarvoor het dient of zou kunnen dienen, wat de (mogelijke) zin ervan is. Nu zijn wij mensen met bewustzijn en zelfbewustzijn: we nemen niet alleen onmiddellijk bruikbare zaken of gevaren waar, maar ook kunnen wij het geheel van het bestaan waarvan wij deel uitmaken in zekere zin objectiveren, omdat we geloven dat we in zekere zin ook tot zelfobjectivatie in staat zijn, en dus vragen wij ons spontaan af waartoe wij er zijn, of waartoe het geheel van alle dingen er is. De zinvraag is aldus niet zomaar een vergissing, het is een van de meest belangrijke vragen voor de mens. De vraag naar zijn is een vraag naar zin.

Het 'zelf' is even reëel als de stoel

De terughoudendheid bij sommigen met betrekking tot de zinvraag is wel begrijpelijk: het zelfbewustzijn, dat wij aan onszelf toeschrijven, is voor een groot deel een illusie te noemen, maar tegelijk ook niet. Met andere woorden: (1°) niets weerhoudt ons ervan om de gedachte te denken dat wij Turings proef toepassen op onszelf, maar, (2°), eensgelijks, doet dat niets af aan de werkelijkheidswaarde van ons 'zelf'. We zullen dat eerst verduidelijken en trachten om aan te tonen hoe die paradox verband houdt met welbepaalde perspectieven van de werkelijkheid.

Wij kunnen een beeld van onszelf in een spiegel bekijken, maar dat is slechts een beeld. Wij kunnen onszelf horen spreken, en beseffen dat wij het zijn die spreken, maar we horen niet onszelf, doch het geluid dat wij produceren. En dit geldt niet alleen voor ons beeld of ons geluidsbeeld, maar ook voor onze denkbeelden of, kortweg, ons denken: wij geloven dat wij ons van ons eigen denken volkomen bewust zijn, maar (zelf)onderzoek of ervaring kan uitwijzen dat niet wij zelf het zijn die ons onze gedachten vormen: veeleer wordt ons denkvermogen gemobiliseerd door bijvoorbeeld 'instincten', of ― om een voorbeeld te geven dat al aan bod kwam ― door de imperatieven die er bij ons ingestampt zijn toen wij nog kleuters waren. De gedragspsychologie geeft een ganse opsomming van factoren die het denken, de attitude, het handelen en het willen bepalen, soms zelfs zo extreem, dat de 'persoonlijke wil' niet eens meer aan bod komt en louter als een resultante van al die factoren wordt beschouwd.

Als we reeds over al die externe factoren beschikken, waarom dan nog die 'onvatbare', 'interne' 'persoonlijke' wil erbij sleuren, zo zou men kunnen argumenteren. Ons tegenargument op deze extreme redenering luidt dat de ― per definitie via introspectie ervaren ― individuele pijn onmiskenbaar is: pijn is per definitie immers datgene waarvan men zich niet kàn distantiëren ("ik ben de pijn die ik heb"), en zo zit ook de (negatieve) wil in hetzelfde schuitje ("ik wil geen pijn"): de werkelijkheidswaarde van de twee (pijn en wil) is even sterk. De wil blijkt aldus een reële factor. (In onze werkelijkheidsbeschrijving (zie: Trans-atheïsme) is de pijn het vertrekpunt bij uitstek, omdat het de enige onmiskenbare realiteit is wegens het daarbij perfect samenvallen van subject en object. Ook onze hele interpretatie van het christendom heeft precies hiermee te maken. Onze theorie heeft trouwens niets te maken met Singers sentiëntisme, met het fideïsme, of met de neurologie)

Zodoende: enerzijds is het beslist zo, dat ons zelfbeeld en ons zelfbewustzijn voor een groot stuk illusoir zijn maar, anderzijds, is en blijft het onvermijdelijk dat wij (in de meeste gevallen, i.e. bij gezondheid, bij afwezigheid van dwang, en zo voort) voor dat zelf verantwoordelijk of aansprakelijk moeten kunnen gehouden worden, meer bepaald op straffe van het disfunctioneren van de samenleving. Zodoende maakt het (onmisbare) doel [namelijk: samenleven (uit zelfbehoud, en uit soortbehoud)] dat wij het 'zelf' als zodanig moeten erkennen. Er is geen ontkomen aan.

Maar rest er nu nog een verschil tussen dat 'zelf' en bijvoorbeeld het 'concreet' geachte object 'stoel'? Er is geen wezenlijk verschil inzake de verplichting tot de erkenning van het bestaan van elk van die twee dingen. Erken je de stoel niet, dan kun je er tegenaan lopen en je bezeren; erken je je 'zelf' niet, dan zullen anderen dat in je plaats doen, bijvoorbeeld bij het ter verantwoording roepen van 'persoon X'. En dat kan te maken hebben met leven en dood, en alvast met pijn. Vandaar kunnen wij ons niet veroorloven om het 'bestaan' van 'het zelf' te miskennen. Weliswaar: we kunnen het 'zelf' niet afzonderen en de vraag naar wat het is, kan niet op relevante wijze gesteld worden binnen het fysicalisme, maar per slot van rekening blijkt de realiteit van het 'zelf' een imperatief waaraan niemand ontkomt. Precies zoals het bestaan van stoelen en tafels. (Uiteraard gebeurt de identificatie van een lichaam met een naam, middels het maken van een verbinding tussen de twee, bijvoorbeeld door het lichaam (het gelaat) te fotograferen, en dit samen met een naam op een (te bewaren) zogenaamde "identiteitskaart" vast te maken. In die act wordt dan het unieke lichaam erkend als drager van een even unieke naam. Merk op dat dit mogelijk is dank zij de handeling van de identificatie, die een erkenningsact is. Hetzelfde gebeurt trouwens (op enigszins andere manieren) met het tot stand brengen van al onze begrippen. Zie ook: Trans-atheïsme II, Grondstelling 2.1). Het begrip 'zelf' heeft dus niet minder werkelijkheidswaarde dan het begrip 'stoel'. Alleen komt de stoel aan het licht in een heel ander werkelijkheidsperspectief dan het 'zelf'. Als men de hersenen dissecteert, zal men geen 'zelf' vinden, omdat het 'zelf' geen deel uitmaakt van de stoffelijke wereld. Maar wij worden verplicht om het bestaan ervan aan te nemen, net zoals wij verplicht worden om het bestaan van de concrete stoel aan te nemen.

Iets kan pas bestaan als het erkend kan worden

Stel nu dat maker M een serie robots maakt met zelfbewustzijn, en een ervan begaat een moord: kan M de schuld voor de moord van zich afschuiven? Indien dat aan M toegestaan werd, zodat de robot en niet M veroordeeld werd tot bijvoorbeeld de doodstraf, dan zou M meteen een andere robot met zelfbewustzijn kunnen fabriceren die op zijn beurt aan het moorden kon gaan. Nu zou men kunnen stellen dat wetenschappelijk onderzoek, verricht op de robot, zou kunnen uitwijzen dat de robot inderdaad beschikt over zelfbewustzijn en over een vrije wil, zoals ook een volwassen menselijke nakomeling daar in de regel over beschikt. (De lezer die opmerkt dat zulks onmogelijk is, heeft het bij het rechte eind: wegens het problematisch karakter van het Turing-criterium is alleen al het maken van deze veronderstelling absurd. Maar bij gebrek aan andere mogelijkheden, handhaven we dit voorbeeld vooralsnog als toegift aan de fysicalist). Echter, nog steeds zou M terecht kunnen gewezen worden omwille van de daden van zijn robot, precies omdat M zijn maker is. M had hem namelijk anders kunnen maken, minder kwaadaardig. De zaak is nu dat geen mens, en dus ook M niet, die verantwoordelijkheid kan dragen. We weten vooreerst dat er een hemelsbreed verschil is tussen een (al dan niet juist gebruikt) werktuig en een robot met een vrije wil. Het is al aartsmoeilijk voor mensen om zich (terecht) niet geheel verantwoordelijk te voelen voor wat hun (volwassen) kinderen doen; "terecht": omdat inzake procreatie de natuur aan het werk is, niet de vrije persoon van de ouder. In het geval van de robot is niet de natuur maar de maker, M, de verantwoordelijke.

En nu komen we tot ons punt: het is onmogelijk om een zelfbewuste en vrije robot te maken, omdat de mens om hoger genoemde redenen niet in staat is om het zelf van die robot te erkennen. Net zomin als hij in staat is om zijn eigen zelf te miskennen wanneer hij door derden geconvoceerd wordt. Ook als de maker van de robot, M, zou beweren dat hij zijn robot als zijnde een zelfbewust en vrij wezen erkent, dan nog kan hij die bewering onmogelijk hard maken, precies omdat hij niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor zijn robot van zich af te schuiven ― precies omdat hij de maker ervan is. ( Nogmaals: vandaar geloven wij dat de act van de erkenning (die gedeeltelijk een scheppende act is) een sleutelbegrip kan zijn in een werkelijkheidsbeeld dat niet stoelt op zintuiglijke objecten, maar wel op erkenningsacten. Zo'n werkelijkheidsbeeld kan zowel materëel-energetische substraten als vrije en bewuste personen, maar ook het godsbegrip en veel andere begrippen die met het sciëntisme uit de boot vallen, in zich opnemen, waarbij de pijn als de eerste, onmiskenbaar te erkennen werkelijkheid geldt. Zie: Trans-atheïsme).

Het dispuut over "evolutie en schepping" draait in wezen om deze achterliggende, en meer fundamentele zaken. Het darwinisme is beslist een mooie beschrijving van de levensgeschiedenis, maar een mens op weg vraagt een andere verklaring dan die beschrijving van hoe het komt dat hij al is waar hij is: hij wil weten waar hij vandaan komt, waarom hij aan het reizen is, wie hem op pad gestuurd heeft, waar hij naartoe aan het gaan is. Hij zal het wezen van zijn reis niet doorgronden vooraleer hij de zin ervan kent. De vraag naar zin blijft onbeantwoord in de wetenschappelijke verklaringen. De levenspraktijk laat overduidelijk zien dat mensen, niettemin zij vaak zeer comfortabel leven, de zin bijster kunnen zijn en zich daarom zelfmoorden, terwijl anderzijds mensen in zeer moeilijke omstandigheden aan het leven vast blijven houden. Dat zijn feiten die evenzeer moeten meetellen als de zaken die gelden als feiten binnen bijvoorbeeld een materialistisch perspectief.

Het Godsbegrip is noodzakelijk

In het bovenstaande hebben we laten zien hoe werkelijkheden die niet relevant bevraagbaar zijn binnen het sciëntisme, nochtans beschreven kunnen worden vanuit een ander perspectief op de werkelijkheid, dat niet noodzakelijk samenvalt met een of ander bizar geloof in spoken. Het 'zelf' is niet te detecteren in de hersenen, maar bijvoorbeeld ons rechtssysteem, en dus ook onze samenleving, is wezenlijk afhankelijk van de erkenning van de werkelijkheidswaarde van het 'zelf'-begrip. Maar net zoals het 'zelf'-begrip, kan ook het godsbegrip een beschrijving vinden, mits men maar genoeg moeite doet om een daartoe geschikt perspectief op de werkelijkheid te ontwerpen. De middeleeuwers slaagden er herhaaldelijk in om een samenhangend wereldbeeld te maken waarin niet alleen de stoffelijke dingen, maar ook de zinvraag, het geluksbegrip, het godsbegrip en andere verrekend worden. Daarbij duikt het godsbegrip telkens op als een noodzakelijk begrip, net zoals het krachtbegrip in de mechanica van Newton: men ziet het niet, maar het is noodzakelijk om dingen te verklaren.

Nogmaals: het ligt allerminst in onze bedoeling om de wetenschappelijke benaderingen van de werkelijkheid aan te vechten. Daarentegen wel het sciëntisme, dat het monopolie van de wetenschappelijke benaderingen opeist ― zoals hier duidelijk aangetoond, doet het dat volledig ten onrechte.

Is nu de ene hypothese (bijvoorbeeld het darwinisme) meer plausibel dan de andere (een scheppingsleer of een 'évolution créatrice')? Het criterium voor die plausibiliteit is op de keper beschouwd arbitrair. Uiteraard kunnen wij absurde hypothesen uitsluiten. Ook verzetten wij ons niet tegen de evolutietheorie, die schoon is, zoals ook die van Teilhard, of die van Thomas Aquinas. Wat wij aanvechten is de verabsolutering van om het even welke hypothese, en dus de verheffing van een geloof tot 'de waarheid' zonder meer.

Waar het fysicalisme tenslotte beweert dat het zich onderscheidt van alle andere verklaringsmodellen op grond van het (vermeende) feit dat de fysica (T1) consistent is terwijl alle andere theorieën (bijvoorbeeld de theologieën T2 en T3) elkaar onderling tegenspreken, luidt ons tegenargument heel eenvoudig dat de keuze voor één van deze (bijvoorbeeld drie) theorieën (T1,T2 of T3) zich niet rechtvaardigt door het argument dat de overige twee onderling tegenstrijdig zijn. En, zoals gezegd, brengt de onderlinge incommernsurabiliteit van de verschillende wetenschappen de zogenaamde 'consistentie' van het sciëntisme alvast aan het wankelen.

Een andere overweging die men kan maken bij het aanhangen van ongeacht welk geloof (sciëntisme, creationisme, ...), is de vraag naar de uitsluitbaarheid van de factor van de 'Verdichtung': de neiging om hiaten in de kennis op te vullen met fantasie, de grote bereidheid om dat te doen, en het klaarblijkelijke tekort aan zelfkritiek daarbij. We doelen hier vooral op het feit dat het gevaar om over te gaan tot het (onbewust) 'opvullen van de gaten', evenredig is met onder meer de factor van de complexiteit van de (in een theorie te verwerken) gegevens. De evolutietheorie is veel complexer dan menige scheppingsleer, en zodoende is ze op dit vlak dan ook veel kwetsbaarder. Deze vrees wordt gevoed door het feit dat nog nooit werd vastgesteld dat een exemplaar van soort X daadwerkelijk verandert en overgaat naar een nieuwe soort Y. (Ik hoorde ooit iemand zeggen dat men voor hetzelfde geld kan beweren dat keien groeien; immers, als men alle keien verzamelt, en men rangschikt ze volgens hun grootte, dan kan men vaststellen dat ze in een welhaast continue lijn steeds groter worden. Die vergelijking lijkt absurd, maar ze zou wel te denken geven indien men inderdaad, al was het slechts één enkele keer, had vastgesteld dat een bepaalde kei plots toenam in volume. Er zijn wel aanzienlijke mutaties beschreven en zelfs uitgelokt binnen eenzelfde soort, maar nooit werd een overgang tussen soorten onderling gezien. Men zou de zaak zelfs kunnen omkeren, en op grond van de vergelijking zou men dan kunnen geloven dat de species evolueren van meer naar minder complex. Alvast ziet men dat keien in stukken breken, of dat individuele levende wezens, naast hun ontwikkeling ook een aftakeling kennen. Men kan zich voorstellen dat het mensdom uitsterft, en daarna de zoogdieren, en zo verder, tot alleen de insekten en hun minderen overblijven. Dit alles met gebruikmaking van het (niet zo absurd klinkende) argument dat wezens juist kwetsbaarder worden naarmate ze complexer zijn. In zo'n theorie zouden alle soorten samen geschapen zijn, maar zou een omgekeerde evolutie ze uiteindelijk de ene na de andere wegmaaien, te beginnen bij de meest complexe. Al deze en nog oneindig veel meer mogelijk te verzinnen theorieën klinken inderdaad absurd, maar met het darwinisme hebben zij vaak gemeen dat nooit een 'soorten-sprong' van X naar Y, of andersom, werd waargenomen. En zo richt zich de atheïstische kritiek van de materialist tegen zichzelf: hij daagt de gelovige uit om aan te wijzen wààr de Schepper dan is, maar eensgelijks rijst de vraag: waar zijn die 'sprongen' van Darwin aanwijsbaar? En in welke richting (van complexiteit) gaan ze? Aldus: de evolutietheorie is en blijft een hypothese).

In eenzelfde verband wijzen heel terecht heel wat godsgelovigen erop dat het 'eerste begin' onverklaarbaar zal blijven. Een gelijkaardig probleem doet zich voor bij E. Vermeersch (1967) inzake de 'ongrijpbaarheid' van het subject. Vele theorieën zijn mooi en bewonderenswaardig, op die ene toegeving na, dat ene hiaat dat men maar niet weg krijgt. Maar zien wij dat ook niet in de leugen als zodanig, dat zij zich met karrenvrachten aan argumenten aankleedt om stand te kunnen houden, terwijl wij weten dat het de zwakste schakel is die de hele ketting doet breken?

Het is nu duidelijk dat het sciëntisme een verabsolutering van de wetenschappelijke uitspraken inhoudt. Dit terwijl zeer veel wetenschappers dat bewust zeker niet willen doen: zij kennen de kracht van hun discipline, maar evenzeer respecteren zij de beperkingen ervan. Zonder die beperkingen (vooreerst al de vorming van begrippen en het maken van andere gebiedsafbakeningen) kan van een discipline geen sprake zijn zonder meer.

Zowel de sciëntisten als de katholieken staan het christendom tegen. De lont wordt pas echt aan het kruitvat gestoken wanneer, in weerwil van de katholieke geloofsbelijdenis, de woordvoerders van onze katholieke instellingen openbaar verklaren niet te erkennen dat God de 'eerste oorzaak' is. (Deze geloofsbelijdenis start met de woorden: "Ik geloof in God, de almachtige Vader, schepper van hemel en aarde...". Zie bijvoorbeeld de huidige rector-theoloog van de K.U.L. in een gesprek met J. Braeckman in het TV-programma "De zevende dag", VRT1, 2 oktober 2005. N.B.: de K.U.L. staat rechtstreeks onder het patronaat van de kardinaal, die zich in het rood kleedt ten teken van de principiële bereidheid om zijn bloed te geven voor het geloof.). Deze handelwijze maakt immers slachtoffers, zowel onder alle christelijk gelovigen die de hypocrisie van diegenen die zichzelf profileren als hun 'voorbeelden' met lede ogen moeten aanzien, als onder alle belastingbetalers die zich terecht kunnen afvragen of hun bijdragen dan geen betere bestemming kunnen krijgen dan in de subsidiëring van een hypocrietencircus. Apert is hier hoe dan ook de volslagen onbekwaamheid van de huidige woordvoerders van het zich alsnog 'christelijk' noemend instituut, om het christendom te verdedigen.

17. Geloof en ethiek

Een huidig migrant, voetballer in een Belgische ploeg, vat zijn geloof kort en bondig als volgt samen: Godsgeloof? Ja. Religie? Neen, bedankt! Het lijkt ons alvast een hier wat te beknopt geformuleerd, doch gezond standpunt. En alles daarin draait om één zaak: ethiek.

Om te beginnen kan niemand weten of God (zijnde de Schepper, de al-machtige, de rechtvaardige rechter, de al-goede, de al-wetende, de ware) bestaat, want niemand heeft Hem ooit gezien. Vandaar is ook niemand bekwaam om het bestaan van God te bewijzen maar tegelijk is ook niemand bekwaam om Zijn niet-bestaan te bewijzen. Zoals hoger gezegd, is God niettemin een noodzakelijk begrip. We kunnen derhalve twee veronderstellingen maken: (1°) Ofwel bestaat God niet. In dat geval is alles geoorloofd: zowel het goede als het kwade, de waarheid als de leugen, het recht als het onrecht. En dan zijn de 'bozen' gelukkig. De 'goeden' daarentegen hebben dan geen verweer meer tegen onrecht en kwaad: zij moeten alle onwaarheid en onrecht goedkeuren en ondergaan. Ze hebben dan ook geen reden meer om het goede te doen, en uiteindelijk zullen bijgevolg allen 'boos' worden. (2°) Ofwel bestaat God wel. In dat geval mogen de bozen een straf verwachten, en de goeden een beloning. Het gevaar dat allen noodzakelijkerwijze 'boos' worden, is er niet meer. We herhalen: welke van die twee veronderstellingen overeenstemt met de feiten, weet op de keper beschouwd niemand. Derhalve kunnen de goeden alleen wensen dat God bestaat, de kwaden kunnen alleen wensen dat God niet bestaat. Wat deze beide wensen tot hoop maakt, is onze onwetendheid omtrent het feit of God bestaat, gekoppeld aan de onzekerheid omtrent de zin van ons handelen: zowel de bozen als de goeden hopen dat zij niet tegendoelmatig handelen en, bijgevolg, hopen de bozen dat God niet bestaat, terwijl de goeden hopen dat Hij wel bestaat. Die hoop is gelijk aan het geloof. ( Uiteraard zijn de zaken in werkelijkheid complexer: het hier gemaakte onderscheid tussen goeden en bozen is irrealistisch; de beide neigingen zijn immers het deel van alle mensen).

Het resterende probleem is nu dit: Waar iemand aan anderen voorhoudt dat de stelling dat God niet bestaat (of niet kan bestaan) 'wetenschappelijk' bewezen zou zijn, verklaart hij in werkelijkheid aan allen die, vanuit hun geloof, rechtvaardigheid en waarheid nastreven, dat zij tegendoelmatig handelen.

Onze kritiek op de tegenwerping dat goed en kwaad door de mens zelf kunnen bepaald worden (en geregeld middels wetten en sancties), is de volgende vrees: indien zo'n humaan project geperfectioneerd verwerkelijkt wordt, zal het aan de mens zijn (keuze)vrijheid volledig ontnomen hebben, en zal hij tot vee herleid zijn. In dat verband hebben wij Augustinus uitgebreid (- zie : Trans-atheïsme), namelijk als volgt: Augustinus zegt dat God de mens bij de schepping zo maakt dat hij kàn zondigen (posse peccare), terwijl hij zich na de zondeval niet meer kan onttrekken aan de zonde (non posse non peccare - niet kunnen niet zondigen). Wij voegen hier aan toe: op het einde der tijden zal de mens niet meer kunnen zondigen (non posse peccare), wat uiteraard een beloning zal zijn voor de heiligen en een straf voor de bozen. Het humaan project waarbij mensen goed en kwaad zelf willen bepalen, stevent aldus recht op het einde der tijden af. Deze interne contradictie maakt dat een atheïstische ethiek op voorhand veroordeeld is.

>>>>>>


08-11-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.5

III. De bezetters

Met dit derde deel wordt een voorlopig laatste luik geopend inzake de tegenstand die het christendom in deze tijd te verduren krijgt. Het gaat hier niet alleen om de bezetting van natuurlijke of politieke territoria, maar ook om een veel grotere bedreiging, met name de bezetting van onze aandacht ― ons denken, onze wil en ons handelen ― door geheel miskende, externe doch uiterst gevaarlijke machten die ons eigen wezen tegenstaan.

18. Zoals lammeren onder de wolven

In deel I, getiteld: De bemiddelaars, trachtten we te beschrijven hoe een elitaire groep, gewapend met een zogenaamd christelijke erfzondetheorie, erin geslaagd blijkt om precies het tegendeel te bereiken van wat Christus op het oog had: in plaats van de naastenliefde te vestigen, bestendigde deze elite het recht van de sterkste. Het volk bestempelend als door het kwaad van de erfzonde afgesneden van zijn schepper ― en dus van zijn eigenlijke natuur ― en die natuur beschouwend als met het kwaad besmet, wenden zij voor door God te zijn aangeduid om de besmette natuur te vervangen. De mens mag niet meer bij de natuur te rade gaan, en zijn aanbidding mag haar niet langer tot voorwerp hebben: voortaan moet hij de kerk als zijn moeder beschouwen, meer bepaald de clerus, en dit naar verluidt voor zijn eigen bestwil.

Maar de clerus heeft politieke concurrentie te verduren: 'andersgelovigen', verkapt als wetenschapslui, vallen ― vaak geheel terecht ― de bedrieglijke theologieën aan, en in dezelfde beweging verwerpen zij het christendom. De hoofdschuldigen in dit scenario zijn zonder twijfel de kerkelijken zelf: zij hebben geen enkel verzet meer omdat zij reeds het christendom gemonopoliseerd hadden en zo moet, mét de kerken, noodzakelijkerwijze ook het christendom vallen. De ontkerkelijking van het christendom is daarom de allereerste vereiste om het uit de malaise te kunnen helpen. Het christendom dient vooreerst te worden gezuiverd van het kerkendom, pas dan kan het in al zijn kracht de vervolging door het atheïsme te lijf gaan. Eens het christendom zich bevrijd heeft van de hypocrisie van het kerkendom, zal de aanval van het atheïsme nog slechts klein bier blijken.

Waar de clerus, in de hoedanigheid van 'bemiddelaars', de plaats bezet welke toekomt aan de ware natuur, bezetten de critici van het kerkendom, waaronder de zogenaamde atheïsten, de plaats welke aan het christendom zelf toekomt, met name de plaats van waaruit gezonde zelfkritiek kan worden gegeven. Dat zij die plaats kunnen bezetten, komt alleen hierdoor, dat de christenen ― misleid als zij zijn door de clerus ― niet beseffen dat het hun recht is, en bovendien hun plicht, om deze plaats te bezetten. Het weghouden van de christenen van deze belangrijke want kritische plaats, maakt ze vrij voor de atheïsten. En dat deze plaats bezet wordt door de atheïsten, alarmeert vanzelfsprekend de christenen, die door de atheïsten, onterecht, mét de clerus veroordeeld worden. Pas dan worden de christenen zich bewust van het feit dat zij, door de clerus gegijzeld, medeverantwoordelijk zullen geacht worden voor de hypocrisie waarvan de atheïsten de clerus terecht beschuldigen. De kerk blijkt aldus allerminst de vertegenwoordiger van Christus die de zonden van de wereld op zich neemt en uitboet ― wel integendeel: in haar intrige wentelt de kerk haar zonden op de christenen af en zij buit hen niet alleen uit maar op de koop toe laat zij haar slachtoffers voor haar uitbuitingspraktijken ook nog eens boeten in haar plaats. De situatie is vergelijkbaar met die waarbij een misdadiger een onschuldige berooft om hem daarna ook nog eens de schuld van zijn misdaad in de schoenen te schuiven. Precies het feit dat behalve de clerus ook de atheïsten uit deze hachelijke situatie hun voordeel willen halen, kan niet anders dan alarmerend werken op het gemoed van de christenen: alvast waar zij niet stekeblind zijn, kunnen zij nu gaan inzien dat de clerus en de atheïsten twee handen zijn op één buik. Reeds de geschiedenis van de oorsprong van de kerken kon dit feit aan het licht brengen, maar hier omtrent werden zoveel raadselachtigheden gesponnen dat het oordeelsvermogen van het volk inzake deze ontstaansgeschiedenis blijkbaar geheel vertroebeld werd.

Kortom: christenen dienen diegenen die het christendom monopoliseren en het misbruiken in functie van eigen, wereldse doeleinden, aan de kaak te stellen, teneinde zich te vrijwaren van de niets ontziende vervolging van ongelovigen, die immers vaak geen onderscheid maken tussen christendom en kerk of tussen godsgeloof en religie. De vraag rest echter hoe christenen zich in de wereld dan nog kunnen onderscheiden van de wolven in schapevacht die de naam van Christus misbruiken voor geen andere dan politieke doeleinden. Het antwoord op deze vraag klinkt kil, maar even zeker als kil: dat kunnen zij niet. En zij kunnen het niet omdat Gods rijk niet van deze wereld is. Met andere woorden: christenen moeten uit hun geloof zelf de moed kunnen putten om te weerstaan aan de politieke erkenningsdrang; zij dienen vrede te nemen met de erkenning die zij spontaan ontvangen van die medemensen die zij als broeders en zusters behandelen, en dus als kinderen van dezelfde God. Want dit is precies het geheim en de kracht van het christendom, namelijk dat het weet dat de authentieke erkenning van God of van de naaste in wie God dient gediend te worden, elke andere vorm van wereldse en vormelijke erkenning in haar schaduw stelt. Immers, de erkenning die de mens als christen uitoefent en te beurt valt, laat hem participeren aan een geluk dat alle wereldse genietingen te boven gaat, getuige het feit dat velen bereid zijn om voor dat geluk te betalen met veel leed en zelfs met het eigen leven. En dat komt overeen met een hoger geciteerd Woord, namelijk: "Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden". ( Zie: Mattheüs 10:39 en 16:20).

19. De lammeren en de wolven

Het is onvermijdelijk: de lammeren kunnen zich in deze wereld niet onderscheiden van de wolven. Meer nog: mensen zijn in geen enkele zin in staat om medemensen wat betreft dit euvel een steen toe te werpen, en zo ook klinkt het "Oordeelt doch veroordeelt niet, want wie veroordeelt, hij zal veroordeeld worden". Maar wat houdt deze waarheid dan in met betrekking tot het 'kerkendom'? Betekent zij dat het kerkendom niet veroordeeld mag worden omdat elke kerkelijke principieel verklaart van goede wil te zijn, of wil zij daarentegen zeggen dat niemand zich tot 'de' kerk mag rekenen omdat zulks noch voor de betrokkene noch voor zijn medemensen ook maar de minste garantie kan bieden met betrekking tot zijn christelijkheid?

Het weze herhaald: het rijk Gods is niet van deze wereld, en zo ook de bewoners van dit rijk. Het rijk Gods bevindt zich in het gebied van het streven ― dat van de wil ― dat niet samenvalt met het 'zichtbare'. Daarentegen is het uitspreken van deze goede wil alsook de verkondiging van het goede in deze wereld niet alleen geoorloofd maar tevens noodzakelijk, want op de keper beschouwd is de stem van elk individueel geweten te zwak om gehoord te kunnen worden door allen. Bijgevolg lijkt een zich verenigen en een zich organiseren, rond de verkondiging van het rijk Gods, door personen van goede wil, tenminste plausibel. En zo'n vereniging zou men inderdaad een gemeenschap van Christus kunnen noemen, omdat deze belijdenis en verkondiging geschiedt in Christus' naam, in de naam van de Gezalfde, dit wil zeggen: in het teken van de God-mens die wij dienen na te streven teneinde volledig mens te kunnen zijn. Maar evenzeer is duidelijk dat de taak van zo'n gemeenschap ook ophoudt bij de belijdenis, de verkondiging en uiteraard de voorbeeldige praktisering van Christus' boodschap als zodanig. Waar dat niet gebeurt, kan van een christengemeenschap gewoon geen sprake zijn, en gaat het veeleer om 'mimecry', een nabootsing of een vals profeetschap dat parasiteert op het christendom teneinde middels Christus' naam luisterbereidheid te verwerven voor een boodschap die de Zijne niet is, en die alleen wereldse invloed en macht voor zichzelf op het oog heeft. Het is nu boven elke twijfel verheven dat instituten die, naast selectieve en gerichte geloofsverkondiging ( Men denke hier aan de praktijk van de aflaten, aan de voorkeur voor de bekering van rijklui, en dan liefst in hun stervensuur, en aan de vele politieke bemoeienissen van de kerk), ook nog eens aan het veroordelen gaan, zich aan het genoemde euvel bezondigen. Dat zij ― inderdaad ― uiteindelijk zelf veroordeeld worden, zullen ze vanzelfsprekend geweten hebben. Kan een "rijke jongeling" Christus volgen, en dus het geloof belijden en verkondigen? Volgens Christus' woorden zelf, kan hij dat niet. Kan een rijke en schriftgeleerde clerus dat dan, die bovendien wél een steen heeft om het hoofd op te leggen, en meer dan alleen maar een steen? ( Zoals iedereen intussen wel weet, behoort het Vaticaan tot de meest luxueuze hotels ter wereld, met welbepaald waterbedden voor de kardinalen tijdens het conclaaf). Volgens Christus' woorden niet. Kan ook maar iemand een ander veroordelen voor begane zonden? Christus zelf alvast doet dat niet, getuige de parabel van de overspelige vrouw. Handelt het Vaticaan christelijk wanneer het in haar encyclieken zogenaamde atheïsten, andersgelovigen, anders geaarden of anders geslachtelijken met de vinger wijst of zelfs excommuniceert? Volgens Christus' eigen woorden helemaal niet. Vandaar nogmaals: een zich verenigen rond de christelijke boodschap is weliswaar plausibel, tenminste indien het inderdaad om die christelijke boodschap gaat. Maar waar dat apert niet het geval is, is het christendom verder weg dan bij diegenen die nog nooit over de Verlosser gehoord hebben.

Op de vraag, tenslotte, hoe men de lammeren en de wolven onderscheidt ― en dat is een taak die alleen voor Christus zelf is weggelegd, en dan nog enkel op het einde der tijden ― luidt het antwoord ondubbelzinnig dat men de boom aan zijn vruchten kent, en Christus' leerlingen aan hun liefde voor de medemens. Al moet hier aan toegevoegd worden dat het christendom zeker niet het monopolie op de menslievendheid bezit. En principieel is hiermee alles, maar dan ook alles, gezegd.

20. Van slachtoffer naar beul ― Beknopte historiek van het kerkendom

Het land waar Jezus Christus ter wereld kwam, en dat was in 7 voor Christus ( De vreemd aandoende datering is te wijten aan fouten in de zesde-eeuwse jaartelling van Dionysius Exiguus), was een bezet land. Het werd geregeerd door het Romeinse wereldrijk ― toentertijd onder keizer Octavianus die zich 'Augustus' liet noemen, wat wil zeggen: 'de verhevene' ― dat zijn macht aldaar delegeerde aan Herodes de Grote (die stierf toen Jezus drie jaar oud was). Een afgevaardigde van de wereldlijke machten regeerde aldus het geboorteland van de God-mens, en wist zich meteen door Hem zozeer bedreigd, dat hij alle kleine kinderen in zijn regio liet afslachten. Indien de heilige familie geen hulp had gekregen van hogerhand, dan was er van de kruisdood en van het hele christendom geen sprake geweest, daar het leven van Jezus ongeweten geëindigd zou zijn met de moord op het zoveelste, en 'toevallig' ook goddelijke kind. Deze hele geschiedenis illustreert uitnemend de rivaliteit vanwege het wereldse dat zichzelf vergoddelijkt, tegenover het goddelijke dat zich los van het wereldse manifesteert. Dat valt ook niet te verwonderen omdat, zoals reeds gezegd, de 'Christus-kracht', in de zichzelf opofferende mens, de grootste oorlogsheld, en aldus de sterkste natuurkrachten, in zijn schaduw stelt. De vervolging van de godmens gaat door in de vervolging van Christus, die zich omstreeks 30 na Christus voltrekt op vraag van de toenmalige hogepriesters van Jezus' land zelf, en in de vervolging van zijn authentieke volgelingen, zijnde diegenen die weigeren om met het wereldrijk (van de Romeinen) samen te spannen. Niet lang na Christus' dood en verrijzenis, in 48, vergaderen de apostelen te Jeruzalem waar ze beslissen dat ook de niet-joden kunnen gedoopt worden. Paulus reist naar Griekenland en wordt bij zijn terugkeer, in 58, gevangen genomen. Drie jaar later werkt hij samen met Petrus te Rome, waar hij de marteldood sterft.

Christenvervolgingen

De massale christenvervolgingen hebben voor het eerst plaats ten tijde van de brand van Rome, in 64 na Christus, onder de wrede keizer Nero. Na diens dood en na het vier-keizerjaar, vijf jaar later, vervolgt keizer Vespasianus de opstandige joden; nog een jaar later, in 70, vernielt keizer Titus Jeruzalem. In de daarop volgende 25 jaar worden de vier evangeliën geschreven en de Openbaring van Johannes. In 84 vervolgt Julius Agricola, die zichzelf "dominus et deus" ("de heer en de god") acht, de christenen, en ook verdrijft hij de filosofen, waaronder Epictetus, uit Italië. In 95 vervolgt Domitianus de christenen te Rome. Keizer Hadrianus onderdrukt omstreeks 130 de jodenopstand in Jeruzalem onder Bar Kochba.

Maar de christenvervolgingen zijn nog niet goed bezig, of in de piepjonge katholieke kerk ontwikkelt zich vanaf 140 vooreerst een strijd tegen het oosterse gnosticisme (onder meer door Irenaeus, in 188) ( De gnostici beschouwen de kennis van de goddelijke wijsheid als zijnde hoogstaander dan het (blinde) geloof in God, en zij zien Jezus als een filosoof: in hun scholen hangt zijn afbeelding naast die van Pythagoras, Plato en Aristoteles. In de Pistis Sophía, een van de gnostische theorieën, is de menselijke wijsheid onvolkomen en aldus steeds smachtend en verlangend, omdat zij een onvolmaakte dochter is van de vereniging van de hoogmoedige menselijke wijsheid met de Oervader. De bevrijding van de geest uit de stof wordt bereikt door strenge ascese) en het montanisme ( Deze sekte, gesticht door Montanus, predikt de extase van de Paracletus ― de helper, met andere woorden: de heilige Geest ― wiens tijdperk zou aangebroken zijn. De bekendste aanhanger is Tertullianus). In 156 wordt Polycarpus van Smyrna doodgemarteld, in 166 volgt Justinus te Rome.

In 177, onder Marcus Aurelius, is er te Lyon (Gallië) een proces tegen christenen. Tussen 180 en 200 wordt de Heilige Schrift gecanoniseerd. Met Clemens en Origenes bloeit de catechetenschool te Alexandrië. In 202 sterven Perpetua en Felicitas de marteldood in Carthago. Het Romeinse rijk vervalt, de macht komt in handen van het leger en er is een veroostering, ook op godsdienstig gebied, met het manicheïsme (de leer van Mani) (- zie §1) en het heringevoerde parsisme (de leer van Zarathoestra. Ontstaan in Perzië, ca. 600 v. C., is dit het eerste moreel monotheïsme met de god Ahura Mazda. Duizend jaar voor Augustinus behandelde Zoroaster reeds het probleem van goed en kwaad, volgens hem beide scheppingen van God). In 248, onder Philippus Arabs (de Arabier), bestaat Rome duizend jaar, en twee jaar later (in 250) beveelt Decius een algemene christenvervolging ― de martelaren worden vereerd. Nog zeven jaar later beveelt Valerianus een christenvervolging, met de marteldood van Cyprianus. De neoplatonicus Porphyrius bestrijdt de christenen en Aurelianus (270-275) vereert de Oosterse zonnegod, terwijl Antonius in Egypte het monnikenwezen sticht, in 285. Onder Diocletianus volgt, in 303, de derde en laatste maar ook grootste vervolging van het christendom, dat echter in 313 zegeviert met het Edict van tolerantie van Milaan. Het jaar daarop wordt gestart met de bouw van de kerk van de Lateraan als parochiebasiliek in Rome: de periode van de rijkskerk vangt aan en zal duren tot 451.

De erkende kerk: intolerant en gewelddadig

Met het begin van de rijkskerk groeit het zelfvertrouwen van de katholieken, en dat is ook merkbaar aan de reeks interne twisten alsook veroordelingen die zij sindsdien produceren. In 314 is er de strijd tussen Rome en de donatisten (- volgens bisschop Donatus de Grote, is een sacrament, toegediend aan een zondaar, waardeloos, zodat de kerk uitsluitend uit heiligen bestaat. In 316 wordt de rigorist Donatus bisschop van Carthago) op de synode van Arles. In 320 sticht Pachomius het eerste monikkenklooster in Egypte. Onder Constantijn De Grote (324-337) wordt het christendom volledig gelijkgesteld en in 325 wordt begonnen met de bouw van de oude Sint-Pieterskerk te Rome, boven het graf van Petrus. In datzelfde jaar wordt het eerste oecumenisch concilie gehouden, in Nicea, onder Constantijn, en volgt de veroordeling van de leer van Arius (- volgens het arianisme volgt uit de onveranderlijkheid van God, de onmogelijkheid van de Incarnatie; Jezus Christus kon dus niet God zijn) middels de geschriften van Athanasius, maar deze laatste wordt verbannen naar Trier. Constantijn de Grote wordt gedoopt en sterft, en het arianisme bloeit weer met de synode van Arles (353) en die van Milaan (355). Omstreeks 341 is de Visigoot Wulfila ariaans missiebisschop, en de bijbel krijgt een gotische vertaling. 354 is het geboortejaar van Augustinus (Thagaste, Afrika). Omstreeks die tijd verschuift het kerstfeest naar 25 december, de geboortedag van de heidense Mithras. (De Arische god van het licht, ook bekend in Perzië en in Indië, en in Griekenland als Helios, was een sterke concurrent van het christendom, en om die reden plaatste de kerk Kerstmis op zijn feestdag ― de dag van de zonnewende als de dagen weer verlengen ― zodat de viering ervan gegarandeerd was). Keizer Julianus Apostata (de Afvallige) (361-363) slaagt er niet in om het heidendom te herstellen. In het Westen begint het monikkenwezen met onder meer Martinus van Tours (Sint-Maarten). In de liturgie wordt, in het West-Romeinse rijk, het Grieks vervangen door het Latijn. Het eerste nonnenklooster komt er in 374, in Jeruzalem. Het tijdperk van de Cappadociërs breekt aan.

Pas nu komt er schot in de verwereldsing van de kerk, en zij gaat ook geweld gebruiken. De paus krijgt van de keizer wereldlijke macht, met name: rechtspraak over zijn bisschoppen. In 381 volgt het (tweede) oecumenisch concilie van Constantinopel: naast de afkondiging van het dogma van de drieëenheid, wordt het christendom nu een staatsgodsdienst en het heidendom wordt verboden! Bisschop Ambrosius van Milaan (Augustinus' leermeester) voert een pennestrijd tegen de heidense Symmachus. Maar bij een pennestrijd blijft het niet: in 385 wordt de montanist Priscillianus in Trier wegens magie terechtgesteld. De katholieken overtuigen inderdaad met geweld: heidense offers worden namelijk verboden en zo gaan in 393 de Antieke Olympische Spelen voor het laatst door. (De Spelen ter ere van Olympia, waarmee de oppergod Zeus, de heerser over hemel en aarde, zijn overwinning op de Titanen vierde (maar er zijn mythen die gewag maken van een nog oudere oorsprong), bestaan in feite "sinds het begin van de tijden", en op dat ogenblik tenminste al langer dan 1000 jaar: Koroibos uit Elis is in 776 v.C. de eerste geregistreerde winnaar van de enige wedstrijd, de stadionloop over 192 meter. Tijdens de Spelen gold een verplichte wereldvrede. Pas in 1896 zullen ze dankzij Pierre de Coubertin in Athene heropend worden. (Vansteenbrugge 2000: hoofdstuk III)).

In 400 verschijnt de Vulgata (de latijnse bijbelvertaling) van Hieronymus. Augustinus schrijft zijn De Civitate Dei (410-428) en van tolerantie voor afwijkende meningen is geen sprake meer: het pelagianisme (dat de erfzonde, zoals verdedigd door Augustinus, verwerpt) wordt veroordeeld in 418. Augustinus sterft in 430 terwijl de Vandalen binnenvallen. In 431 volgt het (derde) concilie van Ephese waar Nestorius van Constantinopel wordt afgezet waarna het nestoriaanse christendom zich in het oosten verspreidt. (Het nestorianisme ontkent dat, in Christus, God en mens één zijn, en verwerpt dus ook dat Maria de moeder Gods is. Deze leer werd later door de islam geduld).In 432 gaat de Brit Patrick Ierland bekeren. In 438 komt de codex Theodosianus.

De eigenlijke middeleeuwen breken aan met het verschijnen van de Turken, meer bepaald de Hunnen, in 375, aan de oostelijke grenzen van het Romeinse rijk, een Germaans gebied. De Germanen vluchten het Romeinse rijk binnen, en ganse volkeren beginnen te verhuizen, Germanen en Romeinen klitten aaneen en Slaven nemen het leeggelopen gebied rond de Balkan in. In 395 wordt het Romeinse rijk (- Germanen dringen Spanje binnen maar worden door de Romeinen, geholpen door de Hunnen, verslagen (zie: het Nibelungenlied). In 410 plundert de Visigoot Alarik, Rome. In het Oosten, rond 450, heerst Alarik van de Hunnen over Germaanse stammen. De Vandalen plunderen Rome) verdeeld in het oostelijke en het westelijke rijk. In de 7de eeuw dringen de Arabieren het middellandse Zeegebied binnen, het Europese continent sluit zijn rangen, maar de Vikingen en de Hongaren vallen binnen. Rond 900 houden de volksverhuizingen op en ontwikkelen zich de Europese vorstendommen.

Het pausdom

Sinds de erkenning van het christendom in 325 hiërarchiseerde zich de clerus onder het gezag van plaatselijke bisschoppen, maar een opper-bisschop of paus was er eigenlijk niet: pas in 440, met paus Leo I, de Grote genaamd, krijgt de bisschop van Rome het hoogste kerkelijke gezag.

Na de roverssynode van Ephese in 449, volgt in 451 het (vierde) concilie van Chalcedon: Dioscurus van Alexandrië wordt afgezet en de monofysietenbeweging (- het monofysitisme is de tegenhanger van het nestorianisme, en verkondigt de eenheid van godheid en mensheid in Christus: het vleesgeworden woord is één natuur (Cyrillus)) ontstaat. In 476, wordt keizer Romulus Augustulus door de Germanen afgezet, wat het einde betekent van het West-Romeinse Rijk. Pas in 1453 zal ook het Oost-Romeinse Rijk vallen met de verovering door de Osmaanse Turken van Constantinopel.

De Westerse kerk gaat zich met staatkundige zaken moeien en zij beschermt de antieke cultuur (552). Rome wordt van een brand door de Vandalen gered (455). Clovis bekeert zich tot het katholicisme (496). Benedictus sticht het Monte Casinoklooster en Justinianus sluit de neoplatonische Akademie in Athene. In 553 volgt het (vijfde) concilie te Constantinopel. De veroveringstochten van de kerk worden echter ingetoomd door de Arabieren: vanaf 663 veroveren zij het oosten, waar het christendom snel verdwijnt: Syrië, Palestina, Mesopotamië en Perzië. In 680-681 volgt het (zesde) concilie te Constantinopel met de veroordeling van monofysieten en monotheleten. ( Het monotheletisme van Sergius, patriarch van Constantinopel, stelt dat in Christus wel twee naturen zijn, doch slechts één werking ('monergisme'), of dan tenminste toch één wil. Door die spitsvondigheid wilde hij monofysieten en katholieken verzoenen, tevergeefs). De islam (- de islam werd gesticht door de profeet Mohammed (ca. 570-632) in Mekka. De koran is het geheel van de recitaties van Mohammed in opdracht van de aartsengel Gabriël, en hij gebiedt het herstel van de overgave ('salaam') aan God die vrede (eveneens 'salaam') brengt in het hart van de mens) en de Mongolen dringen binnen. In 722 gaat Bonifacius met Willibrord de Germanen bekeren. Er ontstaat ook ruzie over de toelaatbaarheid van beelden: in 730 verbiedt de keizer ze, maar een jaar later herroept paus Gregorius II deze regelgeving.

De katholieke 'sharia'

Na 900 wordt het pausdom versterkt, vooral door toedoen van de gelovige keizers Otto III, Hendrik II en Hendrik III, en door de prediking vanuit de kloosters. Vanaf Leo IX (1048) leidt de paus zelf de kerkpolitiek en paus Nicolaas II (1059) bepaalt dat de keizer voortaan geen veto meer heeft over de pauskeuze. De kerk wordt militair gesteund door de Normandiërs (het Leenverdrag) en profileert zich als voorbeeldig oppergezag over de wereldlijke staten. Deze grootsheidswaan resulteert in het zich afscheiden van de oosterse kerk (het Byzantijnse christendom). In 1057 voert Gregorius VII het celibaat in. Hij maakt een einde aan het kopen en verkopen van geestelijke ambten (de zogenaamde simonie) en aan de aanstelling van clerici door de vorsten (de zogenaamde lekeninvestituur), die immers gangbare praktijken waren. Dit is evenwel geen terugkrabbelen: deze paus beoogt niets minder dan de onderwerping van alle wereldlijke macht aan zijn gezag.

Het jaar daarop reageert Hendrik IV al: hij laat de paus afgezet verklaren. Als tegenzet slaat de paus Hendrik in de ban van de kerk: hij doet boete in Canossa en krijgt absolutie. Enkele jaren later wordt hij opnieuw in de ban gedaan; de paus sterft en de volgende paus, Clemens II, slaat Hendrik IV tot keizer. Hendrik V (1106-1125) beëindigt de investituurstrijd (concordaat van Worms): de Duitse bisschoppen kunnen voortaan niet meer benoemd worden zonder de zegen van de keizer, terwijl de Italiaanse en Bourgondische vorsten de zegen van de kerk nodig hebben om aan te treden. Het pausdom wordt onafhankelijk van het Duitse koningschap. De kerk opereert zoals een wereldlijke macht.

De katholieke 'jihad': de kruistochten

Intussen is de aan de Arabische taal gelinkte islam ontstaan, met in 630 Mekka als middelpunt, die onder de kaliefen Syrië, Palestina, Egypte en Perzië verovert. (Ook Constantinopel wordt aangevallen (onder het kalifaat der Omayaden) en in 711 wordt Spanje veroverd tot aan de Pyreneeën, maar de Franken met Karel Martel slaan hen terug. Het kalifaat der Abbassieden vestigt zich vanaf 750 in Bagdad, dat in 1278 door de Mongolen zal veroverd worden. Intussen sticht in 755 een gevluchte Omayade, Abd ar Rachman, een zelfstandig rijk in Spanje, dat in 929 het kalifaat van Cordova wordt, en dat in 1031 uieenvalt in kleine deelstaatjes met bijvoorbeeld het bloeiende Alhambra in de periode 1248-1400. In het oosten is er de islamitische wijsgeer Avicenna, in Spanje Averroës: zij redden de antieke Griekse cultuur en bestuderen de geschriften van Aristoteles. In 1215 veroveren de Mongolen met Dzengis Kahn, Peking, en Koebilai-Kahn wordt keizer van China (tot 1368) ― dat is de tijd dat Marco Polo naar China reist. In 1221 bereikt Dzengis Kahn de Indus; zijn opvolger, Timur Leng, plundert Delhi; diens nakomeling, Baber, onderwerpt gans Indie met een rijk dat bloeit onder Akbar in de periode 1556-1605. In 1254-1517 wordt Egypte geregeerd door de Turkse Mamelukken). Wanneer in 1077 de Seldsjoeken onder Alp Arslan Jeruzalem veroveren, wil de wereldlijk geworden paus Urbanus II, de gebieden terug en hij verleidt de Europese adel aan om een 'heilige oorlog' te organiseren: de zogenaamde 'kruistochten', die zogezegd het Heilig Graf in Jeruzalem moeten gaan bevrijden, maar die in feite de adel toelaat om nieuwe gebieden te veroveren.

In de eerste, bloedige kruistocht, van 1096 tot 1099 (met onder meer Godfried van Bouillon), wordt Jeruzalem heroverd; de ridderorden der tempelieren en johannieters ontstaan, alsook enkele handelsnederzettingen in het oosten. Bernard van Clairvaux roept op tot een tweede kruistocht (1147-1149), die dit keer niets oplevert. In 1189 herovert Saladin, de sultan van Egypte, Jeruzalem. Keizer Frederik Barbarossa en de koningen van Engeland, Richard Leeuwenhart, en van Frankrijk, FilipsIIAugust ondernemen een derde kruistocht (1189-1192): Akkon wordt veroverd, Jeruzalem niet. Paus Innocentius III roept op tot een vierde kruistocht, waarbij Constantinopel veroverd wordt, en door de handel met het oosten komen Venetië en Genua tot bloei. De in de ban gedane keizer Frederik II onderneemt een vijfde kruistocht, verkrijgt Jeruzalem en kroont zichzelf tot koning van Jeruzalem, wat de paus met lede ogen aanziet. Lodewijk IX (de 'heilige Lodewijk') van Frankrijk onderneemt een zesde kruistocht maar wordt in Egypte gevangen genomen. Tijdens een zevende kruistocht sterft hij, en de christenen worden uit het oosten verdreven.

De strijd tussen de pausen en de keizers duurt voort en de curie bepaalt mede wie in Saksen tot vorst benoemd zal worden. De dynastie van de Hohenstaufen wordt vooruitgeschoven. Wanneer de machtige keizer Hendrik VI jong sterft en bij zijn dood een driejarige zoon nalaat, profiteert paus Innocentius III van die situatie om zijn macht terug te winnen.

De paus als wereldheerser

Na de troonsstrijd komen zowel de westelijke staten als het pausdom op. Na het Lateraans concilie in 1215 speelt de paus scheidsrechter in het westen. In 1227 strijden Frederik II en de paus over de alleenheerschappij in Italië; de paus maakt aanspraak op wereldheerschappij over alle wereldlijke vorsten! Frederik II vervangt het leenstelsel door bezoldiging met loon. Het is de tijd van de gotiek en van Thomas van Aquino. In 1301 kroont de paus de koning van Hongarije; Bulgarije is kerkelijk ondergeschikt aan de patriarch van Constantinopel; Servië wordt een koninkrijk in 1050; Kroatië wordt in 1102 een deel van Hongarije.

Na deze 'kerstening' vallen in de 13de eeuw de Mongolen het zuiden en het oosten van Europa binnen. Batoe, kleinzoon van Dzengis Kahn geraakt tot in Rusland, Polen en Silezië en lijft ze in bij zijn 'Rijk van de Gouden Horde'. Vanaf 1366 sticht Timur Leng het Tweede Mongoolse Rijk dat zich uitstrekt tot aan de Wolga. De Russische vorstenstaten aldaar werken als vazallen mee met de Kahns, en zij doen een nationalistisch appel tot de 'vereniging van de Russische aarde'. In 1380 wordt haast gans Rusland door de kahns geregeerd, tot in 1480 Iwan III de Grote, de Mongolen verjaagt en een Moskouse staat sticht.

Intussen gaat de kerstening van Europa door, onder meer in Ijsland (1000), Noorwegen en Zweden (1164). In de periode 1250-1519 ontbinden de Europese mogendheden. Het westen verwereldst, de geldeconomie en de burgerij komen op, samen met de moderne westerse staten. De machtige paus Innocentius III zet door zijn misbruiken het verval van de kerk al in 1198-1216 in gang. In ruzie met de Franse koning, benoemt Paus Bonifatius zichzelf in 1302 ― het jaar van de Guldensporenslag ― tot drager van het hoogste wereldlijke en geestelijke gezag, in staat om alle wereldlijke vorsten aan te stellen of te ontslaan, maar de wereldheerschappij der pausen gaat ten onder.

Drie rivaliserende regerende pausen

Van 1309 tot 1377 verblijft de paus als balling in Avignon en de kerk wordt bekritiseerd, onder meer door de mysticus meester Eckhart. In 1377 keert de paus naar Rome terug, hij sterft, er wordt weer een Franse paus verkozen en deze wordt opnieuw naar Avignon gehaald. De twee regerende pausen worden afgezet op het Concilie van Pisa, een derde paus wordt verkozen, en nu regeren er drie pausen.

Keizer Sigismond roept in 1414-1418 het Concilie van Konstanz bijeen om de toestand op te lossen (in deze tijd schildert Van Eyck, in 1432, het Lam Gods); in het Concilie van Florence (1438-1445) komt uiteindelijk een zwakke eenheid tot stand, met veel tegenzin van de oosterse kerk. Intussen is er de meer dan honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland (1328-1453) met onder meer het optreden van Jeanne d' Arc, de zogenaamde maagd van Orléans, die echter gevangen genomen wordt en in 1431 als heks wordt verbrand. In 1920 zal ze heilig worden verklaard... Van 1459 tot 1485 woedt in Engeland een burgeroorlog. In Frankrijk zijn er boerenopstanden. Venetië en Genua bloeien, het is de tijd van de Medici en van Dante, en Italië is een kerkelijke staat. In Spanje worden de joden verdreven en begint in 1492 een nieuw geloofsfanatisme: de Inquisitie.

Godsdienstoorlogen

Nu begint de tijd van de ontdekkingsreizen (- In 1485 zeilt de Portugees Diaz om de Kaap de Goede Hoop; De Genuees Colombus ontdekt Amerika in 1492; De Portugees Vasco da Gama vaart naar het Oosten en in 1530 wordt Bombay gesticht. Cabral uit Portugal ontdekt in 1500 Brazilië. Cortez verovert Mexico (1519-1521). Magelhaes zeilt rond de aarde (1519-1522). Pizarro verovert in 1532 Peru. Spanje heerst over Midden- en Zuid-Amerika, Portugal over de Indische kusten, Zuid-Afrika en Brazilië. Nog in de 16de eeuw meren de Portugezen aan in China en in Japan en ze sturen Jezuïeten op missie uit): andere culturen worden ontdekt en de eigen cultuur wordt gerelativeerd: het humanisme ontstaat, de renaissance ook van de (heidense) Antieke cultuur, en in de teruggedrongen kerk gaan godsdienstoorlogen woeden. De nieuw ontdekte continenten worden echter als 'koloniën' uitgebuit. In Amerika gaan avonturiers, kapitalisten en gewiekste handelaars op strooptocht en de tijd van de (neger)slavernij begint.

Wanneer de Turken de Griekse geleerden uit Byzantium verdrijven, verspreidt zich met hen de antieke cultuur, wat de kritiek op de kerk doet toenemen en het humanisme promoot. Kritische theologen zoals Zwingli, Calvijn en Luther, zorgen in de 16de eeuw voor hervormingen in de kerk, die echter vasthoudt aan haar oude denkbeelden, zodat schisma's ontstaan. Wetenschappers van het heelal worden door de kerk vervolgd: in 1600 wordt Giordano Bruno tot de brandstapel veroordeeld; Galileï moet zijn (copernicaanse) opvattingen herzien ― het heeft geduurd tot 1992 vooraleer de kerk het heliocentrisme erkend heeft. De pausen weten hun macht in de Kerkelijke Staat alleen nog te behouden door indruk te maken via de promotie van de kunst, zoals in de nieuwbouw van de Sint-Pieterskerk. Dit is de tijd van Michelangelo. Machiavelli schrijft Il Principe, waarin hij stelt dat de staat eigen wetten heeft die niets met het geloof te maken hebben.

Hervormingen en tegenhervormingen

De hervormingen brengen spanningen teweeg. In 1517 klaagt Luther in Duitsland het misbruik van de aflaten aan, Zwingli reformeert in Zwitserland, in 1519 breekt Luther met Rome en hij verbrandt de pauselijke banbul te Wittenberg; hij publiceert een nieuwe bijbelvertaling. De reformatorische geschriften uit die tijd roepen de christenen op zich van de gijzelnemende kerk te bevrijden, maar de vorsten blijven conservatief.

In de volgende oorlogen neemt de reformatie uitbreiding. In 1530 op de rijksdag te Augsburg stelt Melanchton de protestantse geloofsbelijdenis voor. In 1532 kondigt koning Ferdinand de godsvrede af en geeft aan de protestanten de toelating om hun geloof te beleven tot het concilie uitspraak zal doen. De Wederdopers worden gesticht in Munster, in 1534-1535.

De Jezuïetenorde (met zetel in Spanje) wordt erkend in 1540 ― zij komt immers van pas om de contrareformatie te voeren. De Duitse contrareformatie, tegen de afgescheurden, begint, terwijl in 1541 Calvijn in Genève zijn predestinatieleer verkondigt. In 1545-1563 volgt het concilie van Trente, vooral gericht tegen het protestantisme. Godsdienstoorlogen volgen: in de Schmalkaldische oorlog (1546-1547) onderwerpt Karel V de protestanten in Noord-Duitsland. In Frankrijk verzet Maurits van Saksen zich tegen de keizer om vrijheid voor het protestantisme te verkrijgen. In 1555 volgt de godsdienstvrede van Augsburg: regio's mogen zelf beslissen welke religie er mag beoefend worden (behalve het Calvinisme, maar dat verspreidt zich snel), de burgers die het niet eens zijn, moeten maar verhuizen, en clerici die protestant worden, verliezen hun job. Het Calvinisme wordt wel erkend in Noord-Nederland. Ook in Engeland woeden godsdienstoorlogen: in 1531 weigert de paus de echtscheiding van Hendrik VIII te erkennen, en de Engelse koning maakt zichzelf tot hoofd van de anglicaanse kerk; tegenstanders worden vervolgd. Eduard VI sticht de episcopale kerk (een mengeling van protestantse leer met katholieke liturgie). Maria de Bloedige herstelt het katholicisme en Elisabeth I herstelt het anglicanisme. Er volgt een godsdienstoorlog tussen Engeland en Spanje. Ook in Frankrijk brengen godsdienstoorlogen de eenheid in gevaar. Ook Scandinavië en Oost-Europa verzwakken door de godsdienststrubbelingen, en Moskou, onder Iwan IV de Verschrikkelijke, wordt een dreiging. In 1608 wordt de Protestantse Unie gesticht, in 1609 de Katholieke Liga. Tijdens de godsdienstoorlogen woedt een dertigjarige oorlog (1618-1648) tussen Duitsland en Frankrijk. Troepen van de Katholieke Liga, onder de Spaanse Tilly, bezetten Palts en Heidelberg in 1622 en dringen door tot Westfalen (1623). De Deense, protestantse koning vecht tegen de katholieken Tilly en hertog Wallenstein, die in 1630 afgezet wordt. Tilly verovert Maagdenburg (1631) maar wordt bij Breitenfeld verslagen. Wallenstein wordt heraangesteld en vecht in Neurenberg en in Lützen maar wordt in Eger vermoord. In 1635 wordt de Vrede van Praag gesloten. Frankrijk en Zweden spannen samen. Dan beginnen er onderhandelingen die leiden naar de Vrede van Westfalen.

Het gewone volk komt verarmd uit de godsdienstoorlogen, Peter de Grote (1689-1725) sticht de Russische staat, het absolutisme van de vorstendommen neemt toe: Engeland is het meest vooruitstrevend, terwijl in Frankrijk, Versailles, de zonnekoning heerst. Op de strubbelingen volgt in 1735 de Vrede van Wenen en de Duitse cultuur bloeit weer op, het is de tijd van Bach, Goethe, Kant, Mozart. Intussen kent Engeland kortstondig (tussen 1649 en 1660) de republiek onder Cromwell, met godsdienstvrijheid en volkssouvereiniteit, en een eeuw later ontstaan de Verenigde Staten, met de stichting van de Noordamerikaanse Unie (1775-1783) en de onafhankelijkheidsverklaring in 1776, erkend in 1783 met de Vrede van Versailles.

De Franse revolutie

Frankrijk, 20 juli 1789: de Derde Stand, die opkomt tegen een schuldeneisende koning en adel, en die zichzelf pas tot Nationale Vergadering heeft verklaard, zweert dat zij niet zal wijken totdat Frankrijk een grondwet heeft en, drie weken na die eed, op 14 juli, breekt te Parijs een oproer los waarbij de Bastille wordt ingenomen en verwoest. Daarop worden op het platteland talloze edelen gedood. 50.000 burgers vluchten naar het buitenland. Een nationale burgergarde onder leiding van Lafayette herstelt de orde in Parijs. Drie weken later, in de nacht van 4 op 5 augustus, worden de schulden van het volk nietig verklaard. Kort daarop, in oktober, ontstaat voedselschaarste. Lafayette stelt een "Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger" voor. Maar de koning wijst die af, en er komt weer oproer. In de nacht van 5 op 6 oktober dwingt men de koning en de Nationale Vergadering om zich in Parijs te vestigen. In 1791 komt de nieuwe grondwet er, met het "principe van Montesquieu" (de scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht). Het bezit van kerk en adel wordt in beslag genomen en dient als onderpand voor de nieuwe bankbiljetten ("assignaten"). In ruil voor de in beslag name van kerkelijk goed, betaalt de staat voortaan de priesters, maar ze moeten wel eerst trouw zweren aan de "zaak van het volk" ("republiek"). Vanzelfsprekend beschouwen velen deze beëdigde priesters als overlopers en ongelovigen. In 1791 vlucht de koning, maar hij wordt opgepakt, teruggebracht en uit zijn functie ontzet. Hierna duiken republikeinse groepen op. De volksmensen, vaak uit de streek van de Gironde en daarom "Girondijnen" genoemd, willen de onbeëdigde priesters en de gevluchte adel vervolgen. De Koningsgezinden, "Jakobijnen" genaamd, willen slechts vrede. In augustus 1791 vergaderen de Europese vorsten te Pillnitz, in Saksen. Blijkbaar heeft de Franse vorst daar de hulp ingeroepen van zijn Oostenrijks-Pruisische ambtsgenoten want in 1792 valt het Oostenrijks-Pruisische leger Frankrijk binnen en als het op 2 augustus voor de Parijse stadspoorten staat, dreigt het ermee de hele stad te zullen verwoesten als de Franse koning niet met rust gelaten wordt. Zo wordt duidelijk dat Lodewijk XVI zijn land verraden heeft en de volgende week, op 10 augustus, wordt hij uit zijn paleis gehaald en gevangen gehouden om op 21 januari 1793 te worden onthoofd. In oktober van dat jaar volgt zijn vrouw (- zijn zoontje sterft waarschijnlijk in de gevangenis in 1795).

Intussen, in september 1792, hitst Marat het Parijse volk op, dat de politieke gevangenen lyncht (de zogenaamde "Septembermoorden"). Een speciaal leger (een soort "SS" avant la lettre) ziet erop toe dat mogelijke tegenstanders van de Republiek opgespoord worden. Het land wordt geregeerd door deels Jacobijnen, deels Girondijnen. Deze laatsten, de volksgezinden, worden eerst buiten de wet geplaatst en velen worden vermoord, maar in de periode van juni 1793 tot juli 1794 rekent Robespierre met de Jakobijnen af. Robespierre wil een seculiere staat maar wordt uiteindelijk door zijn tegenstanders onthoofd. Van 1795 af regeert een soort parlement, het zogenaamde "Directoire". De koningsgezinden, die nog opgejaagd worden, zoeken bescherming bij oude bekenden, generaals, maar raken afhankelijk van hun legers. Eén van deze generaals, Napoleon Bonaparte, neemt in 1799 de macht als consul, en in 1804 troont hij zichzelf tot keizer.

Ingevolge de veroveringen van Napoleon komt er in 1806 een einde aan het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie. In 1814 doet Napoleon troonsafstand en op het Congres van Wenen wordt de kaart van Europa hertekend. Er volgen revoluties in gans Europa, in 1830 wordt het nieuwe België erkend. In 1869-1870 is er het Vaticaans Concilie met het onfeilbaarheidsdogma. Marx publiceert Das Kapital (1848) en de 19de eeuw kent een enorme bevolkingsexplosie en meer materialisme, alsook wetenschappelijke en industriële ontwikkelingen. Rusland verzwakt. De Duitse Bondsstaat ontstaat. In 1870 is Frankrijk een republiek en op 1 mei 1889 wordt te Parijs de 2de Internationale gesticht. In 1872-1875 begint de Kulturkampf met de rooms-katholieke kerk: na het onfeilbaarheidsdogma scheiden parochies zich van de kerk af, de Jezuïeten worden uit Duitsland verwijderd, in Pruisen komen er kerkelijke wetten met een 'minister voor eredienst'. Op het einde van de 19de eeuw ontstaan arbeidersbewegingen, vakbonden en ziekenfondsen, in België met priester Daens, die niet erkend wordt door de kerk die, met haar Rerum Novarum ver achterop hinkend, alsnog de schijn tracht te redden.

21. Virtuele concentratiekampen

Een beknopte blik op de begintijd en op de eerste paar eeuwen van de kerkgeschiedenis, laat zien hoe zij al van zodra zij een instituut wordt, verbonden aan het rijk, verandert van vervolgde naar vervolger: het verhaal van het slachtoffer dat op zijn beurt beul wordt. In de middeleeuwen gaat zij zelfs systematisch de heidenen hetzij met de wapens bestrijden ― denk aan de kruistochten ― hetzij op de brandstapel gooien. Zij maakt geen onderscheid tussen, enerzijds, onschuldige en zieke mensen zoals de zogenaamde 'bezetenen' en, anderzijds, de geleerden die bijvoorbeeld het geocentrisme wetenschappelijk weerleggen: de hel op aarde voor al deze ongelukkigen, trouwens samen met de vele boeken die haar niet zinnen. Interne twisten over pietluttige kwesties vormen het thema der grote concilies en synoden en met veel getrompetter worden dogma's afgekondigd waarvan geen zinnig mens de betekenis kan ontrafelen. Weg met de school van Athene, weg met de Olympische Spelen, weg met alles wat niet de zegen krijgt van de paus, of de pauzin, of de pausen, want somtijds geraken ze het in hun stempartijen niet eens over de uitverkorene en zijn er meerdere onfeilbaren tegelijk. Het ene schisma volgt alras op het andere en de 'christenen', verkondigers van de verdraagzaamheid en de eenheid, raken meer verdeeld dan welk werelds rijk dan ook in de loop van de hele geschiedenis. Kortom: het is niet de vrede van Christus die zich verspreidt over alle volkeren, maar daarentegen wordt reeds in de vroege middeleeuwen de ganse westerse wereld door het kerkendom bezet.

De hoger weergegeven historiek is noodzakelijk zeer onvolledig en al te beknopt; hij poogt alleen een ogenblik te herinneren aan de feiten en, in acht genomen het verschijnsel dat mensen alles wat minder fraai is makkelijk dreigen te vergeten, is zo'n terugblik allerminst overbodig. Vooral de overdadige aandacht voor het getheoretiseer, kan zo'n vergetelheid sterk in de hand werken. Men ziet dat trouwens ook gebeuren in kleine, menselijke ruzies: ze hebben een vergevingsgezind gesprek nodig, waarin alles in een nieuw licht wordt geplaatst en uitgelegd, teneinde het gebeurde met de gewenste vrede te kunnen consolideren. Het is goed dat zulks gebeurt, maar het is niet altijd wenselijk dat men doet alsof er helemaals niets gebeurde, en dat men aldus het gebeurde vergeet, want op die manier leert men niet van zijn fouten. Wanneer de jongste pausen in naam van de kerk om vergeving vragen voor bepaalde, in het verleden begane fouten, dan kan zulks in geen geval een rechtvaardiging inhouden van het instituut zelf: dat instituut heeft immers allang bewezen wat het 'waard' is. En dat kan ook zeker niet, wanneer in eenzelfde adem, nieuwe veroordelingen en discriminaties worden geuit.

De vervolgingen die zich in de jongste tijd voltrekken, zijn onvergelijkbaar met de boekverbrandingen of de brandstapels uit de middeleeuwen: ze zijn gesofisticeerder, doch zeker niet minder wreed. De aloude fysieke moordpartijen gaan weliswaar ongehinderd door, maar waar zij, om welke reden dan ook, minder wenselijk worden bevonden, worden ze vervangen door meer gesofisticeerde vormen van uitsluiting en verbanning. De gevreesde islamitische 'fatwa' of vloek, waarbij een prijs wordt gezet op het hoofd van de betrokkene, en die wij ook kennen uit de Amerikaanse cowboy-wereld van de affiche: "Wanted, dead or alive", wordt in onze contreien op een meer verbloemde maar zeker niet minder efficiënte manier uitgesproken en ook voltrokken. De te schuwen stigmatisering en diabolisering van niet alleen al dan niet staatsgevaarlijke individuen, maar ook van ganse bevolkingsgroepen, is ons bekend uit bijvoorbeeld de antidiscriminatiewetten, maar zij woekert ook in geheel onbenoemde en bijgevolg onbekende en evenzeer onbestrijdbare terreinen welke worden afgebakend en geviseerd door, andermaal, evenzeer onbekende personen, groepen of instituten die bepaalde belangen delen waarop het volk geen enkel zicht heeft. In het onderzoek naar deze wantoestanden zijn geschoolde lieden geneigd om telkenmale het euvel in de schoenen te schuiven van ideologieën, terwijl maar al te vaak blijkt dat, vooral in deze tijden, ideologieën nog slechts dienst doen als vernislaag over minder verheven of kil pragmatische oogmerken. De vernislaag van de ideologie blijft echter haar werk doen zolang onmondige kinderen de hersenspoelingen of de persoonlijkheidsmisvormingen moeten ondergaan waarover sprake in het eerste deel van dit opstel, want menselijkerwijze is het vrijwel onmogelijk om af te rekenen met de beginselen waarop wij onze persoonlijkheid hebben gebouwd, zonder dat wij daarbij onszelf volledig dreigen te verliezen. Minder verheven, of zeer pragmatisch, zijn vaak de drijfveren van de geschiedenis en van wie eraan sleutelen: in twee woorden gaat het meestal alleen maar om naakte macht, gestuurd door hebzucht en egoïsme. Om te herinneren aan enkele kleine voorbeeldjes in de kerk: de aanvankelijk bijna verketterde orde van de Jezuïeten wordt plotseling erkend wanneer de kerk haar in de contrareformatie voor haar kar denkt te kunnen spannen. Priester Daens, maar ook pater Daminaan, moeder Theresa en Jeanne d' Arc ― om er maar enkele te noemen ― worden op handen gedragen nadat ze eerst verguisd werden, onopgemerkt bleven of zelfs levend werden verbrand, en in deze tragieken herhaalt en vertaalt zich de levensgeschiedenis van niemand minder dan de Messias, Christus, zelf.

Wie zijn "zij die hem hebben doorboord", zoals de Apocalyps van Johannes het zegt? Wie anders dan de instituten, de instellingen, de monsters zonder hoofd, de massa's, of, om een bijbelse terminologie te gebruiken: de 'legioenen' waarmee het wezen van de satan samenvalt? En of ze nu 'kerk' heten of 'staat' of eender hoe: zij hebben onderling dit gemeen, dat zij werken als blinde krachten, monsters, ofwel zonder kop, ofwel met meerdere koppen, wat op hetzelfde neerkomt, want zij dragen geen verantwoordelijkheid voor wat geschiedt, zij zijn alleen maar blinde machten, elk op hun eigen manier 'trouw' aan de trouweloze bij uitstek, zijnde het gouden kalf: die krankzinnige berg van geld, waarin mensen al hun energie steken en waaraan ze al het schone dat de aarde te bieden heeft opofferen, alleen maar om hem steeds hoger te maken.

De vandaag uitgeslotenen hebben geen verweer tegen de onzichtbare muren die middels moderne 'preken' rond hen opgetrokken worden, want deze muren zijn niet van steen, ze zijn psycho-sociaal. Niettemin hebben ze een directe en uiterst doeltreffende weerslag op het fysieke bestaan van de betrokken 'gevangenen', en dit via de minimalisering van de kansrijkdom van de ongelukkigen, welke tenslotte moet uitmonden in de totale verarming op elk niveau. Tegen deze massamoorden is elk verzet bij voorbaat uitgesloten, mede ingevolge de zelfgenoegzaamheid en de lafheid die worden in de hand gewerkt door instituten die mensen opdelen in kaf en koren, en die aldus het toekomstige werk van Christus zelf menen te mogen voltrekken, nog vooraleer het einde der tijden aangebroken is. Zij praten de veroordelingen goed, geheel in tegenspraak met het woord Gods zelf, terwijl zij ageren vanuit niets minder dan een welbepaald, doch voortdurend veranderend 'fatsoensbesef': een bewustzijn en bekommernis om het fatsoen, dat wil zeggen: om hoe zij bij anderen met zichzelf voor de dag komen, hoe zij eruit zien, welke indruk zij maken, en allerminst bekommerd om hoe zij in feite zijn. Niet voor niets is de term 'fatsoen' verwant aan de termen 'façon' (Fr.), 'face' (Eng.), 'facies' (Lat.) en 'fashion' (Eng.): het gaat inderdaad om niets minder dan oppervlakkige maskers en modes, echter verplicht aan te trekken of na te leven op straffe van uitsluiting door de wereld. Alleen het authentieke christendom biedt nog het perspectief ― en wat een geluk ― dat Gods rijk niet van deze wereld is.

De nieuwe brandstapels situeren zich in de verbranding van zielen in onder meer door het kerkendom gecreëerde frustraties en ergernissen, veroorzaakt door de hypocrisie van het 'sanhedrin'. De nieuwe boekverbrandingen verlopen feilloos dankzij de structurele en geïnstitutionaliseerde monddoodmakingen van alle mogelijke tegenstanders van wereldse belangengroepen, al dan niet samenzwerend in regerende of oppositie voerende 'establishments'. De nieuwe verketteringen geschieden in de veroordeling van de vrije ideeënvorming, de steeds verstrengende en achterdochtige controle daarop, de aanmoediging van massaculturaliteit en de bevordering van allerlei vormen van afhankelijkheid en van infantilisme. De nieuwe rechtspraak speelt zich af in het selectief en specifiek geïnterpreteerd misbruik van de dode letters der wet ter uitschakeling van tegenstanders allerhande ― een misbruik dat is geëvolueerd tot een specialisme dat een enorme behendigheid vergt van door machthebbers verloonde instituten van acrobaten, die met hun kunst dan ook alles kunnen bereiken omdat zij, naar believen van wie hen inhuurt, wat wit is als zwart kunnen verkopen en omgekeerd, en wie hen tart, heeft zichzelf a priori afgeschreven. De nieuwe bezetting laat zich ook voelen in de bezetting van de aandacht via zeer vele kanalen, waardoor die aandacht, het geheugen, de wil en het gedrag quasi volkomen worden bestuurd. Bijkomend probleem is dat van de fysieke, natuurlijke hernieuwing van de generaties, daar kinderen steeds weer van voren af aan moeten beginnen en zodoende de ervaringen missen van die gebeurtenissen die aan hun geboorte voorafgaan, zodat wij verbijsterd moeten vaststellen dat de meest corrupte politici, na enkele jaren van onderduiking, plotseling weer in trek blijken bij de jongsten onder ons.

Het onderwerp is te uitgebreid om binnen het bestek van dit opstel behandeld te worden, derhalve blijft het hier bij enkele algemeenheden. Eén zaak zou nu alvast duidelijk moeten zijn: de god van het licht, aanbeden sinds de oudste tijden, en ook aanbeden door alle volkeren uit de oudheid, werd gegijzeld. Het licht dat hij vanuit zijn eigen wezen verspreidde, is niet meer: het leven verloopt in een welhaast volstrekte duisternis, 'gestuurd' door blinden. Wij zijn elk aangewezen op het eigen kleine lampje, soms geven wij wat licht door aan een ander, of mogen wij iemands kaars of kandelaar lenen voor een uur. En dat zal zo doorgaan totdat ― zo durven wij te hopen ― deze nacht voorbij is, en de grote Mithras weer zijn licht laat schijnen op de wereld. Want een verlichting van menselijke makelij is volstrekte duisternis vergeleken bij het licht van de zon, dat niet gemaakt is, maar gegeven, door een andere, grotere en gullere hand. Zelfs de religies in hun beste doen gunnen ons slechts het zeer onrechtstreekse en gedempte licht van de maan, als ze dat al doen: een licht dat niet in staat is om schepselen te laten openbloeien en te doen leven; een licht dat zelfs de slaap niet kan verstoren van een mensheid die nog slechts droomt en niet veel anders doen kan dan zich aan nachtmerries over te geven, totdat een verhoopte, nieuwe ochtend aanbreekt.

>>>>>>


09-11-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.6

Literatuur

Inzake historische data, vooral gebundeld in paragraaf 20, werd gebruik gemaakt van de volgende naslagwerken:

- Bijbel, Nederlands Bijbelgenootschap, Amsterdam 1975 (1951);

- Ploetz, K., Kalendarium der wereldgeschiedenis, Het Spectrum, Antwerpen 1975 (1961);

- Algemene Winkler Prins Encyclopedie, Elsevier, Amsterdam - Brussel 1956.

Verder werd geciteerd uit of verwezen naar de volgende werken:

- Aristote, Topiques, Tome I, Livres I-IV, J. Brunschwig, Les Belles Lettres, Paris 1967;

- Bauwens, J., Trans-atheïsme, Serskamp 2003;

- Coppitters, R., De Oerwiskunde, Wortegem-Petegem 2005;

- Gilson, E., Introduction à l' étude de Saint Augustin, J. Vrin, Paris 1929;

- Noens, L., Het Jeanne d' Arc-syndroom, Bres BV, Amsterdam 1999;

- Vansteenbrugge, K., Grijsloke 2000, Grijsloke 2000;

- Vermeersch, E., Syllabi bij de colleges wijsbegeerte, U.G., Gent 1993;

- Vorländer, K., Geschiedenis van de wijsbegeerte, Het Spectrum, Antwerpen 1971 (1941).

-----------------------


11-11-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.AANBEVOLEN LECTUUR

AANBEVOLEN LECTUUR:
Ludo Noens, Het verborgen Lourdes. Occulte broederschappen, verzwegen verschijningen, het geheim van Rennes-Le-Chateau, Uitgeverij Elmar, Rijswijck / Van Haelewyck, Leuven. (204 blzn., geschraagd door meer dan 200 referentie-werken!) MEER INFO: 

KLIK
 http://www.bloggen.be/ludonoens/ 


Het verborgen Lourdes.
Hoe occulte genootschappen zich Maria toe-eigenden.  

"Jaarlijks trekken vijf miljoen bedevaartgangers naar Lourdes, de plaats waar in 1858 Maria Onbevlekte Ontvangenis aan Bernadette Soubirous verscheen. Maar in datzelfde jaar waren nog veertig andere dorpskinderen getuige van verschijningen: chaotischer en minder onbevlekt dan die aan Bernadette. Deze ‘verzwegen verschijningen’ wijzen in de richting van een aantal buitenissige geheime genootschappen die in het negentiende-eeuwse Frankrijk bloeiden en die zich lieten inspireren door de uiterst omstreden Orde van de Rozenkruisers. Sommige van deze fervent christelijke gezelschappen probeerden hun politieke doelstellingen met zeer onorthodoxe middelen te bereiken.
Wie of wat verscheen er nu precies in de grot van Massabielle? Alles wijst op een direct verband tussen reactionaire politiek-magische genootschappen en onrechtzinnige kunstgrepen achter de schermen van het wonderbaarlijke Lourdesgebeuren. En dat verband werpt ook een volkomen nieuw licht op een ander onverklaard gebleven historisch raadsel: dat van het geruchtmakende Rennes-le-Château..."

KLIK: http://www.bloggen.be/ludonoens/ 


21-02-2010
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Download dit boek in pdf
Download dit boek in pdf

Bijlagen:
mythras - OpenDocument-tekst.pdf (1.9 MB)   




Foto

Foto

Foto

Foto

Download gratis de intregrale tekst van dit boek als een makkelijk leesbaar en printbaar PDF-bestand (61 pp., A4, Times New Roman, 12 pt.)
Inhoud blog
  • Download dit boek in pdf
  • Download dit boek als PDF
  • AANBEVOLEN LECTUUR
  • 6
  • 5
  • 4
  • 3
  • 2
  • 1
  • Inhoud

    Boeken van dezelfde auteur.
    Om een boek te lezen, klik op de prent van de flap.

    Foto

    Foto

    Foto


    EN FRANCAIS:
    Foto
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Beluister hedendaagse klassieke muziek van dezelfde auteur: klik op de prent van de weblog hieronder.


    Foto



    Archief per week
  • 15/02-21/02 2010
  • 23/02-01/03 2009
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006

    Foto

    Foto


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!