Inhoud blog
  • Download dit boek in pdf
  • Literatuur
  • §57. Het ‘onmogelijke’ is noodzakelijk
  • §56. Hoop en transcendentie
  • §55. Noodzakelijk en onmogelijk - de inconsistente logica’s voorbij
  • §54. Werkelijkheid en waan
  • §53. Schepping
  • §52. Het noodzakelijk teleologisch karakter van de objectieve werkelijkheid
  • §51. De objectieve werkelijkheid gedefinieerd
  • §50. De gokker jaagt zichzelf buiten de werkelijkheid
  • §49. De gokker jaagt de steen buiten de werkelijkheid
  • §48. Kansrekenen en subjectiviteit
  • §47. De essentiële betekenis van de subjectieve component in de verklaring van het theorema van Bernouilli (de Wet van de Grote Getallen (Aantallen))
  • §46. De idee, de wil en de daad
  • §45. Het concept ‘toeval’
  • Vierde Hoofdstuk: : §44. Het concept ‘kunnen’
  • §43. Aanzet tot de principes van een subjectivistische verzamelingenleer
  • §42 (vervolg)
  • §42. Naar een subjectivistische verzamelingsleer
  • §41. Wat zijn wiskundige objecten?
  • §40. Concrete en wiskundige objecten
  • §39. Een noodzakelijke én onmogelijke grens
  • §38. Verzamelen en ontmoeten
  • Derde Hoofdstuk: Een Subjectivistische Verzamelingsleer : §37. De werkelijkheid ‘verzamelen’
  • MATHEMATICA CHRISTIANA: vervolg 1
    Zoeken in blog

    MATHEMATICA CHRISTIANA (2)
    OVER WISKUNDE EN TELEOLOGIE (2)
    12-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.§50. De gokker jaagt zichzelf buiten de werkelijkheid

    §50. De gokker jaagt zichzelf buiten de werkelijkheid

    Men kan zich nu de vraag stellen in welke werkelijkheid datgene wat zich afspeelt onder een pokerhoedje, zich dan wel voltrekt. En maken we ter beantwoording van deze vraag de vergelijking met het Kantiaanse probleem van het Ding an sich. Bij de behandeling van dit laatste probleem hebben we gezien dat het er niet toe doet of dat ding ook nog op zichzelf bestaat: dat is een irrelevante kwestie. In ons werkelijkheidsbeeld (zie de voorafgaande hoofdstukken) bestaan de dingen slechts in zoverre ze bestaan in functie het subject, meer bepaald: in functie van de ethische act. De dingen ontlenen hun betekenis aan de betekenis die ze hebben in functie van de ethische act. Met andere woorden: de dingen ontlenen hun betekenis aan de betekenis van de ethische act die de werkelijkheid zelf betekent, en die daardoor ook de dingen betekent. Zo kan een bepaalde daad pas goed of slecht zijn, wanneer hij gesteld wordt door iemand die de gevolgen van die daad kent. Zo bijvoorbeeld is studeren goed voor mij, omdat ik weet dat deze activiteit goede gevolgen heeft; studeren brengt immers meer geluk. Maar stelen is slecht, omdat ik weet dat stelen slechte gevolgen heeft; stelen maakt ongelukkig. Vandaar: indien ik een daad stel waarvan ik de gevolgen op generlei wijze ken, dan stel ik in feite geen daad, dan handel ik helemaal niet.

    Dit laatste moet echter genuanceerd worden. Want stel dat ik een daad kan stellen waarvan ik de mogelijke gevolgen ken, terwijl ik het feitelijke gevolg niet ken, dan bega ik een onvoorzichtigheid door deze daad te stellen, tenzij ik genoodzaakt word deze daad te stellen. In dit laatste geval is het dan weer zo, dat ik in feite geen daad stel, aangezien een noodzaak deze ‘daad’ van mij afdwingt. Is er daarentegen geen sprake van noodzaak, dan bega ik een onvoorzichtigheid door deze daad te stellen. Stel dat ik Russische roulette speel voor geld (stel: een ‘solonummer’), dan stel ik effectief een (ethische, dit wil zeggen: vrije en bewuste) daad: ik bega dan opzettelijk een onvoorzichtigheid, omdat ik de mogelijke gevolgen van mijn daad ken, zijnde: (a) mijn bezit vermeerderen, en (b) een kogel door mijn hoofd jagen, terwijl ik het feitelijke gevolg van mijn daad niét ken. Hetzelfde doe ik wanneer ik een bepaald bedrag investeer in de aankoop van een lot van de loterij: omdat ik het feitelijke gevolg van deze daad niet ken, is hij afkeurenswaardig want onvoorzichtig. Een uitzondering dient te worden gemaakt voor werkelijke kansspelen: dit zijn daden zoals de hier beschreven handelingen, waarbij echter niets op het spel staat, tenzij tijd, en waarbij het ‘tijdverdrijf’ eventueel verschoond zou kunnen worden omwille van z’n functionaliteit, bijvoorbeeld: ontspanning.

    Op het ogenblik dat wij beslissen om een beslissing te laten afhangen van het resultaat van een muntopgooi, is het niet zo dat wij onze beslissing terecht van ons afgeschoven hebben. Indien wij gedwongen worden tot het maken van een keuze, is het daarom beter om helemaal niet te kiezen, want door het opgooien van een munt liegen wij onszelf weliswaar voor dat we niet zelf beslissen, doch zijn we daarentegen verplicht om voor het werpresultaat verantwoording op te nemen. Wie een ‘gedwongen keuze’ aanvaardt, verlaagt zichzelf daarom tot een ‘muntstuk’, dus tot een ding. Niets is uitzichtlozer dan een ‘gedwongen keuze’ te aanvaarden. Het verwerpen van een ‘gedwongen keuze’ daarentegen, betekent het opnemen van verantwoordelijkheid voor de keuze van een werkelijkheid waarin geen enkele handeling amoreel is (of waarin dus elke handeling effectief een handeling is). Dit is een werkelijkheid waarin geen daden moeten gesteld worden waarvan men de gevolgen niet kent, met andere woorden: een werkelijkheid die men (door eigen schuld) niet hoeft te ondergaan, maar die men zelf kan sturen.

    Wie bijvoorbeeld een lot van de loterij aanschaft, doet dit in de eerste plaats met het oog op winst. Dit betekent dat hij een goed ziet in het vermeerderen van zijn bezit, en een kwaad in het verminderen van zijn bezit. Door de aanschaf van een biljet, begaat hij dan onoverkomelijk een kwaad, zodat hij de kwade handeling aanvaardt als de mogelijkheidsvoorwaarde voor de ‘goede handeling’. Maar het is duidelijk dat deze laatste, de ‘goede handeling’, in dat geval niet langer een ‘handeling’ is, aangezien ze niet ethisch van aard is: het is een gebeurtenis die louter wordt ondergaan. Beschouwt men ze daarentegen toch als een handeling, dan moet ze gezien worden als door een (bewust en vrij gestelde) kwade handeling geconditioneerd. Anders gezegd: de winnaar die zichzelf beschouwt als handelend in zijn gokpraktijk, moet tevens de schuld op zich nemen voor zijn voorafgaande verkwisting; de winnaar die daarentegen zichzelf beschouwt als gezegende door het lot, moet navenant het ethisch karakter van elke handeling die hij stelt ontkennen (- want erkennen als door het lot bepaald). Anders gezegd: wie de winst beschouwt als ‘toeval’, moet ook het feit dat hij deelnam aan het ‘kansspel’ als een ‘toeval’ beschouwen, en ontkent zodoende zijn vermogen tot het stellen van ethische daden of van daden zonder meer. Om die reden trouwens heeft het ‘kansspel’ als mediaspectakel een niet te onderschatten vernietigende invloed op het morele besef van een bevolking.

    Wanneer iemand gelooft een gebeurtenis afhankelijk te kunnen maken van een muntopgooi, brengt hij daardoor zijn vermogen tot handelen voor zichzelf in diskrediet, en geeft hij tegelijk krediet aan een werkelijkheid welke hij niet langer zelf beheerst, doch waardoor hij beheerst wordt. Hij gelooft dan in een werkelijkheid waarin hij een speelbal is, en aangezien de werkelijkheid waarin men gelooft (waarvoor men borg staat, namelijk middels z’n daden), de werkelijkheid is zonder meer, reduceert hij zichzelf daardoor tot een ding: hij gelooft afstand te kunnen doen van zijn eigen subjectiviteit. Een nefast gevolg hiervan bestaat erin dat hij zodoende zichzelf tevens in het onvermogen stelt om tot de intrinsieke erkenning van andere subjecten over te gaan.

    Wie het ‘kansspel’ aanvaardt (dit wil zeggen: wie het bedrijft), banaliseert zijn werkelijkheid; met andere woorden brengt hij zichzelf een ‘handicap’ toe. Hij gelooft zijn eigen werkelijkheid afhankelijk te kunnen maken van een gebeurtenis die zich buiten zijn werkelijkheid bevindt ( - de gokker jaagt de steen buiten de werkelijkheid -), maar eigenlijk stelt hij zodoende zichzelf buiten de werkelijkheid.


    14-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.§51. De objectieve werkelijkheid gedefinieerd

    §51. De objectieve werkelijkheid gedefinieerd

    In de voorgaande paragraaf zagen we dat het afkeurenswaardig is om te gokken, tenzij men tot het maken van de gok gedwongen wordt, en in dit laatste geval is het gokken geen handeling doch het ondergaan van een handeling. Indien mogelijk, moet men het weigeren aldus geobjectiveerd te worden. Indien dit echter onmogelijk is, dan moet men zich verplicht weten de oorzaak van het ontstaan van deze toestand, waarin men zich geobjectiveerd weet, te onderzoeken, en hem in de toekomst onmogelijk te maken door het aanbrengen van de daartoe noodzakelijke veranderingen.

    Gesteld dat ook dit laatste onmogelijk is, worden we geconfronteerd met een bijzonder probleem, namelijk de onafwendbaarheid van de kansrekening. En hierbij moet een bijzonder onderscheid gemaakt worden tussen twee mogelijke situaties. In de eerste situatie zijn de mogelijke gevolgen van de gok uitputtelijk, terwijl de actiemogelijkheden onuitputtelijk zijn. In de tweede situatie zijn de mogelijke gevolgen van de gok onuitputtelijk, ongeacht het al dan niet uitputtelijk zijn van de actiemogelijkheden. Welnu, dan kunnen we inzien dat het in de eerste situatie eigenlijk niet om een goktoestand gaat, aangezien we steeds kunnen bereiken wat we willen bereiken. Als ik een aas wil werpen, dan kan ik dat principieel doen, op voorwaarde dat ik een principieel eindeloos aantal pogingen kan ondernemen, met andere woorden: een aantal pogingen dat zo groot is dat dit het werpen van een aas, hetwelke één van een eindig aantal mogelijkheden is (bijvoorbeeld zes mogelijkheden), mogelijk maakt.

    In dat laatste geval is geen sprake van gokken in de eigenlijke zin, omdat ik in staat ben om elk ongewenst resultaat te negeren. Elk ongewenst resultaat heeft met andere woorden geen onomkeerbare invloed op mij, tenzij dan het feit dat het tijd in beslag neemt. Zodat we een wezenlijk onderscheid moeten invoeren tussen gokken, enerzijds, en proberen, anderzijds. We merken hierbij op dat het proberen steeds de terugkeer naar de oorspronkelijke situatie (dit is: de situatie van voor de gok) toelaat, terwijl het gokken onomkeerbare gevolgen heeft.

    In feite is dit verschil te vertalen tot een ander, dieper liggend verschil: de gevolgen van gokhandelingen worden geconstitueerd door afspraak; de gevolgen van probeerhandelingen echter, worden niet door afspraak geconstitueerd, doch door een objectieve werkelijkheid! Een voorbeeld: de winnaar van het dobbelspel is hij die als eerste een aas gooit; de ‘winnaar’ van de probeerhandeling echter, is diegene die het proberen volhoudt totdat hij zijn doel bereikt heeft. Merk op dat de eerste bereikt wat hij wenst te bereiken, terwijl de tweede bereikt wat hij wil bereiken. Wie aldus probeert om een aas te gooien, plaatst zichzelf nimmer buiten de werkelijkheid; wie echter, bijvoorbeeld in een dobbelspel, een aas wenst te gooien, plaatst zichzelf buiten de werkelijkheid - ook wanneer deze erin slaagt te winnen, dus wanneer zijn wens vervuld wordt, heeft hij zijn werkelijkheid verarmd, omdat hij nu eenmaal krediet gegeven heeft aan de gok.

    Op grond van het ontdekte verschil nu, kan het onderscheid tussen intersubjectiviteit en objectiviteit als volgt gedefinieerd worden. We weten reeds het volgende: intersubjectief zijn de gevolgen van (gok)handelingen, ontsproten aan de wens; objectief zijn de gevolgen van (wils)handelingen, ontsproten aan de wil. We leiden daaruit af: het objectieve is datgene wat relevant kan gewild worden; het intersubjectieve is datgene wat enkel relevant kan gewenst worden. En verder: het objectieve is datgene wat kan bereikt worden door en voor eenzelfde subject indien het door datzelfde subject gewild wordt; het intersubjectieve is datgene wat bereikt wordt door een subject indien het door meerdere subjecten gewenst wordt. In geval het om iets objectiefs gaat, is er sprake van een primordialiteit van het willen op het verwezenlijken; waar het echter gaat om iets intersubjectiefs is dit niet het geval: daar gaat weliswaar de wens vooraf aan het bereikt worden, maar deze wens garandeert het bereikt worden niet, althans niet waar de wens als een subjectieve activiteit wordt beschouwd. Vandaar: objectief is wat bereikbaar is krachtens de wil; intersubjectief is wat bereikbaar kan zijn krachtens de wens. Objectief is dus wat door een subject kan geactiveerd worden, dit wil zeggen: datgene wat, eenmaal het subject dat wil, daadwerkelijk geactiveerd wordt; intersubjectief is echter wat mogelijkerwijze geactiveerd wordt, onafhankelijk van de wil van het subject. Het objectieve is dus datgene wat ter beschikking staat van het subject (middels diens wil); het intersubjectieve wordt door het subject alleen maar ondergaan (indien het zich aan het bestaan daarvan onderwerpt). Vandaar: de objectieve werkelijkheid is die werkelijkheid waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van het subject.


    16-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.§52. Het noodzakelijk teleologisch karakter van de objectieve werkelijkheid

    §52. Het noodzakelijk teleologisch karakter van de objectieve werkelijkheid

    Hierboven maakten we het onderscheid tussen gokken en proberen, en op basis van dit onderscheid definieerden we de objectieve werkelijkheid als die werkelijkheid waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van het subject. Bekijken we hier nu het gokken, enerzijds, en het proberen, anderzijds, in hun relatie tot de wil, dan komen we via deze weg tot een andere objectiviteit die meteen duidelijk zal worden.

    Wanneer ik een handeling wil stellen, en nemen we meteen een concreet voorbeeld: ik wil mijn kopje thee nemen, dan wordt het feit dat ik mijn kopje wil nemen niet gevolgd door het feit dat ik het effectief neem, want ik kan er immers naast grijpen en het omgooien. Het feit dat ik mijn kopje wil nemen, wordt wel gevolgd door het feit dat ik een poging onderneem om mijn kopje te nemen. Dit doe ik door bepaalde arm- en handbewegingen te maken in de richting van mijn kopje, het oortje daarvan vast te grijpen, en het kopje tenslotte op te tillen. Het is mogelijk dat ik, doordat ik bijvoorbeeld mijn ogen op mijn beeldscherm gericht hou, naast het kopje en vervolgens naast het oortje grijp, zodat ik mijn bewegingen voortdurend moet corrigeren. Mijn bewegingen zijn dus geen gok waarbij ik hetzij het kopje neem, hetzij naast het kopje grijp, maar ze zijn daarentegen een proberende activiteit die, zichzelf voortdurend bijsturend aan de hand van de bedoeling, het doel naderbij komt en het tenslotte bereikt. Het is, met andere woorden, de aanwezigheid van een doel (in de vorm van een idee of een verwachting, een intentie, een wil), die maakt dat mijn handeling geen gok is, doch een proberen. Nog anders gezegd: de doelgerichtheid in mijn handeling maakt dat ze, veel meer dan een loutere gok, een probeerhandeling wordt.

    Het is nu ook duidelijk dat de probeerhandeling zich van de gok onderscheidt, in die zin dat een gok een enkelvoudige handeling is die zijn doel al dan niet bereikt en die vervolgens de handen van het handelende subject doet terugkeren naar hun uitgangspositie, terwijl de probeerhandeling een meervoudige handeling is, gedurende welke de handen waarnemingen doen aan de hand van welke het verdere verloop van de handeling georiënteerd wordt in functie van het bereiken van het doel. Een enkelvoudige gokhandeling is bijvoorbeeld het gooien van een dobbelsteen, die al dan niet op ‘aas’ belandt. Een probeerhandeling is dan bijvoorbeeld het met de handen doen kantelen van de dobbelsteen totdat het vlak met de ‘aas’ bovenaan ligt. Een enkelvoudige handeling is daarom geen handeling, omdat zij niet verricht wordt door de handen. Alleen als het om een meervoudige handeling gaat, kan er sprake zijn van een eigenlijke ‘handeling’. Een handeling wordt daarom gekenmerkt door zijn gestuurd-worden door een bedoeling (een doel, een idee, een betrachting, een wil), terwijl een niet-handeling (bijvoorbeeld een gok) gekenmerkt wordt door de afwezigheid van zo’n gestuurd-worden of een wil. De wens impliceert de heteronomie van de actor en aldus zijn passiviteit; de wil impliceert de autonomie van de actor of zijn activiteit. De wil zorgt voor een oriëntatie in de handeling, in die zin dat bij elk fragment van de handeling, aan de handen de vraag wordt gesteld of zij dichter bij het doel komen of niet. Met andere woorden: bij een handeling in de eigenlijke zin (en dus een handeling gedreven door de wil), gaat het actieve grijpen (het ‘doen’) noodzakelijk gepaard met een passief tasten (een ‘ondergaan’), waarbij tijdens het tasten die informatie wordt bekomen welke noodzakelijk is voor het doelgerichte grijpen. In het doelgerichte handelen (het handelen in de eigenlijke zin van het woord) is dus sprake van een noodzakelijke dialoog tussen handelen en ondergaan, een spel van bevelen en gehoorzamen, een zich noodzakelijk schikken naar de externe orde, teneinde deze te kunnen benutten in functie van het doel. Zoals de mens de natuur pas kan onderwerpen aan zijn wil wanneer hij zich eerst bereid toont om kennis te nemen van haar wetten, zo ook moet elke (wils)handeling deze kennisname van het externe insluiten teneinde een (wils)handeling te kunnen zijn. Elke handeling is zodoende een aaneenschakeling van haar eigen fragmenten die kleine gokjes zijn, welke allemaal samen méér dan één grote gok vormen, precies omdat ze zich onderling zodanig oriënteren tegenover elkaar, dat ze het doel naderbij komen (totdat dit bereikt wordt). Elk fragment van de handeling vraagt aan het externe (door middel van het ‘tasten’ - dit kan vanzelfsprekend ook andere passieve waarnemingen inhouden, zoals het zien, het horen, enzovoort) of het al dan niet dichterbij het doel gekomen is; het krijgt een antwoord (‘ja’ of ‘neen’) en omdat het zich kan herinneren wat het zelf inhield, kan het een volgend fragment produceren dat met het antwoord op het voorgaande rekening houdt, zodat het dichter bij het doel komt. (Bijvoorbeeld: ik ga naar rechts, voel dat ik niet dichterbij kwam, en ga vervolgens naar links, voel dat ik dichterbij kwam, en ga weer naar links, enzovoort, net zoals in het kinderspel ‘warm en koud’, waar iemand geblinddoekt naar een verborgen voorwerp zoekt, terwijl die zich telkens mag informeren bij de omstaanders die in geval van naderen ‘warm’ roepen en in het andere geval ‘koud’). Elk stukje van de weg moet afgelegd worden op dezelfde manier, dit wil zeggen middels die voortdurende feed-back, waarbij steeds dezelfde vraag wordt gesteld: “kom ik zo dichter bij het doel?”. In geval het bijvoorbeeld gaat om het grijpen van een kopje, wordt deze vraag gesteld aan het oog, en uiteindelijk bevestigend beantwoord door de tastzin, die zich tot zolang op het oog verlaat. Het oog heeft het doel, dat het vastgrijpen is, ‘in zicht’, terwijl het zelf niet kan grijpen, en het grijpen moet zich zolang op het oog vertrouwen - een symbiose zoals die van de blinde met de kreupele ziende die hij op zijn rug meevoert. De grijpbekwame doch blinde hand wordt gestuurd door het oog dat zelf niet grijpen kan, en bereikt zodoende het doel. De evaluatie van elke kleine ‘gok’ maakt de daarop volgende tot meer dan een loutere gok: het wordt een gestuurd handelingsfragment. En ook het volgende fragment, verrijkt met de feed-back van het voorgaande, wordt gestuurd. Zo wordt elk fragment gestuurd, in die zin dat het elk voorgaande bijstuurt, zodat de gehele handeling verschijnt als een ketting van haar fragmenten, veeleer dan als een loutere opeenvolging van losse gokjes. De continuïteit in de handeling wordt aldus mogelijk gemaakt door (1°) haar fragmentering, en (2°) de ordening van deze fragmenten middels hun situering ten opzichte van één bepaald doel. Hiervoor zijn aldus vereist: (1°) de deelbaarheid van de handeling, of: haar verloop in de tijd-ruimte, dus: haar menigvuldigheid en, (2°) de waarneming van de handelingsfragmenten en de ordening van deze waarnemingsgegevens in een geheugen dat tevens de verwachting (van het doel) bevat. Een handeling verloopt met andere woorden noodzakelijk gecontroleerd, en zij verloopt gecontroleerd indien zij bestaat uit meerdere fragmenten waarvan de toenaderingswaarde tot het doel kan medegedeeld worden aan de actor, die elk streefhandelingsfragment aldus evalueert (dit is: waardeert in functie van de bedoeling).

    Bij het gokken nu, is er geen sprake van fragmentering van de handeling, en dus is daar ook bijsturing en controle over de handeling uitgesloten, zodat de gok geen handeling kan genoemd worden: de gok is enkelvoudig, en een ‘enkelvoudige handeling’ is een contradictio in terminis.

    De handeling, als gebeurtenis, vertoont daarom een patroon van doelgerichtheid. Als een man, voorzien van een stadsplan van Gent, en vertrekkende van de Sint-Baafsabdij, zich verplaatst naar de Sint-Baafskerk, zal de door hem gevolgde weg een bepaald patroon vertonen: hij gaat over de Gebroeders Van Eyckbrug, langs de Bisdomkaai en de Maaseikstraat naar het Sint-Baafsplein, want dat is de kortste weg. Maakt men abstractie van de bedoelingen van zo’n schare wandelaars die men de ene na de andere en met dezelfde opdracht aan de Sint-Baafsabdij zou droppen, dan verschijnt ons deze bedoeling in de vorm van een terugkerend patroon: eenzelfde, door elk van hen gevolgde route. Men zou middels meting kunnen uitmaken dat zij een ‘kortst mogelijke’ route volgen en daaruit zou men mogen besluiten dat zij een ‘meest doeltreffende’ route volgen. Het patroon in de handeling, weerspiegelt het (onzichtbare) doel van de handeling. Waar het doel behoort tot een ideële, onzichtbare wereld, manifesteert het zich niettemin in deze wereld in de vorm van een patroon. Dit patroon nu, weerspiegelt een objectieve werkelijkheid.

    In het voorgaande hoofdstuk zagen we dat de objectieve werkelijkheid, die werkelijkheid is waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van het subject. Hier kunnen we besluiten dat, gezien elke doelhandeling zich manifesteert middels een vast patroon, deze objectieve werkelijkheid zich manifesteert als een specifiek patroon. Anders gezegd: noodzakelijkerwijze zal de objectieve werkelijkheid zich manifesteren als een teleologisch gebeuren.




    Foto

    Foto

    Foto

    Boeken van dezelfde auteur.
    Om een boek te lezen, klik op de prent van de flap.

    Foto

    Foto



    EN FRANCAIS:
    Foto
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Beluister hedendaagse klassieke muziek van dezelfde auteur: klik op de prent van de weblog hieronder.


    Foto


    Archief per week
  • 15/02-21/02 2010
  • 25/12-31/12 2006
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 22/05-28/05 2006


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!