de Laurentii
Dignitas Amore Laboreque
Inhoud blog
  • Verhalen Lauwens & Lauwers
  • 1655 – Peter Lauwers en Johanna Persoons, stamouders van de Leestse Lauwens en Lauwers families
  • Kleine mensen in de Grooten Oorlog
  • Halloween en de heks van Eppegem
  • Vrijdag de 13de – Over tempelier ridder Boudewijn van Praet
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    02-07-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verhalen Lauwens & Lauwers
     

    Zo’n 250 verhalen uit het genealogisch onderzoek naar de families Lauwens en Lauwers werden gebundeld in een e-book van zo’n 360 bladzijden. Je vindt dit e-book op: http://www.adrive.com/home/downloadfile/959138b8fcc0a6ccb2f4a56b6a29c279af901d8b6e5e6d7f703d52c7a1778958 

    Om toegang te hebben tot deze informatie, is het nodig een (gratis) account te openen op Adrive.com . Gratis = keuzeoptie “Basic” waarbij je zelf 50 GB schrijfruimte ter beschikking krijgt voor documentopslag.

    Hou rekening met een poosje opladen (afhankelijk van de snelheid van je pc en internetverbinding) – het gaat om een bestand van ongeveer 20 Mb. Vervolgens kan je dit opslaan.

    xml:namespace prefix = o />De verhalen werden aangevuld met een selectie van gezinsreconstructies van de Hombeeks-Leestse stamlijn.

    P.S. Uit ervaring blijkt dat de link het best werkt wanneer je, na registratie op Adrive.com, eerst aanmeldt en dan, eens aangemeld, de link activeert.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    02-07-2010, 19:28 geschreven door Pal  
    Reacties (0)
    20-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1655 – Peter Lauwers en Johanna Persoons, stamouders van de Leestse Lauwens en Lauwers families

    Leest ligt midden in het stamgebied van mijn voorouders in de 16e en 17e eeuw. Langs vaders kant huwde de Hombeekse Peter er met Jeanne Persoons in juli 1655, en zij waren stamouders van onze familie. Langs moeders zijde woonde de Van Praet familie er ook al eeuwen. Ik stelde een draaiboek op om een 9-tal locaties te gaan fotograferen en maakte een afspraak op in oktober 2007 met Antoon Lauwens (van Leest) en Maria Lauwens (van Hofstade, afkomstig van Leest) om eens op verkenning te gaan. Het werd een historische en ook emotionele ontdekkingstocht. Stukjes familiegeschiedenis uit archiefdocumenten kwamen tot leven. Een bezoek aan het kerkhof van Leest was allicht het meest treffend omdat ik er heel wat 'oude bekenden' tegenkwam. Zowat alle families en mensen die er hun rustplaats vonden, lijken wel een band te hebben met de familie. Niet minder aandoenlijk was het om kennis te maken met de levende en verwante Lauwens. Al gaat de verwantschap enkele generaties terug, want Antoon en Maria’s grootvader was een broer van mijn overgrootvader. Ik voelde mij op een vreemde manier verwant, zoals bij een nonkel of tante die je door omstandigheden enkele decennia niet meer hebt gezien.
    Peter Lauwers (of Lauwens), wiens voornaam volgens de oude spelling als Peeter werd gespeld, is stamouder van het geslacht Lauwens van Leest. De afkomst van Peter Lauwers bleef lange tijd onzeker. In Leest was er van hem pas een spoor bij zijn huwelijk in juli 1655 met Johanna Pers(s)oons. Pas in 2008 werd duidelijk dat Lauwers Petrus werd geboren op 31 mei 1628 te Hombeek als zoon van Jan Lauwers en Anna Verburcht, al kon dit niet met akten worden gestaafd. 

    De naam Lauwers of Lauwens kwam begin jaren 1600 nochtans wel voor in Leest. Er was een Anna Lauwers, wiens naam bij de geboorte van haar kind Katrien Bulens op 14 augustus 1622 werd gespeld als 'Anna Lauvers', en bij de geboorte van haar dochter Maria Bulens op 8 april 1627 als 'Anna Lauwers'. Deze Anna Lauwers was op 3 oktober 1621 in Leest gehuwd met Peter Bulens. Zij overleed op 27 december 1630 te Leest, vermeld als 'Anna Lauwens'. Deze vrouw bleek verwant met Peter Lauwers. Er zijn heel wat gezinnen Lauwers en Lauwens opgetekend tot zes generaties eerder dan Peter in de streek o.m. te Grimbergen, Humbeek en Hombeek, en in mindere mate te Beigem, Eppegem, Ossel, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise en Ramsdonk. De oudst verwante stamvader was Gheert Lauwers, meier te Kapelle-op-den-Bos voor de hertogen van Brabant, geboren in 1420 en woonachtig in de grensstreek Leest-Hombeek blijkens een melding in 1517. Leest lag op de weg naar Mechelen. Het oorlogsgeweld de eeuw voordien had heel wat mensen op de vlucht gedreven en families ontwricht. Kerken, hoeven en dorpen in de streek waren verwoest. Beigem werd voor 1592 b.v. grotendeels verwoest en de kerk afgebrand en de kerk van Strombeek werd in 1579 verwoest door de geuzen. Op het einde van de 16de eeuw ging ook de kerk van Leest bijna totaal in vlammen op. Dichter bij de geboorte van Peter, waren er meldingen van de pest die uitbrak in Grimbergen in 1629-1630. 
    Aan Peter Lauwers zouden de Leestse nakomelingen hun bijnaam "die van de graaf" te danken hebben. Het ziet er naar uit dat Peter inderdaad voor een graaf heeft gewerkt [1].

    Peter Lauwers huwde op 5 juli 1655 te Leest met Johanna Persoons. Zij werd geboren op 11 november 1630 te Hombeek als dochter van Peter Persoons en Katrien Meulemans (ook 'Moldermans'). Getuigen waren Peter Persoons en Jaak Ilias. Het gezin Lauwers-Persoons woonde in Leest. Net als bij de vader, werd bij de kinderen de naam meestal gespeld als "Lauwers". Kinderen uit dit huwelijk:

    o    Een eerste zoon, Lauwens Rumoldus (ook Rombout Lauwers) werd gedoopt in oktober 1655, amper vier maanden na het huwelijk. Doopgetuigen waren Jaak Elias, Rombout Mares (die het kind de voornaam schonk) en Clara Van Den Broeck. 

    o    Lauwens Joannes (ook Jan Lauwers) werd gedoopt op 19 maart 1657 als tweede kind. Doopgetuigen waren Jan Vantielen de Jonghe en Katrien Van Nieuwenhuize. 

    o    Lauwens Simon werd gedoopt op 26 augustus 1658 als derde zoon. Doopgetuigen waren Simon de Voocht en Marie Adriaenssens. 

    o    Lauwens Petrus, (ook Pieter Lauwers) een vierde zoon, werd gedoopt op 11 maart 1660. Doopgetuigen waren Peter Persoons, thans gekend als de vader van de bruid, en Anna Verburcht, thans gekend als de moeder van de bruidegom. 

    o    Lauwens Andreas, (ook André Lauwers) een vijfde zoon, werd gedoopt te Leest op 24 maart 1662, en overleed nog geen jaar oud op 7 februari 1663. Doopgetuigen waren André Diddens, Petronella Lauwers en Maria de Clerck [2]

    o    Lauwens Anna Maria (ook Anne Marie Lauwers) was de eerst geboren dochter, gedoopt op 25 januari 1664. Ook zij overleed op jonge leeftijd, voor haar zesde verjaardag op 30 oktober 1669. Doopgetuigen waren Peter De Laet en Anna Van Hanswijck.

    o    Lauwens Franciscus (ook Frans Lauwers) werd gedoopt op 8 december 1665, bijna twee jaar na Anna Maria. Doopgetuigen waren Jan Verhoeven, Anna Francoise Dijver en Maria Carolina (de) Bouvekercke. 

    o    Lauwens Jacobus (ook Jacques Lauwers) werd gedoopt op 21 september 1667. Hij overleed jong, amper 5 maand oud op 14 maart 1668. Doopgetuigen waren Jaak Bulens en Josina Lauwers. 

    o    De laatst bekende zoon uit dit huwelijk, was Lauwens Judocus, (ook Joos Lauwers), gedoopt te Leest op 12 augustus 1669. Doopgetuigen waren Joos De Laet en Maria Loycx.

    Mijn stamlijn Lauwers/Lauwens uit Leest

    1620 VIII Jan Lauwers te Hombeek
    |

    1655 IX Peter Lauwers te Leest
    |
    1680 X Rombout Lauwens te Leest
    |
    1713 XI Jan Lauwens te Leest
    |
    1748 XII Antoon Lauwens te Leest
    |
    1778 XIII Jan Baptist Lauwens te Leest
    |
    1811 XIV Jaak Lauwens te Leest
    |
    1858 XV Hendrik Lauwens te Tisselt (*)
    |
    1891 XVI Jan Frans Lauwens te Londerzeel
    |
    1932 XVII Frans Emiel Lauwens te Kapelle-op-den-Bos
    |
    1959 XVIII Willem Lauwens te Kapelle-op-den-Bos
    |
    1988 XIX Patrik Lauwens te Berlaar

    (*) Gemeenschappelijke voorouder met Antoon en Maria, vermeld in het voorwoord

    Anna Verburcht was meter bij de geboorte van Peters zoon Peter op 11 maart 1660 te Leest - en dat is toevallig ook de schrijfwijze die voor Anna Verborcht uit Hombeek bij de geboorte van hààr zoon Peter werd gehanteerd. Noch van deze Anna Verburcht noch van Peter vonden we in Hombeek later nog een spoor, maar we weten dat zij, of een naamverwante (al kwam de naam voordien bij ons weten niet voor in Leest), op 9 november 1646 te Leest huwde met Jan Aerts. Deze Jan Aerts overleed op 1 september 1650 te Leest. Dit zou ook verklaren waarom noch Jan Aerts als eventuele stiefvader, noch Jan Lauwers als vader (overleden vóór 1645) werden vermeld bij het huwelijk of de bij de dopen van de kinderen van Peter te Leest.

    Bij het huwelijk werd 'Joanna Verbuercht' opgetekend - en ook die schrijfwijze benadert een veel voorkomende schrijfwijze van haar naam in Hombeek bij de geboorte van haar kinderen waarbij 'Verbeurcht' werd vermeld. Het is bekend dat Anna Verborcht of Verburcht enkele jaren na de geboorte van haar jongste kind Liesbeth (geboren op 4 mei 1642 te Hombeek) weduwe werd en te Leest hertrouwde - Zij moet toen ongeveer 45 tot 50 jaar oud zijn geweest. Dat zou ook kunnen verklaren hoe Peter Lauwers in Leest terecht kwam. De families Lauwers en Aerts waren ook in Hombeek verwant: er is een huwelijk van Willem Lauwers met Jeanne Aerts op 5 januari 1688 te Hombeek. In Leest was Jan Aerts was gehuwd huwde met Gielis Persoons. 

    Wat dit alles nog meer aannemelijk maakt, is dat Peter Lauwers uit Hombeek een jongere zus Josina had, geboren op 6 juni 1640 te Hombeek, die meerderjarig als meter kon optreden bij één van Petrus kinderen. Bij de geboorte van Jaak Lauwers, een zoon van onze Peter uit Leest in 1667, werd Josina Lauwers als meter vermeld. Nu we weten dat het om dezelfde Peter ging te Hombeek en te Leest, bleek dat de tweede zoon de naam van de Hombeekse vader meekreeg: Jan, een naam die overigens relatief zelden voorkwam bij Lauwens en Lauwers in Leest. Nog een aanwijzing vonden we in het huwelijk van Greet Lauwens, een dochter van Filip Lauwers, geboren op 7 augustus 1652 te Hombeek, en een nicht van de Hombeekse Peter, die op 13 juni 1679 te Hombeek met Corneel Van Coetsem huwde: hun kinderen werden geboren in Leest en Corneel Van Cutsem zou er wonen tot bij zijn overlijden op 6 juli 1724. Corneel Coetsem (alweer afwijkende schrijfwijze) was geboren op 23 maart 1645 te Leest als zoon van Laurent Coetsem en Katrien De Bolloo. Als dit plaatje klopt, is Anna Lauwers, die al eerder op 3 oktober 1621 in Leest was gehuwd met Peter Bulens, een verwante van Peter Lauwers. Zij zou een nicht zijn van Jan Lauwers (de vader van Peter), als kind van Peter Lauwers en Greet Huysmans uit Hombeek.

    (Afbeeldingen) Kaart uit 1723 met daarop het Hof 'Van den Broecke' te Leest, bezit van de adellijke familie de Clercq de Bouvekercke [3]. Zeer waarschijnlijk hebben de nazaten van Peter Lauwers hun bijnaam "die van de graaf" te danken aan hun relatie met de families de Clercq de Bouvekercke (aangetrouwd met een burggraaf Jean Gerlays) en Van den Broecke (leenman). - Het 'Hof Van den Broecke' uit 1910) Het “Hof Van den Broecke” lag in de grote Zennebocht te Leest. Het omvatte een grote kouter van 120 bunder en het merendeel van de Leestse beemden. Tussen 1321-1324 was Jan Van den Broecke heer van de leenhoeve. In de 16e en 17e eeuw kwam het in handen van de heren de Clerc de Bouvekerke (zie ook verwijzing bij de peters en meters van de kinderen van Peter Lauwers en Jeanne Persoons vanaf 1655).
     

    Peters echtgenote Johanna overleed kort na de geboorte van Joos, op 19 september 1669. Dit maakt dat Peter Lauwers achterbleef met heel wat jonge kinderen: Rombout was als oudste net geen 14, Jan was 12, Simon was 11. De jongste kinderen Frans en Joos waren net geen 4 en net een maand oud.  

    Na het overlijden van Johanna, wordt het wedervaren van Peter onduidelijk. Wij vermoeden sterk dat hij, vermeld als Petrus Lauwens, enkele maanden later op 3 december 1669 te Leest hertrouwde met Anna Bulens. De verwantschap met deze familie en de bijzondere omstandigheden - Hij had nog heel jonge kinderen die moesten worden opgevoed - zouden dit ook begrijpbaar maken. De getuigen bij dit huwelijk waren Jaak Bulens (vermeld als peter in 1667 van één van de kinderen in het huwelijk Lauwers-Persoons) en Nicolas Loycx (gehuwd met Anna Persoons, een dochter vermeld als meter van één van de kinderen in het huwelijk Lauwers-Persoons in 1669). Die vermeldingen waren ook 'recent' ten opzichte van de tweede huwelijksdatum. 

    Omdat noch van Peter, noch van Anna, voor de periode na hun huwelijk te Leest nog een spoor wordt gevonden, is het ook mogelijk dat zij uitweken naar een andere gemeente en dat er uit dit tweede huwelijk nog kinderen werden geboren. Er zijn meerdere aangetoonde verwantschappen tussen de families Lauwers/Lauwens en Bulens: Anna Lauwers uit Leest was er in 1621 gehuwd met Peter Bulens. De peter van Peters en Johanna's zoon Jaak heette in 1667 Jaak Bulens. Bij de nazaten van Peter Lauwers traden ook telgen uit de familie Bulens op: Rombout Bulens was in 1702 peter van kleindochter Maria Lauwens, Willem Bulens was peter in 1728 van achterkleinzoon Willem Lauwens, Jan Bulens was peter van achterkleindochter Anna Catharine Lauwens in 1738.

    Zo is er Maarten Lauwens (ook Lauwers), een mogelijke zoon uit een tweede huwelijk, die te Leest huwde met Liesbeth Van Geem op 21 juni 1692. De kinderen werden geboren te Hombeek. De familie Van Geem was verwant met Persoons: Bart Perssoons huwde Anna Van Geem op 26 mei 1687 te Leest. Ook later zijn er nog verwantschappen tussen beide families. Zo huwde Josina Lauwens (overleden op 19 maart 1754 te Kapelle-op-den-Bos) op 27 juli 1716 met Corneel Van Geem (overleden 2 februari 1776); kinderen: Anna Van Geem °1717-05-16, Gerard Van Geem °1719-10-04, Clara Van Geem °1721-04-18, Marie Katrien Van Geem  °1725-09-09.

    Wij vermoeden ook dat Peter Lauwers (mogelijk na enige tijd de gemeente te hebben verlaten) te Leest overleed op 20 september 1693. Er is melding van een "Peter Lanens" die toen te Leest overleed en noch de familienaam, noch de persoon lijkt anders te duiden. De toenmalige pastoor, Michael Gijsens, was op 31 juli 1693 overleden, en het duurde tot april 1694 eer hij werd vervangen. Mogelijk kende de vervangende pastoor de correcte schrijfwijze van de familienaam van Peter niet. Anna Bulens is mogelijk de Anna Bulens die er op 5 november 1698 overleed.

    Verwantschappen met Leestse families

    Bij de huwelijks- en doopgetuigen vinden we verschillende verwijzingen naar families die in de streek woonden in deze periode: er waren verschillende gezinnen Elias (ook Eliaerts en Ilias) in Eppegem en Zemst. Jaak Elias, wiens naam als "Ilias" werd gespeld, die peter was van Rombout, was te Leest gehuwd met Anna Feermans op 5 februari 1668. Hij was koster van de Sint-Niklaaskerk. 
    Er waren verschillende gezinnen Pers(s)oons in Leest, in Hombeek, in Willebroek, in Humbeek, Kapelle-op-den-Bos, Malderen en Ossel. Peter Persoons (generatie vóór Peter) die als getuige optrad, was de vader van Johanna,
    geboren op 28 oktober 1597 te Hombeek als zoon van Stefaan Persoons en Marie Verlinden, en hij was op 26 september 1621 te Leest gehuwd met Katrien Moldermans (of Meuldermans). Deze  Peter Persoons overleed op 16 januari 1663 te Leest en zijn vrouw overleed er op 21 mei 1660. Een zoon, Jan Persoons (zelfde generatie als Peter Lauwers), werd geboren op 10 maart 1641 en huwde op 20 juli 1673 te Leest met Katrien Cokelbergh (° 21 mei 1651 te Leest, + 15 februari 1686 te Leest). Een zoon van dit huwelijk, Willem Persoons  (generatie X), werd geboren op 16 september 1677 te Leest. Willem Persoons huwde op 27 september 1707 te Zemst met Catharina Cnops, en overleed op 8 juli 1749 te Zemst.

    Merk ook dat Laurens Lauwens op 6 juli 1676 te Hombeek huwde met Liesbeth Van Beveren, een dochter van Willem Van Beveren en Catharina Persoons. Eén zoon, Peter Lauwens, huwde in 1737 te Leest (getuige Frans Elias), en een andere zoon, Bertel Lauwens, huwde op 25 juni hetzelfde jaar in de Sint-Katelijne parochie te Mechelen met Marie Voet. Emerentia De Ridder, de echtgenote van Jan Lauwens, een kleinzoon van onze Peter Lauwers uit Leest, was meter van het eerste kind van Bertel en Marie. Emerentia's man Jan Lauwens trad in 1741 bovendien op als voogd voor de kinderen van Bertel bij een uitkoop van een huis met land te Battel bij Mechelen. Het zijn bijkomende aanwijzigingen van de verwantschappen tussen de families in Hombeek en Leest (en Battel) zichtbaar in de volgende generaties.

    Gezinnen Van Nieuwenhuize (verschillende schrijfwijzen) kwamen voor in onder meer Zemst, Ossel, Brussegem en Wolvertem. De Clara Van Den Broeck die optrad als getuige bij het doopsel van Rombout, is vermoedelijk de Clara "Van Den Brouck" die op 24 september 1656 te Leest huwde met Jan Buelens. Dit wijst nogmaals op een verwantschap met de familie Bulens. Haar vader Nicolas Van Den Brouck was op 15 oktober 1621 te Leest gehuwd met Dimpna Persoons (°15 oktober 1602 te Leest als dochter van Stefan Persoons en Marie Verlinden, een nonkel en tante van Johanna Persoons, en er overleden op 1 september 1692). Deze Van den Broeck familie pachtte in de 16e en 17e eeuw het 'hof Van den Broecke' als leenman van de familie de Clercq de Bouvekercke.  

    De familienaam De Laet (Peter De Laet, doopgetuige in 1664, Jaak De Laet, doopgetuige in 1669) duikt 33 jaar later opnieuw op als doopgetuige bij een kleinkind Maria Lauwens (meter Maria De Laet) in 1702. Vermoedelijk is Peter De Laet de man die op 19 januari 1652 te Leest was gehuwd met Jeanne Ceulemans. De familie De Laet was verwant met de familie Diddens, en met een familie De Jonghe. André Diddens die als doopgetuige optrad in 1662, was te Leest gehuwd met Elisabeth Vleminckx op 9 mei 1651.

    Maria Loyckx die als getuige optrad in 1669, was de vrouw die te Leest huwde met Arnold De Prins op 12 januari 1670. Zij was geboren te Leest op 15 april 1648 als dochter van Nicolas Loyckx (Loickx) en Anna Persoons (geboren op 15 maart 1612 te Leest als dochter van Stefan Persoons en Marie Verlinden, een nonkel en tante van Joanna Persoons, gehuwd op 14 augustus 1644) van wie een grafschrift is gebleven in de Sint-Niklaaskerk: "Hier leijt begraven Nicolaus Loijckx oudt 86 jaeren sterf den 5 december 1704 ende Anna Persoons sijne wettighe huysvrouwe die sterft de 9 november 1680." Katrien Van Nieuwenhuyze die in 1657 optrad als doopgetuige, was op 26 juli 1656 te Leest gehuwd met Matthias Perssoons, een oudere broer van Joanna Persoons, geboren op 25 juli 1622 te Hombeek.

    We hebben geen direct spoor van Jan Verhoeven te Leest, maar de familienaam komt in ieder geval regelmatig voor in de parochieregisters van de volgende eeuw. Anna Van Hanswijck die als doopgetuige optrad in 1669, huwde op 24 november 1648 te Leest met Jan Verlinden. Deze Jan Verlinden was vermoedelijk een zoon geboren op 11 februari 1630 te Hombeek, van Peter Verlinden en XML:NAMESPACE PREFIX = ST1 />Marie Lauwens (ook gespeld als Laurens, gehuwd op 20 augustus 1617 te Hombeek) - Ann Verburcht was meter van een oudere broer van deze Jan Verlinden.

    De verwantschappen tussen de verschillende Leestse en Hombeekse families in de periode vóór, en de decennia na het huwelijk, blijken ook duidelijk bij de doopsels van de kinderen van Gerard Sleeubus en Greet Verlinden te Leest:

    • bij het doopsel van Gielis Sleeubus op 24 april 1644 traden Gielis Fierens en Anna Verdonck op als peter en meter;
    • bij het doopsel van Ann Sleeubus op 18 augustus 1645, was Jan Zegers peter en Ann Vercraenen meter;
    • bij het doopsel van Joanna Sleeubus op 14 maart 1647, was Christof Van Hemelrijck peter en Joanna Huijbens meter;
    • bij het doopsel van Marie Sleeubus op 11 februari 1648, was Gielis Muyldermans peter en Marie Coeckelberghs meter;
    • bij het doopsel van Jan Sleeubus op 11 april 1652, was Jan Verlinden peter en Greet Peeters meter;
    • bij het doopsel van Liesbeth Sleeubus op 11 maart 1653, was Peter Huysmans peter en Liesbeth Kempens meter;
    • bij het doopsel van Jaak Sleeubus op 13 februari 1655 was Greet Vercraenen doopgetuige in de plaats van Jaak Bulens, en was Katrien Van Vaeck meter;
    • bij het doopsel van Clara Sleeubus op 4 januari 1657, was Henri Keersmaekers peter en Clara Van Den Broeck meter;
    • bij het doopsel van Antoon Sleeubus op 20 juni 1659, was Laurent Elias doopgetuige in de plaats van Antoon De Munck, en was Anna Perssoons meter;
    • bij het doopsel van Katrien Sleeubus op 28 oktober 1661, was Peter Lauwers peter en Katrien Bulens meter.

    Er waren huwelijken tussen de afstammelingen van Peter en Johanna met de families Sleeubus, Van Vaeck, Fierens, Verlinden. Zegers/Segers waren bijvoorbeeld verwant met de Lauwens/Lauwers families te Sint-Amands in 1620.

    [1]  Uit de overlevering weten we ook dat de families Lauwens die afstamden van Peter Lauwers uit Leest de bijnaam "die van de graaf" meekregen. Mogelijk werkten familieleden uit Peters tak van de familie in dienst van een graaf (zie ook de vermeldingen bij de doopgetuigen die wijzen op een band met adellijke families: de Clerck, de Bouvekercke).  Ook de Humbeekse en Grimbergse Lauwens en Lauwers telgen werkten soms voor adellijke families, in het bijzonder voor de 'heren des cooninc' of de hertogen van Brabant.  Vermoedelijk was er ook een band met de graaf van Humbeek. Het 's Gravenkasteel van Humbeek werd in 1644 verkocht aan Boudewijn Le Cocq van Normandië. - [2] Het gaat hier om Maria de Clerck en Maria Carolina de Bouvekercke. 'Noble dame Margte de Clercq dite de Bouvekercke' werd in 1713 vermeld in een grafschrift in de Sint-Niklaaskerk te Leest als echtgenote van "Jean Gerlaijs, vivant vicompte Dupigny Seigneur haut Justicier du dit lieu seigneur de Creux, Hedenge, membre des états du comté de Namur" De familie de Clerck-de Bouvekercke was een adellijke familie van wie o.m. ridder Willem in 1500 werd vermeld als schout van Mechelen. De familie was rond die tijd eigenaar van Hagelstein, en hun wapenschild siert nog steeds de gelijknamige school te Sint-Katelijne-Waver. Tussen 1531 en 1565 verkocht ridder Philip de Clerck - de Bouvekercke het hele domein, ongeveer 45 bunder groot met kasteel inbegrepen, aan Nicolaes van der Laen. Willem de Clerc, heer van Bouvekerke, werd genoteerd als lid van de Peoene te Mechelen omstreeks 1548. Charles de Clercq de Bouvekercke was burgemeester van Mechelen. Hij was gehuwd met Petronilla de Gottignies, overleden op 31 oktober 1602, terwijl Charles overleed op 5 mei 1602. Merk dat Arnould de Gottignies werd vermeld als heer van Geertruy-Machelen, en als kolonel van de Waalse infanterie, in dienst van de koning van Spanje in de Nederlanden, geboren op 15 april 1535 en overleden op 13 april 1575. De erfgenamen de Bouvekercke worden nog vermeld te Zemst in de 17e eeuw in de "Goedenissen van de schepenbank de Oliveten". De familie de Clerck-de Bouvekercke bekleedde hoge ambten in het Mechelse, o.m. aan het hof van Maximiliaan I, Filips De Schone en Karel V, onder de Boergondisch- Habsburgse vorsten.  Ook de van der Laens waren een ridderfamilie die in het nabijgelegen Mechelen hoge ambten uitoefenden, waaronder het burgemeesterschap. De familie kwam oorspronkelijk uit Haarlem (Holland) en zij was verwant met Willem III de Goede, graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen (1304 - 1337). - [3] In 1568 is er de melding bij het naburig Hof Ter Moortere, een hoeve met molen: “Executeurs testament van Vrouwe Heylwyck Van Campvoort huysvrouwe Van wylen Remi de Halut, Boschgrave van Wynoxberge...verkoopen heeren Willem van Bovekercke, ridder, heer van Locxem, van den Broeke etc en zijn huysvrouw Margriet Schooff... eenen watermolen metten huysken ende eenen wintmolen metten berge ende lande daer den selve wintmolen op staet groot omtrent drij dachwant...gelegen neffens malcanderen met noch een cleyn beemdeken boven denselven watermolen met eenen bogaerde gelegen eensdeels onder heffene ende eensdeels onder leest, als wijlen Jonckeer Jacob Schooff heer Van den Broeke dat te besitten plach.” (Chron.Aenw.rg 57 f°83). Nog in 1594 was er bij deze hoeve de melding "Heer Willem van Boevekercke van een huys metten hoven groot omtrent dertich buenderen onder lant ende bempt geheeten den Mortere comende metter eender syde aent goet van den Heylighen Geest van Liest, ter ander aent goet van der Sieckenlieden ter derdere aen derve van Adolph Van de Venne metter vierdere syde aent ’t Hoochacker.” In 1621 werd vermeld: "Karel van Bouvekerke geeft aan Anna Schoof 25 Carolusgulden erfelijke rente op een hoeve met 30 bunder het Hof te Moirtere onder Leest." (Inv.Coo Vol.I  nr.1177 Sch.Mech.). Buiten de 1642 roeden verbonden aan het Hof ter Moortere pachtte Willem Buelens  ook nog 5 bunder , 3 dagwand en 80 roden land en weidegrond van mevrouw de Boevekercke en 212 roeden land en weidegrond van graaf Van der nat, zelf bezat hij nog 37 roeden elsbos “tegen den Molenbemt”. O.m. in 1632 werd jonker Jan Jeronimo De Clercq, heer van Bouvekercke” vermeld, en op 20 januari 1647 was J. Bouvekercke ‘hooftman’ van de handboogschuttersgilde Sint-Sebastiaan in Leest.  In 1723 behoorde het Hof Van den Broecke tot de heer Locquet, graaf van Hombeek. De hoeve Ter Moortere, met molen en naar wij vermoeden het zgn. "Molenhuis" bewoond door de nazaten van Peter Lauwers, behoorde in 1723  toe aan mevrouw De Boevekercke en werd toen uitgebaat door Willem Buelens en diens echtgenote Carola Keulemans. Ze hadden twee meiden Maria Jansens en Katrien Diddens en twee kinderen Jan (1713) en Quirinus (1720).


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    20-12-2009, 13:38 geschreven door Pal  
    Reacties (0)
    15-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kleine mensen in de Grooten Oorlog

    De Erfgoedcel Kapelle-op-den-Bos publiceerde in het najaar 2009 een prachtig boek “Drie Kleine Dorpen in een Grote Oorlog” [1]. Een pareltje van lokale geschiedenis, boeiend geschreven en rijkelijk geïllustreerd. De gepassioneerde genealoog gaat meteen op zoek naar aanknopingspunten met de voorouders uit de streek – de ‘kleine dorpen’ waarover sprake zijn Kapelle-op-den-Bos, Nieuwenrode en Ramsdonk – en mijn oog viel meteen op een foto van de familie Van Campenhout-Lauwens uit Nieuwenrode, een kroostrijk gezin dat in 1915 poseerde voor hun noodwoning, opgetrokken uit stro. Op de bladzijde ernaast prijkt een kopie van de Personal Ausweis van Marie Constance Lauwens. De Duitsers hadden het toen voor het zeggen in de streek, en het huis van de familie was niet gespaard gebleven tijdens de schermutselingen tijdens de aftocht van het Belgische leger.

    Er zijn heel wat verhalen in onze familiegeschiedenis die aanknopen bij de Eerste Wereldoorlog. Wist men toen veel dat dit niet de enige “Groote Oorlog” zou zijn, na de al even roemruchte slag van Waterloo goed honderd jaar eerder. Die was tot dan van een omvang dat men dacht nooit meer zo iets mee te zullen maken op het Europese continent. De oorlog laat meer littekens dan eretekens na… ik ben van ‘na de oorlog’ en houd het liever zo.
    Marie Constance Lauwens huwde op 29 november 1894 in Ramsdonk met Domien Van Campenhout. Marie Constance was een dochter van Hendrik Lauwens en Marie-Anne Segers, geboren op 12 december 1874 in Tisselt als jongere zus van mijn overgrootvader Jan Frans Lauwens. Het gezin Van Campenhout-Lauwens was kroostrijk en telde 14 kinderen. Het veertiende kind Louis Albert, werd geboren in oktober 1917 en kreeg zoals heel wat jongens in het dorp de naam mee van koning Albert I. Marie Constance overleed 6 maanden na de geboorte van “Alberreke”. In november 1914 waren meer dan 230 huizen vernield in de omgeving van Kapelle-op-den-Bos en waren 700 inwoners afhankelijk van bijstand van het Weldadigheidsbureel [2]. De komende jaren diende de gemeente in te springen bij de bevoorrading van aardappelen, kolen, zaaisel, groeten, vruchten en andere levensmiddelen zoals vlees voor soep, voor kleding, linnen en schoeisel. In Ramsdonk bleef het nog enigszins rustig tijdens de oorlog, al waren er ook huizen vernield en er vielen ook slachtoffers te betreuren.

    Welke invloed had de bezetting op de plaatselijke bevolking? De Duitsers waren in oktober 1914 te Kapelle-op-den-Bos aangekomen en voerden al snel het “Duitse uur” (zomeruur) in dat een uur afweek van de “Belgische” tijd. De uurregeling werd de speelbal van de posities van de legers. In november 1914 werd de klok een uur later gezet, in april 1916 kwam er nog een uur bij, in september ging er weer een uur af, in april 1917 kwam er weer een uur bij, en in september datzelfde jaar ging er weer een uur af. Hetzelfde scenario herhaalde zich in april en september 1918 in bezet België, tot op 11 november 1918 het uur weer naar “Belgische” (Franse) tijd werd teruggezet. Omdat de bevolking metalen muntstukken begon op te potten, zag de Nationale Bank zich genoodzaakt om al in augustus 1914 biljetten van 1 en 2 frank in omloop te brengen. Wegens het geldtekort begonnen sommige steden en gemeenten daarnaast eigen biljetten uit te geven – en was het nodig om overeenkomsten te sluiten met omliggende gemeenten. Soms werden munten geslagen, ijzer met een koperen legering, en met de schaarste in metalen kwamen zelfs kartonnen munten in omloop. De Belgische postzegels werden, naast enkele uitgiften ten voordele van het Rode Kruis, gedrukt in Engeland, in bezet gebied vervangen door Duitse met opdruk “Belgien”. Het gebruik van Belgische postzegels werd uiteraard verboden in bezet gebied. Bovendien was het niet toegestaan om de enveloppen dicht te kleven. Alle briefwisseling werd aan een controle onderworpen via Postprüfungsstellen of bureaus voor postgoedkeuring.

    Het omgekeerde zagen we gebeuren bij de bezetting van het Duitse Rijnland door het Belgische leger, in 1919-1920. Daar kwamen Belgische postzegels in omloop met de opdruk “Allemagne/Duitschland”.

    (Afbeelding) Luitenant-generaal William Lauwers of Lauwens [3] was bevelhebber van het Belgische Rijnleger tussen 1923 en 1925. Hij werd vermeld als militair gouverneur van Oost- en West-Vlaanderen in 1914 (met de rang van generaal-majoor [4]) en voerde van januari 1924 tot maart 1924 het bevel over het detachement van de Ruhr, ook wel het Belgische 'Rijnleger' genoemd. De bezetting, die begon op 11 januari 1923 toen Belgische en Franse legereenheden Essen bezetten, zou eindigen tussen 15 en 24 juli 1925. De bezetting van de Ruhr vormde één van de belangrijkste internationale gebeurtenissen in de periode tussen beide wereldoorlogen. Het ging er om Duitsland herstelbetalingen af te dwingen na de eerste wereldoorlog. 

    Ongetwijfeld was het ook een beroerde gebeurtenis, die de opflakkering van het Duitse nationalisme grotendeels heeft bevorderd. Hitler verwijst in "Mein Kampf" niet geheel ontevreden naar de gebeurtenissen. De S.A. werd in deze periode omgesmeed tot een militaire organisatie. Hitler stelde onomwonden: "De bezetting van het Ruhrgebied was een kans; het noodlot bood ons hier weer eens de gelegenheid, om ons te verlossen uit onze ellende. Want deze daad, welke op het eerste gezicht zulk een zware ramp leek, bleek bij nadere beschouwing een prachtige en veelbelovende mogelijkheid in zich te sluiten, om een einde te maken aan de Duitse lijdensweg." Het pad was geëffend voor een tweede wereldbrand.
    Soldaten aan het front verstuurden hun post vaak via een tussenpersoon in een neutraal land als Nederland of Zwitserland. De post van Vlaamstaligen naar Nederlandse oorlogsmeters (tussenpersonen) werd bovendien vaak gecensureerd door de hogere Franstalige Belgische legerleiding die de taal niet machtig was en vreesde voor Flamingantisme. De knagende onzekerheid over familieleden betekende een onmiskenbare psychologische druk voor de frontsoldaten.

    (Afbeelding) Lauwers Karel Jan Lucien, een jong Antwerps kunstenaar, sneuvelde op 15 oktober 1918, nog voor hij enige naam voor zichzelf kon verwerven. Hij was soldaatseiner in het Belgisch leger (12e Linie, 1e Compagnie) vanaf de eerste oorlogsdag en sneuvelde tijdens de laatste belangrijke actie van zijn eenheid. Hij werd begraven te Lendelede, gemeentelijk kerkhof, graf nr. 33. Karel Lauwers werd geboren op 29 december 1892 te Antwerpen als zoon van Jan Lauwers en Caroline Mersveldt [5].
    In september 1914 waren er in bezet gebied door de Duitse opeisingen van voedselvoorraden heel wat behoeftigen, en algauw zagen hulpcomités het levenslicht. Mensen konden om de 14 dagen bij de plaatselijke komiteit, die afhing van de nationale komiteit van Asse en Vilvoorde, een rantsoen afhalen dat de basisbehoeften moest dekken en dat veelal bestond uit vet of spek, rijst en maïs, en koffie, cacao, bonen, erwten of zeep. Niet dus, en dus ontstond er naast de plaatselijke handel, bv. bij de boeren, ook een zwarte markt. Smokkel zoals in aardappelen, boter en graan, en stroperij werden schering en inslag, en vooral de winter van 1916-1917 was hard om te dragen. Sommige boeren verkochten hun goederen liever op de zwarte markt tegen woekerprijzen en er waren aardig wat meldingen van diefstal, zoals van Brusselaars die ’s nachts de velden roofden. Hulpagenten werden aangesteld om de oogsten te bewaken, zoals Peter Lauwens, geboren in 1883 te Brussel en woonachtig in Nieuwenrode waar hij dienst deed met een witte armband om voorzien van het gemeentezegel, een kepie met veldwachterallures, een stevige stok en een Mechelse scheper. Het gegeven dat de Duitse bezetter strenge sancties oplegde aan de gemeenten wanneer smokkel werd vastgesteld, was hier niet vreemd aan. Nieuwenrode telde in 1917 al vijf hulpagenten. Ook Duitse soldaten liepen wacht en aarzelden niet met scherp te schieten op stropers [6].

    De scholen bedeelden dagelijkse schoolsoep voor hun leerlingen. Brood werd massaal ingevoerd, vooral uit Nederland. Voor de verwarming was men vooral afhankelijk van kolen. De prijzen rezen de pan uit, en ook deze werden gerantsoeneerd door de bezetters. De toestand verslechterde naarmate de oorlog bleef duren, en de “onbeperkte duikbotenoorlog” deed daar beslist geen goed aan – de Duitse U-boten kregen de opdracht om elk vijandig schip te torpederen, militair of niet.

    Tijdens de bezetting was er niet veel ruimte voor ontspanning. In Nieuwenrode werd in augustus 1914 al de jaarlijkse kermis van half oogst afgeblazen, in 1915 gold de avondklok, en ook in 1917, zij het dan vanaf middernacht. De toelagen voor muziekmaatschappijen werden stopgezet, en carnavalvieringen waren uit den boze. Men trok naar omliggende gemeenten als Willebroek, Londerzeel of Steenhuffel waar bals en cinema nog wel werden toegelaten door de Duitse overheid. Op de draaiorgels in herbergen werden taksen geheven, en danszalen als Het Alhambra en de Alcazar in Kapelle-op-den-Bos waren vernield. Er werd wel gevoetbald en de bibliotheken bleven boeken uitlenen. Tijdens de strenge winter van 1917 vroor de vaart toe en er werd geschaatst. De Duitse bezetting introduceerde ook de kerstboom in onze contreien, al weigerden heel wat mensen na de oorlog principieel om een boom te zetten. Als versiering van de kerstboom werden tijdens de oorlog ondermeer papiertjes van chocolade en kaarsjes gebruikt.

    Marie Lauwers vond de buit van de Duitse invallers te Hombeek

    Marie Lauwers was meid bij juffrouw Moyson, en met andere dorpsbewoners van Hombeek op de vlucht geslagen voor de naderende Duitse troepen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Aan de vlucht gingen enkele afgrijselijke gebeurtenissen vooraf waarover in Hombeek druk werd gesproken. Eerder, eind augustus, werd al slag geleverd te Zemst en te Hofstade. Daar werden huizen in brand gestoken, en naar verluid werd de smid in zijn huis opgesloten en levend verbrand. Mensen waren er op de vlucht geslagen naar Klein-Willebroek. Sommigen kwamen via Antwerpen in Nederland terecht.

    Op 3 september 1914 werden in de Zenne bij Hombeek drie lijken gevonden van soldaten van de 2e Linie. Vermoedelijk waren ze verdronken tijdens de slag te Eppegem of te Weerde. Twee lijken werden begraven op de dijk terwijl het Duitse geschut hevig bulderde. Het derde lijk moest men laten liggen omdat het geschut zo hevig was. Het was 's anderdaags afgedreven met de vloed. Een week later, op 10 september, vond met in de voormiddag nog een soldaat van het 2e Linie. De secretaris van Hombeek, die elke morgen van Willebroek terugkeerde, stelde met sluiswachter Staf Smets vast dat de ogen waren uitgestoken en dat er een koord in de mond zat die aan het achterhoofd was toegesnoerd. De Duitsers werden daarna voor een korte tijd teruggedrongen tot Brussel. 

    E.H. De Bruyn, de pastoor van Hombeek, keerde terug op 15 september, en de nonnen op de 19e. Een week later stroomde het dorp vol Belgische soldaten. Een Engels kanon werd opgesteld tussen Hombeek en Leest en beschoot de Duitse voorposten. Soldaten van het 2e Linie werden ingekwartierd bij de boeren, in de jongensschool en in het patronaat. Op 27 september beantwoordden Duitse kanonnen het Belgisch geschut (opgesteld in het Molenveld) en raakten daarbij de kerk. Voor het doksaal vond een ontploffing plaats. Het volk vluchtte het dorp uit onder het bombardement, meestal langs de Zennedijk naar Leest, Heffen en verder. Omstreeks 14.30 uur werd Marie-Louise Vekemans gedood door schrapnel die neersloeg op de Zennedijk. De paniek was groot. Er ging het verhaal van een vrouw "Sie van Lekker" die in haar onderrok met zondagse hoed over de dijk liep. Terwijl het Duitse bombardement voortduurt tot laat in de avond, en ook Mechelen onder vuur kwam te liggen, maakten de Duitsers loopgraven in de velden tussen de Dries en de Laar. Op 28 september omstreeks 3 uur 's morgens zouden de laatste Belgische soldaten Hombeek verlaten. Zij verlieten hun stellingen - loopgraven aan de spoorweg. Rond 5 uur kwamen de Duitsers aan, aan het huis Tersago in de Bankstraat, en om 8 uur werd het station van het Heike bezet. Diezelfde voormiddag stichtten zij brand in het huis van Gust Jacobs in de Bankstraat, en 's middags in de molen van De Keirsmaecker op de steenweg naar Leest.
    Zeer weinig inwoners waren in Hombeek gebleven. De Duitsers kampeerden in de velden tussen de Kapellebaan en de Diepestraat achter de hoven van juffrouw Theresa Moyson en dokter Jaak Van Assche. De velden stonden vol kanonnen en wagens. Een lange stoet Duitsers trok door het dorp van Hombeek naar Kapelle-op-den-Bos gedurende twee dagen en nachten. Zij voerden pakken en zakken gestolen huisraad mee, meubelen en koeien. Volgens ooggetuigen vroegen zij overmoedig of het nog ver was naar Parijs.

    Toen Marie op 17 oktober 1914 terugkeerde van de vlucht, vond zij in het huis van haar meesteres (waar Duitse officieren hadden verbleven) in een kast het zilverwerk van de kerk. Daar was een ciborie bij gevuld met geconsacreerde hosties. Zij raapte naar verluid haastig alles bij elkaar en stak het in een koffer met het idee deze in de grond te verbergen.

    Op 20 oktober keerden de nonnen terug en pastoor De Bruyn, die naar Nederland was gevlucht. De schade in de kerk werd opgemeten: heiligenbeelden van de H. Gerardus Majella en van H. Franciscus waren verbrijzeld, de kruisweg was beschadigd, stoelen, doksaal, deuren en meubels waren doorboord door kleine loden ballen, de stoelen waren stuk geslagen, de deur van de brandkast achter het altaar met geweld ingebeukt en weggerukt, het tabernakel, de biechtstoelen en zijaltaren opengebroken, en 16 geschilderde glasramen waren uitgeslagen en andere zwaar beschadigd. Een zelfde ravage vond met op en rond de pastorij, die 7 of 8 bommen kreeg te verduren, die ook was geplunderd. De hof was bezaaid met lege wijnflessen, meubelen waren moedwillig beschadigd en de deuren hadden Duitse opschriften in krijt van soldaten die er waren ingekwartierd geweest. Ook het klooster was geplunderd, deels om de loopgraven te versterken, deels moedwillig beschadigd: schoolmeubilair, boeken en schoolgerief, landkaarten uitgesneden, de prenten van de "Gewijde Geschiedenis" doornageld.

    [1]  “Drie Kleine Dorpen in een Grote Oorlog”, Erfgoedcel Kapelle-op-den-Bos, Leleu Group Brussegem, D/2009/12.110/1. – [2] Notulen gemeenteraad van Kapelle-op-den-Bos van 26 november 1914 – [3]  O.m. in de revue internationale de l'histoire militaire werd zijn naam gespeld als Guillaume Lauwens - [4] Generaal-majoor William Lauwers werd vermeld bij het Militair Gerechtshof te Antwerpen, naar aanleiding van een klacht van de (overigens vaak omstreden) auditeur-generaal baron Durutte, omdat de generaal-majoor in oorlogstijd zijn stelling of post zou hebben verlaten "pour pouvoir à sa propre sécurité". In een arrest van 12 september 1914, werd William Lauwers hiervan vrijgesproken. [5] Over het leven en werk van Karel Lauwers verscheen een boek "Karel Lauwers, kunstenaar en soldaat" in de reeks "Oorlogsgetuigen", bekroond met de Museumprijs van het jaar 2000 (Prijs van de Raad van Europa) . Karels vriend Jan Karel Segers, moest Karels overlijden melden aan de familie. Hij belde aan en Karels zus Jeanne deed open... Enkele jaren later huwden zij. -  [6] Nieuwenrodenaar Frans Doms werd op 7 augustus 1915 neergeschoten door een Duitse soldaat terwijl hij naar verluid aan het stropen was cf. L. De Bondt en F. Hallemans in “Londerzeel en Noordwest-Brabant”, 2008.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    15-12-2009, 20:13 geschreven door Pal  
    Reacties (0)
    29-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Halloween en de heks van Eppegem

     

    Hoewel ik zelf enige tijd in de Verenigde Staten heb gewoond, heb ik toch enige bedenkingen bij de viering van Halloween in onze contreien. Ik herinner me dat we als kind een raap of pompoen uitschraapten, die van ogen en een mond voorzagen en die buiten plaatsten met een kaars er in. De inhoud van de pompoen kwam in een typische najaarse soep terecht of in een niet te versmaden pompoentaart. Daar houdt de vergelijking op met de eigen traditie. De commerciële golf van Halloween gadgets en kinderen die naar Amerikaanse traditie huis-aan-huis gaan met een “Trick or treat” bedeltoer, zijn er voor mij net iets te veel aan. Vooral omdat er de laatste maanden van het jaar er al meer van die gebeurtenissen zijn: Sint-Maarten, Driekoningen, Oudjaarzingen. Het heeft iets natuurlijk, griezelen met de doden in de periode van Allerheiligen – Allerzielen. De manier waarop we dit gebeuren traditioneel ondergaan met kerkhofbezoek, momenten van bezinning, het askruisje, is anders dan bijvoorbeeld de dia de los muertos  viering die ik me herinner van de Mexicaans-Amerikaanse gemeenschap waar ik woonde in El Paso, Texas. Bij Halloween duiken ook wel eens heksen op, want als het op griezelen aankomt, zijn die een vaste waarde. De sprookjes uit onze kindertijd zullen daar wel niet vreemd aan zijn.
    Het proces dat in 1601 in het Vlaamse dorp Eppegem werd gehouden tegen Jasper Colveniers [1] en zijn vrouw Liesbeth Lauwers, toont aan hoe enkele eeuwen geleden de beschuldiging van hekserij tot tragische gevolgen kon leiden. Jasper en Liesbeth uit Eppegem deden in die tijd foren en kermissen aan met een poppenspeltheater. Het koppel werd omwille van een vertoning in Putte voor het gerecht gedaagd en beschuldigd van toverij, laster en zeer scandaleuze spelen. Hun poppen Sint-Pieter, Sint-Pauwel, een minderbroeder en de duivel belandden op de brandstapel. Na een heksenproces, zou ook Liesbeth op de brandstapel belanden.

    xml:namespace prefix = o />

    Het verhaal begon in juli 1601 tijdens de kermis in Putte. Jasper Colveniers en zijn echtgenote Liesbeth Lauwers waren foorkramers uit Eppegem die een klein poppenspeltheater bezaten. Daarmee reisden zij foren en kermissen af. Volgens de overlevering waren zij zeer vaardig in de "conste van de camerspeelderijen" en genoten overal grote bijval. De eerste avonden verliepen de zaken goed. De inwoners kwamen genieten van het schouwspel van de "mennekens".

    Tot het gerucht de ronde deed dat de drossaard [2] van Putte, Maarten Cuytens, Liesbeth beschuldigde een tovenares te zijn. Men beweerde dat hij haar als heks zou aanklagen bij de rechtbank. Nog dezelfde nacht vluchtten Jasper en Liesbeth naar Eppegem.

    "Naar alle waarschijnlijkheid", schrijft de Perkse ex-secretaris Jos Lauwers [3], "wilde zij niet aan de begeerten van Maarten Cuytens voldoen." Dit kan de aanleiding zijn. Wij vermoeden dat er (ook) een politieke reden meespeelde: Liesbeth Lauwers was verwant met de vroegere meier Geert Lauwers die in de streek had gewerkt in dienst van de hertogen van Brabant. Die lagen al langer in conflict met de heren van Grimbergen, voor wie de aanklagers in dit proces werkten. Beide partijen hadden tegenstrijdige belangen in de streek.

    Op 16 juli 1601 werden zij in beschuldiging gesteld te Eppegem. In hun thuisgemeente waanden zij zich op veilige bodem. Jasper deed er alles aan om zijn vrouw van alle verdenking vrij te stellen. Hij daagde Maarten Cuytens voor de schepenbank van Eppegem "in materie van injurie". Hij zou bewijzen dat de betichting van de drossaard van Putte louter laster was.

    Een eenvoudige poppenspeler zou echter minder gewicht in de schaal kunnen leggen dan een drossaard. Maarten Cuytens was behalve drossaard van Putte, ook heer van Beersel en meier [4] van Zemst en Weerde.

    Op 10 juli 1601 was de "vierschaer extraordinaire" van het Eppegemse schepencollege bijeen onder het voorzitterschap van Hendrik Verbeke. Alle schepenen waren aanwezig. Jasper Colveniers had voor zijn verdediging advocaat Van Den Eede aangesteld. Jasper verscheen zelf voor de rechtbank als echtgenoot en voogd van de beschuldigde Liesbeth Lauwers. Uiteindelijk moest Maarten Cuytens toegeven dat hij geen bewijzen had, en herriep hij zijn beschuldiging. Hij verklaarde dat het hem speet en dat hij Liesbeth Lauwers beschouwde als "een vrouwe van eere en deugt". Daarmee zou de zaak echter niet van de baan zijn.
     
    (Afbeelding) Twee heksen, pentekening van Hieronimus Bosch (ca. 1450-1516)

    De drossaard van Eppegem, jonker Antoon Longin, tekende beroep aan en nam formeel de verwijten voor eigen rekening. Daardoor werd Jasper van aanklager beschuldigde. Hij werd met zijn vrouw opgesloten in de burcht van hertog Wenceslas [5] te Vilvoorde.

    Destijds behoorde het land van Grimbergen aan prins Philippe-Willem van Oranje. Behalve Eppegem, omvatte het gebied Beigem, Londerzeel, Meise, Strombeek, Boom, Willebroek en Ruisbroek. Het beheer van het land van Grimbergen was in handen van drossaard Longin [6]. De ordonnantiën van Philips II om de hekserij te beteugelen werden met harde hand toegepast. Jasper en Liesbeth werden "pedo ligato", met gebonden voeten, met ijzers aan de wand geklonken. Ditmaal was Liesbeth formeel beticht van hekserij door de schepenbank op aantijging van de drossaard van Eppegem.

    In de originele tekst van de beschuldigingakte werden Jasper en Liesbeth verweten dat zij personages ten tonele hadden gevoerd als Sint-Pieter en Sint-Pauwel met een zotskap op het hoofd, een minderbroeder, een vrouw, de kwade geest van de duivel, een Moor en een Moorse, waarmee schandaleuze spelen op diverse kermissen en feesten werden gevoerd "by maniere van tooverije". De akte vermeld verder dat deze personages, zoals de minderbroeder, dansten met de duivel en de vrouw, en dat het erger werd naar het einde van de voorstelling toe wanneer de minderbroeder werd onthoofd in een gevecht met andere personages. De personages van Sint-Pieter en Sint-Pauwel gingen zelfs een ongehoord gevecht aan om de vrouw "Jouffrou Margriete" te hebben, kusten haar en betasten haar buik, en omarmden zelfs elkaar. Dit alles werd als zeer onkuis en schandalig beschreven, en het was een openbare bespotting van de heilige apostelen en de orde der minderbroeders. Er werd aan toegevoegd dat dit alles bovendien geschiedde door middel van tovenarij met  behulp van de duivel. "Dit behoorde in een land van justitie niet getolereerd te worden, maar tot voorbeeld van anderen bestraft".

    Van november tot december 1601 vond het proces plaats voor de vierschaar [7]  van Eppegem. Jasper en Liesbeth verschenen op 28 november 1601 opnieuw voor de "vierschaer extraordinaire" te Eppegem, in aanwezigheid van meier Verbeke en de schepenen. Advocaat Van Den Eede die hen in juli nog verdedigde, trad nu op voor de drossaard van Eppegem. Een andere advocaat Esdeuren, stond de poppenspelers bij. Esdeuren verzocht om de voorwaardelijke invrijheidstelling van Jasper Colveniers, onder verbintenis van zijn persoon en goederen. Dit werd door de rechtbank toegestaan mits het betalen van een borg van 100 pond. Liesbeth Lauwers moest echter terug naar de gevangenis en werd opnieuw in de ijzers geslagen.

    Wij nemen aan dat het eerste deel van het proces plaatsvond in de herberg "De Spiegel" te Eppegem. Mogelijk genoten de poppenspelers er teveel bijval van dorpsgenoten, zodat men het verdere proces op een andere plaats liet doorgaan. In 1601 was bovendien Willem Lauwers, verwante van Liesbeth, schepen te Eppegem. Procureur Van Den Eede vertegenwoordigde opnieuw de aanklager in het proces. Waar dit in juli nog Jasper Colveniers was, trad deze keer jonker Longin als aanklager op.

    Tussen 5 en 22 december verschenen Jasper en Liesbeth opnieuw voor de vierschaer, maar dit maal op grondgebied van de vrijheid Ter Borght te Vilvoorde. Jasper verklaarde er hoegenaamd niet zinnens te zijn enigerlei kosten te doen om zijn vrouw te helpen. "De zaak van zijn vrouw ging hem niet aan," staat in de verklaring van de advocaat, "en hij moest zich niet verantwoorden en geen geld tot vervolging van de rechtspraak voorschieten." Daar werd wel aan toegevoegd dat hij van zijn vrouw hield met eer. Vermoedelijk probeerde Colveniers de zaak te doen splitsen en voor beiden een mildere straf te bekomen. Uit het verdere verloop van de gebeurtenissen zou blijken dat Jasper zijn vrouw bleef steunen waar hij kon. Voor Liesbeth betekende het wel dat zij voor de rechtbank moest verschijnen zonder hulp of steun.

    Op 2 januari 1602 werd eindelijk het geding ten gronde opgeroepen. Jonker Longin verzocht de vierschaar tot een "vonnis interlocutoir", waarin werd vastgesteld dat de zaak tegen Liesbeth Lauwers niet met definitief vonnis kon worden beslist. Verdere informatie diende ingewonnen om de aanklachten met nieuwe bewijzen te staven. Liesbeth kreeg daardoor ook tijd haar verdediging voor te bereiden en de aantijgingen te weerleggen. Bij elk verhoor had Liesbeth heftig geprotesteerd en haar onschuld staande gehouden. Jasper werd veroordeeld te voorzien in de voedingskosten gedurende het proces. Omwille van het schandaal, moesten de poppen in aanwezigheid van de eigenaar worden verbrand.

    De vierschaar stelde vast dat Jasper en Liesbeth twintig jaar waren getrouwd, dat de vrouw doorging voor een heks en dat Jasper daartegen nooit had geprotesteerd noch de lasteraars aangeklaagd had bij het gerecht hoewel zijn bezorgdheid bekend was voor zijn goede naam en faam. Men stelde dat Liesbeth haar toverijen had geleerd bij haar eigen man en dat deze zich niet voor haar borg wilde stellen. Jasper zou hebben verklaard "het hart van zijn vrouw niet te kennen net zomin als de vader het hart van zijn kind kent." Daarin zag men het bewijs dat Jasper niet zo zeker was van de onberispelijkheid van zijn echtgenote. Men hield voor waarachtig wat beide poppenspelers ten laste werd gelegd en dat dit enkel met de hulp van de duivel had kunnen gebeuren. Het zag er niet goed uit voor hen.

    De Vierschaar vond de drossaard dan ook gerechtigd de aangeklaagde tot de galg te laten veroordelen en hun goederen in beslag te laten nemen de gunste van de Prins van Oranje, heer van het land van Grimbergen. Jonker Longin verklaarde zich bereid zich neer te leggen bij de rechtspraak.

    Jasper toonde zich behendig in zijn verdediging. Hij verzocht op vrije voeten te worden gesteld op grond van het vonnis van 28 november en een akte van 5 december 1601, waarin was aanvaard door de drossaard dat de bewering als werd zijn vrouw door elkeen voor een tovenares gehouden, onwaarschijnlijk en ongegrond was. Jasper had toen verklaard geen weet te hebben van dergelijke geruchten, dus de lasteraars niet voor het gerecht te kunnen dagen, en dat hij nooit in twintig jaar huwelijk één of andere criminele praktijk had opgemerkt bij zijn echtgenote. Hij haalde aan dat, zo gauw hij wist dat Maarten Cuytens zijn vrouw van hekserij had beticht, hij deze voor de rechtbank van Eppegem had gedaagd en dat deze zijn beschuldigingen had herroepen. Jasper voerde aan dat dit alles moest volstaan om zijn vrouw van alle verdenkingen vrij te stellen en dat hem niet kon worden verweten dat hij haar zonder hulp had gelaten. "Het betaamde niet," haalde hij aan, "dat hij als ingezetene die al jaren banden had met Brabant zich borg moest stellen in deze zaak." Jasper verklaarde dat zijn poppen door hem zelf uit eenvoudig hout waren gesneden, dat hij en zijn vrouw ze eigenhandig versierden en kleedden, en dat deze met zijn eigen handen en vingervlugheid werden bewogen. Dat sloot elke vermeende tussenkomst van de duivel uit. Hij verklaarde ook dat het poppenspel niet meer schandalig of verboden was dan wat men te zien kreeg in toneelspel dat wel overal werd toegestaan en verdragen. Er waren geen ordonnanties, plakkaten of charters waarin dergelijke spelen werden verboden! Jasper verzocht daarom de vierschaar alle beschuldigingen ongegrond te verklaren en hem vrij te stellen van het betalen van kosten.

    Het vonnis was niettemin onverbiddelijk. De rechtbank oordeelde dat Jasper moest worden aanzien als schuldig aan een strafbare daad, dat de poppen moesten worden verbrand, en dat het Jasper voortaan verboden was nog dergelijke spelen op te voeren. Hij werd veroordeeld tot een boete van 25 Rijnguldens ten bate van de heer van Grimbergen, ongeacht de kosten die reeds door de drossaard waren voorgeschoten ten behoeve van het proces. Jasper moest dus niet naar de galg, maar Liesbeth bleef in de gevangenis onder de beschuldiging van toverij. Nu kon de vierschaar apart het onderzoek naar Liesbeth voortzetten.

    Tussen december 1601 en 18 februari 1602 werd de lijst van getuigen ten laste en ten onlaste van Liesbeth vastgesteld. Eind februari 1602 werden deze opgeroepen. Op 15 maart 1602 werd Jasper beboet met 10 Rijngulden omdat hij ene Godevaert van Gulick een pot bier over zijn hoofd had gegoten en met een mes had bedreigd omdat deze de zaak tegen zijn vrouw had gedeponeerd. Jasper had zijn ongelukkige vrouw dus niet volkomen aan haar lot overgelaten. Inmiddels sleepte het geding aan. De vierschaar moest er nog zeventien zittingen aan wijden, zonder voldoende bewijzen te kunnen vergaren. En toch zou deze geschiedenis een tragische afloop kennen.

    Op 4 mei 1602 werd Jasper Colveniers veroordeeld tot betaling van 98 Rijksgulden voor de gerechtskosten betaald door de drossaard. Ondanks alle ontberingen die Liesbeth bij elk verhoor en in de gevangenis moest doorstaan, hield zij inmiddels hardnekkig staande volkomen onschuldig te zijn. Bij de schepenen groeide mettertijd evenwel de overtuiging dat zij werkelijk door de duivel was bezeten. De redenering was immers dat haar moedige weerstand wel door de duivel moest worden gesteund... men geloofde dat deze alle pijnen op zich nam.

    Op 27 november 1602 stelde meier Hendrik Verbeke voor om de betichte te onderwerpen aan een streng verhoor op de pijnbank. Dit werd door alle schepenen aanvaard, en zo belandde Liesbeth op 1 december in de folterkamer.

    (Afbeelding) Het voormalige kasteel van Vilvoorde volgens een gravure van 1696 (Le Roy). Het kasteel, ook bekend als de burcht van Wenceslas, werd in 1776 gesloopt en vervangen door een gevangenis.  Die functie vervulde het kasteel ook omstreeks 1602, toen Liesbeth Lauwers er in de kerkers werd opgesloten en er de dood vond.


    Er was geen protocol voor de folteringen die Liesbeth moest ondergaan. Die gebeurden onder de volledige willekeur van de "officier crimineel". De beproevingen duurden de ganse dag tot laat in de avond. Uiteindelijk bekende Liesbeth uitgeput en waanzinnig van pijn "criminele commercie gehad te hebben met den quaden gheest." Dat betekende voor haar hoe dan ook het einde. Naar verluid vond men de volgende dag haar lijk in haar cel van de Vilvoordse gevangenis.

    Voor drossaard Antoon Longin was daarmee de zaak niet ten einde. Hij wreekte zich op het lijk van Jaspers echtgenote. Longins procureur Nicolaas van Leune eiste dat het stoffelijk overschot op de brandstapel tot as zou worden verbrand. De vierschaar [7] trad deze eis bij. In de folterkamer had Liesbeth immers bekend een heks te zijn. Hoogst ongeloofwaardig werd genoteerd dat Liesbeth  in de gevangenis zichzelf het leven had benomen... Het was ondenkbaar in een officieel stuk te verklaren dat zij dood was gefolterd of vermoord.

    Het lijk van Liesbeth Lauwers werd in het openbaar op de brandstapel tot as verbrand. Haar schamel bezit werd aangeslagen ten gunste van prins Philippe-Willem van Oranje [8] .

    Oorsprong van de naam van het Poppentheater 'De Spiegel' uit Kontich

    Poppentheater De Spiegel, opgericht door Felix Van Ransbeeck in Kontich in 1965, ontleende zijn naam aan de herberg ‘De Spiegel’, waar in 1602 poppenspeler Jasper en zijn vrouw Liesbeth werden berecht op last van hekserij en toverachtige praktijken. De echtgenote van Felix Van Ransbeeck, Virginie Willems, stamt af van de familie die in 1601-1602 de herberg 'De Spiegel' bezaten in Eppegem.

    In Centraal- en West-Europa was poppenspel tot in de middeleeuwen een instrument voor religieuze instructie. Poppenspel was de zichtbare bijbel van de analfabete gelovigen. De Franse term marionet is dan ook afgeleid van Marie, de heilige maagd. Vanaf de middeleeuwen verspreidde het poppentheater zich vanuit Frankrijk en Spanje over heel Europa. De poppenspelers, graag gezien op marktplaatsen en in herbergen, werden één van de eerste professionele figuren in de amusementswereld. Hoewel geliefd bij het volk, ondervonden deze poppentheaters nu en dan tegenstand van het geestelijk en wereldlijk gezag. Het poppenspel was dan verboden, dan weer toegelaten. In de periode dat het de Rederijkers verboden werd toneel te spelen werden mensen door poppen vervangen en ging het poppentheater niettemin een lange bloeitijd tegemoet.


    _______________________________________

    [1] naam ook gespeld als Cobeniers en Cobbeniers, vermoedelijk ook Coveliers. Colveniers waren leden van de schuttersgilde die een vuurwapen droegen - [2] drossaard = bestuursambtenaar, vroeger legerhoofdman - [3] Jos Lauwers in “De Semse Kroniek” nr. 1, jaargang 20. Jos Lauwers was gemeentesecretaris te Perk en is een verdienstelijk heemkundige - [4] meier = rentmeester. Gheert Lauwers, geboren omstreeks 1440, woonde tussen Hombeek en Leest en was meier van Kapelle-op-den-Bos voor de hertogen van Brabant. - [5] De burcht van Wenceslas werd gebouwd vanaf 1380 en stond in de buurt van de kerk van Vilvoorde. Ze diende als staatsgevangenis vanaf 1408. Wegens zwaar verval werd ze gesloopt in 1773. - [6] Jonker Longin was ook heer van Lier en Roosendaal, twee heerlijkheden onder Grimbergen. Jonker Antoon Longin was de zoon van Laureys Longin, heer van Groot-Bijgaarden en Lembeek, schatbewaardergeneraal voor de Nederlanden onder keizer Karel, en Maria van Heyleweghen, dochter van de voorzitter van de Raad van Vlaanderen. - [7]  De Vierschaar was een gerecht of hof bestaande uit een drossaard en een college van welgeboren mannen. Dit waren aanvankelijk leenmannen van de graaf, later mannen gerekruteerd uit het respectabele en meestal gegoede deel van de bevolking. De oorspronkelijke taak was het vertegenwoordigen van de graaf op het gebied van 'justitie en politie'. Ook waren zij bevoegd uitspraken te doen in zowel halszaken (waar lijfstraffen/ doodstraf op stonden) als boetstraffelijke zaken. Vier schaar is een stukje rechtssymboliek (net als het opstaan als de rechtbank binnenkomt, waarmee de vier banken werden bedoeld die de rechtbank omsloten en waarover ongetwijfeld een ban was uitgesproken, dat de rechters met eerbied behandeld moesten worden, niet mochten worden mishandeld etc. Het huidige woord rechtbank refereert er nog aan, hoewel de rechters gewoon stoelzitters zijn.- [8]  Philippe-Willem van Oranje was heer van het land van Grimbergen en zoon van Willem de Zwijger. - Andere bronnen: Eugène Peeters in De Brabantse folklore nr. 204, 1974 - Marijke Ryckmans in "De dorpsgemeenschap Eppegem in de late middeleeuwen en de nieuwe tijd (tot 1654)", verhandeling aangeboden tot het behalen van de graad van licentiaat in de Geschiedenis  - Geschied- en Aardrijkskundig Woordenboek der Belgische Gemeenten, Eug. De Seyn, Brepols, Turnhout - Nationale Archieven, Albertinabibliotheek Brussel - A. Goovaerts in "poppenspel, tooverij, pijniging. Een zonderling proces in 1601-1602 voor de vierschaar van de schepenbank van Eppegem", 1895


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (4 Stemmen)
    29-11-2009, 00:00 geschreven door Pal  
    Reacties (0)
    13-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrijdag de 13de – Over tempelier ridder Boudewijn van Praet

    Een populair gezegde wil het dat vrijdag de 13e een ongeluksdag is. De oorsprong van dit bijgeloof – immens populair geworden door de gelijknamige horrorfilm – gaat ver terug in de tijd, naar de bewuste vrijdag 13 oktober 1307. Samen met de Franse koning Filips de Schone beraamde paus Clemens V een duister plan om korte metten te maken met de tempeliers. In een militaire manoeuvre waar de CIA zich niet voor zou hoeven te schamen, vaardigde paus Clemens geheime, verzegelde orders uit die door zijn soldaten in heel Europa tegelijk moesten worden geopend, op vrijdag 13 oktober 1307. De tempeliers zijn in 1307 inderdaad massaal vervolgd en vermoord. Eén van de voorouders langs moeders zijde was lid van de orde een eeuw voordien. Ook in Vlaanderen waren de tempeliers actief. Wetenschappers van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) hebben de voorbije jaren het Groot-Tempelhof in Slijpe, Middelkerke, onderzocht. Ze tonen aan dat de tempelridders er in de vroege 13e eeuw een commanderij vestigden. De Commanderie de Flandres behoort tot de oudste van de tempelorde en was één van de belangrijkste van het graafschap Vlaanderen.


    Afbeelding: het logo van de tempeliers, twee ridders gezeten op één paard. Oorspronkelijk heetten zij de "arme ridders van Christus".


    Boudewijn II van Praet was lid van de orde van de tempelridders. Hij was een zoon van Boudewijn I, vermeld in 1153-1174 als heer van Praet, en van Ghiela. Boudewijn I nam deel aan de derde kruistocht. Ook zijn nonkel Gervaas van Praet, en Boudewijn II, namen deel aan de kruistochten tot "bevrijding van het Heilig Land".

    Allicht iets bekender zijn de twee belangrijkste oprichters van de orde van de tempeliers: Hugh de Payns en Godefroy de Saint-Omer [1]. Beiden behoorden tot de zogenaamde Ridders van het Heilig Graf, een broederschap van kruisvaarders dat na de verovering van Jeruzalem door de patriarch van de stad was aangesteld ter bescherming van de kerk. Enkele van deze broeders, onder wie de twee genoemde ridders, waren ontevreden over het gebrek aan militaire taken. Het beschermen van pelgrims op weg naar het Heilig Graf, leek hen een nuttiger taak. Daarom scheidden zij zich af van hun broederschap, met toestemming van de koning en de patriarch. In 1120 werd het bestaan van deze groep ridders officieel bekrachtigd op het Concilie van Nablous, waar Hugh en Godefroy de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid aflegden. De Orde der Tempeliers was hiermee geboren. We weten ook van verwantschappen tussen van Praet en Saint-Omer aan het begin van de 16e eeuw.

    Boudewijn I van Praet had drie kinderen: Boudewijn II van Praet, heer van Praet en Watervliet, ridder en tempelier, vermeld in 1183-1227, Frank van Praet, ridder, vermeld in 1201-1230 en Isabella van Praet, vermeld in 1190-1200, vermoedelijk gehuwd met Rainier van Watervliet.

    Van Boudewijn II van Praet zijn er meldingen in 1183-1227. Hij werd vermeld als ridder in 1208, als heer van Praet en een deel van Watervliet, en als tempelier in 1226-1227. Boudewijn II van Praet huwde Maria van Wavrin (Waver) [2], die verwant was met Johanna, de gravin van Vlaanderen. Een kleindochter, Sybille Van Praet, huwde met Wolfard I van Borselen, een rechtstreekse afstammeling van Karel De Grote. Boudewijn II overleed na 8 april 1227. De precieze overlijdensdatum is niet gekend.

    Afbeelding: een tempelier-ridder in het bekende ornaat. In oorsprong ging het om het orde van monikken die het zwaard hanteerden in dienst van de paus, een contradictie met de leer van de Katholieke kerk.

    Boudewijn Van Praet, in het Latijns ook vermeld als "Balduini de Prat(o)", trad op als getuige bij een oorkonde in 1200 te Rupelmonde, bewaard in het cartularium van de abdij van Ninove. De oorkonder was Boudewijn, graaf van Vlaanderen en van Henegouwen. Ook "Sigeri Templarii, quondam castellani de Gant" (Zeger, tempelier, kastelein van Gent) werd vermeld als getuige bij deze gelegenheid.








    Afbeelding: yours truly in het Katharenland, Langue d'Oc, in het spoor van de Tempeliers, augustus 2006 [4].

    Boudewijn van Praet nam deel aan de slag te Bouvines op 12 juli 1214. De anonieme auteur van de Bethune vermeldde hem in zijn kroniek, geschreven na 1220. Deze auteur schreef voor Robert van Bethune en zijn entoerage. Boudewijn onderscheidde zich tijdens deze veldslag: "Baudouin van Praet, een welgesteld man uit Vlaanderen, sloeg met één houw Huan van Malaunoi (Hugh van Maleveine?), een zeer goed ridder, met zijn paard op de grond toen hij deze aanviel." Te Bouvines, nabij Rijsel in Frans Vlaanderen, versloeg Filip II Augustus, koning van Frankrijk, de geallieeerde legers van onder meer Otto IV, graaf Ferdinand van Vlaanderen, graaf Renaud van Boulogne, graaf Willem van Holland, koning Jan van Engeland en de graven van Namen, Leuven en Limburg. Na de veldslag werd de graaf van Vlaanderen met tal van nobelen gevangen genomen en naar Parijs gebracht. Zij werden er enige tijd opgesloten en tegen losgeld vrijgekocht.

    Afbeelding: historische evocatie van Philips II Augustus, de koning van Frankrijk, tijdens de slag van Bouvines op 12 juli 1214 [3]

    Tijdens deze veldslag werd ook ridder Gerard van Randerode vermeld, een verwante van de heren van Praet. Hij vocht dapper aan de zijde van Bernard van Oostmalle en graaf Otto van Tecklemburg, graaf Conrad van Dortmund, volgens de kroniekschrijver Willem De Bretoen. Hij werd samen met Bernard van Oostmalle gevangen genomen door de Fransen. De aanleiding van deze veldslag, en de conflicten tussen Engeland en Frankrijk vanaf 1202, dient allicht gezocht in de disharmonische verhouding van de Franse Capetingers (koningshuis) ten opzichte van de verovering van Engeland door Willem de Normandiër. De nakomelingen van Willem, vanaf zijn zoon Hendrik I van Engeland (1068-1135) waren van vazallen van de Franse koning opgeklommen tot het koningschap over Engeland, en Normandië werd een twistappel. De graaf van Vlaanderen weigerde in 1213 deel te nemen aan een geplande invasie van Engeland van de Franse koning. De veldslag van Bouvines wordt doorgaans aangeduid als het einde van de macht van de (Engelse) Plantagenets op het (Franse) vasteland.

    In mei 1216 trad Boudewijn van Praet op als getuige voor Filips van de Woestijne, de heer van Zomergem. Filips schonk een erfrente van 30 schellingen voor het zieleheil van zijn tante. Boudewijn tekende als "S. Balduini de Prat", en een broer, Frank van Praet, tekende met "S. Franconis fratris eius". Mogelijk paste deze oorkonde van Filips van Zomergem in een reeks schenkingen voor het zielenheil die als gevolg van de predikatie en de kruisopnamen als voorbereiding van de Vijfde Kruistocht werden gemaakt.

     

    De aanwezigheid van Boudewijn Van Praet bij de veldslag van Bouvines was ook niet onbelangrijk. Deze slag werd als drukkingsmiddel gebruikt om ridders te ronselen voor de Vijfde Kruistocht. Van een aantal ridders, ook in het Brabantse en het Vlaamse kamp, werd aangetoond dat ze in 1218-1220 op kruistocht vertrokken. De "kruisopname" gebeurde bij enkele Vlamingen al net vóór de veldslag. In 1216 trok Oliverus Scholasticus, een kruisprediker van de Vijfde Kruistocht, door Brabant en Vlaanderen. Hij vertoefde in de omgeving van Nijvel, Brugge en Gent volgens Caesarius van Heisterbach.


    Vermoedelijk was Boudewijn aanwezig bij de Vijfde Kruistocht, en kwam hij bij het beleg van Damiate onder de indruk van de ordebroeders of tempelierridders. In Brabant zijn voorbeelden bekend hoe de kruisvaarders er zich lieten inspireren door de tempelierorde. Wanneer Boudewijn II van Praet tot de Orde van de Tempeliers toetrad, is niet precies bekend. Er is wel een vermelding in 1226-1227, maar het is niet uitgesloten dat Boudewijn daarvoor, na de Vijfde Kruistocht, tempelierridder werd. [5]  

     

    Boudewijn II van Praet had verschillende kinderen: Boudewijn III van Praet, heer van Praet, Watervliet en Zomergem, vermeld in 1221-1241, Jan van Praet, onderdeken en deken van Sint-Donatius te Brugge, vermeld in 1226-1258, Adelheid van Praet, vermeld in 1224, gehuwd met Jan II van Bondues, Boudewijn van Praet, ridder, vermeld in 1242-1255, O.-L.-Vrouwekerk te Brugge, Gertrude van Praet, Vrouwe van Bongarde, vermeld in 1254, gehuwd met Walter I van Oostwinkel, Nn. [Nn. = niet genoemd] van Praet, gehuwd met Daniël I van Halluin, Nn. van Praet, gehuwd met Nn. van Knesselare, van wie ridder Boudewijn van Knesselare, vermeld in 1258-1259.

    Boudewijn III van Praet huwde Catherine Nn., en was vader van Jan van Praet, vermeld in 1228-1299, heer van Praet en Watervliet, ridder, gehuwd met Catherine Nn.. Jan van Praet was op zijn beurt vader van ridder Boudewijn IV van Praet, heer van Praet, en van Jan van Praet, vermeld in 1302 te Brugge.

    De edellieden Boudewijn II van Praet en Zeger van Mossere beslechtten in 1224 een twist die gerezen was tussen Jan van Bondues en diens vrouw Adelis van Praet, een dochter van Boudewijn II van Praet. Deze laatsten waren ontvangers van de spijker (een belasting) van Kortrijk. Walter van Kortrijk betwistte de inkomsten op bedoelde spijker, die op dat ogenblik 280,5 hoet haver bedroegen. Walter van Kortijk had deelgenomen aan de vierde kruistocht, en was omstreeks 1211 terug in Vlaanderen, waar hij werd vermeld als clericus aan het hof van Filips van Namen. Hij was kannunik van Sint-Donaats, en de prebende (verloning) die hij daarvoor ontving had hij geruild voor die van Hendrik van Zomergem in Sint-Veerle te Gent. In mei 1219 werd hij vermeld als protonotarius van Vlaanderen, hoofd van de kanselarijdienst. Hij ontving van Johanna van Constantinopel de inkomsten van de grafelijke spijker te Kortrijk, te Marke, te Aalbeke en te Bellegem, afgestaan door Hugo van Halluin en diens vrouw Adelida.

    [1] 'Le sang des Saint-Omer des croisades à la quenouille en Artois, Flandre, Normandie, Angleterre et dans les Etats Latins d'Orient',  Thomas Delvaux, Abbeville, F. Paillart, 2007 - [2] Tijdens de veldslag in Bouvines werd haar vader, Hellins van Waverin gevangen genomen tesamen met tal van nobelen van Vlaanderen. Van Waverin was de senechal van Vlaanderen en was vrij recent ridder geworden. [3] Ook de glasramen van de kerk van Bouvines, beelden fragmenten van de slag uit. [4] Zie ook de prachtig uitgewerkte website van Jan Hosten, www.tempeliers.be . - [5] Getrouwde mannen konden Tempelier worden, maar alleen de ongehuwde ridders droegen witte gewaden, overige Tempeliers droegen bruine of zwarte gewaden. Tempeliers mochten wel bezittingen hebben, maar deze vervielen na hun dood aan hun broeders, de andere Tempeliers. Een eventuele weduwe van een Tempelier kreeg wel een deel van de erfenis om in haar onderhoud te voorzien, maar zij mocht niet in het huis van haar overleden man blijven wonen.  


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (3 Stemmen)
    13-11-2009, 00:00 geschreven door Pal  
    Reacties (0)
    02-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.(de) Kerkstoel - iets over vondelingen

    (de) Kerkstoel - iets over vondelingen
      Een week of wat geleden kreeg ik een kerkstoel cadeau van mijn jongste broer en schoonzus. Zo’n hoge stoel met biezen waarop je knieën in geknielde houding pijn deden zoals ik het mij kon herinneren als misdienaar in de kerk Sint-Pieters Banden van Beringen. Zo’n stoel straalt iets uit, als gebalde devotie, innige gebedsintenties (“De deugd heeft veel predikers, maar weinig martelaren”), intens verdriet en vreugde. Als misdienaar vertaalde zich dat in de rode rok en bovenstukje boven het witte koorkleed tijdens de hoogmis, of als somber zwart bij een begrafenis. Dit is geen betaalde advertentie van het Heistse bouwbedrijf dat een jongen als voorouder had, gevonden op een kerkstoel, waardoor de nazaten de vondelingennaam meekregen en tot de dag van vandaag voeren: “Kerkstoel”. Die vindingrijkheid leidde tot heel wat familienamen. 

    Marie-Anne
    Lauwens was op 7 november 1794 te Mechelen Sint-Jan meter van een vondeling, gevonden op het Sint-Janskerkhof te Mechelen. De jongen kreeg als naam Frans "Verlaeten" mee. "Verlaeten" is de oud-Nederlandse schrijfwijze van "verlaten", zoals in de woorden van Matthias Agolla in "Zedelijke Sermoonen in 1729-1730: "Sterven is verlaeten, en al dat gy siet, en al dat gy hebt, en al dat gy hier hoopt." Verlaeten - Verlaet was een typische vondelingennaam. 

    Vondelingennamen ontsproten vaak aan de fantasie van de naamgevers. Op 27 augustus 1795 was zij meter bij het doopsel van een meisje dat te vondeling werd gelegd en die de naam Marie-Anne "Pomp" meekreeg. Het kind was gevonden door Jan Rijmenans in de conciërgerie, vermoedelijk aan de pomp...

    Eerder op 10 september 1787 trad Marie-Anne al eens op als meter van een vondeling, gevonden aan de hoofdpoort van Sint-Rombouts. Deze jongen kreeg als naam Jan Michel "Rombouts" mee. Deze naamgeving was niet ongewoon [zie ook verhaal van Jan Rombouts, een vondeling uit 1787]. In 1787 was zij meter van een andere "Jan Rombouts", ook gevonden aan de ingang van Sint-Rombouts, bij diens doopsel op 4 februari. 

    Marie-Anne moet actief zijn geweest in de parochie. Datzelfde jaar was zij meter voor de vondelingen "Steens" Katrien, Lucia, Peter, Thérèse, en in 1788 voor "Steens" Jan en Marie. Steens Katrien werd gevonden op 19 januari aan de poort van de conciërge, Steens Lucia werd er gevonden op 4 december, en Steens Peter werd gevonden achter het oud kerkhof. Steens Thérèse werd gevonden op 21 september aan de Adegempoort. De kinderen werden doorgaans de dag nadien al gedoopt. Steens Jan werd gevonden aan de noorderpoort van Sint-Rombouts, en Steens Marie werd gevonden op 28 maart aan de poort van de conciërge. Nog in 1795 was Marie-Anne meter van een andere vondeling, een meisje. Bij het doopsel op 31 januari 1795 kreeg deze vondelinge de naam Marie-Thérèse "Van der Porten" mee, en ook zij was gevonden aan de poort van de conciërge. 

    Op 4 maart 1795 was Marie-Anne meter van een jongen die te vondeling werd gelegd in de Schaalstraat, aan de deur van N. Bouijkens. Hij werd gedoopt Libert "Zorgmans" te Mechelen Sint-Jan. Op 7 april 1796 was zij meter bij het doopsel van Leo Van Steen, een vondeling gevonden in de Sint-Romboutskerk een dag eerder.























    De creativiteit die men aan de dag legde om vondelingen namen te geven is een verhaal op zich. Men verwees hierbij naar de vindplaats, het tijdstip waarop de vondeling werd gevonden, naar kenmerken van het kind, naar de voornaam van de vinder, maar ook naar een gemoedstoestand, weersomstandigheden, of men fantaseerde gewoon. Andere voorbeelden van vondelingennamen:

    • een vindplaats: Ingang, Vondelinghs, Van de Vondel (vondelingenschuif), Verbruggen, Van Steenweghe, Vlaminx (gevonden in de Vlamingenstraat), Van der Tonnen, Van der Poorten, Van Buyten (de wallen, extra-muros), Voorder (verder), Portael, Kerkstoel, Oevers, Gracht, Van de Vaert, Ketteken (gevonden in de Kattestraat), Manders (gevonden in een mand)...
    • een tijdsmoment: Maenlicht, Nachtbol, Enckel, Dobbel en Tripel (volgorde van vinden), Bellens (toen de bel ging), Duyster, Vangenachten, Vrijdachs, Vendredi, Van Avont, Van Seven, Van Elf, Paeschnacht, Van Paesschen,...
    • weersomstandigheden:  Vanderwinden, Verplas, Koudt, Ijskout, Nevel, Oostwindt, Eysel, Sneeuwer,...
    • naar de vinder: Beckers, Portier, Coster, Peeters, Janssens, Mertens,...
    • naar kenmerken van het kind: De Schreeuwer, Bleckaert (naakt of bloot gevonden), Naecktgeboren, Petit, Onverwacht, Vremdelincx, Windel, Kael, Vuil, Cleyn, Dickbol, Van de Munte (een mand gevonden in de windel), Caluwaert (kaal van aard), Corbeel (pikzwart haar, zoals een raaf of 'corbel'), ...
    • fantastische namen: Banck, Pickel, Stoel, Kerck, Schup, Grafsteen, Kelder, Keucken, (On)Gemack, Verloren, Arbeidt, Zuyden, Citroen, Appelcien, Grenaet (appel), Milloen, Ananas, Wortel, Struyck, Tack, Bladt,...
    • een gemoedstoestand (bij de vinder): Komtons, Helpen, Uytden, Slaever, Booze, Enfin, Alles, Gaetoem, Zeep, Helaes,...

    Marie-Anne Lauwens was op 11 april 1780 te Mechelen Onze-Lieve-Vrouw gehuwd met Jan Van den Houden. Het gezin had twee dochters, gedoopt in 1781 en 1783 te Mechelen Sint-Rombouts.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (8 Stemmen)
    02-11-2009, 00:00 geschreven door Pal  
    Reacties (0)
    06-10-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vikings in de Lage Landen

    Badmintonnende Vikings langs de E19? Vikings in de lage landen


    De collega’s keken mij wat meewarig aan toen ik maandag 6 oktober aankwam op het werk in Brussel. Ik had langs de E19 ter hoogte van Peutie twee Vikings zien badmintonnen! Iedereen weet dat ik iets heb met Vikings, en dat heeft alles te maken met mijn zoektocht in de familiegeschiedenis. Gelukkig kan ik inmiddels het eerste verhaal kracht bij zetten, want Touring Mobilis publiceerde een filmpje. Met geschiedenis is het lang niet zo eenvoudig… pakweg 1200 jaar geleden beschikte men nog niet over radio.

    Met wat we nu weten, is de oorsprong van de Laurentii [1] . in België te vinden in de omgeving van Brugge in het voormalige graafschap Vlaanderen tussen de 9e en de 12e eeuw. Een DNA-onderzoek via de mannelijke lijn leidde tot Haplogroep H1-a, wat wijst op een genetische verwantschap met Deense Vikings.
     
    De oorspronkelijke naam van de nederzetting ‘Brugge’ zou Rogia zijn, een afgeleide naam van de Reie. Vanaf de 8e of de eerste helft van de 9e eeuw onderging de naam een taalkundige evolutie die alleen door invloed van het Oudnoors is te verklaren. Er zou toen een contaminatie hebben plaatsgevonden met het Noorse bryggia [2] dat “aanlegplaats” betekent. Deze naam is enkel te verklaren vanuit intense en langdurige contacten met Vikings, een Scandinavisch volk, of zelfs de aanwezigheid van een belangrijke vreemde kolonie. Heel wat woorden in het scheepsjargon werden ontleend aan het Oudnoors, zoals stag, Beting (van beitass) en kiel (van kjörl) [3].
    Brugge is overigens niet de enige Vlaamse stad met een Viking-verleden. Deense Vikings die in Engeland door Alfred de Grote waren verslagen, staken in 879 het Kanaal over en gebruikten Gent als uitvalsbasis. Zij trokken in 881 naar Asselt aan de Maas in Midden-Limburg om van daar uit strooptochten uit te voeren tot in Keulen, Bonn, Koblenz en Trier [4]. De Frankische vorsten trachtten kwaad met kwaad te bestrijden en beleenden kustgebieden aan Deense Vikings als Harald en Rorik, die al vóór 840 door Lodewijk de Vrome als leenman werden aangesteld in Dorestad en omgeving. Dit bleek weinig effectief, ook bij de opdeling van het Karolingische rijk in 843, omdat de Viking leenmannen slechts een kleine militaire bovenlaag uitmaakten van de samenleving, en vaak afwezig waren gezien zij deze lenen niet permanent bewoonden. Niet alle Deense Vikings waren krijgsmannen, en het is duidelijk dat velen zich integreerden in de cultuur van hun nieuwe thuisland en opgingen in de inheemse bevolking. Hoe dan ook kon de aanstelling van Deense leenmannen niet bewerkstelligen dat de Vikingaanvallen ophielden na het uiteen vallen van het Karolingische rijk. Op lange termijn is hun invloed op het economisch en staatkundig vlak nochtans onmiskenbaar. De handel viel niet stil maar verlegde zich, de zeevaardkunst verbeterde, en de versterkte vestigingen, vaak ontstaan als vluchtplaatsen, vooral aan de kust, met de militaire versterking door lokale heersers werden steeds effectiever – het centrale gezag was immers aanzienlijk afgebrokkeld en deze omstandigheden versnelden de desintegratie van het Karolingische rijk.

    De aanwezigheid van Deense Vikings in Vlaanderen boeit ons zoals gezegd omdat een Y-chromosoom onderzoek op mannelijke descendenten Lauwens in de 21e eeuw wijst op een Deense viking-oorsprong. Deze genetische lijn werd ook ontdekt in een mitochondriaal onderzoek van een stammoeder van de familie Hernandez op de Canarische eilanden. Deze stammoeder heette Juana Lorenzo en was een Vlaamse immigrante wiens naam oorspronkelijk als Johanna Lauwens/Lauwers werd gespeld.

    De oudst bekende naamvermeldingen van voorouders Lauwens en Lauwers in de 13e eeuw leidden tot de omgeving van Brugge. Het is een fascinerende idee dat ook het oudst bekende familiewapen uit deze stad hiermee verband kan houden, omdat dit afbeeldingen bevat die naar een dergelijke oorsprong lijken te verwijzen. Het familiewapen bestaat uit zwanen zonder poten, zogenaamde merlettes, met een boomstronk, de oudste vorm van een anker. Volgens heraldische symboliek duiden de pootloze vogels op het verlaten van de moedergrond en, in combinatie met de stronk, op een ‘verankering’, in het Graafschap Vlaanderen.

    [1] Laurentii is de Latijnse verzamelnaam voor Lauwens en Lauwers en andere etymologische varianten voor de familienaam; [2] Zie o.m. Gysseling, “Een nieuwe etymologie”, R. Haepke “Brügges Entwicklung zum mittelalterlichen Weltmarkt”, en F.L. Ganshof, “Iets over Brugge gedurende de preconstitutioneele periode van haar geschiedenis” in Nederlandse Historiebladen, 1939; [3] Yves Cohat, “De Vikingen, heersers der zee”, 1987, Gallimard, Parijs; [4] Yves Cohat, “De Vikingen, heersers der zee”, 1987, Gallimard, Parijs.


    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (10 Stemmen)
    06-10-2009, 00:00 geschreven door Pal  
    Reacties (0)
    Archief per week
  • 28/06-04/07 2010
  • 14/12-20/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 05/10-11/10 2009
    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Blog als favoriet !

    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!