|
4. De eerste stappen in de misdaad.
In de klas werd er voorgelezen en deden we spelletjes. Maar echt heel veel weet ik daar niet meer van. Er was een zuster Coletta (een magere oude), en een zuster Godelieve (een dikke plezante), dat herinner ik me nog wel, en er waren ook enkele kleuterjuffen die wel leuk waren.
Als er iemand jarig was dan kreeg die de hele dag een papieren kroon op zijn hoofd. Het aantal gouden sterretjes dat er op gekleefd was gaf de leeftijd van de jarige aan. Drie, vier of vijf sterren dus. We namen dan voor iedereen koekjes of pralines mee en mochten die uitdelen aan de klasgenootjes. Dat was altijd een fijne dag. Zelfs toen ging de liefde al duidelijk door mijn maag. Wat betreft chocolade dan toch, want boterhammen waren aan mij niet besteed. Maar dat had mijn slimme moeder een ander trukje op gevonden. Dat vernemen jullie in een van de volgende afleveringe wel…
Goddank mocht ik onder de middag altijd naar huis. Dus niks geen stinkende refter of plakkerige ingepakte boterhammekes. Op dat punt vond ik wel dat ik een betekenisvolle vooruitgang had gemaakt en was de rest van de dag altijd te overleven.
We brachten er de uren door met knutselen met gekleurde papiertjes en wc-rollen, we tekenden, we plakten, we kleurden en we prikten prentjes uit papier. Echt veel speelgoed was er niet. Behalve… een grote doos met allemaal verschillend gekleurde plastic topjes die we in een karton met gaatjes mochten steken en zo figuurtjes konden vormen. Dat vond ik best plezierig.
Om ons ma gerust te stellen dat er toch af en toe iets leuks aan dat hele papschool-gedoe was besloot ik om zo’n topje van elke kleur mee naar huis te nemen en die eens aan haar te tonen.
Om 4 uur kwam ons ma me van ’t schooltje ophalen (het heerlijkste moment van de dag!) en thuisgekomen liet ik haar mijn 7 gekleurde topjes zien. Maar dat pakte verkeerd uit!
Ik bleek “gestolen” te hebben! Ik had er niet direkt een idee van wat dat woord betekende maar dat werd vlug uitgelegd : ik had iets meegenomen wat niet van mij was en dat was een misdaad en een zonde!
Daar stond ik nu met mijn 7 gekleurde topjes in mijn hand, alwéér te snotteren.
Ons ma droeg me op om die topjes morgen braaf terug in de doos te gaan leggen, en zoiets nooit meer te doen.
Maar ja, ik moest pas de volgende dag terug naar school, dus ik moest nog een volle nacht met die topjes doorbrengen alvorens ik ze terug kon geven… Is me dat een lange nacht geworden. Ik voelde die onooglijke plastic dingetjes branden in de zak van mijn jasje. Stel u voor dat die nonnen ’s nachts hun plastic toppekes gingen natellen… J
’s Morgens kon ik niet rap genoeg op school geraken en was ’t eerste wat ik deed die vermaledijde klote-dingen (OK, ik zal toen misschien wel in andere termen gedacht hebben, maar ik voelde het al wel zo aan) terug in hun doos te leggen, in de hoop zo mijn zonde en mijn misdaad ongedaan te maken. Van het heilig sacrament dat “de biecht” noemt had ik toen goddank nog geen besef. Anders was dat er ook zeker nog aan te pas gekomen.
En zo werd mijn mogelijk criminele toekomst dus in de kiem gesmoord

Mei 1963, de krullebol met het ruitjeskleed in 't midden ben ik. Om hoofdstuk 5 te lezen klik HIER.
|