Politieke prioriteiten anno 2010: een overpeinzing
“Ik
word daar zo moe van.” Deze titel stond, op 21 maart jongstleden, bovenaan de
column van Eric Van Rompuy. Het Vlaams parlementslid, en broer van monsieur le
Président, was verbolgen over de politieke stilstand binnen zijn geliefkoosde
partij, en bij uitbreiding de ganse politiek.
Wij
spreken dit ten zeerste tegen.
In de wandelgangen van
het Europese parlement kon men vorige week een rabiate Marianne Thyssen terugvinden.
Ze pikt het immers niet dat er in het Europese parlement plannen in de maak
zijn om etikettering in kledij uitsluitend in het Engels te drukken. Een
probleempje met je Engels, mevrouw Thyssen? Of wil je per se het
Nederlandstalig literair erfgoed bewaren? Nu ja, al maar goed dat ze zich met
de essentie van de politiek bezighoudt: Kledij. Haar verzet zal vermoedelijk
futiel zijn: Europese dweilen worden nu toch al met een uitgebreide Engelse
etikettering uitgerust, met dank aan Nigel Farage.
Die andere CD&V’er,
Pieter De Crem, mocht zich op het federale niveau dan weer verantwoorden voor
de aanwezigheid van Congolese militairen op het nationale defilé. Wij begrijpen
de commotie rond deze Congolese aanwezigheid in dit hoogstandje van
protocollaire kolder niet. Het idee van De Crem was toch lang niet zo slecht
bedoeld? Iedereen weet dat er bespaard moet worden op defensie en dat vele
soldaten de komende jaren verplicht moeten afzwaaien. Na een telefoongesprekje
met Steven Vanackere, wie vervolgens Joseph Kabila op diens Twitter-pagina contacteerde,
heeft De Crem een vervangingspeloton laten aanrukken. Woord bij daad voegen
zegt men dan. Misschien kan hij de Congolezen en passant eens laten kijken naar
zijn immer defecte vliegtuig, zodat hij daarmee onze Belgische legermacht uit
Afghanistan kan terughalen.
Naast deze twee
wapenfeiten is er nog andere uiterst nuttige informatie die de politiek ons
wist mede te delen. Niet alleen christendemocraten maken dit land tot een
toffere plaats, ook socialisten dragen hun steentje bij. Zij kwamen in het
halfrond opdraven met hun kritiek op de begroting. Vraag is echter hoe
nauwkeurig de hertelling van de socialisten is, na het meelijwekkende vertoon
van voorzitster Caroline Gennez, deze zondag tijdens het pensioendebat in de
Zevende Dag. Ontbijtend Vlaanderen schrok wel even toen Gennez hen het volgende
fijntjes uitlegde: wanneer iemand afstudeert op de leeftijd van 22 en
vervolgens 45 jaar moet werken, dan zal deze persoon de gezegende leeftijd van
75 jaar bereikt hebben, alvorens op pensioen te gaan. Foutje wat betreft de
eenheden én de tientallen. Foei foei Caroline, ga jij maar met collega Muyters
naar de aanpassingsklas van meester Peumans. Bericht aan die laatste:
organiseer voor je parlementariërs een cursus rekenen in plaats van
welsprekendheidslessen.
Kijk eens aan: Eric Van
Rompuy had ongelijk. Er is helemaal geen politieke stilstand te bespeuren en
het politieke bedrijf is absoluut in goede handen. Aangezien politiek België
zich enkel bezighoudt met de allerbelangrijkste zaken, is er – begrijpelijkerwijs
- geen tijd meer om het probleem van het recordaantal (1,3 miljoen!)
landgenoten aan te pakken dat een uitkering van de RVA ontvangt. Op dat vlak is
het spijtig genoeg nog steeds dweilen met de kraan open. Misschien moet Nigel
Farage maar eens overwegen om te immigreren naar België. Helaas komen we dan
weer terecht bij het probleem van de opvang van migranten. Is daar eigenlijk al
überhaupt een oplossing voor gevonden?
Louis Wauters en Lawrence
Urbain zijn studenten aan de Universiteit Antwerpen die voor L² hun
eigenzinnige blik op de politieke actualiteit werpen.
Vlaanderen
ligt economisch gezien in het hart van Europa. Binnen een straal van 500 km
rond de Antwerpse haven wonen ongeveer 180 miljoen mensen. Dit zorgt bijgevolg voor
een enorme afzetmarkt voor de haven zelf , maar ook voor de andere Vlaamse
logistieke centra. Vlaanderen heeft intussen al veel expertise op logistiek
gebied uitgebouwd en het zou zonde zijn om deze kennis te laten verloren
gaan.Toch zal men goed moeten nadenken
op welke manier men de positie van Vlaanderen als logistieke topregio gaat
handhaven.
Met
het plan “Vlaanderen in Actie” wil de Vlaamse overheid de logistieke toekomst van
haar regioveilig stellen. De doelstellingen in het plan zijn best ambitieus en
relatief ecologisch bewust georiënteerd, maar concrete aanwijzingen over hoe de
overheid samen met de Vlaming hier werk van zal maken, blijven voorlopig
uit.Het is dan ook te hopen dat het geen
loze beloften betreffen en dat men echt werk wil maken van een milieubewuste
logistiek die de levenskwaliteit van de burgers niet zal aantasten.
Wat
men hierbij in het achterhoofd moet houden is dat logistiek onvermijdelijk
grote verkeersstromen met zich meebrengt. Het wegennet in Vlaanderen is reeds
goed uitgebouwd en het is niet wenselijk om zomaar wegen te blijven bijbouwen,
enkele missing links buiten beschouwing gelaten.
De
bevolking van Vlaanderen zal volgens verscheidene prognoses aangroeien tot 7
miljoen tegen 2060, oftewel 15% meer dan nu. Deze mensen zullen zich uiteraard met z’n
allen dienen te verplaatsen op onze wegen, waardoor de capaciteit ervan, die nu
al regelmatig onder druk van congestie staat, helemaal ontoereikend worden. Dit
zou echter niet het signaal mogen zijn om dan toch maar extra wegen te gaan
bijbouwen.
Om een echte oplossing te bieden aan het
fileprobleem in Vlaanderen moet men naar een multidisciplinaire aanpak streven
om het fileprobleem op te lossen en geen enkele mogelijkheid mag hierbij
onbenut gelaten worden. Voor het goederenverkeer moet men van het spoor en de
binnenvaart de absolute prioriteit maken. Hier zijn zowel wat betreft de
capaciteit als de efficiëntie nog voldoende mogelijkheden tot verbetering. Met
capaciteitsuitbreidingen in de binnenvaart bedoelen we niet extra waterwegen
aanleggen maar de waterwegen beter bevaarbaar te maken voor grotere
binnenschepen, hierbij denken we ondermeer aan het verhogen van bepaalde
bruggen over de waterwegen zodat men een extra laag containers kan stapelen,
zoals men reeds bij het Albertkanaal te Antwerpen heeft gedaan. Een betere
efficiëntie kan men ondermeer bereiken door de goederenstromen beter op te
volgen en te coördineren en te zorgen dat men zo weinig mogelijk wachttijden
heeft bij de sluizen. Voor het spoorvervoer zijn enkele nieuwe verbindingen
(waarvan sommigen reeds lang gepland zijn) onontbeerlijk om deze transportmodus
echt competitief te maken tegenover het wegvervoer.
Het “Vlaanderen in Actie” plan blijft echter bijna
helemaal stil wat betreft het personenvervoer. Traffic management en carpooling
zijn hier blijkbaar de sleutelwoorden. Traffic management zal zeker een deel
van de oplossing moeten vormen, maar dit alleen zal niet volstaan. Carpooling
is ook een mooi initiatief maar de resultaten tot nu zijn te gering om al van
een echt succes te spreken. Uiteraard is dit nog in volle ontwikkeling en
moeten we dit zeker verder ondersteunen om tot mooie resultaten te komen.
Wat men zeker ook moet doen is de rol van het
openbaar vervoer in Vlaanderen grondig analyseren en nieuwe mogelijkheden
grondig bestuderen alvorens over het openbaar vervoer te spreken als een hoge
kostenpost waar dringend serieus op bespaard moet worden. Indien men het
openbaar vervoer echt kan aanbieden als goed, comfortabel en goedkoper
alternatief voor de eigen wagen, en men daardoor een serieuze stijging in het
aantal gebruikers kan verwezenlijken, zou dit we degelijk het congestieprobleem
grotendeels oplossen en zullen vele economische verliesuren van personen en
goederen die in de file staan vermeden kunnen worden.
Innovaties in het openbaar vervoer in verschillende
landen blijven niet uit, en Vlaanderen mag hierin als het echt een topregio
wilt worden niet achterblijven. Men kan Vlaanderen zien als een netwerk van
middelgrote steden die men allemaal onderling op een intelligente manier kan verbinden.
Op dit moment is echter enkel de trein een echt alternatief voor de auto als
het gaat om interregionale verbindingen. De NMBS zal echter nog serieuze efficiëntiewinsten
moeten bereiken, en een betere dienstverlening garanderen indien men nog meer mensen
de overstap wilt zien maken naar het spoorvervoer. Een deel van de oplossing
kan ook zijn het inrichten van intelligente busverbindingen waar de trein
ontoereikend blijkt te zijn. Hiervoor kan het nuttig zijn om de verplaatsingen
die elke Vlaming dagelijks maakt in kaart te brengen. Dit is uiteraard
verschillend met het werk dat de Lijn nu doet, namelijk het tellen van
passagiers op de verschillende lijnen. In vele regio’s wonen mensen op korte
afstand van elkaar die dagelijks ongeveer dezelfde verplaatsingen maken. De
voordelen van gezamenlijke verplaatsingen in plaats van dat iedereen zijn eigen
wagen gebruikt spreken voor zich. Uiteraard zijn er aan elk systeem van
openbaar vervoer ook nadelen verbonden, zo is het economisch niet haalbaar om
nieuwe bussen maar 3 uur per dag in te zetten. Echter ook andere mogelijkheden voor
het organiseren van openbaar vervoer zijn zeker noemenswaardig, maar deze
allemaal bespreken zou het doel van deze column voorbijgaan.
Om het openbaar vervoer ingang te doen vinden onder
het grootste deel van de bevolking zal er echter ook een serieuze
mentaliteitswijziging nodig zijn. Het heeft geen zin om allerlei innovatieve
concepten voor het openbaar vervoer in Vlaanderen te ontwikkelen als de Vlaming
hier geen gebruik van wilt maken. We moeten echter met zijn allen beseffen dat
als iedereen zijn eigen wagen gebruikt voor verplaatsingen we altijd met
dezelfde congestieproblemen zullen blijven zitten, zeker gezien dat de
bevolking gaat groeien en dat door de economische groei ook meer goederen
verplaatst zullen moeten worden. Ook de intelligente kilometerheffing en het
zoveel mogelijk autovrij maken van drukke stadskernen kunnen een aanzet geven
tot het gebruik van het openbaar vervoer. En dit niet om mensen het leven
moeilijker te maken zonder auto, maar wel om de steden en de verplaatsingen
leefbaar te houden.
Tot slot is het ook zeer belangrijk om te vermelden
dat logistiek zeker niet zaligmakend is. De vraag naar transport hangt sterk af
van de golfbewegingen van de wereldwijde economie en Vlaanderen hier te sterk
afhankelijk van maken zou een zeer ondoordachte beleidskeuze zijn.
Daarom is het belangrijk dat Vlaanderen ook werk
maakt van de professionele uitbouw van andere sectoren. De doelstelling om 3%
van het BNP te investeren in onderzoek en ontwikkeling is gelukkig al een
eerste stap in de goede richting. Ruimere samenwerkingsverbanden tussen
universiteiten, hogescholen en bedrijven zijn in ieder geval onontbeerlijk om
tot goede resultaten te komen die van Vlaanderen terug een echte topregio
kunnen maken waar het aangenaam is om te wonen en werken, en waarin de
bevolking echt alle kansen krijgt om zich te ontwikkelen.
Het Centrum voor
Gelijke Kansen en voor Racismebestrijding pleitte onlangs voor een
logboek voor portiers in elke discotheek dat zou moeten helpen bij
meldingen van racisme of discriminatie. L² Antwerpen is uiteraard te
vinden voor elke actie die men onderneemt om discriminerend gedrag
tegen te gaan, maar wil vooral ook een algemene mentaliteitswijziging
teweeg brengen.
In een moderne maatschappij waarin de grenzen en de doelmatigheid
van concepten als natie, volk en identiteit steeds verder vervagen en
ieder individu nagenoeg verplicht wordt om elk ander individu te moeten
leren samenleven ongeacht zijn of haar – overigens onterecht toegekend
– categorisch label, kan L² Antwerpen het niet aanvaarden dat deze
denkbeelden nog steeds het maatschappijbeeld vertroebelen.
Ook in het uitgaansleven, een toch niet onbelangrijk deel van het
jongerenbestaan, bestaan er in die zin nog vooroordelen op basis
waarvan bepaalde personen de toegang ontzegd wordt tot bepaalde
uitgaansgelegenheden, veelal onder het mom van niet altijd even
consequente redeneringen. Men vraagt dan om een lidkaart waar er geen
nodig is, men laat geen ‘nieuwe gezichten’ toe of men moet meer vrouwen
bij de hand hebben als pasmunt. Het werkt telkens de onzekerheid rondom
de keuzemogelijkheden van jongeren in de hand, wat zich dan kan uiten
in frustratie en tot polarisatie kan leiden. L² Antwerpen is er dan ook
voorstander van dat uitgaansgelegenheden zelf duidelijke, transparante
regels opstellen betreffende de toegang zodat discriminerend gedrag en
racisme ook duidelijk kunnen geïdentificeerd worden en kunnen
onderscheiden worden van regelingen die effectief binnen de bevoegdheid
van de uitgaansgelegenheid behoren, zoals de dresscode.
Omdat L² Antwerpen zijn heil niet ziet in al te veel nodeloze
regelgeving, doen we hier dan ook een oproep tot de oprichting van een
kwaliteitslabel dat de betrokken partijen kunnen onderschrijven en
waardoor ze zich op een positieve manier kunnen onderscheiden van de
andere uitgaansgelegenheden. Dit kwaliteitslabel zou vooral de
boodschap moeten overbrengen dat men in deze gelegenheden niet op een
subjectieve manier bepaalde personen zal weigeren om welke redenen dan
ook. Iedere discotheek die deze gedragscode zou onderschrijven erkent
dan ook dat iedereen die zich op een behoorlijke manier gedraagt
evenveel recht op toegang heeft als anderen. Indien dit kwaliteitslabel
door een groot aantal discotheken mee onderschreven wordt, dan geeft
dit de kans aan de gehele sector om zich op een positieve manier op te
stellen en op die manier een vooruitstrevende en verantwoordelijke rol
op te nemen.
Ook voor andere actoren in de sector ziet L² Antwerpen
mogelijkheden. Indien bijvoorbeeld DJ’s de gedragscode zouden
ondertekenen zal dit kwaliteitslabel nog meer waarde hebben en
draagwijdte kennen. L² Antwerpen is er van overtuigd dat dit
kwaliteitslabel ook door veel jongeren op een positieve manier onthaald
zal worden, gezien het feit dat zij meer dan ooit hun individuele zelf
zijn met alle rechten en plichten die daar bij komen kijken. Het geeft
in elk geval de mogelijkheid aan dat jongeren naar dit goede voorbeeld
kunnen handelen en zelf de toekomst van hun medejongeren mee richting
kunnen geven. Zo kunnen ook zij benadrukken waar het allemaal echt om
draait, namelijk iedereen een leuke uitgaansavond bezorgen.
De afgelopen weken werden we in ons land een behoorlijk
aantal keer geconfronteerd met stakingsacties, ondermeer bij autoconstructeur
Opel Antwerpen en brouwerijen AB Inbev en Alken-Maes. Het werk werd stilgelegd,
blokkades werden opgezet en directies werden vastgehouden ter verwezenlijking
van een aantal specifieke sociaal-politieke doelstellingen van de werknemers
van de respectievelijke ondernemingen. Verscheidene acties konden op steun
rekenen vanwege vakbonden aanwezig bij zusterbedrijven in het buitenland. De
arbeidersstrijd lijkt terug van weggeweest. Men zou haast weemoedig worden bij
het tentoonspreiden van zoveel solidariteit, of niet soms?
Bij nader inzien zijn er evenwel een aantal
kanttekeningen te maken bij het voorgestane concept van de solidariteit die ons
dwingen dit in het juiste perspectief te plaatsen. Niet dat we ons vragen
moeten stellen bij het in opstand komen tegen buitensporige eisen vanwege
aandeelhouders die op de kap van werknemers zichzelf verrijken of bij het
opkomen voor het individuele recht op werk, maar de wijze waarop de tegenstand
zich manifesteert, verdient enige nuancering. Het probleem dat zich hier namelijk
stelt, betreft de beperkende vorm van solidariteit die voortvloeit uit de
verweving ervan met het bestaan van een zogenaamde collectieve identiteit. Onder
het mom van een identiteit die schijnbaar collectief is, worden specifieke
groepsbelangen dan tot de norm verheven. Dat doen uiteraard niet enkel de
vakbonden, maar ook verscheidene andere groepen van mensen binnen de
samenleving die zichzelf bepaalde gemeenschappelijke kenmerken toedichten en
hun maatschappij- en mensbeeld daar aan aanpassen.
De rekbaarheid van het begrip identiteit, zeker in de
collectieve zin, staat als uitgangspunt evenwel een waarachtige solidaire
samenleving in de weg. Identiteit kan namelijk gemakkelijk beschouwd worden als
een inktvlek op een wit blad papier waar iedereen iets verschillend in kan
identificeren. Dat betekent ook dat wanneer gevoelens van solidariteit daaraan
worden verbonden, er ten eerste meer of minder mensen zullen ingesloten worden naargelang
de inschatting van deze identiteit en er ten tweede de neiging ontstaat om
individuen die niet tot het eigen collectief behoren uit te sluiten van
solidaire of zelfs empathische gevoelens. Een treffend voorbeeld werd gegeven tijdens
de vakbondsacties toen de vakbondsafdelingen vertegenwoordigd bij AB Inbev hun
slag thuis haalden (de directie trok haar herstructureringsplannen terug in) en
prompt een overwinningsfeest organiseerden, terwijl er voor de arbeiders van
Opel Antwerpen nog steeds geen duidelijkheid bestond rond de toekomst van hun
vestiging. De maatschappelijke problematiek die aan de basis ligt, is dan nog
wel niet verholpen, maar bij AB Inbev hadden ze tenminste terug werk en dat
leek voor deze vakbondsafdelingen dan ook belangrijk genoeg om te vieren. Zelfs
binnen de ‘groep’ van arbeiders is de solidariteit blijkbaar niet groot of
breed genoeg om ondernemingen of sectoren te overstijgen. Het collectief belang
lijkt in dat opzicht bijna even veranderlijk als het individueel belang,
waardoor het uiteindelijk een verraderlijke maatstaf lijkt te zijn om
solidariteit op te baseren.
Dergelijke beperkende opvatting van solidariteit, gebaseerd
op een collectieve identiteit, blijkt dus niet enorm standvastig en consistent
en kan zelfs tot perverse neveneffecten ten aanzien van andere ‘collectieven’ leiden.
Het zou jammer zijn voor onze samenleving moesten we de groepsgeleide
solidariteit niet proberen tegen te werken, omdat zij vanuit het groepsdenken een
segmentering van onze maatschappij in de hand werkt. Van een kwalitatieve
democratie zou er dan niet veel over blijven, omdat de groepen naast elkaar zullen
strijden om de goodwill van de
overheid, terwijl er veelal overbruggende perspectieven nodig zijn om bepaalde
maatschappelijke problemen die de groepen bestrijden, opgelost te krijgen. Werknemers
hebben immers werkgevers nodig en vice versa, waardoor het steeds op gespannen
voet met elkaar leven en het stapvoets tot vage compromissen komen op lange
termijn niet rendabel zal blijken en allerminst efficiënt en effectief. Willen
we vooruit, willen we onze solidaire samenleving in haar geheel behouden, kunnen
we ons niet langer de ene beleidsmatige deadlock
na de andere permitteren. Op grotere schaal is er dan ook nood aan kruisbestuiving
tussen de zogenaamde groepen, wat enkel mogelijk zal zijn indien het eigen
collectief wordt overstegen, wil men het eens worden met elkaar en vooruitgang
bekomen.
Dit betekent uiteindelijk dat we een andere maatstaf
dienen te hanteren dan het collectivisme om ons mens- en maatschappijbeeld en
onze solidariteit op te baseren. De koers die tegenwoordig al te vaak wordt
vergeten is die van de individuele aanpak met de nadruk op individuele rechten
en plichten, waarbij de verantwoordelijkheid van individu tot individu de
groepscultuur kan overstijgen. Mensen niet vastpinnen op dat ene aspect van hun
identiteit, is daarbij het devies. Belangen kunnen uiteraard nog steeds in
groep verdedigd worden, maar dienen onderworpen te worden aan de
verwezenlijking van het maatschappelijke project van vrije, rationele en
verantwoordelijke individuen die met elkaar samenleven en niet in groepen van
individuen naast elkaar. Op die manier wordt de verbondenheid van elk individu met
elk ander individu benadrukt, wat de ultieme voedingsbodem voor een waarachtig
brede vorm van solidariteit, gebaseerd op het principe van de universele
menselijkheid, betekent. In tegenstelling tot de solidariteit die opgelegd
wordt vanuit een bepaalde, onduidelijk definieerbare groepsmentaliteit, zal
deze vorm veel meer standvastig en consistent zijn en zodoende betere
slaagkansen bieden op het overleven van onze op solidariteit georiënteerde
maatschappij.
De scheidingslijn die momenteel tussen werknemers en
werkgevers loopt, beknot het potentieel van onze economie, de uiteindelijke
motor van onze welvaart. We doen dan ook een oproep naar de vakbonden toe om
samen te werken met de bedrijfsleiding (en vice versa) door de oude denkbeelden
over elkaar te laten varen en met elkaar op zoek te gaan naar vernieuwende
oplossingen ten aanzien van prangende vraagstukken in de samenleving. In tijden
van verandering en onzekerheid is het al te gemakkelijk om terug te vallen op en
zich te wentelen in waarden die zich baseren op een collectieve identiteit. Toegegeven,
als rationeel en verantwoordelijk individu een standvastige positie innemen in
een complexe samenleving als de onze, is geen gemakkelijke opdracht. Toch betreft
de individualistische ontwarring van de collectieve identiteit de enige manier
waarop maatschappelijke solidariteit te allen tijde kan gevrijwaard worden, in
plaats van het halsstarrig vasthouden aan de status quo van het groepsdenken die
op lange termijn onhoudbaar zal blijken voor ons sociaal zekerheidssysteem. Ter
plaatse blijven trappelen, betekent in dat opzicht meer dan ooit achteruitgaan.
Op naar een nieuw model van Europees politiek leiderschap? (deel 2)
In het opiniestuk van twee
weken geleden hebben we het reeds gehad over het gebrek aan efficiëntie en
transparantie binnen de huidige institutionele structuur van de Europese Unie.
Het verdrag van Lissabon heeft dan ook nauwelijks verandering aangebracht aan
deze reeds langer bestaande problematiek van politiek leiderschap, in de zin
dat dit verdrag gewoonweg een aantal functionele verschuivingen in de
taakverdeling omvat en nog steeds te veel ruimte laat, misschien nu wel meer
dan tevoren, voor institutioneel getouwtrek. Dat een daadkrachtige politieke
voortrekkersrol binnen de Unie nog steeds afhangt van de persoonlijkheden van
de hoogste functionarissen en hoe deze zich tot elkaar verhouden, is dan ook
veelzeggend. Henry Kissinger, voormalig Amerikaans minister van buitenlandse
zaken, zou zich naar alle waarschijnlijkheid nog steeds smalend afvragen: "If
I want to call Europe, who do I call?"
L² Antwerpen zou L² Antwerpen
niet zijn, mocht het daartegenover geen alternatief toekomstperspectief durven
schetsen. In het tweede deel rond dit thema wordt er dan ook een poging
ondernomen om onder het principe van de democratische legitimiteit en de
betrokkenheid van de burger, een efficiënter en transparanter georganiseerde
Europese structuur te bepleiten. Dit zou op zijn beurt op Europees niveau een
daadkrachtiger politiek optreden, zowel intern als extern, mogelijk moeten
maken.
Het democratisch deficit voorbij, naar een vernieuwd
institutioneel evenwicht
Er speelt zich al jaren een
discussie af, zowel in politieke als academische kringen, in welke mate er
binnen het Europees institutioneel kader een tekort aan democratische controle
heerst, in de zin dat Europese besluitvormers niet volledig aansprakelijk
kunnen worden gesteld door het Europese publiek en haar vertegenwoordigers.
Enerzijds kunnen kiezers inderdaad onmogelijk enige echte en volledige controle
uitoefenen op de Europese besluitvorming. Anderzijds mag het huidige systeem
niet vergeleken te worden met een geïdealiseerde versie van een perfecte democratie,
dan wel met de imperfecte realiteit van het politiek bestuur in de lidstaten,
waar de meeste fouten die verondersteld worden te bestaan binnen de Unie, ook
gemakkelijk gevonden kunnen worden.
Het bestaan van een aantal
institutionele mankementen, dient ons dus niet te drijven tot het uitroepen van
een ware legitimiteitscrisis, maar eerder tot het intensifiëren van de
discussie rond welke elementen dan wel vatbaar zijn voor democratische
verbetering. We komen zodoende in het vaarwater van de discussie rond het
institutioneel evenwicht op Europees niveau het. Binnen de Unie bestaat er
immers een wisselwerking tussen verscheidene instellingen op vlak van
besluitvormend vermogen, wat op zich een uitkomst vormt van een
evenwichtoefening tussen een geheel van intergouvernementele en supranationale
belangen. Het is dan ook geen gemakkelijke oefening om hier aan te sleutelen.
Toch ligt hierin de kern van de logheid van de Europese instellingen en
verdient het onze focus. De vraag die zich dan opwerpt, betreft diegene naar
welk evenwicht we dan op zoek dienen te gaan.
Voor wat betreft het opperste
politiek leiderschap van de Unie is het ondertussen duidelijk geworden dat de
veelheid aan topfuncties de nodige inefficiënte consequenties met zich
meebrengt. Er zou dan ook één gezicht voor de Europese Unie moeten komen, bij
voorkeur de voorzitter van de Europese Commissie, aangezien die zich met zijn
ploeg dient te verantwoorden ten aanzien van het rechtsreeks verkozen Europees
Parlement. Bij voorkeur zou de Europese Commissie ook de emanatie dienen te
vormen van de meerderheid in het Europees Parlement, in de zin dat de
voorzitter geen uitkomst meer kan vormen van onderhandelingen van de lidstaten
en diens nationale, maar een meer reëel democratisch gecontroleerd draagvlak
heeft. Het Europees Parlement kan dan ook niet meer gezien worden als
opleidingsschool voor nationale politici, maar daadwerkelijk politiek en
visionair talent aantrekken. De figuur van Commissievoorzitter - als het ware
in functie van een soort Europees regeringsleider - combineert in die zin legitimiteit
ten aanzien van de burger met affiniteit ten aanzien van het Europese niveau en
het (trans-)Europese belang, waardoor hij de persoon bij uitstek is en kan zijn
om aan de Europese beleidskar te trekken.
De democratische controle
binnen de Europese Unie moet in de handen liggen van het rechtstreeks verkozen
Europees Parlement. De opportuniteiten en verwezenlijkingen van deze bij
uitstek supranationale instelling hebben zich bij elke verdragswijziging steeds
verder uitgebreid. Echter, een van de grootste tekortkomingen blijft nog steeds
de onmogelijkheid van het formuleren van wetsvoorstellen door de
Europarlementsleden; het initiatiefrecht daartoe behoort volledig toe aan de
Europese Commissie. Als er één element een democratisch bestuur onwaardig te
noemen valt, dan is het zeker deze situatie waarin volksvertegenwoordigers geen
wetgeving kunnen initiëren. Daar dient dan ook dringend verandering in te
komen.
Voorts zijn op Europees niveau
de nationale belangen al bij al zeer sterk vertegenwoordigd; de Europese Raad
neemt de politieke ‘leidersrol’ voor zijn rekening, kiest de
Commissievoorzitter en door de Raad van de Europese Unie wordt de belangrijkste
positie in het besluitvormingproces ingenomen. Deze nationale belangen staan
het dynamische - en dus efficiënte - karakter van de Unie en de reactie die
daarvan uit dient te gaan om op bepaalde uitdagingen in te spelen, veelal in de
weg. Niet dat er dan geen plaats kan zijn voor zulke belangen, maar dit kan
evengoed ondergebracht worden in een Raad die op zich een tweede parlementaire
kamer met initiatief- en blokkeringsrecht vormt naast het huidige rechtstreeks
verkozen Parlement dat deze rechten uiteraard ook toebedeeld krijgt. Deze
doorgedreven gelijkwaardigheid tussen beide ‘kamers’ zorgt voor een snellere en
evenwichtigere besluitvorming ten aanzien van de nationale belangen die
momenteel al te zeer domineren, maar laat geen enkele lidstaat in de kou staan,
moest men een en ander tegen de wil van een lidstaat in willen beslissen.
Uiteraard impliceert de snelheid van beslissingen in deze Raad zoveel mogelijk
stemmen bij gekwalificeerde meerderheid op zoveel mogelijk beleidsdomeinen. Het
roterend voorzitterschap moet daarbij afgeschaft te worden, omdat het de
continuïteit van de besluitvorming onvoldoende kan garanderen. Een permanente
voorzitter kan hier in onderlinge overstemming tussen de lidstaten naar voren
worden geschoven.
Dit betekent dat er voor de
Europese Raad als institutie nog maar weinig ruimte wordt gelaten. In de
huidige context brengt deze Raad ook maar weinig op; het draait in de meeste
gevallen uit op uitermate gemediatiseerde toppen die eindigen in loze beloften
en vage doelstellingen, zeker de laatste jaren. Elke juridische en democratische
slagkracht ontbreekt deze zuiver politieke Raad ook, terwijl men zodoende de
nefaste indruk nalaat dat de Europese Unie nog steeds meer een
intergouvernementele organisatie betreft dan een supranationale. De broodnodige
stappen voorwaarts blijven uit. In de praktijk zou het dan ook beter zijn dat
de Commissie de collectieve beleidsmatige impulsen onder de Verdragsteksten
weet te leveren in haar rol van beleidsvoorganger, zoals zij relatief succesvol
op haar domein heeft weten doen. Jammer voor huidig permanent voorzitter van de
Europese Raad Herman Van Rompuy, maar we geloven principieel niet in zijn
toekomst.
Dichter bij de burger
Een tweede belangrijk element
in de hertekening van de Europese institutionele structuur, naast die van
democratische legitimiteit, betreft de betrokkenheid van de Europese burger,
aangezien de democratische steun voor het Europese project uiteindelijk te herleiden
valt tot deze politieke actor. Een eerste punt daarin vormt het principe van de
subsidiariteit volgens hetwelk de bevoegdheden die een bepaald bestuurlijk
niveau te beurt vallen, zo dicht mogelijk bij de bevolking dienen te liggen. De
daarvan afgeleide besluiten moeten namelijk op dat niveau genomen worden waar
ze het beste realiseerbaar zijn in het licht van de verhoopte doelstellingen.
Dit impliceert dat de Europese Unie enkel kan optreden wanneer er door de
lidstaten afzonderlijk geen voldoende effectief beleid kan opgezet worden. Op
die manier kan beter gegarandeerd worden dat het Europese besluitvormingsniveau
geen aura van een onverantwoordbare ver-van-mijn-bedshow krijgt.
Hier ligt meteen ook de weg
open om het belang van nationale en regionale parlementen te herkennen door ook
deze instellingen bij de Europese besluitvormingsprocedures te betrekken, aangezien dit cruciaal is met het oog op de
uitvoering van het subsidiariteitsbeginsel. Dit kan in de vorm van een
nauwgezettetoetsing van de EU-wetgeving en van de acties van de
regeringen van hun Lidstaten in deRaad. Het Verdrag van
Lissabon heeft hier reeds gedeeltelijk op ingespeeld door de rol en inspraak
van nationale parlementen te versterken middels een specifieke procedure.
Uiteraard moet hetzelfde ook mogelijk gemaakt worden voor regionale parlementen
die over wetgevende bevoegdheden beschikken.
Op zich biedt het voorgaande
dan nog wel geen garantie op een positieve perceptie vanwege het grote publiek.
Het subsidiariteitsbeginsel is in dat opzicht eerder een bestuurstechnische
term waarmee parlementairen wel eens schermen om de verhouding tussen verschillende
besluitvormingsniveaus te bepalen. Voor de doorsnee Europeaan lost dat niks op
aan zijn relatief wantrouwen in de Europese instellingen. De Europese Unie zit
op het vlak van haar imago dan ook al te vaak in een defensieve positie
grotendeels omwille van het feit dat het nut ervan wordt onderschat of de
doeltreffendheid ervan in een slecht daglicht wordt geplaatst. Er is dus meer
nodig dan enkel een democratische, transparante en efficiënte werking; het Europees
niveau dient dit ook uit te stralen.
In dat opzicht is het
belangrijk te beseffen dat kennis, toegang tot informatie en debat basisvoorwaarden
zijn voor een gezond functionerende democratie die
het vertrouwen van de burger opwekt. Ook het Europese niveau verdient
dergelijke politieke context. Nationale politici zouden dan best ook hun
verantwoordelijkheid opnemen alvorens ze de zoveelste sneer geven richting
Europa of zelf met de pluimen gaan lopen van het wetgevend werk. Er zou
zodoende een transparant overzicht moeten
ontwikkeld worden dat laat zien welke relatie er bestaat tussen nationale
wetgeving en achterliggende Europese regels. Een EU-logo bij die Vlaamse
decreten of Belgische wetten die omzetting van Europese wetgeving zijn, vormen daarin
een eerste stap. Ook de media zouden hier
dan kunnen op inspelen door de wetgeving juist te plaatsen, wat meer aandacht
en debat stimuleert.
Nood aan Europese verdieping
Het gebrek aan visie en/of de
politieke onwil om een visie te durven uitdragen, hebben ertoe geleid dat het
Verdrag van Lissabon eerder als een vervormingsgedrag kan beschouwd worden dan
een hervormingsgedrag. De reeds bestaande onoverzichtelijkheid werd immers gewoonweg
wat afgevlakt en er werd in de marge wat gegoocheld met nieuwe functies. De
kern van de institutionele structuur werd nauwelijks bijgesteld terwijl juist
hierin een groot deel van de problematiek schuilt.
In het licht van de
grensoverschrijdende uitdagingen waar het Europese niveau voor staat en waar
zij het meest doeltreffende antwoord op dient te formuleren, is de nalatigheid
vanwege de Europese politieke leiders des te schrijnender. L² Antwerpen wil dan
ook vooral een aanzet geven tot verdere discussie met betrekking tot het
democratisch, efficiënt en effectief gehalte van de Europese structuren en
daarmee een deel uitmaken van de oplossing. Alvorens de bestuurbaarheid van de
Europese Unie verder ontwricht wordt-
zeker met nakende uitbreidingen in het vooruitzicht - moeten we ons tegen
eurosceptici, die in de huidige context maar weinig meer moeten doen dan een
Europese impasse afwachten, verdedigen door in de ideologische aanval te gaan.
Het lijkt er immers meer en meer op dat enkel door te putten uit eigen creatieve,
uitgediepte en pasklare ideeën en oplossingen, de Europese verdieping dichterbij
gebracht kan worden.
Op
naar een nieuw model van Europees politiek leiderschap? (deel 1)
Op 1 januari jongstleden trad Herman Van Rompuy dan toch officieel aan als voorzitter
van de Europese Raad (bijeenkomst van staatshoofden en regeringsleiders die de
algemene politieke lijnen van de Europese Unie uitzet), een maand later dan de
inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. In verscheidene (pro-)Europese
media, en niet in het minst in de Belgische, wordt deze nieuw gecreëerde
functie veelal geëtaleerd, en dit onterecht, als zijnde een presidentsfunctie
binnen de Europese Unie. Een foutieve vertaling vanuit het Engels? Of zijn de
verwachtingen dermate hoog gespannen (om ze daarna ongetwijfeld ongenadig de
kop in te drukken)? En uiteindelijk, what’s in a name?
Er blijkt echter dringend nood aan een reality check, want de kans zit er wel
degelijk in dat in dit geval de naam, de eigenschappen van een bepaald voorwerp
danig overschat, wat uiteindelijk in het nadeel van de nieuwbakken voorzitter zou
kunnen spelen. Niet dat we zo’n fan zijn van Van Rompuy, maar des te meer van
een goed functionerend Europees besluitvormingsniveau dat stand houdt in een
snel veranderende wereld die voor een heel aantal uitdagingen staat.
Het
institutioneel kluwen blijft
Het verdrag van Lissabon heeft heel wat ruimte voor
institutioneel getouwtrek gelaten, waardoor de voorzitter van de Europese Raad
lang niet alleen aan het roer staat van de Europese constructie. Naast de
permanente voorzitterspost blijft immers het roterend voorzitterschap nog
steeds bestaan, waaronder om de zes maanden een andere Europese lidstaat het
voorzitterschap van de Raad van Ministers (met maandelijkse vergaderingen
tussen nationale ministers per beleidsdomein, officieel Raad van de Europese
Unie genoemd) op zich neemt, wat nog steeds het belangrijkste
besluitvormingsorgaan van de Europese Unie vormt, alsook instaat voor de
coördinatie van het algemeen economisch beleid en ook het
gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid ontwikkelt.
Op dat laatste domein werd er tevens een vaste
voorzitter van deze Raad aangeduid, naast de ‘roterende’ voorzitter, in de
figuur van een Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor
buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (momenteel ingevuld door de Britse
Catherine Ashton) die dan samen met een ‘roterende’ nationale Minister van
Buitenlandse Zaken, het buitenlands beleid vertegenwoordigd. Tevens neemt deze vaste
voorzitter de functie op van Europees Commissaris voor Externe Relaties, die
verantwoordelijk is voor de representatie van de Europese Commissie in het
buitenland.
Het kluwen van de vertegenwoordiging en politiek optreden
van de Europese Unie werd dusdanig allerminst grondig ontward, eerder
bijgesteld in de marge van wat politiek mogelijk was. Het wordt ook duidelijk
dat de problemen zich voornamelijk zullen afspelen bij het externe optreden van
de Unie, aangezien er voornamelijk op dit vlak, al dan niet expliciet,
overlappingen waar te nemen zijn. De vraag blijft dan in welke mate de
juridische hiaten zich vertalen naar de praktijk en hoe de rol van permanent
voorzitter van de Europese Raad zich hierbinnen zal kunnen ontwikkelen.
Een
evenwichtsoefening dreigt
Enerzijds kan er inzake de continuïteit en
effectiviteit van het Europese beleid evenwel geargumenteerd worden dat er wel
degelijk stappen voorwaarts zijn gezet; zowel de Europese Raad als het
buitenlands- en veiligheidsbeleid zullen gebaat zijn bij een vaste coördinator,
waardoor er mogelijks door middel van de versterkte vertrouwensband in de
toekomst sneller tot politieke doorbraken wordt gekomen om bepaalde
grensoverschrijdende en globale uitdagingen aan te gaan. Anderzijds zal veel
afhangen van de persoonlijkheden van de nieuwe figuren in de topfuncties en
hoeverre zij in het belang van de Europese Unie hun taken zullen uitvoeren. Meestal
wringt daar ook het schoentje, voornamelijk in relatie tot de agenda van het
roterende voorzitterschap, aangezien de Unie op dat vlak nog steeds niet
gevrijwaard wordt van nationale belangen die al te vaak roet in het eten gooien.
Het was daarom ook hoopgevend dat de eerste minister
van Spanje (dat op 1 januari het roterende
voorzitterschap op zich neemt), Jose Luis Rodriguez Zapatero, onlangs
verklaarde dat hij het Spaanse voorzitterschap ter beschikking stelde van de
heer Van Rompuy zodanig dat dit ten goede kwam van de ‘zichtbaarheid van de
hoogste functie die het verdrag van Lissabon toekent’. Zapatero beloofde dan
ook plechtig om in deze testperiode zowel publiekelijk als intern niet op de
tenen van Van Rompuy te trappen. Toch drukte Zapatero niet lang daarna de wil uit
om gastheer te spelen bij de EU-VS en Latijns-Amerikaanse toppen. Tot zover de
goede bedoelingen.
Het lijkt er dan ook op dat de dreiging van
gezichtverlies voor Herman van Rompuy op internationaal vlak wel degelijk aanwezig
is, tenzij deze zich zodanig manifesteert dat hij het instrument van het
voorzitterschap kan aanwenden tot politieke slagkracht inzake het gemeenschappelijk
buitenlands- en veiligheidsbeleid. Dat is dan natuurlijk gerekend buiten de
nationale belangen van de verschillende lidstaten binnen de Europese Raad. Het
hoeft in dat opzicht geen betoog dat we met L² Antwerpen nogal sceptisch staan
tegenover de slaagkansen hiervan. Van Rompuy kwam dan ook niet toevallig uit de
bus als compromisfiguur.
Voor een transparanter en democratischer Europa
Deze huidige situatieschets
leidt ons ertoe te besluiten dat het enthousiasme dat de oprichtende leden van
de Europese Unie te beurt viel en waarmee zij de Europese eenmaking
aanvankelijk vorm gaven, lijkt vergeten te zijn onder de constructeurs van de recente
Europese verdragswijzigingen. Toegegeven, het euforisch gevoel dat na de Tweede
Wereldoorlog ontstond, bleek een zeer krachtige en uitzonderlijke motor voor de
Europese integratie zijn. Toch kan men niet licht blijven omspringen met de efficiëntie
van het Europese niveau; het is iets waar blijvend aan dient geschaafd te
worden, zeker in een snel evoluerende en globaliserende samenleving. De
geloofwaardigheid van het politieke optreden van de Europese Unie hangt er
namelijk vanaf en die is nodig om de positie van het Europese niveau nu en in
de toekomst te bestendigen zodat grensoverschrijdende problematiek aangepakt
kan worden. Het supranationale karakter van de Unie is bovendien uniek in de
wereld en geldt in dat opzicht als een belangrijk instrument en als
voorbeeldfunctieom de beperkende notie
van de natiestaat te ontmantelen.
Concreet gesteld, betekent dit
dat er binnen de huidige complexe situatie nood is aan een duidelijkere
afbakening van de verschillende taken. Dit wil daarom geen pleidooi zijn voor
een striktere regulatie, maar eerder voor een efficiëntere en transparantere
organisatie die op haar beurt, onder het opgewekte vertrouwen, meer daadkracht
zal kunnen tentoonspreiden. Bovendien dient er zorg gedragen te worden voor de
betrokkenheid van de burger, aangezien de politieke steun voor het Europese
niveau uiteindelijk op dat niveau dient te gedijen. Hoe dit zich dan in de institutionele
praktijk zou moeten vertalen, behandelenwede volgende maal.
Cameratoezicht op Ossenmarkt biedt geen oplossing voor
overlast
De plannen van het Antwerpse
stadsbestuur om een roterende supercamera te installeren op de Ossenmarkt,
hartje studentenbuurt, kunnen op weinig bijval rekenen onder de Antwerpse
studentenverenigingen. Ook L² Antwerpen keert zich tegen het hangende voorstel
dat cameratoezicht als een helende kracht beschouwd.
Uiteraard kunnen we ons vinden
in de bezwaren die opgetekend werden ten aanzien van (feestende) studenten die
het niet altijd zo nauw nemen met de leefbaarheid van de buurt en zich
bijgevolg niet behoorlijk gedragen. Wildplassen, nachtlawaai en vandalisme
keuren we dan ook niet goed en dient aangepakt te worden, maar we kunnen maar
weinig begrip opbrengen voor de manier waarop deze problematiek benaderd wordt.
Cameratoezicht lijkt ons allesbehalve een proportioneel en effectief instrument
en roept bij ons als maatregel vooral het aura van gemakzucht op.
De optie van het plaatsen van
een camera staat volgens ons ten eerste niet geheel proportioneel tegenover de
geldende problemen. In dat geval wordt immers de vrijheid van het individu in
het publieke verkeer beknot in die zin dat hem het beslissingsrecht wordt
ontnomen om al dan niet op film geregistreerd te worden. Het lijkt misschien
relatief minder beduidend om dit dermate in vraag te stellen, maar het gaat
daarbij voornamelijk omwille van het principe dat een overheid zich voor
dergelijk optreden ten allen tijde moet kunnen verantwoorden, willen we erover
waken dat de evolutie naar meer cameratoezicht niet tot excessen leidt en de
privacy, als fundamenteel recht van het individu, aan banden legt.
Er lijken ons in dat opzicht
inderdaad minder verregaande maatregelen mogelijk om de overlast te beperken
zonder dat daarbij een beperking van de privacy, nota bene van elke mogelijke
passant op de Ossenmarkt, aan te pas komt. Wildplassen zou bijvoorbeeld
verholpen kunnen worden door de plaatsing van openbare toiletten. Aangezien uitbaters
en studentenverenigingen reeds inspanningen doen om nachtlawaai en vandalisme
tegen te gaan, weerhoudt niets het Antwerpse stadsbestuur ervan om op de
individuele verantwoordelijkheid van elke student te wijzen bijvoorbeeld aan de
hand van een informatiecampagne of ludieke actie.
Ten tweede stellen we met L²
Antwerpen ook de effectiviteit van dergelijk cameratoezicht in vraag. De
overlast zal zich naar alle waarschijnlijkheid gewoonweg verplaatsen, uit het
zicht van de camera, tenzij er natuurlijk op alle mogelijke plaatsen camera’s
worden geplaatst, wat niet de bedoeling kan zijn. Bovendien rijst er bij ons
ook de vraag of het filmen van onverantwoordelijk studentengedrag, tot het
vergroten van de pakkans zal leiden; het kwaad is meestal al geschied voordat
de politie ter plaatse kan zijn. Het enige waar het cameratoezicht dan nog op
teert, is het potentiële afschrikeffect, waardoor studenten eventueel zullen
wegblijven van de Ossenmarkt, wat nog minder de bedoeling kan zijn, tenzij men
van het imago van studentenstad afwil en de studentenbuurt wil ontmantelen.
Alleszins wordt er door het
Antwerpse stadsbestuur niet op constructieve wijze te werk gegaan. In plaats
van het sociale contact met de student aan te gaan, verschuilt men zich liever
achter repressieve maatregelen in plaats van preventie. Structureel gezien
biedt cameratoezicht dan ook geen oplossing, gezien de problemen niet bij de
wortel worden aangepakt. Er is daarom nood aan duurzaam overleg tussen de
studentenverenigingen, de buurtbewoners en het stadsbestuur, waar de oorzaken
van de problemen kunnen worden behandeld en de oplossingen die worden
voorgesteld een breder draagvlak zullen kennen, wat de slaagkansen ervan
vergroot.
Het lijkt er dan ook sterk op
dat het Antwerpse stadsbestuur met het cameratoezicht voluit voor een
gemakkelijkheidsoplossing lijkt te gaan en vanuit die gemakzucht tot weinig
inventieve oplossingen lijkt te komen. Het geloof in de kracht van één roterende
supercamera die als een deus ex machina in één keer alle problemen van overlast
in de studentenbuurt oplost, wijst volgens ons op een ondoordachte en vooral
onvolledige manier van redeneren. Er is dan ook meer nodig om L² Antwerpen van
een efficiënt en effectief gevoerd beleid te overtuigen.