Inhoud blog
  • Politieke prioriteiten anno 2010: een overpeinzing
  • Vlaanderen als logistieke topregio?
  • L² Antwerpen wil kwaliteitslabel voor discotheken
  • Solidariteit versus collectieve identiteit
  • Op naar een nieuw model van Europees politiek leiderschap? (deel 2)
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    L² Antwerpen blogt

    24-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Politieke prioriteiten anno 2010: een overpeinzing

    “Ik word daar zo moe van.” Deze titel stond, op 21 maart jongstleden, bovenaan de column van Eric Van Rompuy. Het Vlaams parlementslid, en broer van monsieur le Président, was verbolgen over de politieke stilstand binnen zijn geliefkoosde partij, en bij uitbreiding de ganse politiek.

     

    Wij spreken dit ten zeerste tegen.

     

    In de wandelgangen van het Europese parlement kon men vorige week een rabiate Marianne Thyssen terugvinden. Ze pikt het immers niet dat er in het Europese parlement plannen in de maak zijn om etikettering in kledij uitsluitend in het Engels te drukken. Een probleempje met je Engels, mevrouw Thyssen? Of wil je per se het Nederlandstalig literair erfgoed bewaren? Nu ja, al maar goed dat ze zich met de essentie van de politiek bezighoudt: Kledij. Haar verzet zal vermoedelijk futiel zijn: Europese dweilen worden nu toch al met een uitgebreide Engelse etikettering uitgerust, met dank aan Nigel Farage.

     

    Die andere CD&V’er, Pieter De Crem, mocht zich op het federale niveau dan weer verantwoorden voor de aanwezigheid van Congolese militairen op het nationale defilé. Wij begrijpen de commotie rond deze Congolese aanwezigheid in dit hoogstandje van protocollaire kolder niet. Het idee van De Crem was toch lang niet zo slecht bedoeld? Iedereen weet dat er bespaard moet worden op defensie en dat vele soldaten de komende jaren verplicht moeten afzwaaien. Na een telefoongesprekje met Steven Vanackere, wie vervolgens Joseph Kabila op diens Twitter-pagina contacteerde, heeft De Crem een vervangingspeloton laten aanrukken. Woord bij daad voegen zegt men dan. Misschien kan hij de Congolezen en passant eens laten kijken naar zijn immer defecte vliegtuig, zodat hij daarmee onze Belgische legermacht uit Afghanistan kan terughalen.

     

    Naast deze twee wapenfeiten is er nog andere uiterst nuttige informatie die de politiek ons wist mede te delen. Niet alleen christendemocraten maken dit land tot een toffere plaats, ook socialisten dragen hun steentje bij. Zij kwamen in het halfrond opdraven met hun kritiek op de begroting. Vraag is echter hoe nauwkeurig de hertelling van de socialisten is, na het meelijwekkende vertoon van voorzitster Caroline Gennez, deze zondag tijdens het pensioendebat in de Zevende Dag. Ontbijtend Vlaanderen schrok wel even toen Gennez hen het volgende fijntjes uitlegde: wanneer iemand afstudeert op de leeftijd van 22 en vervolgens 45 jaar moet werken, dan zal deze persoon de gezegende leeftijd van 75 jaar bereikt hebben, alvorens op pensioen te gaan. Foutje wat betreft de eenheden én de tientallen. Foei foei Caroline, ga jij maar met collega Muyters naar de aanpassingsklas van meester Peumans. Bericht aan die laatste: organiseer voor je parlementariërs een cursus rekenen in plaats van welsprekendheidslessen.

     

    Kijk eens aan: Eric Van Rompuy had ongelijk. Er is helemaal geen politieke stilstand te bespeuren en het politieke bedrijf is absoluut in goede handen. Aangezien politiek België zich enkel bezighoudt met de allerbelangrijkste zaken, is er – begrijpelijkerwijs - geen tijd meer om het probleem van het recordaantal (1,3 miljoen!) landgenoten aan te pakken dat een uitkering van de RVA ontvangt. Op dat vlak is het spijtig genoeg nog steeds dweilen met de kraan open. Misschien moet Nigel Farage maar eens overwegen om te immigreren naar België. Helaas komen we dan weer terecht bij het probleem van de opvang van migranten. Is daar eigenlijk al überhaupt een oplossing voor gevonden?

     

     

    Louis Wauters en Lawrence Urbain zijn studenten aan de Universiteit Antwerpen die voor L² hun eigenzinnige blik op de politieke actualiteit werpen.

     

    24-03-2010 om 21:09 geschreven door Mattias Detavernier  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    » Reageer (0)
    11-03-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vlaanderen als logistieke topregio?

    Vlaanderen ligt economisch gezien in het hart van Europa. Binnen een straal van 500 km rond de Antwerpse haven wonen ongeveer 180 miljoen mensen. Dit zorgt bijgevolg voor een enorme afzetmarkt voor de haven zelf , maar ook voor de andere Vlaamse logistieke centra. Vlaanderen heeft intussen al veel expertise op logistiek gebied uitgebouwd en het zou zonde zijn om deze kennis te laten verloren gaan.  Toch zal men goed moeten nadenken op welke manier men de positie van Vlaanderen als logistieke topregio gaat handhaven.

     

    Met het plan “Vlaanderen in Actie” wil de Vlaamse overheid de logistieke toekomst van haar regioveilig stellen. De doelstellingen in het plan zijn best ambitieus en relatief ecologisch bewust georiënteerd, maar concrete aanwijzingen over hoe de overheid samen met de Vlaming hier werk van zal maken, blijven voorlopig uit.  Het is dan ook te hopen dat het geen loze beloften betreffen en dat men echt werk wil maken van een milieubewuste logistiek die de levenskwaliteit van de burgers niet zal aantasten.

     

    Wat men hierbij in het achterhoofd moet houden is dat logistiek onvermijdelijk grote verkeersstromen met zich meebrengt. Het wegennet in Vlaanderen is reeds goed uitgebouwd en het is niet wenselijk om zomaar wegen te blijven bijbouwen, enkele missing links buiten beschouwing gelaten.

     

    De bevolking van Vlaanderen zal volgens verscheidene prognoses aangroeien tot 7 miljoen tegen 2060, oftewel 15% meer dan  nu. Deze mensen zullen zich uiteraard met z’n allen dienen te verplaatsen op onze wegen, waardoor de capaciteit ervan, die nu al regelmatig onder druk van congestie staat, helemaal ontoereikend worden. Dit zou echter niet het signaal mogen zijn om dan toch maar extra wegen te gaan bijbouwen.

     

    Om een echte oplossing te bieden aan het fileprobleem in Vlaanderen moet men naar een multidisciplinaire aanpak streven om het fileprobleem op te lossen en geen enkele mogelijkheid mag hierbij onbenut gelaten worden. Voor het goederenverkeer moet men van het spoor en de binnenvaart de absolute prioriteit maken. Hier zijn zowel wat betreft de capaciteit als de efficiëntie nog voldoende mogelijkheden tot verbetering. Met capaciteitsuitbreidingen in de binnenvaart bedoelen we niet extra waterwegen aanleggen maar de waterwegen beter bevaarbaar te maken voor grotere binnenschepen, hierbij denken we ondermeer aan het verhogen van bepaalde bruggen over de waterwegen zodat men een extra laag containers kan stapelen, zoals men reeds bij het Albertkanaal te Antwerpen heeft gedaan. Een betere efficiëntie kan men ondermeer bereiken door de goederenstromen beter op te volgen en te coördineren en te zorgen dat men zo weinig mogelijk wachttijden heeft bij de sluizen. Voor het spoorvervoer zijn enkele nieuwe verbindingen (waarvan sommigen reeds lang gepland zijn) onontbeerlijk om deze transportmodus echt competitief te maken tegenover het wegvervoer.

     

    Het “Vlaanderen in Actie” plan blijft echter bijna helemaal stil wat betreft het personenvervoer. Traffic management en carpooling zijn hier blijkbaar de sleutelwoorden. Traffic management zal zeker een deel van de oplossing moeten vormen, maar dit alleen zal niet volstaan. Carpooling is ook een mooi initiatief maar de resultaten tot nu zijn te gering om al van een echt succes te spreken. Uiteraard is dit nog in volle ontwikkeling en moeten we dit zeker verder ondersteunen om tot mooie resultaten te komen.

     

    Wat men zeker ook moet doen is de rol van het openbaar vervoer in Vlaanderen grondig analyseren en nieuwe mogelijkheden grondig bestuderen alvorens over het openbaar vervoer te spreken als een hoge kostenpost waar dringend serieus op bespaard moet worden. Indien men het openbaar vervoer echt kan aanbieden als goed, comfortabel en goedkoper alternatief voor de eigen wagen, en men daardoor een serieuze stijging in het aantal gebruikers kan verwezenlijken, zou dit we degelijk het congestieprobleem grotendeels oplossen en zullen vele economische verliesuren van personen en goederen die in de file staan vermeden kunnen worden.

     

    Innovaties in het openbaar vervoer in verschillende landen blijven niet uit, en Vlaanderen mag hierin als het echt een topregio wilt worden niet achterblijven. Men kan Vlaanderen zien als een netwerk van middelgrote steden die men allemaal onderling op een intelligente manier kan verbinden. Op dit moment is echter enkel de trein een echt alternatief voor de auto als het gaat om interregionale verbindingen. De NMBS zal echter nog serieuze efficiëntiewinsten moeten bereiken, en een betere dienstverlening garanderen indien men nog meer mensen de overstap wilt zien maken naar het spoorvervoer. Een deel van de oplossing kan ook zijn het inrichten van intelligente busverbindingen waar de trein ontoereikend blijkt te zijn. Hiervoor kan het nuttig zijn om de verplaatsingen die elke Vlaming dagelijks maakt in kaart te brengen. Dit is uiteraard verschillend met het werk dat de Lijn nu doet, namelijk het tellen van passagiers op de verschillende lijnen. In vele regio’s wonen mensen op korte afstand van elkaar die dagelijks ongeveer dezelfde verplaatsingen maken. De voordelen van gezamenlijke verplaatsingen in plaats van dat iedereen zijn eigen wagen gebruikt spreken voor zich. Uiteraard zijn er aan elk systeem van openbaar vervoer ook nadelen verbonden, zo is het economisch niet haalbaar om nieuwe bussen maar 3 uur per dag in te zetten. Echter ook andere mogelijkheden voor het organiseren van openbaar vervoer zijn zeker noemenswaardig, maar deze allemaal bespreken zou het doel van deze column voorbijgaan.

     

    Om het openbaar vervoer ingang te doen vinden onder het grootste deel van de bevolking zal er echter ook een serieuze mentaliteitswijziging nodig zijn. Het heeft geen zin om allerlei innovatieve concepten voor het openbaar vervoer in Vlaanderen te ontwikkelen als de Vlaming hier geen gebruik van wilt maken. We moeten echter met zijn allen beseffen dat als iedereen zijn eigen wagen gebruikt voor verplaatsingen we altijd met dezelfde congestieproblemen zullen blijven zitten, zeker gezien dat de bevolking gaat groeien en dat door de economische groei ook meer goederen verplaatst zullen moeten worden. Ook de intelligente kilometerheffing en het zoveel mogelijk autovrij maken van drukke stadskernen kunnen een aanzet geven tot het gebruik van het openbaar vervoer. En dit niet om mensen het leven moeilijker te maken zonder auto, maar wel om de steden en de verplaatsingen leefbaar te houden.

     

    Tot slot is het ook zeer belangrijk om te vermelden dat logistiek zeker niet zaligmakend is. De vraag naar transport hangt sterk af van de golfbewegingen van de wereldwijde economie en Vlaanderen hier te sterk afhankelijk van maken zou een zeer ondoordachte beleidskeuze zijn.

     

    Daarom is het belangrijk dat Vlaanderen ook werk maakt van de professionele uitbouw van andere sectoren. De doelstelling om 3% van het BNP te investeren in onderzoek en ontwikkeling is gelukkig al een eerste stap in de goede richting. Ruimere samenwerkingsverbanden tussen universiteiten, hogescholen en bedrijven zijn in ieder geval onontbeerlijk om tot goede resultaten te komen die van Vlaanderen terug een echte topregio kunnen maken waar het aangenaam is om te wonen en werken, en waarin de bevolking echt alle kansen krijgt om zich te ontwikkelen.

     

    Mattias

    11-03-2010 om 19:04 geschreven door Mattias Detavernier  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.L² Antwerpen wil kwaliteitslabel voor discotheken

    Het Centrum voor Gelijke Kansen en voor Racismebestrijding pleitte onlangs voor een logboek voor portiers in elke discotheek dat zou moeten helpen bij meldingen van racisme of discriminatie. L² Antwerpen is uiteraard te vinden voor elke actie die men onderneemt om discriminerend gedrag tegen te gaan, maar wil vooral ook een algemene mentaliteitswijziging teweeg brengen.

    In een moderne maatschappij waarin de grenzen en de doelmatigheid van concepten als natie, volk en identiteit steeds verder vervagen en ieder individu nagenoeg verplicht wordt om elk ander individu te moeten leren samenleven ongeacht zijn of haar – overigens onterecht toegekend – categorisch label, kan L² Antwerpen het niet aanvaarden dat deze denkbeelden nog steeds het maatschappijbeeld vertroebelen.

    Ook in het uitgaansleven, een toch niet onbelangrijk deel van het jongerenbestaan, bestaan er in die zin nog vooroordelen op basis waarvan bepaalde personen de toegang ontzegd wordt tot bepaalde uitgaansgelegenheden, veelal onder het mom van niet altijd even consequente redeneringen. Men vraagt dan om een lidkaart waar er geen nodig is, men laat geen ‘nieuwe gezichten’ toe of men moet meer vrouwen bij de hand hebben als pasmunt. Het werkt telkens de onzekerheid rondom de keuzemogelijkheden van jongeren in de hand, wat zich dan kan uiten in frustratie en tot polarisatie kan leiden. L² Antwerpen is er dan ook voorstander van dat uitgaansgelegenheden zelf duidelijke, transparante regels opstellen betreffende de toegang zodat discriminerend gedrag en racisme ook duidelijk kunnen geïdentificeerd worden en kunnen onderscheiden worden van regelingen die effectief binnen de bevoegdheid van de uitgaansgelegenheid behoren, zoals de dresscode.

    Omdat L² Antwerpen zijn heil niet ziet in al te veel nodeloze regelgeving, doen we hier dan ook een oproep tot de oprichting van een kwaliteitslabel dat de betrokken partijen kunnen onderschrijven en waardoor ze zich op een positieve manier kunnen onderscheiden van de andere uitgaansgelegenheden. Dit kwaliteitslabel zou vooral de boodschap moeten overbrengen dat men in deze gelegenheden niet op een subjectieve manier bepaalde personen zal weigeren om welke redenen dan ook. Iedere discotheek die deze gedragscode zou onderschrijven erkent dan ook dat iedereen die zich op een behoorlijke manier gedraagt evenveel recht op toegang heeft als anderen. Indien dit kwaliteitslabel door een groot aantal discotheken mee onderschreven wordt, dan geeft dit de kans aan de gehele sector om zich op een positieve manier op te stellen en op die manier een vooruitstrevende en verantwoordelijke rol op te nemen.

    Ook voor andere actoren in de sector ziet L² Antwerpen mogelijkheden. Indien bijvoorbeeld DJ’s de gedragscode zouden ondertekenen zal dit kwaliteitslabel nog meer waarde hebben en draagwijdte kennen. L² Antwerpen is er van overtuigd dat dit kwaliteitslabel ook door veel jongeren op een positieve manier onthaald zal worden, gezien het feit dat zij meer dan ooit hun individuele zelf zijn met alle rechten en plichten die daar bij komen kijken. Het geeft in elk geval de mogelijkheid aan dat jongeren naar dit goede voorbeeld kunnen handelen en zelf de toekomst van hun medejongeren mee richting kunnen geven. Zo kunnen ook zij benadrukken waar het allemaal echt om draait, namelijk iedereen een leuke uitgaansavond bezorgen.

    Mattias & David

    11-03-2010 om 19:01 geschreven door Mattias Detavernier  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    03-02-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Solidariteit versus collectieve identiteit

    De afgelopen weken werden we in ons land een behoorlijk aantal keer geconfronteerd met stakingsacties, ondermeer bij autoconstructeur Opel Antwerpen en brouwerijen AB Inbev en Alken-Maes. Het werk werd stilgelegd, blokkades werden opgezet en directies werden vastgehouden ter verwezenlijking van een aantal specifieke sociaal-politieke doelstellingen van de werknemers van de respectievelijke ondernemingen. Verscheidene acties konden op steun rekenen vanwege vakbonden aanwezig bij zusterbedrijven in het buitenland. De arbeidersstrijd lijkt terug van weggeweest. Men zou haast weemoedig worden bij het tentoonspreiden van zoveel solidariteit, of niet soms?

     

    Bij nader inzien zijn er evenwel een aantal kanttekeningen te maken bij het voorgestane concept van de solidariteit die ons dwingen dit in het juiste perspectief te plaatsen. Niet dat we ons vragen moeten stellen bij het in opstand komen tegen buitensporige eisen vanwege aandeelhouders die op de kap van werknemers zichzelf verrijken of bij het opkomen voor het individuele recht op werk, maar de wijze waarop de tegenstand zich manifesteert, verdient enige nuancering. Het probleem dat zich hier namelijk stelt, betreft de beperkende vorm van solidariteit die voortvloeit uit de verweving ervan met het bestaan van een zogenaamde collectieve identiteit. Onder het mom van een identiteit die schijnbaar collectief is, worden specifieke groepsbelangen dan tot de norm verheven. Dat doen uiteraard niet enkel de vakbonden, maar ook verscheidene andere groepen van mensen binnen de samenleving die zichzelf bepaalde gemeenschappelijke kenmerken toedichten en hun maatschappij- en mensbeeld daar aan aanpassen.

     

    De rekbaarheid van het begrip identiteit, zeker in de collectieve zin, staat als uitgangspunt evenwel een waarachtige solidaire samenleving in de weg. Identiteit kan namelijk gemakkelijk beschouwd worden als een inktvlek op een wit blad papier waar iedereen iets verschillend in kan identificeren. Dat betekent ook dat wanneer gevoelens van solidariteit daaraan worden verbonden, er ten eerste meer of minder mensen zullen ingesloten worden naargelang de inschatting van deze identiteit en er ten tweede de neiging ontstaat om individuen die niet tot het eigen collectief behoren uit te sluiten van solidaire of zelfs empathische gevoelens. Een treffend voorbeeld werd gegeven tijdens de vakbondsacties toen de vakbondsafdelingen vertegenwoordigd bij AB Inbev hun slag thuis haalden (de directie trok haar herstructureringsplannen terug in) en prompt een overwinningsfeest organiseerden, terwijl er voor de arbeiders van Opel Antwerpen nog steeds geen duidelijkheid bestond rond de toekomst van hun vestiging. De maatschappelijke problematiek die aan de basis ligt, is dan nog wel niet verholpen, maar bij AB Inbev hadden ze tenminste terug werk en dat leek voor deze vakbondsafdelingen dan ook belangrijk genoeg om te vieren. Zelfs binnen de ‘groep’ van arbeiders is de solidariteit blijkbaar niet groot of breed genoeg om ondernemingen of sectoren te overstijgen. Het collectief belang lijkt in dat opzicht bijna even veranderlijk als het individueel belang, waardoor het uiteindelijk een verraderlijke maatstaf lijkt te zijn om solidariteit op te baseren.

     

    Dergelijke beperkende opvatting van solidariteit, gebaseerd op een collectieve identiteit, blijkt dus niet enorm standvastig en consistent en kan zelfs tot perverse neveneffecten ten aanzien van andere ‘collectieven’ leiden. Het zou jammer zijn voor onze samenleving moesten we de groepsgeleide solidariteit niet proberen tegen te werken, omdat zij vanuit het groepsdenken een segmentering van onze maatschappij in de hand werkt. Van een kwalitatieve democratie zou er dan niet veel over blijven, omdat de groepen naast elkaar zullen strijden om de goodwill van de overheid, terwijl er veelal overbruggende perspectieven nodig zijn om bepaalde maatschappelijke problemen die de groepen bestrijden, opgelost te krijgen. Werknemers hebben immers werkgevers nodig en vice versa, waardoor het steeds op gespannen voet met elkaar leven en het stapvoets tot vage compromissen komen op lange termijn niet rendabel zal blijken en allerminst efficiënt en effectief. Willen we vooruit, willen we onze solidaire samenleving in haar geheel behouden, kunnen we ons niet langer de ene beleidsmatige deadlock na de andere permitteren. Op grotere schaal is er dan ook nood aan kruisbestuiving tussen de zogenaamde groepen, wat enkel mogelijk zal zijn indien het eigen collectief wordt overstegen, wil men het eens worden met elkaar en vooruitgang bekomen.

    Dit betekent uiteindelijk dat we een andere maatstaf dienen te hanteren dan het collectivisme om ons mens- en maatschappijbeeld en onze solidariteit op te baseren. De koers die tegenwoordig al te vaak wordt vergeten is die van de individuele aanpak met de nadruk op individuele rechten en plichten, waarbij de verantwoordelijkheid van individu tot individu de groepscultuur kan overstijgen. Mensen niet vastpinnen op dat ene aspect van hun identiteit, is daarbij het devies. Belangen kunnen uiteraard nog steeds in groep verdedigd worden, maar dienen onderworpen te worden aan de verwezenlijking van het maatschappelijke project van vrije, rationele en verantwoordelijke individuen die met elkaar samenleven en niet in groepen van individuen naast elkaar. Op die manier wordt de verbondenheid van elk individu met elk ander individu benadrukt, wat de ultieme voedingsbodem voor een waarachtig brede vorm van solidariteit, gebaseerd op het principe van de universele menselijkheid, betekent. In tegenstelling tot de solidariteit die opgelegd wordt vanuit een bepaalde, onduidelijk definieerbare groepsmentaliteit, zal deze vorm veel meer standvastig en consistent zijn en zodoende betere slaagkansen bieden op het overleven van onze op solidariteit georiënteerde maatschappij.

     

    De scheidingslijn die momenteel tussen werknemers en werkgevers loopt, beknot het potentieel van onze economie, de uiteindelijke motor van onze welvaart. We doen dan ook een oproep naar de vakbonden toe om samen te werken met de bedrijfsleiding (en vice versa) door de oude denkbeelden over elkaar te laten varen en met elkaar op zoek te gaan naar vernieuwende oplossingen ten aanzien van prangende vraagstukken in de samenleving. In tijden van verandering en onzekerheid is het al te gemakkelijk om terug te vallen op en zich te wentelen in waarden die zich baseren op een collectieve identiteit. Toegegeven, als rationeel en verantwoordelijk individu een standvastige positie innemen in een complexe samenleving als de onze, is geen gemakkelijke opdracht. Toch betreft de individualistische ontwarring van de collectieve identiteit de enige manier waarop maatschappelijke solidariteit te allen tijde kan gevrijwaard worden, in plaats van het halsstarrig vasthouden aan de status quo van het groepsdenken die op lange termijn onhoudbaar zal blijken voor ons sociaal zekerheidssysteem. Ter plaatse blijven trappelen, betekent in dat opzicht meer dan ooit achteruitgaan.

     

    David Dockx

    L² Antwerpen

    03-02-2010 om 17:38 geschreven door Mattias Detavernier  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    20-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Op naar een nieuw model van Europees politiek leiderschap? (deel 2)

     

    In het opiniestuk van twee weken geleden hebben we het reeds gehad over het gebrek aan efficiëntie en transparantie binnen de huidige institutionele structuur van de Europese Unie. Het verdrag van Lissabon heeft dan ook nauwelijks verandering aangebracht aan deze reeds langer bestaande problematiek van politiek leiderschap, in de zin dat dit verdrag gewoonweg een aantal functionele verschuivingen in de taakverdeling omvat en nog steeds te veel ruimte laat, misschien nu wel meer dan tevoren, voor institutioneel getouwtrek. Dat een daadkrachtige politieke voortrekkersrol binnen de Unie nog steeds afhangt van de persoonlijkheden van de hoogste functionarissen en hoe deze zich tot elkaar verhouden, is dan ook veelzeggend. Henry Kissinger, voormalig Amerikaans minister van buitenlandse zaken, zou zich naar alle waarschijnlijkheid nog steeds smalend afvragen: "If I want to call Europe, who do I call?"

     

    L² Antwerpen zou L² Antwerpen niet zijn, mocht het daartegenover geen alternatief toekomstperspectief durven schetsen. In het tweede deel rond dit thema wordt er dan ook een poging ondernomen om onder het principe van de democratische legitimiteit en de betrokkenheid van de burger, een efficiënter en transparanter georganiseerde Europese structuur te bepleiten. Dit zou op zijn beurt op Europees niveau een daadkrachtiger politiek optreden, zowel intern als extern, mogelijk moeten maken.

     

    Het democratisch deficit voorbij, naar een vernieuwd institutioneel evenwicht

    Er speelt zich al jaren een discussie af, zowel in politieke als academische kringen, in welke mate er binnen het Europees institutioneel kader een tekort aan democratische controle heerst, in de zin dat Europese besluitvormers niet volledig aansprakelijk kunnen worden gesteld door het Europese publiek en haar vertegenwoordigers. Enerzijds kunnen kiezers inderdaad onmogelijk enige echte en volledige controle uitoefenen op de Europese besluitvorming. Anderzijds mag het huidige systeem niet vergeleken te worden met een geïdealiseerde versie van een perfecte democratie, dan wel met de imperfecte realiteit van het politiek bestuur in de lidstaten, waar de meeste fouten die verondersteld worden te bestaan binnen de Unie, ook gemakkelijk gevonden kunnen worden.

     

    Het bestaan van een aantal institutionele mankementen, dient ons dus niet te drijven tot het uitroepen van een ware legitimiteitscrisis, maar eerder tot het intensifiëren van de discussie rond welke elementen dan wel vatbaar zijn voor democratische verbetering. We komen zodoende in het vaarwater van de discussie rond het institutioneel evenwicht op Europees niveau het. Binnen de Unie bestaat er immers een wisselwerking tussen verscheidene instellingen op vlak van besluitvormend vermogen, wat op zich een uitkomst vormt van een evenwichtoefening tussen een geheel van intergouvernementele en supranationale belangen. Het is dan ook geen gemakkelijke oefening om hier aan te sleutelen. Toch ligt hierin de kern van de logheid van de Europese instellingen en verdient het onze focus. De vraag die zich dan opwerpt, betreft diegene naar welk evenwicht we dan op zoek dienen te gaan.

     

    Voor wat betreft het opperste politiek leiderschap van de Unie is het ondertussen duidelijk geworden dat de veelheid aan topfuncties de nodige inefficiënte consequenties met zich meebrengt. Er zou dan ook één gezicht voor de Europese Unie moeten komen, bij voorkeur de voorzitter van de Europese Commissie, aangezien die zich met zijn ploeg dient te verantwoorden ten aanzien van het rechtsreeks verkozen Europees Parlement. Bij voorkeur zou de Europese Commissie ook de emanatie dienen te vormen van de meerderheid in het Europees Parlement, in de zin dat de voorzitter geen uitkomst meer kan vormen van onderhandelingen van de lidstaten en diens nationale, maar een meer reëel democratisch gecontroleerd draagvlak heeft. Het Europees Parlement kan dan ook niet meer gezien worden als opleidingsschool voor nationale politici, maar daadwerkelijk politiek en visionair talent aantrekken. De figuur van Commissievoorzitter - als het ware in functie van een soort Europees regeringsleider - combineert in die zin legitimiteit ten aanzien van de burger met affiniteit ten aanzien van het Europese niveau en het (trans-)Europese belang, waardoor hij de persoon bij uitstek is en kan zijn om aan de Europese beleidskar te trekken.

     

    De democratische controle binnen de Europese Unie moet in de handen liggen van het rechtstreeks verkozen Europees Parlement. De opportuniteiten en verwezenlijkingen van deze bij uitstek supranationale instelling hebben zich bij elke verdragswijziging steeds verder uitgebreid. Echter, een van de grootste tekortkomingen blijft nog steeds de onmogelijkheid van het formuleren van wetsvoorstellen door de Europarlementsleden; het initiatiefrecht daartoe behoort volledig toe aan de Europese Commissie. Als er één element een democratisch bestuur onwaardig te noemen valt, dan is het zeker deze situatie waarin volksvertegenwoordigers geen wetgeving kunnen initiëren. Daar dient dan ook dringend verandering in te komen.

     

    Voorts zijn op Europees niveau de nationale belangen al bij al zeer sterk vertegenwoordigd; de Europese Raad neemt de politieke ‘leidersrol’ voor zijn rekening, kiest de Commissievoorzitter en door de Raad van de Europese Unie wordt de belangrijkste positie in het besluitvormingproces ingenomen. Deze nationale belangen staan het dynamische - en dus efficiënte - karakter van de Unie en de reactie die daarvan uit dient te gaan om op bepaalde uitdagingen in te spelen, veelal in de weg. Niet dat er dan geen plaats kan zijn voor zulke belangen, maar dit kan evengoed ondergebracht worden in een Raad die op zich een tweede parlementaire kamer met initiatief- en blokkeringsrecht vormt naast het huidige rechtstreeks verkozen Parlement dat deze rechten uiteraard ook toebedeeld krijgt. Deze doorgedreven gelijkwaardigheid tussen beide ‘kamers’ zorgt voor een snellere en evenwichtigere besluitvorming ten aanzien van de nationale belangen die momenteel al te zeer domineren, maar laat geen enkele lidstaat in de kou staan, moest men een en ander tegen de wil van een lidstaat in willen beslissen. Uiteraard impliceert de snelheid van beslissingen in deze Raad zoveel mogelijk stemmen bij gekwalificeerde meerderheid op zoveel mogelijk beleidsdomeinen. Het roterend voorzitterschap moet daarbij afgeschaft te worden, omdat het de continuïteit van de besluitvorming onvoldoende kan garanderen. Een permanente voorzitter kan hier in onderlinge overstemming tussen de lidstaten naar voren worden geschoven.

     

    Dit betekent dat er voor de Europese Raad als institutie nog maar weinig ruimte wordt gelaten. In de huidige context brengt deze Raad ook maar weinig op; het draait in de meeste gevallen uit op uitermate gemediatiseerde toppen die eindigen in loze beloften en vage doelstellingen, zeker de laatste jaren. Elke juridische en democratische slagkracht ontbreekt deze zuiver politieke Raad ook, terwijl men zodoende de nefaste indruk nalaat dat de Europese Unie nog steeds meer een intergouvernementele organisatie betreft dan een supranationale. De broodnodige stappen voorwaarts blijven uit. In de praktijk zou het dan ook beter zijn dat de Commissie de collectieve beleidsmatige impulsen onder de Verdragsteksten weet te leveren in haar rol van beleidsvoorganger, zoals zij relatief succesvol op haar domein heeft weten doen. Jammer voor huidig permanent voorzitter van de Europese Raad Herman Van Rompuy, maar we geloven principieel niet in zijn toekomst.

     

    Dichter bij de burger

    Een tweede belangrijk element in de hertekening van de Europese institutionele structuur, naast die van democratische legitimiteit, betreft de betrokkenheid van de Europese burger, aangezien de democratische steun voor het Europese project uiteindelijk te herleiden valt tot deze politieke actor. Een eerste punt daarin vormt het principe van de subsidiariteit volgens hetwelk de bevoegdheden die een bepaald bestuurlijk niveau te beurt vallen, zo dicht mogelijk bij de bevolking dienen te liggen. De daarvan afgeleide besluiten moeten namelijk op dat niveau genomen worden waar ze het beste realiseerbaar zijn in het licht van de verhoopte doelstellingen. Dit impliceert dat de Europese Unie enkel kan optreden wanneer er door de lidstaten afzonderlijk geen voldoende effectief beleid kan opgezet worden. Op die manier kan beter gegarandeerd worden dat het Europese besluitvormingsniveau geen aura van een onverantwoordbare ver-van-mijn-bedshow krijgt.

     

    Hier ligt meteen ook de weg open om het belang van nationale en regionale parlementen te herkennen door ook deze instellingen bij de Europese besluitvormingsprocedures te betrekken, aangezien dit cruciaal is met het oog op de uitvoering van het subsidiariteitsbeginsel. Dit kan in de vorm van een nauwgezette toetsing van de EU-wetgeving en van de acties van de regeringen van hun Lidstaten in de Raad. Het Verdrag van Lissabon heeft hier reeds gedeeltelijk op ingespeeld door de rol en inspraak van nationale parlementen te versterken middels een specifieke procedure. Uiteraard moet hetzelfde ook mogelijk gemaakt worden voor regionale parlementen die over wetgevende bevoegdheden beschikken.

     

    Op zich biedt het voorgaande dan nog wel geen garantie op een positieve perceptie vanwege het grote publiek. Het subsidiariteitsbeginsel is in dat opzicht eerder een bestuurstechnische term waarmee parlementairen wel eens schermen om de verhouding tussen verschillende besluitvormingsniveaus te bepalen. Voor de doorsnee Europeaan lost dat niks op aan zijn relatief wantrouwen in de Europese instellingen. De Europese Unie zit op het vlak van haar imago dan ook al te vaak in een defensieve positie grotendeels omwille van het feit dat het nut ervan wordt onderschat of de doeltreffendheid ervan in een slecht daglicht wordt geplaatst. Er is dus meer nodig dan enkel een democratische, transparante en efficiënte werking; het Europees niveau dient dit ook uit te stralen.

     

    In dat opzicht is het belangrijk te beseffen dat kennis, toegang tot informatie en debat basisvoorwaarden zijn voor een gezond functionerende democratie die het vertrouwen van de burger opwekt. Ook het Europese niveau verdient dergelijke politieke context. Nationale politici zouden dan best ook hun verantwoordelijkheid opnemen alvorens ze de zoveelste sneer geven richting Europa of zelf met de pluimen gaan lopen van het wetgevend werk. Er zou zodoende een transparant overzicht moeten ontwikkeld worden dat laat zien welke relatie er bestaat tussen nationale wetgeving en achterliggende Europese regels. Een EU-logo bij die Vlaamse decreten of Belgische wetten die omzetting van Europese wetgeving zijn, vormen daarin een eerste stap. Ook de media zouden hier dan kunnen op inspelen door de wetgeving juist te plaatsen, wat meer aandacht en debat stimuleert.

     

    Nood aan Europese verdieping

    Het gebrek aan visie en/of de politieke onwil om een visie te durven uitdragen, hebben ertoe geleid dat het Verdrag van Lissabon eerder als een vervormingsgedrag kan beschouwd worden dan een hervormingsgedrag. De reeds bestaande onoverzichtelijkheid werd immers gewoonweg wat afgevlakt en er werd in de marge wat gegoocheld met nieuwe functies. De kern van de institutionele structuur werd nauwelijks bijgesteld terwijl juist hierin een groot deel van de problematiek schuilt.

     

    In het licht van de grensoverschrijdende uitdagingen waar het Europese niveau voor staat en waar zij het meest doeltreffende antwoord op dient te formuleren, is de nalatigheid vanwege de Europese politieke leiders des te schrijnender. L² Antwerpen wil dan ook vooral een aanzet geven tot verdere discussie met betrekking tot het democratisch, efficiënt en effectief gehalte van de Europese structuren en daarmee een deel uitmaken van de oplossing. Alvorens de bestuurbaarheid van de Europese Unie verder ontwricht wordt  - zeker met nakende uitbreidingen in het vooruitzicht - moeten we ons tegen eurosceptici, die in de huidige context maar weinig meer moeten doen dan een Europese impasse afwachten, verdedigen door in de ideologische aanval te gaan. Het lijkt er immers meer en meer op dat enkel door te putten uit eigen creatieve, uitgediepte en pasklare ideeën en oplossingen, de Europese verdieping dichterbij gebracht kan worden.

     

    David Dockx

    L² Antwerpen

                                                

    20-01-2010 om 18:27 geschreven door Mattias Detavernier  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    06-01-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    Op naar een nieuw model van Europees politiek leiderschap? (deel 1)

     

    Op 1 januari jongstleden trad Herman Van Rompuy dan toch officieel aan als voorzitter van de Europese Raad (bijeenkomst van staatshoofden en regeringsleiders die de algemene politieke lijnen van de Europese Unie uitzet), een maand later dan de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. In verscheidene (pro-)Europese media, en niet in het minst in de Belgische, wordt deze nieuw gecreëerde functie veelal geëtaleerd, en dit onterecht, als zijnde een presidentsfunctie binnen de Europese Unie. Een foutieve vertaling vanuit het Engels? Of zijn de verwachtingen dermate hoog gespannen (om ze daarna ongetwijfeld ongenadig de kop in te drukken)? En uiteindelijk, what’s in a name?

     

    Er blijkt echter dringend nood aan een reality check, want de kans zit er wel degelijk in dat in dit geval de naam, de eigenschappen van een bepaald voorwerp danig overschat, wat uiteindelijk in het nadeel van de nieuwbakken voorzitter zou kunnen spelen. Niet dat we zo’n fan zijn van Van Rompuy, maar des te meer van een goed functionerend Europees besluitvormingsniveau dat stand houdt in een snel veranderende wereld die voor een heel aantal uitdagingen staat.

     

    Het institutioneel kluwen blijft

     

    Het verdrag van Lissabon heeft heel wat ruimte voor institutioneel getouwtrek gelaten, waardoor de voorzitter van de Europese Raad lang niet alleen aan het roer staat van de Europese constructie. Naast de permanente voorzitterspost blijft immers het roterend voorzitterschap nog steeds bestaan, waaronder om de zes maanden een andere Europese lidstaat het voorzitterschap van de Raad van Ministers (met maandelijkse vergaderingen tussen nationale ministers per beleidsdomein, officieel Raad van de Europese Unie genoemd) op zich neemt, wat nog steeds het belangrijkste besluitvormingsorgaan van de Europese Unie vormt, alsook instaat voor de coördinatie van het algemeen economisch beleid en ook het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid ontwikkelt.

    Op dat laatste domein werd er tevens een vaste voorzitter van deze Raad aangeduid, naast de ‘roterende’ voorzitter, in de figuur van een Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (momenteel ingevuld door de Britse Catherine Ashton) die dan samen met een ‘roterende’ nationale Minister van Buitenlandse Zaken, het buitenlands beleid vertegenwoordigd. Tevens neemt deze vaste voorzitter de functie op van Europees Commissaris voor Externe Relaties, die verantwoordelijk is voor de representatie van de Europese Commissie in het buitenland.

     

    Het kluwen van de vertegenwoordiging en politiek optreden van de Europese Unie werd dusdanig allerminst grondig ontward, eerder bijgesteld in de marge van wat politiek mogelijk was. Het wordt ook duidelijk dat de problemen zich voornamelijk zullen afspelen bij het externe optreden van de Unie, aangezien er voornamelijk op dit vlak, al dan niet expliciet, overlappingen waar te nemen zijn. De vraag blijft dan in welke mate de juridische hiaten zich vertalen naar de praktijk en hoe de rol van permanent voorzitter van de Europese Raad zich hierbinnen zal kunnen ontwikkelen.

     

    Een evenwichtsoefening dreigt

     

    Enerzijds kan er inzake de continuïteit en effectiviteit van het Europese beleid evenwel geargumenteerd worden dat er wel degelijk stappen voorwaarts zijn gezet; zowel de Europese Raad als het buitenlands- en veiligheidsbeleid zullen gebaat zijn bij een vaste coördinator, waardoor er mogelijks door middel van de versterkte vertrouwensband in de toekomst sneller tot politieke doorbraken wordt gekomen om bepaalde grensoverschrijdende en globale uitdagingen aan te gaan. Anderzijds zal veel afhangen van de persoonlijkheden van de nieuwe figuren in de topfuncties en hoeverre zij in het belang van de Europese Unie hun taken zullen uitvoeren. Meestal wringt daar ook het schoentje, voornamelijk in relatie tot de agenda van het roterende voorzitterschap, aangezien de Unie op dat vlak nog steeds niet gevrijwaard wordt van nationale belangen die al te vaak roet in het eten gooien.

     

    Het was daarom ook hoopgevend dat de eerste minister van Spanje (dat op 1 januari het roterende voorzitterschap op zich neemt), Jose Luis Rodriguez Zapatero, onlangs verklaarde dat hij het Spaanse voorzitterschap ter beschikking stelde van de heer Van Rompuy zodanig dat dit ten goede kwam van de ‘zichtbaarheid van de hoogste functie die het verdrag van Lissabon toekent’. Zapatero beloofde dan ook plechtig om in deze testperiode zowel publiekelijk als intern niet op de tenen van Van Rompuy te trappen. Toch drukte Zapatero niet lang daarna de wil uit om gastheer te spelen bij de EU-VS en Latijns-Amerikaanse toppen. Tot zover de goede bedoelingen.

     

    Het lijkt er dan ook op dat de dreiging van gezichtverlies voor Herman van Rompuy op internationaal vlak wel degelijk aanwezig is, tenzij deze zich zodanig manifesteert dat hij het instrument van het voorzitterschap kan aanwenden tot politieke slagkracht inzake het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. Dat is dan natuurlijk gerekend buiten de nationale belangen van de verschillende lidstaten binnen de Europese Raad. Het hoeft in dat opzicht geen betoog dat we met L² Antwerpen nogal sceptisch staan tegenover de slaagkansen hiervan. Van Rompuy kwam dan ook niet toevallig uit de bus als compromisfiguur.

     

    Voor een transparanter en democratischer Europa

     

    Deze huidige situatieschets leidt ons ertoe te besluiten dat het enthousiasme dat de oprichtende leden van de Europese Unie te beurt viel en waarmee zij de Europese eenmaking aanvankelijk vorm gaven, lijkt vergeten te zijn onder de constructeurs van de recente Europese verdragswijzigingen. Toegegeven, het euforisch gevoel dat na de Tweede Wereldoorlog ontstond, bleek een zeer krachtige en uitzonderlijke motor voor de Europese integratie zijn. Toch kan men niet licht blijven omspringen met de efficiëntie van het Europese niveau; het is iets waar blijvend aan dient geschaafd te worden, zeker in een snel evoluerende en globaliserende samenleving. De geloofwaardigheid van het politieke optreden van de Europese Unie hangt er namelijk vanaf en die is nodig om de positie van het Europese niveau nu en in de toekomst te bestendigen zodat grensoverschrijdende problematiek aangepakt kan worden. Het supranationale karakter van de Unie is bovendien uniek in de wereld en geldt in dat opzicht als een belangrijk instrument en als voorbeeldfunctie  om de beperkende notie van de natiestaat te ontmantelen.

     

    Concreet gesteld, betekent dit dat er binnen de huidige complexe situatie nood is aan een duidelijkere afbakening van de verschillende taken. Dit wil daarom geen pleidooi zijn voor een striktere regulatie, maar eerder voor een efficiëntere en transparantere organisatie die op haar beurt, onder het opgewekte vertrouwen, meer daadkracht zal kunnen tentoonspreiden. Bovendien dient er zorg gedragen te worden voor de betrokkenheid van de burger, aangezien de politieke steun voor het Europese niveau uiteindelijk op dat niveau dient te gedijen. Hoe dit zich dan in de institutionele praktijk zou moeten vertalen, behandelen we de volgende maal.



    David Dockx
    L² Antwerpen


    06-01-2010 om 00:00 geschreven door Mattias Detavernier  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    » Reageer (0)
    22-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Cameratoezicht op Ossenmarkt biedt geen oplossing voor overlast

    De plannen van het Antwerpse stadsbestuur om een roterende supercamera te installeren op de Ossenmarkt, hartje studentenbuurt, kunnen op weinig bijval rekenen onder de Antwerpse studentenverenigingen. Ook L² Antwerpen keert zich tegen het hangende voorstel dat cameratoezicht als een helende kracht beschouwd.

     

    Uiteraard kunnen we ons vinden in de bezwaren die opgetekend werden ten aanzien van (feestende) studenten die het niet altijd zo nauw nemen met de leefbaarheid van de buurt en zich bijgevolg niet behoorlijk gedragen. Wildplassen, nachtlawaai en vandalisme keuren we dan ook niet goed en dient aangepakt te worden, maar we kunnen maar weinig begrip opbrengen voor de manier waarop deze problematiek benaderd wordt. Cameratoezicht lijkt ons allesbehalve een proportioneel en effectief instrument en roept bij ons als maatregel vooral het aura van gemakzucht op.

     

    De optie van het plaatsen van een camera staat volgens ons ten eerste niet geheel proportioneel tegenover de geldende problemen. In dat geval wordt immers de vrijheid van het individu in het publieke verkeer beknot in die zin dat hem het beslissingsrecht wordt ontnomen om al dan niet op film geregistreerd te worden. Het lijkt misschien relatief minder beduidend om dit dermate in vraag te stellen, maar het gaat daarbij voornamelijk omwille van het principe dat een overheid zich voor dergelijk optreden ten allen tijde moet kunnen verantwoorden, willen we erover waken dat de evolutie naar meer cameratoezicht niet tot excessen leidt en de privacy, als fundamenteel recht van het individu, aan banden legt.

    Er lijken ons in dat opzicht inderdaad minder verregaande maatregelen mogelijk om de overlast te beperken zonder dat daarbij een beperking van de privacy, nota bene van elke mogelijke passant op de Ossenmarkt, aan te pas komt. Wildplassen zou bijvoorbeeld verholpen kunnen worden door de plaatsing van openbare toiletten. Aangezien uitbaters en studentenverenigingen reeds inspanningen doen om nachtlawaai en vandalisme tegen te gaan, weerhoudt niets het Antwerpse stadsbestuur ervan om op de individuele verantwoordelijkheid van elke student te wijzen bijvoorbeeld aan de hand van een informatiecampagne of ludieke actie.

     

    Ten tweede stellen we met L² Antwerpen ook de effectiviteit van dergelijk cameratoezicht in vraag. De overlast zal zich naar alle waarschijnlijkheid gewoonweg verplaatsen, uit het zicht van de camera, tenzij er natuurlijk op alle mogelijke plaatsen camera’s worden geplaatst, wat niet de bedoeling kan zijn. Bovendien rijst er bij ons ook de vraag of het filmen van onverantwoordelijk studentengedrag, tot het vergroten van de pakkans zal leiden; het kwaad is meestal al geschied voordat de politie ter plaatse kan zijn. Het enige waar het cameratoezicht dan nog op teert, is het potentiële afschrikeffect, waardoor studenten eventueel zullen wegblijven van de Ossenmarkt, wat nog minder de bedoeling kan zijn, tenzij men van het imago van studentenstad afwil en de studentenbuurt wil ontmantelen.

    Alleszins wordt er door het Antwerpse stadsbestuur niet op constructieve wijze te werk gegaan. In plaats van het sociale contact met de student aan te gaan, verschuilt men zich liever achter repressieve maatregelen in plaats van preventie. Structureel gezien biedt cameratoezicht dan ook geen oplossing, gezien de problemen niet bij de wortel worden aangepakt. Er is daarom nood aan duurzaam overleg tussen de studentenverenigingen, de buurtbewoners en het stadsbestuur, waar de oorzaken van de problemen kunnen worden behandeld en de oplossingen die worden voorgesteld een breder draagvlak zullen kennen, wat de slaagkansen ervan vergroot.

     

    Het lijkt er dan ook sterk op dat het Antwerpse stadsbestuur met het cameratoezicht voluit voor een gemakkelijkheidsoplossing lijkt te gaan en vanuit die gemakzucht tot weinig inventieve oplossingen lijkt te komen. Het geloof in de kracht van één roterende supercamera die als een deus ex machina in één keer alle problemen van overlast in de studentenbuurt oplost, wijst volgens ons op een ondoordachte en vooral onvolledige manier van redeneren. Er is dan ook meer nodig om L² Antwerpen van een efficiënt en effectief gevoerd beleid te overtuigen.


    David Dockx, L² Antwerpen

    Mattias Detavernier, voorzitter L² Antwerpen

     


    22-12-2009 om 21:03 geschreven door Mattias Detavernier  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    » Reageer (0)


    Archief per week
  • 22/03-28/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 21/12-27/12 2009

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!