Foto
Bezoek Zerar op www.bloggen.be/zerar

VERHAALTJES UIT DE GRIEKSE MYTHOLOGIE:
www.bloggen.be/dzeus
elke maandag en elke vrijdag een nieuw verhaal!

Inhoud blog
  • MYTHOLOGISCH BLIJSPEL.
  • Waarom?
  • ZEVERARIJ...
  • Panta rei.
  • Februari.
  • Januari-dialoog.
  • Pietje van 't Hazegras.
  • Niveaus.
  • Onze lieve Heeren.
  • Nieuwjaarsgedichtje.
  • Oudejaarsgedichtje.
  • Over Kerstmis, de paus en Zeyneppeke.
  • Acribie.
  • Reactie op Oostends verhaal.
  • Oostende.
  • Tantezegger.
  • Gravensteenfeesten met Valeer en Freddy, maar... zonder Mico.
  • Cassandra d'Ermilio.
  • Academische zitting!
  • Allerheiligengedicht.
  • Econoshock (brief aan J. Vanlichtervelde).
  • Brief aan W.D.: over azijn, kanker en mitochondriën.
  • Gedichtje voor mijn Tony.
  • Spelenderwijs, godverdomme.
  • Bravo, Jean-Luc!
  • Het antwoord van de filosoof.
  • Brief aan Jan Bauwens, over kunst.
  • En nu: directeur!
  • Gearriveerd (foto)
  • Brief aan Willy Debyser.
  • Reis naar Griekenland (stripverhaal).
  • Afscheid van het Revalidatiecentrum.
  • Wondjes likken...
  • De 28e Dwars door Grijsloke: afgang van de macho's.
  • Tante Sidonie in Peking.
  • Duivensport olympisch?
  • Loezen en flamoezen.
  • Goed nieuws.
  • Grijslokes Olympische maagden.
  • Ronde van Frankrijk.
  • De krant van 18 juli 1940.
  • Gaarne uw mening, Jack.
  • Bauwens over Boonen.
  • De mammelokker.
  • Gisteren was het achtenzestig jaar geleden dat...
  • Plagiaiku's.
  • Brief aan een collega.
  • Ik ga nog even door.
  • Over toebrouks en snelzeêkers.
  • De haan en de high-koe.
  • Het Laatste Nieuws.
  • Het cordon, schematisch.
  • Brief aan Marc Vanhoye.
  • Bloch.
  • Achilleus' wraak (To Margos).
  • Over Hugo Claus, Alzheimer en euthanasie.
  • De nacht van de geschiedenis.
  • Vrije meningsuiting.
  • Griekse mythologie.
  • Professor Sebruyns.
  • Vera Janacopoulos.
  • Valentijn.
  • Schone Kunsten.
  • Het cordon doorbroken.
  • "Een brief... professor".
  • Theseus en Prokroustes.
  • Aan al mijn lezers...
  • Het mooiste kaartje kwam van de vrederechter.
  • Over dokter Deberdt (uit "Meneer Doktoor").
  • Leo Vantorre.
  • Leo Debudt.
  • Fragment uit "De bezetting van het Gravensteen" door Buth.
  • Eigen schuld.
  • Professor Vandendriessche.
  • Nog een brief aan Jack Vanlichtervelde.
  • Joseph uit de Gekko.
  • De foto...
  • Freddy Strumane is weer in 't land: fotoreportage.
  • Brief aan de praeses van moeder Laetitia.
  • Brief aan Jack Vanlichtervelde.
  • november: allerheiligenmaand.
  • Lompe boerkes.
  • Rommelaere & co.
  • Percussieve sublimatie.
  • Het symposium van 3 oktober.
  • Emeriti, Eelbode en Glam.
  • Gesplitst.
  • Justine Henin.
  • Uit het dagboek van Jack Vanlichtervelde.
  • Krantenkop.
  • Gedicht voor Annelies.
  • Nabeschouwingen bij de 27e Dwars door Grijsloke.
  • 2000: GRIJSLOKE 2000 (verzameld werk over Grijsloke)
  • Het woordje van de stichter.
  • Over de Heuvelenloop en... Puk.
  • Nummer 25.
  • Over twee neuropsychiaters.
  • Tollardrieheuvelenloop te Kooigem op 8 juli 2007.
  • Brief aan Jan Bauwens.
  • Zuster van Houwelingen.
  • O jerum jerum jerum...: een hit!
  • Tony 65.
  • Verjaardagen.
  • Goed nieuws en slecht nieuws.
  • (vervolg)
  • (vervolg)
  • Ameland.
  • Darwin of God?
  • Voilà.
  • De krant van 6 april.
  • Het einde komt in zicht.
  • Bij Kalypso.
  • Anzegem en Grijsloke te boek.
  • Feinsin.
  • Het afscheidsmaal.
  • Odysseus praat met de schimmen.
  • Een avondje Gent.
  • In het rijk der doden.
  • Vertrekkensklaar voor de onderwereld.
  • 365 dagen later.
  • Een jaartje geduld...
  • De Gouden Poort.
  • Spectaculaire ontwikkelingen op Aiaia.
  • Op mijn plaats gezet.
  • Brief aan professor van Togenbirger.
  • Meer over Odysseus.
  • Odysseus, ja of neen?
  • De trilogie.
  • De schone dagen van Sint Jan.
  • Bij mijn vriend Raymond Creus.
  • Jack Vanlichtervelde.
  • Malthus.
  • Nieuwjaarsgedichtje.
  • Beste wensen.
  • Over leugens en onzin.
  • De rest is nonsens.
  • De oorlog van Troje.
  • Brief aan Willy Debyser.
  • 't Studentenspieghelken anno 1960.
  • 't Studentenspiegelken herrezen.
  • Het continuum.
  • Filosofie over leven en dood.
  • Een dochter voor het leven.
  • Theo Thijssen.
  • Aan alle Vlaamse toneelverenigingen.
  • Met Mico naar de Gravensteenfeesten.
  • De 57e Gravensteenfeesten.
  • 44 jaar later!
  • Van Togenbirger komt ter zake.
  • Het flesje Vita.
  • Professor van Togenbirger.
  • Afscheid (gedichtje).
  • De erfenis van de Bisschoppelijke Normaalschool.
  • Allerheiligen.
  • Voor de verandering...
  • Een vrouw die niet zaagt.
  • De ontgoocheling.
  • CD ampersand V.
  • Gemeenteraadsverkiezing in Gent.
  • Over peetje en meetje Craeyenest.
  • Het incident.
  • Morgen: DWARS DOOR GRIJSLOKE.
  • Overmorgen DWARS DOOR GRIJSLOKE!
  • Brief aan moeder Laetitia.
  • Amsterdam.
  • Die Grieken!...
  • De niersteen.
  • Het affront.
  • In memoriam Albert Anckaert.
  • Aloïs Vantieghem.
  • De Savaanstraat.
  • Toplonen.
  • Paraskevidekatriafobie.
  • Stijve nek en tendinitis van de musculus supraspinatus.
  • De dubbele moord in de Bennesteeg.
  • Bobby.
  • Pierrepont... om zo te zeggen.
  • IJvegem: het drama van de scheidhoek.
  • De brief uit Spanje.
  • De medailles van Dwars door Grijsloke.
  • De teloorgang van de Cruyptindaerdes.
  • Amalthea
  • Grieks verhaaltje voor radio één.
  • De tijd gaat snel.
  • afscheidsfeest
  • Nieuwjaarsgedichtje.
  • Happy New Year
  • Een nieuw jaar, een nieuw geluid, een nieuwe... spelling.
  • Leve het internet.
  • 2006: In voorbereiding
  • 2005: EEN DOCHTER VOOR HET LEVEN (toneelstuk)
  • 2004: ER IS GEEN GOD VOOR HONDJES (dichtbundel)
  • 2003: DE TWISTAPPEL (toneelstuk)
  • 2002: O JERUM JERUM JERUM... (autobiografie)
  • 1999: 50 JAAR GRAVENSTEENFEESTEN (boek)
  • 1963: verkiezing van miss Laetitia
  • 1963: Senior Seniorum!
  • Nostalgisch mijmeren over de studentenjaren...
  • 1997: GRIJSLOKES OLYMPIADE (boek)
  • 1984: DE MENS... EEN LOOPDIER (boek)
    Zoeken met Google


    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    ekeren_slp
    www.bloggen.be/ekeren_
    DE GRAVENSTEENFEESTEN WAREN WEER GOED DIT JAAR! IO VIVAT!
    Gedichtje:

    Mijn Gent

    Je was mijn ál:
    mijn moederborst,
    mijn bierkanaal.

    Mijn knusse woon,
    mijn vaste stek,
    mijn dierbaar oord.

    Mijn jongensdroom,
    mijn wijsheidsbron,
    mijn levensschool.

    Mijn plantentuin,
    mijn Bijloke
    en mijn Rozier.

    Mijn Aula en mijn Brug,
    mijn Amber
    en mijn Nat King Cole.

    Mijn stoverij met friet,
    mijn Meiresonne,
    mijn Kuiperskaai.

    Mijn studentenclub,
    mijn bleke maan,
    mijn Gravensteen.

    Mijn stad,
    waaruit ik
    ál mijn heimwee put.

    Mijn Gent!

    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    hetlozevissertje
    www.bloggen.be/hetloze
    Blog als favoriet !
    Startpagina !
    Mijn favorieten
  • bloggen.be
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    twitter
    www.bloggen.be/twitter
    Een piepklein liefdesgedichtje.

    'k Zou je willen kussen.

    'k Zou je zoveel keren
    willen kussen
    als er sterren
    aan de hemel staan,
    als er korrels liggen
    op het strand,
    ... en nog veel meer.
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    twitter
    www.bloggen.be/twitter
    Foto
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Foto
    Foto

    Vrouwelijke BV's:
    (mijn TOP 3)
    1. Tanja Dexters
    2. Tine Van den Brande
    3. Annelies Beck
    4. Esther Sels
    5. Annelies Rutten (ik kan maar geen geschikte foto van haar vinden; ik wacht dus maar tot ze er mij zelf een stuurt)

    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    hetlozevissertje
    www.bloggen.be/hetloze
    Willekeurig Bloggen.be Blogs
    twitter
    www.bloggen.be/twitter
    SCHRIJVELARIJ
    over: GENT, GRAVENSTEEN, GRIEKENLAND, GRIJSLOKE, GEZONDHEID, GENEESKUNDE, GEHOOR, G-PLEK.
    ...........Voor verhaaltjes uit de Griekse mythologie, surf naar www.bloggen.be/Dzeus
    06-08-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MYTHOLOGISCH BLIJSPEL.
     DE TWISTAPPEL (toneelstuk)

    Klik op de afbeelding om de link te volgenAvondvullend blijspel (Kris Vansteenbrugge, 2004) in twee bedrijven voor 6 dames en 7 heren. Uitgegeven door Toneelfonds J. JANSSENS(rechten@toneelfonds.be).

    Korte inhoud: Alle goden van de Olympos komen naar het huwelijksfeest van koning Peleus met de nimf Thetis. Ook Eris, de godin van de twist, die nochtans niet uitgenodigd is, komt opdagen en gooit flink wat roet in het eten. Voor de mooiste godin aanwezig heeft ze een geschenk bij: een gouden appel. Drie godinnen maken er aanspraak op. Na heel wat gekrakeel duidt Zeus, de oppergod, iemand aan als scheidsrechter: Paris, een prins van Troje. De troubles die daaruit voortvloeien zijn aanleiding tot de beroemde Trojaanse oorlog. Een stuk met veel humor!

     

      Rara: Hoeveel keer werd dit toneelstuk in Vlaanderen opgevoerd? Mooie prijzen te winnen. Tip: een getal van 2 cijfers.

    » Reageer (2)
    04-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waarom?

    Liefste blogbeest,
    Wat zoekt u in godsnaam nog op deze blog?
    Sinds maanden schrijf ik alleen nog verhaaltjes op  
    www.bloggen.be/pierpont 
    Waarom surft u niet eens daarheen?
    Zéér genegen,
    Kris.


    » Reageer (1)
    13-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.ZEVERARIJ...

    Vanaf heden kunt u mijn verhaaltjes lezen op een nieuwe blog.

    13.02.2009  Oude wijn in een nieuwe zak.
    14.02.2009  Valentijngedichten.
    22.02.2009  En dát voor een meisje!
    23.02.2009  Meetjesland.
    27.02.2009  Met dank aan de minister.
    06.03.2009  Paris Hilton pimpt haar ride.
    12.03.2009  Flauw en puberaal.
    17.03.2009  Het gedicht.
    23.03.2009  Vroeger waren wij veel jonger.
    23.03.2009 De gustibus...
    27.03.2009  De roste muis.
    03.04.2009  Schamper.
    17.04.2009  EQ en chance.
    26.04.2009  Goed nieuws voor gedetineerden.
    27.04.2009  De krant van 't weekend.
    05.05.2009  Het museum Dhondt-Dhaenens.
    12.05.2009  De Libris Literatuurprijs.
    22.05.2009  Laetitia 80 jaar!
    24.05.2009  Philippine.
    01.06.2009  Het Liegend Konijn.
    05.06.2009  Brief aan een muziekkenner.
    09.06.2009  Politiek.
    23.06.2009  Van twee socialisten.
    26.06.2009  Een slechte koeibok.
    06.07.2009  De hedendaagse kunst ontmaskerd.
    08.07.2009  Tolardrieheuvelenloop en de Tontekapel.
    13.07.2009  Horizon verruimd.
    27.07.2009  Het mirakeldorp.
    31.07.2009  Aan de mannen van de Kloosterhoek.
    02.08.2009  Doutzen.
    03.08.2009  De crisis is voorbij.
    11.08.2009  Vlaanderens mooiste.
    01.09.2009  Brief aan de clubdokter van Loopclub Grijsloke.
    02.09.2009  Gezegd blijft gezegd.
    18.09.2009  Westkapelle, vrouwentennis en come-backs.
    26.09.2009  Lierke plezierke.
    07.10.2009  Petronella verkoopt haar Cadillac.
    21.10.2009  ...àl mijn heimwee...
    29.10.2009  Gapen en scheiten.
    02.11.2009  November doet een beetje zeer.
    04.11.2009  Hoe zeere vallen ze af.
    12.11.2009  De kus op de trein.
    16.11.2009  Beloven.
    18.11.2009  18 november: een memorabele dag.
    03.12.2009  Dokter José Van Laere.
    12.12.2009  Preventieve gezondheidszorg.
    27.12.2009  Dura lex...
    28.12.2009  Mooie poëzie.
    01.01.2010  Gelukkig Nieuwjaar.
    04.01.2010  Goede voornemens.
    18.01.2010  Brief aan Marcel Vanthilt.
    29.01.2010  Mensen van eenvoudigen huize.
    03.02.2010  What's in a name?
    13.02.2010  Voor jou.
    28.02.2010  De rollen omgekeerde.
    10.03.2010  Vrolijk en minder vrolijk nieuws.
    25.03.2010  Bertand en de actualiteit.
    30.03.2010  Ergernis en hoge bloeddruk.
    15.04.2010  Liefdesgodinnen.
    27.04.2010  Het hart van een paard.
    01.05.2010  Eén mei.
    15.05.2010  Mijnheer Dupont.
    21.05.2010  Een klein pietje.
    26.05.2010  Adieu Pierre.
    12.06.2010  Het mooiste gedicht: drie genomineerden.
    27.06.2010  Irmaatje.
    29.06.2010  Tsjoep en Lala.
    05.07.2010  Over haiku's en Gilbert Terras.
    07.07.2010  Marc en de schapen van Herakles.
    23.07.2010  Onzin over beroemde en minder beroemde citaten.
    26.07.2010  Potjeslatijn.
    03.08.2010  Praag. 
       


    U zit dus wel niet helemaal fout, beste lezer, maar voor de écht "actuele" verhaaltjes moet ik u toch verwijzen naar mijn nieuwe weblog "ZEVERARIJ".
    Surf dus onverwijld naar www.bloggen.be/pierpont  
    Met dank, bij voorbaat... 
                                                    
    Kris.


    » Reageer (0)
    06-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Panta rei.

    Er gebeurt veel in ons sympathiek landje. Wie de media er niet op naslaat, weet dat niet. Wie het wel doet is weliswaar goed geïnformeerd, maar daarom niet altijd gelukkiger, want “nieuws” is meestal “slecht nieuws”, indachtig de oude spreuk “géén nieuws, goed nieuws”. Maar misschien heb ik dat wel verkeerd voor, want wat voor de ene slecht nieuws is, hoeft dat niet te zijn voor een ander. Zegt het spreekwoord immers niet “de een zijn dood is de ander zijn brood”? Er is zelfs een Frans spreekwoord dat zegt: “Maladie de voisin réconforte et même guérit”! Mijn moeder zaliger vond dit een verwerpelijk spreekwoord: geen haar op haar hoofd dat eraan dacht zich te verheugen in het ongeluk van een ander. Zo zat zij niet in elkaar en ze durfde wedden dat niemand van haar vrienden, haar familie, haar buren en kennissen, zo in elkaar zat, boer Michels misschien niet te na gesproken. Maar… waarom waren haar troostende woorden dan, tegenover iemand aan wie een ongeluk was overkomen: “Troost u, want zoiets, en wie weet nog véél erger, staat ons misschien ook nog te wachten”?

    Staf Pierrepont kan er van mee spreken. Een dag of tien geleden – ’t was een dag na de slachtpartij in het kinderdagverblijf van Dendermonde – hebben dieven zijn voordeur gekraakt en al het geld plus de kostbaarheden van zijn vrouw meegenomen. Die lieve Anna is van de ene dag op de andere depressief geworden. Ze is nu onder psychiatrische behandeling, slikt medicamenten bij de vleet en wil zo snel mogelijk verhuizen. Niet te verwonderen: àl haar dierbare kleinoden en de familiejuwelen, die haar moeder haar geschonken had, de dag voor ze stierf!  Anna had haar moeder plechtig beloofd dat ze er op haar beurt zorg voor zou dragen opdat niets voor het nageslacht zou verloren gaan… Staf heeft nu alle buitendeuren laten voorzien van veiligheidssloten en hij heeft een alarminstallatie gekocht, plus… een pistool. Overreageren, noem ik dat, en onverstandig. Want weet Staf dat hij niet mág schieten op inbrekers? Tenzij de inbreker zelf eerst schiet. En dan nog. En dat, als de inbreker ongewapend is, hij hem enkel met de vuisten mag te lijf gaan? Maar, Staf is oud en in een lijf-aan-lijf moet hij het ongetwijfeld afleggen tegen de bandieten. Staf zal dus schieten. De boeven zijn gewaarschuwd. Hij wil er desnoods de rest van zijn leven voor in den bak. Vier jaar geleden hebben ze zijn auto gestolen. De auto stond voor zijn deur geparkeerd. Staf zat op dat ogenblik in zijn living een partijtje te schaken met de buurman, op een meter of tien afstand van het gebeuren! En als ze nog een keer komen zal Staf schieten, zoveel is zeker. De buren, de vrienden en kennissen hebben goed praten van “troost u Staf, want wat in Dendermonde is gebeurd, is toch véél erger”, Staf heeft er geen boodschap aan en Staf zal schieten. Ik weet het wel, het is mijn plicht, ik moet het hem uit het hoofd praten, maar ik vrees dat het mij niet lukt en… dat Staf zal schieten. En dat is alleszins géén goed nieuws. En dat Staf zijn lidmaatschap bij de groenen opgezegd heeft vind ik al evenmin goed nieuws. De groenen zijn te tolerant voor die boeven, zegt Staf. Groen en veiligheid gaan blijkbaar niet samen. Ja, dat is jammer. Hopelijk wordt Staf nu geen “ultra-rechtse” rakker. ’t Zou niet mooi zijn… voor een linkshandige!

    Het meeste slecht nieuws bereikt ons via de kranten, de radio en de televisie. Eergisteren nog een reportage gezien over een verkeersprobleem in Gent. Daar staat namelijk, aan het begin van een weg die naar de zeehaven leidt, een snelheidsbeperkend verkeersbord: 10 km per uur. Het is een vrij lange weg en het is voor niemand duidelijk waarom daar geen 70 km per uur zou mogen gereden worden. De automobilisten hebben daar alle moeite van de wereld om hun motor draaiende te houden bij die lage snelheid en bij 15 km per uur, zegge vijftig procent boven de maximaal toegelaten snelheid, riskeren ze een zware boete en intrekking van hun rijbewijs. Eén troost: bij die lage snelheden werken de snelheidsmeters van de politie niet. De grootste politieinstantie van Gent verklaart dat het verwijderen van het bord geen optie is, omdat niemand blijkt te weten wààrom dat bord er eigenlijk staat. En als men niet weet waarom het er staat, kan men dus ook geen reden aanvoeren om het te verwijderen. Logisch, toch! En toch zie ik een uitweg uit deze impasse. Hierbij doe ik een oproep tot de talrijke inbrekers die ons landje rijk is. Laat één van jullie nu dat verkeersbord stelen. Dat moet een koud kunstje zijn voor jullie. Verricht eens een goede daad, belangloos, als compensatie voor het leed dat Stafke en zovele andere eerlijke landgenoten aangedaan wordt met het “illegaal werk” dat jullie “in ’t zwart” verrichten en dus zonder ook maar één cent belastingen te betalen.

    Op TV zag ik een interview met Christine Van Broeckhoven, professor in de moleculaire genetica aan de universiteit van Antwerpen en één van de grootste autoriteiten op het gebied van onderzoek naar o.a. de ziekte van Alzheimer. Een zware taak, zult u zeggen, want ze is daarenboven ook nog huisvrouw en dito moeder. Maar daar houdt het niet mee op. Ze heeft ook nog een full-time job in de politiek. Het mens moet zich steendood werken. Of ze het doet voor het geld? werd haar in het interview gevraagd. Het antwoord op deze tactloze vraag was verbijsterend: “Ik verdien nu precies hetzelfde als toen ik nog niet in de politiek was”! Kijk, daar kan ik mij nu zo bijzonder over opwinden: dat mens wordt niet eens betaald voor haar werk in de politiek, ze draait haar k… af voor niets, uit puur idealisme. Ook dat vind ik dus geen bijzonder goed nieuws.

    Beter nieuws is dat we verlost zijn van de twee die in de Willem Tellstraat in Gent een jongen neergestoken hebben. De rechter heeft hen opgedragen het land te verlaten. En voor één keer zijn ze gehoorzaam geweest. Bravo!

    Gaat u, beste lezer, ook soms gebukt onder bergen goed en minder goed nieuws, en duizelt u bij de gedachte dat alles verandert, dat alles in een nooit eindigende beweging is, dan heb ik voor u althans één remedie: surf naar de weblog van O. van Togenbirger, met lengten voorsprong de knapste filosoof van ons land… en van vele landen daarbuiten (www. bloggen.be/omskvtdw). Zopas heb ik van Togenbirgers verhaal van 1 februari gelezen: “Panta rei”. De rust en de vrede zijn weer helemaal teruggekeerd in mijn ziel.


    » Reageer (0)
    04-02-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Februari.

    En zo zijn wij, lieve lezer, al voor de vierde maal sedert het ontstaan van mijn weblog, in de maand februari aangeland. In zijn boek “De Maanden” schrijft Stijn Streuvels over de maand februari dat ze een stuk korter is dan de andere maanden en dat men er, alsof ze nog niet kort genoeg was, om de vier jaar nog een dag van af doet. Een haast onbegrijpelijke fout toch, voor iemand als Streuvels! Maar waar ben ik in ’s hemelsnaam over aan ’t zeuren. Wie leest er nu Streuvels nog? Wie weet er heden ten dage of Streuvels een schilder was of een schrijver? Of een koereur misschien uit de gloriejaren van de flandriens, lang nog vóór Briek Schotte? En allicht zullen er maar weinigen meer zijn die de naam “Streuvels” ooit gehoord hebben. Buiten West-Vlaanderen dan, omdat daar zowat elke gemeente een straat heeft die naar de schrijver genoemd is.  Maar ook in West-Vlaanderen neemt zelfs de grootste nerd geen boek van Streuvels meer ter hand. Je zou wel gek moeten zijn, aangezien we in ons Nederlands taalgebied nu over zoveel hoogstaander literatuur beschikken, die ons gebracht wordt door zoveel betere schrijvers! Ik noem er slechts één: Brusselmans…

    Maar laten we niet afdwalen en bij onze maand blijven. Ze heeft vele bijnamen: de onvolprezen scheurkalender “De Druivelaar” dicht haar de naam “dooimaand” toe, maar ze is ongetwijfeld beter gekend als “sprokkelmaand”, al weten we niet met zekerheid hoe ze aan die naam geraakt is. Het zou alvast niets te maken hebben met “hout sprokkelen”, maar misschien wel met het oud Nederlands woord “spronkelen”, dat “springen” betekent, vanwege het feit dat het aantal dagen in februari “verspringt”. Vaker horen we nochtans als verklaring dat de naam “sprokkelmaand” zou verwijzen naar de “spurcalia”, een soort oud-Germaanse vruchtbaarheidsfeesten, die jaarlijks gehouden werden in februari.

    In overeenstemming met “dooimaand” is de weerspreuk “met Lichtmis valt de sneeuw op een hete steen”. Met Lichtmis is het vergaan zoals met Streuvels: naar de lappenmand verhuisd! In mijn kinderjaren – en dat is vele decennia geleden –  was Lichtmis een niet onbelangrijke feestdag. Die dag, 2 februari, herdacht men de opdracht van de zes weken oude Jezus in de tempel en wat véél belangrijker was: het was een vrije dag! Maar toen bestond de krokusvakantie nog niet…  Ook mooi meegenomen was dat ieder rechtgeaarde huismoeder op die dag pannekoeken bakte. Niet voor niets gold de spreuk: “Geen vrouwke zo arm, of met Lichtmis maakt ze haar panneke warm”.

    Andere voor de hand liggende namen voor februari zijn: regenmaand, slijkmaand, schrikkelmaand, korte maand… Maar hoe kort is februari nu eigenlijk? Achtentwintig dagen dus, en om de vier jaar, telkens als het jaartal deelbaar is door vier, krijgt ze een dagje méér – hoort ge mij daarboven, Stijn? Maar daarmee is de kous niet helemaal af. Als het jaartal immers op twee nulletjes eindigt, dan komt er géén dag bij, tenzij het getal dat overblijft nadat we de twee nulletjes weggeveegd hebben ook nog eens deelbaar is door vier. En zo begrijpt u dus, waarde lezer, waarom de jaren 1800 en 1900 geen schrikkeljaren waren en waarom het jaar 2000 wel een schrikkeljaar was, d.i. een jaar met een dagje meer, een dagje dat ridderlijk toegekend wordt aan het al zo stiefmoederlijk  bedeelde februari.

    Maar schrikkeljaar of niet, februari blijft de maand met het minste aantal dagen, en daardoor komt het dat februari de maand is waarin  de boeren het minste klagen, de pastoors het minste vragen en de vrouwen het minste zagen…    

    En als u mij nu vraagt waar de naam “februari” zelf vandaan komt, dan moet ik u het antwoord schuldig blijven, al zou ik er een lief ding durven op verwedden dat het komt van een of andere derde-rangs-god uit de klassieke oudheid.   Maar genoeg nu: zo’n kort maandje is niet waard dat we er nog langer over doorbomen.


    » Reageer (0)
    31-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Januari-dialoog.

    Dit super-haaikoe-achtig gesprek dat ik op deze laatste dag van de nieuwjaarsmaand opving, kan noch wil ik u onthouden, beste lezer. Hier gaat het:

    - Ja?
    - Nú, Ari!

    Hetgeen alweer bewijst dat een goed gesprek niet noodzakelijk lang hoeft te zijn. In dit geval niet méér dan 7 letters...
    Het doet denken aan de wedstrijd tussen Cats en Vondel, om het kortste puntdicht.
    Cats was als eerste aan de beurt. Hij maakte een vetvlek op Vondels pak en dichtte: "vet smet".
    Vondel gaf Cats een oplawaai, met deze tekst erbij:"ik tik".
    Maar Cats tikte terug en realiseerde meteen het kortste puntdicht dat bekend is in de Nederlandse taal: "u nú".


    » Reageer (0)
    20-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pietje van 't Hazegras.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Het verhaal dat ik nu ga vertellen speelt zich af in lang vervlogen tijden, lang nog voor de geboorte van Christus.

    Op een klein eiland in de Middellandse Zee, niet ver van de kust van Klein-Azië, woonde een jongetje, samen met zijn ouders en zijn twee oudere broers in een huisje op de heide. Het eiland had nogal te lijden onder de droogte, omdat het er niet vaak regende. De plantengroei was er dan ook niet weelderig. Rondom het huisje van het jongetje – Pietje was zijn naam – groeide nochtans heerlijk mals gras en daarin stoeiden allerlei lieve diertjes: hazen, konijnen, eekhoorntjes… Men noemde die plek “’t Hazegras” en het jongetje noemde men op school “Pietje van ’t Hazegras”.

    Pietje was een pienter baasje. Toen hij amper een jaar of acht was, overtroefde hij zijn beide broers in rekenen, alhoewel dezen al in ’t middelbaar zaten en eigenlijk ook niet van de domsten waren. Op zijn verjaardag kreeg Pietje van zijn ouders, zijn dikke oom Pompidones en zijn drie tantes, telkens “nuttig speelgoed”, zoals passerdozen, gradenbogen, meetlatten, en dergelijke. Iedereen wist maar al te goed dat Pietje geen boodschap had aan een voetbal of een draaitol of een hoepel, waar andere kinderen van zijn leeftijd zo blij mee waren.

    Op een keer had Pietje voor zijn Nieuwjaar niet minder dan vier tekendriehoeken gekregen. Zonde, dacht Pietje, aangezien ik er in feite maar één kan gebruiken. Hij legde de vier driehoeken voor zich op de tafel, zo dat ze twee vierkanten vormden. Een lange tijd zat hij zwaar in gepeinzen verzonken. En plots, als door een wesp gestoken, sprong hij op van zijn stoel, luid roepend:

    - Eureka, ik heb het gevonden!

    - Wat heb je nu weer gevonden? vroeg zijn moeder.

    - Dat in een rechthoekige driehoek de som van de kwadraten van de rechthoekszijden gelijk is aan het kwadraat van de schuine zijde! juichte Pietje triomfantelijk.

    Maar moeder toonde niet de minste belangstelling.

    - ’t Zal me wat, zei ze.

    De enige die geïnteresseerd was in Pietjes uitvinding was oom Pompidones.

    - Kan je ook bewijzen dat je stelling klopt? vroeg oom.

    Vlug maakte Pietje toen een tekening op een groot blad papier:
    (zie tekening bovenaan)

    - Ziet ge hierin twee vierkanten, oom Pompidones?

    - ‘k Zou wel blind moeten zijn om het niet te zien.

    - Laten we nu van beide vierkanten de oppervlakte berekenen.

    - Doodsimpel: zijde maal zijde. Het buitenste vierkant heeft dus als oppervlakte (a + b)², het binnenste c².

    - En als we het binnenste van het buitenste aftrekken, oom Pompidones?

    - Dat is dan (a + b)² - c², mijn dierbare neef, al zou ik begot niet weten waar jij heen wilt.

    - En is dat verschil dan niet eveneens gelijk aan de som van de oppervlakten van de vier driehoeken?

    - Voorwaar en wis, daar is geen speld tussen te krijgen.

    - En wat is de oppervlakte van één zo’n driehoek?

    - Dat is a maal b, gedeeld door twee. Maar zijn dat zaken die jullie al leren op school?

    - Bijlange niet: ik heb dat geleerd in de boeken van mijn broers Euristides en Polyphrastos. En de oppervlakte van de vier driehoeken samen, oom Pompidones?

    - Vier keer a maal b, gedeeld door twee, dat is dus twee keer a maal b.

    - Betekent dat dan niet dat we kunnen stellen dat (a + b)² - c² gelijk is aan 2 ab?

    - Zeer zeker, mijn jongen, en ik voel dat we de ontknoping nabij zijn, al snap ik het nog steeds niet helemaal.

    - We zijn er inderdaad bijna, oom. Eerst nog even haakjes wegwerken: (a + b)² kunnen we toch ook schrijven als a² + 2ab + b²?

    - Dat meen ik mij te herinneren uit de lessen van algebra, ja. Maar dat jij dat al weet, zeg!

    - Zodat we kunnen schrijven dat a² + 2ab + b² - c² = 2 ab. Als we nu aan beide zijden van het gelijkteken 2 ab aftrekken en c² optellen, dan krijgen we toch: a² + 2ab + b² - c² - 2 ab + c² = 2 ab - 2 ab + c².

    - En waaruit volgt dat a² + b² gelijk is aan c².

    - Dat hebt gij goed begrepen, oom Pompidones.

    - Jij wordt nog wereldberoemd, mijn jongen. Hiervan moet de pers op de hoogte gebracht worden.

    En de pers werd op de hoogte gebracht en Pietje van ’t Hazegras werd wereldberoemd, als wiskundige, sterrekundige en natuurkundige, en ook als filosoof. Hij werd een van de grootste geleerden – zoniet de allergrootste – die de wereld ooit gekend heeft. Talloos zijn de ontdekkingen die hij heeft gedaan en nog voor de lente weer in ’t land is, kom ik zeker nog eens op de proppen met één van zijn uitvindingen. Maar met geen enkele vinding heeft hij de wereld meer kunnen beroeren dan met zijn stelling over de rechthoekige driehoek. Vijfentwintig eeuwen later brengt hij nog steeds jong en oud in vervoering met zijn stelling, de stelling van Pietje van ’t Hazegras.

    Ik mag u, trouwe lezer, niet verhelen dat Pietjes echte naam Pythagoras was. Men heeft dan maar die naam gebezigd voor de mooiste wiskundige stelling: ’t is algebra, ’t is meetkunde en… ‘t is filosofie, die mij ontroert, tot schreiens toe. De stelling van Pythagoras, bijgenaamd “Pietje van ’t Hazegras”!


    » Reageer (0)
    13-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Niveaus.

    Nieuwsberichten allerlei hebben mij overvallen in deze eerste helft van de nieuwjaarsmaand. De meeste heb ik over mij heen laten gaan. Laat de groten der aarde zich er maar over buigen, heb ik zo bij mezelf gedacht. Drie heb ik er weerhouden. Het zijn er drie van zeer verschillend niveau: internationaal, nationaal en regionaal.

    Het eerste – dat van het internationale niveau, weet je wel – betreft de Britse prins Harry. Onlangs is namelijk uitgelekt dat deze belangrijke jongeman, derde in de rij voor de troonopvolging in Groot-Britannië, een inwoner van Pakistan zou bestempeld hebben als “een Paki”. Dit onoorbaar feit heeft zich voorgedaan in 2006. Men heeft het ongetwijfeld al die tijd pogen stil te houden, maar nu is het dan, ten langen leste, toch uitgelekt. Als daar maar geen conflict uit voortvloeit dat de hele wereld in vuur en vlam zet! Je zal maar inwoner zijn van Pakistan en dan “Paki” genoemd worden. Of je zal maar “Beloetsji” genoemd worden of “Portu”, als je inwoner bent van respectievelijk Beloetsjistan of Portugal…

    Het tweede betreft een buitenlandse klepper die sedert enkele maanden in ons land in de gevangenis zit voor moord. In feite moest hij al op vrije voeten zijn, want er zijn procedurefouten gebeurd, maar via allerlei slinkse knepen is men er tot op heden in geslaagd hem toch nog vast te houden. De man heeft een moord bedreven, zo zegt men. So what? – vrij vertaald: et alors? Wat telt is dat er procedurefouten gebeurd zijn en dus hoort die man vrijgelaten te worden: dat zegt de wet. We leven immers in een rechtstaat en wat de wet zegt, moet nageleefd worden. Anders gaat onze samenleving toch naar de verdoemenis. Of niet soms? Dura lex, sed lex! En plots gaan mijn gedachten nu uit naar wat Rik Demonts, een verre kennis van mij, enkele jaren geleden is overkomen in een Aziatisch land. Hij was er betrokken geraakt in een dodelijk verkeersongeval. Hém trof geen schuld en daar zijn ze ook achter gekomen… drie maanden na het ongeval. Maar zo lang heeft de man opgesloten gezeten, in dat verre land, in een cel van twee op drie, op water en brood, en een paar ratten als enig gezelschap. Immers, daar maalt de molen van de wet langzaam. Net als in ons land overigens. En het weze nogmaals gezegd: de wet dient nageleefd te worden. Dura lex, sed lex!

    Het derde feit is van zeer plaatselijk niveau: regionaal nieuws dus. Een geval van negationisme, dat zich heeft voorgedaan in de kantine van Loopclub Grijsloke. Iemand, wiens naam en geslacht ik hier niet wens te vermelden, heeft het aangedurfd openlijk te verklaren dat Tanja Dexters nimmer “miss België” is geweest! Als dat geen geval van negationisme is! Laten we het woord even opzoeken in “de dikke Van Dale”, editie 1992: woord onbekend. Ook in 1999 was het woord nog onbekend bij “de dikke”. De laatste editie heb ik mij niet meer aangeschaft, want ik beschik nu over “wikipedia” en daar wordt negationisme gedefinieerd als het ontkennen of extreem minimaliseren van in het algemeen aanvaarde historische gebeurtenissen. “Ontkennen” doe je door bijvoorbeeld te beweren dat Merckx nóóit de Ronde van Frankrijk gewonnen heeft, dat de uitroeiing van de joden tijdens de tweede wereldoorlog niet heeft plaatsgegrepen, dat Napoleon de slag bij Waterloo niet heeft verloren, dat… Tanja Dexters nooit miss België is geweest. “Minimaliseren” doe je door te beweren dat Merckx bijvoorbeeld maar éénmaal de Ronde van Frankrijk heeft gewonnen of dat Adolf er destijds niet zes doch slechts één miljoen om zeep heeft geholpen. Wat er ook van zij: negationisme moet streng aangepakt worden. Wat algemeen aanvaard en historisch bewezen is, dient iedereen te weten. Té veel domheid dient gestraft te worden. En toch wens ik de persoon die zich zo foutief heeft uitgelaten over Tanja Dexters nog een kans te geven. De reden waarom ik zijn naam niet vermeld. En hierbij had ik het bewijs willen brengen van wat toch als een algemeen aanvaarde historische gebeurtenis moet beschouwd worden: een foto van Tanja Dexters als miss Belgique 1998. Maar nog net op tijd zie ik dat het hier om auteursrechtelijk beschermd materiaal gaat. Spijtig voor u beste lezer, maar voor hij 't weet wordt een mens voor de rechter gesleept en dan hangt hij, tenminste... als er geen procedurefouten gevonden worden.

    En ja, ‘k zou het haast vergeten, er is nog nieuws gekomen, zij het van een zéér beperkt niveau. Laten we het “familiaal nieuws” noemen. Mijn kleindochter heeft het mij laten weten, telefonisch. In de school hebben ze geleerd over de stelling van Pythagoras – Pietje van ‘t Hazegras, zoals ze in Oostende zeggen: van een rechthoekige driehoek is het kwadraat van de schuine zijde gelijk aan de som van de kwadraten van de beide rechthoekszijden. Als dat geen goed nieuws is! Uitstekend nieuws!


    » Reageer (0)
    07-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onze lieve Heeren.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    U, die ongetwijfeld de politiek op de voet volgt, hebt het natuurlijk reeds door: de titel slaat op onze lieftallige spiksplinternieuwe minister Veerle Heeren en niet op een veelvoud van de enige ware God, zijnde Onze Lieve Heer.

    Het goede nieuws komt dezer dagen dus uit Limburg. Dit lieve snoesje is benoemd tot minister van welzijnszorg. Eergisteren heeft ze verklaard dat ze aan haar man heeft gevraagd of ze die functie mocht aanvaarden. Ziehier hoe dat ongeveer in zijn werk is gegaan:

    Ze ging alvoor haar echtgenoot staan:

    “Ach, lieve man, mag ik naar de regering gaan?”

    “’t Is mij al eens waar dat gij gaat,

      als gij maar voor ieders welzijn zorgt

     … en als gij uw eer maar wel bewaart!”

    Kan men zo’n snoezepoes iets weigeren? De echtgenoot heeft dus "ja" gezegd. En als al die Vlaamse eega’s er nu eens een goede gewoonte van zouden maken om manlief te vragen “mag ik die jurk kopen?” of die hoed, die handtas, die schoenen… ’t Resultaat zou ’t zelfde zijn, maar ’t leven zou er een stuk rooskleuriger uitzien. De nieuwe minister heeft alvast de toon gezet. Ze heeft nu vijf maand de tijd om voor ons aller welzijn te zorgen. Ik twijfel er niet aan dat ze er zal in slagen: ik voel mij trouwens al veel beter, alleen maar door het bekijken van dat poezelig lachebekje.

    En toch is er iets wat mij een heel klein beetje onzeker maakt. Heeft onze nieuwe minister eergisteren niet verklaard dat Vlaanderen voor tweehonderd procent op haar kon rekenen? En heeft ze gisteren niet verklaard dat ze zich voor driehonderd procent zou inzetten voor haar job? Kijk eens aan, beste lezer – en laat het mij weten als het er op lijkt dat ik tegendraads ben –, maar het moet mij van het hart dat ik een beetje ongerust ben wat die procenten betreft. Tot waar reiken de mogelijkheden van onze gelukbrengster? Hoe hoog ligt haar lat? Klaarblijkelijk niet op de normale honderd procent. Maar hoe hoog dan wel? Op vierhonderd procent? Dat zou dan betekenen dat we voor de helft op haar kunnen rekenen en dat ze zich voor drie vierden voor haar job zal geven. Dat andere vierde zal dan wel voor haar echtgenoot bestemd zijn en dat is naar mijn gevoel niet eens overdreven. Heeft hij per slot van rekening niet – zij het met een simpele “ja” – mede beslist over het welzijn van alle Vlamingen? Ach, uiteindelijk denk ik niet dat we ons zorgen moeten maken. Het zou mij niet verwonderen dat het schattige lieveheersbeestje er voor zorgt dat in ons Vlaanderland het welzijnsniveau in de komende vijf maanden stijgt tot een duizelingwekkende hoogte.

     

    En nu we het toch over Onze Lieve Heer hebben… Is het u opgevallen, beste lezer dat ik in mijn nieuwjaarswens de religieuze toer ben opgegaan? Iemand heeft er op gereageerd met de vraag “of het door gods zegen komt dat er om de vijf seconden een kind sterft van de honger”. Laten we eerst de vraag beantwoorden of God wel degelijk bestaat. Wie die vraag, zoals professor Etienne Vermeersch, negatief beantwoordt, moet Hém dus niet de schuld geven van al die ellende. Maar als hij wél bestaat? Dan wéét ik het niet… al ben ik geneigd aan te nemen dat Hij dan wel oneindig goed moet zijn en niet in staat om kindertjes te laten verhongeren. Bij wie ligt dan wél die schuld? In mijn vorig verhaaltje, over “Kerstmis, de paus en Zeyneppeke”, heb ik een tipje van de sluier opgelicht, van hoe ik er over denk. Maar til daar maar niet te zwaar aan. Het staat u  natuurlijk vrij er anders over te denken. Ik ben immers de goede, alwetende, wijze God niet. Met andere woorden: ík ben Onze Lieve Heer niet.

     


    » Reageer (1)
    01-01-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nieuwjaarsgedichtje.

    ‘k Wens dat je in ’t jaar 9,

    met Gods en Allahs zegen

    en met een knipoog van Aphrodite,

    volop van ’t leven moogt genieten!


    » Reageer (0)
    31-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Oudejaarsgedichtje.

     

    ’t Oude jaar had slechter kunnen zijn,

    misschien niet veel, maar toch…

    Of ’t nieuwe zal beter wezen,

    dat weten wij pas over een jaar:

    dat is toch zonneklaar…


    » Reageer (0)
    27-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over Kerstmis, de paus en Zeyneppeke.

    Oef, de kerstdagen zijn voorbij! Ik ben er niet kwaad om.  Maar nu moet u niet denken, beste lezer, dat ik niet blij ben met Kerstdag. Ik zou het voor geen geld willen missen: de kerstsfeer, de kerstmuziek, de kerstboom en het stalletje, het kerstdiner, de cadeautjes van de kerstman, het gezellig samenzijn met de familie en last but not least… de kerst-mis in Grijsloke. Amper drie- of vierhonderd inwoners telt Grijsloke, maar het schooltje “De Verrekijker” behoort tot de absolute topklasse. De vertolking van het kerstverhaal door de kleutertjes (!) was fenomenaal. Ze hebben dan ook een applaus gekregen zoals ik het nog nooit in een kerk heb gehoord. De grotere kinderen zongen zich de ziel uit het lijf en er waren er ook die gitaar speelden. Alles ter ere van het kindeke Jezus. De kerk zat – en stond – stampvol en tot tweemaal toe wensten de mensen elkaar de vrede en ik ben er zeker van dat velen het écht meenden. Bij het verlaten van de kerk kreeg iedereen snoep en een gedachtenisprentje. Wat kan godsdienst toch mooi zijn…

    Maar ’t moet niet alle dagen Kerstmis zijn. ’t Zijn immers drukke en vermoeiende dagen, zeker als men al een jaartje ouder wordt. En al dat lekker eten en drinken komt een mens zijn gezondheid niet ten goede, weeral, als hij al een jaartje ouder wordt. Laten we het nu maar even wat kalmer aan doen en rustig nagenieten tot Nieuwjaar. Dan wordt het feest nog eens overgedaan – hopelijk zullen we ook dat overleven.

    In al die kerstdrukte heb ik niet eens de tijd gevonden om de krant te lezen. Ik neem dus vandaag de kersteditie van Het Laatste Nieuws ter hand. In Australië zitten ze opgescheept met een miljoen dromedarissen en dat is veel te veel: het wordt een echte plaag, zoals ze daar de konijnenplaag gekend hebben en de kangoeroeplaag. Vierhonderdduizend van die dieren gaan ze nu afmaken. Vierhonderdduizend van die grote mooie sympathieke dieren! Die hadden toch beter nooit kunnen geboren worden. Geboortebeperking hadden ze moeten toepassen, wat de paus van Rome daar ook moge over denken.

    In dezelfde krant lees ik dat de wereldbevolking het laatste jaar weer met 82 miljoen is toegenomen en dat we nu exact met 6,75 miljard zijn op aarde – nu ja, exact, tot op één na heeft men ze niet geteld natuurlijk. In België is de bevolking eveneens gestegen, ondanks het dalende geboortecijfer maar “dank zij” de immigratie. In Vlaanderen, Wallonië en Brussel samen zijn er nu 10.666.865 – hier heeft men ze dus wél tot op één na geteld.

    Een paar honderd jaar geleden heeft Malthus de wereld voorgehouden dat de mensheid zou afstevenen op een catastrofe als er niets zou gedaan worden om de wereldbevolking binnen de perken te houden. Weinigen hadden oren naar de theorie van Malthus en daar is ze nu, de catastrofe. Maak u maar geen illusies, beste lezer, nooit meer raakt de wereld nog uit deze economische crisis. Of er dan niets gedaan werd om de bevolkingsaangroei te remmen? Toch wel. Er is wat aan geboortebeperking gedaan, maar… lang niet genoeg. En in Afrika – geen Bush die zich daar zorgen over maakt – worden mensen dagelijks bij bosjes afgemaakt, maar… (door de lezer zelf in te vullen).

    En weer in diezelfde krant komt de paus op de proppen met zijn sexuele moraal. De kerkvader vindt de milieuvervuiling – die vanzelfsprekend een gevolg is van de wereldoverbevolking – geen groter probleem voor de mensheid, dan de “tegennatuurlijke sex”, waaronder dan grosso modo verstaan wordt: alle sex die niet leidt tot voortplanting. Wat, in godsnaam, brengt geestelijke leiders ertoe om te verkondigen dat sex in feite verfoeilijke zonde is, tenzij onder zeer strikte voorwaarden, die leiden tot voortplanting? Men zou haast denken dat de Schepper hier een steek heeft laten vallen…

    Ongebreidelde voortplanting lijkt voor de katholieke kerk wel het hoogste goed. Maar ook andere religies delen dezelfde opvattingen. Omdat hun god het zo wil. De god die spreekt bij monde van de geestelijke leiders, zoals, ten tijde van het oude Hellas, de god sprak bij monde van de orakelpriesters. Ook de Romeinen waren voorstanders van kroostrijke gezinnen en ook bij hen rustte er een taboe op sex. In dat opzicht verschilden ze van de Oude Grieken, die heel tolerant waren op dat gebied. De Grieken waren een relatief vredelievend volk, die Aphrodite, hun godin van de liefde, alle eer bewezen, terwijl ze voor hun oorlogsgod Ares alleen maar afkeer voelden. Ze waren, in tegenstelling tot de Romeinen, niet uit op gebiedsuitbreiding. Deze laatsten brachten grote legers op de been. Iedere mannelijke nieuwgeborene was een potentiële krijger en daarom dus moest de voortplanting op hoog toerental draaien. Voor de katholieken was het doel gelijkaardig: allemaal zieltjes, in de strijd tegen de andersdenkenden.

    Heel opwindend – en opwarmend – in de kerstdagen was de verkiezing van Zeynep Sever (Zeynep is de voornaam) uit Molenbeek, tot Miss België: Zeyneppeke van Meulebeek! Een Turks meisje van negentien jaar dat twee jaar geleden nog zesde was bij de verkiezing van miss Turkije. Tja, in Turkije hebben ze blijkbaar mooier volk dan bij ons… Wat er ook van zij, Zeynep Sever is een heel lief ding: een betere keuze had men niet kunnen maken. En wat zo bijzonder knap is aan Zeyneppeke: ze woont nog maar een paar jaar in Molenbeek en ze praat al behoorlijk Frans! Mens sana in corpore pulchro, noemen ze dat. Maar u wil natuurlijk ook gaarne mijn reactie horen op de nederlaag van mijn favoriete, Cassandra d’Ermione. Ten eerste vind ik het geen echte nederlaag: een tweede plaats is toch mooi, nietwaar? En ten tweede: nu ik Cassandra aan ’t werk gezien heb, vind ik dat ze met die tweede plaats nog goed wegkomt. Haar foto in de krant van enkele weken geleden had bij mij overdreven verwachtingen gewekt, méér dan ze heeft kunnen inlossen. Misschien zijn haar onortodoxe antwoorden dan toch niet met helderziendheid in verband te brengen… En daar komt nog bij dat ze mij niet eens een bedankje heeft gestuurd voor de publiciteit die ik voor haar heb gemaakt. Een kerstkaartje of zo, of een simpel e-mailtje: wat had dat mijn hart verblijd! Laat ik het dus maar houden op Zeyneppeke.

    En laten we, nu het Kerstmis is, allen bidden tot de Heer dat hij ons behoede voor dwaze pauselijke uitspraken, die mensen in verwarring brengen, en laten we hopen dat er weldra een paus komt die zich ernstig gaat bezighouden met hetgeen het mensenras het meest bedreigt: de overbevolking. Wij, als dappersten onder alle Galliërs, houden ons bevolkingscijfer ondertussen wel op niveau, dank zij de instroom van Zeyneppekes…


    » Reageer (0)
    17-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Acribie.

    In het oktobernummer van de “Nieuwsbrief van Klassieke Talen” van het Montessori Lyceum van Rotterdam, heeft Anneke Korevaar, lerares klassieke talen, een hoogstmerkwaardige en interessante berekening gemaakt: op 16 april a.s. zal het precies 3187 jaar geleden zijn dat Odysseus, koning van Ithaka, na een afwezigheid van twintig jaar, thuiskwam van de Trojaanse oorlog en de 129 “vrijers”, die zijn echtgenote omzwermden, doodschoot. Een hele prestatie van Odysseus: hij stond er immers vrijwel alleen voor, alleen tegen 129 man. Maar ook een hele prestatie van Anneke Korevaar. Ze baseert zich op de berekeningen van de wiskundige Constantino Baikouzis en de sterrenkundige Marcelo Magnasco, beiden werkzaam aan de Rockefeller University in New York.

    Op 16 april 2009 zal het dus precies 3187 jaar geleden zijn. Bijna niet te geloven toch, dat men dat zo precies kan bepalen. Ik zie u, beste lezer, al het voorhoofd fronsen, in opperste twijfel. U broedt al direct op een kritische vraag, die u Anneke wil stellen. Maar ze is u een stap voor. Ze begint haar artikel met “Ja ja, zal wel… en op welke dag ontwaakte Doornroosje? Sommige dingen moet een mens helemaal niet willen weten: die behoren tot het rijk van de sprookjes”. Dan volgt evenwel een wetenschappelijk gefundeerd betoog, dat leidt tot de exacte datum: 16 april van het jaar 1178 voor Christus. Kritisch blijft ze nochtans wel, die Anneke Korevaar, want ze laat zich nog ontvallen dat de theorie pas opgaat als we er mogen van uitgaan dat die hele oorlog met Odysseus erin, ueberhaupt heeft plaatsgevonden. Dat doet mij denken aan het verhaal van de man die exact berekend had hoe groot het monster van Loch Ness was, maar er voorzichtigheidshalve aan toevoegde: vooropgesteld dat het bestaat… Natuurlijk heeft de oorlog van Troje plaatsgevonden: ontneem ons die droom niet, Anneke! En een sprookje is het al zeker niet. Hooguit een legende, of een sage. Het verschil met een sprookje zit hem hierin dat dit laatste totaal niet aan tijd of plaats gebonden is. Sagen zijn het wel…

    Hoe komt Anneke Korevaar nu tot de conclusie dat we dus weldra de 3187e verjaardag mogen vieren van Odysseus’ thuiskomst en van de afslachting van de vrijers? Ze maakt simpelweg een sommetje: 1178 + 2009 = 3187! En daarin heeft ze zich deerlijk vergist, want de berekening moet er uitzien als volgt: 1178 + 2009 – 1 = 3186. Waarachtig! Doodgewoon, omdat het jaar “nul” nooit bestaan heeft. Trek dat maar eens rustig na, beste lezer.

    Maar of ik er goed aan gedaan heb schrijfster van dit allermerkwaardigste artikel op die fout opmerkzaam te maken, of het niet getuigt van een verregaande pietluttigheid? Maakt één jaartje verschil op meer dan drieduizend jaar eigenlijk wat uit? Wat er ook van zij, Anneke heeft mij bedankt voor de “acribie” (van Daele: “uiterste nauwkeurigheid, vnl. m. betr. t. filologische werkzaamheden”). Maar misschien heeft ze dat wel ironisch bedoeld, misschien heeft ze wel degelijk “pietluttigheid” bedoeld… alhoewel… ik vind, dat als je zo’n berekening maakt, tot op een dag nauwkeurig, een verschil van een heel jaar wel degelijk iets uitmaakt.

    Al bij al ben ik blij dat ik mevrouw Korevaar op die fout gewezen heb. Had ik het niet gedaan, dan had het mooie woord “acribie” nu nog niet tot mijn vocabularium behoord, want die Dikke van Daele heb ik dus wel degelijk nodig gehad. Ik zal het woord vanaf heden overal gebruiken waar ik anders “mugge(n)zifterij” of “miere(n)neukerij” zou geschreven hebben, omdat ik, zoals u ziet, nogal wat last heb met die tussen-n. In “de dikke”, 12e editie 1992, staan beide woorden zonder die “n”, maar in de 13e editie 1999, staat de “n” er wel. Ja, de spellingregels waren tijdens die zeven jaar veranderd, maar zijn ze ondertussen al niet wéér veranderd? Overigens heb  “muggezifterij”, zonder “n” dus, nooit goed gevonden, omdat de regel toen voorhield dat er een “n” diende te staan als het om meer dan één exemplaar, in casu een mug, ging… En meer en meer geraak ik er van overtuigd dat we beter af zouden zijn met “mugzifterij” en “mierneukerij”, zoals ik betoog in de inleiding van mijn boek “O jerum jerum jerum…” (2006). Ieder redelijk mens die mijn voorstel tot ultieme wijziging en vereenvoudiging van de Nederlandse taal gelezen heeft, is het daar volkomen mee eens.

    Maar laten we het, van de hak op de tak springend, nog maar eens hebben over Odysseus. Ongetwijfeld volgt u de verhalen van deze Griekse held op mijn weblog www.bloggen.be/dzeus en dan weet u dat hij dus net ontsnapt is aan het gevaar van de verleidelijke Sirenen. Normaliter had hij rond eind maart thuis moeten komen, maar het artikel van Anneke Korevaar indachtig, zal ik het verhaal een beetje rekken en ik zal er zorg voor dragen dat hij pas op 16 april thuiskomt, precies 3186 jaar nadat het écht gebeurd is.

    En dan die “acribie” waar ik zo blij mee ben. Al moet het mij van het hart dat ik nog meer in mijn nopjes ben met “swaffelen”, het Woord van het jaar. Sinds jaar en dag loop ik rond met het idee om een boek te schrijven over iemand die een verwoed beoefenaar is van de edele kunst van het swaffelen, iemand wiens leven als het ware beheerst wordt door het swaffelen, een “swaffelaar” dus. Merkwaardig toch dat er voor zo’n interessante bezigheid, zo’n veralgemeend volksgebruik, dat al beoefend werd in de oudheid en zelfs door Adam in het Aards Paradijs, dat dus in feite zo oud is als de mensheid zelve, dat er daarvoor niet eens een woord bestond. Eindelijk kan ik dus nu mijn boek schrijven: “ De Zwaffelaar”. Tja, begin maar eens een titel te verzinnen voor zo’n boek als je dat woord niet hebt…


    » Reageer (0)
    15-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Reactie op Oostends verhaal.

    Als reactie op het Oostends verhaal van vorige week, kreeg ik de volgende, enigszins laconieke e-mail: 
    "halo ik ben yves campana maar weet niet wie je bent". Een korte vraag dus. Ziehier mijn "bondig" antwoord:

    Beste Yves Campana,

     

    Dat jij de echte Yves Campana bent, die ik in mijn jeugdjaren heb gekend, daar zou ik iets kostbaars durven op verwedden. Al ben ik niet helemáál zeker. Ik vraag mij immers af: hoe is het mogelijk dat hij zich mij niet meer herinnert? Wij hebben toch drie jaar lang in eenzelfde klas gezeten en… hij heeft mij per slot van rekening van de verdrinkingsdood gered.

    Als jij je middelbare studies niet in 1957 beëindigd hebt in de latijn-wetenschappelijke afdeling in het Koninklijk Atheneum van Oostende, dan is deze brief – ik heb een voorgevoel dat het een lange wordt – niet echt voor jou bestemd. Maar nogmaals: ik acht de kans heel erg klein dat jij het niet bent.

    Dat jij je dus niets meer herinnert van mij, staat toch in schril contrast met het feit dat ikzelf mij iedere medeleerling van die klas nog levendig voor de geest kan halen. Maar, het dient gezegd, jij als sportman had een veel bredere horizon, een veel uitgebreidere kennissenkring dan ik. En ikzelf was een erg onopvallend schepsel, een sukkel eigenlijk.

    Ik weet nog perfect hoe jij er uitzag: met voorsprong de knapste atleet van de klas. Altijd zeer kortgeknipt haar, gebronzeerde huid, een rijzig en gespierd lichaam. Jij behoorde samen met een oudere broer en ook een jongere broer – die heette Roch, als ik mij niet vergis – tot de kernploeg van de Oostendse basketbalploeg, die toen ook al één van ’s lands topploegen was. En sta mij nu toe dat ik nog eens die oude studiemakkers ten tonele voer. Hoevelen zou jij je er nog van herinneren? Op een stuk of drie na ken ik nog al hun familienamen, al ben ik van zowat de helft hun voornamen vergeten. Maar hun aller beelden zijn mij bijgebleven… alsof het gisteren was.

    Twee van de meest ernstigen waren Roland Calcoen en Werner – of was het Walter? – Vandezande. Ze waren beiden niet groot van gestalte. Calcoen zag er uit als een wijze professor met zijn bril met zware montuur: hij was zachtaardig en goed. Vandezande had golvend zwart haar en wat verbeten trekken. Een moedige jongen, die flink studeerde.

    Twee spichtige “leptosome” types waren Verschoore en Pira, wier voornamen mij ontgaan zijn. Verschoore had een erg bleke huid en ook zijn haar was wit. Pira leek mij een pietje precies, niet uitbundig genoeg – maar wie geeft mij, droogstoppel als ik was, het recht zo over hem te oordelen?

    Desplenter was een goedlachse blozende kerel. Ik herinner mij dat hij vaak een bruinlederen jas droeg. Hij was een paar jaar ouder dan ik, maar ik vond hem een uitstekende schoolmakker. Ik had zo het gevoel dat hij niet op zijn plaats zat in de latijnse afdeling: daarvoor zag hij er te “praktisch” uit en met teveel gezond boerenverstand begaafd. Blomme vond ik ook wel een geschikte knaap. Hij had iets met zijn ogen, loenste een beetje. Hij droeg zijn haar à la brosse. Een paar jaar geleden zag ik in de krant een overlijdensbericht van ene Blomme en ik denk dat het van hem was: de leeftijd en de voornaam, die ik mij toen nog herinnerde, klopten. God hebbe zijn ziel.

    Henaut had een weelderige rosse haardos, die goed verzorgd was. Hij was nogal opvallend en chic gekleed en hij sprak met een licht Frans accent. Ik denk overigens dat Frans zijn moedertaal was. Dat hij minder punten kreeg voor Frans dan ikzelf vond ik de “on-logica zelve”: Henaut beheerste het Frans perfect, terwijl ik nog niet eens vlot de weg kon vragen of boodschappen doen in de taal van Molière. Een goede vriend van Henaut was Remi Fuertes, maar die zat in de latijn-wiskundige afdeling. Ze spraken Frans onder elkaar. Remi was groot en zwaar: een imponerende en autoritaire figuur. Ik kende Remi Fuertes van in de kostschool. Remi leek mij voorbestemd om de allerhoogste functie te bekleden in het leven. Het zou mij verwonderen als hij het niet héél ver heeft gebracht.

    Uit veel zachter hout gesneden was Ronny Billiau, de langste slungel van de klas. Hij had een wat verdikte onderlip en hij kon schaapachtig lachen. Ik had sterk de indruk dat Ronny er plezier in schepte om zich sulliger voor te doen dan hij was. Een beetje de “risee” uithangen, het ging hem goed af.

    Een lolbroek was Olav Permentier. Een knappe jongen, die erg in de smaak viel bij de meisjes en die zelf ook niet vies was van het andere geslacht. Omdat ik in den beginne zijn naam niet kon onthouden, noemde ik hem eens Boris – wat óók Russisch is – en zo ben ik hem blijven noemen. Hij was mijn beste vriend uit de klas, maar dat ik hem Boris noemde zal hij niet geapprecieerd hebben, want hij noemde mij tenslotte eveneens Boris. Ja, dat stond wel gek, twee schoolvrienden die elkaar aanspraken met Boris, terwijl geen van beiden Boris heette… ’s Maandags vertelde Olav, alias Boris, mij van zijn veroveringen in het week-end. Het waren vaak meisjes van onze school, die hij mij aanwees tijdens de speeltijd. Ach, wat was ik vaak jaloers op hem; ik had toen nog lang niet het lef om met meisjes om te gaan. Maar het dient gezegd: Olav was een paar jaar ouder dan ik. Dat hij mij, die toch helemaal zijn tegenpool was, te vriend hield, had ongetwijfeld een praktische reden: ik hielp hem bij zijn schoolwerk en ik liet hem gewillig van mij afschrijven tijdens de schriftelijke ondervragingen. Aan de studie veegde Olav een beetje zijn voeten: onbezorgd ging hij door het leven. Ik herinner mij nog dat hij in zijn opstel schreef: “pachtige pijzen”: dat krulletje achteraan de “p” leek zo erg op een “r” dat hij het overbodig vond om die “r” er nog eens bij te schrijven…

    Dan waren er nog twee wier naam ik kwijt ben, twee die dezelfde achternaam hadden. Ze leken helemaal niet op elkaar. Het waren dan ook geen broers, wel neven. Maar zelfs dat vond ik verwonderlijk: de ene was een jong speels baasje met lachend bol aangezicht en drager van een korte broek, de andere leek erg volwassen en wijs. En er was ook nog Daniël Capelle. Hij zat óók in de kostschool. Ik kan mij niet voorstellen dat vrolijke Daniël ooit ruzie gehad heeft met iemand, zelfs niet met de studiemeesters. Behalve Daniël Capelle en ikzelf, waren er in onze klas nog drie “kostschoolgangers”: Eric Goormachtig, Redgy Verbrugge en Fernand Vandyck. De eerste twee waren op studiegebied geen hoogvliegers en ik denk dat ze allebei een jaar hebben moeten overdoen, zeker Eric Goormachtig. Deze laatste heb ik later nog teruggezien aan de universiteit: hij ging er studeren voor apotheker. Ik vroeg mij af wat hij daar kwam doen, hij die het al zo moeilijk had gehad in de middelbare school. Maar Eric slaagde telkenjare met onderscheiding, iets wat mij nooit gelukt is. En als ik mij niet vergis is hij later aan het hoofd komen te staan van een zeer grote apotheek in Roeselare.

    Het verhaal van Fernand Vandyck is allesbehalve leuk. Maar wie weet, misschien is alles achteraf nog goed gekomen met hem. Ik kan er mij nu nog over opwinden als ik bedenk wat Fernand Vandyck tweeënvijftig jaar geleden is overkomen. Laat ik beginnen met te zeggen dat Fernand een keurige jongen was, een jongen met goede manieren, die altijd netjes gekleed ging. Hij droeg een vlinderdasje en had een snorretje. Kortom, een jongen die iedere ouder van jonge dochters zich als schoonzoon zou wensen. Op een dag had een studiemeester zijn kamer doorzocht in de kostschool. Die inbreuk op de privacy was toentertijd niets bijzonders. Die ijverige studiemeester had zelfs zijn portefeuille doorzocht, op zoek naar condooms en liefdesbrieven – de liefde zal toen wel taboe geweest zijn. En wat vond de studiemeester: een condoom. Men vroeg Fernand niet om uitleg: op staande voet werd hij uit de school gezet. Laten we hopen van niet, maar misschien heeft zijn leven daardoor een heel slechte wending genomen. En wáárdoor? Door het bezit van een condoom, waarvoor dertien à veertienjarigen heden ten dage met goede punten beloond worden op school. Fernand was bijna negentien!

    De oudste van de klas was Ponjaert. Die hield ervan de meisjes van de klas verlegen te maken met schuine moppen. Dat lukte ook wel enigszins, maar niet bij Rosette Huwel. Zíj moest in niets onderdoen voor de jongens. De andere vier – de meisjes Aelvoet en Candaele, Vera Deprez en die ene van wie ik de naam vergeten ben – waren toch wel van het timide type zoals dat toentertijd voor een jonge vrouw betaamde. Vera Deprez was erg klein van gestalte. Ik weet nog dat ze haar hart verloren had aan de beste student van de school, een zekere Soens of Soenens. Die haalde in ’t laatste jaar grieks-latijn boven de negentig procent en ging later studeren voor… ingenieur! De liefde was wederkerig, als ik mij niet vergis. Opvallend voor de meisjes van onze klas, Rosette Huwel niet te na gesproken, was dat ze erg snel bloosden. Vooral bij het meisje Candaele vond ik het schattig: haar lachend sproetenkopje met hoogopstaand kroezelend donker haar, lichtte op als een vuurtorentje, als ze in verlegenheid gebracht werd of anderszins opgewonden raakte. Het meisje met de vergeten naam had een weemoedig Mona-Lisa-glimlachje: ’t was pas als ze bloosde dat we ons realiseerden dat er bloed door haar frêle lijfje stroomde.

    Als ik zou beweren dat er één van de vijf meisjes uit de klas mij diep beroerde, dan zou ik een onwaarheid vertellen. In de Latijn-Wiskundige klas was er nochtans eentje waar ik ’s nachts wel eens wakker van lag. Ze heette Pattijn. Ik weet niet eens of ik haar voornaam ooit gekend heb. Ik meen me te herinneren dat wij toen, merkwaardig genoeg, elkaar aanspraken met de familienaam. Wat er ook van zij, Pattijntje zal vele jongensharten sneller hebben doen slaan. Het woord sex-appeal bestond toen nog niet, maar voor háár had het moeten uitgevonden worden. Ik vond dat ze daar niet op haar plaats zat in die latijn-wiskundige afdeling. Ik vond haar te mooi voor de wiskunde. Eigenlijk vond ik haar te mooi voor álles. Voor álles, behalve de liefde. Maar, basta.

    Ondertussen is bij mij, mijn beste Yves Campana, de zekerheid gegroeid dat jij wel degelijk dé Yves Campana bent, de enige echte. Anders had je toch geschreven “ik héét Yves Campana” en niet “ik bén Yves Campana”. Ik heb een perfect fotografisch beeld van al die leerlingen van toen –  jij inbegrepen natuurlijk –  in mijn brein opgeslagen. Alleen weet ik niet goed hoe ikzelf er uitzag in die tijd. En als jij je niets meer herinnert van die grijze vleugellamme mus die ik was, treur daar dan niet om. Het bewijst alleen dat jij ten minste een goed stel hersenen hebt, die in staat zijn onbenullige dingen uit te bannen waardoor er plaats vrijkomt voor nieuwe indrukken. Het bewijst, met andere woorden dat het spook dat Alzheimer heet, nog lang niet in ’t verschiet is.

    Hoe heb jij het overigens gesteld in ’t leven? Het zal je ongetwijfeld maar matig interesseren, maar toch wil ik je vertellen dat ik na de jaren in Oostende, helemaal veranderd ben. Van die asociale bekrompen onsportieve nerd is nog iets behoorlijks terecht gekomen. Vijf jaar later was ik senior seniorum aan de Gentse universiteit, wat zoveel betekent als de meest studentikoze van alle studenten! En op veertigjarige leeftijd ben ik aan sport beginnen doen: hardlopen. Ik heb marathons gelopen in alle uithoeken van de wereld, van Honolulu tot Zuid-Afrika en van Chicago tot Moskou. Enkele jaren geleden heb ik zelfs de prijs van sportverdienste van de gemeente Anzegem gekregen voor mijn sportieve loopbaan en als organisator van een van Vlaanderens populairste stratenlopen.

    Weet je dat jij pas de derde bent van de klas, van wie ik een teken van leven krijg? Na Eric Goormachtig. En na Blomme – nu ja, teken van leven…

    Een hartelijke groet!

     

    Kris Vansteenbrugge

    » Reageer (0)
    08-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Oostende.

    Wat, in godsnaam, heeft mij bezield om dit week-end naar Oostende te trekken. Het mooie herfstweertje? Eénenvijftig jaar en vier maanden geleden had ik nochtans gezworen nooit meer een voet op Oostends grondgebied te zetten…

    Of zou het kunnen dat mijn einde nadert, dat een bovenaardse kracht mij drijft naar de plek waar ik nooit meer wilde komen? Men moet zich toch met zijn vijanden verzoenen vooraleer men sterft?

    De school in de Leon Spilliaertstraat ziet er verlaten uit. Nogal begrijpelijk voor een zondag, nietwaar? Maar daar staat nog steeds “Koninklijk Atheneum” op, en misschien wordt hier nog wijsheid bijgebracht, zoals weleer. Kunt u zich voorstellen dat ik nu voor ’t eerst opmerk dat bovenop de school een beeld prijkt van Athena, de godin van de wijsheid? Het gebouw loopt door tot in de Rogierlaan, aan de andere kant van het huizenblok. De indrukwekkende voorgevel ziet er erg vervallen uit. Hier was de ingang van de kostschool, waar ik de drie ellendigste jaren van mijn leven heb doorgebracht. De zware voordeur is in een erbarmelijke staat: ze lijkt wel duizend jaar oud. Er hangt een soort spandoek naast de deur, waarop staat “Leefschool DE VLIEGER”. Ik heb het opgezocht op ’t internet: het is een “Ervaringsgerichte basisschool van het Gemeenschapsonderwijs”! Tja…

    De immense koninklijke gaanderijen maken een al even vervallen en desolate indruk als het “Koninklijk Atheneum” annex kostschool. Drie keer per week moest ik met de andere kostschoolgangers naar het strand en ’t was achter de hoge dikke zuilen van die gaanderijen dat ik mij verstopte om niet in het zand te moeten lopen: dat zand bezorgde mij zweetvoeten. Ik heb ze nog, die zweetvoeten…

    De kursaal maakt nog steeds grote indruk: ik heb er mijn grootste triomfen gevierd. Maar te welken prijze?...

    Wat er ook van zij, ik heb me met Oostende verzoend en ik ben er blij om. En om het voor u, beste lezer, allemaal een beetje minder raadselachtig te maken, laat ik hier een uittreksel volgen uit mijn boek “O jerum jerum jerum…” (*). Een hoofdstukje, waarvan de titel luidt: “Oostende, drie jaar ellende”…

     

    Na drie jaar middelbaar onderwijs stuurde vader mij, op aanraden van mijnheer Hoebeke, naar het Koninklijk Atheneum van Oostende. Die school stond aangeschreven als een van de beste van het land en er was een kostschool. Daar zou ik, per definitie, nette manieren leren…

    Er waren een kleine honderd leerlingen in die kostschool. Velen van die kostschoolgangers kwamen uit welgestelde doch vaak ontwortelde gezinnen. Ze kwamen uit Gent, Brussel, Antwerpen. Er was uitschot bij van de ergste soort.

    We sliepen in een reusachtig grote slaapzaal, in chambrettes. Studeren gebeurde in één groot lokaal, alle internen samen, onder toezicht van een studiemeester. Er waren drie studiemeesters, die elkaar afwisselden: Pulle, Kuifje en Tarzan. Van deze laatste herinner ik mij ook nog de échte naam: Lingier. Het ontzag dat deze drie heren inboezemden was nihil. Als ze vooraan in de studiezaal zaten werden ze bekogeld met stukjes krijt, papierproppen, sponsen en dies meer. Daarom gingen ze meestal achteraan staan om te surveilleren. Straf geven deden ze enkel aan de brave leerlingen. De "zware jongens" werden ongemoeid gelaten: daar waren de studiemeesters bang van. Ik herinner me dat er op een dag een nieuwe studiemeester kwam, een die het stevig zou aanpakken, ook "het zwaar krapuul" dus. Hij heette Debeuf. De derde dag - Debeuf stond vooraan en had toevallig zijn rug naar de klas gekeerd - zoefde er een dolk rakelings naast zijn hoofd en boordde zich met de punt in het bord. Het mes bleef vervaarlijk lang natrillen. Debeuf verliet de studiezaal en we hebben hem daarna nooit meer teruggezien. Dat er vroeg of laat een dodelijk slachtoffer zou vallen in de kostschool van Oostende, daar twijfelde ik niet aan. In de drie jaar die ik er heb doorgebracht, heb ik het niet meegemaakt, doch enkele jaren later is het wél gebeurd. Een leerling had een medeleerling doodgestoken. Het stond in de krant. Het verbaasde mij niet.

    Voor de maaltijden zaten we aan grote tafels, een twaalftal, acht man per tafel. De oudsten en de stoutmoedigsten zaten vooraan, aan de kant waar het eten werd opgediend. De onmondigen, zoals ik, zaten achteraan. Het eten werd op de tafels gezet en de leerlingen moesten het zelf verdelen. Ge ziet van hier hoe er verdeeld werd! De stukken vlees waren van ongelijke grootte. Altijd was er wel een heel klein stukje en dat viel mij dan ten deel. Het gebeurde dat ze mij zelfs dat klein stukje niet gunden. Eén keer ben ik zo vermetel geweest daarover mijn beklag te doen bij de studiemeesters. Het gevolg was dat ik daarna dagen lang vrijwel niets meer te eten kreeg…

    's Avonds was er vaak smeerkaas voor op de boterham. Zo goed als niemand vond dat lekker. Ik evenmin. Toch was ik blij als er 's avonds smeerkaas was, want dan kreeg ik meestal de portie van de anderen ter compensatie van het biefstuk dat ze mij 's middags hadden afgepakt en zo kon ik dan mijn hongerige maag nog enigszins stillen. Soms werd ik overladen met smeerkaas: de risee van de school. Ook de studiemeesters leken het allemaal wel grappig te vinden. Tot er besloten werd tot een "smeerkaas-boycot"…

    Er werd overeengekomen dat iedereen zijn kaasje na het avondmaal zou meenemen naar buiten en het tijdens het daaropvolgend recreatie-halfuurtje tegen één van de schoolmuren zou plakken. Lafaards als ik, van wie vaststond dat ze dat tóch niet durfden, mochten hun kaas ook aan een ander geven, die dan de klus voor hen zou klaren. Op een afgesproken teken werden de smeerkazen tegen de muren gekwakt, onder luid gejoel van al de kostschoolgangers. Ik joelde mee. Was ik te laf om zelf tot actie over te gaan, ik zou tenminste blijk geven van enige sympathie met de oproermakers. Het huilen stond mij nochtans veel nader dan het lachen. Daar bengelde mijn kaas tegen de muren van het internaat. Ik had er hem zo willen van aflikken. Mijn maag deed pijn van de honger. Maar ik lachte, ik durfde niet anders…

    Een studiemeester pakte me bij de kraag en bracht me bij de econoom van het internaat. Waarom ik? Omdat ik zowat de enige was van wie de studiemeesters niets te vrezen hadden. En toch. Wie zegt dat ik hem geen mes tussen de ribben had geduwd als ik daar op dat ogenblik over beschikt had? Een moegetergd dier maakt soms rare sprongen…

    Ik was "op heterdaad betrapt". Ik zwoer met zóveel klem dat ik niets gedaan had, dat mij uiteindelijk alleen maar het openlijk sympathiseren met de actie ten laste werd gelegd. En… dat was al even subversief als de rest. Ik was de enige die moest boeten voor de smeerkaas-affaire: voor straf één week-end in de kostschool binnenblijven! Mijn ouders werden op de hoogte gebracht van mijn wangedrag. Vader slikte alles wat de kostschoolautoriteiten hem meedeelden. Hij vond het opperbest dat ze mij hardhandig aanpakten. Op zíjn medewerking mochten ze rekenen en… ze konden gerust zijn, híj zou er nog wel een straf bovenop doen. Meer dan ooit raakte vader ervan overtuigd dat ik op die kostschool op mijn plaats zat en dat ze mijn misdadige neigingen daar wel in de kiem zouden smoren…

    Als ik toen over een revolver had beschikt en het hele zootje, mijn vader inbegrepen, had neergeknald, dan had niemand daar enig begrip voor kunnen opbrengen. Alleen de Almachtige God had immers weet van de verzachtende omstandigheden. Voor hetzelfde geld had ik de grootste massamoordenaar uit de geschiedenis kunnen zijn. Ik was veertien jaar.

    En toch ging het allengs beter. Het pesten werd misschien een beetje minder of misschien werd ik er wel een beetje aan gewend - maar went zoiets wel? - Vader en moeder stuurden mij in 't midden van de week een meestal opbeurende brief en dat deed mij wel deugd. Jazeker, zij meenden het goed. Nu zij er al jaren niet meer zijn, ben ik blij dat ik de brieven nog bewaard heb.

    Eerlijkheidshalve dien ik te vermelden dat ik enkel gepest werd in het internaat. Op de schoolbanken tijdens de lesuren was er van pesten zo goed als geen sprake. De overgrote meerderheid van de leerlingen in mijn klas waren van Oostende en met hen had ik geen nare ervaringen. In tegenstelling tot de school in Waregem zaten we er in grote klassen met zo'n dertig leerlingen. Maar net als in Waregem ben ik in Oostende steeds de eerste van de klas geweest en dan nog wel met grote voorsprong op de tweede. En dat ondanks het feit dat ik er niet goed kon studeren. We hadden dagelijks één tot anderhalf uur studie en het studeren in die tumultueuze studiezaal ging bijlange niet zo goed als in mijn stille kamer thuis. Studeren buiten de studiezaal was daarenboven verboden. Eenmaal ben ik betrapt op studeren in de chambrette. Ik kreeg er een ernstige waarschuwing voor. Nog één zo'n zware overtreding en ik kon wel buitenvliegen, werd mij gezegd. Naar degene die het mes naar Debeuf geworpen had, werd daarentegen, voor zover mij bekend, nooit gezocht. Ze hadden hem immers toch niet durven straffen…

    Een nare ervaring was die keer toen ik bijna verdronk in het zwembad. Zwemmen hoorde bij de lessen lichamelijke opvoeding. Ik was nog nooit in een zwembad geweest, laat staan dat ik kon zwemmen. Ik wist zelfs niet dat er naast een ondiepe ook een diepe kant was. Daarenboven was ik bijziende en had ik voor het zwemmen mijn bril afgezet. Zodoende ging ik te water aan de diepe kant, waar de anderen zich zo goed als allemaal bevonden. Ik gleed in de diepte, kreeg maar geen grond onder de voeten. Een ontzettende paniek maakte zich van mij meester en ik probeerde om hulp te roepen. Het zoutwater versmoorde mijn kreten en verschroeide mijn longen. Ik weet hoe het is, te verdrinken in zoutwater. Afschuwelijk.

    Toen ik halvelings bij bewustzijn kwam lag ik aan de rand van het zwembad en mensen waren bezig het water uit mijn lijf te persen. Yves Campana had mijn leven gered door mij nog tijdig uit de diepte op te vissen. Achteraf heb ik vernomen dat ik tweemaal spartelend boven water was gekomen en dat diezelfde Campana mij telkens weer in de diepte had geduwd. Hij had gedacht dat ik maar deed alsóf ik niet kon zwemmen, dat ik maar een grap uithaalde. Ik, die nog nooit een grap had uitgehaald!

    Na dit voorval kreeg ik twee jaar dispensatie van zwemmen. Het derde jaar heb ik dan toch een beetje schoolslag geleerd. En toen ik Oostende verliet was ik een "gebrevetteerd" zwemmer: vijfentwintig meter schoolslag! In 't later leven heb ik die prestatie evenwel nooit meer herhaald. De breedte van de zwemkom is voor mij meer dan genoeg. En aan de ondiepe kant! De schrik voor het water zal mij altijd bijblijven.

    Het derde en laatste jaar in Oostende had veel draaglijker kunnen zijn, ware er niet de kwestie geweest van de kamertjes. De laatstejaars mochten immers over een eigen kamer beschikken, waar ze alleen en rustig konden studeren. De kamers, die zich op de eerste en tweede verdieping bevonden, waren ten getale van zeventien en dat waren er dat jaar twee meer dan het aantal laatstejaars. Het jaar dáárvoor was er één kamer op overschot geweest en die hadden ze gegeven aan de oudste van de voorlaatstejaars. Die ene kamer was dan ook de minst aantrekkelijke, de zogenaamde "doorgangskamer". De doorgangskamer bevond zich op de tweede verdieping en was eigenlijk gemaakt van een kleine gang die de linker kant van het gebouw verbond met de rechter. Via die kamer kon men dus van de kamers van de tweede verdieping links naar de kamers van de tweede verdieping rechts, en omgekeerd, of anders diende men via de eerste verdieping te gaan, met de trap.

    Omdat er dat jaar dus twee kandidaten waren voor de doorgangskamer - de twee voorlaatstejaars - en men moeilijk kon kiezen en niet gaarne een van beiden wilde ontgoochelen, werd de doorgangskamer … aan mij gegeven.

    De kamer, waar ik zo mijn hoop op gesteld had om eindelijk rustig te kunnen studeren, was erger dan de studiezaal. Om de haverklap kwam er iemand door mijn kamer en dat ging meestal gepaard met een "vriendschappelijke klop" op mijn schouder of tegen mijn achterhoofd. Velen voelden zich daarenboven geroepen om een praatje te slaan. Mijn deur vergrendelen had geen zin: ze bleven er op beuken tot ik uiteindelijk toch opendeed.

    Studeren deed ik vooral tijdens de luttele uren die ik thuis in Elsegem kon vertoeven, van zaterdagmiddag drie uur tot zondagavond vijf uur en tijdens de Kerst- en Paasvakantie. Al werd het studeren tijdens de Paasvakantie dat jaar op een vreselijke manier verstoord…

    De laatstejaars hadden zich in het hoofd gehaald dat  na het laatste examen de bloemetjes maar eens flink moesten buitengezet worden. Er zou tot in de late uurtjes gefuifd worden in de café's van Oostende, met geld dat in de loop van het jaar moest "verdiend" worden. Iedere laatstejaars intern diende daartoe repen chocolade te verkopen aan de andere internen en aan de externen. De repen waren van het merk "Jacques": fondant, double rhum, fuilleté praliné, enzomeer. Ze werden gekocht in dozen van honderd, tegen twee frank per stuk. Verkoopprijs: vijf frank.

    Net als de anderen verkocht ik dus repen chocolade, overigens zeer tegen mijn zin, want ik wist maar al te goed dat ik aan de eindejaarsfuif niet zou deelnemen.

    Drie dagen vóór het begin van de Paasvakantie werd ik bij "de stekker" geroepen. De stekker, dat was mijnheer Suys, de studieprefect. Zij bijnaam ontleende hij aan de vorige studieprefect die in de herfst altijd met een stok met metalen punt rondliep en daarmee de afgevallen bladeren "opstekte". Voortaan was "stekker" dus synoniem van studieprefect: men sprak dus ook van de stekker van Brugge of van de stekker van Veurne…

    Iemand had mij aangeklaagd als verkoper van chocolade tegen woekerprijzen. De stekker begon met de mededeling dat ik een vergrijp had gepleegd waarvoor mij normaliter de verdere toegang tot de school diende ontzegd te worden. Omdat ik echter zo'n buitengewoon goede leerling was, en mijn uitsluiting teveel stof zou doen opwaaien, volstond een alternatieve straf. Op mijn rapport van het tweede trimester zou ik nul op dertig krijgen voor het vak "opvoeding en wellevendheid" en ik diende een strafwerk te maken: de "oratio pro Milone" van Cicero in de conjunctief schrijven! Voor die taak kreeg ik precies drie weken tijd. De "oratio pro Milone" is een heus boek: ik zag mijn studieplannen voor de Paasvakantie in duigen vallen…

    De stekker voorspelde mij een onzalige toekomst, zeker als ik mijn intelligentie verder zou gebruiken op de manier zoals ik nu bezig was. Geld aftroggelen van medeleerlingen, die dat geld zelf misschien gingen stelen van hun ouders die het vaak ook niet al te breed hadden! Het leek er wel op of ikzelf de oorzaak was van alle honger en ellende in de wereld. Ik had mijzelf kunnen verdedigen door te zeggen dat ik ertoe verplicht werd dit handeltje te drijven en dat al de anderen het ook deden. Maar nog liever duizend oratio's pro Milone in de conjunctief schrijven dan als klikspaan de wraak van de bende laatstejaars te moeten ondergaan!

    En tóch studeerde ik in de Paasvakantie, van de morgen tot de avond. 's Nachts schreef ik de oratio pro Milone in de conjunctief…

    Toen ik na de vakantie de kostschool betrad, bleek daar heel wat opwinding te zijn. De stekker was er achter gekomen dat alle laatstejaars internen schuldig waren aan de chocolade-verkoop. Ik zwoer dat ik niet geklikt had en, wonder boven wonder, men scheen mij te geloven. Ik had daarbij het geluk dat er sedert enkele weken een soort "hetze" ontstaan was tegen een van de studiemeesters, die de bijnaam Kuifje droeg. Híj kreeg de schuld. Nog diezelfde dag stonden de muren van de kostschool volgeschreven in grote krijtletters: "Kuifje verrader" en "Kuifje Judas". Het was een pak van mijn hart.

    De stekker keek heel somber toen ik mijn oratio pro Milone ging afgeven. Ik zei, vermits het toch al bekend was, dat de anderen het dus ook hadden gedaan. Hij werd er alleen maar kwader door. Of ik daarmee misschien mijn eigen wandaad wilde goedpraten? Of wilde ik misschien dat mijn vrienden ook zouden boeten, dat zij dezelfde straf zouden ondergaan als ik? Hij kon toch moeilijk aan vijftien man een dergelijke straf opleggen, vooral nu de eindexamens voor de deur stonden. Of ik misschien mijn punten voor "opvoeding en wellevendheid" kon terugkrijgen? Geen denken aan! Of durfde ik soms beweren dat ik mijn straf niet verdiend had? Naast een geniepige aftroggelaar en woekeraar was ik ook nog een brutaal en arrogant mannetje!

    In weerwil van de doorgangskamer, het verlies van de punten voor opvoeding en wellevendheid en het strafwerk in de Paasvakantie, was ik op 't einde van mijn laatste jaar middelbaar de eerste van de klas met achten- tachtig procent, zijnde vijftien procent meer dan de tweede. Bij de prijsuitdeling in het Kursaal van Oostende mocht ik net als de twee vorige jaren het podium betreden onder het spelen van de Brabançonne, om er de gelukwensen te ontvangen van een aantal hoge heren, met voorop de burgemeester van de stad, tevens minister, Van Glabeke. Onder hen ook: de stekker. Er werd mij een medaille overhandigd waarop een gespierde man was afgebeeld die met inzet van al zijn krachten een rotsblok probeerde op te tillen. Het onderschrift luidde: "wilskracht".

    Vader en moeder en tante Irma hebben de ceremonie meegemaakt, drie jaar na elkaar, en ze glunderden van fierheid, ieder jaar een beetje meer. Maar zíj noch iemand anders zouden ooit kunnen beseffen hebben hoezeer ik die medaille verdiende. Dat ik in Oostende drie jaar lang het hoofd boven water heb kunnen houden getuigde inderdaad van een bovenmenselijke wilskracht.

    Achteraf bekeken ben ik ervan overtuigd dat al die ellende had kunnen vermeden worden. Als ik het mocht herdoen zou ik bij de kennismaking met het studiemeesterscorps een ketel soep nemen en die uitgieten over het hoofd van één van hen. Gevreesd door de studiemeesters en gerespecteerd door mijn medeleerlingen zou ik ongetwijfeld drie aangename jaren tegemoet gegaan zijn. Dat ik dát van die soepketel heb nagelaten beschouw ik als een van de twee grootste fouten die ik in mijn leven heb begaan. De tweede zou weldra volgen: ik ging geneeskunde studeren…









    (*) Het boek "O jerum jerum jerum..." kan ontleend worden in de openbare bibliotheken van o.a. Kortrijk, Waregem, Gent, Oostende, Anzegem, Wortegem-Petegem... Het kan ook besteld worden bij de uitgeverij Free Musketeers of via de boekhandel.

    » Reageer (0)
    06-12-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tantezegger.

    Beste Kriszegger,

     

    Uw brief van vorige week heeft mij verrast, en niet in de alleraangenaamste zin. Neem nu die aanspreektitel: “Beste Janzegger”. Ik vind het “bij de haren getrokken” en om het met een Multatuliaanse term te zeggen: buitenissig. Maar ik wil best nog enigszins tolerant zijn en voor één keer met je meegaan. Voor één keer, hoor je. Het moet niet al te gortig worden. Ik weet overigens maar al te goed wat je bezielt. Eén kans op honderd dat ik mij daarin vergis. Maar laten we de gebeurtenissen eerst eens op een rijtje zetten.

    Op een kwade herfstdag, ’t was kort na Allerheiligen, schreef je mij, met wat ik best “onverholen fierheid” zou willen noemen, dat je een nieuw woord had ontdekt. In een of ander tijdschrift, als ik mij nu niet vergis. Het woord was “tantezegger”. Wetende hoe vlot jij met taal omgaat, twijfel ik er geen ogenblik aan dat je onmiddellijk moet gesnopen hebben dat “neef” werd bedoeld. Maar omdat je het woord nooit eerder had gehoord en dus moet gedacht hebben dat het een onbestaand woord was, heb je daar een taalkundige redenering over opgezet. “Tantezegger” zou een letterlijke vertaling zijn van een woord uit een of andere primitieve taal – zeg maar Kiswahili, om maar een voorbeeld te noemen – waar ze geen eenvoudig woord hebben voor “neef” en het dus moeten stellen met genoemde kinderachtige omschrijving.

    Ik weet bijna zeker dat je ontgoocheling enorm groot was toen ik je antwoordde dat er voor mij niets vreemds was aan het woord, evenmin als aan “oomzegger”. Ik heb immers vier jaar boven de Moerdijk gewoond en daar zijn die woorden vrij gewoon of om het iets genuanceerder te zeggen: daar baren ze geen opzien. En waarom zouden ze? “Oomzegger” en “tantezegger” zijn héél praktische woorden. Als ik het over mijn “oomzegger” heb weet je tenminste dat het gaat om het kind van mijn broer of zuster. Als ik het over mijn “neef” heb, weet je dat niet! Het woord “neef” zou, als het gaat om een “oom- of tantezegger”, moeten gebannen worden uit de Nederlandse taal. Weet je, mijn beste Bestekriszegger, dat onze Nederlandse taal zowat de enige ter wereld is voor wie een “oomzegger” (in ’t Frans: neveu) over dezelfde kam geschoren wordt als een… neef (in ’t Frans: cousin), zegge een Vlaamse kozijn?

    En dan kom jij op de proppen met “zoonzegger” voor “vader” en “grootvaderzegger” voor “kleinzoon” en dies meer, met als enige bedoeling om kei-practische woorden als “tantezegger” en “oomzegger” te ridiculiseren. Of zou ik mij daar weer in vergissen? Dan zeg ik toch dat het mij spijt en vraag ik je ootmoedig om vergiffenis.

    Maar hoe dan ook, je moet nu ook niet denken, Bestekriszegger, dat ik geen begrip kan opbrengen voor je reactie. Je steigert gewoon omdat je het woord niet kent en je wenst het niet te kennen omdat het je niet vertrouwd in de oren klinkt. Maar leg eens een beetje goede wil aan de dag en oefen een beetje – laten we zeggen gedurende een weekje of twee, drie – op “tantezegger” en “oomzegger”. Misschien mag ik daarna beweren dat ik van jou een “tantezegger”-zegger heb gemaakt, terwijl ik er in vier jaar niet in geslaagd ben de Hollanders te leren wat een “uurwerk” is of een “camion”. Boven de grote rivieren kennen ze zeker en vast nog steeds enkel het “horloge” en de “vrachtwagen”. En van mijn “zeker en vast” zullen ze vast en zeker raar opkijken, en ze zullen denken dat ik grappig wil zijn. Trouwens, wij zouden wis en zeker eveneens raar opkijken als iemand voor de dag zou komen met “zeker en wis”. Maar oefen een beetje op “zeker en wis” en je zal het op den duur, zeker en wis, niet eens meer zo gek vinden.

    Maar het dient gezegd, Bestekriszegger, we zijn al niet meer van de jongsten – ik zéker niet – en dan leert een mens niet meer zo gemakkelijk als in zijn prille kinderjaren. Ik weet nog goed hoe mijn eigen kinderen hun vriendjes leerden dat ze in Vlaanderen kakken en pissen en hoe de hele kleuterschool ermee besmet werd. Het heeft vele moeders rode kaken bezorgd, maar ze hebben die super-smerige woorden er toch uit gekregen. En heden ten dage poepen en plassen ze er weer lustig op los, in dat kleuterschooltje in Capelle aan den IJssel…

    Ik groet je, mijn beste Bestekriszegger, maar ’t is dan wel de laatste keer dat ik het doe op deze manier…

     

    Bestejanzegger.


    » Reageer (1)
    24-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gravensteenfeesten met Valeer en Freddy, maar... zonder Mico.

    Woensdag 19 november 2008: Gravensteenfeesten.
    Naar mijn gevoel lag er een domper – geen uitstaans met de gelijknamige studentenclub – op de 59ste herdenking van de Gravensteenbezetting: de afwezigheid van Mico, de student der studenten, die nog nooit zijn kat had gestuurd…

    In alle toonaarden heb ik geprobeerd de onrust onder de studenten te bedaren: Mico was ziek, Mico had gastro-enteritis, peritonitis, oesofagitis, salpingitis, meningo-encefalitis, sinusitis, pyelonefritis, cholecystitis, mastoiditis, synovitis, osteochondritis, balanitis en nog een paar dozijn andere itissen…, het kon de ongerustheid maar weinig bedaren. Ik mocht nog zo hard betogen dat Mico er ’t komend jaar weer bij zou zijn, dat hij zelfs beloofd had van ’t komend jaar drie dagen te blijven, er bleef een zweem van onzekerheid hangen. Niemand durfde het uitspreken, maar ik ben er zeker van dat velen zich angstig afvroegen: Mico zal het studentenleven toch zeker niet de rug toegekeerd hebben? Of anders moet het met zijn gezondheid wel héél erg gesteld zijn…

    Gelukkig was Freddy Strumane er. Hij was senior seniorum in 1964-65, het jaar ná mij… Al die jonge studenten, ’t zouden onze kleinkinderen kunnen zijn. Maar we hebben bijlange nog niet al onze pluimen verloren: een salamander commanderen kunnen we nog als de besten! Freddy was dus, vierenveertig jaar geleden, mijn opvolger als preses van het Seniorenkonvent. In ’t begin van dat academisch jaar leende Freddy mijn lint – ’t was maar voor één dag –,  maar Freddy trok er mee naar Khartoum in Soedan. Daar heeft hij het lint – naar ik uit doorgaans redelijk goed ingelichte bron heb vernomen – voor een grote som geld verpatst aan een steenrijke oliesjeik. Nu ligt die sjeik – steeds volgens die doorgaans redelijk goed ingelichte bron – begraven in een reusachtig mausoleum, met mijn lint over de rechter schouder… Telkens als dit verhaal ter tafel komt, lacht Freddy fijntjes: hij vertikt het om dit verhaal te bevestigen, maar ontkennen doet hij het evenmin…

    Het aantal pro-seniores seniorum, die er op die 59e Gravensteenfeesten van vorige week verder nog aanwezig waren, is niet groter dan vijf! In chronologische volgorde: Peter Spiliers (1993-94, een hiaat van 29 jaar!), Jean de Chaffoy (2001-02), Micha De Ridder (2004-05), Jan-Bart De Muelenaere (2005-06), Jern Vermeiren (2007-08). En dan was er, vanzelfsprekend, de huidige senior seniorum Cedric Dierens. Met hem heeft het Seniorenkonvent het wel getroffen, denk ik.

    Een tegenvaller was toch wel dat Jaak Algoed, senior seniorum 1953-54, het liet afweten, voor ’t eerst sinds jaren…

    Maar wie er nog steeds bij is: Valeer Van Overwalle, één van de twee nog overgeblevenen van de zes pioniers-initiatiefnemers van de grootste studentengrap aller tijden, de bezetting van het Gravensteen in 1949. Valeer is de bescheidenheid zelve. Hij bedankt dan ook voor de eer als hem voorgesteld wordt deel te namen aan de stoet, als eregast in de praalwagen, naast de senior seniorum himself. Dit jaar doet hij evenmin het herhaal van de Gravensteenslag: zijn stem draagt niet ver genoeg meer. Maar als wij samen het Gravensteen en de feestvierende studentenmassa verlaten, doet Valeer toch zijn verhaal, voor mij alleen. Eerbiedig en met ongeveinsde bewondering luister ik naar zijn objectief relaas, al heb ik het al wel honderd keer gehoord. Ach, telkenjare moet Valeer dit nog eens kunnen vertellen…

    Ik laat u, beste lezer, meegenieten, middels een uittreksel uit een uitgebreid artikel over de bezetting van het Gravensteen, dat ik lees in het programmaboeje van de 59e Gravensteenfeesten. Het artikel is ook reeds verschenen in Ons Verbond, jaargang 69, nr. 1, oktober 2005 (auteur: Akim Willems).

     

    Plots fietsten twee pandoeren over het Veerleplein. Ze wuifden zelfs vriendelijk terug naar al die jolige studenten op de kantelen van het Gravensteen. De vriendelijkheid veranderde snel toen een van hen door een projectiel geraakt werd. Ze smeten hun fiets aan de kant en begonnen op de poort van het Gravensteen te bonken. Al snel bleek dat de studenten niet echt veel zin hadden om de poort te openen; de pandoeren trommelden versterking op. In een mum van tijd stond het Veerleplein vol agenten en nieuwsgierige Stroppendragers die zagen hoe de machteloze arm der wet door de studenten vanaf de kantelen bestookt werd met rot fruit en spottende slogans.

    Dezelfde mensenmassa zag ook hoe even later de brandweer ter plekke kwam en met ladders en waterslangen trachtte de burcht te veroveren op de studenten. Zonder succes weliswaar. De brandweerman die probeerde het gravensteen binnen te dringen werd door de studenten met behulp van een stok van de kantelen weggeduwd. In doodsangst wiebelend op zijn ladder, zo vertelde Hubené, schreeuwde de man om genade omdat hij “vader van vijf zonen” was.

    In zijn onmacht vuurde de politiecommandant enkele pistoolschoten af, maar de knallen gingen verloren in het gejoel en gezang van de studenten en het ontploffen van de voetzoekers die Hubené gemaakt had. Ondertussen was zelfs de rijkswacht van Dendermonde opgetrommeld om versterking te bieden.

    … Pas rond vijf uur in de vooravond vonden politie, rijkswacht en brandweer hun paard van Troje: voor de eerste maal werd de gloednieuwe Metzladder van de brandweer gebruikt in Gent. Die werd helemaal uitgeschoven tot aan de top van de toren van het Gravensteen die niet door studenten bezet was omdat de deuren op slot zaten. Felix de Hemptinne zag dit gebeuren en zorgde ervoor dat hij, met behulp van een touw, uit het Gravensteen ontsnapte alvorens de burcht onder een regen van matrakslagen door de politie op de studenten werd heroverd.

    …Valeer Van Overwalle veinsde een epilepsieaanval en liet zich afvoeren om vervolgens met de ziekenwagen naar huis gebracht te worden. Een uur later stond hij terug op het Veerleplein om, samen met de steeds groter wordende mensenmassa, te zien hoe zijn strijdmakkers meegevoerd werden voor verhoor. Pas laat op de avond werden de studenten, per twee en om het kwartier, weer vrijgelaten. De grap haalde de nationale en de internationale kranten en aangezien de publieke opinie de studenten zo goed gezind was, werd uiteindelijk van vervolging afgezien.

     

    En wat lees ik verder in datzelfde programmaboeje? Er is waarachtig een nieuwe Albrecht Rodenbach opgestaan, die, de Gentse student, het Gravensteen en Valeer Van Overwalle ter ere, een ballade geschreven heeft, waarvan hier eveneens een uittreksel:

     

    Huivrend schudt Van Overwalle zijn linker been en valt er door.

    Een bloedstraal speerst. Hij zwijmelt op den grond

    en een dokter, inmiddels toegesneld, verklaart: “Hij is niet meer gezond,

    want een vallende ziekte deed hem sneven tegen den grond”.

    Afgrijselijk schoon! Het bloed plakt tegen zijnen mond,

    “Bier!” smacht hij, “o, flikken, laaft mij met dat bier!”

    “O, pompieren, spuit mijn bloed af met dien zoeten drank!”

    “O, dokter, verbind mijn wonden met die zoete medicijn van drie frank

    het glas!” – “Bier” zucht hij en wanhopig zich rechtend

    kwetst hij een pandoer, en in ’t bliksemen der matrakken vechtend,

    bezwijmt en zieltoogt hij, zucht nog eens “o, bier”, spuigt bloed en sterft.



    Afbeeldingen:
    1. Programmabrochure;
    2. Uit de programmabrochure: foto van de bestorming van het Gravensteen door brandweer, rijkswacht en politie (1949);
    3. Fragment van een reuzegrote tekening van de bezetting van het Gravensteen (Leo Debuth, 1949);
    4. Idem;
    5. Foto 19.11.2008: links Valeer en Freddy, rechts Peter Spiliers en Kris;
    6. Idem: Kris, Christiane (mevr. Van Overwalle) en Valeer.













    » Reageer (0)
    18-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Cassandra d'Ermilio.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Dit wordt weer eens een stukje naar aanleiding van een krantenartikel, namelijk uit de weekend-editie van Het Nieuwsblad. Ach, als een mens de krant toch niet had!...

    Het artikel gaat over een Waals meisje uit Quaregnon: donkerharig, bloedmooi en kandidate Miss België. Ze heet Cassandra d’Ermilio. De achternaam wijst bijna met zekerheid op een Italiaanse afkomst. De voornaam verwijst naar een figuur uit de Griekse mythologie: prinses Cassandra van Troje. Over deze laatste wil ik het hebben in een inleidende beschouwing. Die inleiding is vanzelfsprekend totaal overbodig voor de trouwe lezers van mijn weblog over de Griekse mythologie (www.bloggen.be/dzeus) waar Cassandra meer dan eens aan bod komt…

    Men hoort te weten dat Cassandra een van de aantrekkelijkste vrouwelijke wezens was uit de klassieke oudheid. Zij was de dochter van de Trojaanse koning Priamos. Twee van haar broers waren: Hektor, Trojes dapperste krijger, en Paris, die Helena van Sparta schaakte en daardoor de oorlog van Troje veroorzaakte. Cassandra was zo onbeschrijflijk mooi dat de god Apollo niet aan haar charmes kon weerstaan en verlangde met haar “het bed te delen”. Zij beloofde aan zijn wensen te zullen voldoen als hij haar eerst de gave van de helderziendheid verleende. Daar ging Apollo gewillig op in, maar Cassandra verbrak haar belofte en ze liet de god niet toe in haar bed. Hierdoor ten zeerste ontstemd, had Apollo niets liever gewild dan die gave ongedaan te maken, maar dáár zijn goden nu eenmaal niet toe in staat. Wel bezwoer hij dat niemand ooit enig geloof aan haar voorspellingen zou hechten. Cassandra heeft de Trojaanse oorlog voorspeld en ze heeft de Trojanen gewaarschuwd dat het binnenhalen van het houten paard hen fataal zou worden. Toen koning Agamemnon haar als oorlogsbuit meenam naar Mykene, voorspelde zij dat ze allebei zouden gedood worden door Agamemnons echtgenote. En omdat inderdaad niemand haar wilde geloven, zijn al die rampen uitgekomen.

    Maar dat is, beste lezer, meer dan drieduizend jaar geleden gebeurd. Genoeg dus over Cassandra, de mooie profeterende prinses van Troje, die door niemand geloofd werd. Laten we dus maar gauw terugkeren, met onze beide voetjes op de grond, naar de heerlijke realiteit, ’t is te zeggen naar de al even mooie Cassandra d’Ermilio. En wat staat er in de krant? Dat Cassandra d’Ermilio dom zou zijn! So what? Miss België is tot dusver nog altijd een schoonheidswedstrijd, dunkt me. De miss moet in de eerste plaats mooi zijn! Is ze ook nog intelligent dan is dat mooi meegenomen. Zoals het mooi meegenomen was dat de winnares van “de slimste mens ter wereld”, Annelies Rutten, ook nog “leuk om te zien” was, leuker dan verscheidene nationale misses van de laatste jaren.

    Toch wil ik hier ter discussie stellen, de vraag of mooie Cassandra uit Quaregnon nu werkelijk dom is. Wát is het gegeven? Cassandra schat het aantal bollen van het atomium op tien, het aantal Belgische koningen op vijftien. Zij ziet de nationale feestdag op 21 september en op de vraag in welk jaar “expo ‘58” plaats vond, antwoordt zij met haar lief stemmetje: je ne sais pas. Allemaal diepzinnige en profetische uitspraken. Met die tien bollen bewijst zij toch even dieper na te denken dan de andere kandidates die het aantal op negen taxeren, want elk van die bollen staat voor één van de Belgische provincies, die ten tijde van de bouw van het atomium ten getale van negen waren, maar nu ten getale van… tien zijn. En omdat zij, als Walinnetje, ongetwijfeld unitarist is – een prachtige eigenschap toch voor een nationale miss! – voorziet zij nog een lang leven voor het Belgenland, nog negen koningen lang. Maar ’t zouden er natuurlijk ook drie keer drie (één voor Brussel, één voor Vlaanderen en één voor Wallonië) kunnen zijn, voor het geval mijn voorstel van september 2007 het toch nog haalt (zie mijn cursiefje “gesplitst” d.d. 19.9.2007). Tel bij die negen de zes koningen waarmee we al gezegend zijn geweest en wat bekomt u dan? Precies: vijftien! ’t Moet zijn dat mijn voorstel voor een gezamenlijke nationale feestdag voor de drie koninkrijkjes, op 6 januari, het niet zal gehaald hebben. Onze mooie helderziende heeft het immers over 21 september… een schitterend compromis tussen 21 juli en 27 september (Waalse feestdag). Getuigt dat alles niet van een haast bovennatuurlijk verstand?

    Blijft natuurlijk de vraag naar het jaar van “expo ‘58”. Hoe zou u, gewaardeerde en verstandige lezer, reageren als men u zou vragen wanneer de oorlog ’14-18 heeft plaatsgegrepen? Ik durf wedden dat u zou denken dat de vraagsteller u voor de gek houdt en dat u, weemoedig het hoofd schuddend, zou zeggen: ik weet het niet…

    ’t Zal toch zeker niet waar zijn dat dit onwezenlijk mooi Waals creatuurtje, Cassandra d’Ermilio, zo deerlijk zal miskend worden als haar Trojaanse naamgenote, voor wie zij zowel in schoonheid als in wijsheid nauwelijks moet onderdoen. U weet dus, lieve lezer, wat u te doen staat, als het ogenblik daar zal zijn dat uw mening gevraagd wordt: sms Cassandra!


    » Reageer (1)
    14-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Academische zitting!
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    (Na mijn toespraak op 29 oktober l.l. vroeg de senior seniorum, Cedric Dierens, mij of ik hem de inhoud van mijn voordracht kon bezorgen. Ik heb hem beloofd mijn best te doen om alles wat ik daar verteld heb, op papier te zetten… en op mijn blog, ten behoeve van mijn trouwe lezers. En omdat belofte schuld maakt, ziehier:)

     

    Mijnheer de rector, senior seniorum, mevrouw de senator, andere hoogwaardigheidsbekleders, commilitones, commilitoneskes en, waarom niet, schachten en schatinnekes,

     

    Toen de senior seniorum mij, enkele dagen geleden, vroeg of ik bereid was een toespraak te houden, ter gelegenheid van de viering van het 75-jarig bestaan van het Gents Seniorenkonvent, popelde mijn hart van vreugde. In de aula nog wel! Dat geluk was mij nog nooit te beurt gevallen. Het onderwerp van mijn uiteenzetting werd helemaal aan mijzelf overgelaten: iets waarover ik het liefst sprak, een onderwerp dat mij goed lag… Is er één onderwerp waarover eens mens liéver spreekt, dan over zichzelf? Ik zal het dus over mezelf hebben…

    Eénenvijftig jaar geleden – éénenvijftig jaar en drieëntwintig dagen, om precies te zijn –  stond ik hier, vóór de aula, aan de overkant van de straat, als bange schacht, met bevende knieën, een schouwspel gade te slaan, dat grote indruk op mij maakte. Een stuk of twintig professoren, in zwarte toga en met zo’n vierkante “pet” op – van waar ze plots opgedoken waren, was mij niet duidelijk – schreden de trappen op die naar de indrukwekkende poort van de aula leidde. Zelf mocht ik de aula niet binnen, net zo min als de meeste anderen die zich buiten het gebouw hadden verzameld. Wat er zich daarbinnen verder heeft afgespeeld heb ik ’s anderendaags vernomen via de krant: toespraken, en zo… Maar zoals ik al zei: het schouwspel had indruk op mij gemaakt en een gevoel van dankbaarheid overviel mij, jegens mijn ouders, die mij in staat stelden om te gaan studeren aan de universiteit. Ik nam mij voor hun vertrouwen niet te beschamen…

    Tussen de professoren had ik er één gezien die nog iets beter getooid was dan de anderen. Hij droeg een soort bontkraag, een witte met zwarte stippen – ’t kan ook een zwarte met witte stippen geweest zijn: dát was de rector. Het hoogst haalbare aan de universiteit, zo leek het mij toe. Ik dorst er niet aan denken dat ikzelf ooit rector zou worden. Voor alle duidelijkheid: ik bén het ook nooit geworden…

    Ik was een maand of twee student in Gent, toen een medestudent mij meenam naar een clubavond van het Seniorenkonvent. Er was zeer veel volk. Vooraan zaten de tenoren, de bestuursleden. Mijn vriend vertelde mij wie de cantor cantorum was, de zedenmeester, de schachtentemmer, de secretaris, de penningmeester. Ze hadden een groot lint met de kleuren van ’t SK, geel en blauw. En dan die man in ’t midden: die had een nog breder lint, hij droeg een mantel om de schouders en met een stok dirigeerde hij het hele gebeuren. Dat was de senior seniorum. De naam van de toenmalige rector ben ik vergeten, maar de naam van die senior seniorum is mij bijgebleven: Theo Biesemans. Senior seniorum, dát was het hoogst haalbare aan de universiteit. Dát was wat ik wilde worden. Maar een beetje realist was ik, simpele, schuchtere, dwaze,  bange schacht toch wel: dat zou ik wel nóóit bereiken…

    Maar het wonder voltrok zich. Vijf jaar later was ikzelf senior seniorum. Mijn geluk kon niet op. Modelclubavonden leiden, een menigte studenten toespreken van op de kantelen van het Gravensteen, in pitteleer het Gravensteenbal openen met de marraine van Leuven – Gent had toen nog geen marraine: het vervulde mij met trots en het maakte mij de koning te rijk. Op alle clubavonden werd ik uitgenodigd en telkens als ik de zaal betrad, hief men te mijner ere het “ io vivat” aan.  Maar… aan alle liedjes komt een einde. Ik maakte mijn laatste clubavond mee in de schoot van mijn eigen regionale club, Moeder Laetitia, op een avond in mei. ’t Was in Afsnee, in de Nenufar. Op ’t einde van de avond werd zoals gewoonlijk de Oude Roldersklacht gezongen. Hoe vaak had ik die Oude Roldersklacht weliswaar ingetogen doch onbekommerd meegezongen! Maar nu was het anders. De mooiste levensperiode werd afgesloten. We waren ons niet bewust geweest dat er ooit een einde zou aan komen. Nu was het einde daar. Vele vrienden zouden we nooit meer terugzien. Dikke tranen bolden over mijn wangen toen die Oude Roldersklacht werd gezongen: O jerum jerum jerum, o quae mutatio rerum. Hoe intens, hoe ontroerend klonk de tweede strofe: Waar zijn zij die voor ’t Gentsche bier hun laatste cent verdronken? Als wereldbazen op de zwier, met volle potten klonken. Zij gingen, ’t hoofd gebogen voort, van hier naar ’t stil geboorteoord.

    Ik was afgestudeerd en dus trok ik mij terug in ’t stil geboorteoord. Legerdienst, enkele jaren buitenland en… naar Gent kwam ik niet meer. Geen stad was mij dierbaarder en ik koesterde de jaren die ik in Gent had doorgebracht in mijn binnenste als een kostbaar kleinood. Maar iets onverklaarbaars weerhield er mij van naar Gent terug te keren. Ik was als het ware bang dat die mooie herinneringen erdoor zouden bezoedeld worden. En toen ik het dan toch eens waagde en in de Sint-Pietersnieuwstraat studenten mijn pad kruisten, was er niemand die mij groette. Logisch natuurlijk: niemand kende mij nog. Ik had er één bij de strot willen grijpen en hem toeschreeuwen: “Kent ge mij dan niet? Ik ben de senior-seniorum!” Ik nam mij voor alleen nog naar Gent te komen als er geen studenten waren: in de week-ends en tijdens de vakanties. Op de Gravensteenfeesten durfde ik mij alleszins niet meer te vertonen. Ik was gewoon bang: ik zou schromelijk uit de toon vallen, het verleden bederven.

    Er kwam een kentering, de dag dat mijn oude vriend Mico Claeys mij een jaar of vijftien geleden voorstelde om samen naar de Gravensteenfeesten te gaan. Híj had tenminste het contact met het studentenleven nooit verloren. En weer was het alsof een wonder zich voltrok. Plots kenden ze mij weer, de “commilitones”, ik was allesbehalve “een vuile bourgeois”, ik was weer één van hen. Jaar na jaar mocht ik als eerste de grote salamander commanderen in het Gravensteen – in  dat die eer mij te beurt viel komt alleen doordat ik de oudste was. Ik begon dat op de duur wel een beetje gênant te vinden en ik belde er een stuk of tien op, die in de jaren vóór mij senior seniorum waren geweest. Maar, óf ze hadden het te druk, óf ze waren te oud of te ziek, óf ze waren reeds naar de eeuwige jachtvelden vertrokken – wat dus wel een héél serieus “alibi” was… Eén was er die onomwonden verklaarde dat hij gewoonweg niet durfde. En weet ge wie die sukkel was: Theo Biesemans, mijn held, mijn groot voorbeeld! Als ik goed geïnformeerd ben, is hij een paar jaar later gestorven… van verdriet, veronderstel ik.

    Tot vóór twee jaar, in ’t jaar 2006, was ik de oudste pro-senior seniorum op die Gravensteenfeesten. Vorig jaar was daar immers Frans Verberckmoes die negen jaar vóór mij preses was en die het gras van vóór mijn voeten kwam wegmaaien. Het was overigens in ’t jaar 2006 dat ik besloot mijn memoires te schrijven. Te vroeg, naar sommigen beweren. Ik vond van niet. Ten eerste ben ik van mening dat men zijn memoires dient te schrijven als men het eerste stadium van dementie nog niet voorbij is, dat is als de schade nog beperkt is tot het vergeten van namen van bekenden en het dichtritsen van de broek. Het tweede stadium maakt een schrijver te enenmale ongeschikt: ik bedoel wanneer hij de gezichten van bekenden niet meer herkent en vergeet zijn rits ópen te doen… En ten tweede: wat zal er in de jaren die mij eventueel nog resten, nog te beleven vallen? Wat is er nog te beleven geweest ná dat afscheid in de Nenuphar? Bitter weinig. Ik heb mijn memoires de titel gegeven “O jerum jerum jerum…”, de klacht van de student die met volle teugen van het studentenleven heeft genoten en die nu sterven gaat. Tachtig procent van het boek gaat over dat studentenleven. Al de rest is bijzaak.

    Ik wens aan al de commilitones, de commilitoneskes, de schachten en de schatinnekes een prachtig studententijd toe, zoals ikzelf er één heb gekend. Ik wens hen in hun later leven de nostalgie toe naar die heerlijke studententijd, een nostalgie die pijn doet aan het hart. Maar ik kan u verzekeren: ’t is een zoete pijn. En aan de afgestudeerden wens ik toe dat zij, net als ik, vroeg of laat de weg terugvinden.

    Het ga jullie goed.






    » Reageer (0)
    01-11-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Allerheiligengedicht.
    Afscheid van een geliefde.

    'k Heb je bemind,
    'k heb zoveel van je gehouden,
    'k heb je zo lief gehad.

    'k Wou dat het
    nu niet voorbij was.

    'k Wou dat alles nog beginnen moest.

    » Reageer (0)
    28-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Econoshock (brief aan J. Vanlichtervelde).

    Beste Jack,

     

    Vooreerst hartelijk dank voor de mooie dag die we bij jullie hebben mogen doorbrengen in de stille Kempen. ’t Was weer eens een verademing in deze bange tijden van crisis.

    Sinds jaar en dag ben jij een fervent lezer van Het Laatste Nieuws. Je hebt dus ongetwijfeld het artikel op pagina 5 van de krant van gisteren 27 oktober gelezen. De schrijver is weer Dietert Bernaers (pseudoniem van Dieter Bernaerts?), dezelfde die enkele dagen geleden het artikel over DCA heeft geschreven, het wondermiddel tegen kanker, waarover we het nog uitgebreid hebben gehad. Een knapperd, die Dietert. Het artikel gaat over een boek van ene Geert Noels, een slimme gast in geldzaken. Het boek is uitgegeven bij Houtekiet en het kost 29,95 euro. De titel van het boek: “Econoshock”. Er is ook een ondertitel: “Hoe zes economische schokken uw leven fundamenteel zullen veranderen”. De eerste schok is de zogenaamde “demografische schok”. Bernaers aan het woord: “De wereldbevolking is de vorige 40 jaar verdubbeld. We moeten ons de vraag stellen hoeveel mensen onze aarde eigenlijk aankan”. Is dat niet volkomen te rijmen met de leer van Malthus? Weet je nog dat ik je begin vorig jaar – op 4 januari 2007 om precies te zijn – een brief geschreven heb over het malthusianisme? Weet je nog dat ik toen schreef…

     

    Waarover gaat de leer van Malthus, ofte het “malthusianisme”? Dat de exponentiële groei van de wereldbevolking niet zal bijgehouden worden door de economische groei, waardoor onvermijdelijk afgestevend wordt op een catastrofe, de zogenaamde “malthusiaanse catastrofe”. Malthus zelf was er niet zeker van hoe de catastrofe van de uiteindelijke totale maatschappelijke ellende kon voorkomen worden en óf die  überhaupt te voorkomen is. Oorlogen en epidemieën zijn er om de bevolkingstoename in te dijken: als dusdanig zeer nuttig. Maar Malthus zag meer heil in geboortebeperking. Hij noemt abortus en contraceptie. Hij was een voorstander van het gebruik van condooms en hij bracht ze zelf aan de man. Hoe zeer zou hij de moderne waaier van contraceptiemogelijkheden niet toegejuicht hebben, mocht hij in deze tijd geleefd hebben!

     

    … en na enige uitweiding over de malthusianisten in mijn eigen familie:

     

    Heeft Malthus ondertussen gelijk gekregen? De totale catastrofe is er na tweehonderd jaar niet gekomen. Nóg niet. Niemand kan ontkennen dat de bevolkingsgroei niet onbeperkt kan doorgaan en dat grotere oorlogen en grotere epidemieën dan degene die we tot op heden gekend hebben, zullen nodig zijn om de wereldbevolking binnen de perken te houden. Onze katholieke kerk draagt, bij monde van de pausen, alvast haar steentje bij door het verbieden van condoomgebruik, waardoor de ziekte aids haar kans geboden krijgt. Anderzijds werkt dat condoomverbod, evenals het verbod van andere anticonceptiva, in tegenovergestelde zin. En dan is het nog maar de vraag naar welke kant de balans doorslaat. Misschien is dat wel een nul-operatie. Zoals  dat bij de kikkers gaat: van de duizenden kikkervisjes die één kikker produceert, krijgen er slechts een paar  de kans om op te groeien tot een volwassen kikker. De anderen gaan dood. Allemaal zieltjes voor de hemel. Over een mogelijke overbevolking in de hemel heeft Malthus, die nochtans dominee was, zich bij mijn weten niet uitgesproken…

     

    En de andere “schokken” van Noels? Ik denk dat ze alle tot Malthus te herleiden zijn: overbevolking! Voor drie van die schokken is het zelfs voor de “volslagen leek” duidelijk: de Chinese schok, de energieschok, de groene schok… Dat de malthusiaanse catastrofe aangebroken is, wees daar maar zeker van. Jij was er net zo goed als ikzelf van overtuigd dat die er ooit zou komen. Maar omdat ze al een paar honderd jaar op zich liet wachten, hadden we nooit gedacht dat ze er nu zo snel zou komen… Anders hadden we ons geld thuis bewaard, in een kluis, diep in de grond, of op spaarboekjes… We waren niet ingegaan op de goedbedoelde adviezen van onze fiscale adviseurs en we hadden ons geld niet belegd in goede-huisvader-aandelen en in allerlei fondsen. Ons appeltje tegen de dorst, dat als aanvulling van ons pensioentje moest dienen, is nu nog slechts een hálf appeltje. En wie weet wordt dat half appeltje niet nog eens gehalveerd? Een degelijk rusthuis zit er voor ons wellicht niet meer in. Maar de malthusiaanse catastrofe heeft alvast ook enkele positieve kantjes. We kunnen honderden creatieve besparingen doen. Die heerlijke kostbare gerechten die Bea ons bij ieder bezoek voorzet, kunnen best vervangen worden door frietjes met stoverijsaus en appelmoes, en de uitgelezen wijnen door een eenvoudig biertje. Het zal best lekker zijn, onze gezondheid zal er niet onder lijden en het zal herinneringen oproepen aan onze studentenjaren. Kop omhoog, Jack, en blijf positief denken. Vooral positief denken, Jack.

     

    Groeten voor jou en kusjes voor Bea,

     

    Kris.

     

    P.S. Heb ik je al verteld dat ik morgen een speech mag houden in de aula van de Gentse universiteit, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Seniorenkonvent? En dát in aanwezigheid van de rector en andere hooggeplaatsten. En of ik dáár fier op ben!


    » Reageer (0)
    23-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief aan W.D.: over azijn, kanker en mitochondriën.

    Beste Willy,

     

    Op deze kille maar zonnige herfstdag wil ik het met jou, die toch klinisch bioloog en biochemicus bent – zij het gepensioneerd –, hebben over azijnzuur en een paar derivaten ervan. Bij zo’n onderwerp voel jij je natuurlijk als een vis in ’t water. Komaan, hier gaan we dan…

    Jan met de pet weet dat wijn op den duur azijn wordt, of althans wijnazijn. En wie een beetje organische scheikunde heeft gestudeerd weet dat de gewone azijn die onze lieve echtgenotes in de keuken gebruiken, een oplossing is van azijnzuur in water: één deel azijn voor zo’n vijfentwintig delen water. Allicht wat minder bekend is dat azijnzuur gemaakt wordt door koolmonoxide (dat “populair” giftig gas) te laten reageren met methylalkohol. Jou hoef ik natuurlijk niet te wijzen op het verschil tussen dit laatste product en het heerlijk roesbrengend ethylalkohol – dat ene lettertje, een “emmetje”, maakt inderdaad een wereld van verschil. De beide genoemde giftige stoffen laat men dus met elkaar reageren, onder bepaalde voorwaarden van druk en temperatuur en met behulp van een “catalysator”. En alzo ontstaat azijnzuur. Kun je nog volgen? Jij wél natuurlijk! Om het nog even in ’t kort samen te vatten: methylalkohol + koolmonoxide à azijnzuur. Of nog korter: CH3OH + CO à CH3COOH. Zo worden er wereldwijd in de chemische industrie jaarlijks vele miljoenen liters – of zijn het er miljarden? – geproduceerd. Volledigheidshalve moet ik er aan toevoegen dat er nog andere manieren bestaan om azijnzuur te bereiden. Maar dat zou ons misschien te ver leiden. Misschien zitten we nú al te ver. ’t Zou mij daarenboven niets verwonderen als jij je aan ’t afvragen bent, waarom ik in godsnaam over azijnzuur aan ’t lullen ben. Geduld, mijn beste Willy, de verantwoording komt. Maar eerst wil ik nog wijzen op het enorm belang van azijnzuur in de chemische industrie, voornamelijk in de bereiding van allerhande kunststoffen. En verder – en dan kom ik helemáál in jouw vak terecht – speelt het een belangrijke rol in de biochemie, bijvoorbeeld als bestanddeel van acetylcholine, wat toch één van de belangrijkste neurotransmittors is in ons lichaam. En dan wil ik ook nog wijzen op drie producten die afgeleid zijn van azijnzuur, nl. het (mono)chloorazijnzuur (MCA of CH2ClCOOH), het dichloorazijnzuur (DCA of CHCl2COOH) en het trichloorazijnzuur (TCA of CCl3COOH). Het zijn moleculen waarbij respectievelijk één, twee en drie chlooratomen de waterstof van de methylgroep vervangen hebben. Dit taaltje heeft voor jou natuurlijk geen geheimen. Niettemin kan ik mij voorstellen dat je, nu je rustig van je pensioen aan ’t genieten bent, daar liever niet al te veel mee geplaagd wordt. Maar even geduld: stilaan komen we dichter bij de ontknoping…

    Eerst nog even vertellen dat zowel het monochloor- als het trichloorazijnzuur geen onbekenden zijn voor mij. Ik kende ze als producten die caustisch zijn voor huid en slijmvliezen. Het laatste heb ik in mijn praktijk vaak gebruikt bij de behandeling van neusbloedingen, voor het dichtschroeien van bloedvaatjes. Ook allerlei huid- en slijmvliesletsels, granulatieweefsel en kleine gezwelletjes zoals wratjes en poliepjes, kwamen in aanmerking voor een behandeling met trichloorazijnzuur. Het dichloorazijnzuur daarentegen was voor mij nochtans een gesloten boek, tot ik het vier dagen geleden leerde kennen, via een artikel in de week-end editie van Het Laatste Nieuws: DCA, WONDERMIDDEL TEGEN KANKER? (Twee volle pagina’s, auteur Dietert Bernaers). Er worden voorbeelden aangehaald van terminale kankerpatiënten die genezen zijn door het gebruik van DCA. De werking van het DCA zou, volgens dat artikel,  als volgt te verklaren zijn:

    DCA schakelt de energiefabriekjes in de cel, de mitochondriën, weer aan. In tumorcellen zijn de mitochondriën uitgeschakeld, waardoor ze kunnen blijven delen en woekeren want de mitochondriën sturen ook de celdoding. Als DCA de mitochondriën weer activeert, dwingt dat de abnormale cel tot ‘zelfmoord’. Tegelijk zou DCA op gewone cellen geen invloed hebben.”

    Een theorie natuurlijk, die door wetenschappelijk onderzoek zou moeten getoetst worden. Maar laat ik nu eerst een persoonlijke opvatting over het ontstaan van kanker uit de doeken doen. Het heeft veel met calorieën te maken… Je mag het ook voorleggen aan je zoon, professor Zeger Debyser, die op het gebied van kankeronderzoek toch één van ’s lands grootste autoriteiten is. Ziehier:

     

    De opgenomen calorieën worden door ons organisme gebruikt om energie te leveren. Het teveel aan calorieën wordt opgestapeld onder de vorm van vet. Wanneer de stapelplaatsen (voornamelijk de onderhuidse vetlaag) vol zitten, d.i. verzadigd zijn, en er steeds méér calorieën aangevoerd worden dan er verbruikt worden, dan heeft het organisme een probleem. Het moet namelijk iets aanvangen met die overtollige calorieën: het moet ze kwijtraken!

    De wijze waarop onze voedingsstoffen de nodige energie leveren om ons lichaam in stand te houden en aan onze levensbehoeften te voldoen is de verbranding of oxidatie. Te vergelijken met de wijze waarop de kachel energie (= warmte) levert door de verbranding van brandstoffen. In ons lichaam gebeurt de verbranding in onvoorstelbaar veel kacheltjes, nl. zeer kleine  korreltjes die in onze lichaamscellen aanwezig zijn. Die korreltjes noemt men mitochondriën. De brandstof komt via de darm en het bloed in de lever terecht en wordt daar omgezet in een  koolhydraat (een suiker) bestaande uit zes koolstofatomen (C6H12O6), zijnde de brandstof waarop de mitochondriën zijn afgesteld. Deze wijze van energielevering is bijzonder zuinig (zeer hoog rendement!) en de afbraakproducten die daarbij ontstaan (“de asse”) zijn koolzuurgas (kooldioxide of CO2) dat via de longen wordt uitgeademd en water (H2O), niet in het minst “vervuilend” dus voor het organisme. Dat energieleveringsproces in ons lichaam kan dus schematisch als volgt worden weergegeven: C6H12O6 (de brandstof) + O2 (de zuurstof) à CO2 + H2O + energie. Of om de rekening te doen kloppen: C6H12O6 + 6 O2 à 6 CO2 + 6 H2O + energie. Dat wil dus zeggen dat in het “zuinig en milieuvriendelijk mitochondriënkacheltje” een suikermolecule wordt verbrand (d.i. verbonden met zuurstof) en dat daarbij een (maximale) hoeveelheid energie vrijkomt, naast de niet-vervuilende afvalstoffen water en koolzuurgas.

    Het probleem ontstaat dus wanneer de brandstoftoevoer (zeg maar: calorieëntoevoer) veel groter is dan de energie-eisen die het lichaam stelt, en de “stapelplaatsen” vol zitten. Hierbij dient opgemerkt dat de ene persoon een veel geringere stapelingscapaciteit heeft dan de andere en bij wijze van spreken al “vol” zit, zonder dik te zijn… Te veel brandstof dus, die het organisme moet zien kwijt te raken, zonder daarom te veel energie te produceren. Om dat doel te bereiken wordt overgeschakeld op “vergisting”, d.i. de zogenaamde anaërobe (d.i. zonder zuurstof) afbraak. Hierbij wordt een suikermolecule afgebroken tot twee moleculen melkzuur (C3H6O3). Bij dit laatste proces komt maar een héél klein beetje energie vrij. Dus: C6H12O6à 2 C3H6O3 + weinig energie. Het afbraakproduct melkzuur is evenwel niet “milieuvriendelijk”: de cel wordt te zuur en dreigt te sterven…

    De cel ziet geen andere mogelijkheid om zich te verdedigen tegen die verzuring dan door zich te delen. Op die manier worden de zure producten over twee cellen verdeeld. Direct na de deling bevatten de dochtercellen maar half zoveel mitochondriën omdat deze laatste zich in eerste instantie gaan verdelen over de nieuwe cellen en zich pas later zelf gaan delen in die nieuwe cellen. Blijft nu de verzuring aanhouden door blijvend overaanbod aan brandstof (en eventueel ook door zuurstoftekort) dan delen die cellen zich opnieuw, vóórdat hun aantal mitochondriën weer op het normale peil gekomen zijn. De “kleindochtercellen” hebben aldus nóg minder mitochondriën en zo gaat het verder tot bepaalde cellen hun aëroob vermogen totaal verloren hebben en verworden zijn tot cellen die alleen nog over een anaëroob mechanisme beschikken en proberen te overleven door zich voortdurend te delen. Gevolg: ongecontroleerde groei. Kanker!

     

    Zijn de mitochondriën in de kankercel uitgeschakeld? Of zijn ze te gering in aantal? Werkt DCA echt? En hoe werkt het? Onderzoeken maar, zou je zo denken. Edoch, ziehier wat Wikipedia ons daarover leert:

    “Omdat DCA reeds een bestaande organische verbinding was op het moment dat de eventuele werkzaamheid tegen kanker ontdekt werd, is het juridisch niet mogelijk om deze stof te patenteren. Om die reden is het voor de farmaceutische industrie niet interessant om onderzoek te doen naar DCA: door het ontbreken van een patent is het immers onmogelijk om de zeer hoge onderzoekskosten ooit terug te verdienen. Een eventueel vervolgonderzoek kan dus helaas alleen plaatsvinden als er een geldschieter gevonden kan worden die bereid is te aanvaarden dat hij zijn geld nooit meer terug zal zien”.

    Ik heb het probleem voorgelegd aan mijn wijze vriend Jack Vanlichtervelde. “Zou de staat dat onderzoek niet kunnen financieren?” heb ik hem gevraagd. En weet je wat hij geantwoord heeft? “Ben je mal? De staat heeft daar geen enkel belang bij. Wel in tegendeel!”

    Daar moeten we het dus mee doen. Misschien kan Lance Armstrong helpen? Die steunt het kankeronderzoek. Belangeloos. Dat zegt men toch…

     

    Gegroet, mijn beste Willy, en bedankt om dit alles te lezen, en wees vooral niet bang om er jouw gedacht over te zeggen. Vergeet vooral niet je lieve vrouwtje Lieve een kusje te geven, in mijn naam.

     

    Kris.


    » Reageer (0)
    17-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gedichtje voor mijn Tony.

    In een kartonnen doos op zolder staat een bedje van balatum en in dat bedje ligt Tony, mijn dierbaarste vriendje uit mijn kleuterjaren. Een broertje of een zusje heb ik nooit gehad, zelfs geen huisdiertje - de haantjes Peetje en Sugar niet te na gesproken. Er was enkel... Tony. Vandaag ben ik hem weer eens gaan groeten en ik heb hem een kusje gegeven of zijn verhakkeld neusje. Aan hem heb ik het hiernavolgend gedichtje gewijd (uit mijn dichtbundel "Er is geen god voor hondjes" - requiem voor Bobby en drie dozijn kleine tedere liefdesgedichtjes - 2004):

    Voor mijn Tony.

    Zestig jaar na datum
    haal ik je weer
    uit je bedje
    van balatum.

    Je petje staat
    wat scheef
    en je neusje
    is geschaafd.

    Je was mijn troost,
    mijn toeverlaat.
    Tony mijn, kom hier,
    kom aan mijn hart,
    ik ben weer vier.

    Ik bid de Heer
    dat als ik weldra
    weg ben uit dit leven
    er nog iemand wezen mag
    die om jou zal geven.



    » Reageer (1)
    16-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Spelenderwijs, godverdomme.

    In mijn vorig verhaal heb ik laten doorschemeren dat ik een boek aan ’t lezen ben van Dimitri Verhulst, onze meest succesrijke Nederlandstalige schrijver. Tot voor een paar weken moest hij Piet Huysentruyt en Herman Brusselmans laten voorgaan, maar met zijn laatste boek “Godverdomse dagen op een godverdomse bol” is het dus… bingo! Driehonderdduizend exemplaren in één week tijd, dat moet je verdienen! Waarschijnlijk is Dimitri daarmee nu de grootste Nederlandstalige schrijver aller tijden. Vorig jaar was hij met “De helaasheid der dingen” al de béste, nu is hij dus ook de grootste. En zeggen dat men met duizend exemplaren in Vlaanderen reeds aan een bestseller toe is…

    Het boek waar ik, beste lezer, mij nu doorheen aan ’t worstelen ben is inderdaad “Godverdomse dagen op een godverdomse bol”. Uit doorgaans min of meer redelijk goed ingelichte bron heb ik vernomen dat de oorspronkelijke titel “Godverdomse dagen op een godverdomse bol, godverdomme” was, maar dat ze – de uitgever? –  om een of andere duistere reden die laatste “godverdomme” hebben weggelaten. Hetgeen spijtig is, want “godverdomme” is een woord dat erg goed aanslaat, ook in het buitenland – zo heb ik een Engelse vriend die maar één Nederlands woord kent, namelijk “godverdomme” –, want laten we niet vergeten dat een bestseller als “Godverdomse dagen op een godverdomse bol” binnen de kortste keren in alle talen zal vertaald worden. Spijtig dus van die laatste godverdomme, die ze er afgehaald hebben. Al kunnen ze die er natuurlijk altijd weer aan toevoegen. Kunt u zich voorstellen, waarde lezer, dat er bij onze Oosterburen ook maar iemand zou kunnen weerstaan aan een boek waarvan de titel luidt: “Gottverdammte Tage auf einen gottverdammten Ball, godverdomme”? Geschreven door de grootste Nederlandstalige schrijver van deze tijd.

    Het dient evenwel gezegd dat ik er mij nog niet helemaal doorheen gewerkt heb: hoogstaande literatuur laat zich niet altijd vlot lezen, ligt soms wat zwaar op de maag. Het deed mij denken aan de levertraan, waarvan ik, kort na de oorlog, dagelijks een grote soeplepel moest naar binnen werken. En ofschoon ik toen al besefte, hoe jong ik ook was, dat die levertraan onontbeerlijk was voor mijn lichamelijke gezondheid, toch liet ik telkens hevig protest horen: de smaak van levertraan is afschuwelijk! Een compromis drong zich op en was gauw gevonden. Dezelfde hoeveelheid levertraan werd toegediend in vier porties, vier keer een kleine koffielepel, telkens afgewisseld met een lepeltje honing. Een draaglijke toestand.

    De wetenschap dat het werk van Dimitri Verhulst, ondanks de bittere smaak, al even onontbeerlijk is voor mijn geestelijke gezondheid als levertraan indertijd voor mijn lichamelijke gezondheid, en de herinnering aan de levertraan-historie uit mijn prille kinderjaren, in combinatie met het feit dat mijn oog gisteren viel op het boek “Spelenderwijs” van Albert Debeurme, bracht mij op een lumineus idee, een van de meest lumineuze die de laatste tijd bij mij opgekomen zijn: een lepeltje “godverdomme”, een lepeltje “spelenderwijs”, een lepeltje “godverdomme”, een lepeltje “spelenderwijs” en ga zo maar door… Een voorbeeld moge het héél duidelijk maken:

     

    … ’t Heeft zich, als zovelen die het water ontwijdden en verlieten, verdeeld in houders van kloten en dragers van spleten. Maar ’t is, met uitzondering van een voor de rest niet ter zake doende bonobo, het enige schepsel en zal ook het enige schepsel blijven waarbij de reu de teef langs de voorkant neemt en volpompt met een nageslacht; zo kan de reu de haat en de angst zien op het ruwe smoelwerk van de teef, de aversie, de walging. ’t Paart in de stank van elkanders tanden, de ene met de andere en de ander na de één...

    (uit: Godverdomse dagen op een godverdomse bol, 2008)

     

    … maart 1917. Het vriest nog dat het kraakt en ’t is nog putje winter. De Schelde is toegevrozen, dat zelfs paarden met kar en al er nog veilig kunnen over rijden.

    Grote ellende in het derde oorlogsjaar laat zich overal voelen.

    ’t Zit kavezwart al alle kanten, maar in de Statiestraat 38 bij Irma en Benoni komt een derde kindje ter wereld...

    (uit: Spelenderwijs, 1992).

     

    … Zie de uitgelatenheid waarmee het paar dagen oude, nog onder de baarmoederslijmen zittende schepsel bij de achterpoten wordt gepakt en met zijn hoofd tegen de stenen gesmakt. Het bloed gutst alle kanten op, de stront pruttelt eruit bij wijze van overlijdensact. Kindje dood…

    (uit: Godverdomse dagen op een godverdomse bol, 2008)

     

    … Bijna overal was de ruige ondergrond bestrooid met scheerlingen van Spaanse hagen en palmstruiken. Hier en daar ook met breed lang lis, doormengd met blaadjes van pioenebloemen. Vóór de kapel lag er een tapijt van geverfd zagemeel, waar alleen de pastoor met het Heilig Sakrament mocht op terten…

    (uit: Spelenderwijs, 1992).

     

    … ’t Spoelt de vagina met zure melk en loten van de acacia. ’t Steekt kwintappels en dadels en honing in haar liefdesspier. En als ook dat niet helpt, dan smeert ’t haar hele warme binnenkant vol met in azijn gedrenkte kamelenmest…

    (uit: Godverdomse dagen op een godverdomse bol, 2008)

     

    … Aan ’t Veerd werden we de Schelde overgezet, op een bootje, dat reize op ’t water lag, tot in de meersen van Melden, en dan ging het bergop, door een groot bos. En als ik moe werd, mocht ik op de schouders van grootvader, Leo Vanhoutte, ons moeders vader. Meewiegend had ik van boven goed uitzicht over alles rondom mij. Vlak vóór mij voelde ik de zwetende hals van Leo, die voor de gelegenheid een rode doek met witte bollekes droeg…

    (uit: Spelenderwijs, 1992).

     

    … ’t Schijt aanvankelijk nog stront maar gaandeweg schijt ’t ook water. ’t Schijt maar hele dagen aan doch nooit genoeg opdat ’t ook zijn ziekte zou mogen mee uitschijten. Slijm en gal en hier en daar nog andere drab loost ’t langs de bovenkant. ’t Kan geen lichaamsspleet meer hebben of er moet vettigheid uit sijpelen

    (uit: Godverdomse dagen op een godverdomse bol, 2008)

     

     

    … De zware trekpaarden zijn zeer vroeg in ons leven verschenen. Gezeten op de snak van een dokkerende driewielkar, mochten we een stukje van het kordeel vasthouden en in bewonderinge zijn voor hun machtige zwetende achterlijven. Als ze stilvielen aan een mennegat, gingen we ons spiegelen in hun grote donkere ogen. Ze roken altijd zo deugddoende en het was ons grootste contentement ze te strelen in de warme nek en hun namen te fluisteren: Bella, Vos, Sara, Jenny. Of we zagen ze de ploeg sleuren en volgden dan de dikke schellen zwarte aarde, die langs de blinkende riesters naar boven krulden, om dan gekeerd en juist verpasse gedraaid te gaan neerliggen…

    (uit: Spelenderwijs, 1992).

     

    Mocht iemand de lust bekruipen een van beide boeken te kopen… Het boek “Godverdomse dagen op een godverdomse bol” is overal te koop in alle goede en zelfs in minder goede boekenwinkels, al kan ik mij moeilijk voorstellen dat u het, beste literatuurliefhebber, nog niet in uw bezit hebt. Het boek van mijn vriend Albert Debeurme, die helaas reeds enkele jaren geleden ter ziele is gegaan, kunt u nergens meer kopen en… míjn exemplaar leen ik voor geen geld ter wereld uit. Maar troost u, trouwe lezer, u die mijn brief aan Jan Bauwens gelezen hebt, geschreven op 30 september laatstleden: aan “Spelenderwijs” verliest u geen kunstwerk, om de simpele reden dat Albert geen “gerenommeerd” kunstenaar was. U verliest er hooguit dat lepeltje honing mee dat een écht kunstwerk als “Godverdomse dagen op een godverdomse bol” een beetje verteerbaar maakt…








    » Reageer (0)
    10-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bravo, Jean-Luc!
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    ’t Is crisis en omdat crisis geen leuk onderwerp is om over te schrijven heb ik er tot op heden geen inkt aan verspild en geen papier aan vuil gemaakt. Maar nu vind ik dat ik toch echt niet om Jean-Luc heen kan. De redder des vaderlands! Of liever, de redder van Dexia, want Jean-Luc kan nu eenmaal niet alom tegenwoordig zijn. Had de wereld over meerdere Jean-Lucs beschikt dan was er al lang geen crisis meer. En wat zo bijzonder is: Jean-Luc doet het gratis. Ach, we zijn dat van hem wel gewoon. Zo heb ik u al verteld – op 21 maart laatstleden – dat Jean-Luc genoegen neemt met een fles wijn als hij ergens een voordracht gaat houden. Mannen van zijn kaliber vragen daar duizenden, ja soms tienduizenden euro voor! Nogal wat anders dan het geval Verwilst. Om Fortis naar de kloten te helpen – excuseer mij, ik ben een boek van Dimitri Verhulst aan ’t lezen – krijgt Verwilst een bonusje van vijf miljoen euro. Ja, ze konden er bij Fortis niet buiten, het was contractueel vastgelegd. Ik heb dat voor de lol eens uitgerekend: die vijf miljoen euro brengen op een spaarboekje maandelijks een rente op die tien keer zo groot is als het pensioen van de modale gepensioneerde loontrekker of zelfstandige, zoals  Jean-Luc bijvoorbeeld.

    U vraagt zich af, trouwe lezer, hoe ik daar zo zeker van ben, dat Jean-Luc het gratis doet. Het antwoord luidt weer: omdat hij het zelf gezegd heeft, gisteren op TV. Men vroeg of hij voor het redden van Dexia net zo’n grote beloning kreeg als Verwilst. Jean-Luc viel uit de lucht. Een beloning? Neen, daar was écht niet over gepraat. Afwachten dus of hij misschien toch nog iets krijgt van Dexia. Veel zal ‘t allicht niet zijn, misschien een fles wijn. Foei Dexia, om mensen voor u te laten werken zonder voorafgaande loonafspraken.

    Maar niets dan lof dus over Jean-Luc. De altruïst. Eén minpuntje misschien. Toen men hem op de TV vroeg of men voor Fortis niet dezelfde gunstige regeling had kunnen treffen als voor Dexia, leek het of Jean-Luc een beetje kribbig werd, een beetje kwaad zelfs. Ach, laten we het er maar op houden dat zelfs het beste paard al eens een kleinmenselijk kantje ten toon spreidt. Quandoque bonus dormitat Homerus, plachten de Romeinen te zeggen. In navolging van Horatius…


    » Reageer (0)
    02-10-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het antwoord van de filosoof.

    Het antwoord van de filosoof.

     

    In de 5e eeuw vóór Christus waren de filosofen de grootste geleerden. Alle menselijk weten en denken behoorde tot hun domein. Ze waren gerenommeerd vanwege hun kennis en de ideeën die ze verspreidden. Heden ten dage bestaan ze nog, de filosofen, al worden ze soms “lapzwanzen” genoemd. Enkelen zijn nog steeds zeer veelzijdig qua kennis en ideeën. Sommigen zijn zelfs “gerenommeerd” al hebben ze die “gerenommeerdheid” vaak enkel aan de TV te danken en in veel mindere mate aan hun wijsheid. De ideeën van deze laatsten worden evenwel hoog aangeslagen. In sommige kringen.

    Jan Bauwens, veelzijdig filosoof en kunstenaar, reageert enigszins verontwaardigd – al is dat woord veel te sterk – op de vraag die ik hem, middels mijn brief van 30 september, in de mond heb gelegd: hoe word ik een gerenommeerd kunstenaar? Ik weet maar al te goed dat die vraag nooit bij hem is opgekomen. U, beste trouwe lezer, die mijn stijl kent, zult best begrijpen dat het niets meer is dan een provocerende kwajongensstreek van mijnentwege, een plagerij als het ware. En is “plagen” niet een beetje “liefde vragen”? Liefde… of een antwoord op de vraag: is “iets” kunst omdat de maker ervan een kunstenaar is, of is “iemand” een kunstenaar omdat zijn werk kunst is?

    En dat antwoord is er gekomen, dezelfde dag nog. Ik citeer een passage uit het antwoord van de filosoof:

     

    …eigenlijk komt dit neer op de huldiging van het simpele en zeer democratische principe: "Klant is koning".

    De hier aan de orde zijnde klant nu, is op zoek naar een specifieke koopwaar, welke niets of niemand minder is dan een leiderfiguur. En hebt gij dat verhaaltje al gehoord van die steeltjesverzamelaars? Dat gaat immers over de leiders en hun volgelingen...

    Een kind loopt in een speelbos rond en het begint steeltjes van bladeren te verzamelen. Niemand vraagt waarom het dit doet, maar meer kinderen zien het en zij gaan ineens hetzelfde doen: ook zij verzamelen steeltjes en als ze er een handvol van hebben, brengen ze die naar dat ene kind dat eerst aan het verzamelen is gegaan. Ze weten niet waarom, maar dat deert hen blijkbaar niet: het lijkt voldoende dat zij klakkeloos aannemen dat het eerste kind weet waarom.

    Dat 'eerste kind' is dus een leiderfiguur, en een leiderfiguur is een figuur die zin geeft aan wat zijn volgelingen doen. De volgelingen namelijk, kennen de zin niet van wat ze doen. Evenmin trouwens als hun leider. Maar de leider onderscheidt zich van zijn volgelingen in het feit dat hij tenminste een zin voorwendt. Niemand vraagt hem er om: het volstaat dat hij die indruk wekt door gewoon nimmer in twijfel te trekken wat hij doet. Hij wordt gevolgd, en het enige wat hij daarvoor hoeft te doen, bestaat in het verzwijgen van het feit dat hij zelf niet weet waarom of waarheen. Hij bedriegt en zijn bedrog wordt gezocht en gekocht en vaak ook duur betaald. Dat bedrog heet klaarblijkelijk 'zin'.

    Of dat een beetje gek is? Ha, is de toestand waarin wij, mensen, ons bevinden, dan ook niet een beetje gek? Het eindeloze universum met daarin, helemaal verloren gedraaid, die aardbol... De tijd die alles verteert en doet verdwijnen... Onze geliefden en tenslotte ook wijzelf die recht in de armen lopen van de dood... Misschien moet de ene gekte met de andere bestreden worden. Alvast zijn redelijke antwoorden op dergelijke absurde vraagstukken sowieso volstrekt ongeloofwaardig, en is bedrog het enige overblijvende soelaas - wie zal het zeggen?

     

    Een dag later is er een tweede brief gekomen. Ook daaruit kan ik niet nalaten te citeren:

     

    Ha, zijn wij intussen niet al te oud geworden om ons nog te ergeren aan deze zaken? Immers, als op zeker moment de eb zich gaat voordoen, het getijde van het zich terugtrekken van het leven, het 'gaan' dat vrijwel naadloos bij het 'komen' aansluit en er derhalve onmiddellijk op volgt: zijn wij dan nog in staat om onszelf nog langer te bedwelmen met de illusies die de jeugdige onwetendheid zo verbazend treffend kentekenen? En zien wij op datzelfde moment niet al die schitterende voordelen van die onwetendheid in, die ons dan voor het eerst voorkomt als een zegen waarvan wij het geluk nooit hebben bevroed? Maar te laat is het dan om nog op onze stappen terug te keren, want wat men weet kan niet meer ongedaan worden gemaakt, dat is een entropiewet, verwant aan de onomkeerbaarheid van de tijd, en het ei dat zij legt en uitbroedt, brengt een reusachtig kuiken voort dat Nostalgie heet en dat luide kreten slaakt die misschien wel de enige geluiden in het ganse universum zijn die het recht hebben om 'kunst' te worden genoemd...

     

    Het antwoord volstaat. Ruimschoots.


    » Reageer (0)
    30-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief aan Jan Bauwens, over kunst.

    Beste Jan,

     

    Sta mij toe dat ik deze brief schrijf in de “jij-vorm”, ofschoon wij in de gewone omgangstaal de “gij-vorm” gebruiken…

    Al enige tijd loop ik met het idee rond om het met jou eens over kunst te hebben in een echte brief. De aanleiding tot deze brief is dubbel. Eerst is er je verhaal over Croxhapox. Vanzelfsprekend horen jouw portretten thuis op  www.bloggen.be/portretten  en niet op Croxhapox. Heeft Croxhapox soms iets met moderne kunst te maken? De tweede aanleiding heeft namelijk óók met moderne kunst te maken. Of ten minste met een uitspraak van Flor Bex, vorige week op TV. Flor is, als ik het goed voor heb, directeur van het MUHKA, het museum voor hedendaagse kunst in Antwerpen. Ik heb Flor Bex nog gekend toen wij samen studeerden aan de Gentse Universiteit. Hij was lid van de studentenclub AB (Antwerpen Boven). In het academiejaar 60-61 was hij secretaris en in 61-62 vice-preses van het Gentse SK, ofte seniorenkonvent. In zijn museum waakt hij (weeral als ik mij niet vergis) over een paar kunstwerken die tot de absolute wereldtop mogen gerekend worden, waartoe ook behoren: het Lam Gods, de Mona Lisa, de Venus van Milo, de Hermes van Praxiteles… Eén van die kunstwerken is de zogenaamde “kakmachine” van ene Wim Delvoye. Een veelzijdig kunstenaar alleszins, want hij tatoeëert ook varkens. Maar we dwalen af van de essentie. Iemand was zo vermetel aan Flor Bex de vraag te stellen die al zo lang op mijn lippen brandt: “stel dat één van die moderne topkunstwerken zou blijken gemaakt te zijn door het eerste het beste straatkind, zou dat dan nóg kunst zijn?”. En waar ik verwacht had dat Flor minstens een halve seconde over zijn antwoord zou nagedacht hebben, bleek dat allerminst het geval te zijn. Het antwoord luidde: “dan zou het géén kunst zijn!

    Vind je dat een beetje gek, mijn beste Jan? De verklaring is nochtans doodsimpel: een meesterwerk is pas een meesterwerk als het gemaakt is door een gerenommeerd kunstenaar en anders heeft het géén waarde, nul komma nul! En dan vraag je mij: hoe word ik dan een gerenommeerd kunstenaar? Kijk, zo’n vraag had ik nu van jou niet verwacht. Dat noem ik nu spijkers zoeken op laag water. Die vraag werd overigens evenmin aan Flor Bex gesteld…

    Maar goed, laten we dan toch maar op je vraag ingaan. Snij je oor af. Al is dat misschien niet origineel genoeg. Of ga naakt viool spelen voor het koninklijk paleis. Of spring van de Eiffeltoren. Een spectaculaire val met de fiets op het jaagpad langs de Dender daarentegen lijkt mij te enenmale onvoldoende. En het kan kwalijke gevolgen hebben… Heb jij dat niet aan den lijve ondervonden? Maar goed, je vindt ongetwijfeld wel iets. Daar ben je creatief genoeg voor. Wordt dus maar gauw gerenommeerd en dan ligt de wereld voor je open. Veelzijdig als jij bent kun je dan alle kanten uit: de literatuur, de muziek, de grafische kunsten…

    Een gerenommeerd kunstenaar is alleszins Dimitri Verhulst. Vorige week heeft hij in één klap driehonderdduizend exemplaren verkocht van zijn laatste boek, waarvan de titel luidt “Godverdomse dagen op een godverdomse bol”. Al moet hier een kleine kanttekening bij gemaakt worden. Het boek werd eigenlijk niet verkócht: het was… gratis, bij aankoop van de Humo. Hoe zou iemand als ik bijvoorbeeld daar kunnen tegen op tornen. Mijn laatste boek kost 17,95 euro en het is slechts via de post te bestellen bij de Nederlandse uitgever. Daar komen dus nog eens een zevental euro verzendingskosten bij. Niet te verwonderen dat er zelfs nog geen driehonderd van aan de man gebracht zijn: nog geen duizendste van “Godverdomse dagen op een godverdomse bol”. Komt daarbij dat ik geen gerenommeerd schrijver ben en dat, achteraf gezien de titel “O jerum jerum jerum…” slecht gekozen is. Want “o jerum jerum jerum” betekent in feite niets anders dan “godverdomme godverdomme godverdomme”. Dát had het dus moeten zijn. De keuze van de titel is héél belangrijk voor een boek. Mijn volgend boek zal naar alle waarschijnlijkheid “De kut” heten. Ik laat mij in deze inspireren door een boek van een Engelstalige schrijfster, waarvan de naam mij nu ontsnapt en van wie reeds vierhonderdentien miljoen boeken werden verkocht. Dat boek heet “De kus”. En ik zal vragen aan “Het Laatste Nieuws” of ze mijn boek niet gratis kunnen geven bij één van hun week-end kranten. Na al de publiciteit die ik voor hen gemaakt heb in mijn cursiefjes kunnen ze mij dat pleziertje moeilijk weigeren. Daar komt nog bij dat ik afzie van mijn ereloon – ik schrijf per slot van rekening niet om den brode – en dat ze dus enkel de uitgever van het boek zullen hoeven te betalen. Weer honderdvijftigduizend euro uitgespaard voor Het Laatste Nieuws.

    En nu komt het, mijn beste Jan. Als we dan allebei gerenommeerd zijn, zullen we niet meer te stuiten zijn. Meesterwerken bij de vleet zullen wij produceren. Te beginnen met de mythologische verhalen: ik schrijf de teksten en jij maakt de tekeningen. We hebben nu al dagelijks tussen de honderd à tweehonderd lezers op het blog. Die driehonderd duizend, dat moet kunnen. We hebben enkel nog een naam voor het boek nodig. Denk daar nog maar eens goed over na: iets met “godverdomme” in de titel of met “kut”. Maar, laten we op de feiten niet vooruitlopen: eerst gerenommeerd worden! Dan loopt het vanzelf. Of zoals ze in Nederland zeggen: dan loopt het als een tiet. En laat ik nu maar eindigen zoals jij dat zelf altijd pleegt te doen:

     

    Met de beste groeten en wensen!

     

    Kris.


    » Reageer (0)
    25-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.En nu: directeur!

    Soms lijkt het levenseinde bezaaid met rozen. Laat dat nu met mij het geval zijn!...

    Eenieder, of bijna eenieder, en alleszins de trouwe lezer van mijn cursiefjes, weet dat ik sedert eind 2007 “professor” ben. Mijn pensioen is dan ook op passende wijze aangepast: een veelvoud van een gewoon werknemerspensioen. Dat ik eind vorige maand in het revalidatiecentrum opgestapt ben, zal u, trouwe lezer, evenmin ontgaan zijn. Nooit eerder had daar iemand tot zijn achtenzestigste gewerkt! Tijdens mijn afscheidsfeest stonden allen – en dat zijn er rond de honderd – met de tranen in de ogen, de directeur incluis. Ikzelf ben zowat de enige die zich flink gehouden heeft. Geen traantje weggepinkt. En dat om dezelfde reden als Kim Gevaert bij haar afscheid: als ik begin te wenen weet ik van geen ophouden meer en daarom kan ik er dus maar beter niet aan beginnen, dacht ik zo bij mezelf.

    Vanzelfsprekend zal ik mijn dagen nu niet in ledigheid slijten. Mijn telefoon staat dezer dagen immers roodgloeiend. Bij manier van spreken, natuurlijk. Patiënten bij de vleet. En omdat ik nu professor ben zou ik een drievoudig tarief moeten aanrekenen, anders gelooft niemand dat ik een échte professor ben. Ik ben er niet slimmer op geworden natuurlijk, maar ik doe wel alsof. Dat ik de laatste tijd wel erg vergeetachtig ben, hindert niet. In tegendeel, dat staat goed voor een professor. Met de patiënten praat ik nu niet meer zoveel als vroeger over hun ziekte. Gewichtig mompelen daarentegen gaat mij steeds beter af en babbelen, over koetjes en kalfjes.

    Eén probleem is er wel: ik mag niet méér bijverdienen dan zo’n dikke duizend euro in de maand. Eén euro méér en ze nemen mij mijn pensioen helemaal af, dat groot pensioen, weet je wel, dat een veelvoud is van het gewoon pensioen. Toch niet te geloven!... Mag ik misschien een suggestie doen aan onze minister van vereenvoudiging, de heer Kwikkelbornee? Laat de gepensioneerde zelfstandige zijn duizend euro in de maand bijverdienen – en belasting en sociale bijdrage op dat bedrag betalen – en neem hem alles af wat hij daar bovenop verdient. Maar ontneem hem, om de liefde Gods, zijn groot pensioen – dat veelvoud – niet, omwille van die ene euro.

    Er zal dus niets anders op zitten dan mijn kliënteel te beperken en ik zou ook maar beter afzien van het professorale drievoudige ereloon, al zal dat laatste mijn prestige allerminst ten goede komen. En eens de duizend euro binnen, kan ik maar beter gedurende de rest van de maand gratis werken, hetgeen natuurlijk ook weer niet goed zal zijn voor mijn prestige. Of… ik zou in ’t zwart moeten werken. Hé, dat zoiets nog nooit bij mij opgekomen is. Dat zou alvast mijn prestige niét schaden. Ik heb tenminste nog nooit iemand zich laatdunkend horen uitlaten over een professor die in ’t zwart werkt.

    Mij dunkt dat velen genezen alleen al door mijn geleerde blik. Ik leg hun nog zelden uit aan welke ziekte ze precies lijden – ook al omdat ik het vaak niet wéét – maar ik ben wel in staat zó geleerd te kijken dat ze ervan overtuigd zijn dat ik het wél weet en ze dus in goede handen zijn.

    En dan is er nog mijn luxueuze dienstauto, die mijn vorige werkgever – die hier niet vermeld wenst te worden – mij levenslang gratis ter beschikking stelt, alle kosten inbegrepen. Hetgeen nogmaals gelijkstaat met één werknemerspensioen. Aangezien de onderhandelingen met de autofabrikant zijn afgesprongen, vermeld ik het merk van de auto hier eveneens niét.

    Maar mijn ultieme doel blijft natuurlijk: directeur worden! Die grote droom van mij heb ik reeds verwoord in mijn memoires (“O jerum jerum jerum…” anno 2006). Hier volgt een kort fragment uit dat boek:

     

    Maar nu word ik dus lekker tóch directeur. Ik ga de oude bakkamer van het huis in de Broekstraat inrichten tot museum. De oven waarin we tijdens de oorlog zelf ons brood bakten, is er nog. De inkom zal gratis zijn, consumptie inbegrepen. En ik zal de directeur zijn van het museum. Het ontwerp van mijn visitekaartje is al klaar...

     

    U wil natuurlijk gaarne weten hoe dat visitekaartje er precies zal uitzien. In het boek staat het afgebeeld. Mocht u er geen meer kunnen bemachtigen – omdat het uitverkocht is bijvoorbeeld – dan kan ík er misschien nog wel een versieren voor u, mijn waarde lezer. Aarzel niet met mij contact op te nemen. Het visitekaartje bevindt zich op pagina 203, de op één na laatste pagina. De teneur van die laatste pagina is somber. Pessimistisch. Maar toen wist ik nog niets van mijn bevordering tot professor, noch van mijn groot pensioen, noch van het feit dat ik zo gemakkelijk iets zou kunnen bijverdienen, noch van mijn dienstauto… Ik moet er eens over nadenken om mijn memoires te herschrijven. Als directeur…

    En wat mij daar nu opeens te binnen schiet: ik moet dringend weer eens contact opnemen met professor Omsk van Togenbirger de Waelekens. We zijn nu immers collega’s. Ik noem hem nu doodgewoon en ongecomplexeerd… Omsk!


    » Reageer (0)
    24-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gearriveerd (foto)
    "Twee doctoren die gearriveerd zijn" (Lieve Debyser-Ringelé)




    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief aan Willy Debyser.

    Beste Willy,

     

    Er is groot nieuws van de culinaire wereld. De “nouvelle cuisine” was een grapje. Dat heeft de grote Franse kok Bocuse verklaard. Ik heb het uit Het Laatste Nieuws van enkele dagen geleden. Lees zelf maar:

     

    Bocuse: “Nouvelle cuisine was een grapje”

    Culinaire smulpapen zijn met nouvelle cuisine jarenlang in het ootje genomen. “Het was inderdaad weinig eten op een veel te groot bord”, geeft de Franse driesterrenkok Paul Bocuse toe. “Mensen riepen wel eens ‘niks op het bord, veel op de rekening’ of ‘hoe groter het bord, hoe kleiner de gerechtjes’. Wel, ze hadden gelijk. Nouvelle cuisine was een grapje onder meesterkoks. Maar het concept sloeg aan omdat iedereen in de jaren ’60 slank wilde zijn.” (SVDE)

     

    Natuurlijk was het een grapje – dat heb ik altijd al geweten – maar dan wel een erg vervelend grapje, dat verdomd lang heeft stand gehouden. Het is mij maar al te vaak overkomen dat ik na zo’n “uitgebreid” nouvelle cuisine diner, na middernacht, mijn hongerige maag ben gaan stillen in het frietkot of thuis heerlijke gebakken patatjes heb klaargemaakt met – o toppunt van proletarisme – een lekkere braadworst en appelmoes.

    Een enkel blaadje witlof in ’t midden van een groot bord, met schuin daarover, over de ganse breedte van het bord, een dun streepje groene mayonaise en ergens aan de kant van het bord een vingerhoedje rotte ganzeleverpastei, met ook soms nog een klein tomaatje ter grootte van een kers: het is jarenlang het summum geweest van gastronomisch vernuft.

    “Mundus vult decipi” leerden wij in de latijnse les: de wereld wil bedrogen worden. Voor Bocuse moet de lol er na veertig jaar af geweest zijn. “Jullie zijn allemaal beetgenomen en jullie hebben het nog steeds niet door!” ja, dat moet nu voor mijnheer Bocuse de ultieme kick zijn… De sadist.

    Maar nu iets anders. Iets over literatuur. En als het over literatuur gaat Willy, jij weet dat, word ik bloedserieus. Gisteren werden zo maar eventjes driehonderdduizend exemplaren aan de man gebracht van het laatste boek van Dimitri Verhulst. Het boek heet “Godverdomme” of zo iets. Je leest het goed: driehonderdduizend exemplaren, op één dag. Een record dat misschien nooit meer zal  verbeterd worden, zelfs niet door Piet Huysentruyt! Meteen verovert Dimitri Verhulst daarmee zijn plaats bij Vlaanderens drie topauteurs. Dat trio – Dimitri Verhulst, Piet Huysentruyt en Herman Brusselmans – behoort zonder meer tot de absolute wereldtop. Van die drie geniet uiteindelijk Brusselmans mijn voorkeur. Ik heb voor jou een kort stukje gecopieerd uit een van zijn laatste boeken. De titel luidt: “Een dag in Gent”. Ik kreeg het boek twaalf dagen geleden als geschenk ter gelegenheid van mijn afscheid van het revalidatiecentrum.

     

    Ik bloosde. Als het over seks gaat ben ik vaak een verlegen jongetje. Desondanks raapte ik al m'n moed bij elkaar en vroeg ik: ‘Buffelt hij je ook anaal in je dikke reet?’

    ‘Alleen als ik hem daarom vraag. Hij zit er niet echt op te wachten dat z’n tamp vol stront hangt.’

    Ik bloosde weer. ‘Die kun jij er toch aflikken?’ zei ik.

    ‘M’n eigen stront van een lul likken? Ik val nog liever dood.’

     

    Echt hoogstaande literatuur als je het mij vraagt. Het gaat dus uitstekend met onze Vlaamse letteren. En met deze optimistische noot beëindig ik mijn brief.

    De groeten aan je lief vrouwtje. Overigens hartelijk bedankt voor de foto die ze van ons beiden gemaakt heeft en die ze betiteld heeft als "twee doctoren die gearriveerd zijn", waarop ik dan reageer met "gearriveerd, jawel, maar nog niet helemaal..."
    Het ga jullie goed.

     

    Kris.


    » Reageer (0)
    13-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Reis naar Griekenland (stripverhaal).
    "Lucrèce, Etienne, Kris en Johan naar Griekenland"
    Dit stripverhaal is getekend door Jimmy Wyseur, graficus, Roeselare.














    » Reageer (0)
    12-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Afscheid van het Revalidatiecentrum.

    Hartelijk dank!

     

    In de allereerste plaats voor de vele gelukkige jaren die wij samen hebben doorgebracht. Als er één dag in de week was waar ik telkens verlangend naar uitkeek, dan was het wel de dinsdag.

     

    Dank voor 11 september 2008. Een dag om nooit te vergeten. Een dag om de vingers van af te likken (ook letterlijk). Dank aan de directie, Luc en Rudy, die dit mogelijk hebben gemaakt. Een afscheid dat mij weemoedig stemt, maar niet verdrietig. Een gevoel van blijheid overheerst, omdat ik zovele jaren heb mogen samenwerken in een equipe waar iedereen mij lijkt geapprecieerd te hebben en van mij gehouden heeft. En óf die gevoelens wederkerig waren!...

     

    Dank ook voor de gelukwensen, de kusjes, de geschenken (hadden jullie echt niet moeten doen…) en de spitsvondige attenties. “Man bijt hond op Overleie” en het stripverhaal over de reis naar Griekenland zijn pareltjes van kunst en spiritualiteit die niet te overtreffen zijn. Ze krijgen de beste plaats in mijn stripotheek en ik zal ze levenslang koesteren. Waar heb ik het verdiend ooit nog eens de hoofdrol te mogen spelen in een stripverhaal?! Misschien hoef ik nu zelfs niet eens meer directeur te worden…

     

    Speciaal woordje van dank aan “mijn assistente” Ann Neyrinck met wie ik al die jaren lief en leed heb gedeeld.  Ik had mij nóg zo voorgehouden haar daarvoor te bedanken in mijn afscheidsspeech. Maar… was het de stress, of kwam het door mijn rugpijn? Het is er dus niet van gekomen en dat zal mij zeker nog dagenlang achtervolgen. En ze heeft nóg zo’n mooi gedichtje voorgelezen te mijner attentie. Wat de loopschoenen betreft, het is prima kwaliteit. Hopelijk gaat het nu niet verder bergaf met mijn gewrichten. Als ik ooit nog een marathon loop zal zíj de eerste zijn die het te weten komt.

     

    Aan de mensen van LOS… Op een goede dag, op een dinsdagmorgen, om 10 uur, zal ik daar plots weer staan. Jullie willen dat toch zo graag? Of was dat maar om te lachen?

     

    Een dikke zoen, een warme handdruk en… tot ziens!

    Kris


    Nu kan ik, beste lezer, precies raden wat er in u omgaat. U zit met de prangende vraag: dat stripverhaal over die reis naar Griekenland, wat is daar van aan? Morgen krijgt u het antwoord op deze blog voorgeschoteld. Speciaal voor u, omdat u het mij vraagt...




    » Reageer (0)
    02-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wondjes likken...

    (Dit is een verhaal uit de oude doos. Het is geschreven  in de nacht van 25 op 26 augustus 1984, na de 4e Dwars door Grijsloke. Ik kon de slaap niet vatten vóór ik al mijn frustraties van me afgeschreven had… Dit verhaal werd gepubliceerd in “Fit Veteraan”, toentertijd een populair tijdschrift voor veteranen-joggers)

     

    Donderdag 23 augustus. Lucien Van Lancker ziet er moe uit en getrokken.

    - Kris, zegt hij, ik doe het niet meer. Komend jaar trek ik me niets meer aan van Dwars door Grijsloke.

    - Je doet te veel, zeg ik. Té veel hooi op de vork nemen, zoals men zegt. Het werk zou beter verdeeld moeten worden. Als jij je komend jaar uitsluitend met de inschrijvingen zou bezig houden?

    - Neen en nog eens neen, ik geef het helemaal op. Ik ga eraan kapot, mijn gezin gaat eraan kapot. Mijn vrouw en ik praten niet meer met elkaar, we blaffen naar elkaar. Geloof me, dit is het laatste jaar. Ik kán er niet mee doorgaan. Kijk hier: één op de drie inschrijvingen zijn onvolledig. Zeker, vaak kan ik de gegevens terugvinden in de lijsten van vorig jaar. Toch heb ik al zo’n tweehonderdvijftig mensen moeten opbellen of aanschrijven. Dit jaar alleen al heb ik met de auto zo’n vierduizend kilometers afgebold, uitsluitend voor Dwars door Grijsloke. Mijn telefoonrekeningen lopen hoog op. En… hoe denk je dat we er nu uitkomen? De tenten moeten nog opgesteld, vijfhonderd meter nadar moeten t’ allenkant op de omloop en op de aanvoerende wegen geplaatst, parkeer- en inrijverboden en omleggingstekens moeten nog afgehaald, iemand moet de wedstrijdklok van Jacques Serruys gaan halen naar Brugge, strepen en pijlen moeten getrokken worden op de wegen, spandoeken moeten gehangen worden, op nog minstens tien plaatsen moeten prijzen afgehaald worden, er moeten duizend stoeltjes en honderdtwintig tafeltjes afgehaald, de WC’s en de waterleiding zijn nog niet geïnstalleerd, het doek met “finish” moet gehaald worden naar Heestert, de fanfare is nog niet gevraagd, er moeten nog vijftig wegwijzers geplaatst worden vanaf de E3 tot in Grijsloke, er moet vanavond een repetitie gehouden worden met het Rode Kruis en de CB-ers, er moeten nog hopen drukwerk afgehaald, de kleedkamer in de fabriek moet nog schoongemaakt, de geluidsinstallatie moet nog geplaatst, de tapinstallatie, de dansvloer, het podium, de dranken, het uitslagenbord. Zes man moeten met zijn allen nog minstens zes uur werken aan het klasseren van de borstnummers en het startpistool moet nog gehaald. We hebben al tweehonderdvijftig medewerkers en toch is er nog niemand voor het uitdelen van de uitslagenlijsten. Ik zie er geen gat meer in. We komen er nooit mee klaar. Geloof me, het wordt een ramp…

     

    Twee dagen later: de onvermijdelijke “Dwars door Grijsloke”!

    Net vóór de aankomst laat mijn vrouw de doos met genummerde bonnetjes voor het bekomen van een “eventuele prijs” op de grond vallen. alles door elkaar! Arme lieve vrouw! Ze had zich nog zo voorgenomen om het er vandaag piekfijn van af te brengen. Háár dag is fataal bedorven. Er is niets meer aan te doen. Want daar komen ze al aan. “Aankomstorde” staat er op de bonnetjes gedrukt en er klopt niets meer van. De eerste krijgt nummer 101, de tweede 102, de derde 103… Verderop zijn een moeder en haar dochter vlak achter elkaar geëindigd: de ene krijgt nummer 609, de andere 425. Hou kan dat nou? Wat voor een organisatie is me dat? Aan de finish van de 20 km zie ik een meisje van een jaar of twaalf over de meet lopen in een tijd van rond de één uur twintig. Ze is de eerste vrouw. Die is overduidelijk door de mazen van de controle geglipt en heeft een ronde te weinig afgelegd. Ik merk het nog net vóór ze door de computer zal geregistreerd worden. Door zoiets wordt de hele uitslag vervalst en het leidt tot onvoorstelbare kritiek. Dát moeten we dus vermijden. Ik spurt er naartoe, ik roep dat men haar niet mag registreren. Nog tijdig kan ik haar bij de arm grijpen. Op ’t ogenblik dat ik haar toeschreeuw dat ze een ronde te weinig afgelegd heeft, grijpt ze met beide handen de nadarafsluiting vast en het lijkt wel of ze in zwijm gaat vallen. Ik wil haar plat laten liggen op de grond, doch iemand van de familie duwt me opzij en draagt het meisje theatraal in de armen naar de ambulance. Iedereen moet kunnen zien wat er aan de hand is. Dat heeft nota bene dokter Vansteenbrugge op zijn geweten. Een uitgeput kind zó doen schrikken! Als ze er nu maar niets van overhoudt… Een half uur later komt de vader agressief en lichtjes aangeschoten op mij af. Het meisje loopt naast hem, blakend van gezondheid. Ik herken haar nog en zeg dat ze er goed uitziet, met mijn excuses voor mijn kordaat optreden van daarnet. Dat ze er goed uitziet, dáár is de vader nog niet zo zeker van, en… schijn bedriegt soms. Schandalig vindt hij het dat ze geen medaille gekregen heeft: alsof veertien kilometer hardlopen nog niet genoeg is voor zo’n kind. Hij betwijfelt overigens sterk dat ze niet de volle twintig kilometer gelopen heeft. De reden dat ze geen medaille heeft is eenvoudig: door het incident is ze niet bij de medaillepost voorbij gekomen. Natuurlijk verdient ze de medaille. Kijk, hier heb ik er nog een, alstublieft. Het meisje lacht nu blij. Vrolijk huppelt ze naar het frietkraam. De vader blijft kwaad kijken: híj is beslist niet tevreden. Als ze er wat van overhoudt krijg ik het alleszins nog te horen.

    Een vriendelijke atleet uit Oudenaarde roept mij even terzijde. Hij wil niet moeilijk doen. Alleen even iets verduidelijken. Of ik weet dat er een paar zijn die geen inschrijvingsgeld betaald hebben? Ja, ik weet het. Leden van de V.A.L. Men had me vorig jaar al gezegd: laat “Dwars door Grijsloke” inschrijven bij de V.A.L., dan wordt het gepubliceerd in de V.A.L.-kalenders en dan zijn de deelnemende V.A.L.-atleten in orde met de bondsreglementen. Waarom dan niet, eigenlijk? Dat dus maar even gevraagd aan de secretaris van mijn eigen atletiekclub (ik ben zelf lid van de V.A.L. en daarvoor betaal ik jaarlijks 700 frank). Een paar dagen geleden vertelde iemand mij dat er een kans was dat sommige leden van de V.A.L. zouden eisen mee te lopen zonder betaling, hetgeen we zouden moeten toestaan, omdat “Dwars door Grijsloke” nu eenmaal voorkomt op de V.A.L.-kalender. En ja hoor, even vóór de start is men me komen zeggen dat het geval zich inderdaad voordoet. Wat kan ik anders doen dan beslissen dat ze niet hoeven te betalen? Ik wéét het dus. En de loper die het me vertelt wil heus niet moeilijk doen want hij gunt ons wel de 200 frank inschrijvingsgeld. Alleen: hij waarschuwt ons dat er nog véél andere leden van de V.A.L. zijn die wél inschrijvingsgeld betaald hebben en het nu misschien gaan komen terugeisen. Wat staat er ons nog te wachten? Dus: geen V.A.L. meer komend jaar?

    Iemand komt erover klagen dat er weer enorme stagnatie is geweest vóór de aankomstlijn bij de 7 km. Vorig jaar was dat óók zo. Gaan we het dan nóóit leren? Toch moet gezegd dat er dit jaar nóg meer deelnemers waren en dat het nu toch al iéts vlotter ging. Overigens geen problemen bij de 20 km, wat dát betreft.

    Een heer komt vragen of er een trofee is voor hem. Hij is tweede in zijn leeftijdscategorie. Helaas, zeg ik, dit jaar is er enkel een trofee voorzien voor de eerste van elke categorie (er zijn vierentwintig categorieën!), niet voor de eerste drie. Eigenlijk zijn het geen echte trofeeën. Een lid van ons organiserend comité kent namelijk iemand die mooie pentekeningen maakt, en dat lid kwam op het idee om originele pentekeningen, ingelijst en achter glas, te geven als ereprijs aan de eersten. Misschien, zo werd geopperd, zullen die pentekeningen – met “Grijsloke” als onderwerp – een ereplaats krijgen in de woonkamer van de loper, terwijl trofeeën toch vaak op zolder belanden. Er waren een honderdtal tekeningen voorzien, doch bij veertig was de tekenaar ziek gevallen en toen was maar beslist dat enkel de eerste van elke categorie er één zou krijgen. Maar we hadden vergeten die verandering te melden aan de computer en die had net als vorig jaar een sterretje geplaatst bij de eerste drie van elke categorie en… een sterretje kon toch niet anders dan een trofee betekenen, temeer daar er vorig jaar wél een voorzien was voor de eerste drie.

    - Als het zo zit, zegt de man verbitterd, zult ge mij hier nooit meer zien. Ieder jaar kom ik naar Grijsloke met nog een aantal lopers. We komen van ver. Vorig jaar was ik vierde in mijn categorie en ik viel toen net buiten de trofeeën. En nu ik tweede ben in mijn categorie is er maar één trofee per categorie. Neen, onder die omstandigheden ziet ge mij hier beslist nooit meer terug. Daarenboven vind ik dat ge met zo’n hoog inschrijfgeld en zo’n hoog aantal deelnemers veel te snel rijk gaat worden.

    Ik denk aan de spaarcenten die telkenjare door de leden van het comité moeten bijgepast worden. Ik vertel de man dat de medailles en de uitslagenlijsten alleen al meer dan 200 frank per deelnemer kosten. Dat hij er rekening moet mee houden dat met tweeduizend deelnemers de uitslagenlijsten niet 10 x zoveel kosten als met tweehonderd deelnemers, maar 100 x zoveel (er zijn niet alleen 10 x meer exemplaren te verdelen, ieder exemplaar is ook 10 x omvangrijker!). Ik leg hem verder uit dat er voor de uitslagen van de “4e Dwars door Grijsloke” 225 kg. papier en drie liter drukinkt nodig zijn geweest. Hij begrijpt het allemaal niet te best. En de medaille kan naar zijn gedacht nooit méér dan 60 frank gekost hebben. Ik zeg dat de medaille maar weinig minder dan 200 frank gekost heeft en dat we hem een copie van de factuur zullen opzenden. Hij gelooft het niet. Zelfs als  we hem de copie opzenden zal hij het nog niet geloven. Overigens willen we gaarne van hem vernemen wie ons dergelijke medailles kan leveren aan 60 frank…

    Hij blijft verbitterd. Hij zal niet meer terugkeren naar Grijsloke. Ik vertel het aan Lucien, een half uur later. Had je nu maar gezegd dat hij tóch een trofee kon krijgen, zegt Lucien, we moeten ons best doen om iedereen tevreden te stellen. Net als ik wil zeggen dat de man zo kwaad was dat hij nu al wel lang naar huis zal zijn, zien we hem in de buurt van het podium. Hij loopt nog steeds te morren over de trofee die hem toekomt en die hij niet krijgt. “En het stond nochtans in de folders: de eerste drie…” beweert hij. We weten zeker dat het niet waar is. Lucien speelt een beetje toneel. Verbauwereerd kijkt hij mij aan en zegt: “Die man verdient inderdaad een trofee! We hebben er nog wel één in reserve. Hier die tinnen schaal. Er staat een plaatje op: speciale prijs Dwars door Grijsloke 1984”. “Zo moet ik het niet, ik wil op het erepodium” zegt de man. Akkoord, op het podium dan maar… Straks zullen er wel zijn die uitleg komen vragen over deze heer op het podium. Lang duurt het inderdaad niet. “Een beetje een speciaal geval” leg ik uit. Ik moet luid roepen, want de interpellant is een beetje doof en er is veel lawaai in de tent. Maar zo gemakkelijk kom ik er niet van af. Hij wil meer uitleg. Het kost me gegarandeerd mijn stembanden en ik moet dringend de uitslag nazien om uit te maken wie de volgende is die we op het modium moeten roepen. Ogenblikje, zeg ik, en ik ruk me los.

    Een dame die tweemaal op het erepodium is gekomen en benevens een T-shirt en een polshorloge twee pentekeningen ontvangen heeft, komt vragen waar we de polshorloge gehaald hebben, omdat het eigenlijk meer een kinderhorloge is. Ze zou het willen omruilen. Ik weet echt niet meer waar de horloge vandaan komt. Of ik dat toch maar eens wil uitzoeken en het haar later, schriftelijk misschien, eens wil laten weten? Ik beloof haar dat ik mijn best zal doen.

    Iemand komt naar me toe met een lint in de hand. De medaille is er afgegleden en verloren gegaan. Of ik voor een andere medaille wil zorgen? Ik noteer zijn naam en beloof al het nodige te zullen doen. Hij geeft mij het lint.

    Iemand uit Antwerpen heeft autopech gehad en heeft daardoor de start niet meer gehaald. Hij vraagt of we hem vanavond of morgen het parcours kunnen laten lopen onder “officieel toezicht” opdat hij de medaille zou kunnen verdienen. Ik zeg dat dat niet gaat, maar ik draag hem op de omloop in zijn eentje te lopen, dat we hem op zijn erewoord zullen geloven en hem de medaille zullen opsturen.

    Een oude kennis houdt mij staande. Begrijpt niet dat ik nu geen vijf minuutjes tijd voor hem kan vrijmaken, omdat ik zogezegd op tien plaatsen tegelijk moet zijn. Een weerzien na verscheidene jaren, nauwelijks van aard om de oude vriedschapsbanden te verstevigen…

    Een bejaarde dame komt schuimbekkend op me af. Ze noemt het een schande dat men een ongeletterde Corsicaanse gastarbeider geen medaille geeft. Ik leg uit dat de man laattijdig ingeschreven was en dus de medaille zal toegestuurd krijgen. Ieder woord van mij wekt haar woede nog meer op. Ze heeft het over “racisme” en “nazisme”. Ik heb geen medaille in mijn zak. Er zullen er bijgemaakt worden. Ik kijk of mijn zoon in de buurt is, van wie ik de medaille zou kunnen afschooien. Ik vind hem niet. Willy Mahieu staat enkele meters verderop. Of die zijn medaille voorlopig wil afstaan? Hij zal zijn medaille gaan halen in de auto. Het zal minstens vijf minuten duren, want de auto staat ver. Het duurt inderdaad vijf minuten en al die tijd houdt de vrouw niet op mij de huid vol te schelden. Tot ik haar de medaille overhandig. Ze neemt het eremetaal beet, kijkt er bewonderend naar en knijpt mij dan stevig in de arm. “Wat zal Giancarlo blij zijn. Volgend jaar komen we zeker terug. Het was zó”, zegt ze en ze maakt de veelbetekenende hoogschattende geste met de duim hoog in de lucht. Wat leven we toch in een rare wereld!

    De uitslagenlijsten van de 7 km. zijn later klaar dan gepland. Het duurt tot bijna drie uur na de koers. Ik vind het zelf erg vervelend. Ik weet dat onze computerman erg bekwaam is en een getrainde ploeg en degelijke apparatuur ter beschikking heeft. Niettemin had hij al bijna een uur eerder klaar moeten zijn. “U wacht opzettelijk lang met de uitslagen” zegt een man “om ons zo lang mogelijk hier te houden, opdat ge veel drank aan ons zoudt kunnen verkopen. Maar bij mij pakt dat niet: ik heb mijn eigen koelbox meegebracht”.

    Oef! De uitslagenlijsten zijn klaar. “In de rij staan!” schreeuwen degenen die ze moeten uitdelen. Ge ziet dat van hier, zegt een jongedame terwijl ze zich met de ellebogen naar voor werkt, om hier te staan tot vanavond laat zeker!

    Een dame vertelt tegen iedereen die het horen wil dat ze ten onrechte niet in de uitslag voorkomt. Zoiets heeft ze nog nooit meegemaakt. Dat ze uitgerekend in Grijsloke niet in de uitslag voorkomt! We beloven haar een uitslagenlijst op te maken waar ze wel in voorkomt. Er bevindt zich namelijk een blanco plaats in de buurt waar ze meent geëindigd te zijn: misschien was haar borstnummer wel gescheurd en onvoldoende leesbaar. Voor elk twijfelachtig geval wordt er een plaats open gelaten teneinde de juiste naam achteraf te kunnen bijdrukken. Een gecorrigeerde uitslag zal haar worden opgestuurd. Ze blijft ongelukkig. Als ze vandaag de gecorrigeerde uitslag niet in handen krijgt zal ze het overal rondvertellen. Want recht moet geschieden. Enfin, we kunnen het vandaag onmogelijk klaarspelen. En ach, het overal rondvertellen doet ze toch.

    Een jongeman die op het erepodium komt is niet opgetogen met de pentekening die hij als trofee ontvangt. Die hang ik ten hoogste in de WC, zegt hij. Over de T-shirt die hij gekregen heeft is hij evenmin tevreden: als er nu nog “Dwars door Grijsloke” had opgestaan… De extra-prijs, een paar loopschoenen, daar is hij wél over te spreken.

    Echt woedend zijn twee veteranen uit de kuststreek. Ze schreeuwen honderd uit tegen Lucien en tegen mij en ze laten ons geen kans er een woordje tussenin te brengen. Bij de ene kan je de verachting voor “Dwars door Grijsloke” zo van zijn gezicht aflezen. Ze hebben kennelijk vorig jaar allebei een trofee behaald en nu is er geen prijs of trofee voor hen weggelegd. Een schande, zegt de ene, dat ze een oud mannetje van zesenzestig in de kou laten staan, terwijl die vrouwen zo geëerd worden. Hij doelt onder andere op Netty Saive uit Eindhoven, die als derde vrouw, en eerste van haar leeftijdscategorie, tweemaal op het podium heeft mogen plaatsnemen. Als we uiteindelijk toch aan ’t woord mogen komen zegt Lucien dat ze gelijk hebben en dat ze inderdaad een extra-beloning ruim verdiend hebben. Ze zullen een pentekening, ingelijst en achter glas, opgestuurd krijgen. Maar ze zouden het nu direct willen krijgen en dat gaat natuurlijk niet. Het lijkt er niet op dat hun gevoelens tegenover “Dwars door Grijsloke” veel zullen verbeteren door het opsturen van de pentekeningen. We moesten die beide heren maar eens bij hen thuis gaan opzoeken als ze wat kalmer zijn, heeft Lucien nog gezegd tijdens het avondfeest. En alleszins gaan we de tweede en de derde van elke categorie alsnog een pentekening bezorgen.

    Over het avondfeest gesproken: één enthousiaste drukke bedoening. Jammer dat een paar jeugdige baldadigaards hun bierglazen aan scherven hebben geslagen in de tent, die opgesteld stond in de weide van boer Van Moorleghem. Eén stukje glas in de weide kan mij een koe kosten, heeft de boer nog gezegd. Het wordt nog uren zoeken naar stukjes glas: één achtergebleven stukje zou wel eens het einde van “Dwars door Grijsloke” kunnen betekenen!

    Een moeder met zoontje aan de hand komt haar beklag doen. Bartje heeft nochtans héél zijn rondje uitgelopen en tóch geen prijs! Eigenlijk zielig voor zo’n kind. Wat voor barbaren zijn het in Grijsloke dat ze zo’n lief klein jongetje een prijsje weigeren? Bartje had weliswaar een bonnetje gekregen aan de aankomst, maar het nummertje dat erop stond was niet in de prijzen gevallen. Waarom geven ze dan bonnetjes als er toch geen prijs mee te verdienen valt? Daar wordt zo’n kind toch afschuwelijk door gefrustreerd… Als je niet iedereen een prijs kan geven, moet je er maar liever niet aan beginnen. Dat komt ervan als je over de achttienhonderd deelnemers hebt en maar twaalfhonderd prijzen.

    En weer komt er iemand klagen dat de uitslagen zo lang op zich laten wachten, van de 20 kilometer. De laatste deelnemer is nochtans amper anderhalf uur binnen. Ik vraag de man eens goed na te denken en mij dan antwoord te geven op de vraag: “Waar te wereld zijn, bij een stratenloop van dergelijke omvang, de volledige uitslagenlijsten sneller klaar dan in Grijsloke?”. In Brugge, zegt de man, de 25 km. voor veteranen in Brugge. Wanneer zijn de uitslagen dan klaar in Brugge? vraag ik. Om vier uur stipt, zegt hij. Maar dat is daar dan toch ook zo’n vier uur na de wedstrijd? O jawel, zegt hij, maar daar weet ge tenminste dat het om vier uur is. Hij gaat meteen weg, want voor hem is de discussie afgelopen en in zijn voordeel beslecht.

    Iemand heeft als prijs een pak diëetvoeding gekregen, met shaker en twee dozen vitamines, totale verkoopwaarde ongeveer achthonderd frank. “Eet gij dat?” vraagt hij mij. “Ik eet dat niet,” zegt hij. “Kan ik er u soms een plezier mee doen?” Ik kan het pak nu niet aannemen. Waar moet ik er mee heen? Zal hij het pak nu weggooien?

    Na de laatste wedstrijd heeft een kind in een glasscherf getrapt, een ander is door een wesp gestoken. Er moet dringend een dokter bijgehaald. Merkwaardig toch dat we dit jaar méér ongevallen te noteren krijgen ná dan tijdens de wedstrijd.

    Ik heb zopas een mededeling gedaan. Ik spring via een plooistoeltje van het podium. Maar het stoeltje kantelt en klapt dicht. Ik hoor een gekraak en voel tegelijkertijd een hevige pijn in mijn rechter onderarm, zo’n vijftal centimeter boven de pols. Heb ik mijn arm gebroken? Neen, gelukkig niet. De botten zitten nog stevig op hun plaats. Ik laat niet blijken hoeveel pijn het doet. Niet kinderachtig zijn nu, in het bijzijn van al die mensen. Mijn vrouw vindt zó al dat ik met die hele Dwars door Grijsloke mijn prestige deerlijk door de modder sleur. Ach, waar is prestige goed voor?

    Schande, roepen de vrouwen. Waarom zijn onze kleedkamers zo vér? En waarom zijn er daar geen WC’s? Gelijk hebben ze. Dat we dáár niet aan gedacht hebben. Dat ruikt inderdaad naar discriminatie. Maar ja, alles is zo primitief in Grijsloke. Er is gewoonweg niéts. Géén zaal, géén douches, géén parking. Gelukkig hebben we boer Van Moorlegem die zijn weide ter beschikking stelt. Verder behelpen we ons met tenten waarvan de huurprijs rond de vijftigduizend frank bedraagt, en geprefabriceerde WC’s. Er is wel stromend water op de weide en er zijn wasbassins.

    Iemand komt mij vertellen dat enkele deelnemers ten onrechte een medaille hebben gekregen bij de aankomst. De zaak zit zó… Wie 200 frank inschrijvingsgeld had betaald, had recht op een medaille, in tegenstelling tot degenen die maar 50 frank hadden betaald. Bij de deelnemers die voor de medaille hadden betaald, was op het borstnummer een sticker geplakt van de sponsorende bank. Enkel diegenen met een sticker kregen de medaille bij de aankomst. Toen de bankdirecteur bij de start tussen de talrijke lopers-met-sticker er ook enkele zag zonder sticker, moet hij gedacht hebben de organisatoren ter wille te zijn door er zelf nog enkele te plakken… op de stickerloze borstnummers. Vandaar.

    De start van de 7 km. was slecht, morren enkelen. Bij nazicht van de videobeelden blijkt dat het inderdaad zó is geweest. Van bij de start is het dus al misgegaan. Lieve Heer!

    Maar dan heb je dít dan weer. Van alle kanten komen er gelukwensen met de puike organistie. Van Fernand Tonneau, Marc Smet, Carlos Lagaisse, Joos Casteele, Hugo Van Krunkelsven, Robert Van de Bogaerd… Ach, waar begin ik aan? Er zijn er honderden die met gelukwensen komen. Alles is perfect geweest. De ambiance, het weer, de volkomen verkeersvrije omloop, een zee van toeschouwers, de verzorging (sponsen, drinken), de fanfare, de aanmoedigingen en de steun van het publiek, de hulpposten (drie dokters, twee vaste en verscheidene mobiele rode kruisposten, twee volledig uitgeruste ambulances, overal CB-ers op de omloop), de bevoorrading aan de aankomst (cola, yogourt) en noem maar op. Heus, een perfecte organisatie. Neen, wees gerust, er viel echt niets op aan te merken vandaag. Een vlekkeloze organisatie. En het schreien staat me nader dan het lachen.

    Waarom doen we het, Lucien? Waarom in ’s hemelsnaam? Jij vooral zult er nog weken lang dag en nacht werk mee hebben: uitslagen, diploma’s, medailles, trofeeën en achtergebleven prijzen en kledij opsturen, klachten behandelen, uitslagen corrigeren, rekeningen vereffenen, materiële schade herstellen, enzovoort. Jij vooral, omdat jij de grote veelzijdige alomtegenwoordige man bent, die overal een mouw weet aan te passen. Maar je zult ook overstelpt worden met brieven uit verscheidene landen, die beginnen met “Beste Lucien”, “Cher Lucien”, “Dear Lucien”, “Lieber Lucien” en zelfs “Caro Lucien”, en waarin “Dwars door Grijsloke” geroemd wordt en waarin ze jou bedanken. Ik weet dat je dan op slag al het doorstane leed zult vergeten en dat je dan wenen zult van geluk, zoals je op 25 augustus bij momenten geweend hebt van wanhoop en ellende.

    Waarom doen we het, Lucien? Waarom steken we er onze energie en onze centen in, terwijl velen denken dat we er een mooie bijverdienste aan hebben? Als ze echt ontevreden zouden zijn, zou het dan kunnen dat ons aantal deelnemers telkenjare dermate groeit? Hebben we dit jaar niet ei zo na de kaap van de tweeduizend deelnemers bereikt? Weet je wat ik denk, Lucien? Ik denk dat we “Dwars door Grijsloke” nóóit moeten opgeven.

     

    (En hoe is het verder gelopen? Reeds na de 10e editie

    - toen was er een record-aantal inschrijvingen van boven de 2000 – heeft Lucien Van Lancker er de brui aan gegeven. Hij had Dwars door Grijsloke groot gemaakt. Hij had een nog véél grootser plan : het organiseren van een “Europa-jogging” cup, in verscheidene Europese landen, waarbij Grijsloke centraal zou staan. Dat plan heeft hij helaas maar gedeeltelijk kunnen verwezenlijken, door gebrek aan medewerking… Zijn ontgoocheling is evenwel niet van die aard geweest dat ze hem belet heeft tot op heden één van de vurigste supporters van Dwars door Grijsloke te blijven. Ikzelf ben pas na de 24e editie uit de organisatie gestapt. Maar Grijsloke, met zijn loopkoers en zijn loopclub, zal een deel van mijn leven blijven, tot het einde van mijn dagen…)


    » Reageer (1)
    01-09-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De 28e Dwars door Grijsloke: afgang van de macho's.

    Dwars door Grijsloke: ’t zit er weer op. En of het geslaagd was! Eén minpuntje: het aantal deelnemers is weer eens achteruit gegaan. En misschien is er nog een tweede minpunt: met de macho’s lijkt het allesbehalve goed te gaan. Jean-Marie is komen supporteren. Deelnemen was er niet bij. Dat wisten we eigenlijk al van te voren. Hij is al enkele weken onder doktersbehandeling wegens rugklachten. Ursin was in geen velden of wegen te bespeuren. Oók gekwetst? Iedereen heeft er het gissen naar. Mysterie! Johan is ook enkel maar komen supporteren. Dat er iets was met zijn voet, dat wisten we al een tijdje, maar het had hem niet weerhouden van de wekelijkse trainingen. Zodus… En Jaak. Is gestart in de 7 km. wedstrijd, doch heeft er na een paar honderd meter reeds de brui aan gegeven. Vanwege een spierverrekking of zoiets. Al dient gezegd dat hij anderhalf uur later de 10 mijl gelopen heeft, zij het in een tijd, die voor hem althans, zwaar ondermaats was. En ikzelf? Driehonderdeenendertigste op driehonderdvijftig aangekomenen. Beschamend. Maar ik heb een alibi natuurlijk. Kniepijn! Met haken en ogen hangen ze nog aaneen, die macho’s. Dat de aftakeling zo snel zou gaan: wie had het ooit durven denken?!

    En morgen verneemt u op deze site, beste lezer, hoe het er een kwarteeuw geleden aan toeging tijdens Dwars door Grijsloke.


    » Reageer (0)
    25-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tante Sidonie in Peking.

    Vlaanderen en Nederland samen één land? Ik heb er altijd wel oren naar gehad. Maar er hebben zich de laatste tijd dingen voorgedaan waardoor ik de fusie niet helemaal meer zie zitten. Enkele dagen geleden zijn de Hollanders begonnen met stokken in de wielen te steken van onze nationale Vlaamse sport, door te beweren dat duivensport geen sport is. Denk eens aan: duivensport géén sport, ik kan er nog steeds niet van slapen! En nu wéér treffen ze de Vlaming in zijn grootste sportieve trots, door te zinspelen op haar hoog… Sidonia-gehalte! Ze bedoelen daarmee dat er een zekere fysieke gelijkenis bestaat tussen ons langwerpig hoogspringend troetelkind Tia Hellebaut en tante Sidonie. Dat klópt natuurlijk wel, maar weten zij dan niet dat die uitspraak precies dáárom zo pijnlijk overkomt, dat de waarheid kwetst? Natúúrlijk weten zij dat! Ze willen ons gewoon kleineren. Onder die voorwaarden wil ik alvast geen fusie met Nederland. Jawel, samen zouden we nu achttien olympische medailles gehaald hebben, maar denkt ge dat die Hollanders het niet zouden uitgekiend hebben dat de inbreng van dat achterlijk Vlaams landsgedeelte maar twee stuks bedraagt? Kaaskoppen van onder en vooral van boven de Moerdijk, luistert allen goed: ik eis verontschuldigingen, of ik stem tégen de fusie. Hebben we ons niet reeds genoeg laten couillonneren, hebben we in ’t verleden al niet te veel naar uw pijpen gedanst? Neem nu, jawel, tante Sidonie. Onder druk van de Hollanders heet ze nu… Sidonia. Belachelijk! En Schalulleke dan. Die heet nu, weer onder druk van de Hollanders,… Schanulleke. Belachelijk! Maar wees er maar zeker van – Willy Vandersteen mag dan nog bezweken zijn voor de Hollanders – dat het gros van de Vlaamse lezers het nog steeds heeft over tante Sidonie en Schalulleke.

    Maar dit terzijde. Hopelijk heeft Tia zich de uitspraak van onze lieve Noorderburen niet al te zeer ter harte genomen. Tia is een knappe lieve sportvrouw. Ik was een fiere Vlaming toen ze daar in Peking minzaam glimlachend op het ereschavot stond, zonder dat er tranen aan te pas kwamen. Tia heeft daarenboven een gave die o zo zeldzaam is bij het schone geslacht: ze spreekt slechts als ze iets te zeggen heeft. Ik zou haar willen vragen: Tia, wilt ge mijn vrouw worden?

    Maar ik wil het natuurlijk met u ook hebben over enkele andere “landgenoten” in Peking. Aan de vrouwtjes van de vier maal honderd kan alleszins niet voorbijgegaan worden. Zilveren medaille, dank zij een vlekkeloze stokwisseling. In geen enkel land kunnen ze de stok zo goed doorgeven als bij ons. En wie heeft hen dat bijgebracht? Rudy Diels, hun trainer. Hier hebben de meisjes hard voor getraind, zegt Rudy Diels, en ze hebben er honderdentien procent voor geleefd. Hoe bedoelt Rudy dat, die honderdentien procent? Letterlijk? Dan zit er bij Rudy een vijs los: méér dan honderd procent bestaat niet! Figuurlijk? Dan moeten ze in de toekomst nog méér hun best doen. Sommige sportlui beweren immers tot tweehonderd, sommigen zelfs tot driehonderd procent voor hun sport te leven…

    Ontroerend was het optreden van Frédéric Xhonneux (uit te spreken als “Oneu”). Tijdens de tweede dag van de tienkamp verscheen deze atleet aan de start van de 400 meter-proef met zijn gewone trainingsschoenen aan de voeten, zonder spikes dus. Na enkele meters staakte hij de strijd. Hij verklaarde achteraf nooit de bedoeling gehad te hebben die 400 meter uit te lopen, vanwege een kwetsuur. Waarom hij dan toch aan de start was verschenen? Om nog eens de Olympische sfeer op te snuiven, om nog eens de Olympische vlam te zien branden en om nog eens op het TV-scherm te komen. Mijn supporters zien mij toch al zo weinig, verklaarde de gekwetste Frédéric. De Hollanders zullen blij zijn dat hij er uit is. Ze slaagden er maar niet in zijn naam behoorlijk uit te spreken en dat komt omdat ze maar niet kunnen begrijpen waarom men “Xh” schrijft, als men het niet uitspreekt. Het is een kwestie van “cachet” denk ik. Zo heb ik, jaren geleden, iemand gekend – ik zweer u dat het waar is – die O heette, simpelweg O, in één letter. Hij had een winkel in hoorapparaten, in het Brusselse, en misschien heeft hij die winkel nu nog. Uit commercieel oogpunt geen zeer geschikte naam dunkt me, want de O werd verward met het cijfer “nul”. Daarenboven had de man vaak last met de administratie. Bij het invullen van formulieren werd er hem op gewezen dat hij zijn hele naam moest invullen en niet enkel de eerste letter. Zelf heb ik hem aangeraden zijn naam te veranderen in “Xhaults”: het zou een boel administratieve problemen van de baan helpen, het zou veel meer “cachet” hebben en het zou maar weinig kosten, omdat het – jaja, beste Hollandse lezer – nog altijd als “O” zou uitgesproken worden. Ik denk dat hij mijn voorstel in overweging genomen heeft, maar bij mijn weten is hij daar (nog) niet op ingegaan.

    En dan is er nog het Vlaamse roeikoppel – of is het “peddelkoppel”? – dat door een Chinees duo met een paar tienden van een millimeter werd geklopt voor de derde plaats in de halve finale van het roeien “twee zonder stuurman” – maar ’t kan dus ook “peddelen” geweest zijn. Nooit iemand gezien met meer ingehouden woede dan de oudste van de twee roeiers c.q. peddelaars. “Ontgoocheling” noemden ze dat op de VRT. Men zou voor minder ontgoocheld zijn: de man zijn hele wereld was in elkaar gestort, alles waar hij jaren had voor geleefd lag nu aan diggelen. Het leek erop dat het leven voor deze man geen zin meer had. En dat alles door de stomme schuld van zijn mederoeier c.q. peddelaar, die vooraan in de boot had gezeten en dus het ritme van de slagen had aangegeven. Welnu, dat ritme was véél te snel geweest in ’t begin, en dat hadden ze op ’t einde moeten bekopen. Náást de ontgoochelde man stond de schuldige. Ootmoedig gaf deze zijn fout toe. Ik denk dat alleen menselijk fatsoen verhinderd heeft dat hij ter plaatse en vóór het oog van de camera de schedel werd ingeslagen door zijn vriend, de “ontgoochelde” roeier-peddelaar. En toch ben ik ervan overtuigd dat de marktwaarde van de meest ontgoochelde roeier-peddelaar aller tijden, niet te lijden heeft gehad onder die nederlaag. Wel in tegendeel. Want hoe was het ánders gelopen? Onze twee (ex)vrienden hadden de finale gehaald, waren daarin ongetwijfeld laatste of voorlaatste geworden en misschien voorgoed in de anonimiteit gegleden. Nu staan ze voor eeuwig te boek als de meest “ontgoochelde” roeiers-peddelaars uit de geschiedenis van de moderne Olympische Spelen. En zeker de helft van de Vlaamse bevolking leeft in de overtuiging dat ze het brons aan hun neus hebben zien voorbijgaan. Brons op een haar na!...


    » Reageer (0)
    20-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Duivensport olympisch?

    Heb ik u, geachte lezer, al verteld dat ik lid ben van het Internationaal Olympisch Comité, het IOC, en dat ik daar een serieuze vinger in de pap heb? Neen? Dat heeft dan enkel te maken met het feit dat ik bescheiden ben. Niet zo bescheiden als Jean-Marie Pfaff natuurlijk, maar toch…

    Waarom ik het bij deze nu tóch zeg? Omdat ik héél kwaad ben. Zelfs een beetje woedend. Komt me daar een of andere Hollander, die blijkbaar een en ander te zeggen heeft, verklaren dat duivensport… geen sport is! Net nu ik een voorstel heb ingediend om van de duivensport een Olympische sport te maken.

    Eerst zijn er de vliegdisciplines. Een korte vlucht over 10 km, een middellange over 100 km en een marathonvlucht over 1000 km. Voor doffers en duivinnetjes, dat maakt dus zes wedstrijden, goed voor achttien medailles. En dan zijn er nog de loopwedstrijden, een honderdtal, vijftig voor de doffers en vijftig voor de duivinnetjes. Er zijn zes verschillende loopafstanden (50 m, 100 m, 200 m, 400 m, 800 m en 1500 m) en vier verschillende loopstijlen: de gewone pas of “schoolpas”, de wippas met beide poten tegelijk of “vlinderpas”, het achteruitlopen of “rugpas” en de “vrije pas”. Verder zijn er nog aflossingswedstrijden per land over vier afstanden, de individuele “wisselpas” over de twee kortste afstanden, alsook de “wisselpas” per landenploegen over de drie kortste afstanden. Negentig loopwedstrijden in totaal. Met de zes vliegwedstrijden maakt dat dus tweehonderdachtentachtig medailles.

    Eén was er die mijn voorstel belachelijk vond. Een ander vond het potsierlijk. Jacques Rogge zelf daarentegen vond het een goed voorstel. Dat ik een van de eersten geweest ben om hem te feliciteren bij zijn verkiezing tot IOC-voorzitter is Jacques niet vergeten. Toen hij nog een jongeman was heb ik hem gekend, in ’t begin van de jaren zestig: we studeerden toen beiden aan dezelfde faculteit. Toch schitterend hoe zo’n simpele ortopedisch chirurg, uit een boerendorp uit de streek van Deinze, het gebracht heeft tot de grote baas van de Spelen. Dat Jacques mijn voorstel steunt zal natuurlijk ook te maken hebben met zijn Vlaamse reflex. Als ons landje ergens goed in is, dan is dat toch zeker wel de duivensport. Van die tweehonderdachtentachtig medailles moet Vlaanderen er toch minstens een derde van kunnen binnenrijven. Dat zou nog eens wat anders zijn dan de nul-komma-nul waarop het bij de Spelen in Peking dreigt uit te draaien!

    Veel begrip heeft mijn voorstel ook gevonden bij mijn vriend Zwentibold. Zwentibold is een pinguïn. Hij woont in Antwerpen. Hij betrekt daar, samen met verscheidene gevleugelde en ongevleugelde vrienden, een soortement appartement, en hij beschikt er over een groot en zeer goed uitgerust zwembad. “Zwentibold” is hoe ík hem noem. Zijn echte naam is Domino, of zo… Niet dat Zwentibold loopwedstrijden voor duiven zo’n briljant idee vindt. Een hardlopende duif vindt hij zelfs een beetje zielig, maar beslist niet zieliger dan een hardzwemmende homo sapiens. Michael Phelps, de prachtatleet-met-borstkas-als-een-kleerkast, die tegen amper acht kilometer per uur voortsukkelt in het water, terwijl honderden reporters staan te brullen over een “moordend tempo”, dát vindt Zwentibold pas zielig. Al ben ik maar een kleine nietige pinguin, zegt Zwentibold, ik zwem vijf keer sneller dan wonderboy Phelps. Daarenboven kent hij een vis die wel dertig keer sneller door het water klieft dan Phelps. Zou de hardlopende duif dan lachwekkender zijn dan de hardzwemmende mens? Zwentibold – alias Domino, of zo – denkt van niet.

    Honderd medailles voor Vlaanderen zouden het er kunnen zijn. Niet denkbeeldig dat een zielepoot er zou uitspringen, die zielepoot Michael Phelps overtroeft met tien gouden medailles en zodoende de nieuwe koning van de Spelen wordt. Maar… helaas, de kans is groot dat mijn voorstel nu niet zal aangenomen worden. En dat alles door die verdomde uitspraak van die ellendeling van een kaaskop, die gesteld heeft dat duivensport in feite geen sport is!...


    » Reageer (0)
    11-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Loezen en flamoezen.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     


    Lily Allen heeft een ongeluk gehad. Het stond in de weekend-krant van Het Laatste Nieuws. Het ongeluk heeft zich voorgedaan in Londen. Lily was op weg naar haar ex-vriend Ed Simons. Ze had een drukke en zware dag achter de rug van shoppen, wandelen met de hond en bezoekjes brengen. En toen ze uit haar auto stapte is het ongeluk plots gebeurd: haar linker borst viel uit haar truitje!

    “Oeps!...”, zo beëindigt de journalist zijn artikel. Béter had ik het zelf niet kunnen zeggen. De journalist is JBR. U vraagt zich misschien af, beste lezer, of dat allemaal wel écht gebeurd is. Of zijn fantasie JBR soms parten gespeeld heeft? Welnu, het antwoord op de eerste vraag is “ja”, het antwoord op de tweede “neen”! Want – hoe enorm kan toeval zijn – PN was in de buurt en die heeft, in koelen bloede, het ongeluk op de gevoelige plaat vastgelegd.

     

    Tja, ongelukken gebeuren nu eenmaal, en daarmee zullen we moeten  leren leven. Opwekkender nieuws is de aankondiging die Herman Brusselmans doet in diezelfde krant: zijn eerstvolgend boek zal de titel dragen “Loezen en Flamoezen”. Ik sta alvast te trappelen van ongeduld. U toch ook?  Ik durf er mijn reputatie op verwedden dat het een wereldhit wordt van het allerhoogste niveau… en een Nobelprijs. In 2011 bijvoorbeeld: ’t zou wat zijn, honderd jaar na de enige Nobelprijs voor literatuur ooit door een Vlaming behaald, namelijk de Gentenaar Maurice Maeterlinck, die schreef… in ’t Frans. Eindelijk zal onze schoolgaande Vlaamse jeugd nog eens fier kunnen zijn op een schrijver van eigen bodem, die daarenboven nog schrijft in de eigen taal. “Loezen en Flamoezen”! Nogal eens wat anders dan “De Vlaschaard” van Stijn Streuvels, waarmee de jeugd in mijn tijd opgezadeld werd. De eerste les ging over de titel: waarom er stond “de vlaschaard” en niet “de vlasgaard”. Een héél lesuur waren we daarmee zoet. Hoeveel boeiender zal dat eerste lesuur dan niet zijn over “Loezen en Flamoezen”!? Geïllustreerd met foto’s van PN.


    » Reageer (0)
    07-08-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Goed nieuws.

    Wat doet een gepensioneerd iemand als ik, een gedreven cursiefjesschrijver, tijdens de vacantiedagen en in zijn vrije tijd? Ik hoor u al reageren, beste lezer: heeft een gepensioneerde dan nog vakantie, laat staan vrije tijd? Maar dan bent u even uit het oog verloren dat het in mijn geval gaat om een “gepensioneerde met toegelaten bijverdienste”.

    Het antwoord luidt: lezen, onder andere. Ik heb het nog eens met Hugo Claus geprobeerd. Aan “Het Verdriet van België” ben ik jaren geleden eens begonnen, omdat het een bestseller was. Verder dan een tiental bladzijden ben ik toen niet geraakt. Bij deze nieuwe poging heb ik er rond pagina zestig de brui aan gegeven. Die lijdensweg kan ik mijn stramme hersens niet aandoen: het boek telt rond de zeshonderd bladzijden… Maar omdat ik koste wat het kost een boek van mijn beroemde stadsgenoot wilde lezen heb ik er dan maar een genomen met veel minder bladzijden: “Het Verlangen”. Zwaar karwei! Zoiets blijft op de maag liggen. Ik heb het doorgespoeld met “Pastoor Campens zaliger” van Ernest Claes: een verademing. Wie schreef ook weer over Hugo Claus: “Rot van talent, maar vooral rot”?

    De kranten bieden evenwel een behoorlijk alternatief. Naast het onvermijdelijk slecht nieuws is er ook goed nieuws en daar kan een cursiefjesschrijver – gedreven, zoals ik al zei – bijna onbeperkt uit putten. Laat ik dan toch maar eerst – bij wijze van aperitief – beginnen met een minder goed nieuwsfeit, uit De Gentenaar van gisteren. ’t Is in feite ronduit slecht nieuws. Bij een grote bank hebben ze een man ontslagen omdat hij zijn werk niet goed zou gedaan hebben. Zijn naam en zijn foto staan open en bloot in de krant. Het is, geloof ik, niet eens zwart op wit bewezen dat die man wel degelijk in de fout is gegaan. En dan zó te schande gesteld worden! Er staat ook bij dat de man een ontslagpremie – een “oprotpremie” zoals het ook wordt genoemd –  ontvangt van vijf miljoen euro. Niet mis, zult u zeggen, daar kan hij twintig villa’s mee kopen. En toch is het slecht nieuws: wat maalt zo’n man immers om geld? De man is zijn job kwijt en zijn eer heeft een ferme knauw gekregen. Wie kent immers niet het spreekwoord: geld verloren, iets verloren, eer verloren, meer verloren, god verloren, ál verloren? Hopen we dus maar dat onze bankier god nog niet kwijtgespeeld heeft, dan is voor hem toch nog niet álles verloren. Uit mijn kinderjaren herinner ik mij nog heel goed dat vader ontslagen werd. Vader was metser, een uitstekend vakman, die nooit iets mispeuterde en nooit zijn werk verlette. Maar wat wilt u: het bouwbedrijf waar hij werkte moest drastisch inbinden en de werklui met de minste ancienniteit werden ontslagen. We zaten zonder inkomen. Van een “oprotpremie” had toen nog nooit iemand gehoord en vader zou het geld zelfs niet aanvaard hebben: vader zou nóóit geld aanvaard hebben waarvoor hij niet had gewerkt. “Naar de dop gaan” was toen geen verplichting, maar als je niet ging kreeg je ook geen werklozensteun. En vader ging niet. Deels omdat hij, zoals ik al zei, geen geld wenste te ontvangen waarvoor hij niet gewerkt had. Maar ook omdat hij daar niet te kijk wilde staan, waardoor het hele dorp in géén tijd zou weten wat hij angstvallig verborgen wilde houden: de schande van ontslagen te zijn op het werk en te moeten leven van een aalmoes… Gelukkig had vader al na een paar weken ander werk en buiten moeder en ikzelf en nog een paar familieleden heeft niemand geweten dat vader ooit werkloos is geweest. Maar met die mijnheer van de bank is het dus véél en véél erger gesteld. Misschien vindt hij wel nóóit meer een job en daar staat hij toch maar lekker aan de schandpaal, te kijk voor een kolossaal publiek, tot ver buiten onze grenzen. Maar, genoeg nu! We schakelen over naar beter nieuws.

    Kim Gevaert. Ze stopt met haar atletiekcarrière na het zomerseizoen, lees ik in Het Laatste Nieuws van eergisteren. In zekere zin is dat spijtig, maar Kim is gelukkig en blij. Waarom zouden ook wij dan niet blij zijn? Ze zal overigens niet in een zwart gat vallen of de schande van de werkloosheid moeten dragen. Ze kan een job krijgen bij de Memorial Van Damme, ze kan aan de slag gaan op het ministerie bij Bert Anciaux, ze kan terecht bij een managementsbureau, ze kan aan het werk bij de tv-zender Vitaya en tenslotte kan ze iets doen met haar diploma van logopediste. En zeggen dat er mensen zijn met drie universitaire diploma’s die nergens aan de slag kunnen… Wat Kim ook zo gelukkig maakt is dat ze nu kindjes gaat krijgen. Ze heeft weliswaar nog geen verloofde, maar ze is toch al twaalf jaar “samen” met Djeke Mambo. Misschien gaat ze zich nu verloven met Djeke en krijgt ze van hem – na twaalf jaar onthouding! – een heleboel kindjes. Koffie-met-melkkleurige kindjes, want met andere zou Djeke dan waarschijnlijk weer niet al te gelukkig zijn.

    Er staat ook een foto van Kim in de krant. De blijheid en het geluk kan de lezer zó van haar gezicht aflezen. En voor wie dat niet kan: Kim schreeuwt het van de daken hoe blij ze is. Ze zal blij zijn als ze goed presteert tijdens de Spelen, maar ook als ze niet goed presteert zal ze blij zijn. En ze zal blij zijn bij haar afscheid op de Memorial Van Damme. Uw dienaar zal daar, bij leven en welzijn, eveneens aanwezig zijn. Zoveel blijheid wil ik live meemaken. Ontroerend toch hoe sommige sportmensen steeds op hetzelfde thema hameren. Bij Kim Gevaert is het “blijheid en geluk”, bij Jean-Marie Pfaff is het “nederigheid en eenvoud”. Twee schitterende sportlui: de ene blij, de andere wars van enige pretentie ondanks alle succes. Goed nieuws dus, in het kwadraat!

    Ander goed nieuws is dat in Meise de penisbloem in bloei staat. Het staat in de Gentenaar van gisteren. Mét foto. Jammer is dan weer dat de bloei amper één of twee dagen duurt. Maar wat wilt u: mooie liedjes duren niet lang. En misschien is het maar beter zo. Met die lijkgeur…

    Dat Lien Van de Kelder weldra uit de kleren gaat op vtm heb ik dan weer gelezen in Het Laatste Nieuws van eergisteren. Ongelooflijk goed nieuws toch voor ieder mens, of ’t zou een afschuwelijke zuurpruim moeten zijn.

    En dan is er nóg goed nieuws, dat weliswaar niét uit de krant komt. Een vriend van mij heeft voor ’t eerst zijn pensioen getrokken. Een zelfstandigenpensioen. Weliswaar niet genoeg om er een auto op na te houden, maar ruim genoeg om er gezond van te leven: bruin brood met karnepap, zelfgekweekte groenten, veel lichaamsbeweging, algehele rookstop en… slechts af en toe een pintje.


    » Reageer (0)
    29-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Grijslokes Olympische maagden.

    De Olympische Spelen staan weer voor de deur. En amper zal het Olympisch vuur gedoofd zijn of daar is er alweer Dwars door Grijsloke, ’s werelds mooiste stratenloop. Niet ongepast dus om het begrip “Grijslokes Olympiade” van onder het stof te halen.

    Iedereen – op een enkele uitzondering na – weet dat een gewone Olympiade een periode van vier jaar beslaat. Grijslokes Olympiade daarentegen – en dat weten een aantal van mijn jongere trouwe lezers waarschijnlijk niet – heeft zes jaar geduurd, van 1991 tot en met 1996. Uit die periode stammen de vijf unieke medailles die elk één van de vijf grote Spelen in het oude Griekenland symboliseerden. Naast de Olympische Spelen waren daar immers ook nog de Isthmische Spelen (in Isthmia, bij Korinthe), de Pytische (in Delphi), de Nemeïsche (in Nemea, op het schiereiland Argolis) en de Panatheneïsche (in Athene). De eerste medaille (zie foto nr. 1) werd geslagen in 1991 ter gelegenheid van de 11e Dwars door Grijsloke. Ze symboliseert de Olympische Spelen, die gewijd waren aan de oppergod Zeus en hun oorsprong hadden in Olympia, in het N.W. van de Peloponnesos. Daar regeerde koning Oinomaos. Deze had een wondermooie dochter, Hippodameia. Vele koningszonen dongen naar haar hand, maar Oinomaos wilde haar niet afstaan. Hij stelde alle huwelijkskandidaten voor hemzelf in een wedren-met-paarden te bekampen. Diegene die er zou in slagen hem in die wedren te verslaan, kreeg Hippodameia als bruid. Slaagde hij daar echter niet in, dan wachtte hem de dood!

    Toen prins Pelops de wedstrijd aanging, waren er hem al dertien dapperen voorgegaan: hun hoofden stonden als afschrikwekkende voorbeelden vastgespiest op lange stokken bij de ingang van ’s konings kasteel. Maar ditmaal liep het anders. Oinomaos brak zijn nek tijdens de race, door een valse sabotagestreek van Pelops – afgebeeld in de rand van de medaille –, waarbij ook de verliefde Hippodameia in het komplot zat. Teneinde de goden te danken om het welslagen van de onderneming en tezelfdertijd verzoening voor zijn misdaad af te smeken, stelde Pelops de Olympische Spelen in, ter ere van de oppergod Zeus. Hippodameia zelf had tot Hera gebeden en nu wilde ze de oppergodin danken door zestien maagden een kleed te laten weven dat de dag van de Spelen naar de tempel van Hera diende gebracht te worden. Diezelfde dag zouden die zestien maagden daarenboven hun eigen Spelen houden: de Heraïsche Spelen. Die Spelen bestonden uit een loopwedstrijd over ongeveer 165 meter, zijnde zes zevenden van de afstand die door de mannen diende afgelegd te worden. Vooraan startten de jongsten, achteraan de oudste meisjes. Ze liepen in korte rokjes die ongeveer tot aan de knieën reikten, met loshangende haren en de rechter schouder evenals de rechter borst ontbloot. De wedstrijd werd op hetzelfde Olympisch stadion gelopen als de wedstrijd van de mannen. De winnares kreeg een olijfkrans en een deel van de koe die aan Hera geofferd werd; tevens kreeg ze de toelating een beeld van haarzelf met inscriptie van haar naam aan te brengen in Hera’s tempel.

    Dit alles geschiedde zo’n vijftienhonderd jaar vóór Christus. Hoe het verder allemaal gelopen is, is niet goed bekend. Uitslagen van de wedstrijden uit die tijd heeft men niet en ongetwijfeld zijn de Spelen in later jaren verwaterd… tot de draad weer opgenomen werd in 884 vóór Christus. Van toen af zijn de Spelen in het oude Griekenland écht de geschiedenis ingegaan: van toen af werden immers de namen van de winnaars genoteerd en die namen zijn tot op heden bewaard gebleven. Van vrouwelijke deelname was toen echter bijlange geen sprake meer. Méér zelfs: het was verboden voor vrouwen, althans voor getrouwde vrouwen, om zelfs maar de Spelen bij te wonen. Op overtreding van die wet stond de doodstraf! De reden was dat de sporters naakt liepen, hetgeen ook het geval was voor de scheidsrechters. Al dient gezegd dat tijdens de eerste zeven Spelen er nog een lendendoek gedragen werd. Tijdens de zevende Spelen gebeurden er echter twee zaken die leidden tot de afschaffing van de lendendoeken. Eerst was er de atleet die tijdens de ren zijn lendendoek verloor, erover struikelde en zijn nek brak. En dan was er een andere die eveneens zijn lendendoek verloor en “met slaande trom” de wedstrijd won. Zijn tegenstrevers protesteerden omdat hij daardoor bevoordeligd was… Dit alles leidde ertoe dat vanaf de achtste Olympische Spelen alle deelnemers en scheidsrechters poedelnaakt ten tonele verschenen.

    Was preutsheid de oorzaak dat de vrouwen geweerd werden op de Spelen? Bijlange niet! Mannelijke naaktheid was in die tijd allerminst taboe. Ten bewijze daarvan de mannelijke standbeelden, waarbij, in tegenstelling tot de vrouwelijke standbeelden, de geslachtsdelen allerminst verhuld werden. Overigens gold het verbod enkel voor getrouwde vrouwen, al dient gezegd dat de ongetrouwden evenmin kwamen, simpelweg omdat ze geen interesse hadden, zo wordt gezegd… En de getrouwde vrouwen? U dient te weten dat degenen die het voor het zeggen hadden vaak oudere heren waren, die er al niet meer zo fris uitzagen en dat de vergelijking met de jonge naakte atletische lichamen van de deelnemers bij hun echtgenotes fel in hun nadeel zou zijn uitgevallen. Vandaar… Toch gebeurde het dat een vrouw tot Olympisch overwinnaar werd gekroond, namelijk in de paardenrenwedstrijd. De winnaar was namelijk de eigenaar of eigenares van het paard, die daarom niet eens het stadion hoefde te betreden.

    In 394 na Christus werden de Spelen verboden door de Romeinse keizer Theodosius, als zijnde “heidens”… tot baron Pierre de Coubertin ten tonele verscheen met zijn “moderne Olympische Spelen”, die van start gingen in 1896. Toen namen er nog geen vrouwen deel, maar dat veranderde snel, reeds bij de tweede uitgave, in 1900, al heeft het nog geduurd tot 1984 voor de eerste marathon voor vrouwen op het programma stond. Een van de grootste pleiters voor die vrouwenmarathon was dokter Ernst van Aaken, de man die in 1982, ter gelegenheid van de 2e Dwars door Grijsloke, een “marathon-voordracht” heeft gehouden in het gemeentehuis van Anzegem.

    Maar laten we nu terugkeren tot “Grijslokes Olympiade”. Het hoogtepunt was ongetwijfeld in 1994, toen Loopclub Grijsloke haar Spelen organiseerde op Griekse bodem, en wel op de authentieke antieke stadions: de Olympische, de Isthmische, de Pythische, de Nemeïsche en de Panatheneïsche. Hierover en over de mythologische oorsprong van de vijf Panhelleense Spelen kan u lezen in “Grijslokes Olympiade”, het boek dat verscheen in 1997 (zie foto’s nr. 6 en 7: cover en achterflap van het boek). Er wordt verhaald hoe de Griekse stadions werden veroverd door een dozijn stoere Grijslookse mannen, maar ook door een half dozijn Grijslookse maagden!

    Enkele jaren tevoren hadden we in Grijsloke al geoefend met maagden, en wel ter gelegenheid van de Gapersstoet in Anzegem. Op foto nr. 2 ziet u de 16 maagdekens die eraan deelnamen. U merkt de ontblote rechter schouder. Het ontbloten van de rechter borst (of de plaats waar die weldra zou ontluiken) was natuurlijk te hoog gegrepen. Op foto nr. 3 ziet u ze met het kleed voor Hera. In Griekenland waren er  maar zes. Het was dus roeien met de riemen die we hadden. Daarenboven waren het geen prille tieners meer en kon er – bij enkelen althans – aan de maagdelijkheid flink getwijfeld worden. Maar de vindingrijkheid van de Grijslokenaars is groot. Op de weg van Nauplion naar Epidauros is er een klooster, Agia Moni. In de buurt van dat klooster is er een bron, de Kanathosbron. Hier nam de oppergodin jaarlijks een bad teneinde haar maagdelijkheid telkens weer te hernieuwen en zodoende haar gemaal genoegen te doen. U begrijpt het, beste lezer, bij het zien van foto nr. 4: de meiden helemaal onderdompelen in het water van de Kanathosbron leek ons niet nodig. Even het bolletje overgieten met het heilig water, door de priesteres van Hera, zou ruim volstaan om van de zes deelneemsters perfecte frisse maagdekens te maken. U ziet ze aan de start in Olympia (foto nr. 5) !...

     

    (Het boek “Grijslokes Olympiade” is helaas niet te koop. U kan het nog wel gratis verkrijgen ter gelegenheid van een training in Grijsloke op zondagochtend om 9 uur, of ter gelegenheid van de 28e Dwars door Grijsloke op zaterdag 30 augustus; gelieve in beide gevallen vooraf een mailtje te sturen naar  kris.vansteenbrugge@skynet.be )

















    » Reageer (0)
    18-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ronde van Frankrijk.

    Is het omdat het onderwerp de mens koud laat dat hij er, na negenhonderdvierentachtig dagen dagboek, nog met geen woord over gerept heeft? Of ligt het onderwerp hem zó nauw aan het hart dat hij aarzelt zijn gevoelens daaromtrent aan de openbaarheid prijs te geven?

    Hebt u, lieve lezer, gedacht dat ik er ook dit jaar zou aan voorbijgaan? Dan moet het er nu uit, ik wil het niet langer verzwijgen: ik ben verslingerd aan de Ronde, al van in 1948. Ik was toen acht jaar oud. Die ronde werd gewonnen door de Italiaanse campionissimo Gino Bartali, die dat tien jaar eerder ook al gepresteerd had. Tweede was Briek Schotte, de “flandrien”. Bartali en Schotte, het waren mijn helden. De enigen die in mijn wielerminnend hart datzelfde niveau hebben bereikt zijn Fausto Coppi en Rik Vansteenbergen. Zelfs de in Meensel-Kiezegem geboren Vlaming Eddy Merckx kon mij in latere tijden minder bekoren. Toen Coppi één jaar later Bartali versloeg, werd hij voor mij de grootste aller tijden, en dat is hij gebleven, tot op de dag van vandaag. De andere goden uit mijn kinderjaren waren Ferdi Kübler en Hugo Koblet, allebei Zwitsers, en de Bretoen Louison Bobet. Louison won drie keer op een rij en dat had voorheen nog niemand gepresteerd. De Brusselaar Flup Thijs won weliswaar in 1913, 1914 en 1920, maar… niet op een rij dus. Ook Vlaanderen had voor mij nog een aantal goden, zij het van een ietwat lagere rang. In de eerste plaats Stanneke Ockers, die nooit won, maar wel een paar keer tweede werd. Ook Marcel Janssens werd één keer tweede. Die viel vooral op door zijn smal gezicht. Nooit een coureur gezien met zo’n smal gezicht. En Jan Adriaenssens dan, die het nooit verder gebracht heeft dan derde – wat natuurlijk ook héél mooi is – maar die vooral opviel door de interviews die hij steevast beëindigde met groeten aan allerlei familieleden en kennissen en… aan zijn verloofde uit Wevelgem. Hij zei nooit “aan mijn verloofde”, maar altijd “aan mijn verloofde uit Wevelgem”. Had hij er elders misschien nog eentje zitten? Eentje dat liever onvermeld bleef? Jan Adriaenssens was van Ruisbroek Sauvegarde en dat ligt niet zomaar op een boogscheut van Wevelgem. Zou hij die “verloofde uit Wevelgem” aan de haak geslagen hebben na de koers Gent-Wevelgem? En de vraag die mij nu nog het meest bezig houdt: zou hij d’r uiteindelijk mee getrouwd zijn? En dan vermeld ik alleen nog Jos Planckaert omdat hij ook eens tweede geweest is en ook wel omdat hij net als Briek Schotte van mijn geboortestreek was. Jos is onlangs overleden. IJzeren Briek heeft ons een paar jaar geleden reeds verlaten…

    Na de drie overwinningen van Louison Bobet was het met de échte wielergoden gedaan. In 1956 won de brave krullebol Roger Walkowiak, onbekend bij het grote publiek. Hij had in die ronde geen enkele rit op zijn naam geschreven en ná die ronde heeft hij, voor zover mij bekend, nooit meer een koers gewonnen. Akkoord, Anquetil won de Ronde vijf keer. Merckx won ook vijf keer en telkens met brio en panache. Vijf keer de Ronde winnen bleek daarna niets bijzonders meer. Hinault deed het, met minder brio dan Merckx. En dat het ook helemaal zónder brio kon bewees Indurain. Deze Spaanse Miguel heeft met zijn vijf overwinningen minder geschiedenis geschreven dan zijn landgenoot Federico Bahamontes, die maar éénmaal won, maar in 1954 op de hoogste berg van de Ronde, iedereen ver achter zich liet, op de top een ijskreempje bestelde en rustig likkend de achterkomers opwachtte. Bahamontes – velen zullen het niet weten – heette eigenlijk Martin. “Bahamontes” was de naam van zijn moeder, en het betekent “over de bergen”. Een passender naam had men niet kunnen bedenken voor de beste klimmer aller tijden, de “arend van Toledo”. Nomen est omen!

    Onvergetelijk was ook de prestatie van Wim Van Est. Hij was de eerste Nederlander die erin slaagde de gele trui te bemachtigen. Het was in het jaar 1951, het jaar dat Koblet won. Bij de afdaling van de col d’Aubisque reed Wim, met de gele trui om de lenden, in een ravijn. “Wim Van Est viel 90 meter diep: zijn hart stond stil, zijn Pontiac liep”. De renner Wim Van Est en de horloges Pontiac zijn hiermee de geschiedenis ingegaan. Ook een straffe prestatie leverde de donkere Algerijn Abdel-Kader Zaaf. Tijdens een snikhete dag was hij uit het peloton ontsnapt. Om zijn dorst te lessen had hij onderweg meer geestrijk vocht tot zich genomen dan goed voor hem was, zodat hij van zijn fiets tuimelde en in een korte roes verzonk. Nog voor het peloton eraan kwam schoot Abdel-Kader wakker, greep zijn fiets en vervolgde zijn weg… in de verkeerde richting, het peloton tegemoet. Het bracht hem geen ritzege op, maar wel wereldfaam.

    Een prestatie die kon tellen in mijn ogen van tienjarige knaap was die van de Roeselarenaar Maurice Blomme in 1950. Maurice won een rit met zowat een half uur voorsprong. Als hij dat nog eenmaal herhaalt heeft hij de gele trui te pakken, dacht ik bij mezelf. Maar Maurice was in die rit boven zijn krachten gegaan: ’s anderendaags gaf hij op. Drie weken later reed hij een koers in Anzegem. Na de aankomst ging ik hem bewonderen toen hij zich stond te wassen op het koertje van café “De Vogelzang”. Een waar privilege was het, zo dicht te mogen staan bij de man die een heldendaad had verricht in de Ronde, en zijn bloot mager lichaam te mogen aanschouwen.

    Nooit heeft een Vlaming, een Westvlaming van Bachten de Kupe, voor meer sensatie gezorgd dan Michel Pollentier, de man van het peertje. Hij werd betrapt met een rubberpeertje vol onbezoedelde urine onder de oksel: een ingenieuze truc, bedoeld om de dopingcontroleurs te misleiden. Aan dat peertje heeft Michel de eeuwige roem te danken. Van dat peertje, dat weet iedereen nog. Maar dat Michel toen “in ’t geel stond” en die ronde had kunnen winnen, wie weet dát nog?

    Ik heb mij natuurlijk ook verdiept in de geschiedenis van de Rondes van vóór de oorlog en in de heroïsche verhalen van de Flandriens. Wie het meest tot mijn verbeelding spreekt is Lucien Buysse. Hij won in 1926, op 34-jarige leeftijd, de langste Ronde uit de geschiedenis, met een voorsprong op de tweede van bijna anderhalf uur, iets wat nooit iemand hem had voorgedaan en evenmin heeft nagedaan. Lucien Buysse was immens populair. In de jaren twintig gaven vele Vlamingen hun pasgeboren zoon de naam Lucien en ze hoopten stilletjes dat hij een even grote coureur zou worden als Buysse. Het gebeurde zelfs dat een veelbelovend knaapje dat bijvoorbeeld Frans heette, de bijnaam Lucien kreeg en die naam zijn leven lang meedroeg. Zo weet er in Anzegem vrijwel niemand dat Lucien Deruyck, één van hun grootste B.A.’s (Beroemde Anzegemnaars), in feite Frans heet…

    Lucien Buysse had al eerder de Ronde moeten winnen, ware het niet dat hij in dienst had moeten rijden van de Italiaan Ottavio Bottecchia, die twee jaar tereke won, in 1924 en 1925. Een jaar later werd Ottavio op training doodgeslagen door een Italiaanse wijnboer, nadat hij, teneinde zijn dorst te lessen, een trosje druiven had gestolen uit de wijngaard van de boer. De ware toedracht van deze zaak is pas veertig jaar later aan het licht gekomen toen de boer zijn misdaad opbiechtte, op zijn sterfbed.

    Drama’s hebben zich natuurlijk ook afgespeeld ín de Ronde. Er waren er die door brute pech een zekere overwinning verspeelden. Zo bijvoorbeeld de Fransman Eugène Christophe in 1913, nog vóór de eerste wereldoorlog dus. Hij brak zijn vork en moest vijftien kilometer te voet naar de dichtstbijzijnde smidse om daar eigenhandig de herstelling uit te voeren.

    Zware valpartijen zijn legio in de ronde en toch kan ik er mij amper twee herinneren met werkelijk dramatische afloop. Eerst was er de veelbelovende en supergetalenteerde jonge Franse renner Roger Rivière die in 1960, na een val bij de afdaling van een col, zwaar verlamd geraakte, voor de rest van zijn leven. Die “rest” heeft overigens maar kort geduurd. Rivière is amper veertig jaar geworden. In 1995 viel de Italiaan Fabio Casartelli in de afdaling van de col du Portet d’Aspet. Hij stierf ter plekke.

    Het meest wereldschokkend drama is dat van de Engelsman Tom Simpson, bij de beklimming van de Mont Ventoux in 1967. Men is het erover eens dat er doping mee gemoeid was. Tom was een uitstekend renner, had vele grote koersen gewonnen en was wereldkampioen. Voor een overwinning in de Ronde had hij alles veil… Daags na zijn overlijden mocht zijn landgenoot en ploegmakker Barry Hoban de rit winnen, als eerbetoon aan Tom Simpson. De sympathieke Barry kreeg er weldra nog een cadeau bovenop: de weduwe en de twee dochtertjes  van zijn vriend. Het nieuwe koppel werd een paar jaar later ook nog verrijkt met een dochter.

    Merkwaardig toch dat de prestaties van Merckx en Armstrong mij minder beroerd hebben dan die van Bartali, Coppi, Kübler, Koblet en Bobet. Het zal wel iets met nostalgie te maken hebben, maar het heeft ongetwijfeld ook te maken met de mystiek die er in die jaren hing rond de Ronde. Nu kunnen we de renners volgen op het TV-scherm, van de start tot aan de aankomst, “live”! Er was toen enkel de radio en de krant. Veel werd aan de verbeelding overgelaten en we stelden ons de “reuzen van de weg” en hun “heldendaden” nog veel groter voor dan ze in werkelijkheid al waren.

    Vraag mij wie in mijn kinderjaren in een gegeven jaar de Ronde heeft gewonnen en ik zal u terstond en zonder nadenken het juiste antwoord geven. Maar vraag me niet wie vorig jaar of het jaar dáárvoor heeft gewonnen. Drie jaar geleden was het Armstrong. Hij won toen voor de zevende keer op rij. En dat voor iemand van wie beweerd wordt dat hij teelbalkanker heeft gehad, zelfs met uitzaaiingen in de hersenen. Operaties, bestralingen en chemotherapie hebben hem er bovenop geholpen. De eerste keer dat Lance de ronde won vonden we dat een wonder, een medisch wonder. Maar allengs raakten we er aan gewoon en toen hij voor de zevende keer won, tja… Vergelijk het met iemand die met een houten been te voet een reis om de wereld zou doen. We zouden het onvoorstelbaar knap vinden. Maar als hij dat zeven maal doet: tja…

    Aan vrouwelijke belangstelling en amoureuze avonturen heeft het Lance Armstrong niet ontbroken, ondanks de teelbalproblemen. Merkwaardig toch dat de meest opzienbarende liefdesaffaires uit het wielermilieu betrekking hebben op twee van de grootste ronderenners aller tijden: Fausto Coppi en Jacques Anquetil. De eerste hield er een geheimzinnige maîtresse op na. Ze was de vrouw van zijn huisdokter en ze vergezelde hem tijdens de wedstrijden. Er hing een waas van geheimzinnigheid rond deze dame, die altijd in het wit gekleed ging. De mysterieuze witte dame! Ook de vijfvoudige rondewinnaar Anquetil snoepte de vrouw van zijn huisdokter af, Jeannine. Omdat zij geen kinderen meer kon krijgen, probeerde hij het met haar dochter. Twee vrouwen in zijn huis, daar kwam ruzie van en tenslotte legde “monsieur Jacques” het aan met de vrouw van Jeannines zoon, zijn aangetrouwde stiefdochter dus, bij wie hij eveneens een kind verwekte.

    Mooie Jacques is de enige renner van wie ik weet dat hij regelmatig een sigaret rookte. Hij is gestorven aan maagkanker toe hij pas drieënvijftig was. Zijn eeuwige rivaal daarentegen, Raymond Poulidor, die telkens weer in ’t zand moest bijten tegen Anquetil en daarom ook “de eeuwige tweede” werd genoemd, is voor zover ik weet, nog steeds in blakende gezondheid en geniet in Frankrijk nog steeds van zijn reputatie als de sympatiekste ronderenner van alle tijden. Poulidor stond niet minder dan acht keer op het podium bij het einde van de Ronde: drie keer tweede en vijf keer derde. Nooit heeft iemand die prestatie geëvenaard. En, symbolisch voor deze sympatieke underdog en haast niet te geloven: niet één keer heeft Poupou de gele trui mogen omgorden.

    Maar laten we het nu toch maar liever hebben over die Ronde waar we nu midden in zitten. Opvallend is dat er geen enkele Vlaming staat in de eerste twintig, doch wel drie Luxemburgers. Dat klein landeke heeft overigens vier keer de Ronde gewonnen: tweemaal met Frantz, eenmaal met Faber en eenmaal met Gaul. In verhouding tot het aantal inwoners zou dat voor Vlaanderen gelijk staan met honderdtwintig overwinningen en voor Frankrijk met vijfhonderd! Het enige land dat ik in staat acht om in de toekomst nog beter te doen dan Luxemburg – verhoudingsgewijs althans – is Monaco. De kleine republiek is reeds goed op weg: vorig jaar haalden ze immers de groene trui binnen met Tom Boonen. Waarom Tom er dit jaar niet mag bij zijn is mij overigens een raadsel. Wegens cocaïnegebruik en omdat hij een voorbeeldfunctie heeft? Hebben wij niet allemaal een voorbeeldfunctie? Eerder zou ik hem schorsen wegens zijn roekeloos autorijgedrag waarmee hij het leven van anderen in gevaar brengt. Met dat verwerpelijk cocaïnegebruik brengt hij slecht zijn eigen gezondheid in gevaar en prestatiebevorderend is het niet. Wel prestatiebevorderend is het erythropoietine(EPO)gebruik waaraan de twee Spanjaarden en de Italiaan Ricco zich hebben schuldig gemaakt – “ricco” is het Italiaans voor rijk en het wordt uitgesproken met de klemtoon op de eerste lettergreep –. Ik ben blij dat die Ricco eruit ligt. Wat had me dat baasje een irritant pretentieus overwinningsgebaar! Coppi zou zoiets nooit gedaan hebben, en Bartali, Kübler, Koblet en Bobet evenmin. Eerst met opgestoken wijsvingers ten hemel wijzen en daarna met diezelfde wijsvingers op zijn borstkas timmeren, als om te zeggen: die god van daarboven, dat ben ik. Of: die kracht van mij, die komt van daarboven. Mijn voeten! Uit een ampulle EPO komt zijn kracht.

    Ik betwijfel of er in ’t verleden veel rondewinnaars zijn geweest die zuiver op de graat waren. Ik heb alvast weet van één die EPO moet gebruikt hebben. Als ik mijn mond zou voorbij praten zou dat waarschijnlijk stof doen opwaaien. Maar wees gerust, ik zál mijn mond niet voorbij praten, vanwege het beroepsgeheim, weet u wel…

    En vraagt u mij nu wie deze Ronde gaat winnen? Kadul? Ik weet het niet. Ik vind Kadul een rare kwast en meer wil ik daar niet over zeggen. Maar als ik Michaël Boogerd met een brede Toon Hermanslach hoor verklaren dat Kadul een laffe coureur is, ga ik toch steigeren. “Laf” is hier niet het juiste woord, Michaël. Dan was Zoetemelk véél laffer! En jóuw manier van koersen dan? Erg dapper, dat wel, en schoon om te zien, maar… dom.

    Maar jawel, hoor, ik heb een favoriet: een Amerikaan, wiens grootouders afkomstig zijn uit Laarne bij Gent. Hoe die er uit ziet? Ik heb er geen benul van. Komt vrijwel nooit in de actualiteit. Zijn naam: Christian Vandevelde, maar dan heel anders uitgesproken, op zijn Amerikaans. Waarom híj de Ronde moet winnen: ik heb er geen andere reden voor dan dat het een voornaamgenoot is van mij en… omdat mijn intuïtie het mij ingeeft. Hopen nu maar dat dáár geen EPO achter zit.

    En tot besluit. De Ronde, ach, ze is nog mooi, maar ’t is niet meer zoals weleer. Zoals in de tijd van Thomas Pips, Lange Lo, Kilo en Kwartje. Komaan Buth, neem die tekenpen nog eens ter hand, en breng voor ons weer de brandende Touractualiteit in beeld, en laat ons weer muisjes zoeken. En al beeft uw hand misschien een beetje, uw fans van weleer zullen het door de vingers zien. Komaan Buth, ge kunt het nog!


    » Reageer (1)
    11-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De krant van 18 juli 1940.

    Op zolder, in een donkere hoek van het ouderlijk huis aan de Broekstraat heeft achtenzestig jaar lang een krant gelegen in een oude kartonnen doos. Het is "DE GENTENAAR - DE LANDWACHT" van 18 juli 1940. Die krant wordt dus over een week achtenzestig jaar en is precies 44 dagen jonger dan schrijver dezes. Gisteren heb ik ze bij toeval ontdekt en van onder het stof gehaald. Die 18e juli is, naar mijn moedertje zaliger mij altijd heeft voorgehouden, de gelukkigste dag van haar leven geweest. Aan de basis van dat geluk lag een artikel uit deze krant waaruit bleek dat haar geliefde echtgenoot "Van Steenbrugge Cyrille" nog in leven was en ongetwijfeld weldra zou huiswaarts keren. Hoe zeer had ze niet gevreesd dat vader in het oorlogsgeweld was omgekomen en nooit zijn enig kind zou mogen aanschouwen!... Ze moet de krant zorgvuldig opgeborgen hebben en misschien is het wel de bedoeling geweest dat ik ze op een dag zou terugvinden. Die dag was dus gisteren. Rond de tijd dat vader "uit den dode verrezen is", zo kan men in de krant lezen, is Marie-Adolphine Miele overleden, alsook Henricus-Carolus Paynjon. Er blijkt ook uit dat Grisolles ten noorden van Toulouse ligt. Ik heb altijd gedacht dat het ten zuiden van Toulouse gelegen was, hetgeen blijkt uit een uittreksel uit mijn memoires (O jerum jerum jerum... 2006).
    De ongelukkigste dag uit moeders leven was toen vader stierf op 8 juni 1973. Ze heeft hem nog twaalf jaar overleefd. In al die jaren is ze nooit meer gelukkig geweest. Het huwelijk van mijn ouders was er een met veel liefde...




    Uittreksel uit "O jerum jerum jerum...":

    Ik ben dus geconcipieerd in de nazomer van 't jaar 1939, toen de tweede wereldoorlog een aanvang nam met de Duitse inval in Polen. Toen op 10 mei 1940 de grote aanval in het Westen begon, werd vader gemobiliseerd en naar Frankrijk gestuurd, naar Grisolles, een dorp ten zuiden van Toulouse, in het departement Tarn-et-Garonne. Vader is daar nooit echt in gevaar geweest en vechten heeft hij er niet moeten doen, maar voor moeder was het een harde dobber. Omdat ze vreesde dat vader misschien nooit meer zou terugkeren, heeft ze er nog aan gedacht mij Cyriel te noemen zoals hij, maar uiteindelijk werd het Christiaan, omdat ze die naam samen al eerder hadden gekozen. Cyriel werd mijn tweede voornaam. Net zo min als nonkel Roger hebben mijn ouders er ooit rekening mee gehouden dat ik ook een meisje had kunnen zijn…

    Daar was nog bijgekomen dat enkele dagen na vaders vertrek, onze Vlaamse mensen hun huizen verlieten, op de vlucht voor het Blitzkrieg-voerende Duits geweld, richting kust. Zo ook mijn hoogzwangere moeder. Samen met haar ouders, tante Jenna, tante Irma en diens schoonfamilie vond ze een tijdelijk onderkomen bij boer Nayaert in Ruddervoorde. Toen ze op 29 mei weer thuis kwam, één dag nadat het Belgisch leger zich had overgegeven, plukte ze al rijpe kersen van onze boom, en het is daarna nooit meer gebeurd dat de kersen al rijp waren in mei. Zes dagen later, op 4 juni, zag ik het levenslicht*, in het kliniekje van dokter Rommens in Anzegem. 's Anderendaags reeds ging moeder met mij naar huis, naar Elsegem. Ik ben dus een geboren Anzegemnaar, maar getogen in Elsegem. Ja, zó heb ik het altijd goed gevonden. Die vierde juni zijn ook John Massis en Germain Heyse geboren. Dat was, afgezien van onze geboorte, overigens geen onbelangrijke datum in de geschiedenis van de tweede wereldoorlog. Het was het einde van de operatie Dynamo, de reddingsoperatie* die tien dagen had geduurd en waarbij enkele honderdduizenden Britse en Franse soldaten via de haven van Duinkerken over het Kanaal naar Engeland konden overgebracht worden, aldus ontsnappend aan het moordend Duits geweld. Die vierde juni was het ook dat Churchill zijn overbekende speech hield: wij zullen strijden, op de stranden en op de landingsbanen*, in de straten en in de velden en op de heuvels en we will never surrender!

    Enkele weken later is vader dan thuisgekomen, met de trein. Moeder liep hem tegemoet. Hij tilde haar wel een meter op van de grond en drukte haar teder in zijn armen. Ik lachte toen vader mij zag. Hij lacht al naar mij, zei hij fier en hij heeft toen zijn soldatenkepie* op mijn hoofdje gezet en tranen van geluk geweend.

     

    » Reageer (0)
    03-07-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gaarne uw mening, Jack.

    Brief aan Jack Vanlichtervelde.

     

    Beste Jack,

     

    Anderhalf jaar geleden – ’t was rond de jaarwisseling – hadden we het over het malthusianisme, de theorie van Malthus. Herinnert ge u dat nog? Sta mij toe dat ik hier nog even de theorie definieer. Dat de exponentiële groei van de wereldbevolking niet zal bijgehouden worden door de economische groei, waardoor onvermijdelijk afgestevend wordt op een catastrofe, de zogenaamde “malthusiaanse catastrofe”. Herinnert ge u ook dat ik toen voorspeld heb dat die catastrofe voor de deur stond, dat ze zich ongetwijfeld binnen de komende paar decennia zou voltrekken en dat de kans er dik inzit dat wij die catastrofe nog zouden meemaken? Welnu, die catastrofe is er reeds: de economie is in vrije val en ze zal nooit meer goed komen.

    Malthus was een fatalist en volgens hem was die catastrofe onvermijdelijk. Geboortebeperking zou theoretisch een oplossing kunnen bieden, maar zelf twijfelde hij eraan of die maatregel in voldoende mate uitvoerbaar was. Wat zien we? Ondanks de geboortebeperkende maatregelen die wereldwijd genomen worden, is de wereldbevolking nog nimmer zo snel toegenomen als dat op heden het geval is. Maar vooral het aantal mensen dat deelneemt aan de verdeling van de koek neemt in een duizelingwekkend tempo toe: de één of twee miljard chinezen – ik ben even de tel kwijt – bijvoorbeeld en de immigranten die uit “onleefbare streken” komen. Met “de koek” bedoel ik in de allereerste plaats… olie!

    Een paar honderd jaar geleden, toen het nog allemaal niet om olie draaide, werd er anders geleefd in onze contreien. De vrouwen werden een keer of twintig zwanger, ze baarden gemiddeld een dozijn kinderen, waarvan er pakweg de helft de volwassen leeftijd bereikten – dat de bevolking niet nog sneller aangroeide kwam ook door de beperkte gemiddelde levensduur –. Dat was de normale gang van zaken, ofschoon er toen ook al in enige mate aan geboortebeperking werd gedaan. Let wel: geboortebeperking was verboden door de godsdienst. Wanneer een vrouw in ’t eerste jaar na haar huwelijk niet zwanger werd, trok de pastoor er heen om te zien wat er aan de hand was, of er in het jonge gezin geen zondige praktijken werden op na gehouden van “coïtus interruptus” of iets in die zin… Zo is er het verhaal van Rommeke Sanders: mijn moeder heeft het mij verteld. Toen ze pas getrouwd was, ging de pastoor er regelmatig op bezoek om haar te wijzen op haar plicht om veel kindertjes op de wereld te zetten. Toen ze er een dozijn had, vertikte de pastoor het bij Rommeke nog binnen te gaan want hij kon niet tegen het lawaai van al die huilende snotterende kinderen en tegen de doordringende stank van de kak- en pisdoeken. Zaadlozing – en het daarbij horend orgasme – dewelke niet tot zwangerschap, zegge nieuw leven, kon leiden, was des duivels, zware doodzonde dus. Over het “onnodig” vrouwelijk orgasme heb ik nooit een uitspraak vanwege moeder de Kerk gehoord. Of dachten ze dat dát niet bestond? Over betrekkingen met een vrouw die al zwanger was, of een die de vruchtbare levensperiode voorbij was, heb ik ook nooit een duidelijke uitspraak gehoord: niet écht doodzonde denk ik, maar wel… af te raden.

    In die tijd stond het afdrijven van een embryo van een paar weken oud, gelijk met doodslag met voorbedachten rade, moord dus. In het hiernamaals werd het veel zwaarder aangerekend dan het doden van honderd ketters, ongelovigen waar geen bekeren aan was. Wie onder dwang de dood verkoos boven het loochenen van zijn god, was een martelaar en werd heilig verklaard. Wie daarentegen zich liet doden of zichzelf van het leven beroofde omdat hij ongeneeslijk ziek was en ondraaglijke pijnen leed, beging een zware doodzonde, werd bij andere zware zondaars in ongewijde grond begraven en mocht al blij zijn als zijn kinderen en kleinkinderen voor zijn wraakroepende zonde niet gestraft werden met een verbod om hun plechtige heilige communie te doen, zoals ook het geval was voor  kinderen van gescheiden ouders. Al dient er gezegd dat er vroeger weinig echtscheidingen waren. Het hoefde daarom niet altijd allemaal koek en ei te zijn in het huishouden. Dat hoorde ik, geen week geleden, zeer treffend verwoorden op de VRT door een “stand-up comedian”, in dezer voege: “Vroeger was alles véél beter. Er werd toen zo goed als nooit gescheiden. Al gooiden de echtelieden hun hele huisraad naar elkanders hoofd aan diggelen, al neukte de man het hele dorp plat, al kwam hij iedere dag stomdronken thuis, al sloeg hij de vrouw op geregelde tijdstippen bont en blauw,  ze bleven bij elkaar, uit… liefde!

    We zijn het gewend geraakt dat het met de economie op en af gaat. Doch wees er maar zeker van dat het nu alleen nog bergaf zal gaan. En de prijs van de olie zal alleen nog maar naar omhoog gaan. Weldra zullen er alleen nog “bedrijfswagens” rijden, maar ook dát zal onbetaalbaar worden. Tot men, over tien à twintig jaar misschien, eindelijk zal inzien dat zon, water, wind en spierkracht genoeg energie kunnen leveren voor de hele wereldbevolking, die tegen die tijd weliswaar tot de helft of tot een vierde zal herleid zijn. De economische ineenstorting zal immers gepaard gaan met ongekende volksvernietigingen door oorlogen en epidemieën: de malthusiaanse catastrofe. Dat is het zelfregulerend effect van de natuur. Want de natuur, mijn beste Jack, bezit regulerende krachten die wij met ons verstand niet kunnen begrijpen. Wist gij dat er in tijden van langdurige oorlogen, waarbij vele manschappen sneuvelen, meer jongetjes geboren worden dan meisjes? Wonderbaar toch!

     

    Gaarne uw mening, Jack, per kerende post.

     

    Uw vriend en oude strijdmakker,

     

    Kris


    » Reageer (0)
    20-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bauwens over Boonen.

    Mijn dochter noemde haar professor in de filosofie steevast "lapzwans" en het vak zelf "lapzwanzerij". Mijn zoon daarentegen heeft ooit zijn gewezen leermeester de filosoof Etienne Vermeersch een buitengewoon verstandig man genoemd "omdat hij zich altijd laat leiden door de rede", ofschoon hij het lang niet altijd met hem eens is. Waren Socrates, Plato en Aristoteles lapzwanzen? Ik zou daarop "neen" durven antwoorden. Werden zij indertijd - en dat is pakweg zo'n 2500 jaar geleden - immers niet tot de verstandigste mensen van hun tijd gerekend? En toen krioelde het van de verlichte geesten in het oude Griekenland!

    Openstaan voor de rede en daarmee alle domeinen van de menselijke geest bestrijken, is dat niet waaraan de filosoof moet voldoen?

     

    Jan Bauwens, filosoof uit Serskamp, niets menselijks is hem vreemd. En dan heb ik het over literatuur, beeldende kunst, muziek, godsdienst, wiskunde, natuurkunde en de andere wetenschappen. Ook de politiek, de media en de sport. Waar staan de media vol van, de laatste tijd? Tom Boonen, topwielrenner, weliswaar woonachtig in Monaco, maar geboren op Vlaamse grond en die de Vlamingen maar al te graag als een van de hunnen beschouwen. Over “de zaak Boonen” schrijft Jan Bauwens op 12 juni, onder de titel “Reklamepanelen met voorbeeldfunctie!?”:

    “Wielergod aan de drugs”, blokletteren de media, maar ze liegen en ze zijn bovendien bijzonder hypocriet: zoals zijn prestaties bewijzen, is deze wielergod volstrekt niét aan de drugs, doch integendeel haast erger nog: hij is aan de schandpaal. En de verantwoordelijken daarvoor zijn sensatiegeile media die voor geld tot alles in staat blijken, desnoods tot het neerhalen van een gewone volksjongen die zijn ganse jeugd opofferde en die dankzij een uitzonderlijk strenge levenswandel en een haast onmenselijk harde training, een dagelijkse bron van vreugde werd voor menig Vlaamse volksmens... die de eigen verzuchtingen in deze god weerspiegeld mag zien.

    De wielergod wordt nu geweigerd in de Ronde, naar verluidt omdat wielergoden een "voorbeeldfunctie" zouden vervullen. En dit is nu wel eventjes de maatschappelijke hypocrisie ten top gedreven.

     

    Hier eindigt het betoog natuurlijk niet, beste lezer. De rest kunt u lezen op de weblog van de auteur-filosoof www.bloggen.be/tisallemaiet.

    En nu hoor ik een van mijn trouwe lezers zich afvragen wat míjn mening is in “de zaak Boonen”. U bent ontgoocheld natuurlijk als ik u vertel dat ik daarover (nog) geen mening heb. U noemt mij een mossel, omdat ik (nog) geen mening heb. Maar Socrates had toch ook niet altijd een mening. Soms was hij er zelfs fier op, geen mening te hebben. Toen hem gevraagd werd of een bepaald mythologisch verhaal écht gebeurd was, placht hij te antwoorden: “de enen zeggen zus, anderen zeggen zo, maar de wijzen twijfelen en… ik wil mij niet van deze laatsten distantiëren”. Zou ik dan dwaas zijn om over “de zaak Boonen” (nu nog) geen mening te hebben? Was ik dwaas toen Maria Debosscher zaliger mij vroeg, jaren geleden, kort voor haar dood:

    - Wat denkt gij over de hemel? Zou hij bestaan of zou hij niet bestaan? De pastoor zegt dat de hemel bestaat, dat daarover geen twijfel mogelijk is. En de pastoor is toch een verstandig man! Maar daar staat tegenover dat Maurice Defoort bij hoog en bij laag beweert dat er onmogelijk een hemel kan bestaan, en niemand zal toch durven beweren dat ook Maurice geen verstandig man is, zeker… Daarom vraag ik het aan u, want ook gij zijt een verstandig man, gij hebt gestudeerd.

    Ik heb haar toen in eer en geweten geantwoord:

    - De pastoor en Maurice Defoort zijn, in tegenstelling tot wat gij denkt, Maria, geen verstandige mensen. Maar ik, Maria, ik ben wel degelijk een verstandig mens: ik wéét het niet, ik twijfel…

    Maria glimlachte. Ik had de indruk dat mijn antwoord haar voldoening schonk en ik had ook de indruk dat ze het meende toen ze mijn hand vastpakte en zei:

    - Gij zijt inderdaad de verstandigste… ik geloof u.


    » Reageer (0)
    12-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De mammelokker.

    Mammelokker! Geen mens die het woord verstaat, of hij moet Gentenaar zijn. “Tiete(n)zuiger” zal ongetwijfeld veel verstaanbaarder overkomen, zowel boven als onder de Moerdijk. En zo weet u meteen, beste lezer, wat een “mamme” is en wat een “lokker” is: een “vrouwenborst” dus en… een “zuiger”. Het zal u dus ook niet verwonderen dat zuigen in ’t Gents “lokken” is, althans als men “zuigen met de mond” bedoelt, want het woord “stoflokker” komt, voor zover mij bekend, niet voor in het Gents dialectwoordenboek.

    Dat mijn “lokker” een oude man is, die in een bordeel de borst van een jonge vrouw in de mond neemt, tot daar nog aan toe. Maar als ik u vertel dat die man de vader is van de jonge vrouw, dan wordt het al heel wat griezeliger…

    U vraagt zich natuurlijk af, u die trouw mijn cursiefjes leest, waarom ik deze  toer opga. Ik, die er steeds zorg voor gedragen heb alle incestueuze obsceniteiten uit mijn pen te bannen. Ze verdient de doodstraf! hoor ik sommigen onder u al roepen, want onze godsdienst laat het niet toe. En toch, sla deze bladzijde niet om, want wat nu volgt is te harer – en ook te mijner – verdediging.

    De man heet Cimon en de jonge vrouw heet Pero. Het verhaal zou een Romeinse legende zijn, maar het gebeuren heeft zich waarschijnlijk afgespeeld in het oude Griekenland. Dat laatste zou mij alleszins niet verbazen, want de enige keer dat ik de naam Pero nog tegengekomen ben, is in de Griekse mythologie. Die Pero was de kleindochter van de zeegod Poseidon en de zuster van Nestor, koning van Pylos. Ze moet zéér mooi geweest zijn…

    Maar keren wij terug tot déze Pero. Haar vader Cimon was een krijgsman die in ongenade gevallen was bij zijn koning, wegens ontrouw aan die koning. Samen met drie anderen, eveneens ontrouwe opstandelingen, werd Cimon in een kerker geworpen, om er de hongerdood te sterven. De vier mochten éénmaal daags bezoek ontvangen doch er mocht hen geen voedsel toegediend worden. Alle bezoekers werden dan ook grondig afgestast om er zeker van te zijn dat zij geen voedsel binnensmokkelden. Sommigen beweren dat de bezoekers zelfs helemaal uitgekleed werden. Het duurde niet lang of de mannen werden bleek en graatmager en weldra stierven ze van uitputting. Tenminste, drie onder hen. Cimon bleef er stralend uitzien, blozend en gezond. De bewakers vonden dat zeer bevreemdend. Het kon niet anders of het dagelijks bezoek van Cimons dochter, Pero, moest hier voor iets tussen zitten. Bij haar eerstvolgend bezoek werd Pero twee keer zo grondig afgetast – volgens sommigen helemaal uitgekleed – vooraleer zij in haar vaders kerker mocht binnentreden. Brandend van nieuwsgierigheid keken de cipiers door het sleutelgat van de gevangenisdeur. Vóór hun ogen speelde zich het fantastisch schouwspel af, lieve lezer, dat ook u kunt aanschouwen, als u een bezoekje brengt aan de Gentse lakenhalle naast het belfort. In later jaren werd die lakenhalle omgevormd tot gevangenis en werd er een cipierswoning aangebouwd. Welnu, boven de ingang van die cipierswoning vindt u een bas-reliëf, uitbeeldend dit indrukwekkend tafereel: een jonge vrouw, pas bevallen van een kind, geeft de moedermelk aan haar vader. En het mooie eraan is dat het verhaal voor beiden een gelukkig einde heeft gekend. De gevangenisbewaker ging zijn bevindingen melden aan de koning. En deze, ongetwijfeld geen ongevoelig man, was dermate ontroerd door zoveel ouderliefde, dat Pero ongestraft bleef en Cimon zijn vrijheid terugkreeg.

    En als u het nog niet kende, dan kent u het nu, het verhaal van de mammelokker. Bent u dan niet blij dat u dit gelezen hebt? En als u de mammelokker nog niet gezien hebt, laat daar maar gauw verandering in komen: ’t es ’t ziene weert!


    » Reageer (1)
    05-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gisteren was het achtenzestig jaar geleden dat...

    Op 4 juni, zag ik het levenslicht*, in het kliniekje van dokter Rommens in Anzegem. 's Anderendaags reeds ging moeder met mij naar huis, naar Elsegem. Ik ben dus een geboren Anzegemnaar, maar getogen in Elsegem. Ja, zó heb ik het altijd goed gevonden. Die vierde juni zijn ook John Massis en Germain Heyse geboren. Dat was, afgezien van onze geboorte, overigens geen onbelangrijke datum in de geschiedenis van de tweede wereldoorlog. Het was het einde van de operatie Dynamo, de reddingsoperatie* die tien dagen had geduurd en waarbij enkele honderdduizenden Britse en Franse soldaten via de haven van Duinkerken over het Kanaal naar Engeland konden overgebracht worden, aldus ontsnappend aan het moordend Duits geweld. Die vierde juni was het ook dat Churchill zijn overbekende speech hield: wij zullen strijden, op de stranden en op de landingsbanen*, in de straten en in de velden en op de heuvels en “we will never surrender”! [dit komt uit “0 jerum, jerum, jerum…” verschenen in 2006, eveneens op de vierde juni]

    Mijn verjaardag is tamelijk onopgemerkt voorbij gegaan en zo heb ik dat het liefst. Toen ik nog een kind was werd er helemaal niet druk gedaan om een verjaardag. Ik had broertjes noch zusjes en buiten vader en moeder was er waarschijnlijk niemand die mijn geboortedatum kende. Maar vader en moeder wensten mij geen “gelukkige verjaardag” en denk nu maar niet, beste lezer, dat ze niet het allerbeste voor hadden met hun enig kind. Wel duizend maal integendeel! Verjaardag wensen was toen doodsimpel niet de gewoonte bij ons. Meestal dacht ik er zélf niet aan, dat het mijn verjaardag was. Het was moeder die er mij aan herinnerde. Bijna ieder jaar bracht ze mijn geboorte ter sprake. ’t Was, voor zover ik mij niet vergis, nooit de vierde juni, maar wel de vijfde. Haar oog viel op “De Druivelaar”. Kijk, kijk, zei ze, ’t was gisteren zoveel jaar geleden dat ík in Rommens kliniekske lag om ú te kopen. En dan kwam weer het verhaal van de oorlog. Ze had het over zichzelf: die vierde juni is waarschijnlijk de belangrijkste dag van haar leven geweest. Het leek wel of die vierde juni háár verjaardag was. Ik gunde het haar. Ze was pas één of twee dagen terug van de vlucht toen mijn geboorte zich aankondigde. Op een boerenkar had ze in haar hoogzwangere toestand dagenlang door het Vlaamse land gehotst en vader zat in de oorlog. Ik was drie maand oud toen vader mij voor ’t eerst zag…

    Later, toen ik getrouwd was en kinderen had, werden de verjaardagen wel degelijk gevierd, met cadeautjes en etentjes. Vaak keek ik er naar uit, naar die verjaardagen. Nu wordt ik liever met rust gelaten. Het liefste nog zou ik hebben dat moeder lief mij vannacht komt bezoeken en zachtjes in mijn oor fluistert: jongen, ’t was gisteren achtenzestig jaar geleden dat ik in Rommens kliniekske lag…


    » Reageer (1)
    03-06-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Plagiaiku's.


    Enkele weken geleden wist ik niet eens wat een haiku was en kijk eens wat ik nu al uit mijn mouw schud: vijf stuks!

     

    haiku nummer 1:

    corruptie mensenrechten

    gebrek aan respect

    de deur blijft open

     

    haiku nummer 2:

    anke een onbekende

    blanke man

    senator ongeschonden

     

    haiku nummer 3:

    de nieuwe kasseien

    zien er mooi uit

    een fietspad in dolomiet

     

    haiku nummer 4:

    alweer relativeren

    pezen die pijn doen

    kunnen niet scheuren

     

    haiku nummer 5:

    krijsende meiden

    vettige ondergrond

    en een moddergevecht

     

    Ik weet het, beste lezer, u staat perplex. U had natuurlijk niet verwacht dat ik in staat was om op die korte tijd zo’n hoog niveau te bereiken. Een normaal mens doet daar veertig jaar over. Maar… halt! Vóór u over mij in superlatieven gaat denken moet ik u opbiechten dat mijn haiku’s in zekere zin plagiaat zijn. Wat zeg ik: in zekere zin? Het ís plagiaat: het zijn “plagiaiku’s”. Voorzeker wordt ik nu voor de rechtbank gedaagd, maar ik zal mijn bronnen vermelden en dat zal mijn straf ongetwijfeld verlichten… Of is er geen gerechtigheid meer in dit land, misschien? Hier zijn ze, de bronnen. Ze komen alle uit de krant “Het Laatste nieuws” van heden 3 juni 2008.

     

    Bron van plagiaiku nummer 1 (uit het internationaal nieuws, pag. 1):

    “… Het begon allemaal met de verklaringen van minister Karel De Gucht over de corruptie en de schending van de mensenrechten in Congo. Aanvankelijk leek het wel over ‘de toon’ van De Gucht te gaan en zijn gebrek aan respectDe deur blijft open...” get. LUK VAN DER KELEN.

     

    Bron van plagiaiku nummer 2 (uit het nationaal nieuws, pag. 1):

    ... Anke Van dermeersch… is in Brussel op straat aangevallen door een onbekende, blanke man… de senator zelf kon ongeschonden ontkomen.” get. VDAA.

     

    Bron van plagiaiku nummer 3 (uit het regionaal nieuws, pag. 15):

    … De werken verlopen vlot en de nieuwe kasseien zien er mooi uit… Er komt een fietspad in dolomiet” get. PETER LANSSENS.

     

    Bron van plagiaiku nummer 4 (uit het sportnieuws, pag. 26):

    … verder kon ze de miserie alweer relativerenpezen die pijn doen, kunnen niet scheuren” get. MM.

     

    Bron van plagiaiku nummer 5 (uit het sportnieuws, pag. 25):

    get. FILIP DEWULF.

    Hetgeen meteen betekent dat we op onze honger blijven zitten tot… Wimbledon, tot wij mooie hijgende en jankende Maria weer op het scherm te zien krijgen.


    » Reageer (0)
    29-05-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief aan een collega.

    Beste Herman,

     

    ’t Is alweer een tijd geleden – een jaar of twee, als ik mij niet vergis – dat je door één van je patiënten deerlijk werd toegetakeld: schedelbreuk, gebroken neus, gebroken ribben… En toch, wees blij, dat je er het hachje niet hebt bij ingeschoten. ’t Had veel erger kunnen zijn, nietwaar? Ik mag hopen dat je er geen hersenletsel aan over gehouden hebt.

    Je vraagt je natuurlijk af waarom ik je deze brief schrijf. Het is om mijn medeleven te betuigen, naar aanleiding van het artikel in Het Laatste Nieuws van woensdag 21 mei. Een paar jaar na de feiten is dus uitspraak gedaan door de rechtbank: een weloverwogen uitspraak ongetwijfeld, aangezien ze er zo lang over nagedacht hebben. De rechter vindt het niet billijk jou een schadevergoeding toe te kennen, “rekening houdende met het grote verschil in vermogen tussen de dokter en de dader”. Dat de zesentwintigjarige dader minder vermogend is dan de zesenzestigjarige dokter kan ik mij voorstellen, maar de formulering doet vermoeden dat men er van uitgaat dat jij een zéér vermogend man bent. Kijk, dáárvan was ik nu niet op de hoogte. Heb jij de rechter inzage gegeven in je bankrekening? Dát had je nou niet moeten doen, Herman. Hoge bomen moeten immers in staat zijn om veel wind te vangen, zal de rechter geoordeeld hebben. In jouw geval zijn dat zware klappen geweest met de ongetwijfeld serieuze fysieke en psychische nasleep, de werkonbekwaamheid, de medische kosten, de advocaatskosten en – geen mens die het kan geloven –  de gerechtskosten, die allemaal te jouwen laste vallen. Dat zal je leren onvermogenden, zeker als ze nogal opvliegend zijn, onder je cliënteel te dulden en je eigen vermogen kenbaar te maken aan de rechter! Misschien ook moet je in sommige gevallen wat “toeschietelijker” kunnen zijn. Zo heb ik bijvoorbeeld in mijn hele carrière nooit geweigerd een bepaald medicijn of een aantal dagen werkonbekwaamheid voor te schrijven als dat mij “met aandrang” werd gevraagd.

    Kan ik veel meer doen dan je mijn sympathie betuigen, mijn beste Herman? Je weet waarschijnlijk wel dat ik geen ziekenhuispraktijk meer heb. Anders had ik jou met het meeste genoegen een gratis behandeling aangeboden, voor het geval je er nog een neusletsel aan over gehouden mocht hebben, dat chirurgische therapie zou vereisen. Neen, geen dank: trouw aan de oude Hippocratische eed heb ik mijn collega’s en hun gezinsleden immers te allen tijde gratis behandeld…

    Maar om het nu over een luchtiger onderwerp te hebben – om het gesprek over een andere boeg te gooien, zoals men zegt – , heb je naar de halve finale van het Songfestival gekeken? Natuurlijk wel. En heb je een stem uitgebracht? Natuurlijk niet. Om voor “O julissi” te kunnen stemmen had je immers naar het buitenland moeten trekken, en dat zou tóch geen zin gehad hebben: er zitten veel te weinig Vlamingen in het buitenland. Voor een ander lied stemmen? Wat zouden we! Je vermindert er de eigen kansen mee en… buiten “O julissi” was er, mijn inziens, maar weinig goeds. Vind je het grappig dat ik het daarover heb? Het komt gewoon doordat er in diezelfde krant van 21 mei nogal wat over nagekaart wordt. “Jammer” en “onbegrijpelijk” (!), wordt er geschreven, maar… komend jaar zullen we wel met een beter lied voor de dag trachten te komen.

     

    Met genegen groeten en hou je haaks!

     

    Kris.


    » Reageer (2)
    15-05-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ik ga nog even door.

    De Monegaskische, Justine Henin, geboren en getogen in Wallonië, houdt het voor bekeken. Dat is vandaag hét grote nieuws in alle kranten. De vele duizenden doden bij de overstromingen in Myanmar en bij de aardbeving in China, zelfs de problemen met Brussel-Halle-Vilvoorde, verzinken erbij in het niet. Terecht eigenlijk. Op één na – Fanny Blankers-Koen, maar dat is 60 jaar geleden – is Justine Henin de grootste sportvrouw die de Benelux heeft voortgebracht. Vrijwel iedereen vind het spijtig dat ze er nu al mee ophoudt. De meesten kunnen evenwel begrip opbrengen voor haar beslissing, die sommigen als “moedig” bestempelen. Men moet zelf sportman zijn om te begrijpen wat er omgaat in iemand die een definitief einde wil maken aan zijn carrière. Zondag laatstleden heb ikzelf, ei zo na, net als Justine Henin, een punt gezet achter mijn sportieve loopbaan…

    Ik voelde mij nochtans in prima conditie, zondagmorgen, vóór de start van de bedevaartloop van Kerselare naar Grijsloke. Bekijk mij maar op de foto: gehurkt, rechts-onder, boordevol energie, boordevol optimisme. Een kilo of tien te  zwaar, dat wel… Op de tweede foto gaat het al veel minder goed. Zie je mij zwoegen in de achtergrond? Pas vijf kilometer zijn afgelegd en ik lig al meer dan honderd meter achter op Johan Dhaene! Akkoord, ik heb een sanitaire stop moeten doen, maar zo’n plasje kost mij amper meer dan vijf seconden… en een beetje natte broek. En het is er niet beter op geworden. De zon brandde genadeloos en mijn achterstand op Johan Dhaene werd steeds groter. En toen er precies een uur gelopen was, bij de derde of de vierde verfrissingspost, heb ik er de brui aan gegeven en ben ik in de bezemwagen gestapt. ’t Was meer dan twintig jaar geleden dat zoiets mij nog eens overkomen was, maar toen was het vanwege een verzwikte enkel.

    En in de bezemwagen, laat ik dat nu maar eerlijk bekennen, beste lezer, heb ik erover nagedacht om de sport vaarwel te zeggen. Ik was al een persconferentie aan ’t voorbereiden: “Mensen van de pers, ik weet dat deze beslissing onverwachts komt, maar het is een wel overwogen beslissing. De druk die op mijn schouders woog werd te groot. Week na week het onderspit moeten delven tegenover Johan Dhaene was psychisch ondraaglijk geworden. Daar komt bij dat ik een nieuw leven wil beginnen. Ik wil nu mán zijn, mij wijden aan mijn gezin (zijn echtgenote, nvdr)”. En de pers: “Een come back is uitgesloten?” En ik weer: “ Die kans is inderdaad klein, maar ik zeg nooit nooit”. Maar toen zag ik plots mijn duizenden supporters, mijn trouwe fans, van overal opdoemen, wenend van verdriet: An, Françoise, Franca, Hilde, Nathalie, Nancy, Veerle, Maria-Magdalena, Rosa, Magda, Ludwine, Regine, Marleen, Tanja, Greet, Sibylle, Mia, Christine, Isabelle, Martine, Claudine, Karijn, Anja, en de zovele anderen. Kon ik hen dat aandoen? Kon ik de sportwereld dit aandoen, die nog steeds zwaar gebukt ging onder het overlijden van de voetballer Sterchele die de vorige week tegen tweehonderdzeventien kilometer per uur tegen een boom knalde?

    U raadt het, lieve lezer, de moed ontbreekt mij, om nu reeds, in de fleur van mijn leven, deze harde beslissing te nemen. Er komt geen persconferentie, geen afscheid. Ik ga er nog even mee door…






    » Reageer (1)
    09-05-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over toebrouks en snelzeêkers.

    Ik weet nog heel goed dat moeder zaliger, telkens als ze iets minder fraais te zeggen had over haar dierbare zuster, tante Irma – eveneens zaliger –, haar betoog begon met: “Ons Irma, ’t is ‘t beste mens van de wereld, maar…” En dan kwam het. Pietluttigheden waren het: tante Irma had een boer gelaten, of ze had vergeten haar voeten te vegen, of ze had iets onbehoorlijks gezegd in ’t bijzijn van de buurman…

    Zal ik nu maar beginnen met te zeggen dat het boek over “Het dialect van Anzegem en omstreken”, naar mijn gevoel één van de beste, zoniet hét allerbeste, in zijn genre is. Ongeveer tienduizend dialectwoorden komen aan bod, alsook duizenden uitdrukkingen en gezegden, naast verhalende rubrieken die doorspekt zijn met dialectwoorden en uitdrukkingen om ui vee’ërs van af te lêkk’n. En bovendien geïllustreerd met foto’s en tekeningetjes. En op zwaar glanzend papier, meer dan 700 pagina’s.

    En nu is ’t ogenblik gekomen om iets minder fraais te zeggen over dat boek, zeker? Iets pietluttigs? Nog niet helemaal. Eerst er nog even op wijzen dat er destijds in de Winkler Prins encyclopedie – dat heb ik althans uit goed ingelichte bron vernomen – rond de zesduizend fouten stonden. Waarom dan zou er niet één enkel foutje mogen staan in het Anzegems dialectboek? Dat foutje betreft de definitie van het woord “toebrouk”: vrouwenonderbroek met enkel twee benen en bovenaan in de lenden bijeengehouden met linten zodanig dat men probleemloos de behoeften kon doen (zelfs) zonder de broek uit te doen. En dan wordt er nog een zinnetje in ’t dialect aan toegevoegd: ’n toebrouk da’ wa’ van veur’n oop’n ên vanacht’r nie’ toe.

    Maar, lieve geïnteresseerde lezer, dat is nu juist wat een toebroek niet is: open! Het woord zegt het zelve: een toebroek is… toe! Het woord is overigens geen echt dialect. Het is goed algemeen beschaafd Nederlands, hooguit wat verouderd. In de “dikke van Dale” staat als definitie: vrouwenonderbroek die van voren en van achteren gesloten is. De definitie die in het Anzegems dialectboek gegeven wordt is die van de “snelzeêker”! En wat in het boek dan wel de definitie van “snelzeêker” mag zijn? Niks niemendal. Ze kénnen het woord niet…

    En mag ik dan misschien een woordje uitleg geven over de snelzeiker versus de toebroek? Vóór de tijd van de french cancan was enkel de snelzeiker bekend. De toebroek werd in die tijd uitgevonden en de bedoeling ervan was om tijdens het naar vóór zwaaien van het been bij de french cancan, niet al te veel intimiteit prijs te geven. Het heeft overigens een hele tijd geduurd voor de toebroek gemeengoed werd: de eerste dragers ervan werden aanzien als vrouwen van licht allooi. Doe dan maar je best om je intieme delen zorgvuldig te bedekken!...

    Maar nogmaals, ik wil absoluut niets afdoen van de onschatbare waarde en de verdienste van dit boek. Een “woordenboek” dat de lezer amuseert en boeit van de eerste tot de laatste bladzijde, geschreven door zes rasechte Anzegemnaren. Geen wonder dat ik fier ben dat ik zelf in Anzegem voor ’t eerst het levenslicht heb aanschouwd.

    Laten we wel wezen: dit is géén publiciteit voor het boek. Het is immers uitverkocht en er komt geen nieuwe druk! Dat zegt men… Denk daar toch nog maar eens goed over na, Frans Dewaele, Paul Verleyen, Frans Mullie, Jo Devos, Mark Mahieu en Erik Depraetere. Ik vind dat die nieuwe druk er beslist wél moet komen, een nieuwe “verbeterde” druk, voor wat namelijk de definitie van de “toebrouk” betreft, en met een plaatsje voorbehouden aan de “snelzeêker”.


    » Reageer (1)
    24-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De haan en de high-koe.

    - Wie mag er vanavond op de hoogste sport zitten? vroeg Martha, de oude dikke bruine kip.

    - Degene die vandaag het grootste ei legt, zei Petrus, díe mag naast mij zitten op de hoogste sport.

    Petrus, dat was de baas van ’t kot, de grote witte haan.

    - Fijn, zei Martha, dat haal ik dan wel, zonder moeite.

    En de kippen – er waren er een stuk of twaalf – deden hun best om een zo groot mogelijk ei te leggen.

    Toen alle andere kippen hun ei gelegd hadden, legde Martha ’t hare. ’t Was stukken groter dan dat van haar naaste concurrente.

    - Fijn, zei Martha, dan slaap ik dus vannacht op de hoogste sport, en schijt op d’anderen hun kop.

    Bah, niet naast Martha, dacht Petrus, en hij legde een ei dat nóg groter was dan dat van Martha.

    - Niemand heeft een groter ei gelegd dan ík, riep Petrus uit, en als er dus íemand het recht heeft om naast mij op de hoogste sport te zitten, dan ben ík dat.

    - Onzin, wedervoer Martha. Ten eerste kan jij niet naast jezelf gaan zitten en ten tweede kan jij geen ei leggen.

    - En waarom zou ik geen ei kunnen leggen? vroeg Petrus.

    - Hanen leggen geen eieren!

    - En ík dan?

    - Ben jíj wel een échte haan?

    - Natuurlijk ben ik dat.

    - Hoe kan dat nu?

    - Er is maar één verklaring voor, mijn beste Martha: je stelling is fout!

    - Welke stelling?

    - Dat hanen geen eieren leggen.

    - Je zal wel gelijk hebben, zuchtte Martha, en ze kakelde een stevig toontje lager.

    Die nacht sliep Petrus alléén op de hoogste sport. Maar toen ‘s anderendaags een jonge fleurige grijs gespikkelde kip het grootste ei had gelegd, haalde Petrus de wonderlijke truc-met-het-supergrote-ei niet nóg een keer boven…

     

    En we eindigen dit verhaal met een “high-koe”:

     

    ’t ei van colombus

    joost mag ’t weten

    hard gekookt en niet te eten

     

    Ach, ik weet het wel, mijn goeroe zal weer zeggen dat dit geen échte high-koe is, maar dat lap ik lekker aan mijn laars. Als ’t voor míj goed is dan moet het maar voor iedereen goed zijn. En daarmee basta!


    » Reageer (0)
    16-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Laatste Nieuws.

    Dat Het Laatste Nieuws een degelijke krant is, wie zou het durven ontkennen? Vooral in ’t week-end krioelt het er van de interessante artikelen. Niet voor niets is het de meest gelezen krant in België – ik schrijf dit helemaal belangeloos – al vraag ik mij soms af waarom er in ons land nog zovelen zijn, voornamelijk intellectuelen en pseudo-intellectuelen, die de duurdere De Morgen of De Standaard verkiezen.

    In de weekendeditie laakt professor Eric De Keuleneer de loonsverhogingen van topmanagers. Er staan foto’s bij van vijftien “goed verdienende” topmanagers. Men noemt ze ook CEO’s en dat schijnt niets anders te zijn dan wat men vroeger PDG (président directeur général) noemde. Een vijftal onder hen verdienen rond de vier miljoen euro per jaar. En daar heeft professor Eric De Keuleneer nu kritiek op, op de hoogte van die weddes. Hij slaagt er evenwel niet in mij te overtuigen. Die mensen werken toch hard voor hun centjes, Eric. Neem mij niet kwalijk, maar ik denk dat gij een beetje jaloers zijt, omdat gij zelf moet rondkomen met een habbekrats van tweehonderdduizend euro per jaar. Dat dit nog altijd tien keer zoveel is als waar ikzelf mee rondkom doet niets ter zake: een mens kijkt nu eenmaal naar boven en niet naar wat ónder hem gebeurt. Maar dan moet u toch bedenken, mijn beste professor, dat ook die Belgische topmanagers naar boven kijken, naar Pierre Lagrange bijvoorbeeld, van het Londense “hefboomfonds” GLP-Partners. Pierre’s wedde bedraagt achthonderd miljoen dollar per jaar. En toch zal die Pierre Lagrange nog opkijken naar ene John Paulson van het New-Yorkse bankwezen, wiens jaarwedde drie miljard dollar bedraagt. Die John Paulson verdient dus ongeveer tienduizend keer zoveel als u, mijnheer de professor. Met andere woorden, die mijnheer Paulson verdient in één uur ongeveer zoveel als u in vier jaar. Zit ge nu nog dieper in de put, professor? Of helpt het als ik u vertel dat de doorsnee Vlaamse arbeider veertig jaar moet zwoegen voor wat de heer Paulson in één uur verdient en de doorsnee arbeider in Haïti zestienhonderd jaar? Beken het nu maar eerlijk, professor De Keuleneer: gij zijt gewoon jaloers! Denk nu niet dat ik u dat kwalijk neem, en ook niet getreurd: jaloersheid is een zéér menselijk gevoelen. Ook ík ben jaloers en nog wel op Herman Brusselmans. Niet omwille van zijn inkomen, want daarover is mij niets bekend, maar wel omwille van zijn fenomenaal literair talent.

    En dat brengt mij onopvallend naar een ander artikel uit de weekendeditie van Het Laatste Nieuws. In zijn wekelijkse column stelt de literaire grootmeester zijn eerstvolgende roman voor. De titel ervan luidt: “Ik Zit Met Een Ei In Mijn Broek”. Ziehier hoe Brusselmans schrijft over zijn volgende roman (ik citeer letterlijk):

    … hij zal handelen over m’n angstaanvallen in de jaren tachtig. Ik was toen zo angstig dat ik niet eens aan een willekeurig meisje durfde te vragen: “Mag ik m’n tong in je vrouwelijk geslachtsdeel steken?” Op een bepaalde dag, ik zal het nooit vergeten, het was op 17 juni 1988, durfde ik het toch vragen en dat meisje zei: “Oké, als ik mijn tong in je mannelijke reet mag steken.” Wat een vies meisje! Om haar te straffen voor haar verregaande sexuele losbandigheid gaf ik haar een rechtse hoek, een uppercut, een mep tegen haar kanis, een safflet tegen haar bakkes en een patat op haar neus. Bloedend zeeg ze ten gronde. Ze kon nog net fluisteren: “Herman, ik heb je lief”, waarna ze het bewustzijn verloor. Ach, over m’n avonturen in de jaren tachtig zou ik beter zwijgen, want dat waren poelen van ellende, zeeën van miserie, en oceanen van malaise, tristesse en onheil.’ (einde citaat)

    Hoogstaande wereldliteratuur dus, waarmee de Nobelprijs literatuur ons, na de mislukkingen van Louis-Paul Boon en Hugo Claus, nog moeilijk kan ontsnappen. Ongetwijfeld zit heel literatuurminnend Vlaanderen nu uit te kijken naar Brusselmans’ nieuw meesterwerk. Zoals dat met al zijn boeken gaat, zal het binnen de kortste keren uitverkocht zijn en aan een herdruk toe. Enkele tienduizenden exemplaren… Moet het, begripvolle lezer, verwondering wekken dat ik jaloers ben op zoveel talent? Ik zou maar wat graag zo’n column hebben in Het Laatste Nieuws – ik durf wedden dat Brusselmans daar zelfs nog voor betaald wordt ook – en wat heerlijk moet het zijn om op de boekenbeurzen te staan en je eigen werk te signeren en te zien hoe je boeken als zoete broodjes aan de man komen. Van “O jerum jerum jerum…”, mijn eigen “meesterwerk”, heb ik, och arme, amper tweehonderd stuks verkocht en dat is nog niet één honderdste van wat Brusselmans verkoopt. Begrijp me nochtans niet verkeerd: ik klaag niet! Ik heb daar immers geen reden toe: Brusselmans heeft duizend maal méér talent dan ik en hij verkoopt slechts honderd maal méér boeken… Overigens zou ik Herman Brusselmans moeten beklagen. Ook híj kijkt immers naar boven, naar wiens werk nog beter verkoopt dan het zijne. En wie ziet hij daar? Piet Huysentruyt! Piets boeken zijn stuk voor stuk goed voor honderdduizend exemplaren. En tóch sla ik het werk van Brusselmans hoger aan. Zou Herman niet jaloers zijn op het succes van Piet? Ja, Herman jong, Piet is nu eenmaal niet de eerste de beste, want – dat durf ik nu reeds voorspellen – ongetwijfeld de grootste Westvlaming van de eenentwintigste eeuw, in navolging van Briek Schotte, die in de vorige eeuw die titel in de wacht heeft gesleept…


    » Reageer (2)
    14-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het cordon, schematisch.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Schematische voorstelling van het – vermeende? –  cordon sanitaire, zoals het zich voordeed bij de lichting 1965 en waarover ik verteld heb in het cursiefje van 30.1.2008. Het was mij toen helemaal ontgaan dat Marc Vanhoye de man was die dit fenomeen ontdekt heeft in het begin van de zestiger jaren. Hiernaast trouwens een schematische en wetenschappelijk gefundeerde voorstelling van dat cordon (op een Petry-schaaltje!) van Marc Vanhoye zelf. De tekening dateert uit die tijd. Voor zover mij bekend heeft de geleerde daar nooit de Nobelprijs voor gekregen...

    (klik op de afbeelding om te vergroten)

    N.B. Enig misverstand dat door mijn verhaal van 30.1 zou kunnen gerezen zijn i.v.m. de uitvinding van het “cordon sanitaire” heb ik rechtgezet in een brief aan professor Marc Vanhoye zelf, op datum van gisteren 13.4.2008.


    » Reageer (0)
    13-04-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief aan Marc Vanhoye.

    Beste Marc,

     

    In januari heb je mij beloofd enkele oude foto’s op te zenden uit onze studententijd en een paar dagen later heb je dat ook gedaan. Ik heb jou toen hetzelfde beloofd, maar… van díe belofte is nog niets in huis gekomen. Ik zou kunnen aanvoeren dat ik ziek ben geweest – een “serieuze” griep – en dat, toen ik pas hersteld was, mijn vrouw het nog erger te pakken had. De voornaamste reden is echter dat mijn hele winkel een chaos is: ’t ligt allemaal door elkaar, een kat zou er zijn jongen niet in vinden, zoals ze zeggen. Het ergste is evenwel dat ik een lompe vlegel ben: ik heb je nog niet eens bedankt voor die foto’s en ze zijn nochtans van ’t beste wat mij ooit onder ogen is gekomen. Ik heb het over de foto van professor Sebruyns en over de drie foto’s aan de dissectietafel – de foto’s van de clubavonden had ik al…

    Sebruyns! Ik heb er een cursiefje aan gewijd op mijn weblog en die foto heb ik erbij geplaatst. Onvergetelijk is die man. Hij was niet alleen de allerbeste en aangenaamste lesgever die wij ooit gehad hebben, hij doceerde daarenboven in het eerste jaar het enige vak waar wij als toekomstig “geneesheer” iets aan hadden: cytologie ofte celleer. De andere vijf vakken waren… tijdverlies. Ik kan ze nog perfect opnoemen: anorganische scheikunde, plantkunde, plantenfysiologie, logica en natuurkunde (mechanica en optica).

    De organische scheikunde werd gedoceerd door professor Massart. Hij was biochemicus en een niet te onderschatten geleerde: verscheidene belangrijke wetenschappelijk prijzen zijn hem ten deel gevallen. Hij probeerde ons een vorm van scheikundig redeneren bij te brengen met stippeltjes. De stippeltjes stelden de electronen van de “buitenste schil” voor: die waren belangrijk voor de chemische verbindingen. De meesten snapten het niet. Ik ook niet. En toch… Met vijftien boden we ons aan bij Massart voor ons eerste examen. Negen van de vijftien kregen na een minuut of vijf van de prof te horen dat ze nul op twintig kregen en dus aan de overige vijf examens niet meer hoefden deel te nemen. Ik was als bij wonder bij de zes die nog mochten verder doen! Dat de geleerde Massart zijn kleine kantjes had, lijdt geen twijfel. Hij was een verstokte roker, een echte kettingroker, ook tijdens de les. Hij had een rokershoest en een zware hese stem en een hoge leeftijd heeft hij, naar ik vermoed, niet bereikt.

    Dan waren er de plantkundige vakken. Het ene ging over de morfologie van de planten en het werd gedoceerd door professor Verplancke. Voor zover ik mij kan herinneren moesten wij  de voortplantingscycli van talloze plantensoorten kennen. Met bolletjes en pijltjes moesten we op ’t examen de cycli tekenen van onder andere Solanum tuberosum of van Bellis perennis en vaak wisten we dan niet eens dat het ging om de “aardappel” of het “madeliefje”. Verplancke sprak altijd plat Gents en hij articuleerde daarenboven slecht, zodat je al van geluk mocht spreken als je de vraag verstaan had. Het niet verstaan van de vraag interpreteerde Verplancke als kwade wil en vaak kon je het dan meteen voor bekeken houden. Ik had alles van de bolletjes en de pijltjes als een aapje van buiten geleerd en ik had de vraag goed begrepen: de nodige ingrediënten voor een goed examen. Het ander plantkundig vak ging over de fysiologie van de planten. Lesgever en examinator was professor Matton. Ik herinner mij daar niet veel meer van. Zoals de meesten was ik geslaagd voor dit examen. Over mijn kennis van de plantkunde viel dus niet te klagen. Ik kende het verschil tussen een perelaar en een notelaar, en tussen een boterbloem en een paardenbloem en ik wist dat één mei een geschikte datum is om erwtjes te zaaien, maar niet om bomen te snoeien. Maar die wijsheden had mijn vader mij bijgebracht: ik was een kind van den buiten. Verplancke en Matton, wat hebben ze bijgedragen in mijn opleiding tot arts: niets! Nul komma nul!

    Het vak “logica” van professor Leemans, was een klucht van de bovenste plank. Van Leemans heb ik geen enkele les bijgewoond. Ik heb de prof voor ’t eerst gezien op de dag van ’t examen. In mijn boek “O jerum, jerum, jerum…” heb ik verteld hoe ik het klaargespeeld heb om voor dat vak een mooi cijfer te krijgen (veertien op twintig), zonder dat ik ook maar één vraag heb hoeven te beantwoorden…

    Het vak natuurkunde was een ware ramp. Allemaal wiskundige formules, honderden bladzijden. De trillende snaar, de wetten van Poiseuille en Bernouillie: ’t had allemaal niets met geneeskunde te maken. Wie geen wiskundeknobbel had leerde de meest gevraagde formules van buiten – o stom nutteloos paardenwerk! – en dán mocht het wel eens lukken. Welke vraag professor Moens mij gesteld heeft weet ik niet meer. Ik had het alleszins niet goed geleerd en ik zei dat ik een andere oplossing bedacht had dan die welke in de cursus stond. Moens – hij heette Roger met zijn voornaam – interpreteerde dat alsof ik zou beweerd hebben dat ik een “betere” oplossing had. Hij voelde zich diep beledigd, werd razend kwaad en zette mij meteen aan de deur. En dat in mijn zesde en laatste examen! Tweede zittijd dus…

    Maar wonder boven wonder: ik bleek toch geslaagd te zijn in de eerste zittijd! Ik was één van de veertig à vijftig gelukkigen, op 192 ingeschrevenen. Ik had er maar één verklaring voor: het vak natuurkunde zal toch niet zo zwaar doorgewogen hebben en in de overige vijf vakken moet ik ongetwijfeld goed gescoord hebben.

    Eén jaar was achter de rug en hoever waren we opgeschoten in de richting van… doctor in de genees-, heel- en verloskunde? Geen millimeter! Wat een verschil met het onderwijs heden ten dage! Er zijn nog steeds zes vakken: 1° fysische en chemische grondslagen van de celbiologie, 2° celstructuur en -functie, 3° celmetabolisme, 4° moleculaire biologie en genetica, 5° infectie en afweer, 6° gezondheid en maatschappij. Daarbij komt dan nog een praktisch vak: eerste hulp bij ongevallen en communicatie. In dat eerste jaar leren ze reeds de klinische vaardigheden EHBO en reanimatie. In onze tijd leerden wij niets over reanimatie, zelfs niet in het laatste jaar. Er waren er zelfs die het diploma van “doctor in de genees-, heel- en verloskunde” haalden zonder ooit één verlossing zelfstandig te hebben verricht.

    Je vraagt je natuurlijk af hoe het komt dat ik zo goed op de hoogte ben van het huidig studieprogramma in de faculteit geneeskunde. Héél toevallig. Ik ben gewoonweg ingegaan op een uitnodiging aan alle Alumni-leden, oud-studenten geneeskunde, universiteit Gent:

    woensdag 9 april 2008 om 17.30: Universitair Ziekenhuis Gent (auditorium D) - Filmfestival van de Vlaams Geneeskundige Kring (ieder studiejaar van de opleiding geneeskunde zal een film van ca. 10 minuten tonen waarbij ironie en humor zullen troef zijn!) - Alle Alumni-leden worden van harte uitgenodigd”.

    Een unieke gelegenheid toch om eens te peilen naar de zieleroerselen van diegenen die ons over enkele jaren gaan behandelen in de geriatrische kliniek. Weet je ’t nog van de meesterlijke revues die wij, een halve eeuw geleden, opvoerden in de Minard? Daar waren ironie en humor toch ook troef? Maar driewerf heilaas… Er wás geen film in auditorium D. Ik bleef wat rondhangen in de buurt van het auditorium in de hoop er toch minstens één Alumni-lid tegen het lijf te lopen. Niet één! Waren al die anderen ervan verwittigd dat de film niet doorging, en ík alleen niet?

    En toch ben ik niet ontevreden over mijn bezoek aan het UZ Gent op woensdag 9 april. Er was namelijk een “infodag” voor toekomstige studenten geneeskunde. In de hal lagen info-brochures bij de vleet en daaruit heb ik dus mijn kennis over het huidig studieprogramma gehaald. Daar lagen ook uitgestald ál de cursusboeken van het eerste jaar. Nu noemen ze dat “eerste bachelor”, wij noemden het “eerste kandidatuur”. Mooie gedrukte cursussen waren het, een dozijn ongeveer, van een tweehonderdtal bladzijden elk. Ik heb ze gretig doorbladerd en ik heb ze dicht tegen mijn gezicht gebracht en er de heerlijke geur van opgesnoven. Ik had zin om tussen de “toekomstige studenten geneeskunde” te gaan zitten, maar daarvoor was ik precies éénenvijftig jaar te laat, het zou hilariteit opgewekt hebben. Hadden we, vijftig jaar geleden, maar zo’n fijne cursussen gehad! Hádden wij eigenlijk wel gedrukte cursussen? Van Sebruyns en van Moens was er één, geloof ik, maar voor de rest? Dat had wel eens rampzalige gevolgen: herinner je het verhaal van Gigi, de Rosten en Marcel Marchau uit mijn “Memoires”. En dan die profs! Hoeveel eigenzinnigaards waren er niet bij? Hoevelen waren er niet die vlug op de tenen getrapt waren? Hoevelen waren niet bevooroordeeld? Er waren lomperiken bij en bullebakken en er was er minstens één bij die dement was en leed aan Parkinsonisme – je weet wie ik bedoel. Van inspraak vanwege de studenten was toen geen sprake. Ik had een vriend die voor ingenieur studeerde: eerste drie jaar geslaagd in de eerste zittijd en telkens met onderscheiding, maar zijn vierde jaar heeft hij drie keer moeten overdoen, net zolang tot die ene prof die hem niet kon uitstaan met pensioen was gegaan. ’t Zal nog steeds wel niet allemaal op wieltjes lopen, maar ik ben ervan overtuigd dat de opleiding nu véél en véél degelijker is. Ik ga mij morgen, of overmorgen misschien, tot Onze-Lieve-Heertje richten en hem een deal voorstellen: ik wordt weer zeventien, met dezelfde hersentjes van toen – die van heden stellen niet al te veel meer voor – en ik beloof dat ik alle lessen trouw zal volgen en alle dagen flink zal studeren en het einddiploma zal halen met minstens “grote onderscheiding”. Dat zou jíj ook moeten doen, Marc: samen kunnen wij wellicht meer gewicht in de schaal werpen bij Onze-Lieve-Heer…

    Maar meer nog dan de foto van Sebruyns hebben mij de drie foto’s van de dissectietafels ontroerd. ’t Zijn stuk voor stuk de drie meest pakkende foto’s die ik mij kan voorstellen. Terwijl wij de lijken dissecteerden stonden we waarachtig te roken. Een reusachtige asbak stond op de buik van het lijk. Eén lijk was er per zes studenten. Vanaf de tweede dag had het niets griezeligs meer. Ieder kadaver gaven wij een naam: Jules of Jef of Gerard of… Adolf. Op een andere foto lijkt het wel of het lijk zelf een groet brengt met opgeheven arm, maar ’t is natuurlijk Valeer Vanruymbeke die hem daarbij een handje helpt. Die foto heb jij heel terecht de naam gegeven “groeten uit het hiernamaals”. De foto die mij evenwel het meest van al getroffen heeft is  die met de vier meiden die ons jaar toen rijk was, geschaard rond hun “slachtoffer”. Eén onder hen heeft met ons de eindmeet bereikt in 1965, een ander heeft nog een jaartje gebist en is afgestudeerd in 1966, een derde is overgeschakeld naar de tandheelkunde en is tandarts geworden en de laatste heeft na dat jaar definitief afgehaakt en we hebben nooit meer iets over haar gehoord. En wat zo pijnlijk is, Marc, twee van de vier zijn jaren geleden reeds overleden, in de fleur van hun leven. En ik moet je iets bekennen: ik vind dat het mooie meisjes waren. Natuurlijk, zou mijn moeder gezegd hebben, ze zijn jong en dus zijn ze mooi. En toch is dát ons toen niet of nauwelijks opgevallen – of mag ik alleen voor mezelf spreken? Jouw zus vond ik bijvoorbeeld véél knapper. Zeg, hoe gaat het met haar? –  Hebben wij ooit met één van die vier meiden een serieus intiem gesprek gehad, zijn wij één keer galant voor ze geweest, hebben wij ooit één van hen uitgenodigd voor een kop koffie met een gebakje bij Bloch? Misschien komt het doordat we teveel tijd doorbrachten op clubavonden en bij voorkeur een lief opscharrelden tijdens de studentenbals of in dans-café’s. Die geschiedenis van het “cordon sanitaire” is maar gedeeltelijk waar, denk ik. Misschien is het wel iets dat we zelf uitgevonden hebben om ons een alibi te verschaffen. En ik die dacht dat ikzelf die term ter plekke uitgevonden had, tijdens de bijeenkomst van de lichting ’65 op 17 januari ll. Wat blijkt nu? Dat jíj de uitvinder bent van het “cordon sanitaire” en dat je dat cordon schetsmatig hebt voorgesteld in ’t begin van de zestiger jaren, toen Claudientje nog de enige por van ons jaar was en wij ons voorstelden dat zijn “geen spek voor onze bek” was. Je was toen al een begaafd tekenaar en het doet mij plezier dat je dat talent niet hebt laten verloren gaan. Er staat je ongetwijfeld nog een grote carrière te wachten als beeldend kunstenaar. Tot mijn spijt heb ik je tentoonstelling in Borgerhout niet kunnen bezoeken. Hopelijk komen er nóg tentoonstellingen. Je houdt mij toch op de hoogte?

    Mijn excuses voor dit kort briefje. Ik ga nu TV kijken: Parijs-Roubaix.

    Met studentikoze groeten, ook aan ’t vrouwtje,

    Io Vivat!

    Kris


    » Reageer (0)
    28-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bloch.

    Gisteren weer eens een bezoekje gebracht aan mijn dierbaar Gent. Hoofddoel van de reis was de patisserie Bloch. De bakkerij-patisserie Bloch stopt ermee op 29 maart, morgenavond. Allen daarheen dus, nu het nog kan. Iedere rechtgeaarde Gentenaar treurt om dit heengaan. Het etablissement dateert al van de 19e eeuw en is dus ruim boven de honderd jaar oud. Morgen is de fatale dag. Het doet mij pijn aan het hart. Niet dat ik er ooit eerder een voet heb binnengezet, maar honderden keren – als ’t er geen duizenden zijn – ben ik er voorbij gewandeld tijdens mijn studentenjaren. Er waren altijd veel klanten. ’t Waren meestal mooi versierde en bepoederde dames van meer dan middelbare leeftijd. Heel soms zat er een deftige student met een dito  lief. Eén keer heb ik er zelfs Jack Vanlichtervelde zien zitten met een lief. Hij is daar nu nóg beschaamd over. De “serveuses” waren allemaal jong en er waren er een paar heel knappe bij. Alles gepercipieerd doorheen de vitrines, nooit binnengeweest, ik zweer het u, beste lezer.

    Waarom, o waarom moet Bloch verdwijnen? Dat is wat wij ons allemaal afvragen. Omdat de zaak verlieslatend is, klinkt het. Als er één goed draaiende bakkerij-patisserie is geweest in Gent, dan toch Bloch wel zeker. Hoe rooien die andere het? En dan wordt er nog gefluisterd dat het personeel bij Bloch steeds “onderbetaald” is geweest. Dat kan dus niet waar zijn!

    Met de trein van 12.18 uur naar Gent Sint-Pieters. Tram één naar de Korenmarkt. Je bent er zó. In het restaurant “Le Petit Paradis”, Donkersteeg nummer 19, is het gezellig toeven en ze hebben er heerlijke friet-stoverij met een pilsje, aan een studentenprijsje. Ik ga nog even een groet brengen aan Klokke Roeland op het burgemeester Braunplein, aan de Mammelokker achter het belfort en aan het monument van Jan Frans Willems op het Sint-Baafsplein. In de schouwburg spelen ze “De Geruchten” van Hugo Claus. Het stuk begint pas om 20.30 uur en wie weet of ik dan nog de laatste trein haal. Géén Hugo Claus dus vanavond.

    De friet-stoverij is al een beetje gezakt, het regent, maar Bloch is niet ver. Alvast eens zien of er geen mooie film is in de Sphinx, Sint-Michielshelling nummer 3. Vroeger was daar de cinemazaal Plazza, waar vrijwel uitsluitend Duitstalige films werden vertoond. Ik herinner mij nog enkele filmsterren uit die tijd: Magda en Romy Schneider, Karlheinz Böhm, Maria Schell, Horst Buchholz, Peter Lorre, OW Fischer, Marlene Dietrich. Nu zijn er verscheidene zalen. In één ervan spelen ze een film over het leven van Edith Piaf: La vie en rose. Om 17.00 uur. Nostalgie. Dat staat mij wel aan. Eerst Bloch dus.

    De bakkerij-patisserie bevindt zich op de hoek van de Veldstraat en de Hoornstraat: tien minuutjes wandelen, een snelle wandelaar kan het in vijf. De “verbruikerszaal” zit stampvol. Toch lukt het om, na enig speurwerk, een vrij plaatsje te bemachtigen. De meisjes lopen gejaagd en chagrijnig tussen de tafels. De sfeer is allesbehalve vrolijk. Ik heb plaats genomen naast een bejaard koppel. Ze zijn hier al jaren trouwe klant. Ze hebben een koffie besteld en daar wachten ze op. De vrouw heeft vijf suikerkoeken gekocht, één voor elk van haar kinderen: het zijn de laatste. De vijf suikerkoeken liggen vóór haar op het tafeltje, ze hebben ze zo in haar handen gestopt. Ik zou een zakje moeten hebben om de koeken in te doen, zegt de vrouw, maar ze zeggen dat er geen zakken meer zijn. Van op de plaats waar ik zit zie ik een stapeltje plastic zakjes liggen. Kijk daar eens, zeg ik. Ze heeft er uiteindelijk eentje bemachtigd, niet zonder moeite. Eerst weigerden ze een zakje te geven, dan bleek dat ze er eentje kon krijgen tegen betaling, doch uiteindelijk was het toch “gratis”. Ik bestel een koffie en een appelflap. De appelflap is op, zegt het meisje nors, alsof ik dat diende te weten. Maar ook de chocoladekoeken zijn op en de boules de berlin. Kies zelf maar wat, zeg ik. Ook dát staat haar blijkbaar niet aan. Toch komt ze even later terug met de koffie en een of ander uitgedroogd gebakje met een stuk half en half tot moes gekookte appel erop. De koffie is allesbehalve lekker en lauw bovendien. Ik eet het gebakje maar half op. Twee reporters van Het Laatste Nieuws zijn op pad. Ze vragen of ik de zaak al lang ken, of ik een trouwe klant ben van de zaak, of ik mijn kofiie met gebak lekker vind, of ik het spijtig vind dat de zaak definitief sluit. Ik geef hen ronduit mijn mening. Er is ook een persfotograaf. Ik pak de vrouw van de vijf suikerkoeken vast en allebei zetten we onze vriendelijkste glimlach op: zaterdag verschijnt de foto in de krant. Maar goed ook. Zo heb ik nog een beetje waar voor mijn geld: voor de koude koffie en het onsmakelijk stukje taart betaal ik al evenveel als voor mijn overheerlijke friet-stoverij in “Le Petit Paradis”.

    Er is nog net een beetje tijd over om binnen te wippen bij De Slegte. Eens kijken hoe de verkoop loopt van “Trou Moet Blycken”, u weet wel, het prachtig lijvig boek van Gerrit Komrij, de grootste hedendaagse dichter uit het Nederlands taalgebied. Op 13 februari waren er nog zeven exemplaren te koop à 2,99 €. Ik heb er toen één gekocht. De zes andere liggen er nog steeds. En ik die dacht dat ze – tegen die prijs! – reeds lang als zoete broodjes – ándere dan die van Bloch – van de hand zouden gegaan zijn…

    Voor “La vie en rose” is de belangstelling maar matig. Hier geen Bloch-toestanden: in de grote bioscoopzaal zitten vier mensen, met mij erbij is vijf en dan komen er nog twee oude vrouwtjes. Aan de ingang staat niemand om te controleren of we wel een entreekaartje hebben. Logisch: als ze voor zeven man een controleur moesten aanwerven zou het voorzeker een verlieslatende zaak worden. De film lijkt mij niet super-gemakkelijk te volgen, in de eerste plaats door de talrijke nogal ingewikkelde flash-backs. Persoonlijk heb ik daar geen moeite mee, maar dat komt ongetwijfeld doordat ik reeds goed ingewerkt ben in de materie: het boek “Edith en Simonne” gelezen, plus tweemaal het gelijknamig toneelstuk. Ik hoop maar dat de twee oude dametjes even goed hebben kunnen volgen.

    Op de trein naar huis wacht mij een aangename verrassing, iets waarvan ik niet meer hoopte dat het mij nog ooit te beurt zou vallen… De conductrice heeft mijn identiteitskaart gevraagd, om te controleren of ik wel degelijk de vijfenzestig voorbij ben en dus recht heb op verminderd tarief! Als zíj het mag weten, dan u ook, mijn beste trouwe lezer: over een dikke twee maand word ik achtenzestig. Maar, toegegeven, ik zie er vééél jonger uit…


    » Reageer (0)
    24-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Achilleus' wraak (To Margos).

    Een jonge man van vijfenzeventig, met wie ik regelmatig enkele kilometers hardloop in Grijsloke, stuurt mij heden een episch gedicht dat hijzelf zestig jaar geleden geschreven heeft. Hij vond het in een oud schoolschrift. Zelf vindt hij het maar gebrabbel – dit kan toch niet anders dan (valse?) bescheidenheid zijn – en daarom mag ik enkel zijn schuilnaam vermelden. Ik wil het u niet onthouden. Het hoeft niet onder te doen voor het werk van een allervoortreffelijkste Homeros.

     

    Achilleus’ wraak

     

    Machtig als een god zo ment hij zijn gespan de wallen rond.

    Krakend hotst de wagen voort en draagt Achilleus ongewond.

    Groots en edel drijft hij 't paardenkoppel over 't dorre land,

    Slepend achter zich het lijk van Hektoor aan een leed’ren band.

    Driftig viert hij nu zijn woede bot al rennend rond de stee,

    Harder wil hij rennen, zonder wraak is hij niet meer tevree.

    Onbezonnen, zonder medelijden rent hij haastig voort.

    Doden was hem niet voldoende, "wraak" dat was zijn hoogste woord.

    Razend van genot en wellust hitst hij 't koppel paarden aan.

    Patroklos, zijn vriend, verwachtte zeker dat hij toe zou slaan.

    't Klagend kermen op de wallen houdt zijn driften niet meer in,

    Alles in zijn hart en ziel is vol met teugelloze zin.

    Vrouwenklacht en kinderschreeuwen deren hem voortaan niet meer,

    Bloed en wraak en tranen wil hij, dat is d’hoogste eer.

    Wolken stuiven rond 't gespan, dat krakend over d'aarde vliegt,

    Op Achilleus’ bloedrood hoofd een heldere helmbos snokt en wiegt.

    Doch d’onverzaagde man staat als een beeld zo sterk en pal,

    Grimmig, 't hart vol wellust, kijkt hij, vloekt hij over Trojes wal.

    Zijn genadeloze blik schiet gensters uit zijn rode kop.

    Zie, zo rent hij zeven malen rond en houdt dan eindelijk op!

     

    To Margos, 1948.


    » Reageer (1)
    23-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over Hugo Claus, Alzheimer en euthanasie.

    Er is de laatste dagen nogal wat te doen geweest over de dood van de grote Hugo Claus. Over Alzheimer en euthanasie en de kritiek vanwege de – stuiptrekkende – Kerk… Natuurlijk heb ook ík daar mijn mening over. Ik neem nochtans de vrijheid die mening niet van de daken te schreeuwen, zelfs niet op deze weblog neer te schrijven. Enerzijds omdat ik mij niet in staat acht om mijn genuanceerde gedachten omtrent deze materie – die onmogelijk veel van die van mijn weldenkende lezers kunnen verschillen –  met voldoende preciesheid te formuleren. Anderzijds omdat ik er mij voorlopig liever toe beperk mijn oor te luisteren te leggen bij “beroepsmensen”, specialisten ter zake: ethici, filosofen… Op zijn weblog  www.bloggen.be/tisallemaiet schrijft Jan Bauwens, filosoof, een stukje over euthanasie, Hugo Claus en René Stockman, onder de titel “De duivel of de dood”. Aanbevolen!

     

    Wat Hugo Claus betreft. Hij heeft zijn prille kinderjaren en zijn rebelse jeugdjaren doorgebracht in Kortrijk. Zijn ouderlijk huis bevond zich in de Deken Degryselaan op minder dan een kilometer van mijn woning. Dat schept al enigszins een band natuurlijk. Zijn kolossaal oeuvre is mij nochtans te weinig bekend. Zelfs “Het verdriet van België” heb ik maar gedeeltelijk gelezen…

     

    En over Alzheimer. In mijn beroep, maar ook in mijn familie, heb ik velen gekend die door de aandoening getroffen waren. Over Marie Van Hout heb ik zelfs een gedichtje geschreven. Ik citeer even uit mijn (onuitgegeven) dichtbundel “Er is geen god voor hondjes”:

     

     

    Ze was één van mijn patiënten. Op haar oude dag was ze een hulpeloos mensje, waarvan men zich haast niet kan voorstellen dat het ooit jong en mooi en aantrekkelijk is geweest.

     

     

    Marie Van Hout

     

    ze weent als het niet hoeft

    en ze verslikt zich om de haverklap

    ze heeft Alzheimer of Parkinson

    of weet-ik-hoe-dat-heet

     

    hoe zou Marie Van Hout geweest zijn

    in haar jonge jaren?

    misschien heel knap en sexy

    misschien ook niet

    misschien maar heel gewoontjes

    en een beetje aan de bedeesde kant

     

    maar eens is er een man geweest

    die háár de mooiste vond

    en nu is er die therapeut

    die haar weer slikken leert

     


    » Reageer (1)
    21-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De nacht van de geschiedenis.

    Omdat u er op 18 maart, tijdens de “Nacht van de Geschiedenis”, niet was in “De Kleine Kluis” te Anzegem-Grijsloke, om mijn voordracht over de Griekse goden te aanhoren, hebt u mij, gewaardeerde lezer, flink ontgoocheld. Mijn excuses nochtans als u toevallig toch één van die pakweg vijftig aanwezigen mocht geweest zijn, of als u toevallig met veertig graden koorts te bed lag of als uw aanwezigheid die avond elders vereist was.

    En toch waren de organiserende Davidsfonders blijkbaar niet ontevreden met die “pakweg vijftig” aanwezigen. Een twintigtal jaar geleden ging het er nochtans anders aan toe. Voor datzelfde Davidsfonds en in datzelfde Anzegem – weliswaar in een andere zaal – hield ik toen een voordracht over de mythologische koningen van Athene en toen zat de zaal bomvol: óver de tweehonderd aanwezigen. Ik heb toen een opzienbarend experiment gedaan. Ik had een pot aarde bij, die ik had meegebracht uit Griekenland. Die aarde was Gaia, onze almoeder. Vóór de ogen van de aanwezigen zou ik een in-vitro fertilisatie bewerkstelligen door moeder Aarde te bevruchten met het sperma van Zeus, dat zich ongetwijfeld moest bevinden in een klein flesje regenwater dat ik persoonlijk opgevangen had boven op de Akropolis van Athene. Ik zocht het flesje in de zakken van mijn jas, maar daar zat het niet. Misschien zat het in een zak van mijn lange beige mantel, die in de vestiaire hing, aan de eerste kapstok, te beginnen van rechts? Of iemand dat even voor mij wilde halen? De vrouw van de apotheker, die bij de uitgang zat, verklaarde zich bereid. Ze was al de deur uit toen de apotheker zelf rechtstond en achter haar aan ging. Hij zal het zaakje ongetwijfeld niet vertrouwd hebben…

    Triomfantelijk overhandigde ’s apothekers vrouw mij het flesje. Als een volleerd klinisch bioloog mengde ik een hoeveelheid van de rood-bruine aarde met het water, in een Petry-schaaltje. Als iedereen in de zaal nu maar vertrouwen had, was het niet uitgesloten dat over een dik uur – goddelijke kinderen groeien snel! – een nimfje zou beginnen groeien in de nu fel steenrode brei. Wel twee uur luisterden de aanwezigen met ingehouden adem naar de heldendaden van Aigeus en Theseus. Toen vroeg ik aan de dokter van het gezelschap of hij naar voor wilde komen om samen met mij, met behulp van een vergrootglas, vast te stellen of er al dan niet een nimfje aan ‘t groeien was in de rode brei. Maar we vonden niets. En niemand die zich echt ontgoocheld toonde. Logisch, zeiden ze allemaal, zoiets is toch onmogelijk. Maar ik ben er nog steeds van overtuigd, dat ze ’t in den beginne wél geloofd hadden, de dokter inbegrepen.

    Mijn voordracht had toen ongetwijfeld stof doen opwaaien en hier en daar weerklank gevonden in Davidsfondskringen. Geen week later werd ik opgebeld door het Davidsfonds van Assebroek, een gemeente bij Brugge. Daar zou nog meer volk zijn. Althans, dat hoopte ik. Er waren er welgeteld… dertien. Vóór zo’n klein aantal toeschouwers heb ik altijd plankenkoorts. Ik voelde mij allerminst op mijn gemak. Jawel, ik mag gerust zeggen dat ik stond te rillen op mijn benen. Ze zaten mij aan te kijken, die dertien, met uilenogen, emotieloos. Of verbeeldde ik mij dat maar? Vlak vóór mij, in ’t midden, zaten twee streng kijkende bejaarde paters. De ene, zo zou ik al spoedig vernemen, was de abt van de belangrijke abdij van Steenbrugge, een deelgemeente van Assebroek. De andere was een pater van dezelfde abdij, maar van lagere rang. En mijn speech handelde over Aphrodite, de godin van de liefde, en haar allerminst christelijke levenswandel!...

    Ik zou liegen als ik zou verklaren dat de lege zaal allengs óvervloeide van enthousiasme. En toch, er waren er twee bij wie mijn voordracht “aansloeg”: de paters! Na afloop overdonderden ze mij met vragen over het onderwerp en ze nodigden mij uit, ondanks het late uur, om met hen mee te gaan naar de abdij. Dáár hadden ze mij interessante dingen te tonen.

    In één van de kamers van de abdij stonden indrukwekkende kostbare antieke meubelen. In de deuren van de kasten en in de hoge leuningen van de stoelen waren prachtige taferelen uitgesneden. Alle stelden ze iets voor uit de Griekse mythologie. Of ik enige toelichting kon geven bij die taferelen? Het lukte mij aardig, althans in de meeste gevallen. En waar het mij niet lukte, verzon ik maar wat. De paters glunderden: hun meubelen waren plots fel in waarde gestegen. Op één van de stoelleuningen stond de geboorte van Aphrodite uitgebeeld. Uit het schuim van de zee! Schuim? Dat deed pater abt eraan denken: of ik geen trek had in een pintje bier? Ze hadden daar in de abdij van Steenbrugge uitstekend bier. Twee soorten eigenlijk: dubbel en tripel. Het bier droeg de naam van de abdij, maar ook mijn naam: Steenbrugge. Zo heb ik, méér dan twintig jaar geleden dat bier leren kennen, en ik durf hierbij, in eer en geweten en met de hand op het hart, verklaren dat het Steenbrugge-bier het beste is van de hele wereld.



    Zo was die dag nog goed geëindigd. Maar mijn ontgoocheling over het kleine aantal toeschouwers en de grote verplaatsing die ik daarvoor had moeten maken, was dermate groot dat ik aan het Davidsfonds liet weten dat ze voortaan op mij geen beroep meer konden doen. Maar toen ze mij enkele maanden geleden vroegen om nog eens in Anzegem te komen spreken en dan nog wel in mijn geliefd Grijsloke, heb ik toch weer toegezegd. Aan mijn voordracht in Anzegem had ik immers geen nare herinnering…

    Gerard en Lieve waren er,  Jan en Sabine en Peter en Katrien. En Fernand was er, en Johan, Rudy, Remi, Daniël, Jean-Marie en Gilbert en Jan Goemare: allemaal kennissen van mij en dus voor míj gekomen natuurlijk. De anderen waren de échte Davidsfondsers, jonge en minder jonge volwassenen. Er zat ook een pienter jongetje, van een jaar of veertien: Quinten. Die zal het nog vér brengen. Er waren er verscheidene met een klassieke universitaire scholing. Vanwege het onderwerp natuurlijk. ’t Is alles bij elkaar goed gelopen: van acht tot elf, en niemand die zich verveeld heeft – daar had het tenminste alle schijn van. Ik had dan ook het hoogtepunt voor ’t laatst gehouden: Priapos. U kent hem wel, de lelijke mismaakte god met de reuzegrote naar achter gerichte penis, buiten alle proporties. Daar had Hera, de oppergodin, voor gezorgd door kort vóór Priapos’ geboorte de zwangere buik van zijn moeder Aphrodite aan te raken met de kwade hand.



    Daar werd gegniffeld in de zaal toen ik die aanraking demonstreerde bij de onmiskenbaar zwangere voorzitster, maar dan niet met de kwade doch wel met de goede hand, zijnde de rechter. Het kind wordt dus ongetwijfeld een genie, mijn beste Els. Ik had ook een beeldje meegebracht van Priapos, maar o wee, weer had ik het in de zak van mijn mantel gelaten – alleen de ezels stoten zich geen tweemaal aan dezelfde steen. Ditmaal was er de gedienstige Nicole die het voor mij ging halen: in mijn lange beige mantel in de vestiaire, eerste kapstok van rechts. In tegenstelling tot wat zich twintig jaar geleden heeft voorgedaan, was dit wél opgezet spel: ik had het van te voren afgesproken met Nicole. Ook nu zorgde dit voorval voor de nodige sfeer…

    Achteraf werd er, voor mij althans, nog een leuk einde gebreid aan die “Nacht van de geschiedenis”. Er werd mij een pracht van een boek overhandigd, een kolos van meer dan zevenhonderd bladzijden op dik glanzend papier, handelend over het dialect van Anzegem en omstreken. Een beter boek in zijn genre kan ik mij niet voorstellen. En dan was er nog een “enveloppe” met inhoud, waarmee mijn verplaatsingskosten ruimschoots vergoed zijn. Dan ben ik wel beter af dan Jean-Luc Dehaene, die zich tevreden moet stellen met een fles wijn als hij ergens gaat spreken –  zo verklaart hij althans in Het Laatste Nieuws van 28 september 2007. De bewering van het weekblad “Trends” als zou Jean-Luc minstens 20.000 euro per toespraak krijgen, is dus je reinste onzin. Jean-Luc zal het zelf toch wel beter weten, zeker. Wat er ook van zij, het Davidsfonds Anzegem-Kaster mag in de toekomst te allen tijde  beroep doen op mij.


    » Reageer (2)
    07-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrije meningsuiting.

    Een op zijn minst zéér interessante weblog is die van Jan Bauwens: www.bloggen.be/tisallemaiet . Deze week trok een artikel op dat blog mijn bijzondere aandacht. Aanvankelijk was ik zinnens er slechts enkele zinnen uit te citeren, maar na het lezen van de “noot” onderaan heb ik wijselijk besloten het hele stuk te citeren. En dat is waarschijnlijk maar best zó: het zijn immers alle wijze woorden, van een wijs man.  

     

     

    03.03.2008

    xml:namespace prefix = v ns = "urn:schemas-microsoft-com:vml" />Het gevaar van de verabsolutering van het recht op vrije meningsuiting.

    Het gevaar van de verabsolutering van het recht op vrije meningsuiting.

    Het ontzeggen aan mensen van het recht om hun mening te uiten over zaken die hen hetzij rechtstreeks hetzij onrechtstreeks aangaan, is vanzelfsprekend moreel verwerpelijk. Met betrekking tot de islam wordt daar omtrent dezer dagen heel wat heisa gemaakt. Maar die heisa dreigt ons iets nog veel belangrijkers uit het oog te doen verliezen.

    Men mag immers niet blind zijn voor het feit dat de institutie van een absoluut recht op vrije meningsuiting - paradoxaal genoeg - al even verwerpelijk is als een spreekverbod, en bovendien bijzonder gevaarlijk voor de cultuur zelf. Ziehier waarom dit aantoonbaar het geval is.

    Waar bepaald wordt dat iedereen altijd alles mag zeggen, heeft het er alle schijn van dat woorden eigenlijk niet al te ernstig moeten genomen worden. Het lijkt dan alsof woorden in feite geen daden waren, of tenminste geen daden met relevantie voor al datgene waar het werkelijk om gaat.

    Maar in dat geval ziet het er naar uit dat het woord uit de 'echte' wereld verbannen wordt naar die van het spel of van de sprookjes. Een eerste paradox is dan deze: waar woorden niet langer ernstig hoeven genomen te worden, wordt vrij spel gegeven aan het geweld... waartegen het woord aanvankelijk immers het enige wapen was.

    Edoch er is nog een veel indringender consequentie: als woorden niet langer ernstig hoeven genomen te worden, vervalt uiteindelijk het begrip van de "waarheid" zelf. Waarheid immers, staat noodzakelijk in betrekking tot de werkelijkheid.

    Zo komt het dat de institutionalisering van het absolute recht op vrije meningsuiting meteen de verbanning inhoudt van de waarheid.

    Jan Bauwens, 3 maart 2008

    Noot: overname en publicatie van deze tekst is zonder de schriftelijke toestemming van de auteur enkel toegelaten voor niet-commerciële doeleinden en mits integrale en ongewijzigde weergave van de tekst, de titel, de auteursnaam, de datum, het website-adres en de onderhavige noot.

     

    Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het met de schrijver volkomen eens ben dat absolute vrije meningsuiting – “om ’t even wát mogen zeggen over om ’t even wie of wát” – ongetwijfeld nefaste gevolgen zal hebben. En dat geldt natuurlijk ook voor het ontkennen van feiten of personen, d.i. het beweren dat historische figuren of dito gebeurtenissen nooit hebben bestaan. Zo herinner ik mij uit mijn lagere schooltijd dat er in mijn dorp een jongeman was die verkondigde dat de grote Mahatma Ghandi slechts een hersenspinsel was van de politici en dus nooit écht heeft bestaan. Alles wat over Ghandi geschreven werd in de kranten – televisie was er toen nog niet – deed hij af als larie, opgezet spel. Haal nu maar die meewarige glimlach van uw gezicht weg, waarde lezer: niemand minder dan mijn moedertje zaliger was door die man geïndoctrineerd en tot het einde van haar dagen heeft zij er wel degelijk aan getwijfeld of “de Mahatma” écht bestaan heeft, en toen was de “ontkenner” al lang geïnterneerd. Ze hebben hem inderdaad in een gesloten instelling geplaatst omdat bleek dat hij aan schizofrenie leed…

    Terwijl ik deze regels schrijf zit ik in de trein naar Brussel. Op dit eigenste ogenblik stopt de trein in Waregem, de stad waar Briek Schotte woonde toen hij op het hoogtepunt van zijn carrière was. Ik mag er niet aan denken dat er op een dag iemand opstaat, een “ontkenner”, die urbi et orbi verkondigt dat… Briek Schotte nooit bestaan heeft. IJzeren Briek, de laatste der Flandriens, tweemaal wereldkampioen wielrennen geweest en onlangs nog verkozen tot de grootste Westvlaming aller tijden! Ik heb hem persoonlijk gekend, niet zeer intiem natuurlijk, maar toch. En dan komt iemand beweren dat Briek enkel maar een mythe is, dat alles wat er in de media over hem gepubliceerd is, pure verzinsels zijn! “Wie, mijn beste vriend, mag dan in 1948 wel wereldkampioen wielrennen geweest zijn?” “Apo Lazaridès” antwoordt de “ontkenner” zonder aarzeling. “En wie in 1950?”  “Theo Middelkamp” klinkt het zelfverzekerd.

    Iedereen zal het met mij eens zijn dat hier de grenzen van de vrije meningsuiting overschreden zijn. Dat de bewering dat Briek Schotte nooit heeft bestaan, intolerabel is voor mij en voor honderdduizenden Westvlamingen, en dat de “ontkenner” zwaar dient gestraft te worden, geen redelijk mens die het zal betwisten. Anders ligt het misschien wanneer de “ontkenner” enkel maar zou beweren dat hij “denkt” dat Briek Schotte nooit heeft bestaan en zich verdraagzaam opstelt tegenover degenen die daar anders over denken. Ik zeg “misschien”: laten de wettenmakers zich daar nu maar eens over uitspreken.

     


    » Reageer (0)
    28-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Griekse mythologie.

    Zet u schrap, beste lezer, dit is een examen. Er zijn elf vragen, “samengestelde vragen”:

     

    1. Van de volgende namen van vreemde wezens zullen er u ongetwijfeld een aantal bekend in de oren klinken. Maar weet u wie of wat ze echt zíjn? Pegasus, Minotaurus, de Sirenen, de Graien, de Cyklopen, de Kentauren, Medusa, de saters, de hekatoncheiren, Chimaira, Kerberos, de Giganten, de kabiren, de bosnimfen, de waternimfen, de bergnimfen...

     

    2. Kunt u minstens tien van de volgende vijftien vragen correct beantwoorden?

    - wie leerde de mensen weven, ploegen, wijn maken?

    - hoe is de melkweg ontstaan?

    - waarom hebben de Atheners een smal achterwerk?

    - wie verrichtte de eerste keizersnede?

    - wie was de eerste “draag-vader”?

    - bestaat er homosexualiteit onder de goden?

    - wie is de uitvinder van de herdersfluit?

    - en van de lier?

    - waarom had koning Midas ezelsoren?

    - waarom zijn inwoners van centraal Afrika zwart?

    - hoe is Afrodite ontstaan? (uit het schuim van de zee, jawel, maar hoe is dat precies gegaan?)

    - waarom kwam Ikaros ten val?

    - hoe weten we wie het meest geniet van de geslachtelijke gemeenschap: de man of de vrouw?

    - de god Okeanos had 3000 dochters wier namen alle bekend zijn: kent u er minstens één van?

    - welke mythen liggen aan de oorsprong van de Spelen in het Oude Griekenland?

     

    3. Weet u waar deze woorden vandaan komen? Labyrint, achillespees, priapisme, afrodisiacum, echo, muze, orakel, lakoniek...

     

    4. Natuurlijk kent u ze, maar kunt u ze ook precies thuiswijzen? Apollo, Eros, Kronos, Gaia, Medea, Iphigenia, Phaedra, Ajax, Niobe, Penelope, Kalypso, Helena, Paris, Antigone, Asklepios...

     

    5. Weet u waar de volgende geografische namen vandaan komen? Atlas-gebergte, Amazone-rivier, Ionische Zee, Egeïsche Zee, Bosporus, Europa, Azië, Oceanië...

     

    6. Weet u waarom er honderd ogen op een pauwenstaart staan, waarom raven en kraaien zwart zijn en een lelijk krassend geluid voortbrengen, waarom zwaluwen stom zijn, waarom leeuwen niet met elkaar paren doch met luipaarden (althans zo dachten de Oude Grieken)?

     

    7. Kent u de oorsprong van de volgende uitdrukkingen? Een tantaluskwelling, een sisyfosarbeid, het vat der Danaïden, de draad van Ariadne, een twistappel, een augiasstal, een odyssee, een achilleshiel, een doos van Pandora, het paard van Troje, een oedipuscomplex, een titanenwerk, van Scylla naar Charybdis varen, een bacchanalie, de nestor, een stentorstem, een adonis, een herkules, het hol van Pluto...

     

    8. Wist u dat vele planten en dieren in feite menselijke – en dus sterfelijke – wezens zijn die door de goden, in meestal dramatische omstandigheden, werden omgetoverd? De eik, de linde, de laurier, de populier, de rietstengel, de hyacinth, de cypres, de narcis, de lotusbloem, de krekel, de ijsvogel, de nachtegaal, de ekster, de zwaluw, de parelhoen, de oehoe, de spin...

     

    9. Wist u dat alle planeten van ons zonnestelsel namen hebben van Griekse goden en dat de namen van zeer vele sterren, sterrenbeelden en sterrennevels uit de Griekse mythologie stammen? Het sterrenbeeld van de tweelingen (Castor en Pollux), de grote en de kleine beer, de Andromeda-nevel, en... zo zijn er nog wel duizend.

     

    10. Door de eeuwen heen waren de verhalen van de Oude Grieken uitverkoren thema’s voor de grootste meesters uit de schilderkunst, de beeldhouwkunst, de muziek, de literatuur... Ik noem er een paar: “Orpheus en Euridike”, “Leda en de Zwaan”. Kent u die verhalen?

     

    11. En wat weet u van Zeus? Dat hij de oppergod van de Grieken was natuurlijk. Maar weet u ook waar zijn wieg heeft gestaan? En dat die status van oppergod hem niet zomaar in de schoot is komen vallen, dat hij er hard heeft moeten voor knokken? Dat zijn geslachtsdrift en zijn potentie ontzaglijk groot waren? Dat het aantal godinnen, halfgodinnen en sterfelijke vrouwen die hij zwanger gemaakt heeft, onvoorstelbaar groot is? Dat hij hen vaak benaderde in de vreemdste gedaanten? Om er maar enkele te noemen: een kwartel, een zwaan, een gouden regen...

     

    Hebt u al deze vragen, of laten we zeggen tien van de elf, in eer en geweten positief beantwoord, dan erken ik grif mijn meerdere in u wat betreft de kennis van de klassieke cultuur, dan ben ik niet in staat enig gat in uw cultuur te dichten, dan hoeft u niet te surfen naar mijn nieuw blog, waar ik sedert 18 mei 2007 tweemaal in de week een verhaaltje schrijf uit de Griekse mythologie ( www.bloggen.be/Dzeus  is de naam van het blog; reken maar op honderd à tweehonderd verhaaltjes... bij leven en welzijn, wel te verstaan). Dan zult u waarschijnlijk ook maar weinig kunnen bijleren tijdens mijn voordracht op dinsdag 18 maart a.s. om 20.00 uur in zaal de Kleine Kluis te Grijsloke, naast de kerk (Grijsloke is zó klein dat alles daar naast de kerk ligt). Wat niet wegneemt dat u toch hartelijk welkom bent, mocht u toevallig in de buurt zijn - maar die kans is dan weer klein, vermoed ik... 

    Griekse goden in Grijsloke (Anzegem)

     

    Hoe zijn de zon, de aarde, alle sterren en planeten en alle vormen van leven ontstaan? Wie heeft dat alles geschapen? Welke kracht houdt dat alles in stand? Geen mens die er met zijn verstand bij kan. De gelovigen noemen die kracht god. Onze moderne godsdiensten kennen over ’t algemeen maar één god: sommigen noemen die god ook Allah of Jaweh. De Grieken en de Romeinen, onze culturele voorouders, daarentegen kenden talloze godheden. De belangrijkste waren de Olympische goden, twaalf in getal. Het waren eerbiedwaardige goden, doch menselijker dan ónze enige ware god. Die klassieke goden waren weliswaar onsterfelijk en ze bezaten de eeuwige jeugd, maar in tegenstelling tot ónze god waren ze verre van volmaakt. Net als de mensen hadden ze hun kleine kantjes en hun gebreken. En net als de mensen konden zij pijn lijden, en honger en dorst. Menselijke gevoelens als haat en liefde, trots, vreugde en verdriet, waren hen niet vreemd. Overspel, jaloezie, wraak: het was schering en inslag bij de Griekse goden.                                     
    O
    ver enkele van de belangrijkste Griekse goden wil ik u onderhouden op dinsdag 18 maart a.s. in De Kleine Kluis te Grijsloke (om 20.00 uur). Iedereen is welkom. U kan alvast een beetje de mythologische sfeer opsnuiven op mijn weblog (www.bloggen.be/dzeus). Daar verschijnt iedere maandag en iedere vrijdag een nieuw verhaaltje uit de Griekse mythologie.                       

    Tot ziens in Grijsloke.                                                                                                                 

    Hartelijk dank bij voorbaat.                                                                                                          

     

     


    » Reageer (2)
    21-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Professor Sebruyns.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen



     

    < klik op de foto om te vergroten

    Deze foto is van professor Marcel Sebruyns, die een halve eeuw geleden één van mijn leermeesters was: de beste lesgever die ooit aan een universiteit heeft gedoceerd! De foto werd mij in het voorbije weekend toegezonden door Marc Van Hoye, samen met een dozijn andere foto’s van vijftig jaar geleden.  Marc was een van mijn allerbeste “medestudenten”, zowel tijdens de lesuren als… daarbuiten. Over Marc en over de nostalgie die mij – vanwege de foto’s – al de hele week in haar greep houdt, wil ik het liever hebben in een volgend cursiefje. Nog even laten bezinken dus…

    Om Marcel Sebruyns te bejubelen, schieten woorden mij te kort. Ze schoten ook te kort toen ik mijn boek “O jerum jerum jerum” schreef (zie dit blog op datum van 4 juni 2007). Ziehier niettemin een uittreksel (pagina 56):

     

    De beste lesgever uit de kandidaturen was ongetwijfeld Sebruyns. Hij doceerde celleer in 't eerste jaar en weefselleer in 't derde jaar. Zijn auditorium zat altijd barstensvol. Zelf heb ik bij Sebruyns zo goed als geen enkele les gebrost. Hij doceerde zijn vak, dat in wezen toch saai kon genoemd worden, op zo'n manier dat het een waar genot was voor de zintuigen. Ik genoot van Marcel Sebruyns zoals ik genoot van Toon Hermans. Iedere les was een knap staaltje kleinkunst. Sebruyns ging nooit vervelen, hij wist als geen ander welke snaren hij moest bespelen om zijn studenten te boeien. Neem nu de kliertjes die zich bevinden in de tepelhof bij de vrouw: de kliertjes van Montgommery, kliertjes die je enkel maar van dichtbij kunt zien (bij Mireille van de Wapy waren ze mij nooit opgevallen). Deze kliertjes, zei Sebruyns, noemen we de kliertjes van Montgommery. Ze werden "ontdekt" - dat laatste woord werd met de nodige intonatie uitgesproken en ging gepaard met aangepaste mimiek - door ene Montgommery. En dat was niet dié van El Alamein: déze werkte op een ander terrein…

    Wie zou op die manier ooit nog de kliertjes van Montgommery hebben kunnen vergeten? Of je moest zo stom zijn als Vic Oosterlynck, die het op 't examen warempel had over "de kliertjes van El Alamein"!

    Zelfspot was professor Sebruyns niet vreemd. Hij sprak gaarne over zijn bijverdienste als haardeskundige bij het gerecht. Als hij in die functie de gerechtszaal* binnenkwam wekte dat bij sommigen hoopvolle verwachtingen … die onmiddellijk verzwonden als de professor zijn hoed afzette: zijn hoofd was zo kaal en glimmend als een biljartbal.

    Ik bewonderde die briljante man, met zijn kale knikker en zijn vlinderdasje. Als ik ooit zelf professor zou worden, zou ik het ook zo doen. Professor ben ik natuurlijk nooit geworden. Toch heb ik het geluk gehad vijftien jaar lang les te mogen geven aan een paramedische hogeschool, in anatomie. En dat lesgeven, drie uur in de week, heeft mij meer vreugde bezorgd dan al mijn andere beroepsbezigheden* bij elkaar. En ik heb het altijd een beetje à la Sebruyns proberen te doen, zij het dat ik niet het brio van de grootmeester had…


    » Reageer (0)
    20-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vera Janacopoulos.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen









    Ik wil u niet verhelen, beste lezer, dat het boek dat ik ter gelegenheid van Valentijnsdag voor mijn geliefde heb gekocht, ook een beetje voor mijzelf bestemd was. “Trou Moet Blycken” is een lijvig boek over poëzie, van de grootste hedendaagse dichter uit het Nederlands taalgebied, Gerrit Komrij. Het is een vervolg op het succesrijke boek “In Liefde Bloeyende”, waarmee de schrijver in 1998 de belangrijke literaire prijs “De Gouden Uil” heeft gewonnen.

    In hoofdstuk III  behandelt Komrij o.a. het gedicht “Vera Janacopoulos”, dat hij bestempelt als het bekendste Nederlandstalig dichtwerk aller tijden. Of hij gelijk heeft? Hij zal er in ieder geval niet ver naast zijn! Voor de goede gang van zaken laat ik het gedicht hier volgen:

     

    VERA JANACOPOULOS

     

    Ambrosia, wat vloeit mij aan?

    uw schedelveld is koeler maan

    en alle appels blozen

     

    de klankgazelle die ik vond

    hoe zoete zoele kindermond

    van zeeschuim en van rozen

     

    o muze in het morgenlicht

    o minnares en slank gedicht

    er is een god verscholen

     

    violen vlagen op het mos

    elysium, de vlinders los

    en duizendjarig dolen

     

    Komrij’s aandacht gaat vooral naar de eerste strofe. Bij de eerste regel – “Ambrosia, wat vloeit mij aan?” – beginnen velen te glunderen en laten er, met geheven wijsvinger, “uw schedelveld is koeler maan” op volgen, de lettergrepen scanderend, of we goed dienen te begrijpen wát hier wordt gezegd. Maar het probleem is, zegt Komrij, dat niémand begrijpt wat hier wordt gezegd, ook al kunnen velen niet nalaten er een betekenis aan toe te schrijven. Het gaat hier om een stuk poëzie dat behoort tot de orde van de lege gedichten, poésie pure, esthetisch en absoluut, in een context zonder ideologie of boodschap. De derde regel komt bij Komrij over als een bevrijding: “alle appels blozen”. Die regel is tenminste klaar als een klontje!

    Dat ik mij niet hoef te schamen over het feit dat ik slechts de eerste drie regels van het gedicht uit het hoofd ken, moge blijken uit de bewering van de grote dichter-recensent dat het overgrote deel van de mensen in hun kennis eveneens beperkt zijn tot die eerste drie regels. Komrij komt overigens tot de constatatie dat die drie regels de kortst mogelijke samenvatting van de bijbel vormen:

    In de eerste regel de vraag aan iets hemels naar het hoe en wat. In de tweede en derde regel het antwoord – al wat zich bevindt tussen schedelveld en appel, Eva en appel, Eva en Golgotha, zondeval en verlossing”.

    Terloops merkt Komrij nog op dat een zin als “uw vedelheld is zwoeler traan” in de plaats van “uw schedelveld is koeler maan” even goed gepast zou hebben bij de blozende appels.

    Maar laten we nu ook een beetje aandacht besteden aan Jan Engelman, de schrijver van het gedicht, en aan Vera Janacopoulos zelf, de vertolkster van de titelrol:

    Jan Engelman (1900-1972) is een van de belangrijkste Nederlandse dichters uit de 20e eeuw. Hij had een grote bewondering voor het oude Griekenland en was naast schrijver van gedichten – die vooral gebaseerd zijn op klank, ritme en associatieve verbanden – ook prozaschrijver en journalist. In 1955 kreeg hij de Constantijn Huyghensprijs voor zijn verzameld werk.

    Vera Janacopoulos is een Braziliaanse zangeres van Griekse afkomst die op 15 februari 1926 het hart van Jan Engelman in vuur en vlam moet gezet hebben bij haar eerste optreden in Nederland.

    Hebt u, beste lezer en poëzieliefhebber, iets bijgeleerd? Indien ja, Gerrit Komrij en ikzelf zijn de eersten om ons daarover te verheugen…

    En dan heb ik nog een toemaatje, speciaal voor de tweetalige unitaire Belg. Mijn eigen Franse versie van de drie beroemdste Nederlandstalige versregels aller tijden:

     

    Ambrosie, qu’est-ce qui m’afflue?

    ton champ de crâne est pure lune

    et toutes les pommes rougissent…

     

    Even betekenisvol, even puur, even welluidend als de oorspronkelijke tekst, zo dunkt mij. Als onze Waalse en Brusselse vrienden dat nu ook nog vinden, kan het er met ons Belgenlandje misschien nog wel voor een paar jaar mee door…


    » Reageer (0)
    14-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Valentijn.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

      Gedicht voor mijn geliefde.


     

      Ik dacht wel dat je blij zou zijn

      met een gedichtje voor je Valentijn;

      daarom kocht ik voor een euro of drij

      voor jou een hele bundel van Komrij…


    » Reageer (1)
    06-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schone Kunsten.

    - We hebben het goed getroffen met de gids, zei de dame die naast mij stond in het museum voor Schone Kunsten.

    Ik vond van niet. Hij stond daar al tien minuten te gesticuleren en onzin te verkopen bij een nogal klein schilderijtje van een of andere Vlaamse primitief. Waarom er geen perspectief in zat en geen achtergrond, maar des te meer voorgrond, zodat de toeschouwer het gevoel kreeg dat hij zó in het schilderij kon stappen – ik had, eerlijk gezegd, dat gevoel niet –. Er zat ook een diagonaal in het schilderij: links-boven waren de figuren donker tegen een lichte achtergrond, rechts-onder waren ze licht tegen een donkere achtergrond, of… ’t kan ook net andersom geweest zijn. Of er iemand wist waarom bruin de overwegende kleur was? Ik dacht even aan Rembrandt die ook bij voorkeur in ‘t bruin schilderde, omdat de bruine verf ’t goedkoopst was. Hier bleek er een andere reden te zijn, maar wát het precies was is mij ontgaan. Even niet opgelet, zeker?

    Toen kreeg onze gids, ongetwijfeld een academisch geschoolde intellectueel, het in zijn hoofd, om zijn publiek aan de tand te voelen. Hij wees op een koe, die ergens in een hoek van het schilderij stond afgebeeld. Of iemand wist wat dat was?

    - Een koe, riep de dame naast mij triomfantelijk.

    - Fout, replikeerde de gids.

    - Toch is ’t een koe, zei een andere dame.

    - Fout, zei de gids weer.

    Ik hoorde twee andere dames achter mij mopperen dat het toch echt wel een koe was. De gids keek in mijn richting:

    - Wel, wat denkt gij er van, mijnheer?

    - Dat het in ieder geval géén koe is, zei ik.

    - Dat antwoord kan ik nu ook weer niet goed rekenen, antwoordde de gids triomfantelijk.

    Even had ik er nog aan gedacht – “ceci n’est pas une pipe” van Magritte indachtig – te zeggen dat het “een afbeelding van een koe” was, maar ook dat zou deerlijk fout zijn geweest.

    - Het is, zei de gids, het áchterste van een koe!!!

    Zou je potver-hier-en-ginder niet omvervallen?!

    Enkele van de toehoorders moeten het een goede grap gevonden hebben; ze moesten in ieder geval hartelijk lachen. Anderen begonnen begrijpend te mompelen: die hadden zeker de diepzinnigheid gesnapt die er ongetwijfeld in verborgen lag. Niemand van het gezelschap voelde zich voor de gek gehouden, behalve ík dan…

    De gids leidde ons nu naar een schilderij dat de kop van een Moor voorstelde – “het voorste” van de kop van een Moor, om precies te zijn –. Er was heel wat over te vertellen. En op ’t einde kwam er toch weer een soort examen aan te pas.

    - Wie weet wat dít is? vroeg onze intellectuele spring-in-‘t-veld, en hij wees op een dikke witte band die over de hals van de Moor liep.

    - Een sjaal, riep de ene.

    - Een das, riep een andere.

    - Een halsband…

    - Allemaal fout, zei de gids. ’t Is verf, gewoon verf, wítte verf.

    Denkt u, beste lezer, dat ik aan ’t zwanzen ben, dat ik zomaar een leuk verhaaltje uit mijn mouw aan ’t schudden ben? Welnu ik zweer u, op ’t hoofd van mijn kleinkinders dat dit potsierlijk toneel zich werkelijk heeft afgespeeld in het museum voor Schone Kunsten in één van onze grootste Vlaamse steden. Hoofrolspeler: een mannelijke gids van middelbare leeftijd – al is dat een zeer rekbaar begrip, zoals ik deze week heb geleerd –, vermoedelijk in het bezit van een universitair diploma kunstgeschiedenis. De bijrollen werden vertolkt door anderhalf dozijn gewillige slachtoffers van gevorderde leeftijd – al is ook dat weer een rekbaar begrip –. Onder hen: drie professoren-emeriti en hun respectievelijke dames. Een minder gewillig slachtoffer was nochtans schrijver dezes. De witte verf was de druppel die de emmer had doen overlopen…

    We waren aan ons tweede schilderij en bijna was een half uur verstreken. Ik wenste in rust en vrede alle schilderijen van het museum te bewonderen, en niet voor gek te worden gehouden. Het ogenblik was gekomen waarop ik de groep verlaten heb om op mijn eentje alle zalen te doorlopen in de drie kwartier die mij nog restten. Mijn aandacht ging in de eerste plaats uit naar de Latemse School. Het waren vooral de impressionisten die mij konden boeien, de expressionisten ook, doch in mindere mate. In een zaal stond een groepje mensen geschaard rond een gids die uitleg gaf bij de “liggende boer” van Permeke, een soort houtskooltekening. Ik begreep dat dit één van de beroemdste meesterwerken is van onze allergrootste Vlaamse schilder van de twintigste eeuw: Constant Permeke.


    Thuis gekomen heb ik de tekening “van het net gehaald” en voorgelegd aan mijn tienjarige kleindochter, die al drie jaar naar de tekenacademie gaat en dus op gebied van de teken- en schilderkunst veel meer beslagen is dan ik. De expert antwoordde mij in dezer voege:

    - Je wil mij natuurlijk te grazen nemen, pépé. ’t Zal wel een tekening van míj zijn, van toen ik nog in de kleuterschool zat. Nú kan ik wél mooi tekenen. Zal ik je de tekening laten zien die ik deze week gemaakt heb? Mega Mindy…

    Ik zit dit, volop genietend van mijn zelfstandigenpensioentje, in te tikken op het toetsenbord van mijn peecee. Naast mij ligt een boek over humor in de oudheid. Op de cover van het boek staat “het voorste” van de kop van een veldheer of een keizer uit de klassieke oudheid. En wat zie je onder zijn neus? Zwarte verf? Fout! Ballpoint-inkt is het, zeker géén zwarte verf.


    En ik denk na over onze gids uit het museum voor Schone Kunsten en over ’s mans toekomst. De man heeft ongetwijfeld zijn topniveau bereikt en is aan promotie toe. Wat dacht u van “onderdirecteur”? Dat het museum er waarschijnlijk al één heeft? Hindert toch niet. In het boek “The Peter Principle” maakt de grote hiërarcholoog Laurence J. Peter gewag van bedrijven met een dozijn en méér onderdirecteuren, … als ik mij niet vergis.


    » Reageer (0)
    30-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het cordon doorbroken.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




    < klik op de foto om te vergroten

    De emoties zijn bezonken, de stramheid uit de rechter wijsvinger is zo goed als verdwenen. En avant, marche!

    Wat zagen ze er goed uit, de mannen van de lichting ’65. Toen waren ze met vierenvijftig: drieënvijftig mannen en Claudientje. Op 19 januari waren er achttien van de vierenvijftig present en dat is precies… één derde. Van de zesendertig die er niet bij waren zijn er een stuk of vijf overleden. Samen met die ene die in Hong-Kong verblijft hadden die dus een deugdelijk alibi. Maar de dertig anderen? Mij maakt ge niet wijs dat die allemaal iets beters te doen hadden, die zaterdagavond. Iets belangrijkers? Ik kan mij nauwelijks iets belangrijkers voorstellen dan een weerzien met de collega’s met wie je gedurende zeven jaar – de mooiste uit een mensenleven – samen hebt gestudeerd, met wie je veel lief en leed hebt gedeeld en met wie je samen op pakweg vijfentwintigjarige leeftijd het diploma van “doctor in de genees-, heel- en verloskunde” hebt behaald. Nu heet zo’n afgestudeerde gewoon “arts”, maar toen was het wel degelijk “doctor in de genees-, heel- en verloskunde”!

    Het weerzien was alleszins hartelijk te noemen. Niets dan vrolijke gezichten en nergens een traantje zien vloeien. Maar dat er hier en daar eentje klaarzat…, ’t zou mij niet verwonderen. De aangenaamste verrassing zal voor menigeen ongetwijfeld de aanwezigheid van Claudientje geweest zijn. In 1965 was zij de enige vrouwelijke afgestudeerde doctor in de genees-, heel- en verloskunde aan de Gentse universiteit. Voor de meesten onder ons was zij een onbereikbare schoonheid, die – als ik het goed voorheb – bij voorkeur in het gezelschap vertoefde van “de betere studenten”. Die beteren, dat waren de studaxen, de mannen die grote of gewone onderscheiding behaalden en waarvan er achteraf velen professor zijn geworden. Zij vormden als het ware een “cordon sanitaire” rond Claudientje, om haar te beschermen tegen de brossers, de rolders en de drinkebroers, die hun tijd verdeden in de regionale studentenclubs, kortom de “slechte studenten” die het op ’t einde van ’t jaar moesten stellen met een povere “voldoening”. Maar dan een voldoening, die gezien de korte tijd die zij zichzelf toematen om te studeren, een grootste onderscheiding waard was.

    - Als al de anderen maar zoveel geblokt hadden als gij en ik, zei Raymond, dan waren wij beiden de enigen die het diploma hadden gehaald, en dan zaten wij hier nu alleen, gij en ik, met onze wederzijdse echtgenoten. Zou dát triestig geweest zijn!...

    Maar Claudien wás er. De meesten hadden haar in die drie-vierenveertig jaar niet meer teruggezien. Ze is warempel weinig veranderd. Nog héél knap dus. En nog geen enkel grijs haartje. Al wens ik er voorzichtigheidshalve aan toe te voegen – ik weet dat zelf ook pas sinds korte tijd – dat vrouwen hun haar wel eens durven bijkleuren. Het enige wat mij een beetje tegenviel van Claudien was dat ze mijn naam niet meer bleek te kennen. En dan tóch durven beweren dat ze speciaal gekomen was om de speech te aanhoren die ik ongetwijfeld ten gehore zou brengen – vroeger was ik ook al de clown van het gezelschap –! Ach, ik zal vroeger bij haar wel nooit in de bovenste lade gelegen hebben, ook al vanwege dat “cordon sanitaire”…

    Die speech is er inderdaad gekomen. Ik heb me niet laten pramen. Ik doe het graag. Dat van het “cordon sanitaire” heb ik ter plaatse uitgevonden. Het bleek een goede vondst te zijn. Iedereen heeft er hartelijk kunnen om lachen. Claudien incluis. Er waren er zelfs een paar die met een glundering verklaarden dat ook zij toentertijd tot dat cordon behoorden. Maar dat wij dat cordon de laatste dag, de dag van de       plechtige diploma-uitreiking, uiteindelijk toch doorbroken hebben, daar zijn wij nog steeds fier op: Koen, Erik, Raymond, Jean en ikzelf. Kijk maar hoe wij op die officiële foto vereeuwigd staan, als één man achter Claudien. Het is ons niet eens aan te zien dat wij niet de besten van de klas waren…

    Eén van diegenen die het tot professor gebracht hebben, was er niet. En dat vond iedereen spijtig. Niet zozeer vanwege die prof zelf, doch veeleer vanwege zijn knap vrouwtje – ze moet zo’n veertig jaar jonger geweest zijn – … We hebben haar één keer gezien, twee jaar geleden, bij de vorige reünie.

    - Zou het zijn dochter zijn? heb ik toen Raymond toegefluisterd.

    - Onmogelijk, heeft Raymond teruggefluisterd, ’t kind is daar véél te jong voor, ’t zal zijn vrouw zijn.

    ’t Was zijn vrouw.

    Maar al bij al, ze zagen er goed uit, de vrouwtjes van de collega’s. ’t Leek wel of ze zó van het schoonheidssalon kwamen. Rimpels? Ik heb er geen gezien. Grijze haren evenmin. De mannen zagen er ook prima uit. Ze leken goed bewaard. Na vierenveertig jaar… Edoch, ook zíj blijken opgebouwd te zijn uit onderdelen zoals prostaat, kroonslagaders en gewrichten, waarvan zelfs de leek weet wat daarmee allemaal mis kan gaan. En als het mis kán gaan, zegt Murphy, dan zál het ook mis gaan. U weet natuurlijk wel, beste lezer, wat ik daarmee wil zeggen.

    Mijn vrouw en ik zaten wel degelijk aan de tafel van de mindere goden: niet één die het tot professor heeft gebracht. Valeer is gepensioneerd en houdt zich nu bezig met de astronomie. Hij is op zoek naar een woning in de streek van Salamanca, waar de hemel helder is en waar hij rustig naar zijn sterren kan kijken. Marc bevaart nu de wereldzeeën met zijn zeilschip. Het is hem gegund, na vele jaren zware ortopedische chirurgie. Échte rust zal aan hem wel niet besteed zijn, zeker? Koen speelde al doktertje toen hij nog in de papschool zat en hij heeft van zijn hobby zijn beroep kunnen maken. Daarom kan hij er moeilijk afstand van doen: hij doktert nog een beetje voort. Raymond tenslotte verdeelt zijn tijd tussen zijn woningen in Ieper, in Proven, in Patershol en in Spanje. Zijn zoon doet nu de praktijk verder…


    » Reageer (0)
    23-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen."Een brief... professor".

    “Een brief… professor”.

     

    Een dikke drie maanden geleden werd er op een dag, even vóór de middag, aan mijn deur gebeld. Daar stond Amandientje, die een tiental huizen verderop woont in de straat. Ze stond in haar peignoirke en op savatten en met een enveloppe in de hand.

    - Een brief… professor, zei ze verlegen. De facteur heeft zich weer van nummer vergist.

    Ik dacht dat Amandientje een grapje maakte, maar ik had niettemin de goede ingeving van ernstig te blijven. Ik nam de enveloppe uit de handen van het beteuterde Amandientje. Er stond inderdaad op gedrukt “Professor Kris Vansteenbrugge, Sint-Denijsestraat 191B, 8500 Kortrijk”.

    - Ik… ik wist niet dat gij professor waart, mijnheer doktoor, stamelde ze nog.

    Ik ook niet, had ik kunnen antwoorden. Of: ’t zal wel een vergissing zijn, want ik bén geen professor. Maar het mensje stond mij zo vol bewondering aan te kijken, dat ik het zonde vond om haar de ware toedracht van zaken mee te delen. Toen zei ik maar, met een kwinkslag:

    - Ach, Amandientje, er is nog zovéél wat gij niet weet…

    - Och Here, zei ze, we hebben een professor in de straat en we weten het niet. Dáár zal mijnen Ture van opkijken.

    Ze was er effenaf van gepakt, het brave Amandientje. Ik ken haar al zo’n zesendertig jaar, van toen we in Kortrijk zijn komen wonen. Ze was één van mijn eerste patiënten, zij en haren Ture. Ze dragen allebei hoorapparaatjes, door mij voorgeschreven. Ture heb ik daarenboven nog geopereerd, aan zijn neus.

    Ze stapte huiswaarts met een driftige pas. Ik bleef haar nakijken. Ze had groot nieuws te vertellen. Daar zou Ture van opkijken. En niet alleen Ture…

    Ze was een beetje van ’t lam gods geslagen geweest en ze had een beetje met haar mond vol tanden gestaan. En toch weet ik zeker dat er  op dit ondermaanse tranendal maar weinig schepseltjes rondlopen die beter van de tongriem gesneden zijn dan Amandientje.

    Een week later kwam er een man op de raadpleging die gehoord had dat ik in feite “professor” was. Hij vroeg zich af waarom ik dat niet vermeldde op het “plakkaat” naast mijn deur. Ben ik een leugenaar omdat ik zei “Ach, daar moet ge niet mee te koop lopen”? De hele straat wist het toen al, dat ik professor ben, en zó bescheiden dat ik het al die jaren voor iedereen heb verzwegen. Op dit ogenblik weet zelfs de helft van Kortrijk het. En nu staat bij die arme professor de telefoon roodgloeiend. Voor een professor, dáár hebben ze pas respect voor in Kortrijk. En des te meer als zijn ereloon minstens het drievoud is van het gewoon tarief. Maar déze professor is al twee jaar met pensioen, hij houdt zich alleen nog bezig met gehoorstoornissen en hij opereert niet meer. Ze hadden tien of twintig of dertig jaar vroeger moeten komen, toen hij nog boordevol werklust zat, toen hij nog een vaste hand had en een geheugen als een olifant.

    Lief moedertje zaliger, als jij nu nog geleefd had! Ik zou je die brief getoond hebben, met dat opschrift “professor Vansteenbrugge”. Je zou het warempel geloofd hebben. Je had één van je mooiste dromen in vervulling zien gaan. Hoe vaak heb je niet gezegd: “jongen, je had professor kunnen worden… had je maar wat meer je best gedaan”. Maar laten we nu overgaan tot de ware toedracht van zaken…

    De brief was afkomstig van de professoren Clement en Lameire, een dapper duo professoren emeriti. ’t Was een uitnodiging voor een reünie van de geneesheren afgestudeerd aan de Gentse universiteit anno 1965. Een sterke lichting. Een flink percentage ervan is professor geworden. Ik heb een vermoeden dat ze iedereen met “professor” aangeschreven hebben, voor alle zekerheid, om er géén over ’t hoofd te zien. Of anders was het tóch als grap bedoeld. Een grap met verstrekkende gevolgen, weliswaar…

    Ook dit nog: de reünie heeft ondertussen plaats gevonden, vorige week zaterdag. Hartverwarmend. Ook dáárover zou ik u nu reeds kunnen onderhouden. Ik wacht er liever nog wat mee. In de eerste plaats om de emoties wat te laten bezinken. In de tweede plaats omdat dit cursiefje anders te lang wordt. Een cursiefje moet een cursiefje blijven.


    » Reageer (2)
    20-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Theseus en Prokroustes.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Grijslokes Olympiade kende haar absoluut hoogtepunt op Griekse bodem, met de Panhelleense Spelen van Loopclub Grijsloke in 1994 (21 juli - 2 augustus). Naast die Spelen en vele andere culturele activiteiten werden er ook scènes uit de Griekse mythologie nagespeeld op de autentieke plaatsen. Op deze foto ziet u hoe Theseus (Guenter Hombecq) de benen van Prokroustes afhakt. In de achtergrond: het beroemde heiligdom van Demeter in Eleusis. Klik op de foto om te vergroten.
    Het verhaal van Theseus en Prokroustes verschijnt vrijdag a.s. 25 januari op mijn mythologisch blog  www.bloggen.be/dzeus .

    » Reageer (0)
    01-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Aan al mijn lezers...
    ... een zalig en gelukkig Nieuwjaar!

    » Reageer (3)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het mooiste kaartje kwam van de vrederechter.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Zo rijdt men op het ijs in onze stad:

    D’een herwaerts, d’ander ginds, begaept van alle zijen.

    D’een stronckelt, genen valt, dien houdt hem recht en prat.

    Ag, leert hier aan dit beeld hoe wij ter wereld rijen

    En slibberen op onzen wegh, d’een mal en d’ander wijs,

    Op dees verganckelijckheit veel brooser als het ijs.



    » Reageer (0)
    26-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over dokter Deberdt (uit "Meneer Doktoor").

    Als ík het voor het zeggen had, ik kende de nobelprijs voor literatuur toe aan Peter Vandekerckhove, voor zijn boek “MENEER DOKTOOR, verhalen over leven en dood, lijf en lust 1937-1964”. Een lijvig (405 pagina’s) boek, boeiend, interessant en aangenaam om lezen. Maar, beste lezer, ik heb het – dat had u al begrepen – niét voor het zeggen. Peter Vandekerckhove zal voor dit boek nooit de nobelprijs voor literatuur krijgen. Om de eenvoudige reden dat “MENEER DOKTOOR” geen literatuur ís. Voor literatuur moet ge – ik heb het al vaker gezegd – bij Herman Brussemans zijn en bij Dimitri Verhulst en Paul Van Ostaijen. Als een boek voor u echter niet méér hoeft te zijn dan boeiend, interessant en aangenaam om lezen dan beveel ik u “MENEER DOKTOOR” warm aan. Ik zal zeker nog terugkomen op dit boek. Vandaag wens ik mij te beperken tot een paar korte passages waarin het gaat over de Ieperse dokter Roger Deberdt, één van Vlaanderens belangrijkste neuropsychiaters en dé belangrijkste op het gebied van de gerechtelijke psychiatrie. Zo’n man moet toch alles – of bijna alles – weten over het nut van de psychoanalyse en over CVS, het chronisch vermoeidheidssyndroom?

    Welnu, zo uitgebreid als de literatuur over beide onderwerpen is – miljoenen, ja, miljarden pagina’s werden erover geschreven –,  zo kort is Roger Deberdt erover:

    “Het chronisch vermoeidheidssyndroom? Dat bestaat niet.”

    “Psychoanalyse? Charlatanesk! Ik geloof er niets van!”

    Dat zou in principe kunnen volstaan. Maar dokter Deberdt wil er wel iets meer over kwijt.

    Ten eerste, over het chronisch vermoeidheidssyndroom (pagina 210):

    Het chronisch vermoeidheidssyndroom? Dat bestaat niet. Als ik een expertise doe van het chronisch vermoeidheidssyndroom wordt dat bitter bevochten! Dan zie ik mensen die uren aan een stuk hun zaak vurig staan te bepleiten. ‘Ik kan geen twee pagina’s lezen of ik val in slaap, ik kan de ondertitels van de televisie niet lezen…’ Maar ze kunnen wel een pleidooi houden van twee uur, met de documenten mee met alle passages die in hun voordeel zouden kunnen zijn netjes onderlijnd. Dan schrijf ik in mijn verslag dat ik niet begrijp dat iemand die geen 2 pagina’s kan lezen in een roman, hier wel gedurende twee uur over technische materie kan spreken zonder vermoeid te zijn”.

    Ten tweede, over de psychoanalyse (pagina 213):

    “Psychoanalyse? Charlatanesk! Ik geloof er niets van! Geen een van al die verhalen heeft enige wetenschappelijke waarde. Ze zijn bang om de proef te doen naar de therapeutische resultaten! De meta-analyse van de gegevens hebben ze altijd geweigerd! Ze zeggen dat het een therapie is en dat er resultaten zijn, maar zijn die resultaten het gevolg van die therapie? Psychoanalyse is lullen. Lacan, bijvoorbeeld, je kunt wel eens lachen om zijn woordspelingen maar eigenlijk wat doet hij? Lachen met de mensen! Freud en zijn ‘penisnijd’? Nog nooit gezien hoor! Het ‘oedipuscomplex’: nooit tegengekomen! Ze hebben de vooruitgang van de psychiatrische behandeling tegengewerkt. Psychoanalyse is een goedkope therapie. Er is trouwens geen dogmatischer denken dan dat! Vraag: ‘Waarom is dat penisnijd?’ Antwoord van de psychoanalyticus: ‘Omdat ik het zeg!’

    Wat moeten we daar nu allemaal van denken, beste lezer? Mag ik daar uw mening eens over kennen? Dat ge niet beslagen zijt in die materie? ’t Doet niets ter zake. En dat kan me – om het met een Brusselmansiaanse uitdrukking te zeggen – geen bal schelen. Mijn e-mail adres is kris.vansteenbrugge@skynet.be.

    Dat puntje achteraan hoort niet bij ’t adres: ik heb het daar geplaatst omdat  de  zin ten einde was…


    » Reageer (0)
    23-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Leo Vantorre.

    In Elsegem zijn er welgeteld twee cafés, het Brouwershuis en ’t Kapelhof. Het is ooit wel anders geweest: vóór de oorlog waren er nog vierenveertig! In één van die twee cafés, in ’t Brouwershuis bij Marie-Jeanneke om precies te zijn, heb ik deze zondagmorgen Leo Vantorre ontmoet.

    Zeg nooit “nooit”! Er zijn maar weinig dingen die meer als een paal boven water hebben gestaan dan dat Leo zich nooit door den houwelijkschen band aan een vrouwmens zou laten binden. En tóch is het gebeurd! Drie dagen geleden. Leo Vantorre, zeventig jaar oud, getrouwd met Palmyrke Blyau, die een paar jaar jonger is. Ik had het nieuws gisteren reeds vernomen en ik schrok een beetje toen ik Leo daar zo alleen zag zitten, aan den toog. Ik begon met hem geluk te wensen.

    - Ach, ’t was van moeten jong, zei Leo. Ik stond op ’t punt om in de lach te schieten, maar Leo’s gezicht stond zo ernstig en droefgeestig dat ik mij nog op tijd kon inhouden.

    Leo was net aan een Wortegemsen begonnen en hij deed teken naar Marie-Jeanneke dat ze er mij ook één mocht inschenken. We geraakten aan de klap en zo heb ik een en ander vernomen van hetgeen ik niet of maar half wist.

    Leo is zijn hele leven schrijnwerker geweest en zelfstandig. Hij was amper vooraan in de twintig toen hij de schrijnwerkerij overnam van zijn vader Louis, die op een dag dood lag in zijn  bed. Leo heeft alzeleven hard gewerkt en goed zijn brood verdiend. Hij kende zijn vak en leverde altijd degelijk werk af. Dat Leo jonkman bleef was volgens sommigen te wijten aan tijdsgebrek: geen tijd om een vrouwmens te zoeken. Anderen beweerden dat Leo niet genoeg hormonaal “gecommandeerd” werd. Er waren er ook die volhielden dat hij te veel op zijn centen zat, dat hij te gierig was om een vrouw te onderhouden. Maar dat laatste moet ik, beste lezer, stellig tegenspreken. Wat eten en drinken betreft heeft Leo Vantorre zich nooit tekort gedaan, vooral niet wat drinken betreft, en ’s zondags, na de mis, tracteerde hij in de dorpscafés, méér dan op zijn beurt. Hij had vele soorten “korten drank” in huis en hij rookte de fijnste sigaren. Om de vijf jaar kocht hij een nieuwe camionette om zijn schrijnwerkersgerief te vervoeren en om de zes-zeven jaar kocht hij een grote Amerikaanse luxe-auto, zij het “in occasie”. Er kan bezwaarlijk gezegd worden dat Leo een verkwister was, maar hij leefde goed. Hij woonde ook nog in een eigen huis, dat hij voor een groot deel zelf had opgetrokken, met de hulp van een paar vrienden, een beetje in ’t zwart…

    Dat Leo er warmpjes inzat, daar twijfelde niemand aan, en niemand benijdde hem een zekere welstand, omdat hij er hard voor werkte. Als tijdverdrijf las hij boeken, vooral tijdens de lange winteravonden. Hij verdiepte zich in literatuur die de eerste de beste schrijnwerker zijn petje te boven zou zijn gegaan. Naast een brave, welgestelde en bekwame vakman, was Leo dus ook een beetje een intellectueel, een autodidact. Dat zo’n man, een man met levenswijsheid, naar we mogen aannemen, op zijn zeventigste nog de kapitale fout begaat van te trouwen, daar kunnen ze in ’t dorp niet bij.

    Drie dagen geleden is het dus gebeurd, in stilte, met maar een klein feestje voor enkele buren en de paar familieleden die er van weerskanten nog zijn: twee van de kant van Leo, zes of zeven van de kant van Palmyrke. Drie jaar jonger dan Leo is ze en al meer dan twintig jaar weduwe. Drie kinderen heeft ze gehad, waarvan er één gestorven is toen het nog geen jaar oud was.  De twee anderen, allebei dochters, wonen ver in het buitenland. De ene in Omaha, hoofdstad van Nebraska. De andere in Portugal, in een dorp waar ook Gerrit Komrij woont, al doet dat laatste hier natuurlijk niets ter zake. De dochters waren er niet, op het trouwfeest. De trouwpartij zal mogelijks niet hun algehele goedkeuring weggedragen hebben.

    Is Leo een halve intellectueel, Palmyrke is er een hele. Op haar drieëntwintigste had ze al een universitair diploma, uitzonderlijk voor een vrouw in die tijd. Ze trouwde toen met een brouwer die een jaar of tien ouder was en vijftien jaar later overleed aan de gevolgen van suikerziekte, jeugdsuikerziekte. De eerste drie jaar na het huwelijk ging ze nog een jaar of drie studeren: een jaar specialisatie en twee jaar gouvernementele organisatie – wat dat laatste ook moge betekenen – . Zesentwintig was ze toen ze een mooie job kreeg in een of ander ministerie. Ze werd zwanger, ging met zwangerschapsverlof en daarna met borstvoedingsverlof, gevolgd door een postnatale depressie. Op haar dertigste ging ze weer aan de slag, maar het duurde niet lang of ze werd weer zwanger. Weer zwangerschapsverlof, borstvoedingsverlof en… postnatale depressie.  Ze was vijfendertig toen ze voor de derde keer zwanger werd en al bijna zevenendertig toen haar derde kind stierf. Ze kreeg een depressie zoals nooit voorheen. Twee jaar ziekteverlof, gevolgd door vijf jaar loopbaanonderbreking. Op haar vierenveertigste had ze hooguit een paar jaar gewerkt. Na de loopbaanonderbreking trok ze weer naar haar ministerie: een vier-vijfde loopbaan. Zes jaar later kreeg ze “ter-beschikking-stelling”, maar werken was er sindsdien niet meer bij. Ze was drieënzestig toen ze met pensioen ging.

    Zo heeft Leo het verteld, zondag in het Brouwershuis. Was het ongepast van mij, naar de reden te vragen waarom hij zo plots en onverwachts het vrijgezellenleven had opgegeven? Dat het van moeten was, had Leo gezegd…

    Hij bestelde nog een Wortegemsen – ik had er ondertussen ook een voor mijn rekening genomen.

    - Palmyrke, zei Leo, heeft een pensioen van rond de tweeduizend euro in de maand. Ík moet rondkomen met amper iets meer dan vijfhonderd. Als zelfstandige heb ik niet slecht verdiend, maar ik heb altijd alles eerlijk aangegeven aan de fiscus. De helft van mijn netto-inkomen heb ik aan de staat afgestaan als directe belasting. Van de overblijvende helft heeft de staat een eerste derde binnengerijfd als sociale bijdrage om kinderbijslagen uit te betalen en ziekte- en werkloosheidsvergoedingen en pensioenen: grote pensioenen zoals dat van Palmyrke en kleintjes zoals dat van mij. Een tweede derde ging naar  geestrijke drank, sigaren en brandstof voor mijn Buicks en mijn Cadillacs: vijfenzestig procent daarvan - BTW, accijnzen en taks - voor de staat! Wat er overbleef was voor de levensnoodzakelijke dingen. En ik heb er een huis aan overgehouden, weliswaar met eigen handen gebouwd. Ik had zelfs nog wat centen gespaard voor de oude dag, maar toen de rente op het spaargeld een dieptepunt bereikte, heb ik er aandelen mee gekocht van Lernout&Hauspie en Eurotunnel. Op aanraden van mensen die gespecialiseerd zijn in de materie en die nu haarfijn kunnen uitleggen waarom het fout gegaan is bij Lernout&Hauspie en bij Eurotunnel en waarom ik dientengevolge mijn centen kwijt ben. Een fortuin heb ik afgestaan aan de staat. En wat heb ik in de plaats gekregen? Geen kinderbijslag, geen vervangingsinkomen, geen terugbetaling van ziektekosten. Enkel dat miezerig pensioentje, waar ik met moeite een huishuur van zou kunnen betalen, gesteld dat ik mijn eigen huis niet had. Begrijpt ge dat ik dat huis node zou verkopen, het huis dat ik met eigen handen gebouwd heb? En begrijpt ge nu ook waarom ik daarnet zei dat het “van moeten” was? Met het groot pensioen van Palmyrke zal het comfortabel leven zijn.

    Ik had goed geluisterd. Anders zou ik alles toch niet zo haarfijn kunnen navertellen? Het was mijn beurt om een Wortegemsen te bestellen.

    - Is er liefde mee gemoeid? vroeg ik.

    - Om eerlijk te zijn: van mijn kant niet. Van Palmyrkes kant wel. Voor de seks denk ik. Maar mij gaat dat niet goed meer af. Het komt wel in orde, zegt Palmyrke. Met Viagra. Ik denk dat ze mij Viagra zal geven als kerstcadeau. Ik zou liever hebben dat ze het niet doet. Ze heeft een beetje een lijfgeur.

    Leo staarde wat voor zich uit. Er kwam toen een valse tinteling in zijn ogen:

    - Als ze nog minstens een jaar leeft, zal ik haar pensioen verder trekken, mijn leven lang, en dan ben ik op mijn gemak. De staat zorgt goed voor zijn mensen.

    - Wie zegt dat zij ú niet overleeft?

    - Ze is ziek, zei Leo, en de valse tinteling in zijn ogen was nu nog meer uitgesproken.

    Hij dronk zijn laatste Wortegemsen in één teug leeg.

    - Weet ge, zei hij, dat ik bij de laatste verkiezingen blanco gestemd heb. Dat zou iedereen moeten doen die in een privé bedrijf werkzaam is. Men zou wel gek moeten zijn om te stemmen voor lieden die de gelden herverdelen zonder dat men daar zelf kan van genieten!

    - En de PDG’s dan? zei ik.

    - De PDG’s niet te na gesproken. Omdat zij zélf hun inkomen bepalen door het geld af te nemen van de werknemers en de aandeelhouders, ten voordele van de groep die zij vertegenwoordigen.

    Ik begon Leo’s redenering een beetje moeilijk te vinden. Hij kon het zo goed uitleggen: hoe was het dan allemaal zover kunnen komen met hem?

    - Palmyrke zal het nog wel een jaar volhouden, zei hij. Ja zeker, de staat zorgt niet alleen goed voor zijn mensen maar ook voor wie ze na hun dood achterlaten. Jammer van haar slechte adem. Dat komt waarschijnlijk door haar ziekte…


    » Reageer (0)
    10-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Leo Debudt.

    De man die ik op 29 november ontmoet heb, is de pionier van het beeldverhaal in Vlaanderen en tegelijkertijd één van onze grootste Vlaamse kunstenaars: Leo Debudt, alias Buth. Ter gelegenheid van de opening van de tentoonstelling over zijn werk in de kunsthal van de Sint-Pietersabdij in Gent. De grootmeester zelf, die op 19 februari negenentachtig wordt, was er aanwezig, met zijn lieve echtgenote en familie. In 1999 heb ik Buth bezocht in zijn woning aan de Baudeloostraat. Het was meteen mijn eerste kennismaking met de man die mijn jeugd – en die van honderdduizenden – verblijd heeft. Mijn hart heeft op 29 november een ongewoon vreugdesprongetje gemaakt: de grote kleine man blijkt mij nog steeds te kennen en zich nog goed mijn bezoek van 1999 te herinneren.  Er waren toespraken door allerhande personaliteiten in de grote Sint-Pieterskerk, die voor de gelegenheid bomvol zat. De gevoelens van dankbaarheid en bewondering die Zaki tot uiting bracht in zijn toespraak, waren ook míjn gevoelens. De prachtige tentoonstelling zelf – die loopt tot en met 17 februari – geeft een schitterend beeld van de ongelooflijke hoeveelheid werk die Buth tijdens zijn lange loopbaan heeft geleverd.

    In het boek “50 jaar Gravensteenfeesten” heb ik een pagina gewijd aan Leo Debudt:

     

    50 jaar Gravensteenfeesten met Buth.

     

    De illustratie op de omslag van dit boek is van de hand van Leo Debudt, alias Buth, één van de belangrijkste grafische kunstenaars van Vlaanderen en alleszins die met het grootste studentenminnend hart. Deze minzame man, pionier van het Vlaamse beeldverhaal, woont nu, met zijn allercharmantste echtgenote, aan de Baudeloostraat te Gent, op een boogscheut van het Gravensteen.

    De vader van Leo was de bekende kunstschilder Victor Debudt. Tijdens de eerste wereldoorlog vluchtte deze naar Nederland. Hij vestigde zich in Den Haag en het was daar dat Leopold (Leo) Debudt geboren werd op 19 februari 1919. De jonge Leo begon geneeskunde te studeren doch al snel schakelde hij over op de Academie (Gent, afdeling schilderkunst), waar hij primus perpetuus was. In 1938 kreeg hij de Koninklijke medaille voor tekenen en een jaar later viel hem de vijfjaarlijkse prijs voor tekenkunst te beurt. Hij ging in de leer bij de grote expressionistische schilder Frits Van den Berghe, die toen reeds ingesteld was op het beeldverhaal en zelf strips tekende, o.a. in het dagblad Vooruit. Na het overlijden van Van den Berghe, in 1939, zette Debudt zijn werk in Vooruit verder en dat was meteen de start van een grote carrière.

    Algauw leverde Debudt allerlei grafische werken: cartoons, covers, illustraties, beeldverhalen. tijdens de bezettingsjaren tekende hij diverse strips (o.a. Flip en Flop, Mijnheer Dinges) voor verscheidene dag- en weekbladen. Na de bevrijding tekende hij met de naam Buth. Thomas Pips, Buths bekendste stripfiguur, zag het levenslicht in 1946. Tot in de jaren ’80 zouden de Thomas Pips-verhalen verschijnen in het dagblad Het Volk en de wekelijkse kinderbijlage ’t Kapoentje. In de jaren ’60 illustreerde hij Zonneland met strips aan de lopende band. Zeer bekend ook zijn zijn biografische verhalen (o.a. het leven van Bernadette Soubirous) en de uitgebreide cartoonreeks over de Ronde van Frankrijk die tot een jaarlijkse serie is uitgegroeid. hij toonde zich een meester in het tekenen van figuren: zijn 3 Gentse typen” zijn zeer kunstzinnig. Een aantal seniores seniorum is overigens de eer te beurt gevallen door Buth getekend te worden.

    Hij tekende lassieke epische verhalen zoals Reinaert de Vos, Uilenspiegel, Baron von Munchhausen. Het verhaal van de Gravensteenslag op 16 november 1949, de grootste studentengrap aller tijden, zou eveneens een machtig beeldepos geworden zijn. Buth begon aan dit stripverhaal in het begin van de jaren tachtig doch door omstandigheden (zijn contract met Het Volk werd verbroken) bleef het bij twee platen (hooguit een twintigtal tekeningen) die nooit gepubliceerd werden. De originele tekeningen met bijhorende teksten, die vrijwel nooit iemand te zien heeft gekregen, heeft Buth tot op heden zorgvuldig bewaard en ze ons ter beschikking gesteld voor het boek en de tentoonstelling in het kader van “50 jaar Gravensteenfeesten”. Hetzelfde geldt voor de tekening (71x63cm), vol actie en ironie, de Uilenspiegeliaanse studentikoziteit te voeten uit, in beeld gebracht door een kunstenaar op het hoogtepunt van zijn kunnen. Die tekening siert de omslag van het lustrumboek “50 jaar Gravensteenfeesten”.


    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fragment uit "De bezetting van het Gravensteen" door Buth.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Dit is een fragment van de tekening (71x63cm) van de bezetting van het Gravensteen, getekend in 1949 en mij door de grootmeester en pionier van het Vlaamse beeldverhaal persoonlijk geschonken in 1999. Mijn dierbaarste kunstwerk! Er zitten niet minder dan 25 muisjes in verborgen! De tekening siert de omslag van het boek “50 jaar Gravensteenfeesten” (cf. mijn blog d.d. 11.11.2005).


    < klik op de afbeelding om te vergroten


    » Reageer (0)
    03-12-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eigen schuld.

    Op 28 november heb ik dus het genoegen gehad een bekende Gentenaar – een BG – te ontmoeten, die ik in jaren niet gezien had. Door een speling van het lot heb ik één dag later een andere BG weergezien, een die net als de eerste weldra negenentachtig wordt, maar ongetwijfeld nog een trapje hoger staat op “de lijst van de grootste Gentenaars aller tijden”. Wie dat wel mag zijn?

    Ik laat u, geduldige lezer, nog enkele dagen op uw honger zitten. Er zijn immers ernstiger dingen aan de hand in dit land. Op 19 september laatstleden  – u zal het zich niet meer herinneren – heb ik, speciaal voor u, een voorstel neergeschreven om het land uit de impasse te helpen. In de hoop dat u er zou op gereageerd hebben. Hebt u enig idee hoeveel reacties ik ontvangen heb? Eén! Welgeteld één! En verder… geen hond! Ook de politieke leiders niet. Yves Leterme niet! Bart Somers niet! Bart Dewever niet! Inge Vervotte niet! Freya Piryns niet! Carl Decaluwé niet! Veerle Nachtegaele niet! En Herman Decroo, dokter Le Compte en Eddy Wally? En zelfs zuster Monica niet, voor wie ik nochtans zó mijn best gedaan heb toen in Gent de burgemeestersjerp op het spel stond! Zal ik het er maar op houden dat “ondank ’s werelds loon is”? Eén slechts heeft er gereageerd: die goeie ouwe trouwe Gerard.

    Ik zal wel gek gek zijn om mij nog verder uit te sloven, als ik tóch geen respons krijg? Voor Gerard? Ach kom! Ik weet heus wel dat Onze-Lieve-Heer Sodom en Gomorrha zou gespaard hebben van de ondergang, indien er zelfs maar één rechtvaardige zou geweest zijn in die steden… Maar het toeval wil dat ik Gerard geregeld ontmoet in de kantine van Loopclub Grijsloke. Ik zal hém in ’t vervolg mijn mening verkondigen langs orale weg en onder vier ogen. Daarvoor heb ik dus voortaan het world wide web niet meer nodig.

    Een beetje leedvermaak zij mij nu toch wel gegund. Zeg nu zelf: gaat het goed met België? Aan mij hoeft u, trouwe maar ondankbare lezer, alvast geen advies  meer te vragen over de wijze waarop het verder moet met dit dierbaar vaderland. Eigen schuld, dikke bult!...


    » Reageer (2)
    30-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Professor Vandendriessche.

    Nostalgie troef deze week. Laat ik het vandaag enkel hebben over eergisteren 28 november. Professor Laurent Vandendriessche kwam zijn levensverhaal doen in Het Pand, Onderbergen 1 Gent. Wellicht is hij niet de allergrootste prof geweest bij wie ik “onderwijs genoten heb” – hij had wat dat betreft immers op te boksen tegen Corneel Heymans, Nobelprijswinnaar, en tegen de wereldberoemde oogarts François – maar dan toch zeker één van de grootsten. Groot in daden, zeker niet in gestalte. Het feit dat hij niet van hoge afkomst was én communist heeft Laurent Vandendriessche niet belet het tot professor te brengen aan de Gentse universiteit en zelfs tot rector aan de universiteit Antwerpen (UIA). Zijn vak was de fysiologische scheikunde ofte biochemie. Hij ligt aan de basis van de oprichting van een medische faculteit in Antwerpen en in de Ruandese hoofdstad Kigali. Hij had banden met Amerikaanse en Chinese universiteiten…

    Op zijn negenentachtigste is professor Vandendriessche een gezapige bejaarde man: goedlachs, een buikje, nog immer dat eeuwige vlinderdasje van achtenveertig jaar geleden, maar niet meer… dat rosse haar. Het haar ís er nog wel, maar het is geelgrijs van kleur geworden. Onder de studenten was hij enkel gekend onder zijn bijnaam “de Rosten”. Bijna een halve eeuw geleden bracht de Rosten mij één van de heuglijkste tijdingen uit mijn leven. Ik heb niet kunnen nalaten het verhaal van die “heuglijke tijding” te doen in mijn boek “O jerum jerum jerum…” (zie 4 juni 2007). Ik weet wel dat u na het lezen van die passage over de Rosten zult vragen: zijt gij niet beschaamd, u te verheugen in het lijden en de dood van één van uw leermeesters? En ik antwoord u: probeer u in mijn plaats te stellen, na het lezen van het nu volgend verhaal...

     

    Gigi, de Rosten en Marcel Marchau.

     

    Fysiologie is de leer van de levensverschijnselen* van levende wezens, zoals de dikke van Dale ons leert. Een volslagen leek zou het kunnen verwarren met filosofie, fytologie, filologie en dies meer. Er zijn tientallen vakken waarvan de naam begint met "fi". De menselijke fysiologie werd ons, in het tweede en het derde jaar,  aangeleerd door professor Jean Jacques Vandevelde. De initialen van professor Vandevelde klonken - op zijn Frans - als "gigi" en Gigi was dan ook de naam waaronder alle studenten hem kenden. Een grote, corpulente, nogal goedmoedige man van rond de zestig, grijzend en kalend. De finishing touch was een bril met dikke glazen en een grote donkere montuur op zijn rond aangezicht. Het gaf hem iets geleerds en tegelijkertijd iets komisch. Niemand van zijn studenten beschouwde Gigi als een hoogvlieger en ook de andere professoren leken zijn intellectuele capaciteiten niet erg hoog in te schatten. Naar verluidt was hij al prof van op zéér jonge leeftijd, van toen hij nog lang geen dertig was. Maar er werd ook gezegd dat hij per ongeluk professor geworden was, dat zijn benoeming een vergissing was.

    Gigi werd niet echt au sérieux genomen en dat was jammer voor het vak fysiologie, dat toch zonder meer een hoofdvak was. Wat een contrast met de briljante docent die professor Fautrez was en die de studenten met zijn lessen in anatomie - in wezen toch een droge materie - oneindig veel meer kon boeien dan Gigi met zijn fysiologie. Dat het vak nochtans niet mocht onderschat worden moge blijken uit het groot aantal uren les die Gigi waren toebedeeld. Zeker in het derde jaar: drie tot vier keer in de week een dubbele les van twee keer vijftig minuten. En dan nog telkens om acht uur 's morgens. Dat betekende opstaan om half acht als je een half uur uittrok om je aan te kleden - wassen, scheren en ontbijt konden desnoods overgeslagen worden - en naar de les te gaan. Het auditorium was in de Apotheekstraat en vooral in het derde jaar, toen ik op kot was in de Afsneelaan, was dat een heel eind. Als je wat laat kwam had je soms niet eens een zitplaats, want er waren niet meer dan honderd plaatsen voor zo'n honderdvijftig studenten. In het begin van 't academisch jaar zat het er wel eens bomvol en moesten er een stuk of twintig blijven rechtstaan. Maar algauw waren er die zich "opofferden" en de lessen brosten. En toen het jaar halverwege was zat het auditorium nog amper halfvol…

    Fysiologie is op zichzelf een interessant en boeiend vak. De lessen van Gigi waren het evenwel niet. Gigi had bitter weinig didactische capaciteiten. Hij liet ook een beetje met zich sollen. 't Was één van de zeldzame keren dat ik zijn lessen heb bijgewoond: men had één van zijn dia's vervangen door de blote borsten van Jane Mansfield. Het plaatje had een weergave moeten zijn van de werking van de borstkas. Een andere keer kwamen Karel Ringoet en ik het leslokaal binnen, respectievelijk als Zwarte Piet en Sinterklaas. Gigi vond het wel leuk. Of misschien deed hij maar alsof? We hebben hem warempel zover gekregen dat hij op de knieën ging zitten voor de goede Sint.

    Het meeste wat ik over Gigi weet, heb ik van horen zeggen. Ik heb in die twee jaar immers geen twintig van zijn lessen bijgewoond, misschien maar tien. Als je jong bent heb je veel slaap nodig: Gigi had het ons zelf geleerd… En als je maar zelden vóór twee en vaak zelfs niet vóór vier uur in bed geraakt, is opstaan om half acht vroeg, té vroeg, onverantwoord vroeg. Te weinig slaap kan immers de gezondheid schaden. En wat doe je dan? Een gedrukte cursus bestond er niet…

    Ik stelde al mijn hoop op Marcel Marchau, een flink uit de kluiten gewassen medestudent van een meter negentig, met een weelderig krullende haardos die naar het hoogblonde neigde en een ruw en ietwat pokdalig gezicht. Marcel behoorde tot het groepje studenten die alle dagen trouw de lessen bijwoonden en de rest van hun tijd besteedden aan eten, slapen en studeren. Dat waren de modelstudenten, die zich gedroegen zoals iedere rechtgeaarde ouder dat van zijn kinderen verlangt. Ikzelf behoorde tot de tegenovergestelde groep: het hele jaar uitgaan, feestvieren, lessen brossen en op 't einde van 't jaar in ijltempo studeren en de leerstof toch nog in 't kopke krijgen op amper twee maanden tijd, waar de anderen een heel jaar over deden. De "ernstige" groep keek ongetwijfeld met enige minachting neer op de "losbandige" groep. Zij vonden ons opportunisten die met onvoldoende kennis door de brede mazen van het examennet wisten te glippen. Met lede ogen zagen ze hoe de meesten van ons telkenjare slaagden in 't examen en regelrecht op het diploma afstevenden. Of verbeeld ik mij dat alleen maar? Zeker is dat de losbandigen zelf - ik noem ze liever " de studentikozen" - smalend spraken over de "blokbeesten", van wie wij beweerden dat zij de smaak van het bier niet kenden. We waren er overigens heilig van overtuigd dat als wíj het hele jaar zouden blokken, wij veel betere resultaten zouden behalen dan zíj…

    Maar keren we terug tot Marcel Marchau. Ik wist dat hij trouw alle lessen van Gigi had gevolgd, dat hij alles had neergepend en, wat niet onbelangrijk was, dat hij een goed leesbaar handschrift had. De laatste twee weken had ik mij bijzonder vriendelijk opgesteld tegenover Marcel en toen de lessen fysiologie ten einde liepen kwam ik met de vraag naar hem toe: of ik misschien zijn notities mocht lenen voor een paar dagen?

    's Anderendaags bracht Marcel zijn notities mee: drie dikke ringmappen vol! Enkel maar voor een paar dagen, zei Marcel. Die drie dikke mappen! En het fotocopieerapparaat moest nog uitgevonden worden. Een hele week dag en nacht werken zou amper volstaan hebben om alles over te pennen. Ik nam de drie mappen mee… en toen moet ik een van de meest afschuwelijke black-outs van mijn leven gehad hebben. Het is namelijk een feit dat ik die avond op mijn kot arriveerde zonder de geschreven cursus van Marchau. Waar had ik de drie mappen achtergelaten? In de Casbah? In de Tivoli? Bij Njora? Was ik die namiddag naar de Savoy geweest, naar de film met Noël Roquevert en Darry Cowl? Of was dat de dag ervoor? In den Amber was ik niet geweest. In de Brug ook niet. Of toch? In paniek zocht ik de hele stad af. Ik zocht in cafés en winkels. Ik zocht zelfs in panden waar ik zelden of nooit een voet binnenzette. Ik vroeg aan eenieder die ik ontmoette of ze "om de liefde Gods" geen drie dikke ringmappen gezien hadden.

    Het was allemaal tevergeefs. Stilaan drong het tot mij door dat de mappen onherroepelijk verloren waren. Het angstzweet brak mij uit. Wat had de toekomst voor mij nog in petto? Was er überhaupt nog een toekomst voor mij? Marchau zou mij vermoorden als ik hem ging vertellen dat ik alles wat hij een jaar lang zorgvuldig genoteerd had, gewoonweg had verloren. Kon ik dan maar niet beter zelf een eind maken aan mijn leven? Ik kon er alvast niet van slapen. En als ik dan toch even voor een korte wijle indommelde, kwam Marchau die slaap deerlijk verstoren: ik een droom voelde ik zijn sterke vuisten als mokers op mijn hoofd beuken…

    Tegen 't einde van de week gaf Marchau te kennen dat hij zijn cursus terug wilde krijgen. Ik vroeg nog uitstel tot na het weekend. En na 't weekend - 't was na de les van "de Rosten" - vroeg ik nóg een paar dagen uitstel. De Rosten, dat was professor Vandendriessche. Zijn bijnaam had hij te danken aan de kleur van zijn haar. De Rosten doceerde biochemie, een moeilijk vak. Hij was uit ander hout gesneden dan Gigi. Klein van gestalte en  minder aristocratisch. Maar een man met veel meer autoriteit en die zijn vak ook veel beter beheerste. Hij droeg te allen tijde een vlinderdasje en hij reed met een deux-chevauxtje waar tegen de voorruit een flessenopener* bengelde. Jaren later is hij rector geworden aan de universiteit van Antwerpen.

    Nog twee dagen en dan wilde Marchau zijn drie mappen terug hebben of… Hij tikte drie keer onheilspellend met zijn gebalde vuist tegen zijn onderkin. Die vuist was bestemd om op míjn onderkin terecht te komen…

    De lessen van de Rosten mochten niet gebrost worden. Het was immers een vrij ingewikkelde materie, die niet zo goed in leerboeken terug te vinden was, en net zo min als van fysiologie bestond er een gedrukte cursus van biochemie. De dag dat mijn ultimatum verstreek kwam ik opzettelijk een paar minuten te laat in de les. Ik nam plaats op de achterste bankenrij*, zo dicht mogelijk bij de uitgang. Marchau die zoals steeds vooraan zat, keerde zich tijdens de les een paar keer om. Verscholen achter de brede rug van Ivan Coessens ontsnapte ik aan zijn speurende en dreigende blik. Maar dat spelletje kon niet blijven duren. Ik zou als een rat in de val komen te zitten, Marcel Marchau zou mij een ongeluk aandoen en ik zou nog niet eens op een beetje begrip kunnen rekenen, bij niemand!.. Ik was één en al ellende. De nood was hoog, zéér hoog.

    Maar, als de nood het hoogst is, is de redding nabij! En waarachtig, tegen 't einde van de les kwam er plots een straaltje hoop. De Rosten had, vóór het afsluiten van zijn les, nog een droevige mededeling: professor Vandevelde was ziek, ernstig ziek. Denk nu maar niet dat ik mij daar niet diep over schaam, maar het ís niet anders: die woorden van de Rosten klonken als muziek in mijn oren. Het leek wel als een geschenk uit de hemel: Gigi zou spoedig doodgaan en dan had zijn cursus geen enkel belang meer. De een zijn dood is de ander zijn brood, zegt het spreekwoord. Voor mij zou Gigi's dood de redding betekenen uit een uitzichtloze situatie.

    Twee dagen later hoorden we de honden in het laboratorium van Gigi janken en de Rosten maakte er ons op attent dat het een slecht voorteken was. Ik voelde, en de anderen zullen het ook wel gevoeld hebben, dat het met Gigi op zijn einde liep. Nog diezelfde dag overleed professor J.J. Vandevelde. De Rosten zou het examen van fysiologie afnemen. Hij gaf ons de titel van een boekje dat we dienden te kopen, een dun boekje van nog geen honderd bladzijden, en daarover zou hij ons ondervragen. Over de cursus van Gigi werd geen woord meer gerept.

    Zes of zeven weken waren verstreken en Marcel Marchau had, net als ikzelf trouwens, met succes het examen fysiologie afgelegd. Toen heb ik het aangedurfd hem de waarheid te vertellen: dat ik de cursus verloren had. Hij antwoordde kortaf dat hij zoiets al vermoed had. En uit wat hij er nog aan toevoegde meen ik begrepen te hebben dat als Gigi niet gestorven was, ze niet Gigi maar mij hadden moeten begraven…

    Vrienden zijn Marcel Marchau en ik tijdens onze verdere studiejaren nooit geweest. Marcel was tóch al mijn type niet, net zo min als ík zíjn type was natuurlijk. Na 't afstuderen hebben onze wegen elkander nog één keer vluchtig gekruist. 't Was in 't begin van de tachtiger jaren. Ik had de marathon Kortrijk-Brugge gelopen, in een verzengende hitte. Na de aankomst had ik verzorging nodig. De arts die mij bijstond was niemand minder dan Marcel Marchau, neuroloog aan het Sint-Janshospitaal in Brugge. Ik vroeg hem of hij mij nog kende. Of hij het zich nog herinnerde van die cursus van Gigi. Het beroerde hem blijkbaar niet. Wist hij het allemaal niet meer? Of was hij nog steeds kwaad op mij? Ik zou het hem niet eens kwalijk kunnen nemen…


    » Reageer (2)
    29-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nog een brief aan Jack Vanlichtervelde.

    Beste Jack,

     

    Zoals ge ziet: ik kan het niet! Het verhaal van Jozef uit de Gekko wordt in ’t midden zo onsmakelijk dat ik overgeschakeld heb naar een andere taal. Het lijkt wel Turks, maar het is gewoon Nederlands… in geheimschrift. Voor een crack als Jack Vanlichtervelde mag dit geen onoverkomelijke hinderpaal zijn. Een halve eeuw geleden waren we toch allebei keien in het hanteren van allerlei boeventaaltjes! De p-taal, bijvoorbeeld, om er maar één te noemen. Mocht ge desalniettemin toch moeilijkheden ondervinden bij het ontcijferen van dat stukje, dan wil ik het, ten uitzonderlijken titel, wel weer omzetten in gewoon Nederlands en het dan opsturen met de brievenpost. Al kan ik mij niet voorstellen dat een taalvaardig iemand, die vlot zes talen spreekt en nu zelfs intensief bezig is met Russisch – dat ge het doet voor de mooie ogen van de lerares, zoals kwatongen beweren, daar geloof ik niets van – zou struikelen over een beetje bargoens.

    Waarom eigenlijk dat geheimschrift, zult ge u misschien afvragen. Áfvragen, want vrágen zult ge het niet: daarvoor zijt gij veel te bescheiden. Omdat mijn kleinkinderen dit nooit zullen kunnen ontcijferen, althans de komende paar jaar niet. Ik zou niet willen dat ze mij gaan zien als een vies oud mannetje. Ach, misschien beeld ik mij maar wat in. Worden zij niet reeds van in ’t eerste middelbaar verondersteld onze beste auteurs te lezen, zijnde Brusselmans en Verhulst? Maar toch…

    Het zal dus niet lukken, Jack. Mij zult ge dus niet zien op de boekenbeurs als winnaar van één of andere literaire prijs. In de allereerste plaats omdat ik het niet kán, natuurlijk. Alhoewel: daar moet gíj nog over oordelen. In de tweede plaats: omdat ik het niet durf. Zoals blijkt… En tenslotte: ik zou het geen héél boek kunnen volhouden, dat  rauwe naturalisme. Ik wordt er zo moe van.

    Voor ge aan ’t ontcijferen slaat, dierbare vriend, weet dan dat het “scatologie” is. Vermits ge de helaasheid in hoge mate geapprecieerd hebt, zou het kunnen – maar écht hopen doe ik het niet – dat ge mijn verhaaltje over Joseph uit de Gekko nog vindt meevallen. Maar wat ge er ook van vindt: ik ga er niet mee door! Beschouw deze “uitschuiver” als een poging van iemand die geboren is in de dagen van de Blitzkrieg, om op zijn zevenenzestigste op te klimmen op de ladder van de literaire roem. En die er op de onderste sport al is afgevallen. Van pure ouderwetse schaamte…

    Erato, Euterpe, Klio, Melpomene, Polyhymnia, Terpsichore, Thaleia, Urania en vooral gij, Kalliope, muze van de edele dichtkunst, vergeef het mij…

    Tot ziens, mijn beste Jack, in Kortrijk of in Grobbendonk, en doe de groeten aan Bea.

     

    Kris


    » Reageer (0)
    26-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Joseph uit de Gekko.

    Joseph uit de Gekko.

     

    Als u mij zou vragen, lieve lezer, of ik ooit iemand ontmoet heb met meer gentleman-voorkomen dan Joseph uit de Gekko, dan zou ik zonder aarzelen “neen” antwoorden. Ik kan me zelfs niet voorstellen dat er ooit, waar ook ter wereld, één heeft bestaan. Knappe dertiger, slank en atletisch tegelijk, altijd netjes in het pak, witte das op een donker hemd, een portefeuille die uitpuilde van de bankbriefjes en altijd een Porsche, nu eens een rode, dan weer een zwarte, en heel soms een witte. Hij runde een bar met meisjes – de Gekko – en iedere donderdagavond ging hij op stap naar de beruchte cafés in de stationsbuurt, met een paar studenten. Niet de eerste de beste studenten – geen schachten bijvoorbeeld – maar jongens die al wat van de wereld afwisten en toch nog veel hadden bij te leren. Die dronken dan de hele avond – en nacht – op zijn kosten. De duurste dranken het eerst.

    Ik ben enkele keren met Joseph op stap geweest, samen met Api. Er waren een paar constanten in die uitstappen met Joseph. Ten eerste zaten er in alle cafés waar Joseph met ons heenging vieze dronken wijven van minstens middelbare leeftijd. En ten tweede liep het altijd uit op een vechtpartij, waar wíj weliswaar nooit bij betrokken raakten. Rond middernacht, of een paar uur later, ging het jasje van Joseph uit, én de zijden das. Beide kledingstukken vertrouwde hij aan ons toe. Wij hingen ze zorgvuldig over de leuning van een stoel. Dan maakte hij de drie of vier bovenste knoopjes van zijn hemd los, stroopte de mouwen op en ging een robbertje vechten met één van de cafébezoekers met wie hij het aan de stok had gekregen. Een reden om te vechten vond Joseph telkens weer. Vechten was zijn lust en zijn leven. Het gevecht ging meestal buiten door en altijd was Joseph de winnaar. En ten derde, waar het ook altijd op uitliep, was dat Joseph, in de vroege uurtjes, vooraleer huiswaarts te keren, zijn Porsche verkocht, of in pand gaf, om zijn schulden te kunnen betalen. De week daarop had hij dan altijd wel een nieuwe Porsche…

    De laatste keer dat ik met Joseph en Api op stap ben geweest – we hadden nochtans veel gedronken – herinner ik mij nog wonderwel. Joseph was weer op de vuist gegaan, op een achterkoertje van ’t café, naar ik vermoed. Hij had zijn jasje en zijn das weer eens aan ons toevertrouwd, aan Api en aan mij dus. Naast ons kwamen twee dikke dronken wijven zitten, met karmijnrood geverfde lippen en tetten als pompoenen. Ze vroegen of we studenten waren en of we voor dokter studeerden. Ze kenden Josephs voorkeur voor studenten geneeskunde en als tweede doctoraatsstudenten behoorden wij tot diegenen door wie hij zich het liefst liet vergezellen. Toen we daarop, naar waarheid “ja” antwoordden, çfliottim ci dikirohg jam vimim im bilnodç ci kîm umtilvluig tluikim jettim wi nidîm îm omgohg om jam jiri sjelsadiloiwomgir, up emtilç kicikt, jam aodwimtoki kiçresjdçtirim. Jod cek il boiç aod im jid cdumg. Mâl boç. Nâl tem mâl boç, cuerç og môod boç jiv widim cdomgim. Ted welim ma êmç isjd “aodwimtoki kiçresjdçtirim”. Voh bluawim, jettim wi kirîlt, vibomtim ti kiçresjdçtirim cosj jôptcegirohg wem vommim. Wirma, voh tici dwê ced il ôg vijôlrohg wed bem vaodim. “Barbe’ç” jettim wi jid gammim muonim, unted jid êm çsjortilesjdok wôlt oç, ted êm vêdhi ti aodkiçdligdjiot râd âmbuorim bem, im ôg êm vêdhi ti epgêl bôl jidkêm bôl umci ukim kiïderêlt wilt. Og vim cêl cigil moid cu esjdilrohg, viçdi ricil, ted og ti wôltim “flaon” up “fliad” up “gad” up “prenuiç” moid cua gimmim - im cu gim og muk wir bohpdok çymumoinim! -, nâl toi wôltim bomt og bêr di midhiç im nêl kiçsjogd dil veçsjlohbomk bem oidç griomç, oidç roipç, oidç wumtilvâlç, oidç nyçdiloiaç, oidç ufwomtimtç. Wi juatim jid taç voh “aodwimtoki kiçresjdçtirim”. Ci çdligim il nid jam jemtim ubil im tawtim toi jemtim tem umtil umci miaç. Im up wi ti kial riggil bumtim? Wi joirtim umç çdilg im wi titim umç viçd un umci epgêl moid di dumim. Wi welim onnilç ti wilirt âm ‘d bilgimmim im tâl nuiçd rêlkirt bôl vidârt wultim.

    - Ki cohd dusj vohme tugdil, cio ti imi, im taç jivd ki or êm im emtil kicoim. Elriddi, râd êmç aw ked coim.

    Elriddi, ti togçdi bem ti dwê komk kiworrok uf jâl gmoiïm coddim im ci fliçimdêlti umç jâl onnimç klôd osjdilwilg. Ci dlug nid vioti jemtim jâl lêd ufim. Il faorti êm kicwir aot, ted qae grial im klôddi gum witohbilim nid êm griomi tlaobimdluç.

    - ‘d Oç çfêm, cio ti êlçdi. Cu jivd ki ‘d cigil muk môud kicoim?

    Cu jettim wi ‘d omtiltât muk môud kicoim...

    - Im erç ki t’il uf çrâd, cio ci, râd ci erdoht êm çsjêd. Im nid ti lak bem ti jemt kep ci êm pilni fridç uf ti tlaobimdluç.

    Il gwen kêm çsjêd.

    - Wed glohkim wi ma? cio ti êlçdi wêl.  Ted oç ma ti êlçdi gêl ted ci kêm csjêd râd erç ki t’il uf çrâd.

    Nidêm kep ci il êm muk bêr jeltili gref uf.  Im wêl gwen il kêm çsjêd. Wi cekim dwê cdlêfhiç vruit remkcân remkç ti vommimgemd bem Elriddiç vorrim mâl vimitim çohfirim. Im duim gwen ci dusj, ti çsjed! Êm vreppimti ulgâmwomt toi ti tlaobimdluç imgiri simdonidilç têt ufcwoifim im ubiler vruitçfiddildhiç om ‘d lumt caoti, ‘d nêçd muk uf Huçifjç voddi teç toi wi midhiç ubil ti çduirriamomk jettim kijemkim.

    ’t Was geen tien seconden later dat Joseph uit de coulissen kwam. Zijn haar in de war, een paar schrammetjes aan de kin en in het gezicht een lichte paarse verkleuring ter hoogte van één van de jukbeenderen. Zijn triomfantelijke blik liet evenwel vermoeden dat zijn tegenstander er véél erger aan toe was. Toen Joseph zag hoe het met zijn dure zijden das gesteld was en getuigen hem de ware toedracht van zaken hadden uiteen gedaan, greep hij Arlette bij de strot en gaf haar zo’n dreun op haar smoel, dat we het neusbeen hoorden kraken. Even later zeikte het bloed er aan beide kanten in stralen uit.

    Joseph verkocht zijn auto en zonder verder aandacht te schenken aan de bloedende en half bewusteloze Arlette, trok hij zijn jasje aan, stak zijn bespatte das in zijn broekzak en verliet het café. De vriendin van Arlette belde een ambulance op… en de politie. Wij trokken zwijgend naar ons kot. Waggelend.


    » Reageer (0)
    19-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De foto...
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    En dit is dan de foto waarvan sprake in mijn brief van 18 november aan de preses van moeder Laetitia.


    » Reageer (0)
    18-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Freddy Strumane is weer in 't land: fotoreportage.

    Freddy Strumane is er weer. Vijfenveertig jaar geleden was hij aanwezig bij de verkiezing van Miss Laetitia 1962-63. Een fotoreportage uit de oude doos...

    foto 1: De jury beraadslaagt. V.l.n.r. Kris Vansteenbrugge, Freddy Strumane, Yves Verschueren en Jaak Algoed.

    foto 2: De praeses Kris Vansteenbrugge leest het verdict van de jury voor. Verder, achter de tafeltjes, v.l.n.r. Jaak Algoed (senior seniorum 1953-54, Freddy Strumane (rechtststaand, met petje, praeses van de Zandloper), senior seniorum Carlos Danneels,
    vice-praeses Yves Verschueren en Lutgart Hantson. Uiterst links (rechtstaand) Mico Claeys.

    foto 3: De miss wordt gefeliciteerd door de praeses.

    foto 4: En ook Jaak Algoed is er als de kippen bij. Freddy en Mico kijken geamuseerd toe.

    foto 5: De senior seniorum Carlos Danneels feliciteert de eerste eredame.

    foto 6: Een kus van Jaak Algoed voor de tweede eredame.

    foto 7: Na de miss-verkiezing demonstreert Freddy dat hij niet alleen bier kan drinken.

    foto 8: Tot slot verbroedert de preses van Moeder Laetitia met de senior seniorum.

    foto 9: Na het feest poseren Miss Laetitia en de eredames, samen met de "prominenten" van de club en de genodigden.




















    » Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief aan de praeses van moeder Laetitia.

    Beste Liesbeth,

     

    Ons gesprek tijdens de Gravensteenfeesten was kort maar, voor mij althans, onvergetelijk… Het doét wat, geloof mij, aan een oud studentenhart! Een knappe por te ontmoeten die lid is van moeder Laetitia en daarenboven… praeses! Ik stam nog uit de tijd dat er vrijwel geen porren waren in de clubs. In vele clubs waren ze zelfs absoluut niet welkom! In onze club, Laetitia, heb ik maar twee porren gekend: Sabine en Roberte. Ze waren respectievelijk het lief van propraeses Gilbert Strumane en diens broer Marcel. En dat brengt mij naadloos tot de grootste verrassing die mij op 14 november te wachten stond: het weerzien (na 43 jaar!) met de legendarische Freddy Strumane van de Zandloper. Freddy heeft mij opgevolgd als senior seniorum in 1964-65. Hij was een neef van het Laetitiaans broederpaar Gilbert en Marcel. Er was in die tijd een speciale band tussen Laetitia en de Zandloper. In 1965 is Freddy vertrokken, beroepshalve, naar verre landen. Pas sedert vorig jaar is hij weer in ons land. Zijn mooie golvende haardos is weg en hij heeft nu een indrukwekkende snor. Zijn stem, zijn Oostends en zijn innemende glimlach zijn gebleven. Freddy woonde vrijwel alle activiteiten van Laetitia bij. Hij was jurylid bij de miss Laetitia-verkiezing in 1962-63, waarvan ik enkele foto’s uit mijn archief heb opgediept. Ik heb ze op mijn weblog geplaatst. Freddy is de man met het petje…

    Freddy Strumane prijkt met foto in het boek “50 jaar Gravensteenfeesten”, op pag. 63, 69 en 73 (telkens met donkere bril) en in mijn boek “O jerum jerum jerum…” komt hij aan bod in het hoofdstuk “Lief Leentje”. Het eerste kan nog steeds verkregen worden bij het SK. Het tweede kan geleend worden in enkele openbare bibliotheken (o.a. Wortegem-Petegem, Kortrijk, Waregem, Anzegem) en is ook nog te koop (zie mijn weblog d.d. 4 juni 2007).

    Nóg een aangename verrassing was Frans Verberckmoes, senior seniorum 1954-55, die er voor ’t eerst weer bij was. Met pionier Valeer Van Overwalle, Jaak Algoed (s.s. 1953-54), Mico Claeys (s.s. 1966-67) en mezelf erbij: goed voor de foto van een pleiade oudgedienden, die ik je niet wil onthouden. Vier van de zes waren aanwezig op die fameuze miss Laetitia verkiezing. Zou je ze nog herkennen, na 44 jaar?

    Overigens ben ik vol lof over de Gravensteenfeesten anno 2007. Het onthaal was prima en er was weer een stoet, die naam waardig. Proficiat aan de senior seniorum Jern Vermeiren en zijn ploeg.

    En nog veel succes met onze dierbare club “Moeder Laetitia” en ook in je verder leven.

     

    Io vivat!

     

    Kris


    » Reageer (0)
    15-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief aan Jack Vanlichtervelde.

    Beste Jack,

     

    Als ik zou beweren dat ik een broertje dood heb aan lezen, dan zou dat ferm overdreven zijn. Dat ik geen fanatiek lezer ben is nochtans het minste wat van mij kan gezegd worden. Sommigen lezen, om de tijd te doden, gaarne een boek, een “goed” boek, met een glas wijn, een “goed” glas wijn – waarmee ze natuurlijk bedoelen “een glas goede wijn”–. Een middelmatig boek wordt nooit gelezen, een dito wijn nooit gedronken. Ík daarentegen lees eerder zelden een boek en, zoals gij zeker zult weten, beste Jack, “goede wijn” is voor mij een contradictio in terminis. Ik dood mijn tijd, en ook dát weet gij, met het schrijven van verhaaltjes over de Griekse mythologie en cursiefjes, “slechte” cursiefjes.

    Herinnert ge u dat ge mij, enkele weken geleden een boek ter lezing hebt aanbevolen: “De helaasheid der dingen”, het meest gelauwerde boek van zowat de meest gelauwerde hedendaagse Vlaamse schrijver, Dimitri Verhulst? Het zal u ongetwijfeld verheugen te vernemen dat ik het boek vandaag ter hand genomen heb. Die stap heb ik gezet om twee redenen. Ten eerste omdat ik u niet wil ontgoochelen en ten tweede omdat ik mijn zoektocht naar “hét” nog steeds niet opgegeven heb. “Hét” is hetgeen ík tekort kom om “goed” te schrijven, tenminste zó goed dat het in de smaak valt van mevrouw Ann van de grote uitgeverij, wier naam ik even niet wens te vermelden, en waarover ik het breedvoerig heb gehad in een cursiefje van 30 november 2005, nu alweer bijna twee jaar geleden – wat gaat de tijd snel –. Mijn boek “O jerum, jerum, jerum…” vond die lieve Ann toen niet geschikt voor haar grote uitgeverij. Alhoewel, gíj hebt toch genoten van mijn boek? Of hebt ge dat alleen maar gezegd om mij te plezieren? Wat is het oordeel van een vriend waard? Van een tactvolle vriend… Eén van mijn lezers beweert dat het boek zó goed is dat hij niet gelooft dat Ann het écht gelezen heeft…

    Het is dus tóch in een uitgeverij geraakt. Een “print-on-demand” uitgeverij. Een “print-on-demand-boek” komt niet op de boekenbeurs, komt niet in aanmerking voor een literaire prijs en komt zelfs niet in boekenwinkels te liggen. Bibliotheken zijn er niet happig naar. Ik ken maar vier bibliotheken waar ze een exemplaar van het boek hebben. In de bibliotheek van de stad waar ik woon hebben ze er drie. En dan is er nog een bibliotheek in een vrij grote stad waar ze ook wel een exemplaar willen… als ze er één gratis krijgen. Waarom er van “De helaasheid” vele duizenden exemplaren verkocht zijn en van “O jerum” amper een paar honderd, heeft met het verschil in uitgeverij temaken, had ik mezelf al wijs gemaakt. Maar na het lezen van twee hoofdstukjes Verhulst, begin ik tot het besef te komen dat Dimitri iets heeft – de onovertrefbare Herman Brusselmans heeft het ook – wat ik jammer genoeg nog niét heb, namelijk de zin voor een soort rauw realisme dat, voortgaande op de verkoopcijfers, helemaal ín lijkt te zijn. Een realisme dat we naturalisme horen te noemen en dat door iemand die mij lief is – maar wiens naam ik hier niet wens te noemen – als “vuilbekkerij” wordt gedefinieerd.

    Zopas heb ik de eerste twee hoofdstukken – er zijn er twaalf – uit “De helaasheid der dingen” gelezen. Voor vandaag hou ik het bij deze twee. Sta mij toe dat ik een paar stukjes citeer uit het boek:

     

    “Ik zal u eens tonen hoe ik tegenwoordig moet schijten!” zei André tegen Sylvie in het bijzonder, en hij hief zijn slonzige hemd omhoog en toonde haar zijn harige buik vol littekens en knobbels. Zijn darmen zaten helemaal onder de kanker, en om zich te ontlasten beschikte hij over een schijtzak, waarmee hij enige tijd terug tot zijn grote verbazing op de operatietafel was ontwaakt. Hij moest nooit meer naar toilet, alles pruttelde gewoon in die zak die daar aan zijn bierbuik bengelde. “Kijk!” En we keken. We keken hoe de stront in het zakje sijpelde. Gezapig, alsof die derrie ergens diep vanbinnen in een knijptube zat waar iemand nu zijn voet op zette. Natte, ongebonden stront met schuim erop. Alsof ze op de eerste rij zat bij de demonstratie van een wetenschappelijke proef keek mijn nicht geboeid naar de bruine drab in de schijtzak van André.”

    “De geketende, machteloze en stokoude teef kreeg regelmatig bezoek van reuen die door jongere en veel aantrekkelijker teven waren afgewezen. Smerige honden waren het, sukkelaars op zich, dat moet worden toegegeven. Het waren bastaarden die zich in leven hielden met de inhoud van onze vuilniszakken, onder het schurft zaten, of mankten, en die met hun driften haast nergens heen konden dan tegen de benen van een eenzaam kind dat zo’n straathond voor een dankbaar speelkameraadje hield, en spoedig weer zou worden achtergelaten met zijn verwarde zelf en smurrie op zijn broekspijp. Blondi was te oud om zich nog te verzetten, zij staarde naar een punt in de verte terwijl de overal elders afgewezen honden haar keihard langs achter namen. Ramden…. En ondertussen zaten wij op onze stoelen, naast de stinkende Palmier, met ons gedrieën te kijken naar de miserie van een straathond die genoegen moest nemen met een tot op de draad versleten teef met een etterend gat.”

     

    Schreef ik daarnet dat ik dat rauwe realisme niet in mij heb? Ik schreef wel degelijk “nóg niet heb”, waaruit af te leiden is dat “wat niet ís, nog kan komen”. Maar nu ik er goed over nadenk: het zou allemaal anders uitgelegd kunnen worden. Ik héb talent. Maar iemand heeft het onderdrukt. Iemand van wie ik de naam niet mag vernoemen en die bang is dat mijn lezers mij de obsceniteiten die ik in mijn jeugd gezien heb, na meer dan een halve eeuw niet zouden vergeven. “O jerum” wàs er al óver, zei die persoon. Toen, twee jaar geleden, had ik nog mijn dokterspraktijk en het kon niet anders of die zou er onder lijden. Daarom heb ik vele dingen weggelaten die ik had wíllen schrijven, zo bijvoorbeeld over die keer toen Joseph uit de Gekko ons meenam naar de bars in de Gentse stationsbuurt. Dat soort verhalen zou Ann ongetwijfeld hebben weten te appreciëren en ook bij Contact zouden ze staan springen om het te mogen uitgeven.  Dan maakte ik ongetwijfeld kans op een literaire prijs en dan móesten ze mijn boek wel lezen, in de scholen, van in ’t eerste middelbaar al. En nu ik met pensioen ben: wat houdt mij nog tegen?

    Of ben ik aan ’t zweven? Ben ik in dromen verzeild? Mag ik u dan vragen, allerdierbaarste vriend, dat ge mij met met mijn beide voeten weer op de grond zet? Lees mijn eerstvolgend cursiefje over Joseph uit de Gekko en laat mij weten, “per kerende post”, dat het op geen kloten trekt.

     

    Met zeer genegen groeten, het ga u goed,

     

    Kris.


    » Reageer (0)
    07-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.november: allerheiligenmaand.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen < klik op de afbeelding om te vergroten








    De allerheiligendienst in de kerk van mijn geboortedorp Elsegem is niet meer zoals weleer. Dat zal ongetwijfeld niet anders zijn in de meeste andere parochies van ons Vlaanderland. Een jaar of twintig geleden zat de kerk nog barstensvol tijdens de allerheiligendienst. Een kwart van de aanwezigen woonden de dienst rechtstaand bij omdat ze geen zitplaats hadden gevonden. Dit jaar stonden er nog vrije stoelen. En de pastoor, die leidde een gelijkaardige dienst in de parochie Moregem. Wij moesten het dus zonder pastoor doen. Maar half zo feestelijk. Waar is de tijd dat Elsegem over twee pastoors beschikte, een pastoor én een onderpastoor? Nu moeten we die ene pastoor delen met andere parochies…

    Omdat allerheiligendiensten lang en saai kunnen zijn, had ik dit jaar mijn misboekje meegenomen. Een onooglijk klein boekje van vóór de tweede wereldoorlog: HEMELVREUGDE – Kerkboek voor Roomsch Katholieken – geschreven door Dr S.D.Pr. - Turnhout. Naast mooie afbeeldingen over de kinderjaren van Jezus, staat er op de eerste pagina: “Kort is het aardsche lijden – Eeuwig de hemelvreugde”. Een opbeurende tekst, ter gelegenheid van één november. Komaan mensen, niet getreurd om onze overledenen. Ze zijn te benijden in hun hemelse vreugde. Om jaloers op te zijn. Je zou zó willen overstappen naar het hiernamaals. En toch… Ik heb de voorspiegeling van de hemelse vreugde altijd iets te weinig concreet gevonden. Hoe zal het daar zijn, aan de rechter hand van God de Vader? Zal het daar niet vervelend worden op den duur? Ik kan mij dat zo moeilijk voorstellen. En ‘k heb het ook altijd een beetje raar gevonden dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen de goeden en de zéér goeden, of ’t zou moeten zijn dat deze laatsten een beetje dichter bij god zitten. Waarbij ik mij dan weer afvraag of het daar wel zo gezellig is, zo dicht bij de allerhoogste, en of je niet beter wat verderop kan zitten. Echt stimulerend voor de christenmens om in het aardse leven grote godsdienstige daden te verrichten, lijkt dit mij allemaal niet. Vroeger, ja, toen had je de christelijke martelaren, voor wie er na dit aardse bestaan vaak nog een mooie eretitel weggelegd was, die van “heilige”, of “zalige”. De meest voor de hand liggende manier om martelaar te worden, was voor een christenmens het weigeren om in het openbaar zijn geloof af te zweren, ofte zijn god te verloochenen, wanneer hij daar door hogere wereldse machten toe gedwongen werd. Als kind reeds heb ik mij daar nochtans de bedenking bij gemaakt of het niet beter ware geweest voor die eerste christenen om even te doen alsof: de verloochende god zou hen dit ongetwijfeld niet zwaar aangerekend hebben, wetende dat die afzwering van het geloof onder dwang was gebeurd. En, eenmaal op vrije voeten, hadden ze daarna toch weer kunnen ijveren voor hun geloof… Of was het misschien zó dat zij naar het martelaarschap verlangden? Die martelingen waren nochtans niet van de poes en de beloning in het hiernamaals was mijns inziens nogal onduidelijk. Wat een verschil met de hedendaagse martelaren! Véél makkelijker en véél efficiënter. Ze laten zich ontploffen – ultra korte pijn, ’t is zó gepiept – en meteen nemen ze een stuk of twintig slechteriken mee de dood in. Een batig saldo van negentien dus. Én de zekerheid van de zevende hemel en de zeven maagden waar in eeuwigheid kan over beschikt worden. Geef toe, gelovige lezer, dit is al véél concreter: hier kan men zich tenminste al iets bij voorstellen… En denk maar niet dat iemand er ongelukkig door wordt. Wel in tegendeel. De hele familie zal haar leven lang fier zijn op haar held-martelaar. Niet in het minst de achtergebleven echtgenote en kinderen. Jaloers vanwege de zeven maagden? Bijlange niet, zeggen ze in koor, als híj maar gelukkig is!

    Ja, vroeger, bij de eerste christenen, was het martelaarschap niet zo eenvoudig. Je moést je wel laten doodmartelen, als je heilig wilde worden, want zelfmoord was – toen óók al – te enen male ontoelaatbaar, als zijnde een zware doodzonde. Zo heb ik in mijn kinderjaren een vrouw gekend die alle dagen een pak slagen kreeg van haar man en zich, ten einde raad, ging verdrinken in de Schelde. Men heeft haar begraven in ongewijde grond, naast een andere vrouw, die ook slagen kreeg van haar man en daarom het geluk was gaan zoeken bij een andere man, hetgeen een al even grote doodzonde was. Nu is dat, gelukkig maar, allemaal veel veranderd. Die vrouwen zouden nu niet meer in ongewijde grond begraven worden. Maar ondertussen zijn die twee arme sukkelaars wel in de hel voor eeuwig aan’t branden…

    Om nogmaals terug te keren tot de eerste pagina van “Hemelvreugde”. Hieruit blijkt overduidelijk dat de Kerk, zeventig jaar geleden al niet hoog opliep met het leven in dit ondermaanse tranendal. Dat doet mij denken aan een verhaal van de Oude Grieken. Het gaat over twee jongelingen die zich zeer verdienstelijk hadden gemaakt tegenover hun moeder en tegenover de godin Hera. De moeder vroeg de godin een flinke beloning voor haar jongens. Hera liet daarop de beide knapen dood ter aarde neervallen, omdat, zo zei ze, de dood het mooiste geschenk is dat de mens kan te beurt vallen. Misschien was Hera wel jaloers op de mensen, omdat zijzelf als godin weliswaar pijn kon lijden, doch niet sterven kon. Dat was ook het geval met de wijze Kentaur Cheiron, die maar wát blij was toen hij, getroffen door één van Herakles’ pijlen en onderhevig aan de hevigste pijnen, zijn onsterfelijkheid kon inruilen voor de dood. En Trophonios dan, een knappe en godvruchtige prins uit Levadia: als beloning voor zijn voorbeeldige levenswandel lieten de goden hem een vroege dood sterven. Er wordt ook gezegd dat de goden hem op jeugdige leeftijd bij zich wilden hebben omdat hij zo mooi was. Wie de goden beminnen, is geen lang leven beschoren, zeiden de Oude Grieken. En ze zeiden ook: de gelukkigste mensen zijn degenen die nooit geboren zijn. Mijn moeder kende niets van de Grieken, maar ’t is een spreuk die ik vaak uit haar mond heb moeten aanhoren. Ze zag haar enige zoon doodgraag en ze méénde het als ze zei: “kind, als het te herdoen was, je zou er nooit geweest zijn”. En nonkel Fonske dan. Hij was aan de drank en zijn vrouw hield niet van hem. ’t Een was het gevolg van het ander. De dood was zijn vurigste wens. En de goden hebben de brave man verhoord. Op een ochtend lag hij dood in zijn bed. Hij was zevenenzestig. Nooit heeft een zerk of een kruis zijn graf versierd. Mijn grootmoeder, aan vaders zijde, moet ook ongeveer zo oud geweest zijn toen ze stierf, in 1937, drie jaar vóór mijn geboorte. Het stenen kruis op haar graf staat er na zeventig jaar nog steeds. Het staat schever dan de toren van Pisa en ieder jaar wordt het erger. Desalniettemin is het nog steeds het hoogste grafmonument van het hele kerkhof, althans van het gedeelte aan de linker kant van de kerk en dat is waar verreweg de meeste doden rusten. Ik zou er een lief ding voor over hebben om te weten hoe zij, Emma Vercruysse, er uitzag. Een foto van haar heb ik nooit gezien en vermoedelijk is er ook nooit één gemaakt, in tegenstelling tot mijn grootvader van moeders zijde, Aloïs, van wie ik op zijn minst een dozijn foto’s heb… op zijn doodsbed.

                                                            


    » Reageer (0)
    05-11-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Lompe boerkes.

    Lompe boerkes.

     

    Wat hebben die blanke voetballers toch tegen hun zwarte broeders, dat ze zoveel lichamelijk en verbaal geweld op hen plegen? We zijn nog maar pas bekomen van de stamp die Jean-Marie Pfaff vorig jaar heeft toegediend aan een zwarte medemens, of de sportwereld wordt weer geschokt door een gelijkaardig feit. De voorzitter van een grote voetbalclub zou tegen één van zijn zwarte spelers iets gezegd hebben in de zin van “kruip in een boom en ga daar bananen eten”. Natuurlijk dat de kranten er vol van staan – dat zou er nog aan ontbreken – en aan ingezonden brieven geen gebrek op de redacties. Uit Het Laatste Nieuws van zaterdag 3 en zondag 4 november laatstleden – rubriek van de ingezonden brieven, samenstelling Katy Boels & Ingrid De Vos – pluk ik voor u een brief van Natascha Desnyder uit Knokke:

     

    Jammer dat de spelersgroep alweer het slachtoffer is van de hersenloze uitspraken van de voorzitter. En wie vindt dat X. (om redenen van discretie vermeld ik de naam even niet) overdrijft, eens zien hoe jullie zich zouden voelen als het omgekeerde zou plaatsvinden. Als een zwarte speler tegen blanke spelers zou zeggen: “Kruip met jullie koeien op stal, stelletje lompe boerkes”, denk ik dat hier moord en brand zou geschreeuwd worden.

     

    Wijze bedenkingen van Natascha. Ik mag het nog niet gedroomd hebben dat een zwarte speler tegen mij zou zeggen “Kruip met je koeien op stal, lomp boerke”. Ik zou het waarschijnlijk nooit meer te boven komen. Als het inderdaad moest gebeuren – maar ik kan het me nauwelijks voorstellen – dat een zwarte speler tegen blanke spelers zou zeggen “Kruip met jullie koeien op stal, stelletje lompe boerkes” dan zou hier, denk ik, inderdaad moord en brand geschreeuwd worden. Het land zou op zijn kop staan en de zwarte speler zou ongetwijfeld voor een lange tijd in de gevangenis vliegen, of zelfs het land worden uitgezet! En dan te bedenken dat die beledigende voorzitter, ongestraft blijft. Akkoord, hij verliest een uitstekende speler én zijn sponsor – vooral dat laatste zal hard aankomen – maar per slot van rekening blijft hij op vrije voeten lopen en wie weet wat voor onheil hij niet nog kan aanrichten. Als ík het voor het zeggen had, mijnheer de voorzitter: twintig jaar bak en géén wet Lejeune en… kruip met je koeien op stal, lomp boerke!


    » Reageer (0)
    25-10-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Rommelaere & co.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Er leefde eens, in de streek van Brugge, niet zo lang geleden – wat is nu anderhalve eeuw? – een jonge man die dolgraag professor wilde worden, of zoals dat ook wel heet: hij wenste een opdracht te krijgen aan een universiteit. De jonge man studeerde flink, werd dokter en solliciteerde bij alle universiteiten van het land. En het lukte. Hij kreeg een benoeming als professor in de anatomie aan de ULB, de université libre de Bruxelles. Hij bracht het later zelfs tot rector aan die universiteit. Daarenboven was hij een gerenommeerd arts in de hoofdstad. Zijn naam: Rommelaere.

    In diezelfde periode leefde er in het land ook een zekere Arthur Renier. Deze was, net als Rommelaere, afkomstig uit de provincie West-Vlaanderen, uit Harelbeke. Renier was een welgesteld man, zeg maar “rijk”. Op welke manier hij rijk geworden was, is niet precies bekend. Hij vertoefde vaak in Frankrijk en hij noemde zichzelf “vice-consul” of “consul-élève”. Daarenboven was hij “in zaken” en met díe zaken zal hij ongetwijfeld zijn fortuin vergaard hebben. Hij was één van die mensen zoals u er ongetwijfeld óók kent: ze zijn steenrijk, ze leven op grote voet, in verscheidene landen hebben ze chique villa’s waarin ze zo goed als nooit verblijven, ze vertoeven vaak in exotische oorden, ze spelen golf, ze bewegen zich in hogere kringen, ze rijden in dure auto’s en ze bezitten een yacht. Ze komen niet noodzakelijk uit de “betere” families, maar meestal hebben ze wel een paar gemeenschappelijke kenmerken: doorgaans beschikken ze niet over een diploma en ze zijn te enen male ongeschikt om een vak uit te oefenen. Die mensen zijn gedoemd om “in zaken” te gaan en… steenrijk te worden. Arthur Renier was er zo één. Maar zoals het met ieder van ons gaat, zo gaat het ook met de beter gestelden onder ons: ze worden ziek en ze laten zich behandelen – in hun geval – door de beste en meest gerenommeerde artsen, zijnde de artsen die het hoogste ereloon vragen en mét een professorstitel als het even kan. En zo leerden ze elkander kennen, Rommelaere en Renier…

    Renier, die vrijgezel was en zonder nakomelingen, beloofde Rommelaere zijn hele nalatenschap, indien hij bereid was hem naar best vermogen te behandelen. Ik zeg er even bij dat in die tijd, toen de geneeskunde zo goed als niets vermocht, het vertrouwen in de geneesheren zóveel groter was dan heden ten dage. Er was echter een probleem: volgens de wet kon een arts niet erven van één van zijn patiënten. Maar daar werd een mouw aangepast. Na Reniers overlijden zouden al zijn bezittingen ten goede komen aan de Belgische Staat, onder voorwaarde dat alles zou geïnvesteerd worden in medische gebouwen, die de naam zouden dragen “Institut Rommelaere” met de vermelding “Fondation Arthur Renier”. In een bui van kinderlijke ouderliefde bepaalde de gulle schenker dat er diende aan toegevoegd “En souvenir de ses bien-aimés parents G.L. Renier et H. Yserbyt”. Zodoende zou het fortuin toch ten goede komen aan Rommelaere.

    Renier stierf en de Belgische Staat startte de werkzaamheden in… Gent. Om een of andere reden vond men het bouwen van een medisch instituut in Brussel op dat ogenblik niet opportuun en in Gent was er grote nood aan nieuwe gebouwen in de faculteit geneeskunde. En, vermits men vergeten had in het testament te stipuleren dat de gebouwen in Brussel dienden opgericht te worden…

    Het gebouwencomplex in Gent was groots van opzet: het besloeg een oppervlakte van verscheidene duizenden vierkante meters en er waren meerdere verdiepingen. Het zou dienen voor het onderwijs en de research op het gebied van de fysiologie, de biochemie, de bacteriologie, de farmacodynamica en de gerechtelijke geneeskunde. Bij de ingang van het hoofdgebouw zou, zoals contractueel bepaald een plaat prijken met “Institut Rommelaere. Fondation Arthur Renier. En souvenir de ses bien-aimés parents G.L. Renier et H. Yserbyt”.

    Toen de bankkluizen van Renier geopend werden, vond men er niet het verhoopte geld, doch enkel waardeloze papieren! Is het overdreven te beweren dat noch Rommelaere noch Renier iets te maken hebben met het Institut Rommelaere? Tenzij: zonder Rommelaere en zonder Renier waren die mooie gebouwen tussen de Apotheekstraat, de Hospitaalstraat, de Jozef Kluyskensstraat en de Baertsoenkaai, er misschien nooit gekomen. Als u, beste lezer, weldra eens naar Gent komt, breng dan eens een bezoek aan dit prachtig gebouwencomplex. Het is méér dan de moeite waard.


    » Reageer (0)
    18-10-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Percussieve sublimatie.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Ik had u beloofd, geduldige lezer, een tipje van de sluier op te lichten, die hangt over het ontstaan van het “Institut Rommelaere” à Gand. Daar zit u dus nu al negen dagen op te wachten. En toch wil ik uw geduld nog even op de proef stellen. Vandaag wil ik het immers hebben over het Dilbertprincipe. Nooit over gehoord? Ik evenmin. Tot vanmorgen na het lezen van het blaadje van de scheurkalender “De Druivelaar” van 17 oktober… Het Dilbertprincipe stelt dat heden ten dage in de bedrijven de minst nuttige en minst capabele werknemers steevast omhoog gekatapulteerd worden, in de veronderstelling dat ze op managementniveau het minste kwaad doen. Het doet mij denken aan het Peterprincipe, hetwelk ik een jaar of dertig geleden grondig heb bestudeerd en dat luidt als volgt:

    “Iedere werknemer in een hiërarchie zal gewoonlijk opklimmen tot hij zijn niveau van incompetentie bereikt heeft. Waaruit volgt dat in de loop van de tijd iedere plaats gewoonlijk wordt ingenomen door een werknemer die niet voor zijn taak is berekend. In feite wordt het nuttige werk dus verricht door die werknemers die hun niveau van incompetentie nog niet bereikt hebben”.

    In mijn boek “De mens… een loopdier” (1984), alsook in mijn boek “Grijsloke 2000” (2000) kunt u de nodige toelichting vinden omtrent dit principe:

    In een hiërarchie, zegt professor Laurence J. Peter, streeft ieder lid ernaar een niveau te bereiken waarop hij incompetent is en daarom gaat het slecht in de wereld. In een hiërarchie krijgt alleen diegene een kans op bevordering die competent is op de plaats die hij bekleedt. Wie incompetent is in de functie die hij uitoefent zal niet bevorderd worden en blijft dus op zijn plaats. Als degene die wel bevorderd wordt (de competente) op zijn nieuwe plaats incompetent zal blijken te zijn, krijgt hij geen kans op weer een bevordering. Anders wel. En zo gaat het verder tot uiteindelijk iedereen het niveau van incompetentie heeft bereikt.

    En ik heb daar toen aan toegevoegd:

    Mijns inziens hoeft het principe niet beperkt te blijven tot de hiërarchische ladder en mag het in dezer voege veralgemeend worden: in de maatschappij streeft ieder naar een niveau waarop hij insufficiënt is. Insufficiënt staat hier dan voor onbekwaam door gebrek aan geestelijke of lichamelijke geschiktheid (=incompetent) maar ook voor onbekwaam door bijvoorbeeld tijdsgebrek. Zo kan bijvoorbeeld een dokter-met-weinig-patiënten promoveren tot een dokter-met-veel-patiënten en zodoende insufficiënt worden door gebrek aan tijd.

    Professor Laurence J. Peter vermeldt een aantal eenvoudige middelen ter behandeling van de symptomen waaraan diegene onderhevig is die zijn incompetentieniveau – Peter noemt het ook “zijn topniveau” of kortweg “zijn niveau” – bereikt heeft. Dat geheel van verschijnselen noemt Peter “het topsyndroom”. Daarenboven stelt hij twee middelen ter beschikking – Peter zelf noemt ze “lapmiddelen” – waarvan het doel is niet alleen de verschijnselen van het topsyndroom op te lossen, maar tevens een deel van de sociale en zakelijke problemen die ontstaan zijn door het bereiken van het topniveau door een werknemer. Het eerste middel noemt Peter “de percussieve sublimatie”:

    De incompetente werknemer op topniveau wordt tóch “gepromoveerd”: een schijnbare uitzondering dus op het Peterprincipe dat voorhoudt dat men vanuit zijn topniveau niet meer vatbaar is voor promotie. In het geval van de incompetente werknemer gaat het nochtans slechts om een “schijnpromotie”: de incompetente “chef-de-bureau” (of wat voor naam het ook moge hebben) wordt gepromoveerd tot onderdirecteur van de hele onderneming – zo bestaan er ondernemingen met een dozijn en méér onderdirecteurs! –  In de functie van onderdirecteur verricht de betrokken persoon weliswaar geen nuttig werk, maar dat deed hij in zijn vorige functie ook al niet en nu komt tenminste de weg vrij voor een ondergeschikte die in die functie mogelijkerwijze nog zinvol werk kan leveren.

    Letterlijk het Dilbertprincipe toch? Volgens Dilbert wordt Peters “eerste lapmiddel” dus wel degelijk op grote schaal toegepast…

    Ik ben er zeker van dat u nu ook het tweede middel wil kennen. Het heet “de laterale arabesk” en het is volgens Peter het beste van de twee. Ik citeer nogmaals uit “Grijsloke 2000”:

    Hierbij wordt in de onderneming, ten behoeve van de incompetente werknemers, een geheel nieuwe afdeling gecreëerd. Mijnheer X is bijvoorbeeld een incompetente magazijnier in een groot bedrijf. Er wordt een nieuwe afdeling in ’t leven geroepen, laten we zeggen een afdeling voor onderzoek naar de spreiding van gelijksoortige bedrijven in het land. De nieuwe afdeling nu is van geen nut voor de onderneming, behalve dat ze dienst doet als afvloeiing voor incompetenten, met alle voordelen vandien. In feite gaat het hier ook om bevorderingen, zowel voor wat betreft de wedde als voor wat betreft de betiteling van de functie. Alleen: het gepresteerde zinvol werk dat nihil was blijft nihil. Volgens Peter is de laterale arabesk te verkiezen boven de percussieve sublimatie, onder meer omdat de laterale arabesk meer mogelijkheden biedt. In ons hogergenoemd voorbeeld kan de afdeling voor onderzoek naar de spreiding van gelijksoortige bedrijven in het land uitgebreid worden tot de Benelux, West-Europa en tenslotte tot de andere werelddelen. Voor ieder werelddeel kan een adviseur en een inspecteur benoemd worden, voor ieder werelddeel kan een afdelingschef aangesteld worden en boven dat alles kunnen hoofinspecteurs geplaatst worden onder de leiding van een hoofdinspecteur-chef, dewelke dan alleen nog in rang zou overtroffen worden door “de directeur van de afdeling voor onderzoek naar de spreiding van gelijksoortige bedrijven over de hele wereld”.

    Zou het dus niet beter zijn om in de bedrijven over te schakelen van het middel van de “percussieve sublimatie” naar het middel van de “laterale arabesk”?

    Alhoewel: het blijven tenslotte “lapmiddelen”. Kijk maar hoe het verder gaat:

    Alhoewel het niet te ontkennen valt dat Peters lapmiddelen een gunstige invloed hebben op de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de werknemer en daarenboven op het hele bedrijf en op het functioneren van andere werknemers, toch dringen ze niet door tot de kern van het probleem: ze helpen de incompetentie niet uit de wereld. Peters lapmiddelen zijn zeker aangewezen in gevallen waar het incompetentieniveau bereikt werd. Voorkomen is echter beter dan genezen: daarom is “Peters voorbehoedmiddel” zóveel beter.

    Dat voorbehoedmiddel heet: “de irrelevante creatieve incompetentie”. Maar daarover zal ik het later misschien nog hebben. Misschien.


    » Reageer (0)
    09-10-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het symposium van 3 oktober.

    Symposium betekent oorspronkelijk volgens “de dikke van Dale”: drinkgelag met tafelgesprekken en gezellige omgang. Heden ten dage is het, steeds volgens “de dikke”, de benaming voor wetenschappelijke bijeenkomsten ter bespreking van een bepaald onderwerp. Wat de meervoudsvorm betreft, mag gekozen worden tussen symposia en symposiums. Iets anders had ik niet verwacht: ik gebruik zelf namelijk de beide meervoudsvormen, niet kris-kras door elkaar natuurlijk, maar wel “symposia” in de geschreven taal en “symposiums” in de gesproken taal.

    Doorgaans vind ik die wetenschappelijke bijeenkomsten onnoemelijk saai, maar dat zal wel komen doordat ik meestal niet bijster veel snap van wat er verteld wordt. Het moge dan ook een raadsel zijn waarom ik mij, naarmate de jaren vorderen, meer en meer aangetrokken voel tot de symposia die georganiseerd worden door de “Vereniging der Geneesheren Oud-studenten der Universiteit te Gent”. Heimwee naar de jeugdjaren, naar de studententijd? De persoon, wier naam ik onder geen beding mag vermelden, heeft er nochtans een andere verklaring voor: het geweten dat knaagt, omdat ik vroeger, toen het eigenlijk móest, zo zelden de lessen heb bijgewoond.

    Ik heb nooit de bedoeling gehad, beste gewaardeerde en hondstrouwe lezer, om u met een symposium te overladen, maar het symposium van 3 oktober over “Het Rommelaere Instituut” was geen gewoon symposium. Het was betiteld als een “Minisymposium over de Geschiedenis van de Geneeskunde” en het werd gehouden in het Rommelaere Instituut zelf, in het authentiek ongerept ouderwets auditorium, waar zowat een halve eeuw geleden professor Thomas zijn gruwelijke lessen gaf in de gerechtelijke geneeskunde. Ik kan me niet herinneren ooit een keuriger, fantsoenlijker, gedistingeerder en zachtmoediger mens ontmoet te hebben dan professor Thomas. Maar wat een metamorfose als hij voor zijn dissectietafel stond! Lijken opensnijden om de ingewanden te bestuderen, schedels openzagen, doodsoorzaken vaststellen… het was zijn lang leven. Er wordt beweerd dat hij vaak in het Instituut sliep en er soms zijn week-ends doorbracht.

    Ik heb weinig theoretische lessen gerechtelijke geneeskunde bijgewoond en autopsieën nog veel minder, misschien maar één. Naast de sfeer, die uiteraard griezelig was, hing er een vreselijke stank in de autopsiezaal, een stank van lijken in ontbinding. Professor Thomas voelde zich daar nochtans als een vis in het water.

    Ik zei al dat het auditorium nog precies was als toentertijd: met valkuil en al! Die valkuil is een soort sleuf van een dertigtal centimer diep en bij benadering één meter breed, een hindernis die alle toehoorders bij het binnenkomen dienen te overwinnen. Niet onoverkomelijk natuurlijk, zelfs niet voor de vijfenzestigplussers – en die waren duidelijk in de meerderheid – ware het niet dat de kuil er verraderlijk bij ligt. Wie dit auditorium nooit betreden heeft en dus niets afweet over het bestaan van de kuil, trapt er steevast in. Er stond een dametje van middelbare leeftijd bij de ingang – ’t kan best een professorinnetje geweest zijn – om de binnenkomenden op het gevaar te wijzen. Maar om de haverklap werd haar aandacht afgeleid zodat er geregeld één door de mazen glipte, pardoes in de put duikelde en er in het beste geval met de schrik van af kwam: een show om je vingers af te likken. En het dametje vervolledigde de show door telkenmale als er weer één in de put zat, de handen angstig voor het gezicht te slaan en een gilletje te slaken. De avond kon niet meer stuk, nog vóór hij echt begonnen was. Maar… het beste moest toch nog komen.

    Er stonden vier voordrachten op het programma. De eerste drie waren echte thrillers. Eerst aan de beurt was ene professor emeritus K. De Clerck. De professor bracht de mysterieuze tekst in herinnering, die prijkt op een gedenkplaat boven de toegangsdeur tot het belangrijkste gebouw van het instituut: “Institut Rommelaere. Fondation Arthur Renier. En souvenir de ses bien-aimés parents G.L. Renier et H. Yserbyt”. Hoezo, mysterieuze tekst? Ik zal er nu niet veel woorden aan vuil maken en ik zeg u alleen maar dit: nóch Rommelaere, nóch Renier hebben ook maar iéts te maken gehad met dat hele instituut. Uw interesse is geboeid, dat voel ik wel. Maar ik laat u lekker tot het volgende cursiefje wachten op de ontraadseling van dit mysterie. Om u te plagen. Plagen is liefde vragen…

    De tweede spreker – professor J. Plum – toonde een foto uit het jaar 1895: een dertigtal mensen zitten een rouwmaaltijd te nuttigen in de herberg “Le Rustic” in Ellezelles, een Waals dorp bij Ronse, dicht bij de Vlaamse grens dus. Vierentwintig uur later waren vier van die mensen dood. De oplossing van dit mysterie heeft een mijlpaal betekend in de geschiedenis van de geneeskunde. U zal er niets van hoeven te missen op voorwaarde dat u mijn cursiefjes blijft lezen…

    En dan was er nog professor M. Piette met het verhaal van de moord, “de wrede moord van Beernem”, op Hector de Zutter, in ’t jaar 1927. ’t Was één van de meest ophefmakende moorden in ’t land en Hector De Zutter is daardoor jaren lang één van Vlaanderens grootste B.V.’s geweest, …postuum. Weeral een cursiefje waard!

    De laatste spreker, professor J. Vandekerckhove, had het over de huidige stand van de wetenschap in het Rommelaere Instituut. Over cytokinen, proteomics en massaspectrometrie, actine-bindende eiwitten, cellulaire signalering door methylglyoxaal, en meer van dat fraais. Toch niet mogelijk dat een gewoon normaal gezond mens daar één bal van verstaat? Te enen male ongeschikt voor een cursiefje dus…


    » Reageer (0)
    01-10-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Emeriti, Eelbode en Glam.

    Vorige vrijdag werden aan de Gentse universiteit, in auditorium C van het UZ, zes professoren uit de faculteit geneeskunde gehuldigd, ter gelegenheid van hun emeritaat. Wat zagen ze er oud uit! En dan te bedenken dat ze twee jaar ná mij afgestudeerd zijn…

    Ik arriveerde in het station Gent-Sint-Pieters veel te vroeg voor het feest en dat gaf mij de gelegenheid een bezoekje te brengen aan de Heilige Geeststraat en mijn gemoed te laten vollopen met nostalgische gevoelens. Zondag a.s. immers, op 7 oktober, zal het precies vijftig jaar geleden zijn dat ik er, als 17-jarige, boordevol enthousiasme, mijn intrek nam op een studentenkamer in het huis nr 4. Dat huis bestaat nu niet meer: afgebrand, afgebroken en vervangen door een groot modern gebouw, met verscheidene verdiepingen. Te oordelen naar het aantal brievenbussen moeten er een vijftiental gezinnen wonen. Op de benedenverdieping woont niemand. Daar staat “Bourdon Arcade” op het raam geschreven: misschien is dat de náám van het gebouw. In nummer 2 woont een psychologe. Het valt mij op vanwege de sympatieke naam en ook vanwege het ultra-klein gezellig koperen plaatje: “Annemie Eelbode, psycholoog”. Ik had die naam nog niet ontmoet ofschoon er zo’n honderdvijftig van moeten bestaan in Vlaanderen. Volgens het familienamenwoordenboek van Frans Debrabandere is hij verwant met “Hellebaut”, waarvan niet minder dan drieëntwintig varianten bestaan! Als ik een psycholoog zou kiezen – gesteld dat ik er een nodig had – en ik alleen maar op de naam zou kunnen afgaan, ik koos Annemie Eelbode.

    En nu schotel ik u een passage voor uit mijn boek “O jerum, jerum, jerum…” . Een unieke kans om mezelf eens te citeren en het zal ook bijdragen tot een beter begrip van mijn verder betoog. Zet u schrap want het wordt best een lang verhaal:

     

    Mijn eerste kot was in de Heilige Geeststraat, een smal sinister straatje dat de Bennesteeg verbindt met het Burgemeester Braunplein. In de Bennesteeg had je het ene hoerenkot* naast het ander. En de meeste andere huizen die er stonden, en dat gold ook voor de Heilige Geeststraat, leken van verdacht allooi. Neem nu dat kleine kruidenierswinkeltje* schuin tegenover mijn kot. Het was maar een paar uur per dag open en er stond een bejaarde doch kaarsrechte dame in. Ze had koperblond geverfd haar. Ze was lang en mager en ze had een chagrijnig gezicht, alsof ze voortdurend door migraine geplaagd werd. In haar jonge jaren  was ze ongetwijfeld mooi geweest. Als ze buiten kwam droeg ze altijd dezelfde bontmantel en onveranderlijk was ze vergezeld van een grote Afghaanse windhond. Vrienden van mij meenden te weten dat ze vroeger hoer was geweest en dat ze nu samenleefde met de hond, echt samenlééfde, wat betekende dat ze sex bedreef met dat beest. Ik geloofde die vrienden maar half, tot ik van mijn neef Frans, die al in 't zesde jaar geneeskunde zat en altijd ernstig was, vernam dat zulke dingen vóórkomen…

    Mijn neef Frans zat er overigens wel voor iets tussen dat ik in dat onzalig oord van de Bennesteeg en de Heilige Geeststraat was beland. Mijn vader trouwens ook. Vader had altijd wel het beste voor met mij, maar dat is o zo vaak verkeerd uitgedraaid. Zo had vader beslist dat Frans voor mij een kot zou zoeken. Frans was een ervaren en ernstige student en daarenboven deed Frans beroep op pater Warnez, de mentor van het Katholiek Universitair Centrum, die lijsten opstelde van "katholieke" studentenkoten*. En ofschoon vader zelf socialist was en geen al te hoge pet ophad van alles wat katholiek was en al dat gedoe met catechismus en gewijde geschiedenis altijd al tijdverlies had gevonden, toch stelde hij meer vertrouwen in de lijsten van pater Warnez dan ik de lijsten van het rectoraat van de universiteit.

    Met mijn neef ging ik dus een lijst met kotadressen halen bij de pater en samen gingen we een paar koten bezoeken en daarna mocht ik er van Frans nog een paar alleen doen, vermits ik toch niets dan "eerbare" adressen bij had.

    Een kot kostte in die tijd gemiddeld vijfhonderd frank in de maand. Vierhonderd was erg goedkoop. Op de lijst van pater Warnez stond er één van driehonderdvijftig. Als ik mijn vader zou kunnen wijsmaken dat het kot vijfhonderd frank kostte, hield ik er maandelijks honderdvijftig frank aan over: dertig pinten in die tijd! Een kot is een kot, per slot van rekening…

    Het werd dus dát kot, aan de Heilige Geeststraat, nummer vier. De kotmadam en de kotbaas waren een stel bejaarde mensen, die zeer plat Gents spraken. Ze hadden het duidelijk niet breed en ze verhuurden die ene kamer om een centje bij te verdienen. Ik kon er beschikken over een oude tafel en dito stoel. Een kast herinner ik mij niet meer, maar die zal er ook wel geweest zijn. Een bed natuurlijk ook. En een kolenkachel. Géén stromend water.

    Een verderfelijk milieu dus, zoals ik al zei. Voor dertig pinten per maand had ik mijn onschuldige knapenziel* aan de duivel verkocht. Maar het was evengoed de schuld van mijn vader, van Frans en van pater Warnez. Katholiek wáren ze er anders wel. Op mijn kot, dat op de eerste verdieping was, hing een kruisbeeld en in de hal naast de trap hing er nog één. Ik had ook een kruisbeeld gezien in het winkeltje van de dame met de Afghaanse windhond en zelfs in de Wapy.

    De Wapy! Wat heeft die een merkteken in mijn ziel geprent! Een "bar", op de hoek van de Heilige Geeststraat en de Bennesteeg. Er zat een vrouw in négligé voor het raam, slank en met weelderige blonde haardos. Boven die blonde haardos hing het kruisbeeld. Ze moet een jaar of dertig geweest zijn en ze lachte zelden. Soms glimlachte ze. Hoe ze heette heb ik nooit geweten. Voor mezelf noemde ik haar Mireille. Ik moet in mijn prille kinderjaren een Mireille gekend hebben die er net zo uitzag...

    Als ik naar de les ging moest ik voorbij haar venster. Meestal zat ze er al van 's morgens vroeg. Ze liet mij haar blote borsten zien. De eerste keer schrok ik daar wel van en ik wist niet goed waar kijken. Daarna ging ik via een omweg naar de les, teneinde de Wapy te vermijden. Langer dan twee weken hield ik dat echter niet vol. Per slot van rekening verlangde ik er wel naar om die borsten te zien…

    Ik was zeventien en nooit eerder had ik een vrouwenborst* gezien. Pas in het derde jaar zouden we dat onderwerp moeten bestuderen in de anatomieles bij professor Fautrez. En nog twee jaar later zou ons geleerd worden hoe we een borst moesten betasten, teneinde een eventuele tumor vast te stellen. Dat was in de lessen "heelkundige ziektenleer*" van professor Vanderlinden. Hij zou erop wijzen dat we om een zieke borst oordeelkundig te kunnen betasten, eerst ervaring moesten opdoen in het betasten van gezonde borsten. In dat stadium van mijn studies had ik die ervaring al ruimschoots opgedaan, want al heel gauw ben ik overgeschakeld van de "inspectie" naar de "palpatie". Niet bij Mireille, weliswaar.

    Eenmaal mijn schroom overwonnen schepte ik er genoegen in om voorbij haar raam te stappen en naar binnen te kijken. 's Morgens zat ze er bijna altijd. 's Middags stond haar zetel bij het raam vaak leeg. Waarschijnlijk had ze dan een klant. Het kruisbeeld viel meer op als ze er niet zat.

    Op de duur waagde ik zelfs een hoofdknikje om haar goededag te wensen. En een enkele keer, toen ze mij weer haar borsten liet zien, maakte ik een kruisteken, voor de grap, en dat zal ze ook wel zo geïnterpreteerd hebben. Er groeide een zekere vorm van wederzijdse sympathie en verstandhouding tussen ons beiden, zonder dat we ooit één woord met elkaar gewisseld hebben, laat staan dat ik bij haar ooit één voet binnengezet zou hebben. Kon ze ooit vermoeden hoe dicht ze soms bij mij was, in nachtelijke uren, in mijn ongezellig bed in de Heilige Geeststraat?

    Van de overige hoeren in de Bennesteeg trok ik mij weinig aan. In de Lantaarn zat er soms ook een voor het venster, een die mij maar weinig kon boeien en die ook nooit haar borsten liet zien. Wat mij eigenlijk nog het meest intrigeerde waren de huisjes - er waren er drie of vier - waar achter het venster een bontmantel stond uitgestald, telkens maar één. In één geval hing er een prijskaartje bij: achtenveertig duizend frank. Daar moest mijn vader in die dagen bijna een half jaar voor werken. Ik denk overigens niet dat die bontmantels dienden om verkocht te worden.

    Mijn verhouding met Mireille duurde iets meer dan een jaar. Toen kwam er bruusk een einde aan. In putje winter van mijn tweede jaar aan de universiteit werd ze om het leven gebracht, samen met haar collega uit de Lantaarn. Ik vernam het uit de krant. "Dubbele moord in de Bennesteeg" stond er, op de voorpagina van Het Volk. Van de daders was geen spoor. Langs die weg vernam ik hoe ze in werkelijkheid heette, maar dat interesseerde mij niet: voor mij bleef ze Mireille uit de Wapy.

    In de week die volgde op de moord kwam de politie mij ondervragen op mijn kot. Ik vertelde hoe ik haar gekend had. Het was een routineonderzoek, ik behoorde duidelijk niet tot de verdachten…

    De gordijnen bleven dicht in de Wapy. De dader van de dubbele moord werd nooit gevat. De Lantaarn, waar de misdaad was geschied werd nog datzelfde jaar afgebroken.

    Gelukkig had ik ondertussen al enkele meer tastbare geneugten van het studentenleven* leren kennen. Daardoor was de klap voor mij ongetwijfeld minder hard aangekomen. Toch spookte haar beeld nog af en toe door mijn geest. Die borsten, die ik zo vaak had bewonderd! Om mezelf te dwingen niet verder over haar te fantaseren, stelde ik mij voor hoe ze daar moet gelegen hebben, met overgesneden keel en badend in het bloed. En hoe haar borsten nu lagen te rotten onder de grond. Dat hielp, een beetje.

    Ik voelde me evenwel niet gelukkig meer in de Heilige Geeststraat. Een maand na de moord ben ik er weggegaan.

     

    Ik wilde dus, vorige vrijdag, zo nauwkeurig mogelijk weten wat er vijftig jaar later, geworden is van het huis op de hoek van de Heilige Geeststraat en de Bennesteeg, het huis dat toen “de Wapy” was, een huis waar ik nooit een voet heb binnen gezet, maar dat mij gefascineerd heeft als geen ander. Op de plaats waar Mireille toen zat, zit nu een stijlvol aangeklede dame met rosse haren. Ze wordt geflankeerd door twee andere eveneens stijlvol aangeklede dames, maar rechtop staand en de ene met bruine, de andere met blonde haren. De drie dames zijn niet van vlees en bloed: modepoppen, dat had u al begrepen. Waar een halve eeuw geleden de Wapy was, is dus nu een kledingwinkel voor dames. Merkkledij. De winkel heet Glam, op heden nog niet zo wereldbekend: aan de vier vrouwen aan wie ik het heb voorgelegd had er nog niet één over gehoord. Maar, wat niet ís kan nog komen. Op de achtergrond zag ik de uitbaatster van de winkel. Ze keek in mijn richting, gewoon, niet met die lonkende blik zoals Mireille indertijd. Even kreeg ik goesting om naar binnen te gaan en mijn verhaal te doen van vijftig jaar geleden. Maar ik stelde mij voor dat ik dan iets diende te kopen en wat kon ik in ’s hemelsnaam kopen in een dameswinkel van merkkleding? Ik ben dan maar afgedropen: ik stond daar al té lang voor dat raam, verdacht lang. Maar wie weet… komt het er ooit toch nog eens van.

    Met zijn zessen waren ze dus, de afscheid nemende professoren. In alfabetische volgorde: J. de Reuck, J. De Roose, C. Jannes, W. Michielsen, E. Musch, L. Versichelen. Drie onder hen gaven een “laatste les”: hun zwanenzang. Dat soort lessen gaat meestal over de geschiedenis van de geneeskunde in ’t algemeen, of aan het UZ in ’t bijzonder. Die lessen zijn aangenamer en gemakkelijker te volgen dan de puur wetenschappelijke lezingen van de jongeren. Het viel mij toch behoorlijk tegen dat die ouwe professoren hun voordrachten hadden uitgeprint en de teksten projecteerden op het witte doek. En dan maar aflezen… Toch was er één die heel goed uit de hoek kwam: een heel dikke, die een ode bracht aan zijn leermeester Fritz Derom. Het feit dat die dikke professor zelf de draak stak met zijn onmiskenbaar abnormale omvang, maakt het ongetwijfeld iets minder onbetamelijk van mijnentwege dat ik er hier gewag van maak. Dat hoop ik althans. Eén van de zes was een vrouw: de enige die er nog redelijk jong en fris uitzag, alleszins nog géén vijfenzestig. Tussen de toehoorders zag ik niemand minder dan Fritz Derom himself, de man die zo’n vijftig jaar geleden de eerste open hartoperatie in ons land verrichte, later ook de eerste levertransplantatie. Zowat veertig jaar geleden werd professor Fritz Derom wereldberoemd met de eerste longtransplantatie uit de geschiedenis. In tegenstelling tot die kleine pleiade pas-gepromoveerde professoren-emeriti zag “de Fritz” er nog goed bewaard uit. De tijd schijnt nauwelijks vat gehad te hebben op die man, die honderden – of zijn het er duizenden? – harten, nieren, longen en levers heeft getransplanteerd. Je zou zó bereid zijn je lichaam aan hem toe te vertrouwen, ook al moet hij nu al een stuk in de tachtig zijn.

    - Wat heb je gisteren weer bijgeleerd? vroeg mij ’s anderendaags iemand die mijn studiereisjes naar Gent met een flinke dosis scepticisme bekijkt en wier naam ik onder geen beding mag vermelden.

    - Dat het niet uitgesloten is dat ik in mijn oude dagen ooit nog eens een voet binnen zet in de Wapy, heb ik geantwoord.

     


    » Reageer (2)
    19-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gesplitst.

    Gisteren heb ik een krant gekocht. Ik doe dat niet alle dagen, omdat kranten een beetje duur worden voor iemand met een zelfstandigenpensioen die maar in beperkte mate mag bijklussen. Maar drie kranten in de week volstaan ruimschoots om goed geïnformeerd te blijven. De regeringscrisis was gisteren weer hét voorpaginanieuws en ook de pagina’s twee, tien en elf zijn helemaal aan de crisis gewijd. En dan te bedenken dat Het Laatste Nieuws nog van die grote pagina’s heeft. Wat de vorderingen omtrent de vorming van een nieuwe regering betreft zou men best kunnen volstaan met een krant ééns in de maand, of ééns in de twee maanden…

    Vindt u het jammer dat er na honderd dagen nog geen regering is? Vindt u al dat geschrijf  verspilling aan menselijke energie, aan inkt en papier, enzovoort? Ik ben geneigd op beide vragen negatief te antwoorden, gesteld dat ze aan mij zouden gesteld worden. Ten eerste heb ik nog geen centje pijn ondervonden van het feit dat we al zo lang geen regering hebben en ten tweede mag de entertainende waarde van zo’n regeringssoap niet onderschat worden. Hoe anders hadden ze gisteren die vier bladzijden gevuld? En al die uren TV? Dan nog liever met een krantenkop op de eerste pagina er aan herinnerd worden dat er nog steeds geen regering is, dan wel aan het feit dat in ons land één arts op de vijf te weinig verdient.

    En wat hebben ze nu weer uitgedokterd in Het Laatste Nieuws? Dat ongeveer één op de twee Vlamingen vóór de splitsing van België is, en dat twee op de drie denken dat die splitsing er weldra zal komen. Van alle politieke partijen zijn het alleen de groenen wier geloof in België onaangetast is. In een groen België… En nu bent u vanzelfsprekend benieuwd om mijn mening daaromtrent te kennen. Mocht u niet benieuwd zijn dan sluit u hier af natuurlijk, maar door verder te lezen geeft u wel degelijk te kennen dat u benieuwd bent. Welaan dan. Ik ben “voor” de splitsing. Maar een splitsing zal moeilijkheden met zich meebrengen, zegt men. Alsof die er nu níet zijn! De grootste moeilijkheden zouden zijn: wat doet men met Brussel? en wat doet men met de koning?

    Ten eerste: wat met Brussel? Brussel, met de negentien randgemeenten, wordt een zelfstandige staat, een stadstaat zoals Monaco, Washington D.C. en de zovele beroemde Griekse stadstaten als daar zijn, Mykene, Thebe, Argos, Pylos en noem maar op. Brussel zou dan het Washington D.C. van Europa zijn en het zou daardoor ongetwijfeld aan prestige winnen. De officiële naam wordt Brussels, zoals het ook nu reeds bekend staat in het grootste deel van de wereld. De officiële taal van Brussels wordt logischerwijze het Engels, zoals het een cosmopolitische stadstaat past. Verder zal er de staat Vlaanderen zijn – de grenzen liggen vast – met als officiële taal het Nederlands, en de staat Wallonië met als officiële taal het Frans, behalve in de streek van Eupen en Sankt-Vith waar Duits de taal is – bij mijn weten wenst de meerderheid van de Duitstaligen bij Wallonië te blijven – .

    En de koning? Albert moet troonsafstand doen ten voordele van zijn kinderen. Hij krijgt een werknemerspensioen – dat beduidend hoger is dan een zelfstandigenpensioen – en hij mag onbeperkt bijklussen zonder verlies van het pensioen. Ten voordele van zijn kinderen, zei ik. Hij heeft er drie. Drie koningen voor drie staten. En ik ben er van overtuigd dat ze alle drie de ambitie hebben om koning te worden, al is het dan zo dat alleen de oudste, Filip, dat met zoveel woorden kenbaar heeft gemaakt. Zou niet iedereen, en niet in het minst het koningshuis, gelukkig zijn met die regeling? Stelt u zich, beste lezer, eens in de plaats van Albert en Paola: alle drie hun kinderen zien terecht komen in een van de meest prestigieuze jobs die men zich kan indenken, koning! Blijft de vraag: wat geven we aan wie? Ik doe maar een voorstel, een niet-bindend voorstel. Aan Filip geven we de grootste staat, Vlaanderen, omdat hij de oudste is. Aan de tweede, Astrid kennen we Wallonië toe. Laurent tenslotte wordt koning van Brussel, dat de laatste jaren wel meer burgemeesters heeft gekend van dat slag, van het slag van de burgemeester uit F.C. De Kampioenen. Laurent zou ongetwijfeld een goede koning zijn voor de staat Brussels. Philippe Ghysens verwijt Laurent in diezelfde krant van gisteren dat hij meer bekommerd is om zijn eigen belangen dan om het milieu. Maar dat is toch de normaalste zaak van de wereld, beste lezer. Egoïsme is de drijfveer van al onze daden. Wie een rit wint in de Ronde van Frankrijk en beweert dat hij blij is, niet zozeer voor zichzelf, maar voor de ploeg, is een huichelaar. Laat een andere ploeg hem een hoger loon bieden en hij verlaat zijn huidige ploeg op staande voet!

    En nu nog iets over de wedde van de drie koningen – zoals u ziet, ik heb aan alles gedacht – . Ze mogen best goed betaald worden. Wat had u gedacht van iets in de orde van de wedde van een professor aan de universiteit? En alle kosten die zij moeten doen voor hun land door de staat betaald, hetgeen niet meer dan logisch is. Daarenboven zou ik de mogelijkheid overwegen om hen hun taak te laten verderzetten na het bereiken van de pensioenleeftijd, weliswaar na afleggen van een jaarlijkse proef waaruit blijkt dat ze nog tegen hun taak opgewassen zijn. Blijkt dat niet, dan kunnen zij genieten van een werknemerspensioen met zelfs de mogelijkheid van onbeperkte bijverdienste met behoud van pensioen. Deze laatste mogelijkheid zou er dan een zijn die alleen bedoeld is voor koningen. Zo zullen Willy Claeys en Jean-Luc Dehaene bijvoorbeeld nog steeds kunnen fluiten naar hun pensioen vanwege hun veel te hoge bijverdienste.

    De taak van onze drie koningen zou zuiver representatief zijn. En ze mogen al eens wat leven in de brouwerij brengen en wat vrolijkheid  onder hun landgenoten. Laten we de splitsing van België doorvoeren op 6 januari 2008. Die dag wordt dan als nationale feestdag uitgeroepen. Op die dag zal dan telkenjare de onafhankelijkheid herdacht worden van Vlaanderen, la Wallonie en Brussels en teneinde de vroegere verbondenheid te herdenken zullen de drie koningen op die dag gezamenlijk een tocht maken door de drie staten. Leute en plezier alom. En ik durf wedden dat de Vlamingen zich meer voor la Wallonie zullen interesseren en er ook meer van zullen gaan houden van zodra het “buitenland” is. En die tedere gevoelens zullen ongetwijfeld wederzijds zijn.

    En om onze drie koningen nog eens een hart onder de riem te steken… Het is niet de uitgestrektheid van het koninkrijk die een vorst groot maakt. Was Rainier van Monaco een kleine vorst? En koning Agamemnon van Mykene? En zelfs de vorsten van Luxemburg en Liechtenstein? Regeren de koningen van de Skandinavische landen over meer onderdanen dan er zijn in Wallonië of in Vlaanderen? Wat télt voor een koning is niet de grootte van zijn land maar persoonlijkheid, présence en geestigheid. En ze hébben het, de drie koningen: koning Filip, koningin Astrid en koning Laurent. Zeker en wis, voor de kinderen van Albert is er nog een mooie toekomst weggelegd.

    En wat met de troonopvolging in de toekomst? vraagt u zich misschien af. Ik wil dat even in het midden laten. Daar kan nog rustig over nagedacht worden. Erfopvolging hoeft misschien niet per se. Een koning kan toch ook verkozen worden door het volk? Iemand als Jean-Luc Dehaene of Margriet Hermans bijvoorbeeld? Koning Jean-Luc, dat klinkt mooi! Of koningin Margriet? En wat gedacht van le roi Elió (met de klemtoon achteraan)? Koningin Fientje lijkt mij minder geschikt. Trouwens, werd Fientjes naam onlangs niet genoemd in een zaak die naar fraude ruikt, of beter gezegd, naar “belangenvermenging”? Zoiets past natuurlijk niet bij een koning.

    Maar om nu eens écht helemaal terzake te komen. Zou er voor mij, nu ik deze politieke crisis toch tot een goed einde heb gebracht, ergens iets weggelegd zijn? Zoiets als “gecoöpteerd senator”? En voor mijn twee kinderen en mijn twee kleinkinderen? Die kunnen ook best een duwtje in de rug gebruiken…

    Leve Vlaanderen, vive la Wallonie & long live Brussels!

     

    (benieuwd wat mijn goede oude wijze vriend Jaak Vanlichtervelde hiervan zal zeggen en ik zal zeker ook niet nalaten de mening te vragen van professor O. van Togenbirger de Waelekens)


    » Reageer (1)
    14-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Justine Henin.

    Zelden zo genoten van een partij tennis als vorig weekend. Een flink deel van mijn nachtrust heb ik ervoor opgeofferd, in de nacht van zaterdag op zondag, voor de match tussen de Monegaskische Justine Henin en de Russin Svetlana Kuznetsova, respectievelijk de Stan Laurel en de… Briek Schotte van de tenniswereld. U hebt al begrepen, beste lezer, dat ik dat offer niet gebracht heb voor de vrouwelijke charmes van dit tweetal, zoals een mens dat zou doen voor een matchke tussen pakweg Maria Sharapova en Anna Kournikova. Het genot was er niet minder om, zij het van een andere aard. Puur sportief genot! Waarschijnlijk het mooiste spektakel wat op tennisgebied ooit werd gebracht. Vooral vanwege Justine. Wat een kracht, wat een techniek, wat een speldoorzicht, wat een uithoudingsvermogen en wat een wilskracht er toch schuilt in dat kleine vrouwenlichaam! Op dit ogenblik, vijf dagen na de feiten, geniet ik nog na, als ik maar aan haar spel denk - haar ténnisspel wel te verstaan -. Ongetwijfeld behoort zij tot de hoogste top van wat het vrouwentennis ooit heeft voortgebracht. In Het Laatste Nieuws van drie dagen geleden hebben de gewezen judo-grootheden Jean-Marie Dedecker en Gella Vandecaveye zich in zeer lovende bewoordingen uitgelaten over Justine. Terecht, al bevreemdt het mij een beetje, die plotse sympathie van vooral de politicus Jean-Marie Dedecker voor het vrouwentennis in ‘t algemeen en Justine Henin in ‘t bijzonder. Niets dan lof dus voor Justine.  Jean-Marie heeft nochtans één ding aan te merken: spijtig dat ze geen Nederlands spreekt. En waarom zou ze? Waarom zou een inwoner van Monaco, geboren in Wallonië, naast Frans en Engels ook nog Nederlands moeten spreken?

    Niet zolang geleden heb ik Justine, na een van haar talrijke overwinningen, horen verklaren hoe blij ze was, dat ze het ook een beetje gedaan had voor haar land en dat ze hoopte dat haar landgenoten nu fier zouden zijn op haar. Ach, láát dat Justine, die Monegasken hebben nog wel méér om fier op te zijn. Speel maar gewoon verder voor jezelf en voor de centen. Toptennis wordt goed betaald en dat je goed verdient mag niemand je benijden. Talent moet immers betaald worden en weinigen beseffen hoeveel inspanningen en opofferingen jij je hebt moeten getroosten om die top te bereiken en hoeveel inspanningen en opofferingen jij je nog steeds iedere dag getroost om op die top te blijven. Daarenboven heb je niet ál het geluk van de wereld: met de looks van Sharapova of Kournikova zou je bankrekening nu ongetwijfeld nog tien keer hoger zijn. Maar wees gerust, heel de wereld is fier op jou, niet enkel je landgenoten in Monaco…

    Ik kan het niet laten aan dit verhaal een zijdelingse bedenking vast te knopen, omtrent een gedachte die zomaar bij mij opkomt. Waarvoor zou ík het doen als ik zulke hoge toppen zou scheren? Voor de centen, vanzelfsprekend. Maar voor wíe? Voor mijn land? Voor Vlaanderen? Lijkt mij iets te grootschalig. Voor mijn provincie? Dat lijkt mij wel iets. Maar dewelke ís mijn provincie? In West-Vlaanderen ben ik geboren, in Oost-Vlaanderen ben ik getogen en in West-Vlaanderen woon ik nu. Welaan, laat ik het dan maar voor twéé provincies doen. Maar wat zál ik doen? Wat kan ik in godsnaam op mijn leeftijd nog beginnen waarop mijn provincies fier zouden kunnen zijn? Ik vrees dat ik mijn provincies niets meer te bieden heb. Ik weet het eigenlijk wel zeker. Het spijt mij. Jammer, provincies, maar het is niet anders…


    » Reageer (0)
    11-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Uit het dagboek van Jack Vanlichtervelde.

    [one-liners e.a., uit het dagboek van mijn vriend Jack, bewoner van de stille Kempen, met hier en daar een beetje commentaar door schrijver dezes]

     

     

    2007

    1 januari

    Jack ergert zich over Freya’s huwelijksfeest, omdat het in Thailand is en hij vraagt zich af of het niet op kosten is van de gemeenschap.

     

    4 januari

    “Geen kwaad woord van Boudewijn, want – zegt minister Eyskens – hij kan zich niet meer verdedigen”.

    Schandalig! voeg ik daar zelf aan toe. Een mens bekladden, die zich niet meer kan verdedigen. Kwatongen hebben beweerd dat Boudewijn schuldig is aan de moord op Lumumba, terwijl hij zich niet meer kan verdedigen. Zonder die kwatongen was die brave Boudewijn nu al heilig verklaard.

     

    26 april

    “Post en spoorwegen werken met verlies, maar ze betalen goed”.

     

    30 april

    “In de mooiste villa’s zijn ze altijd op reis”.

    Jack zelf woont in een mooie villa, maar reizen doet hij nog zelden: de uitzondering die de regel bevestigt?

     

    30 april

    “De enen leveren in, de anderen spreken van verworven recht”.

     

    6 juli

    “Wat denkt u over een gegoede burger zonder betaalkaarten, zonder GSM en zonder computer, maar met veel humor?”

    Jack zal hiermee ongetwijfeld zichzelf bedoelen. Ware het niet dat hij getrouwd is en met zijn echtgenote in de opperste vrede leeft, men zou zich afvragen of dit niet als huwelijksadvertentie bedoeld is…

     

    8 juli

    “Wie niet rookt, niet drinkt, niet neukt… moet op zoek naar alternatieven”.

    Jack mag niet meer roken en niet meer drinken van zijn dokter. Neuken mag nog wel, maar met mate. Jack is alvast op zoek naar een andere dokter.

     

    9 juli

    “De feministen hebben de strijd gewonnen, zij hebben meerdere jobs, langere files, slankere figuren, duurdere lingerie, langere reizen, moeilijker te parkeren auto’s, grotere huizen, mooiere zonnebanken (sauna’s, fitnesszalen…), mooiere keukens (maar ze koken niet): ze zijn in de carrièreval getrapt”.

    Jack is, bij mijn weten, nooit een feminist geweest…

     

    18 juli

    “Alcoholvrij bier, cafeïnevrije koffie, nicotinevrije sigaretten, vetvrije boter, vleesvrij vlees…”


    » Reageer (0)
    06-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Krantenkop.

    De krant “Het Laatste Nieuws” van vorige vrijdag, 31 augustus, ligt nog op de achterbank van mijn auto, ongelezen. Het hoofdartikel luidt: “Eén arts op vijf verdient te weinig”. Dat moet dus het belangrijkste nieuws van die dag geweest zijn…

    Volgens het artikel bereiken iets minder dan 80% van de artsen de rendabiliteitsgrens van 18.890 euro per jaar. Het gemiddeld inkomen van een arts ligt, steeds volgens dat artikel, op 60.195 euro. Dat gemiddelde wordt ongetwijfeld sterk opgetrokken doordat een aantal artsen inderdaad zéér hoge sommen binnenrijven. En wat zou dat? Die ongelijkheid bestaat toch in alle zelfstandige beroepen. Zo heb ik een frietkot-uitbater gekend die met zijn beroep schatrijk is geworden, terwijl een collega van hem moeite had om de touwtjes aan elkaar te knopen. Ik heb een bakker gekend die op zijn achtentwintigste genoeg had verdiend om zijn bakkerij over te laten en op zijn renten te gaan leven. Daarentegen heb ik een andere bakker gekend die na een leven van hard werken op zijn vijfenzestigste in armoede is gestopt. Hoeveel geld iemand verdient hangt in de meeste gevallen nauwelijks af van de bekwaamheid ofte het vakmanschap van de betrokkene. Zo heb ik, vele jaren geleden, een dokter gekend die 5000 francs aanrekende voor een consultatie toen de normale prijs rond de 100 francs bedroeg. Hij rekruteerde zijn klanten voornamelijk onder de wat oudere dames van de “begoede klasse”. Bij de bakker en de beenhouwer vertelden zij luidop over hun “rendez-vous mensuel avec le docteur Longchamps”. Dat maandelijks bezoek aan dokter Longchamps was hun statussymbool: het bewees dat ze van goeden huize waren en dat ze flink in de slappe was zaten. Zoals dat gaat in alle zelfstandige beroepen moet men om veel geld te “verdienen” een flinke dosis lef hebben, een dito dosis geluk en niet al te veel last van scrupules. Zo zijn er hoertjes die vijfhonderd euro vragen, terwijl er anderen zijn die hetzelfde “werk” doen voor tien euro…

    Ik wist precies hoe men als arts moest te werk gaan om in een minimum van tijd “rijk” te worden. Ik had namelijk veel gezien en gehoord en ik had “Le docteur Knock” van Jules Romains gelezen. Ik heb mijn kennis overgedragen aan collega’s die er hun profijt mee gedaan hebben. Zelf heb ik die theoretische kennis nooit in daden omgezet. Niet gedurfd denk ik, geen lef, nooit een cent te veel aangerekend, vaak veel te weinig, nooit iets in ’t zwart. Maar ook dát geeft voldoening, al was het maar omdat je het dan, eens de pensioenleeftijd bereikt, naar waarheid en in eer en geweten kan neerschrijven in een weblog…

    Ter illustratie een passage uit mijn autobiografisch boek “O jerum, jerum, jerum…” (2006, pag. 178-179):

    Ik had de meest verfijnde technieken van de esthetische neuschirurgie onder de knie en de microscopische oorchirurgie kende zo goed als geen geheimen voor mij. Toch had ik de eerste jaren in Kortrijk nauwelijks patiënten. Na een jaar of drie lag mijn hele technische bagage in duigen. In dertig jaar praktijk als keel-neus-oorarts heb ik minder esthetische neusoperaties en functionele ooroperaties verricht dan in mijn laatste jaar als assistent aan het universitair ziekenhuis in Rotterdam.

    In 't midden van de jaren tachtig - ik had toen een voordracht gegeven over neuschirurgie - kreeg ik op korte tijd een tiental patiënten voor uitwendige neuscorrectie: haviksneuzen, te lange neuzen, scheve neuzen… Allemaal goed geslaagd, allemaal tevreden klanten. Ik kon het dus toch nog. Ik heb voor al die operaties het officieel tarief aangerekend, rond de achtduizend frank. Daar gingen tweeduizend frank onkosten af voor het ziekenhuis en van het overblijvend bedrag palmde Vandamme nog eens de helft in. Na aftrek van belastingen bracht die hele operatie mij vijftienhonderd frank op:  drie uur gesuperspecialiseerde chirurgie plus de nazorg. Daar kon mijn vrouw één keer mee naar de kapper, maar dan mocht het niet de duurste van de stad zijn.

    Na die korte opflakkering werd het weer stil rond de estetische neuschirurgie. Er was toen een jonge dame uit mijn kennissenkring, een halve filmster, die bij mij inlichtingen inwon omtrent het verkleinen van haar neus. Toen ze hoorde hoeveel ik voor zo'n operatie aanrekende, begon ze er waarschijnlijk serieus aan te twijfelen of ik het wel goed kón. Ze heeft haar neus dan maar laten opereren in een andere stad door een plastisch chirurg "met naam". De ingreep kostte haar vierhonderdvijftigduizend frank. In 't zwart! De peulschil die ze  aan mij zou betaald hebben, zou ze dan nog integraal teruggetrokken hebben van het ziekenfonds. Die Antwerpse chirurg verdiende zijn centjes in ieder geval nogal vlot, als je dat vergelijkt met mijn povere vijftienhonderd frank… En het resultaat vond ik dan nog niet eens zo denderend: ik had het ongetwijfeld beter gedaan.

    Of ik dan zo eerlijk was, dat ik nooit iets in 't zwart vroeg? Bijlange niet! Ik dúrfde niet!


    » Reageer (0)
    05-09-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gedicht voor Annelies.

    Gedicht voor mijn nichtje Annelies, die op reis is in Amerika.

     

    Gedicht voor Annelies

     

    ‘k was vannacht

    al in mijn dromen

    over de grote plas

     

    hoe is dat zo gekomen?

     

    omdat ik gisteren

    de hele dag

    met mijn gedacht

    bij Lieske was

     

    Moge dit gedicht haar een hart onder de riem steken.


    » Reageer (1)
    29-08-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nabeschouwingen bij de 27e Dwars door Grijsloke.

    Dwars door Grijsloke, de zevenentwintigste al, zit er op. En zo ook de zomer, al hebben we die dit jaar vooral gehad in april en mei. ’t Is weer schoon geweest om naar te kijken, naar die honderden lopers die het beste van zichzelf hebben gegeven op de flanken van de Grijsloke-berg. Hun zweet vooral, en hier en daar wat bloed en wat tranen. Eerst waren er de drie kinderreeksen: de minder-dan-zes-jarigen, de zes-tot-negen-jarigen en de negen-tot-twaalf-jarigen. Mijn jongste kleindochter die negen jaar is en gehoopt had bij de zes-tot-negen-jarigen te mogen lopen, stond “wreed ontgoocheld” aan de start van de … negen-tot-twaalfjarigen. ’t Is erg, zei ze, dat ik bij de oudsten moet starten en dus drie ronden (van vijfhonderd meter, n.v.d.r.) moet afleggen, terwijl ik maar getraind heb voor… twee. Ze is als derde laatste door de finish gekomen, maar ze beweert “slechts” vierde laatste te zijn, want er zou er een opgegeven hebben… Haar zus heeft de tien mijl gelopen, in stijl en in een gelijkmatig tempo van start tot finish, zonder noemenswaardige tekenen van vermoeidheid: hoe dan ook een schitterende prestatie voor iemand die pas dertien is geworden. Als prijs heeft ze vijftien euro gekregen. Wat was ze fier met die zelfverdiende centjes!

    Zelf ben ik met weinig ambitie aan de 7 km-run begonnen. De conditie was toch al niet te best. Helemaal achteraan gestart. Op Johan Dhaene, mijn wekelijkse trainingspartner en eeuwige rivaal – maar dit seizoen duidelijk beter op dreef dan ikzelf – had ik al direct honderd meter achterstand, nog vóór we de eerste bocht ingingen. In de Pikkelstraat ging het beter dan verwacht en mijn achterstand is nauwelijks groter geworden. Had ik maar een betere start genomen… denk ik nu. Dank zij een vinnig spurtje ben ik nog binnen de veertig minuten geëindigd: niet slecht toch voor een zevenenzestigjarige?

    Mijn goede vriend Ted Weeks uit Hastings was er weer niet bij, maar die andere goede vriend uit Hastings, Rodney King, was er wel. Sinds 1990 steekt Rodney telkenjare onafgebroken het Kanaal over om deel te nemen aan wat voor hem de mooiste stratenloop ter wereld is. Hij is negenenzestig en loopt de zeven kilometer van Grijsloke nog in vierendertig minuten en negen seconden. Weinig negenenzestigjarigen die het hem zullen nadoen! Ook Lindsay Zervakis, de mooie Engelse met de Griekse naam en de zwoele blik, was weeral niet van de partij. In haar plaats was er Davina Hill. De avond vóór de wedstrijd zat ik naast Davina aan tafel. Een bescheiden vrouwtje dat enkel praat als haar iets gevraagd wordt. Als ik al niet getrouwd was had ik haar stante pede ten huwelijk gevraagd. Waar immers vindt men heden ten dage nog zo’n vrouw, één die niets zegt als ze niets te zeggen hééft? Na een paar glazen bier en evenveel glazen muskaatwijn, en in een romantische bui, heb ik Davina beloofd een gedichtje voor haar te schrijven. Hier gaat het dan:

     

    Davina Hill,

    waarom ben jij

    zo still?

     

    Die andre meiden

    zijn zo high,

    en jij, zo shy…

     

    Kom, drink een bier,

    en kere weer

    te naaste year.

     

    Dan krijg je

    van mij

    een kus of drij.

     

    In ’t algemeen is deze zevenentwintigste weer schitterend geweest: het weer, de ambiance, de organisatie. Alles piekfijn in orde. Een dikke pluim dus voor de mensen die daarvoor verantwoordelijk zijn. Naast de vijfentwintig Engelsen waren er een pak Nederlanders. En de Vlamingen? Die waren er ook. En niet van de minsten! Aan kwaliteit geen gebrek: onze beste stratenlopers van het ogenblik stonden aan de start. Maar de kwantiteit liet te wensen over: in de uitslag vinden we niet meer dan 707 lopers terug. Rekening houdend met enkele opgevers kunnen er aan de start hooguit 750 geweest zijn. Dat is amper meer dan een derde van het record aantal deelnemers anno 1990. Toen was Dwars door Grijsloke de mooiste én de grootste stratenloopwedstrijd van heel Vlaanderen. Nu is het enkel nog de mooiste. En toch is er naar mijn bescheiden mening niet veel nodig om er weer de grootste van te maken: medailles, diploma’s!… Wie zal er over pakweg vijftig jaar geloofwaardig overkomen bij zijn kleinkinderen of achterkleinkinderen als hij beweert dat hij Dwars door Grijsloke gelopen heeft – de mooiste en de lastigste stratenloop van Vlaanderen! – maar die bewering niet met een diploma of een medaille kan staven?


    » Reageer (0)
    30-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2000: GRIJSLOKE 2000 (verzameld werk over Grijsloke)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Ter gelegenheid van de 20e editie van Dwars door Grijsloke werd dit boek uitgegeven (348 pag., in eigen beheer, drukkerij Groeninge Kortrijk). Het is in feite een verzamelbundel van de vorige drie boeken over Grijsloke; slechts een drietal pagina's werden er aan toegevoegd.
    Op de omslag: Linda Lazou, één van de vele trouwe leden van Loopclub Grijsloke.
    Iedere deelnemer aan de 27e Dwars door Grijsloke kan dit boek gratis bekomen (op 25.8 bij  stand "inschrijvingen" in de tent) mits vooraf een emailtje te sturen naar  kris.vansteenbrugge@skynet.be  met als tekst: Grijsloke 2000.

    P.S. Voor alle inlichtingen omtrent DWARS DOOR GRIJSLOKE (25.8.2007): www.grijsloke.be 



    » Reageer (3)
    16-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het woordje van de stichter.

    Twee jaar geleden, aan de vooravond van de 25e editie, achtte ik mij, als stichter van Vlaanderens populairste stratenloop, geroepen om een woordje te schrijven over de geschiedenis en het ontstaan van Dwars door Grijsloke. Dat zag er toen uit als volgt:

    De kiem werd gelegd tijdens de grote vakantie van het jaar 1978. Met mijn vriend Robert Forêt kwam ik op het idee een loopkoersje te houden, met start en aankomst aan mijn geboortehuis in de Broekstraat te Elsegem: via Kaster, afstand drie km, negen deelnemers (zijnde Robert en ik, plus zeven kinderen). Een waar succes. Maar een jaar later was het aantal deelnemers geslonken tot vijf. In 1980 evenwel trokken we met onze loopkoers naar Grijsloke, waar Robert woonde. Dát was de allereerste, in feite "voorhistorische", Dwars door Grijsloke, dewelke van mij het rangnummer "nul" krijgt. Het succes was enorm: éénentwintig deelnemers!

    Van toen af kwam alles in een stroomversnelling. Er werd een heus organisatiecomité gevormd: dat eerste "bestuur" bestond uit Hubert Algoet, Tom Ampe, Jean-Pierre Clement, Albert Debeurme, Gaston Depoorter, Robert Forêt, Lucien Van Lancker, Jules Waelkens en ondergetekende. De eerste "échte" Dwars door Grijsloke kende niet minder dan zeshonderd deelnemers!
    Dat aantal groeide gestadig tot in 1990: toen waren er meer dan tweeduizend inschrijvingen! In de jaren die volgden daalde het aantal deelnemers, doch tot op heden is het steeds boven de duizend gebleven… Gedurende de eerste tien jaar was Lucien Van Lancker de motor van de organisatie. Sindsdien is de leiding stevig in handen van Claudine Dejonghe-Spileers.

    Reeds in 1982 kwam ik op het idee van een loopclub. Ik vroeg Tom Ampe, kinesist én licentiaat lichamelijke opvoeding, om de wekelijkse training te leiden doch hij gaf er al spoedig de brui aan en werd vervangen door Gilbert Terras, zelf een gewezen marathonloper uit de legendarische Anzegemse school van de jaren '50 en '60. Gilbert heeft zich tot op heden op onnavolgbare wijze van zijn taak gekweten. Hij zorgde meteen ook voor een clubblaadje voor "Loopclub Grijsloke".

    Velen uit Anzegem en (verre) omstreken houden aan Dwars door Grijsloke en de Loopclub herinneringen over die tot de mooiste uit hun leven behoren. Ik noem er enkele op, voor de vuist weg: de medailles (o.a. uit de reeks "de Levensloop" en uit de reeks "Grijslokes Olympiade"), de zilveren kettinkjes, de busreizen naar de Nürburgringloop, naar de course des Terrils, naar Hastings, Eupen en Capelle aan de IJssel, naar de marathons van Rotterdam, Londen, Honolulu, Parijs, Chicago, Kaapstad, Moskou, Wageningen, Apeldoorn, e.a., de onvergetelijke veertiendaagse reis naar Griekenland, de jaarlijkse week-end uitstappen naar Viroinval, De Haan en Nieuwpoort, met de schitterende play-back shows, de drie marathons die ooit gelopen werden op onze uitzonderlijk zware omloop, de grote vedetten die wij aan de start van de verscheidene Dwars door Grijsloke's mochten verwelkomen (ze behoorden tot de allergrootsten van de wereldatletiek), de komst van de Duitse dr. van Aaken (de paus van de joggingsport, die maar één voordracht in ons land heeft gehouden, nl. in het gemeentehuis van Anzegem, speciaal voor "Grijsloke"!), de vele oriëntatietochten, filoporitesten en Halloween-tochten, de Sinterklaasfeestjes en de Nieuwjaarsrecepties, de jaarlijkse wafelbak en de bedankingsfeestjes voor de medewerkers, de samenwerking met de Stichting tegen Kanker, de ballonvaarten, de wekelijkse trainingen en de filosofische babbels achteraf in de kantine van de club, de kinderlopen waar ons eigen junior-team telkenjare de hoofdvogels afschiet, de keiharde 7 en xml:namespace prefix = st1 ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" />20 km wedstrijden, later veranderd tot 7 km en halve marathon en de laatste twee jaar tot 7 km en 10 mijl, de buitenlandse deelname van vooral Nederlanders en de Engelsen uit Hastings en omstreken, de verbroederingsfeesten die wij telkenjare met de Engelsen houden, de verbroederingsloop van Grijsloke naar Hastings en terug, de persconferenties die soms zeer groots werden opgevat, de feesten waarbij beroemde oude gloriën te gast waren (John Doms, Marcel Vandewattijne, Marc Smet, Frans Herman, Aureel Vandendriessche, Roger Deweer, e.a).

    Verdriet is er ook geweest. Schrijnend was het plots heengaan van ons aller vriend Patrick Vanhouttegem, jonge man nog, in de kracht van zijn leven. Een vijftal oud-bestuursleden hebben ons definitief verlaten, alsook legendarische figuren als daar zijn Henri Bastien en Bill Bailey. Recentelijk nog hebben we getreurd om Werner Lapeau en Maurice Adams. Maar… zó is het leven!
    Zelf heb ik in het bestuur gezeteld tot en met de 23e editie. Nu ben ik nog slechts een enthousiast lid van de Loopclub en een vurige supporter van Dwars door Grijsloke. Laat ik nog vermelden dat er vier boeken van mijn hand verschenen zijn over onze loopkoers, nl. in 1982, 1984, 1997 en 2000. Er bestaan nog enkele honderden exemplaren van. Ik stel ze gratis ter beschikking van eenieder die dit jaar lid wordt van Loopclub Grijsloke. Op simpele aanvraag te bekomen bij mij:
    Kris Vansteenbrugge, Sint-Denijsestraat 191B, 8500 Kortrijk;
    tel. 056-215944; e-mail:
    kris.vansteenbrugge@skynet.be
    ; www.bloggen.be/kris. 

    Op 12 februari 2006 incasseerde Dwars door Grijsloke de zwaarste klap uit haar bestaan, een klap die naar vele insiders vermoedden niet meer zou te boven gekomen worden. Die dag overleed plots en onverwacht Roger Dejonghe. Hij was de echtgenoot van Claudine (Mevrouw Dejonghe). Hij was degene die in Grijsloke werkelijk de touwtjes in handen had. Hij was de grote man achter de schermen. Roger was de grootste VIB die ik gekend heb: Vriendelijk, Intelligent en Bescheiden. Dat er geen vriendelijker en gastvrijer mens bestond dan Roger weet eenieder die ooit bij hem thuis is geweest. Ik kende hem al van in de lagere school: een superbegaafde leerling, een primus perpetuus. Zijn bescheidenheid was spreekwoordelijk: onder geen beding wenste hij zijn naam vermeld te zien in verband met Dwars door Grijsloke, hij bleef immer op de achtergrond werken, zonder ooit zijn woning te verlaten, dag in dag uit, iedere dag van het jaar, werken voor Dwars door Grijsloke. Nu hij er niet meer is kan hij het mij niet meer kwalijk nemen dat ik dit over hem schrijf… Hij is gestorven aan zijn schrijftafel met de pen in de hand, terwijl hij uitnodigingen aan het schrijven was voor een bedankingsfeestje voor alle medewerkers van Dwars door Grijsloke.

     

    Na het verlies van haar dierbare echtgenoot en na Dwars door Grijsloke gedurende vijftien jaar op een perfecte manier geleid te hebben, begon voor Claudine het voorzitterschap zwaar te wegen. Velen vreesden dat dit het einde zou betekenen voor Dwars door Grijsloke. Wie zou immers ooit in staat zijn om de taak van het duo Roger en Claudine over te nemen? En wat blijkt? Wéér zijn de goden ons genadig. Niet minder dan vijf nieuwe talentrijke kandidaat-bestuursleden stonden klaar om de “oude garde” te vervoegen. Die oude garde bestond uit nog amper drie man: Hubert Algoet, die al 25 jaar zorgt voor de geluidsinstallatie en de videoreportages (de enige die er in 1981 al bij was), trainer Gilbert Terras en “manusje-van-alles” Paul Vandenberghe. Eén van de vijf nieuwe bestuursleden is Gerrit Glabeke. Hij is nu de nieuwe voorzitter, een man die over de capaciteiten beschikt om Dwars door Grijsloke ook in dit nieuwe tijdperk – het computer-tijdperk! – op hoog niveau te houden. Hij is de man die na Lucien Van Lancker (1981-1990) en na Roger & Claudine Dejonghe (1991-2005) ongetwijfeld de legende van Dwars door Grijsloke zal ingaan. Net zoals in 1981 bestaat het bestuur van Dwars door Grijsloke op heden, 25 jaar later, uit negen man: Gerrit Glabeke, Marc Calant, Mieke Vanwijnsberghe, Patrick Debruyne, Paul Van Elstraete, Hubert Algoet, Gilbert Terras, Paul Vandenberghe en last but not least (het weze dan in een erepost) onze “engelbewaarder” Claudine Dejonghe-Spileers, onze ere-voorzitster, die niet te beroerd is om in het clublokaal de pintjes klaar te zetten voor de moegetrainde lopers van Loopclub Grijsloke, iedere zondagmorgen vanaf 9.00 uur.

     

    En hoe is het gelopen? Dwars door Grijsloke is vorig jaar onverstoord doorgegaan op zijn elan. De nieuwe ploeg blijkt al even goed van aanpakken te weten als de oude garde. Wat maar weer eens bewijst dat niemand echt onmisbaar is op dit "ondermaanse". Zal het dan toch waar wezen dat Grijsloke niet klein te krijgen is?

    Alvast tot ziens, aan de start van de 27e Dwars door Grijsloke op zaterdag 25 augustus a.s.

     

    Kris


    » Reageer (0)
    11-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over de Heuvelenloop en... Puk.

    De top van de Paardenberg ligt midden in het Grandvalbos. De weg is hier slechts een smal aarden pad en iemand inhalen is hier bijna onmogelijk. Ik wil maar zeggen dat ik mij heb laten verrassen in dat bos en dat ik daar de eerste punten voor het bergklassement aan mijn neus heb zien voorbijgaan. De doortocht door het Grandvalbos was overigens het mooiste stuk van de hele Tolardrieheuvelenloop. Ik heb het er eerder over gehad dat hier hyacinthen groeien, maar hyacinthen zijn voorjaarsbloemen en die bloeien alleen in de lente. Wat hier bloeit is de anemoon. Deze bloem, in tegenstelling tot de hyacinth, dankt haar naam niet aan een mythologische figuur, maar niettemin bestaat er een mythologisch verhaal dat haar ontstaan verklaart. Jawel, eveneens uit de Griekse mythologie. Het verhaal heeft te maken met Adonis, de mooie jongeling op wie de liefdesgodin Aphrodite dodelijk verliefd was. Maar de jaloerse god Ares, met wie Aphrodite een verhouding had, vermomde zich tijdens een jachtpartij in een wild zwijn, en in die gedaante verwondde hij Adonis dodelijk. Aphrodite weende overvloedig terwijl het bloed van de geliefde zieltogende jongeling wegvloeide in de richting van de onderwereld. En waar het bloed van Adonis de aarde doordrenkt had, begonnen bloemen te groeien: anemonen. Sommigen beweren dat uit het bloed van Adonis rozen opbloeiden en dat de anemonen groeiden op de plaats waren de tranen van Aphrodite de aarde hadden bevochtigd...

    Zowel op de Beerbosheuvel als op de Geitenberg heb ik revanche genomen. Daarmee was de bergprijs binnen: een krop sla, een courgette en een bundel worteltjes, geschonken door boer Louis Glorieux, “brother Louis” dus. Eenmaal voorbij de top van de Geitenberg ging het met mij evenwel bergaf, letterlijk en figuurlijk. Het hart en de longen konden de laatste kilometers ongetwijfeld nog wel aan, maar de benen lieten het afweten. In de sprint naar de aankomst, aan de kazerne, was Dirk Vanneste heer en meester.

    Tot daar dus het relaas over de Tolardrieheuvelenloop van 8 juli laatstleden. En nu wil u misschien ook graag weten of ik nog iets vernomen heb van zuster Puk van Houwelingen – u herinnert zich ongetwijfeld het geheimzinnig telefoongesprek van 8 juni? – Welnu, ze heeft niets meer van zich laten horen. Mocht daar nog verandering in komen, dan laat ik u dat weten, zonder fout. Ik beloof het u op mijn eerste communiezieltje.


    » Reageer (0)
    09-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nummer 25.

    Zorg ervoor beste lezer dat u niet doelloos rondzwalpt op deze aarde, dat u een doel hebt in het leven, en vooral u, beste oudere lezer: het houdt een mens jong! Sinds ik mij tot doel heb gesteld tweemaal per week een verhaal te schrijven uit de Griekse mythologie – trouwe lezers van mijn blog weten dat het op 18 mei l.l. was – heb ik het verouderingsproces gevoelig afgeremd. Aanvankelijk was ik wel een beetje bang dat ik het tempo van twee per week niet zou kunnen volhouden maar, wel in tegendeel, ik loop al vijf à zes weken voor op het schema. Zopas heb ik mijn vijfentwintigste verhaaltje geschreven! Het gaat over de eeuwig schone slaper Endymion en over Oineus, de eerste sterveling die leerde wijn maken.

    Velen van mijn lezers zullen mogelijkerwijze nooit over Endymion gehoord hebben en misschien geldt dat ook voor Oineus, al is het woord “oinologie” – of oenologie, d.i. wijnkunde – hun misschien niet helemaal onbekend. Maar dat er een verband bestaat tussen beide mythologische figuren, dat zal welhaast niemand weten. En... eerlijk gezegd, ik wist het ook niet, vóór ik dit verhaal schreef. Ik kwam er achter toen ik ging grasduinen in de stamboom van Oineus: Endymion was zijn betoudovergrootvader... Een gelegenheid dus om beiden in één verhaal te behandelen.

    Ik besef maar al te zeer, beste trouwe lezer, dat op dit ogenblik uw interesse in de hoogste mate gewekt is, dat u op het puntje van uw stoel zit te popelen om meer te vernemen over Endymion en Oineus. Het zou onmenselijk zijn om u nog vijf à zes weken te laten wachten tot het verhaal verschijnt op  www.bloggen.be/dzeus . Het zou niet goed zijn voor uw gezondheid, u zou erdoor in stress kunnen geraken. Daarom laat ik het hier volgen, verhaal nummer 25 – een zilveren jubileum – over Endymion en Oineus.

     

    We beginnen dit verhaal bij Endymion. Hij was een zoon van Zeus en van een nimf. Hij woonde in Elis, in het noordwesten van de Peloponnesos. Hij trouwde en had vier zonen. Op een warme zomerdag trof Selene de maangodin, hem aan, naakt slapend in een grot. Selene is een dochter van het titanenkoppel Hyperion en Theia en tevens een zuster van Eos de dageraad en van Helios de zonnegod. De nochtans koele godin werd op slag tot over de oren verliefd op de knappe jonge man. Ze vleide zich tegen hem aan en overlaadde hem met kussen. Dit geluk zou eeuwig moeten blijven duren, dacht ze, en ze smeekte Zeus haar geliefde onder te dompelen in een nooit eindigende slaap, opdat hij nimmer oud zou worden en aldus zijn knap uiterlijk voor altijd zou blijven behouden en zij hem ongestoord iedere dag zou kunnen bezoeken en liefhebben. En Zeus willigde haar verzoek in...

    Aitolos, een van de zonen van Endymion vestigde zich aan de andere kant van de Korintische Golf, in het zuidwesten van het Griekse vasteland. De streek werd naar hem genoemd: Aitolië. Aitolos’ zoon Kalydon stichtte er later de gelijknamige stad, Kalydon dus. De meest bekende koning van deze stad is Kalydons achterkleinzoon Oineus. Deze was gehuwd met Althaia, dochter van zijn neef Thestios. Drie kinderen van Oineus spelen een hoofdrol in verhalen die behoren tot de meest spannende uit de Griekse mythologie: het zijn Meleager, Deianeira en Tydeus. We zullen u die verhalen niet onthouden.

    Maar eerst iets over Oineus. Er was geregeld goddelijk bezoek aan het koninklijk hof in Kalydon. De hoge bezoeker was Dionysos, de god van de wijn, bij wie alle geneugten des levens hoog in het vaandel stonden. Of Oineus dan zulke goede maatjes was met de god? Welnee. Dionysos kwam in de eerste plaats voor Aithra, die hij het hof maakte. Had Oineus dat niet in de gaten? Zeer zeker wel, maar Oineus tolereerde het overspel van zijn echtgenote. Hij deed of hij niets merkte en telkens als de god op bezoek kwam trok hij zich bescheiden terug op zijn akkers. Dionysos wist deze handelwijze van Oineus zeer naar waarde te schatten. Uit erkentelijkheid leerde hij Oineus hoe hij uit druiven wijn kon maken, een kunst die tot dan toe enkel voorbehouden was aan de goden. En via Oineus heeft deze kennis zich verder verbreid over het mensdom. De oinologie – ook oenologie of enologie genoemd – , de leer van de wijn en de wijnbouw, we hebben het te danken aan de god Dionysos en aan Oineus, de tolerante koning van Kalydon, die niet te beroerd was om al eens een oogje dicht te knijpen...

     

    U bent ze nooit eerder tegengekomen, Endymion en Oineus? Natuurlijk wel! U hebt er alleen geen acht op geslagen. Begeef u in een massa mensen en alleen diegenen zullen u opvallen die men u eerder al heeft voorgesteld. En vermits u nu kennis gemaakt hebt met Endymion en Oineus is de kans groot dat u ze weer ergens tegenkomt, nog voor het jaar 2007 ten einde zal zijn, en dat u zegt: “ik ken u Endymion, gij zijt toch die schone slaper, en u Oineus, gij zijt toch degene aan wie de mens de kunst van het wijnbereiden te danken heeft!”


    » Reageer (0)
    06-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over twee neuropsychiaters.

    Ik heb zopas een dik boek uit, één van vierhonderd en vijf bladzijden. Het gebeurt maar heel zelden dat ik een dik boek helemaal uitlees, laat staan dat ik er zelfs maar durf aan beginnen. Dit boek is dus eigenlijk een uitzondering: Meneer Doktoor, verhalen over leven en dood, lijf en lust 1937-1964, door Peter Vandekerckhove, uitgegeven door Roularta Books NV in 2006. Na amper twee zinnen wist ik het al: dit boek lees ik uit, tot de laatste bladzijde. En dat is dus nu gebeurd. Het zal wel geen grote literatuur zijn. Dat overkomt mij steeds: als ik een boek graag lees dan blijkt het nooit grote literatuur te zijn...

    Waar gaat het boek over? Getuigenissen van artsen die hun beroep uitgeoefend hebben toen de geneeskunde nog in de kinderschoenen stond, toen meneer doktoor nog met de fiets op huisbezoek ging, toen meneer doktoor nog niet beschikte over ontelbare soorten medicamenten en over gesofisticeerde  apparatuur en de geneeskunde nog niet zo duur was. Ze vertellen over hun studententijd, over de oorlogsjaren, over de ellende waarin de mensen leefden, over de onmacht van de geneeskunde, over de rol van de kerk die ’s mensen leven in die tijd nog helemaal beheerste.

    Eén van de “heren doktoren” die de schrijver in zijn boek laat getuigen is de nu achtenzeventigjarige Ieperse arts Roger Deberdt, een zeer bekende neuropsychiater en misschien wel de bekendste Vlaamse gerechtspsychiater van de laatste decennia. Ik heb het genoegen gehad de man enkele keren te ontmoeten. Naar mijn oordeel een wijze en bescheiden man. Hoe zo’n man – volgens dit boek – staat tegenover een aandoening als “het chronisch vermoeidheidssyndroom” en tegenover “de psychoanalyse” zal u misschien evenzeer verwonderen als het mij heeft gedaan.

    Over het chronisch vermoeidheidssyndroom:

    Het chronisch vermoeidheidssyndroom? Dat bestaat niet.

    Als ik een expertise doe van het chronisch vermoeidheidssyndroom wordt dat bitter bevochten! Dan zie ik mensen die uren aan een stuk hun zaak vurig staan te bepleiten. “Ik kan geen 2 pagina’s lezen of ik val in slaap, ik kan de ondertitels van de televisie niet lezen...” Maar ze kunnen wel een pleidooi houden van twee uur, met de documenten mee met alle passages die in hun voordeel zouden kunnen zijn netjes onderlijnd. Dan schrijf ik in mijn verslag dat ik niet begrijp dat iemand die geen 2 pagina’s kan lezen in een roman, hier wel gedurende twee uur over technische materie kan spreken zonder vermoeid te zijn.

    En over de psychoanalyse:

    Psychoanalyse? Charlatanesk! Ik geloof er niets van! Geen één van al die verhalen heeft enige wetenschappelijke waarde. Ze zijn bang om de proef te doen naar de therapeutische resultaten! De meta-analyse van de gegevens hebben ze altijd geweigerd! Ze zeggen dat het een therapie is en dat er resultaten zijn, maar zijn die resultaten het gevolg van de therapie? Psychoanalyse is lullen. Lacan, bijvoorbeeld, je kunt wel eens lachen met zijn woordspelingen maar eigenlijk wat doet hij? Lachen met de mensen! Freud en zijn “penisnijd”? Nog nooit gezien hoor! Het “oedipuscomplex”: nooit tegengekomen! Ze hebben de vooruitgang van de psychiatrische behandeling tegengewerkt. Psychoanalyse is een goedkope theorie. Er is trouwens geen dogmatischer denken dan dat! Vraag: “Waarom is dat penisnijd?” Antwoord van de psychoanalyticus: “Omdat ik het zeg!”

    Jammer dat dokter José Van Laere, eveneens een bekende Westvlaamse neuropsychiater uit die tijd, enkele jaren geleden gestorven is. Die zou ook niet misstaan hebben in dat boek. José was, naast een bekwame arts, ook een begaafd schrijver: “Dagboek van een neuroloog” en “Kortrijkse Asclepiaden” zijn prachtige werken. Er werd hem, als geaggregeerde van het hoger onderwijs een leerstoel aangeboden aan de Leuvense universiteit. José heeft dat aanbod niet aanvaard. Later placht hij te zeggen: “Eén ding is straffer dan een leerstoel krijgen aan de universiteit en dat is... er één te weigeren”. Er is een aandoening van de hersenstam naar hem genoemd, “le syndrome de Van Laere”, onbekend in ons land, wel in Frankrijk, aan de universiteiten van Parijs en Lyon. José en ik hebben samen eens een wetenschappelijk artikel gepubliceerd over een dergelijke aandoening: één van de weinige dingen in de geneeskunde die mij vreugde verschaft hebben en waar ik fier op ben. Dokter José Van Laere stond ook bekend als een begenadigd spreker en ook om zijn soms zeer bondige en simpele diagnoses. Zo herinner ik mij ooit een patiënt naar hem gestuurd te hebben, bij wie het psychisch niet in orde was, met de vraag naar een precieze diagnose. De deskundige dokter belde mij op. Zijn diagnose luidde, kort en goed: de man is gek!


    » Reageer (0)
    23-06-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tollardrieheuvelenloop te Kooigem op 8 juli 2007.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen < klik op de kaart om te vergroten.

    Op dit parcours heeft op 8 juli a.s. de Tollardrieheuvelenloop plaats, de kleinste stratenloop in Vlaanderen qua aantal deelnemers, maar zeker niet  de geringste wanneer andere criteria in aanmerking worden genomen.


    1. Paardenheuvel (km2)  2. Beerbosheuvel (km5)  3. Geitenberg (km5)       S/A = start en aankomst (km10)
    T = Tolardriehoeve (km7,5)   L = Lorke & Stephaan

    De start is in de Kazernestraat, aan... de kazerne. ’t Is daar de boerebuiten en er is in de verste verte geen kazerne te zien, althans niet in de zin van “verblijfplaats voor soldaten, brandweerlieden, etc”. Het woord “kazerne” zou nog een andere betekenis hebben volgens Dirk Vanneste, namelijk “een groot blok woningen”. Maar ook dát is daar ver te zoeken. Vroeger, zegt Dirk, was er hier zo’n woningenblok. Laten we dat dan maar geloven.

    Het gaat richting Kooigemsestraat, de grote weg naar... Sint-Denijs. Na anderhalve kilometer gaat het bergop en aan km 2 bereiken we een eerste “heuveltop”, die van de Paardenheuvel. “Paardenheuvel” is geen officiële naam. De naam werd aan deze helling gegeven door Johan Morreel, een illustere Kooigemnaar die hier in de tweede helft van de jaren tachtig en in de eerste helft van de jaren negentig een zeer succesrijke stratenloop voor medici organiseerde: de Twaalfheuvelenloop. Er waren honderden deelnemers en een dozijn heuvels dus: deze was er één van. Johan moet daar ooit eens paarden zien lopen hebben, vandaar... Deze Tollardrieheuvelenloop is een uitvloeisel en in feite slechts een armzalig afkooksel van die eens zo beroemde Twaalfheuvelenloop: van heel Vlaanderen kwamen artsen en paramedici in dichte drommen naar Kooigem afgezakt om elkaar te bekampen in de meest olympische van alle sporten, de loopsport. Nu zijn er nog amper drie heuvelen en, ocharme, nog twee deelnemers, een strikt minimum, want met minder deelnemers heb je geen wedstrijd meer natuurlijk. Boven op de Paardenberg slaan we links de Grote Dalstraat in. Die straat heeft natuurlijk haar naam te danken aan het feit dat ze langsheen het Grandvalbos loopt, al moet het mij van het hart dat ik de Nederlandse vertaling niet zeer geslaagd vind. We verlaten al snel de Grote Dalstraat om naar rechts het bos in te duiken. Over het Grandvalbos lees ik in het Veldornitologisch Jaarboek van Zuid-West-Vlaanderen: “Het is een eiken-haagbeukenbos met een zeer gevarieerd bomenbestand en een aantrekkelijke onderbegroeiing van wilde hyacinth”. Hyacinthos was, zo leren we uit de Griekse mythologie, een knappe jongeling op wie de god Apollo verliefd was. Maar ook Zephyros, de Westenwind was verliefd op de knappe jongeling. En toen Apollo en Hyacinthos zich op een dag verlustigden in het spel met de discus, liet de jaloerse Zephyros de met kracht door Apollo geworpen discus uit zijn baan afwijken, tegen het hoofd van Hyacinthos. Deze stuikte ter aarde neder. Morsdood. Apollo beweende hem luid en liet uit het bloed van de jongen een prachtige bloem opbloeien, de hyacinth, in wier bladnerven men de leters “AI” kan lezen, de weeklacht van de god...

    We komen op een landweg die even verder uitloopt op de Kaveiestraat. We bevinden ons op grondgebied Sint-Denijs en hier in de buurt is Gella Vandecaveye geboren en getogen, een van onze allerbeste judoka’s. Hebben ze de straat naar haar genoemd? We gaan nu richting Beerbos. Waar de Zandbeek onze weg dwarst – vanaf hier heet de straat Zandbeekstraat – staat op onze stafkaart een cirkeltje met een kruisje eronder, het teken van de vrouwelijkheid. Daar is links van de weg, een beetje verscholen achter hoge struiken, een rustig meertje en een ietsje verder staat in grote letters op onze stafkaart “Liefkenshoek”. Een en ander roept bij mij het verhaal op van Aktaion, een Griekse jager, die heel toevallig verzeild geraakte bij een meertje waarin de godin Artemis samen met enkele nimfen aan ‘t baden was: naakt! Artemis, de godin-maagd, strafte de nochtans onschuldige jager op een wreedaardige manier: ze besprenkelde hem met water uit het meer en sprak daarbij een toverformule uit, waardoor Aktaion veranderde in een hert. Hij werd door zijn eigen honden verscheurd. Ik neem mij alvast voor geen onbescheiden blikken te werpen in de richting van het meertje...

    Aan km 5 wacht een tweede beklimming: de Beerbosheuvel. Die beer doet me weer denken aan de hardvochtige preutse godin. Toen ze merkte dat Kallisto, een van haar nimfen, zwanger was, veranderde ze haar in een berin. Kallisto beviel van een zoon, Arkas. Toen Arkas groot geworden was ging hij op berenjacht en kwam op een dag oog in oog te staan met de berin die zijn moeder was en die hij aldus niet herkende. Hier zou een vreselijk drama gebeurd zijn als de oppergod Zeus niet had ingegrepen door ook Arkas terstond in een beer te veranderen. Moeder en zoon werden later aan het firmament geplaatst als sterrenbeelden: de grote en de kleine beer.

    Van de Beerbosheuvel  gaat het via kleine kronkelige wegen – de Priesterstraat en de Tontestraat – naar de Tontekapel. Op de plaats van de Tontekapel staat op de stafkaart zo’n cirkeltje met een kruisje zoals er één staat bij de Zandbeek: misschien staat dáár ook wel een kapelletje en heb ik het daarnet helemaal fout geïnterpreteerd, met die “vrouwelijkheid”, weet je wel? De kapel staat hier zo eenzaam en verlaten  in het landschap, zonder één huis in de nabijheid, dat het bijna niet te geloven is dat dit ooit een soort bedevaartsoord is geweest en dat hier kraampjes stonden omstuwd door een massa mensen, een soort Scherpenheuvel of Kerselare in ’t klein.

    Aan de Tontekapel gaat het via een landwegel naar de top van de Geitenberg. In de afdaling van de Geitenberg komen we voorbij het “Goed te Tollardrie”, de hoeve van Louis Glorieux ofte “Brother Louis”, één van die gezonde koppige Vlaamse boeren die legio waren in de tijd van Streuvels. Aan deze hoeve, en aan de drie heuvels, dankt de koers haar naam. Louis denkt nog lang niet aan zijn pensioen, al is hij de “gerechtigde leeftijd” al lang voorbij. ’t Zou mij niet verwonderen als hij aan zijn “hofgat” moest staan met een ruiker zelfgekweekte bloemen of een pint blond-schuimend-bier voor de deelnemers. Een verfrissingspost is er ook in de Molentjesstraat bij Stephaan en Lorke, ’t schoonste koppeltje van Kooigem: Philemon en Baukis...

    Nog anderhalve kilometer scheiden ons van de kazerne. De messen worden aangescherpt voor de eindsprint. Wedden dat het een strijd wordt op leven en dood?



    » Reageer (0)
    14-06-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief aan Jan Bauwens.

    Beste Jan,

     

    Een paar dagen geleden heb ik een verhaal gelezen van professor van Togenbirger. Mocht je het zelf nog niet gelezen hebben – hetgeen mij ten zeerste zou verwonderen – dan raad ik je aan het vandaag nog te doen. Een knap stukje, dat ik iedereen zou willen aanraden te lezen: www.bloggen.be/omskvtdw. Het stukje heet “water” en de reden dat ik het zo knap vind moet misschien wel voor een deel gezocht worden in het feit dat het nostalgie oproept naar mijn lagere schooljaren. Ook ík heb, net als professor van Togenbirger, in klassen gezeten met hoge plafonds. Zou de professor werkelijk de mening toegedaan zijn dat er tegenwoordig minder zuurstof in de klassen is vanwege de lage plafonds, en dat daar de verklaring kan liggen van minder presteren op school? Wil je hem dat eens vragen bij gelegenheid: jij leeft toch op meer vertrouwelijke voet met hem dan ik.

    En dan dat natuurkundig principe dat warme lucht veel meer vocht kan bevatten dan koude, dat zo vakkundig werd uitgelegd door de schoolmeester – was dat in Serskamp? – en dat alvast door twee leerlingen goed begrepen werd, zijnde Omsk van Togenbirger zelf en ene Gerard – dat was toch niet Gerard Moreels? – Het toeval wil dat de “legendarische” madame Janssens uit mijn boek “O jerum jerum jerum...” – zie pagina 26 tot 30 – ons dat ook al trachtte aan ’t verstand te brengen, in de lagere gemeenteschool te Kaster. Eén kubieke meter lucht boven de Noordelijke IJszee bevat minder water dan één kubieke meter lucht boven de Sahara, schreef zij op het bord. Emilienne en ik waren de enigen die daarover verwonderd waren en dat verheugde “madame”. De anderen begrepen wellicht niet eens goed waarover het ging. Ondanks de hoge plafonds...

    Zoals je misschien wel weet heb ik mijn laatste drie jaar lagere school in Kaster gedaan en mijn eerste drie jaar in Grijsloke. Ook in Grijsloke hadden we een “juffrouw”: Valentine. Maar die juffrouw was in werkelijkheid een weduwe, die al een redelijk grote dochter had, Dora. Die Dora is later getrouwd met Jules Waelkens, één van de pioniers van Dwars door Grijsloke. In mijn eerste boek over Grijsloke staat een foto van Jules op pagina 26. Ook de school in Grijsloke had hoge plafonds. Albert Debeurme is ook naar die school geweest, maar dat was een kwart eeuw vóór mij. In genoemd boek over Grijsloke poseren Albert en ik samen op éénzelfde bank in datzelfde schooltje (cf. foto op pagina 14). En het schooltje bestaat heden ten dage nog steeds. Het bloeit zelfs méér dan toentertijd: er zijn vér over de honderd leerlingen, hetgeen toch niet mis is voor een dorp van amper driehonderdvijftig inwoners. De school van madame Janssens is er niet meer. ’t Is te zeggen: het gebouw is er nog wel, maar ’t is nu “het cultureel centrum van Kaster”...

    Waarom ben ik, inwoner van Elsegem, nooit in mijn eigen dorp naar school geweest, bij meester Anckaert, die mijn schoonvader is geworden en voor wie ik later zoveel bewondering heb gekregen? Wij woonden aan de rand van het dorp en zowel ’t schooltje van Grijsloke als dat van Kaster waren dichterbij – al scheelde het niet veel – en ook daar was ’t onderwijs verre van slecht. Wie kon toen vermoeden dat ik ooit zou trouwen met meester Anckaerts dochter?

    In het “waterverhaal” van Omsk van Togenbirger heb ik drie foutjes – tikfoutjes – gevonden. In het midden van paragraaf 8 moet het zijn “ook al sta je” in plaats van “ook als sta je”, en in paragraaf 20 moet er “zou” staan i.p.v. “zoud” en wat verder op dezelfde lijn is de “r” van “zuurstof” vergeten. Wil je hem daarop attent maken?

     

    Met mijn beste groeten,

     

    Kris.


    » Reageer (0)
    08-06-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Zuster van Houwelingen.

    Drie dagen geleden...

    - Er is telefoon, zei mijn vrouw. Iemand uit Dijkzigt.

    Uit Dijkzigt! Waarom in ’s hemelsnaam belt iemand mij op uit Dijkzigt? Wordt er een bijeenkomst georganiseerd voor de oud-assistenten? Of zou professor Strüben overleden zijn? ’t Zou niet te verwonderen zijn, want de hooggeleerde moet, als hij nog in leven is, al diep in de negentig zijn. Dijkzigt is het universitair ziekenhuis van Rotterdam. Veertig jaar geleden heb ik er een opleiding gevolgd tot keel-neus-oorarts op de afdeling van professor Strüben. Vier jaar heb ik daar gewerkt, als arts, in een van de grootste ziekenhuizen van Europa...

    - Hallo?

    - Spreek ik met Kris Vansteenbrugge?

    Het was een wat krakerige vrouwenstem. Ze klonk duidelijk Hollands. Haar articulatie was niet al te best. Piepjong klonk ze ook al niet... Ik antwoordde bevestigend.

    - Ik ben zuster van Houwelingen, van Dijkzigt, weet je nog wel?

    Nee, ik wist het niet meer. Er zal daar best wel een zuster van Houwelingen geweest zijn, maar zo direct kon ik mij dat niet herinneren. Dat overkomt mijn arm brein vaak, als het zo overvallen wordt. Als ik er daarna even rustig kan over nadenken, blijkt er vaak hier en daar iets naar boven te komen.

    - Maar jawel, je móet het nog weten. Ik was die lange van ‘t operatiekwartier. We hebben zo vaak samen geopereerd. Je noemde mij Puk, iederéén noemde mij Puk.

    Ze tutoyeerde mij. Dat was daar de gewoonte toen. We spraken elkaar in alle omstandigheden aan met de voornaam. Alleen tegen de professor zei bijna iedereen “u”. Na veertig jaar tutoyeerde ze mij dus nog...

    Ik had natuurlijk moeten antwoorden: maar natuurlijk, Puk, die Pukkie, hoe gaat het nog? Ze zou daar waarschijnlijk blij mee geweest zijn. Maar ik kon mij op dat ogenblik echt geen Puk voor de geest halen en toen zei ik maar:

    - Nu je dát zegt, meen ik het mij toch te herinneren, maar... je stem klinkt wel anders.

    Ik doe soms wel vaker domme uitspraken, in ’t bijzonder als ik mij een beetje in ’t nauw gedreven voel. Dit was er een...

    - Jóuw stem klinkt overigens ook helemaal anders, zei ze.

    Zou ze zich mijn stem van toen nog herinnerd hebben? Ik bleef maar doorgaan met het stellen van domme vragen:

    - Werk je nog in Dijkzigt?

    - Neen natuurlijk niet, ik ben zeventig.

    - Zou professor Strüben nog leven?

    - Of professor Strüben nog leeft? Ik zou haast denken van niet. Hij zou al bijna honderd jaar oud zijn, denk ik.

    - Woon je in Rotterdam?

    - Bijlange niet. Ik woon al dertien jaar in België, in Lier.

    - Ha, zei ik, Lier, de stad van de Zimmertoren en van Felix Timmermans.

    Weer zoiets onnozels, maar ze beantwoordde mijn parate vaderlandse kennis toch met een waarderend gemompel.

    - Toch kan ik me jouw beeld niet precies meer voor de geest halen, zei ik nog. Kan je mij niet eens een foto opsturen? En misschien ook één van vroeger, want een mens verandert natuurlijk wel in al die jaren.

    - Dat zal ik doen, zei ze.

    - Ken je mijn adres?

    - Natuurlijk!

    Ze maakte geen aanstalten om dit gesprek nog langer te rekken. Zonder veel plichtplegingen werd er afgehaakt. Waarom heeft ze opgebeld? Zomaar? Misschien krijg ik daar in de komende dagen meer duidelijkheid over... Ik vraag me af of ze die foto zal opsturen.

     

    Vandaag 8 juni. Nog geen foto van zuster “Puk” van Houwelingen. Nu ik er rustig wat over nagedacht heb... Er waren op de afdeling van professor Strüben twee gezusters met die naam of iets wat dicht in de buurt komt. De ene leek me nogal wispelturig en niet van de snuggerste, al kan ik mij daar lelijk in vergissen natuurlijk. De andere, de grootste, en naar mijn bescheiden smaak ook de knapste, moet die Puk geweest zijn. Ik herinner me niet dat ik haar ooit zo genoemd heb. Ze was een stille, ze sprak niet veel. Toen Peter van Groeningen anderhalf jaar vóór mij klaar was met zijn opleiding, vernam ik dat zij een koppel waren. Had ze dat nu maar gezegd van Peter en dat haar zus ook operatiezuster was in Dijkzigt, dan was mijn frank wel eerder gevallen. Anderzijds, aangezien ze nu zeventig is, moet ze toen al drieëndertig geweest zijn... Tenzij mijn puzzel toch niet helemaal klopt. In die tijd had ik op het operatiekwartier ongetwijfeld meer oog voor Gusta Dewit en Emmy de Haas. Gusta viel op door haar knap en lief snoetje. Emmy was een assertieve meid, rad van tong - niet op haar mondje gevallen, zoals men dat zegt -, en ze was intelligent en een uitstekende chirurgisch assistente. Emmy heeft het aangelegd met Harm ter Stege, die een half jaar na mij kwam. 't Kan ook zijn dat Harm het met háár aangelegd heeft - wat maakt het uit, tenslotte? -  Hij heeft er ongetwijfeld een goede vrouw aan gehad.

    Tot slot laat ik nog enkele verpleegsters het rijtje passeren, verpleegsters van toen, op de afdeling keel-neus-oorheelkunde in  Dijkzigt. Van de polikliniek herinner ik mij twee al wat oudere verpleegsters: de goedige wijze zuster van Meerkerk en de kleine bescheiden zuster Koudijs. Van de kliniek herinner ik mij vooral de vinnige zuster Muyt, met wie ik soms diepzinnige gesprekken voerde. Ook de-vlug-op-haar-teentjes-getrapte zuster van Driel staat mij nog duidelijk voor de geest, en de ernstige spichtige zuster van Schaaik. Verder zijn er nog een paar waarvan ik de naam kwijt ben, plus nog een half dozijn wier herinnering helemaal is uitgewist. Een en ander komt misschien nog terug, wie weet? Als die foto van Puk nu maar gauw komt...                     


    » Reageer (0)


    Wenst u mijn memoires te lezen: u kan het boek lenen in de bibliotheek of kopen. Voor alle inlichtingen: zie op 4 juni 2007 onder de titel "O jerum, jerum, jerum...: een hit!"
    Lees iedere maandag en iedere vrijdag een nieuw verhaaltje uit de GRIEKSE MYTHOLOGIE op www.bloggen.be/dzeus

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !



    E-mail mij

    Druk oponderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek
  • Groetjes van vera
  • oke
  • Yves
  • Bezoek op Zondag!
  • ALLEN DE DANSVLOER OP MET DISCOBAR STUDIO JP

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Zoeken in blog


    Liefdesgedichtje

    Mijn lief,
    'k wil me vermeien
    in je tepelhoven,

    een huisje bouwen
    op je venusheuvel
    van satijn.

    'k Wil in 't putje
    van je navel toeven
    en altijd bij je zijn.


    E-mail mij

    Druk oponderstaande knop om mij te e-mailen.


    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!