Verdwijnt straks ook Vlaamse mossel uit winkelrekken? 23/08/2008 Twaalf jaar lang is erop gezwoegd, geëxperimenteerd. Nu ze er eindelijk is, wordt de Belgische mossel in het vilbeluik massaal tot kattenvoer verwerkt, stelt Douglas De Coninck vast in De Morgen. Gemanipuleerde staalnames, sabotageacties op zee en verwijten over fraude met overheidsgeld: welkom in maritieme oorlogszone. Met links de Belgische mosselkwekers, en rechts de Vlaamse. "Schitterend, echt schitterend. Zo vlezig, wat zoutig, zo kruidig ook". Stefan Westerlinck van restaurant De Mosselbeurs in Oostende wordt direct weer lyrisch bij de herinnering aan die paar dagen dat hij de mosselen met het zwart-geel-rode Belgicalogo mocht serveren. "Je had mensen die wilden vergelijken. De één nam Zeeuwse, de andere Belgische. En altijd won de Belgica de test. Collega's, vishandelaren en leveranciers zeiden allemaal hetzelfde. Eindelijk was ze er: een mossel met de smaak van de Franse en het formaat van de Zeeuwse. Van eigen kweek, dan nog. Te mooi om waar te zijn, eigenlijk". Toen op vrijdag 25 juli de bel rinkelde in de Oostendse vismijn, was dat een historisch moment. Voor de allereerste keer werden hier echte Belgische mosselen geveild. "Ik heb toen een traantje weggepinkt", zegt José Reynaert, de onbetwiste vader van de Belgische mossel. Reynaert kreeg zijn ingeving in 1996. Als scheepshersteller viel het hem op hoe zich op sommige plekken in de Noordzee mosselen vasthechtten op boeien. "Ze groeiden snel. Er moest, dacht ik, een manier bestaan om ze te kweken in een hangcultuur, zoals in Frankrijk". Twaalf jaar lang bleef Reynaert experimenteren. Eerst hing hij zijn mosselkooien 11 mijl buiten de kust, dan weer dichter. Altijd liep er iets mis. Plezierbootjes reten zijn installaties aan flarden. Was het dat niet, dan spoelde alles weg in een storm. "Ik weigerde mij neer te leggen bij een mislukking. Ooit zou ik de juiste locatie vinden, het juiste materiaal. In 2006 hebben we de eerste drieduizend kilo opgevist. Het was bewezen: het kon". Reynaert richtte met reder Willy Versluys een bvba op en zette mosselzaad uit in de voor de scheepvaart gesloten zone D1, 8 kilometer voor de kust van Nieuwpoort. En yes, het lukte. Ze oogstten niet de verhoopte 50, maar toch 6 ton. Tegen eind juli waren er 2.500 potjes verkocht, de bvba kon de vraag amper volgen. In de namiddag van 1 augustus kwam dan de fax van het Voedselagentschap: "Ingevolge het niet conforme resultaat van DSP in het monster nummer 2159-08-0018 wordt onmiddellijk overgegaan tot sluiting van het productiegebied. Vermits de monsterneming dateert van 22 juli dient u over te gaan tot volgende maatregelen: terugroepen van alle producten verzameld vanaf 22 juli". "Alles naar het vilbeluik", sakkert Reynaert, "2,5 ton in totaal, bijna de helft van de oogst. Financiële schade? In die termen praat ik niet. Dit is mijn levenswerk, meneer". DSP staat voor diarrhetic shellfish poisoning. Het is een bekende mosselziekte, die wordt veroorzaakt door toxische algen. In dit geval was dat DSP-azaspiracide. EU-verordening 853/2004 legt voor azaspiracides een drempelwaarde op van 160 microgram per kilo mosselvlees. Daar zat de Belgische mossel dus boven. Tenminste, dat is wat nieuwsflitsen ons deden geloven. De Morgen kon de hand leggen op het analyseverslag R22/23-2008-01675 van het Voedselagentschap. Over het positieve staal staat er dat DSP-azaspiracide "aanwezig" was in 100 gram. In wat voor concentratie? Hoger of lager dan 160 microgram? Staat er niet bij. Het is zo te zien niet gemeten. Alle in de dagen voor en na 22 juli genomen stalen wezen op een uitstekende kwaliteit van het zeewater. Alle overige staalnames op de Belgicamossel, hiervoor en hierna, waren negatief. De in het vilbeluik vernietigde mosselen waren op 30 en 31 juli uit de zee gehaald. Latere tests lieten zien dat in deze mosselen nog geen halve microgram DSP-azaspiracide voorkwam. Ze waren kerngezond.
Te laat. De oogst was over. In het vilbeluik van Denderleeuw waren ze al verwerkt tot kattenvoer. Komende dinsdag dient zich alweer een historisch moment aan. In de vismijn van Nieuwpoort zullen voor de eerste keer in de geschiedenis Vlaamse mosselen worden geveild. De 'Flanders Queen Mussel', zoals hij gaat heten, is de vrucht van een experiment van de Stichting voor Duurzame Visserijontwikkeling (SDVO). Dat is een in 2004 gecreëerde overheidsinstelling die de visserij nieuwe impulsen moet geven. Er werd een regeling uitgewerkt waarbij een deel van de door Belgische reders betaalde bedrijfsvoorheffing bij de SDVO terechtkwam. SDVO mocht zo op vier jaar 8,4 miljoen euro incasseren om nieuwe vismethoden te bedenken. Erg ver heeft SDVO niet gezocht. Reynaert kreeg vier jaar geleden het bezoek van Luc Mellaerts, de ex-topman van het failliete Sobelair. Van luchtvaart naar vis: kleine stap. Mellaerts was bij SDVO binnengehaald als algemeen directeur. "Die man, keurig in het pak, had interesse voor ons project", zegt José Reynaert. "Mooi, dacht ik, de overheid heeft eindelijk de perspectieven van de Belgische mossel ontdekt. Het idee was: samenwerking. Oké, Mellaerts vertrekt. Ik hoor niks meer en lees wat later in de krant dat SDVO is gestart met een 'uniek project' om voor de kust van Nieuwpoort mosselen te kweken". Dat mocht wat kosten. SDVO pompte een half miljoen euro in de aankoop van mosselkooien en spendeert jaarlijks nog eens dat bedrag aan het huren van een eigen boot, de 'Musselboot I'. SDVO bouwde ook al een eigen mosselverwerkingscentrum. "Het zijn gesubsidieerde bandieten", zegt Reynaert. "Ze hebben mijn idee gepikt en er een Vlaams vlaggetje op gezet". Reynaert en Versluys zijn knoeiers, luidt de droge repliek van Ivan Victor, voorzitter van SDVO. "Wat wij doen, is een wetenschappelijk doordachte basis leggen voor de Vlaamse mosselteelt. Er is een potentieel voor jaarlijks 10.000 ton. Dat zou een derde zijn van de binnenlandse consumptie. Maar dan moeten we het wel professioneel aanpakken". Maar er is toch al de Belgicamossel? Victor (misprijzend): "De enige verdienste van Reynaert is dat hij op een dag mosselen zag groeien op een boei. Voor het overige kunnen we van hem vooral leren hoe het niet moet. Ze zijn, zoals ze zelf zeggen, twaalf jaar bezig en oogsten zes ton. Zes. Waarom zo weinig? Omdat de touwen naar hun kooien zijn afgeknapt. Voor elke mossel die zij plukten, moest er een duiker het water in. Dat is niet wat ik een commercieel verantwoorde activiteit zou noemen. Zij hebben ook te vroeg geoogst, omdat ze absoluut eerder op de markt wilden zijn dan wij. Wat gebeurde, is precies wat onze experts hadden voorspeld. Halfweg juli waren er zware schommelingen in de temperatuur van het zeewater. Het risico op algen was reëel". Wat maakt uw mossel zo Vlaams? "Onze centen komen ten dele van de Vlaamse regering". Om een beetje inzicht te krijgen in de verstandhouding tussen de kwekers van de Belgische en de Vlaamse mossel heb je niet meer nodig dan één telefoon en twee nummers. Dat was kennelijk iets te omslachtig voor het Voedselagentschap, schrijft Douglas De Coninck. In maart van dit jaar namen Reynaert-Versluys contact op met het agentschap met de vraag hoe dat in zijn werk moet gaan, gezondheidscontroles op mosselen. Op 14 maart 2008 antwoordde directeur-generaal Dircks: "De vzw SDVO voorziet vanaf juli 2008 ook te oogsten in gebied D1. Aangezien SDVO al gestart is met monsternemingen en analyses, is het niet nodig dat u deze op uw beurt uitvoert". Het perfect voorspelbare gebeurt: binnen de kortste keren is er ruzie over hoe de administratieve afhandeling van de labfacturen moet gebeuren. Op 19 juni 2008 - een maand voor de oogst - belegt het Voedselagentschap een vergadering met alle partijen. Helaas: op de valreep laat Luc Mellaerts weten dat hij verhinderd is. Er wordt een nieuwe datum geprikt, 30 juni: opnieuw geen Mellaerts te bespeuren. Versluys stuurt een boze mail naar het agentschap: "Met alle respect, wij vrezen dat SDVO er een spelletje van maakt". Als de vergadering op 2 juli dan toch kan doorgaan, blijkt de aanwezigheid van Mellaerts nergens voor nodig. De directeur laat zich vervangen door zijn boekhouder. Er is nu wel een afspraak over de facturen, maar die verzandt binnen de kortste keren in een verzameling boze en/of onbeantwoorde
mails. "Door al dat getalm kwamen we in een situatie waarbij zij, en zij alleen, met hun Musselboot I stalen konden nemen", zegt Versluys. "Wij hadden daar geen zicht op, we kregen geen inzage in de resultaten. De wet verbiedt dat concurrenten elkaars producten controleren. Dat is alsof je Coca-Cola het recht zou toekennen om te oordelen of Pepsi geschikt is voor consumptie. Door tijdsgebrek konden we niet anders dan dit ondergaan". Kijken we nog eens goed naar het analyseverslag dat aanleiding gaf tot de grote mosselgenocide. Het document noemt als datum van ontvangst van de mosselen in het lab: 24/07/2008. De mosselen hebben twee volle dagen gedaan over de reis van Nieuwpoort naar Brussel. Dat is wel erg lang voor een product waarvan iedereen weet dat het bijna dagvers wordt geconsumeerd. Kijken we dan naar de datum waarop de analyse is uitgevoerd: 31/07/2008. Dat is negen dagen nadat de mosselen uit zee werden gehaald. Versluys: "Dat moet u thuis eens proberen. Mosselen opeten die u negen dagen in de ijskast hebt laten liggen. Als u dán geen diarree krijgt, weet ik het ook niet meer". Die mosselen waren aangetast door een alg. Dat kan toch niet in de ijskast zijn gebeurd? "Waren dat wel onze mosselen?", reageert Versluys. "Toevallig weet ik dat de Musselboot I op 22 juli is uitgevaren om een losgeslagen kooi van SDVO uit zee op te vissen. Die kooi, vol bijna-oogstklare mosselen, hebben ze in Nieuwpoort in een oud havendok neergezet. Weinig plekken zijn zo vervuild als dat dok. Als ik zie dat alle overige staalnames een bijna perfecte waterkwaliteit laten zien, zie ik maar één mogelijkheid: dat staal kwam uit dat dok". "Het is de enige logische verklaring. SDVO heeft er maanden lang alles aan gedaan om te voorkomen dat wij zelf vat konden krijgen op het verloop van de staalnames. Wij weten dus niet waar die mosselen zijn geplukt, we weten niet hoe ze zijn vervoerd, we weten niet eens of het onze mosselen zijn. Waar we wél zicht op hebben, is het aantal klachten over diarree en misselijkheid. Dat zouden de onvermijdelijke symptomen moeten zijn als onze mosselen van 22 juli aangetast waren door toxische algen. Want die zijn allemaal opgegeten. Aantal klachten? Nul". Dinsdag begint dan het Vlaamse mosselseizoen. "Vijftig ton", voorspelt Ivan Victor, die de beschuldigingen van de concurrent over gemanipuleerde staalnames rustig aanhoort, en zucht: "Die mannen wentelen hun mislukking af op ons. Ze hebben te vroeg geoogst om te stunten. Punt uit". In het dagelijkse leven is Victor voorzitter van de Belgische Transportarbeidersbond (BTB). De nummer twee bij SDVO, secretaris Alex De Bock, is ook een vakbondsman, bij de liberale VSOA. Het lag juridisch een beetje lastig om vanuit zo'n paritaire overheidsconstructie mosselen te gaan verkopen. Dus werd op 5 augustus 2008 - niks te vroeg - de cvba Schelpdier en Vis opgericht. Dat is het bedrijf aan wie SDVO zijn mosselen gaat doorverkopen, en die ze dan te gelde maakt in de winkel. Maar wie gaat schuil achter de cvba Schelpdier en Vis? De voorzitter is... Ivan Victor. De secretaris is... Alex De Bock. Onder de oprichters vinden we nog een derde syndicalist terug, twee Vlaamse reders en ene Laurus Padmos. Hij behoort tot een Zeeuwse scheepvaartfamilie die het de laatste jaren lastig kreeg door de teloorgang van de Zeeuwse mossel. Daarvan worden er minder en minder geoogst door een gebrek aan mosselzaad. Dit, terwijl SDVO aankondigde dat het mosselproject op termijn zou worden overgedragen aan Vlaamse reders. Reynaert-Versluys broeden nu op een juridische procedure om na de Belgische ook de Vlaamse mossel zo snel als mogelijk uit de rekken te laten halen. "Ik denk niet dat er een uitvoerig betoog nodig is om aan te tonen dat dit pure concurrentievervalsing is", zegt advocaat Jean Verdonck. "Mijn cliënten hebben jaar na jaar hun investeringen uit eigen zak betaald. SDVO gooit er miljoenen euro's belastinggeld tegenaan. De constructie genaamd Schelpdier en Vis is een grotesk manoeuvre dat geen uitstaans heeft met 'hulp aan de visserij'. Het kan toch zo niet zijn dat de winst uit die mosselen nu in de zakken van enkele vakbondsmannen verdwijnt?" Moet straks ook de hele oogst van de eerste Vlaamse mosselen naar het vilbeluik? Afwachten. "Het
is natuurlijk niet goed dat onze zo prille mosselindustrie nu al gebukt gaat onder geruzie", oppert Reynaert. "Maar wat moeten we doen? Dat onze oogst tegenviel, komt doordat SDVO zijn boeien te dicht bij de onze legde, om ons te pesten. Zij verwijten ons dat we te snel oogstten. Dat zij niet eerder oogstten, komt enkel doordat hun verwerkingscentrum midden juli nog niet klaar was. Zij lachen met onze zes ton, ze vergeten dat ze zelf 650 ton beloofden en nu spreken van vijftig. Zij zijn de prutsers, niet wij". In De Mosselbeurs weet Stefan Westerlinck nog niet of hij volgende week de Flanders Queen Mussel wel op zijn kaart wil: "Ook drie weken na de berichten over gif aarzelen mensen nog om mosselen te bestellen. Of ze vragen: 'U weet toch zeker dat het geen Belgische zijn?' Ik vrees dat er momenteel even geen markt voor is".(KS) Bron: De Morgen
De Belgica's verslaan de Flanders Queen Mussels deel I
Gisteren naar het nieuwe Hollywoodfenomeen Avatar geweest. Flutverhaal
in schitterende verpakking. Vermits het echter bakken dollars heeft
opgebracht mogen we ons aan een stormvloed dergelijke zeververhalen
verwachten ingekleed in technische hoogstandjes. Meer Hollywoodiaanse
clichés zijn er moeilijk te bedenken tot de relletjes over het verhaal
toe. Maar toegegeven, er zijn verbluffende beelden bij in 3D
natuurlijk. Andere rampscenario's: de Flanders Queen Mussel wordt
uit het water gehaald...een totale flop. Komt er van als je de
ollanders op hun eigen terrein tracht te beconcurreren. Vooral als er
dan nog grote managers aan het roer staan die er toch maar steeds weer
in slagen om de boel failliet te krijgen maar niet na eerst behoorlijke
bedragen aan subsidies in het water gegooid te hebben. En zeg nu nog
dat Vlaanderen niet bezig is met innovatie...."The Flanders Queen
Mussel" is dat niet innovatief misschien? Toch iets anders dan "Prins
en Dingemans" of "Zeelands Roem"! En dan willen die mossels verdorie niet kweken.... Het ganse verhaal vinden jullie hieronder:
Vanochtend werd de eerste lading Vlaamse hangcultuurmosselen 'Flanders
Queen Mussel', door de Musselboot I aangevoerd in de Nieuwpoortse
haven, gratis uitgedeeld aan de eerste 3.000 mosselliefhebbers die zich
aanmelden in de Nieuwpoortse visveiling. De Vlaamse
hangcultuurmosselen hebben dankzij hun uitmuntende kwaliteit onlangs
het A-certificaat bekomen van het FAVV (Federaal Agentschap voor de
Veiligheid van de Voedselketen). De Flanders Queen Mussel komt
rechtstreeks uit open zee in het bord van de consument terecht,
waardoor de mosselen een zeer rijke en intense zilte smaak hebben. Het
project mossel- en schelpdierenkweek kadert in een geleidelijke
reconversie van de vissersvloot als gevolg van het verlies aan
visgronden wegens de installatie van de farshore-windmolenparken (op
o.a. de Thorntonbank).
Het voorbije jaar werden de
kweektechnieken voor de Vlaamse mossel getest en geoptimaliseerd, met
een aantal opmerkelijke resultaten. De hangcultuurmossel zet zichzelf
vast op speciale mosseltouwen die rond spoelvormige constructies
gewikkeld worden. In tegenstelling tot de 'gewone' mosselen, die
meestal in het slib gedijen en bijgevolg meer zand en andere
bodemstoffen opnemen, komt de hangcultuurmossel niet in aanraking met
slib en neemt ze enkel zeewater in zich op. Mosselen die volgens
de hangcultuurmethode gekweekt worden moeten niet meer 'verwaterd'
worden om zand en slib te verwijderen zoals bij de gewone mosselen wel
het geval is. De Vlaamse mossel gaat rechtstreeks van de open zee naar
de consument zonder te verwateren, met een rijkere en intensere
"zeesmaak" tot gevolg. De hangcultuurmossel kan zich veel meer
concentreren op het groeien i.p.v. op het filteren, en heeft bijgevolg
tot 20 à 25 % meer vleesgehalte! Het resultaat was gewoonweg
verbluffend, de eerste Vlaamse mosselen zijn bijzonder vlezig en kunnen
de consument ongetwijfeld verwennen met hun intense smaak. Een
nieuw kwaliteitsproduct dat voor diverse creatieve impulsen zal zorgen,
als voorgerechtje met een fruitige mousse, gefrituurd als amuse bouche
en vanzelfsprekend de mossel-natuur met een uitje, een takje selder en
zelfs een schijfje citroengras. De 100 supplementaire kooien die nu
uitgezet worden in de 4 concessies zullen naar verwachting in 2008 ±
675 ton mosselen opleveren. De hangcultuurmossel is bovendien ook
vroeger klaar voor de oogst: waar men nu moet wachten tot pakweg de
tweede week van juli zal de Vlaamse mossel vanaf eind mei haar weg
vinden naar de consument. Dit betekent dat vanaf 2008, het
mosselseizoen al begint met O.L.V. Hemelvaart of ten laatste met
Pinksteren! Met een gunstige prijszetting, wordt de Vlaamse mossel een
meer dan te duchten concurrent voor de Zeeuwse mosselen. RVH.
hier
gaat het er al wat minder enthousiast aan toe en krijgen we zelfs de
mening van de Oostendse brulmossel Dedecker als toetje er bovenop...
Nieuwpoort -
De Vlaamse Schelpdier- en Viscoöperatie, die voor de kust van
Nieuwpoort de Flanders Queen Mussel kweekt, neemt alle kooien uit het
water. De coöperatieve nam vorig zomer de exploitatie van hangmosselen
over van de Stichting voor Duurzame Visserijontwikkeling (SDVO). Nu
blijkt dat de kweek niet rendabel is en dat betekent voorlopig het
einde van de Flanders Queen Mussel.
De Flanders Queen Mussel wordt zo’n 10 km voor de kust van
Nieuwpoort gekweekt. Nu liggen er voor rekening van de schelpdier- en
viscoöperatieve een honderdtal mosselkooien verankerd. Er zijn geregeld
problemen met de kooien en bovendien is zo’n uitbating in volle zee
heel duur. De kooien worden nu uit zee gehaald. Volgens het Oostendse
kamerlid Jean-Marie Dedecker gaat het om een dure mislukking.
Met Vlaamse steun startte SDVO de mosselkweek drie jaar geleden als
een alternatief voor de noodlijdende visserijsector. Dat hangmosselen
kweken in volle zee wel kan, bewijzen mosselkwekers Versluys en
Reynaert die de Belgica’s op de markt brengen. Zij waren de eerste om
te experimenteren met een ponton met mosselkooien.
Intussen wordt samen met de Vlaamse overheid gezocht naar een andere methode om de Flanders Queen Mussel te kweken.
Het
is schrijnend te moeten vaststellen dat onze fiere Flanders Queen
Mussel het onderspit moet delven tegen de Belgica's...maar geen nood
wij willen samen met de Vlaamse overheid op zoek naar een andere
methode om hangmossels te kweken. Een kleine suggestie kan er van onze
kant zelfs af: hang wat netten in het Vlaamse parlement en je zal zien
dat de hangmossels binnen de kortste tijd een florissante toekomst
zullen kennen.
en deze keer moeten we toegeven dat onze
Groenen een mooi dossiertje hadden opgemaakt over de
mosselaffaire...lees en snuif de zilte geur op van Vlaams gefoefel en
zakkenvullerij...en Ollandse vrienden, het is volstrekt verboden te
lachen met de teloorgang van onze fiere Flanders Queen Mussel....
Dat de Vlaamse visserijsector verzuipt, is een dramatisch cliché
geworden. Naast (tot voor kort) hoge olieprijzen, zijn de overheid en
het zogenaamde viskartel medeverantwoordelijk. Groen! politci Bart
Staes en Vera Dua roepen de Vlaamse overheid op om dringend schoon
schip te maken en nog te redden wat er te redden valt, door nu radicaal
en concreet te kiezen voor duurzame visserij.
Inleiding
Al jaren weet iedereen dat er zowel vanuit sociaal-economisch als
ecologisch oogpunt nood is aan een reconversie van de Vlaamse vloot.
Maar het gebeurt amper tot niet. Hoe komt dat? Door gevestigde
belangen, machtspolitiek, versnippering van beleid en politieke
inertie. En, last but not least, al jaren wordt het Vlaams
visserijbeleid gegijzeld door een kleine, arrogante kliek van machtige
heren die we omschrijven als ‘het Viskartel’. Een groep die we de
laatste jaren nooit konden betrappen op een duidelijke visie op de
Vlaamse visserij, maar die integendeel alles doet wat mogelijk is om de
noodzakelijke ecologische reconversie van de sector tegen te houden en
de eigen belangen veilig te stellen.
Spil in deze is de Stichting voor Duurzame Visserijontwikkeling
(SDVO), een hermetisch gesloten club die al vijf jaar vriendjespolitiek
bedrijft met miljoenen euro uit de sector en van de overheid. Een club
die lijkt te handelen uit eigenbelang en die zich steeds meer als een
commerciële speler is gaan opstellen. De SDVO werkt totaal
ondoorzichtig, publiceert geen jaarverslagen (hoewel wettelijk
verplicht), en weigert verantwoording af te leggen aan welke politicus
dan ook. Zelfs de voor Visserij verantwoordelijke ministers Leterme en
recentelijk diens opvolger Kris Peeters verklaarden openlijk dat “ze
niets te vertellen hebben bij SDVO”, terwijl ze er wel Vlaams
overheidsgeld aan geven.
De SDVO heeft behoudens enkele symbolische projecten en brochures —
steevast gemaakt door het wetenschappelijk Instituut ILVO — niets
bijgedragen aan het structureel verduurzamen van de Vlaamse visserij.
De Vlaamse en federale overheden staan erbij en kijken toe hoe de
Vlaamse visserijsector intussen bijna verzopen is. De voorspelling van
experts is dat zonder een radicale ingreep middels een reconversieplan
uitgaande van een concrete visie/doelstelling, er in de Vlaamse
visserijsector op korte termijn nog slechts enkele grote (Nederlandse)
reders zullen overblijven.
Europarlementslid Bart Staes en Vlaams parlementslid Vera Dua
(Groen!) roepen daarom op tot een grondige audit naar de financiële
huishouding van de SDVO en een gedetailleerde verantwoording over wat
er met de miljoenen-geldstroom is gebeurd. Deze stichting speelde in
weerwil van de naam, een cruciale rol in wat er fout liep gedurende de
laatste jaren. Staes en Dua vragen daarom specifiek enkele
collega-politici hun verantwoordelijkheid op te nemen en na bijna 5
jaar SDVO een diepgaand onderzoek te ondersteunen:
- Kris Peeters, als Vlaams minister-president verantwoordelijk voor visserij.
- Joëlle Milquet, federaal Minister van Werk en Gelijke Kansen,
bevoegd voor de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en
Sociaal Overleg.
- Ook Johan Vande Lanotte, als minister van de Noordzee destijds
mede-initiatior van de SDVO, heeft als baas van het havenbedrijf van
Oostende een speciale verantwoordelijkheid. Vande Lanotte is goed
geplaatst om een bijdrage aan klaarheid te leveren, vermits hij de
enige politicus is die rechtstreeks invloed heeft op SDVO: op zijn
bemiddeling zit SP.A-politica Kathy Plasman in de raad van bestuur van
SDVO.
In afwachting van de resultaten van een eventueel onderzoek,
moet de SDVO in de koelcel en alle activiteiten worden overgenomen door
de Vlaamse administratie, de dienst Zeevisserij en het ILVO. Tegelijk
moet de Vlaamse overheid met deze diensten onverwijld een visie op de
reconversie naar een duurzame visserijsector formuleren, met concrete
doelstellingen, inclusief planning en financiering. Het begin oktober
goedgekeurde Nationaal Operationeel Plan is volgens de EU bijna een
jaar te laat en voldoet nog steeds niet om wat nog rest van de Vlaamse
visserij een echt duurzame toekomst te bieden. Samen met Malta,
Luxemburg en Slovenië deelt Belgie de eer dat er op de officiële
website visserij van de Europese Commissie nog geen spoor van een
operationeel plan te vinden is, dit terwijl het over het programma
2007-2013 gaat, zie
Het ILVO overhandigt as. vrijdag een rapport aan minister Peeters over een heel
gamma aan haalbare alternatieve visserijtechnieken. De minister
moet op basis hiervan samen met de wetenschap en deskundige ambtenaren
een plan uitdoktere., Dit is vervolgens van belang om goed te kunnen
anticiperen op de Europese onderhandelingen en afspraken over quota.
Sinds enkele jaren gaan continu reders failliet; Hoge
brandstofkosten, lage opbrengsten en kleinere visvangsten, de Vlaamse
visserij zit al vele jaren in een negatieve, neerwaartse spiraal. Als
de Vlaamse overheid nu geen actie onderneemt om de Vlaamse
visserijsector in sneller tempo te verduurzamen, gaat die sector
onherroepelijk naar de haaien.
De rol van SDVO bij dit alles is achter de schermen ronduit
cynisch: verschillende betrouwbare bronnen melden dat bestuurders van
SDVO verklaren dat zij “aan stervensbegeleiding van de sector doen”.
Een korte geschiedenis van het Viskartel
Begin deze eeuw ontstond in de groene beweging een plan voor
het oprichten van een “Expertisecentrum voor Duurzame Visserij en
Aquacultuur” (als uitbouw van het voormalige Vlaams Visserij
Informatiecentrum). Dat idee werd daarna gerecupereerd door enkele
vakbondsbestuurders actief binnen de zeevisserij, de Rederscentrale,
met actieve steun van politici als Renaat Landuyt en Johan Vande
Lanotte. Socialistisch vakbondsbestuurder Ivan Victor, tot op heden de
ongenaakbare voorzitter van SDVO, trok de kar samen met ACV’er Claes en
de top van de Rederscentrale. Er bestond grote vrees voor een te groene
stempel op het visserijbeleid en het verlies aan hun ongecontroleerde
macht. Maar er moest natuurlijk ook geld gevonden worden…En als perfect
alibi daarvoor gebruikte het Viskartel…de economische problemen van de
sector.
De problemen in de Vlaamse visserijsector waren begin van de eeuw
nijpend en pijnlijk vergelijkbaar met nu: hoge brandstofkosten zetten
de omzet van reders zwaar onder druk. Maar in plaats van op lange
termijn te denken en over te schakelen naar een minder
brandstofintensieve visserij, ging men naar extra geld vissen.
Dat werd al snel gevonden door de geldhaaien. Vanaf 1 januari
2000 was er een wettelijke vrijstelling mogelijk gemaakt van
bedrijfsvoorheffing in sectoren als de baggersector, koopvaardij- en
sleepvaartsector. Het was onder andere André Vanquathem, de in de
visserijsector beruchte advocaat te Knokke-Heist en al jaren ook
advocaat voor de SDVO, die zijn goede kennissen in de top van de
visserij begin 2001 op het spoor zette van deze mogelijkheid om deze
vrijstelling ook voor de visserijsector te verkrijgen. Samen met
anderen ging hij vervolgens bij ministers als Jaak Gabriëls en Vande
Lanotte lobbyen voor deze vrijstelling. Ook de directeur Luc Corbisier
en voorzitter Bart Schiltz van de Rederscentrale deden vrolijk mee met
de plannen en het lobbyen.
In juli 2002 keurde ‘een bijzondere raadgevende commissie
zeevisserij’ — met daarin alleen Victor en Claes als ‘werkende leden’ -
een voorstel goed voor ‘het besteden van de gedeeltelijke vrijstelling
van de bedrijfsvoorheffing ten gunste van de zeevisserijsector’. De
stichting schrijft oa. naar Vande Lanotte dat ‘het belastingoverschot
dat vrijkomt en binnen de sector blijft op een duurzame en doorzichtige
wijze moet worden beheerd. Deze eigen middelen van de sector worden
aldus geconsolideerd voor het duurzame herstel van de sector.’
Het geld moest gaan naar de financiering van ‘sociale
begeleidingsmaatregelen voor de zeevisser’ en voor ‘het spijzen van een
op te richten Stichting voor Duurzame Visserij’’ (‘technische
omschakeling van de vaartuigen, opleiding in nieuwe
visserijtechnieken’, verbeteren van de arbeidsomstandigheden van de
vissers enz).
Bij het vrijgekomen belastinggeld waarvan sprake, kan de totale som
fors oplopen: Volgens een wetsvoorstel van april 2002, gaat het om
bijna tien procent van ‘de werkgeversbijdragen van de brutolonen, zoals
voorzien voor de berekening van de RSZ bijdragen’. Het was voor Victor
en zijn goede vrienden van de Rederscentrale een koud kunstje om de
zaak vervolgens te beklinken in de CAO voor de sector.
De jaarlijkse miljoenenstroom zou naar het Zeevissersfonds vloeien
(ook al beheerd door dezelfde vakbondslui en de Rederscentrale) en ruim
een derde zou jaarlijks naar de nieuw op te richten SDVO gaan. Volgens
schattingen — vermeld in een brief van de Europese Commissie van eind
2003 - zou het gaan om twee miljoen euro per jaar.
Wie zaten er in het eerste bestuur van de SDVO? Enkele leden van
het viskartel die alles en petit comité van te voren hadden
bekokstoofd: Bart Schiltz, Luc Corbisier, Michel Claes en Ivan Victor
(en Alex De Bock en Marina Nollet).
Uit vele gesprekken in de sector en de opstelling van het SDVO
blijkt dat deze financiële constructie de ruggengraat van de macht van
het viskartel is.
Eind oktober jl. antwoordde minister-president Kris Peeters op
vragen van Dua over de oprichting van SDVO door zijn handen in onschuld
te wassen: “Het ging toen om het federale niveau. Ik heb ook een brief
bij me van Renaat Landuyt, toen hij nog minister-vicepresident van de
Vlaamse Regering was. Het is een brief van 11 maart 2004, gericht tot
de heer Ivan Victor. Dit viel dus onder het beleid van de vorige
regering.” Maar Peeters benadrukt dus fijntjes de rol van de
socialistische politici.
Over het al even gesloten karakter van het Zeevissersfonds,
waarin ook de Rederscentrale en de vakbonden miljoenen van de sector
beheren, zei Kris Peeters eind oktober: “U weet dat dit wordt beheerd
door werkgevers en werknemers. Uit mijn vorig leven weet ik dat het
voor werkgevers die er niet bij zijn, heel moeilijk is om erbij te
geraken. Het is een vrij gesloten geheel. De werkgevers en werknemers
stellen dat zij het fonds beheren, en zolang er geen elementen zijn
waardoor ik kan of moet interveniëren, is het niet evident om binnen te
geraken.”
Is dit de Cd&V invulling van openbaarheid van bestuur laat staan van goed bestuur?
Peeters wees er ook op dat de Europese Commissie destijds
akkoord ging met deze vorm van staatssteun aan SDVO via het
Zeevissersfonds. Op 5 november jl. antwoordde Europees Commissaris voor
Visserij Joe Borg op een vraag van Bart Staes (bijlage II): “De
Commissie is op de hoogte van de regeling waarbij een deel van de door
reders betaalde belastingen wordt doorgestort aan de Stichting voor
Duurzame Visserijontwikkeling (SDVO), waar het geachte Parlementslid
naar verwijst. De Belgische autoriteiten hebben deze bepaalde regeling
op 26 juni 2003 aan de Commissie gemeld. Na een grondige analyse van de
gemelde steunregeling is de Commissie tot de conclusie gekomen dat deze
regeling, die ten doel heeft bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling
van de visserij, in overeenstemming is met de EU-voorschriften
betreffende staatssteun.”
Dat laatste valt nog te bezien, maar duidelijk is dat enkele in
het Europese besluit genoemde voorwaarden niet werden nageleefd.
Want wie dat Europese goedkeuringsbesluit voor de steunmaatregel
aan SDVO van 16 december 2003 — verstuurd door toenmalig
Landbouwcommissaris Franz Fischler aan toenmalig minister van
Buitenlandse Zaken Louis Michel - goed leest, stelt heel interessante
zaken vast. Voorwaarden die niet in overeenstemming zijn met de actuele
werking van het SDVO.
Want wat gaat er met al dat geld gebeuren en wie kunnen er
aanspraak op maken? Fischler schrijft (gebaseerd op informatie van
Belgische autoriteiten): ‘Deze steunregeling zal de Belgische
visserijondernemingen ten goede komen. Alle werkgevers en werknemers in
de visserijsector kunnen lid worden van de stichting en de maatregelen
in het kader van deze regeling zullen in het belang zijn van de gehele
visserijsector. De werkende leden van de stichting zullen bestaan uit
drie vertegenwoordigers van de werkgevers in de visserijsector en drie
vertegenwoordigers van de vissers. Deelname en cofinanciering van
maatregelen door leden van de visserijsector in overeenstemming met de
Richtsnoeren voor het onderzoek van de steunmaatregelen van de staten
in de visserij- en aquacultuur wordt door de stichting aangemoedigd.’
De realiteit is anders. We beschikken over getuigenissen van
mensen uit de visserijsector die géén lid kunnen worden van SDVO. Onder
de werkende leden van de stichting, het bestuur van SDVO, zien we géén
vissers. De SDVO vaart volledig zijn eigen koers en weigert
steunaanvragen van mensen uit de sector. Een voorbeeld: een bescheiden
en eenmalige aanvraag door de Vlaamse Vissers Vereniging voor een
project ter verwerking van Vlaamse garnalen werd op 11 juli door het
bestuur van SDVO verworpen, schrijft algemeen bestuurder van SDVO Luc
Mellaerts in een brief van eind juli. Dezelfde Mellaerts laat op kosten
van het SDVO wel zijn schip verbouwen voor een door SDVO gedragen
mosselproject. Bovendien verhuurde Mellaerts´echtgenote van de in
Nieuwpoort gevestigde Rederij Northern Sky haar twee vaartuigen (Blue
Cat en N34 L'Etaplois) voor het bemonsteren van het andere
mosselproject van SDVO. En het schip L'Etaplois werd verbouwd om vanaf
dit najaar mosselen te kweken met ‘long lines’. We zijn benieuwd om de
documenten van de openbare aanbesteding te zien.
In een overzicht van de Belgische visserijsector van de OESO lezen
we dat SDVO 'Privately provided services' levert en gedeeltelijk
gefinancierd wordt als volgt: 'Paid by part of the taxes of the
fisheries sector, to develop economical, ecological and social measures
for the fisheries sector.'
Sinds de oprichting van die Stichting in 2004 is de sector
sociaal-economisch stelselmatig achteruit geboerd en is er van een
duurzame visserij hoegenaamd geen sprake. Ongeveer 95 % van de Vlaamse
vloot, naar schatting een kleine honderd schepen is van het
niet-duurzame boomkortype (waarmee over de bodem geschraapt wordt, een
dure en niet duurzame vistechniek). Dit is al jaren bekend en er
gebeurde amper iets.
Vlaanderen staat hierin niet alleen. Op 30 oktober publiceerde
de Nederlandse Algemene Rekenkamer een vernietigend rapport over het
gevoerde Nederlandse visserijbeleid, dat dan nog positief afsteekt
vergeleken met het Vlaamse. De Rekenkamer stelt dat ´Het Nederlandse
visserijbeleid vanuit ecologisch oogpunt niet streng genoeg is om de
ambities voor bescherming van de visstand en biodiversiteit te kunnen
waarmaken. Bij de keuzes in het beleid hebben economische belangen de
overhand. Zowel de economische positie van vissers als de ecologische
situatie van de Noordzee verslechteren daardoor.
De Algemene Rekenkamer stelt in het rapport Duurzame visserij
dat ´´er wereldwijd bezorgdheid bestaat over de gevolgen van intensieve
visserij op zee. Veel vissoorten worden overbevist. De EU voert sinds
1983 beleid om dit tegen te gaan. Nederland, één van de vijf grootste
visserijlanden van de EU, is als lidstaat medeverantwoordelijk voor en
gebonden aan het EU-beleid. Het doel ervan is te zorgen voor duurzame
exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen en van de aquacultuur
in de Europese wateren. De Algemene Rekenkamer heeft onderzocht of
Nederland erin slaagt het beleid gestalte te geven op vier onderdelen:
instandhouding visbestanden (vangstquota), handhaving regelgeving,
innovatie, en sanering van de vissersvloot. Het onderzoek is
toegespitst op de visserij met boomkorkotters. De boomkor is een type
sleepnet dat door de bodemberoering grote impact heeft op het leven in
de zee. Dit type visserij is niet ecologisch duurzaam en het
vertegenwoordigt een aanzienlijk economisch belang binnen de
Nederlandse zee- en kustvisserij inclusief de visteelt (€ 256 miljoen
aan opbrengst ten opzichte van € 486 miljoen totaal in 2006).
En voorts over de bekend klinkende politieke inertie: "De
schadelijke effecten van de Noordzeevisserij zijn al lang bekend.
Innovaties in visserijmethoden zouden die effecten kunnen verminderen,
maar het heeft meer dan tien jaar geduurd voordat het Ministerie van
LNV geld heeft vrijgemaakt voor het benodigde onderzoek. Tot 2007
vonden innovaties alleen op kleinschalige, experimentele en
vrijblijvende basis plaats. Vanaf 2007 zijn er concrete doelen: 40% van
de boomkorvissers moet in 2013 zijn overgestapt op andere vismethoden
en de 'onbedoelde bijvangst' moet dan zijn gehalveerd".
Dezelfde conclusie trekken we nu ook over het Vlaamse beleid.
Wat betreft de SDVO werden de sociale en duurzame beloften, ondanks het
spijzen van de SDVO rekening met vele miljoenen belastinggeld, niet
nageleefd. Terwijl de sector schreeuwt om steun, minister Peeters moet
krabbelen om geld te vinden, bedraagt het eigen vermogen van SDVO 7,8
miljoen euro. Uit door ons bij het rechtspersonenregister in Oostende
opgevraagde jaarrekeningen zien we in de jaarrekening van 2007 deze
opmerkelijke post: geldbeleggingen voor een bedrag van ruim 3,7 miljoen
euro. Laten we hopen dat de SDVO-bestuurders niet in Fortis belegden?
De getuigenissen in de sector over vriendjespolitiek en het doen
van zaken in eigen belang door de keizerlijke SDVO-bestuurders zijn
legio. Maar weinigen durven hardop kritiek te uiten, er heerst angst in
de sector en zoals dat gaat in maffia-films, durft ook hier niemand uit
de visserijsector de omerta echt te doorbreken. Dat gaat ver, maar het
is wel gebaseerd op feiten. Toen bepaalde reders wegens economische
problemen hun bijdrage aan het Zeevissersfonds niet konden betalen,
voorzag SDVO hen van een lening. “Op dit soort manieren verzekerde de
SDVO zich van een volgzame en kritiekloze sector,” zegt ons een goed
geïnformeerde bron.
Hoe dan ook het beconcurreren van privé-initiatieven uit die sector
lijkt niet meteen een logische uitvoering van de in de statuten
geformuleerde mooie principes (maar gebeurt in de praktijk wel). Het
mosselproject 'Flanders Queen Mussel' van SDVO is daar een sprekend
voorbeeld van. In de brief van Fischler aan Louis Michel van eind 2003:
‘De steunregeling kan voor acties van collectief belang met een
beperkte duur die verder gaan dan wat normaal tot het actiegebied van
een particuliere onderneming behoort als verenigbaar met de
gemeenschappelijk markt beschouwd mits…( …)’.
Het mosselproject van SDVO loopt intussen al enkele jaren, vergde
een miljoeneninvestering en is niet van korte duur. Dat is wederom niet
in overeenstemming met de voorwaarden zoals vermeld in de brief van
Fischler.
De Mosseloorlog
Commissaris Borg antwoordde op de vraag van Bart Staes ook het
volgende: ‘‘In verband met de vragen van het geachte Lid betreffende de
uitoefening van commerciële activiteiten door de SDVO en of de SDVO de
overheidsmiddelen al dan niet op wettige manier voor deze doeleinden
gebruikt, onderzoekt de Commissie momenteel een klacht die zij onlangs
ontving van een onderneming die actief is in de visserijsector.’’
Die klacht kwam er van de bvba Reynaert-Versluys, die na jaren van
investeren deze zomer hun 'Belgica-mossel' op de markt brachten. Dit
mosseldossier is een sprekend voorbeeld van hoe SDVO nieuwe duurzame
initiatieven in de sector eerder dwarsboomt en beconcurreert dan
ondersteunt.
Volgens Staes en Dua is duidelijk dat in het dossier van de Vlaamse
mosseloorlog sprake is van concurrentievervalsing door de Stichting
voor Duurzame Visserijontwikkeling (SDVO). Op 19 september schreef het
DG Maritieme zaken en Visserij van de Europese Commissie in een brief
alvast dat zij de zaak van concurrentievervalsing serieus zullen
onderzoeken.
Uit de feiten blijkt dat dit mosselproject een andere reeds sinds
1997 lopend initiatief direct dwarsboomt. Het SDVO brengt sinds
september de 'Flanders Queen Mussel' , gefinancierd met overheidsgeld
op de markt, al worden partijen mosselen ook al sinds 2007 her en der
gratis weggegeven.
Op 12 september werden in de vismijn van Nieuwpoort 1.600
kilogram Flanders Queen Mussel geveild. Het eerste lot van 12 kilogram
bracht 1.680 euro op. Yvan Victor, voorzitter van SDVO, zei een
tevreden man te zijn: "De eerste aanvoer is een feit. Hiermee hebben we
bewezen dat we op drie jaar tijd de industriële kweek van Belgische
mosselen kunnen realiseren. Vorig jaar haalden we 5 ton op, dit jaar
voorzien we 50 ton mosselen en voor volgend jaar rekenen we op een
oogst van 500 ton."
Uit een antwoord van minister-president Kris Peeters op vragen van
Vera Dua blijkt dat de Vlaamse overheid dit project co-financierde voor
413.011 euro op basis van het FIOV-programma. (Financieel Instrument
voor de Oriëntatie van de Visserij). In een ander overzicht van de
Vlaamse administratie, is sprake van de financiering van een
haalbaarheidsonderzoek voor de mosselkweek van 336.610 euro,
gefinancierd via het FIOV. Uit het overzichtje van Peeters is dit het
grootste bedrag dat de overheid in 2007 beschikbaar stelde voor
projecten in de visserij-sector. Die studie zou uiteindelijk zijn
gemaakt door het Antwerpse PRC. Volgens betrouwbare bronnen luidde een
conclusie dat de door de SDVO beoogde mosselkweek economisch niet
rendabel is. Toch zetten Mellaerts en Victor hardnekkig door.
Het systeem voor zeker honderd boeien voor mosselkweek werd
gekocht bij het Nederlandse bedrijf WisseKramer en daarna verder
geassembleerd in Oostende. De zwaar verbouwde Musselboot I (op kosten
van SDVO) wordt gehuurd van een Nederlands bedrijf. Voorts is er
aankoop van een verwerkingsinstallatie voor 800.000 euro die is
geplaatst in de vismijn van Nieuwpoort en die gemeente stelde van 1
juli 2008 t/m 30 juni 2009 gratis ruimte ter beschikking voor SDVO, met
als tegeneis dat SDVO zijn mosselen altijd in Nieuwpoort verkoopt. Dat
gebeurt ook, jl. op 30 oktober werden er nog SDVO mosselen verkocht.zie
bijlage IV.
Versluys spreekt van de jaarlijkse huur van een schip (de
Musselboot I) voor een half miljoen euro, de aanschaf van mosselkooien
voor een half miljoen, de ontwikkeling van een verwerkingsinstallatie
in Nieuwpoort en ook nog eens van 80 boeien ter waarde van 20.000 euro
per stuk, die zoals we konden vaststellen ongebruikt op het droge bij
de vismijn in Oostende liggen. Een grove schatting is dat het
mosselproject minstens 3 tot 4 miljoen euro heeft gekost.
De 'Flanders Queen Mussel' van de Stichting voor Duurzame
Visserijontwikkeling (SDVO) wordt gefinancierd met geld van de Vlaamse
overheid, met Europese FIOV gelden en met de door de overheid
overgehevelde bedrijfsvoorheffing. Wat was er logischer geweest —
gezien de opdracht van SDVO — om een reeds lopend project voor de kweek
van Vlaamse mosselen te ondersteunen. Uit correspondentie tussen de
particuliere ondernemers en de SDVO, blijkt dat de laatste partij hen
systematisch heeft geboycot (bijvoorbeeld in verband met
kwaliteitsanalyses en staalnamen via het FAVV).
Op 11 december dient daarom voor de rechtbank van koophandel te
Oostende een rechtszaak van Versluys en Reynaert tegen de SDVO beslecht
te worden. De bvba Versluys-Reynaert klaagt dus (vermoedelijk terecht)
aan dat zij indirect beconcurreerd wordt met Vlaams en federaal
overheidsgeld. "Wij boksen tegen oneerlijke concurrentie op", zei
Versluys. Een steekhoudend argument/vraag is het volgende: “Vermits het
SDVO volledig op gemeenschapsgeld draait en zogezegd een testproject
uitvoert in het belang van alle reders geïnteresseerd in de mosselkweek
en de visserij in het bijzonder, waarom worden de resultaten van de
wateranalyses in het productiegebied van deze zomer ons dan angstvallig
onthouden?”
Als het mosselproject inderdaad de hele sector ten goede moet
komen, zou je toch op zijn minst verwachten dat SDVO alle
(wetenschappelijke) onderzoeksstudies en analyses openbaar zou maken,
opdat elke potentiële ondernemer er zijn voordeel mee kan doen. Quod
non. Enkele mails en telefoontjes naar SDVO vanuit het Europees
Parlement met een verzoek om informatie, bleven onbeantwoord.
SDVO veegde bij monde van voorzitter Ivan Victor elke kritiek in
De Morgen hooghartig van tafel. Maar het lijkt er intussen wél sterk op
dat de bestuurders van SDVO zelf al juridische nattigheid voelden. Hoe
valt anders te verklaren dat zij nog snel op 8 augustus jl. — dus vlak
voor de aanvankelijk geplande eerste veiling - de coöperatieve
vennootschap cv Schelpdier en Vis oprichtten? Al jaren is de SDVO bezig
met het kweken van mosselen voor Nieuwpoort, met als doel die te
commercialiseren. Ze verklaren dat ook zelf, zoals in een artikel dat
op 1 oktober verscheen in het weekblad Knack. Projectleider Philippe
Godfroid zei dat er “gezocht moet worden naar een juridische structuur
om verder te gaan, met meer mensen en met het oog op
commercialisering.”
Kris Peeters zei eind oktober: “Ik herhaal dat het om
proefprojecten gaat en die worden met Europese middelen gefinancierd.
Wij hebben aan cofinanciering gedaan.
Ik zal nog eens informeren, maar ik heb geen aanwijzingen dat met
die middelen commerciële activiteiten gebeuren die binnen de stichting
worden ontwikkeld. Het
gaat om proefprojecten op vaartuigen die niet voor commerciële doeleinden binnen de stichting worden gebruikt.”
Op 18 augustus, dus een week voor de eerste veiling gepland was,
verscheen de oprichting van cv Schelpdier en Vis in het Belgisch
Staatsblad.
Ook van de cv Schelpdier en Vis is Victor voorzitter. Vakbondsman
Alex De Bock, ook bestuurder bij SDVO, is secretaris bij die cv. De
link tussen de cv en SDVO is duidelijk. In De Morgen zegt Victor: 'Het
geld van die vennootschap moet terugvloeien naar de reders, om op die
manier meer werkgelegenheid te creëren. Vandaag werken al een tiental
gewezen vissers in ons mosselproject. Als we aan 10.000 ton mosselen
raken, kan dit een honderdtal jobs opleveren.'
Dit lijkt een zeer onwaarschijnlijke en onduidelijke constructie.
In de statuten van cv Schelpdier en Vis staat dit nergens zo expliciet
vermeld. Wel staat daar in dat het vast basiskapitaal 18.600 euro
bedraagt; verdeeld over 186 aandelen van 100 euro. SDVO heeft slechts
één aandeel in de cv, en Victor en De Bock persoonlijk elk 31 aandelen.
Belangrijker is dat ook de Nederlander L.P. Padmos uit Bruinisse, van
het gelijknamige bedrijf Padmos Bruinisse BV, een machinefabriek voor
de scheepvaart met 80 man in dienst, zich inschrijft voor 31 aandelen.
Met Padmos doet SDVO wel meer zaken, zoals verderop zal blijken. Citaat
uit de statuten:
Moet de Vlaamse visserijsector er van uitgaan dat een Nederlands
bedrijf de opbrengsten van mosselverkoop onbaatzuchtig gaat
terugstorten ten gunste van Vlaamse vissers? Het zou nochtans wel
moeten, want de dure ontwikkeling van de 'Flanders Queen Mussel' is
grotendeels betaald door de visserijsector zelf.
Volgens de advocaat van Versluys-Reynaert is er zelfs sprake van
“een onwettige constructie, die niet verenigbaar is met de eerlijke
handelspraktijken” en die zijn cliënt schade berokkent. Het punt is dat
volgens de statuten van Schelpdier en Vis de vennoten “rechtspersoon of
fysieke persoon die uitbater is van minstens één vissersboot met een
Belgische zeevisvergunning” moeten zijn. Geen van de huidige
aandeelhouders beschikt over zo’n visvergunning. De SDVO zit in zijn
maag met de rechtszaak en de klacht bij de Europese Commissie en
verklaarde in oktober schriftelijk dat er geen mosselen meer werden
verkocht. We hebben nochtans bewijzen dat er eind oktober nog
SDVO-mosselen werden verhandeld in Nieuwpoort.
Gesloten oester?
Na vele gesprekken met mensen uit de sector, ontstaat van de SDVO
het beeld van een gesloten oester, een vzw die ondanks de miljoenen
overheidsgeld weinig transparant opereert, niet de wettelijk verplichte
jaarverslagen publiceert en die zich niet openstelt naar actieve
participatie van andere mensen uit de visserijsector. In de
oprichtingsstatuten staat overigens in artikel 4 dat SDVO
“clusteroverleg zal initiëren met respect voor communautaire bepalingen
op het vlak van de concurrentie”. Het heeft er nogmaals alle schijn van
dat SDVO geen clusteroverleg initieert en geen rekening houdt met
concurrentie-bepalingen.
Het is bovendien onduidelijk wat de SDVO met al dat geld -
ettelijke miljoenen per jaar, afkomstig van een noodlijdende sector -
heeft gedaan om die sector duurzamer te maken. Dat verduurzamen wordt
nochtans vermeld als doelstelling van SDVO in artikel 3 van de
oprichtingsstatuten uit 2004. In een uitgebreid interview over de zware
problemen voor de sector met SDVO-lid Bart Schiltz in 2005, komen
woorden als duurzame visserij en alternatieve visserij technieken niet
over zijn lippen.
Maar waar is de gedetailleerde verantwoording over de zogenaamde
proefprojecten gefinancierd met overheidsgeld? Kris Peeters zei er eind
oktober dit over: “Mijnheer de voorzitter, dames en heren, ik begrijp
dat de stichting met heel wat wantrouwen wordt bekeken. Ik heb
brochures van de stichting bij, het is misschien interessant dat u ze
even doorneemt.”
Brochures, gemaakt door het ILVO, dat moet voor Peeters aan verantwoording volstaan!?
Als voorbeeld van wat SDVO dan wel doet roept het volgende
project ook vragen op. De raadsman Vanquathem — tevens makelaar bij
verkoop van schepen - van SDVO verkocht het schip de Zeebrugge48
(Wodan) aan de Oostendse vismijn en bemiddelde later bij het opkopen
van datzelfde schip aan de in Heist gevestigde bvba Rederij Nele (in
feite het Nederlandse bedrijf Padmos), vooral vanwege de daaraan
verbonden licentie. Een ander (Frans) schip (Larche) werd gekocht, dat
momenteel geheel wordt herbouwd door…Padmos, het bedrijf uit Bruinisse,
en gekoppeld aan de licentie van de Z48 en de Z10. De bedoeling is om
uiteindelijk te komen tot het allereerste duurzame flyshoot
visserschip, van de Vlaamse vloot. ‘Belgian Lady’ zou het schip heten.
De hele operatie zou rond de 5 miljoen euro kosten, waarvan de
Nederlandse vismultinational Jaczon met hoofdkwartier in Scheveningen
(onderdeel van de Cornelis Vrolijk Holding) zeker 1,8 miljoen euro voor
zijn rekening neemt.
Jaczon heeft een enorme vloot die actief is over de hele wereld
(onder andere vangst tonijn). Het bedrijf verpakt de vis diepgevroren
op zee en heeft ook verwerkingsbedrijven. Jaczon zou de ‘Belgian Lady’
in Vlaamse wateren beheren en in ruil voor al dat moois zouden Vlaamse
vissers dan stage mogen komen doen om de kunst van het flyshooten te
leren van de Nederlanders.
De vraag is hier wederom: hoeveel overheidsgeld van SDVO zit er in
dit project en wat is precies het voordeel voor de Vlaamse sector van
een enorm Nederlands bedrijf dat hier met Vlaamse licentie komt vissen?
Ter vergelijking: in Nederland zet het ministerie van Landbouw een
overzicht van alle uitgekeerde visserijsubsidies en begunstigden gewoon
op het internet.
Het feit dat SDVO een gesloten oester is, waar zelfs de overheid of
parlement geen inzage in heeft, blijkt uit een wel zeer onverdachte
bron. De vorige Vlaamse minister-president Yves Leterme, thans premier
van dit land, destijds tevens bevoegd voor visserij, antwoordt op 7
maart 2006 op een vraag in de Commissie Landbouw en Visserij van het
Vlaams parlement: “(…) De SDVO is een vzw die wel degelijk een rol te
spelen heeft bij het vrijwaren van de toekomst van de zeevisserij. De
SDVO verkrijgt zijn middelen via een beheersovereenkomst met het
Zeevissersfonds. Het is een vzw en dus heb ik geen enkele bevoegdheid
terzake. Uiteraard is het aan de SDVO zelf om via besluitvorming in de
beheersorganen te beslissen of ze wil of kan co-financieren in een
eventuele sloopactie.”
De vraag ging destijds over de zeevisserij die in crisis was, mede
door hoge energiefacturen. Er was sprake van het slopen van schepen met
een Europese slooppremie…Dat is twee jaar geleden en intussen is het er
alleen maar erger op geworden.
Eind oktober herhaalde Kris Peeters dit standpunt nog eens: “De
SDVO is een vzw die in 2004 opgericht werd en die paritair beheerd
wordt door werkgevers en werknemers, en waar wij als Vlaamse overheid
geen deel van uitmaken. De stichting werkt met middelen uit het
Zeevissersfonds. De middelen komen via de bedrijfsvoorheffing op de
lonen van de vissers. Het gaat om bedrijfsvoorheffing op een
minimumloon, zodat een deel van de opbrengsten uit het Zeevissersfonds
wordt doorgestort naar de SDVO. (…)Die stichting is een vzw en in de
statuten is opgenomen wat haar opdrachten zijn. Ze krijgt daartoe
middelen uit het Zeevissersfonds. Ik ga ervan uit dat, tenzij er
bijkomende informatie zou zijn, ze de haar toegewezen opdrachten
correct uitvoert en zal blijven uitvoeren.”
Correct? De vraag is: wat deed en doet de SDVO concreet om de
sector te helpen? Behalve brandstofmeters plaatsen op boomkorschepen,
experimenten met additieven in brandstof en kleine niet afdoende
aanpassingen van die schepen, is dat volstrekt onduidelijk. Er zijn
geen jaarverslagen terug te vinden en de spaarzame publicaties die het
SDVO wel uitgeeft, over bijvoorbeeld meer energie-efficiëntie worden
gemaakt door het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO).
En terwijl het duidelijk is dat er in de praktijk al jaren amper
wat gebeurt, behalve het failliet gaan van Vlaamse reders, laat de
politiek het nog altijd grotendeels aan de SDVO om de omslag naar meer
duurzaamheid te maken. Leterme en diens opvolger Peeters handelen niet
in het belang van vissers door de zaken zo lang te laten aanslepen en
geen duidelijke keuzen te maken en geen helder beleid te maken.
Eind mei zei Europees Commissaris voor Visserij Joe Borg naar
aanleiding van de felle protesten van Europese vissers dat om de
huidige crisis te overleven, de Europese visserijsector geen
brandstofsubsidies of hogere visquota moet krijgen, maar moet evolueren
naar een kleinere, duurzamere en energiezuinige vloot. Borg: "Ik blijf
ervan overtuigd dat er een toekomst is voor de Europese visserij, maar
enkel indien de lidstaten, de sector en de Commissie samenwerken voor
de creatie van een kleinere, energiezuinige vloot die beter strookt met
de vismogelijkheden."
Minister Peeters trad in overleg met de vissers en deed wederom
allerlei beloften, maar intussen blijven reders failliet gaan en nemen
de Nederlandse kapers op de kust, zoals het grote bedrijf Jaczon en
anderen, de Vlaamse vloot langzaam over.
Tijdens de recente Europese Ministerraad van visserijministers in
juli werd besloten om 600 miljoen euro extra steun voor noodlijdende
vissers uit te trekken in ruil voor een blijvende inkrimping van de
vloot met 20 procent. De zou voor België neerkomen op ten hoogste 3,6
miljoen euro (waarvan ook Wallonië zijn deel opeist in verband met
aquacultuur), hetgeen volstaat om welgeteld één of twee brandstof
verslindende boomkorschepen om te bouwen tot het veel
milieuvriendelijker en energiezuiniger schip. Peeters liet weten dat de
SDVO heeft aangeboden om businessplannen op te laten maken; Dat is 'too
little too late' en het getuigt van weinig besef van de urgentie. Het
vreemde is dat de overheid de coördinatie hiervan goeddeels in handen
legt van SDVO, een vzw waarvan de overheid zelf zegt dat ze er geen
enkele zeggenschap over heeft.
Bovendien moet Peeters het lef hebben om te zeggen waar het op
staat. Volgens Peeters liggen er momenteel 30 aanvragen voor
reconversie van niet-duurzame schepen bij SDVO. Maar er zijn momenteel
amper subsidies voorhanden.
De SDVO stuurt de aanvragen dan door naar het prestigieuze
adviesbureau Policy Research Corporation (PRC) in Antwerpen, dat de
businessplannen moet doorlichten op haalbaarheid. Het zou nuttig zijn
te weten hoeveel SDVO daarvoor betaalt!
PRC deed eerder al onderzoek voor de Europese Commissie naar de
‘Economische impact van de Europese maritieme industrie (maritiem
transport, scheepsbouw, offshore, binnenvaart, waterbouw, zeehavens,
visserij, recreatievaart, maritieme dienstverlening en maritieme
toeleveranciers)’ en is waarschijnlijk erg capabel. Maar het is wel
opmerkelijk dat PRC steeds weer opduikt.
Zoals toen minister Landuyt destijds een Staten-generaal over visserij organiseerde, PRC de visietekst schreef.
En het is ook onduidelijk waarom de politiek de besluitvorming
over de te varen koers, uit handen geeft aan een (duur)
consultancybedrijf en een vzw waarover de Vlaamse minister-president
‘geen enkele bevoegdheid heeft’. Is de toekomst van de Vlaamse visserij
dan zo onbelangrijk dat de politiek nu geen duidelijke, lange termijn
koers kan uitzetten, en die visie stap voor stap met concrete acties
kan uitvoeren?
Een andere visserij is mogelijk
Er zijn nochtans mogelijkheden. We verwijzen naar de wijze waarop
het Nederlandse ministerie van Landbouw de zaken aanpakt. Begin juni
maakte het ministerie bekend dat er een convenant was ondertekend
tussen het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV),
de kottersector, het Productschap Vis, het Wereld Natuur Fonds en
Stichting De Noordzee. Doel: 'een duurzame en door de samenleving
gewaardeerde Noordzeevisserij.
De ondertekenaars legden in dit convenant voor vijf belangrijke
thema's gezamenlijke doelen vast en maakten daar concrete afspraken
over. Die thema's zijn:
1. certificering van duurzame vis (MSC)
2. communicatie
3. onderwijs en scholing
4. beschermde gebieden in de Noordzee en
5. bestandsbeheer
Citaat: 'De bedoeling is dat de ondertekenaars ieder vanuit hun
eigen verantwoordelijkheid samenwerken aan de overgang naar een
duurzame en maatschappelijk gewaardeerde Noordzeevisserij. Het gaat om
thema's waar de ondertekenaars duidelijk meerwaarde zien in
samenwerking. Het convenant moet niet alleen bijdragen aan duurzame
visserij, maar ook aan biodiverseit. Het maatschappelijk convenant
vloeit voort uit het advies van de Task Force Duurzame Noordzeevisserij
'Vissen met tegenwind'. Voorbeelden van afspraken die de partijen
hebben gemaakt zijn certificering van vis, informatie voor consumenten
over 'Goede Vis', visserijonderwijs voor zowel aankomende als huidige
vissers, en het brengen van visbestanden binnen veilige biologische
grenzen.'
Een expert zei ons dat er voor de Vlaamse visserij nu drie scenario’s op tafel liggen:
1 - De boeken toe, alleen nog wat folklore
2 - De sector gaat over in buitenlandse handen
3 - De sector volgt het voorbeeld van Nederland, schakelt radicaal om en kan blijven bestaan
Wat wil Groen! ?
1 * Waar in Nederland de consumenten en organisaties actief
betrokken worden bij het beleid en geïnformeerd worden is de
visserijsector in Vlaanderen in handen van een klein clubje
belanghebbenden die inspraak en transparantie schuwen. De Vlaamse
overheid zou het Nederlandse voorbeeld moeten volgen en een open en
brede dialoog aan gaan om vervolgens een plan op te stellen dat
algemeen gedragen wordt. De tijd waarin de zaken in achterkamertjes
wordt geregeld moet voorbij zijn. De situatie is daarvoor te ernstig.
2 * Ongeveer 95 % van de Vlaamse vloot, zowat honderd schepen is
van het niet-duurzame boomkortype (waarmee over de bodem geschraapt
wordt, een dure en niet duurzame vistechniek — zie appendix 1).
Iedereen erkent dat de huidige boomkorvisserij op termijn grotendeels
zal moeten verdwijnen.. Er zullen vele andere vismethoden moeten worden
geïntroduceerd zoals twinriggen en flyshooten. Bestaande schepen kunnen
worden omgebouwd tot andere visschepen, al kost dat vaak ettelijke
miljoenen euro per schip. Volgens milieu-organisaties moet de subsidie
van de overheid bij omschakeling van schepen naar duurzamere varianten—
nu hooguit 40 % - dringend omhoog, wat door Europa onder bepaalde
voorwaarden ook werd toegezegd. De overheid moet rechtszekerheid bieden
aan de reders en duidelijk maken op hoeveel zij kunnen rekenen om hun
schepen om te laten bouwen voor meer duurzame vistechnieken.
Dit betekent dat de middelen voor steun aan duurzame visserij op de
Vlaamse begroting moet opgetrokken worden zodat alle dossiers ook
kunnen behandeld en betaald worden.
3 * De verdeling van de visquota in Vlaanderen gebeurt op
absurde basis, nl. op basis van de hoeveelheid PK die een schip heeft.
Een totaal verkeerde verdeelsleutel die grootschaligheid stimuleert.
Degene die het grootste schip met het meeste Pk’s heeft kreeg de meeste
quota, hetgeen overbevissing stimuleert. De verdeling van quota moet
herbekeken worden en gebaseerd worden op duurzaamheid.
4 * Om in aanmerking te komen voor subsidies uit het Europese
Visserij Fonds (programma 2007-2013) moeten lidstaten een Nationaal
Strategisch Plan (NSP) opstellen. Dat plan had er al eind 2007 moeten
liggen, maar een definitief NSP is pas begin oktober goedgekeurd.
Volgens milieuorganisaties bleek uit de eerste versies dat de ‘Vlaamse
overheid de echte problemen onderschat, geen lange termijn visie heeft
en niet pro-actief optreedt’. Bovendien werden deze organisaties - in
tegenstelling tot in Nederland - lange tijd niet geconsulteerd en zelfs
genegeerd, hetgeen volgens Europa niet kan bij het opstellen van
dergelijke plannen.
5 * De Vlaamse overheid protesteerde tot nog niet lang geleden
tegen het onderscheid ‘goede’ vis voor duurzame vis (niet met
uitsterven bedreigd) en ‘foute vis’, zijnde niet duurzaam gevangen en
met uitsterven bedreigde soorten. De overheid zou de Viswijzer moeten
verspreiden, aan de hand waarvan de consument een bewuste keuze kan
maken voor aankoop van bepaalde vis (zie www.goedevis.nl of www.noordzee.nl)
6 * Intussen hanteert de grootdistributie in België
(supermarkten en restaurant-ketens) achter de schermen al steeds meer
een aankoopbeleid dat niet alleen oog heeft voor kwaliteit, maar ook
voor duurzaamheid. In Nederland hebben de supermarkten beslist dat
tegen 2011 alleen nog maar ‘goede vis’, dus duurzaam gevangen vis
verkocht zal worden. In België is momenteel eenzelfde evolutie aan de
gang. Ketens als Delhaize en Colruyt, Center Parks of Burger King kopen
bijna uitsluitend nog duurzaam gevangen of gekweekte vis in, vaak
geïmporteerd uit landen als IJsland. De overheid zou afspraken kunnen
maken met de grootdistributie om afname van Belgische, duurzame vis te
verzekeren als dat aanbod er eenmaal is.
7 * Toegegeven: al vele eeuwen waarschuwt men voor overbevissing.
Al in 1883 waarschuwde een Britse Koninklijke commissie dat door het
vissen met stoomschepen de Noordzee uitgeput was. Maar het is voor
sommige gebieden en sommige vissoorten echt vijf voor twaalf. Uit
onderzoek van de Europese Commissie in 2007 blijkt dat 80 procent van
de Europese visbestanden zich in de gevarenzone bevindt. Daar valt iets
aan te doen: volgens wetenschappelijk onderzoek zijn Marine Protected
Areas of zeereservaten een zeer effectief middel om de vispopulatie
weer op sterkte te laten komen na jarenlange overbevissing. MPA’s zijn
afgebakende zones op zee waar vissen beschermd worden; De bescherming
kan ruimtelijk zijn maar ook in tijd zijn, bijvoorbeeld als vis kuit
schiet. Volgens milieuorganisaties Greenpeace en Natuurpunt blijkt het
succes uit positieve resultaten van de verschillende reservaten die op
enkele plaatsen zijn ingesteld, ‘ondermeer in Canada, Nieuw Zeeland en
Sint Lucia. Komende week wordt in de Beringzee een beschermd gebied van
500.000 km2 ingesteld’, zo schrijft Greenpeace. De organisatie heeft in
overleg met wetenschappers kaarten opgesteld van zeegebieden die
beschermd zouden moeten worden. Landen rond de Noordzee zouden actief
kunnen ijveren voor het instellen van MPA's.
8 * De Europese Commissie heeft in oktober 2005 een conceptwet
voor de bescherming van het mariene milieu voorgesteld, de EU
Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Deze richtlijn moet de pijler vormen
van de te ontwikkelen Europese maritieme regelgeving. Elk land moet
volgens deze Europese regelgeving een strategie ontwikkelen over hoe
het zijn stukje zee gaat beschermen. In december 2006 kwamen de
EU-Milieuministers tot een eerste overeenstemming over de richtlijn.
Volgens milieuorganisaties mist de richtlijn harde toezeggingen en
deden de visserijministers vage toezeggingen om het zeemilieu te
beschermen, maar mag het vooral niet te veel kosten. Het Europees
Parlement stemde in november 2007 voor een veel krachtiger richtlijn.
Die strijd is nog niet gestreden en minister Peeters zou ons daarbij
moeten steunen in plaats van tegenwerken.
Bart Staes,
Europees Parlementslid Groen!
Vera Dua
Vlaams parlementslid Groen!
Appendix 1
* De boomkorvisserij in Vlaanderen zit op 80 % bijvangsten: op
elke duizend kilo vis, wordt 800 kilo vis en zeedieren dood weer in zee
gegooid (omdat ze te klein zijn of niet tot de soort behoort waarvoor
de reder een quotum heeft). Dat cijfer moet volgens een besluit van de
Europese Commissie omlaag naar 15 %. Met de voorstellen van de Vlaamse
overheid zoals die er tot voor kort lagen, halen we hoogstens 50 %
bijvangst. Boomkorschepen gebruiken 4 tot 5 liter brandstof per kilo
gevangen vis. Met de hoge olieprijzen komen reders niet meer uit de
kosten. Andere vismethoden verbruiken veel minder brandstof. Een
flyshootschip bijvoorbeeld zit aan 1 liter brandstof per kilo gevangen
vis en heeft bovendien heel weinig bijvangst.
Voor de lezertjes die nog wat "ongeletterd" zijn: kameraad Vande
Lanotte is ook bestuurder van Electrawinds die een offshore
windmolenpark uitbaat en dus aan de basis ligt van de "reconversie" van
onze vissersvloot....of hoe je van verschillende walletjes kan eten...
Het wordt tijd dat we toch ook ons steentje bijdragen aan het grote
debat over zero-tolerance...de zogenaamde "steekvlampolitiek" na elk
incident in en rond Brussel waarbij vuurwapens en jonge zogenaamde
immigranten zijn betrokken wordt stilaan de enige reactie die we nog
mogen horen van politici vanuit alle hoeken van het ideologisch
universum. Er is nauwelijks nog verschil te merken tussen links en
rechts. Iedereen is pro zero-tolerance! Toen de Bende van Nijvel een
halve genocide uitvoerde bestond de term nog niet maar men vertelde
toen in elk geval zulke dwaze praat niet. We gaan dus te raden bij de specialisten ter zake namelijk het Amerikaanse FBI en we zetten een aantal dingen zelf in vetjes...
THE CRIME DROP IN AMERICA
Edited by Alfred Blumstein and Joel Wallman
New York, NY: Cambridge University Press, 2000
Reviewed by Willard M. Oliver
Radford University
PO Box 6934
Radford, VA 24142
(540) 831-6161
woliver@radford.edu
Crime is down in America. Violent crime, including homicide and
robbery, have all fallen dramatically throughout the 1990s. Property
crime is down substantially, including the categories of motor vehicle
theft and burglary. No matter which indicator one uses, whether the
National Crime Survey or the Uniform Crime Reports, crime is down.
Moreover, no matter how one analyzes the data, the one consistent factor
that everyone has to agree upon is that crime, or at least crime rates,
are down. For instance, the latest available data from the Federal
Bureau of Investigation’s Uniform Crime Reports shows that all categories
of crime have continued this downward trend (F.B.I. 2000). The rate
of crime per 100,000 population from 1998 to 1999 dropped 7.6 percent.
The rate of change from 1995 to 1996 was down 3.6 percent, to 1997 it was
down 6.6 percent, to 1998 it was down 12.4 percent, and to 1999 it was
down 19.1 percent (F.B.I. 2000). And in relation to overall crime
trends, according to the F.B.I., the “crime index rate for 1999 is the
lowest–4,267 per 100,000 of the Nation’s inhabitants–since 1973” (F.B.I.
2000, 6). Everyone has come to recognize and celebrate this downward
trend. However, while analyzing this data, identifying the downward
trend, and recognizing what is assuredly a remarkable and unprecedented
phenomenon is important, the truly important question that one must ask
is “why?”
This author has been asked on a number of occasions by family and friends
what has caused the downward trend. Although not necessarily the
most polite response, I usually answer their question with a question by
asking them what they think has caused the downward trend. In general,
the answers I receive include more police officers on the street, community
policing (which I always enjoy hearing), building more prisons, and that
we “won” the war on drugs. Eventually they return to their original
question and I usually answer the key is demographics. For the most
part they find it interesting, but have little desire to go beyond basic
understandings of age, gender, and race. In regards to my criminal
justice students I tend to expand upon what I mean by demographics, which
has included the changing makeup of age, gender, and race, but also
the changes in politics, economics, and the social environment. We
explore the increase in political action regarding crime during the 1980s
and 1990s (policies for more cops, more courts, more prisons), the economic
boom of the 1990s (which has helped fund more cops, more courts, and more
prisons), and the changing makeup of the drug culture, domestic violence,
gun control, and a host of other social conditions that have come to bear
on the changing “demographics” which have contributed to this downward
trend. In sum, we analyze a very complex but interrelated web of
events that have contributed to this intriguing phenomenon.
Although this type of answer, whether the simple approach (it’s demographics)
or the more detailed approach (it’s a combination of factors), have seemed
to be somewhat accurate in relation to the evidence available, much of
it has been theoretical abstraction of existing data, until now.
In the fall of 2000, Cambridge University Press published an edited collection
of all-new research attempting to explain this phenomenon and it is appropriately
titled, The Crime Drop in America. It is edited by two well respected
individuals in the field, Alfred Blumstein (Director of the National Consortium
on Violence Research) and Joel Wallman (Program Officer at the Harry Frank
Guggenheim Foundation), and features articles written by such noted researchers
as William Spelman, Richard Rosenfeld, John Eck, and James Alan Fox.
This publication provides both realistic and rational explanations for
the downward crime trend by relying on in-depth reviews of recent research
that have analyzed crime data, combined with cutting-edge research of its
own, to give what is clearly the most definitive explanation to the question
“why?” Up-front, this book is designed to become the seminal work
in understanding the “crime drop” and it lives up to its expectations.
If anyone is familiar with Alfred Blumstein’s writings or presentations,
they will find familiar territory in the first two chapters. In Chapter
one, co-authored with Joel Wallman, the authors provide a general overview
of the crime drop, a review of the major sources of crime data, and they
couch the crime-drop in terms of a four-decade change in the crime trends.
They then explore the various roles that certain factors have played in
the recent crime drop experiences during the 1990s, setting the stage for
the chapters that follow. In the second chapter, Blumstein
provides a disaggregated analysis of the violent crime trends in America
by focusing primarily on both homicide and robbery. A number of the
possible factors explaining both the rise in crime during the 1980s and
the subsequent drop in the 1990s are explored and these include changing
demographics and the role that handguns and drugs played during this time
period. Blumstein concludes, in general, that the increase in the 1980s
had to do with the escalating rates of homicide by and against black males
and an increase in the use of handguns by this same group. Reductions
in the prevalence of this phenomenon than, have contributed to the reduction
in crime during the 1990s.
The Blumstein article provides an excellent lead-in to the next chapter
(Chapter 3) which is authored by Garen Wintemute who presents a learned
article consisting of a detailed analysis of recent research conducted
on gun violence. It does this by disaggregating the various studies
into categories that assesses the victims of gun violence, the perpetrators,
the places they occur, the weapons used, and the access that people (mainly
juveniles) have to guns. It then looks at guns as a consumer product
by reviewing the available research conducted on the manufacturers, sellers,
and consumers of guns to understand how guns have come to be utilized in
crimes. The chapter then concludes with an assessment of what works,
what doesn’t, and what looks promising, such as restrictions on gun sales,
gun bans, and comprehensive intervention programs like those implemented
in Boston, Massachusetts. One comes away from this chapter
not so much with a definitive explanation of how much gun interventions
have reduced crime in the 1990s, but rather with a fuller understanding
of the various relationships between guns and crime and the multiple points
of intervention that have been and can be taken.
Perhaps one of the most controversial chapters is the following chapter
authored by William Spelman which attempts to understand the relationship
of prison expansion with the crime drop (Chapter 4). This chapter
is not necessarily controversial in and of itself, but it deals with an
issue that has remained controversial since it was first proposed and that
is the elasticity of incarceration, which Spelman defines as “the percentage
change in the crime rate associated with a one-percent change in the prison
population.” Spelman does an excellent job reviewing all of the key
studies, both simulation and econometric studies, conducted over the past
decade utilizing both national and state data. He then shows from
these studies that the elasticity ratio for violent crime tends to range
from -.10 to -.50 with a general assessment of -.30 being the most probable
figure. This means for every one percent increase in prison population,
crime rates would (or should) drop by thirty percentage points. Spelman
then expands upon past research by taking into consideration various factors
related to imprisonment over the past two decades as well as the changes
in adult violent crime and concludes that the crime drop would have most
likely occurred without the prison expansion of the 1980s and 1990s, but
it would have been approximately 27 percent smaller than it has been.
Spelman’s article is then the only article in the book to attempt to definitively
state that approximately 25 percent of the crime drop can in fact be explained
by the prison build-up.
Chapter five, authored by Richard Rosenfeld, returns to the issue
of homicide, but focuses more exacting on adult homicide from 1980 to 1995.
The article, in a way, becomes a reaffirmation that the demographic of
age is largely responsible for the drop in the crime rate because of the
aging baby boomers coupled with the desistance phenomenon. Rosenfeld
also reviews other demographics and, like Blumstein, acknowledges the impact
of black male victim-offender rates creating a rise in homicide during
the 1980s, then a decline in the 1990s. Rosenfeld also reiterates
the effect that incarceration had on the specific crime of homicide, echoing
Spelman’s article with his analysis of homicide. However, Rosenfeld
then proposes that some of the drop in crime was related to declining domesticity
and intimate partner homicide. He argues that the decline in marriage
during this time period reduced the level of intimate partner homicide,
thus contributing to the reduction in homicides experienced in the 1990s.
The theory, while plausible, falls short of proof for the very reason the
author cites, “reliable trend data on the number of boyfriends and girlfriends
in the population do not exist, and so it is difficult to determine whether
the rate of nonmarital homicide is rising or falling” (p. 152). In
other words, although marital rates of homicide may be falling, we do not
know for a fact if nonmarital rates increased during this same time period.
This seems to be too far an advancement for current research on domestic
violence and homicide rates and perhaps a more simplistic theory (and one
more likely to be supported by evidence) such as domestic violence awareness
during the 1980s and 1990s has successfully helped to reduce the occurrence
of intimate partner homicides, would have been more appropriate.
This is, as far as the author can tell, the only aspect of the entire publication
that postulates a theoretical explanation for the crime drop without good
quality research to support its assertions. While the theory remains
intriguing, it lacks the necessary evidence to be included as a key explanation
to the crime drop.
The next chapter (Chapter 6) is co-authored by Bruce D. Johnson, Andrew
Golub, and Eloise Dunlap and analyzes the relationship between drugs and
inner-city violence in New York city. Although they use a case study
example as the basis for their article, they continually tie the relationship
of drugs and violence to what was occurring throughout the United States
in the 1980s and 1990s. Their findings show a trend in the use of
three specific drugs: heroin, cocaine, and marijuana. What the authors
conclude is that the use of these three drugs has gone in cycles.
They dub the 1960s as the “heroin injection era,” the 1980s as the “cocaine/crack
era,” and the 1990s as the “marijuana/blunt era.” Since more violent
crime has been associated with heroin and crack then with the use of marijuana
they demonstrate that violent crime associated with heroin rose in the
late 1960s and violent crime associated with cocaine, specifically crack,
rose in the mid- to late 1980s. Enter the 1990s, the preferred drug
by those born in the 1970s has been the use of blunts (marijuana rolled
into cigar leaves), for which marijuana is not generally associated with
violent crime. As a result, the authors argue that this fact, coupled
with other social factors associated with drug use (e.g., domestic violence,
guns, etc.) has contributed to the reduction of crime in the 1990s.
The next chapter (Chapter 7), co-authored by John E. Eck and Edward
R. Maguire, looks at the claims that the police, through such programs
as community policing, adding 100,000 cops, and zero-tolerance policing;
are responsible for the reduction in crime. They acknowledge the
long-held proposition that the police do not directly effect crime rates
at the beginning of their article, but then argue that this proposition
needs to be revisited. In doing so, they first analyzed key studies
over the past thirty years regarding this relationship and were forced
to conclude that there is no consistent body of evidence that explains
the impact of the police. Second, they analyzed research conducted
on many of the current innovations in policing to determine if there has
been any consensus on their relationship with reducing crime and again
the authors conclude there is no consistent evidence to be found.
Finally, they re-analyze what impact police might have on crime and conclude
that, if any, it is when they focus on a specific place or on a specific
group of people. By and large, they conclude, police do not have
an independent impact on crime (such as through community policing, etc.)
but are most likely one variable among numerous social variables.
The next chapter (Chapter 8), authored by Jeff Groger, utilizes an econometric
model to explain the recent downturn in violent crime rates. His
analysis takes a look at well traveled territory, namely the relationship
between the labor market and crime. Utilizing an age-wage profile,
what he finds is that “when wages are low, crime is high, and when wages
are high, crime is low” (2000, 272). Groger immediately acknowledges
the deficiencies of such modeling, but argues for its use to allow the
reader to begin thinking in terms of the labor market. He then explores
the drug market and demographic variables associated with violent crime.
At best, his findings are suggestive that the labor-market and drug-market
assisted in the crime drop. In other words, with a better economy
in the 1990s, more young people were able to share in the economic benefits,
hence choices to enter the labor-market and not the drug-market were increased.
Therefore, crime dropped because of the expanding economy.
The final chapter (Chapter 9), authored by James Alan Fox, looks at
the relationship between demographics and U.S. homicide during the past
thirty years. Analyzing the variables of gender, race and age, Fox
concludes that demographics did it fact play a part in the crime drop of
the 1990s, but not necessarily a large and significant one. Buried
within this article is a very interesting analysis of the recent and controversial
findings, still yet unpublished by Donohue and Levitt, that hypothesized
the crime drop could be attributed with the legalization of abortion by
the Supreme Court case Roe v. Wade. A number of factors, all related
to the demographics utilized in Fox’s analysis, demonstrates that the findings,
while interesting, are in need of far more research to make such sweeping
claims. Fox then looks to the future using demographic forecasts
and, attempting to be more realistic than most claims of a future crime
wave, does argue that crime at some point in the near future, will most
likely begin to take an upward trend. After all, nothing good can
last forever and it is unrealistic to believe that the trend could continue
to the point we would have no crime or even “negative” crime.
As stated, the book ends with the chapter by Fox on demographics and
homicide and tends to leave one thinking about a whirlwind of explanations.
The reader is left with the assessment that 25 percent of the drop was
the result of the prison expansion movement and that the significant drops
in crime during the 1990s was also a result of changing drug use, increased
gun control/intervention efforts, changes in adult and juvenile homicide
rates, changes in policing, the labor market, and basic demographics.
In other words, the crime drop was caused by a host of key factors mostly
resulting from changes in political, economic, and social conditions, thus
creating an intricate web of causes affecting the crime rates since 1992.
While this perception is most likely very accurate and there is some evidence
now to support this assessment, thanks to the publication The Crime Drop,
one is left wondering which was more important and which direction should
we take to continue this trend or, at a minimum, hold the line at which
we stand? The publication then, would have been better served had
Blumstein and Wallman pulled the findings together or concluded with an
overall assessment. Despite this one inadequacy, this book should
find its way into the hands of anyone interested in understanding why crime
has dramatically fallen over the past eight years. More importantly,
however, this book should find its way into the hands of every criminal
justice professor teaching and explaining to students the causes of this
downward trend. This is currently, succinctly stated, an important
book.
Reference
Federal Bureau of Investigation. (2000). Uniform Crime Reports
- 1999. Available on line at http://www.fbi.gov/ucr.htm
we vervolgen met een klein uitstapje naar
Zuid-Amerika en het kan bizar klinken maar er zijn sprekende
gelijkenissen lmet de Brusselse situatie...
Toward a dictatorship over the poor? Notes on the penalization of poverty in Brazil LOÏC WACQUANT University of California, Berkeley, USA Centre de sociologie européenne du Collège de France Abstract Like many countries of the Second World caught in the throes of post-Fordism before they could reap the full benefits of Fordist-style development, Brazil is tempted to import the US-style discourse and policy of ‘zero tolerance’ because, enshrouded in the aura emanating from America as the world’s sole symbolic superpower and global Mecca of crime control, they appear cutting edge, effective and efficient; and because they are the indispensable order-maintenance counterpart to policies of economic deregulation and fiscal austerity adopted by Latin American countries under the press of international financial agencies. But in Brazil, as in neighboring nations, this borrowing promises to produce a social catastrophe of historic proportions because the depth and scale of urban poverty are much greater, violent crime is more prevalent and more entrenched in the history and economy of the country, and because the Brazilian police is not a remedy against violence but a major source of violence in its own right. Moreover, Brazil does not possess a rationalized court system capable of ensuring minimal protection of constitutional rights and its prisons are plagued by fantastic overcrowding, gross lack of access to food, hygiene and health and inordinately high levels of brutality, akin to concentration camps for the disruptive fractions of the (sub)proletariat. Under such conditions, to respond to the disorders generated by the rise of absolute and relative poverty associated with incorporation in the emergent neoliberal global order with the penal apparatus is tantamount to instituting a chaotic dictatorship over the poor, and therefore antithetical to the project of nation building on a pacified and democratic basis.
Neoliberal penality is paradoxical in that it purports to deploy ‘more state’ in the realm of police and prisons to remedy the generalized rise of objective and subjective insecurity that is itself caused by ‘less state’ on the economic and social front in all the countries of the First World as in those of the Second. It reaffirms the omnipotence of the Leviathan in the restricted domain of public order maintenance, symbolized by the running battle against street delinquency,1 just when the latter claims and proves to be incapable of stemming the decomposition of wage labor and of bridling the hypermobility of capital that are destabilizing the entire social edifice by clasping it in a brutal pincer movement. And, as I showed elsewhere, this is not a mere coincidence: it is precisely because state elites, having converted to the ideology of the all-mighty market come from the USA, reduce or relinquish its prerogatives in social and economic matters that they must everywhere enhance and reinforce its mission in matters of ‘security’, after having abruptly reduced the latter to its sole criminal dimension (Wacquant, 1999/2002). But, above all, neoliberal penality is all the more seductive as well as all the more nefarious when it is applied to countries traversed by deep inequalities of social condition and life chances, shorn of democratic traditions and devoid of institutions capable of cushioning the shock caused by the mutation of work and self on the threshold of the new century. This is to say that the alternative between the social treatment of poverty and its correlates, anchored in a long-term vision guided by the values of justice and solidarity, and its penal treatment, trained on the most restive fractions of the subproletariat and focused on the short term of electoral cycles and moral panics orchestrated by a media machine running out of control, before which Europe now finds itself in the wake of the United States,2 poses itself in particularly dramatic terms in the newly industrialized countries of South America, such as Brazil and its main neighbors, Argentina, Chile, Colombia, Paraguay and Peru, which have been among the leading importers of US-style penal discourse and policies around the world. From Brasília to Caracas to Buenos Aires, public officials have raced to adopt measures patterned after those showcased by (or glibly attributed to) Rudolph Giuliani in New York City; and politicians have run head over heels to be photographed alongside the living incarnation of penal rigor, William Bratton, latter-day prophet of the religion of ‘zero tolerance’ and globe-trotting ‘consultant in urban policing’ since he was fired from his position as head of the New York City Police Department in 1994. Not because these policies are particularly efficient – indeed, we now know that they are remarkably inefficient, even in many ways counterproductive (Eck and Maguire, 2000; Harcourt, 2001; Wacquant, 2002b) – but because they are ideally suited to dramatizing publicly their new-found commitment to slay the monster of urban crime and because they readily fit the negative stereotypes of the poor who are everywhere portrayed as the main source of street deviance and violence.3 But, aside from its symbolic profits, the deployment of made-in-the-USA penal rhetoric and the implementation of the proactive policies of penalization of poverty that it commands promise to have dramatic and far-reaching consequences on the social fabric as well as on state-society relations. This is particularly true of Brazil, which has been among the most enthusiastic champions of crime policies patterned after Giuliani’s New York and which supplies in this regard a living laboratory for anticipating the disastrous impact of ‘zero tolerance’ in Second-World countries. First of all, for a number of reasons having to do with its history and its subordinate position in the structure of international economic relations (a structure of domination concealed by the falsely ecumenical category of ‘globalization’), and despite the collective enrichment brought by the decades of industrialization, Brazilian society remains characterized by vertiginous social disparities and mass poverty, which together feed the inexorable growth of criminal violence that has become the main scourge of the big cities. Thus, since 1989 violence has been the country’s leading cause of mortality; the homicide rate for Rio de Janeiro, São Paulo and Recife has reached 40 per 100,000 people, while the national rate exceeds 20 per 100,000 (twice the US rate of the beginning of the 1990s and 20 times the level of the societies of Western Europe). The diffusion of firearms and the explosive development of an organized drug economy linked to international trafficking, in which the criminal underworld and the police are deeply intertwined, have resulted in the propagation of crime and the fear of crime everywhere in public spaces.4 In the absence of any social safety net, it is certain that the youth of the popular neighborhoods crushed by the weight of chronic unemployment and underemployment will continue to look to the ‘booty capitalism’ of the streets (as Max Weber would say) for the means to survive and to realize the values of the masculine code of honor, if not to escape from the grind of day-to-day destitution. The spectacular increase in police repression in recent years has been without effect, since repression supplies no traction on the engines of this criminality, which aims, through predation, to create an economy where the official economy does not or no longer exists.5 Next, criminal insecurity in Brazil is particular in that it is not attenuated but clearly aggravated by the intervention of the law-enforcement forces. The routine use of lethal violence by the military police and the habitual recourse of the civilian police to torture by means of the pimentinha (electrical shocks) and the pau de arara (hanging cross) to make suspects ‘confess’, summary executions and unexplained ‘disappearances’, all maintain a climate of terror among the popular classes who are their prime target and banalize brutality at the heart of the state. One statistic: in 1992 the São Paulo military police shot dead 1470 civilians – as against 24 killed by the New York City police and 25 by that of Los Angeles – representing fully one-quarter of the victims of violent death in the metropolis that year. This is by far the absolute record in the Americas (Chevigny, 1995: ch. 5; Cavallaro and Manuel, 1997). This police violence partakes of a centuriesold national tradition of control of the dispossessed by force, issued from slavery and agrarian conflicts, which was reinforced by two decades of military dictatorship during which the fight against ‘internal subversion’ disguised itself as the repression of delinquency. It is backed up by a hierarchical, paternalistic conception of citizenship based on the cultural opposition between feras e doutores, the ‘savages’ and the ‘cultivated’, which tends to assimilate marginais, workers and criminals, so that the enforcement of the class order and the enforcement of public order are merged (Da Matta, 1978; Pinheiro, 1983; Huggins, 1985). A third factor seriously aggravates the issue: the close alignment between class hierarchy and ethnoracial stratification and the color discrimination endemic to the Brazilian police and judicial bureaucracies. It is known, for example, that in São Paulo as in the other big cities, darker-skinned detainees ‘benefit’ from special vigilance on the part of the police, that they have more difficulty getting access to legal aid and that heavier sentences are imposed on them than on their white counterparts for the same crimes.6 And, once behind bars, they are subjected to the harshest conditions of detention and suffer the most serious carceral violence. Penalizing poverty amounts here to ‘invisibilizing’ the color problem and bolsters racial domination by granting it the imprimatur of the state (Bodé de Moraés and de Souza, 1999; da Silva, 2000). Moreover, the blatant disinterest and patent incapacity of the courts to enforce the law encourage all those who can to seek private solutions to the problem of public insecurity – via fortification into ‘gated communities’, armed guards, the tolerated and even encouraged vigilantism of the justiceiros and victims of crime (Caldeira, 1996/1997) – with the principal effect of spreading and intensifying violence. For, despite its return to constitutional democracy, Brazil has yet to construct a state of laws worthy of the name. Two decades of military dictatorship continue to weigh heavily on the functioning of public force, as well as on collective mentalities, with the result that a broad spectrum of social classes tends to identify the defence of human rights with tolerance of bandidagem. So that, besides deep-seated urban marginality, violence in Brazil finds a second root in a political culture that remains profoundly marked by the scars of authoritarianism (Péralva, 1992; Méndez et al., 1999). Under such conditions, deploying the penal state to respond to disorders spawned by the deregulation of the economy, the desocialization of wage labor and the relative and absolute immiseration of large sections of the urban proletariat by enlarging the means, scope and intensity of the intervention of the police and judicial apparatus amounts to (re-)establishing a veritable dictatorship over the poor. Now, who can say, once the legitimacy of this authoritarian management of the social order by the systematic use of force at the bottom of the class structure has been affirmed, where the perimeter of its utilization will stop? And how can one fail to see that, in the absence of the minimal juridical guarantees, which only a rational bureaucracy (conforming to the Weberian schema) charged with the administration of justice can provide, recourse to punitive law-andorder techniques and policies made in the USA is fundamentally antithetical to the establishment of a pacified and democratic society, whose basis must be the equality of all before the law and its agencies of enforcement?7 A final consideration of simple common sense mitigates against an increased reliance on the carceral system to curb the rise of poverty and associated urban disorders in Brazil: the appalling state of the country’s prisons, which are more akin to concentration camps for the dispossessed, or public enterprises for the industrial storage of social refuse, than to judicial institutions serving any identifiable penological function – be it deterrence, neutralization or rehabilitation. The Brazilian penitentiary system in effect sports the defects of the worst gaols of the Third World but carried to a level worthy of the First World owing to its size and to the studious indifference of politicians and the public8: staggering overcrowding resulting in abominable living conditions and catastrophic hygiene, characterized by lack of space, air, light and food (in police lockups, detainees, who are more often than not innocent, are crammed in for months and even years on end, in complete illegality, as many as eight to a cell designed for one, like at the Casa da detenção in São Paulo, where they can be recognized by their sickly appearance and jaundiced complexions, which has earned them the nickname ‘os amarelhos’, ‘the yellow ones’); denial of access to legal assistance and basic health care, the result of which has been the dramatic acceleration of the spread of tuberculosis and the HIV virus among the popular classes; pandemic violence among the inmates, in the form of mistreatment, extortion, beatings, rapes and murders, due to acute overpopulation, the lack of segregation of diverse categories of convicts, enforced idleness (even though the law stipulates that all prisoners must participate in education or job training programs) and the failings of supervision (da Silva, 1997; Goifman, 1998, 2002). But the worst of it, yet again, is the routine violence of the authorities, ranging from everyday brutality to institutionalized torture and mass killings during the riots that periodically erupt in reaction to inhuman conditions of detention (whose highpoint remains the massacre at Carandiru prison in 1992, during which the military police killed 111 prisoners in an orgy of state savagery out of another era), which is deployed with practically total impunity (Human Rights Watch, 1998; Leal, 1999). In its present state, the Brazilian carceral apparatus only serves to aggravate the instability and poverty of the families whose members it confines, and to feed criminality by its manifest contempt for the law and the culture of mistrust of others and defiance of authority it fosters. Neither the planned expansion of the system – in 1998 a program was hatched to double prison capacity by building 52 new establishments, 21 in the state of São Paulo alone – nor its indispensable modernization, through the improvement of the physical plant, training of personnel and the introduction of computers, will be able to remedy the congenital inability of imprisonment to exert any durable effect on crime. Even in the United States, where the police, courts and prisons are endowed with colossal means out of all proportion with their Brazilian counterparts, the criminal justice system treats only a tiny portion of the most serious offenses, since barely 3 percent of violent crimes are eventually punished with a term of confinement. Besides, international comparison shows that there exists nowhere any correlation between the level of crime and the level of imprisonment (Mauer and the Sentencing Project, 1999: 105; see also Christie, 2000; Stern, 1998). In short, the adoption of US-style measures of street-sweeping and mass imprisonment of the poor, the useless and those factious to the dictatorship of the deregulated market is guaranteed to aggravate the evils from which Brazil already suffers in its difficult journey toward the establishment of a democracy that is not only a façade, namely: the delegitimation of many institutions of law and justice, the escalation of both violent criminality and police abuse, the criminalization of the poor, a significant increase in support for illegal measures of control, the pervasive obstruction of the principle of legality, and the unequal and uneven distribution of citizen rights. (Caldeira and Holston, 1999: 692; see also Caldeira, 2002) Whatever the claims of the zealots of the neoliberal New Eden, the priority, for Brazil as for most countries on the planet, is to wage a broad battle, not against criminals, but against poverty and inequality, which is to say against the social insecurity that everywhere pushes people into crime and normalizes the informal economy of predation that feeds violence. By putting into theoretical light and international perspective the causes and mechanisms of diffusion of neoliberal penality invented in the United States in order to entrench the new regime of deregulated employment, I hope that this article will contribute to amplifying the discursos sediciosos on crime, law and society in Brazil9 that endeavor, at the margins of the frantic media exploitation and political fantasies of rigid law-andorder enforcement now shared by the Right and the Left, to reconnect the crime question and the social question, the physical insecurity of which street crime is the vector and the social insecurity generated everywhere by the desocialization of wage labor, the rentrenchment of social protection and the all-out ‘commodification’ of human relations. For what is at stake in the choice between constructing, however slowly and laboriously, a social state, and the escalation, without limits or brakes since it is essentially self-sustaining, of the penal response is nothing other than the kind of society Brazil hopes to build in the long run: an open and convivial community, animated by a spirit of equality and concord, or an archipelago of islets of opulence and privilege lost in the middle of a cold and furious ocean of poverty, fear and contempt for others.10 Acknowledgements This article draws on materials gathered for the preface to the Brazilian edition of Les Prisons de la misère (Prisões da miséria, Rio de Janeiro, Zahar Editora, 2001) and presented as a public lecture entitled ‘A burgesía brasileira deséja reestabelecer uma ditadúra? Notas sobre crime, desigualdade e prisões em Brasil hoje’, Universidade Candido Mendés and Instituto Carioca de Criminología, Rio de Janeiro, Brazil, 4 April 2001. I would like to thank Nilo Batista and Vera Malaguti for their generous and stimulating hospitality as well as the Brazilian colleagues and students who kindly reacted to a previous version of this text during a mini-course on ‘Neoliberalismo e penalidae’ taught in the Mestrado em Criminologia, Direito Penal e Processo Penal at Universidade Candido Mendés in October 2001. I am also grateful to Maria Augusta Carneiro Ribeiro for organizing an eye-opening visit of the Bangú jail complex. Notes 1 Governments of the right have always made ‘law and order’ the plinth of their hierarchical conception of society. What is new nowadays is that politicians of the left, or pretending to be left, have elevated ‘security’ to the rank of a fundamental right by feigning (like Tony Blair in England or Lionel Jospin in France) to ‘discover’ that the poor are the first victims of street crime (which has always been the case, in all times and in all countries) the better to justify its canonization as priority of public action under the pretext of ‘social justice’. 2 For a thorough analysis of the advent of the penal state in the United States, in relation to labor market deregulation and the concurrent shift from ‘welfare’ to ‘workfare’, see Wacquant (2002a); see also the issue of Actes de la recherche en sciences sociales devoted to the transition ‘From social state to penal state’ (n. 124, September 1998), and the germane analyses of David Garland in The culture of control (2001). 3 Belli (2000); the case of Argentina is discussed in Wacquant (2000). 4 In Rio de Janeiro in 1992, three-quarters of male homicide victims were killed in public places and two-thirds of victims were struck in connection with drug trafficking (Soares et al., 1996: 241–2). 5 See Batista (1998); Gullo (1998); Zaluar and Ribeiro (1995); Zaluar (2001); da Silva (1995); for a comparison with Europe and the United States, see Wacquant (1994/2003). 6 See Adorno (1995); racial discrimination in the justice system has deep historical roots, as Ribeiro (1995) shows in Cor e criminalidade. Estudo e análise da justiça no Rio de Janeiro, 1900–1930.
en we zouden dus graag aan de linkerkant wat meer horen nadenken in plaats van meehuilen met de meute...
In
mid-January, I received a mass email asking me to donate $10 for
bottled water and other supplies for participants in an important
immigrant rights march in Phoenix. Given the ever-repressive and cruel
political climate in Arizona for immigrants (especially unauthorized
ones), I was unequivocally in support of the mobilization. Nonetheless
I was taken aback by a request to contribute even nominally to an
effort to buy bottles of water for what turned out to be, according to
some estimates, more than 20,000 people.
Certainly
there are other ways—ecologically sustainable and less expensive
ones—to provide water for such a multitude. How, why, and to what
effects bottled water became the preferred way to do so for myriad
people and places far beyond a single event in Phoenix is the focus of
Elizabeth Royte’s powerful and compelling book, Bottlemania: Big Business, Local Springs and the Battle Over America's Drinking Water.
I’ve
never been a fan of bottled water, considering it ecologically
damaging—in the United States alone 30-40 million single-serve bottles per day end
up as litter or in landfills—and economically foolhardy, another
capitalistic trick to con us into purchasing something from profiteers
that we don’t shouldn’t have to. But as Royte powerfully illustrates, the increasing commodification of drinking water is far more complex, and dangerous, than at least I appreciated.
Until
recently, the sale of single-serve bottles of water was rare. While the
United States had regional bottled water companies as early as the
nineteenth century, such entities mainly supplied homes and offices
with large
containers of the life-sustaining liquid (for water coolers, for
instance). This situation began to change in the 1980s with the entry
of Perrier into the U.S. market and its successful television
advertising which stressed that a little luxury—a bottle of the French
water—was available to everyone.
Other
companies, like Evian and Vittel, followed, employing the likes of
Madonna and fashion models, to help equate bottled water with personal
health, fitness, and glamour. That, combined with the invention of
polyethylene terephthalate (PET) plastic—which made water easily
portable—helped the U.S. bottled-water industry boom: between 1990 and
1997 its annual sales increased from $115 million to $4 billion. (By
2006, the figure was $10.8 billion; globally bottled water’s income was
$60 billion.)
This
dramatic increase is the outgrowth of “one of the greatest marketing
coups of the twentieth and twenty-first centuries,” asserts Royte. What
makes it all the more extraordinary is that in the vast majority of
cases “tap water meets or exceeds federal health and safety standards,
regularly wins in blind taste tests against name-brand waters, and
costs 240 to 10,000 times less than bottled water.” Part of the reason
it has succeeded, contends Royte, is “that bottled water plays into our
ever-growing laziness and impatience.”
This
corporate-driven success contributes to the demise of water as a public
good. Take the increasingly rare public drinking fountain, for
instance: Royte tells of visiting a Midwestern college where there is
no drinking-water fountain in its gym.
Bottled
water’s rise has changed behaviors even among those whom you might
expect would have an alternative consciousness. While I was reading
Royte’s book, I accompanied a group of students from my institution on
a visit to a geography department at a university elsewhere in New York
State, a department with a strong focus on issues of environmental
sustainability. At the luncheon, the department offered bottled water
as one of the beverage options.
The
profound change in how so many of us consume water has consequences far
beyond what we imbibe. Among other things, it increases our consumption
of oil—and all its attendant detrimental impacts: Royte reports that it
takes 17 million barrels of oil each year to make water bottles for the
U.S. market alone—enough to fuel 1.3 million cars for a year.
Meanwhile, according to one estimate, a quarter of a water bottle’s
worth of oil is required to produce each bottle, transport and depose
of it.
Royte
focuses much of her energy on Poland Springs—the Nestlé-owned company
that is the largest U.S. producer of bottled spring water—and the
struggles and controversies surrounding its activities in and around
Fryeburg, Maine, where it is based. However, her important and
compelling book is much more than an examination of the bottled water
industry. It is first and foremost about the health and viability of
drinking water and thus human society as a whole. As Royte points out,
“We can live without oil, but we can’t live without water.”
Already
for all-too-many across the planet, access to safe drinking water is
far from assured. As Royte informs the reader, “only 3 percent [of the
earth’s water supply] is fresh, and of that fraction only a third is
available for human use,” with the rest stored in glaciers and the
like.
Not
surprisingly that fraction is not equitably distributed based on needs.
As such, more than a billion people do not have sufficient access to
potable water. And according to U.N. projections, increased demand and
water pollution, combined with climate-change-induced drought and
reduced recharge of groundwater supplies will lead to two of every
three of the planet’s denizens lacking sufficient access by 2025.
“Those two out of three won’t just be thirsty;” writes Royte.
“[A]lready some 5.1 million people a year die from waterborne diseases,
many of which stem from lack of sanitation and its resulting water
pollution. That number is going to spike.”
Among
the major culprits of water pollution is industrial agriculture with
its heavy reliance on synthetic fertilizers, herbicides, pesticides,
and insecticides, the runoff from which ends up in the water supply.
Atrazine, for example, an herbicide that has been shown to cause birth
defects, reproductive disorders, and cancer in lab animals, has
contaminated, according to Royte, drinking water sources “in nearly
every major Midwestern city, and well water and groundwater in states
where the compound isn’t even used.”
The
pernicious irony of the degradation of the water commons is that it
helps to undermine trust in public water supplies and facilitate their
neglect, thus driving more people—especially the relatively
wheel-heeled who can afford it—to embrace the bottled water option. In
2001, La’o Hamutuk, a non-governmental organization in East
Timor, for example, calculated that the United Nations mission in
charge of governing the territory was spending more than $10,000 per
day (almost $4 million annually) on bottled water. (And this was the
figure just for the international peacekeeping troops present in the
country—to say nothing of the water purchased for the non-military U.N.
personnel.) According to various estimates, it would have cost $2-10
million at the time to rehabilitate the entire water purification and
delivery system of Dili, the now-independent country’s capital, and
provide potable water to nearly all of the city’s more than 100,000
residents.
Royte
would see such behavior as part of an “insidious trend,” one in which
it has become “normal to pay high prices for things that used to cost
little, or nothing”—or to go the route of the private rather than the
public. But ultimately, preserving or improving public water supplies
is the option we must collectively pursue as “too many people can
afford to drink nothing but.” Otherwise, Royte warns, we run the risk
of a world in which there is “a two-tiered system—bottled for the rich,
bilge for the poor.”
Given
the ubiquity of bottled water, it might seem like it doesn’t matter if
the organizers of one mass demonstration, a single geography
department, or a particular U.N. mission choose bottled water, rather
than embracing public water options that were the unquestioned norm in
the very recent past. But these individual decisions add up and, as
such, have a profound impact on people’s livelihoods and the
environment. Given the necessity of water for life, do we really have a
choice as to what we should do?
Gelukkig heeft de oude Marx dit niet meer moeten meemaken...
Voor diegenen die de laatste film van Michael Moore nog niet hebben
gezien en verkozen Avatar te bekijken hebben we hier één van de
onderwerpen die worden behandeld. Misschien zet dit sommigen nog aan om
toch naar Michael Moore's "Capitalism a love story" te gaan kijken...een aanrader!
'Dead peasants'
insurance pays your employer a secret, tax-free windfall when you die.
Insurers have sold millions of policies to companies such as Dow
Chemical.
Right now, your company could have a life insurance policy on you that
you know nothing about. When you die -- perhaps years after you leave
your employer -- the tax-free proceeds from this policy wouldnt go to
your family. The money would go to the company.
Whats
more, the company might use this policy to pay for retirement benefits
and other perks not for you or your fellow workers, but for your
companys top executives.
Sound outrageous? Such corporate-owned life insurance is also big business:
Companies
pay a whopping $8 billion in premiums each year for such coverage,
according to the American Council of Life Insurers, a trade group.
The policies make up more than 20% of the all the life insurance sold each year.
Companies
expect to reap more than $9 billion in tax breaks from these policies
over the next five years. The policies are treated as whole life
policies. So, companies can borrow against the policies (though the IRS
won't let them write off the interest). And the death benefits are
tax-free.
Hundreds of companies -- including Dow Chemical,
Procter & Gamble, Wal-Mart, Walt Disney and Winn-Dixie -- have
purchased this insurance on more than 6 million rank-and-file workers.
These
policies, nicknamed dead janitors or dead peasants insurance, soared in
popularity after many states cleared the way for them in the 1980s.
Congress recently tried to crack down on the practice, to the howls of
the insurance industry -- which earlier this year managed to derail
reforms.
The policies have generated lawsuits by survivors who got little or nothing when insured workers died. A couple of examples:
Jane St. John
had two children and was pregnant with a third when her husband, a
butcher at a Winn-Dixie store, was killed in an auto accident. When the
Killeen, Texas, woman called the company to ask about insurance, she
said she was told about a $17,500 policy to which she was entitled. St.
John said Winn-Dixie told her nothing about the $102,000 the company
collected from a corporate-owned policy on his life. She found out
about it this summer, eight years after his death, from a lawyer who
researched court records. The idea that the company would secretly
insure lives, and then not share the benefits with the families, "is
sick," she said. "That is creepy."
Mike Rice was a
48-year-old assistant manager when he died of a massive heart attack at
the Wal-Mart store in Tilton, N.H. His widow, Vicki, became the lead
plaintiff in a class-action lawsuit against the company after she
discovered Wal-Mart collected $300,000 from a life insurance policy it
owned on him. Vicki Rice believes job-related stress contributed to the
heart attack and says it is totally immoral for Wal-Mart to profit from
his death.
In a lot of circumstances, the families dont get
anything, said attorney Mike Myers of Houstons McClanahan &
Clearman, which represents survivors suing companies over
corporate-owned policies. The company tries its hardest to keep the
policy a secret.
Labor leaders and some lawmakers have denounced
the policies as unjust and repulsive. The companies say profits from
the policies can help offset the increased cost of employee benefits
and enhance the businesses bottom lines.
Corporate-owned life insurance actually comes in two flavors:
Executive or key person policies
that insure the lives of top executives. This coverage has been around
for decades and has a clear business purpose, since losing the
expertise, knowledge and contacts of top managers can be financially
devastating for companies.
Broad-based or janitors policies
that insure rank-and-file workers. Here the purpose is basically
profit. The life insurance proceeds are tax-free. The policies have an
investment component that allows companies to earn tax-deferred returns
while the employee is still alive. And, of course, companies can take
out tax-free loans on the policies. All these gains and income are used
to fund operations, pay for executive compensation or boost other
benefits.
No one knows how many corporate-owned policies are issued
on executives versus rank-and-file workers. Wal-Mart alone had taken
out about 350,000 such policies between 1993 and 1996. Nestle USA had
policies on 18,000 workers in 2002, The Wall Street Journal reported.
Enron had $500 million in policies on workers.
Sales of the
policies came to a virtual standstill in September 2003, according to
the insurer trade group ACLI, when the Senate Finance Committee
approved legislation that would have taxed payouts made to companies if
the employee had left more than a year earlier. That indicates that
most policies arent being sold to protect companies financially against
the loss of key current employees.
Strong insurance industry
protests led the powerful committee to reconsider its action. Further
work on the issue has been postponed until 2004, and indications are
that the senators are softening on the idea of greatly restricting the
policies, said Jack Dolan, ACLI spokesman.
Companies insist that
janitors policies have a legitimate business function, but the IRS has
been cracking down, arguing that many of the arrangements are nothing
more than tax shelters. The agency has been particularly harsh on
once-popular leveraged policies, in which policy loans were used to pay
premiums. In the mid-1990s, the tax agency began disallowing billions
of dollars in interest payment deductions the companies had been taking
on such loans. Companies efforts to defend their programs have been
largely unsuccessful; a U.S. Tax Court judge called Winn-Dixies program
a sham, saying it lacked economic substance and business purpose.
The
controversy helped convince Walt Disney and Wal-Mart, among others, to
drop the policies. Winn-Dixie battled the IRS in court, but the
supermarket chain recently lost its final round when the Supreme Court
refused to review a lower court decision that backed the IRS.
So
far, one company has prevailed against the IRS -- Dow Chemical, which
took out the policies on more than 21,000 workers. A U.S. District
Court in the Eastern District of Michigan ordered the IRS to return
$22.2 million plus interest to the company. The IRS has appealed the
ruling.
Survivors lawsuits, meanwhile, typically focus on two issues:
Whether the companies had an insurable interest in their employees lives.
Whether the companies were required to get the employees permission for the policies.
Insurable
interest is usually a big deal for insurers. They want to make sure
whoever is buying life insurance doesnt have an incentive for bumping
off the insured. Insurers usually require purchasers have a strong
familial or emotional connection to the people being insured, or that
they would suffer significant financial losses if the insured people
died.
(Its that latter standard that was loosened in the 1980s,
making it easier for companies to buy policies for all their employees,
not just key executives.)
Most states also have advise and
consent laws that technically require companies to get workers
permission before buying life insurance on them. But attorney Myers
said many businesses circumvent these laws by purchasing the insurance
in one of the states that doesnt require notice or consent, including
Delaware, Georgia, New Jersey, North Carolina, Pennsylvania and Vermont.
"Executives
fly to Atlanta to meet with the insurance company and its brokers, sign
some papers, get on their respective corporate jets and fly home, Myers
said.
Other companies offered their workers small policies --
typically $5,000 to $10,000 -- as an incentive to allow larger
corporate-owned policies to be issued on the workers lives. The small
policies can later be canceled, even if the company keeps up the
premiums on the other insurance.
Anger about these practices
likely will keep the heat on Congress to make some reforms. Its
possible that lawmakers will restrict severely companies ability to
write the policies on rank-and-file workers. At the very least,
companies probably will have to get workers consent before buying any
new policies and clearly disclose that the coverage may extend past the
time they leave the company, the ACLIs Dolan said.
But he rejected the idea that corporate-owned life insurance was immoral or a company bet against its workers.
Its an important business planning tool, Dolan said. Companies are using it for extremely valid reasons.
Liz
Pulliam Weston's column appears every Monday and Thursday, exclusively
on MSN Money. She also answers reader questions in the Your Money message board.
Ha, beste lezertjes jullie denken dat dit een marginaal verschijnsel is
van een paar geflipte CEO's en weirde managers met grijpgrage
vingertjes...
Which employers bought policies on the lives of employees?
Because
a company’s purchase of insurance policies is not a public record, it
is virtually impossible to know every company that invested in policies
on employees’ lives. The following companies, however, are believed to
have been named as the beneficiary of life insurance policies on employees:
We zullen ons nog steeds niet mengen in de grote Vlaamse
zero-tolerancehysterie rond Brussel maar we willen wel onze gram en ons
venijn kwijt over de studentenbezettingen in Nederland. Meer bepaald in
Utrecht. Niet dat de redenen voor de bezetting ons onsympathiek lijken
maar omwille van het dodelijke gebrek aan verbeelding van onze Ollandse
studenten. Ze komen dan al maar eens in de 500 jaar in opstand ginder
in Utrecht en dan heffen ze de bezetting op dank zij een -geeuw-
gemeenschappelijke verklaring met de Universitaire overheid. Daarvoor
moet je echt Ollander zijn en vooral de inhoud is dodelijk saai.
Hiermee mobiliseer je zelfs geen school haringen...lees zelf maar, en
zeggen dat we hier al ettelijke verklaringen hebben gepubliceerd maar
dit is wel de minst fantasierijke aller tijden:
Gemeenschappelijke verklaring Universiteit Utrecht en actievoerende studenten
Na
intensief en constructief overleg tussen een delegatie van de
actievoerende studenten in en rond het Bestuursgebouw van de
Universiteit Utrecht en het college van bestuur, is besloten om een
gemeenschappelijke verklaring af te geven. Partijen zijn het erover
eens:
- dat de onafhankelijkheid van de redactie van een universiteitsblad (al dan niet digitaal) gegarandeerd moet zijn;
- in Utrecht is gekozen voor een nieuwe formule van het Ublad. De
invulling van deze nieuwe formule ligt in handen van redactie,
hoofdredacteur en redactieraad. Consensus hierover tussen hen is
noodzakelijk. De universiteitsraad toetst of consensus is bereikt, niet
de invulling van de formule;
- het college van bestuur heeft toegezegd tweemaal een papieren
uitgave te laten verzorgen door het Ublad. Het college van bestuur
financiert de twee uitgaven (personeel, materieel). De redactie wordt
gevraagd:
* in de eerste uitgave (in februari) het belang van
onafhankelijkheid in de universiteit en het belang van onafhankelijke
journalistiek in de universiteit en ook de gemaakte keuze voor een
nieuwe formule centraal te stellen;
* in de tweede uitgave de start van de nieuwe formule centraal te stellen.
Deze uitgave krijgt een zo groot mogelijk verspreiding onder de Utrechtse studenten en medewerkers.
Verder:
- ongeacht de vorm van een publiek systeem van financiële steun voor
studenten, acht het college van bestuur het een randvoorwaarde dat de
toegankelijkheid voor het Hoger Onderwijs is gewaarborgd en dat deze
toegankelijkheid niet afhankelijk mag zijn van de financiële situatie
van ouders of verzorgers;
- het college van bestuur spreekt uit dat het Hoger Onderwijs van
groot belang is voor de toekomst van Nederland. Het college vindt dat
er extra geïnvesteerd moet worden in het hoger onderwijs en niet
bezuinigd. Het college en de actievoerende studenten zijn het hierover
eens. Het college zal dit standpunt blijven uitdragen;
- het college van bestuur vindt inhoudsvolle medezeggenschap
essentieel voor het functioneren van het bestuur van de universiteit;
dit draagt bij aan de kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Het college
van bestuur en de universiteitsraad zullen in maart in een speciale
bijeenkomst aandacht besteden aan het borgen van inhoudsvolle
medezeggenschap.
Op grond van bovenstaande verklaring hebben de actievoerende
studenten het bestuursgebouw verlaten. Tegen de actievoerende studenten
wordt geen vervolging ingesteld.
"Op
grond van bovenstaande verklaring hebben de actievoerende studenten het
bestuursgebouw verlaten" Tsjonge tsjonge waarschijnlijk zijn deze
"bezetters" zich onmiddellijk gaan melden voor een gepaste
ouderdomsuitkering...
om het leven wat dragelijker te maken en ons groot gelijk nog maar eens te benadrukken vonden we deze info uit Israël:
BRUSSEL - Twee Israëlische officieren krijgen een reprimande omdat ze witte fosfor inzetten in bewoond gebied.
Van onze redacteur
Het
nieuws staat 'weggestopt' in paragraaf 108 van een rapport dat Israël
vrijdag overhandigde aan de VN. Israël geeft daarin toe dat generaal
Eyal Eisenberg en kolonel Ilan Malka op 15 januari 'hun bevoegdheden
overtraden op een manier die het leven van anderen in gevaar bracht'
door wittefosforgranaten in te zetten in een dichtbevolkte wijk van
Gaza-stad. Ze overtraden de gedragsregels van het leger - fosfor mag in
open terrein worden gebruikt om rookgordijnen op te trekken.
Een
loods in Gaza-stad van de VN-organisatie die Palestijnse vluchtelingen
helpt, vloog in brand en Palestijnse burgers liepen brandwonden op. Ook
het ziekenhuis Al-Quds werd getroffen. De reprimande komt in het
dossier van de twee hoge officieren, maar heeft voorlopig geen invloed
op hun carrière.
Het document dat Israël vrijdag
overmaakte, is een reactie op het rapport uit september 2009 van een
VN-onderzoekscommissie die onder leiding stond van de Zuid-Afrikaan
Richard Goldstone. Goldstone besloot dat zowel Israël als Hamas zich
tijdens het conflict schuldig gemaakt had aan oorlogsmisdaden, en
mogelijk ook aan misdaden tegen de menselijkheid. Het rapport
beschrijft onder meer het gebruik van fosfor in de wijk Tel Al Hawa.
De
Algemene Vergadering van de VN keurde op 6 november een resolutie goed
die zowel de Israëli's als de Palestijnen opriep een 'onafhankelijk en
geloofwaardig' onderzoek te voeren naar de aantijgingen.
Secretaris-generaal Ban Ki-moon werd gevraagd na drie maanden verslag
uit te brengen over de mate waarin dat gebeurd is. - mogelijk doet hij
dat vrijdag.
Hamas weigert om nog maar een begin van
een onderzoek te voeren. Maar ook Israël zit in een lastig parket. Het
sabelde onmiddellijk het Goldstone-rapport neer wegens 'bevooroordeeld
en eenzijdig'. De legertop en minister van Defensie Ehud Barak
verzetten zich tegen de oprichting van een onafhankelijke
onderzoekscommissie die bevelhebbers en soldaten zou kunnen
ondervragen. Israël verwijst ook naar zes onderzoekscommissies van het
leger die aantijgingen onderzoeken, wat al geleid heeft tot 36
strafonderzoeken - al zijn voorlopig nog maar twee soldaten
veroordeeld, wegens het stelen van de kredietkaart van een Palestijn.
Sommige
ministers en juridische experts zeggen dan weer dat de Israëlische
regering niet anders kan dan een onafhankelijk onderzoek opzetten, om
een doorverwijzing van het dossier naar de Veiligheidsraad af te
wenden. Israël kan daar weliswaar rekenen op de VS om verder onheil te
voorkomen, maar beseft ook dat Washington daar niet gebrand op is in
zo'n beladen dossier.
Het
is weer eens iets anders dan het gemekker over zero-tolerance omwille
van een paar kalasjnikovschoten op Brusselse politieagenten. Misschien
moesten ze daar op het Brusselse slagveld ook maar best overwegen om
"reprimandes" te geven. In elk geval nemen de Brusselse rechtbanken
best een voorbeeld aan de Israëlische rechtbanken. Daar word je
veroordeeld wegens het stelen van een Palestijnse kredietkaart...een
klein detail dat ze voor dit vergrijp half Gaza hebben moeten
verwoesten... We vonden trouwens de foto van de bestolen Palestijn die zich de haren uit het hoofd rukt omwille van zijn gestolen Visa-kaart...
Beste lezertjes we blijven nog eventjes in de Kempen. Meer bepaald in
de ons reeds reeds bekende streek van Mol en Dessel en om heel precies
te zijn in het Studiecentrum voor kernenergie waarvan jullie hier de
link vinden naar hun website: http://www.sckcen.be/
Hier
op deze site vinden jullie een verwijzing naar een project dat Myrrha
genoemd wordt en dat eveneens beschikt over een website: http://myrrha.sckcen.be/
Het
gaat ons echter niet zo onmiddellijk over de inhoud van dit project
want het is natuurlijk nogal wiedes dat een studiecentrum zich
voornamelijk bezig dient te houden met studies en projecten. Er is
echter iets dat onze aandacht trekt tussen al de info die deze site
vrij verspreidt namelijk een rapport over de haalbaarheid van dit
project Myrrha besteld door de Belgische regering http://myrrha.sckcen.be/en/News/MIRT_report
jullie
moeten maar eens heel goed dit rapport doornemen vanaf P23 waar het
gaat over de financiering van het project. Hieruit blijkt dat de
financiering niet rond is en dat er dus geld moet bijgevonden worden om
dit project te kunnen finaliseren...We gaan deze passages niet zelf
publiceren jullie moeten maar naar p23 zelf surfen en ook de conclusies
lezen. MAAR doortrapt en slecht als we zijn leggen wij wel een
linkje naar één van onze vorige vaststellingne over de federale
bijdrage elektriciteit waarin we vaststelden dat dus het gedeelte voor
de ontmanteling van Mol-Dessel - weet je nog de fameuse BP1 en BP2- op
een paar jaar meer dan verdubbeld was. En dat was zonder erg veel
uitleg gebeurd. Wij zijn dus wegens de erg weinig transparante
informatie over dit soort verhogingen nogal geneigd te geloven dat via
dergelijke onverklaarbare stijging van dit onderdeeltje van de federale
bijdrage het financieringsprobleem van het Myrrhaproject is
opgelost....Tenzij men ons hier komt uitleggen waarvoor deze bijdrage
zo drastisch moest verhoogd worden blijven we dus zo slecht van
karakter door te geloven dat de elektriciteitsverbruiker tenslotte
opdraait voor een gedeelte van deze financiering...wie ontkent? En op
basis van welke argumenten?
Nog een kleine info: de burgemeester
van Dessel waar dat ongelooflijke themapark zal komen is onze
collega-blogger Kris Van Dijck en tevens Vlaams perlementslid voor de
N-VA. Het is één van de betere politieke blogs bij bloggen. Net
taalgebruik maar het zal onze lezertjes toch nauwelijks verwonderen dat
we weinig van zijn ideeën kunnen delen. Dat hoeft nnatuurlijk ook niet.
Maar we herinneren ons niet dat we iets lazen over ons geliefkoosde
themapark. Des te meer natuurlijk over franstalige politici, Brusselse
criminaliteit en Belgische onbestuurbaarheid. Dus een kleine hint aan
onze collega Krishttp://www.bloggen.be/krisvandijck/archief.php?startdatum=1264978800&stopdatum=1265583600
: we zouden graag wat info hebben over dat themapark en misschien kan
hij ons de wonderlijke verhoging van de federale bijdrage voor BP1 en
BP2 wat nader verklaren....
Nucleair toerisme in Vlaanderen, een radioactief themapark....
Dus beste vrienden jullie kennen nu de historiek van de opkuis van Mol-Dessel BP1 en BP2...
Wij halen toch nog een kleine passage uit de memoires van onze
kabinetschef die zichzelf toch zo geweldig slim vindt dat ze de
financiering hebben rondgekregen van de opkuis van het fameuse nucleair
kerkhof: Lees vooral aandachtig met ons mee:
De financiering van de sanering van BP1 gebeurde tot nu toe door de Belgische Staat, door de
belastingbetaler dus. De sanering van BP2 werd betaald door Electrabel, die de kosten ervan
mocht doorrekenen aan de elektriciteitsconsument. Liberalen en socialisten wilden net als wij
een degelijke en definitieve oplossing. De regering legde daarom bij wet vast dat de sanering
zou gebeuren op kosten van de elektriciteitsconsument, via een heffing op het transport van
elektriciteit. Voor de sanering van BP2 veranderde er voor de consument dus niets: hij
betaalde vroeger via zijn elektriciteitsfactuur en hij bleef betalen via zijn elektriciteitsfactuur.
Maar de sp.a vond dat Electrabel er nogal goedkoop vanaf kwam. Ze eisten dat de sanering
van BP1 niet meer door de Staat, maar eveneens door de elektriciteitsconsument zou betaald
worden via de nieuwe heffing. Wij stemden in. De liberalen lieten passeren. De sanering van
deze twee passiva is bijgevolg gegarandeerd.
Hebben
jullie ook de geweldige logica opgemerkt van zowel de rooie broeders
van de sp.a als van onze groene vrienden? Vroeger betaalde de
belastingbetaler en nu de electriciteitsverbruiker of hoe men dus een
verkapte belasting invoert en het strafste van alles is de ongelooflijk
handige truc door te zeggen dat Electrabel er zo wel erg goedkoop vanaf
kwam en vervolgens te eisen dat de sanering van BP1 niet meer door de
staat maar eveneens door de electriciteitsconsument zou betaald
worden....snappen jullie hiervan de logica? Wie komt er hier nu erg
goedkoop vanaf? Herlees nog maar eens maar volgens ons kippenverstand
is de consument wel degelijk de dupe en wordt Electrabel dus uit de
wind gezet. Gelieve de verdedigers van de kleine man hiervoor
uitgebreid te bedanken! Maar toegegeven dit zijn wel erg handige
trucs. Men bekritiseert eerst Electrabel die niks meer betaalt en eist
vervolgens dat de consument en niet de staat opdraait voor de
kosten...chapeau! Maar gelieve op deze partijen dus niet meer te
stemmen. Want roepen en tieren dat de vervuiler moet betalen en
vervolgens de verbruiker laten betalen is wel erg ver naast de pot pissen!
Maar we zijn er dus nog bijlange niet want wat blijkt nu? Er
is dus een probleem met de opslag van radioactief afval. En er is dus
uiteindelijk gekozen voor de opslag in de Kempense kleilagen maar nu
volgt een vrij hallucinant verhaal zoals we dat enkel en alleen kunnen
meemaken in Belgistan... Blijkbaar is men van plan bij de
stockeringsplaats van het radioactief afval en dus in de nabijheid van
ons nucleair kerkhof dat nog tot 2020 volop gesaneerd wordt met onze
sollen EEN COMMUNICATIECENTRUM TE BOUWEN!
Jullie geloven ons
natuurlijk niet en dat kunnen we maar al te goed begrijpen...helaas
beste lezertjes lees nog maar eens met ons mee en deze keer is het een
mooie brochure die we opdiepen met de ronkende titel -je gelooft ons
nauwelijks-: "Een communicatiecentrum als onderdeel van het
geïntegreerd bergingsproject in Dessel" Bewonder vooral het enthousiasmerende taalgebruik!
Dit is de html-versie van het bestand http://www.bailleul.be/?action=doc&doc=318. G o o g l e maakt automatisch een html-versie van documenten bij het indexeren van het web.
Is dat nu gen prachtig initiatief? Wij vallen haast om van verbaasde bewondering voor zoveel initiatief! Wat vinden jullie d'r van. Wij kijken nu reeds reikhalzend uit om te gaan wandelen in zulke attractieve omgeving met kindjes en hondjes. Gedaan de uitstappen naar Hofstade of de Efteling en Plopsaland. Binnenkort allen naar Dessel!
We zouden het vandaag, zoals iedereen, kunnen hebben over
zero-tolerance in Brussel. Niet dat wij bewonderaars zijn van
onnozelaars die menen te moeten rondlopen met kalshnikovs maar termen
zoals zero-tolerance zijn, beste lezertjes, zeer modieuse uitdrukkingen
maar meestal zijn ze zo hol dan de kop van diegene die ze hanteert. Vaak verschillen al de profeten van dit soort aanpak wel grondig van
mening over de concrete invulling en dus laten we het zaakje wat
bekoelen en dan zien we wel...
Wij gaan vandaag netjes verder
met een onderwerp dat ons mateloos heeft geïntrigeerd bij de
behandeling van ons vorige dossiertje over de federale bijdrage.
Jullie herinneren zich waarschijnlijk de denuclearisatie van Mol Dessel
die gefinancierd wordt door een deel van de federale bijdrage op de
elektriciteitsfactuur. We gingen dus verder neuzen en hier hebben
jullie de historiek van deze bijdrage waarmee we vandaag beginnen.
Morgen gaan we dan weer een stapje verder maar hoe? Dat zien jullie dan
wel. Eerst een woordje over ons eigen nucleair kerkhof waar jullie centjes naar toe gaan...altijd mooi om te weten
Hier
hebben jullie een document dat werd opgesteld door Luc barbé die in nog
niet zo erg vervlogen tijden kabinetschef was van onze Ecolo-minister
Olivier Deleuze...lezen jullie mee want dit is interessant...
4. DE NACHTMERRIE VAN HET NUCLEAIRE AFVAL INLEIDING Dé Achillespees van de nucleaire sector is het nucleaire afval. Vertel aan je kinderen dat je al meer dan 40 jaar hoogradioactief kernafval produceert, dat het honderdduizenden jaren radioactief zal blijven en je geen flauw benul hebt wat ermee te doen. Vertel aan de Vlamingen, Walen en Brusselaars dat ze de volgende jaren nog 750 miljoen euro zullen moeten betalen om een nucleair stort op te kuisen in de Kempen, terwijl het bestaan van dat stort niet hun schuld was, maar de schuld van politici en bedrijfsleiders in de jaren zestig en zeventig. Ethiek. Het is een kwestie van ethiek. Dit doe je niet. Zo’n erfenis laat je je kinderen niet na. Heeft een samenleving ooit zo’n grote facturen doorgeschoven naar volgende generaties? Heeft één generatie ooit zo’n impact gehad op honderden, ja, duizenden generaties na haar? In het begin was het nucleair afval voor de sector gewoon geen issue. Dat kunnen we ons nu niet meer voorstellen, maar het lag gewoon buiten hun gezichtsveld. Neem nu het rapport van regeringscommissaris voor atoomenergie Jacques Errera over kernenergie in ons land in de periode 1960-1962. Het beschrijft 134 bladzijden lang de ontwikkelingen in de sector, het wetenschappelijk onderzoek en de bouw van de eerste kerninstallaties bij het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK). De commissaris geeft in detail alle mogelijke gegevens over wetenschappelijk onderzoek, de subsidies voor het SCK per jaar, de samenstelling van een hele reeks commissies en werkgroepen en noem maar op. Het rapport is echt een schitterend werkstuk. Eén zwak punt: De problematiek van het kernafval is goed voor één paragraaf van 24 (!) regels. Die passage bevat dan nog geen woord over de problemen met het nucleair afval. Er wordt alleen bericht over de interessante vooruitgang in het wetenschappelijk onderzoek. De commissaris gaat dapper door in zijn volgende rapport dat de periode 1963-67 beschrijft: van de 157 bladzijden wordt er een halve bladzijde aan afvalbehandeling gewijd. Hierbij geen woord over de problemen en niet beantwoorde vragen, nog steeds enkel hoerageroep over de vorderingen in het wetenschappelijk onderzoek. Deze twee rapporten zijn zeer illustratief. In die periode hadden overheden en bedrijven nauwelijks aandacht voor de risico’s van hun activiteiten voor de volgende generaties. Het was gewoon geen issue. Hun ethisch inlevingsvermogen was pijnlijk begrensd. Een ander aspect van de kernsector kreeg daarentegen wel veel aandacht, namelijk de financiële risico’s voor de privé-sector die in de kernsector investeert. Stel dat er een ongeluk gebeurt. Wie gaat de misschien wel gigantische factuur betalen? Geen enkele verzekeringsmaatschappij wou kernreactoren, zelfs niet de kleine onderzoeksreactoren bij het SCK, verzekeren. Dat probleem stelde zich uiteraard in alle landen die zich lanceren in de kernindustrie. Er werden hierover verbluffend snel internationale verdragen gesloten: de Overeenkomst van Parijs van 29 juli 1960 en de Overeenkomst van Brussel van 31 januari 1963. Samengevat komen ze hierop neer: als een ongeluk ten gevolge van het gebruik van kernenergie schade veroorzaakt, dan hoeft degene die verantwoordelijk is niet alle schade te vergoeden. De verantwoordelijkheid van de exploitanten wordt beperkt of geplafonneerd. Als de schade hoger is dan dat plafond, springt de Staat bij. Anders gezegd: het risico van de nucleaire activiteiten werd grotendeels afgewenteld op omwonenden en de belastingbetaler. Ondertussen zijn die verdragen herhaaldelijk gewijzigd, maar dat basisprincipe staat nog overeind en de sector geniet nog altijd van een uniek voorkeursregime waarbij hij een deel van het risico niet zelf moet dragen. Het zegt uiteraard bijzonder veel over de prioriteiten van de politieke klasse dat ze reeds in 1960 dit probleem regelde. In tegenstelling tot de financiële risico’s voor de privé-sector, kregen de risico’s van het nucleaire afval voor mens en milieu nauwelijks aandacht. Wat rampenplanning betrof, was het niet veel beter. In maart 1976 wees een commissie ingesteld door de minister voor economische zaken, de Commissie van Beraad inzake Kernenergie, al op de noodzaak meer te investeren in rampenplanning. Zonder effect. Na het ongeluk in Harrisburg in 1979 stelde de regering een werkgroep aan om de veiligheid van de centrales onder de loep te nemen. Eén van de aanbevelingen was dat er snel veiligheidsplannen moesten komen. Er gebeurde niets. Zeven jaar later deed de ramp in Tsjernobyl de Wetstraat opschrikken. Er kwam een onderzoekscommissie in de Senaat die in 1988 wees op het ontbreken van een goede noodplanning in ons land. Pas twee jaar later volgde er een eerste globaal nucleair noodplan. Dat was dus veertien jaar na de eerste aanbeveling van een officiële commissie. First things first. De eerste decennia van het nucleaire tijdperk was er dus gewoon geen beleid inzake nucleair afval. Een koninklijk besluit uit 1963 verplichtte de producenten van nucleair afval de nodige maatregelen te nemen om de werknemers en de bevolking te beschermen. Een instelling bevoegd voor nucleair afval, normen en regels inzake verwerking en opslag, het bestond allemaal niet. Het werd overgelaten aan de betrokken bedrijven. Het SCK speelde gedurende vele jaren de vergaarbak van nucleair afval. Het verwerkte afval, stockeerde het of dumpte het in zee. In het volgende decennium begon de problematiek van het kernafval ietsje meer aandacht te krijgen. In maart 1976 publiceerde de “Commissie van Beraad inzake Kernenergie”, opgericht door minister van economische zaken André Oleffe, haar eindrapport over de stand van zaken inzake kernenergie. Over kernafval was de commissie zeer duidelijk: “Het ontbreken van een definitieve oplossing voor hoogactieve afvalstoffen vormt een ernstig actueel probleem voor de ontwikkeling van kernenergie; het zal een krachtige rem zijn indien er binnen enkele jaren geen voldoende veilige oplossing voor zal zijn gevonden.” Dat was in 1976. Nu, 29 jaar later, staat de sector ondanks vele tientallen miljoenen euro’s voor wetenschappelijk onderzoek geen stap dichter bij een oplossing voor nucleair afval. Toen het kabinet Deleuze in juli ’99 startte was het nucleair afval dan ook een prioriteit. Olivier Deleuze had twee grote bekommernissen: hij wou maximaal risico’s bij het beheer van het nucleair afval vermijden en garanderen dat de samenleving morgen en overmogen voldoende geld zou hebben om het afval te beheren. De twee grote dossiers van het kabinet Deleuze waren de sanering van het oude nucleaire kerkhof in Mol-Dessel en de financiering van de afbraak van de kerncentrales. Dan was er ook de financieringstechniek van het zogenaamde “Fonds op Lange Termijn”. Begin 2003 kregen we van NIRAS de eerste “inventaris van nucleaire passiva”, een volgens NIRAS “vertrouwelijk” document, dat ik hier ook toelicht. Helemaal op het einde van de legislatuur dook er een dossier op waarop Olivier Deleuze bijna zijn nek brak: een mislukte financiële operatie met geld voor de berging van nucleair afval door een overheidsinstelling. Dat licht ik toe op het einde van dit hoofdstuk. De radioactieve vervuiling van Umicore in Olen ten gevolge van de productie van radium en uraniumoxide, hoe belangrijk ook, behandel ik hier niet. Het zou ons te ver leiden. Ik wil vooreerst twee technische begrippen toelichten: “provisies” en “nucleair passief”. Ik geef een voorbeeld. Stel dat je in 1970 een kerncentrale bouwt om die 40 jaar te laten draaien. Je sluit de centrale dus in 2010. Je wacht enkele jaren tot ze “afgekoeld” is en laat ze dan afbreken. Die afbraak, en vooral de behandeling en berging van het nucleair afval, zal handenvol geld kosten. Je krijgt dus op dat moment als bedrijf heel zware facturen te betalen. Hoe kan je er nu voor zorgen dat je op dat moment het nodige geld hebt? Door “provisies” aan te leggen, een spaarpotje zeg maar. Je legt bijv. vanaf 1970 elk jaar een beetje geld opzij, en dat gedurende veertig jaar, zodat je na 2010 voldoende geld hebt voor de afbraak. Het is een bekende techniek (die trouwens ook in andere dossiers wordt toegepast, bijv. in de pensioensector). Wie in de kernsector werkt, moet dus provisies aanleggen. Wie dat niet doet, zal op een zeker moment geen of niet voldoende geld voor de opkuis hebben. Dan spreekt men van een “nucleair passief”: er is geld nodig voor de opkuis, maar dat geld is er niet. Radioactief afval wordt ingedeeld in drie categorieën. Afval van categorie A omvat laag- en middelactief afval met een korte halveringstijd. Afval van categorie B omvat laag- en middelactief afval dat besmet is met radioactieve stoffen met een lange halveringstijd in concentraties die te groot zijn voor categorie A, maar dit afval brengt te weinig warmte voort om deel uit te maken van categorie C. Het afval van categorie C groepeert al het hoogactief afval, dat grote hoeveelheden radioactieve stoffen met een lange halveringstijd bevat. Door zijn hoge activiteit geeft het grootste deel van dit afval veel warmte af. Simpel gezegd: afval van categorie A is het minst erg, B is erger en C stelt onoverzichtelijke problemen. Om het boek leesbaar te houden gebruik ik verder de term “laagradioactief afval” voor afval van categorie A en “hoogradioactief afval” voor afval van categorie C. Eerst het oude nucleaire kerkhof in Mol-Dessel, de zogenaamde dossiers BP1-BP2, een deel van onze “ecologische schuld”. Het dossier BP1 was een heel trieste illustratie van de verkeerde keuzes van de nucleaire sector. In de jaren zestig richtte een internationaal consortium van dertien OESO-landen in partnerschap met de privé-sector in Dessel “EUROCHEMIC” op, een “opwerkingsfabriek”. Dat is een fabriek om gebruikte kernbrandstof te behandelen om er nieuwe kernbrandstof van te maken. Voor de echte nucleofielen was dat het neusje van de zalm en de definitieve stap naar een samenleving met eindeloos veel energie tot in de eeuwigheid. Koning Boudewijn kwam persoonlijk in 1966 het bedrijf openen. EUROCHEMIC kon de verwachtingen echter niet inlossen. Het bedrijf sloot na acht jaar, in 1974, al de deuren. Frankrijk en Groot-Brittanië gingen weliswaar door met de opwerking van nucleaire brandstof, maar met als prijs een gigantische milieuvervuiling. De gesloten opwerkingsfabriek in Dessel was een verschrikkelijk nucleair kerkhof: gebouwen en terreinen zaten boordevol radioactiviteit, met onder meer het zeer gevaarlijke plutonium. De landen betrokken bij het project schoven de zwarte piet door naar de Belgische regering. Die sloot een akkoord met de Belgische elektriciteitssector om de fabriek eventueel terug op te starten, maar de privé-sector trok zich uiteindelijk terug. De Belgische Staat bleef volledig alleen achter met de erfenis. Ze kreeg van het internationaal consortium wel nog 650 miljoen oude Belgische franken voor de sanering, maar die zou veel meer kosten: meer dan 24 miljard oude Belgische franken. Dossier BP2 heette officieel de “ex-Waste-installaties” van het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK). Het SCK had zelf gedurende vele jaren nucleair afval zowel van eigen productie als van derden opgeslagen en behandeld, maar dit op een zeer slordige manier, met zware nucleaire vervuiling tot gevolg. Grote hoeveelheden hoogradioactief afval waren zeer onzorgvuldig opgeslagen. Provisies om de kosten van de sanering te betalen waren er nauwelijks. Opnieuw een nucleair passief dus. Op het einde van het jaar 2000 was al ongeveer 260 miljoen euro uitgegeven aan de sanering van BP1 en BP2 (10,6 miljard Belgische frank). De kosten om de sanering te voltooien, werden toen geraamd op een bijkomend bedrag van 750 miljoen euro (30 miljard Belgische frank). De sanering van BP1 zou tegen 2007 rond zijn, die van BP2 tegen 2020. In het najaar van 1999 belandde dit dossier bij Olivier Deleuze. Tot 2000 was de financiering van de sanering van BP1 en BP2 gegarandeerd via “conventies” met Electrabel. De techniek van conventies was de regel in de energiesector. In plaats van wetten en koninklijke besluiten te gebruiken om aan politiek te doen, sloot de overheid in alle discretie conventies met de privé-sector (Electrabel, Distrigas etc). Met een wet kan je eenzijdig iemand een verplichting opleggen, zonder dat je het akkoord van alle betrokkenen nodig hebt. Om een conventie af te sluiten, moet iedereen akkoord gaan. Anders gezegd: via de techniek van conventies hadden de Belgische politici al jaren veel macht uit handen gegeven aan de privé. We kregen van de administratie te horen dat de vorige energieministers de dossiers BP1 en BP1 hadden laten liggen en dat we maar een paar maanden hadden om een nieuwe financieringsregeling uit te werken voor de periode na 2000. Anders zou de sanering van de nucleaire vuilnisbelt in de Kempen stilvallen. Wat ethisch onverantwoord zou zijn en politiek een lastig dossier zou worden. “Groene staatssecretaris heeft geen geld voor sanering nucleair afval”, zou het heten in de krant. Deleuze en ik wilden van die conventies af. We probeerden in al onze dossiers te werken met wetten en besluiten, zoals in alle andere sectoren. In dit dossier lukte dit vrij vlot. De financiering van de sanering van BP1 gebeurde tot nu toe door de Belgische Staat, door de belastingbetaler dus. De sanering van BP2 werd betaald door Electrabel, die de kosten ervan mocht doorrekenen aan de elektriciteitsconsument. Liberalen en socialisten wilden net als wij een degelijke en definitieve oplossing. De regering legde daarom bij wet vast dat de sanering zou gebeuren op kosten van de elektriciteitsconsument, via een heffing op het transport van elektriciteit. Voor de sanering van BP2 veranderde er voor de consument dus niets: hij betaalde vroeger via zijn elektriciteitsfactuur en hij bleef betalen via zijn elektriciteitsfactuur. Maar de sp.a vond dat Electrabel er nogal goedkoop vanaf kwam. Ze eisten dat de sanering van BP1 niet meer door de Staat, maar eveneens door de elektriciteitsconsument zou betaald worden via de nieuwe heffing. Wij stemden in. De liberalen lieten passeren. De sanering van deze twee passiva is bijgevolg gegarandeerd. De regeling die onder paarsgroen tot stand kwam heeft als voordeel dat de sanering van het nucleaire kerkhof in Mol-Dessel kan afgewerkt worden en dat de overheid hiervoor niet meer gebonden is aan de privé via conventies. Maar er blijft een wrange nasmaak. Want de elektriciteitsconsumenten, zowel gezinnen als bedrijven, zullen de volgende jaren nog een 750 miljoen euro gaan betalen voor de opkuis van één van de grootste nucleaire vuilnisbelten van Europa, een erfenis ten gevolge van dramatische vergissingen in de nucleaire sector van zowel de privé-sector als de overheid. DE INVENTARIS VAN DE NUCLEAIRE SITES: STAATSGEHEIM! Het dossier BP1/BP2 doet uiteraard de vraag rijzen hoe we zo’n situaties in de toekomst kunnen vermijden. Hoe kunnen we voorkomen dat we straks een nieuw nucleair passief hebben, dat naar de burger wordt doorgeschoven? Hoe vermijden we dat onze ecologische schuld nog stijgt? De regering Dehaene had zich die vraag ook gesteld en een antwoord geformuleerd: via de programmawet van 12 december ‘97 kreeg NIRAS de opdracht om een inventaris op te stellen van alle nucleaire installaties en sites op Belgisch grondgebied die radioactieve stoffen bevatten. De wet sprak van een “inventaris van de nucleaire passiva”. In die inventaris moet NIRAS ook meedelen hoe het zit met de “toereikendheid” en “beschikbaarheid” van de provisies voor de financiering van de opkuis in de toekomst. Toereikendheid gaat over de vraag of er genoeg geld voor de opkuis opzij gezet is, beschikbaarheid slaat op de vraag of er waarborgen zijn dat het geld morgen ook op tafel zal liggen. Kan het bijv. door een faillissement van de onderneming plots verdwijnen? NIRAS moet volgens de wet aan de regering om de vijf jaar zeggen of de bedrijven en instellingen in de nucleaire sector wel genoeg geld opzij gelegd hebben om later hun site op te kuisen en hoe het zit met de beschikbaarheid. De wet bepaalt ook dat de bevoegde minister of staatssecretaris op basis van die inventaris “corrigerende maatregelen” kan vragen aan een bedrijf of instelling. Stel dat uit de inventaris blijkt dat een bepaald bedrijf niet genoeg provisies voor de sanering van een nucleaire site heeft aangelegd, dan kan de minister of staatssecretaris vragen dat er extra provisies worden aangelegd, zodat er in de toekomst geen nieuw nucleair passief kan ontstaan. Het opmaken van de eerste inventaris vergde van NIRAS enorm veel werk. Er bestond in 1997 in ons land geen volledige inventaris van alle nucleaire installaties. De overheidsinstelling die waakt over de nucleaire veiligheid, het FANC, had eigenlijk over een inventaris moeten beschikken. Maar het FANC kwam maar zeer traag op gang en beschikte niet over zo’n document. NIRAS moest zelf aan de slag gaan. Op 27 januari 2003 overhandigde NIRAS de eerste inventaris aan Olivier Deleuze. Als we de start van de reactor BR1 van het SCK in 1956 als startpunt van het nucleaire tijdperk in België nemen, heeft het dus 47 jaar geduurd vooraleer ons land een inventaris van alle nucleaire activiteiten had. Wat nog maar eens bewees dat de politici en bedrijfsleiders die België in het nucleaire tijdperk loodsten, totaal geen verantwoordelijkheid hadden. Vóór Olivier Deleuze de inventaris kreeg, was er binnen NIRAS een hartig woordje gepraat over “de status” van het document. Eind 2002 was een eerste ontwerp van de inventaris klaar. De voorzitter van NIRAS beschouwde dit document als vertrouwelijk. In de juridische betekenis van het woord wel te verstaan. De wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen bepaalt dat “vertrouwelijke” documenten enkel kunnen ingezien worden door mensen met een “veiligheidsmachtiging”. Die machtiging krijg je van een speciale overheidsdienst na een onderzoek door de staatsveiligheid. De voorzitter van NIRAS deelde in het voorjaar van 2002 aan de leden van de raad van bestuur die het document wilden inzien mee dat ze zo’n veiligheidsmachtiging dienden aan te vragen. Hijzelf en de directeur-generaal van NIRAS hadden zo’n machtiging. Enkele leden van de raad van bestuur vroegen er één aan, maar de procedure sleepte aan. Toen het document uiteindelijk op de raad van bestuur moest worden voorgelegd, had buiten de voorzitter en de directeurgeneraal niemand een veiligheidsmachtiging. De raad van bestuur besliste om vertrouwen te schenken aan de voorzitter en de directeur-generaal en stemde ermee in om het document zonder het ingezien te hebben, door te zenden naar de staatssecretaris. Ik vond dat NIRAS de wetgeving verkeerd interpreteerde. Waarom was het volledige document vertrouwelijk? Mocht de bevolking niet weten hoeveel nucleaire materialen er op de Belgische nucleaire sites lagen? Dat is toch een kwestie van openbaarheid van bestuur. Bovendien vind je de meeste gegevens, tenzij die van Belgonucleaire en FBFC, mits een beetje zoeken op het internet. Als je omwille van veiligheidsoverwegingen de gegevens over plutonium en andere delicate zaken vertrouwelijk wil houden, dan kan je, zoals nog gebeurt bij publicatie van overheidsdocumenten, twee versies maken: één volledig document voor de regering en één voor het grote publiek waarin een aantal zaken geschrapt zijn. Het document zou ook financieel-economische gegevens bevatten over de provisies die de bedrijven hadden aangelegd. Maar die gegevens vind je gewoon in de balans van de bedrijven en die balans is ook een openbaar document. NIRAS bestempelde het document als vertrouwelijk, punt uit! Misschien vreesde de voorzitter dat de pers en de publieke opinie zouden schrikken als alle informatie over nucleaire sites, afval en provisies plots zou opduiken in één document en dat het document koren zou zijn op de molen van de tegenstanders van kernenergie? Olivier Deleuze en ik hebben er geen gevecht rond gevoerd en aanvaard dat het document vertrouwelijk was. Achteraf bekeken was het een vergissing, want de bevolking heeft toch het recht om te weten wat er in de sector gebeurt. Kon Olivier Deleuze het document wel inkijken? Hij had immers geen veiligheidsmachtiging. Neen, dat zou al te gek zijn. De kwestie was gelukkig al geregeld in september 2002. Ministers en staatssecretarissen konden een document tekenen waarin ze verklaarden vertrouwelijke en geheime documenten niet te zullen verspreiden, wat hen automatisch recht gaf op een veiligheidsmachtiging. Olivier Deleuze had dat ook gedaan en kon dus de NIRASinventaris inkijken. De grote besluiten van de inventaris zijn wel publiek en kan je lezen op de website van NIRAS. Wat je niet op de website van NIRAS leest, is dat de inventaris problemen signaleert bij de twee grote Belgische bedrijven in de kernbrandstofsector, Belgonucleaire en FBFC. Olivier Deleuze sprak me er heel bezorgd over aan. “Luc, NIRAS garandeert me niet zwart op wit dat die twee bedrijven genoeg geld hebben om later hun sites op te kuisen en dat dat geld beschikbaar zal zijn. We mogen absoluut niet het risico nemen dat de samenleving straks met nieuwe nucleaire passiva geconfronteerd wordt. Uiteindelijk is het toch altijd de belastingbetaler die de factuur betaalt. En Belgonucleaire maakt MOX, en MOX dat betekent plutonium! Geen risico’s hier. Schrijf onmiddellijk naar die twee en vraag corrigerende maatregelen, kopie aan NIRAS en nodig NIRAS voor een gesprek uit. Zeg hen dat dit absoluut prioritair is.” Zo gezegd, zo gedaan. We maanden de twee bedrijven aan om de situatie recht te zetten. NIRAS nam het dossier prioritair op. We naderden toen de verkiezingscampagne 2003 en hebben het dossier niet kunnen afwerken. In de nucleaire sector duurt het altijd vele maanden eer je een stap verder zet. We wisten dat we het dossier niet meer rond zouden krijgen, maar hadden onze job gedaan. Het was aan onze opvolgers om erover te waken dat Belgonucleaire en FBFC deden wat hun opgedragen was. Een parlementaire vraag van Ecolo in 2004 leerde echter dat de dossiers na een jaar nog steeds niet afgehandeld waren. DE WET OP DE KERNPROVISIES Naast het dossier in verband met de sanering van de nucleaire erfenis was er een tweede groot dossier: de financiering van de afbraak van de kerncentrales en het beheer en de opslag van het kernafval dat daaruit voort zou komen, inclusief de gebruikte kernbrandstof. De uitdaging was dubbel: - er zal voor die afbraak en sanering genoeg geld moeten zijn. Er moeten dus voldoende provisies worden aangelegd. - het zal ook beschikbaar moeten zijn. Stel dat Electrabel in 2014 failliet gaat, dan kunnen al die provisies in het faillissement verdwijnen en is er een gigantisch nieuw nucleair passief. De factuur ervan zou naar de gewone man in de straat doorgeschoven worden en dat moet uiteraard absoluut vermeden worden. Ik wil enkele cijfers en data geven over de afbraak van de kerncentrales. In 2015 worden de kernreactoren Doel 1, Doel 2 en Tihange 1 stilgelegd. Dan wordt er vijf jaar gewacht, zodat de radioactiviteit in de reactor kan afnemen. Dan volgt een periode van tien jaar om de kern van de reactor en de gebouwen errond te ontmantelen. Voor deze drie reactoren zou de klus dus tegen 2030 geklaard moeten zijn. Voor de jongste kernreactoren, Tihange 3 en Doel 4, tegen 2040. De verbruikte kernbrandstof moet echter nog minstens 50 jaar opgeslagen worden voor ze kan worden geborgen, het kan ook 60 tot 70 jaar en meer zijn. De kernbrandstof die in Doel 4 in 2025 nog bestraald wordt, kan dus, ten vroegste, vanaf 2075 geborgen worden, maar het kan dus ook 2100 worden. Hoe zat het nu met het toezicht op de provisies voor de ontmanteling van onze kerncentrales? Bij de start van de paarsgroene regering stelden Olivier Deleuze en ik vast dat ook deze kwestie niet wettelijk geregeld was. Een onderzoekscommissie van de Senaat had nochtans al in 1991 aanbevolen dringend een regeling te treffen. Acht jaar later was er nog niets gebeurd. De oudste drie kernreactoren van Electrabel waren ondertussen al 24 jaar in bedrijf. Electrabel had wel provisies aangelegd, zo’n 2,5 miljard euro. Om dat bedrag even te situeren: dat is bijna evenveel als de waarde van het grootste Belgische pensioenspaarfonds (Star Fund van ING) en meer dan de pensioenfondsen van KBC en Suez-Tractebel samen. Over het toezicht op die provisies was er echter geen wettelijke regeling, enkel een conventie – weeral! – tussen Electrabel en het Controlecomité voor Elektriciteit en het Gas. De conventie sloeg bovendien niet op alle provisies en checkte de beschikbaarheid van de provisies niet. Bovendien zou het Controlecomité straks opgedoekt worden. Dan zou zelfs dat beetje toezicht op de provisies verdwenen zijn. We vreesden niet dat Electrabel niet voldoende provisies had aangelegd, want die werden toch doorgerekend in de elektriciteitstarieven. De belangrijkste zorg was de beschikbaarheid van de provisies: zouden die provisies er in 2020, 2030 of 2040 wel nog zijn? We wilden niet wachten op de inventaris van NIRAS die pas begin 2003 klaar zou zijn, want dan zouden we toch geen tijd meer hebben om nog iets structureel te doen. In mei 2003 waren er namelijk verkiezingen. We wilden parallel met het werk van NIRAS het probleem aanpakken. Electrabel zag zelf ook in dat de situatie onhoudbaar was. Zolang Electrabel een feitelijk monopolie had in de elektriciteitsmarkt, waren er niet zoveel risico’s. Maar Europa had beslist om de elektriciteitsmarkt open te gooien. Electrabel groeide snel uit tot een Europese speler, wat voor extra kansen zorgde, maar ook voor nieuwe risico’s. Dus moest er een sluitende regeling komen. De financiële markten vroegen trouwens aan Suez, feitelijke referentieaandeelhouder van Electrabel, om een duidelijke regeling van het statuut van de provisies. “Ik geef gerust toe, mijnheer de kabinetschef”, zei de directeur strategie van Electrabel, “dat de huidige regeling inzake nucleaire provisies niet meer houdbaar is. De situatie is totaal veranderd. We gaan in versneld tempo naar een Europese elektriciteitsmarkt. Een duidelijke regeling inzake de provisies is ook in ons belang.” Het was 22 juni 2001. De directeur strategie van Electrabel en ik vergaderden voor ons zoveelste dossier. We kenden elkaar ondertussen goed. Er waren zeer weinig rituelen nodig om tot de kern van de zaak te komen. “Mijn voorstel is simpel”, zei ik. “Zoals in andere landen zouden deze provisies bij een overheidsinstelling geparkeerd moeten worden. De Staat kan nooit failliet gaan, een privébedrijf wel. We kunnen geen enkel risico nemen inzake dit dossier. Opnieuw een nucleair passief binnen enkele jaren en de overheid of de belastingbetaler opzadelen met de factuur van de afbraak van de kerncentrales? Ik mag er niet aan denken.” “Die piste is bespreekbaar”, kreeg ik als antwoord, “maar dan moet de Staat er ook de verantwoordelijkheid voor de afbraak van onze kerncentrales en de sanering van de sites bij nemen. Wie de lusten heeft, draagt de lasten: wie de provisies heeft, draagt de verantwoordelijkheid.” Tja, daar had hij een punt. Bovendien wist ik dat de liberalen hun standpunt 100% zouden steunen en het dus politiek onhaalbaar zou zijn om de provisies naar de Staat over te hevelen. Het zou een verloren gevecht zijn. De directeur strategie van Electrabel stelde een tussenoplossing voor. Een ingewikkelde constructie waarbij de provisies bij Electrabel bleven, maar de Staat wel toezicht zou kunnen houden. Zo zouden wij de garantie kunnen hebben dat er genoeg provisies zouden zijn en dat ze later beschikbaar zouden zijn. De piste leek me interessant, tot ik te horen kreeg dat dit alles in een... conventie moest worden gegoten! Daar gingen we weer. Terwijl Deleuze en ik ons moeizaam en stap voor stap bevrijdden van de conventies die onze voorgangers gesloten hadden, kreeg ik er nu een nieuwe voorgeschoteld. Zijn advocatenbureau had al een gedetailleerde conventie uitgeschreven, met looptijd tot 2037!! Onaanvaardbaar voor ons. Een document tekenen dat de volgende regeringen en parlementen bindt tot 2037? Krankjorum. Maar ik deed de deur niet dicht. “Gezien de techniciteit van het dossier lijkt het me interessant dat jouw en mijn advocaat het dossier eerst bestuderen en dat we in een volgende vergadering bekijken waar we staan.“ We hadden een prima advocaat voor dit dossier. Anders was het niet gelukt. De administratie energie had wel bekwame mensen, maar niet in deze materie: credit ratings, algemene voorrechten op roerende goederen en negative pledge clausule..., dat was hun specialiteit niet. Hoe zat het compromis in elkaar? Electrabel zou al haar provisies onderbrengen in een filiaal, Synatom. De Belgische Staat beschikt over een “gouden aandeel” in Synatom dat haar het recht heeft strategische beslissingen van Synatom te blokkeren. Synatom kan een deel van de geldwaarde die overeenkomt met de waarde van die provisies uitlenen aan Electrabel. Electrabel kan daarmee investeren. Er is wel een belangrijke voorwaarde voor het ontlenen van geld door Synatom aan Electrabel. Electrabel moet een financieel gezond bedrijf zijn, een goede “rating” hebben zoals dat heet. Een “Opvolgingscomité” met zes topfiguren van de Nationale Bank, de Bankcommissie, de administratie energie, de administratie financiën en de CREG (de regulator van de elektriciteitsmarkt) waken daarover. Bovendien zitten de bazen van NIRAS en FANC mee aan tafel voor de technische kant van de zaak. Anders gezegd: topexperts inzake de nucleaire sector, de elektriciteitssector en bedrijfseconomie gaan mee waken over het risico dat de provisies in het gedrang komen. Als dat het geval zou zijn, kunnen zij Electrabel verplichten al haar provisies in dochter Synatom onder te brengen waar de Belgische Staat, via haar “gouden aandeel”, de provisies kan beschermen. Dat Opvolgingscomité moet er ook over waken dat er genoeg provisies zijn. Als dat niet het geval is, kan het comité beslissen dat er extra provisies moeten worden aangelegd. De wettekst is uiteraard stukken ingewikkelder. De advocaten van de twee partijen gingen aan de slag. Ik had onze advocaat de opdracht gegeven de conventie van Electrabel in een wetsontwerp te gieten en dat op tafel te leggen. Het zou dan aan hen zijn om uit te leggen waarom dat technisch of juridisch niet mogelijk zou zijn. Ik ging zelf naar enkele vergaderingen, want ik wou absoluut zoveel mogelijk bepalingen in het wetsontwerp krijgen. Wat nog goed lukte ook. Op het einde van onze onderhandelingen hadden we een gedetailleerd wetsontwerp van 25 artikels over en een conventie met veel blabla en één belangrijk artikel (voor de liefhebbers: de koppeling tussen de ratingschaal van Electrabel, zoals vast te stellen door Standard & Poor’s, en het plafond van de fondsen die de kernprovisievennootschap aan de kernexploitant kan lenen). Maar in het wetsontwerp was een artikel opgenomen dat een volgende regering de mogelijkheid gaf die bepaling in de conventie desnoods tegen de wil van Electrabel in te wijzigen. Anders gezegd: de overheid zou het laatste woord hebben. Ik was heel tevreden over het compromis. Het gaf voldoende garanties aan de volgende generaties dat ze geen nieuw nucleair passief zouden erven. Dit zonder Electrabel “pijn” te doen. We bewezen dus met dit compromis dat we niet tegen Electrabel waren, maar best bereid waren om over een voor hen aanvaardbaar compromis te onderhandelen. Op 22 juni 2002 werd het dossier door de regering goedgekeurd. Minister Vande Lanotte drukte op het laatste moment nog een belangrijke wijziging door. Er was gepland dat de overheid de werkingskosten van het Opvolgingscomité zou dragen. Vande Lanotte zag dat niet zitten: waarom zou de belastingbetaler de kosten van de controle van de nucleaire provisies van een privé-maatschappij moeten dragen? De tekst werd op zijn vraag op het laatste nippertje gewijzigd, en dit zonder overleg met Electrabel: de rekening van de werkingskosten van het Opvolgingscomité zou naar Electrabel gestuurd worden. Wat een woedende reactie opleverde. Het ging weliswaar om een klein bedrag (maximum twee miljoen euro per jaar), maar er was een belangrijk nieuw principe ingevoerd. Voor Electrabel was het van fundamenteel belang dat zij en zij alleen beslisten over de provisies, weliswaar onder toezicht van het Opvolgingscomité, en dat deze provisies in handen van Electrabel zouden blijven en niet bij de Staat zouden terechtkomen. Maar nu zou een deel van hun provisies toch afgeleid worden naar de Staat. Want de werkingskosten van het Opvolgingscomité zouden door Electrabel betaald worden. Electrabel wist heel goed dat je met dit soort dossiers wel weet waar je begint, maar niet waar je eindigt. Door één artikel ergens in een programmawet te wijzigen, zouden later de provisies kunnen worden aangesproken worden voor de financiering van andere overheidskosten, zoals de werking van het SCK of het opruimen van de nucleaire rommel in Mol-Dessel. Vande Lanotte had het dossier een voor hen heel gevaarlijke wending gegeven. Maar Electrabel kon niet meer terug. De regering had het dossier goedgekeurd en ze moesten mee vooruit. Na advies van de Raad van State en een tweede lezing in de interkabinettenvergadering, dienden we het dossier op 22 januari 2003 in de Kamer in. We hadden ons aan een groot en lang debat verwacht. Het ging tenslotte om een berg geld. Het ging om de financiering van de afbraak van onze kerncentrales en het beheer van de honderdduizenden tonnen nucleair afval die daarbij vrij zouden komen. Het ging – niet in het minst – om het zoeken naar het moeilijke evenwicht tussen de rechten en de plichten van privé en overheid. Maar de parlementsleden zagen het anders. Het interesseerde hen geen moer. Het kostte ons zelfs een paar maanden om het wetsontwerp op de agenda van de Kamer te krijgen. Herhaaldelijk waren er niet genoeg parlementsleden in de commissie om tot de bespreking over te gaan. Op 19 maart lukte het dan toch. Er waren net genoeg parlementsleden om het wetsontwerp te bespreken. Na een korte toelichting door Olivier Deleuze, volgde de algemene discussie. Op minder dan twintig minuten waren de bespreking én de stemming rond. Er waren enkel een paar algemene opmerkingen en vragen. Geen enkel parlementslid had de teksten echt goed doorgenomen. Nog eens bleek hoe de energiedossiers in de periferie van de Wetstraat bleven hangen. Is deze wet nu perfect? Neen. Maar vergeleken met de vroegere toestand – toen er nagenoeg niets was – is er een enorme vooruitgang. Bovendien bevat de wet een bepaling die het maatschappelijk debat over dit dossier zal voeden. Het door de wet opgerichte Opvolgingscomité moet elk jaar een rapport publiceren. Zo zal de samenleving zicht krijgen op de problematiek, waardoor het debat gestimuleerd wordt. Het zal net zoals in de pensioendiscussie wel enkele jaren duren eer voldoende politici, journalisten en actoren in het middenveld dit dossier de aandacht geven die het verdient. Maar die evolutie lijkt me onafwendbaar. We kunnen er in dit dossier alleen maar op vooruit gaan. HET FONDS OP LANGE TERMIJN: DE VERVUILER BEPAALT... Tot 1980 beschikte ons land niet over een geschikte structuur om het radioactief afval op lange termijn te beheren. We produceerden ondertussen al twintig jaar nucleair afval (en dan laat ik Umicore nog buiten beschouwing dat al in 1922 radiumafval produceerde). Tot 1980 had het SCK zich op vrijwillige basis met de afvalproblematiek beziggehouden. Maar dat was niet meer houdbaar. In 1980 hield de overheid NIRAS boven de doopvont, de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen. NIRAS werd verantwoordelijk voor het uitstippelen en toepassen van het beleid inzake het beheer van nucleair afval. NIRAS krijgt geen toelage van de overheid. NIRAS werkt immers volgens het principe “de vervuiler betaalt.” Wie nucleair afval overdraagt aan NIRAS, moet daarvoor betalen. Met dat geld kan NIRAS het afval stockeren en later bergen. Die berging kost handenvol geld. NIRAS raamde in 2000 de kosten voor een bergingssite voor laagradiocatief afval op zo’n 500 miljoen euro (bouw, exploitatie en sluiting). Voor het andere afval schat NIRAS de kosten op 500 tot 1500 miljoen euro. Het feit dat die twee bedragen zo ver uit elkaar liggen, de hoogste raming is 300% van de laagste, wijst op de zeer grote onzekerheden omtrent de kosten van zo’n bergingssite. Als we beide bedragen optellen, komen we uit bij één tot twee miljard euro. NIRAS moet dus, als het binnen zoveel jaar begint aan een bergingssite voor nucleair afval, over een pak geld beschikken. Daarvoor werd een speciaal financieringsmechanisme uitgedokterd, het “Fonds op Lange Termijn” of FLT. Als iemand nucleair afval overdraagt aan NIRAS, waarbij NIRAS eigenaar wordt van het afval, moet hij een bedrag storten in dat Fonds. Dat geld wordt dan door NIRAS gebruikt om het afval op te slaan en het later te bergen. Het FLT is geïnspireerd op de pensioenfondsen en werkt volgens een kapitalisatiesysteem: de intresten die het fonds opbrengt, blijven in het fonds. NIRAS onderhandelde jaren met Electrabel over de oprichting van het FLT dat uiteindelijk begin 1999 operationeel werd (dus juist voor het aantreden van de regering Verhofstadt I). Eind 2003 was er in het FLT zo’n 50 miljoen euro. Het FLT zou volgens NIRAS moeten blijven functioneren tot 2093. De centrale vraag met betrekking tot het FLT is wie beslist over de hoogte van bedragen die de producenten van nucleair afval moeten betalen aan NIRAS. Als je een geneesmiddel wil registreren, dan betaal je een retributie aan de administratie die het dossier afhandelt. Want zo’n registratie heeft een kostprijs en de overheid rekent die kostprijs door aan degene die de dienst krijgt. De overheid stelt zelf de hoogte van de retributie vast. Ze kan en mag uiteraard overleggen met de sector, maar zij bepaalt uiteindelijk hoeveel de retributie zal zijn. De overheid moet wel redelijk zijn. De retributie moet “proportioneel” zijn met de gemaakte kosten. Als de overheid een onredelijke prijs zou vragen, zou de sector naar de Raad van State kunnen stappen en de schorsing van de overheidsbeslissing kunnen vragen. De Raad van State waakt er nauwkeurig over dat de overheid haar boekje niet te buiten gaat. Dit systeem bestaat in tal van andere sectoren en domeinen. Samengevat: de overheid verleent een dienst aan een persoon of bedrijf tegen kostprijs en een rechtscollege waakt erover dat die kostprijs redelijk is. In de nucleaire sector loopt het niet zo. In de beste tradities van de energiesector wordt over de retributie die de producenten van nucleair afval betalen, onderhandeld en een conventie gesloten. NIRAS gaat met Electrabel, Belgonucleaire en FBFC (om de belangrijkste spelers te noemen) aan tafel zitten en samen onderhandelen ze over de prijs die zij aan NIRAS moeten betalen voor de overdracht van hun afval. Dat is toch sterk, niet? Ik ken geen andere sectoren waar dat gebeurt. Het betekent dat de producenten van nucleair afval mee bepalen hoeveel ze uiteindelijk betalen. Niet de vervuiler betaalt, maar de vervuiler bepaalt. Je creëert uiteraard ook een gigantisch belangenconflict. NIRAS wil het afval correct en veilig beheren. Wat de kostprijs omhoog kan drijven. Maar Electrabel en co willen uiteraard zo weinig mogelijk betalen en zullen tijdens de onderhandelingen hard pleiten voor een laag tarief. Zo dwingen ze NIRAS om goedkoper en dus minder veilig te werken. Via de techniek van deze conventies beslissen de producenten van nucleair afval dus mee over de wijze van afvalbeheer en de veiligheidsvoorschriften. Dat komt neer op een semi-privatisering van het beleid inzake nucleair afval. Olivier Deleuze pikte dat uiteraard niet en deed een test. Een filiaal van Electrabel, Synatom, had met NIRAS een conventie gesloten over “verglaasd” hoogradioactief afval. Dat was afval afkomstig van de opwerking van kernbrandstof. Verglaasd afval maak je door afval te vermengen met een speciale soort gesmolten glas. Daarna giet je het in een stalen container. Synatom ging dat afval overdragen aan NIRAS en daarvoor aan NIRAS een retributie betalen. Olivier Deleuze vroeg aan NIRAS de conventie over de modaliteiten van deze overdracht. “Vertrouwelijk”, klonk het. Tiens, NIRAS viel toch onder onze bevoegdheid? Sinds wanneer kon een overheidsinstelling weigeren documenten te geven aan de bevoegde minister? NIRAS speelde het hard en bewoog niet. De zaak werd uiteindelijk op de kern, de vergadering van de eerste minister en de vice-premiers, besproken en beslist. De leden van de kern en Olivier Deleuze kregen een kopie van de conventie, maar het document mocht onder geen enkel beding verspreid worden. Deze anecdote zegt alles over het ultravertrouwelijke karakter van deze conventie. Stap twee was de analyse van het document. Maar dat viel tegen. De conventie was gesloten voor de periode van 1995 tot begin 2006. We zaten dus vast. NIRAS had zich juridisch vastgeklonken. Er viel geen jota te wijzigen aan de afspraken met de sector. Wij waren bevoegd tot 2003 en zouden dus de periode na 2005 niet meer kunnen regelen. We hadden geen marge om een eigen beleid te voeren. Wat betekent dit nu? We hebben volgens NIRAS zeker 1,5 miljard euro nodig voor de financiering van het FLT. Dat fonds wordt stap voor stap gefinancierd door de producenten van nucleair afval, die mee beslissen over hoeveel zij betalen. De bedragen worden vastgelegd in vertrouwelijke conventies, waarover de inspectie van financiën geen advies geeft. Het Rekenhof wordt ook op afstand gehouden. De regering moet ze niet goedkeuren. En van het parlement zwijgen we maar helemaal. Ik ken geen overheidssector waar over zo’n grote bedragen door zo weinig mensen beslist wordt en dan nog zonder enige controle door de gespecialiseerde diensten zoals de Inspectie van Financiën of het Rekenhof. Wat zou het alternatief geweest zijn? Vrij simpel. Een wijziging van het koninklijk besluit dat de activiteiten van NIRAS regelt, waardoor de financiering van het beheer van nucleair afval door de regering wordt geregeld, na advies van NIRAS en na overleg met de producenten van nucleair afval. Het systeem dat in zoveel andere sectoren bestaat en functioneert. Waarom maakten wij daar geen werk van en lieten wij deze situatie voortduren? Op de eerste plaats omdat alles vastgebetonneerd was in een conventie die liep tot begin 2006, meer dan twee jaar na het einde van de legislatuur. Aan die conventie viel niet te tornen. We hadden aan de regering kunnen voorstellen om het koninklijk besluit te wijzigen zodat er na 2005 niet meer met conventies zou kunnen worden gewerkt. Ik heb die piste in de wandelgangen getest, maar dat was onbespreekbaar. We waren al de lastige jongens met onze kernuitstap, het klimaatbeleid, de windmolens in zee en noem maar op. Nu zouden we ook hier de grenzen gaan verleggen. Njet over heel de lijn. Zoals ik in het tweede deel zal toelichten, heeft Olivier Deleuze tal van conventies in de energiesector kunnen opblazen of vervangen door een wet. In twee dossiers lukte dat helaas niet, in dit dossier en in dat van de crisisvoorraden van aardolieproducten, waar ik straks op inga. Het gevolg is dat NIRAS momenteel met de afvalproducenten een nieuwe conventie voor de periode 2006-2015 aan het onderhandelen is. Ver van pers en parlement en andere stoorzenders, zoals dat in de goede oude tijd overal in de energiesector het geval was. Helaas is daarmee de kous niet af. Absurdistan is een groot land. Wat volgt, is behoorlijk ingewikkeld, maar het gaat om veel geld en verdient dan ook alle aandacht. De Belgische Staat zou volgens NIRAS en Electrabel mee moeten betalen voor de berging van nucleair afval. Vreemd? De Staat heeft toch geen kerncentrales? Klopt, maar de Staat heeft wel jaren terug de nucleaire sites BP1 en BP2 overgenomen, de nucleaire kerkhoven in Mol-Dessel. De sanering ervan is nog aan de gang. Daarbij verdwijnt er geen nucleair afval. Het wordt gesorteerd, behandeld en verpakt, zodat het afval gestockeerd kan worden en, zo hoopt men, later geborgen. Het stockeren en vooral het bergen van nucleair afval kost massa’s geld. Volgens NIRAS en Electrabel zou de Staat, als eigenaar en verantwoordelijke voor dat afval, mee moeten betalen voor de opslag en berging van het nucleair afval. Anders gezegd: als er in 2015 een site wordt gebouwd voor al het laagradioactief afval van België, dan zullen jij en ik een deel ervan hebben betaald. De Belgische overheid zal daar haar afval bergen. De redenering van NIRAS en Electrabel is simpel: “Iedereen gelijk voor de wet, de vervuiler betaalt. Wie nucleair afval produceert, betaalt mee voor de berging.” Mijn nucleair adviseur zag het anders: “De Staat is al zo goed geweest om destijds die rommel over te nemen en te saneren en nu zou de Staat, de belastingbetaler dus, ook nog eens moeten meebetalen voor de berging! Onaanvaardbaar!” We hebben er daarom nooit een frank voor op tafel gelegd. Het dossier verhuisde naar de volgende regering. Hoe het precies zal lopen en welke bedragen de belastingbetaler eventueel op tafel zal moeten leggen, zal de volgende jaren beslist worden tijdens de discussies over de financiering van de berging van het nucleair afval. De financiering van het FLT en de eventuele bijdrage van de Staat is het grootste nucleaire dossier van de volgende jaren. Niet alleen omdat het om veel geld gaat, ook omdat de paarse regering moet kiezen tussen twee pistes: ofwel zoals tijdens paarsgroen pacten en conventies vervangen door wetten, ofwel verder met de privé-sector in alle discretie akkoorden sluiten. Een discussie die op het eerste gezicht louter technisch is, gaat in feite over het wezen van de democratie zelf. NET NIET DE BOCHT UIT... Ik eindig dit hoofdstuk met het relaas van de mislukte beleggingspolitiek met geld voor de berging van nucleair afval, een dossier waarin we net niet kopje onder gingen. Hierboven had ik het al over het Fonds op Lange Termijn, het FLT. Ik licht hier eerst het beleggingsmechanisme toe aan de hand van een voorbeeld. Electrabel draagt vaten met nucleair afval over aan NIRAS. NIRAS zal dat afval nu opslaan en later bergen. Daarvoor betaalt Electrabel bij de overdracht een bepaalde som geld, zeg maar een bijdrage. Zodat NIRAS later geld heeft om dat afval te bergen. Hoe berekent NIRAS die bijdrage? NIRAS heeft geschat hoeveel de berging van het afval binnen zoveel jaar zal kosten. Maar dat geld moet maar op dat moment beschikbaar zijn. Zolang het geld niet nodig is, wordt het belegd. Bij het berekenen van de bijdrage die Electrabel vandaag moet betalen, houdt NIRAS rekening met het rendement van die beleggingen. Hoe meer dat geld al die jaren opbrengt, hoe minder Electrabel zal moeten betalen om zijn afval aan NIRAS over te dragen. Aangezien er de eerste jaren nog geen afval geborgen wordt, zal het geld gedurende vele jaren intrest opbrengen en zal het rendement van die beleggingen dus heel belangrijk zijn. Een voorbeeld: Bij een jaarlijkse intrest van 6% moet wie in 2010 500 miljoen euro nodig heeft om een bergingssite te bouwen, in 2000 279 miljoen euro ontvangen. Brengt de belegging jaarlijks maar 3% op, dan moet je in 2000 372 miljoen euro ontvangen om in 2010 die 500 miljoen te hebben, of dus 33% meer... De echte berekeningen zijn uiteraard veel ingewikkelder, maar dit geeft aan hoe belangrijk de intresten op die beleggingen zijn. In de vorige paragraaf lichtte ik de grote lijnen van de werking van het FLT toe. Belangrijk is dat de afvalproducenten, Electrabel op de eerste plaats, afdwongen dat ze de beleggingspolitiek van het FLT actief konden meesturen. Er werd immers in de conventie bepaald dat Electrabel lid zou zijn van een opvolgingscomité van het FLT. Dat comité zou in de praktijk de belegggingspolitiek van het FLT bepalen. Voor een buitenstaander lijkt het misschien vreemd dat een privé-bedrijf (Electrabel dus) de beleggingspolitiek van een overheidsinstelling (NIRAS) mee bepaalt, maar in het Belgische energiewereldje was dat de logica der dingen. In september 2002 vroeg ik NIRAS hoe het zat met hun beleggingen. Het beursklimaat was immers totaal omgeslagen en ik wou checken hoe het zat met het rendement van de beleggingen. De “SWAP”-affaire van minister Maystadt lag nog in het geheugen van de Wetstraat: ambtenaren hadden achter de rug van de minister risicovolle financiële constructies opgezet. Toen dat aan het licht kwam, kostte dat de minister bijna zijn kop. In januari 2003 kreeg ik een verslag over de beleggingspolitiek van NIRAS met details over hun financieringsbeleid. Een belegging in SICAV’s van zestien miljoen euro bleek nu nog acht miljoen euro waard te zijn, een “latente minwaarde” dus van 50% !” Latent, want zolang je niet verkoopt heb je geen verlies. Je moet dus gewoon wachten tot de koersen weer stijgen en verkopen op het goede moment en je winst boeken. Zo luidt de theorie. Maar zo werkt het niet in de Wetstraat. De cijfers deden me duizelen: 50% minwaarde. Voor een financieel expert was dit niet uitzonderlijk. Zovelen hadden in die jaren op dergelijke beleggingen belangrijke verliezen geboekt. Maar een overheidsinstelling die gelden voor de berging van nucleair afval belegt en daarop minwaarden boekt van 50%? In de Wetstraat betaal je daarvoor een hoge prijs. Ik zag het schandaal al. Deleuze vroeg me onmiddellijk het dossier naar minister voor begroting Vande Lanotte te sturen en te overleggen met zijn medewerkers. Beleggingspolitiek was strikt genomen eerder de bevoegdheid van minister van financiën Reynders, maar goed, dan kon je even goed met Electrabel of NIRAS-voorzitter Streydio rechtstreeks gaan onderhandelen. Het kabinet Vande Lanotte was het onmiddellijk met ons eens: “NIRAS mag géén euro meer in SICAV’s beleggen, ze mogen alleen nog staatsobligaties kopen, punt uit! Als het binnen tien jaar verkeerd afloopt, zal de Staat de verliezen moeten dekken en dat willen we absoluut vermijden!” Ik wist dat Electrabel zich daartegen keihard zou verzetten. Historisch gezien hebben beursbeleggingen altijd meer opgebracht dan staatsobligaties. Als je NIRAS verbiedt om beursbeleggingen te doen, zullen de geldmiddelen die NIRAS op lange termijn belegt, minder opbrengen. En dus zal NIRAS de tarieven die het aanrekent aan Electrabel en de andere producenten van nucleair afval moeten verhogen. Sinds de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt hield Electrabel de hand op de knip en dus leek me dit een heel moeilijk dossier. Het toppunt was: ambtenaren van de administratie energie hadden zowat alle vergaderingen van het opvolgingscomité van het FLT bijgewoond, zonder dat wij het wisten. Zonder dat ze ons gerapporteerd hadden. We zaten dus helemaal vast. Alleen al het feit dat de administratie energie aanwezig was geweest, zou voor de pers en de oppositie het bewijs geweest zijn dat Deleuze met de beleggingspolitiek van NIRAS had ingestemd. Merde. De enige strategie die Olivier en ik zagen, bestond erin het dossier in stilte achter de schermen voor te bereiden, een koninklijk besluit op te stellen dat de beleggingspolitiek van NIRAS zou beperken tot staatsobligaties om het vervolgens zonder veel debat en heisa door de ministerraad te krijgen, dit alles in overleg met Vande Lanotte. Stap één was het gemakkelijkst: we vroegen NIRAS uitleg over de minwaarden en kregen een zeer uitvoerig antwoord. Met bladzijden en bladzijden over al de maatregelen die ze genomen hadden om dit te voorkomen. “Ons Asset Liability Management stond op punt”, heette het, “en Frank Russel International is toch een heel grote consultant. We hebben echt als professionelen alle garanties voor een goede beleggingspolitiek ingebouwd.” Voor mij een reden te meer om met een dergelijke beleggingspolitiek te stoppen: als zoiets kan gebeuren ondanks zoveel garanties! Dan het koninklijk besluit opstellen. Ik kon uiteraard niet aan de administratie of aan NIRAS vragen om het te schrijven, want dan zou de hele keet onmiddellijk in de fik staan. Ik schreef dan maar zelf een besluit, één artikel lang. De jurist op het kabinet las de tekst na, wijzigde wat punten en komma’s en klaar was kees. Op 21 maart was er directiecomité bij NIRAS. Ik woonde als regeringscommissaris de vergadering bij. In de marge kwam de beleggingspolitiek van NIRAS ter sprake. Voorzitter Streydio ging even in op de kwestie. Ik fietste er slordig rond: “We moeten dat inderdaad bij gelegenheid eens grondig bestuderen. Ik ben het met u eens, voorzitter, dat dit dossier alle aandacht verdient.” Een paar straten verder in ons kabinet lag een kant en klaar koninklijk besluit op mijn bureau. Drie dagen nadien organiseerde ik een interkabinettenvergadering en gooide ik het hele dossier op tafel. Ik sprak alleen over de minwaarden, de financiële aspecten dus, niet over de gevolgen voor de tarieven voor het nucleair afval. Anders zouden de liberalen zeker een prijs vragen in een ander dossier. Ze zouden dit dossier nooit laten passeren als ze beseften dat mijn tekst miljoenen euro’s per jaar aan Electrabel zou kunnen kosten. De sp.a steunde me uiteraard. Bovendien kreeg ik de steun van de medewerker van de eerste minister. Hij hechtte zeer veel belang aan het goed beheer van de staat en het zuinig omgaan met overheidsmiddelen en vond ons voorstel dus een evidentie: “Geen risico’s nemen, collega’s, geen toestanden à la SWAP van Maystadt, laten we dit snel goedkeuren”. De tekst werd, op een paar technische opmerkingen na, aanvaard en werd vier dagen nadien door de ministerraad goedgekeurd zonder discussie. ’t Was gelukt. We hadden het dossier er in spoedtempo door gejaagd zonder schade in de pers en zonder een prijs te betalen in een ander dossier. Achteraf vernam ik dat de sector en enkele vooraanstaande nucleofielen enorme druk hadden uitgeoefend op de PS en de MR, maar zonder resultaat. De nucleofielen in overheid en privé, die gedurende decennia ver van de schijnwerpers heimelijk hun potje gekookt hadden, werden nu verrast door een zelfde heimelijke strategie van twee groene oelewappers. Aan weinig dossiers heb ik die vier jaar zo’n voldoening gehad. De kern van de zaak was immers ethisch: het risico dat onze kinderen en kleinkinderen ongevraagd een gepeperde factuur in de bus zouden krijgen wegens financiële avonturen bij NIRAS was de wereld uit. Nawoord Over de sanering van BP1 en BP2 kan ik kort zijn. Die gaat gewoon door. De financiering is wettelijk gewaarborgd. Jij en ik en alle andere elektriciteitsverbruikers betalen jaarlijks samen 55 miljoen euro voor de sanering, en dat nog vele, vele jaren. NIRAS is begonnen aan een tweede inventaris. Die moet klaar zijn eind 2007. De wet over de nucleaire provisies is in uitvoering. Het duurde wel ettelijke maanden alvorens minister Moerman het Opvolgingscomité oprichtte, maar het bestaat nu en functioneert. Het is nu wachten op de eerste rapportering. Het laatste dossier – de beleggingspolitiek van NIRAS – zorgde voor heel veel commotie. NIRAS berekende wat de meerkosten zouden zijn voor de producenten van nucleair afval van de nieuwe regeling: 41%. Dat zijn inderdaad enorme meerkosten. Ons koninklijk besluit heeft dus echt wel negatieve gevolgen voor de concurrentiepositie van de Belgische nucleaire elektriciteit. Vroeger, toen Electrabel over een monopolie beschikte, kon het bedrijf die extra kosten gewoon doorrekenen aan de consument. In een goed functionerende markt is dat uiteraard niet meer evident. De kostprijs van de nucleaire elektriciteit is dus gestegen. Nu ja, die meerkosten voor Electrabel zijn gewoon de prijs voor het minimaliseren van het risico om binnen tien of twintig jaar een nieuw, gigantisch nucleair passief te hebben. Dat dan toch zou worden doorgeschoven naar de man in de straat. Ik blijf dus 200% achter onze beslissing staan. Electrabel lobbyde hard om ons koninklijk besluit te wijzigen. Op de raad van bestuur van NIRAS van 26 september 2003 werd de zaak besproken. Maar de raad speelde het voorzichtig. Hij vroeg de regering niet om de beperkingen inzake beleggingen volledig op te heffen. De raad van bestuur van NIRAS vroeg enkel om ook overheidsobligaties van andere dan de Belgische overheid te kopen (bijv. van andere lidstaten van de Europese Unie). De regering ging daar trouwens nog niet op in. Nu ja, wie ook in de toekomst nog minister voor energie zal zijn in dit land, het lijkt me weinig waarschijnlijk dat hij of zij de collega’s in de regering ervan zal willen of kunnen overtuigen om de beperkingen volledig op te heffen. Wie gaat zo’n risico durven nemen? Ik denk dat we in dit dossier een “point of no return” bereikt hebben. De voorzichtige houding inzake het beleggen van de geldmiddelen van NIRAS lijkt me definitief gewaarborgd. In het belangrijkste dossier zijn we nog geen stap verder: het zoeken naar een oplossing voor het middel- en hoogactief radioactief afval. Onderzoekers overal ter wereld produceerden honderden bladzijden met onderzoeksresultaten en telkens weer luidde het besluit: “Deze problematiek vergt nader onderzoek.”
federale bijdrage gas ...Zimbabwaanse indexaanpassingen
Dus vandaag de federale bijdragen op het gasverbuik die we
evenals de andere bijdragen en toeslagen zowel op gas als op
elektriciteit betalen.... Wij hebben het hier al eerder uitgelegd wat
we van bepaalde bijdragen denken. Bovendien stellen we toch maar vast
dat mazoutverbruikers die toch niet meteen bij de milieuvriendelijkste
energieverbruikers behoren dergelijke toeslagen niet betalen. Nu veel
keuze hebben deze mensen meestal ook niet omdat aardgas niet overal
beschikbaar is. En de keuze tussen elektrische verwarming en mazout is
nogal vlug gemaakt Maar goed we gaan dus de federale bijdrage op
gas onderzoeken. De toeslag voor het sociaal tarief is bij gas apart en
zit, in tegenstelling tot de elektriciteit dus niet in de federale
bijdrage vervat. Deze speciale toeslag op gas hebben we reeds behandeld
in onze eerste bijdrage.
Nu de rest die grotendeels de lijn volgt van de federale bijdrage op de elektriciteit.
Waarvoor dient deze bijdrage?
Bestemming (*)
De opbrengst van deze federale bijdrage is bestemd voor de financiering van
vier fondsen (‘CREG-fonds’, ‘sociaal fonds voor energie’, fonds ‘prospectieve
studie’, fonds ‘forfaitaire verminderingen voor verwarming’).
De CREG beheert in dit kader de opbrengst van de federale bijdrage bestemd
voor:
1) de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de CREG
Een koninklijk besluit stelt elk jaar de dekking van de totale werkingskosten
van de CREG vast. . Haar budget bedraagt 14.988.616 euro voor het jaar 2009 (koninklijk
besluit van 18 december 2008).
Aan de hand van de informatie meegedeeld door de
POD Maatschappelijke Integratie, herverdeelt de
CREG het jaarlijks geïndexeerde bedrag van de opbrengst van het betreffende deel
van de federale bijdrage onder de OCMW’s.
3) de financiering van de forfaitaire verminderingen voor verwarming met
aardgas en elektriciteit, voorzien in de programmawet van 8 juni 2008
Het
koninklijk besluit van 27 maart 2009 stelt het
bedrag van het betreffende deel van de federale bijdrage vast op 3.100.000 euro
voor het jaar 2009 terwijl dit bedrag voor het jaar 2010 en de daarop volgende
jaren jaarlijks geïndexeerd wordt volgens de formule :
3.100.000 euro x indexcijfer van de maand
november van het jaar t-1 indexcijfer van november 2008
(*) Voor verdere informatie over de bedragen gespijsd door de federale
bijdrage, zie pagina’s 15 en volgende van ons
jaarverslag 2008.
Hoeveel bedraagt deze bijdrage?
eerst kijken we naar 2004 en de rode cijfers geven het bedrag in 2010...
0,01237 c€/kWh 0,1490 c€/kWh
bron: Creg Het
grootste gedeelte gaat hier, in tegenstelling tot de federale bijdrage
elektriciteit, naar de OCMW's...en we lazen toch wel duidelijk in de
hierboven geplaatste tekst, we citeren: Aan de hand van de informatie meegedeeld door de
POD Maatschappelijke Integratie, herverdeelt de
CREG het jaarlijks geïndexeerde bedrag van de opbrengst van het betreffende deel
van de federale bijdrage onder de OCMW’s.
Jullie lazen het toch ook? "Het jaarlijks geïndexeerde
bedrag"....jullie lonen volgen heel waarschijnlijk niet de zelfde
indexformule en dat kunnen we alleen maar heel erg betreuren anders was
jullie loon op 6 jaar tijd ook wel iets meer gestegen dan nu het geval
is. Maal 10, laat ons zeggen. ...
Raar toch, hoe al deze bijdragen zo geweldig snel stijgen...
Voilà, dit was een korte bijdrage maar we hopen dat jullie samen met
ons, de volgende jaarlijkse afrekening van jullie energieleverancier
met een enigszins argwanende blik bekijken. Het gaat individueel niet
over zo een erg grote sommen. Een paar € maar op het totaal aantal
verbuikers gaat het dus wel degelijk over astronomische bedragen. En we
kunnen ons vergissen, maar zo op het eerste zicht zit er niet zo veel
logica in deze bijdragen. Eerst en vooral stijgen ze met percentages die
zo ongeveer neerkomen op de normale inflatiecijfers in Zimbabwe maar
zeker niet hier in Europa. Ten tweede zijn er nogal wat fondsen die
hiermee gespijsd worden niet meteen erg transparant en we denken
bijvoorbeeld aan de zogenaamde denuclearisatie van Mol Dessel...
en ten derde hebben we nog steeds niet goed begrepen waarom het
zogenaamde sociaal tarief moet betaald worden door de iets beter
begoede verbruikers van gas en elektriciteit. Voor ons gaat het over
een verkapte subsidie en bovendien betalen andere energieverbruikers
niks...en elke Belg zo zogezegd gelijk moeten zijn voor de wet...kak ja!
de federale bijdrage elektriciteit swingt de pan uit....
Om nog eventjes terug te komen op onze kleine bijdrage van gisteren
over de speciale toeslag willen we nog kwijt dat ondnaks het kleine
bedrag van de toeslag die nu dus 0,1777c/€ kWH bedraagt of zo een 50
keer meer dan 6 jaar geleden, deze toeslag wordt aangerekend op
gigantische volumes. Om een idee te geven: het totaal gasverbruik door
de Belgische gezinnen schommelt rond de 60.000GWh en het totaalvrebruik
in Belgie want toch niet vergeten dat de toeslag niet enkel op het
gasverbruik van de gezinnen wordt geheven bedraagt ongeveer
200.000GWh. Als er dus een slimmeke even wil berekenen over welke
sommen het gaat dan staan hier de cijfertjes...en we vragen ons dus af
waarom deze toeslag met een factor 50 moest toenemen en waarvoor dat
geld wordt gebruikt buiten de officiële reden die tenslotte niks meer
is dan een verkapte subsidie aan de grootste leveranciers.
Er wordt een « federale bijdrage » geheven bij de eindafnemers ter
financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten
verbonden aan de regulering van en de controle op de elektriciteitsmarkt.
Vanaf juli 2009 wordt de transmissienetbeheerder van elektriciteit belast met
de inning van de federale bijdrage. Het is nochtans de eindafnemer die de
federale bijdrage verschuldigd is. Hieruit volgt dat, door een cascadesysteem,
het bedrag van de federale bijdrage, vermeerderd met
diverse kosten, in de factuur van de leverancier doorgerekend wordt.
- Overeenkomstig artikel 21bis van de
wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de
elektriciteitsmarkt wordt, wanneer op een verbruikslocatie meer dan
20 MWh/jaar voor professioneel gebruik wordt geleverd, vanaf het jaar 2006 de federale bijdrage voor die eindafnemers, op basis van hun jaarlijks verbruik,
als volgt door de leveranciers en de houders van een toegangscontract verminderd:
1° voor de verbruiksschijf tussen 20MWh/jaar en 50MWh/jaar: met 15%;
2° voor de verbruiksschijf tussen 50MWh/jaar en 1000 MWh/jaar: met 20%;
3° voor de verbruiksschijf tussen 1000MWh/jaar en 25000MWh/jaar : met 25%;
4° voor de verbruiksschijf tussen 25000MWh/jaar en 250000MWh/jaar: met 45%.
Wanneer per verbruikslocatie en per jaar aan een eindafnemer meer
dan 250.000 MWh geleverd wordt, bedraagt de federale bijdrage,
gefactureerd door de leveranciers en de houders van een
toegangscontract, voor die verbruikslocatie maximum 250.000 euro.
Voor de verbruiken vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 wordt de
federale bijdrage verminderd, door de leveranciers en de houders van een
toegangscontract, voor eindafnemers die van de degressiviteit genieten, op basis
van hun jaarlijks verbruik :
1° voor de verbruiksschijf tussen 20 MWh/jaar en 50 MWh/jaar : met 20 %;
2° voor de verbruiksschijf tussen 50 MWh/jaar en 1000 MWh/jaar : met 25 %;
3° voor de verbruiksschijf tussen 1000 MWh/jaar en 25.000 MWh/jaar : met 30 %;
4° voor de verbruiksschijf tussen 25.000 MWh/jaar en 250.000 MWh/jaar : met 55
%.
Wanneer per verbruikslocatie en op jaarbasis meer dan 250.000 MWh aan een
eindafnemer wordt geleverd, bedraagt de federale bijdrage, gefactureerd door de
leveranciers en de houders van een toegangscontract, voor deze verbruikslocatie
maximum 200.000 euro.
De opbrengst van deze federale bijdrage is bestemd voor de financiering van
zes fondsen (‘denuclearisatiefonds‘, ‘CREG-fonds’, ‘sociaal fonds voor energie’,
fonds ‘broeikasgassen’, fonds ‘beschermde klanten’, fonds ‘forfaitaire
verminderingen voor verwarming’).
De CREG beheert in dit kader de opbrengst van de federale bijdrage bestemd
voor:
1) de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de
denuclearisatie van de nucleaire sites BP1 en BP2 te Mol-Dessel, alsook uit de
behandeling, de conditionering, de opslag en de berging van het geaccumuleerd
radioactief afval, met inbegrip van het radioactief afval afkomstig van de
denuclearisatie van de installaties, ten gevolge van de nucleaire activiteiten
op genoemde sites
2) de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de CREG
Een koninklijk besluit stelt elk jaar de dekking van de totale werkingskosten
van de CREG vast. Haar budget bedraagt 14.988.616 euro voor het jaar 2009 (koninklijk
besluit van 18 december 2008).
Aan de hand van de informatie meegedeeld door de
POD Maatschappelijke
Integratie, herverdeelt de CREG het jaarlijks geïndexeerde bedrag van de
opbrengst van het betreffende deel van de federale bijdrage onder de OCMW’s.
4) de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van
broeikasgassen met het oog op de naleving van de internationale verbintenissen
van België inzake bescherming van het leefmilieu en duurzame ontwikkeling
Het betreffende deel van de federale bijdrage wordt uitsluitend gespijsd door
de elektriciteitssector. Een deel ervan (2.300.000 euro) wordt jaarlijks gestort
aan het organiek budgettair fonds van de FOD Leefmilieu voor de financiering van
het federaal beleid ter vermindering van de emissies van broeikasgassen.
Verschillende bedragen, voor een totaal van 150 miljoen euro, werden in het bijzonder toegewezen aan het fonds
Kyoto Joint Implementation/Clean Development Mechanism (JI/CDM) om projecten te
financieren met het oog op de vermindering van de emissies van broeikasgassen in
het buitenland, met de bedoeling België in staat te stellen om aan de
doelstellingen van het Kyoto-protocol te voldoen.
5) de financiering van de reële nettokost die voortvloeit uit de toepassing
van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan beschermde
residentiële klanten
Een koninklijk besluit stelt jaarlijks de opbrengst van het betreffende deel
van de federale bijdrage vast. De CREG stort deze opbrengst door naar de
elektriciteitsbedrijven die beschermde residentiële klanten met een laag inkomen
of in een kwetsbare situatie bevoorraad hebben tegen sociale maximumprijzen (de
zogeheten ‘sociale tarieven’).
Het
koninklijk besluit van 21 januari 2004 bepaalt de nadere regels voor de
compensatie van de reële nettokost die voortvloeit uit de toepassing van de
sociale maximumprijzen in de elektriciteitsmarkt en de tussenkomstregels voor
het ten laste nemen hiervan.
6) de financiering van de forfaitaire verminderingen voor verwarming met
aardgas en elektriciteit voorzien in de programmawet van 8 juni 2008
Het
koninklijk besluit van 27 maart 2009 stelt het
bedrag van het betreffende deel van de federale bijdrage vast op 6.900.000 euro
voor het jaar 2009 terwijl dit bedrag voor het jaar 2010 en de daarop volgende
jaren jaarlijks geïndexeerd wordt volgens de formule :
6.900.000 euro x indexcijfer van de maand
november van het jaar t-1 indexcijfer van november 2008
en
hoe staat het met de prijsevolutie van deze bijdrage? Merk de toch niet
te verwaarlozen bedragen op die opgenomen zijn in bovenstaande tekst...
in 2004 bedroeg deze : 1,4485 + 0,2021€ MWh in 2010 zitten we aan 4,0685€ MWh of dus meer dan verdubbeld op nauwelijks 6 jaar!
Wie is daarvan de grootste slokop?
even vergelijken:
2004
2010
dienstverplichtingen in de elektriciteitsmarkt. Beschrijving Bedrag Dekking van de werkingskosten van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG) 0,0868 EUR/MWh
0,1359 Financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de denuclearisatie van de nucleaire sites BP1 en BP2 te Mol-Dessel 0,7176
EUR/MWh
1,6925 Financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen 0,3225 EUR/MWh
0,8443 Financiering van de sociale maatregelen voorzien door de wet
van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de OCMW’s
inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening
aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering 0,3216
EUR/MWh
0,4546 TOTAAL Federale bijdrage 1,4485 EUR/MWh Toeslag “Beschermde klanten” 0,2021
EUR/MWh
0,8269
en een bijkomende toeslag in 9010 voor de premie de de staat zogezegd
toekende voor voor de tussenkomst in de verwarming bij bepaalde klanten
maar die dus wel degelijk uit onze zak kwam zoals hier
blijkt:
0,1143
Maar waar ons verstand dus bij stilstaat is de toch niet onaanzienlijk
stijging van de denuclearisatie van de sites in Mol-Dessel. Dit zijn
niet de gewone inflatiecijfers dit is dus meer dan een verdubbeling op
6 jaar. Kan iemand ons dat hier ook even komen uitleggen?
Net zoals de enorme toename van de toeslag beschermde klanten die zoals
we hier reeds hebben gezegd volgens onze perceptie een vorm van
subsidiëring is aan de grote leveranciers...we willen aannemen dat het
aantal beschermde klanten is toegenomen maar dit???? Vooral omdat de
financiering van de OCMW's voor de begeleiding en steunverlening aan de
hulpbehoevenden absoluut niet in gelijke mate is toegenomen. Dit
snappen wij dus niet maar we zijn dan ook oliedom waarschijnlijk...
Over de financiering van het federale beleid ter reducttie van de
emissies van de broeikasgassen hadden we ook wel wat meer willen
vernemen want een meer dan verdubbeling lijkt ons ook niet zo
onmiddellijk een duidelijke reden te hebben en het blijkt hier toch te
gaan over 152 miljoen € een niet onaanzienlijk bedragje... Wij krijgen stilaan de indruk dat het hier wel degelijk gaat om een sluipende en gluiperige belasting....Niemand ligt er echt wakker van want het gaat zoigezegd over minieme toeslagen die telkens aangewend worden om "goedbedoelde " fondsen mee te spekken. ....
'en dus morgenn pluizen we de federale bijdragen van het gas wat uit...
prijs X 50 op 6 jaar ...dat moet kaviaar zijn???? en Leve Lampiris!
zoals al een paar dagen geleden beloofd onderzoeken we de gastarieven en de federale bijdragen
We
beginnen met de gastarieven. Zijn die gedaald of gestegen? Wij lichten
de tip van de sluier op voor onze lezertjes. Lees aandachtig
onderstaand document en je kan hiermee zelfs geld verdienen als je de
juiste leverancier kiest die hier meer dan overduidelijk Lampiris is
indien je een gasverbruiker bent...dus lezen en conclusies trekken...
wij halen er toch één elementje uit dat ons nogal nauw aan het hart ligt namelijk het sociaal tarief:
8. Evolutie sociaal tarief en markttarieven De
grafiek hierna toont de evolutie sinds januari 2007 van het sociaal
tarief evenals de evolutie van de commerciële tarieven bij
respectievelijk Lampiris en ECS Energy Plus in het distributiegebied
van Iverlek (Vlaams Brabant). Tussen februari en juli 2009 is het
sociaal tarief vaak duurder gebleken dan het commercieel tarief. Deze
opmerkelijke situatie werd veroorzaakt door de sterke daling van het
commercieel tarief tijdens het eerste semester terwijl het sociaal
tarief vast bleef. Vanaf augustus 2009 bedraagt het sociaal tarief BTW
excl. ongeveer 30 €/MWh en is dus opnieuw voordeliger dan het
goedkoopste markttarief.
Dus moeten we besluiten dat nog
steeds de mogelijkheid bestaat dat het sociaal tarief, waarvoor iedere
normale gebruiker bijbetaalt via de federale bijdrage (elektriciteit)
en de speciale toeslag (gas) zoals we hierna zullen zien, duurder is
dan het commercieel tarief. Voor de aandachtige lezertjes die het ganse
document napluizen en de grafiekjes bestuderen zal het ook meteen
duidelijk zijn dat het huidige sociaal tarief bijna gelijk loopt met
het commercieel tarief van Lampiris!
en onthou vooral dat de
volgende maan,den de gasprijzen zullen stijgen! Wij kunnen in elk geval
momenteel één goeie raad geven stap massal over naar lampiris en laat
jullie gvooral niet in de luren leggen door vaste tarieven. Diegenen
die een jaar geleden een vast tarief kozen kunnen hier dus duidelijk
zien dat ze veel te duur hebben betaald. Hopelijk voor hen stijgen de
prijzen binnenkort spectaculair om hun verlies goed te maken...
nu gaan we eens kijken eerst en vooral naar de speciale toeslag voor de beschermde gasklanten:
De toeslag beschermde klanten (die, in tegenstelling tot wat geldt voor de
elektriciteit, niet is opgenomen in de federale bijdrage) wordt geheven bij de
eindafnemers met het oog op de financiering van de reële nettokost die
voortvloeit uit de toepassing van maximumprijzen (de zogenaamde ‘sociale
tarieven’) voor de levering van aardgas aan residentiële beschermde
klanten.
Toewijzing
De CREG beheert de opbrengst van deze toeslag, die wordt toegewezen aan de
financiering van het "fonds ten gunste van de residentiële beschermde klanten "
dat tot doel heeft de reële nettokost te compenseren die, voor de
gasondernemingen, voortvloeit uit de bevoorrading in aardgas van de residentiële
beschermde klanten tegen sociale maximumprijzen.
Voilà, ze moeten ons dan eens uitleggen waarvoor de toeslag dient op
het moment dat het sociaal tarief duurder uitvalt dan de commerciële
tarieven. Ook al duurde het maar een paar maanden...waar gaat dan dat
geld naartoe? En een tweede vraag hoe komt het dat het sociaal tarief
nauwelijks verschilt van dat van één bepaalde leverancier (de laatste
maanden) en dat de andere leveranciers dus blijkbaar veel duurdere
tarieven hanteren zoadat men dan nog eens kan beroep doen op het geld
van de speciale toeslag wanneer ze aan een beschermde klant leveren.
Kunnen deze andere firma's dan echt niet aan het tarief van de kleine
concurrent leveren speciaal aan de beschermde klanten???? wij hebben zo
onze twijfels...
Maar hoe evolueerde nu deze speciale toeslag?
In januari 2004 bedroeg deze 0,00382 c/€ kWH en in 2010 bedroeg die
0,1777 c/€ kWH......wil iemand een kleine berekening maken van deze
stijging op 6 jaar????? Dat moet waarschijnlijk één van de meest
spectaculaire prijsstijgingen zijn die er de afgelopen 6 jaar zijn
geweest om tenslotte in de zakken terecht te komen van (sommige) dure
leveranciers...
We weten ook wel dat er een stijging is van beschermde klanten maar of
dit zulke spectaculaire stijging van de speciale toeslag kan verklaren
daar hebben wij toch ook zware twijfels over. Bijna 50 keer meer op 6
jaar???? Uitleg is hier wel op zijn plaats...
Microphone Mafia, een Turks/Italiaans/Duitse hiphop-band, maakte
met Esther Bejarano, een holocaust-overlevende, een CD: Per la vita. De
CD is gemaakt ter ere van De Holocaust Memorial Day dat sinds 2005
op 27 januari wordt uitgeroepen. Op 27 januari 1945 werd Auschwitz
bevrijd.
Op 1 november 2005 riep Kofi Annan,
toenmalig secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de
bevrijdingsdatum van Auschwitz, 27 januari 1945, uit tot een
herdenkingsdag: The Holocaust Memorial Day.
Wereldwijd worden op Holocaust Memorial Day de slachtoffers herdacht
van de Holocaust en andere genociden (Cambodja, Rwanda, Srebrenica en
Darfur). Auschwitz is uitgegroeid tot universeel symbool voor de
massavernietiging van burgers.
De dag bracht een ongebruikelijke muzikale combinatie tot stand: de
Turks/Italiaans/Duitse hiphop-groep Microphone Mafia en een joodse
overlevende van de holocaust: Esther Bejarano. Niet alleen kwamen met
deze ontmoeting verschillende nationaliteiten bijeen, maar ook
verschillende geloven: islam, katholicisme, atheïsme en jodendom.
Bejarano overleefde de oorlog omdat ze accordeon kon spelen. Ze werd
daardoor opgenomen in het kamporkest. Microphone Mafia is een
sociaal-bewuste band uit Keulen en rapt over discriminatie en sociaal
onrecht. 3 rappers in de groep, zoals frontman Kutlu Yurtseven, zijn
nakomeling van Turkse en Italiaanse gastarbeiders.
Aan de basis van deze bijzondere samenwerking stond het idee van de
Federatie van Duitse vakbonden om een tegengeluid te bieden aan CD's
die neo-Nazi's tussen 2004-2006 op scholen in Duitsland probeerden rond
te delen. De vakbondfederatie vroeg Microphone Mafia om voor het
onderwijs een CD met rapversies te maken van Joodse liederen. Het
contact dat toen ontstond met Esther Bejerano resulteerde uiteindelijk
in de recent uitgekomen CD Per la Vita.
Op Spiegel.de zegt Bejarano dat ze eerst wel schrok toen ze de naam van
de band hoorde. Mafia? Ook vond ze de bandleden nogal druk op het
podium. 'Het zijn erg aardige mensen, maar ze zijn een beetje
chaotisch. Ze springen op het podium rond. Ik vroeg aan ze of ze niet
iets rustiger aan moesten doen, maar het publiek vond het leuk en
danste en juichte ons toe.'
In Nederland vindt De Holocaust Memorial Day ieder jaar plaats op de
laatste zondag in januari; de herdenking wordt gehouden bij het
Auschwitz Monument (het Spiegelmonument van Jan Wolkers) in het
Wertheimpark in Amsterdam
en intussen kunnen jullie toch ook al beginnen met petities te tekenen!
SOLIDAIR MET OPEL ANTWERPEN
We hebben allemaal met ontstemming kennis genomen van de intentie tot
sluiting van de OPEL-vestiging in Antwerpen.
Ook al wilde de GM directie de sluiting snel regelen. De werknemers van Opel
geven de strijd niet op. Zij blijven vechten voor hun job - voor hun
fabriek - voor onze industrie - voor onze welvaart.
Verspreid deze oproep zo massaal mogelijk - plaats de link op je website /
blog - verspreid de oproep via alle mogelijke sociale netwerken (Facebook - Twitter
-...)
oeioeioei, de werkgevers zijn boos. Nu de vakbonden weer wat in de
volksgunst stijgen dank zijn de conflicten bij Inbev en Opel gaan ze in
de tegenaanval. Ondernemers verdienen respect zeggen ze. Alsof er ooit
iemend zal beweren dat geen enkele ondernemer respect verdient. Maar
ook niet meer en ook niet mpinder dan een werknemer, werkloze,
gepensioneerde, invalide enz...Iedereen verddient gerespecteerd te
worden. Dat is ons standpunt. Maar in feite verwachten sommige
werkgevers, gelukkig een minderheid, een standbeeld op elk kerkplein.
En maar zagen over loonhandicap en dure ontslagregelingen, man man man.
Belgiê wordt het Griekenland aan de Noordzee. Ze zullen dat graag horen
bij de Oostendse horeca... Het lijkt ons trouwens ook nogal
duidelijk dat het als werkgever veel leuker moet zijn als je je
hulpboekhouder met 30 jaren trouwe dienst kan buitengooien met een
opzeg van 3 maanden ipv ééntje van 30 maanden. Je moet geen 4 jaar
psychologie gedaan hebben om daarvan de goeie kanten te begrijpen. Wij
moeten echter ook geen grote diploma's kunnen voorleggen om te
begrijpen wat de minder goeie kanten zijn en vooral voor wie...
BRUSSEL - De topmanagers en voorzitters van het consortium van elf
werkgeversorganisaties — gaande van VBO en Voka tot de Duitstalige AVV
en het Limburgse VKW — hopen met hun mediacampagne meer begrip los te
weken voor het bedrijfsleven.
‘We betuigen onze steun aan de mensen die in de voorbije weken door
slecht nieuws zijn getroffen en hun baan hebben verloren', aldus
VBO-voorzitter Thomas Leysen. ‘Maar we vinden het ongepast dat ondernemers steeds weer als zondebok worden aangewezen. Elk ontslag, elke inkrimping is voor een ondernemer een nederlaag.'
Leysen had het gisteren over een ‘gebrek aan respect voor de ondernemers die door hun initiatieven en investeringen proberen om te innoveren, jobs te creëren en welvaart te scheppen'.
Als voorbeeld verwees hij, zonder het bedrijf bij naam te noemen, naar de politieke commotie over het conflict bij AB InBev.
‘Er
kunnen vragen gesteld worden over de aanpak van herstructureringen door
sommige bedrijven, maar de politiek vaardigt meteen nieuwe regels uit
over de toekenning van bonussen. Om zo in één klap alle ondernemers te culpabiliseren. Wat nogmaals bewijst: het is verkeerd om wetten te maken als reactie op het nieuws van de dag.'
De
werkgeversorganisaties benadrukken dat ze willen ‘meewerken aan een
beter sociaal-economisch klimaat'. Met hun gezamenlijke campagne hopen
ze aan te tonen dat de Belgische ondernemers
niet bij de pakken blijven zitten: ‘Ze willen zich in de strijd werpen,
investeringen aantrekken, internationaal doorbreken. Maar dan moeten ze
de nodige ruimte krijgen om te ondernemen.'
Ondernemers eisen respect
dinsdag 26 januari 2010
Auteur:
Johan Rasking
Ondernemers eisen respect
tt
BRUSSEL - Aan de vooravond van de nationale
vakbondsbetoging, vrijdag, dingen de ondernemersorganisaties openlijk
naar de gunst van burger. ‘Het moet gedaan zijn om de ondernemers
altijd als zondebok te gebruiken.'
Van onze redacteur
Het Belgische bedrijfsleven voelt zich in het nauw
gedreven. Het imago van de ondernemers heeft in de voorbije weken
flinke klappen gekregen, onder meer door de sluiting van Opel Antwerpen
en het sociaal conflict bij AB InBev. Vrijdag houden de drie vakbonden
een nationale betoging tegen het ‘wilde kapitalisme' van de
bedrijfsmanagers en het ‘dumpen van weerloze werknemers'.
Het vakbondsprotest krijgt veel weerklank in de media en
kan op veel begrip en steun rekenen bij de politieke beleidsmakers. Dat
zit de Belgische ondernemers dwars. Om het tij in de publieke opinie te
keren, lanceren elf werkgeversorganisaties — onder leiding van het
Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) — een mediacampagne onder de
slogan: ‘Laat ons ondernemen'.
Het is de bedoeling om burgers, bonden en overheid te doen
inzien ‘dat de ondernemers niet het probleem zijn, maar een deel van de
oplossing', zegt VBO-voorzitter Thomas Leysen. Volgens Leysen ‘moet het
gedaan zijn om de ondernemers altijd en overal als zondebok te
gebruiken'. Hij draait de redenering om: ‘Onze ondernemers verdienen
respect.'
Vanaf morgen verschijnen er advertenties in alle kranten en
weekbladen waarin bekende en minder bekende ondernemers getuigen over
hun liefde voor hun bedrijf. Ze smeken om hulp. ‘Ondernemers mogen geen
uitstervend ras worden.'
VBO-voorzitter Leysen eist dat overheid en vakbonden haast
maken met maatregelen om de Belgische bedrijven weer concurrentieel te
maken tegenover de buurlanden. ‘Anders dreigt België in de komende
jaren het “Griekenland aan de Noordzee” te worden.'
De oproep van de ondernemers moet een tegengewicht vormen
voor het straatprotest dat de vakbonden vrijdag organiseren. Ook
vrijdag, de dag van de betoging, zullen de ondernemersadvertenties
verschijnen. Leysen maakte zich gisteren boos op de bonden. ‘Is het
echt nodig om op een werkdag te betogen? Kan er in het weekeinde geen
actie gevoerd worden? Stop met de bedrijven te straffen.'
De elf ondernemersfederaties verzamelden gisteren in enkele
uren tijd ruim 8.000 handtekeningen op een online petitie die hun
media-actie ondersteunt. Afwachten of de bonden vrijdag meer volk op de
been kunnen brengen. Het socialistische ABVV verwierp gisteravond
alvast in één pennentrek alle voorstellen en opmerkingen van de
werkgevers.
De Morgen schrijft:
" Luc Voets, hoofd studiediensten ABVV: De intentie van GM-topman Reilly om 2.600 werknemers op straat
te zetten door Opel Antwerpen te sluiten inspireert sommigen om na te
trappen naar werknemers en vakbonden. Hoe moet men anders de
stelling interpreteren van Geert Noels en anderen dat de hoge loonkost
de kernoorzaak van dit drama is (DM 22/1)?
Enkele feiten op een rij: het aandeel van de lonen in de automobiel
bedraagt zo"n 20 procent. De loonafwijking met Duitsland werd na de
rondetafel over de sector aangepakt door de invoering van fiscale
kortingen. Daarnaast kon de autonijverheid genieten van een fiscale
looncorrectie die op alle bedrijven van toepassing is en waardoor een
deel van de ingehouden belasting op brutolonen niet moet worden
doorgestort. Daar bovenop werd de flexibiliteit verhoogd door de
invoering van het "plusminus conto" dat de arbeidstijd aanpaste aan de
productiecyclus van een wagen. Hoe veel verder kun je nog gaan?
Diegenen die beweren dat er voor 2008 niets gedaan werd, zouden zich
beter eerst informeren. En als ze beweren dat loonkostenbeheersing de
centrale hefboom voor het behoud van onze welvaart is, liegen ze de
bevolking voor.
Duitsland wordt als voorbeeld aangehaald voor loonkostenontwikkeling,
maar ook daar sneuvelen 4.600 banen in het GM-saneringsplan. De
productie van de kleine SUV"s die aan Antwerpen beloofd werd, gaat niet
naar Duitsland maar naar Zuid-Korea. Willen de loonkostenfetisjisten de
Europese lonen terugbrengen op het niveau van Zuid-Korea?
Waarom worden in die analyses de echte problemen onder de mat geveegd?
Er is in de eerste plaats het probleem van overcapaciteit. De
financiële crisis heeft dit structurele probleem nog erger gemaakt.
Werknemers vrezen voor hun job en stellen de aankoop van een auto uit.
Bovendien was er een gebrek aan visie van de sector om een auto van de
toekomst uit te bouwen die rekening houdt met de uitdagingen van de
klimaatopwarming.
Ook Europa liet verstek gaan. In deze strijd, die België noch
Vlaanderen kan winnen, kan de schade op korte termijn het meest beperkt
worden in de grote lidstaten. Dit is echter een pyrrusoverwinning en de
schade die aan de Europese eenmaking wordt aangebracht, is niet te
overzien. Het Belgisch voorzitterschap moet er een prioriteit van maken
om die concurrentie om te zetten in samenwerking. Laat ons doen wat
Manager van het Jaar Bert De Graeve treffend zei: "Leg alle Europese
middelen voor innovatie bij elkaar, dan kun je niet anders dan een
macht zijn. Met 27 kleine roeibootjes kun je het nooit halen tegen een
gigant als China."
Wie de discussie wil beperken tot een loondebat verhindert het echte debat en brengt onze welvaart in gevaar.
Bron: DM 23/01/2010
Voilà, lik op stuk. Men vergeet
trouwens ook nog dat het in Belgistan perfect mogelijk wordt om iemand
tewerk te stellen bijna tegen het Zuid-Koreaans minimumloon en over de
notionele intresten horen we ook niks zeggen aan de uiteinde van de
tafel...
We geven hieronder het meest recente voorbeeld van belgische
loonhandicap...maar we weten dat de Fransen hun personeel gedeeltelijk
in wijn en Camembert uitbetalen, de Duitsers in Bratwurst en de
Ollanders de pare maanden in bloembollen en de anderen in kaas. Maart dit is nog veel straffer:
Ministerraad: vorming werknemers en verlaging sociale bijdragen
15 januari 2010, 18:38
De
ministerraad heeft vrijdag drie koninklijke besluiten goedgekeurd die
de vorming van werknemers in crisistijden moeten versterken. Een vierde
besluit zorgt ervoor dat de vermindering van de patronale sociale
bijdrage ook wordt toegekend aan werknemers met lage lonen en
werknemers jonger dan negentien jaar.Dit en volgend jaar wordt
42 miljoen euro extra uitgetrokken om de lage loongrens van de
structurele vermindering van de sociale bijdragen nog op te trekken,
stelde minister van Werk Joëlle Milquet na afloop van de ministerraad.
Vanaf 1 januari 2010 werd de grens opgetrokken van 5.870 naar 6.030
euro, waardoor ook de vermindering van de sociale bijdrage omhoog ging.
Voor werknemers jonger dan negentien jaar wordt een volledige
vrijstelling voorzien. Daarnaast kunnen werknemers van 45 jaar of ouder
of met minstens vijf jaar ervaring die ontslagen werden in het kader
van een herstructurering, worden aangeworven als opleiders of
begeleider. Ze genieten van een tenlasteneming van het loon voor 1.100
euro per maand via een activering van de werkloosheidsuitkeringen die
de werkgever kan aftrekken van het nettoloon, en van een
bijdrageverminderuing van 1.000 euro per kwartaal. Een ander besluit
trekt het aantal stages binnen het stelsel van de Startbaanovereenkomst
op. Die maatregel moet ertoe bijdragen stages van jongeren in een
beroepsomgeving te ontwikkelen en jongeren de kans geven meer
werkervaring op te doen. Het laatste kb zorgt voor een vermindering van
de sociale bijdragen met 400 euro per kwartaal voor een werkgever die
een mentor aanwijst voor de professionele omkadering van stagiairs.
(LOD)
vermoedelijk zullen de Chinese werkgevers meer uitgeven aan het
loon van hun arbeiders dan hier voor sommige categorieën werknemers het
geval is. Of zien we het verkeerd?
Allez hop, Leysen en C° terug echt ondernemen en minder lullen graag.
Omdat dit ons erg ergerde stellen we onze beloofde energiebijdrage dus
uit. Maar het komt ...Nog eventjes geduld!
den ellentrik of hoe je veel moet verbruiken om een gunstig sociaal tarief te krijgen
om geen uitspraken te moeten doen over dwaze zaken zoals het eventueel
bezoek van onze king Albert aan den Congo of de vraag of je als
minister al dan niet een pint mag pakken met Afrikaanse koningen à la
Kabila zijn wij weer eens gaan snuisteren op onze energiemarkt...
We
lazen in de Tijd dat zeker niet het partijblad van de linkse Belgen kan
genoemd worden een uitspraak van energieminister en Electrabelkenner
Magnette. Deze uitspraak behoeft niet onmiddellijk een groot inzicht in
de Belgistaanse energiemarkt want ons tante Lalie (Eulalie voluit)
zegt al drie jaar net het zelfde in de katholieke naaikring van
Smeerebbe-Vloerzegem. Maar het is natuurlijk altijd wat beter een
bevoegd minister te citeren dan onze onbekende tante Lalie http://www.tijd.be/nieuws/ondernemingen_energie/Energiemarkt_werkt_niet-_vindt_Magnette.8286870-432.art
Energiemarkt werkt niet, vindt Magnette
De
liberalisering van de energiemarkt is mislukt. Dat stelt minister van
Energie Paul Magnette (PS) vrijdag in De Morgen en Le Soir. 'De
vrijmaking is enkel erg genereus geweest voor de betrokken bedrijven,
maar helemaal niet voor de consumenten', geeft hij toe. 'Dat moeten we
dus corrigeren met meer regulering.'
(belga)
- 'Daarnaast moet ook de Europese regulator van de energiemarkt, de
Europese Creg zeg maar, meer zeggenschap krijgen', vindt Magnette. 'Op
die manier moet er een nivellering van de prijs komen voor heel Europa,
in het voordeel van de consument.' En nu ons land ook eindelijk een
ombudsman voor energie heeft, zou een Europees netwerk van ombudsmannen
de consument volgens hem bijkomende bescherming kunnen bieden.
Magnette
is ook van oordeel dat de markt moet worden uitgebreid en dat met onze
buurlanden akkoorden moeten worden afgesloten rond invoer of de bouw
van bijkomende capaciteit in België.
De wettelijke uitwerking
van het protocolakkoord met GDF Suez zou dan weer tegen Pasen rond
moeten zijn, belooft de minister. 'Inclusief oprichting van een
opvolgingscomité, dat zich zal buigen over de prijscontrole. Het
perspectief van de kernuitstap blijft bewaard, ondanks de afgesproken
verlenging van de levensduur van de drie oudste kerncentrales.'
Tot
slot kondigt Magnette ook een actieplan aan om de vooropgestelde 13
procent hernieuwbare energie tegen 2020 te behalen. Dat zal worden
uitgewerkt in samenwerking met de regionale ministers en de sociale
partners. Een mogelijke piste daarbij is die van de elektrische wagen,
al waarschuwt hij meteen voor overdreven optimisme daarover.
Dus
Magnette wil meer regulering en het met het Amerikaanse Enron-scenario
nog voor ogen kunnen we dat natuurlijk alleen maar toejuichen. Het moet
natuurlijk wel een intelligente regulering worden en geen imbeciele
plannen à la SP-a met de extra-wettelijke pensioenen. Wie intelligente
regulering zegt spreektinderdaad best, zoals Magnette, over de rol van een
Europese regulator. Dus dit zijn goeie punten voor onze vriend
Magnette. Energie is in eerste instantie een Europees probleem geworden
omwille of dank zij de interconnecties die elk land met buurlanden
heeft. Dat wil zeggen dat er constant elektriciteit uitgewisseld wordt
tussen de verschillende Europese landen. Tot voor kort voerden we
voornamelijk Franse (kern)elektriciteit in maar vermits ze ginder zelf
te kort hebben komt er nu nogal wat Oostenrijkse elektriciteit uit onze
stekkertjes. En dus zou je best dit handeltje op Europees vlak
reguleren en aldus niet onaardige energiebesparingen kunnen
realiseren. Men werkt er inderdaad aan maar hij is er nog lang niet. De
Belgische CREG...
We vonden ook nog wat concretere voorbeelden die bovenstaande uitspraak over de mislukte liberalisering alleen maar kunnen staven:
'Gasleveranciers manipuleren prijzen'
De
gasleveranciers manipuleren de gasprijzen om ze kunstmatig hoog te
houden. Dat zegt de voorzitter van het directie-comité van
energiewaakhond CREG, François Possemiers.
(belga)
- 'We hebben de plotse stijging van de tarieven in 2007 onderzocht',
aldus Possemiers in een interview met De Morgen. 'Een deel van de
stijging kwam door aanpassingen aan de marktindex die wordt toegepast
in de eindfacturatie aan de klant. Er werden andere indexen gecreëerd,
wat leidde tot de forse stijging. Verschillende leveranciers hebben dat
gedaan.'
De CREG beschuldigde eerder al Electrabel van het kunstmatig hoog houden van de elektriciteitsprijzen.
Electrabel
verwerpt zondag 'elke beschuldiging van manipulatie van de gasprijzen'
in een reactie op de uitspraken van de voorzitter van de CREG.
Electrabel
vindt dat het niet kan reageren op de beschuldigingen zolang het niet
alle informatie heeft. Het energiebedrijf voegt eraan toe dat de prijs
van gas netto gedaald is als gevolg van een wereldwijde daling van de
prijzen voor olieproducten. De prijs van gas lag in december 2009
gemiddeld 30 procent lager dan in december 2008, preciseert het
persbericht.
Tot slot wijst Electrabel erop dat in de recentste
vergelijking van de gasprijzen in Europese landen, de Belgische prijzen
zich in de middenmoot bevinden van de prijzen in vergelijking met onze
buurlanden.
Welwelwel,
volgens de Creg , onze nationale regulator worden we dus weer maar eens
gemolken door de leveranciers. We zijn dat nu wel stilaan gewoon
geworden maar toch.
En nu we het dan toch hebben over
tarieven en prijzen maakten we eveneens een verkenningsronde on de
Cregsite op zoek naar interessante weetjes. Zo vonden we inderdaad de
bewijzen van een mislukte liberalisering van de elektriciteitsmarkt. Voornamelijk te wijten aan de stijgende prijzen van de distributie...en dat is dus nu eens niet Electrabel...tiens tiens tiens
Besluiten : De vrijmaking speelde in het voordeel van de huishoudelijke klanten in het Vlaams gewest. De distributiekosten liggen er lager dan het nationaal gemiddelde en de gratis kWh toegekend door het gewest werden behouden. Vanaf 2005 maakte de door de CREG uitgeoefende druk op de distributietarieven dit voordeel onmiskenbaar, maar vanaf 2008 zijn de distributietarieven merkelijk gestegen als gevolg van de rechterlijke beslissingen die de bevoegdheden van de CREG beperkten en neemt het voordeel van de vrijmaking duidelijk af. Een goede keuze van 12 leverancier maakt het echter nog altijd mogelijk om minder te betalen dan het geïndexeerde gereguleerde tarief van 2004. In Wallonië liggen de distributiekosten hoger dan het nationaal gemiddelde en speelt het feit dat de leveranciers hun tarieven afstemmen op die welke ze in Vlaanderen toepassen, met een vaste term die merkbaar gestegen is ten opzichte van het oude gereguleerde tarief en zonder gratis kWh, een nadelige rol. Sinds de stijging van de distributietarieven vanaf 2008, om dezelfde redenen als in Vlaanderen, is de toestand nog verslechterd en voor sommige verbruikers, zelfs al kiezen ze de voordeligste leverancier, is het niet meer mogelijk een betere prijs te betalen dan onder het oude gereguleerde stelsel. Deze algemene besluiten blijven gelden in december 2009. Vanaf juli 2009 worden nieuwe distributietarieven toegepast door Eandis, wat een duidelijk opwaartse invloed op de prijzen in Vlaanderen heeft ; vanaf september hebben alle leveranciers deze verhoging opgenomen in hun op internet verschenen tarieven. In Wallonië vanaf oktober 2009, en in Brussel in november 2009 heeft dit een opwaartse invloed op de prijzen; in oktober houden enkel de rekenmodules van de CWaPE en van BRUGEL er al rekening mee ; de websites van de leveranciers ECS, Luminus, Essent en Nuon werden aangepast in november, de overige leveranciers hebben hun websites aangepast in december.
Dus
blijkbaar betaalt de modale Waal nog meer de gebroken potten dan de
modale Vlaming. We zullen voor één keer geen klaagzangen moeten noteren
vanuit het Noorden. Maar het is toch interessant te vernemen dat de stijging voornamelijk te wijten is aan de verhoogde distributietarieven en laat ons dus een kat een kat noemen daar hebben de leveranciers dus niks mee te maken
Hoe staat het nu met de sociale tarieven
elektriciteit of de tarieven voor onze zwakke medeburgers? Zijn jullie
ook benieuwd? Het gaat enkel over elektriciteit!
Besluiten : De nieuwe sociale tarieven hebben de huishoudelijke klanten in het Vlaams gewest bevoordeeld, behalve de kleinste. De gratis kWh toegekend door het gewest bleven er behouden en vervingen geheel of gedeeltelijk de vroegere gratis 500 kWh aangeboden door het oude sociale tarief. In Wallonië en Brussel zijn de nieuwe sociale tarieven, bij gebrek aan gratis kWh, minder interessant gebleken dan in Vlaanderen en vanaf het begin voor de zeer kleine verbruikers zelfs minder interessant dan het oude tarief. Tijdens de eerste helft van 2009 waren de nieuwe sociale tarieven op basis van de laagste marktprijzen minder voordelig geworden dan de oude sociale tarieven. De sociale tarieven, die gelden van augustus 2009 tot januari 2010 en lager zijn dan tijdens de vorige periode, zijn opnieuw gunstiger geworden dan de oude voor de gemiddelde afnemers in Vlaanderen en voor de grootste verbruikers in alle gewesten. De nieuwe sociale tarieven die gelden van februari tot juli 2010 gaan weinig omhoog voor de normale tarieven maar meer voor de tweevoudig uurtarieven, die terug op het peil van het oud sociaal tarief in Vlaanderen komen. Voor alle afnemers in Wallonië en Brussel, alsook in Vlaanderen voor de kleinste verbruikers, ligt het nieuwe sociaal tarief boven het peil van het oude. De evolutie hiervan wordt echter verwacht tijdens de eerstvolgende maanden in stijgende zin te gaan. Noteer dat de gratis KWh in Vlaanderen, waarvan de waarde in 2010 nog niet gekend is, tegen hun waarde van 2009 in 2010 werden genomen voor het opstellen van de grafieken.
Ons
besluit is dus: om wat voordeel te halen als sociaal zwakke
elektriciteitsverbruiker moet je veel verbruiken anders betaal je meer
dan vroeger met de oude sociale tarieven...wie deze logica begrijpt is
een genie...ook de logica dat Brussel en Wallonië, niet meteen de
rijkste gebieden in Belgistan, de minst voordelige sociale tarieven
kennen, ontsnapt ons volledig...wil ons iemand dat komen uitleggen.
Liefst een linkse sos die gespecialiseerd is in energie als er
tenminste nog zo een wild exemplaar rondloopt in Vlaanderen...
Morgen kijken we naar de gastarieven en naar de federale bijdrage, nog zo een interessant beestje...
en vooraleer we doorgaan met sixtiesmuziek laten we de jongsten
kennismaken met of brengen we de oudsten de idiote dansjes ter
herinnering waarmee de witte jeugd zich amuseerde en naar een geschikte
partner zocht...met dergelijk paringsdansen sterft elke soort ooit
onherroepelijk uit
Lang geleden dat we nog iets van de SP-a hadden gehoord, laat staan
erover geschreven. Onze lievelingspolitica Gennez waanden we bedolven
onder Haïtiaanse brokstukken. En zie plots duikt ze weer levend en wel
op. De nieuwjaarsreceptie is altijd biedt altijd een mooie gelegenheid
voor een forse toespraak en revolutionaire ideeën. Dit jaar was het
weer middenin de roos. Dat levert het voordeel op dat je effe in de
pers verschijnt en daarna niks meer. Voor de inhoud van de toespraak
hopen we inderdaad dat er geen wijziging optreedt in dit ijzersterke
scenario. Want één ding zien we echt niet zitten namelijk de
verwezenlijking van het geniale pensioenplan van Gennez...eerst laten
we jullie lezen waarover het gaat:
Sp.a: "Stop geld reddingsoperatie banken in het Zilverfonds"
De sp.a
wil dat de regering het geld dat ze gebruikte om de banken te redden in
het Zilverfonds stopt. Bovendien willen de Vlaamse socialisten dat elke
werknemer voortaan recht krijgt op een tweede pensioenpijler. Dat
maakte voorzitster Caroline Gennez zondag bekend in haar nieuwjaarstoespraak.
Volgens Gennez gebruikt de regering de economische crisis als
een alibi om niets te doen en wordt daardoor het sociaal model
uitgehold. Ze vindt het niet kunnen dat het Zilverfonds wordt
afgebouwd. "Indien wij de afgelopen 20 jaar zo onze oren laten hangen
als deze regering, dan was er vandaag geen sociale bescherming meer",
aldus Gennez.
Pensioenen
Volgens de sp.a
zijn de pensioenen vanaf 2014 niet langer betaalbaar, maar doet de
regering hier niets aan. Daarom werkt de partij aan een pensioenplan
dat de problemen moet aanpakken.
Zo willen de socialisten dat alle werknemers recht krijgen op een
aanvullend pensioen. Alle individuele pensioenregelingen op
ondernemingsniveau moeten bovendien geïntegreerd worden in het publiek
pensioenfonds. Zo kan het wettelijke pensioen versterkt worden.
Banken
De sp.a
vraagt de regering ook om alle bijdragen die aan de banken werden
gestort in kader van de reddingsoperatie, goed voor zo'n 21 miljard
euro, in het Zilverfonds te stoppen. Dat zijn alle dividenden, premies
en betalingen van de banken en de bijdrage die de financiële
instellingen jaarlijks moeten ophoesten voor de begroting.
Wat ons in dit rattenbvangersverhaal vooral intrigeert is de passage en we citeren letterlijk: "Alle individuele pensioenregelingen op
ondernemingsniveau moeten bovendien geïntegreerd worden in het publiek
pensioenfonds. Zo kan het wettelijke pensioen versterkt worden."
Wil
ons Carolien persoonlijk komen uitleggen wat dit zinnetje exact
betekent want erg duidelijk is dat voor onze muizenbreintjes niet.
Betekent dit dat alle extra-wettelijke pensioentegoeden moeten
overgeheveld worden naar een een staatsfonds? Dat betekent dus concreet
dat alle bedrijfspensioenplannen die meestal de vorm hebben van een
verzekering, genationaliseerd zullen worden of zitten we verkeerd?
We hadden eveneens graag vernomen wat voor een beest "het publiek
pensioenfonds" dan wel kan zijn? Volgens ons is het Belgische
pensioensysteem nu net niet gebaseerd op publieke pensioenfondsen want
er zijn, buiten wat schamele miljarden in het zilverfonds, nooit
reserves aangelegd voor de uitbetaling van de wettelijke pensioenen.
Wij dachten dat we in België met een repartitiesysteem zaten of met
andere woorden de aktieven betalen de pensioenen van de niet-aktieven
wat dus inderdaad dreigt in het honderd te lopen met de
vergrijzingsgolf die eraan komt.
Dus "het publiek pensioenfonds?????" Voor ons is dit een onbekend
beestje...tenzij het zilverfonds bedoeld wordt. Dat zou betekenen dat
alle extra-wettelijke pensioenreserves in het zilverfonds moeten
gestort worden. Hoe de SP-a zoiets geks kan bedenken weten we niet. In
elk geval moet de uitvinder van zulke onzin dringend psychologische
hulp krijgen of tenminste een paar jaar geïnterneerd worden in een
gesloten instelling.
Het is echter totaal kierewiet te bedenken dat de individuele
pensioenregelingen op bedrijfsniveau de wettelijke pensioenen moeten
komen versterken. Waarom zijn die extra-wettelijke juist uitgevonden?
Juist omdat de wettelijke pensioenen in ons Belgistan tot de
allerlaagsten in Europa behoren. Er valt moeilijk mee te overleven als
je enkel daarvan moet trachten rond te komen na een leven hard werken.
Als je dan nog geen eigenaar bent van je eigen woonst dan kan je het
wel schudden zonder vette spaarrekening. En dan zeggen onze inlandse
sossen dat daarmee het wettelijk pensioen moet versterkt worden. Dit is
de sossenwereld op zijn kop en het definitief opgeven van het gevecht
voor een deftig wettelijk pensioen.
Niet dat wij iets zouden hebben tegen de tweede pijler noch tegen
individueel pensioensparen, noch tegen het verwerven van een eigendom,
de drie pijlers naast het wettelijk stelsel maar voor iemand die zich
nog een beetje sos wil noemen is het eerste stelsel, namelijk het
wettelijke pensioen datgene dat er moet voor zorgen dat je je ouwe dag
kan overleven zonder ergens in de goot te zitten bedelen.
Hoe ze trouwens de sollen van de bedrijfspensioenplannen willen
overhevelen daar zullen ze bij de verzekeringen toch graag wat meer
uitleg over krijgen. Als je nu al ziet dat de privéziekteverzekeraars
nu al hun broek vegen aan wettelijke bepalingen die hen verbieden hun
premies drastisch te verhogen maar dat ze een soort index van de
ziekenhuisprijzen moeten volgen en dat dus lekker niet doen dan moeten
de sossen eens duidelijk maken hoe ze dat verzekeringsgels van de
extra-wettelijke pensioenen in handen willen krijgen.
Meestal bestaan deze extra-wettelijke pensioenen trouwens uit twee
gescheiden gedeelten, het patronale (meestal het grootste deel) en het
werknemersgedeelte en bestaan er wel meer dan één systeem met meestal
een totaal andere uitkomst. Je hebt rentesystemen en
kapitaaluitkeringen. Je hebt systemen met een te bereiken doel en
doodsimpele gekapitaliseerde fondsen met wettelijk rendement....zal dat
fameuse onbekende staatsfonds al die verschillende systemen dan zelf
beheren of enkel de sollen opstrijken???? Wij houden ons hart vast. In
elk geval wachten we vol ongeduld op een concrete uitwerking van dit
idiote plan. Maar Gennez is dan toch maar mooi in de pers gekomen en
niet iedereen kan daarvoor op een Belgische vlag trappen in het bijzijn van Miss Belgique. Maar iemand zou Gennez toch eens moeten uitleggen dat je best geen botten draagt onder een snoezig zomerkleedje...Van Brempt weet dat nochtans. Dit niveau van discussies kan de SP-a nog aan, denken we. Over de pensioenen, ooit hun "core-business" zijn ze uitgepraat. Dat is duidelijk.
Velen onder jullie eten graag banaantjes. De lekkerste bananen zijn
natuurlijk Chiquitabananen...het zijn de grootste , de mooiste de
zoetste...maar ze zijn niet zoet voor iedereen. Het is wel geen nieuw
verhaal maar het kan geen kwaad om het toch maar onder ons
waterzonnetje te brengen vooraleer we nog eens een tros Chiquita's in
ons winkelkarretje leggen:
allies in their decades-old struggle against leftist guerrillas.
Colombia's attorney general has now opened a similar case, and has
requested information from the Justice Department. Colombia might also
seek the extradition of eight Chiquita officials on charges that the
company used one of its own ships to smuggle weapons to the same
paramilitary group.
The news about links between bananas and terror comes amid
continuing revelations about the depth and breadth of paramilitary
influence at all levels of government. "Para-politics" has already taken down the country's foreign minister, a provincial governor and the head of the secret police, among others.
Now the mounting scandal is closing in on one of President Álvaro Uribe's closest allies. Just last weekend, the Los Angeles Times
revealed a secret intelligence report that has been circulating
recently at the CIA charging that the head of Colombia's Army, Gen.
Mario Montoya, planned and executed a 2002 military operation with
Medellín-based paramilitaries. Army forces killed at least fourteen
people during "Operation Orion," with dozens more reportedly
disappeared during the sweep.
Many wonder whether the crisis will be the undoing of President
Uribe himself, who is considered Washington's top ally in Latin
America.
These recent disclosures and a growing collection of declassified
documents are beginning to provide a clearer picture not only of how
business is done in Colombia but also of the nexus of
paramilitary-corporate-state terror that fuels Colombia's conflict.
Good Faith?
The indictment
handed down by US Attorneys in the Chiquita case describes in the most
lucid terms the deliberate, methodical nature of the company's
relationship with the paramilitaries.
Chiquita's payments to paras began in 1997, the year the AUC was
formed, and continued until February 2004. Importantly, the company
gave the group at least $825,000 after it was designated a Foreign
Terrorist Organization (FTO) in 2001. US law bars support to any
organization on the State Department's FTO list.
Chiquita had been making similar payments to the leftist FARC and
ELN guerrillas since returning to Urabá in 1989. Seven years earlier,
the company had sold off its holdings in the war-torn region, but was
lured back by the promise of expanding international fruit markets.
It is not immediately clear what weighed into Chiquita's decision to
switch from the guerrillas to the paras in 1997. One factor may have
actually been the law. That year, both the FARC and ELN were added to
the FTO list. The AUC was not added until 2001. But it was also clear
that the paras had gained the upper hand in Urabá, the country's top
banana-growing region, and the center of Chiquita's Colombia
operations.
The payments were arranged by Carlos Castaño, the AUC's fugitive
(now deceased) leader, in a 1997 meeting with officials from Banadex, a
wholly-owned Colombian subsidiary of Chiquita. Castaño and other
paramilitary chiefs formed the AUC that same year, coordinating the
military and political strategies of previously disparate paramilitary
groups.
The indictment suggests that the paramilitary chief used a
combination of coercion and enticement. "Castaño sent an unspoken but
clear message that failure to make the payments could result in
physical harm" to the company and its personnel. On the other hand, he
also assured Banadex "that the AUC was about to drive the FARC out of
Urabá."
Castaño delivered on his promise. The first payment came just in
time to help underwrite a major southward expansion of paramilitary
influence in the country. Over the next seven years, Chiquita would
make more than 100 separate payments to the AUC, and the AUC would
carry out some of its most shocking massacres.
The paramilitary offensive began with the July 1997 killings of at
least thirty civilians in Mapiripán, a traditionally
guerrilla-controlled hamlet in a remote coca-growing region in
southeastern Colombia. Some 200 AUC paramilitaries were flown in from
Urabá to carry out the slaughter, their entrance and exit facilitated
by local army troops.
Paramilitary killings rose dramatically while the payments
continued. The AUC quickly gained a reputation for the shocking
brutality of its crimes, and Castaño openly boasted about many of them.
The slaughter left a trail of mangled corpses across the country, from
the banana farms of Urabá to the coca fields of Putumayo. An
overwhelming majority of the victims were civilians.
The indictment states that the payments "were reviewed and approved
by senior executives of the corporation," who knew by no later than
September 2000 "that the AUC was a violent, paramilitary organization
led by Carlos Castaño.
Chiquita insists that it was simply trying to do the right thing.
"The payments made by the company were always motivated by our good
faith concern for the safety of our employees," Chiquita CEO Fernando
Aguirre said in a statement published March 22 in the Chicago Tribune.
The "good faith" payments continued for more than a year even after the
company disclosed the relationship to the Justice Department in 2003.
At that time, Chiquita's lawyers insisted that the company terminate
the arrangement. "Must stop payments," said one note obtained by
prosecutors. "You voluntarily put yourself in this position," read
another. "Duress defense can wear out through repetition. Buz
[business] decision to stay in harm's way. Chiquita should leave
Colombia."
Astoundingly, Chiquita made at least nineteen more payments even
after the Justice Department told the company that "payments to the AUC
were illegal and could not continue."
Mario Iguarán, Colombia's attorney general, says he will seek the
extradition of eight Chiquita officials connected to the case. His
office is also seeking information about charges that in 2001 a ship
unloaded some 3,400 AK-47 rifles and 4 million rounds of ammunition in
a Banadex-controlled dock in Colombia destined for the AUC. These
charges were first detailed in a 2003 report from the Organization of
the American States.
"This was a criminal relationship," said Iguarán, in a recent report published in theWashington Post. "Money and arms and, in exchange, the bloody pacification of Urabá."
The Convivir Connection
The Chiquita indictment also implicates the Colombian state through
a program known as Convivir, a network of hundreds of private security
cooperatives licensed by the government to patrol rural areas and
gather intelligence under the direction of local military commanders.
The Convivir connection is particularly resonant now. President
Álvaro Uribe was one of the program's key sponsors while governor of
that region in the mid-1990s. As president, he has established similar
intelligence and security networks around the country.
The indictment lists dozens of AUC payments that were channeled
through "intermediaries" from "various" Convivir groups in Urabá. The
AUC used these groups "as fronts to collect money from businesses for
use to support its illegal activities."
The fact that the company was obliged to channel its illegal
payments through the ledgers of the state-backed security network is
especially telling. Clearly the AUC did not expect any interference,
and in the end, the Convivir appear to have functioned much as US
intelligence predicted they would.
From the start, US military officials had said that the program
would "degenerate into uncontrolled paramilitary groups." Ambassador
Myles Frechette wrote in 1994 that there had "never been an example in
Colombia of a para-statal security group that has not ultimately
operated with wanton disregard for human rights or been corrupted by
local economic interests."
One Colombian Army colonel told the Embassy in 1997 that there were
"serious problems with the legal 'Convivir' movement," and acknowledged
the "potential for the convivir's to devolve into full-fledged
paramilitaries."
Indeed, the Convivir were linked to the most brutal massacres of the
AUC offensive. The president of one Urabá-based Convivir was found at
the scene of a 1998 massacre of fourteen peasants near the Colombian
capital. One Colombian expert told the US Embassy that, like Mapiripán,
these killings "sent a message to the FARC that the paramilitaries can
go anywhere and do anything. Not long thereafter, the president of one
Urabá-based Convivir was found dead at the scene.
Above all, it was clear that the military was neither prepared nor
inclined to challenge Castaño. In 1998 the CIA reported that senior
Colombian military officers were "frustrated with the military's dismal
performance on the battlefield" and might "increasingly view turning a
blind eye--and perhaps even offering tacit support to--the
paramilitaries as their best option for striking back at the
guerrillas."
Then-Armed Forces Commander Manuel Bonett, like his predecessor,
Harold Bedoya, had demonstrated "little inclination to combat
paramilitary groups," according to another CIA report.
The information obtained by the Times last week suggests
that the CIA also has serious doubts about whether Colombia's current
army commander has the resolve to sever paramilitary ties. The
allegations link General Montoya to Diego Murillo, the former leader of
a vicious paramilitary group based in Medellín. Murillo currently sits
in a Colombian jail, while the government mulls his extradition to the
United States on drug charges.
The Cost of Doing Business
"Funding a terrorist organization can never be treated as a cost of
doing business," said US Attorney Jeffrey Taylor in a press release
about the Chiquita case. But while the Justice Department deserves some
credit for pursuing the company's ties to the paras, the result is
unlikely to have much impact on the way business is done in Colombia.
With last week's plea, Chiquita has received an even better deal
than the AUC is getting under President Uribe's "Justice and Peace"
program.
Critics deride "Justice and Peace" as an "amnesty" scheme designed
specifically for Colombia's paramilitary armies. The plan calls on the
AUC to disarm and demobilize its forces in return for dramatically
reduced criminal penalties. Paramilitary leaders who agree to make full
confessions and nominal reparations payments to the thousands of
victims of the group's ghastly reign of terror are guaranteed light
sentences under the program.
But despite the new evidence, the process is unlikely to uncover
much about Montoya's paramilitary sympathies, or the military's
Convivir networks. The government commission established to adjudicate
the truth and reparations process is not specifically authorized to
investigate the Colombian state, only "illegal armed groups."
It does seem likely that the CIA disclosure will strain relations
with the Colombian military. As head of the Colombian army, General
Montoya wields tremendous influence, and the United States needs his
support for its counternarcotics programs and other priorities.
Montoya's fate may be more closely tied to decisions made by a
Democrat-controlled US Congress than by the Colombian justice system.
The Chiquita case provides one additional twist. Lauded in recent
years for the unprecedented number of narco-trafficking suspects it has
handed over to the United States, the Colombian government has now
turned the extradition issue on its head, putting the US government in
the delicate position of responding to Colombia's request for the
extradition of Chiquita executives. This case will surely be one to
watch, as the Colombian government relishes its chance to divert
attention away from its own paramilitary problem.
But if history is any guide, the Chiquita execs have little to fear.
Impunity is far more frequently the rule than the exception in
Colombia. And for the time being at least, coming to some sort of modus
vivendi with paramilitaries is likely to remain the "cost of doing
business" in Colombia.
CBS)This story was first published on May 11, 2008. It was updated on Aug. 9, 2009.
For
American corporations, the rewards of doing business abroad are
enormous, but so are the risks. And over the past 25 years no place has
been more perilous than Colombia, a country that is just beginning to
emerge from the throes of civil war and narco-terrorism.
Chiquita
Brands International of Cincinnati, Ohio, found out the hard way. It
made millions growing bananas there, only to emerge with its reputation
splattered in blood after acknowledging it had paid nearly $2 million
in protection money to a murderous paramilitary group that has killed
or massacred thousands of people.
As correspondent Steve Kroft
reported last year, the victims' families are now suing Chiquita in an
American court, and investigators in Bogota and on Capitol Hill are
looking at other U.S. companies that may have done the same thing.
From
the air, the plains of the Uraba region are carpeted with lush foliage
of banana plantations, which have long provided a livelihood for the
people of northern Colombia. And for the better part of century, its
best known product has been the Chiquita banana.
But since the
1980's, the business of bananas there has been punctuated with gunfire.
First, the area was taken over by Marxist guerillas called the "FARC,"
whose ruthlessness at killing and kidnapping was exceeded only by the
private paramilitary army that rose up to fight them. Chiquita found
itself trying to grow bananas in the middle of a war, in which the
Colombian government and its army were of no help.
"These lands
were lands where there was no law. It was impossible for the government
to protect employees," says Fernando Aguirre, who became Chiquita's CEO
long after all this happened.
Aguirre says the company was
forced to pay taxes to the guerillas when they controlled the territory
in the late 1980s and early 90s. When the paramilitaries, known as the
"AUC," moved in in 1997 they demanded the same thing.
"Did the
paramilitaries state, specifically to you, that if you didn't make the
payments, your people would be killed?" Kroft asks.
"There was a
very, very strong signal that if the company would not make payments,
that things would happen. And since they had already killed at least 50
people, employees of the company, it was clear to everyone there that
these guys meant business," Aguirre says.
Chiquita only had a
couple of options and none of them were particularly good. It could
refuse to pay the paramilitaries and run the risk that its employees
could be killed or kidnapped, it could pack up and leave the country
all together and abandon its most profitable enterprise, or it could
stay and pay protection, and in the process, help finance the
atrocities that were being committed all across the countryside.
"These were extortion payments," Aguirre says. “Either you pay or your people get killed.”
"And you decided to pay," Kroft remarks.
"And the company decided to pay, absolutely," Aguirre says.
There was no doubt in the company's mind that the paramilitaries were very bad people, Aguirre says.
Just
how bad was already becoming evident. The paramilitaries, who were
funded initially by large landowners, and later by the cocaine trade,
not only drove the Marxist guerillas from the area, they tried to
eliminate anyone who might have leftist sympathies, from labor leaders
to school teachers. Sometimes entire villages were wiped out in the
most grisly fashion. Gloria Cuartes was the mayor of Apartado, and
witnessed much of it with her own eyes.
"I was a mayor whose job was just to gather the dead," Cuartes says.
In
1996 she went to a school to talk to the children about the violence
that surrounded them. While she was there, the paramilitaries arrived
and murdered a 12-year-old boy, whose only crime had been to announce
their presence.
"They cut off his head, and they threw the
head at us," Cuartes remembers. "I went into a state of panic. They
were there for four hours, with their weapons, firing shots toward the
ceiling. One hundred girls and boys were with me. The children did not
scream. They were in shock."
Asked if they said anything to
her, Cuartes says, "No. Their language was death. Their message was
that if they could do this to children, they could do it to me."
As
the atrocities piled up all across the country, Chiquita continued to
make the payments to the paramilitaries, viewing itself as a victim of
the violence, not a facilitator.
But all of that changed in 2001, when the U.S. government designated
the paramilitaries a terrorist organization, making any kind of
financial assistance to the group, coerced or otherwise, a felony. Yet
Chiquita continued to make the payments for another two years, claiming
it missed the government's announcement.
"It was in the
newspapers. It was in the Cincinnati Enquirer, which is where your
company headquarters is. It was in the New York Times," Kroft points
out. "I mean, this is a big part of your business, doing business in
Colombia. I mean, how did you miss it?"
"Well, again, I don't
know what happened during that time frame, frankly. What I know is, all
the data shows that the company, the moment it learned that these
payments were illegal in the United States, that's when they decided to
self-disclose to the Department of Justice," Aguirre says.
By
"self-disclose," he means Chiquita, on the advice of its attorneys,
turned itself in to the Justice Department. One of the first things
Aguirre did when he became CEO was to stop the payments and sell the
company's Colombian subsidiary. The company pled guilty to a felony and
agreed to pay a $25 million fine, but that wasn't the end of its legal
problems.
"This company has blood on its hands," says attorney
Terry Collingsworth, who has filed one of five lawsuits that have been
brought against Chiquita, seeking money for the families of Colombians
killed by the paramilitaries.
Collingsworth says the money
Chiquita paid for seven years may have kept its employees safe, but it
also helped buy weapons and ammunition that were killing other people.
"Are you saying that Chiquita was complicit in these massacres that took place down there?" Kroft asks.
"Absolutely.
If you provide knowing substantial assistance to someone who then goes
out and kills someone, or terrorizes, or tortures someone, you're also
guilty," Collingsworth says.
Asked if he believes that Chiquita
knew this money was being used to go into the villages and massacre
people, Collingsworth says, "If they didn't, they would be the only
ones in the whole country of Colombia who didn't think that."
"You're not saying that Chiquita wanted these people to be killed?" Kroft asks.
"No,
they were indifferent to it," Collingsworth says. "…they were willing
to accept that those people would be dead, in order to keep their
banana operation running profitably, and making all the money that they
did in Colombia."
Collingsworth says he thinks the company should have just picked up and left.
"It's
easy for a lawyer to give that type of advice, after the fact," Aguirre
argues. "When you have more than 3,500 workers, their lives depend on
you. When you've been making payments to save their lives, you just
can't pick up and go."
"What did the company think this money was gonna be used for?" Kroft asks.
"Well, clearly to save lives," Aguirre says.
"The lives of your employees?" Kroft asks.
"Absolutely," Aguirre says.
"It was also being used to kill other people," Kroft says.
"Well,
these groups were funded with hundreds of millions of dollars. They had
the guns," Aguirre says. "They had the bullets. So I don't know who in
their right mind would say, 'Well, if Chiquita would have stopped,
these killers would have stopped.' I just don't see that happening."
"Do you feel that the company has any responsibility to compensate the victims of the paramilitaries in Colombia?" Kroft asks.
"The
responsibility of any murders are the responsibility of the people that
made the killings, of the people who pulled the trigger," Aguirre says.
The Justice Department decided not to prosecute
any corporate officers at Chiquita, which included prominent
businessmen such as former CEO Cyrus Freidheim Jr., who later led the
Sun-Times Media Group, and board member Roderick Hills, a former
chairman of the Securities and Exchange Commission.
The
decision created a furor in Colombia. The country's prosecutor general
said he would begin his own investigation, and has threatened to
extradite some of Chiquita’s executives to stand trial in Colombia.
There's
also a Congressional investigation, led by Representative William
Delahunt of Massachusetts, who chairs a House Foreign Affairs
subcommittee.
Rep. Delahunt has been quoted as saying that Chiquita is the tip of the iceberg.
Asked
what he means by that, Delahunt tells Kroft, "Well, I think that there
are other American companies that have conducted themselves the same
way that Chiquita has, except they haven't been caught."
How many companies?
"Well, there are several," Delahunt says.
Delahunt
says he doesn't want to share more information "because I want to give
those companies an opportunity to come before the committee."
60 Minutes
did find one person who was willing to name names inside a maximum
security prison outside Medellin: Salvatore Mancuso was once the leader
of the paramilitaries.
"Chiquita says the reason they paid the money was because your people would kill them if they didn't. Is that true?" Kroft asks.
"No
it is not true," Mancuso says. "They paid taxes because we were like a
state in the area, and because we were providing them with protection
which enabled them to continue making investments and a financial
profit."
"What would have happened to Chiquita and its employees if they had not paid you?" Kroft asks.
"The truth is, we never thought about what would happen because they did so willingly," Mancuso says.
Asked
if the company had a choice, Mancuso says, "Yes, they had a choice.
They could go to the local police or army for protection from the
guerillas, but the army and police at that time were barely able to
protect themselves."
Mancuso helped negotiate a deal with the
Colombian government that allowed more than 30,000 paramilitaries to
give up their arms and demobilize in return for reduced prison
sentences. As part of the deal, the paramilitaries must truthfully
confess to all crimes, or face much harsher penalties.
"Was Chiquita the only American company that paid you?" Kroft asks Mancuso.
"All
companies in the banana region paid. For instance, there was Dole and
Del Monte, which I believe are U.S. companies," Mancuso claims.
Both
Dole Food Company and Fresh Del Monte Produce, which is not affiliated
with Del Monte Foods, have issued statements strongly denying that they
made payments to the paramilitaries. Fresh Del Monte Produce said its
Colombian operation is "limited to a sales office which purchases
bananas from independent growers."
"Dole and Del Monte say they never paid you any money," Kroft tells Mancuso.
"Chiquita
has been honest by acknowledging the reality of the conflict and the
payments that it made; the others also made payments, not only
international companies, but also the national companies in the
region," Mancuso says.
"So you're saying Dole and Del Monte are lying?" Kroft asks.
"I'm saying they all paid," Mancuso says.
Mancuso
has been indicted in the U.S. for smuggling 17 tons of cocaine into the
country. He said he was more than willing to tell U.S prosecutors
anything they want to know.
"Has anyone come down here from
the United States to talk to you about Dole, or to talk to you about
Del Monte or any other companies?" Kroft asks.
"No one has come
from the Department of Justice of the United States to talk to us,"
Mancuso says. "I am taking the opportunity to invite the Department of
State and the Department of Justice, so that they can come and so I can
tell them all that they want to know from us."
"And you would name names?" Kroft asks.
"Certainly, I would do so," Mancuso says.
So far, the only company that has been charged with paying money to terrorists in Colombia is the one that turned itself in.
"Do
you think if you hadn't gone to the Justice Department and disclosed
the situation, that anything would've happened to you?" Kroft asks.
"Well,
Mr. Kroft, if we hadn't gone to the Justice Department, we probably
would not be here talking about this whole issue. No one would know
about this," Aguirre says.
Since
our story aired, Salvatore Mancuso has been extradited to the U.S. to
face drug charges, and the Colombian government has stepped up its
investigation of Dole. Two jailed paramilitary leaders have
corroborated Mancuso's claims that they received protection money from
the company.
Chiquita Brands International asked a judge Friday to dismiss lawsuits
claiming the banana company paid Colombian paramilitary groups that
killed hundreds or even thousands of people.
Lawyers for Chiquita insisted that the money it paid over a
seven-year period to the United Self-Defense Forces of Colombia had no
direct connection to massacres, kidnappings, assassinations and acts of
intimidation committed by the group in banana-growing regions.
"There
are no allegations that Chiquita was directly involved in any of these
incidents," said Gregg Levy, an attorney for Cincinnati-based Chiquita.
The
company acknowledges a subsidiary had paid the right-wing paramilitary
group — known by its Spanish acronym AUC — and another group. But its
lawyers contend the company was essentially extorted by the groups that
controlled areas where its bananas are grown.
But lawyers for the
Colombian plaintiffs claim in the lawsuits that Chiquita should be held
liable for billions of dollars in wrongful death damages, alleging it
paid both the AUC and the left-wing Revolutionary Armed Forces of
Colombia, or FARC. The U.S. lists both as terrorist groups.
"The
AUC was engaging in murder, torture, forced disappearances and
destruction of these communities," said Terry Collingsworth,
representing family members of about 173 people who died. "Everybody
knew this. Chiquita knew it."
The lawsuits claim Chiquita should
be held liable for allegedly providing material support to the AUC in
the form of cash, weapons such as AK-47s, military supplies and even
access to its banana ports for cocaine trafficking.
In return,
lawyers for the hundreds of Colombian plaintiffs claim, the AUC used
violence to drive out or kill Colombian labor leaders, attack rival
left-wing FARC guerrillas and their sympathizers, and essentially
become rulers of a region encompassing some 200 Chiquita banana farms.
The
lawsuits were filed around the country and consolidated in West Palm
Beach before U.S. District Judge Kenneth A. Marra, who held a hearing
Friday on the company's motions to dismiss.
Marra is expected to
issue a written ruling later in cases that collectively could amount to
the largest wrongful death claims in U.S. history, according to
attorneys involved. There was no timetable for Marra to rule.
One
claim on behalf of more than 600 people identified only as "Juan Does
and Juana Does" is seeking $20 million for each plaintiff, or more than
$13 billion. Another lawsuit seeks class-action status, which could
amount to tens of thousands of plaintiffs and possibly higher damage
amounts if successful.
Collingsworth said the AUC's actions
pacified the region, claiming that improved Chiquita's profits from
Colombia and forced out any smaller competitors.
Chiquita, he said, "knew their support was accomplishing these objectives," he said.
The lawsuits were filed after Chiquita previously acknowledged making payments to the AUC. The company paid a $25 million fine.
But
Chiquita denies responsibility for killings by the Colombian groups.
Through its Banadex subsidiary, Chiquita said it paid about $1.7
million from 1997 to 2004 to the AUC.
Chiquita, which sold
Banadex in 2004, contends that it was forced to pay both the AUC and
FARC as a form of extortion and that the company had no control over
violent acts by those groups. The two paramilitary groups have fought
for decades in Colombia's bloody civil war, and Levy questioned whether
the AUC was engaged in "terrorism" in the legal sense.
"There is
considerable dispute among the nations of the world about terrorism.
There are disputes about the definition of terrorism," Levy said.
The
lawsuits were brought under the Alien Tort Statute, adopted in 1789 in
part to deal with piracy claims. It allows non-U.S. citizens to make
claims in U.S. courts for acts that violate international law.
In
its most recent edition, the magazine, “Super Lawyers,” gave its cover
story to the General Counsel of Chiquita Brands International, praising
him for navigating the complex and difficult waters of Colombia. What
it failed to mention is the trail of tears in Latin America left behind
by Chiquita (formerly United Fruit, the architect of the 1954 coup in
Guatemala as well as the 1928 massacre of striking banana workers in
Cienaga, Colombia memorialized in One Hundred Years of Solitude). The
following letter, by union labor lawyer, Dan Kovalik highlights the
contradictions in the applause given to Chiquita. We note that, just
after this letter was written, Chiquita also received (quite
ironically) a “sustainability award” for its business abroad.
Re: Super Criminals
Dear Mr. White,
I just had the unfortunate experience of reading the cover story of
your recent publication, "Super Lawyers," which lauded the atrocities
of Chiquita (formerly, United Fruit) -- a company with a laundry list
of atrocities to its name, to be sure.
Your publication, which purports to highlight "not just the 'Usual
Suspects,'" actually did focus on one of the "Usual Suspects" for war
crimes in this issue. In this particular issue, you chose to applaud
the General Counsel of Chiquita for what he claimed to be Chiquita's
"extra-difficult decisions to save lives" by paying murderous
paramilitaries over $1.7 million over a 7-year period. Nothing is said
of the lives lost due to these payments, nor is there mention of the
cache of arms provided to the paramilitaries by Chiquita's Colombian
subsidiary (another count Chiquita pled guilty to).
According to Colombia's Attorney General, Mario Iguaran, Chiquita's
payments to the paramilitaries were "not paid for protection, but
rather, for blood; for the pacification of the Uruba banana region."
Iguaran, hardly a liberal, having been appointed by President Alvaro
Uribe, estimates that around 4,000 civilians were killed as a result of
the assistance Chiquita gave to the paramilitaries. Moreover, Iguaran
has opined that the very phenomenon of parmilitarism which has gripped
Colombia for years and which has led to countless murders, rapes and
other atrocities, would not have been possible without this assistance
by companies like Chiquita.
Yet, notwithstanding these facts, you chose to give Chiquita's General
Counsel your cover story to spew his apologies for his company's
support for war crimes. Of course, I should not be surprised, the law,
after all, being an instrument created and maintained to protect the
rich and strong from the poor and oppressed. I might just suggest that,
to keep up the facade of a justice system blind to the pocketbook of
the parties coming before it, you might not want to be so obvious in
your publication in highlighting the legal profession as a guardian of
those who amass profit through acts of massive violence.
I guess Bob Dylan said it best when he wrote, "All the criminals in
their suits and their ties, are free to drink martinis and watch the
sun rise . . . ."
I could end my note here, but a bit more is worth saying. Thus, even if
we take Chiquita and Mr. Thompson at their word, their conduct hardly
warrants congratulations. First, even by their own admissions to the
Justice Department and to your magazine, it allegedly took them over 2
years to realize that the paramilitaries they were paying and providing
arms to were designated by the U.S. State Department as "terrorists."
Is this a mark of great lawyering? Most of us would be fired for taking
so long to realize our client was engaged in such a high crime. Indeed,
what you call "super lawyering" would simply be called "malpractice" by
most reasonable observers. And, even if they were paying "protection"
to these killers to grow and profit from bananas as they claim, is that
also a reason for praise? The Justice Department, which certainly let
these folks off quite easily (they should all be in jail), certainly
didn't think this excused them from punishment.
I will end this by asking that you please refrain from ever sending me
your publication again. You should be ashamed of yourself and your
magazine. But, of course, we live in a world largely without shame,
where petty criminals spend years in jail and the big criminals rule
the world, thanks to the law you claim to be so dedicated to.
sorry beste lezertjes, vandaag nemen we een snipperdag, uit solidariteit met de opelarbeiders waarvan er binnenkort waarschijnlijk een heel deel in permanent snipperdagverlof zullen zijn.
Today, the Paris
Club -- an informal group of finance officials from the 19 richest nations, who
push for low-income country debt restructuring and relief -- officially
called for the cancellation of Haiti's debt.
Earthquake
aside, such a prominent call for debt relief for the Caribbean nation is overdue.
Haiti is a very poor country. It is also a very indebted one, part of a legacy
extending back to the 1820s. Then, France required the former slave colony to
pay something like $20 billion in today's dollars for its freedom. The country
has struggled ever since, with former dictator Jean-Claude Duvalier raiding the
country's accounts and amplifying what it owes.
The debt hurts Haiti,
horribly. As of last year, Haiti was paying $50 million a year just to service
its debt, not even to pay down the principal. It owed hundreds of millions -- more
than a quarter of its GDP.
Last summer, two
groups moved to cancel Haiti's debts given improved governance and economic
growth under President Rene Preval. In June, an International Monetary Fund
program, the Highly Indebted Poor Countries (HIPC) initiative, announced the
forgiveness of $1.2 billion of Haiti's $1.9 billion in debt. A month later, the
Paris Club followed suit, cancelling $214 million further, with Canada,
Belgium, Denmark, France, Germany, Italy, the Netherlands, Spain, Britain, and
the United States forgiving what Haiti owed them.
That still left
the country -- which has a GDP per capita of around $1,300, the same as
Bangladesh -- more than $700 million in the red. Experts have estimated that
the earthquake -- which killed an estimated 50,000 and leveled the population,
government, and business center of Port-au-Prince -- has wiped away at least 15 percent of Haiti's GDP.
France, under Finance
Minister Christine
Lagarde, who heads the Paris Club, has led the push for other governments
and entities to make Haiti debt-free. This means speeding up the cancellation
of Haiti's debts, a process which can take years even when countries and banks
have committed to clearing the books. More importantly, it means convincing
Haiti's main creditors -- the Inter-American Development Bank (IADB) and the
governments of Taiwan and Venezuela -- to forgive it.
Haiti owes Venezuela around $167
million and Taiwan $91 million. Ma Ying-jeou, the president of Taiwan, today
signaled that the country will forgive the debt. "I have already asked the
foreign ministry to conduct the necessary reviews to help Haiti to pass through
this difficult time," he said. Thus far, President Hugo Chavez has not addressed
the question.
The IADB forgave $511 million in debt last
year, still leaving Haiti owing it more than $440 million. The bank this week
approved $128 million in grants -- and the board of governors is convening to
discuss further debt cancellations.
Amerikaanse vakbond sluit opel Antwerpen en roept op om petitie te tekenen tegen sluiting van Toyota in Californië
Wat een tijden! Haïti compleet vernield, Opel Antwerpen dicht,
Monseigneur Leonard in Mechelen...'t is crisis. In Brussel wordt een
overvaller doodgeschoten. Niks abnormaals moest het niet zijn dat hij
de Lidl, de Lidl je leest het goed, overviel en dan nog wel per fiets. Tijdens een "wilde"
achtervolging schoot hij op alles wat bewoog en werd uiteindelijk
neergeschoten. Moest het geen werkelijkheid zijn dan was het pure
slapstick...http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF21012010_058
Politie schiet overvaller neer in Laken
donderdag 21 januari 2010
Bron: eigen berichtgeving, belga
Auteur:
yb, llo
LAKEN - Bij een overval op een Lidl-warenhuis in de Brusselse gemeente
Sint-Jans-Molenbeek is het donderdagnamiddag tot een schietpartij
gekomen tussen een overvaller en de politie. Dat meldt het Brusselse
parket. De overvaller is daarbij om het leven gekomen.
Rond
15.30 uur heeft een man een Lidl-warenhuis in de Rotterdamstraat in
Sint-Jans-Molenbeek overvallen. Na de overval ging de dader er op de
fiets vandoor maar hij stootte op een politiepatrouille die de
achtervolging inzette. De dader begon in het wilde weg te schieten.
In de Drootbeekstraat in Laken reden de agenten het achterwiel van de
vluchter aan zodat die ten val kwam. De man zette zijn vlucht te voet
verder en vuurde daarbij opnieuw op de agenten in de buurt van een
schooltje. Een Turkse vrouw die haar kind kwam ophalen is daarbij
gewond geraakt aan haar heup. Ook een politieagent raakte ernstig
gewond. De slachtoffers verkeren volgens de politie niet in
levensgevaar.
Uiteindelijk vuurde een agent een dodelijke kogel af op de dader.
Over zijn identiteit zijn nog geen details bekend. Waarschijnlijk was
er nog een tweede overvaller, maar die is voorlopig spoorloos.
En wij willen dus het enige blog worden dat geen artikel over Haïti schrijft. Basta! En over Opel? Daar
willen we gewoon een vraag stellen. Weet iemand nog wie de echte nieuwe
bazen zijn van GM? Anders gezegd de grootste aandeelhouders van New GM?
Want het oude GM heet tegenwoordig doodgewoon de Motor Liquidation
Company...zegt waarschijnlijk genoeg. Maar terug naar ons simpele vraagje wie zijn de aandeelhouders van het "New GM"?
effe een tableauke toveren:
bron Wikipedia General Motors
The following table is a comparison (estimates) of the new GM and the old GM:
Old GM (1908–2009, General Motors Corporation/Motors Liquidation Company)
Dus de Amerikaanse staatskas....maar laten we het aan Wiki over om het ons uit te leggen:
On June 1, 2009 General Motors filed for Chapter 11
bankruptcy proceedings from which it emerged on July 10, 2009 in a
reorganization in which a new entity acquired the most valuable assets.
GM is temporarily majority owned by the United States Treasury and to a smaller extent the Canadian government,[2][6][7] with the US government investing a total of US$57.6 billion under the Troubled Asset Relief Program.[8]
Een
andere aandeelhouder is dan ook nog de UAW union. Dit is de grootste
Amerikaanse automobielvakbond....en vandaag, op de dag van de
aankondiging van de sluiting van hun vestiging in Atwerpen vinden we op
hun site nog steeds deze sympathieke oproep : http://www.uaw.org/index.cfm
Saturday, December 12, 2009
Toyota threatens 50,000 California jobs
For 25 years, NUMMI workers have made award-winning,
high-quality cars and pickup trucks for Toyota. While the economic
crisis has affected the auto industry worldwide, Toyota has never
closed a factory or laid off a single full-time worker in Japan. Toyota
apparently feels American workers are more expendable.
The closure of NUMMI will have a devastating impact on
California’s already ailing economy and on every California family. At
stake are the jobs of 4,500 auto workers and 50,000 supplier and
support workers at more than 1,000 businesses throughout the state. Job
losses of this magnitude will have a crippling effect on small
businesses in many communities and drastically reduce tax revenue
needed for roads, parks, schools, and other public services.
California is by far Toyota’s single biggest market for automobile
sales in the United States. Californians, and in fact all Americans,
have supported Toyota not only as consumers but also as taxpayers,
financing the recent federal "cash for clunkers" program which
benefited Toyota more than any other auto company. And now, Toyota has
launched a $1 billion marketing campaign to increase sales in
California and the United States -- at the same time they are shipping
our jobs away!
We have the power to insist Toyota honor its commitment to produce quality cars in California. Sign the petition and
take the pledge not to purchase Toyota products if Toyota closes the
NUMMI plant. By standing together, we can save 50,000 good-paying jobs.
We zullen deze petitie met veel plezier overhandigen aan de arbeiders van de Opelfabriek...of hoe cynisch kan men zijn....
Denkt onze Meneerke Peeters nu echt dat hij indruk zal kunnen maken op
deze aandeelhouders om Antwerpen open te houden???? Dus op de
Amerikaanse Staatskas en op de Canadese regering???? De investering van de Amerikaanse staatskas al eens bekeken?
Hallo? Of is dit gewoon cinema om wat meer stemmen te halen bij de volgende verkiezingen?
Wij nemen eveneens nota van de trouwens zeer terechte verontwaardiging
van Rudy Kennes hoofddelegee van het ABVV en Eddy De Decker van het ACV
bij Opel-Antwerpen die hopen op vakbondssolidariteit ...bij de UAW
moeten ze niet aankloppen vrezen wij...
In elk geval is de armen laten zakken evenmin een oplossing. Maar dit
is toch nog maar eens een mooi voorbeeld hoe ons huidige economische
systeem rare bokkensprongen maakt...Wij volgen effe niet meer...Wat was weer de juiste definitie van het woordje "protectionisme"?
Nu we nog eens mochten vernemen van LDD hoe we de staat moeten
ontvetten en zo veel mogelijk alles overlaten aan de privé is het toch
misschien interessant om naar Amerika te kijken. Daar is privatisering
al jaren het toverwoord en LDD verwijst graag naar ginder als lichtend
voorbeeld voor ons eigen Vlaanderen: Wij kunnen jullie sterk
aanbevelen deze site regelmatig te consulteren alvorens naar de
toespraken van de groten leider van het gezond verstand te luisteren: http://www.privatizationwatch.org/
When the entertainers of the right aren't declaring their disgust
with President Obama for groveling before foreign potentates, they're
pretending to fear him as a left-wing thug, an exemplar of what they
call "the Chicago way." As imagined by the right, the men in the West
Wing are like a demonic cross between the antiwar demonstrators who
gathered in Grant Park in 1968 and the Chicago cops who cracked their
hippie skulls. Tremble, men of commerce, before this infernal
combination.
Myths like this are fun to invent. The problem, as ever, is reality.
Consider one of the actual news
stories to emerge from Chicago of late: The city's decision to
privatize its parking meters. Thanks to a deal finalized in 2008,
Chicago's parking meters will be operated for the next 75 years by a
group of investors put together by Morgan Stanley, including the
sovereign wealth fund of Abu Dhabi.
View Full Image
Getty Images
Chicago Mayor Richard Daley
As
it happens, Chicago is the nation's leader in municipal privatization
efforts. That's right: The city that conservatives portray as the
citadel of the power-grabbing, government-growing left has been selling
itself off in pieces for years. It signed a 99-year lease for the
Chicago Skyway, a toll road in the city's South Side, back in 2005. It
did the same for its big downtown parking garages in 2006. Last year,
it approved a deal to privatize Midway Airport; fortunately, the
arrangements fell through.
The city's longtime mayor, Richard M. Daley, is such a keen
enthusiast of privatization that he has promoted it as the budget
solution for every government in the land. "If they start leasing
public assets—every city, every county, every state and the federal
government—you would not have to raise any taxes whatsoever," Mr. Daley
told the Chicago Sun-Times in January. "You would have more
infrastructure money that way than any other way in the nation."
Selling public property is the true Chicago way. Had Mr. Obama not
been elected president, the nation's business journals would be falling
over one another to praise his city for its daring, market-friendly
innovations.
And if they chose, they would also
find just as much to criticize in Mayor Daley's real-life privatization
spree as they do in the brutality that they imagine President Obama
shows his opponents.
The details of the parking meter deal,
for example, were negotiated by the Daley administration with almost no
public scrutiny. When it came time to approve the billion-dollar
arrangement, the city council got exactly two days. It was a farce.
According to a report issued by Chicago's inspector general, "No
financial analysis was provided of the value of the parking-meter
system to the City if it retained the system, since no such analysis
had been done. . . . There was no public comment; no testimony from
critics or experts; no presentation of recent studies" on privatization
elsewhere.
It was not until months later that
Chicagoans discovered what a lousy deal it was. The inspector general's
report estimates that the private investors paid a little more than
half the amount that the system would have generated had the city held
onto the meters itself.
One alderman, described at length in
the Chicago Reader last May, figures that the parking system might be
worth four times what the investors paid. "The taxpayers had been
hosed," the Reader concluded.
Meanwhile, the cost of parking increased dramatically, as the new
parking-meter proprietor sought to maximize its return. Meters broke
down from the unaccustomed load of quarters. Tickets were handed out
with abandon. Chicagoans were furious.
What they eventually learned is that
they had handed over a component of self-governance to a private
company that is, by definition, unconcerned with the public interest.
Chicago police will still hand out parking tickets; the state of
Illinois will still suspend drivers' licenses; but for the next 75
years all of it will be done to ensure that citizens render proper
tribute to Wall Street.
And now comes the inevitable denouement. Last week, the Chicago City
Council voted to plug a hole in its 2010 budget using funds remaining
from the billion-dollar parking-meter haul, despite earlier plans to
invest the money for the long term. Almost all of it will be gone by
the end of next year.
It may not fit the myth, but that's
the real Chicago way. Sell off public property without public scrutiny.
Prohibit public input on an essential public service. Rationalize the
whole thing, as Mr. Daley's administration has done, by insisting that
government can't run such things as well as the private sector can.
And then, when the money runs out, privatize something else: The water supply, maybe. The sewer system. An airport or two.
Why not privatize a U.S. Senate seat, too? Just imagine what Abu Dhabi would pay for that.
Gisterenavond stelden we de vraag waar de Belgische gemeenten de
centen zouden halen om de aandelen die Electrabel nog aanhoudt in Elia
over te nemen. Electrabel heeft immers laten weten dat het haar
aandelen in Elia te koop stelt. We weten dat de gemeenten op een hoop
geld zitten door de verkoop van hun participatie in Distrigas aan het
Italiaanse ENI maar die berg geld moet dienen om de Electrabelaandelen
in Fluxys over te nemen. Dat was al een tijdje afgesproken en daarmee
was het geld op. Dus waar zouden ze de nodige poen halen, om hun
aandeel in Elia op te trekken met de 23% Electrabelaandelen????
Wel,
vandaag stond het antwoord reeds te lezen in de krant. We zijn niet
gewoon om zo vlug antwoord te krijgen op onze vragen maar we vermoeden
dat het niet echt op onze vraag was dat er werd geantwoord. Wel op de
zelfde vraag maar vanuit een andere hoek. Maar we zijn toch blij het
antwoord te kunnen lezen:
BRUSSEL - Als Electrabel zijn aandelenpakket in het hoogspanningsbedrijf Elia verkoopt, dan is het niet zo vanzelfsprekend dat de gemeenten daarvoor ook geld op tafel leggen. Ook al beschikken ze over een voorkooprecht.
Jos Ansoms van de koepel van de gemengde distributie-intercommunales Intermixt wond er gisteren geen doekjes om: de gemeenten kijken heel anders tegen een investering in Elia aan dan tegen een investering in het gasbedrijf Fluxys.
Een
overname van een deel of van het volledige belang van Electrabel in
Fluxys wordt gezien als een zeer interessante kans.Gemeentelijk
aandeelhouder Publigas beschikt bovendien over voldoende financiële
middelen om zelfs het volledige aandelenpakket van Electrabel in Fluxys
over te kunnen nemen.
Dat komt omdat de
gemeentelijke aandeelhouder op een berg contanten zit nadat het vorig
jaar zijn aandelen in Distrigas, het voormalige zusterbedrijf van
Fluxys, te gelde heeft gemaakt.
Publi-T, de gemeentelijke aandeelhouder van Elia, staat financieel echter veel minder sterk dan Publigas.
Voilà, dat is meteen duidelijke taal. In concreto betekent dit wel een
zeer lelijke streep door de rekening van de Eliadirectie met het oog op
de aankoop van het Duitse Vattenfallnet. Indien er immers een akkoord
komt met Vattenfall over de verkoop aan Elia moet die aankoop nog door
de raad van bestuur van Elia formeel worden goedgekeurd. Deze
twaalfkoppige raad van bestuur bestaat voor de helft uit onafhankelijke
bestuurders en dus nog een paar Electrabelbestuurders. Het is dus nog
geen uitgemaakte zaak dat daar zo makkelijk een ruime meerderheid
wordt gevonden om de overname goed te keuren. Door meteen na de
aankondiging door de Eliadirectie dat het terug onderhandelde met
Vattenfall over de aankoop van hun Duitse net naar buiten te komen met
het nieuws dat ze al haar aandelen in Elia te koop zette, gaf
Electrabel een zeer duidelijk signaal dat het niet geïnteresseerd was
in dergelijke operatie die haar tenslotte definitief in de vergeethoek
zou drummen binnen het Elia-aandeelhoudersschap.
Maar Elia wordt meteen ook gedwongen op zoek te gaan naar een
betrouwbare partner die nu al weet dat hij zijn participatie meteen
zal zien verwateren als de broodnodige kapitaalsverhoging zal
doorgevoerd worden om de rekening van de overname te betalen en de
blijde intrede van de dominante Australische investeerder zal mogen meemaken...geen rooskleurig
vooruitzicht voor een betrouwbare partner. Want je moet dan ook nog
zeker zijn dat die niet zou samenspannen met de Australiërs of het is
helemaal gedaan met de Belgische pret van Publi T of de Belgische
gemeenten.
Het lijkt ons eerder een scenario van een directie die zwaar heeft
gegokt ten koste van de Belgische verankering van ons eigen Belgisch
Transportnet door uit te kijken naar een strategische aankoop van een
ver buitenlands net en die nu het deksel op de neus krijgt van
Electrabel omdat er niet werd gesproken met alle aandeelhouders en die dus geen rekening heeft gehouden met alle scenario's. Maar wie zijn wij om dat juist te kunnen inschatten?
Misschien is het ook een opportuniteit voor een andere Europese
netbeheerder om zich meteen in te kopen bij de Belgische netbeheerder
om alzo inzage te krijgen in het reilen en zeilen bij Elia. Misschien
een kans voor het Hollandse Tennet of het Franse RTE om hun invloed uit
te breiden binnenin het hart van het Centraal West-Europese (CWE)net? Op
zich zou dit geen slechte zaak hoeven te zijn voor zover Elia dan ook
aandelen kan verwerven in Tennet en RTE. In dit scenario zouden we zeer
vlug een harmonisatie kunnen zien ontstaan binnen de verschillende
CWE-netten zoals Europa zou wensen. Maar het blijftt de vraag of dit
de echte strategie was die de huidige Elia-directie voor ogen had met
de verwerving van het Vattenfallnet????
Het blijft boeiend maar de stilte bij de politiekers is hallucinant en
zeker aan de linkse kant is dit onbegrijpelijk en onaanvaardbaar.
België dreigt de controle te verliezen over haar eigen Transportnet en
geen politicus die hierover ook maar een vraag stelt, geen partij die
hierbij een standpunt inneemt. Maar je zou een Franstalige burgemeester
benoemen in Kraainem en het land ontploft! De politieke prioriteiten in
Belgistan lijken eerder op een partituur van een ondermaatse opéra
comique dan op gedegen politieke analyses.
Deze zaak zal echter de toekomst van ons land bepalen en voor een stuk
van Europa en we blijven het van dichtbij volgen. In elk geval zijn we
nu reeds niet verrast door de volledige nulliteit van onze eigen
politici...
Vandaag naar de nocturne van het autosalon geweest om onze nieuwe
bedrijfswagen op kosten van dit blogje te bestellen. Omdat we voor de
eerste keer de magische weekgrens van de 1000 bezoekers hebben
doorbroken zijn we maar meteen naar de stand van Aston Martin
getrokken. We hebben daar arrogant genoeg gedreigd om hun metk door het
slijk te sleuren dat het niet meer mooi was om toch maar goeie
saloncondities te krijgen. We hebben een offerte met gratis voetmatjes
wat niet echt slecht is maar toch...Vooraleer het contract onder de
neus van de verantwoordelijke blogchef te schuiven zullen we hem toch
maar eerst zwaar bezatten...maar je weet nooit.
Ondertussen gaan
de grote manoeuvers rond Fluxys en vooral rond Elia verder want we
lazen in de pers dat Electrabel zich volledig wil terugtrekken zowel
uit Fluxys wat in de lijn van de verwachtinghen lag als uit Elia wat
veel minder verwacht werd.
BRUSSEL - Het lijkt erop dat GDF Suez en Electrabel snel de banden
zullen verbreken met Fluxys en Elia, de bedrijven die zorgen voor de
verdeling van gas en elektriciteit.
Een volledige verkoop zal GDF Suez heel wat rijker maken. De
aandelenpakketten die de Franse energiegroep heeft in beide
netbedrijven zijn op basis van de slotkoers van afgelopen vrijdag bijna
een miljard euro waard.
De
Belgische gemeenten mogen alvast hun geld beginnen te tellen want ze
staan op de eerste rij als de verkopen plaatsvinden. Via gemeentelijke
investeringsmaatschappijen beschikken zij zowel bij Elia als Fluxys
over een voorkooprecht.
Wanneer zullen GDF Suez en Electrabel de eerste stap doen om Fluxys en Elia te verkopen?
Wat
het gasnetbedrijf Fluxys betreft is dit voor zeer binnenkort, is te
horen. En ook in het geval van het hoogspanningsbedrijf Elia zou het
een kwestie van weken zijn.
Dat GDF Suez snel kleur
moet bekennen over zijn toekomst als aandeelhouder van Fluxys, is
onvermijdelijk. Het Franse energieconcern moet immers snel af van een
deel van zijn participatie van 38,5 procent in Fluxys. Dat komt omdat
een wet haar eigenlijk al had verplicht om voor 31december van vorig
jaar zijn positie in het gasbedrijf te verminderen tot 25procent.
De kans is echter zeer groot dat GDF Suez en Electrabel verkiezen om de band met Fluxys volledig door te knippen.
‘Als
dit het geval mocht zijn, staan de gemeenten klaar om het volledige
aandelenpakket over te nemen', stelt de Gentse burgemeester Daniel
Termont. Termont is ook voorzitter van de gemeentelijke
overheidsholding Publigas die vandaag al voor iets meer dan de helft
eigenaar is van Fluxys. Hij voegt er nog aan toe dat hij alle dagen een
brief verwacht waarin GDF Suez en Electrabel duidelijkheid zullen
geven. Publigas beschikt over een voorkooprecht bij de verkoop van
Fluxys-aandelen door Electrabel.
Maar er zijn ook
aanwijzingen dat GDF Suez en Electrabel binnenkort kleur zullen
bekennen over hun toekomst als aandeelhouder van het Belgische
hoogspanningsbedrijf Elia. Electrabel bezit nu nog 24,35 procent van
dit bedrijf.
Elia is momenteel aan het onderhandelen
over de aankoop van een hoogspanningsnet in het oosten van Duitsland.
De hoop is dat medio februari de knoop doorgehakt kan worden. In het
verleden werd op het Duitse hoogspanningsnet een waarde geplakt van 500
miljoen euro. Het valt te betwijfelen of Electrabel als aandeelhouder
nog mee de financiële verantwoordelijkheid wil dragen voor zo'n
overname.
Te meer omdat een recente Europese
regelgeving omtrent de verdere liberalisering van de elektriciteits- en
gasmarkt elektriciteitsproducenten zoals Electrabel verplicht om hun
machtsposities in monopolistische netbedrijven her en der in Europa op
te geven.
Dat GDF Suez zo snel lijkt af te willen
van Fluxys en Elia zou overigens ook ingegeven zijn door de overtuiging
dat de Belgische minister van Energie, Paul Magnette, tijdens de
periode van het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie, werk
zal maken van de omzetting van deze Europese regels in nationale
wetgeving. Om zo te kunnen tonen dat België ook de eerste van de
Europese klas kan zijn bij het toepassen van Europese richtlijnen. Tot
nog toe was op het terrein van energie vaak het tegenovergestelde het
geval.
Wij zullen hier waarschijnlijk niet de enigen zijn die zich stilaan
beginnen af te vragen waar de gemeenten al die sollen zullen halen.
Enerzijds het aandelenpakket dat ze wensen over te nemen van Electrabel
in Fluxys en daar bovenop het pakket Electrabelaandelen in Elia en
vervolgens dan nog misschien moeten deelnemen aan de
kapitaalsverhoging van Elia als het dat Duitse Vattenfallnet
opkoopt...jawadde. En wij die dachten dat die gemeenten geen rooie
duit hadden ...of moeten de gemeentebelastingen omhoog?
In elk geval is het duidelijk dat Electrabel van zijn deelname in Elia
af wil vooraleer de verwatering van hun aandeel plaats vindt naar
aanleiding van een eventuele kapitaalsverhoging indien Elia het Duitse
Vattenfallnet overkoopt. Nu hebben ze nog 24,35 % en een paar bestuurders maar ze zijn meer dan waarschijnlijk niet geneigd om deel
te nemen aan de kapitaalsverhoging en dan dreigen ze een
verwaarloosbaar aantal percenten over te houden met misschien nog één
enkele bestuurder. Dat is natuurlijk niet echt interessant. Maar we
zijn toch benieuwd hoe de politieke wereld en de CREG zal reageren op
deze grondige wijziging in de aandeelhoudersstructuur van onze
nationale netbeheerder...erg benieuwd...we kunnen nauwelijks wachten.
Maar het is natuurlijk het seizoen bij uitstek waarin sommige soorten
hun winterslaapje houden en de meesten van onze politici behoren tot deze slaapsoorten ...of zijn we verkeerd? Hallo de sossen, hallo de groenen????????Wake up!!!!
Hallo beste lezertjes, waarschijnlijk dachten een aantal onder
jullie reeds dat we door Balkanfranciskanen het zwijgen waren opgelegd.
Dat is dus niet zo. Ons opzoekingswerk rond Elia nam wat meer tijd in
beslag en liever dan zever te schrijven, schrijven we dan een dagje
niets.
We hebben jullie in onze eerste bijdrage over het
overnameplan van Elia een uitleg gegeven over de overname door Tennet
van het Duitse Transpower, het vroegere E.ON-net. Tennet is de Nederlandse Transportnetbeheerder en is een staatsbedrijf. Elia is geen
staatsbedrijf maar wordt gecontroleerd door de Belgische gemeenten via
Publi T (33,01%) . Electrabel heeft systematisch haar participatie
afgebouwd en behoudt nog iets minder dan 25% van de aandelen. De rest
is verspreid onder kleine aandeelhouders waarvan de groep ARCO (=
voornamelijk ACV-vakbond) nog niet zo heel lang geleden heeft gemeld
dat ze meer dan 10% in handen heeft. Bron:http://www.elia.be/repository/pages/3a7522ea303943ddb6662000e27adfb7.aspx?language=NL
Dit
soort aandeelhoudersstructuur maakt het natuurlijk niet makkelijk om
het staatsbelang te laten voorgaan zoals het geval was bij Tennet maar
het sluit het niet uit natuurlijk. Elia wordt wat betreft haar
gereguleerde activiteiten gecontroleerd door de Belgische regulator
CREG. Wat zijn haar gereguleerde activiteiten? Dat zijn de taken die
haar als Transpottnetbeheerder in de wet werden toevertrouwd. Elia
heeft echter ook niet gereguleerde activiteiten namelijk haar eigen
studiebureau Elia-Engeneering en Belpex. Indien Elia het transportnet
van Vattenfall zou overnemen zou dit voor België een niet-gereguleerde
activiteit zijn waarover de Creg in feite geen controlerende functie
heeft. In Duitsland zou het natuurlijk wel een gereguleerde activiteit
zijn maar dat is een andere zaak.
Expertise in Grid Management – Your Partner for Reliable Power Transmission
50Hertz Transmission GmbH is responsible for the operation, maintenance, planning, and expansion of the 380/220 kilovolt transmission grid throughout
the German Federal States of Thuringia, Saxony, Saxony-Anhalt,
Brandenburg, Berlin, Mecklenburg-Western Pomerania, and Hamburg. The
transmission grid operated by 50Hertz covers an area larger than 109,000 km² and runs a length of approx. 9,700 km.
It is the technical backbone that reliably supplies power to more than
18 million people as well to companies contributing approx. 20 percent
of German gross domestic product. In 2004, approx. 82 terawatt-hours
were transmitted through the area controlled by 50Hertz – enough to
provide Berlin with power for five and a half years. More than 600
employees at 50Hertz work to ensure that this grid remains reliable. As
a provider of system services, the transmission grid operator is
responsible for maintaining constant line frequency and voltage,
balancing power generation with consumption, and ensuring
cost-effective power transmission. German law (Energiewirtschaftsgesetz
from 07/07/2005), European Parliament Directives and the European
“Common Rules for the Internal Market in Electricity” stipulate that
each transmission system operator (TSO) is responsible for operating
their controlled area of the transmission grid in a reliable,
cost-effective, consumer-friendly, efficient, and environmentally
friendly manner. In particular, each TSO is responsible for maintaining
the proper system balance as their contribution to reliable power
provision. To fulfil these obligations, it is necessary to manage
injected energy and power-consuming loads.
In addition to these ‘classic’ duties, 50Hertz is also responsible for
accepting and transmitting all fed-in energy in compliance with the
German Renewable Energy Sources Act (EEG). High-volume payment
transactions are made relating to the EEG legislation as well as to the
law for conservation, modernisation and expansion of combined heat and
power (CHP) plants (Kraft-Wärme-Kopplung-Gesetz: KWK-G). In both the
technical and the commercial sense, 50Hertz Transmission GmbH is
managed independently of power generation, trade and sales within the
corporate group Vattenfall Europe AG. 50Hertz is thus an autonomous
enterprise in the sense of statutory unbundling.
50Hertz in the Heart of Europe
On the European power market, 50Hertz plays a key role due to
the central location of their transmission grid. This interconnects the
power networks of Denmark, Poland, and the Czech Republic with that of
Germany and links Scandinavia with the continental European continent.
Furthermore, it links the Union for the Coordination of Transmission of
Electricity (UCTE), recently expanded to include the Transmission
System Operators of Eastern Europe, with the Nordic Transmission System
Operators (NORDEL) of Scandinavia.
Dus
dit netwerk speelt een sleutelrol in de transmissieverbindingen met
o.a. de scandinavische netten (Nordel) en de Oost-Europese netten.
Geografisch omvat het de Duitse Bondsstaten, Thuringen, Saksen,
Saksen-Anhalt, Brandenburg, Berlijn, Mecklenburg-West Pommeren en
Hamburg. Als je d'r een atlas bijneemt zal je merken dat deze gebieden
dus geografisch niet aansluiten bij België en er zelfs eerder veraf
liggen.
We zijn wat gaan vergelijken met onze eigen Transportnetbeheerder Elia:
In
Duitsland bevoorraden ze dus een gebied van 109.000km2 E4lia zal dat
volgens onze aardrijkskundelessen ongeveer 33.000km2 zijn want Luxemburg zit erbij. Zij omvatten ongeveer 20% zoals ze hierboven schrijven
en Elia 100% van het nationale grondgebied. Wat betreft luchtlijnen
en ondergrondse kabels wordt de vergelijking al wat moeilijker wat
Transmission heeft alleen 220 en 380kV lijnen en kabel terwijl Elia een
niet onbelangrijk gedeelte 30 en 70kV kabels en lijnen beheert. Maar na
lang speuren en bellen kwamen we uit op :
9.700 km in 220/380kV
voor Transmission en Elia ongeveer 3600km in het zelfde gamma kV maar
eveneens een goeie 4.8OOkm in 30/70kV. Opvallend zijn de cijfers voor
de hoogspanningsposten. De website van Elia geeft 800 posten.
Transmission zou volgens onze bronnen een 60-tal posten hebben. Over de
direct door de transmissienetbeheerders beleverde grote industriële
klanten hebben we weinig gevonden en de boekhoudwaarde van Elia die
moet nu volgens de jaarbalansen die we op het internet vonden
schommelen rond de 1.300 miljoen€ en volgens onze bronnen zou die van
Transmission rond de 900 miljoen schommelen maar( dit hebben we niet
echt kunnen verifiëren. In elk geval is de huidige biedprijs van het
Duitse bankconsortium niet ver uit de buurt (860 miljoen €)
Op
basis van deze cijfers kunnen we echter een aantal vragen stellen.
Stond er in de fameuse Pax Electrica III (we denken III maar we zijn
misschien de tel kwijt...) dat de Belgische gemeenten de
MEERDERHEIDSAANDEELHOUDER van Elia moesten worden? Anders hebben we de
toespraak van de Voorzitter van Intermixt, Jos Ansoms niet goed
begrepen op p5...van onderstaand document: http://www.intermixt.be/SiteCollectionDocuments/toespraken/Toespraak_voorzitter_Jos_Ansoms.pdf
Ze
hebben dit inderdaad gerealiseerd via een overname van 3%
Electrabelaandelen en zijn zo aan hun huidige meerderheid geraakt MAAR
indien deze overname van Transmission tegen de huidige biedprijzen
doorgaat moeten de Belgische gemeenten ofwel zelf met sollen op tafel
komen en dan vragen we ons af waar ze deze zullen halen maar er zal in
elk geval een kapitaalsverhoging in Elia moeten komen. Als de gemeenten
de centen niet kunnen ophoesten dan moet er een andere investeerder
worden gezocht. Deze is natuurlijk al gevonden omdat iedereen hier in
Belgistan maar al te goed weet dat onze gemeenten dit niet kunnen betalen... Dat betekent dan ook concreet dat er een
privé-investeerder achter de schermen zit te wachten om in het kapitaal
van onze nationale Transportnetbeheerder te stappen. Je zal nu zeggen
Who cares? Want Electrabel zit er toch al in. Inderdaad maar als
minderheidsaandeelhouder. Hoe hoger de prijs voor Transmission stijgt,
hoe groter het aandeel van de nieuwe privé-investeerder...en dat
betekent dus dat Belgistan, in tegenstelling tot Olland de controle
verliest op haar Transportnet en dit omwille van de aankoop van een
niet-gereguleerde activiteit...
Wij zijn dus erg benieuwd hoe
onze grote politiekers hierop zullen reageren. Zij moeten natuurlijk al
eerst wat essentiële dingen begrijpen, wat niet zeker is. Bovendien
hadden we toch ook graag de mening gehoord van de CREG. In feite heeft
de CREG daar niks in te zoeken maar toch...
een
Australisch pensioenfonds dat blijkbaar investeert in sociale zaken en
zich een sociaal profiel toemeet als investeerder. Dit laatste kan
verklaren waarom de Eliabestuurders groen licht hebben gegeven aan deze
overnamepoging. Intermixt wordt nogal gedomineerd door onze vrienden
van de Ceedee-envee dus dat is al 33% + 10% van Arco (ook erg ceedee en vee) dat geeft al snel
een 43% van de aandeelhouders...of dit sociaal profiel nu voldoende zal
zijn om de Belgistaanse Transportnetbeheerder nog te laten controleren
door een minderheidsaandeelhouder die zich zelf heeft schaakmat gezet??? Wij
zouden toch ook graag begrijpen waarom dergelijke overnames omwille van
een soort "stratego" van een aantal aandeelhouders nodig is? Het brengt
in dit stadium niks bij aan de uitbouw van een geïntegreerd net op de
schaal van het Centraal West-Europese net waarin België functioneert.
Het kan inderdaad zo zijn dat deze investering "strategisch slim " is
op langere termijn maar of dit een argument is waarmee een nationale
transportnetbeheerder moet uitpakken? De redeneringen van Tennet bij
de overname van het E.ON-net lijken ons in elk geval veel
steekhoudender dan dit ex-Oost-Duitsland-geval...maar wij zijn maar
kleine schepseltjes met weinig verstand...
Bovendien negeert men
hier de uitgestoken hand van Tennet aan de omringende
transportnetbeheerders om in te stappen in elkaars kapitaal. Als er een
uitwisseling zou komen tussen de netbeheerders van Nederland, België,
Frankrijk (met de Tennet-controle van het E.on net zit er al een
gedeelte Duitsland bij dat wel geïndustrialiseerd is..) dan zouden we
een heel eind opschieten met de uitbouw van het Centraal-west-europese
net zoals de Europese instanties al een tijdje vragen. De geplande
overname van een net buiten dit gebied door Elia is volgens ons dus een
gemiste kans en lijkt eerder speculatie dan een wil tot Europese
eenmaking wat betreft de energieuitwisseling...
In elk geval
merken we dat het ratingbureau Standard and Poor haar rating voor Elia
al naar beneden dreigt aan te passen in geval van overname. Wat
betekent dit? Dat Elia duurder zal moeten betalen als het leningen moet
afsluiten. Nu weten we allemaal dat er heel wat moet geëinvesteerd
worden in het Belgische net de volgende jaren. We denken hier aan de
integratie van o.a. de geplande windmolenparken, de komst van de
elektrische auto enz... Meer geld nodig dus en duurder...wie zal dat
betalen via de elektriciteitstarieven?????? Juist ja en dat is het
tegenovergestelde als wat we lazen bij de Ollanders en die hadden het
vermoedelijk bij het rechte eind. Die zijn daar trouwens niet slecht
bezig. Want vanuit een positie met zware productietekorten worden onze
ollandse kooplieden stilaan exporteurs van elektriciteit dank zij hun
overnames...dat is nog altijd anders dan te lezen dat je rating naar
beneden zal bijgesteld worden...
FRANKFURT (Dow Jones)--Belgian power grid operator Elia
System Operator SA (ELI.BT) is the preferred bidder in the sale of Vattenfall
Europe AG's (VTT-XE) German power transmission network despite a rival
consortium increasing its offer for the assets, said people familiar with the
situation Thursday.
The rival consortium, comprising Goldman Sachs Group Inc.
(GS), Allianz SE (ALV.XE) and Deutsche Bank AG's (DB) infrastructure fund
RREEF, increased its offer for the German power transmission network to around
EUR800 million last year, said two people familiar with the matter.
One of the persons said the consortium had previously
offered more than EUR500 million.
The bidders are now hopeful that the transaction will be
completed in the first quarter of 2010, the person added.
The consortium is competing against Belgian power grid
operator Elia, which Wednesday confirmed that it is in talks to acquire a controlling
stake in the 9,700- kilometer, ultra-high voltage power grid, which Vattenfall
put on the block in summer 2008.
Elia's offer for the Vattenfall grid was higher than EUR650
million reported earlier Thursday by news agency Reuters, one person said but
declined to give further details.
Vattenfall Europe, Elia and the financial consortium
declined to comment on the matter.
Earlier Thursday, credit rating agency
Standard & Poor's Ratings Services said it placed Elia on CreditWatch with
negative implications for its 'A-' long-term corporate credit rating.
S&P said "an acquisition, if
completed, could materially weaken Elia's business and financial risk profiles
to a level no longer commensurate with an 'A-' rating", as the current
ratings assumed no merger and acquisition risk.
"The fact that the company is considering such a bid
is...a departure from its current strategy," S&P said in a written
statement.
Vattenfall Europe--a fully-owned unit of Swedish
state-controlled Vattenfall AB--said in November that it had reopened the
bidding process for its power transmission grid after failing to agree on key
issues with the financial consortium with which it was in exclusive talks.
When Vattenfall broadened the sale to other bidders, the
company said the key issues it had failed to agree on in the exclusive talks
with the consortium included the purchase price.
Vattenfall's decision to reopen the talks to other potential
suitors came after people familiar with the matter said the company had largely
completed the sale to the financial consortium.
Shortly after that, however, E.ON AG (EOAN.XE) agreed to
sell its German power transmission grid to Dutch network operator TenneT TSO BV for
EUR1.1 billion.
Stretching around 9,700 kilometers from the Danish border in
the north to the Alps in the south, E.ON's
grid is only slightly larger than that of Vattenfall. Still, E.ON managed to
achieve a much better purchase price than the roughly EUR500 million that the
financial consortium is understood to have originally bid.
-By Carol Dean, Eyk Henning and Jan Hromadko, Dow Jones
Newswires; +49 69 29 725 503; jan.hromadko@dowjones.com
wij hadden jullie gisteren beloofd om het te hebben over de grote
overnameplannen van onze Belgische netbeheerder ELIA. In de binnen- en
buitenlandse pers vernemen we dat Elia een bod zou gedaan hebben op het
netwerk van Vattenfall in het vroegere Oost-Duitsland. http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20100113_020&word=elia
Elia uit op controlerende participatie in hoogspanningsnet Vattenfall
woensdag 13 januari 2010
Bron: BELGA
Auteur:
wle
BRUSSEL - Elia,
de beheerder van het hoogspanningsnet in ons land, heeft
woensdagochtend bevestigd dat het onderhandelingen voert met Vattenfall
om een controlerende participatie te verwerven in diens netwerk in
Duitsland. Dinsdag waren er geruchten in buitenlandse media, maar Elia wou daar toen geen commentaar op geven.
Indien de overname slaagt, wordt het de eerste voor de Belgische netbeheerder in het buitenland.
De overnameprijs zou volgens experts zo'n 500 miljoen euro bedragen.
Maar daarnaast zijn er voor miljarden investeringen nodig in het
netwerk in het oosten van Duitsland.
"Tussen Elia en Vattenfall
Europe Transmission bestaat een lange traditie van onderlinge
samenwerking. Reeds in 2007 sloten zij een strategische
samenwerkingsovereenkomst", luidt het woensdag nog in een persbericht
van Elia.
Blijkbaar
is er na de wilde overname- en fusiejaren tussen energieproducenten nu
een overnamedrang gekomen van netbeheerders. Op zich zou dat zelfs een
positief effect kunnen hebben wanneer alle of tenminste aal elkaar
grenzende netbeheerders een participatie in elkaars netten zouden
nemen. Op die manier zou zeer vlug en efficiënyt een geïntegreerd
Europees netwerk tot stand kunnen komen. Als er dan nog een Europese
regulator kan worden opgericht dan zouden we een grote stap vooruit
zetten in een beter netbeheer op Europees vlak met eventuele grote
besparingen op productiecapaciteit die nu in reserve moet worden
gehouden op het niveau van elk land.
In November was er reeds een
eerste overname die werd gerealiseerd door het Ollandse Tennet, de
Nederlandse netbeheerder die het veel grotere netwerk van het Duitse
E.on overnam.
De Nederlandse beheerder van hoogspanningsnetwerken Tennet heeft in
Duitsland een grote slag geslagen. Het staatsbedrijf neemt het netwerk
van de Duitse energiegigant Eon over.
De koopsom bedraagt voorlopig 1,1 miljard euro. Het definitieve
bedrag wordt vastgesteld bij de afronding van de overname, zo hebben
beide partijen dinsdag bekendgemaakt.
Door de overname krijgt Tennet er in één klap 10.700 kilometer aan
hoogspanningsnetwerken bij. De beheerder beschikt zelf over een netwerk
van ongeveer 9000 kilometer.
Europese stroommarkt Het transportnetwerk van Eon
bevindt zich in een gebied van 140.000 vierkante kilometer, van
Noord-Duitsland tot aan Beieren. Het Duitse energieconcern was vorig
jaar met eurocommissaris Neelie Kroes (Mededinging) overeengekomen dat
het zijn transportnetwerk zou afstoten. Eon was door diverse overnames
te machtig geworden op de Europese energiemarkt.
Tennet-topman Mel Kroon sprak van "een fantastische stap in de
ontwikkeling van een Europese markt voor elektriciteit''. Minister
Maria van der Hoeven (Economische Zaken) steunt de overname. De
integratie van de netwerken is volgens haar "belangrijk voor het
waarborgen van leveringszekerheid en het verder verbeteren van de
werking van de elektriciteitsmarkt''.
Voor de financiering van de overname heeft Tennet afspraken gemaakt met de banken ING en Royal Bank of Scotland.
ANP
Voor deze overname kreeg Tennet het groen licht van
de Nederlandse Ministerie van Financiën en van het Ministerie van
Economische zaken via een gemotiveerde brief aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer zoals jullie hieronder met eigen oogjes mogen aanschouwen:
Aan de voorzitter van de Tweede Kamer
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Ons kenmerk: FIN/2009/1589 M
Betreft: Overname hoogspanningsnet E.ON door TenneT
Geachte voorzitter,
Graag informeer ik u, mede namens de Minister van Economische
Zaken, dat ik als aandeelhouder in TenneT Holding (“TenneT”) na
uitgebreid onderzoek en overleg heb besloten TenneT toe te staan
een bindend bod uit te brengen op het transportnet van E.ON
(“Transpower”). Dit bod is door E.ON geaccepteerd. De overname
sluit aan bij de kabinetsambities en de publieke belangen ten
aanzien van het energiebeleid en levert aanzienlijke
maatschappelijke baten op in de vorm van geharmoniseerde
elektriciteitsprijzen tussen Nederland en Duitsland en lagere
kosten voor balanshandhaving. Bovendien is sprake van een
overtuigende en financieel gezonde propositie.
De Nederlandse markt voor elektriciteit raakt steeds meer
verweven met de Noordwest-Europese markt. Met name voor Nederland,
met een geliberaliseerde energiemarkt en onafhankelijk netbeheer is
een volledige en onbelemmerde toegang tot de Europese
elektriciteitsmarkt van groot belang. Fysiek is Nederland reeds
verbonden met de Duitse elektriciteitsmarkt. Echter, er is nog geen
sprake van volledige koppeling van markten: de handelssystemen voor
elektriciteit zijn nog niet geïntegreerd.
De overname van Transpower draagt bij aan de versterking en de
doelmatigheid van de elektriciteitsmarkt in Nederland. Koppeling
van de markt komt door de overname versneld tot stand komt en leidt
tot een versnelling van prijsconvergentie. Dit heeft, gelet op het
gemiddelde hogere niveau van stroomprijzen in Nederland, een
positief effect voor afnemers. Door de overname is TenneT in staat
om de twee verschillende netten optimaal op elkaar aan te laten
sluiten en investeringen op elkaar af te stemmen. Hierdoor zal
bijvoorbeeld de fluctuatie van het aanbod van windenergie beter
kunnen worden opgevangen. Een groter netwerk leidt bovendien tot
een efficiëntere balanshandhaving in Nederland, hetgeen een
belangrijke taak is van TenneT als netbeheerder. Hoewel
synergievoordelen niet de voornaamste voorwaarden zijn geweest van
het positieve besluit, zal de overname leiden tot
kostenverlagingen, met name aan de inkoopkant voor investeringen.
De maatschappelijke baten van deze strategische voordelen zijn
berekend op EUR 0,9 tot 1,5 miljard. De maatschappelijke baten
hebben een belangrijke rol gespeeld in de besluitvorming.
Naast de strategische voordelen die de overname biedt, is de
financiële propositie overtuigend bevonden. Als een van de Duitse
TSO’s[1] is Transpower net als in Nederland onderworpen aan
regulering. De rendementen die gemaakt kunnen worden zijn daardoor
beperkt maar stabiel. Het risico dat gemoeid is met de inkomsten is
vergelijkbaar met de risico’s die TenneT loopt ten aanzien van de
Nederlandse beheersactiviteiten en wordt acceptabel geacht.
De overnameprijs die TenneT betaalt voor de onderneming bedraagt
EUR 885 miljoen. Deze waarde ligt significant onder de waarde van
de zogenaamde regulated asset base[2] en is door de externe
adviseur van de Staat beoordeeld als een goede prijs, die duurzame
rendementen waarborgt. Evenals bij de beoordeling van de
strategische ratio heeft de Staat ook hierover onafhankelijk advies
ingewonnen.
De overname wordt gefinancierd door vreemd vermogen aan te
trekken op het niveau van TenneT en door inzet van eigen vermogen
van de Stichting Beheer Doelgelden. Deze Stichting is gelieerd aan
TenneT, maar voert een aparte boekhouding. De achtergrond hiervan
is gelegen in de Elektriciteitswet. Ten behoeve van deze Stichting
heeft de Staat een garantie verleend. Deze Stichting mag zijn
gelden namelijk uitsluitend risicovrij beleggen. De
maatschappelijke baten van deze overname rechtvaardigen het afgeven
van de garantie voor deze overname. De garantieverplichting zal in
de Tweede suppletoire begroting van het Ministerie van Financiën
worden verwerkt evenals de garantiepremies. De garantie wordt
marktconform beprijsd. Graag verwijs ik voor meer informatie over
de te verlenen garantie door de Staat naar mijn brief van 16
oktober jl. (28165, nr. 102). Deze brief is in eerste instantie als
vertrouwelijk verstuurd vanwege de beursnotering van E.ON. Met de
bekendmaking van deze transactie kan de brief ook openbaar
worden.
Na de overname zullen de Duitse activiteiten worden
ondergebracht in een dochter van TenneT Holding, evenals nu al het
geval is voor TenneT TSO Nederland. Hierbij geldt dat de Staat als
aandeelhouder dezelfde mate van zeggenschap zal krijgen in de
Duitse activiteiten als deze nu heeft in TenneT TSO Nederland.
Uiteraard heb ik mij vergewist van het feit dat de Nederlandse
activiteiten van TenneT Holding op het gebied van netbeheer (TenneT
TSO Nederland) geenszins (negatief) beïnvloed kunnen worden door de
Duitse activiteiten. TenneT TSO Nederland is strikt afgebakend: de
eigendommen en belangen zijn juridisch en financieel gescheiden van
de overige activiteiten van TenneT Holding. Deze situatie bestond
al voor de
overname en vloeit voort uit paragraaf 5 van de Elektriciteitswet
1998. Doel van deze wettelijke regeling is te voorkomen dat
niet-gereguleerde activiteiten van TenneT Holding invloed hebben op
TenneT TSO Nederland. Bovendien zal de overname geen impact hebben
op de Nederlandse tarieven voor elektriciteitstransport; de kosten
die gemoeid zijn met de overname kunnen niet verrekend worden in de
tarieven. Deze investering wordt terugverdiend uit de inkomsten uit
het Duitse elektriciteitsnet.
Ik zal samen met de minister van Economische Zaken de uitwerking
en de resultaten van de overname nauwlettend volgen. Ik heb daartoe
TenneT verzocht ons periodiek informatie te doen toekomen over de
beschreven samenwerking.
Mede namens de Minister van Economische Zaken,
De Minister van Financiën,
Wouter Bos
[1] Transmission System Operator.
[2] Dit betreft de regulatorische waarde van het netwerk.
Eerst
en vooral wensen we dus toch op te merken dat de Nederlandse Staat hier
inspraak heeft gekregen in een buitenlandse overname door haar eigen
nationale netbeheerder en bovendien ook zeggenschap heeft zowel bij het
Nederlandse gedeelte als in het overgenomen Duitse gedeelte en dat er
een duidelijke opsplitsing komt van beide activiteiten. Dit is natuurlijk niet meer dan normaal aangezien de Nederlandse Staat de enige aandeelhouder is van Tennet...
Q&A overname transpower Wat is het voordeel voor Nederland en wat levert het op? De
aankoop van transpower past perfect in de al jaren bestaand strategie
van de Staat en TenneT om tot één Noordwest Europese markt te komen en
resulteert in een aanzienlijke verbetering van de concurrentiepositie
van onze industrie. De aankoop van transpower verschaft TenneT toegang
tot een breder en complementair netwerk, daarnaast creëert TenneT
hiermee als eerste TSO in Noordwest Europa een grensoverschrijdend
transmissienetwerk. Het delen van opgebouwde ervaring (`best
practices') van beide ondernemingen zal leiden tot verhoogde
efficiëntie en effectiviteit van operaties. Hoeveel gaat TenneT betalen? TenneT
neemt voor de ondernemingswaarde van 885 miljoen transpower over, de
definitieve prijs wordt later dit jaar vastgesteld. Dit betreft niet
alleen het hoogspanningsnet, maar de totale onderneming (incl. mensen,
kantoren etc.). Zijn er concrete voordelen voor consumenten en producenten? Er zijn concrete voordelen voor zowel consumenten als producenten: · Het creëren van een Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt zou kunnen leiden tot het convergeren van deze prijzen met een lagere energierekening voor Nederlandse consumenten en bedrijven tot gevolg · Consumenten zullen profiteren van de mogelijk lagere kosten die gepaard gaan met het transport van elektriciteit die naar verwachting in de energierekening tot uiting zal komen · Door verbeterde balanshandhaving zal het productieregime voor producenten beter voorspelbaar zijn waardoor het voor hen eenvoudiger zal zijn om hun productiepark optimaal aan te wenden Gaan de tarieven omhoog? De
tarieven worden verhoogd op basis van gemaakte kosten. De financiering
van transpower betreft geen kosten maar een investering van de holding
TenneT. Welke gevolgen heeft dit voor andere projecten? Met de
aandeelhouder, de Staat der Nederlanden, is afgesproken dat de huidige
operaties en de overname onafhankelijk van elkaar beschouwd worden. De
overname heeft daarmee dus geen gevolgen voor andere projecten en staat
los van hoe andere projecten tot stand komen. Wat betekent dit voor de interconnecties op de Duitse grens? TenneT
als 100% eigenaar van transpower zal volledige zeggenschap hebben over
de grensoverschrijdende inter-connecties met het netwerk van transpower
en zal in overeenstemming met beide regelgevers de connectie met
Duitsland via transpower onderhouden. Voor de overige inter-connecties met Duitsland geldt dat er geen verandering zal optreden ten opzichte van de huidige situatie. Wat wordt er gedaan met de inkomsten van transpower? Inkomsten die voortkomen uit het transpower net worden herïnvesteerd in het net. In hoeverre is er politiek draagvlak? De
Staat der Nederlanden is 100% aandeelhouder in TenneT. De Minister van
Financiën heeft goedkeuring gegeven voor de overname en heeft zicht
voorafgaand aan zijn goedkeuring vergewist van voldoende politiek
draagvlak. Bovendien draagt dit bij aan kabinets-doelstellingen voor
ontwikkeling Europese markt. Wat betekent dit voor de systeemtechnische kant? TenneT
zal naar verdere synergievoordelen op zoek gaan om de systeemtechnische
kant nog verder te optimaliseren. Dit vergt echter de nodige studie en
mogelijk ook aanpassingen van regelgevend kader. Wat betekent dit voor windenergie? De
Nederlandse is net als de Duitse Staat voornemens om een groter aandeel
van groene stroom van het opgewekt vermogen te realiseren. Aangezien
Duitsland op dit gebied vooruit loopt op Nederland, komt er via de
overname van transpower extra kennis beschikbaar over groene energie.
Hiermee zal TenneT beter geëquipeerd zijn voor toekomstige
ontwikkelingen op dit gebied.
door Chris van Alem. woensdag 11 november 2009 | 07:26 | Laatst bijgewerkt op: donderdag 12 november 2009 | 00:30
Tekstgrootte
Netwerkbeheerder TenneT heeft een belangrijke stap gezet op weg naar een landelijk hoogspanningsnet. ANP Photo
De
miljarden die Tennet investeert in het Duitse en Nederlandse stroomnet,
komen niet voor rekening van de Nederlandse consument. "De tarieven
worden door de afzonderlijke toezichthouders in Nederland en Duitsland
vastgesteld.
Er is geen sprake van dat wij deze kosten
doorberekenen aan de consument", zegt Mel Kroon, directievoorzitter van
netbeheerder Tennet. Integendeel, koppeling van de stroomnetten van
Tennet en Eon moet er toe leiden dat het huidige verschil in
stroomprijs tussen beide landen verdwijnt.
Kroon
tekende gisteren in Düsseldorf het contract voor de overname van Eon
Transpower, het hoogspanningsnet van Duitslands grootste
energiebedrijf. Eon is door de Europese Commissie gedwongen om het
netwerk af te stoten, omdat het zich schuldig zou hebben gemaakt aan
concurrentievervalsing.
De transactie, die na goedkeuring van de
kartelautoriteiten begin volgend jaar zijn beslag krijgt, kost Tennet
1,1 miljard euro. De ministers Wouter Bos (Financiën) en Maria van der
Hoeven (Economische Zaken) hebben de overname goedgekeurd. De
Nederlandse Staat is eigenaar van Tennet. Tennet is de eerste
netwerkbeheerder in Europa die een deel van het netwerk in een
aangrenzend land overneemt.
Tennet heeft nu de mogelijkheid de
koppeling met het Nederlandse netwerk te intensiveren, waardoor er meer
goedkope stroom van Duitsland naar Nederland kan worden
getransporteerd. Bovendien kan Tennet door investeringen in het netwerk
van Eon Transpower voorkomen dat de windenergie die op het Duitse deel
van de Noordzee wordt opgewekt - en die bestemd is voor de industrie in
Zuid-Duitsland - het Nederlandse en Belgische netwerk belast.
Kroon:
"Twee jaar geleden draaiden de windmolens zo hard en kwam er zoveel
stroom vanuit Duitsland naar Nederland en België, dat niet alleen een
deel van onze capaciteit wegviel, maar bovendien een blackout (uitval)
dreigde in een groot deel van Europa.
Nu we Transpower
overnemen, krijgen we veel meer zicht op wat er aan beide zijden van de
grens wordt geproduceerd en wat er moet worden getransporteerd."
Nederland ontwikkelt zich in hoog tempo tot de powerhub van Europa, de
draaischijf waarlangs handel en transport van gas en stroom verlopen.
Dankzij
een onderzeese kabel kan Nederland goedkope Noorse stroom importeren
die uit waterkracht wordt opgewekt. Tennet is begonnen met aanleg van
een onderzeese kabel die de Nederlandse en Engelse elektriciteitsmarkt
verbindt, BritNed, en studeert op een kabelverbinding (CoBra) met
Denemarken voor de import van Deense windenergie.
De stroomprijzen in NoordWest-Europa moeten door de verbinding van deze markten minder grillig worden.
Tennet,
dat de afgelopen jaren al de hoogspanningsnetten van Enexis (Essent
Netwerken) en Liander (Continuon) overnam, is de komende jaren zes tot
zeven miljard euro kwijt aan investeringen. Daarvan wordt drie miljard
uitgegeven in Nederland en de rest aan het netwerk van Transpower.
Tennet wil verder uitbreiden. Kroon: "Als andere partijen in Europa dit een goed concept vinden: onze deur staat open."
Vooral de laatste zin is intrigerend...maar morgen lezen jullie
meer...en onthou vooral dat Tennet en Transpower twee aan elkaar
grenzende netwerken zijn...
de bankoverval en de franciskanen zijn er weer ...
Dus gisteren gaven we een lesje hedendaagse Europese geschiedenis en
aardrijkskunde want in de balkan is er nogal wat veranderd. Daar waar
wij vroeger Joegoslavië wisten te situeren ligt er vandaag een vreemd
lappendeken van staten en staatjes die we eerder verwachten tegen te
komen in de stripverhalen van Kuifje dan in het echte leven. Maar toch
is het een realiteit en het heeft recent nogal wat mensenlevens gekost.
In WO II heeft het aan massa's bewoners hun hachje gekost omdat ze daar
al wel een paar eeuwen woonden maar omdat sommigen dachten dat ze daar
toch meer historische rechten hadden en daarom de anderen mochten
uitroeien in opdracht van hun eigen godje... We zagen dus dat er een plaatselijke bank werd leeggehaald op zoek naar documenten.
Wie
waren nu de eigenlijke eigenaars van deze bank en wat waren hun
eigenlijke drujfveren. Want je stuurt zo maar geen soldaten naar een
bankkantoor om wat dozen met papieren op te eisen...
We gaan
eerst snuisteren bij de zogenaamde bankovervallers zelf die dus niemand
minder waren dan de Europese instantie die daar het feitelijke bestuur
vormden en we gaan naar 2002 om te kijken hoever het toen reeds stond
in deze zaak
Petritsch extends mandate of the Hercegovacka Banka
Provisional Administrator
The High Representative, Wolfgang Petritsch, on Thursday issued
a Decision extending the mandate of the Provisional Administrator of
Hercegovacka Banka with regard to the blocking of the deposits and investments
in the Bank beyond the period of one year. (All Sarajevo dailies and Banja Luka
Nezavisne Novine carried the Press
Release on Saturday)
PDHR Hays says the Hercegovacka Banka founders
intended to make an autonomous region under Croat control
Saturday’s Dnevni Avaz reports that Principal Deputy High
Representative Donald Hayssaid on Friday at a press conference in Mostar that
the final goal of the founders of the Hercegovacka Banka had been to make
Herzegovina an autonomous region, i.e. to put it under Croat control. Hays said
that the founders of the bank had wanted to control the community and then take
taxes from it. He added that Hercegovacka Banka had been meant to become a kind
of treasury for public funds. Although the bank was created to be commercial, it
turned to be an institution that was fulfilling political goals of individuals,
Hays said. According to the Radio Mostar East, Provisional Administrator of the
Bank Toby Robinsonsaid that, since the investigation into the bank’s operations
was underway, new criminal charges were expected to be filled during summertime.
Robinson stated that not only OHR but also depositors had lost confidence in
Hercegovacka Banka. Based on about million documents and over 600,000 computer
files, the investigation showed, said Robinson, that this was really a story on
major criminal of a small group of people who had taken large credits never
giving them back. Two thirds of credits were given to shareholders, members of
the Steering board and connected associations, Robinson said. She added that
people who had organized all this were still in possession of the money that
belongs to 40,000 depositors. According to Dnevni Avaz, Robinson said that there
were three resolutions for the Bank: rehabilitation, selling or liquidation.
Saturday’s Dnevni Avaz declares Toby Robinson as the
Person of the Day
Saturday’s Dnevni Avaz declared Hercegovacka Banka Provisional
Administrator Toby Robinson Person of the Day in light of the extension of her
mandate for another year. According to the newspaper, Robinson has been given
more time to resolve the situation in once the largest financial institution in
Herzegovina caused by more than suspicious transactions.
Petritsch not excluding possibility he will appear as
a witness before The Hague Tribunal in trial of Milosevic
Niet
mis als beschuldigingen...zo denken wij tenminste maar wie zijn dan die
fameuse "small group of people who had taken large credits never giving
them back" en "the founders of the HB had been to make Herzegovina an
autonomous region under Croat control?
Ante Jelavić served as Chairman of the Presidency from June 15,
1999, to February 14, 2000. He was removed from his position on the
three-member Presidency of Bosnia and Herzegovina by decision of the
High Representative, Wolfgang Petritsch, in March 2001. Petritsch
justified his decision by observing that Jelavić had "directly violated
the constitutional order of the Federation of Bosnia and Herzegovina
and of Bosnia and Herzegovina"; in particular he cited Jelavić's
leading role in the 'Croat National Assembly' rally in Mostar of March
3, 2001, calling for a separate governing entity for Bosnian Croats.[1]
On January 22, 2004, Jelavić was arrested in his home in Mostar, on charges of corruption.
On November 4, 2005, the Court of Bosnia and Herzegovina in Sarajevo
found Jelavić guilty of abuse of office, embezzlement of office, and
lack of commitment in office. The findings of guilt related, in part,
to the use of funds from the Federation of Bosnia and Herzegovina
Ministry of Defence to purchase shares in banking and insurance firms
Hercegovačka Banka and Herzegovina Osiguranje. Judge Malcolm Simmons
presided,[2]
A sentence of ten years imprisonment was subsequently pronounced,
although Jelavić was not present at the sentencing hearing and remained
at large.
Dragan Barbarić, acting for Jelavić in his absence, initiated a
successful appeal against the first instance verdict on the grounds
that it lacked proper factual description of the offence and as such
was in violation of criminal procedural law. The verdict revoked, the
appeal panel, presided over by Judge Nedžad Popovac, has called for new
proceedings in which evidence presented at the first trial will be
re-presented and in which new evidence may be presented too.[3]
en
op pagina 41 vinden we de fameuse stichters van de bank waaronder dus
onze goede vriende de franciskanen...jullie kunnen het daar zelf
lezen...
op pagina 106 staat
er nog wat meer leuks over onze franciskanen want blijkbaar kwamen de
fondsen voor de wederopbouw van hun lieflijke kerkjes uit de kas van
het Kroatische ministerie van defensie dat het geld via deze leuke bank
doorsluisde aan onze vrome vrienden...maar lees het maar eens na...
verder
lezen we op pagina's 194 en 195 dat het kapitaal dat door een aantal
"investeerders wordt ingebracht om deze bank op te richten in feite
afkomstig is van het Kroatische ministerie van defensie du ook de
sollen van onze broeders franciskanen...toch wel echte gelovige
christenen met een missie, zouden we durven zeggen...
in
december 2004 had er trouwens reeds een proces plaats gevonden onder
het voorzitterschap van onze Belgische Guy Van Craen die door onze
belgische regering gedetacheerd was om ginder wat orde op zaken te
stellen...
Het vonnis kan je hieronder consulteren en we raden aan pagina 11 te lezen over HFP...
In
een notendop kiomt het er dus op neer dat een bank werd opgericht met
geld van het Kroatische Ministerie van defensie dat werd doorgesluisd
naar o.a de franciskanen en een aantal andere "nationalistische
gertrouwen. Die investeerden vervolgens het geld in de oprichting van
de bank en keerden zichzelf dan een lening toe die ze nooit
terugbetaalden behalve dan onze franciskanen die toch wel
terugbetaalden maar weer met de centen van ????
Ondertussen
financierde deze bank de afscheiding van het Kroatische gedeelte van
Bosnië Herzegovina om het onder Kroatisch bestuur te plaatsen.
Toevallig lag op deze plaats het ons goed bekende Medjugorje waar veel
werd gebeden door miljoenen buitenlanders wat aardig wat geld in het
llatje bracht en brengt...Maar het ganse plan viel dus in duigen dàor
heyt doortastend optreden van de Europese gezant...
Zo zie je
maar dat onze franciskanen het blijkbaar nooit opgeven en zelfs bereid
zijn om samen te werken pure criminelen en oplichters om hun doel te
bereiken namelijk een groot katholiek Kroatië...met een zeer renderend
bedevaartsoord...waar onze bank waarschijnlijk ook stevig heeft heeft geînvesteerd door hun Kroatische vriendjes ruime kredieten toe te kennen voor de bouw van hun gastverblijven enz...
en tijdens het weekend geven we jullie
de stand van zaken rond onze eigen belgische transportnetbeheerder Elia
die op overnamepad is in ...voormalig Oost-Duitsland...
Natotroepen overvallen bank in Bosnië-Herzegovina (in 2001)
Weinigen onder ons beseffen dat er daar ergen in ex-Joegoslaviê nog een
Europese vredesmacht rondloopt. Daar zijn trouwens nog Belgen bij. Wat
doen die militairen daar nu? Lezen we daar veel over? Nauwelijks.
Buiten dan de momenten dat er één of andere politieker op de foto wil
om hier bij de achterblijvende familieleden van onze jongens wat te
scoren. Maar we doen ginder goed werk want we aaien daar over de
krullebollekes van de kinderen enz enz... Maar wat gebeurt er daar
echt? Wel we geven jullie een klein voorbeeldje. Het begin van het
verhaal is niet echt recent maar dat maakt niet uit...
In 2001
lezen we in allerlei publicaties, wees gerust geen Belgische, dat de
Natotroepen een bank aanvallen. Een bankoverval? Niet echt ze zijn op
zoek naar papieren. Maar eerst wat situeren. We bevinden ons in
Bosnië-Herzegovina en dat is niet meteen de makkelijkste streek in
Europa op bestuurlijk en andere vlakken. We durven zelfs beweren dat
het daar nog ingewikkelder is dan in ons eigen Belgistan en omjullie
een idee te geven van de moeilijkheidgraad laten we jullie een stukje
algemene informatie over dit leuke landje lezen en prijs jullie
gelukkig dat er daarna geen ondervraging volgt want wij vernamen dat er
3 ministeries van defensie bestonden of nog bestaan...maar wees
nieuwsgierig en ken je eigen Europa...
Bosnië en Herzegovina riep in april 1992 de onafhankelijkheid uit. Na het uitroepen van die onafhankelijkheid brak de Bosnische oorlog
uit. De onafhankelijkheid was uitgeroepen door de regering van Bosnië
en Herzegovina, nadat de meerderheid van de Bosnische bevolking voor de
onafhankelijkheid koos tijdens het referendum van 1 maart 1992. Het
merendeel van de Bosnische Serviërs was echter tegen de
onafhankelijkheid. Het leger van de Bosnische Serviërs, onder leiding
van generaal Ratko Mladić, omsingelde in het voorjaar van 1992 de Bosnische hoofdstad Sarajevo. De politieke leider van de Bosnische Serviërs, Radovan Karadžić,
kwam op 12 mei 1992 met het plan om Bosnische volkeren fysiek te
scheiden. Al in 1992 werden tientallen Bosnische steden en dorpen
aangevallen en vervolgens geplunderd en de niet-Servische bevolking
uitgemoord, opgesloten in gevangenkampen of verdreven. De meeste
massamoorden vonden plaats in Foča, Sarajevo, Visegrád, Zvornik, Prijedor, Kozarac, Vlasenica, Bratunac, Sanski Most en Srebrenica, waar in 1995 ruim acht duizend mensen zijn vermoord. Na internationaal ingrijpen in 1995 eindigde de Bosnische oorlog met het verdrag van Dayton. Sindsdien is het land verdeeld in twee entiteiten: De Federatie van Bosnië en Herzegovina (Federacija Bosna i Hercegovina), en de Servische entiteit: de Servische Republiek (Republika Srpska). In deze laatste is Banja Luka de belangrijkste stad, grondwettelijk is Sarajevo de hoofdstad. Naast de voornoemde twee deelrepublieken is er het Federaal District Brčko.
Rustig is het niet geworden op de Balkan, maar Bosnië en Herzegovina verdween wel uit het nieuws. Totdat Radovan Karadžić, werd opgepakt in juli 2008. Geholpen door deze actuele gebeurtenis zocht de Britse diplomaat en politicus Paddy Ashdown - voormalig Hoge Vertegenwoordiger van de internationale gemeenschap in Bosnië-Herzegovina - het nieuws. In The Observer meldde Ashdown dat Bosnië en Herzegovina op het punt stond om in te storten [5]. Ashdown meldde dat de Serviërs bezig zouden zijn met het opbouwen van een eigen staatsstructuur. De premierMilorad Dodik stuurde eerder een afvaardiging naar Montenegro
om te onderzoeken hoe dat land zich in 2006 afscheidde. De Serviërs
zouden streven naar een onafhankelijke Republika Srpska. Volgens
Ashdown heeft de Europese Unie zich in de jaren '90 te snel teruggetrokken uit Bosnië.
De Bosniak-Kroatische Federatie en de Servische Republiek zijn weer
onderverdeeld in respectievelijk 10 kantons en 7 regio's. De kantons en
regio's zijn op hun beurt weer onderverdeeld in gemeentes.
De naam "Bosnisch" is onder de meerderheid van Bosnische Kroaten en
Bosnische Serviërs controversieel. Bosnische Kroaten spreken Kroatisch
en beschouwen dit als hun moedertaal. Bosnische Serviërs zien het
Servisch als hun officiële taal. Alleen de Bosniakken geven de voorkeur
aan Bosnisch. Het Bosnisch
wordt gezien als een "aparte" Zuidslavische taal met Turkse en
Arabische leenwoorden en wordt in het huidige Bosnië en Herzegovina
samen met de andere twee talen als de nationale standaardtaal gezien.
Het staat vast dat tot in de 19e eeuw de Bosnische bevolking Bosnisch
sprak en een eigen Bosnisch schrift kende, het Bosančica.
Geografie
Het noorden is overwegend vlak, het middenwesten heuvelachtig. In
het zuiden en oosten liggen de hoogste toppen, het hoogste punt is de Maglić (2386m) op de grens met Montenegro. Het land heeft veel bossen en ongerepte natuur.
In het westen zijn kanovaren en rafting op de rivieren Una en Sana erg populair. Verder onderbreekt Bosnië en Herzegovina in het zuiden bij de stad Neum de kustlijn van het buurland Kroatië, waardoor het een 20 km lange kust aan de Adriatische zee heeft.
Bedevaartsoord Međugorje, dat veel pelgrims trekt uit binnen-, maar vooral buitenland.
Economie en geld
De economie van Bosnië en Herzegovina heeft het zwaar te verduren
gehad tijdens de oorlog. Met name de industrie, waar het land (en het
vroegere Joegoslavië) van afhankelijk was en is, is flink beschadigd
geweest. Het land telt vele industrieën, waarvan vele te maken hebben
met het delven van de ruim aanwezige delfstoffen (kolen, zink). Ook is
er veel petrochemische industrie in het land. Daarnaast is er sprake
van intensieve akkerbouw en veeteelt. Vanwege de ligging vindt de
meeste handel plaats met de buurlanden Kroatië, Servië en Montenegro.
De lokale munteenheid is de Konvertibilna Marka. De ISO-code is de
BAM, maar lokaal wordt deze afgekort tot KM. In overwegend Kroatische
gebieden wordt de Kroatische Kuna ook geaccepteerd. De euro wordt
wijdverbreid geaccepteerd. De koers van de KM is ongeveer 51 eurocent,
terwijl een euro ongeveer 1,96 KM is.
Onthou
vooral dat het tenslotte de bedoeling is en blijft om van
Bosnië-Herzegovina één en het zelfde land te maken wel met
verschillende gemeenschappen zoals we dat in ons eigen Belgistan
kennen. Ondertussen heeft de Nato dus wel een heleboel taken
overgedragen aan de Europese Unie maar daar hebben we het nu even
niet over. Terug naar 2001 en we lezen...
NATO troops raid bank to get evidence of Bosnian Croat separatists
NATOled
troops raided a private bank believed to be the financial lifeline of
Bosnian Croat separatist efforts and carried out boxes of documents
early today, in the second raid at the bank in less than two weeks.
Witnesses
who peeked through their windows said the NATO action began at 3am
(0100 GMT). Troops were seen lying on the streets behind corners of
buildings, protecting other soldiers who broke into Hercegovacka Banka
and carried out boxes.
Capt Lars Anderson, spokesman for the
peacekeepers, said the operation was conducted to "collect evidentiary
material necessary to complete an investigation of fraud and money
laundering suspected to have been conducted by the Hercegovacka Banka."
The action was necessary, he said, because it appeared bank officers were trying to cover up the bank's previous activities.
Troops
used explosives to enter the bank, created "chaos" in the building, and
removed all documents and computers, bank workers said on condition of
anonymity.
Downtown Mostar was blocked by dozens of armoured
vehicles, and Radio Mostar reported troops also had set up overnight
patrols at all entrances to the city.
By 6am (0400 GMT) the action had ended, radio said.
International
auditors, supported by NATO peacekeepers, raided the same building and
10 other branches of Hercegovacka Banka on April 6, after Bosnia's top
international official, Wolfgang Petritsch, ordered them to install
provisional international administrators at the bank and allow
government and international auditors to check the bank's business
procedures.
But the raid prompted violent riots, which
international officials said were organized by the hardline
nationalist Bosnian Croat party, the Croat Democratic Union, or HDZ.
The party is leading nationalist efforts to break a part of Bosnia away
from the MuslimCroat federation and turn it into a Croat
ministate.
Several foreign auditors and 21 NATO
peacekeepers were injured during the riots. In the town of Grude, the
mob took the auditors hostage and pressed a gun against the head of a
US auditor, threatening him with execution.
International
officials said the bank has been involved in corruption and illegal
money transfers, enriching the leadership of the HDZ party.
The
April 6, riots prevented the international administrator, Toby
Robinson, from entering the bank and obtaining necessary documents to
audit the bank so it can resume operation.
In andere bronnen klinkt het natuurlijk helemaal anders:
Interview: Milan Sutalo, suspended spokesperson of the Hercegovacka Bank
We Do Not Fear Investigation; In Interview for Hrvatska Rijec Petritsch Only Offered New Untruths About Bank!
by Alenko ZORINJA
Hrvatska Rijec, Sarajevo, Federation Bosnia-Hercegovina, B-H, May 28, 2001
The Hercegovacka Bank affair is still drawing attention
of the public. Last week both the temporary administrator of the bank,
Toby Robinson, and share holders of the bank exchanged press releases
expressing mutual satisfaction because of the announced start of
cooperation on the auditing of the bank's business activities. True,
the share holders did not miss a chance to cynically comment on the
part of the letter sent by Robinson in which she states that they "need
not be concerned about the money (close to $500,000) from the safe
vault in the bank" as that money has been deposited with the Central
Bank of Bosnia-Hercegovina. Namely, share holders view that statement
as a clear admission of who took the money from the safe in the bank.
The results of the audit of the business dealings of
the Hercegovacka Bank are expected by the public with a lot of
interest, especially after several international community officials
have announced that the audit would discover various criminal
activities. Milan Sutalo, the spokesperson of the bank, however,
disagrees. He was suspended together with other employees of the bank
when the High Representative imposed an administrator earlier this
year. It is interesting that Sutalo, a former editor of the news
program on Erotel [Croat TV station banned by the Office of High
Representative], has lost a job for the second time thanks to the
decisions of the international community. In an interview for our
magazine Sutalo explains his view of the raid of the Hercegovacka Bank.
He and a group of other employees have for weeks been trying to
convince the domestic and international public that the raid of the
Hercegovacka Bank and the decision to impose a temporary administrator
were illegal acts. They have set up a web site
which is updated daily with fresh information, together with a
selection of articles from the domestic and foreign press, including
the recent interview of the American ambassador Thomas Miller for our
magazine.
HRVATSKA RIJEC: In the last issue of our
magazine High Representative of the International Community Wolfgang
Petritsch said that the preliminary results of the investigation in the
Hercegovacka Bank indicated that the situation had been even worse than
expected? Would you care to comment and do you fear that the
investigation will indeed prove that there were criminal activities in
the bank?
SUTALO: With his statement Mr. Petritsch only
demonstrates his consistency in trying to defame and slander the bank
as in his unsuccessful attempt to destroy it by his statements for the
media. When he and his collaborators failed in their attempt to
undermine the bank in that manner, they used that campaign to win
support in the public here and abroad, as well as the local and foreign
political circles, for an illegal and violent act of breaking in,
taking over by force, destroying and stealing information processing
equipment, documentation and money from the Hercegovacka Bank.
I agree with Mr. Petritsch that there is a well-founded
suspicion in the Hercegovacka Bank affair that a crime has been
committed, the crime of bankocide, to my knowledge unprecedented in
history of the human race. The situation is indeed worse than anyone
could have expected. No one sane, including us in the bank, despite
media speculations, expected that the OHR and Mr. Petritsch would take
the course of action they took on April 6, and in the night between
April 17 and 18, when the public both here and abroad could see for
itself the horrific consequences of the tank audit of the Hercegovacka
Bank.
Consequences of Petritsch's crime are felt today not
only by the share holders and employees of the bank but also by 90,000
customers of the bank who have been denied access to their savings,
their undeniable private property, by Petritsch. The consequences are
also felt by thousands of companies that are on the verge of
bankruptcy, as well as the Federation Bosnia-Hercegovina and
Bosnia-Hercegovina herself.
Let me remind you that a month ago in an interview to Jutarnji List
I stated that if the blockade of the Hercegovacka Bank was not lifted,
the Federation Bosnia-Hercegovina would face bankruptcy. Today even the
top officials, minister of finances Nikola Grabovac and member of BH
Presidency Beriz Belkic, admit that.
However, the state is not facing bankruptcy because its
money has been frozen in the Hercegovacka Bank but because Petritsch
with his action had a catastrophic effect on the economy and thus did
an extremely bad favor to the state.
Could you be more specific regarding whether
the investigation will be able to prove that there were criminal
activities in the bank?
We were not and are not afraid of any investigation or
audit. If we were afraid we definitely would not have permitted the
supervision of our business dealings by the Federation
Bosnia-Hercegovina Banking Agency, whose auditors spent as many as 40
days in the bank, and after that visited bank to conduct post-audit
controls. Ibrahim Polimac, the spokesperson of the Federation BH
Banking Agency after the April 6 action clearly said on TV that all
business dealings of the Hercegovacka Bank were legal, that not a
single condition for the imposition of outside administration had been
met, and that the Federation BH banking regulations and laws do not
foresee a possibility that the OHR impose outside administration.
Therefore, when Mr. Petritsch says that the action was legal, he is again in direct collision with the law and the facts.
Let me remind you that the governor of the Central Bank of Bosnia-Hercegovina, Peter Nicol in his statement given to Jutarnje Novine
said that the Hercegovacka Bank was an example of respect for the rules
of internal monetary transfers, and the Federation Minister for
Finance, Nikola Grabovac, confirmed that the Hercegovacka Bank had
regularly met all its obligations with respect to the Federation BH
budget.
Before April 6, the Hercegovacka Bank was also visited
by special auditors of the OHR to whom, as well as to the OSCE mission,
we gave all the requested data.
The Bank never refused to provide any auditor with any
requested piece of information. Those who fear something try to avoid
audits, and we publicly invited all the auditors, if they had any
suspicions, to come to the bank. We expected auditors in business
suits, and we got auditors in black balaclavas.
What is your interpretation of the reasons for the imposition of the temporary administration in the bank?
The goal of the operation was not an audit, but a
blockade and destruction of the bank, and financial and economic
punishment of the territories served by the bank, so that a particular
political message and response to Croat inquiries into their rights in
Bosnia-Hercegovina could be sent.
When force is illegally used or abused for such goals,
the planners and organizers have no other recourse than to keep lying.
Those who lie are prepared to do anything to hide the true goals and
motivation for the action. After the analysis of Petritsch's statements
one can easily identify the ideas behind the whole campaign against the
bank.
You have frequently claimed so far that the
action conducted by SFOR and the OHR could not be conducted anywhere in
the west, since very weak evidence of alleged criminal activities was
offered before the attack, and the Hercegovacka Bank is also a
privately owned bank. However, the other side responded that activities
such as redirection of 54 KM million of assistance sent from Croatia
also would not be possible in the West, so that the appeals to legality
are irrelevant?
If you give equal weight to facts and fabrications then
that may be true. Mr. Petritsch, Mr. Racan and all the auditors who
have spent time in the Hercegovacka Bank know very well that that
infamous secret account does not exist. We do not have the so-called
secret, i.e. code protected, accounts as all accounts in banks are
secret and the banking business is based on that secrecy. Mr. Petritsch
still claims that he has evidence about the existence of a secret HDZ
account at which 54 KM million is deposited and another 50 secret
sub-accounts used by the HVO. If that is true, why, for God's sake,
does he not finally present that evidence to the public?! We would be
overjoyed if some of our clients had so much cash on their accounts. We
have about 90,000 individual account holders and also service accounts
of 4,500 legal entities, such as companies and organizations, and our
total deposits are at about 100KM million. You can imagine what we
would do if we could get a client whose account would be equal to 50%
of all other deposits.
We do not deny the need that even such an obvious
fabrication be investigated, but question the manner in which all of
that was done.
Namely, if there is a suspicion that a bank has
violated any laws, then auditors and the financial police, normally
people who do not carry weapons, come to the bank and request certain
documentation and on the spot establish whether anyone of the bank's
employees may have broken the law. If that is the case, then an
investigation is initiated and it may result in indictments against one
or more persons.
Another option is to approach the bank with a court
warrant and demand access to the account of the client that is
suspected of illegally acquiring the money on his account. The bank is
obliged to provide access to that account and that is where its
obligations end, as the investigation then continues against the
client, rather than against the bank. Nowhere in the world can
authorities impose outside administration that will conduct an audit,
nor can an audit be conducted outside bank's premises and without
involvement of the bank's employees and its management. The audit is
always conducted in the bank and the auditor can only take from the
bank's premises copies rather than original documents. If anyone takes
original documentation from the bank, and every document is money, then
audit is not your true goal. In that case, you have some other, hidden
goals.
Why does eliminated management of the bank
refuse to cooperate with temporary administrator Toby Robinson, which,
according to her, is slowing down the return of money to clients?
Ms. Robinson is trying to place blame where there is
none. First of all, she was illegally appointed for a temporary
administrator. The decision of the High Representative suspended the
management, shareholders and employees of the bank, and all our
authority was conveyed to the temporary administrator. When I saw that
decree I wondered how one person can replace 270 people, shareholders
and management. That person must have supernatural powers. Secondly,
how can we cooperate with her if we are suspended, without any reason
thrown out on the street and left without right to work and existence?
Without the withdrawal of the suspension we would be unable to
cooperate with Ms. Robinson. However, there are also ethical reasons
that, to me personally, do not allow to cooperate with the person who
illegally usurped our rights, took over private property and conducted
a tank audit of the bank. We never refused to cooperate with any audit,
but we do not want to participate in the murder of our own bank.
Statements of Ms. Robinson that account holders are
suffering because of our lack of cooperation are beyond fake concern
and hypocrisy. I would like to remind her on this occasion that 90,000
customers did not open their accounts in the Hercegovacka Bank because
of their trust in her, but because of their trust in us. All of them
were able to withdraw their savings at any time, and that was the case
until her boss, Mr. Petritsch, ordered the blockade of the bank. If it
is true, as she claims, that only she can unblock the accounts, than
what does she need us for? If her goal was to conduct an audit she
would not have come to the bank with armed escort and take away
computers and documentation.
One of the leading American information
technology companies, whose experts were present during the first raid
of the bank, was recruited for the analysis of the confiscated
computers. What information do you have about the condition of the
equipment after the raid, and what happened with the "lost" back-up
tapes requested by temporary administrator Robinson?
We were a bank with the best information system and
excellent information technology staff. That is one of the chief
reasons for our success and our success in tenders for public revenue
of the Federation BH, and the tender for the accounts servicing the
treasury and other institutions of Bosnia-Hercegovina.
The equipment was in excellent condition and we
serviced it properly. The participants in the OHR action destroyed and
took away the back up computer, development computer, central computer,
the computer of the Central bank of Bosnia-Hercegovina, which had been
loaned, and we used it to conduct inter-bank transactions that must go
through the Central Bank. 90 percent of desktop computers were also
taken away. We do not know whether they did or did not lose those
tapes. Essentially, we do not have the stuff they took away.
Even some western media (Newsweek, The
Spectator, Sunday Telegraph and others) that criticized the raid on the
bank stated in their articles that the Hercegovacka Bank was supposed
to finance the Croatian autonomy and that that is the reason it was
destroyed. What is your opinion about that?
Articles in those media helped us inform the world
public about the facts and reveal the true goals of the action, one of
which is the destruction of our bank. They tried to find any seemingly
rational justification for that destructive operation and thus accepted
something that appeared to make sense and was suggested in the
statements and press releases of the international representatives in
Bosnia-Hercegovina. However, that claim is nothing but a speculation
regarding what would happen if something else happened first. It is the
fact that the Croatian autonomy at the time of the raid did not exist
as an institution. Therefore, it is impossible to finance something
that does not exist. Secondly, one cannot accuse someone only on the
basis of a guess that he may do something in the future.
Let us assume that the Croatian autonomy was
established at some point. The Croatian autonomy would naturally have
its institutions, laws and all legal entities and persons would have to
decide whether they were willing to respect the regulations of the
autonomy and fulfill their obligations with respect to the autonomy.
The regulations of the autonomy would apply to all the
banks. In that case, all the banks would have to decide which set of
regulations they were willing to disobey. In any case, they would
violate either the regulations of the autonomy or the Federation BH.
However, that would apply to all the banks. In that case the
Hercegovacka Bank would have been forced to make its choice as well.
Secondly, any legal entity, even if it is a bank,
cannot on its own finance an autonomy and its institutions. If we tried
to do so we would have gone bankrupt in a few days. On the other hand,
it cannot be denied that in our work we respected all the Federation
regulations.
What are the former bank employees doing at
this point? How many of them joined the recently formed trade union?
What is going on with the Association of Shareholders? What have you
done so far?
This interview, therefore a presentation of facts about
the bank, is a part of our work outside the bank. We have been
illegally, with weapons, evicted, thrown out on the street. We have
been denied the right to work without any evidence of our culpability.
We haven't been paid for more than two months and many of us are facing
financial difficulties. We are trying to draw public attention through
the work of our trade union. We gather daily, discuss our future
actions and act independently of any institutions. Besides providing
information for the local media and media abroad, we have established
contacts with the most powerful international trade unions and are
preparing a suit that we shall file with suitable international
organizations. At the moment, our biggest problem is the lack of money,
but we hope to get financial assistance as we have sent appeals for
assistance to many addresses in the country and abroad.
A publication from Sarajevo has recently
published data obviously provided by the Border Service or the customs
about allegedly suspicious transfers of money from the Hercegovacka
Bank to Croatia before the imposition of the temporary administration?
Yes, the daily Osloodjenje, which, unlike Dnevni Avaz
and BHT, publishes our press releases and statements by the
representatives of the bank, published the article under headline "They
Transport Foreign Currency in Bags from Hercegovina Abroad". The goal
of that propagandist article was to intimidate our customers and to
urge them to hurry to withdraw their savings from the bank. That is one
of the ways to destroy a bank. The result of such and similar articles,
that have been published for months in many newspapers, was a
significant outflow of money from our accounts. Despite that, we
retained liquidity and stayed on our feet, thanks to skillful and
professional management of our resources. When such and similar
articles failed to produce the desired results, they reached for
weapons. Then, the same article was used one more time, this time in
the weekly Dani, in a somewhat longer version, as a justification for the raid of the bank.
However, the transfer of money is one of legal business
transactions conducted by all banks, everywhere in the world. The money
is transported to the bank's accounts abroad or sold as cash and all of
this is perfectly legal, but the goal was to portray this as a robbery
of the bank. Customs officers at the border who provided the data
regarding when and which bank clerk transferred how much money at
someone's request violated the law and should be prosecuted.
Banks everywhere in the world daily transport cash, not
in bottles, but naturally in bags and if state officials were allowed
to publish data about such transports in the media potential robbers
would have an easy job. They would only need to read newspapers and
they would know where to wait for the bank's vehicle, who would be in
it and how much cash they could get in the robbery. The fact that we
transported large amoun
Vooraleer terug te keren naar onze Balkangebieden bij onze vrienden de
franciskanen, verwijlen nog even in het niet zo erg ver afgelegen
Calabrië. Gistern zagen jullie de beelden van Artsen zonder grenzen en
het verhaal van de Afrikaanse al of niet legale migranten. Het gaat in
eerste instantie over uitbuiting en racisme alhoewel we nogal wat
mensen kennen die dat weeral anders zullen uitleggen en de schuld op de
"negers" (en we verontschuldiegen ons voor deze term bij alle
Afrikanen) zullen steken "die toch maar vuil zijn en stinken"... Onze
uitleg is radicaal anders. Wij zien mensen die oorlog en ellende
ontvluchten en trachten wat geld bijeen te werken om hun familie een
wat deftiger leven te laten leiden maar die als beesten worden
behandeld en uitgebuit op de goorste wijze. Wij zien uitbuiters die op
hun zweet rijk worden. PUNT. Dat deze uitgebuiten in opstand komen,
lijkt ons als socialisten dus niet meer dan normaal. Anders moeten we
maar meteen liberaal worden. Of deze mensen nu illegaal zijn of niet
kan geen uitleg zijn voor de mensonwaardige leefomstandigheden waarin
ze moeten trachten te overleven. Dat er geen staatstructuur is in dit
gebied die kan optreden tegen deze mistoestanden is schrijnend en
wraakroepend! Dat de maffia of hoe al deze criminele organisaties zich
daar ook maar noemen ongehinderd de plak kunnen zwaaien bewijst njog
maar eens dat de clangebieden zich niet beperken tot Waziristan en
omliggende valleien maar ook wel veel dichter bij onze voordeur te
situeren zijn. Maar een grote blinde vlek belet ons dat te zien, zo
hebben we de indruk...en wie zal uiteindelijk de zwarte piet
toegespeeld krijgen? De Mafia? De"illegalen"? Rarara
Maar we
vonden een website die het nog wat duidelijker stelt en met dank aan de
website van Beppe Grillo kunnen jullie hier verder lezen over Calabrese
toestanden:
Rosarno
(Italy), EveryOne Group: “The revolt of the immigrants exploited by the
mafia risks becoming yet another pretext for new xenophobic measures”
A
revolt by non-EU immigrants has broken out in Rosarno (Reggio
Calabria). The immigrants are exasperated and tired of being exploited
by the 'Ndrangheta (the Calabrian Mafia) which is well-rooted in the
local territory and closely connected to politics; and the
ill-treatment and violence they are constantly being subjected to. The
latest episode took place on Thursday January 7th, when two immigrants
were fired at with air guns by two Italians, probably members of the
local 'Ndrangheta.
The
immigrants, forced to live in makeshift shelters in dramatic and
unhygienic conditions, work “off-the-book”, exploited and humiliated by
organized crime. With the recent approval of the “security package” in
Parliament, which foresees the arrest, imprisonment of up to six months
and then deportation for “illegal” immigrants, the conditions these
human beings are living in have drastically deteriorated, in every
sense.
In
Rosarno, inflamed by the xenophobic proclamations from the authorities,
the townspeople are calling for the expulsion of the “clandestini” who
are protesting in the streets against persecution and exploitation.
Police in riot gear are treating the immigrant demonstrators with
unjustified violence.
The
Interior Minister, Roberto Maroni, from the Northern League, the
anti-foreigner, anti-European and secessionist party – has announced
through the national press a “zero tolerance policy” towards immigrants
who are not in possession of residence permits , and is pressing for
mass expulsions and further repression.
Roberto
Malini, Matteo Pegoraro and Dario Picciau, co-presidents of the human
rights association EveryOne Group, report: “The Italian Government
(instead of taking action against the Mafia and the exploitation of
immigration - and starting to dialogue with and provide social
assistance for immigrant families) appears to want to use the protests
as an excuse to speed up and increase its persecutory and racist
policies.
The
real problem is the Mafia itself, an organization that shifts, in Italy
alone, almost two hundred billion euros every year through its control
over businesses, finance and politics. Racism, xenophobia and
governmental measures that work in favour of organized crime, makes the
institutions helpless against the 'Ndrangheta and other criminal
organizations.
We
really hope” conclude the activists, “that the European and
International authorities, like the EU Commission and Council and the
United Nations severely condemn the behaviour of the Italian
authorities, and orders them to observe the fundamental rights of
immigrants and cease all persecutory actions forthwith”.
Friday, January 8, 2010
Rosarno (Italy). Another pretext for new xenophobic measures
The institutions are destroying all proof of their slavery and are planning the deportation of more than 1,500 immigrants.
EveryOne
Group: “They have fled from countries with humanitarian crises underway
and fallen into the hands of the Mafia here in Italy, like thousands of
other refugees”. They must be offered protection and the hope of a
dignified future. At midday on January 11th, 2009 the Italian
Government began the deportations by emptying the Crotone centre.
About
1,500 immigrants (with more on the way) *, have been arrested and sent
to the Bari and Crotone centres, some in possession of residence
permits or political asylum (6 or 7% of the total), many others are
“clandestini” (“illegal”) though originating from countries where
humanitarian crises are underway: 94%of them are from sub-Saharian
countries, all of them young (87% of them are under 30). 90% of them
have entered Italy illegally. None of them has a regular work permit,
They are all kept in a state of slavery, working for a notorious Mafia
family that dictates law in Rosario.
They
work from 12-14 hours a day, including weekends and holidays. Their
basic wage is 2 euros a hour. Basic because out of this money they have
to pay for their meals (onion soup with bread) and living quarters
(squalid unhealthy huts, with 4-5 beds in them).
Despite
these huts being evidence of the immigrants’ persecution, the
authorities have thought fit to immediately bulldoze them and destroy
all the evidence. EveryOne Group is convinced that in the case of
Rosario there is a precise xenophobic strategy and policy by the
Italian Government being led by the anti-immigrant and anti-European
party, the Northern League, which has a total of four ministers in the
government, including the important role of Interior Minister.
EveryOne
believes the destruction of the proof of the conditions of slavery and
abuse (a situation the authorities were well aware of, and tolerated),
the arrest of over 1,500 immigrants and the plan to deport them
(avoiding the control of the UN High Commissioner) to their countries
of origin, is an attempt to cancel all trace of the serious violations
being carried out by the ‘Ndrangehta’s illegal hiring of farm labourers
for very low wages through an agent (and by the Italian authorities and
institutions themselves, who right from the start tried to pass
responsibility for the protests to the migrants in order to avoid
raising the greater problem of organized crime).
We believe the
immigrants arrested and sent to Crotone, Capo Rizzuto, Bari and other
centres must be heard by the High Commissioner and offered protection,
for two reasons: one because they have fled from countries with
humanitarian disasters, and two, because they have been the victims of
slavery and serious abuse on Italian territory, where they have fallen
into the hands of the Calabrian Mafia - despite the institutions and
authorities on all levels being perfectly aware of what was happening
in Rosario. This can be seen from the revolt (described as an
“anti-mafia” revolt by the Italian press) which took place over a year
ago**.
In the South of Italy, but also in central and northern
Italy, immigrants without residence permits fall into the hands of the
various Mafias (‘Ndrangheta, Cosa Nostra and the Camorra). If last year
the conditions of slavery were serious (as seen in numerous cases, like
the tragic incidents in Castelvolurno***), now, after the approval of
racial law 94/2009****, known as the “security package” (the subject of
many reports and appeals made by our group to every national and
international court due to its antidemocratic, racist and inhumane
contents) the situation has now become dramatic.
This
is because the “clandestini” are no longer able to settle their
position by finding jobs and homes, and they are forced to survive
using all means possible. Many of them are entitled to political asylum
or international protection seeing they have fled from countries where
humanitarian tragedies are underway.
Present situation of the immigrants of Rosarno (Italy)
je
moet trouwens niet zo heel erg precies zoeken om te weten dat Rosarno
een "piratennest" is dat door de N'Drangheta wordt gecontroleerd. Zelfs
de "Wiki" weet dat...
The Bellocco clan is one of the most powerful clans in the
'Ndrangheta. Activities range from drug trafficking, extortion and the
control of nearly all commercial businesses in the Gioia Tauro plain. Jointly with the Pesce clan and in collaboration with the Piromalli-Molè 'ndrina they controlled the public contracts for the construction of the container terminal in the port of Gioia Tauro.[1]
After the construction of the port, the Piromalli-Mole and
Pesce-Bellocco clans controlled activities tied to the port, the hiring
of workers, and relations with port unions and local institutions,
according the a report of the Italian Antimafia Commission.
They who would guarantee peace and order on the docks in return for a
‘security tax’ of US$1.50 per for each transshipped container. [2]
The clan also has a strong presence in northern Italy, in particular in Varese (Lombardy), where they controlled drug trafficking.[3]
The head of the clan is Umberto Bellocco (1937), arrested in February 1993 [4] and currently in prison. In the beginning of the 1980s he was involved in setting up the Sacra Corona Unita (SCU), a mafia-type organization in Apulia, to counter the growing influence of the Camorra. On his instigation Giuseppe Rogoli imported the codes, structure and initiation rites of the 'Ndrangheta to be used by the SCU.[5][6][7]
After his arrest in 1993, he was succeeded as acting boss by his cousin Gregorio Bellocco, arrested in February 2005, and Giuseppe Bellocco, arrested in July 2007.[8]
In January 2006, 54 members of the Bellocco-Pesce clan were arrested
in an operation against international drug trafficking. They were
supplying the drug markets in Milan, Como, Sondrio, Brescia, Bergamo, Treviso, Alessandria, Naples and Reggio Calabria.[9]
The cocaine was imported from Colombia, Brazil, Spain and the
Netherlands, heroin from the Balkans and ecstasy from the Netherlands.[5]
Waarom hebben we de reeks over Medjugorje gepubliceerd? Omdat we lijden
aan een vorm van hakenkruisfetichisme of geloven in duistere
complottheorieên van duistere organisaties? Wees gerust, zo
functioneren we niet. Omdat we een hekel hebben aan de kerk en aan de
katholike godsdienst? Evenmin, want we weten maar al te goed dat er
heel wat gelovigen, in alle godsdiensten trouwens, doodbrave en
eerlijke mensen zijn op zoek naar een waarheid en naar waarden waarop
ze hun leven kunnen richten. En we hebben altijd liever een gelovige
persoon dan iemand die alleen in zijn eigen grote gelijk gelooft. Wees
daar maar van overtuigd! Maar we hebben een bloedhekel aan het krapuul
dat de goedgelovigheid van de medemensen uitbuit in zijn eigen
voordeel. Het krapuul dat zelfs bereid is daarvoor andere mensen
fysisch te liquideren om daarna te grossieren in grote waarden. En we
hebben eveneens het schijt aan theorieën die beweren dat er slechts één
godsdienst blijkbaar gewelddadige aspecten vertoont. In de huidige tijd
heet dat dan de islam te zijn. Wel wij geloven dat in alle godsdiensten
de nodige fanatici en de nodige smerige opportunistjes zitten die
misbruik maken van de goedgelovigheid van hun medegelovigen. Maar dat
er eveneens in elke godsdienst een meerderheid echte goeie gelovigen
zitten en dat er in elke godsdienst een grote dosis kristische massa
aanwezig is om weerwerk te bieden aan de fanatieke imbecielen. Laat ons
in elk geval meteen ophouden met alle schuld in de schoenen van de
zelfden te schuiven. Die zelfden zijn dan makkelijk te identificeren
fanatiekers ergens in afgelegen gebieden die vervolgens model staan
voor hun ganse religie. Dat we hier vlak bij onze eigen voordeur net
zulke fanatieke bietekwieten hebben die onze eigen bu!ren zo gek
krijgen om op bedevaart te vertrekken naar oorden waar Maria en
eventueel alle heiligen op elk belsignaal verschijnen en de gekste
uitspraken doen om vervolgens te logeren bij clanhoofden die nogal wat
bloed aan hun vrome vingertjes hebben...daarvoor blijken we een enorme
blinde vlek te hebben ontwikkeld. Want zo barbaars zijn wij "beschaafde
westerlingen" toch niet? We zo barbaars zijn we dus wel degelijk zoals
elk mensenkind waar ook geboren in bepaalde omstandigheden kan worden
als het recht van de sterkste zegeviert. En dan maar lallen en brallen
over te veel staat en te veel inmenging. Laat ons meteen zeer duidelijk
zijn: er is niet genoeg staat en daar begint het schoentje overal te
wringen. Daar waar het staatsgezag ineenstort, en er zijn voorbeelden
genoeg laten we er maar enkelen opsommen: Kongo, Somalië, Jemen,
Afghanistan...daar heerst de wet van de sterkste. Deze wet komt neer op
de wet van bloeddorstige clanhoofden, warlords of hoie ze ook mogen
heten. En dat men ons dus niet meer komt vertellen dat Europa daarvan
gevrijwaard is en zal blijven. lees het volgende artikel er maar eens
op na en herlees dan netjes de voorgaande lijntjes...en morgen gaan we
verder met onze geliefde franciskanen en hoe deze zelfs frauderende en
oorlogszuchtige banken oprichten die aan staasondermijnende projecten
meewerken en het leven van talrijke onschuldige medeburgers in gevaar
brengen. Maar eerst naar Calabrië, toch ook niet meteen een ruig
bergoord ergens in de buurt van de Himalaya... en lees vooral de
laatste paragrafen...
Stadsguerrilla tussen zwarten en Italianen in maffiagebied — BRUSSEL - In de kleine provinciestad Rosarno, in het Zuid-Italiaanse Calabrië,
zijn duizenden woedende zwarte immigranten in opstand gekomen tegen wat
zij het racisme van de Italianen noemen. Er vielen zeker 34 gewonden.
Van onze redactrice
In Rosarno, een Calabrees stadje met zo'n 15.000 inwoners,
was gisteren tot een stuk in de middag de spanning te snijden. Een
grote betoging van honderden woedende zwarte immigranten, die
donderdagnacht in gewelddadige rellen was uitgelopen, werd
vrijdagochtend beantwoord met een tegenbetoging van de Italiaanse
bewoners van Rosarno. Die zetten een tijdlang ook de autosnelweg rond
Rosarno af, en droegen onder meer slogans met zich mee als 'Zij moeten
vertrekken'.
De woedende Afrikaanse immigranten reageerden op een aanval
van enkele jonge Italianen tegen een groepje zwarte arbeiders, die na
hun werkdag op de akkers rond Rosarno terugwandelden naar huis. De
Italianen verwondden de Afrikanen door hen met een luchtdrukgeweer te
beschieten.
Dat voor de Afrikanen overduidelijk racistische incident
ontketende in Rosarno donderdagnacht een ware stadsguerrilla, van een
niveau dat Italië al jaren niet meer had meegemaakt. Er vielen zeker 34
gewonden, auto's en vuilnisbakken werden in brand gestoken, winkelramen
werden ingegooid, en vrijdagochtend bleven de meeste winkels en scholen
in Rosarno dicht. Eén Italiaan schoot vanop zijn balkon enkele keren in
de lucht, om de woedende Afrikanen uit elkaar te drijven. Volgens de
politie probeerden enkele Italianen gisteren ook om Afrikanen met de
auto omver te rijden. De politie verrichtte zeven arrestaties.
De slogans waren aan beide kanten extreem. De Afrikanen
droegen slogans mee als 'Italianen zijn racisten' en 'Wij zijn geen
beesten'. Het antwoord van de Italianen luidde 'Zij moeten vertrekken.'
Zij, dat slaat op de duizenden Afrikaanse
seizoenarbeiders in Rosarno. Jaarlijks komen ze naar Zuid-Italië om
voor een hongerloon de tomaten- en sinaasappeloogst binnen te halen.
Calabrië ligt in het veel armere zuiden van Italië, dat
onder een hoge werkloosheid kreunt. Toch zijn maar weinig Italianen
kandidaat voor de harde arbeid op het veld. Sinds 1992 worden de
tomaten en het fruit door Afrikaanse handen geplukt.
De overheid stelt elk jaar quota in voor de seizoensarbeid.
Maar in Calabrië overtreft het aantal clandestiene seizoenswerkers
ruimschoots de reguliere arbeiders. In 2007 mocht de regio 6.400
seizoenarbeiders inzetten. In werkelijkheid waren dat jaar alleen al in
Calabrië 20.000 Afrikaanse arbeiders aan de slag. Het zijn allemaal
mannen, vaak jonger dan dertig.
Volgens La Repubblica betrekken ze in Rosarno
verlaten fabriekspanden. Ze slapen in versleten en gedemonteerde
auto's, met enkel een zeil als beschutting, of ze overnachten in
opengebroken cilinders waar ooit olijfolie in werd bewaard. Er is geen
sanitair of stromend water, en het krioelt van het vuil en de muizen.
De reactie van Roberto Maroni, minister van Binnenlandse
Zaken, op de rellen in Rosarno was niet meteen van aard om de verhitte
gemoederen te bedaren. 'We hebben veel te lang de illegale immigratie
getolereerd, en dit is het gevolg', zei Maroni, lid van de Lega Nord,
de partij die zich profileert met harde anti-immigratiestandpunten.
Don Pino De Masi, de vicaris van Rosarno, volgde de rellen
in zijn stad van nabij: 'Dit is geen stad van racisten', benadrukte don
De Masi gisteravond telefonisch vanuit Rosarno. 'De Afrikanen overleven
in krotten, in omstandigheden die je je haast niet kunt voorstellen.
Veel Italianen helpen waar ze kunnen. Maar solidariteit houdt ergens
op. Deze uitbarsting is vooral het gevolg van een totale afwezigheid
van de lokale en de nationale overheid.'
'Bovendien is dit maffiaterritorium. De 'ndrangheta
controleert de mensenhandel, bepaalt de lonen van deze illegalen, en
dwingt hen om een stuk van hun hongerloon af te staan. Twaalf tot
veertien uur arbeid per dag levert hooguit twintig euro op, waarvan
vijf euro naar de maffia gaat.'
'De staat is hier niet aanwezig, maar de maffia wel. Een
uitbarsting van frustratie, door Afrikanen of door Italianen, hoeft dan
ook niet te verbazen.'
en
zoals we hierboven reeds vertelden hebben we geen hekel aan de kerk,
als ze tenminste haar werk en haar opdracht ter harte neemt en
tenminste in overeenstemming is met één van haar voornaamste beginselen
namelijk dat voor god iedereen gelijk is...en hier doet ze dat dus wel
degelijk en gebruikt ze haar morele autoriteit zoals het hoort en dan
mag dat ook wel gezegd worden. Want in Calabrië zal men de pauselijke
boodschap in sommige katholieke milieus niet graag horen maar dan is
dat maar zo en dan kan er zeer duidelijk gezegd worden dat sommige
dingen niet kunnen volgens de katholieke waarden vooraleer men ook daar
volledig afglijdt naar de wet van de sterkste die daar toch al wat
decennia de plak zwaait. En waar er trouwens niet eens zo ver uit de
buurt bepaalde "volksheiligen" zoals Padre Pio, inmiddels ook tot
volwaardige heilige uitgeroepen, zeer goed uitgeruste bedevaartsoorden
hebben die daar uit de grond werden gestampt op een paar jaren tijd.
Hoe dit allemaal gefinancierd werd zouden we ook in alle transparantie
eens willen uitgelegd krijgen. Maar daarvoor zal er meer dan een wonder
nodig zijn. Inmiddels trekkken ook daar miljoenen gelovigen naartoe en
gelukkig is er daarvoor geen ethnische zuivering nodige geweest zoals
in Medjugorje. Wel heeft het erg lang geduurd vooraleer de officiële
kerk Padre Pio heeft willen erkennen maar onder druk van de enorme
voàlksdevotie heeft men tenslotte het hoofd gebogen. Er bestaan genoeg
bewijzen dat de Padre Pio weliswaar een gelovige monnik was die
waarschijnlijk nooit zulk bedevaartsoord zou gewild hebben maar dat hij
ook een soort zwendelaar was met stigmata die hij zelf aanbracht...maar
dat is een ander verhaal waarover we het nu niet zullen hebben. Onthou
alleen dat bedevaarten sinds de prille Middeleeuwen welstand en rijkdom
opleverden voor de plaatsen waar ze plaats vonden en dat is nog steeds
niet veranderd ondanks alle zogezegde beschavingslaagjes die we
ondertussen hebben gekregen. Veel verschil tussen Middeleeuwen en
Moderne tijden merken we op dat vlak niet en als we sommige gekken
loslaten komen de kruisvaarten er ook meteen aan...
VATICAANSTAD (AP, AFP) - De Italiaanse justitie opent een onderzoek
naar de eventuele betrokkenheid van de maffia bij de rellen.
Paus Benedictus heeft de rellen tussen immigranten en Italianen in de
Zuid-Italiaanse stad Rosarno aan de kaak gesteld. Hij zei dat ook
‘immigranten rechten hebben en gerespecteerd moeten worden'.
Afgelopen
week vonden er in Rosarno rellen plaats tussen immigranten en de
Italiaanse bevolking, nadat twee buitenlanders gewond waren geraakt bij
een schietpartij. ‘Elke immigrant is een mens, verschillend vanwege
herkomst, cultuur of traditie, maar een mens die gerespecteerd moet
worden en rechten heeft, in het bijzonder in een werksituatie, waar de
verleiding tot uitbuiting groot is', aldus de paus.
Ruim
duizend Afrikaanse migranten hebben Rosarno intussen verlaten. Nu de
rust is teruggekeerd, opent de Italiaanse justitie een onderzoek naar
de eventuele betrokkenheid van de maffia bij de rellen. ‘Er zijn
onderzoeken bezig', verklaarde minister van Binnenlandse Zaken Roberto
Maroni aan de televisiezender Sky TG24 in een reactie op het geweld in
Rosarno. Maroni gaf ook kritiek op de lokale autoriteiten, de
werkgevers die immigranten tewerkstellen en de werkgeversorganisaties,
omdat zij de situatie lieten ontsporen. Ze betaalden namelijk veel te
lage lonen en boden de buitenlanders ongezonde verblijfplaatsen aan.
Hij zei dat het zo tot het ‘een algemeen probleem' is geworden, waarbij
de ordediensten moesten ingrijpen.
‘Het zijn zeker
de mannen van de ‘Ndrangheta die op de immigranten schoten om te tonen
wie het gebied controleert', zei Alberto Cisterna, een magistraat van
het nationale antimaffiaparket.
Vooraleer jullie onze nieuwe bijdrage lezen, nodigen we jullie uit om
even te kijken naar de "mooie "beelden van Artsen zonder Grenzen
werkzaam in... Zuid-Italië... en daar zal onze volgende bijdrage dus ook
over gaan...maar beelden zeggen zo veel meer en je hoeft niet eens Italiaans te begrijpen om te weten waarover we praten..kijken maar...
op de RAI zie je natuurlijk alleen maar blonde vampen met enorme
decolletés...maar verder is dit natuurlijk de beschaafde wereld...en
eten wij zo graag die lekkere Italiaanse tomaten...
Steun vooral Artsen zonder Grenzen die overal goed werk leveren!
en dan nu op bedevaart naar Medjugorje! Laat ons maar meteen kotsen!
als jullie nu zeer aandachtig het voorgaande hebben gelezen namelijk de studie van socioloog Mart Bax dan gaan we nu op zoek naar een organisatie die ons naar dit "oord van vrede" wil brengen...en we vonden een Ollandse vereniging die hierin al jaren blijkt gespecialiseerd te zijn. Lees vooral de "deskundige" uitleg op hun site en let vooral op de namen van de pensions waar de bedevaarders zullen gelogeerd worden. Indien de familienamen jullie niks meer zouden zeggen, herlees dan maar eens vlug Mart Bax over de "rocketeers" van Medjugorje en over de rivaliserende clans die mekaar hebben uitgemoord en niet alleen mekaar maar ook Serviêrs en Moslims...de Ostojic's, eigenaars van de pensions, zijn echt vrome mensen! En vergeet ook niet de uitstap te maken naar "de zwaar getroffen parochies van de Franciskanen" (lees ook even terug Mart Bax over de plaatsen waar deze zwaar getroffen parochies zich bevinden!) en naar Siroki Brijeg waar onze geliefde pater Zovko helaas wat rust neemt maar waar "30 Franciskanen hun leven gaven voor hun geloof" en waar je dan ook kan bidden op hun graf...(Ter herinnering we zijn wel degelijk in 2010!)
NAAR MEDJUGORJE MET DE STICHTING MEDJUGORJE BEDEVAARTEN
Stichting Medjugorje Bedevaarten Theo van den Heuvel (voorzitter en tevens één van de reisleiders) Ridder 25 5282 GE Boxtel Tel. 0411-601565. E-mail:
bedevaarten@medjugorje.nl Dit e-mailadres is beveiligd tegen spambots, u heeft JavaScript nodig om het te kunnen bekijken
HOEZO MEDJUGORJE?
Miljoenen en miljoenen mensen in de hele wereld geloven dat Maria, de
Moeder van Jezus én onze Moeder, sinds 25 juni 1981 is verschenen aan
zes jongeren. Die verschijningen zijn nog steeds niet afgelopen:
de zieners Vicka, Ivan en Marija zien de Koningin van de Vrede nog
dagelijks, terwijl Ivanka en Jakov haar nog slechts één keer per jaar
mogen aanschouwen. De zieneres Mirjana ziet de Koningin van de
Vrede elk jaar op 18 maart en vaak ook op de tweede van elke maand.
Moeder Maria nodigt de pelgrims praktisch altijd uit om daarbij
aanwezig te zijn.
Zeer veel mensen uit alle
werelddelen willen zelf naar Medjugorje gaan, gelovig, kritisch of
anderszins. Ongeveer veertig miljoen pelgrims zijn er al geweest, en
vaak meerdere malen, want Medjugorje is een weldaad voor ieder die zijn
hart open stelt voor Gods genade.
WACHT NIET OP ERKENNING
De verschijningen in Medjugorje zijn weliswaar nog niet door de
rooms-katholieke Kerk erkend, maar Medjugorje heeft van diezelfde Kerk
al wel de status van bedevaartsoord gekregen. In Lourdes heeft men
destijds vier jaar op erkenning van de verschijningen moeten wachten en
in Fatima dertien jaar. De goede God en Moeder Maria zullen het niet
erg gevonden hebben dat de pelgrims zich daardoor niet hebben laten
weerhouden, maar van het begin af aan in groten getale toestroomden.
GOEDE VRUCHTEN
Jezus heeft zelf gezegd, dat een goede boom goede vruchten voortbrengt.
Zelfs de meest kritische personen kunnen niet ontkennen dat de vruchten
in Medjugorje onmiskenbaar goed zijn én zeer talrijk! In Medjugorje
wordt ons rijke geloof nog echt gevierd en beleefd!
WAAROM MET ONZE STICHTING
Onze Stichting Medjugorje Bedevaarten werd op 23 februari 1990
opgericht mede door de Stichting Vriendenkring Medjugorje Nederland als
vervolg op een succesvol particulier initiatief. Sindsdien heeft zij al
vele tientallen bedevaarten per vliegtuig georganiseerd. Zij maakt
daarbij gebruik van haar grote ervaring en van de prima contacten met
de bevolking van Medjugorje en omgeving. Daarom is onze Stichting de aangewezen organisatie om uw bedevaart naar Medjugorje tot in de puntjes te regelen.
BEGIN OP SCHIPHOL
Onze vliegbedevaarten beginnen op de luchthaven Schiphol. U hoort van
ons, hoe u daar kunt komen en waar u precies moet zijn. En natuurlijk
laten we u ook weten, waar u uw medepelgrims zult ontmoeten, zodat u
samen verder kunt gaan. U ontvangt tijdig uw vliegticket. Indien
mogelijk is er vóór het vertrek in een gebedsruimte van de luchthaven
een Eucharistieviering voor onze pelgrims.
REISLEIDING
Stichting Medjugorje Bedevaarten organiseert een aantal bedevaarten die
begeleid worden door een priester en een ervaren reisleider.(Meestal de heer Theo van den Heuvel)
Bij kleinere groepen zal dat niet altijd mogelijk zijn, omdat priesters
en reisleiders soms moeilijk te vinden zijn. Maar ook voor die kleinere
groepen en voor individuele personen hebben wij prima mogelijkheden!
(Zie de paragraaf 'OP EIGEN GELEGENHEID' )
DE VLIEGREIS
Wij vliegen met Croatia Airlines. Dat is weliswaar geen grote
maatschappij, maar men beschikt wel over betrouwbare vliegtuigen, o.a.
de moderne Airbus. In de periode van april t/m oktober 2009 vliegen we
op zaterdag en woensdag rechtstreeks van Schiphol naar Split. We
vertrekken rond 15.00 uur en landen ongeveer twee uur later in Split.
Onderweg worden dranken en een lichte lunch geserveerd. In het
vliegtuig kan geen rekening gehouden worden met diëten.
VERDER PER BUS
Op het vliegveld Split staat de bus klaar, die ons in minder dan drie
uur naar de pensions in Medjugorje brengt. Onderweg passeren we o.a. de
beroemde badplaatsen Split, Omis, Makarska en Podgora. In Vepric komen
we langs het Kroatische Lourdes. Na twee uur genoten te hebben van het
fraaie landschap met o.a. de Adriatische Zee en haar vele eilanden
verlaten we de Dalmatische kust langs hoog oprijzende rotswanden en
gaan door het schilderachtige bergland naar Medjugorje. Tijdens de
busreis bereiden we ons biddend en zingend voor op de aankomst in het
genadeoord van de Koningin van de Vrede, terwijl er ook voldoende tijd
is om met de medereizigers kennis te maken. De bus brengt ons tot vóór
de deur van de pensions waar we zullen verblijven. We worden hartelijk
ontvangen door de gastvrouw en gastheer; we voelen ons echt welkom en
dat zijn we ook!
DE PENSIONS
De pensions waar onze pelgrims logeren, staan allemaal in Medjugorje,
en wel in de buurtschap Bijakovici, waar de verschijningen in 1981
begonnen zijn. Daar wonen de zieners Ivan, Mirjana en Jakov. Wij
brengen onze pelgrims onder in verschillende pensions, te weten:
A. Mladen en Ana Ostojic (een splinternieuw pension tegenover de ‘Tuin van St. Franciscus’, een beschermd bosgebied) B. Kreso en Marica Ostojic; C. Sima Ostojic; D. Zdravko en Radmila Ostojic; E. Zeljko en Drazenka Ostojic; F. Iva Ostojic. G. Nikola en Mira Ostojic
De letters geven de volgorde aan.|
Onze pelgrims worden eerst ondergebracht in pension A. Als daar geen
plaats meer is, komt pension B aan de beurt, daarna C enzovoort.
Pension A t/m E liggen in een prachtig natuurgebied aan een doodlopende
weg. Er is daar nauwelijks verkeer: geen hinderlijke taxi's, geen
bussen, maar een heerlijke rust. U kunt uw raam dus zonder problemen
openzetten en u kunt voor uw genoegen buiten gaan zitten. De pelgrims
die er gelogeerd hebben zijn er enthousiast over en willen er de
volgende keer graag weer te gast zijn. Vanaf de pensions A t/m E kunt u
desgewenst over een prachtig paadje naar de kerk lopen.
DAGELIJKS GRATIS VERVOER IN MEDJUGORJE
Maar…de gastheren van pension A en B brengen hun gasten gratis met een
personenbusje of een auto naar de kerk, naar de Verschijningsberg, naar
de Kruisberg, naar de zieners enzovoort. Elke dag, wanneer en waarheen
u maar wilt! De gastheer van pension D biedt gratis vervoer aan in de
loop van de namiddag en 's avonds. Een prima service!
HEBT U EEN ROLSTOEL?
Zit u regelmatig in een rolstoel, maar kunt u met hulp wel een stuk of
vier treden lopend omhoog, dan durven wij u uit te nodigen voor een
prachtreis die u nooit zult vergeten. Met uw rolstoel zit u steeds
vooraan en met het kleine personenbusje kunnen we u en uw rolstoel
gemakkelijk vervoeren. Maar…u moet wel een paar treden omhoog kunnen.
Ook al zijn er zeker mensen in de groep die uw rolstoel willen duwen,
toch is het wel wenselijk om een begeleider mee te nemen. Voor u is
pension A de beste keus!
INDELING VAN DE PENSIONS
Onze pensions hebben enkele kamers met drie bedden, maar de meeste
kamers hebben twee bedden. Er zijn een paar echte eenpersoons kamers,
maar als de ruimte het toelaat, worden kamers met twee bedden ook als
eenpersoons kamer gebruikt. Tot nu toe konden we aan de grote vraag
naar eenpersoons kamers altijd voldoen! Voor de pelgrims die geen trap
op kunnen, zijn er wat kamers op de begane grond in pension A,B,D en G.
Bijna alle kamers hebben een eigen badkamer met douche, toilet en
wastafel. De bewoners van enkele kamers moeten een badkamer delen.
DE MAALTIJDEN
U logeert in Medjugorje op basis van volpension: drie goede maaltijden
per dag, inclusief diverse dranken aan tafel. 's Morgens een
welvoorzien ontbijt, waarbij zelfs een naar wens gekookt eitje niet
ontbreekt. 's Middags is er een warme lunch met elke dag een ander
driegangen menu. Als uw dieet niet ingewikkeld is, kan er rekening mee
gehouden worden. Omdat we 's avonds pas na afloop van de viering eten,
hebben we gekozen voor een broodmaaltijd. Degenen die niet zo lang
kunnen wachten, kunnen op een eerder tijdstip alvast wat eten. Koffie,
thee, andere dranken en fruit in de loop van de voormiddag, de namiddag
en 's avonds worden niet extra in rekening gebracht!
HET PROGRAMMA
Uit ervaring weten we dat de Moeder Gods het programma in Medjugorje zo
laat verlopen dat iedere pelgrim krijgt wat hij/zij nodig heeft. Ook
daarin toont zij zich een echte Moeder.
We streven ernaar om in de loop van de voormiddag samen de Eucharistie te vieren in onze eigen taal.
We
beklimmen de Podbrdo (de Verschijningsberg) en de Krizevac (de
Kruisberg). U dient hiervoor goed ter been te zijn en over voldoende
adem te beschikken.
We gaan naar het Blauwe Kruis, evenals de genoemde 'bergen' een plaats van verschijningen.
We gaan bidden bij het graf van Pater Slavko Barbaric.
We bezoeken één of meer zieners.
We
kunnen in 2009 niet naar Pater Jozo Zovko in Siroki Brijeg, omdat hij
op eigen verzoek een jaar van rust en bezinning wil hebben voor
zichzelf. In plaats daarvan gaan wij toch naar Siroki Brijeg waar in
1945 dertig franciscanen hun leven gaven voor het geloof. We bezoeken
de plaats waar dat gebeurde en we bidden bij hun graf. Natuurlijk gaan
we ook naar het Instituut van de Heilige Familie, dat door Pater Jozo
gebouwd is als tehuis voor weesmeisjes en meisjes die het om andere
redenen heel moeilijk hebben.
We
bezichtigen het Instituut en vieren er de Eucharistie in een prachtige
kapel. We brengen een bezoek aan Campo della Vita (het
drugsverslaafden-centrum van Zr. Elvira) en aan de Oase van de Vrede
(waar een religieuze gemeenschap leeft).
MOSTAR
Wij gaan ‘s morgens naar Mostar via een prachtige route. In Mostar gaan
we eerst de herstelde Stari Most, de beroemde oude brug, bezichtigen.
Als enige bedevaartorganisatie bezoeken wij de zwaar getroffen
parochies van de Franciscanen en bewonderen de wederopbouw. We maken
kennis met de begeesterde pater Luka en we vieren daar samen de
Eucharistie. Na afloop worden we gastvrij onthaald op hapjes en
drankjes. Indrukwekkend en zeer positief! Onze pelgrims zijn daar
altijd laaiend enthousiast over! We zijn vóór de lunch weer terug in
Medjugorje.
DE AVONDVIERING Het hoogtepunt van elke dag is de avondviering in de parochiekerk. Het programma is dan als volgt: - Twee rozenhoedjes; - Eucharistieviering; - Kroatisch gebed (geloofsbelijdenis, zeven keer Onze Vader, Wees gegroet en Eer aan de Vader); - zegening van devotionalia; - gebed voor innerlijke en licamelijke genezing; - het derde rozenhoedje.
- Op donderdag wordt het derde rozenhoedje vervangen door
Eucharistische Aanbidding en op vrijdag door de verering van het H.
Kruis. -Op woensdag en zaterdag is er 's avonds om 22.00 uur (zomertijd) een uur Eucharistische Aanbidding in de kerk.
Een kort uitstapje naar de fraaie Kravica-waterval staat ook op het programma.
U
beslist zelf in hoeverre u aan het programma deelneemt! Indien u aan
één of meer onderdelen van het programma niet deelneemt, ontvangt u
geen terugbetaling van een deel van de reissom.
In de periode van april t/m oktober 2009 vertrekken we op zaterdag rond
12.00 uur uit Split. We hoeven dan niet buitensporig vroeg uit
Medjugorje te vertrekken. Croatia Airlines vliegt op zaterdag en woensdag in het seizoen rechtstreeks van Split naar Amsterdam.
Er is dan geen tussenlanding in Zagreb. Die is er wel op andere
weekdagen in het seizoen. Buiten het seizoen is er altijd een
tussenlanding in Zagreb op alle weekdagen.
OP EIGEN GELEGENHEID
Als u individueel of met een eigen groep naar Medjugorje wilt gaan, wil
onze Stichting u daarbij graag van dienst zijn. Wij hebben een speciale
brochure samengesteld voor degenen die op eigen gelegenheid naar
Medjugorje gaan. Met behulp van die brochure mist u absoluut niets van
alle belangrijke plekjes en vieringen van Medjugorje. Bovendien weten
de gastheren van onze pensions heel goed, wat onze Stichting belangrijk
vindt voor de pelgrims en zij doen dan ook hun uiterste best om hun
gasten daarbij van dienst te zijn.
WAT KRIJGT U VOOR UW GELD? Uw vliegticket Schiphol - Split v.v. Alle luchthavenbelastingen in Nederland en Kroatië. Het vervoer van Split naar Medjugorje v.v. Het vervoer van Medjugorje naar Siroki Brijeg v.v. Het vervoer van Medjugorje naar Mostar v.v. Het vervoer van Medjugorje naar de Kravica-waterval v.v.
Complete pensionkosten op basis van volpension. ’s Morgens en ’s
avonds een goed verzorgde broodmaaltijd en ’s middags een prima warme
maaltijd. Geen vreemde gerechten! Er wordt rekening gehouden met een
niet al te ingewikkeld dieet. Alle dranken in het pension van uw aankomst tot vertrek zijn gratis, ook koffie, thee of iets anders tussendoor. In pension A en B gratis vervoer in Medjugorje zelf, wanneer en waarheen u maar wenst.
Desgewenst regelen wij een goede reisverzekering van ELVIA voor u.
Dat geldt ook voor een annuleringsverzekering van Elvia. De premie
bedraagt 7% van de reissom. .
Als u om dringende
redenen niet mee kunt, betaalt de annuleringsverzekering u de reissom
terug, zelfs als u tijdens de reis onverwacht naar huis moet. Het is
dus zeer wenselijk dat u die verzekering afsluit. Indien u dat wenst,
sluiten wij voor u een annuleringsverzekering af bij ‘ELVIA’. De premie
bedraagt ca. 7% van de totale reissom. Uw reispapieren ontvangt u
ongeveer enkele weken vóór het vertrek. We verstrekken u zeer
uitgebreide informatie.
NADERE INLICHTINGEN
Indien u nadere inlichtingen en/of inschrijfformulieren wenst, kunt u
vrijblijvend contact opnemen met Theo van den Heuvel, voorzitter, en
tevens één van de reisleiders, tel. 0411-601565. E-mail: bedevaarten@medjugorje.nl Dit e-mailadres is beveiligd tegen spambots, u heeft JavaScript nodig om het te kunnen bekijken
HULP BIJ DE VOORBEREIDING
Wij willen u graag van dienst zijn bij de voorbereiding van uw reis. Na
aanmelding ontvangt u van ons een lijst met dingen die u zeker niet mag
vergeten en met zaken die wellicht van nut kunnen zijn. We geven u ook
informatie over het te verwachten weer in Medjugorje. Inwoners van de
landen van de Europese Unie dienen alleen een geldig paspoort te
hebben. Het moet nog drie maanden geldig zijn na afloop van de
bedevaart. Dit geldt ook voor mensen met een Amerikaans of Canadees
paspoort. Voor mensen die een andere nationaliteit hebben, kan een
visum vereist zijn. En dat moet tijdig aangevraagd worden.
Socioloog Mart Bax geeft zijn visie over Medjugorje...gelukkig zijn er nog de nuchtere Ollanders!
Na al die verschijningen, kierewiete franciscanen, pausen die met
elkaar duidelijk van mening verschillen en miljoenen goedgelovige
Katholieken die absoluut de maagd Maria willen zien en/of horen zouden
we beginnen te denken dat we terug in de Middeleeuwen zitten. Zo ver
zijn we trouwens niet van de waarheid of tenminste een geloofwaardige
waarheid want in deze zaak heeft iedereen zijn eigen versie van de
waarheid want er bestaat een sociologische analyse over deze zogenaamde
heilige plaats en de gebeurtenissen die daar plaats vonden. En weet,
beste lezertjes dat het niet beperkt bleef tot Mariaverschijningen,
sexschandalen en dergelijke...er gebeurde nog wel meer...en dat lezen
jullie in deze onderstaande uitstekende studie van ene ollandse
socioloog die ginder verbleef:
Modernization theory
proposes that increased structural complexity in society
equates with greater efficiency, thus the more social
differentiation, the more specialized we become and better
able to perform our tasks. In developing countries, changing
from an agrarian economy to a diversified economy is one
manifestation of modernization. This is progress described
in the broadest terms but does progress really occur in this
manner? Does increased structural complexity really yield
anything truly worthwhile in developing countries? Short of
some cataclysm, modernism is viewed as a one-way street, but
is it really? Could modernization and its economic partner
globalization actually lead to what has been termed
barbarization or even decivilization? Is change always for
the better?
The Dutch sociologist Mart Bax
has spent well over fifteen years studying firsthand a small
town in Bosnia Herzegovina, which has been the site of
unprecedented growth, specialization, and globalization. The
name of the town is Medjugorje and Bax made "scientific"
outings on an annual basis to meet with his informants and
make and record observations. Medjugorje was a small
agrarian hamlet in Herzegovina prior to 1981, notable only
for being near the site of a massacre of Serbs by Croats in
1942. The Croats who allied themselves with Nazi Germany
took revenge on the Serbs under whose rule the Croats had
chafed after WWI. The Croats formed the paramilitary Ustasa
organization and with the help of Roman Catholic clergy
sought to purge Croatia and Bosnia of the hated Serbs who
were Orthodox Christians. Operating from Medjugorje, the
Ustasa rounded up the local Serbs and slaughtered several
hundred Serbs disposing of them in a ravine at a place
called Suramanci.
On June 24, 1981, the Virgin
Mary or Gospa as she is referred to in the local dialect
appeared to six Croatian teenagers who had gone out to have
a smoke or as was later revised by the local clerics, to
look for "lost lambs." What followed was a ten-year period
of unprecedented growth and modernization fueled by a steady
influx of pilgrims from Western Europe and America, freely
spending hard currency and enhancing the local economy.
Medjugorje prospered like never before despite the
opposition of the local Bishop and the suspicions of the
Yugoslav secret police and government
authorities.
The Virgin Mary or as she
preferred to be called in Medjugorje, the Queen of Peace,
brought prosperity to the town and its environs. Villagers
expanded their homes into boarding houses to accommodate the
pilgrims, concessionaires and tour guides sprang up, gift
shops, hotels, and cafes were all built. Local villagers
were pressed into service as laborers, technicians, and
hospitality workers. Entrepreneurs operated taxis and other
related businesses. Craftsman produced religious
paraphernalia for sale to tourists. Eventually so called
Peace Centers were constructed along with new churches and a
massive cathedral. And the miracles kept coming, regular
messages were received from the Gospa, spontaneous healing
of terminal illnesses were reported, visions and apparitions
were reported by pilgrims. It appeared to be a textbook case
of modernization and globalization under the most benign of
circumstances.
Evolutionary modernization had
come to rural Yugoslavia. The development of Medjugorje as a
shrine central to the worldwide Roman Catholic Church
integrated Medjugorje into the global economy as a major
tourist destination. By 1990, promoters of Medjugorje had
claimed over eighteen million visitors, although there is
really no way to verify these figures, one may assume the
numbers must have been in the millions.
But the net result by 1992 was
what Bax terms barbarization, not just sporadic violence but
organized brutality. Medjugorje is not unique, by examining
it we can understand why the fruits of modernization in
developing regions of the world is often times not liberal
democracy and peace but so often the barbarization process
described by Bax. World Bank and International Monetary Fund
loans do not always bring about liberal
democracy.
So is Medjugorje an example of
modernization? Rostow equated economic progress with
modernization. And of course Marxian modernization in Russia
and China was all about quotas and five years plans which in
turn were designed to build infrastructure. Rostow's theory
was an alternative to Marx. The political scientists Easton
and Almond provide elaborate theories based upon structural
functionalism, the idea that the politics can be viewed as a
series of inputs and outputs. But more telling is the
revelation that much of modernization theory was
masquerading under the term political development and was
underwritten by the Ford Foundation throughout the 1960's.
Surely, the moguls of Detroit perceived communism as a
competitor and sought an alternative to the strong armed but
apparently successful Stalinist model of modernization. Thus
while there is no real consensus, there are several related
themes here, economic and social progress, specialization,
and the machinelike functioning of society. Medjugorje's
building and tourism boom, the replacement of an agrarian
society with a specialized one, must surely be a
modernization under any definition.
Modernization in the developing
world often meant dictatorships and botched attempts at
centrally planned economies. With the end of the Cold War,
democracy or rather its trappings was associated with
modernization. The oft-cited Fukuyama trumpeted that liberal
democracy and capitalism associated liberal economies were
the end result of a historical progression even if it was
tied to IMF and World Bank loans. Nonetheless some caution
against embracing democratization too quickly as a panacea
for developing nations. But is "modern man" really any more
refined than his ancestors. Economic might and copious
theory did not lessen the crimes of Hitler, Stalin and Mao.
And in developing countries is modernity just a thin veneer
that disappears under economic downturn or other
stress?
Bosnia was once part of the
Federal Republic of Yugoslavia, the envy of all communist
nations. A place where socialism had worked, seemingly
irresolvable ethnic conflicts had been put aside to work
towards modernity and unity. The socialist economy produced
high quality consumer goods for export and even went head to
head with Detroit by introducing the Yugo car in the United
States. By all measures, Yugoslavia was making progress. But
under the surface of the socialist state, a long suppressed
and secretly nurtured nationalist antagonism
simmered.
Tito's government after World
War II had been determined to rid Bosnia of fascist
elements, called the Ustasa, and their sympathizers in the
Croat population. The Ustasa took to the mountains and
carried on a low-level guerrilla conflict until 1957. On the
surface it appeared that order had finally been
reestablished but old hatreds die hard. According to Bax,
blood feuds continued in Bosnia. Likewise the Franciscan
Order which had openly sided with the Ustasa during World
War II, eventually returned to their churches and
monasteries. The Franciscans are a Roman Catholic religious
order with a long history in Bosnia dating from the 14th
century. They are essentially independent of the local
archdiocese in Mostar. In 1972, the Franciscans built a new
church in Medjugorje. By 1981 when the Virgin Mary appeared
to six children there, the Franciscans were locked in an
administrative dispute with the Bishop of Mostar over
control of the village church and their
activities.
The Franciscans immediately
latched onto the six children and began collecting the
messages the young seers received from the Virgin. The more
general messages urge peace, fasting and prayer and were
distributed worldwide. Other of the divine messages
contained instructions to the local populace including where
to build commercial establishments. Bax theorizes the
Franciscans had two purposes in promoting the apparitions
and messages, one to prevent control by the Bishop of Mostar
by establishing a viable religious shrine on the pilgrimage
tour circuit and second to assert local control and
pacification of the population and prevent blood feuds among
local Croat clans which had been endemic to the
region.
R. Robertson has proposed that
increased globalization actually is a root cause of
religious fundamentalism and ethno-nationalism.
Globalization and modernization stimulate a response that at
times seems at odds with notions of progress. The Iranian
Revolution is an example of reaction to the modernization
and globalization that began occurring in Persia in the late
19th century and gained impetus under the Shah. Traditional
forces in Iran felt threatened by the changes being made and
eventually revolted and overthrew the old regime.
Bax, a political sociologist
based in Amsterdam, has found evidence of what he deems
barbarization in Medjugorje following the breakdown of
Yugoslav civil authority in 1991. Quoting Elias, Bax tells
us that the barbarizing process presupposes civilizing
processes. Bax reminds us that Bosnia Herzegovina was the
locale of 400 years of war between the Turks and Austrians;
the area became a checkerboard of separate ethnicities,
Serbs, Croats, and Muslims. The founding of Yugoslavia in
1919 did little to quiet the region as the Serbs dominated
the government. Croats were discriminated against and formed
bands of Ustase, the Serbs retaliated by forming
paramilitary bands known as Chetniks. The Second World War
turned Bosnia into a huge battlefield where Croats and
Muslims aligned with the Germans and fought Serbs and
Communist Partisans. The Partisans were victorious and the
Ustase eliminated, but by the late 1970's the Croats
including those in Medjugorje were again forming Ustase
bands.
The establishment of the shrine
in Medjugorje pacified the region. Bax reports that crime
decreased and violence disappeared. The Queen of Peace
brought millions of tourists who pumped huge sums of money
into the local economy. But as the state monopoly on power
evaporated in 1991, Croat nationalism reasserted itself,
often under the leadership of the Franciscans. In
Medjugorje, the Serbs were quickly eliminated by 1991 but
the civil war that was raging began to cut into the tourist
trade. Tour groups were often waylaid or prevented from
reaching their destination. Economically, the villagers had
in many cases taken out loans to expand their homes. Clans
controlled their rivalries as long as the money flowed in
from tourists. By 1991 most of the boarding houses were
empty except for those owned by the Ostojici clan, which had
good outside connections. Other clans asked the Ostojici to
share their good fortune; the Ostojici declined.
One of the most brutal aspects
of the war in Medjugorje was not the conflict between Croats
and Muslims or Serbs but between the Croats themselves. A
blood feud was soon ignited in Medjugorje and its environs
that killed 200 members of the village of 3000 and caused
another 600 to flee the region. Pilgrims at the Medjugorje
Peace Center did not even realize the feud was ongoing
although grisly atrocities including mutilations and torture
were carried out on a regular between the warring clans in
nighttime raids. Finally, elements of the Croatian Army
aligned with one of the warring clans intervened against the
Ostojici, 100 men were rounded up and quickly liquidated in
one of the many ravines in the area.
By the end of 1992, Medjugorje
was again accessible to tourists. Houses were being built
and repaired. Visitors were told Serb aggressors had done
the damage to the village. The Ostojici property was taken
over by their rivals, the remaining Ostojici having fled as
refugees to Germany. Bax finds the whole incident
reminiscent of a situation where escalating violence helped
by outside forces leads to a tragic outcome. But what is
puzzling is the sheer barbarity of the dispute, villagers
mutilated and tortured each other, elderly people were
murdered, homes were burned, and women and children killed.
Bax notes that the violence as it became more grisly also
became more organized. In regards to mutilation, he notes
they followed a fixed pattern with more and more parts of
bodies being removed as the conflict increased. Homemade
rocket launchers were used to chase out the Ostojici who
remained. As for the Mother of God, Bax reports the victors
offered up prayers of thanks for her special grace and
protection.
Was this internecine slaughter
in Medjugorje the fruits of modernization and globalization?
Robertson and Beyer in their examination of the Iranian
revolution explain how modernization and globalization
actually were root causes of Islamic fundamentalism in Iran.
Modernism Revisionism recognizes the tenacity of religion
and ethnicity that is resistant to change or "progress". In
the case of Medjugorje, even Croats of the same ethnicity
and religion slaughtered each other over the lowest common
denominator, clan differences. Additionally, not just Croats
died or were persecuted in the environs of Medjugorje,
ethnic cleansing of Muslims and Serbs also
occurred.
Modernism has been criticized
for "taking a zero sum view of the relation between
tradition and modernity," Tradition supposedly will whither
as modernity increases. Thus in Medjugorje, even though the
shrine based on religious apparitions of the Virgin Mary was
religion based, the villagers themselves should have become
more "modern." This modernity spawned by the building of
hotels, restaurants, and tourist complexes. Initially, the
Franciscans were able to quell local tendencies towards
violence but even the Virgin Mary, busloads of pilgrims
seeking peace, the Medjugorje Peace Center built in honor of
the Queen of Peace, could not prevent horrendous violence.
Indeed modernization may have reinforced violent tendencies
based on centuries old tradition and enmity. It has been
observed that traditions adapt to modernization and may
actually be revitalized by the relationship.
The intertwining of modernity
and tradition is especially evident in Medjugorje. It is the
pilgrims from Europe and North America that brought the hard
cash that made Medjugorje a major tourist destination. At
first glance one would tend to dismiss the story of six
teens conversing on a daily basis with the Gospa as just so
much sensationalism. Yet, such apparitions have been
recognized in Fatima, Portugal to which the current Pope has
dedicated his reign. Other approved sites are Lourdes in
France and Guadalajara, Mexico. Medjugorje has not been
approved by the Vatican, the local Bishop of Mostar,
condemned the apparitions as false almost immediately. But
in a sense modernization and Vatican ambivalence permitted
the Franciscans to continue developing the site.
It was no coincidence that
Father Slavko Barbaric, a Franciscan schooled, as a
psychotherapist in Germany was one of the early handlers of
the six children. When Barbaric died last December while
leading a tour group, a special message was received by one
of the now adult visionaries that Father Slavko was in
heaven by the Gospa's side. Bax reports that the Franciscans
seemed remarkably well prepared to promote the apparitions
worldwide. The Franciscan order immediately sent their own
experts to Medjugorje to validate the ongoing apparitions.
More interesting is the global nature of the effort to
promote Medjugorje. According to Bax, for over a decade, the
international Medjugorje campaign was directed from
Franciscan University at Steubenville, Ohio. Tour promoters
specialize in Medjugorje, one of largest is run by Caritas
of Birmingham, Alabama, a cult dedicated to
Medjugorje.
According to a May 3, 2001 Fox
News story aired locally on channel 19 in Cincinnati, an ex
cult member compared Caritas to Waco and the cult leader
Terry Colafrancesco to David Koresh. Colafrancesco who began
the Alabama based cult in 1987 grosses over a million
dollars in annual income, he owns a 137 acre estate and
swimming pool while 50 followers work 12 hour days running
his publishing business that distributes Medjugorje tracts
and staff his travel agency that specializes in pilgrimages
to Medjugorje. The followers like Mike O'Neill who was
profiled by Fox, live in run down trailers. According to
O'Neill, children often sleep on the floor and members are
paid a miserly wage. Colafrancesco often makes odd dictates,
such as banning mayonnaise. Colafrancesco is tied to one of
the teen visionaries, Marija. Of the six Marija still
experiences the most visions, touring the world, and often
witnessing apparitions of the Virgin in the drawing rooms of
well-heeled donors.
The worldwide pull of
Medjugorje has increased in recent years with a 20th
anniversary celebration planned for June 25, 2001. The
Marian devotions of John Paul II also provide a powerful
impetus to the Medjugorje movement. Numerous organizations
support Medjugorje in the United States and it is revered by
the charismatic movement of the Catholic Church, which is a
Catholic reaction to the Pentecostal movement and includes
such practices as faith healing and speaking in tongues. The
US State Department travel advisory for Bosnia indicates
that Medjugorje is the only locale in the country where
credit cards are accepted on a normal basis. The only thing
preventing Medjugorje from becoming permanent pilgrimage
fixture is lack of Papal recognition. The Vatican's official
position is that it neither approves nor disapproves of
Medjugorje but it does not doubt the sincerity of those who
choose to go there.
By 1992, the clan warfare
chronicled by Bax had subsided, the remnants of the Ostojici
left to continue their "war" from a refugee camp in Germany.
A new campaign of ethnic cleansing was then launched against
the remaining Muslims, the Serbs having been chased out in
1991. In 1992, forces from Medjugorje including the local
militia known as the rocketeers because of their use of home
made rocket launchers, slaughtered Muslims in a nearby
village and blew up the mosque. By 1994 the Franciscans had
built a church there. The scene was repeated in 1993 by the
rocketeers of Medjugorje as other Muslim villages were
razed, Franciscan churches established and Croat refugees
resettled.
The final stage of ethnic
cleansing occurred in 1993 in Lavsa Valley against the
Muslims. The villagers who were not killed outright were
rounded up and murdered at a Croat run concentration camp
one half hour from Medjugorje. Transports of prisoners were
routed through Medjugorje but the Muslims were told to cover
their eyes lest their gaze pollute the Croat holy shrine.
The Western pilgrims never realized that an extermination
camp was only minutes away. Indeed, organizations like the
aforementioned Caritas of Birmingham blamed the Serbs for
all the inconveniences in the region including destruction
of buildings, much of which occurred during, inter clan
warfare among Croats.
Is Medjugorje a fair assessment
of modernization and globalization? Bax argues that we can
learn much from one small village in Bosnia Herzegovina. The
behaviors exhibited are not unique and even though the
region is striking for its barbarity and violence, much can
be applied to Eastern Europe as a whole. Indeed, Bax shows
that what appears to be random or senseless behavior when
looked at a higher level, makes perfect sense when analyzed
at the lowest level. This perhaps is the problem with
modernization theory; it seems to make sense at the macro
level when its proponents announce that religious and ethnic
differences will shrivel in the face of economic progress
and democracy. But in reality, as in Medjugorje,
modernization and globalization can actually enflame local
rivalries, which operate at the clan or tribal level. In
fact, barbarism may occur because of, not in spite of so
called progress.
The collapse of communist
Yugoslavia might be viewed as progress, another socialist
regime unable to compete with capitalism and democracy.
However so called progress yielded barbarization when the
state structure collapsed. Tradition and religion became
stronger and were a basis for decivilization. Even the
presence of 18 million tourists between 1981 and 1991 along
with a modern infrastructure had no effect on Medjugorje,
indeed as soon as there was economic stress, the villagers
resorted to a vicious clan war.
Bosnia is not alone; other
states have similarly lapsed into barbarism under stress
despite modernization and loans from the Wolrd Bank and IMF.
One need only look to democratic Russia and its treatment of
Chechnia or the total disintegration of West Africa and the
Congo. Progress is not linear, perhaps these lapses in
civilization can be forestalled by authoritarian governments
or well-managed economies but it is troubling that much of
Medjugorje's support comes from the United States. There
appears to be a segment of the population that would
willingly revert to traditionalism if permitted to, as such
they must travel to Bosnia to behold the Miracle City of the
Queen of Peace. Others like Colafrancesco build their own
versions of Medjugorje in the United States.
Globalization is a two way
street as Medjugorje reveals. Westerners support a shrine
that has been condemned by the local ecclesiastical
authorities as fraudulent and common sense tells us that the
Mother of God cannot be issuing thousands of messages, some
on rather mundane issues such as where to place buildings.
Spontaneous healings are seldom what they appear and
apparition seekers staring into the sun have been known to
see many odd things. Nonetheless, Medjugorje continues to
prosper on both a global and local level. It also offers us
a look at barbarization and how easily it may occur.
Compared to the forces of tradition, religion, and
ethnicity, modernization and globalization appear to be of
secondary importance and that perhaps is the lesson of
Medjugorje.
The author, Jonathan Levy,
is an attorney working for both the victims of the Ustase
and the Phillip J. Kronzer Foundation for Religious
Research. He has filed several lawsuits against the
Franciscan Order, Vatican Bank, Croatian Liberation
Movement, and Medjugorje promoters including Caritas of
Birmingham alleging gross violations of human rights by the
Neo Fascist Franciscans at Medjugorje.
Vicky Randall and Robin
Theobald, Political Change and Underdevelopment, Duke
University press, Durham, 1998, pg. 28.
Mart Bax, Medjugorje: religion,
Politics, and Violence in Rural Bosnia, Free University
press, Amsterdam, 1995, pgs. 122-3.
The approved Roman Catholic
shrine of Fatima, Portugal involved three shepherd children
in 1917 coming upon an apparition of the Virgin Mary. The
obvious intent of the Medjugorje children's' handlers,
Franciscan monks, was to associate Medjugorje with the
approved shrines of Fatima and Lourdes.
Bax, pgs. 106 et
seq.
Randall and Theobald, pgs.
24-25
Randall and Theobald, pg.
250.
Bax, p. 102
Mart Bax, Holy Mary and
Medjugorje's Rocketeers, The Local Logic of an Ethnic
Cleansing Process in Bosnia, Ethnologia Europaea, pg.
54.
Bax, Rocketeers, p.
48
Randall and Theobald, pgs.
250-252
Ibid, p. 46.
Ibid, p. 46.
Ohio and Indiana are the
heartland of the international Medjugorje movement, besides
the aforementioned Franciscan University at Steubenville,
there are major Medjugorje centers at Norwood, Ohio, the
University of Dayton, and at Notre Dame, Indiana.
Interview with Mike and Jackie
O'Neill, April 2001.
Fox 19 News, Cincinnati, May 3,
2001, Local Man Escapes Cult by Andy Treinen.