Geschriften
Inhoud blog
  • Dag 95: 'Todopoderoso' wat het schrijven betreft
  • Dag vierennegentig: De Lunch (2)
  • Dag drieënnegentig: De Lunch (1)
  • Dag 92: Wat nodig is: een nieuwe renaissance.
  • Dag 91: De intelligente lezer van Umberto Eco

    Zoeken in blog



    10-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dag 95: 'Todopoderoso' wat het schrijven betreft



    Hij dacht in bed aan wat hij geschreven had aan John. Hij voelde dat hij iets belangrijks eraan toevoegen moest, iets van Jung. Ik moet het  nu doen dacht hij, morgen is het weg, is het verloren. Hij stond op, sloeg een deken over zijn schouders, ging de trap af - het vuur was uitgedoofd, de kamer was een geronnen kilte. Hij mailde aan John:


    Ik kan in de morgen schrijven over de avond, ik kan in de lente schrijven over de herfst; ik kan, gezeten aan de vijver, schrijven over een chalet in de Valais: ik ben - ‘todopoderoso’ zou Borges zeggen - almachtig wat het schrijven betreft, omdat mijn geest van alle tijden is en van alle plaatsen. Ik ben zoals de particule die hier is en ook ergens aan de overkant van het zijn, ergens in het niet-zijn. Wie zal me, in de dagen waarin we leven, tegenspreken en zijn tegenspraak zwart op wit uitbrengen ten overstaan van de wereld die op hol geslagen schijnt. Soms denk ik zelfs dat we op de vooravond van een revolutie staan waarbij alles vernietigd en alles opnieuw zal geschreven moeten worden.

    Dit is het bevreemdende, mijn beste John, waarmee ik mijn vorige brief aan jou aanvullen wou. Ik dacht er aan in bed, ik had iets over het hoofd gezien. Nu, aangekomen waar ik sta, is het aan de dood dat ik denk en, of de dood het einde is.


    Is Ravel, die ik hoorde vanmorgen, dood; is Beethoven dood, is Mahler, Johan Sebastian Bach, dood en opgeslorpt door de tijd. Is dit dan de onherroepelijke waarheid waar we elke nacht mee slapen gaan en moet ik me hier voor eeuwig en altijd bij neerleggen?

     

    Was het schilderen van Da Vinci, van Van Eyck, is mijn schrijven weinig meer dan wat stuiptrekkingen van een vroegere holbewoner, is een leven eigenlijk méér dan wat gerimpel op het water van de vijver?

     

    Als ik zie welk wonder het leven is. Zie of meen te begrijpen hoe we in elkaar zitten: een massa atomen, elektronen, neuronen en wat nog allemaal. Zie hoe onze hersenen functioneren, hoe we leven, ons herinneren wat was en hieruit opmaken wat komen kan, zien hoe velen creatief bezig zijn, dan is het verdict dat er niets is na de dood, te simpel.


    Mijn visie is deze van Carl Gustave Jung: je moet, wil je geleefd hebben, over de dood hebben nagedacht, je er zelf, na rijp beraad, een idee over gevormd hebben en je er niet, als een levende dode, hebben bij neergelegd. 


    Een plant is een plant, een dier is een dier en een mens is een mens. Echter, is het mens-zijn niet méér dan het plant-zijn, dan het dier-zijn? Is het nodig of wenselijk, wat het ‘zijn’ betreft, ons op een voet van gelijkheid te plaatsen, om te besluiten zoals voor plant of dier, na de dood is er niets?


    Ik denk dat het leven zin heeft, en dat in die zin het doel ligt. Het is een oordeel met tal van facetten. Het betekent echter niet dat ik de absolute zekerheid heb van wat ik vooropstel, het betekent enkel dat ik erover heb nagedacht en tot een besluit ben gekomen en dat ik dit besluit uitdragen mag en moet.


    Een van de facetten ervan is dat er ‘Iets’ moet zijn. Ik vind dit in de natuur om me heen, in de boom die zaad draagt voor de nieuwe boom, en de vraag die ik me hierbij stel, wat was er eerst het zaad of de boom? 


    Wel het antwoord is simpel, zo simpel als verbazend, boom en zaad zijn het uiteindelijk product van een evolutie binnen de boom en binnen het zaad. Een evolutie die gelijktijdig in beide, boom en zaad, plaatsgevonden heeft om uiteindelijk, en wij zijn er nu getuige van, uit te komen in ‘schijnbaar’ twee gescheiden entiteiten. Dit geldt evenzeer voor kip en ei. Maar, wie of wat heeft er gemaakt dat de boom, boom werd én zaad, en wat was er vóór de boom zaad droeg, onder welke vorm was de boom er en was het zaad er? 


    Boom en zaad, al wat is, is voortgekomen uit wat in den beginne was, uit van wat was dertien miljard jaar terug in de tijd. En op dat punt in de tijd was er ook, over alles en nog wat gespreid, was er wat er was vóór alles: de wil, de drang tot scheppen. En in die drang tot scheppen, de drang tot het verder scheppen, dat van de evolutie is. Een evolutie die niet te stoppen is. Zo was er in dat punt, in dat allereerste begin, de lucht aanwezig, het water, het vuur en de aarde, en uit deze vier elementen, plant en dier en, uitzonderlijk, de mens, de denkende mens, de homo sapiens.

     

    En zeg me niet, zoals Jacques Monod, dat dit alles toeval is. Zeg me niet, dat er van in den beginne, niet de ‘wil’ was te komen tot de mens. Niet tot de mens als plant of dier, maar tot de denkende mens, tot – en dit is de zin ervan - de geest aanwezig in de denkende mens. En dan, en ik denk aan José Saramago’s halsstarrigheid te verklaren: alles is ‘nada’. Heeft hij er ooit over nagedacht, zoals Jung wou dat we er over nadenken zouden.


    Denken wij erover na? Stellen wij ons geen vragen over de geest van de mens die heel wat meer is dan de stof waarover gesproken wordt in vers 3, 19 van Genesis? Zo, ik zeg het maar, ik schrijf het maar: voor mij is de dood een nieuw begin en is het leven een wandeling, ook een pelgrimstocht naar dit nieuwe begin. 


    Et honni soit qui mal y pense.


    10-12-2018, 07:25 geschreven door Ugo d'Oorde  

    Reageer (0)

    09-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dag vierennegentig: De Lunch (2)



    ‘Wel, tot vanmorgen, goed, ik vorder, ik beloofde mezelf dat ik het afsluiten zou voor de zomer. Ik zou, to please you, Jane, nog wel iets kunnen vertellen over Bergher en het mysterieuze in ‘La Chartreuse de Parme’, want het is een veel belovend boek waarin Bergher, en hij verbaasde me hiermee, uitzonderlijk verwijst naar psalm 139 die ik zo graag citeer, namelijk de psalm over het boek, waarin al het nog voor ons komende, staat opgetekend. Ik zou ook nog wat meer kunnen vertellen over Akhnaton en dan vooral over zijn ‘Atonhymne’ die, hetzij een kopie is van een andere psalm, deze van 104, hetzij de oorspronkelijke tekst ervan is, al naar gelang Akhnaton geplaatst wordt, naar het schijnt, na of vóór Mozes. De meningen zijn, zoals altijd, als het de Bijbel betreft, uiteenlopend. Ik zou ook nog kunnen uitweiden over Kamal Salibi en wat hij waagt te schrijven over Jezus, maar ik denk dat ik al te veel spreek over dat  wat de jaren me geleerd hebben. Het mag vooral geen opsomming van kennis worden. Ik denk ook dat ik gekomen ben op een punt waar ik mijn boek kan sluiten, bijvoorbeeld met deze uitzonderlijke lekkere maaltijd.


    ‘En, is er dan een plot in je boek, wacht er ons een verrassing op het einde?’ Vroeg John.


    Elk fragment ervan is een plot, dacht Ugo te zeggen. ‘Er kome wat komen zal, mijn ontmoeting destijds met jou in de bergen was er een, mijn ontmoeting met Ray en Jane was er een. Ik verwacht er nog andere waaruit ik dan kiezen kan.’


    Ik herhaal het, ik heb het al dikwijls vernoemd, je bent een vreemd man, Ugo. Je spreekt met het komende.’


    ‘Het heden is het nu, dat kennen we, zoals we het verleden kennen, mijn waarde John, het komende is waar het om gaat en, nu ik al zo ver gekomen ben, vertrekkende van zero pagina’s, is mijn vertrouwen groot, er zal een plot zijn, ik weet het, maar weet nog niet dewelke. En dit is, nu ik het zeg, wat me verder schrijven doet. Alles samen genomen gebeurt er niet zoveel in dat boek van mij, ik zou er dus nog heel wat kunnen aan toevoegen, maar ik denk dat waar ik nu aangekomen ben, het zelfs beter ware er dingen uit weg te laten dan er nog andere aan toe te voegen.’ 

     

    Maar overdreef hij niet, als hij maar bleef uitweiden over dat boek van hem, alsof het een meesterwerk aan het worden was, alsof het morgen al in alle etalages liggen zou? 


    ‘En, had John gezegd, de brief, en er zijn er nu twee, die je me vorige week hebt gestuurd komen die in je boek?’


    ‘Ik denk het John, ik denk het. Als ik hem geschreven heb was het met de bedoeling hem ergens tussen te schuiven’.


    ‘Maar, Ugo, je antwoordt hierin niet op de vraag welke zin het leven heeft.’


    ‘Wel, Ray en Jane ik zal je een kopie ervan laten geworden, laat ik jullie eerst zeggen dat ik niet claim dat, wat ik geschreven heb de absolute waarheid is. Er kan morgen bij mij een andere gedachte opduiken die de waarheid, als er een is, dichter benaderen zou. Wat ik heb willen duidelijk maken is heel eenvoudig, maar, zoals ik geschreven heb, revolutionair: als de Neanderthaler is opgeklommen tot de homo sapiens dan, heb ik gezegd, is het niet te danken aan de Neanderthaler zelf, het is een groei die inherent is aan het evolutionair karakter van de kosmos, met dien verstande.’


    Hij stopte even: ‘je volgt nog?’ ‘Met dien verstande dat de homo sapiens wellicht niet het einde betekent en dat logisch gezien, als ik gelijk heb met wat ik durf verkondigen, hij slechts een begin is zoals de Neanderthaler ooit een begin was. Ik vermoed dus sterk dat dit ‘op-weg-zijn-naar’ amper begonnen is. Vraag me niet waar dit eindigen zal. Ik sluit niets uit, vraag me eerder of de Bijbel, hierbij een rol kan gespeeld hebben. Wel het kan, het wijst in elk geval in die richting. Wat betekenen zou en hier wik ik dubbel mijn woorden, dat de Bijbel in dit opzicht een (gewild!) hulpmiddel was.’


    ‘En dan’, zegde John, ‘is de zin van het leven: de zin die we zelf, als full time homo sapiens, geven aan het leven. Het komt er dus op aan, een mens te zijn die zijn verantwoordelijkheid neemt als volwaardig lid van een gemeenschap van mensen.’


    ‘Ja, dit is wat ik begrijp als het ‘faire son métier’ van Camus, maar dan ook als een wezen volledig geïntegreerd in een kosmosgebeuren - hij dacht aan de ‘Tao of Physics van Capra - In de mate dat we dit geïntegreerd zijn begrijpen, elk op zijn eigen manier, leven we zoals het hoort. Een andere zin is er niet, al dacht ik er vroeger anders over, nu denk ik dat we, de mens, ondanks al wat er zich kan voordoen, en er kan zich de volgende generaties heel wat voordoen, verder in deze richting zullen evolueren, maar, ik herhaal het, een absolute zekerheid heb ik niet.’


    Hij zag hoe het  licht dat nog restte zich stolde in een rode gloed laag over de horizon tussen het roerloze van de bomen tot op de gezichten voor hem, een roze gloed nog die als een bevestiging was van wat er gezegd werd.


    *


    Ze hadden afscheid genomen van elkaar. John had herhaald aan Jane dat het een rijke en hoogst merkwaardige lunch was geweest, die naar hij hoopte, kijkend Ugo in de ogen, het boek zou halen. En Ray, dat uit de wijnen straffe gedachten waren ontstaan die de wereld zouden verbazen als ze verspreid werden, ongeacht, zegde hij, de nieuwe, binnen sijpelende Neanderthalers en hun geloof. En, wat hij niet vergeten mocht, er was Jane, zwijgzaam, die hem  met warmte omhelsde toen hij vertrok.


    Thuis, die avond, aan zijn tafel gezeten, herbeleefde Ugo de woorden en de gevoelens die deze opriepen. Hij tekende op wat de essentie ervan was, niet de kleine details, niet hoe laat het wel was als ze afscheid namen. Hij wist dat het een grote dag was geweest; hij wist dat hij er goed zat, rustig sprekend, oneindig levend, denkend bij momenten, aan Tom, de regenmaker: ‘Lizzie ik wil eeuwig leven’. Hij wist dat hij omgeven was met vrienden; dat hij en zijn boek, op vele ogenblikken, het centrale punt waren geweest. Waar, op Gods aarde kon hij beter zijn?


    09-12-2018, 05:25 geschreven door Ugo d'Oorde  

    Reageer (0)

    08-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dag drieënnegentig: De Lunch (1)


     

    Na zijn brief aan John, na zijn ontmoeting met Daniël de beeldhouwer, kwamen er dagen waarbij hij schijnbaar, alle contact met de buitenwereld had verloren : het was een van de meest spiritueel drukke periodes uit zijn leven. Hij was gaan uitzwerven naar Akhnaton en Oedipus en eens gelanceerd kwam hij onvermijdelijk terecht bij vers 3, 19 van Genesis. Hij had geen globaal beeld van wat hij geschreven had, wist niet waar hij stond, wist niet hoe het verder moest. Maar vandaag  hoefde hij het niet te weten want vandaag was er de verademing, was er de lunch bij Jane en Ray.


    Een rustpoos na al die dagen, dat hij vroeg in de morgen opstond en bleef schrijven,  bijna altijd tot de middag, wanneer hij stil viel, iets klaar maakte om te eten - nog altijd bekommerd om het geschrevene - en in de namiddag, moe, uitgeput, uitgestrekt op de sofa voor de haard. Insliep soms tot de zon onderging in een rode gloed of, op andere dagen, hij zich dwong om zich aan te kleden zoals het moest ; te doen wat hij te doen had - hout voor de haard was hem soms te veel - en hij in de velden was onder het immense van de luchten en wandelde tot aan de rand van het bos, maar het bos ging hij niet binnen, en op andere dagen hij de wagen nam en naar de vijver reed om er Johan te vinden of Geert of Marc, een vriend van Geert en Johan. Het  waren de enige contacten die hij had in die dagen dat hij aan het schrijven was geweest.


    Vandaag, to-day was the day, een dag van bevrijding, een dag, dat hij al wat er geschreven stond kon laten zoals het was en waar het was: een massa zinnen, een massa woorden op een hoop achter hem, met voor zich uit, een wolk van licht die hij betreden ging. Hij had geen nood meer te spreken over wie of wat, had geen nood meer te zeggen dat het, het ‘Allesomvattende’ was dat er voor zorgde dat de mens geëvolueerd was tot homo sapiens. Dit alles was voorbij nu, de filosoof in hem kon worden opgeborgen.


    Hij kleedde zich aan zoals hij dacht dat het hoorde voor een man die schreef en nu ineens was uitgedoofd. En een cadeautje? Hij kon toch niet met lege handen aankomen; een fles champagne dan, maar hij had geen passende doos erbij; een ruiker bloemen, maar de bloemenwinkel in het dorp was dicht. Iets van hemzelf dan, een ets  misschien, iets dat hij jaren terug had gemaakt?


    Hij opteerde voor het laatste. Een kleine ets, een boom met zijn vertakkingen ragfijn uitgetekend in een cirkel, en er onder een bolster open op het zaad. En wat hij destijds had aangedurfd, gekleefd ernaast, precies op de juiste plaats: een ongewoon schelpje, een ongewoon stukje wortel en een ongewoon geslepen steentje meegebracht uit Yemen. Hij dacht, ik riskeer het er op, het is iets van mij, een soort gedicht in lijnen en vormen en een inhoud die te raden is. Maar of het gesmaakt zou worden, zeker was hij niet.

    Wat ook, hij voelde zich goed, los en ontspannen voor het eerst sedert dagen, als hij, tussen de twee wakende leeuwtjes, onder de torenpoort door reed en de wagen parkeerde naast die van John. Hij hoefde niet aan te bellen, de deur van de woning werd geopend en Ray wachtte hem op: ‘Welgekomen, onze grote schrijver en meester.’


    ‘Dank je, mijn beste Ray, je verwelkomt me zoals Dante, Vergilius, maar ik ben maar Ugo, de schrijvende man in het bos, ik heb hoegenaamd niet de allures van een Vergilius’.


    ‘Wel, wat is er verkeerd aan, voor mij, na al wat ik hoorde van jou, ben je een Vergilius and it pleases me.’


    Hij was binnen in de woonkamer, half in de schemer, het vuur in de haard, een vreugde het te zien. Jane groette hem met een omhelzing, en er was John die hem tegen zich aanhaalde. Hij voelde hun genegenheid en was er door geraakt. Hij dacht dat zijn hand beefde als hij, zijn in papier gewikkeld geschenk overhandigde aan Jane, zeggend dat het een resultaat was van de man die hij vroeger was. Jane wachtte niet, ze was te nieuwsgierig, opende het pakje en scheen totaal verrast met wat ze in de handen hield.


    ‘Dat doe je ook? Kijk, dit is hij helemaal’, zegde ze en ze toonde het kadertje aan John en Ray: ‘Het is zijn handteken’ wist John, een talisman,  een document dat meer Ugo is dan een foto van hem.’


    De toon was onmiddellijk gezet, de stemming was er volop. Het gesprek liep over programma’s op de televisie, de Beethoven van gisteren, over boeken en tentoonstellingen terwijl de champagne werd geschonken, parelend in coupe-glazen en rechtstaande gedronken, het begin van een groot samenzijn met heel wat beloftes als hij zag hoe de tafel gedekt stond.

    En de beloftes vervulden zich naarmate de tijd vorderde. Er waren kleine hapjes die rondgingen op een schotel. Daarna, aan tafel, waren er oesters met een excellente ‘Pinot gris’ die ze hadden meegebracht, zegden ze, van Riquewihr, een dorpje in de Elzas die ze zeker eens bezoeken moesten.


    En over reizen gesproken, wisten ze elk een bijzondere plaats te vernoemen, waar dit te zien was of dat en waar het goed was enkele dagen te verblijven met de naam van het hotel erbij en het restaurant dat ze niet missen mochten.


    Ondertussen was Jane bezig in de keuken, niemand mocht haar helpen tot ze tevoorschijn kwam met een grote schotel kreeft à l’Armoricaine, een totale verrassing waar weinige huisvrouwen zich aan wagen zouden. Ze kregen een speciaal doekje om de hals, maar dan met een kreeft in plaats van met een rood kruis zoals bij de drie musketiers. De kreeft was overheerlijk, zacht en romig, prachtig afgewogen smaak, en zoals het hoorde met de nodige pilipili, zeer pittig klaar gemaakt.


    Jane verdiende alle lof en ze wist, zegde ze, dat alles gelukt was zoals ze het wenste, precies van smaak, misschien toch had ze beter cognac gebruikt in plaats van armagnac, maar de musketiers vonden het bijzaak.


    Er was nog een selectie kazen erna met een beste Pommard Village, om uiterst voldaan de koffie te nemen. Wat een maaltijd vonden ze, als ze neer zaten op de sofa achteraf. En het was inderdaad gedenkwaardig geweest, zeker drie sterren waard. En dan kwam de onvermijdelijke vraag van Jane: ‘Ugo, hoe staat het met je boek?’


    08-12-2018, 06:17 geschreven door Ugo d'Oorde  

    Reageer (0)

    07-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dag 92: Wat nodig is: een nieuwe renaissance.

     

    Maar hij ondervond dat alles op zijn tijd komt. Zo was hij gelukkig in ‘La Langue hébraïque restituée’ van Fabre-d’Olivet - hij zag dit boek liggen in een etalage in de hoofdstad en had het zonder aarzeling gekocht - over de twee basis-vertalingen van de Bijbel - de Septuaginta of de Griekse vertaling en deze van Hiéronymus in het Latijn, de Vulgaat - te kunnen lezen wat hij altijd heeft willen lezen, namelijk dat wat eigen is aan de geest geofferd werd aan het zichtbare, en dat wat universeel werd opgevat, als persoonsgebonden (Adam en Eva) werd voorgesteld.


    Het betoog van Fabre-d’Olivet komt er op neer dat de geest van de tekst niet aan bod komt en dat het voor hem meer dan duidelijk is, dat de inhoud van 3, 19 hem leert dat de mens terug keren zal tot het geestelijk element dat het principe van zijn wezen is, à l’élément spirituel qui est le principe de son être.


    En met de jaren zou hij ook Paul Nothomb gaan lezen die in een schitterend betoog, handelend over de onsterfelijkheid van de mens, tot het besluit komt, dat die bewuste goddelijke veroordeling (vers 3,19) begrepen moet worden als een benedictie, want: je werd gevormd onsterfelijk en tot onsterfelijkheid keer je terug. Wat heel wat anders is dan ‘gij zijt stof en tot stof keert gij terug’.


    Beide vertalingen, deze van Fabre-d’Olivet en deze van Nothomb bedekken de idee die de traditie ons voorhoudt en altijd heeft voorgehouden. Het uitzichtloze van 3, 19 wordt aldus een tekst lijk een kathedraal, een tekst die een totaal andere waarde geeft aan het leven en de mens optilt tot zijn ware dimensie, de dimensie van zijn geest.


    Het is onweerlegbaar dat de auteur van de Kosmogonie – de tien eerste hoofdstukken van Genesis - wie hij ook moge geweest zijn, ons meer had te vertellen over het fenomeen mens dan dat hij uit stof was gemaakt en tot stof terugkeren zou. Neen, de boodschap had een oneindig ruimere draagwijdte en situeerde zich op een totaal ander vlak. De auteur wou ons namelijk duidelijk maken dat de mens ontstaan was uit de geest van Elohim en als dusdanig conform was aan deze geest, misschien nog niet in zijn huidig stadium, maar er naar evoluerend, er in potentie al aanwezig.


    En, dacht hij, bij dit alles zou men zich toch de vraag moeten stellen hoe de wereld, en dan niet alleen de Westerse wereld, er zou hebben uitgezien indien de kerkvaders van in den beginne geconfronteerd waren geweest met de onsterfelijkheid van de geest in plaats van met de stoffelijkheid van het lichaam?


    Men kan aldus stellen dat het zwaartepunt van onze westerse beschaving gestoeld is geweest op feiten die nu niet meer als aanvaardbaar worden aanzien en dat de huidige theologie in verband met de zin en betekenis van de dood van Christus, heel wat ingewikkelder blijkt dan de nog immer (stilzwijgend) aangeleerde opvatting voortvloeiend uit het erfzonde-gebeuren van Adam en Eva. Echter, en dit wil hij benadrukken, vermindert dit in niets de grootheid van Christus en van Paulus, integendeel, het verheft hen als mens onder de mensen en als sterkend voorbeeld voor de mens die een regel zoekt om naar te leven.


    Hugo Claus zou nooit geschreven hebben zoals hij schreef en over wat hij schreef ware hij niet verteerd geweest door het dogmatische. Want het is overduidelijk dat al deze aarzelingen, met hun echo in het krampachtig dogmatische, onze Westerse wereld hebben gebracht tot waar we ons thans bevinden: losgeslagen en ontheemd, zoekend naar nieuwe begrippen en nieuwe formules, vertaald naar onze moderne tijd toe, gekenmerkt door een totaal nieuwe horizon die aanvaard kan worden zowel door gelovigen als niet-gelovigen. Maar wie is het die in deze, in volle omwenteling zijnde wereld, uit de massa op zal staan en gehoord zal worden?

     

     

          *Fabre-d’Olivet: La Langue Hébraïque restituée,Collection Delphica. Editions l’Age d’Homme 1975,(Facsimile). pag. XVII : Tout ce qui était esprit y est devenu substance, tout ce qui était intelligible est devenu sensible, tout ce qui était universel est devenu particulier.

    **Paul Nothomb: ‘Homme immortel’ ,  Albin Michel, Bibliothèque de l’Hermétisme 1984, , pag. 51,’Tu as été formé immortel et tu le redeviendras.’

     


    07-12-2018, 07:51 geschreven door Ugo d'Oorde  

    Reageer (0)

    06-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dag 91: De intelligente lezer van Umberto Eco


     


    Zondigt hij tegen de nederigheid als hij nood heeft af te wijken van het dagelijks gewone om1: meer dan gebruikelijk is, de richting van de geest te kiezen, als hij het heeft over zaken die een domein belichten dat, gelukkig nog, velen onder ons de dag van vandaag bezighouden? En nog, als hij dan de plof hoort van de steen die Umberto Eco in eenzelfde kikkerpoel gooit, Eco die in een interview vertelt over:


    Een nieuw sociologisch verschijnsel: de intelligente lezer; een lezer die wenst uitgedaagd te worden, een lezer die het niet langer pikt dat een auteur of een uitgever hem als een halve debiel beschouwt en hem alleen maar voorgekauwde fast-food lectuur voorschotelt ...*' 


    Al is er ook dit andere vers van Eliot dat hij terughaalt uit het stripverhaal en een ander aspect van wijsheid belicht: ‘And what you do not know is the only thing you know’.


    Is hier dan ook niet, zeer duidelijk een soort morfische resonantie - Rupert Sheldrake -  aan het werk en mensen, wier voelhorens antennes zijn, deze resonantie opvangen kunnen?


    Zijn taal is de taal van een ketter wellicht - maar het deert hem niet het minst - als hij vooropstelt in dit alles, in deze resonantie, deze echo onder de gewelven van de geest, de gouden tekenen te zien van de werking, de stootkracht van een Energie die ons bespeelt en zaken uitpuurt.


    Dat hij, als Bernanos schrijft, que tout est grâce**, hij stellen mag dat ‘alles geest is’ en dat de zin van het leven enkel gezocht kan worden in de richting die deze geest in zich draagt.


    Men kan zich terecht afvragen wat een Jezus, maar dan de Jezus uit het evangelie van Thomas, ons in het begin van dit derde millennium zou te vertellen hebben. Zou hij rekening houden met de weg die de wetenschap ondertussen heeft ingeslagen om meer nog de nadruk te leggen op de spiritualiteit in de mens die het teken is van de levende mens onder de dode levenden. Al was het maar om een poging te doen, de liefde onder de mensen, of het respect van de mens voor zijn evenmens, wat al heel veel is, via een andere weg te bereiken?


    Of, is wat hij schrijft woordkramerij en ijdel gepraat en is het toch zo dat er slechts één wet is, de wet van de onbaatzuchtige liefde, al heeft deze ons nog niet heel ver gebracht?


    Het boek dat uit hem oprijst, lijk een aalscholver uit het water, is een wanhoopskreet omdat hij bewust is dat zijn essentie niet van stof is en dus niet tot stof keren zal. Laat dus Jahweh aan diegenen die hem danken en loven, maar dat men hem toelate die Jahweh te beoordelen van uit een totaal andere, kosmisch gerichte gezichtshoek: hij deel zijnde van deze Kosmos.


    Hoeft hij te zwijgen als alles in hem roept naar een mens van een andere dimensie die hem bindt over alles heen aan het Alfa, het begin van alles, en hem tevens positioneert op zijn weg naar het Omega, het einde van alles? Zoniet is de dood, de donkere holte en niet de lichtende eeuwigheid en heeft het geen zin verder te willen reiken dan wat Steven Weinberg, wat Leo Apostel, wat zovelen met hen, in hun grote oprechtheid hebben gemeend te moeten besluiten: hopen op het licht maar vrezen dat het de duisternis zal zijn! 


    *

     

    Zo is het dat hij, wat de Bijbel betreft, met het zich ophopen van de jaren en het naderen van de dood, vers 3, 19 uit Genesis niet meer kan aanvaarden. Het is de uitspraak van Jahwe, na de val van Adam en Eva, die als volgt, in de Willibrordus-versie, wordt opgenomen:

     

    In het zweet zult gij werken voor uw brood

    tot gij terugkeert naar de grond

    waaruit ge zijt opgenomen

    Gij zijt stof en tot stof keert gij terug.

     

    Wellicht is de zin ervan altijd over ons heen gevloeid lijk water over de bergwand; maar men begrijpe dat deze laatste regel van 3, 19 een totale veroordeling van de mens inhoudt: ‘Gij zijt stof en tot stof keert gij terug.’ Het is een vers dat een doek neerlaat over al ons doen en laten, over al ons verwachten, een vers dat ons, van bij de aanvang, leert waar ons einde ligt en waarbij met een zeker sarcasme, de mens wordt klem gereden.


    Het schijnt hem toe dat dit een vertaling is geweest om de tekst gemakkelijk te houden. Het zijn woorden door de mens gesproken en niet door de Elohim van ‘bereshit bara elohim. Want, dat ons lichaam, na de dood terugkeert tot stof hoefde helemaal niet te worden opgenomen in een document dat men de Kosmogonie van Mozes noemt, opdat elk van ons dit weten zou. Trouwens wat is er van een Elohim die de mens creëert, zo gezegd naar zijn beeld en gelijkenis, - dat enkel een gelijkenis in essentie kan zijn - om hem daarna opnieuw te herleiden tot een handvol stof?


    Zo, hoe kan het dan dat het sublieme in de mens, de geest, of ‘het wonder van het wonder’ zoals te lezen staat in het, jammer genoeg apocrief gehouden evangelie van Thomas, zo maar met enkele woorden vergruisd wordt. En verder nog, welke boodschap hebben we aan dit : ‘gij zijt stof en tot stof keert gij terug’, deze totaal negatief geladen grondregel waarmee de Westerse mens geconfronteerd werd en wordt.


    Het is nochtans meer dan waarschijnlijk dat de eerste tien hoofdstukken van Genesis een Egyptische oorsprong moeten gehad hebben. En steunen alle Egyptische bronnen zich niet op een geloof in het eeuwigheidsbeginsel in de mens. Ideeën die we terugvinden in de tradities van alle volkeren uit de oudheid en die ons een sfeerbeeld geven van de spiritualiteit en de religiositeit van toen. Het verbaast hem dan ook, in dat fameuze vers 3, 19 een uitspraak te lezen die niet alleen niets nieuw zeggend is maar dan ook nog diametraal dat sfeerbeeld benadert.


    Aldus was het maar al te evident dat hij zich vragen ging stellen over de juistheid van de termen van 3, 19. Het scheen hem toe dat de ‘Zeventig’ te ondoordacht waren geweest in hun vertaling van het Hebreeuws naar het Grieks en dat hun bedoeling was geweest, de tekst afgestemd te houden op het zichtbare zodat ze geen oog hebben gehad voor het esoterische karakter ervan, om maar niet te zeggen dat de vertalers niet bij machte waren de ware boodschap te begrijpen.


     

     


    *Umberto Eco: Een nieuw sociologisch verschijnsel, de intelligente lezer  ‘Schrijven is wandelen in een Doolhof’. De Standaard van 21 en 22 januari 1995. Bijdrage van Peter Jacobs en Mark Vlaeminck. 

    **Georges Bernanos : ‘Journal d’un Curé de Campagne’.

     


    06-12-2018, 07:49 geschreven door Ugo d'Oorde  

    Reageer (0)

    05-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dag negentig: T.S.Eliot en Marc Sleen



     

    Hij wandelt in het bos van zijn jeugd zoals hij wandelt rond de vijver van Johan, zoals hij, bij valavond, bladert in zijn dagboeken. En vandaag - zegge op het uur dat het gebeuren moest - ‘struikelt’ hij over een ingekleefd dagbladknipsel uit het Nero-stripverhaal*:

     

    ‘O, lees jij ook Eliot?’

    ‘Hij is mijn ‘livre de chevet’, hij is onbeschaamd elitair; een mijlpaal in de wereldliteratuur is zijn Four Quartets’.

    En deze versregels, in wolkjes, gevolgd door wat hij zo dikwijls al heeft herhaald en beklemtoond, de zovele jaren dat hij Eliot leest en hem citeert: The only wisdom we can hope to acquire is the wisdom of humility: humility is endless.’


    Wie, denkt hij, zorgde ervoor dat ik ooit, in heel bijzondere omstandigheden, het werk van T.S. Eliot heb leren kennen en dan, waarom heb ik dit knipsel hier bewaard, is het opdat ik het vandaag, nu ik het meest nodig heb,  terug zou vinden en zou overnemen in mijn manuscript om beter nog te zeggen wie ik ben?


    Want, Is hij ook niet schaamteloos elitair en, is het boek dat zich schrijft, wel een bewijs van nederigheid; is het in twijfel trekken van wat men toeval noemt en het laten uitschijnen dat er iets anders in het spel is, of zijn elitair zijn – want dat is hij – is dit wel een voorbeeld van nederigheid?


    Hoe komt het dat hij vandaag dit Nero-verhaal terugvindt, bestaat er ook een onzichtbare band tussen al degenen die T.S. Eliot in hun hart en vooral in hun geest dragen of, wat nog hechter is, kan het dat we gevolgd worden van uit de toekomst?

    Zoals hij destijds verbaasd was de verzen van Eliot te vinden in het stripverhaal van Marc Sleen, is hij nu even verbaasd dit knipsel terug te vinden precies het uur dat hij het nodig had het te vinden. 


    En dan wat het nederig zijn betreft, is het ook wel nederigheid te spreken over al wat hij las en heeft opgeslagen; is het nodig dit alles te etaleren en te gaan vermengen met wat er zich binnen in hem afspeelt of, anders gezegd, zijn ‘kennis’ te gaan versieren met flarden uit zijn jeugd, uit zijn liefdesleven zoals hij herhaaldelijk heeft gedaan de voorbije dagen en maanden?


    Is het wel nodig zich te tonen zoals hij is en dan uiteindelijk toch nog het aller intiemste te verbergen, en vooral, het alledaagse dat van ons allemaal is, weg te laten: niet schrijven hoe hij opstaat en hoe hij ontbijt en al wat er op volgt, hoe hij wegrijdt met een laatste zin in zijn hoofd - soms een eerste - die blijft terugkomen, zelfs al verdwijnt hij soms voor ogenblikken, maar hem bij blijft waar hij ook gaat of wat hij ook doet?


    Het is wel niet zoals bij Rubinstein die opstaat met het pianoconcerto van Chopin in zijn hoofd; ontbijt, telefoons ontvangt, en ondertussen in zijn onderbewustzijn, het concerto verder speelt om het, naar het einde toe, zo vertelt hij toch, terug bewust op te nemen in zijn gedachten. 


    In feite, het verschil is niet zo groot, ook hij schrijft verder zonder pen in de hand; hij ook ziet, al is het soms aarzelend, hoe of langs welke weg hij verder moet. Als hij dit zo optekent, is dit dan wel een vorm van nederigheid en heeft hij aldus, nog niet de wijsheid opgedaan om te zwijgen wat hij meent te moeten zeggen?


    Het zijn zovele vragen die blijven komen waarop alleen de tijd zal antwoorden. En, hij schrijft de tijd in, zonder enige rem te aanvaarden. Hij doet het in de eerste plaats voor zichzelf om te weten waar hij staat, vanwaar hij komt en waarheen hij gaat. Hij doet het ook misschien, nu de beschreven pagina’s zich opstapelen, opdat hij zou kunnen zeggen: hiermede gaat mijn geest de eeuwigheid in, er kan me dus helemaal niets meer overkomen.


    Vooral dan de indruk te hebben dat zijn leven niet nutteloos is geweest, dat hij eruit gehaald heeft, spiritueel gezien, en daar komt het op neer, wat er voor hem uit te halen was. Hij heeft steeds de drang gekend vooruit te willen in al wat waarheid kon zijn of worden. Steeds maar een stap verder willen zetten dan tot waar, om het even welk boek, hem bracht. Zijn ganse leven, vrienden, boeken, voorvallen te confronteren met elkaar en uit deze confrontatie zijn inspiratie te halen om die stap naar meer te kunnen zetten. 


    Vandaag is het Marc Sleen over Eliot, gisteren was het Daniël, de beeldhouwer, over de formule van Einstein, zelfs al is het slechts een kleine stap in meer geweest en zelfs al hebben anderen er grotere gezet, dan toch kan hij het niet verzwijgen verheugd te zijn over wat hij presteerde; hij, Ugo, nu tronend in een droomwoning, zijn huis in de woestijn, beseffend dat het soms buitengewoon was er te vertoeven. 


    En nu, nu hij er bijna elke dag voor een paar uren aanwezig is, ook de vijver van Johan waar hij van dichtbij het wonder van de natuur kan zien en voelen en tezelfdertijd - Max Wildiers wist dit maar al te goed, zoals hij al schreef - vertoevend in het gezelschap van zovelen die zoals hij, een boek hebben geschreven of willen schrijven waaraan ze dag na dag, maand na maand, misschien jaren, misschien een leven lang, hebben gewerkt; steeds maar volhardend, met hoogtes en laagtes; steeds verder werkend, soms met de moed der wanhoop omdat ze vonden bij het ontwaken, dat ze in het ijle aan het schrijven waren.

     

    Maar, wat of hoe ook, vandaag is er in zijn leven, dit boek in wording dat hij, zoals elk boek, lijk een steen in de kikkerpoel wil werpen. En, is het wel zo, Eliot, dat de ene wijsheid die we verwerven kunnen, deze van nederigheid is; komt dit niet neer op het toezien en laten begaan hoe de mens stilaan wegzinkt in de poel van een afgelijnde alledaagsheid, een gemeten kleinburgerlijkheid wat zijn spiritualiteit betreft?

     

     

     

    *Over het Nero stripverhaal.

    Het betreft strips 125 en 126 in De Standaard van 21 april 1993, en het gaat over de ontmoeting van Adhemar met Wonderboy, op de daktuin – ‘’s zomers verkies ik op de daktuin te studeren’ met aan hun voeten, Wonderboy’s boeken zoals: ‘A. Gore Jr, W. James, ‘Amerikaanse Psychologie’, H. Longfellow, ‘The Beffroi of Bruges’,  Samuel Beckett.

    En dan, de genie van Sleen: in een stripverhaal: Adhemar die een boek van T.S. Eliot neemt – de tekst in wolkjes - en vraagt: ‘O, lees jij ook T.S.Eliot?’

    En Wonderboy: ‘Mijn lievelingsdichter, mijn livre de chevet. Four Quartets’ van Thomas Stearns (1888-1965) is nooit ver uit mijn buurt. Het is een hoogtepunt uit zijn poëtisch oeuvre… Maar ook een mijlpaal in de wereldliteratuur. Hij is onbeschaamd elitair. Herinner je uit East Coker:  in order to possess what you do not possess, you must go by the way of dispossession’.

    En, voegt Adhemar er aan toe: ‘And what you do not know is the only thing you know’.

    Meesterlijk!’ antwoordt Wonderboy: ‘The only wisdom we can hope to acquire is the wisdom of humility: humility is endless.’

    ‘Mooi!’

    ‘Een spelletje schaak?’

    ‘Graag.’

     


    05-12-2018, 06:20 geschreven door Ugo d'Oorde  

    Reageer (0)

    04-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dag 89: Het prille van de lente.


     

     

     

    En, waarom zich zorgen maken over het lot van wat hij schrijft? Er zal zijn wat komen zal, het heden zal heden zijn in de toekomst en verleden worden. Hij houdt niets in de hand en hij kan niet beter dan de wijze waarop hij zijn woorden neerzet en waarover. Dit is het en dit blijft het en hij moet er verder mee, het is de adem van zijn dagen.


    En ook, en ook hij heeft gezien dat de mossen die hij meebracht uit het bos, de kleur krijgen van levende mossen, dat het takje met een rode zaadbol dat hij knipte van de rozelaar, in de warmte van de kamer, aan het botten is, en nog meer, toen hij even buiten was in de tuin, gezien heeft dat het kleine, ontheemde plantje génépi uit de bergen, dat verslagen de winter was ingegaan, terug tot leven komt.


    Het minuscule, maar daarom niet minder grote leven dat herneemt op de tafel buiten, in die blauwgelakte Chinese kom en ook het leven dat herneemt in zijn geest, in zijn hand over het blad, in zijn bloed wellicht, in zijn vreugde, in zijn geloof in wat schuilt in de mens.


    ‘Bouw met je dromen een huis in de woestijn alvorens een huis te bouwen binnen de stad’, schrijft Khalil Gibran. Hij weet niet precies wat hij hiermee bedoelt, maar hij zal verder leven in die droom van hem, kijkend en luisterend naar dat minuscule leven dat herneemt in zijn mindscape waar hij binnen wandelen kan, in zijn Varykino, om er dat ene grote boek te schrijven waaraan hij, zoals Pasternak, zijn hele leven werken zal.


    Nadien zal hij weten dat alle plaatsen goed waren om te schrijven, dat elke plaats een huis in de woestijn kon zijn. Maar van in die jeugd van hem, kende hij de overtuiging dat hij in die droomkamer van zijn droomwoning een boek zou schrijven. 


    En toen hij Johan Daisne las, en vooral dezes ‘Trap van Steen en Wolken’, zag hij zich liggen in die kamer met de vrouw die hij lief had, op een schapenvacht voor de brandende haard. Terwijl de meubels toekeken op hen, de boeken onder elkaar aan het fluisteren waren en de vele voorwerpen aan het wachten, om te zien hoe ze hand in hand er lagen, de schijn van de vlammen over hen. Zwijgend met misschien Bach of met Mozart of met Albinoni, of welke muziek ook, ‘je te veux’ van Satie misschien.


    En dit beeld en de talloze andere beelden uit zijn jeugd mengen zich nu, vloeien door elkaar: hij is de knaap van twaalf, hij is achttien jaar, hij is er dertig, hij is elke ouderdom ineens en bemint terug. Hij leest in zijn herinneren alle boeken die hij las, en een zin komt terug het vers van Poesjkin dat hij gebruikte voor zijn eerste antwoord aan John: ‘Zing zwaluw, zing, zing mijn hart tot rust.’ Hij hoort het fezelen van de zwaluwen op de elektriciteitsdraden, laat in de zomer, om op een dag de draden leeg te zien, de velden wachtend op de herfst.

     

    *

     

    Hoe leven we, hoe komt het dat wat zo intens was, zo wijd uitgestrekt, vol bloemen en zon, vol leven, in één ogenblik plots verdwenen lijkt, ordeloos dicht gegroeid, veldwegels en grachten?


    Of waar begint ons eigenlijke leven of waar de werkelijkheid die we niet meer aankunnen eens de droom verdwenen. Hoe ervaarde Ernst Jünger het, hoe ervaren we allen onze jeugdjaren als we vaststellen dat van al wat was, zelfs niet meer het landschap overbleef, zodat men zich afvragen moet of er wel een jeugd is geweest, of er wel een knaap is geweest, die boeken las in het ovenhuis, of er wel de geur is geweest van versgebakken brood of er wel de stemmen zijn geweest van spelende kinderen op late zomeravonden, geluiden van het rijzen van de sneeuw tussen de bomen, het kraken van het ijs op de dicht gevroren vijvers van weleer.


    Was het er of was het er niet, het maakt vandaag niets meer uit, je leeft het leven dat je houdt, het voorbije is voorbij en is bijna pijn geworden. Je kunt het nog oproepen, het komt nog terug in flarden, in korte losse stukken en soms zink je erin weg, blijf je erin hangen en wens je er niet meer uit los te komen.


    Soms is dit zo en soms is dit zo niet. Soms wil je weg naar de veiligheid van vroeger als alles ophield bij vader en moeder, en soms is er het knallende leven, het onbezorgd bijeenzijn onder vrienden, het bed met de vrouw die je liefhebt, zijn er de kinderen. 


    Dagen gaan erover, de seizoenen, de jaren en soms zijn er, lijk kleine wonderen van tederheid, waar je hart zich breekt als je hun handen houdt, hun stemmen hoort, zijn er de kinderen van je kinderen.

    De lange weg die o, zo kort is geweest, zo ongelooflijk kort als samengebald in één pagina, opgerold tot een bolletje papier dat je in de hand houdt en zo weg gooien kunt in de papiermand. Of, op dagen zoals deze, uren schrijvend, uren over zijn blad gebogen als je, bij het laatste licht het nog even openrolt en een deel van het blad plat strijkt om te herbeleven wat er geschreven staat, omdat het soms toch zo groot is zich even te herinneren.


    04-12-2018, 07:08 geschreven door Ugo d'Oorde  

    Reageer (1)

    03-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dag 88: Hoe we bestaan en soms niet bestaan (2)


     

    Zo, deze morgen kwam hij wakker op één heldere ster, pal in het zuiden, een of andere planeet, een god gelijk, Athena, Ares, Zeus, er zijn er zovele om op te noemen. Maar ze dragen geen boodschap meer, ze dragen geen lichtende inhoud meer, geen begeestering; geven je geen adem om verder te gaan met wat je begonnen bent. Afgesloten van hun inspiratie ben je niet véél meer, ben je de moedeloosheid zelf, juist nog goed om weg te duiken in je schelp en er te blijven, wachtende op hem die komen gaat. Je roept hem, je kreunt dat hij je nemen zou, je waagt het zelfs het te schrijven omdat je weet dat, wat komen gaat, geen hoop meer draagt. Illusies uitgedoofd ben je de vijver waaruit het water is weggevloeid, de vissen dood, de waterplanten verdord, de troosteloosheid van blote aarde met barsten erin, met stukken wortels van oude bomen, eeuwen al vergaan, ontheven van elke mogelijkheid tot leven. En als je er komt: elke weerspiegeling van bomen en luchten verdwenen. Enkel nog een donkere vlek aarde waar je niet meer heen zult gaan om je te herinneren hoe het ooit was.


    Illusies op leeftijd hebben geen armslag indien negatief uitgevallen, hebben geen mogelijkheid meer je te herbronnen en je op te stellen als de natuur in de vroege lente. En dan zit je knel, je boxing spirit knocked out, uitkijkend naar de enige uitweg die je nog overblijft. Welke ster of welke planeet ook voor het venster, het is deze van je eeuwigheid. Je klampt je er nog aan vast voor een tijdje, om daarna los te laten wat je loslaten wilt en te verdwijnen. Een man zonder illusies is er rijp voor.


    Dit is het donkerste van wat hij ooit geschreven heeft en hij heeft niet de wil er uit op te staan. Hij heeft verkeerd geleefd. Zelfs de batterij van zijn uurwerk laat het afweten. 

     

    *

     

    Het is de stagnatie die binnen sluipt. Het gevoel bezig te zijn met een gevecht tegen het woord. Een roep in de woestijn om zijn bestaan te verkondigen en tevens zijn geloof in iets dat hij niet zo maar bepalen of omschrijven kan. Maar toch te verkondigen, zijn hunker naar onsterfelijkheid die in hem uitgestrooid ligt, die zijn geest doorkruist en waarin hij de moed heeft te geloven. En, in feite, waarom?


    Dit alles was stilte geworden, de stilte van het huis als de avond valt over de tuin en het deemstert in de bomen. En in de dag alle gedachten weggezogen en een gevoel van geen vertrouwen meer in wat hij was, in wat hij deed, bijgehouden in wat holle woorden.


    Geen boek geopend, geen dagblad ingezien. Geen bezoek, geen teken van leven tot hem gekomen. Niet gezien hoe de tuin reageerde. Het niets over hem. Geslapen of niet geslapen, denkend soms aan de eerste pagina’s van het boek van Elio Vittorini dat op zolder tussen de vele andere boeken moet liggen. Maar hij zoekt het niet op. Hij weet dat de zin niet past omdat Vittorini het heeft over de mensheid die verloren is en omdat hij misschien wel het geloof in zichzelf heeft verloren maar nog niet zijn geloof in de mensheid, alhoewel?


    Hoewel hij weet van de wereld dat mensen op dool zijn, leven in erbarmelijke omstandigheden die de dood betekenen van de geest in hen, terwijl er zovele zijn, die het desondanks wagen met een glas champagne te verschijnen op het scherm dat niets verborgen houdt.


    Hoewel hij weet van de vele plaatsen waar kinderen wenen van honger, waar zieken en gewonden sterven van ontbering en anderzijds op hetzelfde ogenblik in de tijd, waar er gefeest wordt en etensresten worden afgevoerd. En dit alles op een zelfde aardbol die zich keert en wentelt alsof miserie en verspilling, oorlog en pollutie, dood en leven, helemaal niets betekenden en wellicht helemaal niets betekenen als men verder de toekomst in kijkt, waar de rimpels van de mens in-wording zich zullen effenen. Daarom gelooft hij nog altijd in il genere umano, gelooft hij nog in de mensheid.


    Hij haalt dan toch het boek van de zolder en hij leest: ‘la vita in me come un sordo sogno, e non speranza, quiete’ en hij denkt, ook in mij is thans het leven lijk een doffe droom, is er geen opening naar hoop, is er stilte. Of er nu een boek in meer ligt of het boek blijft bestaan in potentie, welk verschil maakt het uit. Is het niet beter alles te houden zoals het is: al wat geschreven staat en hoe het er staat, weg te bergen op de onderste plank van zijn boekenkast. Zal dit niet minder pijnlijk zijn dan ongelezen te liggen, of misschien even aangeraakt en doorbladerd en terug neergelegd, om dan na verloop van tijd - de levensduur van een boek is nu drie maanden hoorde hij - te eindigen in een second-hand book shop?


    Eens te meer had het bevreemdende van het schrijven hem geraakt. Hij kon er niet van los, kon er niet omheen. Het was nog niet het bevreemdende van Vittorini die met kapotte schoenen door de regenstraten loopt in een sordo sogno. Hij heeft nog de bescherming van het huis, loopt nog niet in natte schoenen, heeft nog niet het geloof in de mensheid verloren.


    En dan  is er ineens een stukje zon, daar waar Vittorini de zwartste zinnen van zijn oeuvre schrijft vindt hij de zin van Rilke op een stukje papier, vroeger, erin gekleefd: ‘Zal je nog wel slapen kunnen als ik me niet meer als een lindenkroon ‘ver-fluister’ over jou?


    Ugo, denkt hij, Ugo, man, wanhoop dus nooit, er is altijd een boek dat zal opduiken, een gedicht dat je wakker schudt, een vriend die je ontvangen zal, een idee waar je, je over ‘ver-fluisteren’ kunt. Een idee die je uitrollen kunt zoals de ‘merveille’-deeg die je maakte in dat dorpje in de Valais op regendagen en uitstreek in papierdunne velletjes die je daarna in stukken sneed, een handpalm groot en vallen liet in de pot met kokende olie, waarin deze onmiddellijk opzwollen in de meest grillige vormen.


    Een zin om uitgerold te worden is een goede zin, en een goede zin is lijk goede deeg, is lijk een reddend gedicht van Rilke.


    03-12-2018, 06:26 geschreven door Ugo d'Oorde  

    Reageer (0)

    02-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dag 88: Hoe we bestaan en hoe we soms niet bestaan (1)

     


    Laat op de avond was er telefoon. Het was Pierre H. die hem vroeg hoe hij het stelde. ‘Ik verga van de eenzaamheid eens de avond daar’ zegde hij, ‘en ik zat hier maar in de stilte met wat pianomuziek, denkend aan vele dingen en ook aan jou, denkend onvermijdelijk aan de reizen die we samen gemaakt hebben in Bourgogne, in Vézelai, weet je nog, en in Yemen en, de wijnoogst in de Valais, bij Gustave; En, geloof me of niet, maar er was plots een grote drang om je te horen, et me voilà.’


    ‘Je belt op het goede moment, op het moment dat je moest bellen, maar er was ook onze reis in Schotland ‘ en ik vind het normaal dat je me belt, ik heb vandaag, een paar uur geleden, over jou geschreven: herinner je ons bezoek aan de Glenmorangy Distillery? En zelfs een paar dagen ervoor, in verband met Patrick Ysebaert. Jij ook waart heel sterk in mijn gedachten en het zijn wellicht deze gedachten die door gedrongen zijn tot jou. Wekt men de geesten op als men schrijft over iemand?’. Pierre vroeg hem   in welk verband het was dat hij over hem geschreven had. ‘Wel’, hou je vast, het was over Akhnaton en terloops herhaalde ik aan Ray v. H. wat je toen, in de Distillery vertelde over Queen Elisabeth en de vergelijking die je maakte met de Queen of whisky’s. Meer was het niet, maar het was schijnbaar voldoende opdat je me bellen zou.’


    Pierre lachte: ‘en je schreef dit in een tekst over Akhnaton’ vroeg hij, ‘over Akhnaton, over de farao van één God, de man van Aton, de zonneschijf, en wat schreef je over hem? Weet je, ik heb een vriend die je ontmoet hebt op mijn feest, Jan L., die moet er alles over weten, hij is voor de zevenentwintigste maal naar Luxor. Ik zal hem zeggen als hij terug is, dat je iets geschreven hebt over Akhnaton, maar waarom ook Oedipus?


    Oh, that’s quiet a story, het ging hem over Oedipus die Akhnaton was, een verhaal, te lang om te vertellen aan de telefoon, maar Jan zou de theorie die erin wordt uiteen gezet kunnen bevestigen, hij moet de bewuste tempelmuur kennen, die het sluitstuk is in mijn verhaal of dan toch gezien hebben, in Luxor.’


    ‘Stuur me wat je geschreven hebt, ik zal het hem voorleggen, hij weet alles over de farao’s van Egypte. Maar het doet me goed te horen waar je mee bezig bent. Maar weet dat ik er behoefte aan heb  eens, zoals vroeger een lang gesprek te hebben met jou. Ik heb er echt behoefte aan, de eenzaamheid weegt op me op avonden  zoals deze - hij ook had, maar onlangs, zijn echtgenote verloren - regel eens iets, mijn vriend, in Gent bijvoorbeeld.’


    Ugo beloofde het en hij zou hem sturen wat hij geschreven had over Akhnaton en over Patrick, het waren, alles samen, verwittigde hij, toch enkele pagina’s die hem, in zijn eenzaam zijn, zouden bezighouden voor een tijdje. En dit zeggende viel hem te binnen dat, indien de geschiedenis van Oedipus gestoeld was op historische feiten dit ook het geval moest zijn voor het stuk ‘Antigone’ van Sophocles, maar dit zegde hij niet.


    Hun gesprek liep nog een tijdje verder en voor het slapen gaan had hij nog a dimple whisky genomen en plots, in bed, overviel hem een grote droefheid, een onhoudbare droefheid. Hij voelde een prikkeling in de ogen en hij wist niet waarom, niet waarom dit plotse gevoel van droefheid dat hem overviel lijk een dief in de nacht. Hij dacht, het is voorbijgaand, je bent te vermoeid, morgen zal het beter gaan, en was ingeslapen. Maar in de morgen was het gevoel er nog.


    Hij dacht: je werkt, je schrijft als een gek. Momenten zijn er dat je, je totaal bloot geeft, dat je duikt tot in de diepste roerselen van je ziel. En, ondanks de vrienden om je heen, die zorg hebben om jou, die je uitnodigen, voel je, je even verlaten als Pierre. Is het, zoals zo dikwijls, haar aanwezige afwezigheid die toeslaat, om welke reden ook, heviger dan anders? En dan nog, zo plots, zo zonder overgang, zo alles overweldigend ineens. 


    (Later, veel later, bij het herlezen/herwerken van deze, ik noem ze Vittorini-ogenblikken, zal hij beseffen dat hier een breuk is ontstaan met de Ugo in hem, de schrijvende Ugo, en dat het - en dit is de enige plaats in het boek - de ogenblikken zijn van de reële Ugo, de Ugo van vlees en bloed, die hier het schrijven heeft overgenomen.) 


    Wakker worden met de gedachten dat niets meer hoeft; het kwellend verlangen om de dag niet te beginnen, om niet op te staan, om niet te zijn, niet te denken. Neer te liggen, de armen los naast het lichaam, roerloos, de ogen gesloten, uren lang. Niets méér wetende, de grote holte te betasten in jou die de dood kan zijn; weg te zijn van alles en weg te blijven. Vergeten. Ademloos te wachten op wat niet komen zal, iets, iets klein of groot, maar iets. Met al wat er geschreven staat, op het einde gekomen van wie je bent, je hebt nog juist de straat over te steken om gegrepen te worden en uitgedroogd te verdwalen en te verdwijnen, opgelost in de luchten.


    De leegte heeft me genekt, de dwaasheid die ik was heeft me geradbraakt, ik kan, zoals Dante, geen heuvel meer op, het donkere bos is wat me nog rest om te gaan en weg te kwijnen onder de bomen, tussen de zwammen en de mossen, de enige plaats die me gunstig is en waar ik rusten kan, bevrijd van woorden, het begin van het einde, het begin dat het einde zelf is.


    Wat nut heeft het: wie heeft er zorgen met Oedipus of Akhnaton, namen uit een beschaving die aan het uitsterven is. Niemand luistert er nog naar, zeker de jeugd niet voor hen is er de spanning van de sociale media, zijn er de ‘games’, niet de spanning van de boeken van Jules Verne, of ‘Van eeuwig zingende bossen’ of van ‘Le Rouge et le Noir’, of van ‘Sei personaggi in cerca d’autore’. Boeken zijn overbodig geworden. Zo zal men zeggen over hem: hij stierf in zijn eenzaamheid van woorden. Ik heb, dacht hij, ik heb iemand nodig bij wie ik me uitstorten kan, iemand als Ray of John of Pierre, niet Daniël de beeldhouwer, niet André de elektrieker. Aan Anja durfde hij niet denken, noch aan Julie, noch aan iemand anders; aan Jane, aan Emma misschien, maar zouden ze hem wel begrijpen?


    En waar zijn de plaatsen die ik koesterde, waar de vreugdes die ik kende, de blauwe luchten en de regen in de lente. Waar de wegen die ik ging om niet te keren, de steden die ik binnenwandelde, de kathedralen, de labyrinten die ik volgde met de ogen en er in verdwaalde als een dwaas?


    Illusies op ouderdom zijn van de gevaarlijke soort, eens gebroken, eens uitgevallen leiden ze tot neerslachtigheid, ontnemen ze je de broodnodige kracht om verder te gaan in het leven. Dit zijn zwarte ogenblikken als je neerzit voor je dagboek en je geest gevangen zit in een knoop van daadloosheid die je niet ontwarren kunt. Als je er zelf niet meer wilt aan ontsnappen is zelfs de dood minder erg, zou hij zelfs verlossing zijn, wou hij komen.


    02-12-2018, 08:46 geschreven door Ugo d'Oorde  

    Reageer (0)

    01-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dag zesentachtig: Oedipus (3).



    De thee die hij klaar had gezet was hij vergeten en die was koud geworden. ‘Het is tijd voor iets stevigs’ zegde hij en ging naar de keuken om terug te komen met een klein kruikje water en twee glazen, en haalde toen een fles Glenmorangie, twelve years old


    ‘Ik was ooit met Pierre, de architect van jou, in deze ‘distillery’, gelegen hoog in het noorden op ‘the whisky trail’. We waren er de dag dat we koningin Elisabeth in haar wagen de korte helling zagen afrijden; ze kwam uit de kapel, om voor onze neus de weg op te rijden naar Balmoral Castle. Een tijd erna waren we In de distillery, een prachtig wit gebouw, en dronken we a Glenmorangie with a drop of water en, wist Pierre te vertellen aan de barman, terwijl hij het glas aan de lippen zette: ‘it was a day never to forget: to-day we greeted the queen of England and afterwards we tasted the queen of whisky’s’. Quiet a story isn’t it?

     

    Ugo opende de fles, de sterke geur van whisky vulde een ogenblik de kamer. Uitgeschonken in het deemsterend licht, had hij de glans van goud. ‘Het moet met a drop of water’, zegde hij en hij voegde er een weinig water aan toe. Ze stonden recht en brachten het glas op mondhoogte tegen elkaar. Met een lichte beweging van de hand, klonken ze: 


    ‘Op Akhnaton’, zegde Raoul. ‘Op Oedipus’, zegde Ugo.


    Ze dronken, de whisky licht bijtend op de tong en als fluweel lang van nasmaak over de ganse mond. ‘Je hebt nu recht op een toemaatje’ sprak Ugo. Hij stond op en opende de zware kersenhouten bollenkast. Hij zocht even en haalde toen een klein roodbruin boekje uit het rek, amper een pocket book groot. Hij kwam terug op zijn plaats zitten, bladerde er even in: ‘Kijk dit is wat de arme blinde Tiresias, na lang, heel lang aandringen, aan Oedipus vertelde, ik lees dit uit een Franse vertaling van Gabriel Boissy, visa de censure 1410, van 25 augustus 1941, Robert Laffont, éditeur:

     

    Qu’il est de ses enfants et le père et le frère

    De la femme dont il naquit et le fils et l’époux

    Et de la même femme tour à tour fécondée,

    De son père le meurtrier. 

    Voilà. Maintenant rentre et médite.

     

    Dit is wat Oedipus te horen kreeg. Maakt het geen verschil als je weten zou dat deze woorden, in plaats van gericht tot een fictieve persoon, gericht werden tot Akhnaton van wie we tal van afbeeldingen bezitten, Akhnaton die deze woorden tot zijn grote verbazing, die verdwazing werd, moest aanhoren?


    De zon brandde een rode gloed tussen de bomen, weerkaatst in hun glazen. Ray zat er stil en zwijgend bij, in gedachten verzonken. Hij nipte even aan zijn glas: ‘Je bent wel degelijk een vreemde man, Ugo, van af het ogenblik dat ik je voor het eerst ontmoette, je discussieerde toen met Korbee, de consul, over het begrip Tijd, de man heeft er een boek over geschreven, en ik stond er bij, weet je nog, het was, ik heb het je al eens gezegd, in de crypte van de Sint-Pieters abdij, en nu zit je middenin het hart van de Egyptische geschiedenis, Je weet alles, jij.’


    ‘Je vergist je, mijn beste vriend, ik wist bijvoorbeeld niet dat stenografie onderwezen werd in de vroege middeleeuwen.’

    ‘Is dit zo?’


    ‘Ja, ik las er deze morgen iets over op een plaats waar ook Johan Daisne een kleine bibliotheek had staan. En het fenomenale was dat de leraar van toen iets moet mispeuterd hebben want hij werd ter dood veroordeeld en hou je vast, het waren zijn leerlingen die de veroordeling uitvoerden. Ze smeten hun leien naar zijn hoofd en staken spottend hun pennen in hem, hem vragend of de punten wel goed geplaatst waren. Hij werd door de Kerk hiervoor als martelaar aanzien en heilig verklaard. Stel je even voor hoe het er moet aan toe gegaan zijn.’


    ‘Jij en je boeken, waar houdt het op?


    ‘Ik heb geen vrouw meer, maar ik heb boeken die vrienden zijn, hen koesteren is heel wat eenvoudiger. Maar, ze zijn ook niet alles, ze zijn ook van een zwijgende eenzaamheid’.


    Er was een lange stilte: de whisky en de boeken, het tanend licht, het doven van de haard: ‘Al wat je leest blijft hier of daar hangen, het vreemde ervan of het essentiële houden we. Wie veel leest, en dat heb ik gedaan mijn leven lang, slorpt veel op en alles komt ten gepaste tijde eens terug, en dan wil je het vertellen of het neerschrijven. Het eerste, het vertellen, is het meest voor de hand liggende, het schrijven is niet zo evident, het kost heel wat moeite.’


    ‘Wel, niet voor jou, Ugo, jij speelt met de woorden’. ‘Helemaal niet, het is een gevecht dat begint in de morgen en eindigt in de nacht. Rust ken je niet meer. Nog a drop of whisky?


    ‘Een vingerling dan, maar zonder water’. Raoul dronk in een zwelg zijn glas leeg en stond op om te vertrekken. ‘Ik heb een remedie om je gevecht met het woord even te vergeten: Jane en ik nodigen je uit op een lunch, volgende week donderdag, John zal er ook zijn en ook de dochter denk ik, maar dit is nog niet zeker. Past het je en, je hoeft geen boeken of geschriften mee te brengen?’


    Ugo keek hem aan: ‘Natuurlijk past het me, het is met groot genoegen dat ik komen zal en ik kijk er nu al naar uit.’

    ‘Ik bel je nog om zeker te zijn.’ Hoeft niet, Ray ik zal er zijn op de middag, zo een uitnodiging vergeet ik niet.’ Ze omhelsden elkaar zoals broeders het doen bij een afscheid. De zon een rode bol, heel laag tussen de bomen, het ovenhuisje licht roze.

     

    *

     

    Hij lag neer op de sofa, eens te meer exhausted, eens te meer totaal leeg - of was het de whisky die hem parten speelde – hij dacht aan het beeld dat hij zo-even had toen hij het boekje van Sophocles in de handen hield en hij Umberto Eco zag – een beeld op tv - die in de bijzondere kamer van zijn immense bibliotheek, Ulysses van Joyce uit zijn rek nam en zegde, dat het een eerste uitgave was. Misschien, dacht hij, zal dit voor Ray het beeld zijn van mij als ik er niet meer zal zijn: Ugo de bollenkast met zijn favoriete boeken openend.


    01-12-2018, 00:00 geschreven door Ugo d'Oorde  

    Reageer (0)

    Archief per week
  • 10/12-16/12 2018
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 19/11-25/11 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 22/10-28/10 2018
  • 15/10-21/10 2018
  • 08/10-14/10 2018
  • 01/10-07/10 2018
  • 24/09-30/09 2018
  • 17/09-23/09 2018
  • 10/09-16/09 2018
  • 03/09-09/09 2018
  • 27/08-02/09 2018
  • 20/08-26/08 2018
  • 13/08-19/08 2018
  • 06/08-12/08 2018
  • 30/07-05/08 2018
  • 23/07-29/07 2018
  • 16/07-22/07 2018
  • 09/07-15/07 2018
  • 02/07-08/07 2018
  • 25/06-01/07 2018
  • 18/06-24/06 2018
  • 11/06-17/06 2018
  • 04/06-10/06 2018
  • 28/05-03/06 2018
  • 21/05-27/05 2018
  • 14/05-20/05 2018
  • 07/05-13/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 12/06-18/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 25/12-31/12 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 08/08-14/08 2016
  • 01/08-07/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2021
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 15/09-21/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 11/08-17/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013
  • 14/10-20/10 2013
  • 07/10-13/10 2013
  • 30/09-06/10 2013
  • 23/09-29/09 2013
  • 16/09-22/09 2013
  • 09/09-15/09 2013
  • 05/08-11/08 2013
  • 29/07-04/08 2013
  • 22/07-28/07 2013
  • 15/07-21/07 2013
  • 08/07-14/07 2013
  • 01/07-07/07 2013
  • 24/06-30/06 2013
  • 17/06-23/06 2013
  • 10/06-16/06 2013
  • 03/06-09/06 2013
  • 27/05-02/06 2013
  • 20/05-26/05 2013
  • 13/05-19/05 2013
  • 06/05-12/05 2013
  • 29/04-05/05 2013
  • 22/04-28/04 2013
  • 15/04-21/04 2013
  • 08/04-14/04 2013
  • 01/04-07/04 2013
  • 25/03-31/03 2013
  • 18/03-24/03 2013
  • 11/03-17/03 2013
  • 04/03-10/03 2013
  • 25/02-03/03 2013
  • 18/02-24/02 2013
  • 11/02-17/02 2013
  • 04/02-10/02 2013
  • 28/01-03/02 2013
  • 21/01-27/01 2013
  • 14/01-20/01 2013
  • 07/01-13/01 2013
  • 31/12-06/01 2013
  • 24/12-30/12 2012
  • 17/12-23/12 2012
  • 10/12-16/12 2012
  • 03/12-09/12 2012
  • 26/11-02/12 2012
  • 19/11-25/11 2012
  • 12/11-18/11 2012
  • 05/11-11/11 2012
  • 29/10-04/11 2012
  • 22/10-28/10 2012
  • 15/10-21/10 2012
  • 08/10-14/10 2012
  • 01/10-07/10 2012
  • 24/09-30/09 2012
  • 17/09-23/09 2012
  • 10/09-16/09 2012
  • 03/09-09/09 2012
  • 27/08-02/09 2012
  • 20/08-26/08 2012
  • 13/08-19/08 2012
  • 06/08-12/08 2012
  • 30/07-05/08 2012
  • 23/07-29/07 2012
  • 16/07-22/07 2012
  • 09/07-15/07 2012
  • 02/07-08/07 2012
  • 25/06-01/07 2012
  • 18/06-24/06 2012
  • 11/06-17/06 2012
  • 04/06-10/06 2012
  • 28/05-03/06 2012
  • 21/05-27/05 2012
  • 14/05-20/05 2012
  • 07/05-13/05 2012
  • 30/04-06/05 2012
  • 23/04-29/04 2012
  • 16/04-22/04 2012
  • 09/04-15/04 2012
  • 02/04-08/04 2012
  • 26/03-01/04 2012
  • 19/03-25/03 2012
  • 12/03-18/03 2012
  • 05/03-11/03 2012
  • 27/02-04/03 2012
  • 20/02-26/02 2012
  • 13/02-19/02 2012
  • 06/02-12/02 2012
  • 30/01-05/02 2012
  • 23/01-29/01 2012
  • 16/01-22/01 2012
  • 09/01-15/01 2012
  • 02/01-08/01 2012
  • 24/12-30/12 2012
  • 19/12-25/12 2011
  • 12/12-18/12 2011
  • 05/12-11/12 2011
  • 28/11-04/12 2011
  • 21/11-27/11 2011
  • 14/11-20/11 2011
  • 07/11-13/11 2011
  • 31/10-06/11 2011
  • 24/10-30/10 2011
  • 17/10-23/10 2011
  • 10/10-16/10 2011
  • 03/10-09/10 2011
  • 26/09-02/10 2011
  • 19/09-25/09 2011
  • 12/09-18/09 2011
  • 28/11-04/12 -0001

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!