Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
E-mail mij
Druk oponderstaande knop om mij te e-mailen.
27-08-2011
Welkom op onze blog.
Als uitdaging kan het tellen. Met de fiets vanuit Genk
helemaal naar Lourdes fietsen…
Niet dat we dit jaar om een avontuur verlegen waren,
integendeel zelfs. De ontdekking, strijd en revalidatie tegen borstkanker was
veel meer avontuur dan we onszelf gewenst hadden. Alle plannen die we hadden,
de vanzelfsprekendheid dat we konden doen wat we wilden in één klap van tafel
geveegd.
Natuurlijk hadden we schrik. Maar tegelijkertijd wou Jacky,
als ze een tweede kans kreeg, naar Lourdes reizen om er een kaars te laten
branden.
Die tweede kans is er gekomen. Tijd om een belofte waar te
maken. Tijd om naar Lourdes te reizen.
Nog even vermelden dat we dit met de fiets doen?
Om het ongeruste thuisfront op de hoogte te houden besloot
ik om ze via deze blog mee te laten reizen. Met dat verschil dat Jacky en ik
door weer en wind (liefst in de rug) helemaal door Frankrijk fietsen om dat
kaarsje te laten branden. Bedankt voor die tweede kans.
Het is nog net dinsdag als we afscheid nemen van Jacky's familie. We kregen een lift vanuit Lourdes en kwamen dinsdagavond bij Jacky's mama aan. Daar stond ons, ondanks het late uur, een gezellige tafel te wachten om de veilige thuiskomst te vieren.
We staan erop om met de fiets naar huis te rijden en genieten na de lange autorit van het korte nachtelijke ritje. Bijna middernacht en we hebben de hele weg voor ons alleen. De fietsen rijden zonder bagage haast vanzelf.
Bij thuiskomst staat ons weer een verrassing te wachten; de buren hebben het grasperk in een bloementuin omgetoverd en aan onze voordeur staat een mooie welkomtekst.
Als we dit tochtje nog bij onze reis rekenen is dit de allerlaatste keer dat we onze fietsen stallen. Onze trip is nu afgelopen, tijd om deze blog af te sluiten.
Maar niet vooraleer we danken voor de vele reacties, mails en steun. Waar de blog oorspronkelijk diende om het thuisfront te laten weten waar we zaten, groeide die net iets meer uit dan we verwacht hadden. Ik kon er niet alleen de route mee delen, maar ook gedachten en emoties die we blijkbaar toch in onze bagage meesleepten. Mijn bagage was alvast lichter toen ik thuiskwam.
We beseffen dat wij bij de gelukkigen horen en zouden alle lotgenoten een hart onder de riem willen steken. Een beetje bergop of wat tegenwind stelt niets voor in vergelijking met de reis die jullie ondernemen of nog moeten afwerken. Hou gewoon vol. Steun elkaar.
Het was, met fietslengtes voorsprong, de mooiste reis die we ooit beleefden. Niet alleen om een belofte in te lossen, maar ook als bevestiging voor nieuwe kansen. We hebben zweet gelaten en af en toe een traantje, we hebben gelachen, de mooiste plaatsen van Frankrijk vanuit een ander perspectief mogen ontdekken, maar bovenal hebben we immens genoten van de tocht, van het avontuur, van de pure romantiek. En van elkaar.
We kunnen het alleen maar aanraden. Spring op die fiets en maak dezelfde tocht. Je krijgt er iets voor terug dat geen enkele reisoperator je kan garanderen...
Dag 15: Tarbes-Lourdes: 27 Kilometer. Totaal 1490 kilometer.
Zelden is het gezegde ‘De
laatste loodjes wegen het zwaarst’ zo op zijn plaats geweest als vandaag, voor
ons.
Er hangt een speciaal
sfeertje in de kamer als we voor de laatste keer onze fietstassen klaarmaken en
onze fietskleding aantrekken. We kunnen het bijna niet geloven maar we
vertrekken voor onze ultieme etappe van deze reis. Een kort ritje van amper
dertig kilometer, dankzij het feit dat we gisteren van het betere weer
profiteerden om zover mogelijk te geraken. Het lijkt erop dat Jacky’s gekke plan
gaat lukken.
Het is vreselijk guur
weer buiten. De regen jaagt iedereen binnen en we moeten onze jassen aantrekken
als we de tassen op de fietsen hangen. De vorige dagen keek ik telkens
bedenkelijk naar de ketting van Jacky’s fiets. Eén van de schakels was zwaar
toegetakeld en ook al had ik reservemateriaal bij, ik keek er niet naar uit om aan
dit werkje te beginnen. Het ziet er naar uit dat de ketting het net nog kan
halen.
Het is zo donker
buiten dat we de lichten van onze fietsen aanzetten. We fietsen door Tarbes en
zoeken zo snel mogelijk onze ontsnappingsroute uit deze natte stad. Binnen de
kortste keren zijn we kletsnat en kleuren onze knieën blauw van de koude. We
stoppen even maar de wind is zo koud dat we wel moeten verder fietsen om te
vermijden dat we helemaal bevriezen. Nog snel even ‘Kan je het geloven? We zijn
er bijna…’ en we vertrekken terug.
Van de omgeving hebben
we die laatste kilometers niet veel opgevangen. Onze petten diep over het hoofd
om de regen uit het gezicht te houden rijden we elk in een cocoon van diepe
gedachten. Deze reis is pure symboliek geworden van de periode die we
doormaakten. Vol goed moed begonnen, maar niet zeker zijn van het resultaat.
Hard afzien op vele momenten en amper vorderen. Lange periodes van hevige
tegenwind, regen en hitte. Bijtrappen in afdalingen en materiaalpech. Maar ook
doorgaan, samen knokken. Samen beslissingen nemen over de juiste route, elkaar
helpen als de wind te sterk is, als de berg te steil werd. En vooral: Niet
opgeven.
We komen een wegwijzer
naar Lourdes tegen. ‘Heb je het gezien?’ vraag ik. Jacky knikt verkleumd, maar
met een glimlach die de zon doet verbleken.
En eindelijk, na
vijftien dagen fietsen, staan we in Lourdes. We stoppen aan het bord ‘Lourdes’
en vallen elkaar in de armen. Ik zie druppels op Jacky’s gezicht en weet dat
deze niet van de regen komen. Ik probeer nog een beetje stoer te doen en de
regen als excuus voor mijn natte ogen te gebruiken, maar ze heeft me door. We
zijn er.
Ook het schrijven van
deze blog was een reis voor ons. We spraken erover en voelden dat het
thuisfront meeleefde. We moesten lachen met de grappige reacties en mails en
putten kracht uit de steun die we via deze weg meekregen. We hadden zelfs het
gevoel dat jullie met ons meereisden, zonder het zweet en de krampen. Binnen
enkele dagen, als we terug thuis zijn, schrijven we het laatste berichtje van
deze blog. Geen afscheid, maar een grondig ‘Dank je wel’.
Dag 14: Cazoubon-Tarbes; 94 Km. Totaal: 1463 kilometer
Als beloning kon het
gisterenavond tellen. We zitten buiten op het terras van ons Chateau, onze
verhitte huid afkoelend in de avondlucht. De lichten in het park zijn ontstoken
en we worden bediend door een vriendelijke pinguin. De man heeft het postuur
van een olympisch worstelkampioen maar draagt zijn smoking met zoveel allure
dat het haast een eer is om door hem bediend te worden. Jacky krijgt een
wijntje van het huis en ik zondig tegen alle regels in door voor mezelf een
ijskoude pint te vragen. De pinguin knipoogt begrijpend.
We klinken op een
geslaagde dag en weten nog niet dat we hier vanavond één van de lekkerste en
meest romantische maaltijd opgediend krijgen die we ooit mochten genieten. Wat
we wel weten op het moment dat de pint en het glas wijn elkaar klinkend raken:
het leven is mooi.
Later, veel later op
de avond, is Jacky in slaap gevallen terwijl we de route van de volgende dag
bekeken. Ze is vandaag zo diep gegaan dat ik blij ben dat ze nu kan rusten. Ik
bekijk de kaarten die we bijhebben, zoek wat info op internet en zie dat er veel
regen wordt gegeven voor de rit van morgen. We fietsen richting Pyreneeën en op
de oorspronkelijke route staan beklimmingen die weer veel zullen vragen. Ik
kijk naar Jacky’s bruinverbrande huid die met de witte kussens als achtergrond
lijkt te gloeien. Nog niet zo lang geleden was haar kleur bleek, haast wit als
de kussens waar ze nu op ligt. Nu ziet ze er fantastisch uit.
Buiten barst een hevig
onweder los, bliksems laten de kamer oplichten, donderslagen laten de oude
plankenvloer rammelen en ik moet de vensters dichtdoen om de stortregen buiten
te houden. Jacky slaapt door.
Ik vind een
alternatieve route waardoor er enkel in het begin van de rit beklimmingen
zullen zitten. Het alternatief is de vlakte van de Adour blijven volgen.
Tevreden plooi ik de kaarten op en begin ik aan onze blog te schrijven.
Als we aan het ontbijt zitten horen we de regen op het dak
klateren. De weersvoorspelling zit hier dus duidelijk goed. We maken de fietsen
en bagage regenklaar en doen onze jassen zwijgend aan. En dan, als we onze
fietsen uit de garage duwen, stopt het met regenen. Jacky lacht en we High-fiven
twee keer.
We beginnen met een helse afdaling, gevolgd door enkele
kilometers heuvelwerk. De jassen gaan snel uit en in de vochtige ochtendlucht
kunnen we weer genieten van de prachtige vergezichten over deze natte omgeving.
Mist stijgt vanuit de weiden op en de bladerdek van de bomen schudden de
druppels op ons neer. Een ree loopt vanuit een maisveld de smalle weg op en
springt verschrikt over de berm als we komen aanfietsen. Een buizerd vliegt op
meters afstand een stukje met ons mee maar besluit dan dat deze prooi net iets
teveel van het goede is. We lachen met een ezel die zo mogelijk nog harder
teruglacht.
We nemen afscheid van de route uit het boek en zoeken vanaf
hier ons eigen spoor. Langzaam vorderen we door de vlakte, eerst op eindeloze
lange rechte wegen maar dan komen we op verbindingswegen die van dorpje tot
dorpje lopen. Dit stukje Frankrijk is nog onbekend terrein voor me en ik geniet
er des te meer van. Jacky geniet ook maar de zware rit van gisteren zit nog in
haar benen. Afgelopen nacht, rond drie uur, schoot ze schreeuwend wakker van de
krampen in haar been. Zelfs met stretchen duurde het lang voordat haar spieren
terug ontspanden.
We kozen gisteren Vic-en-Bigorre uit als eindbestemming voor
vandaag maar omdat we door de vlakte goed opschieten besluiten we vandaag
gewoon zo ver mogelijk door te stoten en te profiteren van het feit dat het nog
altijd niet regent. We ontdekken een wegwijzer naar Tarbes en lezen dat het nog
39 kilometer tot deze stad is. Op de kaart was dit onze laatste rustpauze
voordat we Lourdes zouden bereiken.
‘Wat doen we?’ vraag ik, maar aan het gezicht van Jacky kan
ik het antwoord al zien.
‘Doorrijden!’
‘Zeker?’ Ik weet dat het niet onverstandig is om door te
rijden zolang het niet regent, maar ik zie ook dat Jacky niet zonder moeite
fietst. Ze knikt heel enthousiast en we trekken onze zware fietsen terug op
snelheid.
Op enkele tientallen kilometers van Tarbes voeren de wolken
hun dreiging op, maar we houden een constante snelheid aan die ons niet doet
forceren. We stoppen nog regelmatig om bij te drinken maar tijdens het fietsen
zijn we beiden bij onze eigen gedachten. Als we inderdaad Tarbes kunnen
bereiken is dit onze laatste grote rit van de reis. Lourdes ligt, bij wijze van
spreken, op een boogscheut van Tarbes maar we spreken bewust niet over de
Ultieme bestemming. Het is een stilzwijgende overeenkomst om het lot niet te
tarten op deze laatste dagen.
De allerlaatste kilometers doet Jacky weer op karakter. Ze
volgt me door de drukte van de stad en pas als de fietsen in de garage van ons
hotel zijn opgeborgen houden we elkaar even stevig vast. Net op dit moment
begint het terug te regenen. Ons gekke plan zou best wel eens kunnen lukken. We
zijn er bijna…
Ik vond al dat de
Fransen vandaag wel zeer vriendelijk waren want ze stopten spontaan als ze me
zagen. Toen ik vanmiddag in een cafe mijn handen ging wassen en in de spiegel
keek zag ik echter de echte reden van hun stoppen. Mijn hoofd is zo rood
vanwege de zon dat ze het gewoon als een rood verkeerslicht aanzien…
Het vertrek uit Saint-Brice ging vanmorgen wat moeizamer.
Het was al warm vanaf de start maar ondergetekende vergat doodsimpel ‘Het Ding’
aan te zetten zodat we ons ineens in het midden van ergens bevonden. Zonder te
weten waar we juist zaten en, vooral, waar we naartoe moesten.
Die ene auto die hier per uur langskomt, stopt uitgerekend
op de plaats waar wij ons proberen te oriënteren. De man wijst ons de goede
richting aan en ietsje later ontdek ik mijn flater met Het Ding. Stiekem zet ik
de navigatie op en krijg de bevestiging dat we terug op het goede spoor zitten.
Dat goede spoor moet ons in Bazas krijgen, een laatste dorp voordat we het
grootste bos van Europa binnenrijden. In de hoop dat we er nog ooit uitgeraken.
Op plan leek het simpel; even die veertig kilometer tot
Bazas afhaspelen, eten en voorraad inslaan en dan de zestig kilometer bos
doorkruisen om daarna nog even twintig kilometer te rijden voor het
eerstvolgend hotel…
Die eerste veertig kilometer waren niet alleen zwaar
heuvelachtig, maar het werd ook nog eens met het uur warmer. Pas tegen de
middag slaagden we erin om Bazas te bereiken en zagen we eruit alsof we de
Sahara doorkruist hadden. We moesten noodgedwongen even terug op krachten
komen, in de schaduw op een terras met uitzicht op een middeleeuws plein. Toen
we onze bestelling doorgaven kraakten onze stemmen en het ijs dat we bij de
cola kregen verdwijn pijlsnel achter onze truitjes.
We blijven lang zitten, daar op die heerlijke plaats in de
schaduw. We spreken over deze reis en wat de tocht teweegbrengt. Hoe het verder
moet als we terug thuis zijn. Binnen een aantal maanden mag Jacky terug gaan
werken en ze kijkt ernaar uit om haar oude positie terug in te nemen. Nog niet
zo lang geleden was er twijfel over een toekomst, laat staan over terug werken.
Dat we nu dit soort gesprekken kunnen hebben is een zoete zaligheid. Ik weet
dat ze wat schrik heeft om te gaan werken, niet alleen door het feit dat ze
lichamelijk niet meer dezelfde vrouw is, maar ook zal het mentaal terug een
aanpassing vragen. Ik probeer haar gerust te stellen. ‘Als je deze tocht kan
afmaken, kan je alles aan’. Ze veegt symbolisch over haar borst en ik weet wat
ze wil zeggen.
Beladen met gevulde drinkbussen, zo’n drie liter water, en
twee extra flessen van anderhalve liter vertrokken we dan toch eindelijk
richting bos. Het was heet, zo heet dat zelfs de vogels en de krekels het
lieten afweten. Het wegdek was op sommige plaatsen gesmolten zodat de banden
een plakkend geluid maakten als je erover reed. Het voelde aan alsof je de
ovendeur even opendeed om te zien of het brood al gebakken is.
Op onze tocht door dit woud zouden we drie kleine dorpjes
tegenkomen. We concentreerden ons dus op elk volgend dorpje om de afstand te
breken. Gelukkig is het ondertussen redelijk vlak zodat we onze zware fietsen
snelheid kunnen geven.
Rijden op deze plek is behoorlijk vreemd. Eerst is de weg
nog redelijk breed en zie je af en toe een auto of een vrachtwagen beladen met
boomstammen. Al snel worden de wegen smaller en komt je slechts zelden nog
iemand tegen. In Lerm-et-Musset, het eerste uitgestorven dorpje, staat een
behoorlijk overdreven kerk voor de paar huizen van dit dorp. We zoeken binnen
de koelte op, branden enkele kaarsen en verwonderen ons over het feit dat deze
kerk in 1600 werd gebouwd. Dit is de tijd van Aramis, Athos, Porthos en D’Artagnan.
Dat wij nu kunnen rondlopen in een gebouw waar de musketiers nog stappen hebben
gezet, stemt ons even tot nadenken.
Wij zijn geen musketiers, voor ons geen paarden die wachten.
Ons vervoermiddel heeft trappers en die moeten we nog belachelijk dikwijls
ronddraaien om op onze eindbestemming te geraken. Terug buiten is het nu nog warmer en we
offeren een beetje water op om onze hoofden af te koelen. Snel in het zadel
want tijdens het fietsen heb je tenminste nog iets wind.
De wegen zijn kaarsrecht en soms kan je kilometers ver
kijken. We blijven goed opschieten maar we stoppen dikwijls om te drinken en
even te rusten. Dit is niet het weer voor Jacky, ze kan niet tegen de warmte,
niet tegen de zon op haar hoofd. Ik begin al rond te kijken naar een boshutje
maar Jacky blijft doorzetten. Deze vrouw is geen trutje. Ik verplicht onszelf
om elke vijf kilometer te stoppen omdat ik vrees dat we er anders helemaal niet
geraken.
De volgende dorpen zijn ook uitgestorven, geen kat te zien.
Ligt het aan de hitte en zoekt iedereen koelere oorden op? Onze watervoorraad
begint te slinken, maar ik had nog enkele blikjes drank in de tassen die nu
meer dan ooit van pas komen. De wegen blijven lang en recht maar zijn nu zo
smal dat we nog net naast elkaar kunnen fietsen.
In de late namiddag belanden we terug in de beschaving als
we ineens voor de drukke D933 staan. We weten dat we erover moeten, maar we
weten ook dat hier de beklimming van
Parrisot wacht die zelfs met een racefiets menig wielertoerist voet aan grond
doet zetten. We hebben honderd kilometer in de benen, zijn heter dan een
mexicaanse peper en dragen tassen die ze bij Ryan-Air handenwrijvend in
ontvangst zouden nemen wegens geld voor extra gewicht.
Maar wij zijn op pelgrimstocht, we moeten naar Lourdes en
mogen niet opgeven. We durven het haast niet zeggen maar na vandaag nog twee
dagen fietsen en we zijn er.
We nemen die helling, dat laatste monster van de dag. Op
onze allerkleinste versnelling, tegen amper zes per uur. Ik rij zo dicht tegen
Jacky dat ik haar in geval van nood kan duwen. Ik zie ze zweten en zuchten en
bij momenten kijkt ze onder haar stuur door. Een klein duwtje en nog één en
plots staan we hijgend boven. ‘Je bent een beest’ zeg ik tegen haar. ‘Water’
antwoordt ze.
We weten dat we nu bijna in Cazaubon zijn maar we willen nog
even stoppen aan de Notre Dame des Cyclistes. Ik heb er over gelezen en er ooit
een documentaire over gezien: een grote kapel dat volledig aan het wielrennen
is verbonden. Alle grote wielergoden zijn er ooit geweest en hebben één of
andere wielertrui achtergelaten. We mogen ons na deze twee weken ook een
wielergodje noemen en lassen een laatste stop in om de kapel te bezichtigen. Ik
probeer mijn trui te wisselen voor een gele trui van Anquetil maar de man
blijkt ofwel een dwerg te zijn ofwel moet ik nog een paar maanden onafgebroken
fietsen om dezelfde maat te krijgen.
De laatste klim naar Cazaubon stond niet echt als moeilijk
aangeschreven. Maar op een dag als vandaag, met deze hitte, is de lange helling
moordend. Iemand die deze blog volgt stuurde per mail vleugels door. Dit is het
moment dat Jacky ze ook daadwerkelijk gebruikt. Op één of andere manier slaagt
ze erin om zonder afstappen boven te geraken.
Als we gedoucht en opgefrist op het buitenterras van dit
Chateau Bellevue zitten en klinken op een geslaagde dag durven we voor het
eerst echt geloven dat Lourdes haalbaar is. We klinken opnieuw, ditmaal op
elkaars gezondheid. En dan nog eens, gewoon omdat we dorst hebben.
Dag 12: Barbezieux-st-Hilaire- Saint-Brice: 114 km.
Voor dag en dauw op,
letterlijk zelfs, want de eerste kilometers mochten we de volle maan volgen.
Een bijna surrealistische ervaring om al fietsend, in de stilte van de dageraad,
getuige te zijn van de geboorte van een nieuwe dag. Er was ooit een tijd dat we
er niet bij bleven stilstaan, maar nu is elke dag met elkaar een luxueus
geschenk dat niet te koop is.
Terwijl ik dit schrijf
is de dag al voorbij. We zitten in een Hostellerie die is aangebouwd tegen een
eeuwenoud Chateaux. Omringd door wijngaarden en bossen, vandaag geen stad in de
nabijheid. Kikkers kwaken in de kasteelgracht, enkele uilen hebben een late
conversatie en de krekels vertellen elkaar over hun avonturen op deze warme
dag.We hebben ons voorgenomen om tegen
middernacht spoken te jagen in de oude toren, maar eerst nog onze blog
bijwerken.
De eerste kilometers
waren weer koud, maar als we de voorspellingen mogen geloven zal het vandaag
bloedheet worden. Daar hebben we nu nog geen last van want we beginnen met een
stuk waar we al lang naar uitkijken. We kunnen namelijk inpikken op een oud
treinspoortraject dat hervormd is tot een fietsroute van liefst veertig kilometer
lang. Een asfalten loper, speciaal voor ons uitgerold in een mooi stuk
Frankrijk. We fietsen ongestoord door een lange groene tunnel waar de opkomende
zon voor prachtige kleuren zorgt. Af en toe een verlaten stationgebouwtje waar
we aan de verweerde opschriften kunnen aflezen waar we zijn. Geen zware beklimmingen
maar een zacht glooien. Een teckel met windhondambities rent een paar kilometer
lang voor onze fietsen, kijkt even om en neemt dan afscheid om zijn eigen
queeste te vervolgen.
Bijna veertig
kilometer later hebben we welgeteld één kans om voldoende voorraad in te slaan
om het volgend traject te overbruggen. Na Clérac rijden we grote sparrenbossen
binnen, het glooien gaat over in klimmen en dalen, maar de uitzichten zijn zo
fraai dat we na een tijdje geen superlatieven meer kunnen bedenken. De hitte
rimpelt van het asfalt, de zon brandt genadeloos. ‘Het Ding’ is helemaal in
vorm want navigeren is hier uitermate moeilijk. Ontelbare kleine
asfaltwegeltjes kruisen en snijden elkaar zonder enige vorm van informatie. Dit
is geen plaats waar we willen verdwalen.
De bossen
transformeren langzaam in een ruwe en wildbegroeide omgeving. Links en rechts
ontdekken we kleine vervallen kasteeltjes en boerderijen. We weten dat we
straks terug door de wijnstreken fietsen maar eerst moeten we dit sprookjesland
achter ons laten. We blijven regelmatig stoppen maar in dit decor kan je dit
bezwaarlijk als tijdsverlies aanduiden.
Volgens onze
routebeschrijving staan ons nu de wereldvermaarde wijngaarden van Pommerol en
St-Emilion te wachten. Zeeën van wijnranken, links en rechts van ons, zo ver
als we kunnen zien. Onze timing is twee keer perfect want we fietsen niet
alleen op een windluwe dag, maar ook nog eens op een moment dat tientallen
plukkers met grote manden op hun ruggen de belangrijke oogst binnenhalen.
Gelukkig hangen onze manden op de fiets.
We stoppen in
St-Emilion, na een lastige en hete klim. Tijdens de lange klim blijf ik me
verbazen over de weerbaarheid van Jacky. De warmte, de vele kilometers en het
sleuren aan de zware fiets vergen veel van haar krachten. Ook al heb ik stiekem
alle zwaardere dingen uit haar tassen gehaald, ze moet nog steeds extra gewicht
meesleuren. De voorbije periode is echter een veel zwaardere balast, een
gewicht dat ik helaas niet uit haar tassen kan halen.
Ik wist vroeger niet
hoezeer je als partner van een kankerpatient zelf betrokken raakt. Iemand die
ziek is kan je verzorgen, de dokter komt en er bestaan medicijnen om te
genezen. Voor gebroken benen bestaan krukken en voor verkoudheden zijn
siroopjes. Je legt je wederhelft extra in de watten maar eigenlijk gaat het
niet verder dan een beetje zorgen, wat extra organisatie en een gezonde dosis
medelijden. Dit is anders, gaat veel dieper en maakt een wonde die niet zonder
litteken zal helen. Een gloeiend kooltje schrik, minuscuul, maar nooit
uitdovend.
Ik leerde echter hoe
je je machteloosheid positief kan compenseren. Geen moeite was teveel om ervoor
te zorgen dat er haar niets ontbrak. Moesten we naar Leuven dan had ik een tas met
voorraad voor alle gevallen. Toen ze daar moest blijven installeerden we een
laptop zodat we s’nachts konden chatten. De zachtste kussens en dagelijks verse
lakens als ze thuis niet op kon. Een bloempje naast een onnozel beschuitje, een
verstopt kaartje met opbeurende woorden. Je geneest hier niemand door, maar kan
het leed tussendoor wel verzachten. En daardoor tegelijkertijd je eigen leed. Je
kan er in ieder geval je eigen machteloosheid mee verdoezelen.
Boven op de heuvel,
net aan de ingang naar het centrum van St-Emilion slagen we erin om een zitbank
onder een boom te veroveren. We bakenen ons terreintje af met onze fietsen en
houden een lange stop. Bussen spuwen hun ladingen toeristen uit terwijl andere
groepen luid lachend en gillend terug instappen met armen vol wijnflessen.
Volgens de brochure ontvangt dit stadje twee miljoen toeristen per jaar.
Uitgerekend vandaag halen ze hier minstens de helft van.
We krijgen hoofdpijn
van de drukte en duwen onze fietsen terug in gang. Snel weg en gelukkig snel
terug op de uitgestorven wegen tussen de laatste wijngaarden van vandaag. Iets
na Guillac duiken we een Voie Verte op, een lus van een speciaal fietspad. Met dit
pad kunnen we in theorie helemaal tot onze eindbestemming van vandaag rijden.
Deze laatste tien
kilometer, op dit stukje Walhalla voor de fietser, is werkelijk de kers op de
taart van deze dag. We rijden in een soort kloof, perfect asfalt en zoveel te zien
dat we het opgeven om het allemaal te bevatten. Dit is de meest romantische
vorm van het lange afstandfietsen. We zijn te uitgedroogd, gebakken haast, om
het laatste stuk ineens af te leggen maar de laatste drupjes uit onze
drinkbussen laten ons toe om net op tijd in Saint-Brice te geraken.
Morgen een speciale
dag; we fietsen door het grootste bos van Europa. Maar eerst… spoken jagen!
Dag 11: Confolens-Barbezieu-St-Hilaire; 118 km. Totaal: 1134 kilometer.
Voor degenen die zich
afvragen wat een overdosis fietsen met het onderbewustzijn van een mens kan
doen, heb ik hier een mooie anekdote. Op voorwaarde dat het onder ons blijft.
Het gebeurde vannacht,
op het moment dat het bewustzijn afscheid van de dag neemt, de laatste seconde
van het wakker zijn en de eerste seconde van de slaap. We liggen tegen elkaar
en ineens beginnen de benen van Jacky in versneld tempo rond te draaien alsof
ze op een denkbeeldige fiets zit.
‘Schakelen, Schat’ zeg
ik, en de slappe lach doet ons tien minuten lang naar adem happen.
Vandaag, tijdens het
klimmen, heeft het ons verschillende keren bijna doen afstappen omdat we er
steeds opnieuw de slappe lach van kregen. De toevallige passanten hebben nog
nooit twee fietsers gezien die zoveel plezier hadden omdat ze aan het klimmen
waren…
Het moet zijn dat
Confolens een soort eigen miniklimaat heeft want bij het vertrek vanmorgen was
het ijskoud. Niet dat we daar dadelijk last van hadden want de opwarmingsklim
was de moeite. Heel lichte miezerige regen, maar niet genoeg om de regenjassen
uit te halen. Eens uit de vallei werd het zo mogelijk nog kouder en ik kon aan
de ademwolkjes van Jacky zien dat ze een rustig tempo had gevonden. Een eerste
stop om de handschoenen aan te doen, iets verder een volgende stop om de
beenstukken aan te trekken en amper een paar meter verder ook nog een extra
fleece. De lichte regen had het ondertussen laten afweten en liet een stuk
Frankrijk zien waar elke fietser van droomt. Een smalle baan met perfect asfalt
dat door een afwisselend landschap danst. We fietsen langs de Charente, een
wild riviertje dat zich tot aan de Atlantische kust kronkelt en dat de weg doet
keren en draaien als een dolle kermisattractie. We zien watervalletjes en
brugjes en passeren het ene piepkleine dorpje na het andere. De meeste dorpjes
zijn zo klein dat je de totale bevolking in één enkele personenwagen kan
evacueren in noodgevallen. We passeren Champagne-Mouton zonder één enkele fles
te zien, we vliegen door Montignac. Met elk dorpje stijgt de temperatuur en
verhuizen kledingstukken terug naar de tassen. Tegen de middag lezen we liefst
dertig graden op de thermometer van een uitgestorven dorpje. Onze drankvoorraad
is inmiddels helemaal op en tot onze verbazing komen we geen enkel winkeltje
tegen.
We nemen afscheid van
de Charente en begeven we ons in een doolhof van veldwegen die op heuvelruggen
kriskas van de ene richting naar de andere richting wijzen. Hier geen borden of
wegnummers en we moeten noodgedwongen de navigatie helemaal aan Het Ding
overlaten. We rijden door de wijngaarden in de Cognac-streek en zien dat de
oogsten zijn begonnen.
De wind die ons het
leven totnogtoe zo zwaar maakte, staat vandaag helemaal aan onze kant. We
durven het haast niet hardop zeggen maar merken dat hij ons een beetje in de
rug zit. De voorbije week moesten we bergaf bijtrappen, vandaag kunnen we
bergaf helemaal genieten van de snelheid. Wat een verschil.
Ik moet aan de
voorbije dagen denken, aan het vele afzien. Tegelijkertijd moet ik aan de
reacties denken die we via deze blog of per mail ontvingen. Het afzien dat wij
meemaken is immers zo licht als ik het vergelijk met de voorbije maanden of als
ik denk aan al die mensen die nu, op dit eigenste moment, afzien tijdens chemo
of bestraling. Wij hebben de luxe om terug plannen op termijn te maken, de luxe
om ervoor te kiezen deze pelgrimstocht te ondernemen. Ik denk terug aan de
momenten dat Jacky niet uit bed kon komen, dat ze niet de kracht had om een
glas water aan de lippen te krijgen. Ik denk aan de vrouw die we leerden kennen
tijdens de chemo en die nu nog steeds aan de chemo zit om de uitzaaiingen uit
haar lijf te krijgen. Ik denk aan de man die ik via mijn werk ken. Hij verloor
zijn vrouw in de strijd tegen deze ziekte. Ik weet niet of ik de kracht zou
kunnen opbrengen om hun lasten te dragen. Maar ik weet wel dat, als we in
Lourdes zouden geraken, ik een kaars voor hen zal branden. Niet omdat ik
gelovig ben, maar wel uit puur respect voor hen. Als eerbetoon voor hun moed.
Geef het niet op. Nooit.
Ik weet nu, als
gedwongen ervaringsdeskundige, wat het is om werkelijk de dood in ogen te
kijken. Je staat er nooit bij stil, het is een ver-van-mijn-bed-show. En dan
komt ineens het nieuws dat het weleens anders zou kunnen gaan. Dat je alleen
kan achterblijven en dat degene die alles voor je is, je soulmate, ineens voor
altijd weg is. Dat is het ware afzien. Dat is kapot gaan.
Misschien zijn we de
afgelopen week een paar keer beschadigd, een beetje kapot gegaan. Maar hier op
deze weg is het nu anders. Hier vinden we onszelf terug, bouwen we terug op.
De wind kan mijn gedachten
lezen, begrijpt me en kiest nu onvoorwaardelijk mijn kant. Hij bouwt zijn
krachten op en bundelt die in vlagen. En dan gebeurt iets wat je als ervaren
fietser slechts af en toe kan meemaken. Als we op de golvende heuvelruggen
tussen de wijngaarden fietsen komen we in vlagen van rugwind terecht. Voor de
eerste maal op deze tocht gebruiken we onze grootste versnellingen en worden we
de hellingen opgestuwd. De afdalingen nemen we met de neus op het stuur en
toegeknepen ogen. We zien de velden om ons heen golven en zeilen van de ene
golf in de andere. Kilometers lang ligt onze snelheid boven de dertig per uur
en Jacky lacht hardop van pure vreugde. Het zweet op onze huid laat ons blinken
in de zon en Het Ding kan onze vorderingen amper verwerken.
We moeten haast een
anker uitwerpen om op tijd stil te geraken op onze bestemming; Barbezieu-Saint-Hilaire.
We zijn uitgedroogd, moe en verbrand door de zon. Maar Lourdes is een stuk
dichterbij.
Dag 10: Saint-Savin-Confolens; 83 kilometer. Totaal 1016 Kilometer.
Bruno Maretti.
Hoteleigenaar van Hotel La France in Saint-Savin en onze nieuwe vriend. Hij zag
ons gisteren de fietsen tegen de muur van zijn hotel zetten, zag aan onze
gezichten dat het een zware dag was en zorgde er dan hoogstpersoonlijk voor dat
het ons aan niets ontbrak. We kregen zijn grootste familiekamer, met het beste
bad en de snelste internetverbinding. In een grappig Engels, met
Frans-Italiaans accent, vertelde hij ons dat we nu alleen maar moesten rusten. Hij
verliest geen seconde zijn glimlach. In een achterkamer stond zijn racefiets waarmee
hij dezelfde dag nog tegen de wind had geworsteld. Hij is een fietser en heeft
diep respect voor het feit dat we helemaal vanuit Belgie zijn land doorkruisen.
Later komt hij met veel zwier een avondmaal in de kamer serveren. ‘You eat now!
Tomorrow is a hard day. Eat and rest!’ Dank je wel, Bruno.
Om zeven uur vanmorgen
is het nog steeds donker. Onze voorbereidingen lopen precies wat langzamer als
de voorbije dagen en het lijkt alsof we helemaal niet naar buiten willen. Niet
zo verwonderlijk want vandaag wil niemand buiten de deur. De straten liggen er
kletsnat en verlaten bij. Onze was is de voorbije nacht niet echt droog geraakt
en voelt bij het aantrekken niet echt aangenaam. In dit weer niet belangrijk
want binnen de kortste keren zijn we toch kletsnat. We maken de fietsen
stilzwijgend klaar, trekken de regenhoezen over de tassen en hullen onszelf
weer in de goretex jassen.
We kiezen vandaag onze
eigen route en trekken ons niets aan van de route uit het boekje. We willen in
dit weer geen toeristische omwegen maken maar gewoon op onze bestemming komen. Het
weerbericht, en Bruno, had miezerregen beloofd maar dit gaat verder als een
beetje miezeren. De regen valt niet in vlagen maar is vadsig en constant, zo
dik dat je erin kan bijten, zo zwaar dat je hem haast opzij moet duwen om
vooruit te komen. Ik heb mijn lichten aan en fiets achter Jacky. In elk
waterdruppeltje op mijn bril zie ik een Jacky rijden. Als ik de kaart wil lezen
moet ik het water van de plastieken bescherming vegen, wil ik de
kilometerteller zien dan speelt mijn vinger regenwisser.
Het parcours is weer
heuvelachtig, met lange beklimmingen. En toch… Toch schieten we bestendig op.
Er is vandaag absoluut geen wind. Je hoort de bomen druipen, de banden een
spoor maken in de plassen. Geen wind, geen gebulder. De weg die we uitgekozen
hebben is helemaal uitgestorven en we kunnen de auto’s in een uur op één hand
tellen. We rijden langs elkaar en zijn gewoon goedgezind. Kletsnat, maar totaal
enthousiast omdat de wind vandaag zijn joker inzet. Dat maakt dat de
beklimmingen gemakkelijker gaan en dat we vooral tijdens de afdalingen kunnen
recuperen. Jacky klimt nu ongestoord, aan een regelmatig tempo. We vorderen, kilometer
per kilometer.
Als ik terug achter
Jacky fiets moet ik aan onze bandenpech van gisteren denken. Ik ben me er
bewust van dat ik zonder reserveband rij en voel elk steentje, elk kiezeltje op
de weg. In gedachten zie ik hoe dat ene ellendige scherp steentje aan mijn
natte achterband blijft hangen. Het draait eerst een paar ronden mee en zoekt
zich dan een weg in het profiel van de band. Bij elke wielomwenteling drukt het
zich een beetje dieper door de band om dan uiteindelijk de binnenband te
vinden.
In het eerstvolgende
dorp, door Bruno als ‘Big City’ omschreven, besluiten we een warme koffie te
drinken en ik vraag of er een fietsenmaker in de buurt is. Er was er eentje,
die gestopt is, maar hij zou me volgens de cafebaas toch kunnen helpen. Ik
krijg het adres en vind de man in het meest groezelige werkkot dat ik ooit zag.
Hij spreekt geen Engels en ik weet niet hoe je binnenband in het Frans moet
zeggen. Ik probeer met ‘pneu’ en wat sublieme gebaren van mijn kant en na een
tijdje heeft hij door wat ik bedoel. ‘Ah non!’ Maar in een ander dorp zit
wel iemand die me kan helpen. Zijn postuur verraadt dat hij zelf nog
nooit heeft gefietst, laat staan in de regen even een aanzienlijke omweg gemaakt
heeft. Ik zal het risico moeten lopen en zonder band verder gaan.
Op honderd meter van
zijn zaakje zie ik opeens een brico. De allereerste op onze tocht. Hard in de
remmen en als een weerlicht naar binnen om dan triomfantelijk binnenbanden te
ontdekken. Onze missie is weer gered. Op de verpakking leer ik trouwens dat het
om ‘Chambre d’air’ gaat.
We vervolgen onze weg,
nog beter gezind. De weg die op de kaart behoorlijk recht en saai uitzag heeft
het goed met ons voor en laat ons toch mooie stukjes Frankrijk zien. Kudden
schapen die een schuilplaats onder druipende bomen zoeken, stukjes weiland,
bosjes en kleine veldjes. Het regent nog steeds natte watten en we besluiten
noodplan A toe te passen: een hotel in Confolens nemen, 83 Kilometer van ons
startpunt.
Die beslissing geeft
ons nieuwe krachten want met dit gemiddelde kunnen we de fietsen dan behoorlijk
vroeg stallen. Het geeft ons de kans om onze kleren te wassen en goed te laten
drogen, we kunnen de volgende routes bestuderen en slaapplaatsen zoeken. En
vooral; we hebben de heerlijke luxe om morgen droge kleding aan te trekken.
We sluiten de rit met
een pletsende high-five af. We zitten in Confolens, het zoveelste oude stadje.
We hebben de kaap van duizend kilometer overschreden.
Maandag, de eerste dag
van een nieuwe week. Volgende week rond deze tijd weten we of we het gehaald
hebben. Ik zou niet al mijn geld inzetten op de zekerheid dat we met de fiets
in Lourdes geraken want de tocht is zwaar. Heel zwaar.
We worden er goed in; vertrekken uit stadjes waar we nog
nooit eerder waren. Het is iedere keer weer even navigeren om zo snel mogelijk
op onze route te komen, maar het gaat steeds beter. Ook al omdat we elke avond
de komende route uitgebreid bekijken. ‘Het Ding’ doet ondertussen aardig zijn
best om terug vriendjes met ons te worden nadat ik de instellingen nog eens
aangepast heb en gewoon alle kaarten uitvinkte. Dat resulteerde in een doodsimpel
schermpje; een rode streep (onze route) en een zwart pijlpuntje (onze fietsen).
Als je die twee dingen in elkaars buurt kan houden zit je goed. Hij noemt geen
wegen, maar windrichtingen. Vandaag heeft Het Ding zelfs een paar keer
meegesproken in een beslissing, telkens toen we op kruispunten in het midden
van nergens stonden, geen aanwijzingen, geen nummerwegen.
Snel weggeraakt uit Loches dus, maar een tiental kilometer
moeten we noodgedwongen halt houden bij de eerste platte band van deze tocht. We
hebben op dat moment al enkele stevige beklimmingen gehad als opwarmer, maar we
zijn al blij dat de bewolkte hemel het water voorlopig nog kan ophouden. We
rijden door een landschap dat aan een combinatie van Haspengouw en Ardennen
doet denken. Geen meter plat dus. We zien de ene antieke boerderij na de
andere, kleine kasteeltjes van vroegere edelen en tal van eeuwenoude,
piepkleine huisjes. De weg blijft
tientallen kilometers golven, waarbij het woordje ‘golvend’ het eufemisme van
het jaar is. We zweten ons, ondanks de afwezigheid van de zon, te pletter.
Omstreeks het middaguur hebben we zoveel krachten moeten
aanspreken dat het hoog tijd wordt om de tank terug te vullen. Dat doen we nog
net voor we een natuurreservaat induiken met meer dan tweehonderd grote
vijvers. Het is nu iets minder golvend maar de wind is ondertussen hevig
geworden. Natuurlijk blaast hij weer op onze neus.
Mijn tweede lekke band van de dag en ik ontdek dat onze
reservebanden niet onderling wisselbaar zijn. De ventielmaat van Jacky’s banden
past helemaal niet op mijn velgen zodat ik mijn reserveband moet plakken. Dat
is snel gedaan, maar bij het oppompen loopt het fout als het ventiel volledig
van de band scheurt. Opnieuw beginnen, een andere band plakken en vertrekken.
Op dit moment rij ik dus zonder reservebanden rond en de fietsenwinkels zijn
uitermate schaars.
Terug uit het natuurreservaat worden de hellingen weer veel
frequenter en ik zie dat Jacky door haar krachten raakt. De felle kopwind maakt
het zo mogelijk nog zwaarder en na iedere klim buigt ze iets dieper over haar
stuur. Ik geef ze af en toe een duwtje, spreek op haar in en adviseer over
schakelen en terugschakelen. We breken de afstand door niet over onze
dagbestemming te praten, maar viseren ons gewoon iedere keer op het volgende
dorp. Tijdens de beklimmingen praat ik haar tot de volgende boom, dat volgend
struikje. En dan eindelijk tot de top.
Als ik ze zie afzien vraag ik me af waarom ze het blijft
volhouden en waar ze de kracht ergens in dat frêle lijf blijft vinden.
Hetzelfde lijf waarin werd gesneden, waarin wekenlang vier drains hingen alsof het
door pijlen aangeschoten werd. Een lijf dat door chemo werd vergiftigd en week
na week na week, elke dag opnieuw bestralingen moest incasseren. Een kapotte
slokdarm die het eten op momenten onmogelijk maakte. Het lichaam dat
verschillende maanden een catheter kreeg ingeplant die pijn deed bij elke
beweging. De honderden spuiten die ze kreeg, terwijl ze zo schrik heeft van
inspuitingen. Hoe heeft ze dit alles kunnen verdragen? Omdat het moest. Omdat
ze wou leven. Ze wil geen afscheid nemen, er zijn nog teveel dingen die ze wil
waarmaken, die ze wil doen. En eentje daarvan is; met de fiets in Lourdes
geraken. Daarom gaat ze zo diep. Ik kan haar dus alleen maar steunen. Omdat er
ook eens iets moet gebeuren dat ze zelf wil. Omdat ze het verdorie verdient.
Weer een klim achter de rug, weer een afdaling waar getrapt
moet worden. Maar eindelijk, net op het moment dat de lucht breekt, kunnen we
de fietsen tegen de muur van het hotel laten vallen. 97 kilometer. We wensen
elkaar proficiat en houden elkaar even vast. Tijd voor een welverdiend warm
bad.
Het stadje slaapt nog als we voor dag en dauw de kletsnatte
smalle steegjes afdalen naar het beginpunt van onze dagroute. Het heeft vannacht
geregend en we hebben regenhoezen over de bagage getrokken. Onze speciale
Goretex jassen zijn voor de eerste keer op onze fietstas gebonden en binnen
handbereik.
De lucht is dreigend en de zwarte wolken hangen zo laag dat
je er een gaatje in kan prikken met je vinger. We weten dat het gewoon een
kwestie van tijd is voordat de storm gaat losbarsten, maar we moeten verder.
Een heel stuk zelfs.
We fietsen nog een stukje langs de Loire, gelukkig over goed
asfalt, en zien herten argwanend stilstaan als we langskomen. Fazanten en
patrijzen waaieren verontwaardigt weg als we bellen om onze plaats op te eisen.
Een stukje verder belanden we in één of andere evenement voor wielertoeristen.
Honderden tegenliggers groeten en wenken ons, vol respect voor de echte
fietsers. Een enkeling komt vragen of hij ons de weg moet wijzen. Maar wij
kennen onze bestemming, ons doel staat vast.
In Chambord, na bijna twintig kilometer fietsen, staan we
perplex als we een kasteel ontdekken dat zo uit een sprookje komt. Prachtige tuinen,
gesnoeide hagen en ontelbare torens. We verzeilen er zowaar op een parking waar
we op een overdekte bank ons laat ontbijt gebruiken.
Als de toeristen plots met busladingen gedropt worden is het
voor ons hoog tijd geworden om te vertrekken. Net als ik op de fiets stap voel
ik een dikke druppel op mijn schouder vallen, een teken dat we beide ons jassen
kunnen aantrekken. Geen honderd meter verder barst de bui los en vinden we onszelf
in een regenbui die zelfzeker laat merken dat er meer dan voldoende is om ons
even bezig te houden. De regen valt stevig en op de plassen op de straat
ontstaan grote waterbellen.
We fietsen kilometerslang door de gestage regen maar de
jassen houden ons voorlopig nog droog. Ze hebben speciale kappen die ervoor
zorgen we geen regen in ons gezicht krijgen. Zwijgend fietsen we, achter elkaar,
door het zoveelste woud van deze tocht. De regen danst op de kappen en speelt
haar eigen melodie. Ik kijk vanuit mijn kleine overdekte, afgesloten wereld
naar Jacky’s rug en zie dat ze haar kap ver voorover getrokken heeft. De regen
tapdanst op onze hoofden en mijn gedachten dwalen voor de zoveelste keer af…
Ook al hebben we de afgelopen nachten slecht geslapen, op
deze tocht zijn de nachten anders. Een tijdje na de chemo werd ik s’nachts voor
het eerst gewekt door zacht gehuil. Jacky lag heel stilletjes langs me te wenen.
Ik had het eerst niet door maar ik ontdekte dat ze huilde in haar slaap. De
eerste keren dat het gebeurde dacht ik dat ze een slechte droom had, maar toen
ik haar ernaar vroeg wist ze van niets. Als ik haar wakker maak, kijk ze me verbaasd
aan en kan ze zich niets herinneren. Zeldzaam zijn de nachten waar ons beiden
een ongestoorde, diepe en rustgevende slaap gegund is. Iedereen ziet haar als
een sterke vrouw, iemand die vol goede moed opnieuw doelen zoekt. Iemand die in
deze omstandigheden zo gelukkig mogelijk wil worden. Maar tijdens de nachten
ben ik de enige die getuige is van het verdriet in haar onderbewustzijn. Ik
maak haar niet meer wakker, kruip enkel dichter tegen haar aan en hou haar
vast.
We laten het woud voor wat het is en fietsen verder door het
natte landschap. Alles wat we zien wordt vaag achter gordijnen van zwaar
vallende regen. Ik voelde al een tijd geleden hoe het water zich via mijn benen
een weg zocht naar sokken en schoenen. De regen heeft ondanks de jassen de weg
gevonden naar huid. Eerst voelt het water koud aan, maar door de inspanningen
voelen we er niets van. Ik kijk naar mijn vingers en ik moet aan gerimpelde
krentjes denken. Ik weet dat Jacky ook kletsnatte voeten heeft en ik zie het
water uit haar fietshandschoenen gutsen. Ze geeft niet af, geeft geen kick.
Haar hoofd en schouders bewegen ritmisch tijdens het fietsen.
We kennen beiden het traject en houden halt aan wegwijzers
en kruispunten om dubbel te checken om te vermijden dat we in deze
omstandigheden omrijden.
Het vlakke landschap maakt plaats voor heuvels, de ene
achter de andere, en regelmatig passeren we de door ons inmiddels gevreesde
velden. Hectaren uitgebloeide zonnebloemen staan er wat depressief bij en
buigen hun hoofden onder het vele water. De wind is ondertussen sterker
geworden en steeds meer moeten we hard bijtrappen om onze snelheid rond de
dertien per uur te houden. Buien waaien ons tegemoet als grijze watervallen en
soms moeten we als het ware naar lucht happen om zuurstof binnen te krijgen.
We passeren een koppel fietsreizigers en we groeten elkaar
begrijpend. Waar zouden ze geweest zijn of wat hebben ze nog af te leggen? Een
eind verder steken we zelfs een tweede koppel voorbij. Hij rijdt op kop in een
lichtblauwe regenjas en zij volgt in een gekleurde regenponcho die wappert en
klappert in de wind. Op het moment dat we hen passeren regent het zo hevig dat
er geen woorden gewisseld worden.
We tellen de resterende afstand eerst in stukken van tien
kilometer, daarna van vijf. Het water stroomt nu werkelijk over het wegdek. Als
we kracht op de pedalen zetten sopt het water uit onze schoenen en het zeemvel
van onze fietsbroeken is doorweekt. Inzittenden van een langzaam
voorbijrijdende auto wijzen vol medelijden naar ons en schudden het hoofd. Ze
wuiven even maar ik weet dat ze onze gezichten niet kunnen zien.
We hebben nu, op de eerste twintig kilometer na, 118
kilometer afgelegd in de langste onafgebroken regenbui die ik ooit meegemaakt
heb. We zijn beiden doornat. Maar zo gelukkig dat we ook deze bestemming weer
konden halen; Loches. Een middeleeuws stadje waar de tijd gewoonweg stilstaat.
Ik zou dit nu in principe kunnen afsluiten. Vandaag wil ik
echter even verdergaan, een kleine ode aan de dingen die ons leven belangrijk
maken. Een inzicht misschien, zodat we niet vergeten waarom we zo dankbaar zijn
dat we überhaupt nog samen kunnen genieten.
Omdat het vandaag tenslotte Zondag is, en ook een beetje om
onszelf te belonen voor de inspanning van vandaag, besloten we om dit met een
gezellig etentje te vieren. We kuierden in de piepkleine steegjes van dit
stadje en ontdekten een klein restaurantje waar buiten de eigenares niemand te
zien was. Ze was duidelijk trots op haar inrichting waarbij ze vooral haar
eigen creativiteit had laten gelden. Er stonden gevulde boekenkasten en luie,
gemakkelijke loungezetels en de muziek van grijsgedraaide Jazzplaten zorgden
voor de perfecte achtergrond.
De eigenares verraste ons met een sublieme rode wijn,
perfect passend bij zowel het voorgerechtje als de overheerlijke penne met
zalm. We klonken op elkaar en de toekomst. Koffie met een nagerechtje, en we
klonken weer op elkaars gezondheid. En plots beseften we daar, in dat kleine
restaurantje, temidden van een eeuwenoude stad, dat we gelukkig zijn.
Dag 7: Montargis-Beaugency; 110 kilometer. Totaal: 718 Km.
Als we het rijtje afgaan moeten we morgen regen krijgen. We
kregen de eerste dagen stormwind, vandaag een hittegolf, dus volgens de
statistieken moet het morgen gewoon regenen. Net even de weerberichten bekeken
en inderdaad: morgen moeten we de regenpakken paraat houden. Maar laten we het
eerst over vandaag hebben.
De voorbije week had onze slaap veel weg van een comateuze
toestand. Met uitzondering van vorige nacht. Ik weet niet waar ons hotel hun
matrassen haalde, maar ik weet wel dat ze er nooit veel voor kunnen betaald
hebben. Eén nacht op zo’n onding was vermoeiender dan een hele dag in het
zadel. Het voordeel was dat we in het midden van de nacht de prachtige
sterrenhemel ontdekten.
We hebben onze tactiek, in zoverre we tactieken hebben,
aangepast. We vertrekken gewoon zo vroeg mogelijk. Dat had vandaag als gevolg
dat we onszelf heel vroeg op de oevers van Canal d’Orleans bevonden.78 kilometer onverharde maar pure romantiek.
Ik vermoed dat de Fransen dit stukje paradijs vergeten zijn want er is absoluut
niemand te zien. We fietsen over een smal paadje op de oevers van dit oude
kanaal en vallen van de ene verbazing in de andere. We rijden door de ene
postkaart na de andere. Treurwilgen dopen de toppen van hun hangende takken in
het rustige water en dikke eiken vertellen verhalen over edelen die vroeger
tegen hun stam een genietend dutje kwamen doen. Een muskusrat duikt verschrikt
onder en een reiger vliegt een stuk langs Jacky’s fiets. We stoppen om twee
zwanen goedemorgen te wensen maar moeten dan weer verder richting Orleans.
Het is warm vandaag, heel warm en we prijzen ons gelukkig
dat we hier regelmatig in de schaduw van de vele bomen kunnen fietsen. Als we
dan ook het ‘Forestiére D’Orleans’ dwars kruisen via een brede grindweg van
bijna 15 kilometer lang, voelen we de hitte reflecteren op het bleke grind. Er
is geen schaduw meer en volgens ‘Het Ding’ loopt de temperatuur op tot dertig
graden. Gelukkig zijn we erop voorzien en sleuren we bijna zes liter water mee.
Hier heb je geen mogelijkheden om onderweg even een drankautomaat aan te doen.
Ik ben bezorgd om Jacky. De herinnering aan alles wat
voorging is nog te vers en maakt me misschien wel overbezorgd. Ik kan niet
vergeten wat ze de vorige maanden heeft moeten doorstaan. Als ik vraag of het
gaat knikt ze dat alles in orde is, maar ik speur naar tekenen die dat
tegenspreken. Ze doet het ongelooflijk goed, maar ik weet dat ze sinds de
operatie zelden echt zonder pijn is. Dat ze dit doorstaat heeft meer met
karakter te maken dan met conditie.
We stoppen om de paar kilometer om te drinken en geven
elkaar een High Five als we dit stuk achter de rug hebben.
Na dit woud pikken we graag terug de laatste kilometers van ‘Canal
D’orleans’ mee. Maar niet voordat we eerst weer heerlijk eten en rusten op een
bank met een vijfsterren-uitzicht op het kleine, oude kanaal. We zien de
schepen van vroeger, getrokken door paarden of armoezaaiers die voor hun dagmaal
hele dagen de zwaarbeladen schuiten naar Orleans sleepten.
We passeren vele kleine sluizen, oud en lang geleden voor
het laatst gebruikt, en zoeken telkens de best berijdbare oever uit. De oude
waterweg komt net voor Orleans in de Loire terecht. Op de oevers van deze
rivier, ook weer onverhard, is de hitte nu werkelijk ongenadig.Toch zijn we tevreden want vandaag stond er
zoveel offroad op het programma dat regen werkelijk een ramp geweest zou zijn.
We kruisen Orleans, op een drukke zaterdag. Ik probeer kwaad
te kijken als ik een paar Orleaners tegenkom. Hebben zij er niet voor gezorgd
dat Jeanne d’Arc hier uiteindelijk, door een laffe list, op de brandstapel
geraakte? Maar als ze vriendelijk terugknikken kan ik niet anders dan mijn hand
opsteken. We zijn weer gelukkig als we de massa achter ons kunnen laten en de
route ‘Loire a velo’ vinden.
Als we even in de schaduw staan, zien we een andere
fietsreiziger aankomen. Rugzak, twee fietstassen en een slaapmatje gebonden op
een fiets die met staaldraad aan elkaar hangt. Totaal uitgedroogd stopt hij en
in zwaar gebroken Frans vraagt hij waar hij kan drinken. Als hij het vraagt
moet hij enkele keren slikken om de woorden over zijn gesprongen lippen te
krijgen. Om te vermijden dat we getuige zijn van zijn laatste woorden, geven we
hem te drinken. Hij is Italiaan en kan, eens zijn keel is gesmeerd, vertellen
over zijn reizen naar Compostella en Canterbury. Nu volgt hij de Loire van bron
tot einde. Rare mensen, die fietsreizigers. We nemen afscheid van onze nieuwe
beste vriend en vervolgen de warme weg naar Beaugency.
Klokslag zes, fietsen we in de smalle, steile steegjes van
deze antieke stad, op zoek naar ons hotel van vandaag. We hebben 110 kilometer
afgewerkt, grotendeels over onverharde maar berijdbare geheime paadjes. De
douche doet deugd. Ik heb een voorgevoel dat er ons morgen best wel eens een
lange douche zou te wachten kunnen staan…
Dag 6: Sens-Montargis; 75 km. Totaal 607 kilometer.
Om iets na vijf uur in de morgen schiet ik wakker van het
geluid van een vrachtwagen. Het duurt een paar seconden voordat ik kan
schakelen. De kamer komt me niet dadelijk bekend voor maar dan herinner ik me
dat ik niet thuis in bed lig maar in het zoveelste hotel van deze week.
Gisterenavond hadden we ons bed omgetoverd in een crisiscentrum.
Dat kan een beetje vreemd klinken, maar lees even verder voordat er verkeerde
gedachten ontstaan. Kaarten, gidsen,
laptop, papier en pen lagen verspreid over het dekbed en ondergetekenden hingen
of lagen in een positie die spierkrampen afhielden. De reden van dit beraad was
eenvoudig; we vonden binnen een dag fietsen geen overnachtingsmogelijkheden. We
contacteerden B&B’s en het enkel hotelletje dat na 100 kilometer op onze
route lag; volzet, volzet en failliet. We hebben geen andere optie; in het
midden van bossen en te ver van de volgende dorpen wil je jezelf niet
terugvinden als de avond valt. Met deze wind willen we immers vermijden dat we
verplicht zijn om te ver door te fietsen. De meest verstandige beslissing was
dan ook de rit iets in te korten en Montargis als onze volgende bestemming te
kiezen. Een dagrit van 75 kilometer, maar het alternatief was ver, te ver over
de honderd.
De inspanningen van de laatste dagen, de beklimmingen en
vooral de niet aflatende stormwind hebben veel geëist dus was het tijd om de
wonden te likken, elkaar wat op te lappen en ons even te reorganiseren.
Montargis zou het worden.
Vroeg op, dus vroeg weg. De eerste meevaller van de dag: we
zaten pal op de route dus geen tijd verliezen om Sens te verlaten. De eerste
kilometers gingen vlot, zeer vlot. De weg was nog druk, maar we kozen er vandaag
bewust voor om onverharde wegen te mijden. Die drukke weg was gelukkig snel
achter de rug en we konden nu terug de kleine fietswegen gebruiken. Maar… er
was vandaag duidelijk iets aan de hand.
Op die kleine wegen konden we de krekels horen, de vogels. Ja,
zelfs het suizen van het profiel van onze banden op het asfalt was hoorbaar.
Het kabaal van de wind was weg!
De dreigende stormvlagen van de voorbije dagen, de beukende
en vechtende wind had het opgegeven. Eindelijk had hij begrepen dat hij dit
koppel niet kon kleinkrijgen. Vandaag stuurde de Coach ons een zacht briesje
dat speels en vriendelijk op onze rechterschouder klopte. Een lieve streling
van een oude bekende die zich schuldig voelde omdat hij ons het leven de
voorbije dagen zo zwaar maakte.
We schieten eindelijk op en kunnen aan een normaal tempo
fietsen. De bergen zijn makkelijker en de afdalingen zijn hemels. We genieten
nu als nooit tevoren en doorkruisen tal van kleine dorpjes met namen die zo
lang zijn dat je uit het dorp bent als je de naam eindelijk uitgesproken hebt.
Villeneuve-sur-Yonne, Saint Martin d’ordon, La Chapelle Saint Sepulcre
ontdekken we en verlaten we ook weer snel. We fietsen op paden met perfect
asfalt en rijden tientallen kilometers door prachtige wouden. Er is geen
verkeer, geen wind en de zon zet alles in honderden tinten groen. Massieve
bomen en naaldwoud, weilanden en terug woud. We zien Robin Hood en zijn
companen, everzwijnen die in de donkere bescherming van het diepe bos vluchten.
Om klokslag twaalf houden we halt op een open plek in het
bos. Warme lichtstralen duiden een plaats aan in het gras en we installeren ons
voor een uitgebreide picnic. Terwijl we languit liggen en proeven van de
lekkernijen genieten we van het moment. We koesteren de stilte en de
achtergrondgeluiden van deze wondermooie plaats. Er kruipen twee
lieveheerebeestjes over onze benen en verlegen bosnimfen giechelen vanachter de
dikke bomen. Een libelle draait een verkennend rondje boven onze hoofden en in
de verte laat de koekoek weten dat hij terug thuis is.
We duwen onze fietsen terug op gang en kijken uit naar elke
nieuwe bocht, naar elke nieuwe weg. Wat is het heerlijk fietsen.
We doen enkele fikse afdalingen en ik zie Jacky genieten van
de snelheid en het bochtenwerk. Ze heeft de fiets nu beter onder controle en ik
kan mijn ongerustheid opzij zetten.
Als we tenslotte aan het woud voor Montargis staan vraag ik
de weg aan een eenzame passant. We moeten eerst nog een stuk klimmen en we
willen zeker zijn dat we deze klim niet voor niets doen. De man heeft Napoleon nog persoonlijk gekend
en kijkt me vol ongeloof aan als ik de weg naar Paucourt wil weten. Zijn broek
is opgebonden met een stuk koord en de kleur van zijn trui is al jaren
onbestemd. Hij krabt over zijn rode neus, in zijn haren en nog eens over zijn
neus. ‘Ken je daar iemand?’ vraagt hij. Ik leg hem uit dat we er niemand
kennen. ‘En jullie doen dat… gewoon voor het plezier?’ vraagt hij nog eens. Ik
bevestig en zeg dat we er gewoon naartoe willen fietsen. ‘Bon, dan moet je
inderdaad deze weg volgen.’ Hoofdschuddend wandelt hij verder.
Ook hier, in de finale van de rit van vandaag, blijft het
genieten tot aan de streep. Er zijn beklimmingen, maar de omgeving is om nooit
meer weg te gaan. We moeten door. Lourdes wacht op ons. We houden nog één keer
halt om van de plaats te genieten en de sfeer op te nemen en stappen dan op om
de laatste kilometers, in afdaling, tot Montargis af te leggen.
Het is amper drie uur in de namiddag en we hebben 75
kilometer op te teller. We hebben ruim de tijd om de fietsen en onszelf te
verzorgen. Vandaag kunnen we recupereren en krachten opdoen om morgen een heel
stuk verder te geraken. Nu duimen voor een volgende windluwe dag.
‘Als ik dit schrijf
vraagt Jacky met nadruk om haar Mama, broers en zussen, schoonzussen en schoonbroers, neefjes en nichtjes,
familie en alle vrienden en kennissen te danken voor de vele berichten, reacties
en steun. Het geeft meer kracht dan jullie beseffen. Bedankt.’
Ik heb de fietsen nagekeken en wil net alle bagage op de
dragers zetten als Jacky in versnelde pas terugkomt van de hotelreceptie. In
eerste instantie denk ik dat ze gewoon enthousiast is en zo snel mogelijk wil
vertrekken.
‘Ze hebben zich
vergist met de rekening’ zegt ze terwijl ze de rekening laat zien ‘ze dachten dat ik alleen was en hebben de
prijs van een éénpersoonskamer genomen’ Op de rekening zien we dat de prijs
exact de helft is van hetgeen we in feite moeten betalen.
Op sommige momenten heb je geen woorden nodig. Alsof we het
dagelijks doen gooien we de pakken los op de fietsen en spurten halsoverkop de
straat uit. Pas om de hoek stoppen we en maken we de tassen lachend vast. Als
die receptiebediende ons nu gisterenavond niet had uitgelachen toen we vroegen
waar we onze was konden doen hadden we misschien nog de misrekening laten
rechtzetten. Nu zullen we straks een goede fles Champagne soldaat maken op haar
rekening. Is deze meevaller een goed voorteken voor de dag?
Na die eerste tweehonderd meter spurt lag het tempo gelukkig
wat lager en konden we de tocht echt beginnen. Vanuit Sens dadelijk in
stijgende lijn naar een speciale route door het woud. Al heel snel onverhard en
op sommige plaatsen behoorlijk klimmend terwijl de banden doorslipten op de
ruwe kiezels. Kilometers zochten we onze weg en probeerden we recht te blijven.
Net op het moment dat ik me de beste tips uit de survivalprogramma’s voor de
geest begon te halen zagen we het vreemde ronde punt dat we zochten en konden
we dit bos via verharde wegen verlaten.
Als je wil weten hoe de volgende 20 kilometers aanvoelen dan
kunnen we jullie enkel maar aanraden om eens een dagje ardennen te doen. Met de
fiets. En gepakt uiteraard. Vergeet niet om de laptop mee te nemen, stop wat
boeken in je tas en enkele liters water. Best een dagje uitkiezen met minstens
een windkracht 7 en dan heb je na een halve dag een goed idee.
Ik mag beweren dat ik in mijn leven al heel wat kilometers afgetrapt
heb. Ik heb echter nog nooit vijfhonderd kilometer aan een stuk met tegenwind
gereden. Diezelfde wind, in combinatie met de velden waarin we ook vandaag weer
zitten, maakt ook vandaag weer een dag waarop je jezelf soms durft afvragen
waar je mee bezig bent.
Links en rechts van ons eindeloze zeeën van mais en gerooide
velden. Geen enkel obstakel om achter te schuilen. De weg golft met lange
opeenvolgende hellingen waarbij je zelfs in de afdalingen amper twaalf per uur
kan halen. Mits bijtrappen. Als we op de zoveelste heuvelrug bijna van het
zadel geblazen worden betrekt ook de lucht. Ik kijk omhoog en zie zwarte
wolkenmassa’s tekeer gaan als dreigende draaikolken in donker water. Als we
hier onze regenpakken moeten aandoen kan dit het eindpunt van de reis worden.
We moeten acht kilometer tot het volgende dorpje en onze
kilometerteller komt niet meer boven de tien per uur. De wind blijft bulderen.
Als Jacky breekt dan zal het hier gebeuren. En komt ze niet in Lourdes.
Ik neem een laatste slok, schakel een tandje groter en ga zo
kort langs Jacky rijden dat ik met mijn rechterhand haar achtertassen kan
vastgrijpen. Ze kijkt me aan maar zegt niets. Tenminste dat denk ik want in dit
kabaal is niets te verstaan.
Ik zoek mijn ritme en diepgebogen over mijn stuur ga ik de
strijd aan. Mijn benen vinden de juiste cadans, ademhaling is diep maar
regelmatig. De snelheid gaat terug omhoog.
Terwijl ik zo kort bij haar fiets zie ik zweetpareltjes in
haar nek. Ik bedenk dat dit de eerste keer is dat me dit opvalt. Ze heeft
altijd lange haren gehad die haar nek bedekten. Mijn lijf blijft duwen en gaat
over op automatische piloot. Mijn gedachten dwalen af...
Sinds November vorig jaar is ons leven net dezelfde
rollercoaster geweest als het monster dat we nu berijden. Zelfs in de
afdalingen moesten we bijduwen. De symboliek van deze weg valt ineens op me en
ik haal me de lijst van gebeurtenissen voor de geest. Ik vink er enkele aan,
wis er een paar en sorteer de rest. Eentje doet moeilijk en ik weet niet in
welke categorie ik het moet rangschikken.
Toen de eerste chemokuur vaststond zijn we samen naar de
kapper gegaan om haar haar kort te scheren. Na een laatste ‘Ben je er klaar
voor’ schudde ze het hoofd en sloot ze haar ogen. ‘Begin maar’. Terwijl de
tondeuse het werk deed liepen de tranen uit haar gesloten ogen.
We hebben, hier op dit stuk, onze hele reis misschien kunnen
redden want we kwamen in dat dorpje. Meer zelfs, want toen we de eerste
beschermende huizen passeerden gaven de wolken hun dreiging op en maakten
plaats voor een zonnetje.
We bestreden, veroverden en bereden de velden van dorp tot
dorp. En uiteindelijk kwam de ultieme voldoening: onze eindbestemming van de
dag: Sens.
Misschien kwam het een beetje raar over. Twee verwaaide,
bezweette en bepakte fietsers die bij aankomst in de stad spontaan een boom
knuffelden, die duidelijk genoten van muren en omheiningen en alles waar een
mens zich achter kan schuilen. Die een beetje luid tegen elkaar spraken, alsof
ze slecht hoorden. Maar voor beide fietsers is de wetenschap dat de velden voor
immer achter hun liggen een heerlijk vooruitzicht.Morgen een nieuwe dag. En geen velden.
'Het Ding' (mijn GPS) versus Jacky (mijn vrouw): 0-1!
Naar Reims rijden is één ding. Eruit geraken is een ander. Ons hotel lag tegenover de Kathedraal van Reims; In het midden van het centrum van Reims. Het Ding werd er zenuwachtig van en contacteerde alle satellieten. Blijkbaar had het een slechte lijn te pakken want het duurde een kleine eeuwigheid voor een aanduiding doorkwam: 'Ga Zuid!' Jacky, zonder kaarten, zonder gps, voelde 'dat ze die richting moest uitrijden' en na enkele honderden meters bleek dat ze ook nog gelijk had.
Geloof het of niet, maar in Reims ligt een oud kanaal waarlangs de 'Coulee Verte', een soort jaagpad, loopt. Voor ons de ideale weg om zonder druk verkeer uit Reims te geraken. We zagen tal van joggers en amuseerden ons met het typeren van de verschillende loopstijlen die we telkens met een vriendelijk Bonjour passeerden. De Quickjog, De Jumpjog, De Slowjog en de Catwalkjog...
Na enkele kilometers werd de Coulee een onverhard pad en was het tempo er weer uit. Gelukkig slechts voor even want we doken nu de wijngaarden van de Champagnestreek binnen. Tijd voor het betere klimwerk, een Ardeense Klassieker waard. De hevige stormwind van gisteren gaat iets bedaarder te werk en de zon laat ons zweten alsof we in een sauna zitten. Vandaag moeten we, hoe ironisch, liters water drinken in de champagnestreek.
Na een dertigtal kilometer komt een lange afdaling en we flirten met snelheden van vijftig per uur. We vliegen zowaar enkele dorpjes verder voordat we doorhebben dat de afdaling gedaan is. We genieten van deze tocht en fietsen constant langs elkaar en babbelen over honderd-en-één.
'Stel dat je je gek idee om helemaal naar Lourdes te fietsen kan waarmaken. Wat ga je er eigenlijk wensen als je kaarsen gaat branden?' Ze antwoordt zonder een seconde na te denken. 'Een stel nieuwe borsten?' Ik schud het hoofd. 'Zo'n mooie borsten, dat gaat Jesuke geen tweede keer lukken' Ze moet erom lachen en antwoordt weer zonder pauze. 'Dan vraag ik gewoon nog een paar jaar bij.' Ik knik gewoon. De volgende kilometers is het stil.
Toen Jacky de mededeling kreeg dat ze haar borsten zou verliezen, stopte de wereld even met draaien. De impact van zo'n nieuws kan je tijdens de eerste minuten niet verwerken. Je hersenen stoppen gewoon, maken kortsluiting en houden zich even bezig met belachelijk onbelangrijke vaststellingen. En dan gaat het licht terug aan; je weet dat het de prijs is om te overleven. Wat doe je dan? Gewoon betalen. Doen wat nodig is. Al de rest komt later. En tijdens elke dag van je verdere leven...
Het tweede stuk van de dagtocht beloofde weer van de eerste meters hels te worden. Geen kopwind, tenminste niet voortdurend, maar stevige zijwind die in de open velden vrij spel had. Onze Coach speelde weer mee. En maakte het spel hard. De zon was ook van de partij. In die mate zelfs dat het enige dat op mijn hoofd nog ontbreekt, een logo van Ferrari is.
De weg was een rollercoaster, de ene heuvel na de andere, na de andere, na de andere. Ik beloofde mezelf plechtig dat ik nooit nog iets met velden te maken wil hebben. Of het nu graanvelden, maisvelden of zelfs voetbalvelden zijn, ik moet er niets meer van hebben.
Op de één of andere manier spelen we het klaar om de kilometers af te malen en belanden we in onze bestemming van de dag: Sezanne. Op internet zagen we gisteren dat in dit stadje enkele hotels zijn maar tot onze schrik ontdekken we dat het ene na het andere 'Complet' is. Geen plaats. En dan, in het allerlaatste, kunnen we een kamer bemachtigen, net voordat andere gasten hetzelfde proberen te doen.
Het is zes uur en onze teller staat op 95. Tijd om te chillen.
Gisterenavond gaf ik onze missie weinig slaagkansen. De stormwind maakte het zo zwaar dat het zelfs voor een geoefende fietser een hele klus is. Na vandaag acht ik onze kansen, ondanks het feit dat Jacky vooral de laatste tien kilometer afzag, weer hoger in. We zitten op meer dan vierhonderd kilometer. Ik sla nu het volgende bladzijde van onze kaartengids om. Morgen een nieuwe dag.