het goede zoeken
inleiding tot een christelijk zindenken
16-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.4. Het visioen van Pierre Teilhard de Chardin
Klik op de afbeelding om de link te volgen


4. Het visioen van Pierre Teilhard de Chardin


Een van de grootste en meest hoopgevende zinzoekers in de geschiedenis van het christelijke denken is de Franse Jezuïet Pierre Teilhard de Chardin. Als kind werd Teilhard gefascineerd door de keien die ons voor de voeten liggen: elke kei heeft een geschiedenis van vele miljarden jaren. Teilhard ging geologie en paleontologie studeren; hij wilde weten hoe en waarom uit stenen het leven ontstond: planten, dieren en mensen. En verder: wat er van ons gaat worden in de toekomst: staan wij aan het einde van de evolutie, of gaat de grote ontwikkeling steeds door?

Henri Bergson (1859-1941) heeft er de nadruk op gelegd dat het bewustzijn niet kan gereduceerd worden tot de werking van de hersenen - die drukken enkel het aspect van de lichamelijke activiteit ervan uit. Het bewustzijn is niet iets dat zich op een bepaalde plaats bevindt, aanwijsbaar en zichtbaar, maar het is wezenlijk de aandacht voor het leven, het is een dynamisch proces, en dus iets dat zich verspreidt in de tijd. Ook het leven (van de kosmos) is een dynamisch proces, dat steeds nieuwe dingen voortbrengt, dat wil zeggen: dat creatief is. De werkelijkheid is voortdurend in scheppende evolutie. Het nieuwe is niet herleidbaar tot zomaar een noodzakelijk gevolg van het voorgaande. "In de intuïtie van de geest beleven wij de voortdurende vernieuwing, zoals die ook in ieder scheppend werk, vooral dat van de kunstenaar tot uitdrukking komt. Het is de élan vital, die de ontwikkeling voortstuwt. Hij beweegt zich niet in één, maar in meerdere richtingen. In de dode stof is hij vastgelopen; in planten en dieren heeft hij verschillende vormen van verwerkelijking gevonden; in de mens heeft hij zijn hoogste schepping gevonden. De mens is in staat zelf in deze evolutie in te grijpen, hij is het handelende wezen, homo faber, dat de wereld vormt. Hij doet dit door de apparatuur van het begripsmatig denken, maar loopt daarbij het gevaar de werkelijkheid geheel vanuit het statische begrip te interpreteren. Deze neiging van het verstand wordt alleen overwonnen in de intuïtie (…)".

Via de Bergson-kenner Edouard Le Roy, koppelde Pierre Teilhard de Chardin (1881-1955) deze ideeën aan het wetenschappelijke denken. De Franse Jezuïet, paleontoloog en filosoof streeft naar een eenheidsvisie tussen wetenschap, filosofie en theologie. Teilhard ziet een evolutie van 'dode' materie, naar leven (biosfeer) en tenslotte naar bewust en zelfbewust leven (noösfeer) dat uiteindelijk zijn bestemming vindt bij God, het 'punt omega'. De eerste uitgave (1955-'59) van het werk van Teilhard de Chardin werd ingeleid door de Vlaamse theoloog Max Wildiers, de leermeester van Gerard Bodifée. Hier volgt een beknopte weergave van Teilhard's magistrale visioen, zijn 'hyper-fysica', zoals het bij uitstek vorm kreeg in Le Phénomène Humain (1955) en in Le Milieu Divin (1957).

In het kort: In een poging om de evolutieleer te verzoenen met het Christendom, stelt Teilhard dat de ganse werkelijkheid in evolutie is: in de schoot van de kosmos ontstaat het leven (dat het kosmische kwalitatief overtreft), en uit het leven ontstaat het bewustzijn (dat het levende kwalitatief overtreft). Dat gebeurt door complexiteitstoename: als de kosmos complex genoeg is, brengt die iets nieuws, het leven, voort. Als het leven complex genoeg is, brengt het bewustzijn, zelfbewustzijn en dus vrijheid voort. Zo evolueert alles naar zijn zelfbevrijding toe, en dat gebeurt in de mens, die aldus z'n eigen evolutie in de hand neemt door bewust te arbeiden aan de vooruitgang van de wereld. Zo evolueert de mensheid naar de spirituele eenheid, 'Christus' genaamd.


De mysticus


Teilhard de Chardin is in de eerste plaats een mysticus. Max Wildiers noemt de hedendaagse natuurkundigen trouwens de 'mystici van vandaag'. Teilhard ziet de ganse kosmos evolueren naar het Ene, het Goddelijke. Alle arbeid van de evolutie is gericht op de rechtvaardigmaking en tot de ontplooiing van een liefde (van God). Teilhard voorvoelt de eenwording van de mensheid (planetariteit) en de noösfeer (een denkende en eensgezinde aarde): de volwassenwording van de mens-zin. Hij ziet Christus als een energie waarvan de duizelingwekkende spin het heelal doet draaien en de Weltstoff dwingt zich tot zichzelf terug te buigen, maar hij vervalt niet in pantheïsme. In de evolutie komen materie, leven en energie samen in een punt Omega. Gods tegenwoordigheid is voelbaar overal in de kosmos. Christus' hart doorstraalt als het ware de hele kosmos totdat het machtige en veelvormige heelal de gestalte van Christus aanneemt. God straalt op de top van de materie waarvan de golven de geest meebrengen, en zo wordt alles 'milieu divin'. Door de materie, de aarde en het leven hebben wij gemeenschap met God. De priester moet de offerande van de gehele wereld aan God voltrekken. Verwarmd door de geest, kleurt de materie zich purper. Om tot God te komen, moet de materie zich complexificeren en organificeren (levend worden en groeien). Het geloof is niet irrationeel maar wel transrationeel: meer dan rationeel. In dat geloof arbeiden wij mee aan deze evolutie naar het ultra-menselijke (dit is: een hogere collectiviteit waar de bewustzijns elkaar wederzijds verlichten door hun convergentie) naar het Mystiek Lichaam toe. Het heelal is dus een goddelijke onderneming waarin God de mens wil laten deelnemen. Tijdens zijn verblijf in het Oosten schrijft Teilhard in een brief (1923): "Er is op de wereld één enkele operatie aan de gang, die alleen ons handelen kan wettigen: de ontsluiting van een of andere geestelijke realiteit, dwars door alle inspanningen van het leven heen". Teilhard bevestigt dat deze geestelijke realiteit een Persoon moet zijn, want "het Centrum van de vergeestelijkte materie, van dit geestelijke Al, moet bijgevolg in de hoogste graad bewust en persoonlijk zijn. De Oceaan die alle geestelijke stromen van het heelal in zich verzamelt, is niet Iets maar Iemand. Ook Hij bezit een gelaat en een hart (…) Deze tegenwoordigheid verlicht de diepten van de verborgen zones van elk ding en elke mens om ons heen. We kunnen haar bereiken in de volle verwerkelijking (en niet in het genieten zonder meer!) van elk ding en elke mens" (28.09.'33). In Teilhard heeft zich de liefde tot God verenigd met het geloof aan de wereld.


Teilhard's pan-christisch visioen


 
We hebben reeds gezegd dat Teilhard het geloof verzoend heeft met de wetenschappelijke evolutieleer, welke in zijn tijd nog werd verworpen door een groot deel van de Kerk. Hoe heeft hij dat nu gedaan? Om dat te begrijpen, moeten we één zaak goed voor ogen houden: Teilhard zegt dat de ganse kosmos niet opgebouwd is uit materie, maar uit wat hij noemt: 'Weltstoff'. Wat is nu het verschil? 'Weltstoff' is meer dan materie. De stof waaruit alles is opgebouwd, heeft namelijk een buitenkant én een binnenkant. De buitenkant van de 'Weltstoff' is materie. Haar binnenkant is bewustzijn. 'Weltstoff' is dus 'materie-bewustzijn', een soort bipolaire eenheid in elk 'deeltje'. De 'binnenkant', of de 'geest', is alleen bij de mens 'zichtbaar', maar dat belet niet dat ook alle andere dingen een binnenkant hebben, zij het dat hij daar niet zo uitgesproken te bespeuren valt. Wat Teilhard nu beweert is het volgende: de binnenkant van de kosmos wordt in de mens, en dan bij uitstek in de God-mens Christus, gekend en ontwikkeld, om van daaruit de ganse kosmos tot zijn voltooiing te brengen. Maar laten we dit proces van kosmogenese, hominisatie en christogenese nu in drie stappen beschrijven.


a. Het kosmische


In de middeleeuwen zag men de wereld als een statisch, geordend geheel waarin alles en iedereen zijn vaste plaats had (- zie ook §5.2.). Een van de belangrijkste gebeurtenissen in ons denken bestaat hierin dat wij ingezien hebben dat de wereld in voortdurende beweging, verandering, ontwikkeling of evolutie is. Vandaar de benaming 'kosmo-genese', wat letterlijk vertaald betekent: 'kosmos-groei' of 'evolutie van het heelal'.

In de 16de en de 17de eeuw tonen sterrenkundigen als Copernicus en Galileï aan dat de aarde niet het centrum is van de beweging in het heelal: zij presenteren een helio-centrisch wereldbeeld: de aarde draait rond de zon in plaats van andersom. Toch blijft de aarde het centrum van de geest. We komen daar direct op terug.

De idee van de evolutie bestond al bij Laplace, die stelt dat de kosmos zich ontwikkelt uit een gasnevel. Darwin heeft dan de evolutiegedachte ingevoerd in de biologie. Sinds honderd jaar spreken nu ook de sterrenkundigen over de evolutie van de kosmos: sterren zijn kernreactoren die Waterstof omzetten in Helium en in zwaardere atomen. Ook heerst de idee dat, in die kosmogenese, alles met alles samenhangt.

Een ander belangrijk inzicht is dat de evolutie convergeert: alle dingen en wezens neigen ertoe zich te groeperen tot steeds complexere grootheden en aldus wordt meer orde en vooruitgang tot stand gebracht. En dan verschijnt, aan de binnenkant van het complexe, het bewustzijn, dat vrijheid is, autonomie geeft, en verantwoordelijkheid. Dit noemt Teilhard de wet van complexiteit-bewustzijn.

In de filosofie heeft men steeds geworsteld met het dualisme, meer bepaald inzake het probleem lichaam-ziel. Een nooit opgeloste vraag luidt: hoe kan de ziel inwerken op het lichaam en omgekeerd? Teilhard lost dat probleem op, door te stellen dat materie (lichaam) en bewustzijn (ziel, geest) twee fasen zijn van elke realiteit: alles heeft een lichaam- en een ziel-kant, alleen is het zo dat slechts bij de mens dat bewustzijn reeds expliciet aanwezig is. Om dat beter te begrijpen, moet eerst het volgende gezegd worden.

De denkers voor Teilhard kenden twee vormen van oneindigheid. Pascal bijvoorbeeld spreekt over de oneindigheid van het grote en die van het kleine. We kunnen ons inderdaad afvragen waar het grote (het macro-kosmische) of het kleine (het microscopische) ergens ophouden, als ze al ophouden. Maar Teilhard voegt nog een derde oneindigheid hieraan toe: die van het complexe.

Complexiteit is nu precies een eigenschap van het levende. Terwijl de ganse heelal ertoe neigt om uit te dijen, zich te ontspannen en over te gaan in de meest waarschijnlijke toestand van totale wanorde of chaos (dit is 'entropie', dat wil zeggen: verval, toename van wanorde), vormt het leven hierop de uitzondering. Wat leeft, ordent zich, organiseert zich, vormt grotere, onderling samenwerkende gehelen (dit is 'negatieve entropie', of: 'negentropie', toename van orde). Atomen voegen zich samen tot moleculen, megamoleculen en uiteindelijk emergeren die in levende cellen: eerst eencelligen, daarna meercelligen, eerst eenvoudige, daarna steeds complexere organismen. Daarom noemt Teilhard de biologie: de fysica van hoge complexiteiten. En, zoals gezegd, heeft elke complexiteit een buitenkant (materie) en een binnenkant (geest); elke complexiteit is een eenheid van materie en geest, ongeveer zoiets als de god van Spinoza.

De evolutie verloopt naar steeds complexer: de 'dode' stof ordent zich en brengt het leven voort, en het leven organiseert zich zodanig dat het bewustzijn voortbrengt. Zodoende is bewustzijn een eigenschap van het heelal. In de evolutie van het heelal wordt steeds meer materie omgezet in geest: het geestelijke facet van de 'Weltstoff' wordt geboren uit de complexiteit van de materie. De materie is de 'materia matrix', de (materiële) matrijs van de geest.


b. Het menselijke


Wat Teilhard eigenlijk doet, is: de geschiedenis van de mens integreren in de geschiedenis van de kosmos. De wetenschap heeft tot dan toe de mens bestudeerd 'in stukjes' (het fysieke aspect, het psychische, het historische, enz.). Teilhard wil een omvattende menswetenschap bouwen, die ook de filosofie en de theologie omvat, en die in de eerste plaats ook rekening houdt met het belangrijkste van de mens: zijn geest.

De mens en het menselijke denken is er niet altijd geweest: het is ooit begonnen. Het dier 'weet', maar de mens 'weet dat hij weet', en hij kan dus nadenken over zijn denken. De ontwikkeling van het denken heeft materiële sporen nagelaten. Die sporen is Teilhard als archeoloog en als paleontoloog gaan zoeken.

Tot dan toe kende men verschillende lagen of sferen die geleidelijk de aarde omspannen hebben: de barysfeer (de metalen kern van de aarde), de lithosfeer (de gesteenten), de hydrosfeer (de watermassa's), de atmosfeer (de dampkring) en de biosfeer (de sfeer van het leven). Teilhard voegt hier nog de noösfeer aan toe: de sfeer van het denken, de sfeer van de mens. In die evolutie is duidelijk een opmars naar steeds meer orde, complexiteit, bewustzijn en vrijheid merkbaar.

In de loop van de tijd hebben zich bij de Primaten de hersenen steeds meer ontwikkeld (het proces van cefalisatie), wat het denken mogelijk gemaakt heeft. Maar sinds ongeveer 20.000 jaar is de schedelomvang niet meer toegenomen. Om toch nog verder te kunnen ontwikkelen, zijn mensen zeer intens beginnen samenwerken: zij vormen tesamen maatschappijen en uiteindelijk één wereldblok. Dat noemt Teilhard de sociogenese. De mens heeft als het ware een gemeenschappelijke stofwisseling ontwikkeld (de wereldeconomie) en een collectief brein (de cultuur) en gaat steeds meer solidair optreden, als één subject. Mensen voelen immers aan dat zij op een dieper niveau samenhangen en één zijn. Zo zet de complexificatie zich nog steeds voort, en zij emergeert in het ultra-menselijke: de mens die meer is dan een louter individu, de mens die rijker wordt omdat hij één is met zijn naaste. Zo blijft de mensheid evolueren naar eenheid, in de richting van wat Teilhard het punt 'Omega' noemt. In de ontwikkeling van de kosmos is er eerst divergentie (veelvuldigheid), dan convergentie (vereniging) en dan, door complexificatie, is er emergentie (het verschijnen van het nieuwe). Zo verschijnen achtereenvolgens het leven, het denken van de mens (reflectie) en het samen-denken van alle mensen (co-reflectie), wat vrijheid en verantwoordelijkheid meebrengt.


c. Het christische


 
Zoals gezegd, is het menselijk denken, het psychisme, een eigenschap van de kosmos. De kosmos evolueert in twee richtingen (of: bi-polair): enerzijds entropisch of vervallend, dit wil zeggen: naar het meest waarschijnlijke, het evenwicht, de chaos of de dood toe; anderzijds negentropisch of opbouwend, en dus naar het meest onwaarschijnlijke, naar de orde, naar het leven toe. Door de complexificatie in die laatst genoemde beweging, ontstaan steeds nieuwe kwaliteiten. De materie geometriseert zich steeds meer onder invloed van de geest (bvb.: het geloof zet aan tot kathedralenbouw), en zij sublimeert zich ook, namelijk door gesloten, steeds complexere stelsels te vormen (leven, bewustzijn). De geest is de opperste synthese van materie. De ziel is de vorm van het lichaam. De wetenschap die lichaam én geest samen bestudeert (namelijk in de 'Weltstoff'), heet pan-energetica. De psychische energie is de hoogst mogelijke, en zij bezielt het heelal en tilt het op naar het eindpunt Omega. Volgens Teilhard is alles in het heelal naar Omega gepolariseerd: het heelal 'rolt zich op' en interioriseert zich. Dit gebeurt in de mens, en zo bevindt zich het eigenlijke centrum van het heelal (namelijk het complexiteitscentrum) in zijn hoogste prestatie, namelijk in de zo tot stand gebrachte maximale persoonlijkheid. De grootste orde situeert zich in de mens en maakt zijn persoon mogelijk: het zelfbewustzijn dat kan zeggen: "Ik ben en ik weet dat ik ben"; "Ik ben vrij"; "Ik ben verantwoordelijk".


De persoon verheft zichzelf door zichzelf te geven in z'n scheppende vermogens. Hij verrijkt zich in de liefde van een gemeenschappelijke taak. Ware liefde versmelt immers niet, maar vernieuwt de vitaliteit en differentieert. De kosmos condenseert zich tot de menselijke persoonlijkheid, zij personaliseert. Het ultra-persoonlijke (universeel-persoonlijke), dat de wezenskern van onszelf is, en dat kan zeggen: "Ik ben die ben", is onomkeerbaar, onvernietigbaar, staat buiten ruimte en tijd, en heeft in zichzelf aldus het 'eeuwig leven' gerealiseerd in het punt Omega: een geestelijke, trans-persoonlijke bestemming, en tegelijk de bronenergie van de kosmos, de liefde die, zoals Dante schrijft, "de zon voortdrijft en de andere sterren". (Paradisum, laatste zang).

Dit punt Omega wordt door Teilhard nu in verband gebracht met Christus. Het Christendom kent God immers als absoluut en persoonlijk. God incarneert zich in de God-mens Christus in de wereld die hij liefheeft. Christus sticht de Kerk - zijn Mystiek Lichaam - om zijn werk voort te zetten door zijn sacramenten. Zo wordt de wereld gechristificeerd. Bij zijn terugkeer zal Christus in een extatische wereld de getransfigureerde mensheid meenemen in de schoot van zijn Vader.

Waarom is Omega dan Christus en niet Mohammed of Boeddha of Brahman? De god van de Islam is geen mens, hij incarneert niet. En de god van het Boeddhisme wordt bereikt door vernietiging van de veelheid, die maya (begoocheling) genoemd wordt: men wil daar het doel bereiken door de-personalisatie, net het tegendeel van wat Teilhard beschrijft.

Teilhard toont dat het geloof aan de wereld en het geloof in God in het Christendom kunnen samengaan. Christus wordt voorgesteld als de sluitsteen van het te construeren gewelf. We moeten afstappen van de statische God, en meer nadruk leggen op de Christus-Omega, de Christus-Evoluteur, de kosmische Christus. Het Mystiek Lichaam is geen dood lichaam maar verkeert in voortdurende Wording. God is dynamisch, de Vader werkt zonder ophouden, en Christus is de toegangsweg tot de noumenale wereld. Het Absolute geeft zich aan de geesten die het verbreiden; het is een eeuwig offer, een gave om niet, want dat is de Liefde.

vervolgt


14-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.vervolg3


We nemen slechts waar wat we kennen


We hebben reeds gezien dat wij de dingen die wij niet zelf gemaakt hebben, niet volledig kunnen definiëren, en soms kunnen wij die helemaal niet definiëren. We kennen hun zin niet. En, raar maar waar: wat we niet kennen, kunnen we ook niet zien. Ziehier enkele voorbeelden.

Het meest eenvoudige werktuig is een hefboom. De hefboom vinden we in talloze werktuigen terug: een tang, een katapult, een weegschaal, maar ook een fiets, een hamer en een schop zijn hefbomen. In een meer figuurlijke betekenis is zelfs al onze kennis werktuiglijk en met een hefboom vergelijkbaar. Eigenlijk zouden wij kunnen zeggen dat onze hele wereld één grote hefboom is: een hefboom die ons optilt uit de dode stof naar een betekenisvolle wereld.

Een eenvoudige hefboom is opgebouwd uit stoffelijk materiaal, bijvoorbeeld uit een stok en een steen. Maar om uit een stok en een steen een hefboom te maken, moet geen stoffelijk materiaal worden toegevoegd of weggenomen. Het enige wat we moeten toevoegen aan de stoffelijke stok en aan de steen, om daaruit een hefboom te maken, is betekenis.

♠ Een primitieve mens die de hefboom nog niet kent, wil zich verschuilen in een hol, maar voor het hol ligt een zware steen. De man is te zwak om de steen met zijn spierkracht te verplaatsen. In de buurt van de schuilplaats ligt een stevige stok en een kleinere steen. Iemand die weet wat een hefboom is, zal de stok en de steen als een hefboom herkennen. Maar de man uit ons voorbeeld kent de hefboom nog niet, en daarom ook herkent hij hem niet: hij ziet de stok en de steen aan zijn voeten liggen, maar hij ziet geen hefboom. Hij ziet de hefboom niet omdat hij de mogelijke functie, betekenis of zin van de stok en de steen samen, niet kent. Een beer nadert, en die beer eet de man op.

Wij kunnen slechts datgene waarnemen wat wij kennen. En zoals uit het bovenstaande voorbeeld mag blijken, is kennis geen franje, geen luxeproduct: een gebrek aan kennis is echt levensbedreigend.


Onze wereld is slechts zo rijk als onze kennis


Nu vertoeven wij allen in de wereld. En de wereld is, zoals wij reeds zegden, het geheel van al onze werktuigen, of: ons gemeenschappelijk lichaam. Alle dingen in onze wereld zijn werktuigen. Maar ook hier is het zo, dat wij alleen die werktuigen kunnen waarnemen, die wij ook kennen. Een ongeletterde (of een kind) die in een bibliotheek rondwaart, ziet de boeken niet. Wat hij ziet zijn dingen van papier waarmee men bijvoorbeeld een tafel met een te korte poot in evenwicht kan houden, waarmee met torentjes kan bouwen, enzovoort. Het wezenlijke van de boeken ontgaat hem volkomen, en hij kan zich ook niet voorstellen waarvoor die dingen (de boeken) eigenlijk bedoeld zijn. De ongeletterde mist dus (nog) heel wat van onze wereld. Wie daarentegen kan lezen, weet wat boeken zijn, en hij kan daarmee ook veel meer doen dan alleen maar torentjes bouwen. Hij begrijpt hoe kostbaar een bibliotheek is, en hij draagt bijgevolg ook zorg voor de boeken. Hij ziet meer van onze wereld dan de ongeletterde. Hij mist minder, net zoals de ziende minder mist dan de blinde. Hoe meer kennis wij verwerven van onze wereld, hoe betekenisvoller onze wereld voor ons wordt, hoe meer we ons in onze wereld thuis voelen.

We zien slechts wat we kennen. De primitieve mens uit ons voorbeeld mist niet alleen de kennis van de hefboom, maar hij mist ook de hefboom zelf. Wanneer een beer opduikt, wordt hij opgegeten. Daarom zegt men ook dat kennis niet zomaar iets abstract is, maar iets heel concreet, iets bruikbaars, iets levensnoodzakelijk. Mensen die denken dat kennis slechts een overbodig versiersel of een bijkomstigheid van de mens is, zijn mensen die nog niet nagedacht hebben. Hoe meer kennis wij bezitten, hoe meer wij zien, begrijpen en kunnen. En wie kennis moet ontberen, is afhankelijk van wie ze wel bezit.

Onze wereld is niet zomaar een verzameling van dingen die buiten onszelf bestaan en waarop wij van op afstand neerkijken. Alle dingen zijn wezenlijk (namelijk door hun betekenis) verbonden met onszelf. Want wijzelf zijn de betekenisgevers van de dingen waaruit onze wereld bestaat.

Zonder de betekenis die in de dingen werd gelegd (bijvoorbeeld door de mens), bestaan de dingen niet. Denk maar aan de primitieve mens die de hefboom nog niet kent: hij kijkt over zijn redmiddel heen en wordt opgegeten door een beer.


Onze kennis bepaalt ons zijn


Hoger hebben we gezegd dat we niet kunnen waarnemen wat we niet kennen. Maar het omgekeerde geldt evenzeer: we zijn gedoemd om waar te nemen wat we kennen. Maak zelf maar de proef op de som met het volgende experiment.

♠ Daag jezelf ertoe uit om een in jouw moedertaal gehouden toespraak te beluisteren en daarbij ook abstractie te maken van de betekenis van de aldaar gesproken woorden en zinnen, zodat je alleen de geluiden hoort. Het is meteen duidelijk dat je daartoe helemaal niet in staat bent. Kan je een woord bekijken zonder het te lezen? Kan je een bekende ontmoeten zonder hem te herkennen? Dat is duidelijk niet het geval.

Je wordt willens nillens als het ware gehypnotiseerd door aangeleerde betekenissen, en zelfs in die mate dat je er niet meer buiten kan. Toch is dat helemaal geen slechte zaak. We weten immers al dat de dingen niets anders zijn dan hun betekenissen. Een wereld met dingen ontdaan van hun betekenissen zou wellicht een hel zijn. En ook dit kan je proefondervindelijk staven.

♠ Kies een heel gewoon woord uit, bijvoorbeeld een naam voor een concreet ding, zoals het woord tafel. Herhaal dat woord op een rustige manier gedurende enkele minuten. Na korte tijd zal je plotseling opschrikken, want het geluid dat je maakt bij het uitspreken van het woord tafel, zal je niet langer horen als het betekenisvolle woord tafel. Het woord zal je vreemd voorkomen omdat je door de veelvuldige herhaling de specifieke hersensporen welke het geluid verbinden met zijn betekenis, vermoeid hebt. Deze vaststelling vervult je met een zeker angstgevoelen. Tracht je nu ook voor te stellen wat je zou voelen indien dit proces zich zou voordoen met betrekking tot alles wat je kent. Geloof je ook niet dat de hele wereld voor jou zou verdwijnen in het niets?

Dat we moeten waarnemen wat we kennen, betekent meteen dat wij de 'gevangenen' zijn van betekenisgehelen die we niet zelf ontworpen maar wel aangeleerd hebben. Net zoals we ons lichaam ontvangen hebben en naar believen kunnen onderwerpen aan onze vrije wil, terwijl we toch slechts heel weinig van dat lichaam afweten, zo ook kunnen we al datgene wat we in ons leerproces ontvangen hebben, naar believen gebruiken. We mogen echter nooit vergeten dat we slechts 'gebruikers' zijn, en geen 'eigenaars' of 'bezitters'. Wat we niet kennend doorgronden, kunnen we immers niet bezitten. Daarom is bijvoorbeeld geld het enige wat bezeten kan worden - omdat het helemaal niet gekend hoeft te worden, want het is zonder inhoud. Geld heeft geen kwaliteit, het is louter kwantiteit.


De gegeven zin


We hebben tot nog toe enkel gesproken over de dingen uit de wereld: dat zijn dingen van menselijke makelij. We kunnen daarvan voorbeelden opsommen bij de vleet: een auto, een huis, een hamer… Maar er zijn ook dingen die niet door de mens gemaakt zijn, en in ons eerste hoofdstuk hebben we gezien dat deze dingen niet volledig (niet uitputtend) kunnen gekend worden door de mens. Voorbeelden daarvan zijn: stenen, water, bomen, dieren en niet in het minst wijzelf, mensen. Het gaat hier om dingen die ons gegeven zijn, natuurlijke dingen. En voor alles wat wij maken, hebben wij deze natuurlijke of gegeven dingen nodig.

De natuur kennen wij niet volledig. Wij kennen het wezen van de natuur niet. Herinner je dat het wezen van een ding, de zin van dat ding is. Wanneer we dus zeggen dat we het wezen van de natuur niet (volledig) kennen, dan betekent dit dat we de zin van de natuur niet (volledig) kennen. Waartoe bijvoorbeeld het leven dient, kunnen wij niet weten.

Wij kunnen wel een grote waardering hebben voor het leven: voor de plantenwereld, voor de dieren en voor onze medemensen. Maar waardering is niet hetzelfde als kennis. Waardering ligt aan de grondslag van kennis. Kennis is een waardevol ding naast vele andere.

We kunnen de zin van de natuur niet (uitputtend) kennen, maar dat betekent niet dat de natuur geen zin heeft. We erkennen de natuur als zinvol, alleen al omdat we die nodig hebben om te leven, en zo dwingt de natuur onze erkenning af. We merken dus dat het inzake de natuurlijke dingen duidelijk gaat om een andere soort van zin, dan de zin die wij terugvinden in de wereldse dingen.

We zouden kunnen zeggen dat de wereldse dingen (namelijk: onze instrumenten) een gebruikszin hebben, een utilitaire zin, een bepaald nut. De natuurlijke dingen blijken daarentegen een zin op zichzelf te hebben, een 'intrinsieke waarde'. Dat wij bijvoorbeeld leven, blijkt zinvol op zichzelf te zijn. Wij leven (althans aanvankelijk) niet zozeer met een bepaalde bedoeling, maar we leven graag, we waarderen het dat wij leven, we houden van het leven, ook al kunnen we het leven zelf niet begrijpen, ook al kunnen we het nut ervan niet bepalen, ook al kennen we de ultieme zin van het leven niet.

Dat de natuur (of: het gegevene) toch een zin heeft, weten wij wanneer wij de natuur ontdekken. Dingen die aanvankelijk betekenisloos leken, blijken later verborgen betekenissen te bevatten. De aarde zelf kan een vruchtbare akker zijn. De zon is zeker niet overbodig voor het leven. Insecten zijn niet zomaar lastige beesten, maar ook zij hebben een specifieke taak in het geheel van het natuurlijke gebeuren. De bliksem heeft miljarden jaren lang het geheim van de elektriciteit in zich opgeborgen gehouden, totdat deze natuurkracht door de mens ontdekt werd. De gegeven zin van de natuurlijke dingen moet door ons ontdekt worden.

Uiteindelijk leren wij de zin van de dingen ontdekken door het lijden: de pijn is het zintuig bij uitstek dat ons gevoelig maakt voor de werkelijkheid en voor God. Onze kennis is de vrucht van het lijden, omdat pas het problematische tot ons bewustzijn komt. Zo ook maakt de ervaring van het kwaad ons bewust van het Goede en van de realiteit van de innerlijke werkelijkheid. Daarom ook start bijvoorbeeld de zoektocht van de heilige Augustinus bij het probleem van het kwaad (- zie §6).


Het christelijke antwoord: zin is hoop


In wat voorafging hebben wij onszelf geconfronteerd met onze lichamelijke en geestelijke beperkingen. Ons denken kent grenzen, we hebben slechts vijf (begrensde) zintuigen, en ook onze handelingsmogelijkheden zijn gelimiteerd. In ons streven naar vrijheid, trachten wij, mensen, die (natuurlijke) beperkingen zoveel mogelijk teniet te doen. Daarom construeren we werktuigen uit al het materiaal dat ons ter beschikking staat. We heffen onze verstandelijke, zintuiglijke en andere lichamelijke beperkingen zoveel mogelijk op door allerlei dingen te maken die onze mogelijkheden vergroten. We zien beter met vergrootglazen en telescopen, we kijken in het verleden met foto- en filmmateriaal, we praten met elkaar via de telefoon en sinds vele duizenden jaren beluisteren we wat mensen uit lang vervlogen tijden ons te vertellen hebben via het schrift. We 'verlengen' onze benen met fietsen en auto's, we bewonderen en we benijden de vogels en we bouwen vliegtuigen en raketten, we overtreffen de vissen met schepen en met onderzeeërs. In navolging van de bijen en de mieren organiseren we ons in maatschappijen met sterk ontwikkelde economieën, met pedagogische scholen waarin elke nieuwe generatie de ervaring van al de voorgaande meekrijgt, en zo bevrijden we ons van de bizarre hulpeloosheid die ons, naakte en hulpeloze dieren, van oudsher te beurt viel. Het boek Genesis in de Heilige Schrift tracht hiervoor een verklaring te vinden: de mens, nochtans geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God (Genesis 1:27), heeft gezondigd tegen zijn schepper, en dat is de reden waarom hij zo moet vechten om te overleven.

Over deze tekst kan geredetwist worden. Maar als die 'verklaring' door mensen werd geschreven, dan is één ding zeker: deze verklaring is een zelfbeschuldiging. Met andere woorden: de mens van Genesis wijdt het aan zichzelf dat hij onvolmaakt is.

Sommigen vinden dit een onterechte zelfbeschuldiging. In vele culturen wordt aan God de schuld gegeven van de menselijke ellende, en zien mensen zichzelf als de dupe van onrechtvaardige goden: er zouden een soort van bovenmenselijke heersers zijn die een onsmakelijk spelletje spelen met de mens en met zijn lot. Zo bijvoorbeeld amuseren zich de Oud-Griekse goden met het menselijk leed, terwijl ze ook zelf met elkaar in een voortdurende strijd verwikkeld zijn. De Griekse tragedie onderstreept het noodlot op vele verschillende manieren - het noodlot dat een mens te beurt valt buiten zijn eigen bedoelingen en betrachtingen om. Denk maar aan de grote Griekse tragediespelen, zoals Oedipus Rex van Sophocles. Aan de ouders van Oedipus, prins van Thebe, wordt in het orakel voorspeld dat hij zijn vader zal doden en met zijn moeder zal huwen. Zijn ouders willen Oedipus en zichzelf behoeden voor dat wrede lot, en ze brengen het kind ver weg in de bergen. Maar eenmaal volwassen trekt Oedipus er op uit en het noodlot voltrekt zich: hij komt in aanvaring met een tegenligger, die hij doodt, en arriveert in een stad waar hij een weduwe huwt en zo op de troon terecht komt. Wanneer Oedipus ontdekt dat hij zo doende zijn noodlot heeft voltrokken, verwijt hij zichzelf de blindheid waarvoor hij niet verantwoordelijk kon zijn en, tot wanhoop gedreven, steekt hij zich de ogen uit. Talloze mythen verhalen diezelfde noodlottigheid, denk maar aan het verhaal van Orpheus en Euridicè en aan zovele andere. En die verhalen zijn ook bij ons, in de profane (wereldlijke) literatuur terug te vinden. Het gedicht De tuinman en de dood is daar een mooi voorbeeld van.

In de christelijke en de voor-christelijke traditie beschuldigt de mens zijn god niet: hij bewaart de hoop dat God het goed meent met hem. In onze traditie neemt de mens de schuld voor het onvolmaakte op zijn eigen schouders, in plaats van ze van zich af te schuiven. En dat maakt een heel verschil. De mens die door onze traditie wordt voortgebracht, getuigt van moed en dapperheid, en precies dat maakt onze traditie uniek in de wereldgeschiedenis. De christen zegt: we nemen de schuld voor alles wat misloopt op ons, en we trachten daaraan te verhelpen. Als God het goed met ons meent, dan kan hij ons daarvoor niet straffen. En als God onze schepper is, dan is hij onze vader, en oordeel nu zelf: welke ouder zou zijn eigen kinderen voor de gek houden? En wie de geschiedenis kent, zal het beamen: waar het Christendom onder het volk was, hebben mensen zich ontwikkeld, ze hebben gestreden, en daar is wetenschap en techniek ontstaan. Zelfbeheersing, of de beheersing van de eigen natuur, is vanzelfsprekend een voorwaarde voor natuurbeheersing in het algemeen. Wie door zijn natuur beheerst wordt, is er de slaaf van. Pas wie zijn natuur beheerst, bevrijdt zich geleidelijk van die natuurlijke beperkingen.

Zo heeft het Christendom van het nadeel van de mens een groot voordeel gemaakt. Waar de mens eerst benadeeld leek, vergeleken bij de dieren, heeft hij zich daar niet bij neergelegd: hij heeft zich hard ingespannen, en zo is hij begonnen aan een klim, gedreven door een uitzonderlijke hoop. De mens ontwikkelt, hij evolueert, in feite zet hij een evolutie verder die in de natuur zelf reeds lang aan de gang was. Er is een 'einde der tijden', een voltooiing van de schepping. Verderop in de tekst blikken we terug op de evolutie die sinds het begin der tijden gaande is in de natuur. In de hier volgende paragraaf bekijken we eerst een van de grootste visionairen uit de geschiedenis van het christelijke denken: de Franse Jezuïet Pierre Teilhard de Chardin.

vervolgt


12-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.3. Zijn en zin: een filosofische oefening


3. Zijn en zin: een filosofische oefening


Een trans-persoonlijke onderneming


Wanneer wij filosoferen, doen wij dat niet met een 'zuivere geest', zoals engelen dat verondersteld worden te doen: het denken vereist specifieke middelen, zoals ook elke andere ambacht dat doet. De instrumenten van ons denken zijn bovendien heel uitgebreid. Wij bedoelen weliswaar niet te zeggen dat onze denkmiddelen zelf het denken voortbrengen: indien we dat zouden geloven, dan zouden we bijvoorbeeld ook moeten geloven dat de hamer en de beitel van de steenhouwer, zijn beeld voortbrengen, of dat de pen van de schrijver de roman voortbrengt. Het ware vanzelfsprekend nonsens om aan het middel een bedoeling toe te schrijven. Maar wel is het zo, dat onze denk-middelen ons denken mede beperken en bepalen, net zoals de middelen welke de kunstenaar ter hand neemt om zich uit te drukken, de specificiteit van zijn werk bepalen. Het is ongetwijfeld goed dat wij ons van deze beperkingen rekenschap geven van bij het begin. Wij beogen hier allerminst een uitputtende opsomming te geven van alle factoren die een rol zouden kunnen spelen in de activiteit van het denken; we willen enkel wijzen op een aantal zaken, teneinde ons een idee te geven van de enorme complexiteit van de bijzondere onderneming die wij, mensen, aangaan wanneer wij 'ons verstand gebruiken', rationeel handelen of nadenken over de dingen en over onszelf. Andere uitgangspunten zijn weliswaar mogelijk, maar in het licht van deze summiere, inleidende beschouwing van wat filosoferen eigenlijk kan zijn, lijkt deze toegangsweg ons uit praktische overwegingen het meeste aangewezen.

Het is hier trouwens tevens zo, dat onze gedachten zelf tot onze wellicht meest belangrijke denkmiddelen behoren, en dat maakt de hele zaak er niet eenvoudiger op. De denker is op die wijze zoals de beeldhouwer wiens beelden op hun beurt telkens hamers en beitels vormen voor het kappen van steeds nieuwe beelden, die op hun beurt weer nieuwe beitels en hamers zijn. Deze overlapping van het middel en het product van het denken, doet ons tevens de vraag stellen naar onze initiële denkmiddelen, en het spreekt vanzelf dat ook zij reeds producten van het denken, of dus gedachten, zijn. Dit mag ons daarvan alvast overtuigen dat het denken, meer nog dan enige andere activiteit, geen strikt individuele aangelegenheid is, en dat het per definitie wortelt in reeds bestaande gedachten, en dus in de gedachten van anderen. Op de keper beschouwd, merken wij zodoende dat wij het denken helemaal niet bezitten zoals een beeldhouwer zijn hamer, zijn beitel en zijn beelden bezit: het denken lijkt zich daarentegen van ons te bedienen om aldus aan het licht te kunnen komen. Schijnbaar brengen wij gedachten voort, maar wezenlijk zijn wij slechts de middelen van het denken zelf: wij zijn de beitel en de hamer, waarmee gedachten zichzelf tot ontwikkeling brengen. De geest behoort ons niet toe zoals de hamer en de beitel ons toebehoren, want de geest overtreft ons; veeleer behoren wij toe aan de geest. Alles waar wij kunnen naar streven, bestaat erin een zo scherp mogelijke beitel en een zo krachtig mogelijke hamer te zijn; een zo gewillig mogelijk werktuig van de grote beeldhouwer die zelf geheel aan onze blikken ontsnapt, maar wiens greep en wiens beelden ons heel even iets laten voelen en raden van de bijzondere passie waarmee hij blijkbaar ook ons onafgebroken wil bezielen.


Onvolmaakte kennis


Wij kennen de wereld, de natuur en de werkelijkheid slechts heel gedeeltelijk. Onze kennis van de werkelijkheid, noemen wij ons werkelijkheidsbeeld. We vormen ons een beeld van de werkelijkheid aan de hand van onze zintuiglijke ervaringen, ons verstand, onze gevoelservaringen, onze handelingen ('gissen en missen') en de vele leerprocessen welke steunen op ons vertrouwen in onze ouders en opvoeders. Onze zintuigen zijn beperkt qua aantal en ook qua vermogen. Hetzelfde geldt voor alle andere middelen waarmee wij ervaren en leren. Een eerste vraag luidt: hoe vormen wij ons een beeld van de werkelijkheid, van de natuur en van de wereld? Met andere woorden: op welke manier komt de buitenwereld binnen in ons bewustzijn (in ons besef, in ons denken)? Hoe kunnen wij de wereld kennen?

De werkelijkheid is iets anders dan ons beeld van die werkelijkheid. In eenvoudige woorden: wij weten niet alles. Er is meer dan datgene wat wij kennen. En onze kennis is niet perfect: vaak blijken de dingen in de werkelijkheid nog heel anders in elkaar te zitten dan wij denken. Hoe komt het nu dat onze kennis van de werkelijkheid zo onvolmaakt is?

Enkele redenen voor de onvolmaaktheid van onze kennis van de (uitwendige en inwendige) werkelijkheid, zijn de volgende:

Wij hebben van de uitwendige, fysische, natuurkundige werkelijkheid pas kennis via onze onvolmaakte zintuigen, gedachten en handelingsmogelijkheden.

Verder moet in de eerste plaats worden vermeld dat de inhoud van onze kennis steeds een afbeelding vormt van de werkelijkheid. Daarenboven maken wij zelf deel uit van de werkelijkheid die we (in onze kennis) afbeelden.

Wij hebben van de innerlijke werkelijkheid pas kennis via ons onvolmaakt geweten en via ons onvolmaakt waardenstelsel.

Laten we dit nu eens uitleggen. We zullen eerst spreken over de uiterlijke wereld, daarna over onze innerlijke wereld.


Zintuiglijke kennis


Wat betreft de fysische, zintuiglijk waarneembare werkelijkheid, hebben wij slechts vijf zintuigen om die te kennen. Sommige dieren hebben slechts één of twee zintuigen, en ze zien de werkelijkheid dan ook helemaal anders dan wij. Mensen met bijvoorbeeld een aangeboren visuele handicap, kunnen wel een sterk ontwikkeld gehoor hebben, en zij zijn vaak goede pianostemmers en musici, maar ze weten niet wat licht is, en hun werkelijkheidsbeeld is dan ook heel eigen. Ziehier enkele voorbeelden.

♠ In de novelle Symphonie Pastorale (Herderslied), verhaalt André Gide hoe een blind meisje het gezang van de vogels in de ochtend toeschrijft aan de werking van het licht. De werkelijkheidservaring van de blinde verschilt van die van de ziende, maar niettemin kunnen ze beiden elkaar als mens volledig ontmoeten.

♠ Patrick Suskind laat ons in zijn roman Het Parfum binnentreden in de wereld van een psychopaat die echter over een uitzonderlijke reukzin beschikt. Dit bizarre en soms heel dierlijk aandoend wereldbeeld getuigt niettemin van een diep inlevingsvermogen in de wereld van de psychopaat. Het leert ons meteen te begrijpen dat een 'gezond' wereldbeeld helemaal niet zo vanzelfsprekend is.

♠ Bijen nemen het voor ons onzichtbare ultraviolet licht waar. Met bijenogen zouden wij de dingen heel anders waarnemen, en beeldende kunstenaars en cineasten poogden ons reeds indrukken te geven van de visuele ervaringwereld van de bijen. Maar hoe het echt is om als een bij te zien, zal voor ons altijd een raadsel blijven. Op de keper beschouwd kunnen we ons zelfs geen beeld vormen van hoe onze naaste buurman de wereld ervaart. Meer nog dan dat, kunnen wij ons middels ons geheugen bij onszelf vergewissen van het feit dat onze eigen ervaringswereld voortdurend verandert. Zo kan na het oplopen van een trauma de ervaringswereld van een mens een zodanige wending nemen, dat deze persoon zelf als het ware een heel ander iemand wordt.

♠ Vleermuizen gebruiken supersonische geluidjes welke zij laten terugkaatsen op de voorwerpen uit hun omgeving, teneinde deze te kunnen situeren; zij doen van nature wat onze mariniers doen middels hoogtechnologische apparatuur wanneer zij op die manier de zeediepte peilen.

De eigenschappen of de kenmerken van alle dingen komen ons via slechts vijf zintuigen tegemoet. Het aantal van onze zintuigen is dus beperkt. Bovendien zijn elk van die zintuigen zelf nog eens beperkt inzake hun waarnemingsbereik. Ziehier enkele voorbeelden.

♠ Wanneer we wit licht door een prisma laten vallen, verdeelt dat licht zich in bundels van verschillende golflengten (het lichtspectrum). Het licht dat doorheen het prisma gegaan is, is niet langer wit licht: het prisma heeft het wit licht opgedeeld in verschillende kleuren, namelijk in: Rood, Oranje, Geel, Groen, Blauw, Indigo en Violet. Je kunt de reeks kleuren gemakkelijk onthouden met de volgende truc: in het woordje 'ROGGBIV' verwijst elke letter naar de eerste letter van een bepaalde kleur. Er zijn nog meer kleuren dan deze die we opgesomd hebben, maar de golflengte van die kleuren is ofwel te kort ofwel te lang om door onze ogen waarneembaar te zijn. Die kleuren zijn er, maar we kunnen ze niet zien. Infrarood en ultraviolet worden pas waarneembaar middels speciale hulpmiddelen, zoals bijvoorbeeld de infraroodcamera, of met speciale ogen, zoals de facetogen van bijen en andere insecten.

♠ Geluiden zijn golven (of: trillingen) welke zich voortplanten doorheen bijvoorbeeld de lucht. Ook doorheen het water kunnen geluiden zich voortplanten. Golven zijn geen stoffelijke dingen: het zijn bewegende vormen, vormen die zich voortbewegen of voortplanten. Maar om zich te kunnen voortplanten hebben vormen wel stoffelijke dingen nodig, meer bepaald: stoffelijke dingen die elastisch (uitrekbaar en samendrukbaar) zijn, zoals lucht of water. Als je een steen in het water gooit, dan zie je steeds groter wordende kringetjes verschijnen op het wateroppervlak, en die noem je ook 'golven'. In werkelijkheid zijn die kringen er ook in de diepte van het water zelf, maar daar kan je ze niet zien: je ziet ze alleen aan het oppervlak, waar water en lucht elkaar raken. Zo ook kan je de geluidsgolven niet zien, maar je kan die wel horen. Wanneer geluid gemaakt wordt, trilt de lucht. De trommelvliezen in je oren, die heel fijne en gevoelige vliesjes zijn, trillen met de lucht mee. Op die manier 'voel' je eigenlijk het geluid met je oren, net zoals je een diep dreunen of daveren ook kan voelen met je huid. Het is trouwens bekend dat we ook met onze huid 'horen', meer bepaald voelen we met onze huid de allerlaagste tonen, zoals het geluid van een donderslag, een pauk of een gong. De oude LP's (vinylplaten) genieten de voorkeur van echte muziekliefhebbers, omdat op de CD's, mét de ruis, ook al die diepe tonen die we alleen met onze huid kunnen waarnemen, weggefilterd worden. Te hoge (supersonische) tonen of te lage (infrasonische) tonen horen we dus niet meer: onze gehoorszin is beperkt.

♠ Ook onze tastzin is beperkt. We kunnen die wel ontwikkelen, zoals blinden dat noodgedwongen doen. Door veel oefening kunnen zij met de vingertoppen Brailleschrift lezen.

♠ Ook onze reukzin en onze smaakzin zijn beperkt. Mensen met een smaakzintuig dat zeer sterk ontwikkeld is, zijn meestal gastronomen; zij kiezen vaak het beroep van kok en zijn dan ook in staat om ons smaakzintuig op verrukkelijke wijze te strelen. Het minst van al is de menselijke reukzin ontwikkeld. Onze reukzin is zo onderontwikkeld dat wij zelfs geen woorden gemaakt hebben voor specifieke geuren. Toch zijn er mensen met een uitzonderlijke neus, echte speurders, zoals een hedendaagse Nederlandse detective, die aan deze bijzondere eigenschap dan ook zijn bijnaam - 'de neus' - ontleent. Honden bijvoorbeeld hebben een zeer sterk ontwikkeld reukzintuig.

De manier waarop we naar de dingen kijken wordt door ontelbare factoren bepaald. De gezonde voetganger, de blinde, de kreupele, de autobestuurder of de treinreiziger leggen elk een heel andere weg af van Brussel naar Gent, ook al nemen zij dezelfde route. De verandering van onze hormonenhuishouding in de puberteit, seksueert onze ervaringswereld en voegt er aldus een zo rijke dimensie aan toe, dat onze wereld er ook echt door verandert. De hongerige loopt met andere ogen door de straten dan de verwende jongeling die op zoek is naar zijn lievelings-CD. De geringste daad die wij stellen, kan onze werkelijkheidsbeleving en daardoor ook onze werkelijkheid zelf ingrijpend wijzigen, ten goede of ten kwade, en hetzelfde geldt voor het geluk of het ongeluk dat ons buiten onze wil kan overkomen. Zelfs alleen maar de mogelijkheid dat zulks gebeurt, kan van onze vertrouwde omgeving een dranghekken of een plaats van blijde verwachting maken. Het is van het grootste belang dat we ons het geperspectiveerd karakter van ons wereldbeeld realiseren, teneinde ons te kunnen inleven in werelden van ontelbare anderen: van ons inlevingsvermogen hangt het tenslotte af of onze werelden ons zullen scheiden of verenigen.

Nochtans mogen deze beschouwingen ons niet doen vervallen in het gevaarlijke relativisme, dat de mogelijkheid van menselijke ontmoetingen a priori buiten spel zet via haar miskenning van een mogelijke gedeelde werkelijkheid. Want dat bijvoorbeeld een kind op een gegeven leeftijd tot de ontdekking komt dat de meeste andere kinderen een andere moeder hebben dan de zijne, kan bezwaarlijk een reden zijn om de waarde van zijn eigen moeder te gaan relativeren. Integendeel zal de ervaring van deze diversiteit aan het gezonde kind het begrip bijbrengen van het moederschap als zodanig, dat hij als intrinsiek waardevol kan leren waarderen.


Een beperkt lichaam


Niet alleen ons voorstellingsvermogen, onze fantasie en ons denken zijn beperkt: ook onze handelingsmogelijkheden zijn zeer gelimiteerd. Het menselijk lichaam is een broos organisme dat in een toestand van voortdurend onevenwicht verkeert: de zogenaamde 'homeostase'. De perfecte harmonie wordt pas bereikt met het intreden van de dood, wanneer het ontbindingsproces aanvangt. Het lichaam vecht onafgebroken voor het leven. Elke ademhaling is een verweer tegen de verstikkingsdood, elke hartslag is onmisbaar, de geringste functie van de kleinste van onze meer dan twintig biljoen lichaamscellen is nodig om in leven te blijven. Wij moeten eten om te overleven, alles in de juiste hoeveelheid, geen van de vele elementen die de natuur rijk is, mag ons ontbreken voor onze zelfinstandhouding. En zo leeft ons lichaam, zo kunnen wij bewegen en handelen. Maar dat alles in een zeer beperkte mate. Veertig kilometer per uur is zowat de maximum snelheid die wij als mens kunnen bereiken als wij lopen, en dat houden wij bovendien geen tien seconden vol. De meesten onder ons kunnen geen vijftig kilogram boven het hoofd tillen. De verste steenworp bedraagt geen tweehonderd meter. De Olympische Spelen, theater van het fysieke kunnen van de mensheid, zijn meteen het instituut dat nauwkeurig de absolute grenzen van ons lichamelijk prestatievermogen registreert.

We leren de werkelijkheid kennen met onze zintuigen, maar wij doen ook kennis op door te handelen: we proberen namelijk allerlei dingen uit: we gissen en missen ("trial and error", "vallen en opstaan"). In ons dagelijks werk leren we voortdurend uit onze fouten.

Tenslotte leren wij ook via tradities: we doen kennis op die aan ons doorgegeven wordt door onze ouders en opvoeders. We vertrouwen ons op wat zij ons leren. Precies doordat wij kunnen leren op basis van vertrouwen, kunnen wij de ervaringen en de kennis van vele anderen te baat nemen. Elke nieuwe generatie bouwt voort op de kennis van al de voorgaande.


Werktuigen


Waar onze zintuigen of onze handelingen tekort schieten, behelpen wij ons met werktuigen. We kunnen allerlei instrumenten bouwen om ons waarnemingsvermogen en ons handelingsvermogen te verbreden en om zo steeds dieper door te dringen tot het wezen van de werkelijkheid. Mensen hebben heel wat instrumenten of werktuigen gebouwd.

Voorbeelden van werktuigen zijn: de hamer, de tang, de pen, de stoel en de tafel, de fiets, de telefoon, de sterrenkijker, het huis, de stad, de computer, de wetenschappen, de economie en de handel, het onderwijs, de gesproken taal, de schrift...

Werktuigen zijn dus eigenlijk 'verlengstukken' van onze zintuigen en van onze handen: ze maken ons lichaam krachtiger, beter, verfijnder. En samen vormen al die verlengstukken of werktuigen onze wereld. De ene wereld is dus niets anders dan het verlengstuk van onze lichamen dat we gemeenschappelijk hebben. De wereld is ons gemeenschappelijk lichaam. In de wereld communiceren wij.


Kennen en kiezen


Wat ons geweten betreft, dat onze waardenschaal bevat, moeten we goed begrijpen dat al datgene wat wij voor waarheid houden, uiteindelijk bepaald wordt door waarden. Iemand kan voor waar houden wat (principieel) bewezen kan worden, en al de rest bestempelt hij ofwel als onwaar, ofwel als onzin. Een ander kan voor waar houden wat zijn baas zegt, zijn echtgenote of de paus. Nog een ander kan aannemen dat datgene waar is, wat werkt ("true is what works"). Elk van deze drie hanteren een eigen waardencriterium, een eigen maatstaf welke bepaalt wat waarheid is. Het experimenteel verificatiecriterium, het autoriteitscriterium en het pragmatisch criterium zijn slechts enkele voorbeelden van maatstaven voor het kiezen van de waarheid. De maatstaf wordt gekozen op grond van een specifieke waardering.

Het is dus uiteindelijk ons geweten, en niet zomaar een vermeende 'objectieve' (onafhankelijke, waardevrije) kennis, dat ons in staat stelt om de waarheid te zien.


Onze wereld, de natuur en de werkelijkheid


De mens ziet de werkelijkheid op vele verschillende manieren, naar gelang de tijd waarin hij leeft, naar gelang het land en de cultuur waarin hij is opgegroeid. Er zijn dus vele verschillende wereldbeelden mogelijk. Het wereldbeeld van de Oude Grieken is anders dan dat van de Pygmeeën, en nog anders dan dat van de materialisten. Hindu's hebben weer een ander wereldbeeld, en ook de Chinezen, de Perzen, de Oude Egyptenaren en noem maar op.

Ons westerse wereldbeeld is gegroeid uit de cultuur van de Oude Grieken die, met de filosofie, de basis legden van de wetenschappen. Ons wereldbeeld heeft dan ook een zeer wetenschappelijk karakter. Verderop in deze tekst volgt een overzicht van de evolutie van het westerse wereldbeeld in de loop van onze cultuurgeschiedenis. Hier beperken we ons tot een meer filosofische bespreking van de werkelijkheid.

Wat is nu het verschil tussen onze wereld, de natuur en de werkelijkheid?

Het woord 'natuur' komt van het Latijnse 'nasci', wat wil zeggen: 'geboren worden'. De natuur is alles wat ons gegeven is, wat aangeboren is: het is alles wat wij niet zelf gemaakt hebben, alles wat er al is vooraleer wij, mensen, aan het werk gaan.

De wereld is datgene wat wij, mensen, tot stand brengen door onze arbeid. Wanneer we iets maken, hebben we vanzelfsprekend grondstof nodig om dat te doen, en die grondstof maken we niet zelf: die is natuurlijk. Vanzelfsprekend kan je tegenwerpen dat wij ook uit plastic dingen kunnen maken, en plastic komt niet voor in de natuur. Dat is heel correct, maar in die zin is de plastic zelf reeds een menselijk product. Plastics worden vervaardigd uit aardolie, en aardolie is een natuurproduct.

De werkelijkheid is alles wat werkelijk is, wat waar is, wat bestaat. Tot de werkelijkheid behoren dus zowel de natuurlijke als de wereldlijke dingen, en zelfs onze dromen en onze illusies zijn echt, zijn werkelijk - maar dan wel als dromen, als illusies.

Nu hebben we de wereld, de natuur en de werkelijkheid onderscheiden met het oog op een ander, bijzonder onderscheid dat wij moeten leren maken teneinde ons van een solide kijk op de dingen te verzekeren, en dat is het onderscheid tussen, enerzijds, het (door God) geschapene en, anderzijds, het (door de mens) gemaakte.


Het gemaakte en het geschapene


Het is inderdaad aantoonbaar dat er een hemelsbreed onderscheid bestaat tussen, enerzijds, natuurlijke dingen (die we ook 'geschapen dingen' noemen) en, anderzijds, dingen die wij, mensen, gemaakt, vervaardigd, samengesteld of geconstrueerd hebben uit natuurlijke dingen.

Dat we zo'n onderscheid maken is heel belangrijk. Het is namelijk zo, dat wij alleen die dingen tenvolle kunnen begrijpen, die wij zelf gemaakt hebben. De geschapen dingen daarentegen, kunnen wij nooit tenvolle begrijpen: we kunnen er wel heel wat over leren, maar hun wezen blijft een raadsel, een geheim.

Beschouwen we eerst de dingen die we zelf gemaakt hebben. Daarna zullen we het hebben over de dingen die geschapen zijn.

Zoals gezegd, is de werkelijkheid één zaak, ons beeld van de werkelijkheid is een andere zaak. Wij kennen de werkelijkheid pas via onze beelden van de werkelijkheid, ook wereldbeelden genoemd. Die wereldbeelden verschillen onderling, naar gelang de tijd en de cultuur. Vaak geloven wij dat wij zekere kennis kunnen hebben over de werkelijkheid, terwijl dat niet het geval is. Zekere kennis is wel mogelijk met betrekking tot onze wereldbeelden, omdat wij zelf de scheppers van onze wereldbeelden zijn. Maar de afstand van een wereldbeeld tot de werkelijkheid zelf, is een flinke sprong die wij niet zonder kleerscheuren maken. Laten we dat eens van naderbij bekijken.


Nemen we als voorbeeld van een wereldbeeld, de Euclidische meetkunde van het vlak. We construeren deze meetkunde middels een aantal axioma's. Axioma's zijn beginselen, grondstellingen, afspraken of spelregels, welke ons toelaten om daaruit afleidingen te maken. Vanuit de axioma's die we van bij het begin afspreken of aannemen, kunnen we een groot aantal altijd ware stellingen (ook tautologieën genoemd) afleiden. In onze meetkunde nu, kunnen we bijvoorbeeld alle meetkundige objecten die zich op het vlak situeren, perfect definiëren of kennen. En we doen dat door hun positie te bepalen. Zo bijvoorbeeld kunnen we in het door ons assenstelsel georiënteerde vlak, een punt x bepalen middels zijn coördinaten: x heeft als coördinatenkoppel (a,b), en met dat coördinatenkoppel is de positie van x, en dus ook het wezen (of de essentie) zelf van x volledig bepaald, want een punt in het vlak is niets anders dan zijn positie.

Nemen we daarentegen een ding W uit de werkelijkheid waarin ook wijzelf ons bevinden, dan kunnen we bij benadering, dit wil zeggen met in achtneming van een bepaalde foutenmarge, eventueel wel de positie van dat ding W bepalen, maar daarmee is dat ding W niet volkomen bepaald. Het bewijs hiervoor is eenvoudig. Als we de coördinaten van x kennen, dan kunnen we x perfect reconstrueren. Maar als we van het werkelijke ding W de coördinaten zouden kennen (gesteld dat W een fysisch ding is en dat we over een vast coördinatenstelsel met drie assen zouden beschikken in de werkelijkheid), dan zouden we alleen nog maar de plaats of de positie van W kunnen bepalen. En dit is nog maar één eigenschap van dit werkelijke object. Die volstaat zeker niet om W volledig te reconstrueren. Als W een appel zou zijn, dan dienen we ook nog de kleur te bepalen, het materiaal waaruit die appel samengesteld is, en bijvoorbeeld ook zijn kiemkracht. We kunnen van die appel eigenschappen blijven opsommen zonder hem ooit volkomen bepaald te hebben.

Onze conclusie luidt, dat wij de zelfgemaakte dingen wel kunnen definiëren of kennen, maar de werkelijke dingen kunnen wij nooit uitputtend kennen, precies omdat wij ze niet zelf ontworpen hebben. De werkelijkheid is geen eindig maaksel van de mens, hij heeft daarentegen een onpeilbare diepte.


Een ding is zijn zin


Laten we nu eens een poging ondernemen om het wezenlijke van de dingen aan het licht te brengen. We doen (opnieuw) een eenvoudig experiment: we sommen een aantal dingen uit onze wereld op. Bijvoorbeeld: een auto, een zwembad, een huis.

We trachten vervolgens deze objecten te definiëren. Een ding definiëren betekent: met woorden bepalen wat het wezen van dat ding is. Anders uitgedrukt: we zeggen wat de grenzen van het ding zijn (de-finire is een Latijns werkwoord dat betekent: afgrenzen, bepalen, met palen omgrenzen). Een geslaagde definitie laat ons toe dat wij ons aan de hand van deze definitie het ding in kwestie kunnen voorstellen. Met zijn definitie vinden wij het ding terug, net zoals wij een akker terugvinden door middel van de palen die hem afgrenzen. Zo kunnen we dus zeggen:

"Een auto is een ding dat dient om snelle verplaatsingen mogelijk te maken".

"Een zwembad is een ding dat dient om in te zwemmen".

"Een huis is een ding dat dient om in te wonen".

Deze definities kunnen vanzelfsprekend nog verbeterd en uitgebreid worden, maar we beperken ons hier tot het definiëren van het wezenlijke van de betreffende dingen.

Vragen we ons nu af wat het wezenlijke van deze definities is. Met andere woorden: wat hebben al deze definities (van alle mogelijke verschillende dingen) gemeenschappelijk?

Wanneer je opnieuw de gegeven definities bekijkt, dan zie je dat wij het gemeenschappelijke daarin in vetjes gezet hebben. Zoals je kan zien, hebben wij het wezen van de dingen bepaald door aan te geven waartoe deze dingen dienen. Je kan nog heel wat andere dingen uit onze wereld opnoemen, je kan deze dingen allemaal definiëren, en je zal merken dat de gevonden definities steeds dienen aan te geven waartoe de dingen in kwestie dienen.

Welnu, "datgene waartoe de dingen dienen", noemen wij gewoonlijk de functie, de betekenis of de zin van die dingen. Het definiëren van een ding gebeurt dus door aan te geven wat de zin van dat ding is. Nu weten wij dat een definitie van een ding het wezen van dat ding aangeeft. En wat blijkt? Het wezen van een ding is niet het materiaal waaruit het ding vervaardigd werd, het is ook niet de vorm van dat ding, maar het is de zin van dat ding. Het wezen van een ding is de zin van dat ding. Laten we nu eerst nog enkele zaken verduidelijken.

Het wezen van een ding heeft niets te maken met het materiaal waaruit het gemaakt werd. Een auto kan gemaakt zijn uit blik, maar ook uit plastic, uit staal, zelfs uit hout. Ook het materiaal waaruit men een zwembad bouwt, kan heel verschillend zijn. Er zijn zwembaden uit marmer en er zijn ook opblaasbare zwembaden uit rubber of uit plastic. Er zijn zelfs zwembaden waar geen gesofisticeerd materiaal komt bij kijken. Zo bijvoorbeeld kan men een kuil die in de aarde wordt uitgegraven en die gevuld is met water, een zwembad noemen. Een huis is vaak uit stenen opgebouwd, maar er zijn ook houten of betonnen huizen en in de moderne architectuur worden nog talloze andere materialen aangewend. Eskimo's wonen in een iglo: een 'huis' dat opgebouwd is uit ijsblokken. In bepaalde streken worden huizen opgebouwd uit heel lichte materialen, zoals palmboombladeren, bijvoorbeeld uit voorzorg, zodat hun bewoners niet omkomen onder het puin, in geval van een aardbeving. Zo was het onverstandig van de Engelse kolonisten in het vaak door aardbevingen getroffen India, om daar de lichte hutten door westerse, stenen huizen te vervangen. Kortom: het materiaal zelf is niet essentieel, niet wezenlijk voor een ding; het is verwisselbaar.

Het wezen van een ding heeft ook niets te maken met zijn vorm. Er bestaan auto's, zwembaden, huizen, stoelen en noem maar op, in allerlei vormen en formaten. Vaak zijn bepaalde vormen vanzelfsprekend meer geschikt dan andere, zoals ook bepaalde materialen meer geschikt zijn dan andere, maar slechts zelden is het zo dat een ding uit slechts één bepaald materiaal kan samengesteld zijn, of dat het slechts één vaste vorm kan hebben. Herinner je Magritte: een afbeelding van een pijp heeft de vorm van een pijp, maar is geen pijp: "Ceci n' est pas une pipe". Een pijp moet men kunnen roken.


Het wezen van de dingen ligt in de toekomst


Het wezen van om het even welk ding uit onze wereld heeft alles te maken met de functie of de zin van dat ding. Iets dat dient om nagels mee in de muur te kloppen, is een hamer. Iets dat dient om gesprekken op grote afstanden mee te voeren is een telefoon. Uit welk materiaal deze zaken bestaan of welke hun vorm is, is meestal bijzaak.

Een ding is dus gelijk aan zijn zin of zijn betekenis. Het wezen van een ding is zijn zin, datgene waartoe het dient, datgene wat nog niet verwezenlijkt is, datgene wat zich in de toekomst bevindt.

En zo komt het dat het de doeleinden van de dingen zijn, die het wezen zelf van deze dingen bepalen: het wezen van alle dingen hangt als het ware vast aan hun bestemming.

Zo ook bestaat het wezen van de wereld in zijn werktuiglijkheid: de wereld is een gemeenschappelijk verlengstuk van onze lichamen waarin wij elkaar ontmoeten en waarin wij kunnen samenwerken.

Beschouwen we nu ook de dingen die niet door ons gemaakt zijn, en dat is de hele natuur, wijzelf incluis: het wezen van de natuur is datgene wat dient om het leven mogelijk te maken. En ook het wezen van de natuur valt samen met zijn zin, maar er is een groot verschil: de natuurlijke zin is niet door mensen gemaakt: hij is ons gegeven door God.

En hoewel wij deze zin niet met ons verstand kunnen achterhalen, weten wij wel wat we moeten doen om goed te doen. In dat verband kunnen we voorlopig besluiten: het goede handelen is dat handelen dat in overeenstemming is met de zin van de dingen. Het kwaad is het handelen tegen de zin van de dingen in.


Ons gemeenschappelijk lichaam


We hebben tot nu toe gezien dat onze wereld eigenlijk één groot lichaam is dat wij allen gemeenschappelijk hebben. Elk individu is (lichamelijk en verstandelijk) zeer beperkt, maar wij trachten onze beperkingen te overstijgen door instrumenten te bouwen. Die instrumenten zijn daarom eigenlijk een soort van 'verlengstukken' van onze handelingsmogelijkheden (onze mogelijkheden om waarnemingen te doen, om kennis te vergaren, om dingen te ondernemen). Al die verlengstukken samen vormen één groot instrumentarium, dat wij onze wereld noemen. Binnen dat instrumentarium (dat alles omvat wat wij gemeenschappelijk hebben en zijn) werken wij allen samen, communiceren wij, vormen wij een 'commune', een gemeenschap. Net zoals onze organen allemaal samenwerken binnenin ons lichaam. Daarom noemen wij onze wereld: ons gemeenschappelijk lichaam.

Maar onze wereld is niet zomaar een buitenwereld, iets dat alleen buiten ons zou bestaan. De wereld heeft ook een innerlijkheid. Alle dingen in onze wereld (voorwerpen, levende wezens, gebeurtenissen) hebben een innerlijke kant, een ziel. En die ziel is met onze eigen ziel verbonden. Wij ontdekken dit wanneer we vragen naar de zin van de dingen.


Zin


Laten we ons dus afvragen wat een functie of een zin eigenlijk is. We vragen ons af hoe we het begrip 'functie' of 'zin' kunnen definiëren.

Wanneer wij zeggen dat een auto een ding is dat dient om ons snel mee te verplaatsen, dat een zwembad een ding is dat dient om in te zwemmen, of dat een huis een ding is dat dient om in te wonen, dan merken wij dat de 'functie' of de 'zin' van een ding iets is dat steeds betrekking heeft op (menselijke) handelingen of handelingsmogelijkheden.

We zeggen dan dat de auto in functie staat van onze verplaatsingmogelijkheden.

Het zwembad staat in functie van bepaalde sportieve handelingsmogelijkheden.

Het huis staat in functie van ons wonen.

Het is ook mogelijk dat een zin in betrekking staat tot gebeurtenissen die geen menselijke handelingen zijn, maar in dat geval gaat het bijvoorbeeld om een natuurlijke zin, niet om een door de mens gegeven zin.

Het begrip 'functie' of 'zin' duidt dus op een relatie. Meer bepaald: de functie of de zin van een ding, is datgene wat het ding verbindt met onszelf, met ons handelen, met onze mogelijkheden en bedoelingen.

Merk nu op dat bijvoorbeeld de auto zijn zin gekregen heeft van de mens, die hem ontworpen heeft. Hoe is dat in zijn werk gegaan? We kunnen dit proces gemakshalve in vier stappen weergeven:

1) Wij weten onszelf beperkt in onze verplaatsingsmogelijkheden die aanvankelijk afhankelijk zijn van ons lichaam.

2) Wij verlangen ernaar om die beperking zoveel mogelijk op te heffen.

3) Vanuit dat verlangen, maken we aldus een plan in ons hoofd: we fantaseren ons een ding dat ons toelaat om snellere verplaatsing mogelijk te maken.

4) Vervolgens trachten we uit het gegeven natuurlijke materiaal dat wij kunnen vinden, een ding te construeren dat beantwoordt aan ons plan.

Op die manier komt een auto tot stand, of een huis, een zwembad, een hamer en noem maar op.

De auto, het huis, het zwembad en de hamer zijn dus niet zomaar materiële dingen: het zijn wel uit materie gemaakte dingen, waaraan echter niet langer de materie essentieel is, maar wel de functie. Een huis waarin men niet kan wonen, is geen huis (bijvoorbeeld een kaartenhuisje). Met een ding dat wel de vorm heeft van een hamer, maar waarmee men niet kan kloppen omdat het vervaardigd is uit porselein, kan men niet kloppen, en dat ding is dan ook geen hamer. Een opblaasbare 'auto' uit plastic is geen auto want men kan er niet mee rijden; het is een ballon.

Kortom: de dingen uit onze buitenwereld hebben een functie of een zin, en die functie of zin verwijst naar onze binnenwereld, naar onze plannen, naar onze handelingsmogelijkheden. Vandaar mogen wij besluiten: het wezen van de dingen (namelijk hun zin) verwijst naar ons eigen wezen.


vervolgt


11-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2.3. Mystiek

2.3. Mystiek

!Oh, dichosa ventura!
Lied voor Bariton en Symfonisch Orkest
(Tekst: San Juan de la Cruz; muziek; Jan Bauwens Serskamp 2005)

Muziekvideo - klik:   http://media.putfile.com/Oh-dichosa-ventura-lied-Jan-Bauwens-Serskamp-2005


Meer mystiek: zie ook de muziekvideo's "Canciones" van San Juan de la Cruz en "De Zee": klik
http://www.bloggen.be/musica/ en klik het gewenste aan in de inhoudstafel.


De kosmologie, het onderzoek naar de kosmos waarin wij leven, vertrekt vanuit een filosofische vraagstelling. Het is eigen aan de mens dat hij nadenkt - Aristoteles noemde de mens een 'denkend dier'. Maar de filosofie zelf, en ook de wetenschappen die uit haar voortkomen, gronden in een nog diepere laag van ons bewustzijn: wij denken na omdat we ons verwonderen. Verwondering is het diepe gevoel dat ontspringt aan het intense besef van het mysterie van ons bestaan. De verwondering gaat nog veel verder dan de 'Aha-Erlebnis', verder ook dan het geboeid bezig zijn met al dan niet wetenschappelijke raadsels. De wetenschappelijke activiteit is heel zinvol, maar mag ons niet de kern van de zaak doen vergeten, want dan werkt ze bedwelmend in plaats van geestverruimend. De zuivere verwondering gaat over in aanbidding, en is in feite mystiek. Om tot mystieke ervaringen te komen, hebben wij in feite geen wetenschappen nodig: de vonk van de schoonheid, en zelfs de intense ervaring van het lijden, kunnen dit contact met het diepste wezen der dingen teweeg brengen. Vele antwoorden werden gegeven, maar de 'vraag' blijft en haar intensiteit neemt alleen maar toe.

De kosmos is verwonderend en beangstigend. Je herinnert het je beslist uit je kindertijd: die zomernacht dat het zo warm was dat je de slaap niet kon vatten. Je kwam het bed uit en je liep naar buiten, op zoek naar verkoeling. Alles was in duisternis gehuld, alles was verlaten en stil, haast heilig. Alles rustte in de zwoele en windstille nacht. De bomen in de tuin sliepen. De hele ruimte baadde nog in een zoete geur van bloemen. Wat droomden de vogels, verborgen in de holten van de kruinen? En dan wierp je een blik omhoog, en zag je het: het firmament. Overdag verduisterd door het licht, parelde hij nu in alle hevigheid - de sterrenhemel. Je ging ruggelings liggen op het gazon om het spectakel beter te kunnen observeren. Hoe langer je toekeek, des te meer sterren je kon tellen. Hun aantal bleek zo groot. Ontelbaar, oneindig, zonder einde, eindeloos ver, eindeloos groot. Je zag de eindeloosheid van de ruimte. En plotseling drong het tot je door, één ogenblik maar: dat jij zelf deel uitmaakt van die eindeloze ruimte. Dat jij een wezentje bent op één van die ontelbare sterren in het firmament. Dat je meedraait en kolkt in die toverachtige spiraal, die nevel van sterren, verloren ronddolend in de eindeloze ruimte.

Wat je toen beleefd hebt, is wat men in geleerde termen noemt: het 'fascinans' (datgene wat tot de verwondering aanzet) en het 'tremendum' (datgene wat doet beven) - twee facetten van de religieuze ervaring. De Franse filosoof Blaise Pascal (1623-1662) schreef: "De stilte van de eindeloze ruimte beangstigt mij".

Hoe wonderbaarlijk schoon de sterrenhemel ook is, hij doet je beven. Het aanzicht van het heelal geeft je een besef van de menselijke nietigheid. Minder nog dan een stofje ben je in het heelal van de materie. Misschien heb je zo'n ervaring ook al 'ns gehad toen je verloren liep in een bos, op een strand of op een eindeloze akker. Pas wanneer een mens uit zijn vertrouwde omgeving wordt weggerukt, voelt hij de angst van zijn eenzaamheid. Zolang wij in onze vertrouwde omgeving vertoeven, voelen wij helemaal niets, en kan het ons ook niet deren dat wij slechts een voorbijgaand stofje zijn in het oneindige heelal. Het lijkt wel alsof onze vertrouwde omgeving ons verdooft voor dat soort van waarheden. Zo komt het dat wij het merendeel van onze levenstijd eigenlijk niet beseffen hoe we er als mens aan toe zijn. We laten het niet tot ons doordringen dat we slechts nietige schepsels zijn, we denken er niet aan dat onze dagen geteld zijn, dat er een dag komt die onze laatste zal zijn, en dat elke dag die dag kan zijn. Het zou ook niet gezond zijn om daar voortdurend aan te denken, maar evenmin is het goed om er nooit bij stil te staan.



Het brandende braambos


Sommige mensen geraken zo gefascineerd door het heelal dat ze hun leven wijden aan de studie ervan, die men de kosmologie noemt, of de astronomie: de wetenschap van het heelal of de sterrenkunde. Deze studie geeft wel antwoorden op de vragen die de mens zich vanuit zijn verwondering stelt, maar eigenaardig genoeg duiken daarbij uit elk antwoord weer nieuwe vragen op. En die nieuwe vragen doen onze aanvankelijke verwondering alleen maar toenemen. De astronoom wordt nooit bevredigd, zijn honger naar kennis en zijn verwondering nemen in de loop van zijn studie slechts toe. Het blijkt inderdaad zo: hoe meer men weet, des te beter beseft men hoe weinig men weet. En als men beseft dat men weinig weet, verlangt men nog meer naar kennis dan voordien. De vragen die wij ons stellen, vormen de brandstof voor ons verlangen en voor onze kennisdrang, maar deze brandstof geraakt nooit op - integendeel, ze blijft aangroeien. Onze verwondering is daarom zoals de brandende maar nooit opbrandende braamstruik: heilig.



De hiërarchie in de natuur


Ook het natuurlijke leven is verwonderend en wreed. In de natuur geldt het principe van de struggle for life en het recht van de sterkste, het principe van het botte egoïsme en de meedogenloosheid. Elke cel reageert volkomen egoïstisch, zelfs het elementaire principe van de natuurlijke solidariteit ('een oog voor een oog, een tand voor een tand') is haar vreemd: als het haar zo goed uitkomt, zal zij een oog en een tand nemen en zich dan uit de voeten maken. Een cel eet en vreet ten koste van haar omgeving; een kankercel woekert en ontziet het lichaam niet waarvan zij deel uitmaakt; een parasiet blijft er volkomen koud bij als hij zijn gastheer doodt; een roofdier heeft geen greintje empathie voor zijn prooi. Geen levend organisme legt zichzelf ook maar de geringste beperking op vanuit ethische overwegingen; het enige doel van het organisme is de zelfhandhaving, en voor dat doel moet alles wijken; de enige slogan luidt: 'ieder voor zich'. De natuur is wreed.

Toch zou het leven als zodanig onmogelijk zijn mocht het niet op die manier tewerk gaan. Mochten onze meer dan twintig biljoen lichaamscellen niet voortdurend vechten om in leven te blijven, dan zouden wijzelf alras sterven. Nochtans bevechten onze lichaamscellen elkaar niet. Maar dit is geen teken van een vermeende onderlinge solidariteit: onze cellen vernietigen elkaar niet omdat ze dat niet kùnnen doen. En wie of wat verhindert hen dat? Het lichaam zelf, het grote geheel waarvan zij deel uitmaken en bij wiens gratie zij leven. Want als het lichaam sterft, dan sterft elke cel in dat lichaam. Een lichaamscel die zich tegen het lichaam zou keren, ware zoals een scheepvaarder die zijn schip zou vernietigen, of zoals een man die de tak waarop hij zat, zou afzagen. Cellen die woekeren ten koste van het lichaam zijn daarom cellen die niet meer beseffen wat ze doen, cellen die niet meer correct kunnen nadenken, cellen met verstoorde hersenen. En dat zijn bijvoorbeeld kankercellen inderdaad: het zijn cellen met een geschonden brein, met andere woorden: een gestoorde celkern.

Op die manier wordt de wreedheid van de natuur getemperd: de verbeten krachten van het egoïsme worden in banen geleid en dienstbaar gemaakt aan het hogere. In de natuur bestaat een hiërarchische structuur waarbij de wezens die van een hogere orde zijn, deze die van een lagere orde zijn te baat nemen of beheersen. Ook in de natuur beheert en beheerst het hogere het lagere, regeert de orde over de wanorde, en bezegelt het goede het lot van het kwade. Hoe onethisch het lagere ook is: zijn meest destructieve krachten worden ten nutte gemaakt van het opbouwende en het ordenende. Indien dit hogere, dit ordenende er niet zou zijn, dan zou het lagere slechts vervallen tot de totale wanorde, tot het niets.


Het onuitsprekelijke


Wij leven en bewegen dank zij een vernuftig functionerend lichaam. Toch zijn wij ons in tijden van goede gezondheid nauwelijks van dat complexe, rusteloos werkzame organisme bewust. Vaak moet men eerst ziek worden vooraleer men begrijpt dat een goede gezondheid niet zo vanzelfsprekend is. Het goede valt niet op, maar de geringste fouten, zwakheden of pijntjes irriteren mateloos. Zo ook zijn het wonderlijke karakter van ons bestaan, en God zelf, heel onopvallend naar de achtergrond van ons bewustzijn verdrongen. De menselijke ondankbaarheid maakt zelfs dat wij deze fundamentele werkelijkheden soms tegen heug en meug ontkennen.

Het grootste probleem inzake de geloofsverkondiging bestaat precies in deze blindheid van de ongelovige. Hij gedraagt zich zoals het gezonde individu dat zich niet realiseert hoe vernuftig en hard zijn lichaam moet werken opdat het hem niet zou hinderen, opdat hij het niet zou voelen. En zoals een mens vaak eerst ziek moet worden vooraleer hij gaat inzien hoe kostbaar gezondheid is, zo ook moet iemand vaak eerst Gods genade verliezen vooraleer hij zich van Gods aanwezigheid bewust wordt.

Stel dat je plotseling tandpijn krijgt. Die pijn maakt je ervan bewust dat er zoiets als gezondheid bestaat, en dat gezondheid niet vanzelfsprekend is: we zijn gezond omdat we een complex lichaam hebben dat optimaal werkt. Je gaat het lichaam bestuderen, en je ontdekt een aantal regels om het gezond te houden. Je construeert een gezondheidsleer.

Je beseft het belang van je gezondheidsleer, en je spreekt er met anderen over - in hun eigen belang, zo geloof je steevast. Maar sommigen antwoorden: "Ik heb die leer niet nodig, ik heb immers geen pijn, en ik geloof ook niet in zoiets als gezondheid: je kan het immers omschrijven noch bewijzen, het is een abstract begrip dat nergens op slaat".

En daar sta je dan met je verstand en met je goede wil. Twee dingen kun je doen: je kunt vragen dat allen jou blindelings geloven (- en je weet zeker dat dit goed voor hen zou zijn), en je kunt een poging ondernemen om het complexe lichaam te beschrijven en op grond daarvan je gezondheidsleer te construeren.

Een aantal mensen geloven je blindelings, maar vele anderen leveren kritiek op je fysiologie. Je geeft toe dat je leer onvolkomen is, maar je benadrukt tegelijk dat dit niets afdoet aan het reëel karakter van de gezondheid en van het leven. Precies dat begrijpen je 'tegenstanders' niet: "Hoe kunnen de gezondheid en het leven reëel zijn", zo werpen zij tegen, "als je gezondheidsleer zelf al zo gammel is? En wat bedoel je trouwens met die 'pijn' die wij niet voelen?"

En je bent je er terdege van bewust: zoals een fysiologie een rationele constructie is van iets heel reëel, zo ook is een geloofsleer een rationele constructie, een afspiegeling van iets dat zelf geen constructie is. Ook een geloofskritiek is een rationele constructie, maar zij verwijst niet naar iets wat haar te boven gaat: zij verwerpt slechts een andere constructie (namelijk een geloofsleer). Een geloofsleer is, zoals een kunstwerk, een uiting of een afspiegeling van een ervaring die haar verwoordingen zelf te boven gaat. Een geloofskritiek daarentegen richt zich niet op die ervaring, maar louter op haar verwoordingen (de geloofsleer), waarvan zij de oorsprong miskent - net zoals de onwetende het bestaan van gezondheid miskent.

Uiteraard is het tekort aan overtuigingskracht van de kunstenaar mede verantwoordelijk voor het feit dat zijn werk zijn doel mist. Maar ook de leek blijft hier in gebreke: aan een leek die het onderricht in de fysica afwijst, kan een fysicus niet diets maken dat de materie die wij als vanzelfsprekend ervaren, wonderbaarlijk is. Hetzelfde geldt inzake datgene wat benaderd wordt in een theologie.

Hoe onvolkomen een discipline ook is (- en zij is dat uiteraard): zij bereikt haar doel waar zij in staat is onze verwondering te wekken, ons een realiteit te doen zien die wij voordien over het hoofd zagen. Ze moet ons dichter brengen bij het godsbewustzijn dat zich verhoudt tot de wereld zoals de waaktoestand zich verhoudt tot de droom.

Het valt op dat atheïsten hun kritieken grosso modo delen, terwijl de antwoorden van individuele gelovigen vaak onderling verschillen. Maar dat geldt zelfs inzake wetenschappelijke disciplines. Afgezien van gebeurlijke ondeskundigheid, is de oorzaak hiervan duidelijk: elke rationele benadering van het (christelijke) geloof is een constructie, terwijl het geloof zelf dat niet is.

Geen (menselijke) constructie is perfect, terwijl men het makkelijk eens kan zijn over haar tekorten. Zo ziet elkeen het imperfecte aan een kunstwerk, maar weinigen kunnen het schone tot stand brengen. Elkeen is het erover eens dat tandpijn een onvolkomenheid is, maar wie gezond is, voelt vaak niets van het complexe lichaam dat aan die gezondheid ten grondslag ligt. Vaak rest ons slechts het lijden als het enige overblijvende zintuig dat ons gevoelig maakt voor God.


10-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2.2. De weg van de filosofie

2.2.    De weg van de filosofie


Filosofie (- van het Griekse woord filos, dat liefde betekent, en sofia, dat wijsheid betekent) betekent dus: 'liefde voor de wijsheid', of: wijsbegeerte. Filosofen zijn mensen die zich fundamentele vragen stellen over het bestaan. Zij stellen het vanzelfsprekende, of beter: al datgene waaraan wij gewoon geraakt zijn, in vraag. Filosofische vragen zijn bijvoorbeeld de volgende:

Waar komen wij vandaan?

Wat is de oorsprong van alle dingen?

Heeft het bestaan zin? Waarom leven wij?

Zijn wij er toevallig of zijn wij door God geschapen?

Wat is het einddoel van ons leven?

Belangrijk om weten is, dat filosofische vragen aan de basis liggen van de wetenschappen. Indien de mens zich niet had verwonderd over het bestaan, dan bestond de wetenschap niet. Ziehier enkele voorbeelden.

Isaak Newton (1643-1727) stelde zich de filosofische vraag waarom de dingen naar beneden vallen. Dat is een vraag die wij ons normaal niet stellen, want wij zijn zodanig gewoon geworden aan die feitelijkheid, dat wij ze niet eens meer opmerken, ofwel achten we die dingen onbelangrijk. Maar had Newton zich niet in alle ernst die vraag gesteld, dan zou hij nooit de natuurkundige gravitatiewet ontdekt hebben.


Archimedes
ontdekte belangrijke wetten van de mechanica terwijl hij een bad nam. Wellicht was hij aan het spelen met bekertjes en kommetjes. Het is vanuit een kinderlijke verwondering dat mensen uitvindingen doen.



Metafysica


Nu zijn er verschillende takken in de filosofie. Laten we de belangrijkste ervan beknopt schetsen: de metafysica, de ethica en de esthetica.

De filosofie die zich bezighoudt met de fundamenten van onze werkelijkheid zelf, noemt men de metafysica. Die benaming is afkomstig van Aristoteles (384-322 v.C.). Aristoteles was samen met Plato (428-348/347 v.C.) een van de grootste filosofen van het Oude Hellas. Aristoteles was ook natuurkundige, arts en politicoloog.

Plato schreef een aantal dialogen waarin hij een heel wijs man, genaamd Socrates (470-399 v.C.), ten tonele voert. Voor zijn volksonderricht werd Socrates echter zwaar gestraft: men beschuldigde hem ervan de jeugd in het verderf te storten. Er kwam een proces van dat beschreven wordt in Plato's Apologie van Socrates. Socrates werd namelijk (onterecht) veroordeeld wegens goddeloosheid en moest de gifbeker ledigen; naar aanleiding daarvan hield hij zijn beroemde verdedigingsrede [Voor een samenvatting van Socrates' Apologie: zie: "De Apologie van de Eeuwigheid" - klik: http://www.bloggen.be/omskvtdw/ en zie de inhoudstafel]. Plato's wereldbeeld verraadt zich op zijn mooist in de mythe van de grot: ons bestaan, zo zegt Plato, is slechts een schaduw van de ware werkelijkheid, die een werkelijkheid is van ideale vormen. Daarom noemt men Plato's filosofie een idealisme.

In de filosofie gaat het er niet aan toe zoals in de wetenschappen: de wetenschappers hebben meestal een consensus over wat waar en wat onwaar is, terwijl bijna elke filosoof een eigen theorie heeft. Dat hoeft nochtans geen reden te zijn om de filosofie te verwerpen, want deze grote verscheidenheid van perspectieven op de werkelijkheid is zeer verrijkend.

Sommige denkers maken de fout te geloven dat de waarheid altijd bewijsbaar moet zijn. Men noemt hen positivisten. Zij nemen slechts voor waar aan "ce qui peut être posé", of: "wat kan bewezen worden". De term 'positivisme' komt uit het Frans, want de stichter van deze school was de Fransman August Comte (1798-1857).

Wij weten beter: indien alles wat waar is, ook bewijsbaar was, dan zou de ganse werkelijkheid kunnen bevat worden door onze kennis. Dat is vanzelfsprekend onzin, want wij behoren ook zelf tot de werkelijkheid die wij wijsgerig onderzoeken.

Verderop in deze tekst zullen we aantonen waarom wij de werkelijkheid nooit volkomen kunnen doorgronden.



Ethica


Een andere tak van de filosofie, welke zich bezighoudt met het probleem van goed en kwaad, noemen wij de ethica of de moraalfilosofie.

Sommigen denken dat goed en kwaad, net zoals waarheid en onwaarheid, slechts relatieve begrippen zijn, en men noemt hen daarom relativisten. Maar deze lieden zijn duidelijk met zichzelf in tegenspraak, aangezien ze het vertikken om hun eigen 'waarheid' te relativeren.

Het consequentialisme is een ethische stroming die beweert dat onze daden goed zijn als ze goede gevolgen hebben, en verwerpelijk als ze kwade gevolgen hebben: niet onze daden zelf, maar hun gevolgen zouden dan bepalen of we goed of kwaad hebben verricht. In die optiek zou bijvoorbeeld iemand die een ander 'per ongeluk' helpt, een goede daad hebben verricht. En wie ongewild een ander schade toebrengt, zou dan veroordeeld moeten worden.

Deze onzin kent de filosofie van het Christendom gelukkig niet: wij weten dat goed en kwaad te maken hebben met onze intenties of bedoelingen, want wij zijn onvolmaakte wezens en wij kunnen ons met de beste bedoelingen ook vergissen. Wie goede bedoelingen heeft, zal trouwens spontaan rekening houden met de mogelijke gevolgen van zijn daden!

Er bestaan nog heel wat andere opvattingen over moraal of ethiek. Een van de meest kwaadzinnige opvattingen stelt dat goed en kwaad een zaak zijn van conditionering. Zoals de 'hond van Pavlov' niet zelf verantwoordelijk is voor het feit dat zijn speekselklieren beginnen te werken telkens wanneer een belletje rinkelt, zo ook zouden mensen geconditioneerd zijn inzake goed en kwaad. Die moraaltheorie houdt echter in dat wij boosdoeners niet langer verantwoordelijk mogen achten voor hun wandaden. Dit is duidelijk een zeer gevaarlijke opvatting, vaak aangehangen door mensen die hun eigen wandaden willen goedpraten of verantwoorden. Ook zij zijn in tegenspraak met zichzelf, want zij bewijzen hier dat zij tot het afleggen van verantwoording in staat zijn!
 

Ethiek is dan ook vooral een praktische aangelegenheid, een zaak van goed gedrag: het handelen in overeenstemming met de leer en met het geweten. Er mag geen kloof zijn tussen woord en daad, en de leermeester dient het voorbeeld te geven aan zijn volgelingen, net zoals Pythagoras en Jezus Christus dat deden. Ook vandaag is ethiek even zeldzaam als noodzakelijk, maar vooral de nieuwe bewegingen inzake gezondheidsethiek zijn hoopgevend. Een toonaangevend voorbeeld in Vlaanderen is de beweging rond de Kortrijkse arts, Kris Vansteenbrugge, die, in het spoor van de beroemde Duitse sportarts, Ernst van Aaken, zijn geboortestreek heeft weten om te toveren tot het Mekka van de feestelijke loopsport voor jong en oud. Opvallend is dat hier, consequent met gedegen wetenschappelijke (medische maar ook antropologische en mythologische) inzichten, gezondheid, geluk en wijsheid onderling worden verbonden in talloze publicaties en lezingen, terwijl zich ter gelegenheid van de jaarlijkse "Dwars door Grijsloke" met zijn vele duizenden deelnemers het voorbeeldgedrag onder jong en oud vermenigvuldigt (zie ook: http://www.bloggen.be/kris/ ). Is dit geen geestelijke vermenigvuldiging van de broden en de vissen? 



Esthetica


De esthetica houdt zich bezig met het probleem van 'het schone', zowel inzake de natuur (het door God geschapen 'natuurschoon') als inzake de kunst (de door de mens gemaakte 'artificiële of kunstmatige schoonheid'). Ook hier zijn vele strekkingen en opvattingen gangbaar. Een van de belangrijkste vragen hieromtrent luidt of schoonheid objectief of subjectief is: "Is iets schoon op zichzelf, of is schoonheid afhankelijk van onze smaak?"

De drie genoemde deelgebieden zijn zowat de belangrijkste. Verder bestaat er nog wijsgerige activiteit in alle mogelijke domeinen waar mensen actief zijn: er is politieke filosofie (bijvoorbeeld bij Thomas Hobbes), er bestaan filosofieën van de economie (denk aan Karl Marx), er wordt zelfs gefilosofeerd over mobiliteit, onderwijs en geneeskunde (Ivan Illich).

 


09-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2.1. Ontraadselingspogingen in de kosmologie

2. Kosmologie, filosofie, mystiek


2.1.
Ontraadselingspogingen in de kosmologie


De vele raadsels waarmee wij geconfronteerd worden zijn niet van gisteren: ze enthousiasmeren de mens al sinds het begin van de beschaving. Laten we die ontraadselingspogingen eens nagaan van bij het begin. Het allereerste onderzoek richt zich naar de kosmos, vandaar heet het kosmologie. Uit de kosmologie ontspruit de filosofie, die in de volgende paragraaf behandeld wordt. De filosofie op haar beurt is de moeder van alle wetenschappen. Verderop zullen we met Max Wildiers speuren naar de grote lijnen in het westerse denken over de kosmos, de mens en God. We zullen ook zien hoe de wetenschappelijke ontraadselingen van de jongste eeuw ons uiteindelijk opnieuw met het allergrootste mysterie confronteren. 



Handelen, dialogeren, denken


Het wetenschappelijke denken, en met dat denken ook onze wetenschappelijke en technologische beschaving, vindt zijn oorsprong niet in scholen of in universiteiten: die ontstaan pas in de middeleeuwse kloosterorden, waarbij de wetenschappelijke inzichten verenigd worden met het geloof, en zodoende dienstbaar gemaakt worden aan de ganse samenleving. Het wetenschappelijke denken ontstaat bij mensen die, beroepshalve, grote reizen maakten. De handelaren waren dus de eerste denkers, de eerste filosofen, antropologen en wetenschappers.

Wanneer wij spreken over de oorsprong van onze beschaving, dan moeten we teruggaan naar het jaar 630 voor Christus, meer bepaald naar de Ionische kuststeden van Klein-Azië. De wieg van onze beschaving ligt in Groot-Griekenland, ook het Oude Hellas genaamd. En niet Athene, de hoofdstad van Griekenland zelf, maar wel de vele, kleine omringende steden en 'stadstaatjes' (- dat zijn staten amper zo groot als één stad) op de omringende eilanden en kusten, hebben onze beschaving voortgebracht.

Die steden leefden namelijk van de handel. Een groot deel van de (zeer welvarende) bevolking waren handelaars, scheepvaarders vooral, die zorgden voor het transport van goederen tussen de grote centra van de ontluikende beschaafde wereld.

Deze handelaren kwamen frequent in contact met allerlei volkeren met verschillende beschavingen. Ze ontdekten dat deze 'klanten' niet alleen andere talen spraken, maar ook andere gewoonten hadden, andere goden, andere legenden en mythen, andere wereldverklaringen en wereldbeelden.

Geconfronteerd met die grote verscheidenheid aan opvattingen onder de mensen, gingen deze handelaren hun eigen opvattingen in vraag stellen. Mensen die niet in contact komen met andere en vreemde beschavingen, doen dat niet: zij denken dat iedereen gelijk is, ze vermoeden niet dat er meerdere talen bestaan, meerdere goden, andere wetenschappen en opvattingen naast hun eigen overtuigingen. Zo bijvoorbeeld noemden de Oude Grieken hun vijanden op hun veroveringstochten 'Barbaroi' of 'barbaren', wat betekent: 'brabbelaars', want zij meenden dat die vreemde volkeren, die geen Grieks spraken, helemaal geen taal hadden en zomaar wat 'brabbelden'. De handelaars wisten wel beter: zij ontdekten het bestaan van andere talen, andere beschavingen, andere religies en andere opvattingen. Zij gingen beseffen: onze taal en onze cultuur zijn slechts één van de vele, en niet noodzakelijk de beste. De handelaars leerden het vreemde kennen en appreciëren, en zij brachten vreemde maar nuttige voorwerpen, gebruiken, technieken en vaardigheden mee naar hun geboortestreek. Kortom: ze verspreidden de cultuur en ze verzamelden een nieuwe, kostbare kennis die anderen moesten ontberen. En dat is in de huidige tijd niet anders.

Enkele van de belangrijkste Ionische kuststeden uit die tijd waren: Erythrea, Kolophoon, Ephesos, Samos en Miletos. Miletos, of Milete, stichtte zelf een honderdtal nederzettingen of dochtersteden, waarvan er vandaag bijna de helft door archeologen zijn opgegraven.

De Ioniërs waren een eerder klein volkje van een zeer gemengd ras. Op de kaart ziet u dat Ionië gelegen is op het grensgebied tussen Europa, Noord-Afrika en het Oosten. De streek werd gedomineerd door grote rijken (zoals Perzië). Dit 'kleine' volkje van handelaren heeft de meest betekenisvolle en onsterfelijke van alle beschavingen in het leven geroepen. Vermelden we nog dat de belangrijkste stad, Milete, zou gesticht zijn in het jaar 1066 voor Christus, dus 3000 jaar geleden, door Neleus, zoon van koning Kodros van Athene.


De eerste grote filosofen waren inwoners van Milete: Thales van Milete (640-550), Anaximandros van Milete (610-545) en Anaximenes van Milete (585-528). Samen met nog vele anderen dateren zij van voor Socrates (470-399), en worden daarom de Voorsocratici genoemd.

De wereldbeelden van deze eerste filosofen waren nog zeer primitief. In die tijd dacht men na over de kosmos, het heelal en de sterren die van zeer groot belang waren voor de scheepvaart. De sterrenhemel vertoonde immers elke nacht weer hetzelfde, geordende patroon, het oriënteringsmiddel bij uitstek voor de scheepvaarders en reizigers. Om het heelal aan te duiden, gebruikte men daarom het (Griekse) woord 'kosmos' dat 'orde' betekent. Het heelal was voor de Oude Grieken een volmaakt geordend universum, een 'grote orde' of 'macro-kosmos'. Ook de mens zelf bleek een geordend geheel te vormen, men noemde hem de 'kleine orde' of 'micro-kosmos'.

De vraag die de eerste filosofen zich stelden verschilt maar weinig van de vraag die hedendaagse fysici zich stellen, namelijk: waaruit zijn alle dingen gemaakt? Wat is de ultieme bouwstof van de ganse werkelijkheid?

De Miletische filosofen waren handelaars, maar zij waren ook technici, en bouwmeesters, handige vaklui. Hun steden waren kunstige bouwwerken en zij kenden reeds talrijke instrumenten. Hun wereld was een (menselijke) constructie, een bouwwerk, en zo geloofden zij dat ook de kosmos een bouwwerk was. Daarom zochten zij naar de ultieme bouwstenen van alles.




De eerste wereldbeelden



Zo geloofde Thales dat alles was opgebouwd uit water. De aarde, die het centrum van de kosmos was, had de vorm van een cilindervormig schijfje, en dat schijfje dobberde op het water. Er zat een enorme luchtbel omheen en ook boven die luchtbel was er alleen maar water. Binnen de luchtkoepel die de bel aldus vormde, bevonden zich de zon, de maan, de planeten en de sterren. Die opvatting van Thales kan vreemd aandoen, maar ze liet hem toe heel wat gebeurtenissen te verklaren: aardbevingen doen zich voor wanneer het water waarop de aarde dobbert, woelig is. Regen is water dat uit de lucht valt, en dus moet er boven een groot waterreservoir zijn.


Anaximandros
geloofde dat alles uit tegengestelden bestond: dag en nacht, licht en duisternis, goed en kwaad, schuld en boete, zomer en winter, enzovoort. De dingen bestaan met andere woorden dankzij hun tegendelen: we zeggen dat er kleine dingen bestaan als er ook grote bestaan, en mochten alle dingen even groot zijn, dan zouden groot en klein niet bestaan. De werkelijkheid, zo zegt Anaximander, ontstaat uit het niets, dat zich opsplitst in tegendelen, en na verloop van tijd heffen die tegendelen elkaar weer op. Dat proces van ontstaan en vergaan gebeurt telkens weer, en zo is er een eeuwige kringloop van worden en vergaan. Meer concreet, komen uit het niets, of het onbepaalde, eerst het warme en het koude voort, het vochtige en het droge. Door de combinatie van die twee paren van tegengestelden, ontstaan de vier elementen:


droog en warm geven het element vuur;

droog en koud geven het element lucht;

vochtig en warm geven het element aarde;

vochtig en koud geven het element water.


Rond de aarde hangen vuurkringen, als het ware ingesloten door hulzen. In die hulzen zijn hier en daar gaten, en de zon, de maan en de sterren zijn niets anders dan die gaten die een deel van die vuurkringen laten zien. Anaximander is er ook van overtuigd dat de kosmos oneindig uitgestrekt is, en dat er oneindig veel werelden bestaan zoals de onze.


Anaximenes
geloofde dat lucht het oerelement was, omdat lucht hem het fijnste en meest onstoffelijke element leek. De andere elementen zouden dan uit lucht ontstaan door verdikking of verdunning van de lucht. Verdikking geeft condensatie, en zo vormen zich waterdruppels en zelfs aarde; verdunning zou vuur kunnen opleveren.


Anaximenes geloofde dat de zon, de maan en de sterren losgeraakte stukken aarde zijn, weggeslingerd in de ruimte. Door de grote snelheid waarmee zij weggeslingerd zijn, zouden zijn beginnen gloeien, en aldus licht geven.

Deze filosoof spreekt ook over de analogie tussen de macro-kosmos (het heelal) en de micro-kosmos (de mens). Zoals het heelal gemaakt is van lucht, zo is ook datgene wat de mens bijeenhoudt, namelijk zijn ziel, van lucht. Het Griekse woord voor ziel (psychè) betekent namelijk ook 'lucht', 'adem', 'levensadem'.


Pythagoras
van Samos (5de eeuw voor Christus) was bezeten van de getallen en hij maakte een getallenleer. Volgens hem bestond het wezen van alle dingen uit getallen. In die tijd dachten meer mensen er zo over; denk bijvoorbeeld aan de bijbelteksten, waar gesproken wordt over "het getal van de duivel" (namelijk het getal 666). Ook vandaag zijn wetenschappers nog bezeten van getallen en formules, waarmee zij het ganse universum willen verklaren. Getallen en verhoudingen spelen overigens een grote rol in de natuur. Voor Pythagoras was 10 het volmaakte getal.


Pythagoras dacht de ware kennis te bezitten en samen met zijn leerlingen vormde hij een geheime sekte, waarin ook een bijzondere ethiek werd beoefend. Maat, hygiëne, lichaamsoefeningen en zelfbeheersing, werden er als deugden beoefend.

Pythagoras sprak over de "harmonie der sferen". Volgens hem was het centrum van het heelal een centrale vuurbol. Daar omheen cirkelden de aarde, de zon, de maan en de (toen gekende) 5 planeten: Mercurius, Venus, Mars, Juppiter en Saturnus. In totaal dus 9 hemellichamen, en dat is er één te weinig om aan het getal 10 te komen - het getal van de volmaaktheid. Daarom werd nog een tiende planeet uitgedacht, en men noemde ze de "tegenaarde". Welnu, Pythagoras beweerde dat de draaibeweging van elk van de hemellichamen een bepaalde toon voortbracht. Samen vormden die tien tonen een perfecte harmonie, een sonoor akkoord dat eeuwig door de ruimte klinkt. Waarom horen we deze "harmonie der sferen" dan niet? We horen ze niet meer, zegt Pythagoras… omdat we eraan gewoon geworden zijn!


Xenophanes
(560?-478?) geloofde dat alles uit aarde en water bestaat. De zee vreet de aarde aan totdat ze opgevreten zal zijn. De hemellichamen zijn gezichtsbedrog: het zijn atmosferische fenomenen zoals de regenboog. Ze ontstaan door een opeenhoping van gloeiende nevelvlekken. Elke dag ontstaat er op die manier een nieuwe zon die 's avonds uitdooft, elke avond een nieuwe maan die 's ochtends uitdooft. En de sterren zijn brandende nevelvlekken die uitdoven als het klaar wordt.

Herakleitos (540-475) uit Ephese was weer een aanhanger van de leer van de tegengestelden. Hij drukte zijn wijsheden uit in aforismen, zoals bijvoorbeeld:


"Dood is leven".

"Oorlog is vrede".

"De weg naar boven is de weg naar beneden".

"Er is geen rust, alles vloeit".

"Men kan geen twee keer in dezelfde stroom stappen".

"Het ene element sterft in het andere".

"De dood van het vuur is de geboorte van de lucht".

"De dood van het water is het leven van de aarde".


De tegengestelden vormen samen een harmonie, geregeerd door de wet van de gerechtigheid, de zogenaamde 'logos'. Ooit zal het heelal vergaan in de 'wereldbrand' en dan ontstaat een nieuwe wereld.

De zon, de maan en de sterren zijn volgens Herakleitos holle vaten gevuld met vuur. Hij verklaart zons- en maansverduisterningen door te stellen dat deze vaten kunnen kantelen.

Belangrijk is wat Herakleitos zegt over de kennis: de waarheid, zo zegt hij, is aan allen gemeenschappelijk, in tegenstelling tot de leugen. De slapenden hebben elk een andere wereld, alleen de wakkeren hebben dezelfde wereld.


Parmenides
van Elea (515?-450?) ontdekt de logische basiswet, genaamd: het principium contradictionis, of: de wet van de niet-tegenstrijdigheid, die zegt dat iets niet tegelijk zichzelf en niet zichzelf kan zijn; of ook, bijvoorbeeld, niet tegelijk rood en niet rood. Van Zeno van Elea (490?-430?) kennen wij de paradoxen (- zie hoger). Democritos (460?-370?) formuleerde de allereerste 'atoomleer': de leer van de atomen, of niet-splitsbare basiselementen van de materie. De 'sofisten' tenslotte waren rondtrekkende filosofen die les gaven tegen betaling. Dan kwamen de grote denkers van Athene, met Plato, Socrates, Aristoteles en vele anderen. Zij zijn niet langer uitsluitend kosmologen, maar filosofen.


08-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1.3. Mysteries

1.3.  Mysteries


Leren is ondervinden - in het Latijn: experire - en ziedaar de etymologische verklaring van ons woord experiment. Laten we ons eens wagen aan een eenvoudig experiment dat ons diets zal maken hoe beperkt onze (in dit geval: ruimtelijke) verbeelding en onze denkkracht in het algemeen wel zijn. We proberen ons namelijk voor te stellen wat er zou gebeuren met een (papieren) ring van Möbius wanneer we die in de lengte zouden doorsnijden met een schaar.

Een Möbiusring van papier construeer je als volgt: neem een reepje papier in de vorm van een rechthoek; buig deze rechthoek zodat de uiteinden ervan elkaar raken zodat je een ringvorm of een band bekomt; laat vervolgens één van de uiteinden van deze band 180° te wentelen om zijn lengteas en kleef met papierlijm deze uiteinden aan elkaar vast.

De vraag luidt nu: wat zal het resultaat zijn wanneer je deze ring met een schaar over zijn hele lengte doorsnijdt? Je kan alvast een schaar nemen, een inkerving maken midden in de band, en een eindje snijden. Let er wel op dat je mooi in het midden van de band blijft snijden. De meeste mensen blijken het eindresultaat niet te kunnen voorspellen: geheel tegen de directe verwachtingen in, bekomen we één grote ring, en niet twee kleintjes.

Wat heeft dit experiment ons laten ondervinden? Wat op het eerste gezicht kinderspel leek, bleek naderhand quasi onvoorstelbaar te zijn. Ons (in dit geval: ruimtelijk) voorstellingsvermogen blijkt zeer beperkt, en dat geldt ook voor onze individuele denkkracht in het algemeen.



Paradoxen


Omdat de ondervinding de beste leermeester is, confronteren we ons met nog enkele andere, gelijkaardige opgaven. Wat deze opgaven onderling gemeenschappelijk hebben, is dat ze een beroep doen op onze denkkracht. Meer bepaald kunnen ze ons laten inzien hoe beperkt onze individuele denkkracht wel is. Laten we eerst eens enkele beroemde paradoxen behandelen, en dan ook enkele wiskundige en andere raadsels.

Van de Griekse filosoof Zeno, over wie we weten dat hij tijdens zijn doodstrijd filosofeerde om de pijn niet te voelen, zijn enkele intrigerende paradoxen bekend, zoals deze van Achilles en de schildpad. De snelle Achilles kan de schildpad niet inhalen, zegt Zeno, want telkens hij aangekomen is waar de schildpad op het ogenblik van zijn vertrek aanbeland was, is zij reeds een eind verder gevorderd.

Reeds in de Bijbel is sprake van de Kretenzers - dat zijn de inwoners van Kreta -, naar wie de paradox van de Kretenzers werd genoemd, of ook: de paradox van Epimenides - alweer een Griek. In de Griekse Oudheid stonden de Kretenzers bekend om hun leugenachtigheid. Deze paradox wordt daarom ook wel de leugenaarparadox genoemd, en hij gaat als volgt. Een Kretenzer zegt: "Alle Kretenzers zijn leugenaars". De vraag luidt nu of deze Kretenzer de waarheid spreekt. Deze paradox bestaat ook in een kortere maar niet minder intrigerende vorm, namelijk: "Spreekt iemand die zegt dat hij liegt, de waarheid?"

Ook de paradox van de barbier kan de gemoederen hoog doen oplaaien. In een dorp woont een barbier, die alle mensen scheert die zichzelf niet scheren. De vraag luidt hier: scheert de barbier zichzelf?

Nog een laatste voorbeeld is de paradox van de steen. We weten dat God almachtig is. De vraag luidt nu of God dan een steen kan maken die zo zwaar is dat Hij hem zelf niet kan optillen.



Raadsels


Anders dan paradoxen, zijn raadsels geen schijnbare tegenspraken. Maar net zoals bepaalde (nog onopgeloste) wiskundige vraagstukken kunnen ze zeer intrigerend zijn.

Volgens de legende gaf de sfinx uit de oudheid aan voorbijgangers het volgende raadsel op: "Eerst loopt het op vier benen, later op twee, en tenslotte op drie". Velen tobden zich hierop dood, totdat de held Oedipus verscheen, die de oplossing vond (- namelijk: de mens, eerst als kind, later als volwassene en tenslotte als ouderling), waarna de sfinx zich in de afgrond stortte.

De beroemde Grote Stelling van Fermat wachtte meer dan driehonderd jaar op haar bewijs. Nog steeds geloven sommige wiskundigen dat het recente bewijs (1994) van Andrew Wiles uit Princeton onjuist zou zijn. Anderen geloven dat het bewijs dat Pierre de Fermat beweerde te hebben, en dat met de elementaire algebra uit zijn tijd zou volstaan, nog kan gevonden worden. Fermat's stelling lijkt op het eerste gezicht geënt te zijn op de stelling van Pythagoras, waarvan het bewijs volgens Plato door reanamnese kan worden gevonden; Plato laat immers de 'onwetende' slaaf Meno, naar wie de bewuste dialoog genoemd werd, bewijzen dat de som van de kwadraten van de rechthoekszijden van een rechthoekige driehoek, gelijk is aan het kwadraat van de schuine zijde. Fermat's stelling zegt, dat je voor de volgende vergelijking, waarbij x, y en z natuurlijke getallen zijn groter dan 0, en n een natuurlijk getal groter dan 2, geen enkele oplossing bestaat: xn + yn = zn.

Nog verraderlijker oogt een nog onbewezen en misschien onbewijsbaar raadsel uit de algebra, namelijk 'het vermoeden van Goldbach' [aanklikbaar!], dat stelt dat elk even getal groter dan twee, gelijk is aan de som van twee priemgetallen.

Raadsels zijn niet altijd grapjes. Mits een flinke dosis correct redeneren kan je de oplossing vinden van deze twee vraagstukjes:

(1°) Kannibalen nemen je gevangen en vertellen je dat ze je ofwel zullen koken, ofwel bakken. Ze beloven je echter één ding: als je kan raden hoe ze je zullen klaarmaken (- koken of bakken), dan zullen ze je koken. Als je goed antwoordt, kan je je leven redden...

(2°) Je bent een gevangene, en aan je gevangenis zijn twee open deuren: de ene geeft uit op de vrijheid, de andere op een afgrond. Je kan echter niet naar buiten kijken. Maar je mag wel één vraag stellen aan een van de twee mannen die je bewaken. Verder weet je dat één van je bewakers altijd liegt, terwijl de andere altijd de waarheid spreekt, maar je weet niet wie. Welke vraag maakt je vrij?


Fysische en wiskundige raadsels


In de wiskunde, in de logica en in de fysica bestaan nog talloze andere intrigerende en raadselachtige waarheden. Van Fermat hebben we reeds de Grote Stelling vermeld, maar Fermat is ook de auteur van de zogenaamde 'minimaalstelling', een bijzondere wetmatigheid inzake het verschijnsel van de lichtbreking. En wie heeft nog niet gehoord over het theorema van Gödel dat bewijst dat er in elk wiskundig systeem ware stellingen bestaan die tegelijk onbewijsbaar zijn? De naam Fibonacci zegt je misschien niet veel, maar zijn wiskundige rij (de zogenaamde 'rij van Fibonacci') is wel bekend als de 'gulden snede': het gaat hier om vaste verhoudingen die tegelijk opduiken in onze wiskunde en in de externe natuur. Een ander voorbeeld in dezelfde lijn is het verschijnsel van de fractalen, een begrip dat gelanceerd werd door Ernest Mandelbrot. Het gaat hier om een wiskundige figuur die het midden houdt tussen een lijnstuk en een oppervlakte - alweer een fenomeen dat ook alom in de natuur opduikt. Over Einstein's relativiteitstheorie en over de bijzondere consequenties daarvan heeft iedereen wel al gehoord. Maar zo mogelijk nog onthutsender zijn de resultaten van de kwantumtheorie. Laten we nog enkele van deze raadsels - zij het heel summier - eens van naderbij bekijken.

Zonder de minimaalstelling van Fermat was er geen sprake van de wetenschap die de optica heet: Fermat heeft de manier waarop het licht breekt beschreven op grond van het briljante inzicht dat het licht altijd de snelste baan volgt doorheen de ruimte. Maar wat nog belangrijker is: dat wij kunnen zien is te danken aan het zo merkwaardige feit dat het licht dit inderdaad doet. De cruciale vraag luidt hier: hoe weet het licht hoe het moet breken teneinde die 'snelste baan' te kunnen volgen? En slechts één antwoord kan hier uitkomst bieden, hoe onbegrijpelijk ook: het licht wéét het gewoon. Laten we dit expliciteren:

Wij weten dat de snelheid waarmee het licht zich doorheen de ruimte verplaatst, ongeveer 300.000 kilometer per seconde bedraagt. Aangezien de gemiddelde afstand tussen de aarde en de zon circa 150 miljoen kilometer bedraagt, is de tijd die het licht gemiddels nodig heeft om vanaf de zon de aarde te bereiken, gelijk aan 1500:3 of dus 500 seconden, dit is 8 minuten en 20 seconden. Die lichtsnelheid varieert echter afhankelijk van het medium waar doorheen zich het licht moet begeven. De lichtsnelheid is anders in de dampkring dan in de luchtledige ruimte, en nog anders in water of in bijvoorbeeld glas. Hetzelfde fenomeen doet zich trouwens ook voor inzake de snelheid waarmee zich geluidsgolven voortplanten. In het water verplaatst het geluid zich sneller dan in de lucht, en daarom ook lijken geluiden onder water ook luider te klinken dan boven het wateroppervlak.


Nu verplaatst het licht zich zo snel mogelijk; dat wil zeggen dat het licht ernaar streeft om de grootst mogelijke afstand te overbruggen in de kleinst mogelijke tijdsspanne. Precies hieraan is nu het fenomeen van de lichtbreking te wijten. Stel je bijvoorbeeld voor dat een lichtstraal doorheen de lucht reist, en veronderstel dat die straal een rechte baan volgt. Op een bepaald ogenblik echter, moet de lichtstraal doorheen een laag glas (of enig ander doorschijnend materiaal, zoals bijvoorbeeld water). Veronderstel dat het licht schuin invalt op het glas, zodat de invalshoek van de lichtstraal op het glas 60° bedraagt. We weten nu dat het licht trager reist doorheen het glas dan doorheen de lucht. Het glas remt dus de snelheid van de lichtstraal af, en pas wanneer de lichtstraal doorheen het glas gekomen is, krijgt die haar oorspronkelijke snelheid terug. Maar als de laag glas de snelheid van het licht afremt, dan zal het licht er vanzelfsprekend naar streven om de baan die het moet afleggen doorheen het glas, zo kort mogelijk te houden. Indien de lichtstraal niet zou breken, maar gewoon rechtdoor zou reizen, dan zou ze aldus meer tijd verliezen (want een veel langere weg doorheen het glas moeten afleggen) dan wanneer ze zou breken. Door te breken verkort ze immers haar baan doorheen het glas. De kortste weg doorheen het glas ware een loodrechte, maar ook die weg volgt ze niet, want dan zou ze te ver achterlopen op haar baan. De lichtstraal kiest precies die baan (die manier van breking) die haar het minste tijd kost, en die ligt ergens tussen de twee beschreven banen in. Deze lichtbaan wordt uitgedrukt in Fermat's minimaalstelling en, zoals Fermat al wist, misrekent het licht zich hierbij allerminst.

Het bijzondere aan dit natuurverschijnsel zit hem hier. Indien het licht niet wist wat het zou moeten doen om zo snel mogelijk te reizen, dan zou er geen lichtbreking optreden, en dan zouden lenzen geen enkel nut hebben. Onze ogen, bijvoorbeeld, zijn lenzen: ze projecteren een lichtbeeld geordend op ons netvlies en daardoor kunnen we zien. We kunnen dus zien dankzij het feit dat het licht weet hoe het op de snelst mogelijke manier moet reizen. Stel bijvoorbeeld eens dat het licht 'dom' was, welnu, dan zouden wij blind zijn!


Een ander, wiskundig mysterie met grote impact in de hedendaagse technologieën is de stelling van de 'onbewijsbare waarheden' van de Hongaarse logicus Kurt Gödel (1906-1978), het zogenaamde theorema van Gödel. Gödel bewijst dat er in de rekenkunde stellingen bestaan (en die zullen er altijd zijn) waarvan wij de waarheid duidelijk kunnen inzien, maar waarvoor geen bewijs bestaat. Misschien is het 'vermoeden van Goldbach' wel een van die gevallen. Goldbach stelt namelijk dat elk even getal kan geschreven worden als een som van twee priemgetallen. Tot heden heeft niemand een tegenvoorbeeld voor Goldbach's vermoeden kunnen vinden, maar tegelijk is nog niemand erin geslaagd om deze 'waarheid' te bewijzen.
 

Het wonderlijke van de stelling van Gödel bestaat erin dat we kunnen inzien dat bepaalde stellingen waar zijn, terwijl we tevens kunnen aantonen dat we nooit zullen kunnen bewijzen dat die stellingen waar zijn.

Dat ook de natuur een (wiskundige) orde herbergt, blijkt bijvoorbeeld uit het verschijnsel van de sectio divina, ook genaamd sectio aurea of gulden snede. Beschouw de volgende wiskundige rij en maak ze zelf nog langer: 0, 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55, 89, 144, 233, 377, 610, 987,… Je merkt dat wij deze 'rij van Fibonacci' (alias Leonardo da Pisa), bekomen door telkens de twee laatste getallen in de rij bij elkaar op te tellen. De gulden snede (- overigens reeds bekend aan Euclides - zie diens werk, getiteld: Elementen), is nu precies de verhouding tussen de laatste twee opeenvolgende getallen in de rij. Het is duidelijk dat men die niet in de rij zelf kan vinden omdat de rij oneindig voortgezet wordt. Maar hoe verder in de rij men de getallen kiest, des te exacter wordt de gulden snede benaderd. Exact wordt de gulden snede als volgt uitgedrukt: de verhouding waarbij de kleinste van twee lengten (Mi of minor) zich verhoudt tot de grootste (Ma of major) zoals deze laatste (Ma) tot het totaal van beide (Mi+Ma). De ideale rechthoek, of de rechthoek die het beste oogt, die het minste stoort, heeft exact deze verhoudingen. Denk bijvoorbeeld aan schilderijen, maar ook aan meubels en gebouwen. Het bijzondere aan de gulden snede is dat zij alom in de natuur opduikt: in de structuur van de stof, in de plantenwereld, in de dierenwereld en bij de mens. Wat wij aanvoelen als de ideale lichaamsbouw, weerspiegelt de harmonie van de gulden snede. De natuur kiest blijkbaar voor het meest esthetische (- het natuurschoon), dat een wiskundig karakter heeft.

Hierboven (zie de figuur in rechter marge) ziet men: (A) een methode om de gulden snede te construeren (links); (B) De gulden snede in de natuur: (1) de schikking van de blaadjes aan planten (waarvan er hier twee afgebeeld, a en b, telkens in zijaanzicht en in bovenaanzicht) van onder naar boven geeft: (a) 3/5 rotaties in wijzerzin en 2/5 rotaties in tegenwijzerzin, en (b) 5/8 rotaties in wijzerzin en 3/8 rotaties in tegenwijzerzin: telkens Fibonacci-getallen; (2) De vertakkingen van een plant: het aantal takken op elk niveau is een Fibonacci-getal; (3) natuurlijke schelpen construeren zich volgens de gulden snede; (4) de verhouding van de lengte van de vingerkootjes, maar ook alle andere belangrijke verhoudingen van het (menselijk) lichaam volgen de gulden snede. Er zijn nog talloze voorbeelden in de natuur; zo bijvoorbeeld is het aantal spiralen in de zaadschikkingen van een zonnebloem is zowel links- als rechtsdraaiend een Fibonaccigetal; (C) Ook in de (bouw)kunst wordt de sectio divina toegepast; zie bijvoorbeeld de Acropolis in Athene.

Het wiskundig karakter van de natuur vindt men ook in het verschijnsel van de fractalen. Ernest Mandelbrot beschreef deze fractalen, dat zijn breuken die als het ware eindeloos doorgaan. Laten we meteen een voorbeeld geven. Teken een gelijkzijdige driehoek. Verdeel elke zijde in drie gelijke stukken. Teken op elk van deze stukken opnieuw een gelijkzijdige driehoek. Verdeel opnieuw alle bekomen zijden in drie gelijke stukken. Teken op al deze stukken opnieuw gelijkzijdige driehoeken. En ga zo door tot in het oneindige. Je zal merken dat de omtrek van de bekomen figuur steeds groter wordt. Wordt de uiteindelijke omtrek oneindig lang? De lijnstukjes worden zo klein, dat ze als het ware gaan samenklitten tot een oppervlakte. Je kan allerlei figuren bedenken die op deze wijze oneindig doorgaan met zichzelf te vormen. Niet alleen regelmatige, maar ook onregelmatige figuren. En voor elk van die figuren kun je de passende formule zoeken. Dit heel eigenaardige wiskundige fenomeen blijkt nu ook voor te komen in de natuur. Men zegt dan dat de natuur een fractale structuur heeft.

De natuur is veel complexer dan wij ons kunnen voorstellen. Dat blijkt bij de ontdekking van elke nieuwe natuurtheorie, zo bijvoorbeeld de relativiteitstheorie. Een uiteenzetting van de theorie van Einstein ware hier een te vermetele opzet, maar teneinde iets van de mysterieuze dimensie van de hele zaak te kunnen laten zien, het volgende citaat van Bertrand Russell:


"Het is niet waar dat het verleden de toekomst bepaalt in een zin, verschillend van die waarin de toekomst het verleden bepaalt: het ogenschijnlijke verschil is alleen een gevolg van onze onwetendheid, omdat we minder over de toekomst weten dan over het verleden. Dit is louter toevallig: er zouden wezens kunnen zijn die zich de toekomst herinneren en het verleden er uit af moeten leiden. De gevoelens van zulke wezens zouden in dit soort zaken precies tegenovergesteld zijn aan de onze, maar niet bedrieglijker".


vervolgt


06-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1.2. Wetten

1.2. Wetten

Handelingen ontstaan niet uit het niets: ze hebben een doel waarvan diegene die het voltrekt zich al dan niet bewust is. Zelfs een reflexbeweging - als men dat nog een handeling mag noemen - bevredigt een of andere impuls, en vindt in die bevrediging haar doel. Maar echt handelen doen wij pas wanneer we weten wat we doen. En dat we ons bewust zijn van ons handelen, maakt ook de vrijheid van ons handelen uit. Eten is noodzakelijk om in leven te blijven, maar wij weten dat we eten, en we zijn daarom vrij wanneer we eten. We kunnen ook in hongerstaking gaan, en dat kan een wezen zonder bewustzijn niet: het eet omdat het niet anders kan dan het hongergevoel bevredigen. Het beseft eigenlijk niet dat het eet. Het is niet vrij omdat het geen besef heeft. Niet de noodzaak maakt onvrij, maar wel het niet beseffen van de noodzaak. Het kennen van de noodzaak heft de onvrijheid op, omdat het inzicht in het noodzakelijkheidskarakter van een handeling, de volledige instemming van de betrokkene meebrengt. Het is absurd om het onmogelijke te verlangen; dat is zelfs lachwekkend. Precies waar wij weten dat iets onmogelijk is, zien we dit niet als een beperking, maar wel als een kennisgegeven. En kennis is vrijheid. Kennis is altijd kennis van grenzen. Kennen is afbakenen, is weten waar iets begint en waar het eindigt, is meten of afmeten aan criteria, aan parameters. Kennen is vergelijken, selecteren, spiegelen, bekijken van verschillende kanten. Kennen is beschrijven en beschrijven is van namen voorzien, is de dingen benoemen nadat men ze heeft onderscheiden. Handelingen zijn bewuste 'bewegingen': het zijn 'bewegingen' gevolgzaam aan een zekere kennis. Die kennis betreft de vaststellingen die men gedaan heeft bij het meten van de dingen. De uitkomsten van onze metingen leveren resultaten op die wij moeten aanvaarden: het zijn wetten. Zonder het aanvaarden van die wetten is er van kennis geen sprake. Die wetten die we hebben leren kennen vertellen ons allerlei zaken over de grenzen van de dingen, over mogelijkheden, maar vooreerst over onmogelijkheden en noodzakelijkheden. Het vergaren van kennis is het zich in het bewustzijn brengen van de bestaande noodzaken, waardoor men zich ook bevrijdt van de onvrijheid welke deze noodzaken meebrachten toen men ze zich niet bewust was. Kennis is daarom vrijheid: de kennis van de beperkingen is een overstijging ervan. Wij worden nooit onderworpen aan wetten waarvan wij de noodzaak inzien, omdat dit inzicht onze instemming meebrengt. Wetten zijn voor ons daarom de poorten naar de vrijheid.

Kennis is niet in alle wezens op een gelijke manier aanwezig. Iemands kapitaal aan kennis is afhankelijk van de 'metingen' die hij verricht heeft tijdens zijn bestaan, en die wij 'ervaringen' noemen. Ziehier een voorbeeld.

De stand van de maan beïnvloedt de waterstand aan de kust. De visser weet dat men garnalen moet vangen bij eb: bij vloed kan men niet op een rijke vangst rekenen. Deze ervaring van de visser wordt voor hem een wet: "ga op garnalenvangst bij eb". Het lijkt erop dat de stand van de maan de buit van de garnalenvisser beperkt, maar precies de kennis van die beperking, welke de visser als een wet gaat aanvaarden, maakt dat hij er niet zal door gehinderd worden. Bij hoogtij pelt hij de garnalen die hij bij laagtij gevangen heeft. Ik ben geen garnalenvisser en weet niet of dit voorbeeld ook werkelijk klopt, maar dat zou het geval kunnen zijn, en laten we dit even veronderstellen.

De garnalenvisser houdt zich aan de zopas beschreven wet. Hij lijkt aldus zichzelf te beperken. Maar in werkelijkheid maakt zijn gevolgzaamheid aan die wet hem vrijer. De ervaren visser is een vrijer man inzake visvangst dan de leek, omdat hij de wetten van de zee kent en zich er ook aan houdt, terwijl de leek inzake de visserij een wetteloze is. De verstandige leek die garnalen wil vangen, zal eerst te rade gaan bij de visser, en als die hem de wetten van de visvangst verklapt, en de leek volgt die wetten, ook al begrijpt hij ze niet, dan zal hij er wel bij varen: hij zal een rijke buit maken en niet verhongeren.

Alle mensen hebben andere ervaringen, sommige van onze ervaringen zijn gemeenschappelijk en daarom ook hebben wij gemeenschappelijke wetten. Maar het overgrote deel van de menselijke ervaringen zijn geenszins gemeengoed. Veel ervaringen behoren exclusief tot mensen van bepaalde streken, tijden, taalgroepen, vakgebieden en zo meer. Nog meer ervaringen behoren uitsluitend tot één bepaalde stad, straat of familie. En de meeste van de menselijke ervaringen zijn individueel. Het is zelfs zo dat wij in onszelf ervaringen hebben die behoren tot zeer verschillende delen van ons wezen, en die wij niet meteen onderling kunnen in verband brengen, laat staan dat we gemakkelijk in staat zouden zijn om er de betekenis van te begrijpen of om er wetten uit af te leiden die ons vrijer zouden kunnen maken. Zo bijvoorbeeld kent de geneeskunde heel wat wetten, welke gefundeerd zijn op talrijke ervaringen. Maar er bestaat nauwelijks zoiets als een geneeskunde aangepast aan het individu. De wet dat lichaamsbeweging goed is voor de gezondheid is heel algemeen en houdt geen rekening met enkelingen voor wie die wet geenszins geldt. Men kan ervaren dat men persoonlijk afwijkt van het algemene, en het zou ook onverstandig zijn om hiermee geen rekening te houden. De taal van de wetenschap is een algemene taal, maar zij ontkracht in geen geval de ervaringen van de enkeling. Meer zelfs: het zijn precies de allerindividueelste ervaringen die aan de basis van de wetenschappelijke vooruitgang liggen: veronachtzaming van de individuele ervaringen maakt wetenschap onmogelijk. De man die ervoer dat de zon niet rond de aarde draaide, heeft moeten vechten om die zeer individuele ervaring tot een wetenschappelijke te maken.

In het dagelijkse leven volgen wij voortdurend heel wat wetten waarvan wij de eigentijdse gronden niet bevroeden en vaak ook niet eens kunnen bevatten. Maar wij hoeven niet te weten hoe een telefoon werkt om de zin van dat toestel in te zien. We geloven in de telefoon omdat hij betekenisvol blijkt te zijn voor ons. Mijn persoonlijke ervaring van de betekenisvolheid van de telefoon heeft vrijwel geen uitstaans met de ervaringen van zijn uitvinders; deze laatsten weten hoe en waarom de telefoon werkt, en dat hij werkt is betekenisvol voor de uitvinding als zodanig. Voor mij is het feit dat de telefoon werkt betekenisvol voor het gebruik dat ik ervan maak, en dus voor mij persoonlijk in het dagelijkse leven. Het ordenen van ervaringen kan ons verder brengen in het ontdekken van wetten en zelfs van de hiërarchische structuur waarin al die wetten passen. Ordening kan ons meer leren over uiteindelijke wetten, en dus ook over uiteindelijke zin. Maar hier mogen we zeker niet van stapel lopen.

Ervaringen, zoals gezegd, zijn metingen. Dat kunnen zintuiglijke metingen zijn, of afgeleiden daarvan, berekeningen en zo meer. De aard van die metingen, en dus ook de meetresultaten, worden bepaald èn beperkt door de aard van de gebruikte meter. De wereldbeschrijving zoals gemeten door het oog van de mens, omvat alleen alles wat te maken heeft met het licht, want het oog is een meter die alleen gevoelig is voor licht. Het oor geeft een wereldbeschrijving van alleen maar geluiden. En zo verder: wij kunnen niets meten dat niet beantwoordt aan onze meetinstrumenten. Bij elke beschrijving die wij van de wereld geven, moeten wij dus eerlijkheidshalve vermelden met welke middelen wij de wereld gemeten hebben, of dus: wat onze criteria waren. Want andere criteria geven andere wereldbeelden.

Er is dus niets mis met wereldbeschrijvingen zolang men voor ogen houdt dat zij niet alleen mogelijk gemaakt maar tevens beperkt worden door de aard van de beschrijving zelf. De wetten die zich opperen ingevolge een specifiek wereldbeeld gelden dan ook slechts binnen de beperkingen welke aan de gehanteerde parameters eigen zijn. Zo bijvoorbeeld kennen wij de fysica en de wetten van de fysica, en dan ook het wereldbeeld van de fysica. De fysica komt de mens goed van pas, maar waar hij gelooft dat het wereldbeeld van de fysica absoluut is, miskent hij de beperkingen van de aard van de daar gehanteerde meetinstrumenten volkomen, en gaat hij in de fout: hij is een fysicalist, dit wil zeggen iemand die de criteria welke hij hanteert in functie van zijn wereldbeschrijving, voor absoluut houdt, en die zich dus geen rekenschap geeft van het feit dat de aard van zijn meetresultaten voortspruiten uit de aard van zijn meter.

Geluk bijvoorbeeld wordt niet gemeten met een meetlat of met een microscoop; het kan ook niet worden berekend of voorspeld. Trouw evenmin, of subjectiviteit; zelfs pijn ontsnapt volledig aan de meters van de fysica.

De 'wetenschap' - indien deze zou bestaan - van ervaringen die te maken hebben met bijvoorbeeld de menselijkheid, heeft geen uitstaans met de fysica. De fysica behoort tot de menselijke wereld, maar ze omvat die geenszins. En wie durft te zeggen dat de gelukservaring van minder belang is dan de ervaring dat de maan het tij beïnvloedt? Toch wuift de fysicalist dit soort van ervaringen weg als ging het over slechts 'vage gevoelens' welke per definitie 'onmeetbaar' zijn. Maar is een ervaring dan werkelijker of waardevoller omdat ze beter meetbaar is? Ik ben niet geneigd te denken dat de ervaring van het eigen ik, de pijnervaring of het geluk - allemaal totaal onmeetbare ervaringen - van secundair belang zijn. Maar het fysicalisme heeft de prioriteiten geperverteerd: het erkent alleen die ervaringen die men fysisch kan meten, en het beschouwt aldus de fysische meetbaarheid als fundamenteler dan de ervaarbaarheid. Dat is vanzelfsprekend klinkklare onzin.

Uit de ervaringen, welke wezenlijk metingen zijn, halen wij wetten waarvan we hoger zegden dat ze ons bevrijden van het rijk van de noodzakelijkheden. Maar net zoals de metingen, zullen ook die wetten het stempel dragen van de gehanteerde meters. Een meter meet een grootheid, hij is een kwantificering van een ervaring, en hij laat aldus vergelijkingen toe tussen verschillende ervaringen, welke eerst gekwantificeerd werden. Maar over het wezen zelf van de ervaringen kunnen de vergelijkingen niets zeggen. Wij kunnen de massa van de aarde vergelijken met die van de maan, maar het begrip 'massa' zelf kunnen wij niet anders verwoorden dan middels datgene wat we ermee kunnen doen. Wij kunnen de ruimte indelen, afstanden afmeten aan een vastgestelde eenheid, hoeken definiëren en de meest afgelegen ster in kaart brengen, maar over het wezen van de ruimte zeggen al onze astrofysische metingen ons twee keer niets. Meer zelfs: als begrip blijkt 'ruimte' zelfs niet fundamenteel te zijn: er ligt nog een begrip achter en daarachter nog een en nog een. Zonder de ijkmaat kunnen we niet kwantificeren, en die ijkmaat veronderstelt een concreet ding dat echter gedoemd is om onkenbaar te blijven: het is een axioma, een werkmiddel, een instrument, een toegift van bij het begin, een noodzakelijke toegift zonder welke wij geen weg op kunnen gaan.

Het wezen van de dingen kunnen wij niet meten, en toch is er onmiskenbaar een innerlijk. Er moeten dus ook wetten zijn waaraan het innerlijke onderworpen is. Welnu, het is duidelijk dat wij die wetten niet en nooit vanuit onszelf kunnen kennen, zoals wij de wet van de zwaartekracht kennen. Want deze wetten behoren tot een wereld die onze fysieke ervaringen overstijgt: het is een niet-fysische wereld, een wereld waarin de ijkmeters, als die er zijn, niet kunnen waargenomen worden. In het Egyptisch Dodenboek worden de zielen na de dood gewogen. Er is als het ware een weegschaal denkbaar, er is een inhoud, een gewicht of een kwaliteit van de zielen denkbaar; maar in de wereld van de fysica is er geen weegschaal denkbaar die dit wegen kan. De wetten van het leven, de wetten van het innerlijk, kunnen niet wetenschappelijk worden neergeschreven. Ze zijn van een andere aard, maar ze zijn er. Wij moeten ze ontvangen van God zelf.


05-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1.1. Profeten en profetieën
Klik op de afbeelding om de link te volgen

1. Profeten en profetieën, wetten, mysteries


1.1.
Profeten en profetieën


Profeten zijn er om verkeerd - of helemaal niet - te worden verstaan. Nochtans is elke profetie voor de hand liggend en dus eenvoudig; indien ze dat niet was, dan kon ze ook onmogelijk gedaan worden. De profeet is hij die zich door het bos niet van de wijs laat brengen, en de bomen blijft zien. Hij is een ziener, iemand die les geeft in kijken.

Hoe eenvoudig het in principe ook is en blijft: kijken is moeilijk, want wij kijken nauwelijks als we de ogen opslaan; tussen onze ogen en de dingen in, staan vele zaken in de weg: taboes, gewoonten, verlangens, verwachtingen, persoonlijke noden en overtuigingen en nog veel andere obstakels. Wie ooit een portrettekenaar aan het werk zag op een foor, zal zich hebben afgevraagd hoe de man het toch doet om zoveel gelijkenis te verwezenlijken tussen het model en z'n afbeelding. Maar tevens is het zo dat het eigenlijk veel moeilijker zou moeten zijn om iets te tekenen dat er niet is, dan om gewoon weer te geven wat men voor zich ziet - althans voor wie ook echt zien. Want niet het natekenen van licht- en donkerpartijen - want dat is de essentie van deze kunst - doch het zien ervan is moeilijk. Dat zal elke portretkunstenaar je verzekeren met de hand op het hart. Op het witte blad maakt het potlood bepaalde plekjes zwart en andere plaatsen worden wit gelaten. Op den duur verschijnt het gezicht van het model. Maar op de keper beschouwd, is dat gezicht één grote illusie. Wie een gezicht bekijkt, herkent weliswaar iemand, maar hij ziet helemaal niemand; wat hij ziet zijn slechts licht- en donkerpartijen. De portrettekenaar beheerst zich, laat zich niet door de illusie meeslepen, maakt abstractie van wat of wie zich aan zijn kennis opdringt, en concentreert zich op wat hij ziet: licht- en donkerpartijen. Niet het tekenen is moeilijk - dat is een kwestie van oefening, handgymnastiek, spierbeheersing. Het zien is de zaak. Zien wat relevant is voor wat men doet, en abstractie maken van al de rest, met andere woorden: weerstaan aan de verleiding, welke altijd een leugen is. Zien is kiezen: zien in functie van het tekenen is zich beperken tot het zien van datgene wat relevant is voor de tekening. Voor al datgene wat voor de tekening niet relevant is, moet men 'de ogen sluiten', men moet het bannen. "Tout choix est sacrifice". Zonder deze zelfbeperking, dat offer of die keuzedaad, kan geen mens een daad stellen. Gericht handelen is noodzakelijk zichzelf beheersen, elimineren, opofferen, schrappen. Elke doelgerichtheid wordt pas mogelijk door opofferingen, en dus wordt elke vrijheid - het vermogen om wat men zich tot doel stelt ook te realiseren - mogelijk gemaakt door het vermogen om af te zien van een eindeloos aantal soms heel verleidelijke en zich opdringende mogelijkheden.

De ziener is hij die vrij is, hij die kan verzaken of offeren, hij die kan abstraheren, hij die weerstaat aan de verleidingen die van buitenaf komen, hij die zich concentreert en alleen wat van binnenuit komt, volgt. De goede portrettekenaar verzaakt aan de wereld. Zijn geconcentreerd werken is een afgesloten zijn van de dingen, een louter volgen van het innerlijke, een kijken en een zien dat zelf dicteert wat gezien zal worden, dat gehoorzaamt aan wat gezien dient te worden, dat zelf bepaalt en dus erkent, wat wezenlijk is in functie van wat de hand doet met het potlood - de hand waarmee het oog, verenigd in een bewonderenswaardige trouw, samenwerkt.

 
Het zien staat altijd in functie van iets anders, zoals ook het horen en alle andere zintuiglijke functies, instrumenten zijn die dienen. Het dienstbaar maken van het zien is een kunst die alleen door oefening en inspanning wordt gebaard. Een zien dat niet dienstbaar wordt gemaakt, is zoals een paard dat niet naar zijn ruiter luistert, en hem wegbrengt van waar hij wil zijn. In dat geval is het vanzelfsprekend beter geen paard te hebben. Het is een kunst om een paard te beteugelen, en zo ook is het een kunst om het eigen lichaam te beteugelen. Want hoewel ons lichaam ons naderbij is dan het paard dat wij berijden, is niet alleen ons vermogen om het in de hand te houden groter, maar tevens neemt de mogelijkheid dat wij er door 'aangedaan' worden toe. Zoals men de ruiter die zich door zijn paard laat rijden in plaats van andersom, stuurloos noemt en onbekwaam, zo ook is wie zich door zijn lichamelijkheid laat meeslepen, onbekwaam en stuurloos. Hij kan met zijn lichaam niets aanvangen, zoals de stuurloze ruiter niets kan aanvangen met zijn paard. En zoals het paard zelfs een gevaar betekent voor de bezitter die het niet kan berijden, zo ook is het lichaam dat niet door de wil wordt beteugeld een gevaar voor wie er in woont. Paradoxaal genoeg weten sommigen toch de leugen te verkopen dat precies in deze stuurloosheid en in dit meegesleept worden, de vrijheid ligt. Hoe blind moet een mens al niet zijn om dat te geloven? Ziende blind moet hij zijn, wat nog veel erger is dan alleen maar blind. Of is een motorisch gestoorde wiens armen en benen constant willekeurige bewegingen maken in alle mogelijke richtingen dan vrijer in zijn bewegingen dan iemand die één eenvoudige maar gerichte beweging maakt? Hij zal dit zelf te stelligste ontkennen, hij beklaagt het zich geen zeggenschap te hebben over zijn spieren, hij lijdt eronder, elk ogenblik van zijn bestaan. En toch kan zo'n zieke veel meer bereiken dan de gezonde mens die, terwijl hij nochtans de mogelijkheid heeft om z'n handelingen zelf te bepalen, daarvan afziet - dus niet omdat hij niet anders doen kan, maar omdat hij niet wil. Zonder paard geraakt men beslist veel verder dan mèt een paard dat men niet bestuurt. Stuurloosheid is daarom onvrijheid, en waar men erin volhardt, wordt zij zelfs een ziekte, erger dan de ziekten van het lichaam. De kreupele vordert beter dan de gezonde wiens benen een loop nemen met hem, want deze laatste mist elke richting en elk doel. Zijn actie is zoals het tollen van een bromvlieg die op de rug ligt: veel lawaai en veel gedraai maar zonder enige baat. Daarom ook zegt Christus: "Indien uw hand of uw voet u tot zonde verleidt, houw hem af en werp hem weg".

Of het nu gaat om het zien, het horen, het bewegen van de ledematen, het spreken of het verborgen denken, het is eender: waar het meesterschap over het lichaam ontbreekt, kan een mens zich geen doelen stellen, kan hij zich niet richten, kan hij niet vooruit gaan, leeft hij niet terwijl nochtans zijn lichaam perfect 'gezond' kan zijn. Hij bestaat niet omdat zijn lichaam zelf geen doel dient, want dat gebeurt waar het lichaam zichzelf tot doel gelooft te kunnen zijn. Wat niet buiten zichzelf wijst, wat niet reikt naar iets anders, wat alleen in zichzelf opgesloten zit in 'zelfgenoegzaamheid', staat stil en leeft niet meer: het tolt rond tot al z'n krachten uitgeput zijn en het blijkt om niets geleefd te hebben, het blijkt dood te zijn geweest.

Het zien is pas mogelijk, het is pas levend, als het buiten zichzelf kijkt, als het ontvankelijk is, en gericht op een welbepaald beeld, ten dienste van iets hogers, zoals bijvoorbeeld het maken van een portret. Van de portrettekenaar zeggen wij daarom dat hij ziet; diegene die niet tekenen kan, moet leren kijken; hij is blind, zo zeggen wij over hem. En zoals onze ogen blind kunnen zijn, terwijl ze nochtans 'biologisch gezond' zijn, maar niet hebben leren zien, niet beheerst worden, niet geoefend zijn, zo ook kan ons hele lichaam blind zijn, lam, stom of doof, kreupel of spastisch. Niet omdat het 'biologisch ziek' zou zijn, maar omdat ons de wil ontbreekt en de bereidheid om het te onderwerpen, om het te oefenen, en om te kiezen, te offeren, te selecteren. Het handelen zonder doelgerichtheid gaat samen met een lichaam dat niet meer echt leeft: het wordt geleefd, het leeft zich uit, maar eigenlijk is het al dood.

De profeet is een ziener, en tevens iemand die zijn oren beheerst, en zijn woorden en al zijn handelingen. Hij heeft zijn lichaam dienstig gemaakt aan zijn wil, en zijn wil afgestemd op wat verder reikt dan alleen dat lichaam. De profeet is vrij omdat hij niet door zijn lichaam wordt bezeten, beperkt, gehinderd of bedrogen. De profeet reikt verder dan zijn zinnen; en daarom ook is zijn lichaam een instrument van dat- of diegene naar wie hij reikt. Het hogere huist dan in zijn lichaam; het hogere bestuurt, berijdt of beweegt zijn lichaam. Het hogere waarmee hij zijn wil volkomen heeft verenigd, is nu het wezen of de ziel zelf van de profeet. En daarom is de profeet het hogere zelf. Hij is altijd gericht op het doel, en daarom leeft het doel in hem: zijn verlangen naar het doel heeft hem ermee verenigd, en hij is er de expressie van. Hij ziet het niet alleen, maar hij zegt het ook, hij laat het in en door hem handelen en leven. En zo, net zoals de beste van alle ruiters behalve zijn eigen paard ook alle andere ruiters aanvoert, zo ook voert de profeet allen aan die zijn minderen zijn inzake de beheersing van het lichaam, de kennis van het doel en van het hogere. De profeet stelt daarom de wet voor allen, en zijn wet maakt allen vrij en zij doet allen leven, want zij is de besturing zelf van het leven, het zich afstemmen van alle dingen op het leven.


04-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een prachtige sculptuur
Klik op de afbeelding om de link te volgen

Een prachtige sculptuur van de Möbiusring van de hand van de beeldhouwer Max Bill vindt men in het openluchtmuseum van Middelheim bij Antwerpen. Dat kunstwerk uit 1953-'56 draagt de titel: Eindeloze kronkel. Wie de ring volgt met de vinger, merkt algauw hoe alle zijden en kanten eindeloos in elkaar overvloeien: links wordt rechts en omgekeerd, boven wordt onder, alle tegengestelden blijken in een mysterieuze maar spontane beweging onderling verbonden en verenigd te zijn. Aanvankelijk blind voor het eigene van dit wiskundig lichaam, ontdekken wij meer bijzonderheden naarmate we meer vragen stellen. Vragen stellen is ruimte maken voor antwoorden. Om die reden kan diegene die geen vragen of geen twijfels heeft, ook helemaal niets meer bijleren.

In dit werkje zullen we dit dialogerende denken aanwenden teneinde op een kritische wijze tot enkele inzichten te komen die misschien belangrijk zijn voor onze tijd en cultuur. We zullen starten met een zeer elementaire dialoogvorm, met name het gesprek dat wij in de wetenschap voeren met de natuur. Bij uitstek hier dienen wij goed te kunnen luisteren naar onze gesprekspartner. Waar we daaraan verzaken, gebeurt zulks tot onze eigen scha en schande, want de natuur gebiedt ons te luisteren op straffe van lijden en dood. Inzake de kunst van het luisteren is de natuur zonder twijfel onze eerste en beste leermeester. In de ervaring die wij opdoen in het dagelijks leven en in het bijzonder in het gerichte zoeken - bij uitstek in het experiment - moeten wij ons neerleggen bij datgene wat wij ondervinden. Het komt er daar vooreerst op aan dat wij goed leren te luisteren wat de natuur ons te vertellen heeft, dat wij leren te zien wat hij ons toont. En precies deze kunst draagt de naam 'wetenschap'. Wij leren luisteren naar de natuur teneinde kennis op te doen over de natuur. Die kennis laat ons toe om vooruit te lopen op datgene wat te gebeuren staat: wetenschap stelt ons in het vermogen om voorspellingen te doen. En wie weet wat te gebeuren staat, kan zich ook voorbereiden op de toekomst. Dat is wezenlijk wat wetenschap aantrekkelijk maakt. Wetenschapslui zijn in feite profeten. In de volgende twee paragrafen (§2 en §3) zullen we daarom eens nagaan wat profeten of wetenschapslui eigenlijk zijn en wat zij trachten uit te vissen.


03-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ter inleiding: zoeken en vinden, geloven en kennen, dialogeren en denken
Klik op de afbeelding om de link te volgen

Ter inleiding: zoeken en vinden, geloven en kennen, dialogeren en denken


Een van de olieverfschilderingen op hout uit 1628 van de hand van de grote Nederlandse grafische kunstenaar Rembrandt Harmensz. van Rijn (1606-1669) werd betiteld als: Twee oude mannen in gesprek, Twee filosofen, Het dispuut of nog anderszins. Duidelijk is alvast dat Rembrandt in dat werk een tweegesprek uitbeeldt, een dialoog.

 
Ons denken zelf is een verinnerlijkte dialoog. Vaak wordt aangenomen dat het denken aanving met de Dialogen van de Oude Griekse filosoof Plato (428-348/347 v.C.), al zijn talloze wijsgeren Plato voorafgegaan. Hoedanook vormt de dialoog de basis van ons denken.

Dialogeren is niet zo makkelijk. Hoeveel doden moeten er niet vallen vooraleer conflicterende volkeren bereid zijn om rond de tafel te gaan zitten. Zelfs onder wetenschapslui blijkt het spreken met elkaar geen sinecure. Wanneer men vandaag deelneemt aan een symposium, moet men vaak tot z'n verbijstering vaststellen dat, onder het voorwendsel van de dialoog, geleerden zich veelal beperken tot beurtelingse monologen. Dit om nog te zwijgen over de politiek. Tot een echt gesprek komt het vaak niet. In deze wereld van concurrentie wil elkeen z'n eigen gelijk verdedigen, jammer genoeg meestal omdat men het woord spreekt van diegene wiens brood men eet. Het is aan de komende generatie die de toekomst vertegenwoordigt om hierop een krachtdadig antwoord te geven.

Kunnen luisteren naar de tegenpartij is de allereerste vereiste voor de dialoog. Dialogeren is vragen stellen en antwoorden geven. En elk antwoord kan opnieuw in vraag worden gesteld. "Ihre Frage sind wesentlicher als ihre Antwörte, und jede Antwort wird zum neuen Frage" - om het met de woorden van Ludwig Wittgenstein te zeggen. Reeds de grote katholieke denker en kerkvader Aurelius Augustinus (354-430), bisschop van Hippo, benadrukte het dialogerend karakter van het denken en het belang van de vraagstelling in het betrachten van antwoorden en waarheden: zoals geen antwoord denkbaar is zonder de vraagstelling, zo ook is geen begrip mogelijk zonder het geloof. De rede die van God komt, is door de erfzonde verzwakt, en zij kan aanvankelijk nog slechts 'geloven', zo zegt Augustinus: maar wanneer ze op een dag de waarheid vindt, dan kan ze die ook herkennen. Het geloof is een vermoeden van de waarheid die gezocht wordt door de rede, en dat geloof wordt beloond door het begrip: "Intellectus merces est fidei". De gelukzaligen weten wat wij 'slechts' kunnen geloven, maar als men niet eerst gelooft of zoekt, dan kan men ook niet vinden of begrijpen. Om te kunnen zien volstaan onze ogen niet: wat we vooral nodig hebben, is licht, en dat is geloof - aldus Augustinus.

Zo horen het geloof en de rede onscheidbaar samen, net zoals de vraag en het antwoord, het lichaam en de ziel, de materie en de vorm, de tijd en de ruimte. Dit onscheidbare samengaan van twee voortdurend in elkaar overlopende facetten van eenzelfde werkelijkheid, wordt op een uitnemende manier uitgebeeld in het wiskundig lichaam dat door Möbius werd geconstrueerd en dat sindsdien naar hem genoemd wordt: de ring van Möbius.

 


02-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Inhoudstafel

Inhoud

 

Woord vooraf          9

Ter inleiding: zoeken en vinden, geloven en kennen, dialogeren en denken       9

1. Profeten en profetieën, wetten, mysteries           12

1.1. Profeten en profetieën      12

1.2. Wetten              15

1.3. Mysteries         20

Paradoxen              20

Raadsels 21

Fysische en wiskundige raadsels           22

2. Kosmologie, filosofie, mystiek              26

2.1. Ontraadselingspogingen in de kosmologie      26

Handelen, dialogeren, denken               27

De eerste wereldbeelden       29

2.2. De weg van de filosofie    32

Metafysica               33

Ethica      33

Esthetica  35

2.3. Mystiek             35

Het brandende braambos       36

De hiërarchie in de natuur      37

Het onuitsprekelijke 38

3. Zijn en zin: een filosofische oefening   40

Een trans-persoonlijke onderneming      40

Onvolmaakte kennis                41

Zintuiglijke kennis    42

Een beperkt lichaam               45

Werktuigen              45

Kennen en kiezen   46

Onze wereld, de natuur en de werkelijkheid          46

Het gemaakte en het geschapene          47

Een ding is zijn zin   48

Het wezen van de dingen ligt in de toekomst          50

Ons gemeenschappelijk lichaam             51

Zin           51

We nemen slechts waar wat we kennen 52

Onze wereld is slechts zo rijk als onze kennis         53

Onze kennis bepaalt ons zijn   54

De gegeven zin      55

Het christelijke antwoord: zin is hoop      56

4. Het visioen van Pierre Teilhard de Chardin       58

De mysticus             59

Teilhard's pan-christisch visioen             60

5. Max Wildiers en Gerard Bodifée over de evolutie van het leven en van de geest            65

5.1. Gerard Bodifée over het ontstaan en de evolutie van het leven     65

5.2. Max Wildiers over de evolutie van het westerse wereldbeeld        68

Een eerste fase: de kosmologische achtergrond van de middeleeuwse cultuur     68

Een tweede fase: mens en wereld vervreemd       76

Een derde fase: mens en wereld verzoend           83

5.3. Gerard Bodifée over de jongste wetenschappelijke evolutie           89

5.4. Gerard Bodifée over de zin van de wetenschap: het leven is meer dan natuurbescherming         95

6. Sint-Augustinus   98

Figuren   102

Index       102

Bibliografie              108


01-01-2006
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waarover gaat het?


H
et goede zoeken
wil een inleiding bieden tot een christelijk 'zin-denken'.

 

>Augustinus leert ons wat het zoeken en het vinden in wetenschap en geloof inhouden.

>Enkele van de meest interessante wetenschappelijke raadsels verwijzen naar de grenzen van de kennis en naar het mysteriekarakter van ons bestaan.

>De kosmoslogie, de filosofie en het mystieke denken worden beknopt belicht.

>Centraal in dit boekje staat een filosofische oefening: een speurtocht naar de zin der dingen, waarbij het begrip 'schepping' wordt verhelderd in contrast met het begrip 'constructie'.

>De zin van de schepping blijkt haar bloei: haar groei naar Christus toe, zoals uitnemend verwoord in het machtige visioen van Pierre Teilhard de Chardin.

>In Teilhard's spoor volgen Max Wildiers en Gerard Bodifée: zij illustreren het zin-zoeken in een cultuur-historische en in een wetenschappelijke context.

 

Het verhaal eindigt waar het begon: bij Augustinus die, als geen ander, het zoeken en het vinden, het geloof en de rede, met elkaar verbindt.

 

Een inleiding voor al wie krediet geven aan een 'cultuur van het leven'.


27-12-2005
Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Titel

Het Goede Zoeken
Inleiding tot een christelijk zindenken
D/2003/Jan Bauwens, uitgever

NUR: 136,705,732,733,738

ISBN: 90-77532-05-6

Copyright: Jan Bauwens, Serskamp





Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Foto

Inhoud blog
  • Download dit boek als PDF
  • Bibliografie
  • 6. Sint-Augustinus
  • 5.3. Gerard Bodifée over de jongste wetenschappelijke evolutie
  • (vervolg:) Een derde fase: mens en wereld verzoend
  • 5.2. Max Wildiers over de evolutie van het westerse wereldbeeld
  • 5.1. Gerard Bodifée over het ontstaan en de evolutie van het leven
  • 5. Max Wildiers en Gerard Bodifée over de evolutie van het leven en van de geest
  • 4. Het visioen van Pierre Teilhard de Chardin
  • vervolg3
  • 3. Zijn en zin: een filosofische oefening
  • 2.3. Mystiek
  • 2.2. De weg van de filosofie
  • 2.1. Ontraadselingspogingen in de kosmologie
  • 1.3. Mysteries
  • 1.2. Wetten
  • 1.1. Profeten en profetieën
  • Een prachtige sculptuur
  • Ter inleiding: zoeken en vinden, geloven en kennen, dialogeren en denken
  • Inhoudstafel
  • Waarover gaat het?
  • Titel

    EVOLUTIETHEORIE EN INTELLIGENT DESIGN

    Sinds Darwin woedt er een hevige strijd tussen de zogenaamde evolutionisten en de voorstanders van de scheppingsgedachte. De strijd is reëel, en mondt nu uit in echte processen, bijvoorbeeld in de USA - processen handelend over de vraag welke van de twee leerstellingen aan kinderen op school moet, of mag, onderwezen te worden. De zaak is alleen dat, niettemin die strijd reëel is, de beide strijdende partijen dat manifest niét zijn. Die partijen hebben weliswaar elk een vlag waaronder ze strijden, maar het probleem is dat eigenlijk geen van die beide vlaggen een lading dekt.

    De vlaggen - die van de "intelligent disign"-groep en die van de "evolutie"-groep, zoals we ze hier voor het gemak maar noemen, - staan namelijk voor meningen. Meer bepaald: ze staan voor meningen welke mensen zoals u en ik zich vormen op grond van wat wij (menen te) weten (en niet (menen te) weten), geloven (en niet geloven), betrachten (en verafschuwen), omtrent de ultieme oorsprong van het bestaan - een oorsprong die verondersteld wordt aan het bestaan van elk van ons vooraf te gaan. En het zijn meer bepaald 'meningen' welke resulteren uit het beantwoorden van een volstrekt onzinnige vraag, namelijk deze: "Is ons bestaan het resultaat, ofwel van Gods schepping, ofwel van een natuurlijke evolutie?"

    U begrijpt waarom die vraag hier volstrekt onzinnig werd genoemd. Zij klink namelijk net zoals deze vraag: "Is de aarde bolvormig, of is zij omgeven door een meters dikke dampkring?"

    Om te beginnen is de aarde geen bol en is de dampkring weliswaar meters, maar ook veeleer vele kilometers dik. Vervolgens hoeven de beide standpunten, gesteld dat tenminste één ervan correct kon zijn, elkaar niet uit te sluiten. Ten derde werden eventueel andere mogelijkheden over het hoofd gezien. Ten vierde... en zo kan men nog een tijdje doorgaan.

    Edoch, indien deze laatste vraag gesteld werd aan een bevolking die weinig of niets afwist van aardrijkskunde, dan was het niet ondenkbaar dat een deel van die bevolking zich zou bekennen tot de ene theorie, en een ander deel tot de andere. En dan verkreeg men alras twee vlaggen: de ene verdedigend dat de aarde bol is, de andere vasthoudend aan de overtuiging dat de aarde een metersdikke dampkring heeft en, bovendien: de ene zich een forse tegenstander van de andere wanend.

    Twee vlaggen, twee groepen mensen, en ongetwijfeld ook processen over welke van de twee theorieën op school aan kinderen moet, of mag, onderwezen worden.

    De processen zouden weliswaar reëel zijn, maar de strijdende partijen waren dat uiteraard in geen geval. Weliswaar zouden deze partijen bestaan uit echte mensen, met echte meningen en met echte bekommernissen om het welzijn van hun schoolgaande kroost. Maar datgene wat hen tegen elkaar had opgezet, en waaraan ze dus hun bestaan als verdedigers van een welbepaalde vlag te danken hadden, ware volstrekt absurd.

    Wat wij beleven in de vaak hoog oplaaiende discussies waaraan zelfs professoren aan universiteiten deelnemen, is slechts een zoveelste gestalte van een, laat ons zeggen, Kafkaëske werkelijkheid die ons steeds meer in zijn greep krijgt: de toren van Babel.

    U kent het verhaal van de toren van Babel: de mensen willen een toren bouwen die tot aan de hemel reikt. Maar de bouw ervan verloopt niet van een leien dakje: God ruikt onraad en sticht onenigheid onder de bouwvakkers door hun onderlinge communicatie te verstoren: ze gaan allemaal andere talen spreken, verstaan elkaar niet meer, en al gauw loopt alles in het honderd.

    Een andere versie van het Babel-verhaal illustreert een meer realistische uitleg van wat ook wel 'tegendoelmatigheid' wordt genoemd: de bouw van de toren strandt, gewoon omdat hij te hoog wordt. Men moet zich immers realiseren dat, van de begane grond tot aan de top, zich een mensenketting heeft gevormd. Die mensen geven de bouwmaterialen aan elkaar door om ze aldus tot bij de top te brengen. Maar de toren is zo hoog dat deze bouwvakkers niet elke avond terug kunnen naar beneden om huiswaarts te gaan - zo'n reis nam immers telkens weer een ganse dag in beslag. Zij resideren dus daar waar zij werken. En ze hebben zelf ook materiaal nodig om daar te kunnen verblijven: eten en drinken, kledij, huishoudspullen en wat al niet meer. Zo komt het op den duur dat het materiaal, dat bestemd is om de top nog wat hoger te maken, nooit meer bij die top geraakt omdat het onderweg al werd verbruikt. De toren groeit niet meer, hoezeer men zich ook inspant: alle verdere arbeid is volstrekt nutteloos. Meer zelfs: de toren slorpt alle arbeidskrachten op, zodat elders, waar arbeid wél zin zou hebben en zelfs noodzakelijk is, alle werk blijft liggen.

    Wat is er dan absurd aan de vraag of de mens hetzij geschapen is, hetzij ('slechts') de resultante van een (al dan niet 'domme') evolutie? Want onvermijdelijk zien de deelnemers aan de 'discussie' het absurde van hun onderneming ofwel helemaal niet in, ofwel zien ze het wél in, terwijl ze zich nochtans verplicht weten om deel te nemen 'teneinde erger te voorkomen'.

    Uiteraard is de gestelde, tweelobbige vraag, die de mensen lijkt te verdelen in voor- en tegenstanders van dit en dat, bijzonder misleidend. Om te beginnen: gesteld dat men ook wist waarover men het had bij het hanteren van de naam van God en het scheppingsbegrip, alsook bij het spreken over 'evolutie' en 'toeval', dan moet vooreerst gezegd worden dat de beide 'lobben' in de vraag elkaar allerminst hoeven uit te sluiten. Waarom immers zou God niet in staat mogen geacht worden om een proces van evolutie te scheppen? Elk van ons apart evolueert toch ook meestal onmiskenbaar van één bevruchte eicel tot een bijzonder geordend organisme?

    En verder: hoe ooit kon een evolutietheorie raken aan het scheppingsbegrip, als wij weten dat deze theorie zich beperkt tot pogingen om te verklaren dat het ene uit het andere voortkomt, en dit geheel volgens het aan ons, mensen, eigen oorzakelijkheidsdenken? Immers, het redeneren en 'begrijpen' in termen van oorzaak en gevolg kan zich per definitie op geen enkele zinnige wijze bezighouden met het vraagstuk naar de ultieme oorsprong van alles. Het kan dat gewoon niet, omdat zo'n ultieme oorsprong weliswaar een gevolg kan hebben, doch per definitie nimmer zelf een gevolg van weer een andere oorzaak kan zijn! Let op: die vraag kan niet gesteld worden, eenvoudigweg omdat de definitie zelf dit verbiedt!

    De vraag is en blijft sinds oudsher onbeantwoord en ook onbeantwoordbaar, en daar blijven de ene na de andere van alle grote denkers die de geschiedenis heeft voortgebracht, op hameren: dit probleem ligt geheel buiten het werkterrein van het oorzakelijkheidsdenken.

    Welnu, precies om dit probleem te duiden, werd sinds oudsher het scheppingsbegrip ingevoerd. Andermaal per definitie verwijst dit begrip naar een verklaringsfactor die aan ons denken zelf ontsnapt, maar die zich in de gedaante van die factor alsnog voordoet teneinde het oorzakelijkheidsdenken enigszins tegemoet te komen. Die factor is niets anders dan een vraag, en het onderwerp van die vraag is geen probleem, is niets iets dat wij kunnen objectiveren: het is iets waarvan we zelf deel uitmaken, iets waar we middenin zitten, maar ook dat is nog veel te zwak uitgedrukt.

    Er zal intussen weliswaar veel nutteloos gepraat in de ether gestuurd zijn, maar de oorspronkelijke zorg van gelovigen kan geen andere zijn dan deze, tenminste als die welgemeend was: laten we ons ervoor hoeden dat wij gaan geloven dat de wetenschap ooit in staat zou zijn om dit mysterie op te lossen! Immers, indien men die onzin zou gaan geloven, zou dat meteen betekenen dat de mens als zodanig de bijzonder arrogante overtuiging was toegedaan dat het leven dat hem te beurt valt, als het ware in zijn binnenzak zat. Zo'n overtuiging verraadt niet alleen een schromelijk onvermogen om echt na te denken, maar veel erger nog dan dat, etaleert ze bovendien het ontbreken van elk kritisch vermogen met betrekking tot de eigen meningen, theorieën en veronderstellingen. Een korte blik op de ideeëngeschiedenis volstaat om in te zien waar zulks kan toe leiden.

    (Zie ook de paragraaf 16 van "Mithrasgijzeling").

    J.B. 16 maart 2007.


    De waarheid te koop?

    Professor Vermeersch is nog maar net uitgeroepen tot de meest invloedrijke intellectueel van Vlaanderen, of Het Laatste Nieuws, verwijzend naar De Morgen en De Standaard, bloklettert dat Universiteit Gent aan Vermeersch' opvolger, professor Braeckman, een premie toestopt om de evolutietheorie te gaan verdedigen. Aanleiding tot dat project is, naar verluidt, dat 20 percent van de Vlamingen niet zo sterk in Darwin blijken te geloven. (1)

    Geld vermag veel, dat is geweten: zaken en mensen worden herleid tot koopwaar van zodra het geld zich als voorwaarde tot het leven laat erkennen. Geld chanteert dan, en zet tot liegen aan. Edoch, het is ongetwijfeld een van de strafste arroganties van het gouden kalf, dat het gelooft ook de waarheid zelf te kunnen kopen.

    Geen universiteit ter wereld zal er ooit aan denken om aan iemand 200.000 euro uit te loven om de stelling van Pythagoras te gaan verdedigen, al zou er vanzelfsprekend geen gebrek zijn aan kandidaten voor die taak. Alvast onder wiskundigen kon zo'n voorstel slechts de lachlust wekken. Zonder enige twijfel zouden wetenschapslui tegenwerpen dat het veel beter hout sneed indien men een som uitloofde om Pythagoras te gaan ontkrachten, en het mocht dan gerust het tien- of honderdvoudige van het genoemde bedrag betreffen. Hoedanook: het subsidiëren van de verdediging van een zich wetenschappelijk achtende theorie wekt op zijn minst de indruk van haar betwijfelbaarheid.

    Edoch, een tweede twijfel betreft de vraag of het hier wel kan gaan om de verdediging van de evolutieleer. Voor zover ons bekend, overtuigt de (wetenschappelijke) waarheid door het verschaffen van klare en duidelijke inzichten aan wie zich erin verdiepen. Om maar eens een invloedrijk intellectueel te citeren: "Wie eenmaal heeft verstaan dat de stelling van Pythagoras juist is, weet dat eens en voor altijd; principieel kan niemand hem nog tot de tegengestelde overtuiging brengen". (2) Als nu ook de evolutietheorie (wetenschappelijk) waar was, dan zou zij elkeen die zich erin verdiepte, onmiddellijk van haar waarheid overtuigen.

    De kwestie is hier vooreerst niet of zij dat ook doet. Wat ons bezighoudt, is het feit dat de studie van de evolutieleer, welke tot het genoemde inzicht zou moeten leiden, vele jaren van gespecialiseerde intellectuele arbeid vergt - trouwens net zoals de studie van Newton's of Einstein's theorieën waarover het vermelde krantenbericht spreekt. Als het echt de bedoeling is om de evolutietheorie te gaan verdedigen teneinde inzicht te verschaffen in haar waarheid, dan is voor dat vijfde deel van 'niet overtuigde' Vlamingen waarover de krant spreekt, een heuse wetenschappelijke opleiding onontbeerlijk. Maar, afgezien van de vraag of inderdaad 100 percent van de Vlaamse bevolking interesse heeft voor wetenschappelijke studies en inzichten - of daartoe in staat is - mag men vrezen dat zo'n project maar weinig gebaat zal zijn met de som van 200.000 euro. Bovendien: gesteld dat men in het opzet om alle Vlamingen dienaangaande geleerd te maken, alsnog zou slagen, dan ontbrak vooralsnog elk argument om te gaan veronderstellen dat de gestudeerden dit keer allen evolutionisten zouden worden. De creationisten tellen immers evenzeer wetenschappelijk geschoolden, net zoals er ook onder de gelovigen evolutionisten zijn.

    Andermaal luidt dus de vraag naar de geloofwaardigheid van het universitaire project: is het de bedoeling om wetenschappelijke waarheden kenbaar te maken aan het ganse volk en om aldus allerlei gevaarlijke nonsens te bestrijden, of is het veeleer de bedoeling om de in het kamp van de geachte (gelovige) tegenstanders geschuwde apologetiek voor zichzelf her op te waarderen?

    Feitelijk is alvast dat waar geen zinnig mens er zal aan denken om 200.000 euro uit te loven voor de verdediging of de ontkrachting van de stelling van Pythagoras, er wel à volonté prijzen worden uitgeloofd voor apologetici of dus voor verdedigers van specifieke vormen van geloof. Feitelijk is ook dat de genoemde gesubsidieerde professor van signatuur scientist is, terwijl het scientisme als zodanig allerminst een wetenschap is, echter wel een geloof. Feitelijk is ook dat professor Braeckman in (het juli-augustusnummer 2005 van) het populair-wetenschappelijke blad Eos eerst terecht bepaalde uitwassen van het creationisme aanvalt om vervolgens, geheel onterecht, ook de scheppingsidee als nonsens van de kaart te vegen. En dat, wanneer lezers hem daar attent op maken, de (zichzelf eveneens als sciëntistisch verklarende toenmalige) redactie de discussie als beëindigd beschouwt. (3) Denken deze scientisten dan dat geldige argumenten met 200.000 euro gekocht kunnen worden?

    Jan Bauwens, Serskamp, 30 januari 2008.

    Verwijzingen:

    (1) Bron: http://www.hln.be/hln
    /nl/1265/
    Belgi
    /article/detail/
    152422/2008/01/30/Gentse
    -prof
    -krijgt
    -200-000-euro-om-
    evolutieleer
    -te-redden.dhtml
    .

    (2) Etienne Vermeersch in zijn colleges Wijsbegeerte.

    (3) Zie het september- en oktobernummer 2005 van Eos.

    Voor een meer omstandige benadering van de discussie verwijzen we naar het zestiende hoofdstuk, getiteld: "Hedendaagse schriftgeleerdheid", van "De gijzeling van Mithras" op de webstek: http://www.bloggen.be/
    mithrasgijzeling




    Evolutionisme-creationisme, sciëntisme-theïsme. Professor Johan Braeckman versus imam Nordine Taouil in “De zevende dag” op Canvas, 3 februari 2008.

    XML:NAMESPACE PREFIX = O /> 

    Schijn bedriegt. Wat moest doorgaan voor een strijd tussen een evolutionist en een creationist is in feite een (handige) verkapping van een heel andere tegenstelling, namelijk die tussen, enerzijds, het sciëntisme en, anderzijds, het theïsme. Het geloof in de menselijke wetenschap wedijvert met het godsgeloof; de mens wedijvert met zijn Schepper.

     

    Deze verkapping kon met voorbedachte rade worden gecreëerd, namelijk waar een van de beide partijen - de sciëntisten of de theïsten - impliciet (en onterecht) de scheppingsgedachte en de evolutie-idee als elkaar noodzakelijk uitsluitende stellingnamen wist voor te stellen. Edoch, zij kan evenwel geheel onbedoeld wezen en aldus gewoon volgen uit onvergeeflijke slordigheid welke zijn intrede doet waar de rustige en naar de waarheid zoekende rede bezoedeld werd met een onterecht streven naar macht en naar eer.

     

    In de genoemde (al dan niet bedoelde) vertekening van het ‘probleem’ wordt abstractie gemaakt van het feit dat schepping en evolutie onderling incommensurabele begrippen zijn, en wel hierom dat zij de dingen vanuit onderling volstrekt onverenigbare niveaus benaderen. Het geëvolueerde veronderstelt immers noodzakelijk in elke ontwikkelingsfase een voorafgaande toestand in een voorafgaande fase, terwijl eenzelfde zaak, dit keer beschouwd als zijnde iets dat geschapen is, helemaal geen ‘voorafgaande fase’ kan kennen, daar zo’n fase aan de scheppingsdaad en dus ook aan het bestaan van de zaak zelf zou voorafgaan.

     

    Om die reden kan, bij voorbaat, het “geschapen zijn” van de mens, met zijn “geëvolueerd zijn” helemaal niets te maken hebben, en moet een voorstelling van zaken waarin deze twee karakteristieken als elkaar uitsluitend worden voorgesteld, zonder meer als oneigenlijk van de hand worden gewezen.

     

    Wel lijnrecht tegenover elkaar staan het sciëntisme en het theïsme, welke allebei vormen zijn van geloof. Het sciëntisme gelooft in waarheden verkregen met behulp van de zogenaamde “wetenschappelijke methode”. Zo’n waarheden zijn echter noodzakelijk voorlopig, en ook worden zij zeer sterk beperkt door hun gebondenheid aan de gehanteerde wetenschappelijke waarheidscriteria, waardoor ze - uiteindelijk - tevens onbruikbaar worden in functie van alle mogelijke menselijke einddoelen, zoals bijvoorbeeld het geluk. Dit moet reeds geheel duidelijk worden in het feit dat de genoemde “waarheden” te herleiden zijn tot kwantificeringen van (in wezen niet kwantificeerbare) kwaliteiten, terwijl ze nochtans worden gegrond door specifieke waarderingen welke meer bepaald de gehanteerde waarheidscriteria bepalen. In de uitoefening zelf van de wetenschappelijke methode wordt niet alleen de mens tot maat der dingen, maar gaat de mens als “meter” der dingen zich bovendien onderwerpen aan door hemzelf gehanteerde meters. De onafwendbare vervreemding tussen mens en wereld maar ook de zelfvervreemding die daaruit volgt, kent een exponent in de angstaanjagende tegenstelling tussen, enerzijds, de bekomen (volstrekt gemathematiseerde) “waarheden” en, anderzijds, de menselijke betekeniswereld waarin die "waarheden" even volstrekt onvertaalbaar zijn, wat hen tot “absurde waarheden” maakt, tot wartaal. En dat de menselijke arrogantie daartoe moet leiden, wordt alvast gezegd in de Heilige Schrift - het ultieme referentiepunt van de betrokken theïsten.

     

    [NB: Voor een omstandige kritiek op het sciëntisme (/fysicalisme), zie: http://www.bloggen.be/
    bethina
     ]

    (J.B., 03.02.08


    Evolutieleer en evolutieleer is twee

    Er wordt dezer dagen geld gepompt in de zogenaamde "verdediging van het darwinisme". Bij de aanvang van het jaar 2008 werd bericht dat Universiteit Gent zowat 200.000 euro toekende voor een navenante promotiecampagne, op te zetten door de vakgroep filosofie. Het (al dan niet vermeende) probleem, met name dat één vijfde tot één vierde van 's lands bevolking het darwinisme niet zou erkennen (alsof de waarheid van - ongeacht welk - een wetenschappelijke theorie afhankelijk kon zijn van een grote meerderheidsbeslissing!), werd in de media verder gespecifieerd, onder meer in een tweegesprek tussen professor Johan Braeckman en imam Nordin Taouil, in De zevende dag van 3 februari 2008, waaruit dan weer moest blijken dat de 20 tot 25 percent 'ongelovigen' - in de betekenis van mensen die niet geloven in het darwinisme - hoofdzakelijk moslims zijn.

    Ons inziens bleek daarbij eveneens dat het in feite niet gaat om een tweestrijd tussen wetenschap (evolutionisme) en pseudo-wetenschap (creationisme), doch om een heel andere tegenstelling, namelijk die tussen een welbepaald geloof (een bepaald theïsme) en een ander (het sciëntisme). De opponenten in dit 'debat' verschillen alvast hierin, dat de eerstgenoemden zich wel degelijk heel goed bewust zijn van het feit dat zij een geloof verdedigen, terwijl de laatst genoemden dat helemaal niet blijken te weten: om de een of andere duistere reden verwarren zij hun sciëntisme met de wetenschap zelf, en zodoende etaleren zij dan ook dat zij bevooroordeeld zijn en daardoor niet tot een ernstig gesprek in staat. Een en ander zal ook wel te maken hebben met het feit dat de genoemde filosofen zelf geen wetenschapslui zijn, en hopenlijk zullen zij bij hun op touw gezet project ernstige wetenschappers betrekken, welke hen zeer zeker alras zullen wijzen op de bijzondere verblinding die dezer dagen meer mensen parten speelt die, enerzijds, verrukt worden door de wetenschappelijke prestaties terwijl zij, anderzijds, inzake de wetenschappen leken zijn.

    Maar, afgezien van het geschetste euvel van niet geringe omvang, duiken nog meer problemen op. Want het is uiteraard niet zo dat wie het darwinisme verwerpen, daarom ook zouden bedanken voor de evolutieleer. Het darwinisme omvat immers veel meer dan slechts de evolutiegedachte: als zijnde inherent aan het darwinisme geldt immers de overtuiging dat de evolutie het gevolg zou zijn van blinde differentiatie, ongewilde aangepastheid en zo ook het toevallig uitgeselecteerd worden van de 'sterkste'. Heel wat godsgelovigen nemen dus aan dat er evolutie is in de natuur, en zij geloven dit, hetzij vanuit wetenschappelijke inzichten, hetzij vanuit een (al dan niet vermeend) 'gezond verstand' dat zich vanzelfsprekend beroept op de daadwerkelijke alledaagse ervaring van de aanwezigheid en de werkzaamheid van evolutie in, bijvoorbeeld, de individuele levende wezens waarvan men dan toch zelf een exemplaar is.

    Wat deze gelovigen vaak wél verwerpen - en zij doen dat nota bene vanuit precies hetzelfde (al dan niet vermeend) 'gezond verstand' - is de toevalsgedachte: de idee dat alles blind zou evolueren, ongestuurd en zonder ook maar enig voorbeeld, enige noodzaak of enig plan. Immers, elkeen kan dagdagelijks en onmiddellijk vaststellen dat de evolutie van een individueel levend wezen wél volgens een voorbeeld verloopt, en ook met noodzaak, én volgens een vooraf bepaald plan: de bevruchte eicel volgt in haar evolutie het voorbeeld van de moeder in wiens schoot ze gedijt; het ontstaan van nieuwe individuen is noodzakelijk ter compensatie van de individuele sterfelijkheid en in functie van de 'onsterfelijkheid' van de soort; en tenslotte: het 'plan' voor de evolutie van elk individu is aanwezig in de genen welke door de voorouders aan het kind worden meegegeven.

    Vandaar: is het redelijk om aan mensen te verwijten dat zij op grond van hun (al dan niet vermeend) 'gezond verstand' oordelen dat er weliswaar evolutie in het leven is, doch evenzeer een zekere 'doelgerichtheid'? Het probleem van die doelgerichtheid vraagt weliswaar een aparte aanpak. Maar wil men aan mensen meer oordeelsbekwaamheid schenken dan zij op grond van louter het gezond verstand bezitten, dan moet men hen wetenschappelijk scholen. En wetenschappelijke scholing is een heel andere zaak dan overreding via promotiecampagnes. Is het trouwens niet de wetenschapper die er op wijst dat het redelijke argument, in al zijn eenvoud, de waarheid dient, terwijl het slechts de leugen is die behoefte heeft aan overreding en aan heel veel geld om zich als het ware in de waarheid te verkleden? Ook dat laatste inzicht is een vrucht van het (al dan niet vermeend) 'gezond verstand'.

    Jan Bauwens, Serskamp, 18 februari 2008

    Noot: overname en publicatie van deze tekst is zonder de schriftelijke toestemming van de auteur enkel toegelaten voor niet-commerciële doeleinden en mits integrale en ongewijzigde weergave van de tekst, de titel, de auteursnaam, de datum, het website-adres en de onderhavige noot.

    Zie ook: http://www.bloggen.be/
    Tisallemaiet



     

    Evolutieleer en toeval

    Het verbinden van de evolutietheorie met het atheïsme, meer bepaald vanuit het vermeende inzicht dat deze theorie zou impliceren dat de ganse schepping een product van louter toeval was, berust op een aantal onwetenschappelijke en zelfs logisch volstrekt onverdedigbare overtuigingen die, enerzijds, vooral aan vooroordelen te wijten zijn en die, anderzijds, deze vooroordelen nog versterken.

    Om te beginnen is het nodig om te specifiëren wat er precies met 'toeval' wordt bedoeld wanneer men beweert in te zien dat de schepping een louter toevalsproduct is. Indien dan bijvoorbeeld gesteld wordt dat een gebeurtenis "toevallig" heet als zij "niet noodzakelijk" is, dan moet datgene in functie waarvan hetzij de betreffende noodzaak, hetzij het ontbreken daarvan, in betrekking staat, eveneens gedefinieerd worden. Beweren dat de schepping - waarvan wij deel uitmaken - "een toevallige gebeurtenis" is, zonder meer, is daarom nonsens. Beweren dat de schepping absoluut toevallig is, en dus toevallig afgezien van alle mogelijke betrekkingen, is vanzelfsprekend evenzeer nonsens.

    Alleen al wegens de noodlottige ontoereikendheid van alle menselijke kennis, kunnen de (al dan niet vermeende) oorzakelijkheidskettingen waarmee gebeurtenissen geacht worden in onderling verband te staan, nimmer uitputtend worden achterhaald. En mocht zulks niettemin het geval zijn, dan wijst reeds Aristoteles op de mogelijkheid van zogenaamde "dubbele oorzaken", wat meteen het niet-overbodig-zijn van elk van de (in aantal principieel onbeperkte, mogelijke) referentiekaders belicht.

    Verklaringen tout-court zijn ondenkbaar los van enig referentiekader omdat zij hun wezen of dus hun 'verklaringskracht' uitsluitend ontlenen aan het feit dat zij niets anders doen dan bevraagde gebeurtenissen relateren aan reeds geaccepteerde klusters van gebeurtenissen of referentiekaders en wel zodanig dat zij op grond daarvan als behorend tot die klusters kunnen worden beschouwd. Vaak blijkt een causale verklaring dan nog weinig meer in te houden dan een welbepaalde historische duiding, met name: het aan het licht brengen van een of meer gebeurtenissen die aan het te verklarene historisch voorafgaan.

    Wat tenslotte de (onder meer) uit het (neo)darwinisme afgeleide overtuiging van het niet contingent geachte karakter van het menselijke bestaan betreft - een overtuiging die, vrij vertaald, zegt "dat voor hetzelfde geld er van ons bestaan geen sprake was geweest" - moet opgemerkt worden dat niets noodzakelijker is dan het feit, aangezien wij slechts datgene noodzakelijk noemen waarvan wij geloven dat het krachtens onze op feiten gesteunde kennis uit bepaalde feiten volgen moet. Voor de slechte verstaander: wat wij noodzakelijk achten (op grond van kennis teruggaand op feiten of gebeurtenissen), is uiteraard minder zeker dan wat effectief gebeurt.

    Oorzakelijke verklaringen hoeven overigens helemaal niet in tegenspraak te zijn met teleologische, en evenmin is het waar dat oorzakelijke verklaringen, verklaringen van teleologische aard uitsluiten, en dit om precies dezelfde reden waarom verschillende oorzakelijke verklaringen die naast elkaar bestaan, elkaar allerminst overbodig hoeven te maken.

    Verder blijkt men geneigd om naar het toevalsbegrip te grijpen - niet omwille van een gebrek aan causale verklaringen, maar veel vaker omwille van hun irrelevantie terzake. Meer hierover in het vierde hoofdstuk van "Mathematica Christiana"
    [ http://www.bloggen.be
    /mathematicachristiana2/ ] alsook in de paragraaf I.3.B.7. van "Transatheïsme"
    [ http://www.bloggen.be/bethina/ ].

    Jan Bauwens, 20.02.2008

     


     

    Grenzen aan de evolutie

    In een voordracht d.d. 2006 over de oorsprong van religie (1), past Darwin-kenner Johan Braeckman relevante facetten van de evolutietheorie toe ter verklaring van het aan alle culturen inherente verschijnsel van de religie, en zo komt hij tot een hypothese die in het verlengde ligt van de theorieën over de zich (analoog aan de genen) voortplantende zogenaamde 'memen': religie is misschien wel een onpersoonlijke, blinde entiteit welke niettemin parasiteert op menselijke breinen teneinde zichzelf in stand te kunnen houden.

    Ons inziens worden in de genoemde theorie de zaken impliciet op hun kop gezet, en wel in die zin dat wij geloven dat religie, en het leven van de geest in het algemeen, niet een toevallig, overbodig en bovendien belastend bijproduct is van de activiteit van onze hersenen, maar daarentegen een werkelijke stap vooruit in een noodzakelijk begrensd 'evolutieproces' dat niettemin zoekt zichzelf nog voort te zetten 'buiten' de tijd - zoals beschreven in onze tekst uit 2003, getiteld: Dead-line. Over de Grenzen van de Tijd en het Neerstrijken van de Engelen. (2) Hierna volgt de laatste paragraaf uit die tekst.

     

    Sinds enkele decennia, meer bepaald sinds de publicatie van het Bariloche-rapport van de Club van Rome, zijn wij vertrouwd met het begrip van de 'grenzen aan de groei', dat menig filosoof en literator tot een dankbare bron van inspiratie diende. De idee zelf was allerminst nieuw: ze maakt de kern uit van meerdere oeroude parabels en mythen. Het beste kennen we de gedachte uit de vergelijkingen met de lotgevallen van de beroemde toren van Babel: de ijdele mensheid weet van geen ophouden, steekt de goden naar de kroon en bouwt een toren die tot aan de hemel reikt. Maar op een gegeven ogenblik houdt de groei van de toren op, want de aangebrachte goederen worden verbruikt vooraleer ze de top bereiken: ze dienen onderweg namelijk voor de noodzakelijke herstellings- en onderhoudswerken. De efficiëntie van de bouw kan bijgestuurd worden, de snelheid kan opgedreven worden, maar de grenzen blijken tenslotte niet weg te werken. De toren verwordt tot een stilstaand en niets anders dan zichzelf dienend object dat alle voorradige energie uit de omgeving opslorpt om te kunnen blijven bestaan, zonder dat hij nog groeit. Het prestigeproject blijkt tenslotte een dodelijke kanker geworden: er zijn grenzen aan de groei.

    Eigenlijk kan precies hetzelfde worden gezegd over de begrensdheid van de tijd. De tijd die, meer bepaald, de mogelijkheid tot handelen biedt, begrenst zichzelf niet zoals men zich dat natuurlijkerwijze zou kunnen voorstellen, namelijk doordat hij op een bepaald ogenblik zou ophouden met voortduren. Neen, de grenzen aan de tijd zijn intrinsiek verbonden met het wezen van de tijd zelf, net zoals de grenzen aan de groei, eigen zijn aan de groei zelf. De noodzakelijke begrenzing van de tijd volgt meer bepaald uit zijn wezen, dat grondt in de twee componenten van de herinnering en de verwachting. Hoe meer tijd er verstreken is, hoe groter de 'massa' van de herinneringen welke dienen verwerkt te worden om tot een efficiënte en relevante actie of keuzedaad met betrekking tot het toekomstige te kunnen overgaan. De massa van de verstreken tijd krijgt aldus een volume en ook een 'gewicht': hij moet echt 'meegesleept' worden door diegene die zich in de richting van de toekomst een weg wil banen. En precies omdat de mens niets anders dan zijn verleden (en zijn verwachtingen) is, is hij nimmer in staat om dit gewicht van zich af te werpen zonder zichzelf daarbij te verliezen.

    Zo zien wij bijvoorbeeld dat mensen steeds langer moeten studeren en de maatschappij steeds langer tot last zijn vooraleer zij maatschappelijk aan de slag kunnen gaan en een steentje kunnen bijdragen aan het onderhoud en, in het beste geval, aan de 'vooruitgang' van de wereld. En wat hier geldt voor individuen, geldt ook voor maatschappijen en voor de wereld in zijn geheel. Het efficiënt nemen van betekenisvolle beslissingen vergt steeds meer tijd, arbeid en energie, precies in gevolge het gewicht van het verleden. Net zoals de wijze ouderling bedachtzamer en dus langzamer handelt dan het onwetende, impulsieve kind, net zo kan de mensheid, in haar rijpere jaren gekomen, niet langer genieten van een kinderlijke en in onschuld badende spontaneïteit. Steeds meer en moeilijkere beraadslagingen van steeds meer betrokkenen zijn noodzakelijk geworden, en schijnbaar kunnen de in de jongste jaren nochtans fors geëxplodeerde communicatiemogelijkheden de last van dit gewicht nauwelijks verhelen. In steeds meer tijd kunnen wij steeds minder doen, niettemin wij in onze onbedachtzaamheid vaak geloofden dat het tegengestelde het geval was, en dat wij door het opdrijven van onze snelheid de tijd aan het beheersen waren. Weinigen onder ons kunnen zich uiteindelijk nog ontwikkelen tot 'eigentijdse' mensen: op de meeste terreinen zijn wij gedoemd om middeleeuwers of primitieven te blijven. Waar gelukkige omstandigheden zulks toelaten, kunnen enkelingen hooguit op zeer partiële domeinen 'up to date' ontwikkelen, in zogenaamde specialismen. Aldus is de prijs die wij betalen om niet achter te lopen op tijd, niet gering, want het is de eenheid van onze persoonlijkheid zelf. De medicus en specialist in een welbepaalde technologie inzake de manipulatie van welbepaalde DNA-kernen, blijft onwetend en primitief op quasi alle andere gebieden, en dat lot delen alle soorten specialisten met hem, incluis alle arbeiders die op hun gebied quasi onvervangbaar zijn geworden. Wie niet specialiseert, loopt achter op de tijd, leeft in een andere tijd, en behoort eigenlijk tot het verleden. Op de keper beschouwd is de wereld voor een groeiend deel een museum geworden waarin niet zozeer oude gebouwen en kunstvoorwerpen maar vooral mensen uit lang vervlogen tijden te bezichtigen vallen, om het oneerbiedig uit te drukken. Ook het gewicht van déze 'massa' dient door 'de wereld' te worden meegesleept, en ik plaats 'de wereld' tussen aanhalingstekens omdat de 'bij-de-tijdse wereld', zoals gezegd, geheel virtueel is. Anders uitgedrukt: het reële behoort reeds geheel tot het verleden, en het tegenwoordige is reeds geheel virtueel. Zoals de apostel zegt, inderdaad, is onze wereld geheel bezig met verdwijnen.

    En zo gaat de mensheid stilaan maar zeker het planten- en het dierenrijk vervoegen, welke de persisterende verleden soorten bevatten, terwijl in de actualiteit een nieuwe soort het levenslicht ziet: een geheel ongrijpbare en onzichtbare maar alles beheersende soort van wezens die de hele wereld naar haar hand zet. Wat de huidige tijden ons laten beleven, is het neerstrijken op aarde van het geslacht van de engelen.

    J.B., 20.02.2008

    Noten:

    (1) Zie: http://mediasite.uva.nl/mediasite/
    Viewer/Viewers/Viewer320TL.aspx?mode
    =Default&peid=5ae075f7-b595-492a-a37d
    -ba088329f5de&playerType=WM7&mode=
    Default&shouldResize=true&pid=d1387ebe
    -5014-4eab-a9b3-92d337dc1a2e&playerType
    =WM7
     

    (2) Zie: http://www.bloggen.be/tiktak/

     


    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Boeken van dezelfde auteur.
    Om een boek te lezen, klik op de prent van de flap.

    Foto

    Foto


    EN FRANCAIS:
    Foto
    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Beluister hedendaagse klassieke muziek van dezelfde auteur: klik op de prent van de weblog hieronder.


    Foto

    Hoofdpunten blog musica
  • Meilied (muziekvideo)
  • Oh dichosa ventura (muziekvideo)
  • Nosferatu (video)
  • Wij waren (video)
  • Muziekvideo's J.B
  • muziekbestanden J.B.
  • Ave Maria
  • Pianoconcerto 14: Daer zat een sneeuwwit vogeltje
  • Te Deum laudamus10
  • Te Deum laudamus9
  • Te Deum laudamus8
  • Te Deum laudamus7
  • Te Deum laudamus6
  • Te Deum laudamus5
  • Te Deum laudamus4
  • Te Deum laudamus3
  • Te Deum laudamus2
  • Te Deum laudamus1
  • Harpsichord 2 verlengd met cello
  • Pianoconcerto 7 Apocalyptische Dans
  • De zee
  • De geschiedenis van de panfluit
  • Requiem - delen 4 tot 7
  • Requiem - deel 3
  • Requiem - deel 2
  • Requiem - deel 1
  • Keldertrappen - nr. 8/8
  • Keldertrappen - nr. 7/8
  • Keldertrappen - nr. 6/8
  • Keldertrappen - nr. 5/8
  • Keldertrappen - nr. 4/8
  • Keldertrappen - nr. 3/8
  • Keldertrappen - nr. 2/8
  • Keldertrappen - nr. 1/8
  • Harpsichord 13 verbeterd
  • Harpsichord 12
  • Harpsichord 11
  • Harpsichord 10
  • Harpsichord 9
  • Harpsichord 7
  • Harpsichord 6
  • Harpsichord 5
  • Harpsichord 3
  • Harpmuziekje
  • Trompetsonate
  • Nostalgia
  • K 2007
  • Goldbach Variaties
  • Pop 5
  • Pop 4
  • Pop 3
  • Pop 2
  • Pop1
  • Drie ontstemde klavieren
  • muziekvideo
  • portretten componisten
  • Pianoconcerto 14, Daer zat een sneeuwwit vogeltje, Jan Bauwens, Serskamp, 2004.
  • Klarinetconcerto 1 Jan Bauwens Serskamp 2004
  • Kort symfonisch gedicht
  • Door de neevlen van de avond (uit: Adagio van Felix Timmermans)
  • Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen
  • Gebed voor het Vaderland
  • Boskaboutersymfonie
  • Bomen
  • Victoria lucis
  • Gitaarconcerto 1 "Portulaan"
  • vioolconcerto 1: deel 5 van 6
  • Klarinetconcerto 3: deel 3 van 3
  • Klarinetconcerto 3: deel 2 van 3
  • Klarinetconcerto 3: deel 1 van 3
  • pianoconcerto nr 15
  • Pianoconcerto nr 5 deel 5 van 6
  • Pianoconcerto nr 5 deel 4 van 6
  • Dans
  • Titan
  • Tsunami symfonie
  • Sint-Franciscussymfonie: deel 6 van 6
  • Sint-Franciscussymfonie: deel 5 van 6
  • Sint-Franciscussymfonie: deel 4 van 6
  • Sint-Franciscussymfonie: deel 3 van 6
  • Sint-Franciscussymfonie: deel 2 van 6
  • Sint-Franciscussymfonie: deel 1 van 6
  • Harpmuziekje
  • minimal1
  • Ave Maria
  • Juan de la Cruz' Canciones 7 van 7
  • Juan de la Cruz' Canciones 6 van 7
  • Juan de la Cruz' Canciones 5 van 7
  • Juan de la Cruz' Canciones 4 van 7
  • Juan de la Cruz' Canciones 3 van 7
  • Juan de la Cruz' Canciones 2 van 7
  • Juan de la Cruz' Canciones 1 van 7
  • Tsunami symfonie (Jan Bauwens)
  • Junisymfonie (J. Bauwens)
  • O dichosa ventura
  • Goldbach Variationen voor Piano Solo (J. Bauwens)
  • Orgelconcerto 3 J Bauwens Serskamp 2008
  • Orgelconcerto 2 J Bauwens Serskamp 2004
  • orgelconcerto 1 J Bauwens Serskamp 2004
  • -
  • achtergrond

    Hoofdpunten blog oscar

    Hoofdpunten blog popvtdw

    Hoofdpunten blog omskvtdw
  • a
  • Isaac
  • Meilied
  • Nosferatu (video)
  • Wij waren (video)
  • Johann Pachelbel, Canon (synthesiserversie)
  • Zo is de dood
  • Hoe gezond is sport? Een interview met Omsk van Togenbirger
  • Het recht van de sterkste
  • 12.12.12.
  • Over het gebruik van de patiënt in de eenentwintigste eeuw. Een interview met Omsk Van Togenbirger-De Waelekens
  • De dienaar van
  • actueel: het orgaan
  • Juniregen
  • U moet er af!
  • Koningin Elisabethwedstrijd voor Viool 2012
  • De geest in de fles
  • Inzicht
  • Het magazijn
  • Erosie
  • Kort
  • De eeuwige wederkomst
  • Het hiernamaals
  • Over het ware lot van de mens - Een interview met Omsk Van Togenbirger-De Waelekens
  • Het wezen van de vrolijkheid
  • Dante's afdaling ter helle (3)
  • Dante's afdaling ter helle (2)
  • Dante's afdaling ter helle (1)
  • De tijd
  • De ets
  • Het cultuurbegrip van Stephanos
  • Opstanding
  • Rijk en dom
  • Over de verschillende graden van dood zijn
  • Koude oorlog
  • Het Bureau Voor Onoplosbare Zaken
  • In de kelder
  • Mijn oude grootmoeder
  • De laatsten zullen de laatsten zijn
  • Leugens
  • Enkelvoud
  • Zonde
  • Adieu, groots firmament vol fonkelende sterren!
  • Christus en de kardinalen
  • Het labyrint
  • Het geloof en de werken
  • Sparen en plunderen
  • Zijn wij dan niet de echo onzer verzinsels?
  • Gesprek in de winter
  • Inspiratie
  • Tourette
  • Kwalen zijn geen kwalen. Een stukje voor de eerste winterdag.
  • Koude winters...
  • De toren
  • De fles
  • Kwakzalvers
  • Fijn wit zand
  • De wolk
  • Water & Over de klimaatsverandering
  • Spoken
  • De nieuwe god
  • De witte krokodil
  • Geloof (1)
  • Orde
  • In de toekomst is geen heil...
  • Kaos
  • Doeltreffende medicatie
  • Surrealistische werkelijkheid
  • De gasknop
  • Van Togenbirger's 'atheïsme'
  • Zomer
  • Mijnheer Dupont en de mal van het Zijn
  • Het ei van mei
  • Martha
  • Een zeer gezond besluit
  • Aan de ontbijttafel - illustratie
  • Aan de ontbijttafel
  • Milieuleugentjes om bestwil?
  • Het tanen van de Noord-Atlantische drift
  • Februari
  • Tijd is krediet
  • Het hoofdgerecht des levens dis...
  • Wij waren
  • Saint-Denis
  • Stenen en mensen
  • De binnen- en de buitenkant
  • Thuis
  • Doorheen de winterse depressie
  • Een lucide droom (illustratie)
  • Een lucide droom
  • Wiens brood men eet...
  • Evolutie en inwikkeling
  • Sneeuw
  • Bijwerkingen
  • De lucide droom
  • de golem
  • De golem
  • Domesticatie
  • De tijd gaat achterwaarts te vierklauw
  • Worden wij abstract, mijnheer?
  • Kinderarbeid, organenhandel, zwartwerk en Rechtspraak
  • Over een zucht van een nog heel ander kaliber dan de hebzucht
  • Overbevolking
  • Bram Stoker
  • Kinski
  • N
  • Nosferatu
  • de tuinen
  • De tuinen
  • Het Eeuwige Vuur
  • Het boek
  • De Goede Deur
  • Vlees (roman) - 1
  • Verrijzenis
  • Depressies
  • Inbraak
  • Sonate voor Harpsichord en Cello
  • Het is begonnen!
  • Over redelijkheid en klare taal...
  • De tijd vliegt
  • Panta rei
  • Glazen muren en casino's vol attracties!
  • Der Erlkönig grafiet
  • Der Erkönig (J.W. von Goethe)
  • De winter en de dood
  • Aanhangsels
  • Extase
  • Verbloemingen
  • Voornemens
  • Het gelijmde been (3): De toverstok
  • De lange baan
  • God of de duivel
  • Het gelijmde been (2)
  • Die eerste dagen van november
  • Harken
  • Is mijn geld safe?
  • Herfst
  • Het gelijmde been
  • Eten
  • Verslavingen
  • Kunst
  • Ellende
  • De burcht
  • Geheim en identiteit
  • Hongersnood
  • Rood als duizend rozen
  • Op een vergadering...
  • De molen
  • De poolster
  • Het Orgaan
  • Het boek
  • De twee geschiedschrijvers
  • De Laatste Reis
  • De Laatste Reis (illustratie)
  • De Goede Deur
  • De Onderwereld (roman)
  • Water
  • De Overname
  • Solvejg’s Lied
  • Septembernacht
  • Die Nacht…
  • Die nacht (illustratie 2)
  • Spiegels
  • Over het verouderingsproces
  • Het Credo
  • De Afwas
  • Absolute macht
  • Trillingen
  • Maria
  • De Messias
  • Het Spel van de Wereld
  • De nieuwjaarsramp
  • Het argument
  • Zuster Olympia
  • De Meester
  • DE TUINEN
  • Janus of van de Aliënatie
  • De Neuzen van Tsjernobyl
  • Het Eeuwige Vuur
  • Vladslo, en andere plaatsen...
  • De dood is een gedachte
  • Het 'bijna-leven'
  • Het kind
  • De Apologie van de Eeuwigheid
  • De heer die zichzelf in stukjes hakte
  • Het gesprek
  • Een sollicitatie
  • De Omkering van alle dingen
  • Transsubstantiatie
  • De pikorde
  • De wedloop
  • De virtuele veiligheid
  • Dode handen
  • Samen thuis
  • Het Laatste Oordeel
  • SINTERBUIS
  • Gedenkteken
  • De Sleutel
  • De Koperen Kandelaar
  • De Kruiper

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Mijn favorieten
  • http://www.bloggen.be/ludonoens/

  • Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    "Tout ce qui monte, converge" (Pierre Teilhard de Chardin)

    OPMERKING
    Dat wij naar bepaalde auteurs verwijzen, betekent uiteraard niet dat wij akkoord gaan met alle door hen ingenomen standpunten. (J.B.)

    Hoofdpunten blog iserlevennadedood
  • Download dit boek in pdf
  • Download dit boek als PDF
  • §22. Het Laatste Oordeel
  • §21. De Dood, het Leven en de Eindtijd.
  • §20. Wreed is het lot...
  • §19. Het Leven en de Dood.
  • §18. Is er geen dood zonder zonde?
  • §17. De dood is steeds gepersonaliseerd.
  • §16. De ziel en het zelf in het licht van de dood.
  • §15. Een eerste aanzet tot een ontrafeling van het mysterie van de dood.
  • §14. Het verzaken aan de dood.
  • §13. De ‘imitatio Dei’ en de dood.
  • §12. Andermaal de stelling van Bradatan.
  • §11. Het voortbestaan na de dood.
  • §10. Het golfaspect van de dood.
  • §9. Hoop en zin.
  • §8. Wanhoop en waanzin.
  • §7. Het sterfelijk lichaam is een last voor de ziel.
  • §6. Het leven als geschenk.
  • §5. Ons leven is het onze niet.
  • §4. De eenheid van lichaam en ziel.
  • §3. De dood als ‘deus ex machina’.
  • §2. De liefde heeft genoeg aan zichzelf.
  • §1. De 'koan': de paradox als springplank.

    Hoofdpunten blog spiritus
  • §20. De Geest in de wereld.
  • §19. De (on)macht van de duivel.
  • §18. Vrijheid en verantwoordelijkheid: de wereld en de Geest.
  • §17. Het bestaan van het kwaad als Godsbewijs.
  • §16. Dier en mens, mens en God.
  • §15. Mens en dier.
  • §14. Kennen en willen.
  • §13. Filosofie en fictie.
  • §12. De Geest is steeds nieuw en ongrijpbaar.
  • §11. Het fysieke bestaan als ultieme getuige van de Geest.
  • §10. Reanamnesis en beaming: de 'Big Bang' van de Geest.
  • §9. De kosmische strijd.
  • §8. Het goddelijke is geheel onderscheiden van het maatschappelijke.
  • §7. De chaos, het leven, de dood en de verrijzenis.
  • §6. Wat inspireert en wat doet leven is één en hetzelfde.
  • §5. Geest, die aan ons denken ontsnapt
  • §4. De miskenning van de geest resulteert in de dood
  • §3. De geest als noodzakelijke component van het leven
  • §2. De waarheid als grond van het denken
  • §1. De droom en het “het denke mij dat…” in relatie tot het denken en de gedachte
  • Algemene inleiding
  • Titel

    Hoofdpunten blog ontstaansvraag
  • § 5. Het getuigenis.
  • § 4. Het denken en de tijd.
  • § 3. De Schepper is wetenschappelijk noodzakelijk.
  • § 2. De kop en de staart.
  • §1. Een verdwaalde wereld?
  • titel

    "Naar de ene betekenis van het  woords is het natuurlijk noodzakelijk om, zoals het Griekse orakel zegde, zichzelf te kennen: dat is de eerste vrucht der kennis. Maar in te zien dat de ziel van een mens onkenbaar is, is de hoogste vrucht der wijsheid." - Oscar Wilde.



    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!