"Klim op"
Inhoud blog
  • verbetersleutel oefeningen
  • L'emploi de tout, toute, tous et toutes comme substantif, adjectif, pronom et adverbe
  • speciale vraagstelling qui est-ce qui / qui est-ce que / ....
  • Le COI
  • Gebruik van de imparfait en de passé composé
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Zoeken in blog

    Een interessant adres?
    Blog als favoriet !
    Blog als favoriet !
    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    E-mail mij

    Druk oponderstaande knop om mij te e-mailen.

    grammaire française
    01-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Le COD
    1. Wat is het COD?

    Le COD = het lijdend voorwerp (zowel personen als zaken kunnen een COD in de zin zijn) - een COD ondergaat de handeling die het werkwoord (le verbe) doet.
    vb je mange un biscuit - ik eet een koekje.  Wat eet ik? Een koekje Qu’est-ce que je mange? Un biscuit (le COD)
         Je vois la fille - ik zie het meisje. Wie zie ik? Het meisje Qu’est-ce que je vois? La fille (le COD)
    OPGELET
    Er zijn enkele werkwoorden die in het Frans gevolgd worden door een COD en in het Nederlands meestal gevolgd worden door een voorzetsel.
    attendre quelqu’un = wachten op
    écouter qq’un : luisteren naar
    regarder qq’un : kijken naar
    aimer qq’un : houden van 
    adorer qq’un : dol zijn op 
    détester qq’un : een hekel hebben
    enkele voorbeelden :
    ik luister naar jou - je t'écoute
    jij kijkt naar ons - tu nous regardes?
    wij zullen op jullie wachten - nous vous attendons
    ik hou van jou - je t'aime
    zij houdt erg van deze dans - elle aime bien cette dance - elle l'aime bien
    zij zijn dol op de dieren - ils adorent les bêtes - ils les adore
    ik heb een hekel aan koffie - je déteste le café - je le déteste
    wij kijken naar video's - nous regardons les clips - nous les regardons
    wij wachten op de bus - nous attendons l'autobus - nous l'attendons


    2. Welke pronoms personnels gebruiken we om het COD in de zin te gaan vervangen?

    me m' = mij me
    te t' = jou je
    le l' = hem het
    la l' = haar ze
    nous = ons
    vous = jullie U
    les = hen ze

    3. Wanneer kan je nu het COD in de zin vervangen door een pronom personnel COD?
    De algemeen geldende regel is dat een COD nooit mag beginnen met een voorzetsel (à - sur - pour - à côté de - .....)
    Hoe wordt het COD dan wel ingeleid?

    A. door een article défini (le - la - les)
    je mange la pomme - je la mange

    B. door een adjectif possessif (mon - ma - mes, .....)
    je mange mon pistolet - je le mange

    C. door een adjectif démonstratif (ce - ces - cette)
    je mange cette pomme - je la mange

    D. door un nom propre - een eigennaam Julie, Thomas, Bruxelles, .....
    je regarde Pauline - je la regarde

    4. Waar is de plaats van het COD in onze zin?

    A. voor het vervoegde werkwoord in de zin
    j'adore mon papa - je l'adore
    je félicite ma maman - je la félicité

    B. bij het gebruik van een samengestelde tijd
    De samengestelde tijd bestaat altijd uit een vervoegd hulpwerkwoord (être of avoir) en een participe passé (le papa)
    het pronom personnel COD plaatsen we altijd voor het vervoegde hulpwerkwoord
    j'ai félicité mon frère - je l'ai félicité 
    j'ai mangé mon pistolet - je l'ai mangé
    j'ai chanté ma favorite chanson - je l'ai chanté(e)
    !!!!!hier gaan we ook altijd moeten letten op de regels van "l'accord du participe passé avec avoir, si le COD se trouve avant le verbe conjugé"
    j'ai adoré mon papa - je l'ai adoré
    j'ai adoré ma maman - je l'ai adorée
    j'ai adoré mes frères - je les ai adorés
    j'ai adoré mes soeurs - je les ai adorées

    C. bij het gebruik van een Impératif (de bevelvorm)
    in het Frans bestaan er 2 vormen
    - de negatieve vorm
    Bel hen niet!
    Ne les appelle pas!
    het pronom personnel COD zetten we voor het vervoegde werkwoord
    - de affirmatieve vorm
    Bel hen!
    Appelle-les
    Bel mij!
    Appelle-moi (ipv me)
    Niet vergeten het koppelteken te plaatsen na je werkwoord

    D. de VREESELF - werkwoorden
    welke zijn deze werkwoorden? voir - regarder - écouter - entendre - sentir - envoyer - laisser - faire
    vb.
    Il vous regarde danser....
    in een vorige regel hebben we gezegd als er een infinitief in de zin staat plaatsen we het pron.pers. COD voor de infinitief, nu is het vervoegde werkwoord 1 van de vreeselfwerkwoorden en gaan we het pron.pers. COD voor het vervoegde werkwoord plaatsen
    Je t'entends chanter .... zelfde regel als hierboven
    !!!!!! alleen als je vervoegd werkwoord een vreeself werkwoord is passen we deze regel toe, niet als de infinitief in de zin een vreeself werkwoord is (dan geldt de gewone regel = plaats voor de infinitief)
    vb Je veux te voir ... ik wil jou zien
    het vervoegde werkwoord is hier vouloir (dus de gewone regel - voir is wel een vreeself werkwoord maar als infinitief gebruikt en niet als vervoegd werkwoord


    heel even tussendoor de pronoms personnels sujet
    ik je
    jij tu
    hij il
    zij elle
    men on (men bedoelt hier eigenlijk meerdere personen mee - nous - maar men wordt als enkelvoud beschouwd - vertaald door on)
    wij nous
    jullie vous (ook gebruikt als beleefdheidsvorm u - is dan wel enkelvoudig bedoeld maar vertaald door vous)
    zij - ils of elles

    Pronoms personnels toniques
    ik moi
    jij toi
    hij lui
    zij elle
    wij nous
    jullie vous
    zij mannelijk eux
    zij vrouwelijk elles

    Hoe te herkennen?
    cod begint met een voorzetsel dat niet "à" of "pour" is + een persoon
    zij klaagt over haar leerkracht.
    elle se plaint de son prof. elle se plaint de lui
    ik maak me boos op mijn broers
    je me fâche contre mes frères  je me fâche contre eux 


    5. Het pronom personnel Y

    1. Betekenis
    Vous y êtes déjà? Zij jullie er al? Jullie zijn er al
    Les vacances ? J'y pense déjà    De vakantie? Ik denk er al aan.

    2.Wat gaat Y nu eigenlijk juist vervangen in de zin?

    A. Préposition de lieu + lieu (plaats)
    Je suis sous le bureau  Ik ben onder het bureel - J'y suis - ik ben er
    sous = préposition de lieu
    le bureau = lieu 
    Je suis derrière la caméra. Ik ben achter de camera - j'y suis - ik ben er
    derrière = préposition de lieu
    la caméra = lieu

    B. à (of een vorm van à) + chose
    Je pense au match de foot - ik denk aan de voetbalmatch - j'y pense - ik denk er aan
    au = à + le
    match de foot = chose

    C. à + personne = gebruik van COI
    Je téléphone à ma mère   Je lui téléphone

    D. Enkele vaste werkwoorden à + chose
    s'intéresser à, penser à, réfléchir à, s'habiter à, faire attention à, ...........................

    3.Waar is de plaats van het pronom personnel Y in de zin?

    A) devant un verbe conjugué
    J'y achète 2 tartes en 3 pains gris.

    B) devant l'infinitif
    La boum ce soir, je vais y aller

    C) impératif affirmatif
    positief bevel  Allez-y Begin er aan Start er mee
    uitz Vas-y normaal va-y 

    D) impératif negatif
    manges-y n'y mange pas

    E) inversie vraag
    Restez-vous à la maison?
    Oui, nous y restons



    6. Le pronom personnel EN
    1. Betekenis
    vertaald gebruiken we (net als y) er ...
    Des bonbons?  J'en achète...
    L'Angleterre?  J'en reviens....

    2. gebruik
    a de  + chose
       du, de la, des (art.part) + chose
       un, une, des (art. indéf) + chose
    je veux des chaussures - J'en veux
    b. de + lieu, endroit
    je rentre de Paris - J'en rentre       (ik kom thuis van, ik kom ervan thuis)
    Marie revient de Bruxelles - Marie en revient (zij komt er van terug)
    en gaan we gebruiken voor alle plaatsbepalingen, ingeleid door DE (du, de la, de l', des) in alle andere gevallen gaan we y gebruiken
    c. quantité vb(un kilo, beaucoup, trop, quelques, un peu de, une bouteille, ......
    telkens wel de hoeveelheid herhalen samen met en
    Tu veux un café?  J'en veux un  (het zelfstandig nw vervangen en dan de hoeveelheid herhalen achteraan de zin)
    Tu fais beaucoup de frites? J'en fais beaucoup
    Elle a assez d'argent?  Elle en a assez
    J'ai 5 soeurs - j'en ai 5
    j'ai un frère - j'en ai 1
    d. een reeks vaste werkwoorden die sowieso gevolgd worden door het gebruik van "en"
    vb être content de + chose
         être fier de + chose
    !!!!!!! We gaan "en" nooit voor personen gebruiken
    j'ai rêvé de ma copine
    j'ai rêvé d'elle (forme tonique gebruiken)
    tu parles de ta soeur?  Oui, je parle d'elle (forme tonique)


    3. plaats in de zin
    a. voor vervoegd werkwoord
    J'en ai deux - ik er 2
    ai = vervoegd werkwoord
    en komt er voor in de zin
    b. voor de infinitief
    je vais en acheter - ik ga er kopen
    c.impératif positif
    omdraaien en - er tussen
    Achète - en!   Koop er! wordt achètes-en  (klinkt mooier s toevoegen - 2 klinkers na elkaar + koppelteken)




    overzicht

    In alle gevallen behalve in de gebiedende wijs bevestigend, geldt de volgende volgorde:

    me

    te

    se

    nous

    vous

     

    le

    la

    les

     

     

    lui

    leur

     

     

    y

     

     

    en


    In de gebiedende wijs bevestigend geldt de volgende volgorde:

     

    le

    la

    les

    moi (m’)

    toi (t’)

    lui

    nous

    vous

    leur

     

     

    y

     

     

    en





    Il faut que j’y aille!

    J’en ai un.

    Il n’y en a pas. Il n’y en a plus.

    Tu en veux?

    Je m’en vais.

    Vas-y. Allez-y.

    Va-t’en! Allez-vous-en!

    J’en ai besoin.

    Tu m’en veux?

    Je n’y comprends rien.

    Tu t’en occupes?

    On y va.

    Tu veux en parler?

    Ik moet weg! (lett. ik moet erheen gaan)

    Ik heb er een.

    Er is/zijn er geen. Er is/zijn er geen meer.

    Wil je wat?

    Ik ga weg.

    Ga je gang. Gaat uw gang.

    Ga weg!

    Ik heb het nodig.

    Neem je het me kwalijk?

    Ik begrijp er niets van.

    Zorg jij daarvoor? Doe jij dat?

    We gaan.

    Wil je erover praten?

    Il faut que j’y aille!

    J’en ai un.

    Il n’y en a pas. Il n’y en a plus.

    Tu en veux?

    Je m’en vais.

    Vas-y. Allez-y.

    Va-t’en! Allez-vous-en!

    J’en ai besoin.

    Tu m’en veux?

    Je n’y comprends rien.

    Tu t’en occupes?

    On y va.

    Tu veux en parler?

    Ik moet weg! (lett. ik moet erheen gaan)

    Ik heb er een.

    Er is/zijn er geen. Er is/zijn er geen meer.

    Wil je wat?

    Ik ga weg.

    Ga je gang. Gaat uw gang.

    Ga weg!

    Ik heb het nodig.

    Neem je het me kwalijk?

    Ik begrijp er niets van.

    Zorg jij daarvoor? Doe jij dat?

    We gaan.

    Wil je erover praten?

    oefening


    a. Nous téléphonons à tes parents :Nous avons téléphoné à tes parents Nous leur avons téléphoné   b. Vous venez de Paris ?...

    i. Il présente sa famille :  Il a présenté sa famille Il l’a présentée j. Nous apprenons la chanson :Nous avons appris la ...
    p. Nous ne prendrons pas de thé :Nous n’avons pas pris de thé Nous n’en avons pas pris q. Elle fait du piano :  Elle a fai...
    Bénabar. ___________!Je sais bien, Muriel, que ça ne me regarde pas      l’Tu _____ as foutu dehors et je respecte ton cho...
    Il me raconte votre vie dans les moindres détailsCe qui se passe dans votre lit depuis vos fiançaillesJe suis un gentleman...
    5. LA DOUBLE PRONOMINALISATION.Nous   pouvons    pronominaliser    deuxcompléments en même temps. C’est unpeu compliqué ma...
    5. LA DOUBLE PRONOMINALISATION.1. La norme générale:              COI + CODa. Il donne la nouvelle à moi      Il me la don...
    5. LA DOUBLE PRONOMINALISATION.  2. Quand les deux pronoms sont de            3ème personne:            COD + COIa. Il mon...
    Place des pronoms devant un verbe conjugué                 ou un infinitif             COI + COD                         C...
    Place des pronoms devant un verbe conjugué               ou un infinitifIl faut remarquer qu’on n’emploie jamaisplus de de...
    5. LA DOUBLE PRONOMINALISATION.          3. À l’impératif affirmatif:            COD + COI             (moi, toi)a. Donne ...
    Place des pronoms derrière un verbe à         l’impératif affirmatif.                                    moi (m’)         ...
    5. LA DOUBLE PRONOMINALISATION.1.   Pronominalise ces phrases2.   Choisis la bonne option (impératif)3.   Résumé sur la pr...
    Récapitulation: PRONOMINALISE CES PHRASES- J’ai emmené une valise : J’en ai emmené une- Il a produit cette série : Il l’a ...
    - Je vais faire le café : Je vais le faire- Ne parlons plus de cela : N’en parlons plus- Réfléchissez à ce problème : Réfl...
    Upcoming SlideShare
    Loading in …5
    ×




    oefening

    1. Jonah cherche son camarade de chambre .

    2. Jenny demande à son amie de faire une course.

    3. Mathieu revient de Burlington et veut aller au Japon.

    4. Angelina veut que son père achète une lampe torche à son petit-enfant.

    5. Ellen, David et Andreï ont travaillé dans le laboratoire hier soir.

    6. Lisa a écouté les « King’s Singers » quand ils ont chanté des chansons des Beatles.

    7. Sarah n’aime pas les Beatles.

    8. Peter sait-il que Stephen va repartir en Afrique ?

    9. Niko a envoyé une lettre à Meghan la semaine dernière.

    10. Tashia aime bien jouer des tours à ses amis.

    11. Kristin croyait qu’elle allait danser le French cancan.

    12. Cara pense pouvoir aller en Angleterre à la fin du mois d'août.


    correction

    1. Jonah cherche son camarade de chambre .
    JonahTu  le cherche. (Schéma 1)

    2. Jenny demande à son amie de faire une course.
    Jenny lui demande d'en faire une. (Schémas 1 et 3)

    3. Mathieu revient de Burlington et veut aller au Japon.
    Mathieu en revient et veut y aller. (Schémas 1 et 3)

    4. Angelina veut que son père achète une lampe torche à son petit-enfant.
    Angelina veut que son père lui en achète une. (Schéma 1)

    5. Ellen, David et Andreï ont travaillé dans le laboratoire hier soir.
    Ellen, David et Andreï y ont travaillé hier soir. (Schéma 2)

    6. Lisa a écouté les « King’s Singers » quand ils ont chanté des chansons des Beatles.
    Lisa les a écoutés quand ils en ont chanté. (Schéma 2 et 2)

    7. Sarah n’aime pas les Beatles.
    Sarah ne les aime pas. (Ce n'est pas vrai !) (Schéma 1)

    8. Peter sait-il que Stephen va repartir en Afrique ?
    Peter le sait-il ? (Schéma 1)

    9. Niko a envoyé une lettre à Meghan la semaine dernière.
    Niko lui en a envoyé une la semaine dernière. (Schéma 2)

    10. Tashia aime bien jouer des tours à ses amis.
    Tashia aime bien leur en jouer. (Schéma 3)

    11. Kristin croyait qu’elle allait danser le French cancan.
    Kristin le croyait. (Schéma 1)

    12. Cara pense pouvoir aller en Angleterre à la fin du mois d'août.

    Cara pense pouvoir y aller. (Schéma 4)


    Oefening 2 pronoms

    Tu demanderas son adresse à ses parents.

    Il montre à son ami les lettres qu'il a recues. 

    Il a parlé de son problème à son ami.

    Elle a donné tous ses bijoux à son amie.

    Tu as envoyé une lettre à ton amie.

    Il a emprunté une cravate à Paul.

    Il a offert quelques places à ses amis.

    J'ai déposé Pierre et Paul à la gare.

    Elle n'a pas parlé de cela à ses collègues.

    Je n'ai pas mis la lettre sur la table.


    Bastien a raconté ses aventures à son amie.

    Vous pouvez procurer ces informations à votre employeur.

    Je ne peux pas raconter ces secrets aux autres.

    Tu as rendu ce manuel d'informatique à ta copine.

    Si j'avais été libre, j'aurais pu conduire mes parents à l'aéroport.

    Tu as demandé la permission à tes parents?

    Il a invité ses collaborateurs à cette fête?

    J'ai transmis deux messages au chef du personnel.

    Avez-vous payé les factures aux fournisseurs?

    Il a envoyé les documents au Ministère des Finances.


    Example Marc a prêté sa voiture à un ami?

                  oui, il la lui a prêtée.

    As-tu envoyé une invitation à tes collègues?  Oui,

    Avez-vous pensé à demander des explications à votre professeur?  Oui,

    Ont-ils parlé de nos projets à nos concurrents?  Oui,

    Avez-vous offert du champagne à Guillaume?  Oui,

    Avez-vous correctement expliqué le chemin aux touristes?  Oui,

    As-tu conseillé cette croisière à tes parents?  Oui,

    Avez-vous récupéré vos valises à la gare?   Oui,

    As-tu vu cet accident d'avion dans le journal?   Oui,


    Répondez par l'impératif (affirmatif et négatif) + les pronoms personnels si c'est possible

    Je vous envoie les billets?

    Oui, evoyez-les-moi!   Ou plutôt non, ne me les envoyez pas!

    Veux-tu que je conduise tes enfants à l'école?

    Voulez-vous que j'explique votre souci au patron?

    Dois-je renvoyer les colis au fournisseur?

    Souhaitez-vous que je vous réserve votre place?

    Veux-tu que je prononce le discours à l'inauguration?

    Désirez-vous que je communique les résultats aux représentants?

    Devons-nous informer les gens du retard de l'avion?

    Voulez-vous que nous vous fassions une proposition de voyage?






     


     

     








    01-11-2018, 00:00 Geschreven door c76242g  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    08-12-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.verbetersleutel oefeningen
    oefening op de toepassing cod coi en y (minimum 2  pronoms dans une phrase)

    Tu la leur demanderas
    il les lui montre
    il lui en a parlé
    elle les lui a tous donnés
    tu lui en as envoyé une
    il lui en a emprunté une
    il leur en a offert quelques-unes
    il les y ai déposés
    elle ne leur en a pas parlé
    je ne l'y ai pas mise


    Bastien les lui a racontées.
    Vous pouvez les lui procurer.
    Je ne peux pas les leur raconter.
    Tu le lui as rendu?
    Si j'avais été libre, j'aurais pu les y conduire.
    Tu la leur as demandée?
    Il les y a invités?
    Je lui en ai transmis deux.
    Les leur avez-vous payées?
    Il les y a envoyés.



    Oui, je leur en ai envoyé une.
    Oui, nous avons pensé lui en demander.
    Oui, ils leur en ont parlé.
    Oui, nous lui en avons offert.
    Oui, nous le leur avons correctement expliqué.
    Oui, je leur en ai parlé.
    Oui, nous les y avons récupérées.
    Oui, je l'y ai vu.



    Oui, conduis-les-y!  Ou plutôt non, ne les y conduis pas!
    Oui, expliquez-le-lui!  Ou plutôt non, ne le lui expliquez pas!
    oui, renvoyez-les-lui!    Ne les lui renvoyez pas!
    oui, réservez-la-moi!     Ne me la réservez pas!
    oui, prononce-l'y!    Ne l'y prononce pas!
    oui, communiquez-les-leur!   Ne les leur communiquez pas!
    oui, informez-les-en!  Ne les en informez pas!
    oui, faites-nous-en une!   Ne nous en faites pas!


    Oefening op het gebruik van l'imparfait/le passé composé

    je me rasais
    il a plu
    mes parents sont arrivés, il commençait
    nous avons attendu
    vous avez habité
    tu étais en train de    le téléphone a sonné
    le directeur est entré
    le chef dirigeait

    Il était .... Nathalie est entrée
    Elle a attendu  ..... un homme est entré
    Nathalie n'a pas vu ....elle cherchait
    le voleur a crié
    elle a vu   que l'homme portait
    Elle a entendu ..... il obligeait ...
    ne paniquait pas .... il voyait .... 
    la police est rentrée..... le voleur a essayé 
    il était déjà trop tard

    Sylvie se souviendra ....
    c'était .... quand elle s'est rendue ....
    les malheurs se sont succédé (s)
    la chambre qu'elle avait réservé.... n'était pas libre
    elle s'est adressée.... elle voulait faire du ski
    la dame a ri..... les pistes s'étaient transformées
    sylvie s'est promenée...... elle s'est égarée...
    elle est tombée ....elle s'est cassé le bras
    les sports d'hiver n'étaient rien pour elle


    L'année passée, nos voisins ont passé leurs vacances dans la Provence.
    Tout les soirs, il y avait un barbecue dans le jardin.
    Un soir, nous étions aussi invités..... à 18 h, nous sommes arrivés
    Nous les avons remerciés de l'invitation.
    Thomas, notre voisin, a tout de suite allumé le feu, car tout le monde avait grand-faim
    Ca sentait terriblement bon les herbes de Provence.
    Au moment ou il voulait mettre la viande sur le feu, nous avons entendu un coup de tonnerre.
    Une minute plus tard, un orage violent a éclaté
    Tout le monde a couru à l'intérieur
    Un quart d'heure plus tard, il ne pleuvait déjà plus, mais ou était restée la viande?


    1) Comme l'ascenseur (ne pas marcher) ne marchait pas, nous (monter) sommes montés à pied.
    2) La lune (être) était haut dans le ciel quand nous (arriver) sommes arrivés à la maison.
    3) Comme il (avoir) avait chaud, il (retirer) a retiré son pardessus et (s'assoir) s'est assis.
    4) On (introduire) a introduit ce député auprès du ministre au moment où il (prendre) prenait son repas.
    5) Un matin, où il (sortir) sortait de son bureau la pluie (se mettre) s'est mise à tomber.
    6) Pendant que la mère (coucher) couchait les enfants la fille aînée (repasser) repassait le linge.
    7) Nous (être) étions tellement fatigué que nous (s'endormir) nous sommes endormis à table.
    8) Vous (être) étiez encore bien jeunes quand vous (perdre) avez perdu vos parents.
    9) L'accident (se produire) s'est produit vers minuit pendant que vous (dormir) dormiez.
    10) Je (tirer) ai tiré les rideaux et (voir) ai vu qu'il (faire) faisait jour.







    08-12-2018, 00:00 Geschreven door c76242g  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    29-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.L'emploi de tout, toute, tous et toutes comme substantif, adjectif, pronom et adverbe
    Verschillende mogelijkheden

    Tout kan gebruikt worden als adjectif (bijvoeglijk voornaamwoord) - tout / toute / toutes / tous
    - enkelvoud (singulier)
    betekenis - elk of ieder
    staat steeds bij een zelfstandig naamwoord - accorde en genre et en nombre avec le substantif
    vb tout homme est responsable pour ce qu'il fait - ieder mens is verantwoordelijk voor wat hij doet
        toute vie vaut la peine d'être vécue - elk leven is het waard geleefd te worden
        j'ai vu toute la scène
        j'ai vu tout le film

    tout un / toute une
    betekenis  - een heel, een hele
    vb il en fait tout un cirque - hij maakt er een hele poppenkast van
        elle en fait toute une scène - zij maakt er een hele scène van

    tout le / toute la
    betekenis - de hele / het hele
    vb ils jouent tout le temps - zij spelen de hele dag
        elle pleure toute la journée - zij weent de hele dag

    - meervoud (pluriel)
    tous les, toutes les
    betekenis - alle
    vb tous les garçons et toutes les filles vont faire les examens - alle jongens en meisjes gaan examens maken/afleggen
        tous les arbres, toutes les écoles
    betekenis - elke of iedere
    vb il vient tous les jours - hij komt iedere dag
        l'horloge sonne toutes les heures - de klok slaat ieder uur

    als persoonlijk voornaamwoord (pronom)
    tous toutes 
    betekenis - allen
    vb tous sont venus - alle mannen zijn gekomen
        toutes sont reparties - alle vrouwen zijn vertrokken
        tous ceux qui veulent du café doivent patienter
        les élèves écoutent la leçon, tous auront vingt à l'interrogation
        les filles sont arrivées, toutes ont apporté un cadeau

    als zelfstandig naamwoord (substantif)
    tout
    betekenis - alles
    vb tout va bien - alles gaat goed
         tout va mal - alles gaat slecht

    als bijwoord (adverbe)
    tout
    betekenis - heel, erg, zeer
    voor een ander bijwoord/bijvoeglijk naamwoord
    vb il parle tout doucement - hij praat erg zacht
        ils sont tout petits - zij zijn heel klein

    uitzondering
    elle est toute petite - zij is zeer klein - petite is een bijvoeglijk naamwoord maar begint met een medeklinker (of h muet)- accorder en genre et en nombre
    elles sont toutes trempées - zij zijn helemaal doorweekt - trempées begint met een medeklinker - accorder en genre et en nombre
    elle est toute haletante (hijgend)
    maar : ma gomme est tout abimée
            
    speciale gevallen
    tout le monde - iedereen
    le monde entier - de hele wereld

    Les autres indéfinis

    adjectif + nom
    vb Hier, j'ai mangé quelques fruits, plusieurs légumes, tout le gâteau, tous les biscuits, certains desserts

    quelques : enkele
    plusieurs : meerdere, vele
    tout : heel
    certain(e)(s) : sommige (niet alle)

    pronoms  (employé avec un verbe)
    quelques-uns ne mangent pas de viande.  Plusieurs adorent le steak.  D'autres préfèrent le poulet.  Tous aiment le sucre.  Chacun a ses choix préférées
    quelques-un(e)s : une partie des gens, iemand
    quelque chose : iets
    quelqu'un : iemand
    plusieurs : velen
    un(e) autre : een andere
    d'autres : anderen
    les autres : de anderen
    tous : allen      tous sont foux
    chacun(e) : iedereen
    aucun(e) : geen één
    certain(e)(s) : sommigen
    le(s) même(s)
    la même
    personne : niemand
    rien : niets




    29-11-2018, 00:00 Geschreven door c76242g  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    27-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.speciale vraagstelling qui est-ce qui / qui est-ce que / ....
    de basisvorm est-ce blijft bestaan
    vooraan en achteraan gaan we qui of que bijvoegen
    4 combinaties zijn dus mogelijk
    qui est-ce qui
    qu'est-ce qui
    qui est-ce que
    qu'est-ce que

    2 betekenen wie (qui) en 2 betekenen wat (que)
    de vorm vooraan
    Welke vorm je gaat kiezen hangt af van het antwoord op je vraag.....
    is je antwoord op de vraag een persoon - dan kies je voor qui
    is je antwoord op de vraag een ding - dan kies je voor que
    de vorm achteraan gaat kijken naar qui (onderwerp van je werkwoord) - sujet
                                                             que (lijdend voorwerp van je werkwoord) - cod


    qui est-ce qui manque?  
    eerst achteraan de vraag
    ons werkwoord is manquer (ontbreken) - wie ontbreekt er? er moet nog een onderwerp toegevoegd worden - we kiezen qui
    dan vooraan de vraag
    we zoeken een persoon - we kiezen hier ook voor qui
    Wie ontbreekt er - ons antwoord moet een persoon zijn dus qui
    vb mon frère manque   - afgekort qui manque?

    qu'est-ce qui manque?
    eerst achteraan de vraag
    ons werkwoord is manquer (ontbreken) - wat ontbreekt er? er moet nog een onderwerp toegevoegd worden - we kiezen qui
    dan vooraan de vraag
    we zoeken een zaak, een ding - we kiezen que  
    vb du ketchup


    qui est-ce que tu vois?
    er is al een sujet (tu) dus zoeken we nu een cod 
    wie zie jij? we zoeken een persoon - dus qui
    vb je vois mon frère

    qu'est-ce que tu vois?
    er is al een sujet (tu) we zoeken nu een cod
    wat zie jij? we zoeken een ding - dus que
    vb je vois le soleil                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     




    27-11-2018, 14:01 Geschreven door c76242g  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    12-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Le COI

    1.Wat is het COI?

    Het coi of complément objet indirect is de vertaling voor het Nederlandse meewerkend voorwerp

    vb Ik geef bloemen aan mijn mama …. Aan wie geef ik de bloemen?  Aan mijn mama - mijn mama is meewerkend voorwerp

    Je donne des fleurs à ma maman……. à qui je donne des fleurs?  A ma maman - ma maman is COI


    2. Hoe herkennen we het COI?

    de meest voorkomende vorm = à + een persoon  (à + une personne)

    heel soms (zelden) pour + een persoon

    woordje à is sowieso altijd verbonden met het werkwoord -- enkele veel voorkomende werkwoorden die sowieso een coi in de zin geven …

    dire à, envoyer à, offrir à, donner à, ecouter à, attendre à, téléphoner à, parler à, présenter à, montrer à, demander à, …………


    iets geven aan mam, iets vragen aan mama, iets kopen voor mama

    voor mama telkens is wat saai dus we gaan mama gewoon vervangen door "haar" of "hem"  -   lui - ons coi in de zin bestaat uit een voorzetsel (à, pour, + persoon) gaan we vervangen door een

    pronom personnel coi

    vb il demande 5 euro à moi - hij vraagt 5 euro aan mij - il me demande 5 euro

         elle demande 5 euro à toi - zij vraagt 5 euro aan jou - elle te demande 5 euro

         il demande 5 euro à Luc - hij vraagt 5 euro aan Luc - il lui demande 5 euro

         elle demande 5 euro à Ann - zij vraagt 5 euro aan Ann - elle  lui demande 5 euro

         il demande 5 euro à nous (à vous) - hij vraagt 5 euro aan ons (aan jullie)  - il nous (vous)  demande 5 euro

         elle demande 5 euro à Luc et Ann - zij vraagt 5 euro aan Luc en Ann - elle leur demande 5 euro



    3. Speciale aandacht

    faire attention à, faire appel à, être à, penser à, s'interesser à, …….. zijn normaal gezien werkwoorden die volgen door een COI - nu dit is niet zo, ze worden altijd gevolgd door een pronom tonique

    moi - toi - lui - elle - nous - vous - eux - elles

    12-11-2018, 12:52 Geschreven door c76242g  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    05-11-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gebruik van de imparfait en de passé composé
    Een woordje uitleg....
    Iets in de verleden vertellen is voor ons in het Nederlands helemaal geen moeilijke opgave.
    Gebruiken we nu gisteren heb ik een lekkere spaghetti gegeten of vorige week at ik een lekkere spaghetti.  Geen mens die ons hier op de vingers gaat tikken.
    In het Frans is dit niet zo.... hier bestaan er strikte regels die zeggen wanneer het nu juist een "passé composé" is die we gaan moeten gebruiken of een "imparfait" en dit is écht niet zo evident, 1 van de moeilijkste items om correct uit te leggen omdat het ook heel vatbaar is voor enige interpretatie .....
    Toch ga ik een poging doen om het voor jullie duidelijk en schematisch voor te stellen.

    Ik heb gewerkt of ik werkte, 2 x hetzelfde gezegd met 2 verschillende tijden en voor ons maakt dat écht niet uit..... In het Frans gebruiken we ik werkte = je travaillais, ik heb gewerkt = j'ai travaillé.  Als we de tijdlijn gebruiken zetten we :
    imparfait                                                                               de indicatif présent om iets aan te duiden                de futur simple, duidt aan dat 
    passé composé op gelijke hoogte om een tijd                         dat nu gebeurt                                                   in de nabije toekomst nog moet 
    uit het verleden aan te duiden                                                                                                                                gebeuren

    Imparfait heeft vooral te maken met alles wat beschreven wordt in het fragment, alles wat een beetje de achtergrond vormt van de tekst, heeft vooral niets te maken om het verhaal te laten vooruitgaan (een foto, neemt alles een beetje waar, beschrijft een decor, drukt een gewoonte uit, beschrijft een situatie die aanhoudt die blijft verder duren)
    Il pleuvait, ma soeur ne se sentait pas très bien, elle avait l'air fatiguée,...... het regende, mijn zus voelde zich niet zo lekker, ze zag er een beetje moe uit (beschrijving van haar uiterlijk, gemoedstoestand, ....)
    On emploie l'imparfait pour décrire des situations ou des actions dans le passé, des actions qui sont incomplètes, elles sont "imparfaites" (geeft een beschrijving van situaties of acties in het verleden die nog bezig zijn, ze zijn onvoltooid.
    vb Ce jour d'été, on était dans notre jardin, il faisait beau et le soleil brillait. (beschrijvingen) - er gebeurt niet écht iets, geen actie
    op die zomerdag zaten we in onze tuin, het was mooi weer en de zon scheen.

    Quand j'étais jeune, je jouais du violon 
    Toen ik jong was speelde ik viool - je weet niet hoe oud de persoon precies was en hoe lang hij/zij viool heeft gespeeld
    Imparfait wordt ook gebruikt voor acties van lange duur weer te geven, acties die niet "af" zijn
    vb les enfants jouaient avec le ballon toute la journée (de kinderen speelden de ganse dag met de bal, lange tijd)
    Chaque jour, elle promenait son chien après le déjeuner et puis elle allait boire un café chez sa voisine.
    Elke dag liet ze na het ontbijt haar hond uit en ging daarna een koffie drinken bij haar buurvrouw.
    deze zin geeft een gewoonte aan in de verleden tijd (chaque jour)
    Elle lui a téléphoné, pendant que je dormais.
    ze heeft haar/hem gebeld terwijl ik sliep
    après certaines conjonctions marquant la durée et la simultanéité p.e pendant que, tandis que, ...
    na voegwoorden die de duur en de gelijktijdigheid van 2 voorvallen uitdrukken



    De passé composé wordt gebruikt om alle acties weer te geven die zich op de voorgrond van het verhaal afspelen, wordt gebruikt om de acties te verwoorden die bepalend zijn voor het verdere verloop van het verhaal (zie het alsof je in de bioscoop zit) beschrijven hetgeen zich afspeelt, een opeenvolging van acties die er ook voor zorgen dat het verhaal verder gaat.
    tout d'un coup, elle a pris les clefs, elle a ouvert la porte et elle est sortie ..... en dan plots heeft ze beslist om de sleutels te nemen, ze heeft de deur geopend en ze is naar buiten gegaan  (dat is de actie, )


    On emploie le passé composé quand l'action est complète. (de actie is voltooid, is beëindigd, is af) er is een begin en einde van wat er gebeurt... quelque chose se passe, il y a une action ...
    vb hier, il est tombé avec son vélo  (gebeurt plots, ineens val je, dat is afgesloten, er is een begin en einde)
    Il m'a appelé  hij heeft mij geroepen

    Avec le passé composé on précise la durée de l'action (men geeft de tijdsduur aan van de actie)
    Elle lui a téléphoné de deux heures et quart jusqu'à deux heures et demie     zij heeft hem/haar gebeld van kwart over twee tot half drie

    Le passé composé exprime quelque chose qui change (geeft zaken weer die veranderingen weergeven)
    Tout à coup, il m'a frappé   (plots sloeg hij mij)

    Il y a une série d'actions consécutives  (een reeks van opeenvolgende acties)
    J'ai étudié toute la journée.  Après, je suis allé au café avec mes amis.  Puis, nous sommes encore encore allés au cinema.  Ik heb de ganse dag gestudeerd.   Daarna ben ik nog op café geweest met vrienden.  Vervolgens zijn we nog naar de bioscoop geweest.

    De passé composé geeft dan weer een unieke actie weer, het gebeurt maar 1 keer.
    vb. L'année passée, elle est morte - vorig jaar is zij overleden - gebeurt duidelijk maar 1 keer.
    typische woorden die een tijd aanduiden :  hier, soudain, il y a un an,

    Imparfait
    beschrijft het verleden
    er is geen startmoment en eindpunt bekend
    je kan niet duidelijk uit de zin opmaken of de actie al dan niet voltooid is
    beschrijft vooral het decor, de entourage, ...
    gebeurtenissen worden beschrijvingen omdat ze vaak en regelmatig voorkomen, quasi een gewoonte zijn
    bij uitdrukkingen die de herhaling aanduiden : souvent, fréquemment, chaque lundi, tous les jours, longtemps, d'habitude

    Passé composé
    vertelt hoofdzakelijk individuele gebeurtenissen uit het verleden
    er is meestal een duidelijk vertrek- en eindpunt in de actie
    de actie is voltooid
    de zin beschrijft een serie van voltooide gebeurtenissen, het verhaal gaat vooruit, je kan er een startpunt of eindpunt op kleven
    het kan gaan om een individuele gebeurtenis uit het verleden of een serie individuele gebeurtenissen
    bij uitdrukkingen die een voltooidheid, een duur, startpunt of eindpunt aanduiden
    pendant trois heures
    pendant les vacances
    entre 07:00 h et 07:30h
    soudain (plotseling), tout à coup, ….

     

    oefeningen
    Hier soir, je (regarder) la télé quand tout à coup je (entendre) quelque chose.
    je regardais, j'ai entendu
    je (finir) mon travil et puis je (aller) à la maison.
    j'ai fini, je suis allé
    Quand il (être) un enfant, il (jouer) dans le jardin avec ses amis.
    il était, il jouait
    Hier soir, il (pleuvoir)
    il pleuvait
    Quand nous (être) dans le jardin, nous (voir) un oiseau
    nous étions, nous avons vu

    Comme d'habitude je me (raser) le matin.
    Toute la journée il (pleuvoir).
    Quand mes parents (arriver) à l'aéroport, il (commencer) à neiger.
    Nous (attendre)  le prof pendant une heure.
    Vous (habiter) à Gand pendant trois mois?
    Tu (être)   en train de regarder la télé, quand le téléphone (sonner)
    Tout à coup, le directeur (entrer)
    Le chef d'orchestre (diriger)    le groupe de musiciens.



    Réécris le texte en employant l'imparfait/le passé composé.

    Il est environ 5 heures quand Nathalie entre dans la poste.  Elle attend son tour au quichet quand tout à coup, un homme masqué entre, Nathalie ne voit pas arriver le voleur, parce qu'elle cherche son portefeuille dans son sac.  A ce moment là, le voleur crie "Hold-up".  Elle voit que l'homme porte un sweater, un jeans et des baskets.  Elle entend qu'il oblige l'employé à lui donner le contenu de la caisse.  L'employé ne panique pas, parce qu'il voit déjà arriver la police.  Quand la police entre dans la poste, le voleur essaie de s'enfuir.  Mais, hélas pour lui, il est déjà trop tard.


    C' (être) le 30 août 1997, Amélie (être) dans la salle de bains, elle (porter) une chemise de nuit.
    Amélie (se mettre) de l'eau de Cologne sur le cou quand le présentateur du journal télévisé (annoncer) la mort de Lady Diana.
    Elle (faire) tomber le bouchon de la bouteille qui (atterir) sur le sol et (toucher) une plinthe.
    La plinthe (se décoller), Amélie (se baisser), elle (enlever) la plinthe et (passer) le bras dans le trou du mur.
    Elle (attraper) une petite boîte couverte de poussière.  Elle (souffler) sur la boîte et (frotter) le dessus de la boîte.  Quand elle (se relever) elle (ouvrir) la boîte et (sourire).
    Dans la boîte, il y (avoir) une photot et des petits jouets d'enfant.  Finalement, Amélie (prendre) la télécommande et (éteindre) la télévision. 


    Sylvie se souviendra longtemps de ses vacances.  C'(être) l'année dernière quand elle (se rendre) aux sports d'hiver.
    Dès son arrivée, les malheurs (se succéder).  La chambre qu'elle (avoir) réservée, n'(être) pas libre.
    Le lendemain matin, elle (s'adresser) à une hôtesse car elle (vouloir) faire du ski.  La dame (rire) d'elle, à cause du gel, toutes les pistes (se transformer) en glissoires.  Sylvie (se promener) dans les environs mais elle (s'agager).  Le lendemain matin, elle (tomber) dans l'escalier et elle (se casser) le bras.  Franchement, les sports d'hiver n'(être) rien pour elle.


    Complétez le texte suivant. Cliquez ensuite sur "correction". Vous pouvez utiliser "Aide" pour obtenir une lettre indice. 
    1) Comme l'ascenseur (ne pas marcher) , nous (monter)  à pied.
    2) La lune (être)  haut dans le ciel quand nous (arriver)  à la maison.
    3) Comme il (avoir)  chaud, il (retirer)  son pardessus et (s'assoir) .
    4) On (introduire)  ce député auprès du ministre au moment où il (prendre)  son repas.
    5) Un matin, où il (sortir)  de son bureau la pluie (se mettre)  à tomber.
    6) Pendant que la mère (coucher)  les enfants la fille aînée (repasser)  le linge.
    7) Nous (être)  tellement fatigué que nous (s'endormir)  à table.
    8) Vous (être)  encore bien jeunes quand vous (perdre)  vos parents.
    9) L'accident (se produire)  vers minuit pendant que vous (dormir) .
    10) Je (tirer)  les rideaux et (voir)  qu'il (faire)  jour.


    Onze buren brachten verleden jaar hun vakantie door in de Provence.
    Iedere avond hielden ze een barbecue in de tuin.
    Op een avond waren wij ook uitgenodigd.  Om 18u kwamen we aan.
    We dankten hen voor de uitnodiging.
    Thomas, onze buurman, legde onmiddellijk het vuur aan, want iedereen had veel honger.
    Het rook er heerlijk naar Provençaalse kruiden.
    Net, toen hij het vlees op de grill wilde leggen, hoorden wij een donderslag.
    Een minuut later barstte een hevig onweer los.
    Iedereen liep zo vlug mogelijk naar binnen.
    Een kwartiertje later regende het al niet meer, maar, waar was het vlees gebleven?



    In sommige gevallen gaat men ook over tot het gebruik van een plus que parfait  (avoir of être in de imparfait + participe passé)  vooral wanneer er al een passé composé gebruikt wordt in een ander deel van de zin.... een voorbeeld maakt dit duidelijker :
     Voor handelingen die plaatsvinden voor andere handelingen in het verleden (waarvoor de passé composé, de onvoltooid verleden tijd of de passé simple gebruikt wordt)

    Quand je me suis réveillée, Victor était déjà parti travailler. CONJUGAISON Toen ik wakker werd, was Victor al vertrokken.
    Le jardin était inondé, il avait plu pendant une semaine. CONJUGAISON De tuin was overstroomd, het had een week lang geregend.

    Barcelone menait 1/0 après que Messi avait marqué un but fantastique.
    Christophe n’a pas pu participer au match parce qu’il s’était blessé.

    Raconter au passé Lisez le texte et choisissez les temps des verbes.
     La première fois que je/j' prenais / ai pris / avais pris l'avion, je partais / suis parti / étais parti en Roumanie pour enseigner le français.
     Je/J' voyageais déjà / ai déjà voyagé / avais déjà voyagé avant, mais seulement en train ou par bateau. 
    Quand je/j' arrivais / suis arrivé / étais arrivéà l'aéroport, je ne savais pas où aller.
     La veille, j'imprimais / ai imprimé / avais imprimé mon billet et vérifié trois fois qu'il était / a été / avait été dans mon sac.
     J' enregistrais / ai enregistré / avais enregistré mes bagages, puis je me rendais / me suis rendu / m'étais rendu dans la salle d'embarquement
     et… l'avion a été annulé. 


    L'année dernière, pour partir en vacances en Guadeloupe, nous arrivions / sommes arrivés / étions arrivés à l'aéroport un samedi à 10 heures. L'avion devait / a dû / avait dû normalement partir à 13 heures, mais à 10 heures et demie, je découvrais / j'ai découvert / j'avais découvert un problème  : j'achetais / ai acheté / avais acheté les billets sur Internet trois mois avant, mais je les oubliais / ai oubliés / avais oubliés sur la table de la cuisine ! Je ne savais pas / n'ai pas su / n'avais pas su quoi faire, nous avions / avons eu / avions eu peur de ne pas pouvoir partir. Heureusement, nous trouvions / avons trouvé / avions trouvé un accès à Internet à l'aéroport et tout s'est



    05-11-2018, 00:00 Geschreven door c76242g  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    01-08-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Le subjonctif présent
    LE SUBJONCTIF PRESENT
    A. C'EST QUOI?

    Le subjonctif exprime une action incertaine, non réalisée au moment où nous nous l'exprimons

    deze tijd wordt vooral gebruikt in bijzinnen (des prépositions subordonnées) en wordt steeds ingeleid door "que"

    vb. Je souhaite qu'il vienne demain.


    B. VORMING

    We gaan voor elk werkwoord naar de indicatif présent, 3de persoon meervoud ils, elles

    vb venir ils elles viennent    de uitgang -ent laten we vallen en de specifieke uitgangen voor de subjonctif worden toegevoegd :  je + e tu + es il,elle, on + e ils, elles + ent

    voor de nous en de vous vorm gaan we naar de nous-vorm indicatif présent - nous venons, we laten -ons vallen en voegen de uitgangen van de imparfait toe nous + ions, vous + iez

    !!!!!!!!

    om de subjonctif te mogen toepassen moeten in zinnen met een bijzin, de onderwerpen in beide zinnen verschillend zijn

    Voor de vorming van de subjonctif zijn er 9 werkwoorden die speciale aandacht vragen :

    avoir : aie aies aie ayons ayez aient

    être : soie soies soie soyons soyez soient

    aller : aille ailles aille aillions ailliez aillent

    faire : fasse fasses fasse fassions fassiez fassent

    pouvoir : puisse puisses puisse puissions puissiez puissent

    savoir : sache saches sache sachions sachiez sachent

    valoir : vaille vailles vaille valions valiez vaillent

    vouloir : veuille veuilles veuille voulions vouliez veuillent

    falloir : il faille

    !!!!!!!!

    aandacht voor volgende werkwoorden :

    souhaiter (wensen) wordt altijd gevolgd door een subjonctif

    espérer (hopen) wordt nooit gevolgd door een subjonctif, wel een indicatif of futur simple (afhankelijk van de andere tijd)

    penser (denken) croire (geloven) gebruikt in negatieve of vraagzinnen worden niet gevolgd door een subjonctif, wel een andere tijd indicatif of futur  (afhankelijk van de andere tijd)

    uitdrukkingen met à worden dikwijls gevolgd door een subjonctif en toevoeging van ce

    vb.

     jusqu'à ce que tu viennes (totdat)

    de manière à ce que (opdat)

    s'attendre à ce que (verwachten dat, wachten totdat)


    C. L'EMPLOI DU SUBJONCTIF

    De subjonctif wordt altijd gebruikt na bepaalde werkwoorden of na sommige uitdrukkingen :

    souhaiter que, vouloir que, attendre que, regretter, préférer, il faut que, il est important que, il est possible que, en attendant que, avant que, jusqu'à ce que, pour que, afin que, bienque,

    en admettant que, à condition que, sans que

    Sommige uitdrukkingen krijgen nooit een subjonctif  (wel een indicatif of futur simple) :

    parce que (omdat), puisque (omdat anders), pendant que (terwijl), après que (nadat), plus que en moins que (meer of minder dan)

    een bijzin, die begint met qui of que + een overtreffende trap of seul, premier, dernier of l'unique krijgt ook altijd een subjonctif

    vb.

    C'est le plus beau film que j'aie jamais vu

    Vous êtes la seule personne qui puisse m'aider.


    De uitdrukkingen of werkwoorden worden onderverdeeld in verschillende categorieën die elk iets zeer specifiek willen verwoorden :

    1. LA VOLONTE, LE DESIR, LE SOUHAIT

    Je voudrais qu'il m'écrive.

    Elle souhaite qu'on puisse arriver à un accord.

    Je désire que tu soies heureux.

    j'aime bien que vous soyez venus me visiter.

    J'exige qu'on s'occupe de moi de temps en temps.


    2. LA NECESSITE, L'OBLIGATION

    Il faut que tu ailles chez elle toute de suite.

    Il fallait qu'ils étudient d'avantage.

    Il faudra que nous trouvions une solution.

    Il faudrait que tout le monde choisisse ....

    Il est nécessaire qu'elle vienne personellement


    3. UN SENTIMENT,  UNE EMOTION,  UNE APPRECIATION

    Je regrette qu'ils choisissent cette solution.

    Je suis heureuse qu'il soit avec nous.

    Il est bizarre qu'il ne soit pas venu.

    Il est dommage qu'il dise tout ça.

    Je suis contente qu'elle aie trouvé son ami.

    J'aime mieux que ce soit elle qui le fasse.

    Je regrette qu'ils ne soient pas venus.

    Nous sommes heureux que vous soyez ici


    4. UNE (IM) POSSIBILITE, PROBABILITE, DOUTE, INCERTITUDE

    Il est (peu) probable que......

    Je ne suis pas sûr que..............

    Il est fort probable que.................

    Il n'est pas certain que.......

    Il est possible qu'ils viennent nous visiter.

    Je ne suis pas sûr qu'il puisse venir.

    Il n'est pas certain qu'elles soient arrivées hier.


    De subjonctif wordt ook gebruikt in bijzinnen en dan meestal na het gebruik van sommige uitdrukkingen.

    Des expressions qui expriment :

    a) une manière :

    sans que vb. Ils l'ont fait sans que leurs amis soient méfiés de rien.

    b) le temps :

    avant que, jusqu'à ce que, en attendant que, ....

    vb. Je vais insister jusqu'à ce que tu avoues la vérité.

          Il faut le faire avant qu'il ne soit trop tard.

    c) la condition :

    à condition que, pourvu que, à moins que, .............

    vb. Nous le ferons à condition qu'ils payent.

          Nous ne dirons rien à personne pourvu qu'ils partent immédiatement.

          Je suis prêt à le faire à condition qu'ils me demandent....

    d) le but :

    afin que, pour que, .....

    vb. J'ai beaucoup insisté pour qu'il se rende compte de son erreur.

          Nous allons lui proposer un choix afin qu'il décide ce qui lui convient.

    e) une opposition, une concession:

    bien que, quoi que, encore que, .........

    vb. Bien qu'il soit trop tard, je vais l'appeler.

          Quoiqu'elle dise, je vais essayer encore une fois.

    f) une cause :

    de peur que, de crainte que, ..............

    vb. Elles font très attention au budget, de peur qu'on ne refeuse pas leur projet dès le début.

    g) une hypothèse :

    en admettant que, en supposant que, à supposer que, ............

    vb. Le contract sera signé demain,  à supposer qu'ils se mettent enfin d'accord







    01-08-2017, 00:00 Geschreven door c76242g  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    01-07-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Les articles
    Les articles
    In de Franse taal maken we gebruik van verschillende "articles"

    1. L'ARTICLE DÉFINI (bepaald lidwoord)

    we gebruiken le voor alle mannelijke woorden vb le chien, le frère, le radio
    we gebruiken la voor alle vrouwelijke woorden vb la maman, la soeur, la fille (woordjes die eindigen op een -e zijn meestal vrouwelijk)
    We gebruiken l' voor de woorden die beginnen  met een klinker of doffe h vb l'aventure, l'homme, l'horloge
    we gebruiken les voor alle meervoudsvormen (zowel mannelijk als vrouwelijk) vb les frères,  les soeurs, les hommes

    "Les" vertalen we in het Nederlands door de
    vb les garçons, les filles, les frères = de jongens,  de meisjes, de broers

    L'article défini hoort meestal samen bij een zelfstandig naamwoord dat al meer gespecificeerd is
    vb le prof de français - de leraar Frans
         la maison de ma copine
         l'homme que vous voyez

    Le, la, les worden ALTIJD gebruikt voor
    - de delen van de dag  vb le matin, le soir, .....
    - de dagen van de week vb le lundi, le vendredi,.......
    - de seizoenen vb le printemps,  l'hiver, .......
    - de kleuren vb le rouge, le vert, ........
    - de delen van het lichaam vb le dos, le bras 
    - de namen van feestdagen vb le Saint-Nicolas  maar Noël et Paques
    - de aardrijkskundige namen vb la Belgique,  les Pays-Bas   !!! Niet bij steden Parijs, Anders
    - de namen van ziektes vb la grippe, le sida
    - de beroepen, titel, eigennaam  vb le docteur Lauwers, la reine Fabiola, le duc  Maartensdijk
    - de namen van talen vb le français, l'allemand
    - de overtreffende trap vb la plus belle, le plus grand
    - de familienamen vb les Duponts
    - de prijsindicatie vb 1 dollar le kilo, 10 euro l'heure

    !!!!!!!! Nooit lidwoorden voor Monsieur, Madame, Mademoiselle



    01-07-2017, 00:00 Geschreven door c76242g  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    25-06-2017
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Proficiat!
    Proficiat!

    Uw blog is correct aangemaakt en u kan nu onmiddellijk starten! 

    U kan uw blog bekijken op http://www.bloggen.be/fransegrammatica

    We hebben om te starten ook al een reeks extra's toegevoegd aan uw blog, zodat u dit zelf niet meer hoeft te doen.  Zo is er een archief, gastenboek, zoekfunctie, enz. toegevoegd geworden. U kan ze nu op uw blog zien langs de linker en rechter kant.

    U kan dit zelf helemaal aanpassen.  Surf naar http://www.bloggen.be/ en log vervolgens daar in met uw gebruikersnaam en wachtwoord. Klik vervolgens op 'personaliseer'.  Daar kan u zien welke functies reeds toegevoegd zijn, ze van volgorde wijzigen, aanpassen, ze verwijderen en nog een hele reeks andere mogelijkheden toevoegen.

    Om berichten toe te voegen, doet u dit als volgt.  Surf naar http://www.bloggen.be/  en log vervolgens in met uw gebruikersnaam en wachtwoord.  Druk vervolgens op 'Toevoegen'.  U kan nu de titel en het bericht ingeven.

    Om een bericht te verwijderen, zoals dit bericht (dit bericht hoeft hier niet op te blijven staan), klikt u in plaats van op 'Toevoegen' op 'Wijzigen'.  Vervolgens klikt u op de knop 'Verwijderen' die achter dit bericht staat (achter de titel 'Proficiat!').  Nog even bevestigen dat u dit bericht wenst te verwijderen en het bericht is verwijderd.  U kan dit op dezelfde manier in de toekomst berichten wijzigen of verwijderen.

    Er zijn nog een hele reeks extra mogelijkheden en functionaliteiten die u kan gebruiken voor uw blog. Log in op http://www.bloggen.be/ en geef uw gebruikersnaam en wachtwoord op.  Klik vervolgens op 'Instellingen'.  Daar kan u een hele reeks zaken aanpassen, extra functies toevoegen, enz.

    WAT IS CONCREET DE BEDOELING??
    De bedoeling is dat u op regelmatige basis een bericht toevoegt op uw blog. U kan hierin zetten wat u zelf wenst.
    - Bijvoorbeeld: u heeft een blog gemaakt voor gedichten. Dan kan u bvb. elke dag een gedicht toevoegen op uw blog. U geeft de titel in van het gedicht en daaronder in het bericht het gedicht zelf. Zo kunnen uw bezoekers dagelijks terugkomen om uw laatste nieuw gedicht te lezen. Indien u meerdere gedichten wenst toe te voegen op eenzelfde dag, voegt u deze toe als afzonderlijke berichten, dus niet in één bericht.
    - Bijvoorbeeld: u wil een blog maken over de actualiteit. Dan kan u bvb. dagelijks een bericht plaatsen met uw mening over iets uit de actualiteit. Bvb. over een bepaalde ramp, ongeval, uitspraak, voorval,... U geeft bvb. in de titel het onderwerp waarover u het gaat hebben en in het bericht plaatst u uw mening over dat onderwerp. Zo kan u bvb. meedelen dat de media voor de zoveelste keer het fout heeft, of waarom ze nu dat weer in de actualiteit brengen,... Of u kan ook meer diepgaande artikels plaatsen en meer informatie over een bepaald onderwerp opzoeken en dit op uw blog plaatsen. Indien u over meerdere zaken iets wil zeggen op die dag, plaatst u deze als afzonderlijke berichten, zo is dit het meest duidelijk voor uw bezoekers.
    - Bijvoorbeeld: u wil een blog maken als dagboek. Dagelijks maakt u een bericht aan met wat u er wenst in te plaatsen, zoals u anders in een dagboek zou plaatsen. Dit kan zijn over wat u vandaag hebt gedaan, wat u vandaag heeft gehoord, wat u van plan bent, enz. Maak een titel en typ het bericht. Zo kunnen bezoekers dagelijks naar uw blog komen om uw laatste nieuwe bericht te lezen en mee uw dagboek te lezen.
    - Bijvoorbeeld: u wil een blog maken met plaatselijk nieuws. Met uw eigen blog kan u zo zelfs journalist zijn. U kan op uw blog het plaatselijk nieuws vertellen. Telkens u iets nieuw hebt, plaats u een bericht: u geeft een titel op en typt wat u weet over het nieuws. Dit kan zijn over een feest in de buurt, een verkeersongeval in de streek, een nieuwe baan die men gaat aanleggen, een nieuwe regeling, verkiezingen, een staking, een nieuwe winkel, enz. Afhankelijk van het nieuws plaatst u iedere keer een nieuw bericht. Indien u veel nieuws heeft, kan u zo dagelijks vele berichten plaatsen met wat u te weten bent gekomen over uw regio. Zorg ervoor dat u telkens een nieuw bericht ingeeft per onderwerp, en niet zaken samen plaatst. Indien u wat minder nieuws kan bijeen sprokkelen is uiteraard 1 bericht per dag of 2 berichten per week ook goed. Probeer op een regelmatige basis een berichtje te plaatsen, zo komen uw bezoekers telkens terug.
    - Bijvoorbeeld: u wil een blog maken met een reisverslag. U kan een bericht aanmaken per dag van uw reis. Zo kan u in de titel opgeven over welke dag u het gaat hebben, en in het bericht plaatst u dan het verslag van die dag. Zo komen alle berichten onder elkaar te staan, netjes gescheiden per dag. U kan dus op éénzelfde dag meerdere berichten ingeven van uw reisverslag.
    - Bijvoorbeeld: u wil een blog maken met tips op. Dan maakt u telkens u een tip heeft een nieuw bericht aan. In de titel zet u waarover uw tip zal gaan. In het bericht geeft u dan de hele tip in. Probeer zo op regelmatige basis nieuwe tips toe te voegen, zodat bezoekers telkens terug komen naar uw blog. Probeer bvb. 1 keer per dag, of 2 keer per week een nieuwe tip zo toe te voegen. Indien u heel enthousiast bent, kan u natuurlijk ook meerdere tips op een dag ingeven. Let er dan op dat het meest duidelijk is indien u pér tip een nieuw bericht aanmaakt. Zo kan u dus bvb. wel 20 berichten aanmaken op een dag indien u 20 tips heeft voor uw bezoekers.
    - Bijvoorbeeld: u wil een blog maken dat uw activiteiten weerspiegelt. U bent bvb. actief in een bedrijf, vereniging of organisatie en maakt elke dag wel eens iets mee. Dan kan je al deze belevenissen op uw blog plaatsen. Het komt dan neer op een soort van dagboek. Dan kan u dagelijks, of eventueel meerdere keren per dag, een bericht plaatsen op uw blog om uw belevenissen te vertellen. Geef een titel op dat zeer kort uw belevenis beschrijft en typ daarna alles in wat u maar wenst in het bericht. Zo kunnen bezoekers dagelijks of meermaals per dag terugkomen naar uw blog om uw laatste belevenissen te lezen.
    - Bijvoorbeeld: u wil een blog maken uw hobby. U kan dan op regelmatige basis, bvb. dagelijks, een bericht toevoegen op uw blog over uw hobby. Dit kan gaan dat u vandaag een nieuwe postzegel bij uw verzameling heeft, een nieuwe bierkaart, een grote vis heeft gevangen, enz. Vertel erover en misschien kan je er zelfs een foto bij plaatsen. Zo kunnen anderen die ook dezelfde hobby hebben dagelijks mee lezen. Als u bvb. zeer actief bent in uw hobby, kan u dagelijks uiteraard meerdere berichtjes plaatsen, met bvb. de laatste nieuwtjes. Zo trek je veel bezoekers aan.

    WAT ZIJN DIE "REACTIES"?
    Een bezoeker kan op een bericht van u een reactie plaatsen. Een bezoeker kan dus zelf géén bericht plaatsen op uw blog zelf, wel een reactie. Het verschil is dat de reactie niet komt op de beginpagina, maar enkel bij een bericht hoort. Het is dus zo dat een reactie enkel gaat over een reactie bij een bericht. Indien u bvb. een gedicht heeft geschreven, kan een reactie van een bezoeker zijn dat deze het heel mooi vond. Of bvb. indien u plaatselijk nieuws brengt, kan een reactie van een bezoeker zijn dat deze nog iets meer over de feiten weet (bvb. exacte uur van het ongeval, het juiste locatie van het evenement,...). Of bvb. indien uw blog een dagboek is, kan men reageren op het bericht van die dag, zo kan men meeleven met u, u een vraag stellen, enz. Deze functie kan u uitschakelen via "Instellingen" indien u dit niet graag heeft.

    WAT IS DE "WAARDERING"?
    Een bezoeker kan een bepaald bericht een waardering geven. Dit is om aan te geven of men dit bericht goed vindt of niet. Het kan bvb. gaan over een bericht, hoe goed men dat vond. Het kan ook gaan over een ander bericht, bvb. een tip, die men wel of niet bruikbaar vond. Deze functie kan u uitschakelen via "Instellingen" indien u dit niet graag heeft.


    Het Bloggen.be-team wenst u veel succes met uw gloednieuwe blog!

    Met vriendelijke groeten,
    Bloggen.be-team

    25-06-2017, 00:00 Geschreven door c76242g  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - ( Stemmen)
    Archief per week
  • 03/12-09/12 2018
  • 26/11-02/12 2018
  • 12/11-18/11 2018
  • 05/11-11/11 2018
  • 29/10-04/11 2018
  • 31/07-06/08 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!