naar het Latijnse woord 'fossilis.(hetgeen op- of uitgegraven is) De wetenschap Deze wetenschap kan weer opgesplitst worden in een drietal deelgebieden: 1 paleozoölogie, de studie van fossiele dieren 2 paleobotanie, de studie van fossiele planten, 3 paleoantropologie, de studie van fossiele mensachtigen.
Het natuurlijke proces De weke delen van planten en dieren zijn na de dood onderworpen aan een snel ontledingsproces (ontbinding afbraak door micro-organismen, bacteriën (verrotting), chemische afbraak of aasvreters.De harde delen, schalen of skeletten, verdwijnen gewoonlijk na verloop van tijd. Of het organisme als fossiel bewaard blijft, hangt af van de omstandigheden. waarover hieronder meer.
Fossielen Fossielen zijn de min- of meer versteende overblijfselen, afdrukken, en sporen van dieren en planten uit het verleden die bewaard zijn gebleven in de gesteentelagen van de aardkorst. De verandering bij schelpen en botten is meestal minder duidelijk. In de piepkleine holtes in een bot of schelp kunnen uit door sijpelend water mineralen worden afgezet, bij voorbeeld kalk. Ook Resten of afdrukken van vissen dieren en planten die in de sedimenten (aardlagen) bewaard zijn gebleven. Meestal zijn het alleen nog maar de harde delen van een dier die achter gebleven zijn. Zoals BV. Graten tanden en beenderen. De rest is weggerot (zie boven). Het hoeft niet altijd het schepsel zelf te zijn,soms kan het ook BV.een pootafdruk zijn. Dit als een soort stempel in een steen, of andere sporen van activiteit ook zelfs uitwerpselen deze laatste geven ons ook concrete aanwijzingen over het leven van het organisme. die we terugvinden.Dat noemen we sporen fossielen. Zie image links onder de schelpen, .
Voorwaarden voor fossilisatie Een snelle begrafenis is een eerste voorwaarde voor fossilisatie; dat beperkt de gebieden waar een fossiel kan ontstaan tot de gebieden waar afzetting plaatsvindt. fossiliseren kan ook optreden, wanneer organismen plotseling en snel bedolven zijn door een laag as, zand of aarde ten gevolge van een vulkaanuitbarsting of een aardverschuiving. Veel organismen zijn ook bewaard gebleven in kalk- of kiezelafzettingen, die zich in het water gevormd hebben. Meestal zijn het de geraamten en de harde schelpen die overblijven. De rest is in de afzettingen opgegaan en verkalkt of versteend.
Plantaardig Van plantaardig materiaal dat bewaard is onder omstandigheden waarin de boven genoemde rottingsprocessen niet plaatsvinden, zal het organische materiaal langzaam maar zeker in een heel dun laagje koolstof worden omgezet. Kijk bij bladeren die hun afdruk in een gesteente hebben achtergelaten. De samenstelling van Plantenweefsel bestaat uit koolstof, waterstof en zuurstof, die koolhydraten zoals suiker, zetmeel en cellulose maken. Wanneer het materiaal bedolven is breekt het veel langzamer af, omdat er geen zuurstof bij kan komen. De zuurstof en de waterstof verdwijnen, de koolstof blijft achter. Koolstof verteert verder; wanneer dit proces stopt begint fossiliseren zich te voltrekken
Gewervelde dieren Voor het bewaard blijven van resten van gewervelde dieren vormen woestijngebieden een belangrijk continentaal milieu. Daar waar de wind het zand opwaait is er een grote kans op een plotselinge zandstorm die de dieren in kan sluiten. Ze kunnen wanneer ze niet door aaseters verslonden zijn, mummificeren, zodat zelfs de huidstructuur perfect als af druk in het zand dat hen bedekt bewaard blijft.
Wat vinden we zoal De overgrote meerderheid van dierlijke fossielen zijn schelpen, afdrukken, afgietsels en andere resten van ongewervelde dieren. zeelelies , kwallen ,sponzen ,zeester ,trilobieten ,nautiloid ,mossel ,brachiopoden ,zeeëgels ,slakken en koraal. Bij Madison (Indiana), zijn hele heuvels bedekt met zulke fossielen. Rivierbeddingen schijnen ermee geplaveid te zijn. Miljoenen specimens uit duizenden tonnen gesteente zijn verzameld vanuit de hele wereld.
Levende fossielen Levende fossielen zijn organismen die lijken op soorten die uitgestorven zijn. Ze komen vaak voor in sterk geïsoleerde, bijna onveranderlijke milieus, waardoor ze in de loop van de tijd niet of nauwelijks veranderen. Een levend fossiel is een dier, plant of bacterie die als overlevende geldt van een overigens uitgestorven groep. De term wordt in het bijzonder gebruikt als: de groep verder enkel bekend is van fossielen of de soort welbepaalde primitieve kenmerken bezit en amper afwijkt van de fossiele vormen.bron Wikipedia Het meest bekende voorbeeld van een levend fossiel bij dieren is de coelacanth (Latimeria). Deze vis behoort tot de groep van de kwastvinnigen (Crossopterygii),Op grond van de fossiele vondsten concludeerde men dat de kwastvinnigen ongeveer gelijktijdig uitstierven. Tot grote verbazing en opwinding van vele wetenschappers, werd in 1938 voor de kust van Zuid-Afrika een grote vis gevangen, die leek op de uitgestorven kwastvinnigen. Het bleek een coelacanth te zijn. Hij werd Latimeria gedoopt. In 1952 en later werden enkele exemplaren gevangen voor de kust van Madagascar. Onlangs veroorzaakte de vangst van een coelacanth voor de kust van noordoost Sulawesi (Indonesië) weer voor grote opschudding. Deze vondst betekent dat de coelacanth een grotere verspreiding kent dan werd aangenomen. (zie image links)
Zeldzame voorbeelden Een ander bijzonder geval van fossilisatie is het bewaard blijven van het oorspronkelijke organisme door insluiting in barnsteen. Het meest bekend zijn natuurlijk de insecten in barnsteen. Barnsteen is niets anders dan fossiele hars van een naaldboom. In deze kleverige hars bleven vele insecten vast zitten, deze werden in de loop van de tijd geheel met hars bedekt. De dieren werden zo perfect bewaard en de fijnste details (voelsprieten, poten, monddelen, e.d.) zijn vaak nog goed te bestuderen. Invriezen, wat gebeurd is in Siberie, daar zijn hele mammoeten gevonden, compleet met onverteerde maag inhoud. Het vlees was na ontdooing nog eetbaar,kenmerkend is dat: In zeer koude streken waar nu geen groene vegetatie aanwezig is zoals in Siberie,zeer veel mammoeten gevonden worden. De dieren zeer snel gefossiliseerd moeten zijn.terwijl ze vredig aan het grazen waren. De dieren gevonden worden gefossiliseerd in hun grazende houding. Weke delen: superzeldzaam In zeer zeldzame gevallen kunnen ook afdrukken van weke delen van een organisme bewaard blijven. Dit geschiedt uitsluitend als door bijzondere omstandigheden het verrottingsproces geen kans krijgt om zijn vernietigend werk te doen. Zo zijn er afdrukken bekend van de huid van dinosaurussen, van de vlieghuid van vliegende reptielen en zelfs van zulke tere dieren als kwallen. Een aantal vindplaatsen is specifiek bekend omdat daar weke delen op relatief grote schaal bewaard zijn gebleven, zoals de Ediacara-fauna in Australië en, dichter bij huis, Bundenbach in Duitsland. polystrate fossielen (links) die vele sedimentlagen doorsnijden, zoals BV. boomstammen en wortels. In juni 1997 werd een stuk fossiel hout ontdekt (ter grootte van een vinger In een Hawkesbury zandsteenplaat wat even eerder was uitgehakt uit de mijn van Bundanoon .Hoewel roodbruin en gehard door het versteningproces, zijn de originele houteigenschappen nog steeds zichtbaar. Identificatie van de soort is onzeker, maar hoogstwaarschijnlijk betreft het hout van de zaadvaren Dicroidium met gevorkt varenblad, algemeen bekend in het Hawkesbury Zandsteen. Het fossiel maakte waarschijnlijk deel uit van het stam van de varen. Uitdroging. Dieren en mensen kunnen onder gunstige voorwaarden uitdrogen en zo zeer lang bewaard blijven. Voorbeeld een dier dat sterft in een zeer droge grot en afgsloten van de lucht en bacterien, kan daardoor uitdrogen en perfekt bewaard blijven. Een goed voorbeeld zijn de mummy's gevonden van offergaven in Peru. Door de ijle lucht en koude zijn deze zeer intakt, zelfs hun kleding. Reden door de koude en grote hoogte zijn daar geen bacterien (ijle lucht) en geen planten groei aanwezig.