Missing links: fraude, deceptie, bedrog en speculatie
10-04-2008
Het fossilisatie proces
Het fossilisatie proces naar het Latijnse woord 'fossilis.(hetgeen op- of uitgegraven is) De wetenschap Deze wetenschap kan weer opgesplitst worden in een drietal deelgebieden: 1 paleozoölogie, de studie van fossiele dieren 2 paleobotanie, de studie van fossiele planten, 3 paleoantropologie, de studie van fossiele mensachtigen.
Zelfs fossielen die gevormd zijn in dit moedergesteente zijn niet ontsnapt aan het doorsijpelende siliciumrijke grondwater. Soms werden opalen gevonden die bestonden uit gefossiliseerde botten, zeeschelpen en de peulen van zaden.
De term "Dinosaurusfossielen" bestaat uit drie Latijnse woorden: Deinos, wat "groot" betekent; Sauros, wat "hagedis" betekent; en Fossilis, wat "opgegraven" betekent. Het woord dinosaurusfossiel betekent dus letterlijk "opgegraven grote hagedis". Brits anatoom Sir Richard Owen (1804-1892) bedacht het woord "dinosaurus" in 1841.
Fossiel vissenvlees ruikt naar vroege complexiteit [CEH ]
Een artikel in National Geographic News moet toch de interesse wekken van menig visliefhebber: "Fossiel vlees gevonden in 380 miljoen jaar oude vis." Dit is nogal opmerkelijk als je bedenkt hoe snel vis bederft als je het laat liggen. Maar het is waar, gefossiliseerde spieren met "bundels spiercellen, bloedvaten en zenuwcellen" zijn duidelijk zichtbaar in deze vondst uit west Australië.1 Deze uitgestorven pantservissoort moet "licht laten schijnen" op evolutie. Het artikel laat snel het bewijs van zacht weefsel rusten om zich te concentreren op de vraag waar placoderma (pantservissen) passen in het evolutionaire verhaal van vissen en landdieren. Er zijn twee dingen die de onderzoekers verrassend vinden aan dit fossiel: (1) het bewaard blijven van zacht weefsel en (2) de "vele kenmerken die een gelijkenis vormen met die van moderne landdieren." Het artikel suggereert dat het grootste gedeelte van de evolutie van gewervelden vroeg heeft plaatsgevonden; dat we de misvattingen van langzaam en geleidelijk ontwikkelen moeten loslaten. John Long verklaarde:
De meeste mensen hebben een "Hollywood beeld van evolutie," waarin een vis vervormt en een amfibie wordt, gevolgd door een reptiel, een zoogdier, een primaat, en tenslotte een mens, zei hij [John Long, Victoria museum] "Maar wanneer we kijken naar de Gogo vis, zien we dat zoveel van de ontwerp van het menselijk lichaam teruggaat tot in de vissen. Zelfs zoveel, dat de oorsprong van al onze anatomische systemen - 90 procent ervan - in de vissen plaatsvond," zei hij. "Nadat de vissen de zee verlieten en het land veroverden, was de rest eigenlijk meer een fijnafstelling van een bestaand patroon."
Hij liet het aan de verbeelding van de lezer over hoe al die complexiteit ontstond in de voorouders van de pantservis.
1Uit het artikel kon niet duidelijk worden opgemaakt of het weefsel helemaal of gedeeltelijk versteend was. Het zien van bloedvaten en cellen doet anders vermoeden.
We moeten erachter zien te komen of het weefsel inderdaad nog zacht, origineel weefsel is. Als het gemineraliseerd is, dan is het verbazingwekkend dat er zoveel detail bewaard is gebleven in iets wat zo oud is, althans volgens de evolutionaire tijdsrekening. Als het niet gemineraliseerd is, dan is het superverbazingwekkend. Dan is het 70 miljoen jaar oude zachte weefsel van de T. rex (zie dit artikel) hierbij vergeleken nog recent. De titel en de inhoud van het artikel illustreren maar weer eens hoe onverbeterlijk evolutionisten zijn. (Ondanks het verwijt van Long, hebben de meeste evolutionisten zelf een Hollywood beeld van evolutie.) Verwachten ze nou echt dat redelijk denkende mensen accepteren dat deze gefossiliseerde spieren 380 miljoen jaar oud zijn? Je kunt vis in de koelkast maar net een paar weken goed houden. Toch heeft dit monster bloedvaten en cellen die nog intact zijn. Deze vondst is een tijdbom.
21-01-2008
Fossielen
Volgens de evolutietheorie zouden er grote veranderingen moeten plaatsvinden in de bouw van planten en dieren. De variatie is er wel, maar de verandering moet nog steeds aangetoond worden. Er is een enorme verscheidenheid aan planten, bomen en dieren, maar de veronderstelde weg die zou moeten leiden tot die diversiteit is nog steeds niet in het fossielenbestand gevonden. Wat we wel vinden, is een groot aantal fossielen, waarvan evolutionisten zeggen dat ze vele miljoenen jaren oud zijn, die schijnbaar nauwelijks veranderd zijn. Dat zal men vast wel weer kunnen 'verklaren', maar de meest voor de hand liggende conclusie die je kunt trekken is toch weer dat ze zo bedoeld zijn. Er is een moment geweest dat al die pracht en praal 'verscheen' in het fossielenverhaal en daarna veranderen ze haast niet meer. Als er al verandering is, dan is dat meestal niet ten goede; de beesten met een overeenkomstig skelet zijn nu bijvoorbeeld vaak kleiner.
Toen de Coelacanthus in 1938 levend gevonden werd, bracht dat wereldwijd nogal wat commotie teweeg. Evolutionisten dachten namelijk dat ze ten tijde van de dinosauriërs, volgens hen 65 miljoen jaar geleden, al uitgestorven waren. Nu zijn er al verschillende levende exemplaren gevonden. Het is vrij uniek als je er eentje vangt, omdat ze heel diep in het koude wateren leven en normaal gesproken een vangst niet overleven. Een Indonesische visser heeft een Coelacanthus nog 17 uur in leven heeft weten te houden, maar normaal gesproken blijven ze niet langer dan een paar uur leven. Ze leggen geen eieren, maar brengen levende jongen ter wereld. Hun vinnen bevatten botten en werden ooit gezien als evoluerende ledematen, maar blijken uitstekend geschikt te zijn voor zwemmen en in het geheel niet voor vervoer op het land. Dit is niet het enige fossiel waarmee de ouderdom van een laag bepaald werd en waarvan later ontdekt werd dat er nog levende exemplaren van waren. Natuurlijk worden deze fouten vlug hersteld, maar toch zien we regelmatig dat de aannames die gedaan worden door evolutionisten worden "tegengesproken" door de feiten. Let maar eens op hoe vaak ze de theorieën moeten bijstellen, omdat er weer wat gevonden is wat niet aan de verwachtingen voldoet. Af en toe wordt er een fossiel gevonden waarin men een overgangsvorm ziet. Toch blijkt telkens weer dat het óf een variatie is binnen een soort, óf gewoon een totaal ander soort. De duizenden overgangsvormen die nodig zijn voor 'het bewijs' zijn nog niet gevonden, en zullen volgens mij ook nooit gevonden worden. Houd het nieuws maar in de gaten. De botjes die gevonden worden vertellen je niet precies hoe een beest eruit gezien heeft. Verschillende kunstenaars zullen bij eenzelfde fossiel een heel ander plaatje tekenen. Vaak zijn die plaatjes sterk beïnvloed door de heersende gedachte over hoe het eruit gezien zou hebben. Denk aan die mooie plaatjes van holbewoners bij een kampvuur. Men weet vaak niets over het haar, de huidskleur, de spieren en andere zachte delen. Dat is puur giswerk.
Het fossiele blaadje van de Ginkgo Biloba lijkt precies op het blaadje van de gelijknamige boom bij ons voor het huis. Daar staan er twee gezellig samen op het veldje. Tweehonderd zeventig miljoen jaar lang niet veranderd?... Niet erg waarschijnlijk.
Uiterst zeldzaam he? In verhouding tot het totaal aantal fossielen wat gevonden wordt misschien. Maar elk 'levend fossiel' is er wel weer één. Daar komt nog bij dat de fossielen die gevonden worden niet direct zullen worden vergeleken met bekende levende wezens, omdat men er vanuit gaat dat ze al miljoenen jaren zijn uitgestorven. En dan moet je niet vergeten dat er een enorme hoeveelheid variatie mogelijk is binnen de perfecte soorten die God geschapen heeft. Kijk maar naar de honden, de paarden, de kippen en de rozen. Vrijwel alle variaties die we daarvan kennen zijn binnen vrij korte tijd (vergeleken bij de evolutionaire tijdschaal) tot stand gekomen. De zondvloed, waardoor de meeste fossielen ontstonden, was ongeveer 4400 jaar geleden. Sinds die tijd kan er een hoop veranderd zijn.
Prehistorisch betekend vóór de historie, dus voordat mensen begonnen met hun geschiedenis op te schrijven. Maar zoals ik in deze presentatie probeer te laten zien, is de geschiedenis helemaal opgeschreven in de Bijbel. Er is dus helemaal geen prehistorie. Vanaf het 'moment' dat materie en tijd begon is alles gedocumenteerd.
Een zware dobber voor evolutionisten, maar helemaal in de lijn der verwachting voor creationisten, is het feit dat bomen door meerdere lagen sediment heen steken. Een evolutionist moet verklaren dat lagen miljoenen jaren lang zijn opgebouwd rondom versteende bomen. Dit soort sedimentatie kan echter makkelijk verklaard worden door een overstroming als de zondvloed. Sterker nog, het kan nu worden waargenomen in een meer bij Mount. St. Helens (Spirit Lake). Door de uitbarsting van de vulkaan in 1980 kwamen grote hoeveelheden bomen in het meer terecht. Die bomen begonnen in verticale stand naar de bodem te zinken en te verstenen. Het is dan niet moeilijk voor te stellen dat er in de zondvloed hetzelfde gebeurde, maar dan op grotere schaal. De bomen die op de bodem neergekomen waren werden dan weer bedolven door nieuwe lagen sediment. En zo hebben we nu versteende bomen die door meerdere lagen steken. (zie ook dit Engelstalige artikel op Answers in Genesis.) Een heel mooi voorbeeld is ook (wel weer in het Engels) Specimen Ridge op de Creation Wiki site. Daar staan ook nog een paar nuttige links.
10-01-2008
Twee fossielenexplosies zijn beter dan één
Twee fossielenexplosies zijn beter dan één Geplaatst: 8 januari 2008
"Eén is goed, twee is beter" schijnen de evolutionisten te denken. Dat is wel leuk als het om koekjes gaat, maar bij problemen is het minder. Paleontologen hebben er weer een probleem bij, maar het lijkt wel of ze er blij mee zijn. Volgens een artikel op Science Daily zijn paleontologen een soort masochisten. De Cambrische explosie was blijkbaar niet genoeg voor ze; er moest nog een pre-Cambrische explosie bij. Over de Cambrische explosie is al vele malen geschreven op deze site (zoek Cambrische explosie). Als je uitgaat van een evolutionistische geologische tijdschaal, blijken de fossielen in voor-Cambrisch gesteente net zo plotseling te verschijnen als de fossielen in Cambrische lagen. Een onderzoeksteam van Virginia Tech heeft er onderzoek naar gedaan en is tot deze conclusie gekomen. Ze publiceerden hun resultaten in Science.1 In hun rapport probeerden ze niet om het fenomeen op een Darwinistische manier te verklaren. Ze namen geeneens voorzorgsmaatregelen om de creationisten voor te zijn, die ongetwijfeld op dit onderzoek zouden reageren omdat dit verdraaid veel lijkt op een dubbele falsificatie van de evolutietheorie. Nee, ze grepen deze gelegenheid aan om te laten zien dat hier een patroon te herkennen is. Als abrupte verschijning van soorten de norm is, dan werkt evolutie misschien wel zo! Ze beschreven deze eerste explosie als een "gefaald experiment met een evolutionair patroon, vergelijkbaar met die van de Cambrische explosie". Aan evolutie zelf werd natuurlijk niet getwijfeld. Het ging gewoon twee keer heel erg snel. Darwin zelf zag evolutie als een langzaam proces, een geleidelijke opeenstapeling van vele kleine aanpassingen. Uiteraard waren de onderzoekers verbaasd dat deze voor-Cambrische organismen volledig gevormd, zonder tussenstadia gevonden worden. Darwin wist al van de Cambrische explosie en kon alleen maar hopen dat de 'missing links' ooit eens gevonden zouden worden. De lijntjes tussen de soorten in de 'stamboom van het leven' blijven nu, na bijna 150 jaar zoeken, echter nog steeds denkbeeldige overgangen. Shuhai Xiao, een professor bij Virginia Tech, stelde Darwin's idee voor als een omgekeerde kegel, met aan de onderkant enkele en aan de bovenkant vele soorten. Maar in de praktijk lijkt het volgens Xiao meer op een cilinder, met aan de basis een hele snelle "uitstraling" (diversificatie) en hogerop alleen kleine wijzigingen. En dat geldt dus zowel voor de pre-Cambrische als de Cambrische explosie. Een verklaring hiervoor bleef uit en ook aan het einde van het artikel is te lezen dat wetenschappers nog steeds geen zekerheid hebben over de "drijvende krachten achter de snelle morfologische expansie..."
1. Shen, Dong, Xiao and Kowalewski, "The Avalon Explosion: Evolution of Ediacara Morphospace," Science, 4 january 2008: Vol. 319. no. 5859, pp. 81-84, DOI: 10.1126/science.1150279.
Oké, dat is het dan, nu is het echt afgelopen. Darwinisten, geef het maar op. Hoe vaak moeten vondsten uit de échte wereld jullie theorie nog falsificeren, voordat jullie toegeven dat jullie wereldbeeld niets anders is dan een uit de hand gelopen hallucinatie? Als je Engels kunt lezen, moet je het hele artikel maar eens doornemen. Onzekerheden stapelen zich op totdat je aan het einde van het artikel leest: "één ding lijkt zeker -- de evolutie van het vroegste microscopische en complexe leven ging voor de Cambrische explosie ook door een explosieve gebeurtenis heen..." Het is echt een bijzondere belevenis om te zien hoe mensen ondanks een overweldigende hoeveelheid bewijs, in staat zijn om hardnekkig vast te houden aan hun geloof. Deze wetenschappers zien een heel onevolutionistisch plaatje en zeggen dan plompverloren: "Moet je nou kijken, evolutie gaat explosief in plaats van geleidelijk!" We observeren het volgende: Over de hele wereld vinden we verharde lagen met allemaal verschillende soorten dode beesten erin. In de onderste lagen vinden we de meeste basisvormen daarvan al volledig gevormd, zonder aanwijsbare oorzaak en zonder enige indicatie dat ze een gemeenschappelijke voorouder zouden hebben. Conclusie: Eens, héél lang geleden in een moeras hier ver vandaan, kwamen twee chemicaliën elkaar toevallig tegen. Zegt de ene chemische stof tegen de andere: "Hé, jij ook hier? Zullen we samen iets organisch gaan doen?" Zegt de andere: "Ja leuk, dan kook ik een lekker oersoepje en dan ga jij... o nee, de gasvles lekt!" KABOEMM!!! "Hé da's lollig, ik voel me ineens helemaal complex worden." Zegt de ene weer: "Nee, dit is het niet helemaal, laten we het eens met een grotere explosie proberen..."
Geologen ontdekten in de 19e eeuw in gesteenten jonger dan circa "550 miljoen jaar(hmm)" gigantisch veel fossielen – een explosie van leven.
26-12-2007
Cambrische kwal
Cambrische kwal Geplaatst: 2 november 2007
Gaan we schelden? Nee hoor, maar evolutionisten moeten nu wel heel glad gaan praten om hun gezicht te redden (als dat nog lukt). Er is namelijk alweer een modern beest gevonden in de onderste lagen van het Cambrium (zie ook eerdere berichten: 8 oktober, 9 september en 12 juli). Het Cambrium is een aardlaag die door evolutionisten honderden miljoenen jaren oud geschat wordt. Onder die laag komen vrijwel geen fossielen voor, maar in het Cambrium worden 'ineens' allemaal verschillende soorten fossielen gevonden. Dit is heel vervelend voor de mensen die willen aantonen dat het leven begon met een eenvoudig celletje, dat geleidelijk uitgroeide (evolueerde) tot meer ingewikkelde vormen van leven. Men redeneert dat levende organismen in de loop der geschiedenis geleidelijk aan begraven werden in aardlagen en dat er zo een opeenstapeling van lagen ontstond, waarin we een oplopende complexiteit van levende wezens zouden moeten terugvinden. Dat er vrij 'plotseling' allemaal ingewikkelde levensvormen verschijnen in een van de 'oudste' aardlagen, is voor die theorie natuurlijk funest. Dit blijkt echter steeds weer het geval te zijn. En het is weer raak: het blijkt namelijk dat kwallen ook deel uitmaakten van die zogenaamde 'Cambrische explosie'. National Geographic News heeft een paar plaatjes van goed geconserveerde en gedetailleerde kwallenfossielen uit Utah. Volgens evolutionaire standaarden moeten deze fossielen 500 miljoen jaar oud zijn. Dat maakt deze kwallen bijna 'twee keer zo oud' als de 'oudste' fossielen die tot nu toe van kwallen gevonden zijn (de betrokken wetenschappers schatten ze 205 miljoen jaar ouder). Dat niet alleen, ze lijken ook nog eens tot drie verschillende groepen te behoren. Wat betekent dit voor de evolutietheorie? Volgens het artikel moeten kwallen 500 miljoen jaar geleden snel geëvolueerd zijn, of ze zijn langzaam geëvolueerd en bestaan al veel langer dan we dachten. Ten overvloede kan nog vermeld worden dat er geen bewijs gevonden is voor eventuele overgangsvormen of mogelijke voorouders van deze kwallen. We kunnen in ieder geval weer enkele soorten toevoegen aan de lange lijst van organismen waarvoor geen mogelijke voorouder uit het fossielenbestand kan worden aangewezen.
Natuurlijk wordt bij zo'n vondst nooit de logische conclusie getrokken dat de evolutietheorie (voor de zoveelste keer) op z'n gat gaat. Alle levende organismen moeten wel snel ontstaan (gemaakt) zijn. Evolutionisten, geef het toch op! Jullie kunnen al die verhaaltjes over miljoenen jaren toch niet hard maken (zie dit Engelstalige artikel). God rules!
Nog even dit: op 21 december kwam Kennislink.nl nog met een 'eigen versie' van het kwallenverhaal, met de opmerking: "Kwallen blijken nog ouder dan gedacht". Opmerkelijk is weer hoe men in evolutionistische kringen dergelijke vondsten meestal omschrijft: "Nog belangrijker is echter dat de vondsten ook meer inzicht verschaffen in de wijze waarop binnen korte tijd veel soorten ontstonden bij de Cambrische explosie van leven (ca. 540 miljoen jaar geleden). De nieuw ontdekte fossielen laten zoveel details zien dat de diversiteit in soorten van de moderne kwallen al in het Midden-Cambrium ontstond. Deze diversiteit moet snel [sic] zijn ontstaan of de kwallen kwamen nog eerder dan deze 500 miljoen jaar tot tot [sic] ontwikkeling. Hier zijn echter nog geen vondsten van." Sinds halverwege de negentiende eeuw de 'geologische tijdschaal' bedacht werd, is er niet veel van die veronderstelde 'tijdschaal' terecht gekomen. Het had zo mooi kunnen zijn voor evolutiegelovigen, maar tot nu toe heeft die geologische kolom met fossielen alleen maar bevestigd dat er in het verleden levende wezens in verschillende lagen begraven zijn, dat er geen geleidelijke overgang te bespeuren is en dat alle basisvormen 'plotseling' in de onderste lagen verschijnen. De meest logische conclusie is mijns inziens dan toch, dat alle levende wezens inderdaad in een zeer korte tijd ten tonele verschenen (schepping) en dat er een duidelijke scheiding tussen de soorten bestaat (naar hun aard geschapen). De zogenaamde 'missing links' worden maar niet gevonden en hedendaagse organismen worden steeds lager in de geologische kolom gevonden, tot in de onderste laag. Dat zet je wel aan het denken.
Juist of fout: Dat Archaeopteryx een overgangsvorm (of ontbrekende schakel) zou zijn tussen de reptielen en de vogels wordt nauwelijks in twijfel getrokken door de paleontologen.
Fout. Er is een grote onenigheid in de wetenschappelijke gemeenschap over de juiste status van Archaeopteryx. Veel experten wijzen op bepaalde kenmerken die aantonen dat Archaeopteryx geen ontbrekende schakel is, maar gewoonweg een vogel is. Zo stelden Ann Burke en Alan Feduccia in een artikel in Science van 17 april 1998 met als titel 'Bij het tellen van de vingers van vogels en dinosauriërs' dat moderne vogels in hun vleugels de vingers met als nummer II-III-IV ontwikkelen, terwijl het fossiele bewijsmateriaal er sterk op wijst dat theropode dinosauriërs de vingers met als nummer I-II-III ontwikkelen in hun poten. De beste schatting van de vingers bij de Archaeopteryx is nummer II-III-IV. Vanuit dit bewijsmateriaal volgt bijna zeker dat Archaeopteryx een vogel is en niet geëvolueerd kan zijn uit dinosauriërs.
Feduccia stelde dan ook het volgende:
"Paleontologen hebben getracht Archaeopteryx om te vormen tot een zich op het aardoppervlak bewegende gevederde dinosauriër. Dat is echter onjuist. Het is een vogel. En daar kan niemand nog iets aan veranderen."1
Andere wetenschappers wezen op de typische vogelkenmerken van de schedel van Archaeopteryx om te bewijzen dat het een vogel was. Over de bewering dat Archaeopteryx misschien wel reptielenschubben bezat, stelde vleugel-expert Alan Brush het volgende:
"Paradoxaal genoeg is er geen fossiel bewijs voor het bestaan van schubben, noch voor een hoornachtige snavel bij de Archaeopteryx."2
Terwijl al deze argumenten erop wijzen dat Archaeopteryx een vogel was, is het onbegrijpelijk dat handboeken en populair-wetenschappelijke schrijvers de Archaeopteryx nog steeds als een overgangsvorm bestempelen met onjuiste tekeningen die de kop afbeelden met schubben en de volgende commentaren leveren:
"Er is nog veel onbekend over de Archaeopteryx maar er zijn ook veel dingen die wij wel weten en als wij niet inzien dat het hier gaat om een overgangsvorm dan zijn wij wel stekeblind."3
08-06-2007
De 'tijdbom' onder Darwins evolutietheorie
DE 'CAMBRISCHE EXPLOSIE' De 'tijdbom' onder Darwins evolutietheorie
Wat is in hemelsnaam de 'Cambrische explosie' zou men zich kunnen afvragen. Neen, het gaat hier niet om een of andere terroristische aanslag, vulkaanuitbarsting of iets dergelijks maar om een wel bekend fenomeen in de studie van de oorsprong van het leven. De 'Cambrische explosie' is de term die in wetenschapskringen gebruikt wordt om het plotse verschijnen aan te duiden van het meercellig, dierlijk leven in een 'tijdvak' dat door wetenschappers het Cambrium genoemd wordt. In het hiernavolgend overzicht willen wij samen met u nagaan in welke mate de 'Cambrische explosie' in overeenstemming of in tegenspraak is met Darwins evolutietheorie gebaseerd op toeval en natuurlijke selectie.
1. Toeval in plaats van functioneel ontwerp, natuurlijke selectie in plaats van God
Sinds Charles Darwins boek 'De oorsprong van de soorten door natuurlijke selectie' in 1859, is de visie van de Westerse cultuur op het intelligent ontwerp in de natuur drastisch veranderd. In de tijd daarvoor werd de wonderlijke complexiteit van het leven en de natuur algemeen gezien als zijnde afkomstig van een grote ontwerpende intelligentie. Sindsdien is dit niet meer het geval. De Darwinisten beweren immers dat het overduidelijk intelligent ontwerp in de levende wezens niet echt is, maar schijnbaar. Francisco Ayala, in 1994 voorzitter van de prestigieuze Amerikaanse Vereniging voor de Bevordering van de Wetenschap, stelt het als volgt:
"De kenmerken en het functionele ontwerp van de organismen duiden schijnbaar op het bestaan van een intelligente ontwerper. Het was echter Darwins grootste verdienste dat hij aantoonde dat de gerichte organisatie van de levende wezens verklaard kan worden vanuit een natuurlijk proces, de natuurlijke selectie, zonder dat daar een Schepper of een andere externe oorzaak voor nodig is. Zijn verklaring, de natuurlijke selectie, sloot God uit als de oorzaak voor het duidelijk ontwerp in de organismen" 1
Daar de natuurlijke selectie geacht wordt in te grijpen op willekeurige, toevallige mutaties van het genetisch materiaal om zo de nodige macroevolutie mogelijk te maken, ligt, sinds Darwin, het toeval aan de basis van het leven. Toeval vervangt dus het planmatige ontwerp. Vóór Darwin was het leven ontstaan uit de wil en het plan van God en had het ook een bedoeling. In de Darwinistische tijd ontstaat het leven slechts door wat Ayala "Het scheppende duo van toeval en noodzaak" noemt, zonder een vooraf bepaald intelligent ontwerp.
2. Het getuigenis van de fossielen
Hebben Ayala en de andere evolutionisten gelijk? Kan de natuurlijke selectie een verklaring geven voor de belangrijke ontwikkelingen in de geschiedenis van het leven, zoals het ontstaan van totaal nieuwe diertypen, nieuwe organen en functies? Kan zij de hiërarchische organisatie van het leven en de verschillen tussen de grote plant- en diergroepen verklaren zonder beroep te doen op een intelligent ontwerp?
Graag willen wij samen met U deze vraag beantwoorden vanuit het verslag van de fossielen. Fossielen zijn de min- of meer versteende overblijfselen, afdrukken, en sporen van dieren en planten uit het verleden die bewaard zijn gebleven in de gesteentelagen van de aardkorst. Laten we eerst nagaan wat de Darwin en zijn volgelingen verwachten te vinden in dit fossielenverslag in de gesteenten. De Darwinistische verklaringswijze van de natuurlijke selectie die willekeurig ingrijpt op toevallige variaties voorspelt het volgende:
Vanuit één of enkele soorten die door de natuurlijke selectie beetje bij beetje zouden gewijzigd worden, zouden er na misschien vele duizenden generaties totaal nieuwe soorten en diergroepen ontstaan. Kleine variaties gaan dus vooraf en resulteren in totaal afzondelijke diergroepen.
Dit proces zou vergezeld gaan van ontelbare tussenvormen, overgangsvormen en mislukkingen: de nevenproducten van de natuurlijke selectie.
Steeds meer nieuwe hoofdgroepen (phyla genoemd) zouden ontstaan als men verder gaat in de tijd.
Om deze voorspellingen te controleren, hadden wij graag even gekeken naar de 'Cambrische explosie' waar we het in de inleiding over hadden. Deze eigenaardige gebeurtenis treedt op aan de basis van de zogenaamde 'geologische tijdschaal'. In de gesteenten die geologen aanduiden als behorende tot de periode van het 'Precambrium (dus voorafgaand aan het Cambrium) worden er nauwelijks fossielen aangetroffen tenzij fossielen van eencellige organismen, bacteriën en blauwwieren. In de gesteenten daarboven verschijnen plots, in een geologisch geproken zeer korte tijdspanne, dus ongeveer tegelijkertijd, de ongeveer 50 voornaamste diergroepen (phyla). In zeer korte tijd verschijnen dus ongeveer 50 verschillende diertypen met unieke en afzonderlijke bouwplantypen. De meeste, ongeveer 37, van deze diergroepen bestaan nog tot op vandaag. Het is een gebeurtenis die in de geschiedenis niet meer is herhaald.
3. Het fossiele bewijsmateriaal versus de evolutietheorie
Laten we nu eens terugkeren naar de voorspellingen van de evolutietheorie.
Voorspelling 1: verschijnen de voornaamste diergroepen vanuit een geleidelijke variatie van enkele soorten? Kijk hiervoor eens naar de figuur. Het geeft de Darwinistische evolutietheorie weer, maar ook de feiten. De horizontale as geeft de vormenrijkdom weer en de verticale as de tijd. De (horizontale) tijdslijn tussen het Cambrium en het Precambrium is het ogenblik van de 'Cambrische explosie'.
De Darwinistische theorie, die een geleidelijke evolutie vanuit enkele soorten veronderstelt, met verschillende aftakkingen dus, wordt voorgesteld door lege, zwarte cirkels. De feiten, wat men dus kan waanemen aan de fossielen die men in de gesteenten vindt, worden voorgesteld door volle lijntjes. Het is duidelijk dat de feiten aantonen dat (bijna al) de grote diergroepen plots verschijnen aan basis van het Cambrium, zonder duidelijke voorlopers in het Precambrium.
Besluit voorspelling 1: het ontstaan van de grote diergroepen vanuit graduele variaties komt dus helemaal niet overeen met de feiten.
Zijn er ontelbare tussenvormen, overgangsvormen en mislukkingen die leiden naar de 50 grote diergroepen zoals de 2de voorspelling van Darwin dit veronderstelt?
Helaas voor de evolutietheorie zijn er nauwelijks tussenvormen of overgangsvormen te bespeuren. De dieren die in het Cambrium verschijnen, hebben nauwelijks bespeurbare voorlopers. Ze zijn daar totaal nieuw en typisch voor hun eigen groep. Zoals gezegd vindt men in het Precambrium slechts ééncelligen, bacteriën en blauwwieren op een zeldzame uitzondering na zoals in de Ediacara-heuvels in Zuid-Australié waar men kwallen vondt, maar ook eigenaardige diertjes waarvan men de verwantschap met de dieren van het Cambrium slechts kan gissen!
In de figuur rechts krijgt men een overzicht van de verschillende diergroepen die rond de tijdsperiode van de 'Cambrische explosie' verschijnen. Naast vertegenwoordigers van de vertebraten - waartoe o.a. de vissen, reptielen, zoogdieren, behoren - gekenmerkt door een wervelkolom en een inwendig skelet, verschijnen vooral de meeste groepen van ongewervelden (zonder wervelkolom, met een uitwendig skelet).
Zo zijn er plots: koralen, weekdieren, geleedpotigen, armpotigen, zeelelies, enz.,... allen met duidelijk van elkaar onderscheiden structuren en bouwplantypen en allen met typische kenmerken voor hun groep en zonder duidelijke voorlopers !
Het antwoord op de derde voorspelling van de Darwinistische evolutietheorie is misschien nog wel het duidelijkst.
Men kan ze aflezen uit de figuur. De bovenstaande grafiek geeft de voorspelling weer van de evolutietheorie: dat namelijk het aantal diergroepen (phyla) geleidelijk zou toenemen in de loop van de tijd. Onderaan vindt men de feiten, het fossiele bewijsmateriaal. Hier ziet men hoe het aantal diergroepen plots tot zijn maximum is gekomen in het verleden in een korte tijdspanne, geologisch gesproken. Daarna neemt dit aantal (ongeveer 50) niet meer toe, maar neemt ze integendeel af tot ongeveer 37 vandaag.
4. Het oordeel is geveld?
Het moge voor iedereen duidelijk zijn dat het fossiele bewijsmateriaal van de 'Cambrische explosie' een enorme tegenspraak is voor de (neo-)Darwinistische evolutietheorie. We willen er hier ook op wijzen dat de 'Cambrische explosie' een heel eenvoudige verklaring vindt vanuit de visie van het scheppingsmodel.
Inderdaad het plotse verschijnen van alle verschillende diergroepen, zo complex, functioneel, uniek en verschillend, duidt op het ingrijpen van een grote intelligentie, onze Schepper, die wij kennen door zijn mens-geworden Woord, Jezus Christus. Maar er is meer: de plotse fossilisatie, het begraven, doden en daarna fossiel worden van ontelbaar vele (voornamelijk in het water levende) dieren duidt op een zeer markante gebeurtenis in het verleden : de zondvloed-catastrofe. De 'Cambrische explosie' was dus toch een verschrikkelijke ramp in het verleden!
Referenties
1. Geciteerd uit Touchstone, A Journal of Mere Christianity, blz.65, juli-augustus 1999.