Inhoud blog
  • BOEK: Einführung in die Geschichte der christlichen Symbole (Donat de Chapeaurouge) 1984
  • BOEK: Zonder genade (Renate Dorrestein) 2001
  • BOEK: Verborgen gebreken (Renate Dorrestein) 1996
  • BOEK: Golden Earring - De Amerikaanse droom (Haagsma & Ras) 2012
  • FILM: Skyfall (Sam Mendes) (UK-USA, 2012)
    Zoeken in blog

    Over mijzelf
    Ik ben Eric De Bruyn
    Ik ben een man en woon in Wuustwezel (België) en mijn beroep is Leraar Nederlands-Engels.
    Ik ben geboren op 20/10/1955 en ben nu dus 58 jaar jong.
    Mijn hobby's zijn: Middelnederlands / laatmiddeleeuwse kunst.
    Studies Germaanse Filologie 1973-1977 - Universiteit Antwerpen. In 2000 gepromoveerd aan de KU Brussel
    WEMELDINGEN
    Tijd is ruimte in beweging
    31-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.FILM: L'Etreinte (Paul Collet & Pierre Drouot) (B-F, 1968)
    L’ÉTREINTE (Paul Collet & Pierre Drouot) (België-Frankrijk, 1968)
    (100’)

    ‘De Knuffel’. Deze ‘cinefiele seksfilm’ van Collet en Drouot wordt samen met de dvd van Louisa in één doosje aangeboden. Michel is een rijke jonge snob die een naïef dienstmeisje, Gisèle, aanneemt als huishoudster. Al snel vernedert en slaat hij haar en maakt hij van haar een soort slavinnetje. Als Michel voor zijn werk enkele weken naar Hong Kong moet, heeft Gisèle een lesbische ervaring met een (zwart) vriendinnetje van Michel en zij krijgt van dat vriendinnetje een pup cadeau. Michel wil echter van die pup niet weten en als hij doet alsof hij de pup gedood heeft, speelt Gisèle het spelletje niet meer mee. Michel heeft de pup echter niet gedood maar verstopt, en als hij boven op haar kamer (waar zij zich opgesloten heeft) wil gaan zeggen dat hij zich ziek heeft gedragen en nu een normale relatie wil, valt hij (dronken) van de trap. Na de rol naar beneden barst hij uit in een waanzinnige lachbui, waarna zwart beeld en doek.

    In 1969 zetten Collet en Drouot met deze prent het Nationaal Festival van de Belgische Film op zijn kop, omdat de film geweigerd werd en de andere regisseurs zich uit solidariteit terugtrokken. Het Festival ging toch door, maar alleen met kortfilms en het jaar daarop was er geen Festival meer. L’Étreinte is er dan ook overduidelijk op gericht om de goegemeente anno 1968-69 te épateren en shockeren en misschien was dat in die tijd wel leuk & nuttig (er moest dringend een seksuele revolutie afgedraaid worden), maar dit ontzettend traag voortkruipende scharminkel dat zo opwindend is als een vals gebit in een glas koud water, is ongetwijfeld één van de vervelendste en mottigste films die wij ooit gezien hebben. Uiteraard zit er wel wat bloot in de film (overigens allemaal panlatten met twee erwten op een bordje), maar net als in het vier jaar jongere Louisa blijkt vooral uit die seksscènes hoe weinig cinematografisch talent die Collet en Drouot hadden. Het scenario is (zoals u zelf uit de samenvatting kan afleiden) kut-met-peren, de acteurs en actrices zijn stuk voor stuk minkukels (onder meer Daniel Vigo als Michel en Nathalie Vernier als Gisèle) en heel de film is niet meer dan een gedateerde brok onbenulligheid.

    Vier films hebben Collet en Drouot samen gemaakt: behalve Louisa en deze L’Étreinte ook nog het oudere Cash? Cash! en het jongere Dood van een non. Pierre Drouot is daarna gestopt als regisseur en Paul Collet heeft nog twee films gedraaid, Het Beest en Close. In de documentaire van Erik Martens die bij de extra’s zit, komen de ondertussen veel oudere (en in vergelijking met hun jongere zelf onherkenbare) Collet en Drouot over als twee bezadigde, niet onsympathieke en guitige heren, maar dat neemt niet weg dat hun cinematografische back catalogue slechts een nietige kruimel op de rok van het filmuniversum is.

    Quotering: * (29 juli 2012) (dvd – bib Brecht)

    31-07-2012 om 00:29 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    30-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.FILM: Louisa - een woord van liefde (Collet & Drouot) (B, 1972)
    LOUISA – EEN WOORD VAN LIEFDE (Paul Collet & Pierre Drouot) (België, 1972)
    (95’)

    In ons archief hebben we helaas niets kunnen terugvinden over deze film, hoewel we hem ooit moeten gezien hebben. Van de inhoud konden we ons trouwens niets meer herinneren, maar al waren wij in 1972 nog maar zestien, we wisten nog wel dat Louisa toen voor enige consternatie zorgde, alleen al door de publiciteitsaffiche. Hierop is de Nederlandse knapperd Willeke van Ammelrooy (die in 1971 al schandaal verwekte door in de film Mira een paar keren naakt en halfnaakt op te treden) te zien in haar blote kont, in een pastiche op het schilderij Déjeuner sur l’herbe van Manet. Ofschoon de getoonde scène niet letterlijk zo in de film voorkomt, is die pastichefoto, die nu ook de dvd-doos siert, best wel geslaagd. En eigenlijk is het nog het meest geslaagde aan de hele prent, want daarop valt na al die jaren wel wat te beknibbelen.

    Het scenario, komende uit de koker van Collet, Drouot en ene Jean Ferry, is redelijk eenvoudig. Vlaanderen, kort voor de Eerste Wereldoorlog. Louisa (Willeke van Ammelrooy), dochter van een kasteelheer die moet trouwen met een legerofficier, loopt van huis weg met twee met een luchtballon rondtrekkende vagebonden, Pierre (André van den Heuvel) en Paul (Roger Van Hool), die onderweg ook nog een weggelopen weesmeisje (Alison Macro) hebben opgepikt. Zij gaan hokken in een verlaten boerderijtje van Louisa’s vader en daar ontstaat – na enige rivaliteit tussen Pierre en Paul – een ménage à trois, met onder meer de bekende zwempartij en blote picknick en nog enkele, zeer kuis in beeld gebrachte bedscènes erachteraan. Tot de boeren uit de omtrek amok komen maken en de oorlog uitbreekt. Omdat papa niet akkoord gaat met dat ménage à trois, vlucht het viertal weg, maar Louisa komt om in een gasaanval en wordt met kar en paard terug afgeleverd bij papa. Het weesmeisje krijgt, zoals beloofd, wel de zee te zien.

    Een ménage à trois in Vlaanderen in 1972: ja, dat was even de adem inhouden! In het begin lijkt Louisa zich te ontpoppen tot een sterk symbolistisch gekleurde kostuumfilm, maar de opgevoerde symbolen (het weggelopen weesmeisje dat op het weglopen van Louisa anticipeert, de erotische uitstraling van de hengst die Louisa’s verloofde bijt, het dode vogeltje aan het raam dat wijst op Louisa’s gevoel van gevangen zitten, de luchtballon die bevrijding en wegvluchten suggereert, de rode wijnvlek op Louisa’s jurk ter hoogte van haar hart) zijn even doorzichtig als het onderkleedje dat Willeke van Ammelrooy al meteen bij haar eerste verschijnen in de film draagt. Later is het gedaan met dat symbolisme, en krijgen we te maken met een wat melig romantisch-escapistisch drama, dat nog volop de sfeer van de vrije jaren zestig ademt en waarin de overrompelende liefde wordt afgezet tegen de oorlog en de haat. Met een ondertoontje van tegen de hypocriete kleinburgerlijkheid van het establishment gericht engagement. Maar allemaal heel naïef en uitermate oppervlakkig uitgewerkt.

    Dat scenario op zich is trouwens al ten zeerste ongeloofwaardig. Dat zo’n verwend kasteelnest het zomaar zou afbollen met twee flierefluiters, tot daaraan toe, maar dat de boeren uit de omtrek (die Louisa’s papa als baas hebben) wel ’s nachts met fakkels komen staan roepen en schreeuwen, maar niét of nooit papa op de hoogte brengen van de verblijfplaats van zijn dochter, is natuurlijk complete bullshit. Raar ook dat niemand blijkt op zoek te zijn naar dat weesmeisje (met wier weglopen uit het weeshuis de film begint). Komt daar nog bij dat er door zowat iedereen zeer artificieel geacteerd wordt, dat het allemaal veel te traag gaat en te toneelmatig oogt, dat de pseudo-klassieke muziek (van Roger Mores) om met ballen naar te gooien is en dat het gebrek aan werkelijke cinematografische inspiratie van Collet & Drouot nog het duidelijkst blijkt uit de ‘seksscènes’. Niet eens omdat er weinig getoond wordt (het was tenslotte 1972, dus er kon nog niet zoveel), maar gewoon omdat het weinige dat getoond wordt, ook nog eens verbeeldingloos, rommelig en saai in beeld wordt gebracht. En dan bedoelen we niet dat bij Willeke van Ammelrooy, wanneer ze poedelnaakt uit het water komt, de witte streep van haar bikinitopje te zien is (bikini’s anno 1914!), want dat is alleen maar koddig en zonnebanken of monokini’s waren in 1972 natuurlijk nog niet in de mode. Kortom: leuk om dit alles nog eens te kunnen bekijken en beknibbelen, maar Louisa is wel degelijk een in vele opzichten gedateerde en (ook toén al, hoor) zwakke film die aantoont dat die Collet en Drouot indertijd niet overliepen van talent.

    Quotering: ** (28 juli 2012) (dvd – bib Brecht)

    30-07-2012 om 00:13 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    29-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BOSCH: Limentani Virdis 2010
    Limentani Virdis 2010

    “The crucified female Saint in Venice” (Caterina Limentani Virdis) 2010

    [in: Eric De Bruyn / Jos Koldeweij (red.), Jheronimus Bosch. His Sources. 2nd International Jheronimus Bosch Conference, May 22-25, 2007, Jheronimus Bosch Art Center, ’s-Hertogenbosch, the Netherlands. Jheronimus Bosch Art Center, ’s-Hertogenbosch, 2010, pp. 232-242]

    Het is zeer waarschijnlijk dat Bosch’ triptiek met een gekruisigde vrouwelijke heilige in 1521 in het bezit was van de Venetiaanse kardinaal Grimani, zoals kan afgeleid worden uit een eigentijdse vermelding van Marcantonio Michiel. De kardinaal kan de triptiek verworven hebben via de joodse uitgever en koopman Daniel van Bomberghen, die afkomstig was uit Antwerpen maar in Venetië woonde. Grimani’s lijfarts, Abraham de Balmes, was ook een jood. Grimani’s contacten met de joodse kringen in Venetië getuigen van religieuze breeddenkendheid en dit zou kunnen verklaren waarom hij in zijn verzameling zulk een ongewoon schilderij opnam als dat van de gekruisigde vrouwelijke heilige, een voorstelling die hij zelf waarschijnlijk niet eens begreep.

    Het technisch onderzoek heeft op de zijpanelen de aanwezigheid van twee schenkers aangetoond. Omwille van hun kledij heeft men hen als Italianen beschouwd en de gekruisigde heilige werd geïnterpreteerd als de Italiaanse Sint-Julia. Anderen geloven echter dat het om Sint-Wilgefortis gaat. Wat de zijpanelen betreft, hebben recente studies gesuggereerd dat zij aangepast werden om een eenheid te vormen met het middenpaneel en dat zij een beetje ouder zijn dan dit middenpaneel.

    Limentani Virdis concentreert zich dan op de interpretatie van de heilige als Wilgefortis, een naam die volgens haar een noordelijke verbastering is van het Latijnse Virgo Fortis (sterke maagd). Deze naam kan gerelateerd worden aan de idee van de Mulier Virilis (mannelijke vrouw), een term die gebruikt werd voor vrouwelijke martelaren en heilige vrouwen die hun seksualiteit afwezen. Bosch’ vrouwelijke heilige, die een mannelijke baard heeft, is zulk een Mulier Virilis. Als we deze interpretatie aanvaarden, worden talrijke iconografische aspecten van deze triptiek minder obscuur. De triptiek bevat ook verbanden met het toneel en vooral met passiespelen. De man aan de voet van het kruis is niet flauwgevallen, maar is dood (in zijn onmiddellijke buurt bevindt zich een put). Limentani Virdis identificeert deze man als de verloofde van de heilige en als Christus, omdat in één versie van Wilgefortis-legende de heilige zich wil verloven met Christus en daarom laat haar vader haar dezelfde marteldood ondergaan als haar goddelijke uitverkorene. De hele voorstelling van de triptiek zou kunnen verwijzen naar een (niet bewaard) mysteriespel rond de legende van Wilgefortis.

    Het is ook mogelijk dat de Wilgefortis-legende het verhaal weerspiegelt van een andere als man vermomde vrouw, Pausin Johanna. Het thema van Wilgefortis werd verbonden met dat van de vrouwelijke paus en dit werd in pre-reformistische kringen aangewend om een religieuze polemiek te voeren: Bosch wilde een belangrijk eigentijds discussiepunt aankaarten en blijkbaar ging zijn interesse uit naar Christus.

    De argumenten in deze bijdrage zijn niet altijd overtuigend, op zijn zachtst gezegd.

    [explicit 29 juli 2012]

    29-07-2012 om 22:43 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    28-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.RHETORICA EROTICA: Falsche Bewegung
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Falsche Bewegung
    Bij de foto ‘Beach Pond, Connecticut’ van Arno Rafael Minkkinen, 1974

    Waarom zou ik naar Zweden of naar Spanje reizen
    als ik me ginder toch weer tegenkom als ik?
    Waarom op zoek gaan naar verborgen paradijzen
    als in mijn land ik over een paleis beschik?

    Ben ik soms meer meneer in New York of Parijs
    of Londen en beweeg ik beter in hun licht?
    Vind ik de ware leer als ik naar Mars verwijs
    en niet op vinden maar op zoeken ben gericht?

    Ik was een zoeker ooit maar nu ben ik een blijver.
    Ik zocht het antwoord op de vraag van mijn verdriet
    in de beweging met verkeerd bedoelde ijver
    maar vond de rust pas in beperking en limiet.

    Ik was een afstandszwemmer en werd dan een drijver.
    Wie reist is ongelukkig maar wie thuisblijft niet.

    28-07-2012 om 23:59 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    25-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.FILM: L'Avare (Jean Girault) (F, 1980)
    L’AVARE (Jean Girault) (Frankrijk, 1980)
    (117’)

    Deze Franse komedie naar het bekende werk van Molière met in de hoofdrol Louis de Funès als de vrekkige Harpagon, begint helaas al erg saai, met enkele langdradige gesprekken van de dochter van Harpagon met haar minnaar (Harpagons rentmeester) en met haar broer die eveneens verliefd is. Er zitten in dat begin ook al rare dingen, want in de kamer waar de gesprekken plaatsvinden, hangen aan de muur grote borden met daarop: L’Avare Molière Comédie. Men vraagt zich af waarom. De rest van de film is evenmin een meesterwerk, al doet De Funès zijn best om de meubelen te redden en kan er heel af en toe wel eens gelachen worden (Harpagon die zich verkleed heeft als pauw waarbij telkens hij zich bukt een pauwenstaart openplooit, Harpagon tijdens het proces op het einde), echter veel te weinig om goed te zijn.

    De plot draait rond het gegeven dat Harpagon wil trouwen met het liefje van zijn zoon en natuurlijk rond geld en nog eens geld. Op het einde vallen de dei ex machina als de onverwachte uitwerpselen van een overvliegende vogel uit de lucht en ook elders in het verhaal – Molière of niet – zijn er wat te veel haken en ogen om te kunnen bekoren. Met zo’n klaarblijkelijk gedateerde, toneelmatige plot was deze prent waarschijnlijk al op voorhand gedoemd om teleur te stellen, ondanks het feit dat De Funès hier à volonté zijn topische trucjes als hyperkinetische driftkikker nog eens kon bovenhalen. Het eindigt er overigens mee dat de dochter en de rentmeester (die plots van rijke Italiaanse komaf blijkt te zijn) en de zoon en zijn liefje toch kunnen trouwen.

    Quotering: **½ (20 juli 2012) (dvd – bib Brecht)

    25-07-2012 om 23:00 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    24-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.RHETORICA EROTICA: Laetitia Casta
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Laetitia Casta
    Bij een foto van Patrick Demarchelier, 1998

    Een kwestie van kalmerend evenwicht is dit,
    van welverdiende rust en weergaloos bedaren:
    een meisje dat bescheiden op haar billen zit
    maar zonder aanstootgevend of behaagziek staren.

    Zich tonend in een kader van beschaafd zwartwit.
    Geen strand, geen duin, geen golvend water te ontwaren.
    Slechts pure vorm die de ontspannen sfeer bezit
    van na een storm op zee een haven binnenvaren.

    Een naakt hoeft niet altijd met drift of wild vertoon
    gepaard te gaan en heeft het temperend vermogen
    om te weerstaan aan wulpse krolsheid en hormoon
    wanneer de liederlijke drang is weggevlogen.

    Bezadigd bloot bekijken is dan heel gewoon,
    want wat het oog bekoort, kan ook de geest verhogen.

    24-07-2012 om 23:20 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    22-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.RHETORICA EROTICA: Flemish-style portrait
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Flemish-style portrait
    Bij het digitale schilderij van Jeff Johnson, 2007

    Vergeet de tong, de tanden en de lippen niet:
    het zuigend zoenen en het sidderend beroeren,
    het met subtiel getintel naar extase voeren,
    het likken, draaien, bijten dat genoegen biedt.

    De mond die vele vreugdes schenkt, geneest verdriet:
    oraal gesmikkel dat verwent op volle toeren,
    beweeglijk floddert, zalft en judast met bravoure
    tot men in trance naar beneden kijkt en ziet.

    Hoe ongenadig zijn op zo’n moment de ogen!
    Een zinnelijke blik die onweerstaanbaar dwingt
    tot roes als kaak en wang genoeg hebben bewogen.

    Een tuitgrimas, een wenkbrauwfrons, een woord dat zingt:
    waarom toch zou wat kan en lekker is, niet mogen?
    De zaligheid die dan in lijf en leden dringt!

    22-07-2012 om 22:32 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    21-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.MIDDELNEDERLANDS: Die Gheestelike Brulocht (Ruusbroec) XIVb
    DIE CHIERHEIT DER GHEESTELIKER BRULOCHT (Jan van Ruusbroec) kort vóór 1343

    [Teksteditie: J.B. Poukens S.J. en L. Reypens S.J. (eds.), Jan van Ruusbroec. I. Het Rijcke der Ghelieven / II. De Gheestelike Brulocht. Jan van Ruusbroec: Werken naar het standaardhandschrift van Groenendaal uitgegeven door het Ruusbroec-genootschap te Antwerpen, deel I, Het Kompas-De Spieghel, Mechelen-Amsterdam, 1932, pp. 101-249 = Die Gheestelike Brulocht ed. 1932]

    [Andere teksteditie: Lod. Moereels S.J. (ed.), Jan van Ruusbroec. De Verhevenheid van de Geestelijke Bruiloft of De Innige Ontmoeting met Christus. Oorspronkelijke tekst met juxta-hertaling in modern Nederlands. Ruusbroec hertaald – deel 5, Lannoo, Tielt-Amsterdam, 1977 = Die Gheestelike Brulocht ed. 1977]

    Genre

    Een geestelijk, meer bepaald mystiek trakaat in Middelnederlands proza.

    Auteur

    De veertiende-eeuwse Brabantse mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381).

    Situering / datering

    De editie-1932 is gebaseerd op twee handschriften: handschrift A (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 19.295-19.297), een kopie die waarschijnlijk kort na Ruusbroecs dood (omstreeks 1381) in het Groenendaalklooster zelf ontstond, en handschrift F (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1165-1167), een kopie afkomstig uit Brussel (tweede helft vijftiende eeuw) [ed. 1932: XX]. Voor het op punt stellen van de tekst werd ook nog gebruik gemaakt van andere handschriften en van Latijnse vertalingen [zie hiervoor ed. 1932: XXXIX].

    Die Gheestelike Brulocht was Ruusbroecs tweede werk, waarschijnlijk ontstaan kort vóór 1350 [ed. 1932: XXXIX]. Volgens Warnar [2003: 86] schreef hij het toen hij nog verbonden was aan het kapittel van Sint-Goedele te Brussel, dus kort vóór 1343.

    Inhoud

    Ruusbroec presenteert heel de verhandeling als een commentaar op één enkele zin uit het Mattheusevangelie: ‘Ziet, de Bruidegom komt, gaat uit om Hem te ontmoeten’ (Mt. 25:6), een citaat uit Jezus’ parabel over de domme en de verstandige bruidsmeisjes. Aan dit citaat wordt de hele ontwikkeling van het geestelijk leven opgehangen, de menselijke groei naar een persoonlijke godsontmoeting. Ruusbroec onderscheidt in deze groei drie stadia of etappes, die klassiek zijn geworden in alle handboeken over spiritualiteit: het werkend leven, het innig leven en het godschouwend leven. Hij beschrijft eerst uitvoerig de morele groei van de mensenziel dankzij de inspanning van het werkend leven. De tweede etappe noemt hij het innig of godbegerend leven. Op dit niveau ontdekt de mens dat zijn eigen inspanning geenszins volstaat om God te vinden. Dan moet hij het roer in handen geven van de goddelijke stuurman, die voortaan zelf de koers wil bepalen. Ruusbroec toont nauwkeurig het verschil aan tussen het werkende en het godbegerend leven. In het eerste leven probeert de mens deugden te verzamelen, maar wie zich te exclusief wijdt aan deze werken van volmaaktheid, wordt slaaf van zijn streven naar werkheiligheid. Hij dreigt daarbij meer aandacht te besteden aan zijn dienst dan aan Hem die hij dient. In het godbegerend leven wordt de aandacht volledig geconcentreerd op Christus’ komst in de mensenziel. In het derde deel behandelt Ruusbroec het godschouwend leven van de volmaakte contemplatief. Hij was er zich goed van bewust dat slechts weinig mensen op aarde die hoge en intieme vereniging met het goddelijk mysterie kunnen bereiken. [Naar Verdeyen 1996: 26-27. Een uitgebreidere samenvatting in ed. 1977: 31-51.]

    Thematiek

    De mystieke opgang van de deugdzame mens naar de vereniging met God.

    Receptie

    ‘In het verleden zijn diverse groeperingen naar voren geschoven als het beoogd publiek van de Brulocht. De meeste voorkeur ging uit naar kloosterlingen omdat zij feitelijk als enigen Ruusbroecs hoge leer konden volgen, of anders vrome vrouwen omdat zij over het geheel genomen het voornaamste publiek van mystieke teksten in de volkstaal waren. Beide opvattingen lijken niet bestand tegen het idee dat Ruusbroec bij zijn werk aan de Brulocht rekening hield met een sociaal moeilijk af te bakenen groep gelovigen over wie we in algemene termen niet veel meer kunnen zeggen dan dat zij verenigd werden door een religieuze interesse’ [Warnar 2003: 133]. Primair betreft het hier in elk geval geestelijke literatuur in een stedelijke context. Nog vóór 1360 vertaalde de Groenendaler Willem Jordaens de tekst in het Latijn voor de monniken van abdij Ter Doest (die naar verluidt Ruusbroecs Brabants onvoldoende begrepen) en ook Geert Groote maakte een Latijnse vertaling. Zie voor een beknopt overzicht van de verdere verspreiding van Ruusbroecs werk onder meer Verdeyen 1996: 87-91.

    Profaan / religieus?

    Manifest stichtelijk-religieus.

    Persoonlijke aantekeningen

    Dit traktaat wordt tegenwoordig, welk boek of welke tekst men ook opslaat, algemeen beschouwd als Ruusbroecs meesterwerk. Volgens broeder Gheraert, een tijdgenoot die ooit met Ruusbroec zelf heeft gesproken, beschouwde deze laatste de Brulocht als de volmaakste uitdrukking van zijn leer [ed. 1932: XLI]. Alom wordt ook de structuur van de Brulocht geprezen (pater Van Mierlo vergeleek het met een kathedraal), maar wij vinden het – afgezien zien dan van die indeling in drie grote fases – een regelrecht van de hak op de tak springend ratjetoe waarin een kat haar jongen niet kan terugvinden. Ruusbroec schrijft: Ende hieromme beghere ic van yeghewelcken mensce die des niet en versteet noch en ghevoelt in die ghebrukelijcke eenicheit sijns gheests, dat hij onghearghet blive, ende laet sijn dat es (daarom dan ook verlang ik van ieder mens, die dit alles niet verstaat noch gevoelt in de genietende eenheid van zijn geest, dat hij hierover niet geërgerd wordt en dat hij de zaken laat zijn wat zij zijn) [ed. 1932: 240, ed. 1977: 355]. Dit slaat dan wel alleen op het derde deel van het traktaat dat het mystieke hoogtepunt behandelt, maar wat ons persoonlijk betreft mag deze zin gelden voor de hele tekst. Bladzijden- en bladzijdenlang weten wij niet of nauwelijks waar de zalige Jan het precies over heeft, voortdurend stoten wij op zinnen of woorden die wij niet begrijpen. In het zonet gegeven citaat begrijpen wij bijvoorbeeld ‘in de genietende eenheid van zijn geest’ niet. Onnodig te zeggen dat het lezen van zulk een aaneenschakeling van wolligheden een zeer vermoeiende bezigheid is. Wij zouden onszelf dan ook in geen geval een Ruusbroec-kenner willen noemen (we zullen dat helaas nooit worden), maar een Bosch-kenner, dat mag zonder valse bescheidenheid misschien toch. En dit weten we dan wel zeker: de wereld van Jeroen Bosch heeft in de verste verte niets te maken met deze mystiekerige woordenbrij over het één worden met God.

    Een stuk toegankelijker vinden wij Ruusbroec overigens op de bladzijden waar hij aan het schelden slaat tegen ketterse personen die volgens hem het goddelijke mysterie op een verkeerde wijze beleven en benaderen [ed. 1932: 228-237 , ed. 1977: 326-349]. Men heeft hierin een aanval willen zien tegen de Brusselse Heilwig Bloemaerts (Bloemardinne), tegen Hadewijch en tegen de begijnenmystiek als dusdanig [vergelijk onder meer Warnar 2003: 69-80], maar wat Ruusbroec schrijft, blijft zo algemeen en vaag, dat dit volgens ons grotendeels, indien al niet volledig, op hypothese berust.

    We kunnen ook niet nalaten hier nog even terug te komen op de vraag waar Ruusbroec zijn mosterd vandaan haalde, met andere woorden: werd hij inderdaad geïnspireerd door de Heilige Geest en had hij contact met het Hogere? Iedereen moet Ruusbroec zelf maar lezen om hierop te kunnen antwoorden, maar wij denken er het volgende van. In het geval van Hadewijch vonden wij al dat haar visioenen veel te geconstrueerd en overdacht waren voor iemand die effectief een eenwording met God zou hebben ervaren en bij Ruusbroec geldt dat nog eens in het kwadraat. ‘Na de begeesterde vrouwen die hun gevoelens de vrije loop lieten, kwamen de clerici met hun geleerde beschouwingen’, en ‘na de extase volgde de (theologische) analyse’, noteert Warnar [2003: 80/95] in verband met de mystiek in de dertiende en veertiende eeuw. Als de H. Geest al bestaat, kunnen wij ons niet voorstellen dat hij zich zou verliezen in ‘geleerde beschouwingen’ of ‘theologische analyse’. Er is echter meer aan de hand.

    Warnar [2003: 84] merkt op: ‘(Ruusbroec) was voldoende vertrouwd met theologische termen om bij te dragen aan een scholastieke schaduwtaal in het Middelnederlands, maar tegelijkertijd toonde hij zich afkerig van wijsgerige doordrijvers die “al te scherpzinnig” (herde subtijl) hun woorden kiezen en behendig zijn in het beredeneren van hoge zaken. Zij raken door hun hersenspinsels verstrikt in geestelijke hoogmoed’. En ook [Warnar 2003: 87-88]: ‘Als kapelaan behoorde hij tot de intellectuele middenklasse van clerici aan wie de bloei van de Middelnederlandse letterkunde destijds te danken was: kapelaans, kanunniken, juristen, ambtenaren, schoolmeesters en kloostergeleerden. Dit gevarieerd gezelschap van geletterden was door ambt en opleiding goed bekend met de toen voornamelijk Latijnse geleerdencultuur; tegelijkertijd bleven zij vanwege hun werkzaamheden in hofkanselarij, stadsecretarie, kapittel of kapel in contact met de lekenwereld en de volkstaal. Vanuit deze tussenpositie hadden zij een groot aandeel in de migratie van wetenschappelijke kennis naar milieus buiten de universiteiten’.

    Zou het dan niet eerder zo zijn dat Ruusbroec zijn mosterd haalde bij die Latijnse geleerdencultuur en daar een halfslachtige, wollige versie van maakte in de volkstaal? De volgende passage uit Warnar [2003: 99, vergelijk ook p. 100] zet in dit verband aan het denken: ‘Al vrij lang wordt aangenomen dat Ruusbroecs fundamentele driedeling in werkend, begerend en godschouwend leven geïnspireerd is op De triplici via (Over de drievoudige weg naar volmaaktheid)’. Niks geen H. Geest dus, wel een Latijnse tekst van Bonaventura! Noteren we overigens dat Ruusbroec, net zomin als Hadewijch, ondanks het geaffirmeerde contact met het Goddelijke, nergens de ontsluiering van een of ander groot kosmisch geheim of ook maar om het even welke wereldschokkende mededeling in de aanbieding heeft. Volgens Warnar [2003: 114] gebruiken mystieke schrijvers ‘een taal vol tegenstellingen en paradoxen die doelbewust de betekenis van de woorden uitholt – niet om het raadsel van het godsbegrip te vergroten, maar omdat het Opperwezen zich in Zijn essentie onttrekt aan alle vormen van begrip’. Wij zouden zeggen: dat laatste is inderdaad waar als het om gewone mensen gaat, maar net niét als het gaat om personen die door de H. Geest geïnspireerd heten te zijn. Alsof de H. Geest zou afkomen met een halfslachtige, als een wankele kathedraal opgebouwde doctoraatsthesis!

    Ruusbroec was niet universitair gevormd zoals sommige van zijn medebroeders en toch werd hij de centrale figuur van Groenendaal, volgens zijn tijdgenoten omdat de H. Geest hem inspireerde, en in tegenstelling tot andere mystici kende Ruusbroec in zijn omgeving geen tegenkanting. Zo lezen we bij Paul Verdeyen [1996: 41-42]. Tegenkanting misschien niet, maar onbegrip misschien wel? Zoals hierboven reeds vermeld, maakte meester Willem Jordaens voor de cisterciënsers van abdij Ter Doest een Latijnse vertaling van de Brulocht. Jordaens is het in een bewaard gebleven, begeleidende brief duidelijk niet helemaal eens met het enthousiasme van die monniken voor Ruusbroec. Uit de brief blijkt onder meer dat de monniken om een vertaling hadden gevraagd, omdat volgens hen de verschillen tussen hun Vlaams en het Brabants van Ruusbroec te groot waren, en daarom hadden zij de volle smaak van het werk niet kunnen vatten [Verdeyen 1996: 64-65]. Zou hier sprake zijn van veertiende-eeuws intellectueel snobisme? Met andere woorden: begrepen de paters in werkelijkheid (net als wij) ook maar nauwelijks waar Ruusbroec het over had, en staken zij het dan maar op diens gebruik van een ander dialect? Een al even merkwaardig snobisme vinden we naar onze persoonlijke mening ook terug bij broeder Gheraert, een kartuizer uit het Brusselse die een verzamelhandschrift afschreef van Ruusbroecs werken. Deze codex ging verloren, maar de proloog ervan bleef elders bewaard. Daarin geeft de broeder eerlijk toe: al staan er in deze boeken veel woorden en zinnen die mijn verstand te boven gaan, toch denk ik dat die boeken goed moeten zijn [Verdeyen 1996: 66]. Hij begreep ze maar half, maar hij was toch enthousiast! Merkwaardig snobisme. Tegenkanting ondervond Ruusbroec overigens wel degelijk, maar dat was pas later. Geert Grote bijvoorbeeld had – naast bewondering – ook kritiek op Ruusbroec [Verdeyen 1996: 75-76]. En op het einde van de veertiende eeuw had de Franse geleerde Jean Gerson zware kritiek op de Brulocht, maar dan alleen op het derde en laatste deel [Verdeyen 1996: 92].
       
    Om te eindigen nog enkele kanttekeningen rond de moderne Ruusbroec-receptie. Theo Mertens [1994: 227-228] signaleerde dat Ruusbroec tegenwoordig vertaald wordt in het Amerikaans Engels, het Duits en het Frans en dat er (anno 1994) plannen waren voor vertalingen in het Catalaans, Japans, Fins en Hongaars. Hij voegt er echter aan toe dat dit meer ten gevolge van een cognitieve interesse in Ruusbroecs religieuze leer is, dan van een literair-esthetische. Met andere woorden: men wil wel eens weten wàt Ruusbroec nu precies schreef, maar over hoé hij het schreef, is men niet zo enthousiast. Guido De Baere (net als Mertens lid van het Ruusbroecgenootschap overigens) [De Baere 1996: 84-85] stelde de vraag of Ruusbroec wereldliteratuur geschreven heeft. Qua verspreiding in de twintigste eeuw wel, antwoordt hij, maar wat literaire kwaliteit betreft is er wel wat kritiek geuit. De Baere zelf vindt dat het Ruusbroec-proza nog steeds ten zeerste aanslaat. Na al het bovenstaande kunnen wij het dus wel vergeten om ooit nog lid te worden van het Antwerpse Ruusbroecgenootschap (als we dat al zouden willen).

    Geraadpleegde literatuur

    - Theo Mertens, “The Modern Devotion and innovation in Middle Dutch literature”, in: Erik Kooper e.a., Medieval Dutch Literature in its European Context. Cambridge Studies in Medieval Literature – 21, Cambridge University Press, Cambridge, 1994, pp. 226-241.

    - Guido De Baere, “’Cristus een ghieregh slockard’ of de wansmaak van Ruusbroec”, in: Karel Porteman, Werner Verbeke en Frank Willaert (eds.), Tegendraads Genot. Opstellen over de kwaliteit van middeleeuwse teksten. Peeters, Leuven, 1996, pp. 83-92.
     
    - Paul Verdeyen, Jan van Ruusbroec. Mystiek licht uit de Middeleeuwen. Davidsfonds, Leuven, 1996 (tweede, volledig herwerkte druk), pp. 23-28.

    - Geert Warnar, Ruusbroec. Literatuur en mystiek in de veertiende eeuw. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2003, pp. 67-141.

    [explicit 20 juli 2012]

    21-07-2012 om 00:26 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    19-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.FILM: Monsieur Leguignon, lampiste (Maurice Labro) (F, 1952)
    MONSIEUR LEGUIGNON, LAMPISTE (Maurice Labro) (Frankrijk, 1952)
    (102’)

    Deze film wordt in een verzamelbox aangeboden samen met L’Avare en Faites Sauter La Banque en gepresenteerd als het debuut van Louis de Funès. De Funès speelt hier echter slechts een klein en onbelangrijk bijrolletje en bovendien is het zeker niét zijn filmdebuut. De hoofdrol is weggelegd voor Yves Deniaud die Diogène Leguignon speelt, een lampenist bij de Franse spoorwegen en een goedaardige maar naïeve simpele ziel. In het begin wordt Leguignon met zijn vrouw onteigend door de staat en zij krijgen een nieuw huis in een krottenwijk. Ook op andere manieren blijkt dat Leguignon voortdurend pech heeft: hij verliest de rechtszaak rond de onteigening, krijgt allerhande boetes en wordt gepest door de kinderen van de krottenwijk. Die kinderen hebben in het nieuwe huis van Leguignon een schat gevonden (waardevolle voorwerpen van de vorige eigenaar, een antiquair), maar dat niet verteld aan hun ouders. Die schat komt nu boven water en er ontstaat een rechtszaak over wie zich de eigenaar ervan mag noemen, rechtszaak die door Leguignon verloren wordt (de schat gaat naar de ouders van de kinderen en naar de staat).

    De jonge advocaat van Leguignon komt echter met het plan om de schat te verkopen en met de opbrengst een modern flatgebouw voor de krotbewoners te bouwen. Leguignon is nu plots de held van de wijk, want dankzij zijn goede relatie met een oude generaal (een strijdmakker uit 1914-18) kan voor de ontbrekende miljoenen een lening aangegaan worden bij een of andere maatschappij voor sociale voorzieningen die geleid wordt door een malafide zakenman (de generaal is er erevoorzitter van). Die maatschappij gaat echter snel failliet en kan alleen gered worden als de krotbewoners de grond die ze bezitten laten hypothekeren. Leguignon wordt de nieuwe voorzitter van de maatschappij. Het geld dat binnenkomt, dient echter om de schulden van de malafide zakenman te dempen, er is al snel geen geld meer en Leguignon komt als zwendelaar alweer in een proces terecht. Door de gunstige getuigenissen van de schuldbewuste generaal en van een ander slachtoffer van de echte zwendelaar (dat door Leguignon geholpen werd) wordt Leguignon vrijgelaten, en omdat het proces door de radio werd uitgezonden, is Leguignon opnieuw de menslievende held en komt iedereen vanalles aandragen om het flatgebouw verder af te bouwen.

    Een redelijk ingewikkeld verhaal is dit, dat met haken en ogen aan elkaar hangt en vol ongeloofwaardigheden steekt. Dat bijvoorbeeld een rijke antiquair ooit in zo’n krotwoning zou gewoond hebben. Of dat de arme Leguignon zich een advocaat zou kunnen veroorloven, bovendien een advocaat die voortdurend met hem optrekt. Of dat Leguignon zijn degelijke burgerwoning zou moeten ruilen voor een houten krot. Er zit wel danig wat linkse maatschappijkritiek in deze film, die dan ook zeker geen komedie is, met wat goede wil misschien een tragikomedie. De staat, de rechtspraak, de politie, corrupte ambtenaren: allemaal krijgen zij er van langs, en toch komen de arme arbeiders met hun vaak hypocriet en labiel gedrag er ook niet zo goed uit. Alleen Diogène Leguignon is de brave sloeber, die heel de film door op haast genante wijze tegenslagen kent, maar uiteindelijk toch op zijn pootjes terechtkomt. Zou de regisseur misschien een verbitterde communist geweest zijn? Dit is in elk geval een merkwaardige, maar narratologisch nogal zwakke prent en dat dit aangeboden wordt als een Louis de Funès-film (hij is één van de krotbewoners) is natuurlijk al te gek.

    Quotering: **½ (18 juli 2012) (dvd – bib Brecht)

    19-07-2012 om 21:22 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.RHETORICA EROTICA: Vrouw met fruitmand
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Vrouw met fruitmand
    Bij het doek van Christiaen van Couwenbergh, 1642,
    Göttingen, Gemäldesammlung der Universität


    Toon ons de rijpheid van je succulente tieten,
    voluptueuze dame, en laat ons genieten.
    Wees blij dat je behoort tot de bezitsters van
    zo’n picturaal geschapen en verheven span.

    Verberg je trots gedragen volle fruitmand niet en
    buig liever nog wat meer voorover als het kan.
    Want weelderige vrouwen zijn de favorieten
    van de op visueel genot gerichte man.

    Beweeg en draai je vruchtbaar lichaam met elan,
    o rondgeborste, weldoorvoede boomgaardgriet en
    stook ons wellustig met je lactische merites.

    Draag diepgesneden decolletés en schud die dan
    maar weet: je maakt van ons je allergrootste fan
    als wij je uberteit met drift mogen begieten.

    17-07-2012 om 22:55 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.FILM: Faites Sauter La Banque (Jean Girault) (F, 1964)
    FAITES SAUTER LA BANQUE (Jean Girault) (Frankrijk, 1964)
    (88’)

    Zwartwitfilm, gebaseerd op een toneelstuk van Louis Sapin. Louis de Funès speelt deze keer Victor Garnier, eigenaar van een winkel met jachtartikelen, gehuwd, twee dochters en een zoon. In het begin vertrouwt Victor zijn spaarcentjes toe aan de bank aan de overkant van de straat, maar ten gevolge van een slecht beursadvies van de bankdirecteur gaan al die centjes verloren. Het gezin Garnier vat dan het waanzinnige plan op om vanuit hun kelder een tunnel onder de straat te graven naar de kluis aan de overkant. Na heel wat verwikkelingen en tegenslagen, die echter toch allemaal goed aflopen, kunnen ze effectief in de bankkluis doordringen, maar ze worden betrapt door de bankdirecteur. Als echter blijkt dat diens goudstaven van lood zijn, wordt het op een akkoordje gegooid: de bankdirecteur zal de huwelijksreis betalen van Garniers oudste dochter en van de jonge bankbediende die heel de film achter die dochter heeft aangelopen.

    Een totaal ongeloofwaardige plot, maar het is om te lachen natuurlijk. Er zitten inderdaad enkele grappige momenten in deze film, maar te weinig om goed te zijn. De Funès vertoont hier al heel wat van zijn bekende tics, maar het verhaal is wat te sloom en te vergezocht om van begin tot einde te boeien.

    Quotering: **½ (16 juli 2012) (dvd – bib Brecht)

    17-07-2012 om 21:45 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.RHETORICA EROTICA: Volition (2)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Volition (2)
    Bij een detail van een schilderij van Erik Thor Sandberg, 2011, verblijfplaats onbekend

    Beschermd door bomen en verhullend struikgewas
    is er geen reden meer om schuchter te verzwijgen
    wat tot voor kort nog niet aan het ontluiken was
    en nu bestaan, zelfs vaste vorm begint te krijgen:

    de vrees voor een beperkte pijn van buik vol glas,
    voor dictatuur van vlies en slijm die hangt te dreigen,
    maar sterker nog de wil, de drang om (kop in kas)
    naar de mystiek van man en lust en kind te neigen.

    Voorlopig woekert slechts de eigen fantasie
    en kronkelt haar verlangen onbeschaamd naar buiten
    in een visioen van houdingen en standjes die
    verwilderd en verward tegen elkander stuiten.

    De hoofdrol speelt zij zelf nog in dit flierefluiten
    doch weldra dolt en flirt zij met een man of drie.

    17-07-2012 om 21:44 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    16-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.FILM: Mannen maken plannen (Marc Didden) (B, 1993)
    MANNEN MAKEN PLANNEN (Marc Didden) (België, 1993)
    (75’)

    François Beukelaers en Gene Bervoets spelen Marcel en Jim, een verkoper van moderne meubelen en een schilder, die allebei een midlifecrisis doormaken. Ze hebben allebei een veel jonger vriendinnetje (zonder enthousiasme van beide kanten overigens, Marcel lijkt trouwens beter overeen te komen met zijn dochter) en zij trekken uiteindelijk naar een oude vriend in Portugal om een middel te zoeken dat de wereld kan verbeteren. Zonder succes natuurlijk.

    Een verschrikkelijke snertfilm is dit, met een ronduit belabberd scenario (van Didden zelf) dat als los zand aan elkaar hangt en waar niemand wat aan heeft. Er wordt bovendien opvallend slecht geacteerd, vooral door de dames (Els Helewaut, Eva Maes en Caroline Rottier). Niet voor niets zit dit stukje onbenul onopvallend als extraatje bij de dvd van Sailors don’t cry. Mannen maken plannen was in 1993 ook niet voor niets Diddens laatste film. Nochtans is hij tegenwoordig volgens Wikipedia bezig aan zijn vijfde film.

    Quotering: * (15 juli 2012) (dvd – bib Brecht)

    16-07-2012 om 20:00 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    15-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.FILM: The Remains of the Day (James Ivory) (USA, 1993)
    THE REMAINS OF THE DAY (James Ivory) (USA, 1993)

    Thematisch gezien bevat deze film twee rode draden. Enerzijds (op de voorgrond) is er de verhouding van Lord Darlingtons hoofdbutler, Mr. Stevens, tot de eerstaanwezende meid Miss Sarah Kenton. Hoewel Stevens een stijve houten Klaas is, uitwendig vriendelijk-correct maar nooit zijn gevoelens tonend (nochtans hecht hij belang aan morele normen en is hij uiteindelijk wel okay), wordt Miss Kenton verliefd op hem. Omdat Stevens niet op haar avances wil aangaan, trekt zij uiteindelijk weg om te huwen met een andere hoofdbutler, Mr. Benn. Anderzijds (op de achtergrond) zien we hoe Lord Darlington en zijn kasteel een belangrijke rol spelen bij de internationale politiek vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Lord Darlington, in wezen nochtans evenmin een slechterik, laat zich daarbij al te gemakkelijk door de Duitse diplomaten inpakken.

    Dit alles speelt zich af enkele jaren voor de Tweede Wereldoorlog en wordt getoond in een lange flashback, ingebed tussen het begin en het einde van de film, spelend in 1958. Stevens trekt na al die jaren naar Miss Kenton, ondertussen Mrs. Benn maar haar huwelijk is mislukt, om haar opnieuw te engageren en ook om eindelijk toenadering tot haar te zoeken. Omdat Kentons dochter net zwanger is, komt zij echter niet terug naar Stevens en het kasteel, dat ondertussen gekocht is door een rijke Amerikaan. Tussen de bedrijven door vernemen we dat Lord Darlington na de oorlog door de pers gezien werd als een collaborateur en het proces dat hij naar aanleiding daarvan aanspande, verloor. Op het einde van zijn leven had de Lord naar verluidt wel spijt van zijn verkeerde inschatting van de Duitsers.

    In de beide rode draden gaat het telkens om een foute keuze, de ene keer op het emotionele, de andere keer op het politieke vlak, die het gevolg is van het niet tonen van zijn gevoelens en het niet uitkomen voor zijn mening. Dat Mr. Stevens last heeft met het uiten van zijn gevoelens en mening, is doorheen de film zeer duidelijk maar wordt door bepaalde details nog eens extra in de verf gezet. Wanneer de vader van Stevens, die ook werkt op het kasteel, eerst als butler, dan als knecht, ineengezakt is boven zijn karretje met bezems, moet de zoon de vingers van de vader één voor één lospeuteren: dààr komt Stevens dus vandaan, het niet tonen van gevoelens is hem met de paplepel ingegeven. Zie ook de scène wanneer de vader lelijk struikelt en zich blijft excuseren tegenover Lord Darlington. Wanneer Lord Darlington de twee joodse dienstmeisjes wegstuurt, zegt Miss Kenton dat zij dan ook wil weggaan, maar ze doet het niet: later bekent ze tegenover Stevens dat ze laf is en zich schaamt, maar zij krijgt daarbij van Stevens slechts zeer moeizaam waardering.

    Miss Kenton betrapt Stevens een keer op het lezen van een boek en hij wil niet laten zien welk boek het is. Kenton denkt dat het iets pikants is, maar het blijkt een onnozel liefdesromannetje te zijn en Stevens zegt dat hij het leest om Engels bij te leren. Op een bepaald moment moet Stevens het (volwassen) petekind van Lord Darlington seksuele voorlichting geven: Stevens stamelt wat over de lente en de bijen. Zeer functioneel is dat dit petekind Stevens later moet voorlichten omtrent de verkeerde visie van Lord Darlington over de Duitsers (waarbij Stevens uiteindelijk zegt moe te zijn en weggaat). Wanneer Miss Kenton zit te wenen op haar kamer nadat zij ‘ja’ heeft gezegd tegen Mr. Benn, gaat Stevens haar kamer binnen (met een fles wijn!), niet om haar te troosten of om haar op zijn beurt ten huwelijk te vragen, maar om te zeggen dat de meid nog ergens stof heeft laten liggen. Op het einde van de film, op weg naar Mrs. Benn, heeft Stevens autopech en wordt hij geholpen door een dokter, die als hij verneemt dat Stevens de butler was van Lord Darlington vraagt: maar wat was uw standpunt in die hele zaak? Geen antwoord. Vergelijk ook de scène waarin één van de gasten Stevens vraagt naar zijn mening omtrent enkele politieke hete hangijzers: Stevens zegt telkens dat hij daarop geen antwoord kan geven.

    Ook het gebrek aan karakter en het onvoldoende uitkomen voor een mening van Lord Darlington worden doorheen de film duidelijk gemaakt. Hij is in wezen geen slechte man (hij keurt de vossenjacht af, hij wil de weggestuurde joodse meisjes later toch helpen, zie ook de korte speech die hij houdt tijdens de conferentie), maar laat zich naïefweg in de doeken doen door de Duitsers en neemt (in tegenstelling tot zijn petekind Cardinal) te weinig een eigen standpunt in (zie het wegsturen van de joodse meisjes, omdat hij aan de ‘context’ moet denken). Een mooi detail is overigens ook dat Darlington, wanneer de twee meisjes (vluchtelingen uit Duitsland) aankomen, per se zijn Duits wil oefenen, terwijl de meisjes blijven antwoorden in het Engels. Darlington voelt niet aan waarom.

    De film eindigt ermee dat Stevens en zijn nieuwe Amerikaanse baas staan te praten in een kamer en er vliegt een duif binnen door de schoorsteen: even later kunnen ze de duif via het raam weer laten vliegen. Die duif: waarschijnlijk een symbool van de liefde, de vrede, de warme gevoelens die noch van Stevens, noch van Lord Darlington een kans krijgen (binnen en weer buiten). De titel van de film, De Rest van de Dag, betekent vermoedelijk dat men altijd nog een tweede kans krijgt, een kans om zijn fouten te herstellen (wat Stevens met zijn tocht naar Mrs. Benn ook tracht te doen: het is echter te laat). De titel wordt nergens in de film letterlijk vermeld, maar op het einde zegt Mrs. Benn wel terloops dat sommige mensen de avond het mooiste moment van de dag vinden. Wellicht jammer dat die dochter net zwanger was, anders had de levensavond van Stevens en Kenton toch nog mooi kunnen worden …

    De boodschap die deze film uitdraagt, komt dus neer op: onderdruk je gevoelens en je meningen niet, want dat loopt vaak verkeerd af en je mist levensgrote kansen. Anthony Hopkins (als Mr. Stevens) en Emma Thompson (als Miss Kenton) leveren een uitstekende acteerprestatie en de film is intelligent opgebouwd en vakkundig in beeld gebracht. Nochtans ontbeert het verhaal, gebaseerd op een roman van Kazuo Ishiguro, een beetje schwung en komt het geheel, net als de hoofdpersoon, een beetje koud en oppervlakkig over. Zeker geen slechte film, maar ook niet iets om drie keer opnieuw te bekijken.

    Quotering: ***½ (2de visie: 13 juli 2012) (TV – VTM)

    15-07-2012 om 23:12 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.TOPOI: CONTRA NATURAM
    CONTRA NATURAM

    Wanneer in Middelnederlandse teksten sprake is van de ‘tegennatuurlijke zonde’ (die sonde jegen natueren, in het Latijn: peccatum/vitium contra naturam), dan is het vaak niet duidelijk wat hiermee precies bedoeld wordt. In dat verband wordt ook gesproken van peccatum mutum of ‘stomme zonde’, dat wil zeggen: de zonde waarover weinig of niets gezegd mag worden. Wat logischerwijze mede de vaagheid verklaart die rondom het onderwerp hangt.

    *** de wandaad van de benjamieten ***

    In het bijbelboek Rechters (hoofdstukken 19-21) lezen we het verhaal van een anonieme man uit het geslacht van Levi wiens uit Bethlehem afkomstige vrouw hem verlaat, waarop de man haar, met succes, weer gaat ophalen in Bethlehem. Tijdens de terugreis zoeken ze onderdak voor de nacht in de stad Giba (Gabaa) waar joden uit het geslacht van Benjamin wonen, maar niemand wil hen helpen behalve een oude man, die zelf een vreemdeling is in de stad. Tijdens het avondmaal komen de mannen van de stad, naar verluidt echte ‘duivelskinderen’, de anonieme leviet opeisen om, aldus de Petrus Canisius-vertaling, ‘gemeenschap met hem te houden’. De oude man smeekt de mannen van Giba om ‘dat kwaad’ en ‘zoiets schandelijks’ (Rechters 19:23) niet te doen, en biedt zijn eigen maagdelijke dochter en de vrouw van de leviet aan, zodat de mannen van Giba met hén hun wil kunnen doen, maar die mannen hebben daar geen oren naar.

    In de Noordnederlandse historiebijbel (1458) [ed. 1998: 469] heeft de oude gastheer het in verband met het opeisen van de anonieme leviet over die lelike sonde en die sonde jegen natueren. In dit geval is het duidelijk dat het om mannelijke homofilie gaat. Jacob van Maerlant heeft het in zijn Rijmbijbel (1271) naar aanleiding van dezelfde passage over: Dat was sonde jeghen nature [Rijmbijbel I ed. 1858: 373 (hoofdstuk 166, vers 8343)].

    Het bijbelverhaal vertelt dan verder hoe, wanneer de mannen van Giba niet weggaan, de anonieme leviet zijn vrouw aan hen overlevert, waarna zij haar heel de nacht verkrachten, totdat zij ’s morgens sterft (Rechters 19:25-28). Het gevolg van deze wandaad is dat het geslacht van Benjamin, één van de twaalf joodse stammen, door de andere geslachten van Israël tot op 600 man na uitgeroeid wordt (Rechters 20-21). In verband met de groepsverkrachting noteert de Noordnederlandse historiebijbel [ed. 1998: 470]: Si waren alle die nacht ongewoentelic daermede. De Latijnse Vulgaat-versie heeft hier: Quacum tota nocte abusi essent (en de hele nacht misbruikten ze haar). In de versie van Rechters 20 uit de Noordnederlandse historiebijbel verwijst de anonieme leviet tijdens het latere proces als volgt naar de wandaad: Ende si wouden mi verslaen ende mijn wijf uut wreetheit onnatuerliken besigen ende misbruken. Bovendien is er sprake van alsulke ongeoerlofde sonde en tweemaal van die grote lelike sonde. Maerlant formuleert de passage met de groepsverkrachting zo: Doe leedden si daer uter dure / des ghasts wijf daer si mede daden / haren wille sonder ghenaden / ende niet als men ter redenen pliet / maer dattie nature weder biet [Rijmbijbel I ed. 1858: 373 (hoofdstuk 166, verzen 8344-8348)]. De Petrus Canisius-vertaling heeft het in deze context enkel in algemene termen over ‘gemeenschap met haar hebben’, ‘hun lusten koelen’, ‘verkrachten’ en ‘een afschuwelijke misdaad’. Of het misbruiken van de vrouw louter slaat op het feit van de groepsverkrachting, of dat er bovendien sprake is van anaal verkeer of nog andere dingen, blijft op die manier onduidelijk.

    *** Lot en de twee engelen in Sodoma ***

    Iets gelijkaardigs als de oude gastheer uit Rechters, overkwam ook Lot toen hij in de verdorven stad Sodoma het bezoek kreeg van twee engelen. Ook de inwoners van Sodoma eisen de twee ‘mannen’ op om met hen hun wil te doen en Lot biedt hen zijn twee maagdelijke dochters aan (Genesis 19: 4-8). In Maerlants Rijmbijbel luidt deze passage over de ‘Sodomiten’ als volgt: Tote Lotthe so seiden si dan: / Brinct ons hare voort die man; / later ons mede doen onsen wille. / Loth sprac te hem: Swighet stille / doet minen ghasten niet te leede / ende neemt mine dochtren beede / die maghet sijn ende ombesmet / ende doeter uwen wille met [Rijmbijbel I ed. 1858: 85 (hoofdstuk 41, verzen 1871-1878)].

    In het allegorisch-moraliserende prozatraktaat Dat Kaetspel ghemoralizeert (1431) wordt wat de ‘sodomiten’ met de twee ‘mannen’ willen doen, zonde boven natuere genoemd: Inden bibel int bouc van Genesis staet dat Loth ontfync twee gasten in syn huus ende waren twee inghelen inde ghelikenesse van twee mans. Ende als de sodomiten de twee gasten wisten int huus van Loth, waenden dat twee ionghelynghen gheweest hadden ende wildense hebben omme daer mede te doene zonde boven natuere. Ende Loth dat ziende, presenteerde hem lieden zine twee dochteren die maechden waren, omme haren wille daer mede te doene [Dat Kaetspel ed. 1915: 99 (regels 18-25)]. Met ‘zonde boven natuere’ wordt hier dus duidelijk weer mannelijke homoseksualiteit bedoeld.

    Men zou hieruit kunnen afleiden dat met de term ‘sodomie’ in middeleeuwse teksten steeds mannelijke homoseksualiteit bedoeld wordt. Dat is echter niet zo, want in Het Boek van Sidrac (circa 1320) wordt sodometrie, waarover meegedeeld wordt dat het een ergere zonde is dan moord of diefstal en dat God deze zondaars verschrikkelijk zal pijnigen in de hel, als volgt gedefinieerd: Dat es sodometrie, dat sijn die ghene die liggen met wiven in anderen manieren dan sy souden [Sidrac ed. 1937: 129 (regels 13-15)]. Welke manieren dat dan wel zijn, wordt echter niet uitgelegd. Men kan veronderstellen dat anaal verkeer hier één van de mogelijkheden is, maar wat precies bedoeld wordt, blijft in hoge mate onduidelijk.
     
    Hieronder geven wij een systematisch-chronologisch overzicht van tekstpassages die meestal even onduidelijk zijn, maar soms toch wat meer in detail gaan.

    *** de ‘zonde tegen de natuur’ in andere teksten ***

    Rijmbijbel I ed. 1858 (1271)
    - 239 (hoofdstuk 114, verzen 5373-5375). Een berijmde historiebijbel. In de bewerking van het bijbelboek Leviticus, de geboden die God de joden gaf: Ooc verbood hi stomme sonden. / Ware die man met mannen vonden / Of met beesten, men sloghene doot. Duidelijk mannelijke homofilie en bestialiteit.
     
    Nieuwe Doctrinael ed. 1915 (XIV)
    - 237-238 (verzen 1167-1189). Een zondenspiegel. De onkuisheid heeft zes ‘graden’: Die vierde graet es aldus bediet: / Peccatum contra naturam. / Om dese sonde es God gram, / Want daer omme versanc Zodoma, / Adama, Gomorra ende Vala, / Die soe groot waren, dat elke stat / Enen coninc hadde diese besat. / Dats als man ende wijf / Andersins deilen haer lijf, / Tsi elc met andren of allene, / Of met beesten sijn ghemene. / Dats dootsonde boven al / Ende der zielen den swaersten val / Ende scamenisse elker creaturen; / Ja, die duvel ende sine naturen / Scamens hem en willens niet sien. / Dits die ene sonde van drien, / Daer God selden ghenaden af doet; / Dander es wanhope, die en was nie goet; / Die derde onghelove of heresye; / Want soude men beteren dese drie, / En weet ic hulpe, troest noch raet, / Ja diere met willen in volstaet. Blijkbaar wordt hier dus onder de tegennatuurlijke zonde onder meer masturbatie, bestialiteit en seks tussen man en vrouw op ongewone wijze verstaan. Dit laatste blijft echter onduidelijk.

    Die Spiegel der Sonden I ed. 1900 (XIV)
    - 11-12 (deel II, hoofdstukken 9-10, verzen 839-902). Een berijmde zondenspiegel. In hoofdstukje 9 wordt gesteld dat ‘luxurie’ (onkuisheid) vijf dochters heeft. Over de vijfde dochter het volgende: Die vijfte, onkuussche misdaet, / die teghen der naturen gaet, / dat mans of wijfs te gader driven. Aan deze dochter wordt vervolgens een apart hoofdstukje (10) gewijd, met als titel: Buggernye is eene vule sonde, walgelic vor Gode, vor enghelen ende vor menschen. In de verzen 855-856 wordt deze ‘buggernye’ ook sonde boven der naturen genoemd. God heeft in de bijbel deze zonde drie keer bestraft: zij was ten eerste de oorzaak van de Zondvloed, ten tweede leidde zij tot de vernietiging van vijf steden die gelegen waren waar nu de Dode Zee is, en ten derde werd Cornan (lees: Onan) door God gestraft omdat hij zine onreynicheit in die eerde deed. De zwaarheid van deze zonde bleek toen Lot liever zijn twee dochters opofferde dan deze zonde te laten begaan. De auteur zegt ten slotte dat hij over deze zonde veel beschreven heeft gevonden, maar hij wil het niet meedelen. Des en wert niet meer van my bediet (verder wil ik hierover niets meer zeggen, vers 902). Blijkbaar gaat het in deze passage dus vooral over mannelijke homoseksualiteit, maar gezien vers 849 (dat mans of wijfs te gader driven) betreft het hier ook vrouwelijke homoseksualiteit. Via Onan wordt eveneens coïtus interruptus gesuggereerd.
    - 187 (deel VII, hoofdstuk 19, verzen 14.499-14.502). Er zijn vier zonden die tot God roepen om wraak: de eerste is weduwen en wezen versmaden, de derde is de arbeiders niet geven waar ze recht op hebben, de vierde is manslacht en de tweede is: Die ander quaetheit na der scrifture / is oncuuscheit theghen nature. / Daer af is ghenoech geseit / ter speciën der onsuverheit. Er wordt dus gewoon verwezen naar hoofdstukje 10 uit deel II.

    Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)
    - 179 (Winterstuc, hoofdstuk 25, regels 244-247). Een theologisch compendium. Over de dochters van de onkuisheid: Die achte is illicita concupiscencia, dat hiet ongheoorlofde lust, als dat hi niet alleen onmaticheit en soect an sinen trouden wive, mer an overspel, an ioncfrouwen, an ghewyede nonnen, an sonden ieghen der naturen. Dit laatste zonder verdere uitleg, dus onduidelijk.
    - 195 (Winterstuc, hoofdstuk 29, regels 9-12). Over zonden die slechts door een bisschop kunnen worden kwijtgescholden: Voort een man, die mit sijnre nyften (= nichten), of mit eenre nonnen, of teghen der naturen misdede, datmen hiet stomme sonden, om-dat mense niet noemen en moet. Wat met deze zonde bedoeld wordt, blijft onduidelijk.
    - 225-226 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 524-553). Naar aanleiding van het zesde gebod (geen overspel plegen) dat drie aspecten heeft. Het derde is: Die derde clausel ende verstaen des gebots is: du en selte ghien onnatuerlicheit doen mit dinen lichaem. Ende dat om drierleye wil. Die eerste is, want die sonden iegen der naturen sijn so recht vervaerlic ende onmenschelic, datsi overmits onsprekeliker lelicheit stomme sonden hieten, dat is: datsi ghien naem en hebben. Want sinte Augustijn seit: diese opten meyedach noemde int velt, die en soude des morgens vroe genen douwe op sinen voetstappen vinden, daer hi die sonden iegen der naturen genoemt hadde. Ende om hoorre groter onnatuerlicheit willen, so en wil ghien duvel enige mensche daer of becooren, noch hi en mach daer niet bi wesen, als si gescien. Die ander sake is, want dese sonden iegens der naturen die hele werelt bevelschen (= bevalsen, slecht maken, verontreinigen), si onsuvert die lucht, si ontreynt dat water, si doet die aerde verslimen, si gluyet dat vuer ende verwandelt den mensch boven beesteliker naturen, also dat een mensche diese doet, en is niet waerdich inder aerden te vulen (= verrotten), noch inder galge te drogen. Also seer is hi uut gegaen alre dingen mate, want doe God sach dese sonden vanden mensche gescien, beide hi so lang, dat hi ghien mensch en wort ende haddet volnae aftergelaten, also sinte Augustijn seit. Die derde sake is, want dese sonden sel God alre zwaerlicste wreken geliken alset gesciet is op Zodoma ende Gomorra. Die enghel maectse also blint, datsi die doer niet vinden en conden, ende reghende op hem vijf steden zwavel ende vuer ende lietse versincken in dat afgront vander hellen ende liet op die stede een doot meer werden, daer ghien levende dier, noch barnende kaersse en mach in staen; daer wassen vruchten vol stoves (= stof, as), daermen noch hoort gecrijsch uut der hellen. Dit gesciet noch al gheestelic, diet al wel mocht vertellen. Veel uitleg, maar géén definitie: dus onduidelijk.
     
    Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)
    - 468 (Somerstuc, hoofdstuk 37, regels 181-184). Over het sacrament van het huwelijk. Die derde questi is: in wat manieren dat een man mit sinen ghetrouden wiven mach sondighen? Die eerste is als hi haer misbruyct, dat hi niet natuerliken mit haer te doen en heeft, als die ghemeen wise der werlt is. De tegennatuurlijke zonde blijft hier beperkt tot de coïtus tussen man en vrouw, maar wat we precies moeten verstaan onder ‘die ghemeen wise der werlt’ blijft ook nu onduidelijk. Is alleen de missionarishouding toegelaten, of zijn ook andere vormen (bijvoorbeeld coïtus a tergo) natuurlijk, zo lang men alleen van de vagina gebruik maakt? We mogen vermoeden dat bijvoorbeeld anaal en fellatio in elk geval uitgesloten zijn.
     
    Des coninx summe ed. 1907 (1408)
    - 278-279 (paragraaf 111). Een biechtspiegel. De onkuisheid heeft veertien takken of graden: Dat seste is, dat een man sijns selfs wive ontameliken dinghen doet, dat teghen natuere of teghen goeder ordinanciën van wittachtigen hylic is of die verboden sijn. Een man mach hem selven mit sijns selves zwaerde wel doden; also mach hi met sijns selves wive wel dootsonde doen. Want om deser sonden wil sloech god onse here Onan quader doet, Iacobs neve. Ende om deser sonde verhenghede god een duvel die Ysmodeus hyet, dat hi seven man worchde, die der heyligher ioncfrouwen Sare ghetrouwet waren, die daer na des ionghen Tobias wijf was. Het en is niet behoerlic, datmen die heilighe sacramenten der heiligher kercken oneerliken of onmanyerlic tracteert, wantmense sculdich is in groter reverenciën te hebben. Het gaat hier om seks tussen man en vrouw, maar verder blijft alles onduidelijk, al blijkt coïtus interruptus (zie Onan) wel geviseerd te worden.
    - 280 (paragraaf 114). Dat viertiende ende die leste ende die quaetste ende die onreynste, die lelic te nomen is, dats sonde teghen nature, die die duvel den mensche leert doen in veel manyeren, die niet te nomen en sijn, want die materie daer te dorper ende te onaerdich sijn ende onmenschelic is te horen; mer inder byechten sal ment segghen den luden soet wedervaren is. Want hoe die sonde meerre is, hoe die biecht nutter is; want die grote scaemte die een mensche hevet, die sulke lelike sonden byecht, is een groot deel der penitenciën. Dese sonde voerscreven mishaget gode alte seer, daer om dede hi om deser sonden wille reghenen bernende vier ende stinckende zwavel op die stede Zodoma ende Gomorra, ende lyet vijf steden daer om versinken. Die duvel selve scaemt hem, als hi enen mensche daer toe brenghet, dat hi dese sonde doet, also onreyne is si. Onduidelijk.

    De Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)
    - 184-185 (hoofdstuk 31, verzen 274-280). Stichtelijk traktaat. Over de stad Die gheheeten was sodoma, / Die te niet ghinc ende verdranc, / Daer god om der zonden stanc / Van ener telghe van luxuren, / Die de zonde heet ieghen naturen, / Dat mans te gader of wiven / Oncuusheit van luxurien driven. Mannelijke en vrouwelijke homofilie dus.

    Blome der doechden ed. 1904 (XVa)
    - 81. Stichtelijk traktaat. Er zijn vier vormen van onkuisheid: Die vierde is alsoe overdragende vuyl ende quaet dat sij niet en is te noemen want sij onnatuerlijck is. Onduidelijk.

    Die Spiegel der Sonden II ed. 1901 (1434-36)
    - 45-46 (regels 31-42/1-24). Een zondenspiegel in proza. In het tweede deel, dat over de onkuisheid handelt, treffen we een hoofdstukje aan met de titel: Buggerie is een vuyl sunde ende ongeneem den minschen. Deze zonde was de oorzaak van de Zondvloed, van de ondergang van Sodom en Gomorra en van cornam (lees: Onan). Het feit dat Lot zijn twee dochters opofferde, toont de zwaarheid van deze zonde aan, want overspel of maagden ontzuiveren werd blijkbaar minder erg geacht dan deze zonde. Er is veel over deze zonde geschreven dat de auteur niet wenst openbaar te maken. Ende hierom en wordt niet meer van haer beduydt. In deze prozaversie wordt met ‘buggerie’ dus duidelijk mannelijke homoseksualiteit bedoeld. Vreemd is dat, net als in rijmversie (zie hoger), ook Onan ter sprake komt, want het geval-Onan heeft toch niets met homofilie te maken, maar wel met het verspillen van zaad (voor het zingen de kerk uitgaan, coïtus interruptus).

    Dat Cancellierboeck ed. 1932 (XVB)
    - 176. Een biechtspiegel. De onkuisheid heeft naar verluidt zeven ‘ghedaenten’: Die sevende het Contra naturam, dat is teghen natuer. Ende in elke van desen ghedaenten mach mennighe sunde ghevallen; mer het en is niet tamelic voel daer af te scryven, mer in rade of in biechten mach men teghen den ghenen dys noet heeft, daer af spreken. Onduidelijk dus.

    Het Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)
    - 100 (nr. 73, regels 194-198). Een beknopte biechtspiegel. Eén van de vragen die men naar aanleiding van de onkuisheid bij zichzelf moet stellen alvorens te biechten: Of ghi dese sonde ghedaen hebt anders dan natuere gheordineert heeft of contrarie der heerbaerheden behoerende ten huwelike si in de daet of dat daer an cleuen mach van welker saken men bet besoucken mach in biechtene dan claerder of te scriuene. Onduidelijk.
    - 102 (nr. 74, regels 40-49). Een andere beknopte biechtspiegel. Over zonden die een priester niet mag absolveren zonder speciale toestemming: jtem de letleke (lees: leleke) versmaedde ende onnutte sonde die men seit jeghen natuere die es ghereserueert eist dat die ghedaen sijn in hem seluen alleene oft met andere persoene van sier sexen. ofte in andren steden vanden lichame dan natuere gheordeneert heeft of met andren creatueren dan met menschen de welke sonden sijn quader en vreeseliker dan vleesch te etene vp den goeden vrindach daer omme moet men hem daer af biechten neerstelic ende claerlic vp de peyne van verdommenessen. Dit lijkt onder meer te wijzen op masturbatie, homofilie en lesbianisme, anale seks, fellatio en bestialiteit.
     
    Die pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)
    - 418 (regels 18-22). Allegorisch-stichtelijk traktaat. Venus legt de onderdelen van Luxuria uit: Weet dat die ierste heetet Raptus, dander Stuprum, de derde Incestus, de vierde Adulterium, de vijfte Fornicatio. Hier omme soe maecht dij wel ghenuegen ende du moghes di wel houden gepayt, want vander sester en es men niet sculdich te seggene, noch het en ware oec niet behoerleec datmer vele af seide. Volgens een voetnoot van de tekstbezorgster wordt hier sodomie mee bedoeld. In elk geval onduidelijk.

    Brugman ed. 1948a (circa 1470)
    - 44-45 (preek III, regels 174-185). Een preek. Over de geboortedag van Jezus: Ten lesten heeft oec die helle bekent desen roep. Want si verslant alle die vianden des geboren conincs, die tegen die natuer sundichden, die hi aen-nam. Dese sunderen sijn geheeten sodamiten of molles, die alle in deser nacht over alle die werelt verslagen worden, als Iheronimus seit. Ende dat dede christus, op-dat in die natuer, di hi aen-nam, voert-aen niet alsoe grote onreynicheit ghevonden en souden werden. Van deser stinckender sunden en wil ic niet meer seggen, want ten is niet tamelic te horen. Ja, alsoe myshagelic is god dese sunde, gelijc als Augustinus seit, dat god aensiende die sunden, die tegen der natueren geschien in die menschelike natuer, liet bi-nae achter mensche te werden. Blijkbaar wordt homofilie bedoeld.
     
    Tvoyage van Mher Joos van Ghistele ed. 1998 (XVd)
    - 20 (Boek I, hoofdstuk 4). Een reisverslag. Over de mohammedanen: Vander zonden jeghens natuere en makense gheen weerc, zegghende dat hemlieden dat bij harer wet gheconsenteerd es in een capittele daer staet: ”ende elc zal moghen doen met zijnen goede dat hem ghelieft ende dat ghebruucken naar zijnen wille”, daer af niet vele en behoort gheseyt te zijne. Het gaat blijkbaar over seks tussen man en vrouw, maar het blijft zeer onduidelijk.

    Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)
    - E4r (hoofdstuk 13). Bewerking van ‘Das Narrenschyff’. Over onkuisheid: Maer dalder mesprijselijcste sotten ende sottinnen sijn die teghen natuere minnen oft dwerc van minnen schaffen diemen sal metten viere straffen. Onduidelijk.

    *** op zoek naar meer duidelijkheid ***

    Uit bovenstaand overzicht kunnen we in elk geval concluderen dat onder de ‘zonde tegen de natuur’ onder meer verstaan werden: mannelijke homofilie, lesbianisme, masturbatie, bestialiteit, coïtus interruptus en waarschijnlijk ook anale seks en fellatio/cunnilingus, al worden deze laatste drie dingen nooit met zoveel woorden genoemd of beschreven. Ook de coïtus a tergo (op zijn hondjes) kàn als abnormale seks beschouwd worden, maar wordt nooit duidelijk vermeld.

    Ook Latijnse bronteksten uit de middeleeuwen nemen vaak een schaamblad voor de mond, als het om het ‘peccatum contra naturam’ gaat. Nemen we als voorbeeld de beruchte Malleus Maleficarum (1487) van Heinrich Kramer, waarin we lezen: Het volgende verdient ten zeerste de aandacht: hoewel de Schrift spreekt over incubussen en succubussen die vrouwen lastig vallen, leest men waar de tegennatuurlijke zonden worden genoemd – niet alleen de sodomie maar ook elke zonde die buiten het daartoe bestemde vat verkeerd wordt bedreven – nergens dat die door incubussen en succubussen worden bedreven. Hierdoor wordt de enormiteit van deze zonden aangetoond, want alle demonen, zonder onderscheid en van alle categorieën,vinden het afschuwelijk om ze te bedrijven, omdat ze ze beschamend vinden. Dit schijnt ook de betekenis te zijn van de glosse bij Ezechiël 16:27: “Ik zal u overleveren in handen van de Filistijnen, dat wil zeggen: demonen, die eveneens blozen om uw pervers gedrag”, waaronder de tegennatuurlijke zonde moet worden verstaan. Wie ogen heeft, moet inzien dat men hier het gezag van de Schrift, wat demonen betreft, moet erkennen. Geen enkele zonde werd immers bij zo velen zo vaak door God gestraft met een smadelijke dood [Malleus Maleficarum ed. 2011: 86 (pars I, quaestio 4), vergelijk ook Malleus Maleficarum ed. 1986: 88-89]. Het gaat hier dus niet enkel over homofilie, maar manifest ook over seks tussen man en vrouw, maar wat Kramer preciés bedoelt, blijft onduidelijk.
     
    In Berents 1985: 50, lezen we: ‘Het middeleeuwse kerkrecht maakte dan ook een theoretische indeling van de “sodomie” waarbij sprake was van “sodomia perfecta” (anaal-genitaal verkeer tussen mannen), “sodomia imperfecta” (tussen man en vrouw) en “bestialitas” (geslachtsgemeenschap met een dier)’.

    Volgens Dupond 1996: 20, is de ‘onnoembare zonde’ sodomie, wat in enge zin betekent: mannelijke homoseksualiteit, maar in bredere zin ook elke vorm van seksueel contact die niet tot voortplanting leidt. Volgens noot 6 op p. 164 betreft het vooral anale coïtus tussen homo’s en bestialiteit, maar eveneens masturbatie, fellatio en heteroseksueel anaal contact. Dupond 1996: 27, signaleert dat in de vijftiende en zestiende eeuw de stedelijke autoriteiten in de Nederlanden en Noord-Italië tientallen homo’s tot de brandstapel veroordeelden (noot 25 op p. 164 geeft een bibliografie in dit verband).

    Bange 1988: 47, noteert in een bijdrage rond voorstellingen over seksualiteit in de late middeleeuwen: ‘De houdingen die men kon aannemen waren eveneens voorwerp van discussie: behalve die waarbij de vrouw op haar rug ligt waren alle houdingen zondig tot zéér zondig. Ten eerste omdat de bevruchting in de eerste houding het beste kon plaatsvinden, en ten tweede omdat men meende dat alle andere houdingen werden gepraktizeerd om meer lustgevoelens op te wekken. Met name het a tergo werd beestachtig genoemd, omdat bij de dieren het mannetje zo zijn wijfje benadert. Anderzijds werd de dierenwereld wel eens als positief voorbeeld aangehaald: dieren paren alleen voor de voortplanting, en zo zou het bij mensen ook moeten zijn’.

    Het duidelijkste antwoord dat we tot nu toe gevonden hebben op de vraag wat men precies onder de ‘tegennatuurlijke zonde’ dient te verstaan, staat in de Summa Theologiae, het werkelijk monumentale scholastieke compendium dat in 1265-1274 geschreven werd door Thomas van Aquino. Wanneer het gaat over de ‘vitium contra naturam’, schrijft deze geleerde dominicaan:

    Quod quidem potest pluribus modis contingere. Uno quidem modo, si absque omni concubitu, causa delectationis venereae, pollutio procuretur, quod pertinet ad peccatum immundiatiae, quam quidam mollitiem vocant. Alio modo, si fiat per concubitum ad rem non eiusdem speciei, quod vocatur bestialitas. Tertio modo, si fiat per concubitum ad non debitum sexum, puta masculi ad masculum vel feminae ad feminam, ut apostolus dicit, ad Rom. I, quod dicitur sodomiticum vitium. Quarto, si non servetur naturalis modus concumbendi [sic], aut quantum ad instrumentum non debitum, aut quantum ad alios monstruosos et bestiales concumbendi modos [Secunda pars secundae partis, quaestio 154, articulum 11, bron: www.corpusthomisticum.org/sth3146.html#4].

    Dit luidt in vertaling (zie voor een Engelse vertaling bijvoorbeeld ook www.sacred-texts.com/chr/aquinas/summa/i): ‘Deze zonde kan verschillende vormen hebben. De eerste vorm is wanneer men zichzelf los van de coïtus, louter omwille van het seksuele genot, bevlekt. Dit is van toepassing op de zonde der onreinheid, die sommigen ‘weekheid’ noemen. De tweede vorm is wanneer men de coïtus uitvoert met een andere soort, wat bestialiteit genoemd wordt. De derde vorm is wanneer men de coïtus uitvoert met iemand van het verkeerde geslacht, bijvoorbeeld een man met een man of een vrouw met een vrouw, zoals de apostel (Paulus) zegt in Romeinen I (:27), en dit heet sodomie. Ten vierde is er het niet uitvoeren van de coïtus op de natuurlijke manier, ofwel omdat men gebruik maakt van de verkeerde lichaamsdelen, ofwel omdat men de coïtus uitvoert op andere monsterlijke en beestachtige wijzen.’

    We hebben dus op een rijtje: masturbatie, bestialiteit, mannelijke en vrouwelijke homofilie en ongepaste seks tussen man en vrouw. Alleen dit laatste laat aan duidelijkheid nog wat te wensen over, maar vlak voor de hierboven geciteerde passage staat een argument (het derde van drie) waarop Thomas vlak na de hierboven geciteerde passage (Thomas’ Summa is erg complex gestructureerd) antwoordt. Het argument luidt: Praeterea, luxuria consistit circa actus ad generationem humanam ordinatos, ut ex supra dictis patet. Sed vitium contra naturam consistit circa actus ex quibus non potest generatio sequi. Ergo vitium contra naturam non est species luxuriae. In vertaling: ‘Bovendien bestaat de onkuisheid uit handelingen die bestemd zijn voor de menselijke voortplanting, zoals uit het bovenstaande blijkt. Maar de zonde tegen de natuur bestaat uit handelingen die niet leiden tot de voortplanting. Dus is de zonde tegen de natuur geen vorm van onkuisheid’. Thomas’ antwoord hierop is: Ad tertium dicendum quod luxuriosus non intendit generationem humanam, sed delectationem veneream, quam potest aliquis experiri sine actibus ex quibus sequitur humana generatio. Et hoc est quod quaeritur in vitio contra naturam. Vertaald: ‘Tegen het derde argument moet ingebracht worden dat de onkuise mens niet de menselijke voortplanting nastreeft, maar het seksuele genot, en dit kan niet anders gebeuren dan via handelingen die tot menselijke voortplanting leiden. En dit genot is precies wat hij zoekt in de zonde tegen de natuur’.

    Daarmee geeft Thomas van Aquino ons de finale sleutel in handen: als het gaat om seks tussen man en vrouw, dan behoort alles wat niet leidt tot voortplanting tot de tegennatuurlijke zonde. Men kan dus fellatio, cunnilingus, coïtus interruptus en anale seks ook tot deze zonde rekenen, zelfs al worden ze door Thomas niet met zoveel woorden beschreven of vermeld. En tot de ‘monsterlijke en beestachtige wijzen’ waarop men de coïtus uitvoert, zullen hoogstwaarschijnlijk de coïtus a tergo (op zijn hondjes) en vermoedelijk àlle standjes behalve de missionarishouding behoren, zelfs al leiden zij wél tot zwangerschap.

    Enigszins grappig om te vermelden in verband met dit laatste, is het volgende. In zijn Rijmbijbel van 1271 beschrijft Jacob van Maerlant hoe een zekere Metodius een goddelijk visioen kreeg over het begin van de wereld, meer bepaald over de periode die duurde van Adam tot Noach en de Zondvloed: Hi bescreef dat doe plaghen / die quade man, in haren daghen / te verkeerne der naturen seden / want si boven liggen deden / die wive, ende selve onder laghen. / Hier omme wildse God plaghen / ende hiet Noe maken die erke [Rijmbijbel I ed. 1858: 51-52 (hoofdstuk 25, verzen 1111-1117)]. God zou de mensheid dus met de Zondvloed gestraft hebben, omdat tijdens de coïtus de vrouwen boven lagen. Was en is dat dan zo erg, is men anno 2012 geneigd te vragen. Maerlant hoeft echter niet zo snel van preutsheid beschuldigd te worden, want na bovenstaand betoog begrijpen we beter dat men in de middeleeuwen ook het cowgirl-standje wel degelijk als een vorm van de ‘zonde tegen de natuur’ beschouwde.
     
    [explicit 15 juli 2012]

    15-07-2012 om 18:24 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    13-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.TOPOI: PAUW
    PAUW

    1 Pauw // ijdelheid

    Walewein I ed. 1957 (circa 1250)
    - 311 (vers 10.465). Een Arturroman. De manschappen van het leger van een slechte hertog hebben vedren van pauwen up die helmen. Pauwenveren geassocieerd met de ijdele, verwerpelijke trots van de vijand.

    Der natueren bloeme I ed. 1980 (circa 1270)
    - 278 (Boek III, verzen 3046-3052). Natuurencyclopedie. Die paeu es een hovaerdich sot. / Sietmenne om sijn scoenheit an, / Hi ondoet sinen staert dan / Jeghen die sonne, dat men bi dien / Te bet sal sine scoenheit sien; / Maer als hi sine voete siet, / Valt hi den staert ende vliet.

    Van den levene Ons Heren ed. 2001 (XIII)
    - 36 (verzen 97-100). Een Jezusleven. In de proloog: Selen wy dragen bont ende grau / ende ons sieren als enen pau / ende die arme sal siin in selc bedwanc / dat hi ne sal hebben spel no sanc? Zie ook Van den levene Ons Heren I ed. 1968: 11-12 (verzen 97-100).

    The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)
    - 78 (Fragment I, Group A, verzen. 3925-3926). The Reeve’s Tale. Over een molenaar: A millere was ther dwellynge many a day. / As any pecok he was proud and gay.

    Blome der doechden ed. 1904 (XVa)
    - 99-100. Stichtelijk traktaat. Dese ydel glorie machmen ghelijken bijden pau die alte groet behagen heeft in hem selven ende is van buyten seer scoen boven allen voghelen van plumen ende van vederen. Ende en beghert niet dan sijn vederen te strijken ende hem selven scoen te maken om lof te hebben vanden ghenen diet sijn. ( … ) Soe langhe als der pau swicht soe houtmen voer een heerlijck voghel. Mer als hij gheluyt slaet dat is lelijc ende onbequam soe heertmen well datter niet in en is. Alsoe ist mitten man daer dese ydelheit ende waenwise in is als men sijn worden hoert soe laten elc man gaen ende en acht sijns niet.

    Boerdelic Pleghen ende Ghenoughelic Voortstel ed. 1920 (1526)
    - 239 (verzen 181-182). Rederijkersspel. Ghenoughelic Voortstel sport met Boerdelic Pleghen die de handige boogschutter wil uithangen: Want by verwaentheyt, hy met sulc gheveert pryct / Ghelyc eenen paeu, die naer zynen steert kyct.

    De Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)
    - 118 (vers 554). Rederijkersspel. Het sinneke Vleysch over de hoer Eergiericheijt: Tis seg ick een pauwinne.

    Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)
    - 102 (fol. 209r, verzen 2-3). Rederijkerslyriek. Vp dat ghy der houeerdicheyt condicien weit / als den paeu ghaende vpghestreken gheleidt. - 109 (fol. 213r, verzen 31-33). Rederijkerslyriek. Over Vrouw Eergierigheid: Eerghiericheyt die hy ten eersten niet vry vandt / zat vp een zeuenhoofdeghe beeste hoogh ghezaelt / met paeuws plumen verchiert.

    Bijns ed. 1875 (1567)
    - 467 (Boek III, refrein 70, strofe m, vers 13). Vroed rederijkersrefrein over rijke praalhanzen: Gheciert met habijten ghelijck den Pau.

    Werlts versufte maeltijt ed. 1994 (XVIB)
    - 126r (verzen 835-840). Rederijkersspel. Arnstich Opmerken zegt: Siet daer is een paew waer bij men het proncken / en alle hovaerdicheijt can beseffen / want gelijck dit beest hem selfs gaet verheffen / door sijn aengebooren schoonheijt Daert in Leeft / soo mee in hovaerdige, maer niet in dat hij heeft / maer dat hij moet Leven van al ander dieren.

    Jongeling en Wulps Leven ed. 1932 (circa 1600?)
    - 125 (verzen 160-161). Rederijkersspel. Het sinneke Wulps Leven raadt Jongeling aan: Gaet dan met paeuschen tret seer heus ende leeumoedich / Ter plaetse daer bij een comen dees meijskens goedich.

    2 Pauw // de op zondige aardse ijdelheden gerichte mens die ootmoedig en vroom dient te zijn

    Palmboomtraktaat ed. 1978 (XIV)
    - 204. Een preek. De ziel wordt vergeleken met een palmboom die zeven takken heeft. Op de eerste tak zit een pauw: Op desen telch maect die paeu sinen nest. Die paeu es van selker natueren, alse hi slaept bi nachte ende hi wert ontwake haestelike, soe screit hi harde seerlike om dat hi waent hebben verloren sijn scoenheit. Dese vogel betekent die ziele die inder nacht vander werelt es sculdech tontsiene dat si niene verliest hare scoenheit, dat es die doghet ende die gratie die hare god heeft ghegeuen, ende screien met groter cracht, alsoe beseft eneghe sake van sonden, ende moghe kinnen al ende ondersoeken dat in hare ghebreket. De bloem die op deze tak groeit, een violet, is een symbool van de ootmoedigheid.

    Blome der doechden ed. 1904 (XVa)
    - 23. Stichtelijk traktaat. Wanneer alles voorspoedig lijkt te gaan, dan en suldij soe over seer niet verblijden mit onmaete ghij en sult oec nederwaert sien ende nemen exempel aen de pau. die alre voghelen sconste is daer in hij hem seer verblijdt ende verheeft in groeter ghenoechten. Mer als hij dan op sijn voeten siet die lelic syn van maecsel ende oec van verwen soe truert hij. Alsoe sultu oec doen lieve soen als dij god heeft ghesalicht. dan sultu dijn hoeft neder slaen ende dencken dattu een mensche bist. ende gheen enghel. Dat gheluck mach altoes keeren in een ongheluck. wij en sijn oeck gheens dencks sekerer dan die doot.

    Het Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)
    - 83 (nr. 66, verzen 77-80). Allegorisch gedicht over de deugdenboomgaard van Jezus. Op elke boom staat een bloem en rust een vogel. Op de cypres staat een blauwe bloem (stadicheit verbeeldend) en rust een pauw: De edel paeu dat dinct mi goet / Dat hier vp dese bloeme sal bliuen / Wat duechde dat de mensche doet / Dat hi gode de eere an sal scriuen.

    Braekman ed. 1984 (XVIa)
    - 183 (nr. 31). Artesliteratuur (vogelspreuken). Die pauwe seit: al ben ic schoenne / het mijne houde ick van goede in lone [wat ik heb, heb ik van God gekregen], / wie scoen is, oetmoedich ende goet, / ic hoepe hi godt voldoet.

    Bijns ed. 1902 (circa 1550)
    - 247 (nr. X, strofe B, verzen 9-12). Een vroed rederijkersrefrein, meer bepaald een memento mori-gedicht. Betert u, eer datmen u ziele beclaecht, / En siet, ghelyc den pau doet, op u voeten; / Laet vallen u pluymen, u huyseken vaecht; / Wapent u teghen die doot, ghy selt vechten moeten.

    3 Pauw = symbool van de Verrijzenis

    Inglis ed. 1995 (circa 1475-80)
    - Fol. 147r. Het Getijdenboek van Maria van Bourgondië (circa 1475-80). In de bas-de-page zit een pauw naast een begrafenisscène. In het commentaar van Eric Inglis lezen we dat de pauw een topisch symbool is van de Verrijzenis van Jezus [ed. 1995: 54].

    Cat. Brugge 1969 (circa 1500)
    - 152-153/285-286 (cat. nr. 83). O.L. Vrouw met Kind door engelen omringd, een drieluik op paneel van de Meester met het Geborduurde Loofwerk, daterend van circa 1500 (Lille, Musée des Beaux-Arts). Op het middenpaneel, links van Maria, zit op het hek van de hortus conclusus een pauw.

    4 Pauw = attribuut van de godin Juno

    Mars en Venus ed. 1991 (1551)
    - 232 (vrzen 17-18). Rederijkersspel. Venus zegt tot Juno: Verdrijvinghe sijt ghij der rouwen rouwe, / so de paeuwe blijscap in sijnen steert maect. Zoals de pauw vreugde sticht door middel van zijn mooie staart, zo maakt Juno het aardse leven aangenaam.

    Coninck Proetus Abantus ed. 1992 (1589)
    - 11v (vers 403). Een rederijkersspel. In de lijst met dramatis personae: Juno. met paus veren.

    5 Pauw in erotische context

    De Dryakelprouver ed. 1920 (1528)
    - 207 (verzen 313-314). Rederijkersspel. Een geile man zegt tot zijn vrouw: Wyf jc moet hu eens vriendelic cussen. / Jc verheffe my jn hu ghesichte als den paeuwe. Zich verheffen als een pauw: blij worden, zich goed voelen (letterlijk) / een erectie krijgen (figuurlijk-dubbelzinnig).

    Doesborch II ed. 1940 (1528-30)
    - 267 (refrein 151, vers 14). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Een jongen en een meisje liggen in bed: Hi keteldese, doen peepse gelijc de paukens (hij kietelde haar, toen piepte ze zoals de pauwtjes).

    6 Pauw: restmateriaal

    Der minnen loep I ed. 1845 (1411-12)
    - 153 (Boek II, verzen 836-837). Een ars amandi. Over graaf Floris van Holland (naar verluidt één der beste edelmannen ooit): Aern, paeu, lam end lewe. / Dien vier was hi wael ghelijck. Zonder verdere uitleg.
    - 239 (Boek II, verzen 3173-3176). De tovenaar Nectanabus kwam ooit eens binnen in de kamer van Olympias (de moeder van Alexander de Grote) in de gedaante van een sierlijke pauw met een gouden kroon: Hij quam eens inder camer ghegaen, / Daer Phillips selve was bi ghestaen, / Oft een groet paeu hadde ghesijn, / Mit eenre croen van gouden fijn. Volgens de verzen 3183-3184 beschouwt men deze pauw als een god.

    Doesborch II ed. 1940 (1528-30)
    - 239 (nr. 133, verzen 11-12). Een rederijkersgedichtje over de eigenschappen van het paard. Een goed paard moet van de pauw drie eigenschappen hebben: Vanden paw, Schoon haer / Luyde stemme, Suet neder setten des voets.

    Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)
    - 212 (fol. 273v, verzen 22-23). Rederijkersgedicht over de lelijke Vetustina: hueren zangh was, vp menich stondeken / als puwen ofte mugghen, die tvolck tsnachts plaeghen. Lelijke zang wordt vergeleken met de storende roep van de pauw des nachts.

    [explicit 12 juli 2012]

    13-07-2012 om 01:10 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BOEK: Het vaginaboek (Goedele Liekens) 2005
    HET VAGINABOEK (Goedele Liekens) 2005
    [Standaard Uitgeverij/MOM, Antwerpen, 2005, 240 blz.]

    De bedoelingen (vrouwen hun vagina leren kennen en waarderen) zijn ongetwijfeld goed, maar de uitwerking laat te wensen over. Verschrikkelijk irritant is om te beginnen het kleuterjuffrouwtoontje dat constant gehanteerd wordt. Ongelooflijk preuts zijn de foto’s die de tekst (overvloedig) moeten larderen. De cartoons van Marec zijn soms wel grappig, maar meestal flauw. De humor in dit boek staat trouwens over het algemeen op een laag pitje. De structuur is abominabel (van de hak op de tak). De lay-out vinden wij hyperkinetisch en onaantrekkelijk. En eerlijk gezegd (maar dat is natuurlijk erg subjectief): we hebben weinig of niets bijgeleerd. Eigenlijk alleen dat de term merkin (oorspronkelijk het Engelse woord voor een schaamhaarpruikje) tegenwoordig wordt ‘gebruikt om de “landingsbaan” of het strookje schaamhaar aan te duiden dat overblijft na een flinke bikiniwaxbeurt’ [p. 66].

    Wat ons ook opviel, maar dit is slechts een zijdelings-grappig detail. Wanneer het op pagina 168 gaat over het laten trillen van de tong tegen de clitoris (nadruk op de eerste lettergreep overigens, toch ook bijgeleerd) tijdens de cunnilingus, noteert Goedele: ‘In sommige gebieden, zoals Noord-Oeganda, zo weet ik, zijn mannen zeer bedreven in deze sekstechniek’. Zo weet ik? We zien het zo voor onze ogen: Goedele op missie voor Unicef in Oeganda, die een avondje vrij heeft en niet weet wat te (laten) doen. Nee hoor, in alle ernst, Het Vaginaboek is zeer oppervlakkig en weinig kritisch. In de Standaard der Letteren [28 oktober 2005, p. 15] publiceerde Kristien Hemmerechts een zeer welwillende (drie sterren op vier), maar al even oppervlakkige en weinig kritische recensie van deze uitgave. Wat ze bijvoorbeeld niet vermeldt, is dat De Oorsprong van de Wereld, een boek van Jelto Drenth uit 2001 over hetzelfde onderwerp, stukken interessanter en boeiender geschreven is dan Goedele Liekens te veel naar Boekenbeurs en Kassa ruikende kutboekje. Goedele had daar kunnen leren hoe het wel moet, want Drenth 2001 is ook geschreven voor een breed publiek én het staat vermeld in haar bibliografietje achteraan. We zullen onze bespreking van Drenth 2001 meteen even recycleren.

    Quotering: ** (12 juli 2012)

    13-07-2012 om 00:53 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.BOEK: De oorsprong van de wereld (Jelto Drenth) 2001
    DE OORSPRONG VAN DE WERELD. Feiten en mythen over het vrouwelijk geslacht (Jelto Drenth) 2001
    [Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 2001, 373 blz.]

    Jelto Drenth (°1946) is als arts en seksuoloog verbonden aan de Rutgers Stichting in Groningen. Zijn boek De oorsprong van de wereld (met op de cover het gelijknamige schilderij van Gustave Courbet – op de strategische plek echter afgedekt door de letters van de titel) is een monografie over het vrouwelijk geslachtsorgaan en aanverwante zaken, geschreven voor een breed publiek maar met veel kennis van zaken. Alleen reeds het notenapparaat en de bibliografie tonen aan dat dit popularisatie is van een heel andere soort dan bijvoorbeeld Sextalk van Ilse Nackaerts. De macrostructuur van het boek is nochtans een beetje rommelig, al vallen er toch wel grote lijnen te ontdekken in de onderwerpen die aan bod komen: na de benamingen, de anatomie en de seksuele functies van de vagina gaat het over maagdelijkheid, de freudiaanse benadering van de vrouw, het voortplantingsproces (een opvallend technisch en saai hoofdstuk overigens), seksproblemen van vrouwen, clitoridectomie, de baarmoeder, vibrators, het vrouwelijk parfum (de rol van feromonen) en ten slotte negatieve en positieve houdingen tegenover het vrouwelijk geslacht (in de beide betekenissen van het woord).

    Het is duidelijk dat Drenth zijn onderwerp volledig beheerst, maar hij heeft nogal eens de neiging om van de hak op de tak te springen en nodeloos uit te weiden, vooral wanneer hij voor de zoveelste maal de plot van een of andere voor zijn betoog relevante film of roman uitgebreid uit de doeken begint te doen. Dat verwijzen naar en citeren van films, romans en gedichten vormt anderzijds wel één van de aantrekkelijkheden van de tekst, net als het maken van overstapjes naar andere culturen en naar het verleden, al blijft het een nadeel dat dit vaak juist ten koste gaat van de structuur, die (om in de sfeer van het thema te blijven) niet altijd zo strak is als men zou wensen. Zoals Hilde Vervaecke noteert in Leesidee: ‘Drenth benadert zijn thema langs alle beschikbare kanalen, springend van wetenschappelijke feiten op mythen en fantasie. Het resultaat is een bloemlezing met inzichten uit de meest uiteenlopende hoeken, nu eens een fictief romanpersonage, dan weer een historisch geschrift of een directe getuigenis. Hij vermengt voortdurend prikkelende poëzie en romantische literatuur met historische, antropologische en droog medische gegevens’.

    En Geerdt Magiels stelt in de Standaard der Letteren: ‘Jelto Drenth vertrekt bij zijn eigen vak, de seksuologie, en verbindt dat met de geneeskunde en de psychologie, met bruggetjes naar de sociologie, de antropologie, de lexicografie, de geschiedenis, de literatuur en de kunst. Hij is belezen, goed geïnformeerd, genuanceerd in zijn oordeel en immer nieuwsgierig’. Het resultaat van dat alles is een lezenswaardige tekst over een boeiend onderwerp, van voor naar achter gevuld met allerhande weetjes en feitjes die echter wegens het ontbreken van een samenbindende rode draad vaak moeilijk blijven hangen.

    Twee dingetjes uit die 373 pagina’s zijn ons toch opgevallen. Op pagina 137 gaat het over het merkwaardige gegeven dat het embryo in de baarmoeder niet aangevallen wordt door het immuunsysteem van de vrouw, terwijl toch de helft van het genetische materiaal van de vrucht niet lichaamseigen is. Nochtans bestaat er zoiets als ‘zwangerschapsvergiftiging’ of ‘eclampsie’, een complex van verschijnselen dat bestaat uit hoge bloeddruk, oedemen (dikke enkels) en eiwitverlies via de urine. Dit kan vlak voor en tijdens de bevalling uit de hand lopen, soms zelfs met levensbedreigende toevallen als gevolg. ‘Recent is door Leidse onderzoekers gezocht naar een verklaring voor de opvallende verschillen in bloeddrukverloop tijdens de zwangerschap, en men testte de hypothese dat de ene vrouw effectiever geweest is in het opbouwen van tolerantie voor de eiwitten van haar echtgenoot dan de andere. Men vond een verbluffend hoge correlatie met orale seks; vooral als een vrouw gewend is om het sperma van haar partner ook in te slikken, dan heeft zij daarmee haar kans op zwangerschapsvergiftiging enorm gereduceerd. De meeste vrouwen zijn vaginaal veelvuldig blootgesteld aan de sperma-eiwitten van hun partner, maar via het maagdarmkanaal vinden andere processen plaats, en tolerantie ontwikkelt zich bij orale toediening vlotter dan bij vaginale.’
     
    Is het niet geweldig? Eat that, ladies! Pijpen (waarbij het sperma bovendien ook nog eens ingeslikt wordt) blijkt dus gezond te zijn voor vrouwen (al geldt deze pracht van een stok achter de deur voor fellatiofans jammer genoeg alleen als het gaat om vrouwen die ooit nog zwanger willen worden). Nog zo eentje, op pagina 308-309, waar het gaat over het feit dat strakke kleding en het gebruik van inlegkruisjes leiden tot irritatie van de slijmvliezen van de vagina en tot ongewenste vaginale afscheiding: ‘Broei is niet zo best voor de vaginale gezondheid, en dat is iets wat de meeste vrouwen wel aanspreekt. Germaine Greer constateerde, geheel in de geest van haar tijd, dat het verstandig zou zijn vrouwen te adviseren geen slipjes te dragen als dat niet beslist nodig was. Zij had daarin navolgers, maar niet zoveel’. Indien toch overtuigd: nooit boven de luchtgaten van de metro gaan staan, à la Marilyn Monroe.

    En om het af te leren, hieronder nog een mopje dat afkomstig is uit het hoofdstukje over vrouwonvriendelijke humor en negatieve houdingen tegenover de vagina [p. 300]. ‘Een boer heeft met zijn dochter de veemarkt bezocht en aldaar goede zaken gedaan. Tevreden rijdt het stel terug naar huis, maar – o, schrik! – er verschijnen twee zwaarbewapende overvallers. Alles wordt hun afgenomen, en na een paar benauwde minuten zien de beteuterde boer en dochter de rovers vertrekken met hun paard en wagen. Als de belagers op veilige afstand zijn, bekent de dochter blozend dat zij al het met de veehandel verdiende geld op een onbewaakt ogenblik in haar vagina verborgen heeft. De ramp is dus minder groot dan eerst gevreesd. “Jammer dat je moeder er niet bij was,” zucht de boer, “dan hadden we het paard en de wagen ook nog gehad”.’

    Quotering: ***½ (15 juni 2003)

    Geraadpleegde lectuur

    - Geerdt Magiels, “Negen centimeter geheim. Jelto Drenth verheldert de vagina”, in: Standaard der Letteren, 18 april 2002, p. 9.

    - Hilde Vervaecke, “Van voorgeborchte tot poort der zaligheid. Jelto Drenth: De oorsprong van de wereld”, in: Leesidee, 2001, nr. 8, pp. 665-666.

    - Tanja Dierckx (interview), “Moeders zouden hun dochters moeten leren: ‘Kijk meisje, daaronder heb je een plekje waar je lekker mee kan spelen’. Eindelijk een kutstuk: Humo sprak met vaginakenner Jelto Drenth”, in: Humo, nr. 3198, 18 december 2001, pp. 24-25.

    13-07-2012 om 00:53 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    11-07-2012
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.FILM: Sailors don't cry (Marc Didden) (B, 1989)

    SAILORS DON’T CRY (Marc Didden) (België, 1989)

     

    Op een van 21 januari 1991 daterende steekkaart noteerden wij het volgende: ‘We hebben het vroeger al gezegd dat Didden volgens ons overschat werd. Met deze Sailors don’t cry heeft hij een ronduit vervelende prent gemaakt, die trouwens ook in onze bioskopen grandioos flopte. Hilde (Hilde Van Mieghem) heeft een kind (Stijn) van een matroos-marconist (Paul = Johan Leysen) die op een dag is weggevaren en nu terugkeert. Ondertussen heeft Hilde een nieuwe vrijer (Guy = Josse De Pauw). Zij kan niet direct kiezen en de hele film volgen we dan het gezemel rond de naijver tussen de twee vrijers en het getwijfel van Hilde. Het jongetje Stijn (met zijn voorliefde voor radiootje spelen, geërfd van zijn vader?) speelt daar ook nog ergens een onduidelijke rol in. Een film die vlug zal vergeten zijn, zoveel is zeker. Quotering: 2'.

     

    Toch hebben we de film nog eens bekeken en ja hoor, we zijn het nog steeds eens met ons jongere zelf. Het manneke dat Stijn speelt (Din Meysmans, sindsdien nooit meer van gehoord), kan dus totaal niet acteren, de titelsong (geschreven door Els Helewaut en Raymond van het Groenewoud) is abominabel en het scenario (geschreven door Didden zelf en Annemie Vandeputte) is, beleefd gezegd, zeer zwak. Op een bepaald moment beslissen Hilde en Guy om Stijn in een internaat te stoppen, God mag weten waarom. Op een ander bepaald moment steekt Paul Guy met een mes (zonder al te veel erg), maar het is Paul die in een kliniek belandt: vreemd! Naar het einde toe klopt Hilde, na een kleine ruzie ergens in een motel, Guy plots met een asbak op zijn theater: bewusteloos natuurlijk. Hilde trekt dan naar Paul, die heel de film door op het strand een bootje aan het opknappen is geweest (bootje heet ‘Hilde’ trouwens), en Hilde, Paul en de ondertussen uit het internaat weggelopen Stijn varen met dat bootje weg, terwijl op het strand Guy op zijn motorfiets verschijnt, met een pleister op zijn slaap en achterop de motor een vriendin van Hilde. Guy staat wat te lachen, Stijn gooit nog een schelp in het water, en doek. Het café dat door Hilde gerund wordt, heet overigens ‘Mes amis’.

     

    Heel wat minder functioneel dan de naam van dat café is de blote badscène van Hilde Van Mieghem ergens in het midden van de film die ons toelaat om (objectief-neutraal natuurlijk) vast te stellen dat de jonge Hilde Van Mieghem toen even aantrekkelijk (met wat sletterige ondertonen) was als haar dochter Marie Vinck nu, ofschoon Marie forser van boezem is dan haar mama. Het feit dat Van Mieghem even later nogmaals haar tietjes mag tonen (dit keer in een bedscène met Guy), kan de film echter helaas niet redden.

     

    Quotering: **

    (2de visie: 10 juli 2012) (dvd – bib Brecht)

    11-07-2012 om 22:48 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.DE GEDACHTE VAN DE DAG: 11 juli 2012

    De Gedachte van de Dag: 11 juli 2012

     

    Gisteren op mijn blog een tekstje gepost over Juan Luis Vives’ Over de opvoeding van de christelijke vrouw uit 1524 en de Spaans-Vlaamse humanist ervan beschuldigd zeer vrouwonvriendelijk en middeleeuws-conservatief (geweest) te zijn. Vandaag lezen we in de nieuwe Humo [nr. 3749, 10 juli 2012, pp. 22-27] een interview met Cath Luyten, presentatrice van het TV-programma ‘Vlaanderen Vakantieland’ en gehuwd met collega-germanist en sportjournalist van de VRT Frank Raes. In dit interview zegt Cath het volgende (op pagina 25): ‘Ik ben ervan overtuigd dat vrouwen jaloerser zijn dan mannen. Vrouwen hebben een slechter karakter: ze zijn giftiger, achterbakser, meer belust op wraak… Een productiefoutje van de Schepper (lacht). Je ziet dat al bij kleine meisjes: vanaf drie jaar zit het venijn er al in. Terwijl de jongetjes op de speelplaats een beetje naïef en met veel lawaai rondlopen, worden ze door de meisjes gedomineerd en gemanipuleerd. En twintig, dertig jaar later winden diezelfde meisjes diezelfde jongens nog altijd om hun vinger. Daarom vind ik mannen makkelijker in de omgang. Wat dat betreft heb ik het juiste beroep gekozen: negentig procent van de mensen met wie ik samenwerk – regisseurs, cameramensen, monteurs – zijn mannen. Heel handig, want mannen zijn gemakkelijker, duidelijker. Vrouwen zijn probleemgevallen. Wij zeggen dit maar bedoelen dat, en we verwachten met name van onze partner dat hij dat doorheeft. Wij weten van onszelf dat we moeilijk en onredelijk zijn, maar we doen alsof dat niet zo is’. Zou Vives dan toch gelijk gehad hebben?

    11-07-2012 om 22:02 geschreven door Eric De Bruyn  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 21/04-27/04 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013
  • 14/10-20/10 2013
  • 30/09-06/10 2013
  • 23/09-29/09 2013
  • 09/09-15/09 2013
  • 02/09-08/09 2013
  • 26/08-01/09 2013
  • 19/08-25/08 2013
  • 12/08-18/08 2013
  • 05/08-11/08 2013
  • 29/07-04/08 2013
  • 22/07-28/07 2013
  • 15/07-21/07 2013
  • 08/07-14/07 2013
  • 01/07-07/07 2013
  • 24/06-30/06 2013
  • 17/06-23/06 2013
  • 10/06-16/06 2013
  • 27/05-02/06 2013
  • 20/05-26/05 2013
  • 13/05-19/05 2013
  • 06/05-12/05 2013
  • 29/04-05/05 2013
  • 22/04-28/04 2013
  • 15/04-21/04 2013
  • 08/04-14/04 2013
  • 01/04-07/04 2013
  • 18/03-24/03 2013
  • 04/03-10/03 2013
  • 11/02-17/02 2013
  • 04/02-10/02 2013
  • 28/01-03/02 2013
  • 21/01-27/01 2013
  • 14/01-20/01 2013
  • 07/01-13/01 2013
  • 31/12-06/01 2013
  • 24/12-30/12 2012
  • 17/12-23/12 2012
  • 10/12-16/12 2012
  • 26/11-02/12 2012
  • 12/11-18/11 2012
  • 05/11-11/11 2012
  • 29/10-04/11 2012
  • 01/10-07/10 2012
  • 24/09-30/09 2012
  • 17/09-23/09 2012
  • 03/09-09/09 2012
  • 27/08-02/09 2012
  • 20/08-26/08 2012
  • 13/08-19/08 2012
  • 06/08-12/08 2012
  • 30/07-05/08 2012
  • 23/07-29/07 2012
  • 16/07-22/07 2012
  • 09/07-15/07 2012
  • 02/07-08/07 2012
  • 25/06-01/07 2012
  • 18/06-24/06 2012
  • 04/06-10/06 2012
  • 28/05-03/06 2012
  • 21/05-27/05 2012
  • 14/05-20/05 2012
  • 07/05-13/05 2012
  • 23/04-29/04 2012
  • 16/04-22/04 2012
  • 09/04-15/04 2012
  • 02/04-08/04 2012
  • 19/03-25/03 2012
  • 12/03-18/03 2012
  • 05/03-11/03 2012
  • 20/02-26/02 2012
  • 13/02-19/02 2012
  • 06/02-12/02 2012
  • 30/01-05/02 2012
  • 23/01-29/01 2012
  • 09/01-15/01 2012
  • 02/01-08/01 2012
  • 24/12-30/12 2012
  • 19/12-25/12 2011
  • 12/12-18/12 2011
  • 05/12-11/12 2011
  • 28/11-04/12 2011
  • 21/11-27/11 2011
  • 14/11-20/11 2011
  • 07/11-13/11 2011
  • 31/10-06/11 2011
  • 17/10-23/10 2011
  • 10/10-16/10 2011
  • 03/10-09/10 2011
  • 26/09-02/10 2011
  • 19/09-25/09 2011
  • 05/09-11/09 2011
  • 29/08-04/09 2011
  • 22/08-28/08 2011
  • 15/08-21/08 2011
  • 08/08-14/08 2011
  • 01/08-07/08 2011
  • 25/07-31/07 2011
  • 18/07-24/07 2011
  • 11/07-17/07 2011
  • 04/07-10/07 2011
  • 27/06-03/07 2011
  • 20/06-26/06 2011
  • 13/06-19/06 2011
  • 06/06-12/06 2011
  • 30/05-05/06 2011
  • 23/05-29/05 2011
  • 16/05-22/05 2011
  • 09/05-15/05 2011
  • 02/05-08/05 2011
  • 25/04-01/05 2011
  • 18/04-24/04 2011
  • 11/04-17/04 2011
  • 04/04-10/04 2011
  • 28/03-03/04 2011
  • 21/03-27/03 2011
  • 14/03-20/03 2011
  • 07/03-13/03 2011
  • 28/02-06/03 2011
  • 21/02-27/02 2011
  • 14/02-20/02 2011
  • 07/02-13/02 2011
  • 31/01-06/02 2011
  • 24/01-30/01 2011
  • 17/01-23/01 2011
  • 10/01-16/01 2011
  • 03/01-09/01 2011
  • 26/12-01/01 2012
  • 20/12-26/12 2010
  • 13/12-19/12 2010
  • 06/12-12/12 2010
  • 29/11-05/12 2010
  • 22/11-28/11 2010
  • 15/11-21/11 2010
  • 08/11-14/11 2010

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op http://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!