Voor verhalen over Gent, Gravensteen, Griekenland, Grijsloke, Gezondheid, Geneeskunde, Gehoor, G-plek, Genealogie, Gerard, Georges, Gekheid-op-een-stokje... zie: www.bloggen.be/kris
Wie stuurt een tekening bij één van de mythologische verhalen? Per e-mail a.u.b. (kris.vansteenbrugge@skynet.be) . De mooiste tekeningen worden gepubliceerd. Vergeet niet uw naam te vermelden + naam van de school en klas.
.. Bij deze tweede druk wordt de volledige titel van het boek niet meteen onthuld op de cover. De pientere lezer heeft nochtans meteen in de gaten dat het hier wellicht niet gaat om het schuim dat verschijnt op een goed getapte pint gerstenat, doch wel om het schuim van de zee...
... en dat wordt dan ook al gauw bevestigd op pagina 5, en al op pagina 7 volgt de "ontraadseling".
Van de 136 verhalen worden er 17 geïllustreerd, op een buitengewoon ludieke en originele manier door de onvolprezen cartoonist-illustrator Kurt Vangheluwe. Deze laatste illustreert ook maandelijks het "Grieks-mythologische" horoscoopverhaal op de scheurkalender "De Druivelaar 2012".
Enkele pagina's zijn gewijd aan de stambomen van de belangrijkste goden en helden uit de Griekse mythologie. Dat maakt het werk zeer geschikt als studieboek voor de leerlingen van het middelbaar onderwijs alsook voor eenieder die zich wenst te verdiepen in de oude Griekse mythen en sagen.
xml:namespace prefix = v ns = "urn:schemas-microsoft-com:vml" />
(tekening Kurt Vangheluwe)
De oudste “oergodheid” was Chaos. Uit deze ontstonden Ouranos (de hemel), Gaia (de aarde) en Tartaros (de onderwereld). Gaia was getrouwd met Ouranos en uit hun nageslacht zijn onder andere de Olympische goden ontstaan. Dezen waren de belangrijkste goden uit de Griekse mythologie. Twaalf in getal waren ze en ze worden Olympisch genoemd omdat zij hun “officiële” verblijfplaats hadden in een paleis dat zich bevond op de top van de Olympos, een bijna drieduizend meter hoge berg in het noordoosten van Griekenland (ten zuidwesten van Thessaloniki). Hun namen: Zeus (de oppergod), Hera (zijn echtgenote), Poseidon (god van de zeeën), Demeter (godin van de landbouw), Hestia (godin van de huiselijke haard), Aphrodite (godin van de liefde), Athena (godin van de wetenschap en de krijgskunst), Hephaistos (god van de smeedkunst), Apollo (god van de schoonheid en van de geneeskunst), Artemis (godin van de jacht), Hermes (god van de handel) en Ares (god van de oorlog). Later is daar nog Dionysos bijgekomen, de god van de wijn, doch toen had Hestia zich reeds teruggetrokken, in de huizen van de gewone mensen om daar haar functie van godin van de haard optimaal te kunnen uitoefenen… en zodoende waren de Olympiërs weer met twaalf.
Gaia had echter ook betrekking met Tartaros. Hieruit kwam Typhon (of Typhoon) voort.
Typhoon, zoon van Gaia (de Aarde) en Tartaros (de Onderwereld) was het grootste en vreselijkste monster dat ooit heeft bestaan.
Zijn bovenste helft, tot aan zijn middel, had iets menselijks, maar onderaan bestond zijn lichaam uit twee slangen, zo groot dat het niet te beschrijven valt. Met zijn armen kon Typhon ten hemel reiken en de hele aarde omvatten. Hij kon brullen als een drieste leeuw en blaffen als een razende hond. Bij zijn halfzuster Echidna, zelf een dochter van Ouranos en Gaia, was hij de vader van de meest legendarische monsters uit de Griekse mythologie: de leeuw van Nemea, de Hydra van Lerna, de Kerberos of hellehond, de hond Orthros (die de runderen van Geryones hielp bewaken), de Chimaira, de slang Ladon (die de appelboom van de Hesperiden bewaakte), de Sfinx van Thebe. Op een dag haalde Typhon het in zijn hoofd om zich het meesterschap over hemel en aarde toe te eigenen.
Toen hij aanstalten maakte om de verblijfplaats van de goden op de Olympos te bestormen, veranderden dezen zichzelf in dieren om aan zijn razernij te ontsnappen: Zeus werd een ram, Dionysos een geit, Hera een koe, Ares een zwijn en… Aphrodite een vis.
De goden beschikten inderdaad over de bijzondere eigenschap dat ze andere gedaanten konden aannemen: gedaanten van andere mensen of van dieren, en ook van planten en zelfs levenloze dingen. Dat was vaak zeer handig om, zoals hier het geval is, aan eventuele belagers te ontsnappen. De onverbeterlijke eeuwig ontrouwe oppergod gebruikte de truc talloze keren om zijn echtgenote Hera om de tuin te leiden en zijn echtelijke ontrouw te verdoezelen. Zo benaderde hij de prinses Europa in de gedaante van een stier, Leda (echtgenote van koning Tyndareos van Sparta) in de gedaante van een zwaan, Alkmene (koningin van Thebe) in de gedaante van haar eigen man Amphitryon, en Danaë (dochter van de Argivische koning Akrisios) zelfs in de gedaante van een gouden regen…
Aphrodite is de godin van de liefde. Ze is ontstaan uit het schuim van de zee (cf. mijn gelijknamig boekop www.bloggen.be/dzeus) op de plaats waar de afgehouwen geslachtsdelen van Ouranos door zijn zoon Kronos in de zee werden geworpen. Zij is dus niet, zoals soms beweerd wordt, een dochter van Zeus, maar wel van Ouranos (de hemel) en Pontos (de zee). Talloos waren haar liefdesavonturen met vele sterfelijke en onsterfelijke mannen. Eén van haar bekendste affaires was die met Ares, de god van de oorlog. Uit hun beider vereniging sproot onder andere Eros voort, de god van de liefde. Eros wordt doorgaans voorgesteld als een lieve krullebol, die met graagte een boog hanteert, waarmee hij pijltjes afschiet, recht in het hart van goden en mensen: gouden pijltjes om de liefde op te wekken, loden pijltjes om het tegengestelde gevoel op te wekken. Hij had een uitstekende relatie met zijn moeder en meestal zien we het liefdesgodje dan ook in het gezelschap van Aphrodite.
Samen met haar zoon Eros, eveneens in de gedaante van een vis, zwom zij alover de zee tot in Egypte. Teneinde elkaar niet te verliezen, hadden zij hun staarten aaneengebonden met een touw.
Wie ondanks zijn gedaanteverwisseling niet aan Typhon ontkwam, was Zeus. Typhon overmeesterde hem, sneed hem de pezen van handen en voeten uit en verborg ze in een grot, waarvan hij de ingang bewaakte. De grote god was nu geheel machteloos. Maar de god Hermes en de bosgod Pan – die een zoon was van Hermes – slaagden erin de pezen van de oppergod weer te bemachtigen. Pan leidde Typhon af met zijn spel op de herdersfluit. Die fluit had hij eertijds gemaakt uit een rietstengel, waarin de goden de nimf Syrinx, op haar eigen verzoek, hadden veranderd om aan de avances van de lelijke bosgod te ontsnappen. Pan maakte van de rietstengel een herdersfluit, de zogenaamde panfluit, dewelke hij altijd liefdevol bij zich droeg.
Later heeft Hermes zelf zeer voordelig gebruik kunnen maken van de herdersfluit, die ook “syrinx” wordt genoemd, naar de nimf. Het was namelijk met een dergelijke fluit dat hij Argos, de reus met de honderd ogen, verschalkte toen deze in opdracht van Hera, Io gevangen hield, een geliefde van Zeus die door de oppergod in een koe was veranderd. Argos hield namelijk steeds minstens twee van zijn honderd ogen open, ook tijdens de slaap. Maar tegen Hermes’ fluitspel bleken die twee ogen niet opgewassen… (cf. het boek “Uit het schuim van de zee”, hoofdstuk 12).
Maar keren we terug tot Typhon… Terwijl het monster in de ban was van het spel van Pan, slaagde Hermes erin de pezen van zijn vader Zeus te bemachtigen en ze terug te bezorgen aan de oppergod, die daardoor zijn krachten nu helemaal terugvond.
Zeus herpakte zich en ging de strijd aan met Thyphoon.
Het werd een zware en uitputtende strijd met wisselende kansen, tussen de machtige god en het ontzaglijk monster. Het strijdperk was de hele wereld, tot ver buiten Griekenland…
Uiteindelijk slaagde de oppergod erin het monster met zijn bliksem neer te slaan op Sicilië en het zieltogende en vuurspuwende lichaam te verpletteren onder de Etnaberg.
We kennen allen de Etna als een van de actiefste vulkanen ter wereld, gelegen in het oosten van het eiland Sicilië. Op geregelde tijdstippen komt de vulkaan tot uitbarsting, bijna jaarlijks en vaak meerdere keren in hetzelfde jaar, vaak gepaard met woest gebrul en gedonder en soms met desastreuze gevolgen. En onophoudelijk stijgt er rook op uit de vulkaan. Dit alles komt, zegt men, doordat onder de berg het lichaam begraven ligt van het monster Typhon, wiens woede en razernij na al die jaren nog steeds niet bekoeld is…
Als herinnering aan de tijd dat Typhoon de Olympos bestormde, plaatsten de goden de twee vissen aan de sterrenhemel.
"Menig sterfelijke jongeling werd bemind door Eos, de godin van de dageraad".
Eos, die in het latijn Aurora heet, en die wij “de morgenstond” noemen, of “de dageraad”, is de dochter van de titaan Hyperion en de titanes Theia, beiden kinderen van de aarde (Gaia) en de hemel (Ouranos). Helios, de zon, is haar broer en Selene, de maan, haar zuster. Ze woont aan het oostelijk uiteinde van de wereld. Gehuld in een saffraankleurig kleed opent zij aldaar iedere ochtend , met daar roze vingeren, de hemelpoorten. Aldus verleent zijn doorgang aan haar broeder Helios, die uit de oceaan ten hemel opstijgt met zijn door twee goddelijke paarden getrokken zonnewagen, om ’s avonds onder te duiken in het westen. Zelf spoedt Eos zich dan naar de Olymposberg, de verblijfplaats van de goden, om er de komst van de zonnegod aan te kondigen.
Eos is een aantrekkelijke verschijning, die zelf talloze keren verliefd was, zowel op sterfelijke mannen als op onsterfelijken. Een van haar geliefden was Astraios, de zoon van haar oom, de titaan Krios. Zij schonk hem talrijke kinderen: de sterren en de planeten, alsook de winden (de noordenwind Boreas, de zuidenwind Notos, de westenwind Zephyros en de oostenwind Euros). Een andere was Kephalos, de koning van Thorikos, die gehuwd was met de Atheense prinses Prokris. Eos schaakte haar geliefde, doch deze keerde uiteindelijk toch naar zijn echtgenote terug, echter niet nadat Eos hem een paar kinderen had geschonken… Dat het uiteindelijk toch heel slecht afliep met Kephalos en Prokris kunt u lezen in mijn boek “Uit het schuim van de zee”, hoofdstuk 35.
Eos raakte ook verliefd op de oorlogsgod Ares. Het was in de tijd dat Ares een affaire had met de godin Aphrodite. Ares, die allesbehalve een trouwe minnaar was deelde ook het bed met Eos. Dat ontging Aphrodite niet en wie de grote liefdesgodin dwarsboomt in de liefde moet daar gewoonlijk de kwalijke gevolgen van dragen. Er ontstond een eeuwigdurende vete tussen Aphrodite en Eos. Bovendien strafte Aphrodite haar liefdesrivale door in haar hart een ziekelijke hartstocht te leggen voor sterfelijke jongelingen. De drie meest bekende jongemannen op dewelke Eos hartstochtelijk verliefd was zijn Orion – de jonge jager over wie wij het zullen hebben in het hoofdstuk “ Schorpioen” – en Tithonos en Ganymedes, twee prinsen uit het koningshuis van Troje.
“Zo waren Ganymedes en Tithonios, twee prinsen uit het koningshuis van Troje, het voorwerp van haar liefde.” [er staat “Tithonios”; de meer gangbare vorm is “Tithonos”]
Ganymedes was de zoon van Tros, een van de eerste koningen van Troje, en naar wie de stad werd genoemd. Volgens Homeros was Ganymedes de mooiste van alle stervelingen. Toen Eos deze mooie jongeling opmerkte, begonnen duizend vlinders te fladderen in haar onderbuik. Maar helaas…
"Ook de oppergod Zeus had zijn oog laten vallen op Ganymedes"..
… ook Zeus ontbrandde in liefde voor Ganymedes, toen hij hem een kudde schapen zag weiden op de flanken van de Idaberg in Klein-Azië.
“ Onder de gedaante van een arend ontvoerde hij de mooie jongeling naar de verblijfplaats van de goden op de Olymposberg.”
Zeus stuurde een arend – sommigen beweren dat hij zichzelf veranderde in een arend – die de jongen meenam naar de Olympos, alwaar hij hem aanstelde tot wijnschenker van de goden, oftewel “waterschenker” (de “waterman”!) voor diegenen onder de goden die van hun dokter alcoholverbod hadden gekregen.
“Als compensatie bekwam Eos van Zeus de onsterfelijkheid voor Tithonios.”
Ondertussen had Eos haar zinnen gezet op Tithonos, de zoon van een andere Trojaanse koning, Laomedon. Eos stal de mooie jongeling en nam hem mee naar Ethiopië. Ze hoopte dat ze nooit van hem afscheid zou moeten nemen en omdat hij een sterveling was richtte zij zich tot de oppergod Zeus, met de bede om haar geliefde het eeuwig leven te schenken. Zeus willigde haar verzoek in. Hij beschouwde dit ongetwijfeld als een compensatie voor de roof van haar eerdere geliefde Ganymedes…
“Ze had evenwel verzuimd ook de eeuwige jeugd voor haar geliefde te vragen”.
Had Eos gedacht dat het eeuwig leven meteen ook de eeuwige jeugd betekende, zoals dat bij de goden het geval is, en had zij daarom vergeten die eeuwige jeugd voor Tithonos erbij te vragen? Zolang Tithonos zijn jong en fris uiterlijk bleef behouden was alles koek en ei tussen de twee. Hij schonk Eos twee kinderen, waarvan Memnon de bekendste is. Deze werd koning in Ethiopië en tijdens de Trojaanse oorlog trok hij ten strijde tegen de Grieken. Hij doodde daar Nestors zoon Antilochos, maar werd later zelf gedood door Achilles. De morgendauw werd door de Grieken beschouwd als de tranen die Eos weende om Memnons dood.
“Deze schrompelde met de jaren ineen en veranderde uiteindelijk in een krekel”.
Met de jaren kwam Tithonos’ lichaam in verval. Hij takelde af, droogde uit, zijn stem werd schor en verdween tenslotte helemaal, diepe groeven doorploegden zijn lichaam en hij droogde uit, tot hij tenslotte niet meer toonbaar was. Eos verstopte hem en sloot hem op in een klein donker kamertje, waar ze hem eten bracht en verder goed verzorgde. Daar verschrompelde hij helemaal tot hij uiteindelijk veranderde in een krekel, een lelijk dier. Iedere dag stond Eos nu heel vroeg op om hem ’s morgens niet te moeten aanschouwen.
“Ook Tros, Ganymedes’ vader, werd schadeloos gesteld: Zeus schonk hem twee goddelijke paarden.”
De paarden die Zeus aan Tros schonk, ter compensatie voor het kidnappen van zijn zoon waren onsterfelijk: een goddelijk en dus kostbaar geschenk, waarmee de koning vrede nam. Die paarden waren tijdens de Trojaanse oorlog in het bezit van Aineias, een nakomeling van Tros in de vierde graad. Met die paarden trok Aineias ten strijde tegen de Argivische koning Diomedes, maar Diomedes ontfutselde hem de paarden en gebruikte ze zelf in een gevecht met de grootste Trojaanse held, Hektor.
Maar keren we terug tot Ganymedes.
“Ganymedes zelf werd door de oppergod aangesteld tot wijnschenker van de goden, zeer tot ongenoegen van de godin Hera, wier dochter Hebe die functie tot dan toe had vervuld.”
In de functie van wijnschenker nam Ganymedes dus de plaats in van Hebe, een dochter van Zeus en diens echtgenote Hera. Dat Hera het met die “functiewissel” niet eens was, wordt wel tegengesproken door enkelen. Zij beweren dat het Hera zelf was die, jaloers als zij was, haar echtgenoot had gedwongen de jongen tot wijnschenker aan te stellen, opdat hij hem dan enkel nog van op een afstand zou kunnen bewonderen…
“Later plaatste Zeus de geliefde jongeling als ‘de waterman’ tussen de sterren.”
Maar wie er daarna de functie van wijnschenker op zich heeft genomen is niet duidelijk. Was het weer Hebe? Of was hetHephaistos, de kreupele god van de smeden, aan wie de taak van wijnschenker tot dan toe slechts bij speciale gelegenheden was toevertrouwd, die nu de full-time job aangeboden kreeg?
We beginnen onze voorlaatste dag met een duurloop in het indrukwekkendePanathenaienstadion. Hierna volgt een tour door de stad. Er is immers heel wat te beleven in Athene. Er zijn de grote straten waarvan de interessantste de Venizelosstraat is met het gebouw van de Nationale Bibliotheek, het Universiteitsgebouw, de Academie van wetenschappen, de grote christelijke kerk van Dionysos Areopagitos en het wondermooie huis van de beroemde archeoloog Heinrich Schliemann. Verder zijn er de grote pleinen: Monasteraki, Omonia en Syntagma. Op dit laatste plein bevindt zich het parlementsgebouw waar iedere zondag de plechtige aflossing van de wacht gehouden wordt. Dit is een feestelijk gebeuren dat niet moet onderdoen voor de aflossing van de wacht bij Buckingham Palace. Er is ook een nationaal park met het Zappeion en het koninklijk paleis. Er zijn vele kerken en musea. Zeker het bezoeken waard is het Nationaal Archeologisch Museum, waar de meest waardevolle vondsten van over heel Griekenland bewaard worden. Vermelden we enkel het bijna twee meter hoge bronzen beeld van Poseidon, opgevist uit de zee nabij Kaap Artemision. Dit heeft model gestaan voor de tweede medaille van Grijslokes Olympiade (klik hier: www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=1435709). En boven alles en als beloning voor twee weken aandacht voor de klassieke cultuur: de Plaka!
D De sportieve kern van Loopclub Grijsloke poseert in het Panathenaienstadion.
Loopclub Grijsloke houdt duurloop in het Panathenaienstadion.
De academie van wetenschappen met rechts in de achtergrond de Lykabettosheuvel.
In het archeologisch museum: Micheline Demol en Eric Triest krijgen "deskundige uitleg" bij het beeld van Poseidon.
Een rustig hoekje in de Plaka.
2 augustus 1994. We keren huiswaarts met een enorme culturele bagage. De echte “sportievelingen” onder ons hebben hun fysieke conditie op peil gehouden door een dagelijkse duurloop van minstens een uur. En denk nu niet dat de bloemetjes niet werden buitengezet: iedere avond werd er feestgevierd, ouzo, retsina en bier vloeiden rijkelijk en de Griekse dansen bleken de Grijslookse lopers en loopsters goed te liggen. De winnaar van Grijslokes Spelen in Griekenland heet Hendrik Vanherzeele: hem zal nog veel eer te beurt vallen in het eigen vaderland. En niet te vergeten: een standbeeld en een levenslang pensioen. De apotheose.
Hendrik Vanherzeele: Grijslokes Olympisch kampioen.
Vanop de tachtig meter hoge rots die de Akropolis is, hebben we een prachtig uitzicht over de stad. In de verte, in het noordoosten, zien we de tweemaal zo hoge Lykabettosheuvel. In het westen en vlakbij, zijn drie heuveltjes: de Pnyx, de Muzenheuvel en de Nimfenheuvel. Nog dichterbij, tegenover de ingang van de Akropolis, zien we de Areopagosrots waar Orestes zijn beroemd proces kreeg na de moord op zijn moeder Klytaimnestra. Beneden, tegen de zuidelijke helling, zien we het theater van Dionysos en het nog volop gebruikte odeon van Herodes Atticus. Ten noorden: de agora, het beroemd uitgaanscentrum “de Plaka”, het Romeins forum met de toren der winden en de ontzaglijk grote bibliotheek van Hadrianus. Honderd meter ten oosten is het monument van Lysikrates. Van daar loopt een weg naar het zuidoosten, naar de merkwaardige Boog van Hadrianus, die toegang verleent tot het Olympeion waar zich de machtige Zeustempel bevindt die meer dan 110 meter lang is en meer dan 43 meter breed: een dipteros, met een dubbele rij zuilen dus. Van de in totaal 104 zuilen van Penthelisch marmer staan er nu nog 15 recht, met bewaarde Korinthische kapitelen en dwarsbalk. In dezelfde richting, maar zo’n vijfhonderd meter verder, zien we het machtig Panathenaienstadion dat aangelegd werd in een natuurlijk inzinking tussen twee heuvels. Het is hoefijzervormig, volledig uit marmer en het biedt plaats aan 70.000 toeschouwers. De bouw ervan was klaar in 1870 en in 1896 werden hier de eerste Olympische Spelen gehouden. Loopclub Grijsloke zal niet nalaten ook hier een sportieve prestatie ten beste te geven.
Het theater van Herodes Atticus dat nog volop gebruikt wordt.
De toren der winden.
De Boog van Hadrianus.
Foto vanop de Akropolis: we zien de tempel van Zeus (rechts-onder) alsook het Panathenaien-stadion (grotendeels verborgen achter een bosrijke heuvel).
Speciaal voor de lezers van De Druivelaar: In 2012 vindt u hier, de 20e van elke maand, het uitgebreid mythologisch verhaal omtrent het sterrenbeeld van de maand.
de Griekse mythologie in 136 verhalen (geïllustreerd)
Een perfect eindejaarsgeschenk voor uw cultuurminnendefamilieleden, vrienden en kennissen.
Vanaf 1.1.2012 is het boek enkel nog te verkrijgen bij de auteur (prijs 18,95 euro). Bestellen via tel. 056.215944 of via mail kvansteenbrugge@gmail.com. Voor leveringen in België worden geen verzendkosten aangerekend. Vermelden indien u een gesigneerd exemplaar wenst. Levering binnen de drie dagen.
Via de oude Panathenaienweg, waarlangs de gelijknamige processie optrok, bereiken we de toegangspoort tot de Akropolis. Boven op deze beroemde rots bevindt zich het meest bezochte antieke gebouwencomplex. Dit is het heiligdom van Pallas Athena op de Akropolis. Er zijn de Propyleeën (het entreegebouw), het Parthenon (de beroemdste antieke tempel en een wonder van architectuur), het Erechtheion met de Karyatidenhal, en het onvolprezen tempeltje van Athena Nike. Bij het Erechtheion groeit nog de olijfboom (of een afstammeling ervan) die er door de godin Athena zelf werd geplant en waarvoor zij de gunst van de stad kreeg, ten nadele van Poseidon. Deze was daarom zo kwaad dat hij zijn drietand vanuit de zee dwars door de Akropolis stootte; in de vloer van het Erechtheion zijn daarvan nog de sporen te zien. Op deze Akropolis was het dat Hephaistos zijn zuster Athena wilde verkrachten, maar de godin-maagd gaf hem zo’n ongelukkige stamp dat zijn zaad op de rots terechtkwam, in de schoot van moeder Gaia. Hieruit werd Erichthonios geboren, de echte stamvader van de Atheners. Vanop deze rots, vlak bij de Nike-tempel, stortte de wanhopige koning Aigeus zich in de zee (die toen tot tegen de Akropolis kwam) toen hij het schip van zijn zoon Theseus met zwarte zeilen zag terugkeren uit Kreta. Theseus had namelijk vergeten de zwarte zeilen door witte te vervangen, ten teken dat hij nog leefde. Wij vergeten niet een bezoek te brengen aan het Akropolismuseum, niet in het minst omdat zich daar het beeld van de treurende Athena bevindt. Het is een marmeren bas-reliëf dat hier ter plaatse is gevonden. Het staat model voor de vijfde en laatste medaille van Grijslokes Olympiade.
De Akropolis van Athene.
Het Parthenon.
Loopclub Grijsloke: op de drempel van het Parthenon.
Het Erechtheion, met de olijfboom, een geschenk van de godin Athena.
De strijd tussen Athena (Mieke Vandorpe) en Poseidon (Joost Vinckier). In de achtergrond: de Akropolis.
De Nike-tempel.
In het Akropolismuseum: beeld van de treurende (of peinzende...) Athena.
Van Eleusis tot Athene is nog twintig kilometer, maar we zitten reeds volop in de verpestende sfeer van chemische industrieën en uitlaatgassen van auto’s. Naarmate we het centrum van deze miljoenenstad naderen, wordt het er niet beter op. Athene is één van de meest verkeersdrukke en meest vervuilde steden van Europa. Maar deze stad herbergt een ongelooflijke schat aan klassieke overblijfselen. We beginnen onze tocht doorheen de stad bij de Keramikos, de antieke begraafplaats op ongeveer één kilometer ten noordwesten van de Akropolis. Deze plaats wordt niet overspoeld door toeristen; er zijn niettemin vele indrukwekkende grafmonumenten. Sommige zijn authentiek, andere zijn kopieën, waarvan het origineel zich bevindt in het Archeologisch Museum. Bij de Keramikos vinden we het Dipylon, dat de belangrijkste toegangspoort was tot de oude stad. Naast het Dipylon vinden we het Pompeion terug. In dit gebouw maakte men zich klaar voor de grote jaarlijkse Panathenaien-processie, dewelke hier van start ging. Ernaast bevindt zich de Heilige Poort, die zowel de heilige weg naar Eleusis als de Eridanosrivier overspande. Tussen deze plaats en de Akropolis ligt de Agora, waar zich het openbaar leven in het oude Athene afspeelde. De interessantste gebouwen zijn hier: de zeer goed bewaarde tempel van Hephaistos en de stoa van Attalos, die door Amerikaanse archeologen weer werd opgebouwd, naar het oorspronkelijk model. Deze stoa is nu als museum ingericht. De vondsten die op de agora gedaan werden zijn er tentoongesteld, evenals interessante maquettes van de agora en de Akropolis. Van de overige gebouwen op de agora was de tempel van Ares misschien wel de belangrijkste. Het was één van de weinige Griekse tempels ter ere van de oorlogsgod. Achteraf bekeken waren de Grieken een vredelievend volk…
Het grafmonument van Hegeso, één van de bekendste van de Keramikos.
Zicht op de agora, gezien uit de richting van de akropolis. Aan de overzijde van de agora: de tempel van Hephaistos, een dorische tempel uit de 5e eeuw v.C. Deze zeer goed bewaarde tempel wordt ook theseion genoemd vanwege de metopen met afbeeldingen van de heldendaden van Theseus en ook omdat hier het gebeente van Theseus zou begraven liggen...
De stoa van Atallos aan de oostelijke zijde van de agora. Volledig gerestaureerd in 1953-56. Nu een museum. In de achtergrond zien we de akropolis. We herkennen v.l.n.r.: het erechtheion, het parthenon en de propyleeën. We zien onder de propyleeën een paar grotten in de rotswand. In één van die grotten werd Kreousa, één van de dochters van de atheense koning Erechtheus, door Apollo verkracht (cf. het boek "Uit het schuim van de zee", hoofdstuk 33, pag. 103).
Maar de voornaamste reden van ons bezoek aan Eleusis is dat het op één na belangrijkste religieus complex van de klassieke oudheid zich hier bevindt. Jaarlijks trok aan het eind van de zomer een processie van Athene naar Eleusis. Er waren meerdaagse vieringen in het Telesterion, een grote inwijdingsruimte. Het waren Eleusinische inwijdingsceremoniën, die ’s nachts gehouden werden, bij fakkellicht. Deze mysteries waren geworteld in het ruwe boerenleven en hadden tot doel de mens met vreugde te leren leven en met hoop te sterven. Ze stonden in het teken van Demeter en haar dochter Persephone, die door Hades geschaakt werd: de opeenvolging van het verdriet om het afscheid en de vreugde om de terugkeer van de geliefde dochter, de opeenvolging van de seizoenen, van de stervende en weer oplevende natuur. Behalve dit Telesterion (een bijna vierkante ruimte van 52 bij 53 meter) vinden we hier als interessantste gebouwen: een tempel van Demeter en Persephone en het Plutonium. Dit laatste is een heiligdom van Hades alwaar volgens sommigen Persephone naar de onderwereld afgedaald zou zijn en later naar de aarde teruggekeerd. Verder vinden we een tempel van Artemis en Poseidon, grote en kleine propyleeën en de Kallichorosbron, waar Demeter treurde om haar dochter.
Het telesterion
Het Plutonium, met daarachter het hol van Pluto (Hades) via hetwelk Persephone naar de onderwereld werd gesleept.
De Kallichorosbron
Het blij weerzien van Persephone en Demeter, vertolkt door resp. Sylvie Vandendorpe en Christine Vandeputte, bij de ingang van het heiligdom van Eleusis. Achteraan links: het hol van Pluto.
Triptolemos, prins van Eleusis, wordt gekroond door Demeter en Persephone (relief in het Nationaal Museum, Athene). Voor het verhaal van Triptolemos: zie het boek "Uit het schuim van de zee", hoofdstuk 18.
We verlaten de Peloponnesos via de brug over het kanaal dat de Korinthische met de Saronische Golf verbindt. Honderd jaar geleden werd het in gebruik genomen. In de oude tijden werden de boten, ontdaan van hun lading, over land getrokken langs een weg waarvan nu nog delen te zien zijn: de Diolchos.
Het kanaal van Korinthe.
Een overblijfsel van de diolchos.
Net als Theseus nemen we de oude moeilijke weg naar Athene, die de kust van de Saronische Golf volgt. We zien bij Agii Theodori de grot waar de gevaarlijke zeug Phaia huisde. Ze werd door Theseus gedood. Bij Kaki Skala is er een zeer steile afgrond naar de zee. Hier stampte Theseus de boosdoener Skiron naar beneden. Het eilandje waarin Skiron veranderde, zien we liggen vóór de kust. Men noemt deze rots ook de Skironische rots. Dit zou ook de plaats geweest zijn waar Ino zich met Melikertes in de zee stortte.
De grot van Phaia.
Hier leefde de gevaarlijke zeug Phaia: de bossen van Kromyon.
De Skironische rots.
Megara laten we links liggen, maar dat kunnen we bezwaarlijk doen met Eleusis. Hier werd Aeschylos, de oudste van de drie Griekse dramaturgen, geboren. Hier ook verminkte Theseus de misdadige reus Prokroustes dodelijk, in zijn eigen bed, waarin hijzelf zoveel argeloze reizigers had gelokt…
Bij de ingang van het heiligdom van Eleusis wordt de Prokroustes-scène gespeeld: Theseus (Günther Hombecq) hakt de benen af van de wrede reus Prokroustes (Eric Triest).
De weg naar Isthmia moet ongeveer overeenkomen met de weg waarlangs Theseus zich naar Athene begaf. In Isthmia vlak bij de landengte, leefde er een booswicht, Sinis, bijgenaamd de dennenbuiger. Hij had de gewoonte twee dennenbomen naar elkaar toe te buigen en de voorbijgangers met de ledematen aan beide bomen vast te binden. Daarna liet hij de bomen rechtzwiepen waardoor het slachtoffer in tweeën gereten werd. Maar Theseus overwon Sinis en liet hem hetzelfde wrede lot ondergaan. Daar waren de Isthmische Spelen net aan de gang. Deze waren daar reeds enige tijd eerder ingesteld door de Korinthische koning Sisyphos ter ere van de zeegod Poseidon en ter nagedachtenis van Melikertes, wiens lijk hier was aangespoeld op de rug van een dolfijn. Van het oorspronkelijk stadion is vrijwel niets overgebleven; alleen de startlijn is nog goed te zien. Het speciale startsysteem dat bij de Spelen werd gehanteerd, is nog te herkennen.
Het startsysteem bij de Spelen.
Demonstratie van de start in Isthmia. Op de foto hieronder herkennen we duidelijk de "starter" (Didier, in een kuil in de grond), die door het loslaten van de touwtjes de dwarslatten laat vallen: de atleten (Willem en Gilbert) kunnen aan hun stadionloop beginnen... Het modern gebouw achteraan is het museum.
Vlak bij de startlijn zijn nog overblijfselen van het Palaimonion, een ronde tempel ter ere van Palaimon, zoals de vergoddelijkte Melikertes werd genoemd. Binnenin was een monumentaal kunstwerk dat de dolfijn voorstelde met de dode knaap op de rug. Dit thema staat uitgebeeld op de tweede medaille van Grijslokes Olympiade: die medaille staat in het teken van de oorsprong van de Isthmische Spelen en centraal staat de zeegod Poseidon. In Isthmia ie er ook de ruïne van een Poseidontempel met een groot altaar ervoor en omringd door stoa’s. Er zijn verder nog resten van een theater evenals een museum. Het latere stadion ligt aan de andere kant van de weg: men heeft het exact gesitueerd, maar het bevindt zich, zoals reeds gezegd, nog zes meter onder de grond.
Het palaimonion (reconstructie).
De tweede medaille van Grijslokes Olympiade: in de rand links (pijltje) is de dolfijn, afgebeeld met de dode Melikertes op de rug.
Overblijfselen van het Poseidonheiligdom in Isthmia. Van het oudste stadion is enkel nog een deel van het startgebied bewaard (links-onder). We zien de startlijn, lopend van links-boven naar rechts-onder. Het zwart vierkantje achter de startlijn is de kuil voor de starter.
We keren terug naar Epidauros voor een bezoek aan de antieke site. Het meest bezocht is hier het klassieke theater, schitterend gelegen op de flanken van de Kynortionheuvel. Het wordt nog steeds gebruikt, in de zomer, voor opvoeringen van klassieke tragedies. Met zijn 22.000 zitplaatsen is dit het grootste en best bewaarde theater van het Griekse vasteland. In dit theater, met zijn ongelooflijke acoustiek, bereikt Loopclub Grijsloke het hoogtepunt van zijn dramatisch kunnen: twee ballades worden voorgedragen en een stukje wordt gespeeld uit “Antigone” van Sophokles.
Gilbert en Didier in het theater van Epidauros (1993)
Willem Vanderstraeten draagt een ballade voor in het theater (1994)
Micheline en Hilde spelen "Antigone" (1994)
Hier is ook een interessant museum, maar bovenal is er het heiligdom van Asklepios, de god van de geneeskunde. Asklepios was de zoon van Apollo en van de nimf Koronis. Omdat Koronis hem ontrouw was, nog voor het kind was geboren, doodde Apollo haar en gaf Hermes opdracht het kind te redden door middel van een keizersnede. Asklepios werd opgevoed door de wijze kentaur Cheiron en bekwaamde zich dermate in de geneeskunde dat hij zelfs doden terug tot leven kon brengen. Dat zinde Zeus niet en hij doodde Asklepios met zijn bliksem. Dit alles speelde zich af in de streek van Thessalië, maar de cultus van Asklepios verplaatste zich naar Epidauros en van daaruit naar verscheidene andere streken in Griekenland en daarbuiten. De voornaamste “asklepions” bevonden zich op het eiland Kos, in Pergamon, Korinthe, Athene en Rome.
Beeld van Asklepios in het museum van Epidauros
Van ons bezoek aan het heiligdom van Asklepios in Epidauros onthouden we: (ruïnes van) de tempel van Asklepios, het abaton (de lighalle) en vooral de tholos waar de godheid begraven ligt en waar de heilige slangen werden bewaard. Deze tholos was de mooiste ronde tempel uit de klassieke oudheid. Tenslotte is er ook een stadion. Dit lijkt ons de geschikte plaats om de Isthmische Spelen te houden. In Isthmia zelf immers is het stadion nog niet opgegraven: het bevindt zich zes meter onder de grond…
Van de tholos is nog een behoorlijk stuk overgebleven; in Epidauros is klaarblijkelijk nog heel wat te restaureren...
Didier en Gilbert staan in bewondering voor het werk van een restaurateur (1993)
Het stadion
De atleten van Loopclub Grijsloke bij de start van de stadionloop in Epidauros (1994)
Het boek "Uit het schuim van de zee" (Griekse mythologie in 136 verhalen) valt blijkbaar in goede aarde. Een uitgebreide en meer dan hartverwarmende recensie staat te lezen op (klik hier) www.bloggen.be/tisallemaiet/archief.php?ID=1359842 . Hier alvast een uittreksel:
Uit het schuim van de zee.
Dit is het boek dat ik al in mijn jeugd koortsachtig zocht tot in de rommeligste boekenwinkels, op gezellige oude markten en hoog in het gebinte van ontelbare bibliotheken. Gij zult het niet vinden, zo klonk het t' allen kante, het boek dat gij zoekt, moet immers nog geschreven worden!
Dit hier is die ene, vaak vergeten peiler van de twee pilaren waarop de ganse westerse beschaving rust. Want naast het monotheïstische christendom dat sinds tweeduizend jaar de wereld overspoelde, is dit die andere en nog veel oudere bron, met wel duizend goden en evenveel verhalen: mysterieus en meer dan sprookjesachtig, maar o zo verklarend als wij díe vragen áchter de vragen stellen zoals bij uitstek kinderen dat doen. Hoe zijn wij uit de chaos voortgekomen? Waarom verbeeldt onze achillespees de kwetsbaarheid? Kan een man een kind baren uit zijn hoofd of uit een van zijn dijen?
(hier volgt een bespreking van de eerste 21 verhalen)
Maar hiermee werd de beknopte inhoud van slechts de eerste eenentwintig van de in totaal honderdzesendertig verhalen weergegeven. Ze bestrijken een kleine vierhonderd bladzijden en worden aangevuld met een vooral voor oningewijden bijzonder welkome, overzichtelijke genealogie en ook een uitgebreid trefwoordenregister. De tekst wordt verlucht door grappige pentekeningen van de grafische kunstenaar en cartoonist Kurt Vangheluwe. Het boek ligt vlot in de hand met zijn plooibare doch stevige kaft, de bladspiegel oogt fraai en ook lettertype en lettergrootte komen de leesbaarheid zeer ten goede. Een kanjer dan toch, een unicum in de Nederlandse taal en niet van de eerste de beste, een onschatbare rijkdom aan culturele bagage met eeuwigheidswaarde. Over pakweg driehonderd jaar zal men dit boek nog lezen in Vlaanderen en in Nederland, en zonder te overdrijven: als een boek het verdient om vertaald te worden, dan wel deze prachtige parel.
U hebt het ongetwijfeld vernomen via de media: enkele dagen geleden werd op het eiland Rhodos het schilderij "De jacht op het Kalydonisch everzwijn" teruggevonden. Het schilderij werd in de zomer van het jaar 2001 gestolen uit het museum voor Schone Kunsten te Gent. Een verhaal uit de Griekse mythologie wordt hier uitgebeeld. Het verhaal staat in geuren en kleuren in mijn pas verschenen boek "Uit het schuim van de zee" (hoofdstuk 30, pag. 94, 95 en 96). Het boek is te koop in de boekhandel (prijs 18,95€): het behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen, die elkaar opvolgen in een "min of meer (chrono)logische volgorde". Met zijn zeventien originele ludieke tekeningen is dit boek een uniek werk in de Nederlandse taal.
Eén van de kinderen van Oineus en Althaia was Meleager. Toen het kind geboren was stonden de drie schikgodinnen bij zijn wiegje: Clotho, Lachesis en Atropos. De schikgodinnen – ook Moiren genoemd – zijn de dochters van Zeus en de titanes Themis; zij zijn het die het lot van de mensen bepalen. Clotho voorspelde het kind een goede gezondheid, Lachesis voorspelde een roemvolle toekomst, Atropos voorspelde dat het kind net zolang zou leven tot het grote houtblok in de haard zou opgebrand zijn. Althaia was vreselijk aangedaan door deze voorspelling. Toen de drie Moiren het huis verlaten hadden greep ze haastig het brandend houtblok en gooide het in het water. Daarna ging ze het verstoppen in een donkere hoek van het paleis, waar niemand ooit kwam.XML:NAMESPACE PREFIX = O />
Alles zou verder goed gegaan zijn, ware het niet dat koning Oineus zich de woede van de godin Artemis op de hals had gehaald. Er was een voorspoedige tijd geweest in Kalydon – de oogst was overvloedig en het vee was gezond – en toen het tijd werd om de goden te danken, bracht Oineus gulle offers: veldgewassen voor Demeter, druiven voor Dionysos, olijven voor Athena. Aan Artemis evenwel had hij niets geofferd. Vergeten! De godin had minstens een geit of een schaap of een reebokje verwacht, maar... niets! Artemis was weer eens diep vernederd en de gevolgen zouden weer niet uitblijven. Zij stuurde een ontiegelijk groot everzwijn naar Kalydon, dat de vruchten des lands vernietigde en de mensen aanviel, zowel als het vee. Niemand slaagde erin het dier te vangen en te doden. Tot uiteindelijk ’s konings zoon Meleager alle heldhaftige krijgers uit de streek opriep om zich te verenigen en een gezamenlijke jacht in te zetten tegen het everzwijn. Velen gaven gehoor aan de oproep. Onder hen ook een vrouw, Atalante: een jonkvrouw van koninklijken bloede, uit Arkadia, die meer dan behoorlijk overweg kon met pijl en boog. Velen van de krijgers stonden afkerig tegenover haar deelname. Sommigen vonden het vernederend te moeten vechten aan de zijde van een vrouw en haakten af. Maar Meleager, onder de indruk van de charmes van deze bekoorlijke jonge vrouw, liet haar niettemin mee ten strijde trekken.
Algauw bleek de strijd tegen de Kalydonische ever geen gemakkelijke klus te zijn. De ever beukte onvervaard in op het legertje gewapende mannen en aanvankelijk slaagde niemand erin het dier te treffen terwijl velen van de mannen zelf ernstig gewond raakten. Men begon reeds te twijfelen aan de goede afloop van de onderneming toen het dier plots neerzeeg, getroffen door één van Atalantes pijlen. Meleager rende op de ever af en doorboorde hem met zijn speer. Hij stroopte het dier het vel af en hieuw de kop van het lijf. De kop en het vel schonk hij als trofee aan Atalante, omdat zij de ever het eerst had getroffen. De twee broeders van Althaia, die ook aan de strijd hadden deelgenomen, protesteerden daar hevig tegen en eisten zelf de trofee op. Daarop ontstak Meleager in dolle woede en hij doodde zijn beide ooms.
Toen Althaia de uitslag van de veldtocht vernam was zij verheugd. Doch algauw maakte haar blijdschap plaats voor afgrijzen, toen men de lijken van haar beide broeders voor haar voeten kwam neerleggen. Op slag begon zij de goden te aanroepen en smeekte hun de moordenaar te straffen met de dood, niet wetend dat de moordenaar niemand anders was dan haar eigen teergeliefde zoon. De dood van haar broeders mocht niet ongewroken blijven. Ook niet toen de afschuwelijke waarheid tot haar was doorgedrongen. Ze nam het weggeborgen half opgebrand houtblok en wierp het in het vuur. En met het houtblok smeulde ook het leven weg uit het stoere lichaam van haar fiere zoon. En nog vooraleer hij de geest gaf had Althaia zichzelf het leven benomen, door verhanging...
Dit is een van de 17 tekeningen, van de hand van Kurt Vangheluwe, uit het boek “Uit het schuim van de zee” (400 pag.) dat rond deze tijd verschijnt. Deze tekening is een illustratie bij verhaal nr. 15 (zie op deze blog nr. 12 d.d. 25/6/2007). Ino, dochter van Kadmos, wordt achtervolgd door haar woedende echtgenoot Athamas. Deze is verbolgen omdat Ino de kinderen van zijn eerste echtgenote, de godin Nephele, ten onrechte heeft laten offeren (zie het offeraltaar met de bijl op de tekening). Maar de kinderen zijn ontsnapt op de rug van een vliegende ram met een gouden vacht (hier met vleugels afgebeeld). Nephele wordt duizelig en zal naar beneden storten maar Phrixos zal veilig aan land komen in een ver land, waar hij de ram zal offeren aan de god Ares en waar de gouden vacht aan een boom zal gehangen worden, bewaakt door een vervaarlijke draak. Ino, met haar spartelend zoontje Melikertes in de armen zal van een hoge rots in zee storten. Beiden zijn dood, maar worden door de goden tot de goddelijke rang verheven. Het dode lichaam van Melikertes wordt door een dolfijn aan wal gebracht (al lijkt de knaap op de tekening springlevend...)
De laatste drukproef (de zesde!) is OK bevonden. Het wachten is nu nog op de definitieve uitgave. Ondertussen ben ik wel (aangenaam) geschrokken van een recensie van Jan Bauwens. Wenst u ook even aangenaam te schrikken, klik dan hier: www.bloggen.be/portretten/archief.php?ID=1243371 .
We zijn aangeland in Epidauros, de plaats aan de oostkust van Argolis, waar het mooiste en best bewaarde Grieks theater uit de oudheid zich bevindt, alsook het heiligdom van Asklepios, de god van de geneeskunde. Hier is ook een stadion en dat is een ideale plaats om weer eens “Spelen” te houden. Hoe dat allemaal verlopen is, vertellen wij u ná de grote vakantie. We houden het nu inderdaad zo lang voor bekeken. De ervaring heeft ons geleerd dat deze blog tijdens de examenperiode en de daaropvolgende vakantie toch al veel minder frequent bezocht wordt dan tijdens de rest van het jaar. Daarenboven kunnen wij de aldus vrij gekomen tijd goed gebruiken om te werken aan “Het schuim van de zee”, een boek waarmee we in een “logische opeenvolging” van 136 verhalen en 17 ludieke tekeningen een vrij volledig overzicht trachten te geven van de Griekse mythologie. Wij hopen dat het vrij lijvig boek (ongeveer 400 pagina’s) rond het begin van het schooljaar in de boekenwinkels zal liggen en dat het een standaardwerk mag worden voor alle humaniorastudenten en voor allen die geïnteresseerd zijn in de antieke cultuur. Tijdens de komende weken houden wij u op de hoogte betreffende de vorderingen die gemaakt zijn omtrent het boek.
Vier kilometer ten zuiden van Tiryns ligt aan de Argolische Golf het stadje Nauplion dat van 1829 tot 1834 hoofdstad van Griekenland is geweest. Niet ver hiervandaan ligt de badplaats Tolo. Daar nemen we een “vrije dag”: de meesten doen er aan watersport, nl. zwemmen, pedalo- en kanovaren.
Op de weg van Nauplion naar Epidauros komen we na vier kilometer aan het Byzantijns klooster Agia Moni. Daar in de nabijheid bevindt zich de Kanathosbron waar Hera eens per jaar een ritueel bad nam en op die wijze telkens haar maagdelijkheid hernieuwde.
Zeus (Eric Vancoppenolle) port Hera (Jenny Depaepe) aan om te baden in het water van de Kanathosbron, teneinde haar maagdelijkheid te hernieuwen.
Ook deze rituele "doping" door Hera met water uit de Kanathosbron heeft tot doel aan alle deelneemsters aan de Heraien in Olympia hun maagdelijkheid terug te schenken; hier zijn vlnr. Mieke, Sylvie en Hilde aan de beurt.
Didier en Gilbert drinken het water van de Kanathosbron in 1993, met geen ander doel dan hun dorst te lessen...
Bij het dorp Ligurio – we zijn vlakbij het antieke Epidauros – is er een zijsprong van zowat vijftig kilometer naar Troizen. In die stad was het dat Aithra, dochter van de plaatselijke koning Pittheus, zwanger werd gemaakt door Aigeus, koning van Athene. Zij baarde Theseus die, eens tot jongeling opgegroeid, te voet naar Athene trok en op zijn tocht alle bandieten die de streek onveilig maakten, uit de weg ruimde. Theseus volgde zijn vader op als koning van Athene. Hij zou zich ontpoppen tot één van Griekenlands grootste helden, dé grootste na Herakles. In Troizen speelde zich ook het wansmakelijk drama af tussen Theseus’ zoon Hippolytos en zijn verliefde schoonmoeder Phaidra, dat eindigde met de dood van beiden. Hippolytos had hier zijn tempel en daar zijn nog de grondvesten van over; dat geldt ook voor een asklepion en voor de tempel van Aphrodite Kataskopia.
De burcht van Tiryns is een Mykeense vesting op een twintig meter hoge ovalen kalksteenheuvel. De omringende muren zijn 800 meter lang en op sommige plaatsen tot 7,5 meter dik. Dit zijn de meest indrukwekkende cyclopische muren en ze werden door Pausanias vergeleken met de Egyptische pyramides. Zoals in alle Mykeense paleizen is het megaron ook hier het centrale gebouw; men bereikt het via kolossale poorten, propyleeën en binnenhoven. Deze burcht wordt veel minder door toeristen bezocht, doch is nauwelijks kleiner dan die van Mykene. In feite is hij interessanter, ook al doordat er meer van overgebleven is.
Gilbert en Roger bij de burcht van Tiryns
De burcht van Tiryns: hoofdtoegang tot de akropolis
Er is de laatste weken hard gewerkt aan het boek "Uit het schuim van de zee" (de Griekse mythologie in 136 verhalen). Hier een ontwerp voor de cover (voor- en achterkant) van het boek, dat waarschijnlijk zal verschijnen tijdens de grote vakantie. Hierbij ook één van de 17 verhalen uit het boek, die op een ludieke manier geïllustreerd zijn door de talentrijke Vlaamse illustrator-cartoonist Kurt Vangheluwe.
(uittreksel uit "Het schuim van de zee)
8. Arachne.
Athena, godin van de wijsheid en de wetenschappen, was een “bijna” perfecte godheid. Zij schonk de mensheid allerlei nuttige werktuigen: de ploeg is er één van, en het weefgetouw. En zij leerde de mensen de kunst van het weven. Toch had ze ook haar kleine kantjes...
Nooit is Athena verliefd geweest, nimmer heeft zij kinderen gebaard. Wie haar naaktheid aanschouwd had, hetzij met opzet, hetzij per ongeluk, strafte ze met blindheid. Dat ervaarde een sterveling, Teiresias, die haar verraste terwijl ze zich baadde. Ze ontnam hem het licht uit zijn ogen. Doch achteraf kreeg ze daar spijt van en ter compensatie schonk zij hem de gave van de helderziendheid en de voorspelling, een gave die hij ook na zijn dood mocht behouden in de onderwereld. Er is evenwel een ander verhaal over de beroemde ziener Teiresias, hoe hij blind werd en de gave van de profetie kreeg, maar dat vertel ik een andere keer.
Zoals alle goden wenste ook Athena naar waarde geëerd te worden. Als ze zich op dat gebied te kort gedaan voelde, kon ze vaak meedogenloos uit de hoek komen. Ziehier wat Arachne is overkomen. Zij was een meisje uit de streek van Miletos in Klein-Azië. Als kind reeds had Arachne een buitengewone aanleg voor kunst. Athena zelf bemoeide zich met haar opvoeding en leerde haar de fijnste knepen van de weefkunst. Weldra was het meisje in staat, naar sommigen beweren, om mooiere stukken te weven dan Athena zelf, en alom werd zij geprezen vanwege haar kunst. Maar de roem steeg haar naar het hoofd en ze begon hoogmoedig te worden: menselijke “hybris”, die de goden verafschuwen. Aan al wie het horen wilde, vertelde ze dat ze Athena ver overtrof in de kunst van het weven. Ze ontkende daarenboven dat ze ook maar iets van de godin geleerd had. Ze beweerde dat ze alles uit zichzelf kon. Toen Athena dat vernam, ging ze bij Arachne op bezoek, vermomd als een oud vrouwtje. Ze probeerde Arachne tot nederigheid te bewegen en haar wat meer eerbied en dankbaarheid te doen betuigen jegens haar leermeesteres en jegens de goden. Maar Arachne riep uit in al haar hoogmoed:
- Laat ze zich dan met mij meten, als ze durft, uw godin. Laten we beiden een weefstuk maken, opdat iedereen kan oordelen hoezeer ik haar overtref.
Daarop legde Athena, uitermate ontstemd, haar vermomming af en zij ging met Arachne de wedstrijd aan om ’t mooiste weefstuk. Arachne weefde een kunstwerk dat de goden voorstelde op de Olympos. Het bleek van zo’n perfectie te zijn dat de prestatie onmogelijk kon geëvenaard, laat staan verbeterd worden. En Athena, verre van toe te geven dat het meisje iets onovertrefbaars had gemaakt, beschimpte het werk van Arachne, zeggende dat ze de goden had afgebeeld in onzedige houdingen en dat het werk allerminst getuigde van eerbied voor de goden. Ze scheurde het werk aan flarden en dreigend liep ze op Arachne toe. Deze werd plots bevangen door een panische angst en ze vluchtte naar haar vaders atelier, alwaar ze zich met een touw ophing aan een balk. Toen Athena het levenloze lichaam van het meisje aanschouwde, kreeg ze spijt van haar brutaal optreden: ze veranderde het dode lichaam in een spin en ze droeg haar op verder te weven... tot in eeuwigheid.
Niet ver van het Heraion ligt het dorp Dendra, waar zich een Mykeense necropolis bevindt en waar de beklimming van Midea begint. Op de top van de berg bevinden zich de resten van de burcht die Perseus er liet bouwen in de 14e eeuw v.C., nadat hij Argos had verlaten (zie: www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=28). Hier werd Alkmene geboren. Zij was de dochter van Perseus’ zoon Elektryon en de moeder van Herakles. Later kwamen Atreus en Thyestes hierheen, de twee zonen van Pelops die door hun vader uit Elis waren verbannen. Na een wrede twist tussen de beide broers, eigende Atreus zich uiteindelijk Mykene toe, waar hij tenslotte werd opgevolgd door zijn zoon Agamemnon. De burcht van Midea werd verwoest in de 12e eeuw v.C. We kunnen nog de cyclopische muren zien en in het zuidoosten resten van een vierkante toren. We zijn hier op luttele kilometers van de burcht van Tiryns, de geboorteplaats van Herakles.
Midea: op de top van deze berg liet Perseus een burcht bouwen...
Van het oude Korinthe trekken we nu weer zuidwaarts naar Argos en het heiligdom van Hera, de schutspatrones van deze streek. Dit Heraion bestond uit een aantal gebouwen, onder andere twee tempels en verscheidene stoa’s, gelegen op terrassen die zich op drie verschillende niveau’s bevonden. In de nieuwste van de twee tempels stond een houten, met goud en ivoor beslagen standbeeld van Hera, met in de hand een scepter met een koekoek erop, haar lievelingsvogel. Sculpturen op het oostfronton beeldden de geboorte van Zeus uit. Op het westelijk fronton was de inname van Troje uitgebeeld. Hier verzamelden de Griekse vorsten zich en schaarden zich rond Agamemnon, vóór ze optrokken tegen Troje. Kidippe was één van de priesteressen van Hera. Toen de ossen die haar naar de tempel moesten brengen op een dag niet beschikbaar waren, trokken haar zonen Kleobis en Biton zelf de ossenwagen. Kidippe vroeg Hera haar zonen daarvoor te belonen, en Hera beloonde hen… met een plotse dood. Hun standbeelden hebben wij bewonderd in het museum van Delphi. (klik hier: www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=948349)
In het Heraion: terrassen op drie verschillende niveau's
De landengte van Korinthe, de isthmos, is niet ver hier vandaan. We begeven ons in oostelijke richting naar het oude Korinthe. Na een bezoek aan deze eertijds zo belangrijke stad – één van de belangrijkste ter wereld – zullen we weer richting zuiden kiezen, want ons bezoek aan Argolis nog lang niet ten einde. De ruïnes van de oude stad, die 2500 jaar geleden zowat een half miljoen inwoners telde, liggen ongeveer zes kilometer ten zuiden van het moderne Korinthe, waar nu nog amper twintigduizend mensen leven. De stad stond in verbinding met twee havens: Kenchreai aan de Saronische Golf en Lechaion aan de Korinthische Golf. Wij zien er de agora waar de heilige Paulus zijn toespraken hield. Hier ook was het dat de wijsgeer Diogenes naakt rondliep bij klaarlichte dag, met een lantaarn in de hand, op zoek naar… een mens. Call-girls ontbraken niet in deze mondaine havenstad. Talrijk zijn de ruïnes van hotels, winkels en zuilengaanderijen. Talrijk zijn ook de tempels, waarvan de belangrijkste Dorisch is, nl. de tempel van Apollo, daterend uit de 6e eeuw v.C.; er staan nog zeven zuilen van overeind. Interessant is de beneden-Peirenebron met bijhorende koer, alsook de bron van Glauke. Deze laatste was een Korinthische prinses met wie Jason een nieuw huwelijk wilde aangaan. Maar Jasons verstoten echtgenote Medea schonk Glauke een vergiftigd bruidskleed dat haar lichaam deed verschroeien zodra ze het aangetrokken had. In paniek sprong Glauke in de bron en verdronk. De belangrijkste straat is de Lechaionstraat: ze loopt van de agora noordwaarts naar de haven. Verder zijn er een odeon en een theater. Zo’n vierhonderd meter ten noorden van de agora is er een heiligdom van Asklepios met een gymnasion en de zogenaamde Lernabron. In het zuiden: de Akrokorinth, die 575 meter hoog is. Aan de voet van deze heuvel lag een heiligdom van Demeter en Persephone, waarvan nog overblijfselen te vinden zijn. En boven is er een burcht die dateert uit de 7e eeuw v.C., de boven-Peirenebron en het heiligdom van Aphrodite dat meer dan duizend tempeldienaressen telde. Zij waren in feite prostituees die er rondliepen met lichtjes om zo de aandacht te trekken in de benedenstad. Die lichtjes waren ongetwijfeld de voorlopers van de veelkleurige lampen van de moderne huizen van plezier.
De tempel van Apollo in Korinthe
De bron van Glauke
De Lechaionstraat
De weg naar de Akrokorinth
De Akrokorinth met bovenop de burcht; vooraan de tempel van Apollo
Er is deze week hard gewerkt aan het boek "Uit het schuim van de zee" (de Griekse mythologie in 136 verhalen). Hier een ontwerp voor de cover (voor- en achterkant) van het boek, dat waarschijnlijk zal verschijnen tijdens de grote vakantie. Hierbij ook één van de 17 verhalen uit het boek, die op een ludieke manier geïllustreerd zijn door de talentrijke Vlaamse illustrator-cartoonist Kurt Vangheluwe.
8. Arachne.
Athena, godin van de wijsheid en de wetenschappen, was een “bijna” perfecte godheid. Zij schonk de mensheid allerlei nuttige werktuigen: de ploeg is er één van, en het weefgetouw. En zij leerde de mensen de kunst van het weven. Toch had ze ook haar kleine kantjes...
Nooit is Athena verliefd geweest, nimmer heeft zij kinderen gebaard. Wie haar naaktheid aanschouwd had, hetzij met opzet, hetzij per ongeluk, strafte ze met blindheid. Dat ervaarde een sterveling, Teiresias, die haar verraste terwijl ze zich baadde. Ze ontnam hem het licht uit zijn ogen. Doch achteraf kreeg ze daar spijt van en ter compensatie schonk zij hem de gave van de helderziendheid en de voorspelling, een gave die hij ook na zijn dood mocht behouden in de onderwereld. Er is evenwel een ander verhaal over de beroemde ziener Teiresias, hoe hij blind werd en de gave van de profetie kreeg, maar dat vertel ik een andere keer.
Zoals alle goden wenste ook Athena naar waarde geëerd te worden. Als ze zich op dat gebied te kort gedaan voelde, kon ze vaak meedogenloos uit de hoek komen. Ziehier wat Arachne is overkomen. Zij was een meisje uit de streek van Miletos in Klein-Azië. Als kind reeds had Arachne een buitengewone aanleg voor kunst. Athena zelf bemoeide zich met haar opvoeding en leerde haar de fijnste knepen van de weefkunst. Weldra was het meisje in staat, naar sommigen beweren, om mooiere stukken te weven dan Athena zelf, en alom werd zij geprezen vanwege haar kunst. Maar de roem steeg haar naar het hoofd en ze begon hoogmoedig te worden: menselijke “hybris”, die de goden verafschuwen. Aan al wie het horen wilde, vertelde ze dat ze Athena ver overtrof in de kunst van het weven. Ze ontkende daarenboven dat ze ook maar iets van de godin geleerd had. Ze beweerde dat ze alles uit zichzelf kon. Toen Athena dat vernam, ging ze bij Arachne op bezoek, vermomd als een oud vrouwtje. Ze probeerde Arachne tot nederigheid te bewegen en haar wat meer eerbied en dankbaarheid te doen betuigen jegens haar leermeesteres en jegens de goden. Maar Arachne riep uit in al haar hoogmoed:
- Laat ze zich dan met mij meten, als ze durft, uw godin. Laten we beiden een weefstuk maken, opdat iedereen kan oordelen hoezeer ik haar overtref.
Daarop legde Athena, uitermate ontstemd, haar vermomming af en zij ging met Arachne de wedstrijd aan om ’t mooiste weefstuk. Arachne weefde een kunstwerk dat de goden voorstelde op de Olympos. Het bleek van zo’n perfectie te zijn dat de prestatie onmogelijk kon geëvenaard, laat staan verbeterd worden. En Athena, verre van toe te geven dat het meisje iets onovertrefbaars had gemaakt, beschimpte het werk van Arachne, zeggende dat ze de goden had afgebeeld in onzedige houdingen en dat het werk allerminst getuigde van eerbied voor de goden. Ze scheurde het werk aan flarden en dreigend liep ze op Arachne toe. Deze werd plots bevangen door een panische angst en ze vluchtte naar haar vaders atelier, alwaar ze zich met een touw ophing aan een balk. Toen Athena het levenloze lichaam van het meisje aanschouwde, kreeg ze spijt van haar brutaal optreden: ze veranderde het dode lichaam in een spin en ze droeg haar op verder te weven... tot in eeuwigheid.
Na ons uitgebreid bezoek aan Nemea gaat de reis langs wat moeilijker wegen verder naar het hoger gelegen Stymphalia op de flanken van de Kilini. Daar zijn resten van tempels, maar belangrijker is wel dat Herakles daar aan de oevers van het meer weer één van zijn werken tot een goed einde heeft gebracht door er de Stymphalische vogels te verjagen (klik hier: www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=71). Het is de bedoeling om van hieruit doorheen het woeste Arkadisch bergland naar het oude Sikion te rijden. Dat is wel een enigszins gevaarlijke tocht, doch onweerstaanbaar!
Sikion is zowel op historisch als op mythologisch gebied belangrijk geweest. Hier vond de Thebaanse prinses Antiope, door Zeus zwanger gemaakt van de tweeling Amphion en Zethos, een onderkomen bij koning Epopeus (klik hier: www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=122). Er is nog heel wat te zien: een akropolis met een theater en een restant van een stadion, een agora met een tempel, een bouleuterion en een stoa, een gymnasion en een Romeins bad. Dit laatste doet nu dienst als museum, maar… ’t museum is gesloten. In de oudheid werden hier, gedurende een periode van honderd jaar de Spelen gehouden, die normaliter in Isthmia, in de buurt van de landengte van Korinthe, plaatsgrepen: de Isthmische.
In Nemea stond ook de stadionloop (dromos) op het programma. Hier de mannelijke atleten van Loopclub Grijsloke aan de startlijn.
Ook het verspringen (halma) werd beoefend. Hier Gunther Hombecq in actie. Zoals in de oudheid werd er gesprongen "uit stand" en met springgewichten. Micheline Demol, Eric Triest en Christine Vandeputte zijn aandachtige toeschouwers.
Een halve kilometer van het stadion verwijderd is het heiligdom van Zeus met in de eerste plaats de Dorische tempel uit de 4e eeuw v.C., waarvan nog drie zuilen rechtop staan. Typisch voor deze tempel is het aditon dat twee meter diep ligt en via trappen te bereiken is. Waarschijnlijk werd hier Opheltes vereerd...
De tempel van Zeus in Nemea: een ruïne met nog drie rechtopstaande zuilen.
Gilbert en Didier lijken wel dwergen naast de drie Dorische zuilen.
Hoe het heiligdom van Nemea er uitzag kan men zien in het museum. Gilbert Terras, Hendrik Vanherzeele, José Thijs en Daniël Malfait bewonderen de maquette.
Liggend in het aditon van de Zeustempel in Nemea: onze jongste deelnemer (Gunther Hombecq) "speelt" de dode prins Opheltes...
De (bijna voltallige) ploeg van Loopclub Grijsloke in het heiligdom van Zeus (Nemea).
We nemen de grote weg naar Korinthe en bij het dorp Dervenaki slaan we links af richting Kilinigebergte. Al na enkele kilometers, zo herinner ik mij van een vorige reis, was hier aan de linkerkant van de weg een gedeelte van het stadion waar de Nemeïsche Spelen plaatsvonden. Het ander gedeelte lag aan de rechterkant van de weg en was toen nog niet opgegraven. Recentelijk werd het stadion in zijn gehele lengte blootgelegd en daarvoor heeft hier dus een deel van de oude weg moeten plaatsmaken. Het stadion zoals het er nu bijligt, blakend in de zon, is een meer dan aangename verrassing. De Nemeïsche Spelen werden gesticht door Amphiaraos. Hij was één van de zeven die onder de leiding van koning Adrastos van Argos tegen Thebe ten strijde trokken. Door hun schuld werd de jonge prins Opheltes hier doodgebeten door een slang. Ter nagedachtenis van Opheltes werden deze Spelen gehouden, rouwspelen bij uitstek (klik hier: www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=41)Op dit mooie stadion beoefenen wij het lopen, het vérspringen en het discuswerpen. Omdat hier maar weinig toeschouwers zijn, wordt de klassieke lendendoek even weggelaten, hetgeen in de oudheid vanaf omstreeks 720 v.C. immers de regel was.
We vermoeden dat niet ver hier vandaan het hol van de leeuw van Nemea moet geweest zijn, de leeuw die door Herakles werd gedood, ter vervulling van het eerste van zijn “twaalf werken” (klik hier: www.bloggen.de/dzeus/archief.php?ID=49).
Deze weg liep enkele jaren geleden dwars doorheen het stadion. Enkel het gedeelte links van deze weg was toen al blootgelegd. Werd hier prins Opheltes doodgebeten?
Zo'n dertig jaar geleden was slechts een deel van het stadion blootgelegd.
Een gedenkplaat aan de ingang van het stadion: de opgravingswerken werden hier verricht door de universiteit van Berkeley (Californië). Op de foto (vlnr): Daniël, Micheline, Willem.
Zo ligt het stadion er nu bij.
Vooraan: de looppiste met zitplaatsen. Uiterst links de uitgang van de tunnel waar de atleten het stadion binnentraden. Uiterst rechts enkele zuilen van de 500 m verderop gelegen Zeus-tempel.
De atleten van Loopclub Grijsloke betreden "het strijdperk".
Willem Vanderstraeten bij het discuswerpen in Nemea.
We betreden de burcht via de leeuwinnenpoort. Door deze poort moet Agamemnon zijn gegaan, samen met zijn oorlogsbruid Cassandra, bij zijn triomfantelijke terugkeer uit Troje. De triomf zou echter van korte duur zijn: beiden werden vermoord door Agamemnons echtgenote Klutaimnestra en diens minnaar Aigistos. Een eerste belangrijke bezienswaardigheid binnen de muren is de “grafcirkel A”. Hier vond de Duitse archeoloog Schliemann in 1876 in een zestal schachtgraven de resten van negentien lichamen. Naast die lichamen lag een schat van gouden, zilveren en bronzen voorwerpen: juwelen, wapens, borstplaten, bekers. Het beroemdste onder die voorwerpen is ongetwijfeld het gouden masker, waarvan Schliemann veronderstelde – ten onrechte zoals later is gebleken – dat het een dodenmasker van Agamemnon was. Dit masker zullen we later op onze reis kunnen bewonderen in het archeologisch museum van Athena.
Via een helling klimmen we op naar het koninklijk paleis. Onze bijzondere aandacht gaat naar de badkamer. Hier werd Agamemnon doodgestoken door zijn eigen vrouw. Ideaal om deze moordscène na te spelen, op de plaats waar dit drama écht heeft plaats gevonden, zo’n twaalf eeuwen vóór Christus (klik hier: www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=31128) .
De loopclub bij de leeuwinnenpoort.
De grafcirkel A.
Even uitrusten tijdens de beklimming naar het paleis.
De Mykeense vlakte gezien vanop de burcht, links een 20-tal bussen, rechts de leeuwinnenpoort.
Gilbert in het megaron van het koninklijk paleis van Mykene.
De badkamer waar Agamemnon de dood vond.
Uit het boek "Grijslokes Olympiade" (1997, pag. 111). Johan Dhaenens speelt Agamemnon, Trui Declercq speelt Klutaimnestra.
Een jaar of tien tevoren had ik die scène al eens gerepeteerd in Mykene (met Fanny, maar dit is blijkbaar niet in de badkamer...)
Mykene ligt ongeveer tien kilometer ten noorden van Argos. Het is één van de grote hoogtepunten van onze reis. Er is in de eerste plaats de burcht met de cyclopische muren en de beroemde ingang, de leeuwinnenpoort. We zien de burcht al van ver opdoemen, op de top van een niet al te hoge heuvel. Vooraleer de burcht te betreden, brengen wij een bezoek aan een aantal koepelgraven, koningsgraven zoals wij er één gezien hebben in Orchomenos: het graf van resp. Orestes, Aigistos, Klytaimnestra en Agamemnon. Dit laatste wordt ook “schathuis van Atreus” genoemd. Het bevindt zich het verst van de burcht, enkele honderden meter. Eveneens buiten de burcht en op geringe afstand ervan (vlak naast het graf van Klytaimnestra) vinden we de zogenaamde “grafcirkel B”: een twintigtal graven van omstreeks 1600 v.C.
De burcht van Mykene op de top van een heuvel.
Bij 't Schathuis van Atreus in 1993 (graf van Agamemnon): vlnr. Kris, Gilbert, Didier.
Loopclub Grijsloke bij het graf van Agamemnon in 1994.
Kris (l.) en Didier (r.) als Agamemnon en Aigistos, leveren een gevecht (om Klytaimnestra?) bij het graf van... Klytaimnestra.
Op onze weg naar Mykene moeten we eerst nog dwars door de stad Argos, die net als Delphi veel van haar oude luister heeft verloren. Argos ligt aan de voet van twee heuvels: links de Larissaheuvel en rechts de Aspisheuvel. Zo’n drie kwartier hebben we nodig om de hoogste van de twee, de Larissa, te beklimmen teneinde een bezoek te brengen aan de burcht. Hier hebben verscheidene zeer bekende koningen geregeerd. Te beginnen met Danaos, de vader van de Danaïden. Danaos’ achterkleinzoon was Akrisios, vader van de mooie Danaë die door Zeus onder de vorm van een gouden regen bevrucht werd en Perseus baarde. Deze laatste verliet Argos en stichtte Mykene ( zie www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=25 ; www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=26 en www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=28). Een ander geslacht koningen volgde hem op. Eén onder hen was Adrastos, een ander diens kleinzoon Diomedes, één van de grootste Griekse helden in de Trojaanse oorlog.
Eén van de grootste antieke Griekse theaters bevindt zich in Argos. De zitplaatsen (meer dan twintigduizend!) zijn uitgehouwen in de rotsachtige helling van de Larissaheuvel. Verder zijn er aan de voet van deze heuvel resten van een agora, een heiligdom van Apollo en Athena, een stadsmuur, Romeinse baden en een odeon.
Bij het binnenkomen van Argos: in de verte de Larissaheuvel met de burcht.
Stadsmuren met daarachter het theater.
Het theater (de cavea) op de Larissahelling. Bovenop de heuvel (rechts): de burcht.
Het theater (de orchestra), op een boogscheut van de moderne stad
Resten van Romeinse baden aan de voet van de Larissaheuvel.
Even voor het binnenrijden van de stad Tripolis brengen we een bezoek aan het oude Tegea, de geboorteplaats van Atalante en vroeger een belangrijke stad. Hier bevindt zich de tempel van Athena Alea. Deze tempel uit de 4e eeuw v.C. was de belangrijkste van de hele Peloponnesos, zowel qua afmetingen als qua bouw. Het is een Dorische tempel met Ionische zuilen binnenin en ook Korinthische elementen. Op het ene fronton was de strijd van Meleager en Atalante tegen de Kalydonische ever uitgebeeld (www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=30en www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=32). Op het andere de strijd van Achilles tegen Telephos, een kleinzoon van de plaatselijke koning Aleos. Telephos werd door Herakles verwekt bij Aleos’ dochter Auge. Dit gebeurde bij de zogenaamde “bron van Auge”, die wij terugvinden bij de tempel. In de tempel zelf werden de slagtanden en de huid van de ever bewaard. Er stond ook een prachtig ivoren beeld van Athena Alea. Geen enkele zuil van de tempel staat nog overeind. Op de grondvesten rust nog wel een deel van de bovenbouw uit donkergrijs geworden marmer van de streek.
Het voorhistorische Lerna bevindt zich aan de Argolische Golf, nabij het huidige dorp Myli. Daar verrichtte Herakles het tweede van zijn twaalf werken. Hij doodde er de Hydra, een negenkoppig slangachtig monster (www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=50). Er is een opgravingsgebied met als belangrijkste gebouw het zogenaamde “huis van de tegels”, dat ongeveer vierduizend jaar oud moet zijn. Dit is ongetwijfeld het interessantste voorhistorisch gebouw in Griekenland. We vinden hier ook de bron van Amymone. Zij was een nimf die door Pan achtervolgd werd. Maar Poseidon gooide zijn drietand naar Pan. De drietand kwam in de rotswand terecht en daar ontsproot de bron. In de buurt ligt ook het meer van Alkyone, waarvan niemand ooit de diepte heeft kunnen peilen. Hier gooiden negenenveertig Danaïden de negenenveertig hoofden van hun echtgenoten in. Dionysos zou via dit meer naar de onderwereld afgedaald zijn om zijn moeder Semele terug te halen. Volgens sommigen is het ook hier dat Hades Persephone naar de onderwereld meesleurde. De Hydra van Lerna, een nu onthoofde waterslang, stroomt rustig naar de Golf door het moerassig land, waar, naar men zegt, Zeus zijn geliefde Io in een koe heeft veranderd.
De tempel van Athena Alea.
De bron van Auge.
De Hydra, onthoofd door Herakles (Didier) stroomt naar de Golf van Argolis.
Een zevental kilometer ten zuiden van Sparta, in Amyklai, bevindt zich onder een heiligdom van Apollo, het graf van Hyakinthos, een jongeling die door Apollo werd bemind. Bij het spel met de discus doodde Apollo per ongeluk de geliefde Hyakinthos. Zijn bloed viel op de aarde en daar ontstond een bloem, de hyacint.
Vijf kilometer ten zuidoosten van Sparta ligt het Menelaion. Dit zijn overblijfselen van een tempel ter ere van Menelaos en Helena. Opzoekingen naar het koninklijk paleis van Menelaos werden tot op heden niet met succes bekroond.
Sparta is wel een beruchte stad geweest in de oudheid, echter nooit een grote stad. Het moderne Sparta ligt ten zuiden van de oude stad. Veel is er van die oude stad niet overgebleven. Er is een akropolis met resten van een theater en van een tempel van Athena. Aan de voet van de akropolis ligt het graf van Leonidas. Niet ver daar vandaan bevindt zich het indrukwekkend standbeeld van deze grote veldheer. Midden in het huidige Sparta is er een museum. Daar zijn overblijfselen te zien van het hogergenoemde heiligdom van Apollo en van het heiligdom van Arthemis Orthia. Van dit laatste vinden we nog de grondvesten aan de oever van de Eurotasrivier, bij het verlaten van de stad, waar de weg naar het noorden afbuigt, richting Tripolis. Hier werden de Spartaanse knapen gegeseld teneinde hun uithoudingsvermogen op de proef te stellen.
Het Menelaion.
Wie zou niet willen poseren naast het standbeeld van de grote Leonidas?
De winkel van Kathleen in Anzegem. Jean Daskalides (gynecoloog, ingenieur, jazz-muzikant, concertorganisator, fotograaf, filmregisseur, leraar, ziekenhuisdirecteur en zakenman) is de "vader" van 1400 Leonidas-winkels! Klik hier op www.bloggen.be/kris/archief.php?ID=125 .
De Eurotas: een grote rivier, maar... grotendeels droog in de zomer. Op zijn oever zijn resten te vinden van het heiligdom van Artemis Orthia.
(voor een overzicht van de reisroute: klik hier op www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=605796) Koning Nestor van Pylos gaf zijn zoon Peisistratos opdracht een koets klaar te maken met twee van de beste paarden en hem te begeleiden naar Sparta. Twee dagreizen ver: niet veel meer dan honderd kilometer, maar doorheen het woeste en onherbergzame Taygetosgebergte. Met ons huurautootje met de klus te klaren zijn in een paar uur. Wij beslissen om pas rond het middaguur te vertrekken en eerst nog wat te kuieren op het vredige en allesbehalve overbevolkte zandstrand. Hand in hand en in adamskostuum trekken Aphrodite en haar geliefde Adonis aan ons oog voorbij. Eens moet dit de jaloezie van Ares opgewekt hebben: hij veranderde zichzelf in een everzwijn en in die gedaante verwondde hij Adonis dodelijk – waar het bloed van Adonis de aarde doordrenkte ontsproten anemonen, t’ allen kante…
Duizelingwekkend wordt onze rit pas vanaf Kalamata: zestig kilometer alover de meer dan tweeduizendvierhonderd meter hoge Taygetos. Dit gebergte dankt zijn naam aan een nimf Taygete, die een gezellin was van de godin Artemis. Net als Kallisto had Taygete zich de toenaderingspogingen van Zeus laten welgevallen en was zodoende haar maagdelijkheid kwijtgespeeld. Ook Taygete werd door Artemis gestraft voor haar “toegeeflijkheid”: ze werd veranderd in een hert. Het moet zich allemaal afgespeeld hebben in de wouden van deze grimmige bergketen…
Even vóór Sparta doen we Mistra aan, een Byzantijnse spookstad, waar we een overvloed aan interessante goed bewaarde gebouwen aantreffen. We vinden hier een burcht, rijke huizen, paleizen, kloosters en kerken, alle Byzantijns en met fresco’s versierd.
Aphrodite en Adonis op een strand in de buurt van Pylos.
Haarspeldbochten in het Taygetosgebergte:...
... Gilbert vindt het een riskante onderneming.
Achter de cypressen doemt Mistra op. In de verte: Sparta.
Over enkele maanden verschijnt een nieuw boek over de Griekse mythologie. De achterflap zal er ongeveer uitzien als volgt:
Uit het schuim van de zee. Dit boek behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen. Pure fantasie? Akkoord, de verhalen over de goden behoren tot het rijk der mythen. Maar de verhalen over de helden – Herakles, Achilles, Theseus, Oidipous, Perseus, Odysseus, Iason, Agamemnon en zovele anderen –zijn vrij goed gedefiniëerd qua plaats en tijd. Het zijn sagen, verhalen dus met een historische achtergrond. Ze spelen zich af in de 14e, de 13e en de eerste helft van de 12e eeuw v.C., toen de Mykeense cultuur zijn hoogtepunt kende. Na de Trojaanse oorlog raakte die cultuur snel in verval, maar de herinnering aan de roemrijke Mykeense tijd bleef, via mondelinge overlevering. Een viertal eeuwen later, met de ontwikkeling van het schrift,begonnen dichters en tragedieschrijvers die (aangedikte) verhalen neer te schrijven en tot op onze dagen zijn zij één van de belangrijkste inspiratiebronnen geweest voor schrijvers, musici en beeldende kunstenaars, overal ter wereld.
De auteur: Kris Vansteenbrugge.Keel-neus-oorarts.
Schrijver van enkele toneelstukken en talrijke verhalen met veelal een ironische ondertoon. Zijn belangrijkste werk, O jerum jerum jerum... (2006), is zuiver autobiografisch.
Verscheidene verhalen in dit boek zijn uitgebreid geïllustreerd, met originele en ludieke tekeningen, door de Vlaamse illustrator-cartoonist Kurt Vangheluwe.“Uit het schuim van de zee” is een origineel Nederlandstalig werk over de Griekse mythologie. Ideale lectuur voor de schoolgaande jeugd en voor eenieder die met cultuur begaan is.
De baai van Navarino is geschiedkundig zeer belangrijk. In 1827 werden hier de Turken verslagen in de beroemde “zeeslag van Navarino”. Bij een rustig wateroppervlak kan men de gezonken schepen nog zien liggen op de ondiepe zeebodem. In dezelfde baai brachten in 425 v.C. de Atheners de Spartanen een beslissende nederlaag toe.
Ten noorden van de baai ligt Paleokastro, een middeleeuws kasteel, gebouwd op grondvesten uit de 4e eeuw v.C. Vlakbij is een grot, het zogenaamde “hol van Nestor”, dat te bereiken is vanuit het kasteel. Hierheen sleepte de pasgeboren Hermes de runderen die hij Apollo had ontstolen. Met een beetje goede wil herkennen we hier nog de hangende koeienhuiden die hij had afgestroopt (klik hier: www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=9).
Het moderne Pylos, ten zuiden van de baai, heeft niets te zien met het oude Pylos van koning Nestor. Dit laatste moeten we een twintigtal kilometer noordwaarts en verscheidene kilometers landinwaarts gaan zoeken, niet ver van het stadje Chora, waar zich overigens een museum bevindt met talrijke vondsten uit de site. De grootste bezienswaardigheid is hier het paleis van koning Nestor. Het paleis dateert uit de Mykeense tijd (14e en 13e eeuw v.C.), maar anders dan in Mykene, Tiryns of Gla, waren er hier geen cyclopische muren rond gebouwd. Dit paleis werd reeds beschreven door Homeros in de Odyssee. Daarin vertelt hij over Telemachos die hier zeer gastvrij werd ontvangen op zijn weg naar koning Menelaos van Sparta. Deze laatste zou hem op het spoor brengen van zijn vader Odysseus (klik hier: www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=200752).
Het "hol van Nestor" (pijltje).
Het paleis van Nestor is niet toegankelijk op maandag...
De ruïnes van het paleis van Nestor zijn overdekt: de opgravingen zijn een werk van lange adem.
Verpozen aan de westkust van de Peloponnesos, in de buurt van Pylos.
Veertien kilometer te zuiden van Andritsena, op een hoogte van 1130 meter, in het hart van de Arkadische gebergten, en te bereiken via vrij moeilijk berijdbare wegen, bevindt zich de tempel van Bassaï, één van de bestbewaarde klassieke tempels. Hij werd gebouwd door de beroemde beeldhouwer Iktinos, in opdracht van de inwoners van Phigalia, ter ere van Apollo Epikourios, als dank omdat de stad gevrijwaard was gebleven van de pest gedurende de Peloponnesische oorlog van 420 v.C. Later bereikte de pest de stad echter toch… Het huidige Phigalia ligt een vijftal kilometer ten westen van Bassaï. Boven het dorp vinden we resten van de oude stad: de agora en een ruïne van een tempel van Dionysos Akrotophoros.
We gaan verder in westelijke richting tot we de kust bereiken in het dorp Tholo. Ons volgend belangrijk doel is het antiekePylos. Daartoe volgen we de oude kustweg over zo’n zestig kilometer in zuidelijke richting. Halverwege ligt Kiparissia, genoemd naar Kiparissos, de jongeling die door Apollo bemind werd. Kiparissos zelf was verliefd op een hert. Per ongeluk echter doodde hij het dier en werd daardoor dermate door smart verteerd dat Apollo hem uit medelijden veranderde in een cypres.
De dag na onze Olympische Spelen en vooraleer we ons naar het zuiden van de Peloponnesos begeven, brengen we eerst nog een bezoek aan het weinig bekende museum van de moderne Olympische Spelen, in de dorpskern van het huidige Olympia, alsook aan het gedenkteken van baron Pierre de Coubertin, stichter van die moderne Spelen, dat zich bevindt even buiten het opgravingsgebied aan de weg naar Tripolis.
We laten Olympia nu definitief achter ons en we nemen de weg die over Langadia naar Tripolis loopt, tot we twee belangrijke rivieren over zijn: de Erymanthos en de Ladon. Hier volbracht Herakles twee van zijn twaalf werken. Aan de oevers van de Erymanthos doodde hij de ever van het gelijknamig gebergte. Aan de oevers van de Ladon ving hij de hinde van Keryneia. Voorbij de Ladonrivier nemen we een kleine weg die zuidwaarts loopt richting Andritsena. We bevinden ons volop in het woeste en veelbezongen Arkadia. Andritsena is een schilderachtig stil dorp met oude houten huizen, waar de tijd heeft stilgestaan. Het is prachtig gelegen aan de voet van de grimmige Lykaionberg. Lykaion werd door Zeus in een wolf veranderd omdat hij de goden op de proef wilde stellen door hen het vlees van een jonge knaap voor te zetten. Lykaions dochter, Kallisto, een priesteres van Artemis, werd hier door de godin veranderd in een berin, nadat ze zwanger was gemaakt door Zeus. Kallisto baarde Arkas, naar wie de streek werd genoemd: Arkadië. Kallisto en Arkas werden later door de goden aan het hemelfirmament geplaatst als de Grote en de Kleine Beer.
"Grijsloke runners" aan de oever van de Alpheios-rivier, even buiten Olympia.
We beginnen het nieuwe jaar, zoals beloofd, met nóg 24 verhaaltjes uit de Griekse mythologie. Komende week gaan we verder met onze "mythologische reis".
PHAEDRA EN HIPPOLYTOS
Phaedra was de tweede echtgenote van Theseus, de koning van Athene. Haar hart ontbrandde in liefde voor haar stiefzoon Hippolytos. Deze ging niet in op haar toenadering en dat dreef Phaedra tot waanzin. Ze verhing zich en liet een brief achter waarin ze Hippolytos ervan beschuldigde haar te hebben verleid. Theseus verbande zijn zoon en smeekte de god Poseidon hem te laten omkomen. Hetgeen geschiedde. Te laat zag een door smart overmande Theseus zijn vergissing in.
Jason had het Gulden Vlies veroverd op de koning van Colchis, met de hulp vandiens dochter Medeia, die toverkracht bezat. Hij nam Medeia mee naar Griekenland en trouwde met haar. Ze kregen twee kinderen. Toen Jason aanstalten maakte om te hertrouwen met Glauke, dochter van de koning van Korinthe, nam Medeia wraak: met een list bracht zij Glauke om het leven en doodde haar eigen kinderen. Ze vluchtte naar Athene, waar koning Aegeus zich over haar ontfermde.
Omdat hem voorzegd was dat hij door een kleinzoon zou gedood worden sloot Akrisios, de koning van Argos, zijn mooie dochter Danaë op in een kerker. Maar de verliefde oppergod Zeus, veranderde zichzelf in een gouden regen, die door de tralies van Danaë´s raam naar binnenviel: zij baarde een zoon. Akrisios sloot moeder en kind op in een houten koffer en wierp die in zee. Maar beiden werden gered. Het kind werd een van Griekenlands grootste helden: Perseus.www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
HEPHAISTOS
Omdat de pasgeboren Hephaistos aartslelijk was gooide zijn moeder Hera hem in zee. Zeenimfen namen hem op en brachten hem groot. Hij bekwaamde zich in de smeedkunst, waarin hij een onvoorstelbare volmaaktheid bereikte. Later verzoende hij zich met Hera. Toen hij op een dag partij koos voor haar tegen zijn vader Zeus, stampte deze hem uit de hemel. Hij plofte neer op het eiland Lemnos en hield er kreupele onderste ledematen aan over. Aan handigheid had hij niets ingeboet.
De stamvader van de Atheners is de slangenkoning Erichtonios. Hij was ontsproten uit Gaia, moeder Aarde, doordat het zaad van de god Hephaistos in de aarde was terecht gekomen, na een onhandige en mislukte poging om zijn halfzuster Athena te verkrachten. Erichtonios had het onderlichaam van een slang. Van hem zouden alle volgende koningen van Athene afstammen – Theseus is de meest beroemde onder hen – en uiteindelijk ook de hele bevolking van Attica.
Beide goden dongen naar de gunst van de stad Athene. Er werd besloten dat wie de het nuttigste geschenk zou geven de schutspatroon van de stad zou worden. Poseidon schonk een paard, alsook een zoetwaterbron die hij door een stoot met zijn drietand uit de rotsen liet ontspringen. Athena schonk een olijfboom, die ze op de Akropolis plantte. De Atheners stelden dit laatste geschenk het meest op prijs, zeer tot woede van Poseidon, en ze kozen Athena tot hun schutsgodin.
Priapos was de zoon van Aphrodite en Dionysos. Hera, denkende dat haar echtgenoot Zeus de vader was, had het nog ongeboren kind betoverd. Dat verklaart waarom Priapos aartslelijk was. Door allen werd hij bespot vanwege zijn kleine gestalte, korte beentjes, hangbuik, grote oren, dikke tong en bovenal een enorme penis… tot er onheil uitbrak onder de mensen. Hun gedraging tegenover Priapos was hiervan de oorzaak, zo leerde het orakel. Sindsdien werd hij als een god geëerd.
Na koning Oidipous’ dood streden zijn beide zonen om de heerschappij over Thebe. Beiden sneuvelden in die strijd. De ene, Eteokles, kreeg een plechtige begrafenis. Het lichaam van de andere, Polyneikes, werd in opdracht van de koning-regent Kreoon buiten de stadsmuren geworpen, aan de honden ten prooi. Maar ’s nachts begroef Antigone, de zuster van beide broers, het lichaam alsnog. Kreoon bestrafte Antigones daad van broederliefde met de dood .
Koning Minos van Kreta eiste om de 7 jaar zeven jongens en evenveel meisjes uit Athene om als voedsel te dienen voor het monster Minotauros, dat opgesloten zat in het labyrint in Knossos. De jonge prins Theseus bood zich aan als vrijwilliger. Hij slaagde erin Minotauros te doden en veilig uit het labyrint te ontkomen, met de hulp van Minos’ dochter Ariadne: zij had hem een klos garen geschonken waarvan het ene uiteinde bij de ingang van het labyrint diende vastgemaakt.
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
SYRINX EN PAN
De nimf Syrinx vluchtte voor de verliefde Pan. Ze bad tot de goden: “Laat mij niet in de handen vallen van die lelijke bosgod; laat mij nog eerder van deze aarde verdwijnen…” De goden aanhoorden haar smeekbede en ze veranderden haar in een rietstengel. Pan stond versteld. Hij nam het riet, sneed het in ongelijke stukken en maakte daar een fluit mee, die hij voortaan altijd bij zich hield en waarop hij wondermooie melodieën speelde: de Pan-fluit of herdersfluit.
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
DE GEBOORTE VAN ATHENA
Zeus had zijn nicht Metis zwanger gemaakt. Later kreeg hij, op een kwade dag, ruzie met haar. In zijn woede at hij Metis op. Het “maal” bleef echter op zijn maag liggen en hij voelde zich misselijk. Iets zwaars steeg op vanuit zijn buik, via zijn slokdarm, naar zijn hoofd en hij kreeg barstende koppijn. Hij ontbood Hephaistos, de god van de smeden, en gebood hem zijn schedel te klieven. En ziet, uit het hoofd van Zeus steeg Athena op, een fiere godin in volle wapenrusting.
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
DAIDALOS EN IKAROS
Met pluimen, aan elkaar gekleefd met was, maakte Daidalos voor zichzelf en zijn zoon Ikaros, een stel vleugels, om te ontsnappen uit het labyrint in Knossos, waar zij zaten opgesloten. Daidalos had zijn zoon gewaarschuwd niet te dicht bij de zon te vliegen. Tevergeefs. De overmoedige Ikaros vloog steeds maar hoger, de was van zijn vleugels smolt door de hitte van de zon en hij stortte te pletter in de zee, in de nabijheid van een eiland, dat naar hem Ikaria wordt genoemd.
Koning Midas had ezelsoren. Hij hield ze angstvallig bedekt. Alleen zijn kapper wist het, maar deze mocht het aan niemand vertellen. Dat geheim brandde op zijn tong en hij groef een diepe kuil, kroop erin en zei driemaal achter elkaar: “Koning Midas heeft ezelsoren!” Op diezelfde plaats echter groeide even later een grote struik en als de wind erdoorheen woei, hoorde iedereen in het ruisen van het gebladerte: “Koning Midas heeft ezelsoren, koning Midas heeft ezelsoren…”
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
EUROPA
Zeus was verliefd op Europa, een koningsdochter. Hij veranderde zich in een witte stier en begaf zich tussen het koninklijk vee dat dicht bij de kust graasde. Europa merkte het prachtige dier op, raakte erdoor in vervoering en ging zelfs op zijn rug zitten. Plots zette de stier het op een lopen, de zee in, om al zwemmend uiteindelijk met Europa het eiland Kreta te bereiken. Zeus nam daar weer zijn normale gedaante aan en maakte zijn geliefde tot moeder van de grote koning Minos.
Uit ivoor vervaardigde de kunstenaar Pygmalion een vrouwenbeeld. Het was zo mooi, zo volmaakt, dat hij verliefd werd op zijn eigen kunstwerk. Hij kuste het op de mond en nam het zelfs mee in zijn bed. De godin Aphrodite zag dit welgevallig aan. Om Pygmalion te belonen voor zijn devotie jegens haar, blies zij het beeld de levensadem in: de ivoren lippen en het hele lichaam werden zacht en warm. Pygmalion noemde haar Galateia. Samen hadden ze een zoon: Paphos.
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
MEDUSA
Ooit was Medusa mooi geweest. Maar ze haalde zich de woede van Athena op de hals toen ze in de tempel van de godin de liefde bedreef met Poseidon. Athena veranderde de haren van het meisje in levende slangen, waardoor zij een monsterlijk uitzicht kreeg. Daarenboven puilden haar ogen uit en ieder die erin keek veranderde in steen. De held Perseus slaagde erin haar te onthoofden. Uit haar hals steeg een wit gevleugeld paard op: Pegasos.
Op de rug van een vliegende ram met gouden vacht vluchtten Phrixos en Helle, voor hun vader. Toen Helle, hoog in de lucht, naar beneden keek, werd ze duizelig en tuimelde naar beneden in de zeeëngte, die naar haar “Hellespont” wordt genoemd. Phrixos bereikte de stad Colchis, aan de oostkust van de Zwarte Zee. Daar offerde hij de ram aan de goden en spijkerde zijn vacht aan een boom. Later kwamen Jason en de Argonauten dit “Gulden Vlies” terughalen naar Griekenland.
Artemis was een zeer preutse godin. Zij duldde niet dat enig mannelijk wezen haar naaktheid aanschouwde. Dat ondervond de jager Aktaion. Toen hij op een dag met zijn honden aan ’t jagen was zag hij, geheel bij toeval, de godin naakt baden bij een bron. Woedend besprenkelde zij hem met het water van de bron en sprak daarbij een toverspreuk uit, waardoor hij veranderde in een hert. Zijn honden zagen in hem nog slechts een stuk wild en instinctief verscheurden ze hem.
Op de dag zelf van haar huwelijk met de zanger Orpheus werd Eurydike doodgebeten door een slang. Orpheus kreeg de toelating van Hades, de god van de onderwereld, om zijn overleden bruid terug mee te nemen, op voorwaarde dat hij haar niet zou aankijken vooraleer zij de bewoonde wereld zouden bereikt hebben. Zijn drang was echter té groot: té vroeg keek Orpheus zijn geliefde aan. Terstond keerde zij terug naar de onderwereld en… nu was Hades niet meer te vermurwen.
KYPARISSOS Apollo voelde een bijzondere genegenheid voor de jongeling Kyparissos. Deze beantwoordde Apollo’s liefde maar half en hij voelde zich meer aangetrokken tot een hert. Per ongeluk echter doodde Kyparissos zijn lievelingsdier. Hij werd daardoor zodanig verteerd door smart dat Apollo hem uit medelijden veranderde in een boom: de cypres. Dit voorval is waarschijnlijk gebeurd aan de westkust van de Peloponnesos, waar nu het dorp Kyparissia ligt.
Apollo was verliefd op de mooie Trojaanse prinses Cassandra. In de hoop haar gunsten te winnen schonk hij haar de gave van de profetie. Desondanks weigerde Cassandra gemeenschap te hebben met de god. Deze was niet in staat haar de gave te ontnemen. Wel zorgde hij ervoor dat niemand haar voorspellingen ooit zou geloven. Ze voorzag de ondergang van Troje en ze voorspelde ook de moord op Agamemnon. Haar waarschuwingen werden echter door allen in de wind geslagen…
De god Dionysos kwam geregeld op bezoek aan het koninklijk hof van koning Oineus van Kalydon. In feite kwam de god voor Oineus’ echtgenote Althaia. De koning had dit wel in de gaten, doch hij tolereerde het overspel en hij trok zich telkens bescheiden terug. Dionysos waardeerde dat ten zeerste en uit erkentelijkheid leerde hij Oineus hoe uit druiven wijn kon gemaakt worden. Via Oineus heeft deze kennis zich verder verbreid over het mensdom: de oinologie.
De oppergod Zeus en zijn echtgenote Hera waren het oneens over wie er bij het vrijen het meeste genot ervaart: de man of de vrouw? De enige die in staat moest worden geacht om die vraag te beantwoorden was Teiresias, die zeven jaren lang een vrouw was geweest. Hij zei: de vrouw! Dat antwoord beviel Hera allerminst. Ze strafte Teiresias met blindheid. Zeus deed zijn best om die zware handicap te compenseren: hij schonk Teiresias de gave van de helderziendheid.
Na tien jaren lang de stad Troje tevergeefs belegerd te hebben, veinsden de Grieken de aftocht te blazen. Ze lieten een reuzegroot houten paard achter op het slagveld. In de buik van het paard zaten vijftig gewapende krijgers: een list van Odysseus. De Trojanen vierden feest. Ze haalden het paard binnen de stadsmuren en de wijn vloeide rijkelijk. Daarna sliepen ze hun roes uit. Toen verlieten de Grieken de buik van het paard… Bijna alle Trojanen werden in hun slaap gedood.
Geachte lezer, Tijdens deze eerste vakantieweek presenteer ik u alle 24 verhaaltjes die u kon lezen op de blaadjes van "De Druivelaar" (twee per maand). Komend jaar zult u geen verhaaltjes uit de Griekse mythologie vinden op uw scheurkalender. Maar niet getreurd: komende week krijgt u hier nóg 24 nieuwe verhaaltjes te lezen en in 2012 gaat "De Druivelaar" weer de mythologische toer op, ditmaal mét illustraties!
*HETVATDERDANAÏDEN
De Danaïden waren de 50 dochters van Danaos, koning van Argos. Ze werden gedwongen te trouwen met hun neven, de 50 zonen van Danaos’ broer Aegyptos. Maar tijdens de huwelijksnacht brachten 49 onder hen hun echtgenoot om het leven. Ze moesten daarvoor na hun dood een eeuwigdurende straf ondergaan. In de onderwereld moesten ze een vat vullen met water, maar de bodem van het vat was lek en nooit raakte het vat vol…
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
*DETANTALOSKWELLING
Teneinde de goden op de proef te stellen zette Tantalos hen het in stukken gesneden lichaam van zijn zoon Pelops voor. Hij werd hiervoor wreed gestraft in de onderwereld. Vastgeklonken aan een rots staat hij daar met zijn voeten in het helder water van een riviertje en boven zijn hoofd hangen de heerlijkste vruchten, maar beide zijn onbereikbaar: te eeuwigen dage wordt Tantalos gekweld door honger en dorst.
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
*DETWISTAPPEL
Op de bruiloft van koning Peleus met de nimf Thetis waren alle goden aanwezig, toen Eris, de godin van de twist, een gouden appel op tafel gooide, waarop stond: voor de mooiste. Drie godinnen ruzieden om de appel: Hera, Athena en Aphrodite. Zeus stelde Paris, een Trojaanse prins,aan om het geschil te beslechten. Hera beloofde Paris oneindige rijkdom, Athena beloofde hem alwetendheid, Aphrodite beloofde hem de mooiste vrouw op aarde. Paris schonk de appel aan Aphrodite…
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
*EEN SISYPHOSARBEID
Sisyphos, koning van Korinthe, had gezien dat de oppergod Zeus een nimf had geschaakt. Hij ging het vertellen aan haar vader, de stroomgod Asopos. Zeus, ontstemd over dit verraad, wierp de verklikker in de onderwereld, alwaar hij zwaar moet boeten. Hij moet er een enorm rotsblok tot over de top van een helling rollen. Doch als het blok bijna de top heeft bereikt ontglipt het hem en rolt het weer naar beneden. En tot in eeuwigheid herhaalt zich dat scenario.
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
*ARGUSOGEN
Zeus had zijn geliefde, de nimf Io, veranderd in een koe. Zijn vrouw Hera liet de koe bewaken door Argus, een reus met honderd ogen, waarvan er altijd minstens twee open bleven. Maar in opdracht van Zeus speelde de god Hermes voor Argus een slaapverwekkende melodie op zijn herdersfluit, waardoor alle ogen dichtvielen. Daarna hakte hij hem de kop af en bevrijdde Io. De honderd ogen van Argus strooide Hera op de staart van haar lievelingsvogel, de pauw.
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
*DE AUGIASSTAL
Koning Augias beschikte over een enorme stal runderen: wel 3000 stuks. De mest die de dieren geproduceerd hadden, 30 jaar lang, lag hoog opgestapeld. Eén van de twaalf werken van Herakles bestond erin die stal te reinigen, in één dag! Herakles maakte een opening in één van de stalmuren en met wat graafwerk verplaatste hij de bedding van de naburige Alpheios-rivier, zodat het water doorheen de stal stroomde. Binnen de 24 uur was alles schoongespoeld.
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
*ADONIS
Talrijk zijn de mannen die Aphrodite bemind heeft. Was zij immers niet “de godin van de liefde”? Zo was de mooie jongeling Adonis eens het voorwerp van haar hartstocht. Maar de jaloerse god Ares verwondde Adonis dodelijk, in de gedaante van een everzwijn. Het bloed van de geliefde jongen stroomde recht naar de onderwereld en waar het samen met de tranen van Aphrodite de grond doordrenkte ontsproten prachtige bloemen: anemonen!
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
*ARACHNE
Athena was de godin van de wijsheid en de wetenschappen. Ze was ook bedreven in de weefkunst. Haar beste leerlinge was het meisje Arachne. Maar deze was hoogmoedig en ze daagde haar leermeesteres uit tot een wedstrijd om het mooiste weefstuk. Het werk van Arachne moest zeker niet onderdoen voor dat van Athene, maar de godin voelde zich gekrenkt in haar eer. Ze verscheurde Arachnes werk en ze toverde het meisje om in een spin, gedoemd om in eeuwigheid te weven.
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
*DE GEBOORTE VAN DIONYSOS
Onder de gedaante van een jongeman zocht Zeus toenadering tot Semele, dochter van de Thebaanse koning Kadmos. Zij eiste dat hij zich aan haar zou vertonen met zijn vlammende bliksem en in al zijn goddelijke glorie. Maar de bliksem deed haar lichaam verschroeien. Omdat zij zijn kind droeg, gaf Zeus zijn zoon Hermes de opdracht de buik van geliefde dode open te snijden: de allereerste keizersnede! Het kind was Dionysos, die de god zou worden van de wijn en de goede sier.
www.bloggen.be/dzeusKRISVANSTEENBRUGGE
*ACHILLES
Achilles, de grootste Griekse strijder in de oorlog van Troje, was de zoon van koning Peleus en de nimf Thetis. Teneinde hem onkwetsbaar te maken had zijn moeder hem ondergedompeld in de rivier de Styx. De plaats boven de hiel waar ze hem bij het onderdompelen had vastgehouden was echter niet met het water in aanraking gekomen en daar was hij dus nog kwetsbaar. Op die plaats werd hij dan ook dodelijk verwond tijdens de Trojaanse oorlog, door een pijl…
Narkissos was een knappe jongeling, die zijn hart door geen enkele vrouw liet beroeren. Dat was niet naar de zin van Aphrodite. Dat hij dan verliefd worde op zichzelf, sprak ze. En toen hij, op een dag, zichzelf zag in het water van een rivier, kwamen de woorden van de godin uit: Narkissos kon zijn ogen niet afwenden van zijn eigen spiegelbeeld. Hij bleef maar zitten staren aan de oever van de rivier, tot hij uiteindelijk wortel schoot en veranderde in een bloem, de narcis.
Phaeton was de zoon van de zonnegod Helios. Hij kon zijn vader ertoe bewegen hem de vlammende door vurige paarden getrokken zonnewagen te laten mennen. Maar hij steeg te hoog in de lucht, waardoor het hemelgewelf ontbrandde, en dan weer scheerde hij te laag over de grond waardoor de aarde verschroeide, zodat woestijnen ontstonden, en de mensen zwart geblakerd werden. Uiteindelijk maakte Zeus zelf een einde aan die ravage door Phaeton dood te bliksemen.
Zwanger zijnde van de god Apollo had de nimf Koronis betrekking met een sterveling, Ischys. Toen de kraai dit ging melden aan Apollo werd deze woedend: hij vervloekte de kraai – die sedertdien zwart is – en hij doodde Koronis met zijn pijlen. Toen realiseerde hij zich dat ze zijn kind droeg. Hermes, door Apollo ter hulp geroepen, verrichtte toen een keizersnede op het dode lichaam. Het kind dat alzo ter wereld kwam was Asklepios, die de god van de geneeskunde zou worden.
De oppergod Zeus nam de gedaante aan van een zwaan, om Leda te kunnen benaderen, de echtgenote van koning Tyndareos van Sparta. Leda baarde twee eieren. Uit het ene ei kwamen Klutaimnestra en Castor, gewone stervelingen, van wie Tyndareos de vader was. Uit het andere ei kwamen Pollux en Helena, allebei onsterfelijk, want kinderen van Zeus. Helena was de mooiste aller vrouwen, tevens de inzet van de beroemdste aller oorlogen, de oorlog van Troje.
De godin Leto had twee kinderen, Apollo en Artemis, niet van de minste dus. Niettemin werd zij bespot om haar “karig kroost” door Niobe, koningin van Thebe, die zelf zeven flinke zonen en evenveel flinke dochters had. Dat wekte de woedde op van Leto. In opdracht van hun moeder doodden Apollo en Artemis alle kinderen van Niobe met hun pijlen. Niobes hart versteende van verdriet en tenslotte veranderde haar hele lichaam in een rots.
Apollo wilde de liefde bedrijven met de nimf Daphne. Maar Daphne sloeg op de vlucht en ze bad tot de oppergod Zeus: “Laat mij a.u.b. niet in handen vallen van mijn belager, laat mij desnoods verdwijnen van deze aarde”. Haar bede werd verhoord: terstond werd haar lichaam omgevormd in een laurierboom, sedertdien Apollo’s geliefde boom. Op de Spelen van Delphi, gehouden te zijner ere, werden de winnaars steeds met een laurierkrans getooid.
De sfinx terroriseerde de stad Thebe. Zij stelde aan iedereen die de stad wilde binnenkomen de vraag: “Wie of wat loopt ’s morgens op 4 benen, ’s middags op 2 en ’s avonds op 3, en is des te zwakker naarmate het op meer benen loopt?” Wie het antwoord schuldig bleef werd gedood. Oidipous zei: “Het is de mens, die eerst op handen en voeten kruipt, later op 2 benen loopt en tenslotte leunt op een stok”. De sfinx stond perplex en ze wierp zichzelf in de afgrond: Thebe was verlost.
Toen de godin Artemis ontdekte dat Kallisto, een van haar tempeldienaressen, zwanger was, veranderde ze haar in een berin. De berin baarde een zoon Arkas. Tot jongeling opgegroeid ging Arkas op berenjacht en zo kwam hij op een keer oog in oog te staan met zijn moeder. Ongetwijfeld had hij haar gedood als Zeus niet had ingegrepen: hij veranderde ook Arkas in een beer. Later werden moeder en zoon als sterren aan het firmament geplaatst: de grote en de kleine beer.
Eos, de godin van de dageraad, had Tithonos geschaakt, de knappe zoon van een Trojaanse koning. Omdat zij hem in eeuwigheid bij haar wilde hebben smeekte zij de oppergod hem de onsterfelijkheid te schenken. Aan haar wens werd voldaan. Ze had echter vergeten voor haar geliefde ook de eeuwige jeugd te vragen. Toen Tithonos stokoud was en helemaal ineengeschrompeld, werd hij uiteindelijk door Eos verstoten. Uit medelijden veranderden de goden hem in een krekel.
Omdat het Noodlot had voorspeld dat hij door een van hen zou onttroond worden, at de oergod Kronos zijn kinderen op, direct na de geboorte. Toen het zesde kind geboren was, zette zijn echtgenote Rhea hem een in luiers gewikkelde steen voor en bracht het kind in veiligheid op het eiland Kreta. Het kind was Zeus. Groot geworden gaf hij zijn vader een drank, waardoor deze de vijf andere kinderen uitbraakte, stootte hem uit de hemel en werd zelf heerser over hemel en aarde.
Philemon en Baukis waren een godvruchtig koppel. Het waren arme doch zeer gastvrije mensen. Ze hielden zielsveel van elkaar en hun vurigste wens was samen lang te mogen leven, de goden te dienen en samen te sterven. En de goden zorgden ervoor dan aan hun verlangens erd voldaan. Toen beiden een zeer hoge ouderdom bereikt hadden werden zij veranderd in bomen. Philemon werd een eik, Baukis een linde. Zo bleven ze nog lange tijd staan, hun takken ineengestrengeld.
Apollo was verliefd op de jonge prins Hyakinthos. Dat wekte de afgunst op van Zephyros, de Westenwind. Toen beiden zich eens verlustigden in het discuswerpen deed Zephyros een door Apollo geworpen discus van zijn koers afwijken en terecht komen tegen het hoofd van de geliefde prins. Deze viel dood ter aarde neer. Uit het bloed van de jongeling liet Apollo, een bloem spruiten, de hyacinth, op wier bladeren hij schreef “AI-AI”, de weeklacht van de treurende god.
Om de mensen te straffenvanwege hun goddeloosheid schonk Zeus aan de vrouw Pandora op haar trouwdag een gouden koffertje waarin alle mogelijke rampen en onheil zaten opgesloten. Hij gaf haar de raad het doosje ongeopend te laten, wel wetende dat de vrouwelijke nieuwsgierigheid toch de bovenhand zou halen. En zo geschiedde: Pandora opende het koffertje en alle ongelukken en ellende, die het mensdom tot op heden treffen, verspreidden zich over de wereld.
De oergod Ouranos werd door zijn zoon Kronos ontmand en uit de hemel gestoten. Kronos gooide het geslachtsorgaan van zijn vader ver weg in de zee. Het zeewater vermengde zich met het zaad van Ouranos, de zee begon te schuimen en uit het schuim ontstond de mooiste aller godinnen: Aphrodite, godin van de liefde. In een schelp werd zijnaar het eiland Cyprus gebracht. Toen zij haar voeten op het eiland zette ontsproten overal jong groen en mooie kleurrijke bloemetjes…
Op ons programma staan: speerwerpen (foto 1), de stadionloop of dromos (foto 2 & 3),worstelen (foto 2 & 4) en de “heraloop” voor vrouwen (foto 5). Deze laatste proef is een loopwedstrijd voorvrouwen, die ook reeds werd gehouden in de “oude tijden”. Ze werden georganiseerd door Pelops’ bruid, Hippodameia, ter ere van de oppergodin Hera, tot wie zij gebeden had en die ze nu wilde danken voor de goede afloop van de wagenrenwedstrijd tussen haar geliefde Pelops en haar vader Oinomaos (klik hier opwww.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=21). In feite ging het om een loopwedstrijd voor maagden, zestien in getal en van verschillende leeftijden. Vooraan startten de jongsten, achteraan de oudste meisjes. Ze liepen in korte rokjes die ongeveer tot aan de knieën reikten, met loshangende haren en de rechter schouder evenals de rechter borst ontbloot. Hun wedstrijd werd op hetzelfde Olympisch stadion gelopen als de wedstrijd van de mannen; de afstand die de vrouwen dienden af te leggen was een zesde korter dan die van de mannen. De winnares kreeg een olijfkrans en een deel van de koe die aan Hera geofferd werd; tevens kreeg zij de toelating een beeld van zichzelf met inscriptie van haar naam aan te brengen in Hera’s tempel.
1: Willem Vanderstraeten bij het speerwerpen op het stadion van Olympia.
2. Twee foto's uit het boek "Grijslokes olympiade" (1997). Om het helemaal écht te laten lijken, deed de verliezer van de worstelkamp, die moeilijk de schande kon dragen, later op de avond een - gelukkig mislukte - zelfmoordpoging...
3. Günther Hombecq, winnaar van de stadionloop met de conservator van het Olympia-heiligdom, die voor hem de olijfkrans heeft gevlochten.
4. Willem Vanderstraeten en Roger Vandendorpe, de finalisten van de titelkamp in het worstelen, oefenen zich op het stadion. Jodan Dhaenens, Gilbert Terras, Eric Triest en José Thijs (v.l.n.r.) kijken lachend toe.
5. De zes "maagden" van Loopclub Grijsloke" vóór de start van de Heraloop. Winnares werd Mieke Vandorpe (derde van links).
Ten oosten van de Altis ligt het stadion(S). Langs de weg die naar de overkoepelde ingang van het stadion leidt, zien we een aantal stenen voetstukken (foto 1 en 2). Hier stonden bronzen standbeelden van Zeus, de Zanes (ZA, klik hier op www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=989345 voor plattegrond). Deze beelden werden opgericht met het geld van de boetes van diegenen die tijdens de Spelen het reglement niet hadden nageleefd. In het stadion vonden de “atletische proeven” plaats: hardlopen, springen, werpen. De worstelwedstrijden werden gehouden in de palaistra, de wagenrennen in de hippodroom, die ten zuidoosten van het stadion lag, maar heden ten dage geheel verdwenen is. Van start tot finish is het stadion 192 meter lang (foto 3), zijnde 600 maal de voet van Herakles, de grootste Griekse held, die in deze buurt één van zijn twaalf werken verrichtte: het reinigen van de Augiasstallen. Hij verlegde daartoe de bedding van de Alpheios en de Kladeios die hij dwars door de stallen liet stromen. Dit was meer dan duizend jaar lang de plaats van de antieke Olympische Spelen. De toeschouwers (vijfenveertigduizend!) zaten op het gras op de hellingen aan weerszijden van de piste. Hier waren geen stenen zitplaatsen zoals in Delphi: enkel een kleine tribune voor de scheidsrechters (de “Hellanodikai”) aan de zuidelijke kant, en daar recht tegenover, aan de noordelijke kant, een soort stenen troon voor de priesteres van Demeter. Het stadion ligt er perfect bewaard bij, klaar voor de spelen van Loopclub Grijsloke.
foto 1: sokkels van de Zanes, langs de weg die leidt naar de ingang van het stadion.
foto 2: Gilbert en Didier betreden het stadion van Olympia (1993).
foto 3: het stadion van Olympia; links-achter de tribune voor de scheidsrechters, rechts de tribune voor de priesteres van Demeter, helemaal achteraan de ingang van het stadion.
foto 4: de drie pioniers in het stadion van Olympia (1993).
Het opgravingsgebied ligt tussen de rivieren Alpheios en Kladeios en de Kronosheuvel(foto 1 en 2). In het centrum ligt de Altis, het heilige gebied, aan Zeus gewijd: een bijna vierkant terrein van ongeveer 200 op 200 meter. Binnen dit ommuurde gebied vinden wij de belangrijkste heilige gebouwen: de tempel van Zeus (Z), de tempel van Hera (H) en ook het Pelopeion (PE), het heiligdom en terzelfdertijd het graf van Pelops. Van de ruïne van de Zeustempel werd nog maar weinig heropgebouwd (foto 3 en 4).Deze Dorische tempel dateert van ongeveer het midden van de 5e eeuw v.C. In deze tempel bevond zich één van de zeven wereldwonderen, namelijk het dertien meter hoge beeld van de tronende Zeus dat met goud en ivoor was belegd en van de hand was van de beeldhouwer Phidias (foto 6).Het beeld is helaas verdwenen – omgekomen in een brand – maar talrijke afbeeldingen ervan zijn bewaard op allerlei munten die zich bevinden in de numismatische afdeling van het Nationaal Archeologisch Museum in Athene. Naar één van die afbeeldingen werd de eerste medaille van Grijslokes Olympiade gemaakt (foto 7). Niet ver van de Heratempel (foto 8), die zowat anderhalve eeuw ouder is dan de tempel van Zeus, is de plaats waar heden ten dage om de vier jaar het Olympisch vuur aangestoken wordt. Er was ook nog een kleine tempel (M), gewijd aan de godin Rhea: het metroön. Buiten het gebied van de Altis bevinden zich nóg verscheidene gebouwen: het gymnasion (G, oefenzaal), de palaistra (P, foto 9), het prytaneion (PR, plaats waar de scheidsrechters elkaar ontmoetten en waar het afscheidsbanket werd gehouden), het bouleuterion (B, de raadzalen), het Leonidaion (L, gastenkamers), enzoverder…
1. Olympia-heiligdom: plattegrond.
2. Olympia-heiligdom: maquette.
3. Tempel van Zeus: er staat nog weinig overeind...
4. Tempel van Zeus: het lijkt erop dat Herakles (Didier) hier alle zuilen omver geduwd heeft...
5. Op deze zuil vóór de tempel van Zeus stond de Nike van Paionios... zo ongeveer zoals door Gilbert hier laat zien.
6. Zo ongeveer moet het standbeeld van Zeus eruit gezien hebben.
Patras is vlakbij. Met een paar honderdduizend inwoners is het de derde grootste stad van Griekenland (na Athene en Thessaloniki) en tevens een belangrijke havenstad.. Ongetwijfeld een bezoekje waard, doch we bevinden ons nu op amper een honderdtal kilometer van Olympia en we spoeden ons daarheen, langs de noordwestkust van de Peloponnesos. Rechts van ons duiken de eilanden van de Ionische Zee op. Eén onder hen is Ithaka, het eiland van Odysseus. We rijden tot in Pyrgos en dan linksaf naar Olympia, een klein dorp in een lieflijk dal, het dal van de Alpheiosrivier (foto 1).
De riviergod Alpheios achtervolgde eens een nimf, Arethousa, tot aan de kust van de Ionische Zee. De nimf redde zich zwemmend naar Sicilië, doch Alpheios dook onder de zee en kwam te voorschijn in Syrakuse als een bron, de “bron van Arethousa”, waar hij de nimf onderschepte.
In dit lieflijk dal lag eertijds de stad Pisa die geregeerd werd door koning Oinomaos. Pelops, de prins uit Klein-Azië, versloeg Oinomaos in een dodelijke wagenren en veroverde zo Oinomaos’ dochter Hippodameia en stichtte de Olympische Spelen. Deze strijd stond uitgebeeld op het oostelijk fronton van de grote Zeustempel. Het hele fronton met de vrij goed bewaarde beeldhouwwerken bevindt zich nu in het archeologisch museum van Olympia (één van de grootste vier van Griekenland, samen met de musea van Delphi, Athene en Heraklion). In het midden staat Zeus afgebeeld. Naast hem: Pelops en Hippodameia (foto 2). In dezelfde zaal bevindt zich ook het westelijk fronton dat de legendarische strijd tussen de Lapithen en de Kentauren uitbeeldt met hier Apollo als scheidsrechter (foto 3). Zeker niet te missen in dit museum zijn ook de twaalf metopen van de Zeustempel die de twaalf werken van Herakles voorstellen (foto 4). Verder: het Nike-beeld van Paionios (foto 5) dat op een metershoge zuil stond vóór de tempel van Zeus, en vooral de Hermes van Praxiteles, de god Hermes voorstellend met de jonge Dionysos op de arm. Dit laatste beeldhouwwerk wordt door velen beschouwd als het mooiste en kostbaarste aller tijden (foto 6). Het museum waar we ons nu bevinden is vlakbij het beroemde heiligdom van Olympia en de plaats waar in de oudheid de Olympische Spelen werden gehouden, eens in de vier jaar, meer dan duizend jaar lang!...
foto 1: leden van Loopclub Grijsloke aan de oever van de Alpheios-rivier.
foto 3: Apollo brengt een kentaur tot bedaren. Het verhaal van de strijd tussen de Kentauren en de Lapithen kunt u lezen door hier te klikken op www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=87 .
foto 4: een "passage" uit één van de werken van Herakles (De gouden appelen van de Hesperiden). Het verhaal kunt u lezen door hier te klikken op www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=78. Ook de andere werken van Herakles kunt u vinden op deze blog.
foto 5: Nike van Paionios.
foto 6: de Hermes van Praxiteles (het verhaal dat hieraan ten grondslag ligt kunt u lezen door hier te klikken op www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=12 .
Op vrijdag 26 november om 20.00 uur in het Gemeenschapscentrum Ansold, Landergemstraat 1b te 8570 Anzegem, voert het reizend toneelgezelschap “Het Ongerijmde”één van de meest aangrijpende Griekse tragedies op: HIPPOLIET.
Het is een klassiek drama van Euripides, in een bewerking van Magda Timmermans. De vertolkers mogen tot de beste acteurs van het land gerekend worden: Machteld Timmermans, Kadèr Gürbüz, Jenne Decleir en Danny Timmermans.
Het stuk is vooral aanbevolen voor de twee of drie hoogste klassen van het middelbaar onderwijs. De normale inkomprijs is 13 euro. Voor personen onder de 26 jaar bedraagt de inkomprijs slechts 9 euro en daarboven is er nog een korting van 10% voor groepen vanaf 15 personen. Reservatie: tel. 056 688250.
Euripides was de jongste van de drie grote Griekse tragedieschrijvers. Aeschylos, Sophokles en Euripides leefden allen in de 5e eeuw v.C., de gouden eeuw van Perikles. Euripides schreef een honderdtal toneelstukken en van de drie groten was hij degene wiens werk het meest werd opgevoerd. Eén van zijn mooiste stukken is Hippolytos, een zwaar psychologisch drama. Het hoofdgegeven is de onbeantwoorde liefde van Phaidra, de echtgenote van Theseus, koning van Athene, voor haar stiefzoon Hippolytos. Het compleet verhaal kunt u lezen op deze blog (klik hier op www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=90).
Vooraleer Delphi te verlaten wagen de dappersten van de club zich aan een tien kilometer lange looptraining in de omgeving van het stadje, bij een temperatuur van rond de vijfendertig graden! De verdere reis gaat in de richting van het haventje Itea, dat eertijds heel belangrijk was. De bezoekers van het orakel kwamen immers meestal van over zee-Griekenland was en is nog steeds, een zeevarend land. We rijden dan verder langs de Korinthische Golf tot Antirion, waar we de veerboot naar de Peloponnesos zullen nemen.
In eerste instantie rijden we Antirion nu even voorbij en maken een zijsprongetje naar het oude Kalydon. Resten van de oude stad vinden we een paar kilometer voorbij de Evvinos-rivier. De belangrijkste overblijfselen zijn hier het Leonteion, wat een Heroön is, en een tempel van Artemis Laphria. Kalydon is de stad van de legendarische koning Oineus, van wie het woord oenologie is afgeleid. Via hem immers is de kunst van het wijnbereiden tot de mensheid gekomen. De god Dionysos had het hem geleerd als dank omdat de koning welwillend een oogje dichtkneep wanneer de god zijn vrouw Althaia het hof maakte. Kalydon was ook het strijdtoneel van de jacht op de Kalydonische ever. De grootste helden in dit gevecht waren Oineus’ zoon Meleager en de Arkadische hardloopster Atalante. Meleager kwam op een eigenaardige manier aan zijn einde door toedoen van zijn eigen moeder en Atalante werd tot een huwelijk verplicht na een valstrik met gouden appelen waarin Aphrodite zelf de hand had. Meleagers zuster Deianeira werd Herakles’ bruid. De kentaur Nessos was zo vriendelijk Deianeira op zijn rug over de Evvinos te dragen, maar toen hij midden de rivier aanstalten maakte om haar te verkrachten, schoot Herakles hem dood met één van zijn giftige pijlen. Maar hiermee tekende Herakles, zonder het te beseffen, zijn eigen doodvonnis.
Wij hoeven de Evvinos gelukkig niet door te waden, maar er is een brug waar we lustig over rijden, terug naar Antirion. Hier doen we de overvaart naar Rion. In geen tijd staan we op de Peloponnesos, “het land van Pelops”, dat sedert het graven van het kanaal van Korinthe (voltooid in 1893) in feite Griekenlands grootste eiland is.
Loopclub Grijsloke in Delphi, in een verzengende hitte (1994). vlnr. Daniël Malfait, Didier Libbrecht, José Thys, Micheline Demol (grotendeels verscholen), Johan Dhaenens, Christine Deschamp, Eric Triest en Joost Vinckier.
Herakles (Didier Libbrecht) richt een giftige pijl op de kentaur Nessos (1993).
Het museum van Delphi is één van de belangrijkste van Griekenland en wij mogen het dus niet links laten liggen. Het bevindt zich overigens aan… de rechterkant van de grote weg, als wij, komende van het heiligdom, ons begeven in de richting van het moderne Delphi.
Wat in het museum tentoongesteld wordt is afkomstig van het opgravingsgebied van het Apolloheiligdom, en dat is heel wat: talrijke marmeren en bronzen beelden die langs de heilige weg stonden, ivoren en gouden beeldjes en sieraden (votiefgeschenken die zich in de schathuizen bevonden), sculpturen van de frontons, de friezen en de metopen van de verscheidene kleinere tempels langs de heilige weg, helden en gebeurtenissen uit de Griekse mythologie voorstellende…
Er is ook de fameuze steen (de omphalos) die door Kronos werd uitgebraakt en die het middelpunt van de aarde moest aanduiden (meer hierover kunt u vinden door hier te klikken op www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=2 )
Indrukwekkend zijn de beelden van Kleobis en Biton, de twee krachtige breedgeschouderde jongelingen, die door de godin Athene voor hun dienstvaardigheid werden beloond met… de dood (zie foto hieronder). Deze meer dan twee meter hoge beelden waren geschonken door de inwoners van Argos.
De sfinx die op een negen meter hoge Ionische zuil stond in de buurt van de grote Apollotempel en geschonken werd door de inwoners van Naxos,doet denken aan het mythologisch monster van Thebe, dat door Oidipous overwonnen werd. (lees meer over Oidipous en de sfinx: klik hier op www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=23 en www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=24 )
Het pronkstuk van het museum is evenwel het levensgrote bronzen beeld van “de wagenmenner”. Het maakte deel uit van een indrukwekkende bronzen compositie van een racewagen, getrokken door vier paarden. Rechtop in de wagen, de teugels in de rechterhand stond deze menner. Dit kostbaar geschenk was afkomstig van één van de heersers van Syracuse, naar aanleiding van een overwinning in de paardenrenwedstrijd tijdens de Pytische Spelen.
De Omphalos
Kleobis en Biton
Kleobis en Biton waren de zonen van Kidippe, één van de priesteressen van Hera. Toen de ossen die Kidippe naar het Heraion (de tempel van Hera in Argolis) moesten brengen, niet beschikbaar waren, trokken Kleobis en Biton zelf de ossenwagen. Kidippe vroeg Hera haar zonen daarvoor te belonen en Hera beloonde hen... met een plotse dood, zijnde "het mooiste geschenk dat een mens kan te beurt vallen".
Nog hoger tegen de flank van de Parnassos bevindt zich het eveneens vrij goed bewaarde stadion, waar om de vier jaar de Pythische Spelen werden gehouden, tussen twee Olympische Spelen in. Ook lyrische en dramatische opvoeringen waren in het programma van de Spelen opgenomen. Deze gingen door in het theater. Het stadion diende voor de lichamelijke sporten. Hier begint het Panhelleense Spelenprogramma van Loopclub Grijsloke.
Het stadion van Delphi. De rij marmeren steenblokken op de voorgrond is de aankomst van de "dromos", d.i. één stadionlengte, zijnde iets minder dan 200 meter. De startlijn bevindt zich in de achtergrond. Links tegen de flank van de Parnassosberg zijn de zitplaatsen voor de toeschouwers. Helemaal vooraan, waar de juffrouw staat, bevond zich een kolom, waarrond de atleten dienden te draaien bij de dubbele stadionloop (de "dolichos").
De startlijn. Groeven in het marmer zijn het equivalent van onze huidige startblokken. Een sterk gebronzeerde chirurg uit Besançon die wij in 1993 toevallig ontmoetten in dit stadion, krijgt hier instructies van onze trainer Gilbert Terras, i.v.m. de juiste kledij (enkel een lendendoek) en de juiste starthouding.
Idem voor het discuswerpen. De instructeurs zijn hier Didier Libbrecht en Gilbert Terras.
Kris Vansteenbrugge tijdens de wedstrijd in het discuswerpen (diskobolia) in 1994...
... en tijdens het vérspringen (halma); let op de "springgewichten".
De twaalf deelnemers van Loopclub Grijsloke bij de start van het koninginnenummer (de dromos). V.l.n.r. Günther Hombecq, Gilbert Terras (grotendeels verborgen), Kris Vansteenbrugge, Eric Vancoppenolle, Daniël Malfait, Hendrik Vanherzeele, Willem Vanderstraeten, Joost Vinckier, Roger Vandendorpe, Eric Triest, José Thijs en Walter Delmotte.
Enkele honderden meter voorbij de Kastalische bron ligt tegen de helling van de uitlopers van het machtige Parnassosgebergte, het opgravingsgebied van Apollo’s heiligdom, waarbinnen zich het beroemde orakel bevond. Van de meeste gebouwen zijn nog enkel de grondvesten over, zodat het moeilijk valt, hoe indrukwekkend de site ook moge zijn, om zich een idee te vormen van de overweldigende indruk die de orakelganger moet gekregen hebben bij het betreden van dit heilig domein dat vol schitterende bouwwerken stond, rijke schathuizen als tempels – een twintigtal – en verscheidene votiefgebouwen langs de heilige weg die met een haarspeldbocht oploopt naar de grote Apollotempel.
Eén van de schathuizen werd volledig gereconstrueerd met in hoofdzaak oorspronkelijk materiaal: het is een kleine Dorische antentempel, gebouwd door de Atheners op het einde van de 5e eeuw v.C. als dank voor hun overwinning op de Perzen in de vlakte van Marathon. Op de metopen van het fries zijn, nog steeds duidelijk herkenbaar, de heldendaden van Theseus en Herakles afgebeeld.
In de nabijheid van dit “schathuis van de Atheners” bevindt zich het middelpunt van de aarde. Zeus zelf heeft dit middelpunt bepaald toen de twee arenden die hij aan beide uiteinden van de wereld had losgelaten, elkaar in Delphi ontmoetten. Precies op dat punt werd door de oppergod de steen gelegd waarmee zijn vader Kronos verschalkt werd toen hij de pasgeboren Zeus opeiste om hem te verslinden, zoals hij met zijn andere kinderen had gedaan. De steen was in luiers gewikkeld en Kronos, denkende dat het zijn zoon was, verslond hem. De broers en zusters van Zeus werden later door Kronos uitgebraakt, samen met de steen. Op het middelpunt van de wereld staat er nu echter een namaaksteen: de echte, de “omphalos”, bevindt zich in het museum van Delphi. (Lees meer over "Kronos die zijn kinderen verslond": klik hier op www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=2)
Eveneens in de nabijheid van het schathuis van de Atheners bevindt zich de zogenaamde “rots van de Sibylle”: hier was het dat Apollo de slang Pythoon doodschoot.
Van de grote Apollotempel werden zes zuilen weer opgericht op de grondvesten. In het aditon van de tempel bevonden zich het gouden Apollobeeld, de heilige laurierboom en, boven een rotsspleet, de driepoot van de waarzeggende Pythia.
Didier en Gilbert bij het middelpunt van de aarde.
Kronos verslond een in luiers gewikkelde steen.
Rechts van het schathuis van de Atheners zien we de rots van de Sybille.
De Apollotempel met de zes zuilen; op de voorgrond een deel van het theater.
Een scène uit Sophokles' "koning Oidipous", in het theater van Delphi vertolkt door Loopclub Grijsloke. V.l.n.r. Eric Triest (een herder uit Thebe), Joost Vinckier (koning Oidipous) en Willem Vanderstraeten (een herder uit Korinthe)
Komende van Levadia is het eerste wat we van Delphi zien, links van de weg, de Marmaria, het heiligdom van Athena Pronaia. Hier zijn de ruïnes van twee Athenatempels, twee schathuizen en een prachtige ronde tempel, een tholos. Van deze laatste werden drie zuilen weer overeind gezet met een fries en een reconstructie er bovenop: het meest gefotografeerde gebouw van Delphi. Verderop aan dezelfde kant van de weg, het Gymnasion. Waar de weg dan een bocht van negentig graden naar links maakt, vinden we aan de rechter kant de heilige bron van Kastalia. We laten niet na ons even te wassen met het water van deze bron zoals in het verleden ieder hoorde te doen vooraleer hij het orakelheiligdom betrad. We drinken ook een slok van het water om ons te zuiveren van alle onreine gedachten en onze geest te verhelderen teneinde beter ontvankelijk te worden voor de wijze, zij het dubbelzinnige, woorden van het orakel. Hier zou de grot van Pythoon geweest zijn, de slang die door Apollo met zijn pijlen werd gedood, uit wraak omdat Pythoon zo onbarmhartig zijn zwangere moeder Leto achtervolgd had. Apollo maakte zich dan later meester van deze plaats en van het orakel dat toen nog aan Gaia toebehoorde. Omdat de gedode slang Gaia’s zoon was, stelde Apollo, teneinde zich met haar te verzoenen, de Pythische Spelen in.
De laatste dagen hebben zeker een dozijn mensen mij aangeklampt met vragen omtrent het verhaal over “Het vat der Danaïden” op het blaadje van “De Druivelaar” van 17 augustus. Sommigen noemden mijn verhaal zeer onvolledig. Ze houden ongetwijfeld geen rekening met de beperktheid van de mij toegemeten ruimte: een half paginaatje van zo’n scheurblaadje…
De vragen zijn drieërlei: 1° waarom heeft die ene Danaïde haar echtgenoot gespaard? 2° wat is er nadien met haar en haar echtgenoot gebeurd? 3° zijn haar negenenveertig zussen direct na hun misdaad naar de onderwereld verhuisd? Welnu,
1°/ Die ene Danaïde was Hypermnestra. De haar toegewezen echtgenoot was Lynkeus. Omdat Lynkeus haar tijdens de huwelijksnacht had gerespecteerd en haar haar maagdelijkheid had laten bewaren, waarvoor ze hem zeer erkentelijk was, kon ze het niet over haar hart krijgen hem te doden. Ze hielp hem daarenboven het land uit te vluchten.
2°/ Danaos, was woedend om het verraad van zijn dochter en wilde haar doden, maar uiteindelijk zag hij daar toch van af. Lynkeus echter keerde enige tijd later terug naar Argos om de moord op zijn broeders te wreken. Hij doodde Danaos, eigende zich het koningschap van Argos toe, en trouwde met Hypermnestra. Het koningspaar kreeg een onovertroffen roemrijk nageslacht. Hun achterkleindochter Danaë werd de moeder van de held Perseus: de vader was niemand minder dan de oppergod Zeus, himself. En nóg roemruchter was de zoon van Perseus’ kleindochter Alkmene: Herakles, de grootste held die ooit op aarde heeft geleefd. Ook hier was Zeus de vader! Overigens waren Lynkeus en Hypermnestra zelf reeds nazaten van Zeus. Zij waren immers allebei kleinkinderen van Belos, die samen met zijn tweelingsbroer Agenor gesproten was uit de vereniging van de god Poseidon met Lybia. Deze was een kleindochter van Zeus en Io, u weet wel, die later door Zeus zelf in een koe werd veranderd.
3°/ De Danaïden zijn niét direct naar de onderwereld verbannen. In de eerste dagen na de misdaad organiseerde hun vader Danaos een hardloopwedstrijd voor trouwlustige mannen, met als inzet de hand van zijn negenenveertig dochters: de winnaar van de wedstrijd mocht het eerst kiezen, daarna de tweede, en zo verder. Aanvankelijk kwamen maar weinig deelnemers opdagen, bang als zij waren dat ze het lot van hun voorgangers zouden ondergaan. Een paar dagen later organiseerde Danaos een nieuwe loopkoers: nu waren er wel voldoende deelnemers, omdat ondertussen bekend was dat de anderen de huwelijksnacht hadden overleefd. Zo zijn alle Danaïden uiteindelijk nog “aan de man geraakt”. Na hun dood, eenmaal in de onderwereld, was de lol er evenwel volkomen af.
Onlangs heb ik gelezen dat er heden ten dage in Argos nog jaarlijks een “huwelijkswedloop” gehouden wordt…
Myrrha was de dochter van de Fenicische koning Theias. Ze had mooi haar, weliswaar. Maar dat ze haar eigen haar mooier vond dan dat van Aphrodite nam de godin van de liefde haar meer dan kwalijk. Zij legde in het hart van Myrrha zondige liefdesgevoelens voor haar eigen vader. Met een list slaagde Myrrha erin het bed te delen met haar vader: ze maakte hem dronken en verleidde hem in het donker.
Theias sliep alzo twaalf nachten lang met zijn eigen dochter. Toen hij haar echter de twaalfde nacht herkende bij het schijnsel van een zwak licht, werd hij wild van woede. Met een slagersmes achtervolgde hij Myrrha, doch deze slaagde erin te ontvluchten en aan een gewisse dood te ontkomen. Ze belandde in Arabië. Toen bleek dat ze zwanger was, was ze zo beschaamd dat ze de goden smeekte haar te doen verdwijnen: ze wilde niets meer zijn, noch onder de levenden, noch onder de doden. De goden veranderden haar in een myrrheboom, die overvloedig weent om de verloren gegane eer: haar tranen zijn de welriekende gomhars die de bast van de boom overvloedig afscheidt.
De dag dat Myrrha normaal had moeten baren, scheurde de boomschors open en een kind kwam te voorschijn: Adonis. Het kind was zo mooi dat Aphrodite zelf het opnam, het in een koffertje legde en toevertrouwde aan Persephone, de godin van de onderwereld. Deze echter werd dermate bekoord door het kind dat ze weigerde het nog ooit terug te geven aan Aphrodite. Dit leidde tot een twist tussen de twee godinnen. Het was Zeus die uiteindelijk optrad als scheidsrechter in deze zaak. Hij besliste dat Adonis één derde van het jaar bij Aphrodite zou vertoeven en één derde bij Persephone; over het laatste één derde zou de jongen zelf vrij mogen beslissen. Adonis gaf zijn deel geheel aan Aphrodite, zodat hij als opgroeiende knaap twee derden van het jaar in haar gezelschap vertoefde.
De grote liefdesgodin geraakte zodanig in de ban van de mooie Adonis dat ze de aan haar gewijde plaatsen op Cyprus verliet en de andere goden negeerde. De god Ares kon moeilijk verkroppen dat de godin die hem eens had bemind nu al haar aandacht aan de sterfelijke Adonis besteedde. Hij veranderde zichzelf in een everzwijn en toen Aphrodite en de geliefde jongeling op een dag aan het jagen waren in de bossen van Fenicië, stormde het everzwijn recht op Adonis af en bracht hem een dodelijke wonde toe.
Aphrodite nam het lichaam van de geliefde in de armen, maar ze kon niet verhinderen dat zijn bloed wegvloeide naar een beek, die stroomt aan de voet van de Libanon en die tot op heden rood gekleurd is door het bloed van Adonis. En vandaar stroomde het bloed via de Styx naar de onderwereld. In plaats van Adonis te beminnen kon Aphrodite hem nu nog enkel bewenen, en rondom bloeiden overal anemonen, gesproten uit het bloed van de beminde, waar het de aarde doordrenkt had.
Niemand is ooit meer verliefd geweest dan Phyllis, een prinses. Ze woonde in Daulis, een kleine stad, niet ver van Delphi. Haar geliefde was Demophoon, de jonge koning van Athene. Dit verhaal speelt zich af kort na de oorlog van Troje, waar Demophoon dapper had meegestreden. Ongehavend was hij naar zijn vaderland teruggekeerd. Eerst begaf hij zich naar het orakel van Delphi om daarna verder te reizen naar Athene. Maar hij werd opgehouden in Daulis en hij leerde er de mooie prinses Phyllis kennen. Voor beiden was het liefde op ’t eerste gezicht en vanaf de eerste dag al zwoeren ze elkaar eeuwige trouw en dat ze elkaar nooit zouden verlaten. En Demophoon bleef in Daulis, dagen en weken achtereen. Het leek wel of hij Athene voorgoed vergeten was. Voor hem telde alleen nog Phyllis en voor Phyllis telde alleen nog Demophoon…
Tot men op zekere dag in Daulis vernam dat er onrust was in Athene en dat daar relletjes waren uitgebroken. Demophoon voelde zich geroepen om orde op zaken te gaan stellen in de stad waar hij per slot van rekening koning was. Hoe zwaar het hem ook viel, hij verliet zijn prinses, echter niet zonder de stellige belofte dat hij niet langer dan twee weken zou wegblijven. Bij zijn terugkeer zou hij met haar trouwen en haar daarna voorgoed als zijn vrouw meenemen naar Athene.
Phyllis bleef verdrietig achter. Het alleen-zijn zonder haar Demophoon knaagde aan haar ziel en naarmate de dagen voorbij gingen, sloeg de angst haar om het hart, de angst dat hij niet zou terugkeren. En toen de twee weken verstreken waren en Demophoon er nog niet was, begon de gekwelde jonge vrouw als bezeten rond te dolen. Ze begaf zich naar een heuvel in de nabijheid van haar stad en ze beklom er een hoge rots, waar ze uitzicht had over de hele vlakte die Daulis omringde. Hier zou ze haar geliefde al van ver zien komen. Als hij nog kwám, tenminste…
Drie dagen stond ze daar al op de uitkijk. Drie dagen was hij dus al over tijd. Wanhoop kreeg haar in de greep en plots stond het voor haar vast dat hij haar ontrouw geworden was en nooit meer zou terugkeren. Het had nu geen zin meer nog verder op de uitkijk te staan, zoals het evenmin zin had nog verder te leven. Ze stortte zich van de rots te pletter. De goden, uit medelijden, veranderden haar dode lichaam in een amandelboom.
Een paar dagen later kwam Demophoon aan in Daulis. In Athene was hij langer opgehouden dan hij verwacht had. Nu kwam hij zijn geliefde halen. Maar ze was er niet meer. Er stond alleen een prachtige amandelboom, helemaal in bloei. Het was alsof Phyllis haar mooiste kleed had aangetrokken om hem te verwelkomen. Op ieder bloempje hing een dauwdruppel: de tranen van de geliefde prinses.
Ongeveer halverwege tussen Levadia en Delphi hebben we rechts een afslag naar Daulis. Hier in de buurt bevindt zich Schiste Odos (foto 1). Deze driesprong, waar Oidipous zijn vader Laios doodde, kunnen we zien liggen vanaf de grote weg (foto 2): hier hebben we die vadermoord nog eens nagespeeld (foto 3).
In Daulis leefde er een prinses, Phyllis, die zich uit liefdesverdriet voor een Atheense prins van het leven beroofde en later door de goden in een amandelboom werd veranderd. We vinden hier dan ook een amandelboom in volle bloei (foto 4) en bedekt met dauwdruppels, de tranen van de verliefde prinses die voor haar prins haar mooiste kleed heeft aangetrokken. (tijdens de grote vakantie verschijnt op deze blog het volledig verhaal van Phyllis)
Vooraleer we de grote bezienswaardigheid die Delphi is, binnenrijden, doen we eerst nog een zijsprong van een twintigtal kilometers, de bergen in, naar Ossios Loukas (foto 5), in een prachtige omgeving, op de westelijke helling van de Helikon. Ossios Loukas is misschien wel het bekendste Byzantijns klooster van geheel Griekenland, een aangename afwisseling tussen de talrijke klassieke ruïnes die wij bezoeken.
foto 1
foto 2: de driesprong bevindt zich ongeveer in het midden van de foto
Levadia is de hoofdstad van Beotië, één van de vijf arrondissementen van Centraal-Griekenland. In de oude stad leidt een kronkelende weg (foto 1) naar de Herkyna-kloof (foto 2 en 3), waar het orakel van Trofonios zich bevond. Door de Herkyna-kloof stroomt de gelijknamige rivier, die gevoed wordt door twee bronnen: de Lethe (de vergetelheid) en de Mnemosyne (de herinnering). Hoog in het ravijn stierf Trofonios, die zozeer door de goden werd bemind dat zij hem op jeugdige leeftijd uit dit aardse tranendal weghaalden. Wie zijn toevlucht zocht tot het orakel moest eerst drinken van beide bronnen (foto 4) en daarna afdalen in een grot (foto 5), met onder elke arm een honingkoek, voedsel voor de heilige slangen van moeder aarde. Wat de pelgrim in die grot moest doorstaan, weten we niet precies: hij werd er door elkaar geschud en het leek “of hij door het middelpunt van de aarde werd getrokken”. Bij het verlaten van de grot was hij als geradbraakt en hij keek dan ook allesbehalve vrolijk. In Griekenland werd wel eens gezegd van iemand die met zijn linkerbeen uit bed was gestapt: “Die is zeker naar Trofonios geweest?”
Vlakbij is ook een modern theater (foto 6). Hier worden o.a. klassieke drama’s opgevoerd.
Griekse mythologie en horoscoop: duizend maal sorry...
In 2012 verschijnen er op De Druivelaar weer mythologische verhaaltjes in verband met de sterrenbeelden uit de dierenriem. Aan de directie van verscheidene middelbare scholen heb ik de vraag gesteld of er onder het personeel of de leerlingen kandidaten zijn om die verhaaltjes met een tekening te illustreren. Daar heb ik reeds een tiental antwoorden op gekregen, met vraag om meer inlichtingen. Ik heb alle mails beantwoord, met uitzondering van een paar, die ik per ongeluk heb gewist. Behoor jij tot die "gewisten", gelieve een nieuwe mail te sturen naar kris.vansteenbrugge@skynet.be of kvansteenbrugge61@gmail.com. Duizend maal Sorry! Ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn vraag te richten tot alle lezers van deze blog die zich aangesproken voelen om een tekening te maken bij de verhaaltjes: stuur desgevallend een mailtje naar een van de genoemde adressen.
[een overzicht van de reisroute ziet u op deze blog d.d. 7.1.2010; klik hier www.bloggen.be/dzeus/archief.php?ID=605796] Niet ver hiervandaan ligt Orchomenos, nu een onbelangrijk stadje, maar hier woonde eens koning Minyas, die de rijkste koning was van zijn tijd. Hij had vele dochters en vele van de heldhaftige Argonauten, die met Jason naar Colchis voeren teneinde het Gulden Vlies te veroveren, waren met één van die dochters getrouwd. Hun nakomelingen werden Minyers genoemd. Met wat goede wil vinden we nog iets van de vroegere rijkdom terug in de schatkamer van Minyas (foto 1 en 2). Dit koepelgraf van veertien meter doorsnede is weliswaar minder goed bewaard dan de koepelgraven van Mykene – de koepel en een deel van de muren zijn ingestort – maar wat er overblijft is zeker nog indrukwekkend. In het midden van dit koepelgraf bevindt zich een grafmonument uit de 4e eeuw v.C. (foto 3). Er is ook een zijkamer (thalamos, foto 4): wie zich de moeite getroost daar met een zaklamp binnen te gaan, kan er een kostelijk reliëf van rozetten in groene steen bewonderen. Orchomenos was ook een plaats aan de Chariten gewijd, de drie gratiën, die dochters waren van Zeus en van de Okeanide Eurynome. Van het Charitentheater (foto 5 en 6) is nog heel wat bewaard. Ooit stond hier in de buurt een tempel, de Chariten ter ere. In het huidige centrum van het stadje staat een Byzantijnse kerk (foto 7).
Over Jason, de Argonautentocht en de verovering van het Gulde Vlies kunt u lezen op deze blog: 19/11, 26/11, 30/11, 3/12 en 7/12/2007.
foto 1: ingang van de schatkamer van Minyas.
foto 2: ingang van de schatkamer van Minyas (binnenkant).
Jos de Nijs uit Utrecht stuurde mij heden deze foto van één van zijn kunstwerken: "Leda en de Zwaan" (het verhaal kunt u lezen op deze blog, d.d. 11.4.2008). De Griekse mythologie is voor Jos een onuitputtelijke bron van inspiratie.
Naar aanleiding van het verhaaltje op De Druivelaar van 17 mei en het verhaaltje over Gla, waar Asklepios verwekt werd door de god Apollo bij de nimf Koronis (zie deze blog d.d. gisteren 26 mei), stuurde Jan Bauwens mij vier tekeningen. De tekeningen zijn gemaakt naar een muurschildering, bestaande uit vier panelen, dewelke zich bevindt in een gebouw van de medische faculteit van een universiteit in Cleveland (Ohio,USA). Zie ook het uitgebreid verhaal over Asklepios op deze blog d.d. 9.11.2007.
Wie stuurt mij nog eens een illustratie bij één van de mythologische verhalen? (via e-mail: kris.vansteenbrugge@skynet.be) Wordt zeker op deze blog gepubliceerd tijdens de grote vakantie!
Paneel 1: Asklepios wordt onderwezen door de kentaur Cheiron.
Paneel 2: Asklepios, de genezende god, met de slangenstaf.
Paneel 3: De chirurg Machaon, zoon van Asklepios, verzorgt de gewonde Menelaos tijdens de oorlog van Troje.
Paneel 4: Verering van de god Asklepios in de tempels van Kos en Epidauros.
De burcht van Gla is waarschijnlijk het belangrijkste overblijfsel uit de Griekse prehistorie. Het is tevens de grootste Mykeense burcht, tienmaal zo groot als de burcht van Tyrins, zevenmaal zo groot als de burcht van Mykene zelf. De cyclopische muren zijn niet minder dan drie kilometer lang en minstens vijf meter dik. De ruïnes zijn op sommige plaatsen nog drie meter hoog. De rots bevindt zich op een plateau dat als een eiland uitsteekt boven de vlakte van Kopaïs, tot 70 meter op zijn hoogste punt. Vroeger was dit een eiland: de zee strekte zich immers uit tot waar nu de vruchtbare vlakte van Kopaîs is, of “het meer van Kopaïs”. Binnen de vestingsmuren vinden we de resten van het paleis dat bewoond was van de 16e tot de 12e eeuw v.C. Deze burcht wordt aanzien als de bakermat van de Phlegiërs. Hier moet koning Phlegias gewoond hebben. En dan is het wellicht ook hier dat Apollo Phlegias’ dochter Koronis zwanger maakte en haar later doodde omdat ze hem ontrouw was. Hermes verwijderde toen het kind uit haar ontzield lichaam door middel van een keizersnede. Dat kind was Asklepios, de god van de geneeskunde. Phlegias was ook verwant met Ixion. Deze laatste maakt de oppergodin Hera het hof. Zeus kreeg dat in de gaten en hij schiep uit een wolk een dubbelgangster van Hera. Uit de verhouding van Ixion met deze dubbelgangster ontstond Kentauros, die verliefd werd op de merries van het Peliongebergte bij wie hij de Kentauren verwekte.
De burcht van Gla (luchtfoto): in 't midden de ruïnes van een paleis, rondom de cyclopische muren en daaromheen een aardeweg.
Gilbert op de "heuvel van Gla", binnen de muren, links de aardeweg
Eén van de ingangspoorten van de burcht.
Nog jaren nadien liep ik met plannen voor een "Ronde van Gla", door Loopclub Grijsloke: een drietal kilometer op de onverharde weg rond de eens zo machtige burcht (zo'n 3500 jaar geleden!), nu "the middle of nowhere". Dat heb ik mij ondertussen uit het hoofd gezet. Maar ooit zal één van de komende generaties dit misschien realiseren.
We nemen niet de kortste weg naar Levadia. Eerst verlaten wij de hoofdweg naar links via Kabirion en Askri en in Aliartos verlaten we de hoofdweg naar rechts via Gla en Orchomenos. De weg naar Kabirion is smal, grotendeels onverhard en moeilijk berijdbaar. Toch komen we ter bestemming. Hier bevindt zich de ruïne van een heiligdom van de Kabiren. Dit zijn plaatselijke vruchtbaarheidsgoden die soms vereenzelvigd worden met olympische goden zoals Demeter, Dionysos, Hermes en Hephaistos. Er is geen levende ziel te bespeuren in dit afgelegen oord. Een uitgelezen moment om ongezien een stukje toneel op te voeren. Met een spade en een antiek stuk aardewerk spelen we archeoloog (foto 1). Naast een theater (foto 2) vinden we hier ook de resten van een tempel. Het meeste van wat hier werd opgegraven bevindt zich in het archeologisch museum van Athene. Enkele van de vondsten worden bewaard in een klein gebouw (foto 3) aan de rand van het heiligdom. Enkele vaasschilderingen trekken onze aandacht (foto 4).
In Askri, aan de voet van het Helikongebergte, trekken we door de vallei van de Muzen (foto 5), de patronessen van de negen kunsten. Zeus verwekte ze bij de titanes Mnemosyne.
Over de Muzen kunt u lezen op deze blog: nr. 71 d.d. 7.3.2008
foto 1
foto 2
foto 3 (zou die wijn van meer dan 2000 jaar oud nog smaken?)
Onze volgende halte is Thebe, nu een allesbehalve mooie stad. Eigenlijk is er niets meer over van de luister van het eens zo roemrijke Thebe, eens de belangrijkste onder de Griekse steden. Alles lijkt hier uitgeblust en vrijwel niemand wil hier iets weten van het groots verleden. Zo er hier al iemand gevonden wordt die wil praten over Kadmos, Oidipous, Antigone en zo meer, dan wordt die hier zeker aanzien als een dorpsgek. Met wat geluk slagen we er dan toch in die dorpsgek te vinden, iemand die ons de resten toont van de reusachtige Kadmea. Kadmos, de mythologische stichter van Thebe, bouwde hier namelijk de burcht. Kadmos was een Phrygische prins, naar hier gekomen om zijn zuster Europa te zoeken, die Zeus in de gedaante van een stier ontvoerd had naar Kreta. Maar het orakel gaf Kadmos de raad zijn zoektocht op te geven en een koe te volgen die hij op zijn weg zou vinden. Waar de koe zich zou neervleien moest hij een stad stichten. Zo werd Thebe dus gesticht, een stad van vele drama’s. Te beginnen met de dochters van Kadmos. Semele werd door Zeus tot moeder van Dionysos gemaakt en schoot er het leven bij in. Autonoë moest het meemaken hoe haar zoon Aktaion door de godin Artemis werd gestraft omdat hij haar naaktheid had aanschouwd: hij werd veranderd in een hert en door zijn eigen jachthonden verscheurd. Ino stortte zich te pletter in de Saronische Golf, samen met haar zoontje Melikertes: tot zijn nagedachtenis werden de Isthmische Spelen ingesteld. Tenslotte werd Agave door Dionysos uitzinnig en wild gemaakt, zodanig dat ze haar eigen zoon Pentheus, die zijn grootvader als koning van Thebe was opgevolgd, levend verscheurde. De dorpsgek tracht ons in het Grieks en met drukke gebaren iets te vertellen over Oidipous en zijn geslacht. Hij troont ons mee naar het standbeeld van de grote dichter Pindaros (foto 1) die als geen ander de Spelen heeft bezongen, naar het standbeeld ook van de Thebaanse krijgsheer Epaminondas (foto 2) en naar het museum, dat om drie uur dichtgaat (we zijn te laat...). Van de zeven poorten van Thebe is helaas al even weinig over als van de Thebaanse grootstheid van weleer…
foto 1: "Was ik ook maar zo'n grote dichter..." mijmert Kris bij het standbeeld van Pindaros.
foto 2: Gilbert, zelf een hogere officier van het Belgisch leger, aan de voet van het standbeeld van de grote Thebaanse legeraanvoerder Epaminondas.
Op deze blog kunt u uitgebreide literatuur vinden over de stichting van Thebe door Kadmos (d.d. 18.6.2007), over de drama's die zijn dochters overkwamen (d.d. 22, 25 en 29.6.2007 en 2.7.2007), alsook over de niet minder dramatische gebeurtenissen omtrent zijn nazaat, de beroemde koning Oidipous en dezes kinderen (1, 5 en 8.10.2007).
Er was eens een koning die drie mooie dochters had. De oudste twee waren gewoon mooi. Maar de jongste, Psyche, was nog véél mooier. Woorden schieten tekort om haar schoonheid te beschrijven. De mensen noemden haar schoonheid “goddelijk” en van heinde en verre kwamen zij de jonge prinses bewonderen. Die bewondering was als een soort verering, die doorgaans alleen goden te beurt valt. En al durfde niemand het openlijk zeggen, men vond dat zij Aphrodite, de godin van de liefde, in schoonheid overtrof. En dat wekte in niet geringe mate de afgunst op van de godin. Ze besloot zich te wreken…
Aphrodite riep haar zoon Eros bij zich en gaf hem de opdracht de prinses zodanig te bewerken met zijn liefdespijlen dat zij verliefd werd op een lelijk monster. Eros, die zijn moeder zeer gehoorzaam was, begaf zich naar het paleis van Psyche’s vader, doch toen hij daar het mooie meisje zag, werd hij dermate ontroerd door haar verblindende schoonheid, dat hij begon te beven over al zijn leden en zich hierbij verwondde aan zijn eigen pijlen. Eros stond weldra in lichterlaaie voor de prinses en hetgeen zijn moeder hem had opgedragen kon hij nu niet meer gedaan krijgen. Hij besefte dat een romance met een sterfelijk wezen voor hem niet weggelegd was – Aphrodite zou dat nooit goedkeuren! – en tegelijkertijd kon hij zich niet verzoenen met de gedachte dat een ander dit wondermooi wezentje de zijne zou mogen noemen. Daarom bewerkstelligde hij dat nooit een man haar ten huwelijk zou vragen.
Toen nu de beide zusters van Psyche reeds lang de prins hunner dromen gevonden hadden, was nog niemand de hand van onze mooie prinses komen vragen. Alle jonge koningszoons bewonderden haar wel, maar niemand kwam haar ten huwelijk vragen. Durfden ze niet? Het verdroot haar ouders zeer en daarom besloten ze het orakel van Apollo in Delfi te raadplegen. Maar Eros was hen vóór: hij had een plan! Hij kocht de hogepriesters van Delfi om, opdat ze zouden verklaren dat het de wil van de god was om Psyche te brengen naar de top van een hoge rots aan de rand van de zee en haar daar alleen achter te laten. Alleen door zo te handelen zou zij een geschikte echtgenoot vinden. En alles geschiedde zoals Eros het had gepland. Zeer tegen hun zin, maar om aan de wens van de god te voldoen, brachten Psyche’s ouders hun dochter naar de top van de rots. Gedwee bleef ze daar alleen achter, omdat ze ervan overtuigd was dat de goden het beste met haar voorhadden…
En toen kwam Zephyros, de Westenwind. Hij nam Psyche mee naar een veraf gelegen kasteel, dat zich in het midden van een groot bos bevond. In het kasteel was alles van een ongekende pracht en praal: goud en marmer en de kostelijkste houtsoorten. In de kamer waar Zephyros haar had gebracht straalde het daglicht ongehinderd naar binnen en er speelde een hemelse muziek. Er stond een tafel, die gedekt was met de heerlijkste spijzen, en een uitnodigend zacht bed. Haar hongerige maag knaagde en vol vertrouwen in de afloop van dit avontuur ging ze aan tafel en toen ze helemaal verzadigd was, ging ze liggen op het donzig bed, in de hoop dat er nu weldra een knappe jonge man zou komen om haar het hof te maken. En dat zou gebeuren…
Het duurde weliswaar een tijdje en het was al donker toen iemand de kamer van het paleis binnenkwam. Zo donker was het reeds dat zij zelfs geen vage gestalte van de bezoeker kon waarnemen. Hij begaf zich naar het bed en vleide zich naast haar neer. En hij raakte haar aan, streelde haar schouders en haar dijen, kuste haar en fluisterde haar zachte lieve woordjes in het oor. Psyche was hierdoor in een opperste staat van verrukking en ofschoon zij haar aanbidder niet kon zien, toch was zij er zeker van dat het een héél knappe jongeling was die daar naast haar lag en met haar zo teder de liefde bedreef.Zij beantwoordde zijn liefde volkomen. Toen zij hem evenwel vroeg haar zijn naam te noemen, gaf hij haar ten antwoord:
- Mijn naam moet voor jou verborgen blijven, noch mag je mij ooit aanschouwen. Als deze regel overtreden wordt, zal aan onze liefde een bruusk einde komen!
Deze woorden stemden Psyche verdrietig. Hoe gaarne had ze haar minnaar bij klaarlichte dag aanschouwd… Haar nachten waren heerlijk, in de armen van haar minnaar, maar telkens als ze ’s ochtends wakker werd was hij verdwenen en bij dage verveelde zij zich in haar gouden paleis. Nooit zag ze nog iemand. Ze miste vooral het gezelschap van haar beide zusters. Ze vroeg haar geliefde of ze haar zusters mocht zien, want dat ze anders zou wegkwijnen van verdriet. Hij stond het toe, met tegenzin, want hij was bang dat zij Psyche zouden uitvragen over de identiteit van haar geliefde. Hij verzocht Zephyros de zusters te halen. Dezen waren niet weinig verrast toen zij het paleis binnentraden, waar Psyche nu vertoefde: het was honderd keer mooier en kostbaarder dan dat van hun eigen vader. Toen Psyche hen vertelde dat zij daar verbleef met een jonge knappe minnaar, die ze evenwel nog nooit bij klaarlichte dag had gezien en wiens naam ze niet eens kende, werden de twee zusters achterdochtig.
- Hoe kan je weten dat hij jong en knap is, vroegen ze, als je hem nog nooit hebt gezien. Het zou best wel een monster kunnen zijn, waarmee jij argeloos het bed deelt. Waarom anders zou hij zich niet kenbaar maken en zich niet aan jou willen vertonen? Misschien vermoordt hij jou wel, op een dag…
Waren hun woorden ingegeven door bezorgdheid om hun zus, of door jaloezie, of door beide? In Psyche’s hart was er alvast twijfel ontstaan en toen haar zusters weggingen vroeg ze hen wat er haar te doen stond.
- Wij zullen er samen eens over nadenken, zeiden ze, en als we een oplossing denken gevonden te hebben, komen we spoedig terug.
En ze kwamen terug, een paar weken later. Ze brachten een olielamp mee en een dolk.
- ’s Nachts moet je hem bespieden, in ’t licht van deze olielamp, zeiden ze. En als hij inderdaad een monster blijkt te zijn, moet je deze dolk in zijn borstkas planten, recht in zijn hart.
Psyche gruwelde bij de gedachte. Maar met de onzekerheid kon zij niet leven. En de volgende nacht, toen Eros, na een heerlijk liefdesspel, in diepe slaap was verzonken, ontstak ze haar olielamp en hield die boven het lichaam van haar minnaar. En wat zag zij? Ze kon haar ogen niet geloven: een knappe jonge man, nog mooier dan ze zich hem in haar stoutste dromen had durven voorstellen. Zo groot was haar opwinding dat ze begon te beven over al haar leden en dat ze gloeiende olie morste op de schouder van haar geliefde. Met een door merg en been snijdende schreeuw van pijn schoot deze wakker. Groot was zijn afschuw toen hij zijn beminde zag met in de ene hand de brandende olielamp en in de andere hand… de dolk. Huilend van de pijn vluchtte hij het paleis uit. Psyche besefte dat hij nooit meer zou terugkeren. Toch rende ze hem nog achterna, in de pikdonkere nacht. Ze riep om vergiffenis en ze hoorde hem antwoorden:
- Als je het zo nodig weten wil: ik ben Eros, de zoon van Aphrodite. Hier eindigt onze liefde: liefde zonder vertrouwen kan immers niet gedijen. Nooit keer ik nog bij jou terug.
Ze was zijn spoor bijster. Verdwaasd bleef ze doorlopen. Ze nam zich voor haar geliefde te blijven zoeken, ofschoon ze wist dat het allemaal tevergeefs zou zijn. Als hij tenminste maar kon begrijpen hoe groot haar liefde was, en hoe immens haar verdriet! Nu smeekte ze de goden om haar behulpzaam te zijn, maar geen die het aandurfde gevolg te geven aan haar bede: zozeer vreesden zij in ongenade te zullen vallen bij Aprodite. Ten einde raad besloot Psyche zich te wenden tot de liefdesgodin zelf: de haat van de godin jegens haar kon toch niet eeuwig blijven duren, zo dacht ze, en tenslotte was Aphrodite de moeder van Eros. En wie weet zou zij dáár de geliefde niet terugvinden…
En wat was er ondertussen geworden van Eros? Hij had een lelijke brandwonde en daarmee was hij naar zijn moeder gevlucht. Maar toen deze vernam wat er precies gebeurd was, ontstak ze in woede en ze weigerde de wonde te verzorgen. Ze sloot haar zoon zelfs op in een duistere kamer, alwaar hij zijn pijn moest verbijten.
Aphrodite was niet weinig verbaasd toen Psyche haar paleis binnenkwam. Haar woede was geenszins bekoeld. Ze beschuldigde het meisje van hoogmoed enonbeschaamdheid en ze slingerde haar naar het hoofd dat ze lelijk was en onuitstaanbaar en dat nimmermeer een man op haar verliefd zou worden, tenzij…
Aphrodite zag haar kans schoon om zich op Psyche te wreken, en ze zou het doen op zo’n manier dat ze er zelf veel plezier aan kon beleven.
- …Tenzij gij blijk kunt geven van onderdanigheid en noeste ijver, eigenschappen die echtgenoten zozeer op prijs stellen. Luister daarom goed naar de opdracht die ik u zal geven en breng die tot een goed einde, binnen de vierentwintig uur.
- Ik zal mijn best doen om de taak die gij mij opdraagt naar best vermogen te vervullen, antwoordde Psyche onderdanig.
Maar de taak bleek onmogelijk te zijn: de godin gaf haar een grote zak met allerlei graantjes en korreltjes, allemaal door elkaar gemengd: tarwekorrels, gerstekorrels, rijstkorrels en nog andere. De opdracht luidde: sorteer alle korrels volgens soort .
Geen mogelijke opdracht voor een mens. Maar misschien niet voor een mier? Eén mier? Met vele honderden, met duizenden kwamen ze Psyche ter hulp. Toen de dag ten einde was, was de klus al lang geklaard. Aphrodite kon haar ogen niet geloven.
- Dat werk hebt gij niet alléén verricht, zei ze. Morgen geef ik u een andere opdracht.
In afwachting van die volgende opdracht werd Psyche opgesloten in een kamer, alwaar zij op de grond diende te slapen. Om haar hoger te stillen kreeg zij slechts een homp brood. De volgende ochtend droeg Aphrodite haar op een hoeveelheid wol te gaan plukken uit de vacht van een kudde wilde schapen met gouden vacht, die weidden in een bosje, beneden aan de rivier. Toen zij in de buurt van de gouden schapen kwam, durfde zij de dieren niet benaderen. Toen hoorde ze een zacht stemmetje. Het was een kleine rozelaar die tot haar sprak:
- Wacht hier tot de avond. Dan begeven de schapen zich doorheen de braamstruiken naar het water om hun dorst te lessen. Telkenmale blijft er dan wat van hun gouden wol hangen aan de struiken. Niets is zo gemakkelijk als die wol er te gaan afplukken.
Psyche bracht de gouden wol naar Aphrodite. Maar ook nu was de godin niet tevreden en beweerde ze dat iemand haar geholpen had bij het vervullen van de opdracht. Ze had nog een derde, héél moeilijke opdracht in petto.
- Ziet gij ginder die hoge rots? En ziet gij het zwarte water dat van die rots als een waterval naar beneden dondert? Het is het water dat de rivier van de onderwereld voedt, de Styx. Vul deze kruik met het water en breng het mij.
Met geen mogelijkheid zou Psyche er in slagen de hoge glibberige rots te beklimmen. Maar weer daagde hulp op, deze keer onder de vorm van een arend. De vogel nam de kruik in zijn bek en vloog naar te top van de rots alwaar hij het water opving en het terug bracht bij Psyche. Maar ook nu was Aphrodite nog niet tevreden. En ze had nog een ultieme opdracht achter de hand. Daarvoor diende Psyche zich te begeven naar de onderwereld, een plaats waarvan nooit een sterveling was teruggekeerd, een paar van de allergrootste helden niet te na gesproken…
En ziehier hoe de opdracht luidde:
- Daal neder in de Hades en vraag aan de godin Persephone, tevens koningin van de onderwereld, of zij een kleine hoeveelheid van haar schoonheid wil meegeven, ten behoeve van haar halfzuster Aphrodite, wier schoonheid tanende is door het leed dat haar werd aangedaan door haar zoon Eros.
Aphrodite lachte in haar vuist. Nooit zou Psyche de onderwereld bereiken, laat staan er levend van terugkeren (1). En nooit zou Persephone een deel van haar schoonheid afstaan, en zeker niet aan Aphrodite! Dat besefte ook Psyche en moedeloos en door slaap overmand vleide zij zich neer aan de voet van een oude toren. En ziet, de toren kwam tot leven en nodigde haar uit naar binnen te gaan. Er stond een tafel met daarop een kaart, een zilveren muntstuk – een obool – en … een taart. Ze hoorde een stem die haar toesprak:
- De kaart zal u de toegang tonen tot de dodenrivier die leidt naar de onderwereld. Daar zal Charon u opwachten. Overhandig hem de obool en hij zal u tot bij de poort van de onderwereld brengen, alwaar Kerberos, de vreselijke hellehond met de drie koppen, de wacht houdt. Voor hem is de taart bedoeld. Zet ze hem voor en terwijl hij zich daaraan te goed doet moet ge naar binnen glippen. Verder komt ge als vanzelf bij de troon van Persephone.
Alles verliep zoals de toren haar voorzegd had. Persephone overhandigde het meisje een klein zilveren doosje dat, zo vertrouwde de godin van de onderwereld haar toe, een schoonheidselixir bevatte, en dat zij in geen geval mocht open maken, aangezien het alleen voor Aphrodite bestemd was. Psyche dankte nederig en, sneller dan ze gekomen was, verliet ze de onderwereld en begaf zich op weg naar Aphrodite. Maar onderweg bekroop haar de nieuwsgierigheid, een nieuwsgierigheid waaraan ze niet kon weerstaan: wát precies zat er in het doosje? Per slot van rekening kon ze zelf ook wel een beetje extra schoonheid gebruiken, want de ellendige gebeurtenissen van de laatste dagen hadden haar op dat gebied zeker geen goed gedaan. Met een kloppend hart opende ze het doosje: het leek volkomen leeg! Er kwam alleen een bedwelmende geur uit, waardoor Psyche onmiddellijk in een diepe slaap viel. Zo lag ze daar, aan de kant van de weg…
En Eros? Zijn wonde was reeds gedeeltelijk hersteld en ongezien was hij erin geslaagd te ontsnappen uit de kamer waar zijn moeder hem gevangen hield. De lichamelijke pijn was nu over, maar in de plaats was er nu de knagende hartepijn om het ve rlies van zijn geliefde. Nu zijn geheim uitgelekt was bij zijn moeder, weerhield niets er hem nog van om naar Psyche op zoek te gaan. En hij vond haar… slapend langs een verlaten weg. Hij wekte haar met een prik van een van zijn pijlen. Nu was hun beider geluk door geen mensenhand te beschrijven.
- Niets of niemand zal onze liefde nog in de weg staan, zo sprak Eros vastberaden. Breng het doosje naar mijn moeder. Ondertussen begeef ik mij naar de hoge Olympus en ik zal er de oppergod van onze liefde op de hoogte brengen.
Toen Zeus Eros aanhoord had sprak, hij:
- Vaak heb je mij gekweld en schande over mij gebracht met je liefdespijltjes. Door jouw schuld ben ik gedwongen geweest mijzelf te veranderen in een zwaan, een stier, ja zelfs in een gouden regen. Mijn prestige heb jij, o zo menigmaal, door het slijk gesleurd en mij de woede van Hera op de hals gehaald! En toch, mijn lieve jongen, kan ik niet boos zijn op jou. Telkens weer laat ik mij door jou vertederen. Daarom geef ik je mijn zegen. En omdat ik weet dat je moeder Aphrodite geen sterfelijke echtgenote aan je zijde wenst, verhef ik je geliefde Psyche hierbij tot de goddelijke rang.
Als dat geen gelukkig einde is!
(1) Wie kan een held noemen die ooit de onderwereld betrad en hem daarna levend weer verlaten heeft? Er waren er zelfs meerdere. Als je de verhaaltjes op deze blog grondig leest moet je ze ongetwijfeld alle terugvinden. (2) Wie stuurt mij eens een mooie tekening (per brief of per e-mail in verband met dit verhaal? Kris Vansteenbrugge, Sint-Denijsestraat 191 B, 8500 Kortrijk. kris.vansteenbrugge@skynet.b
Antwoord en tekening komen zeker op deze blog. Vermeld je naam, school en klas. (Een mooie illustratie bij dit verhaal vinden julie op www.bloggen.be/pierpont dd. 17.4.2010)
Vooraleer de grote weg naar Thebe te nemen, brengen we een bezoek aan Aulis, dat eveneens aan de golf van Euboia is gelegen. Hier verzamelden vóór de afvaart naar Troje, alle Griekse koningen met in totaal méér dan duizend oorlogsschepen (foto 1). Hier offerde Agamemnon zijn dochter Iphigineia aan de godin Artemis (foto’s 2 & 3), teneinde een gunstige wind voor de afvaart te bekomen. Er zijn resten van een Artemistempel te vinden op deze plaats (foto’s 4 & 5).
Over Iphigineia in Aulis en de afvaart naar Troje kunt u lezen op deze blog, nrs. 81 en 82 (d.d. 25 en 28.4.2008)
foto 1: in de baai van Aulis verzamelden de schepen vóór de afvaart naar Troje.
foto 2: Agamemnon (Kris) tracht zijn vrouw Klutaimnestra (Micheline) te overhalen hun dochter Iphigineia naar Aulis te laten komen, zogezegd om de bruid te worden van Achilles, maar in werkelijkheid om geofferd te worden aan de goden (toneelstuk, opgevoerd door Loopclub Grijsloke, in 1994, in het Theater van Amphiaraion).
foto 3: Artemis (Christine) redt Iphigineia (Sylvie) van de offerdood (deze scène werd opgevoerd in 1994 door Loopclub Grijsloke in het heiligdom van Amphiaraos).
Eveneens aan de Golf van Euboia, een twintigtal kilometer ten noordwesten, ligt in een prachtig natuurlijk decor, het Amphiaraion, het heiligdom van de Argivische held en ziener Amphiaraos. Hij was één van de zeven krijgers die onder de leiding van koning Adrastos optrokken tegen Thebe. Enkel Adrastos zelf en Amphiaraos sneuvelden niet op het slagveld. Vluchtend uit het strijdgewoel werd Amphiaraos evenwel achterna gezeten door een Thebaan en hij zou zeker gedood zijn als Zeus de grond vóór zijn voeten niet had laten opensplijten, zodat hij door de aarde verzwolgen werd. Maar op deze plaats is Amphiaraos naar de aarde weergekeerd via een spleet in de aardkorst, exact de plaats waar zich nu een waterbron bevindt (foto 1). De bezoekers van het heiligdom kwamen hier om hun toekomst te horen voorspellen, eventueel om genezing van hun kwalen te bekomen. Naast de bron, waar ze moesten drinken, is hier een tempel, met een altaar ervoor (foto 2), waar ze een ram dienden te offeren, en een abaton, een grote lighalle (foto 3), waar de god hen in hun slaap voorspellende of heilbrengende dromen bracht. Er is ook een vrij goed bewaard theater (foto 4) en zelfs een klein museum.
Het uitgebreid verhaal over Amphiaraos en de Zeven tegen Thebe kunt u lezen op deze blog: verhalen nr. 34 (1.10.2007), nr. 35 (5.10.2007) en 36 (8.10.2007).
foto 1: hier keerde Amphiaraos terug naar de aarde.
foto 2: het altaar vóór de tempel (Gilbert is het "offerdier", 1993).
De maratonlopers van Loopclub Grijsloke (11 heren, 2 dames) poseerden in 1994 bij het monument in Marathon, d.i. de startplaats van de jaarlijkse "authentieke" maraton.
Zowat dertig kilometer ten noorden van Brauron ligt de vlakte van Marathon. Hier greep in 490 v. C. de beroemde slag van Marathon plaats. Een groot Perzisch leger werd er verslagen door amper negenduizend Atheners die bijgestaan werden door een duizendtal krijgers uit Plateia. Een aarden grafheuvel van ongeveer tien meter hoog en zowat tweehonderd meter omtrek duidt de plaats aan waar 194 gevallen Atheners begraven werden. Hier ook was het dat Theseus de stier doodde die de vlakte van Marathon teisterde. Waarschijnlijk was dit de stier die koning Minos van Kreta verzuimd had te offeren aan Poseidon. Daarop vervulde de god, om zich te wreken, Minos’ vrouw Pasiphaë, met een onblusbare hartstocht voor het dier. Zij slaagde erin, dank zij de hulp van Daidalos, betrekking te hebben met de stier, waardoor zij zwanger werd en het leven schonk aan een vreselijk monster, Minotauros. Later werd de stier dol en een bedreiging voor de bewoners van het eiland. Eén van Herakles’ twaalf werken bestond erin het woeste dier van Kreta naar Argos te halen. Via de Korinthische landengte bereikte de stier later evenwel de vlakte van Marathon.
Lees over de stier van Marathon op deze blog (d.d. 14.12.2007, verhaal nr. 53).
Een tiental kilometer te noordoosten van Marathon, vlakbij de kust van de Golf van Euboia (foto 1), bevindt zich Ramnous. Sedert de 6e eeuw v.C. bestond hier een bijzondere cultus ter ere van de godin van de vergelding, Nemesis, en van de rechtsgodin, Themis. De eerste was een kind van de nacht, de tweede een dochter van Ouranos (de hemel) en Gaia (de aarde). Hier is een akropolis; ten zuiden ervan bevinden zich, vlak naast elkaar, de ruïnes van twee Dorische tempels uit de 5e en de 4e eeuw v.C. (foto 2). De kleinste is de tempel van Themis, de grootste (foto 3) die van Nemesis.
foto 1: de drie pioniers van 1993 in het heiligdom van Ramnous (vlnr. Gilbert, Didier, Kris); de zee (de Golf van Euboia) is dichtbij.
foto 2: de twee tempels van Ramnous liggen vlak naast elkaar (links de tempel van Nemesis, rechts die van Themis).
foto 3: de ruïne van de tempel van Nemesis in Ramnous.
Een twintigtal kilometer ten Noorden van Thorikos, langs de Oostkust van Attica, ligt Brauron, het huidige Vravrona. Weinig bezocht, maar een bezoek overwaard! Hier bevindt zich namelijk het belangrijkste Artemisheiligdom van het vasteland. De Artemiscultuur werd hier ingevoerd door Orestes nadat hij zijn zuster Iphigineia terug had gebracht uit het verre Tauris, samen met een houten cultusbeeld van de godin. Orestes liet hier een tempel bouwen, waarin hij het beeld bewaarde. Tot aan het einde van haar dagen zou Iphigineia hier in dienst staan van Artemis, als dienares van de tempel. Haar graf (foto 1) bevindt zich hier overigens in de buurt van de tempelruïne. Van deze laatste zijn alleen de grondvesten overgebleven. Wel zijn een aantal zuilen bewaard van de stoa’s, die een grote hof omringen (foto 2). Hier hadden om de vier jaar de Brauroneia plaats: dat waren feesten waarbij jonge meisjes tussen de vijf en de tien jaar allerlei inwijdingsriten ondergingen en als berinnetjes verkleed dansten ter ere van de godin (foto 3). Sommigen onder hen bleven de godin tot aan hun huwelijk toegewijd, als tempeldienaressen. Wat betreft de oorsprong van de berinnenfeesten in Brauron tast men enigszins in het duister. Er wordt wel eens verteld dat ze zouden ingesteld zijn om verzoening af te smeken bij de godin Artemis, nadat iemand één van haar geliefde dieren, een berin, had gedood. Buiten de zuilengangen vinden we de overblijfselen van de kamers (foto 4) waarin de berinnetjes verbleven. De feesten kenden hun bloeitijd in de 5e en de 4e eeuw v.C. In de buurt van de tempelresten bevindt zich een heilige bron (foto 5) en een Byzantijns kerkje (foto 6).
Over Orestes die zijn zuster Iphigineia terughaalt uit Tauris, kunt u uitgebreid lezen op deze blog: verhalen nr. 125 (27.5.2009), nr. 126 (3.6.2009) en nr. 127 (10.6.2009).
foto 1: hier bevond zich het graf van Iphigineia.
foto 2: ruïnes van berinnenkamers rond door een zuilengang omringde hof, erachter de tempelruïne en een Byzantijns kerkje.
foto 3: hier dansten de berinnenmeisjes.
foto 4: rechts de door zuilengangen omgeven hof, daarrond de ruïnes van de berinnenkamers.
foto 5: bij de heilige bron.
foto 6: links grondvesten van de tempelruïne, rechts het Byzantijns kerkje.
We zetten onze reis verder langs de oostkust van Attica. Een tiental kilometer te noorden van Sounion ligt het mijnwerkersstadje Lavrion, waar Griekenland te allen tijde zijn zilver haalde. Even voorbij Lavrion houden we halt in het dorp Thorikos. Hier werden, op de hellingenvan de Velatouri- heuvel (cf. foto 1) ,belangrijke opgravingen gedaan, voornamelijk door de archeologische faculteit van de Gentse universiteit. Er werd een theater opgegraven dat dateert uit de vierde eeuw v.C. Het theater (cf. foto 2) is ellipsvormig en dus niet rond zoals we dat van een antiek theater gewend zijn. Vlakbij het theater was ook een tempel, gewijd aan de god Dionysos (cf. foto 4) : delen van de grondvesten zijn teruggevonden. Verder werden hier talrijke graven en ruïnes van gebouwen blootgelegd, uit de klassieke (4e en 5e eeuw v.C.), de archaïsche (6e en 7e eeuw v.C.) en de geometrische (8e- 11e eeuw v.C.) tijd. Hier in Thorikos regeerde in de antieke tijd koning Kephalos. Hij was gehuwd met Prokris, een dochter van de Atheense koning Erechtheus. Omdat Prokris hem één enkele maal ontrouw was geweest – Kephalos had het dan nog zelf uitgelokt – werd ze door haar echtgenoot verbannen. Prokris kwam op het eiland Kretaterecht, waar koning Minos zich over haar ontfermde en haar één van zijn beste jachthonden en een nooit falende werpspies ten geschenke gaf. Later, toen Kefalos zich weer met zijn echtgenote verzoend had, kreeg hij van haar de hond en de speer. Op een kwade dag was hij daarmee op hertenjacht getrokken in de bossen van Thorikos. Vermoeid rustte hij uit terwijl Zephyros, de westenwind, hem koelte toewuifde en zachtjes toefluisterde, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Het was Prokris die in een jaloerse bui haar man gevolgd was. Denkende dat een wild dier hem besloop, sllingerde Kephalos zijn nooit falende speer in haar richting en doodde aldus zijn vrouw. Zo groot was zijn wanhoop dat hij met de speer zijn eigen hart doorboorde.
foto 1: theaterruïne, op een helling van de Velatouri-heuvel.
foto 2: het theater van Thorikos.
foto 3: Didier luistert aandachtig naar het verhaal van Kefalos en Prokris (misschien heeft dit drama zich wel afgespeeld in de struiken op de helling...)
foto 4: in de achtergrond de tempel van Dionysos (naast het theater op de voorgrond).
De luchthaven van Athene is het vertrekpunt van onze reis. Via een weg die loopt langs de kust van de Saronische Golf (de zogenaamde “Apollokust”, of “Griekse rivièra”) begeven we ons naar Kaap Sounion, het meest zuidelijk punt van het schiereiland Attica, op een zeventigtal kilometer van Athene. Deze Kaap is een 60 à 70 meter hoge, boven de zeespiegel uitstekende rots, waar bovenop een tempel staat, gewijd aan Poseidon, de god van de zee.De inwoners van Attica hadden de tempel in de eerste plaats gebouwd om zich met de god te verzoenen. Deze was immers in hevige toorn ontstoken toen de inwoners van Athene niet hem doch wel de godin Athena hadden verkozen tot schutspatroon van de stad. In zijn woede had hij zelfs zijn drietand doorheen de Akropolisrots geslingerd, waardoor heel Attica beefde van schrik. Teneinde de god weer gunstig te stemmen bouwden de Grieken hier dus een tempel, die gedurende vele eeuwen hét symbool zou zijn voor Attica en een baken voor de talrijke schepen die vanuit de Egeïsche Zee de Saronische Golf binnenvoeren.
(over de strijd tussen Athena en Poseidon om de gunst van de stad Athene kunt u meer lezen op deze blog, onder de titel "Athena opgestegen uit het hoofd van Zeus" d.d. 28.5.2007)
Enkele kilometers vóór we Sounion bereiken, zien we de kaap met de tempel opdoemen (zie foto 1). Hij werd gebouwd rond het midden van de 5e eeuw v.C., in opdracht van de grote Atheense leider Perikles. Hij nam de plaats in van een andere Poseidon-tempel, die een eeuw vroeger gebouwd was en rond 480 v.C. door de Perzen werd verwoest. Deze nieuwe tempel rust op een stylobaat van 31 x 13,5 m. Het is een “peripteros”, t.t.z. een tempel die rondom omgeven is door een zuilengang. Er waren 34 uitwendige zuilen (6 x 13), waarvan er nog ongeveer de helft rechtop staan – of althans weder opgebouwd werden (zie foto 2). Het zijn Dorische zuilen van ongeveer zes meter hoog en met een diameter van één meter. Ze bestaan uit wit marmer uit de streek. Dat marmer bevat weinig ijzeroxyde, zodat ze meer onderhevig zijn aan erosie doch weinig of niet aan de okergele verkleuring die wij zien bij o.a. de gebouwen op de Akropolis van Athene. Typisch voor de zuilen is verder dat ze slechts zestien canneluren bevatten i.p.v. de klassieke twintig; hierdoor lijken ze enigszins slanker en sierlijker. De resterende zuilen dragen nog een architraaf (draagbalk). Er zijn ook nog resten van de “inwendige tempel”. Nog te vermelden dat de Poseidon-tempel van Kaap Sounion een schitterende aanblik geeft bij zonsondergang (foto 3).Ook voor Theseus, de belangrijkste held van Attica, moet deze kaap met de tempel, een belangrijk baken geweest zijn, toen hij terugkeerde van Kreta, alwaar hij de vreselijke Minotauros had gedood. Om dit te gedenken beelden we, in de nabijheid van de tempel, het gevecht uit tussen de jonge Theseus en de Minotauros (foto 4).
(over Theseus en Minotaurus kunt u lezen op deze blog, onder de titel "Theseus overwint Minotauros" d.d. 28.1.2008)
De foto's van de godenloop zijn zeldzaam (goden laten zich niet gemakkelijk fotograferen). We hebben er niettemin vier op de kop kunnen tikken: 1/ Athena heeft zopas Apollo een fatale steekwonde toegebracht en ze stevent als overwinnaar op de eindmeet af. 2/ Apollo strompelt zwaargewond naar de eindmeet (uit het boek "Grijslokes Olympiade", 1997). 3/ Apollo legt een lauwerkrans om de hals van de eerste sterveling; zijn linkerhand is rood van het bloed. 4/ Athena poseert naast de eerste sterfelijke vrouw (uit "Grijslokes Olympiade")
Zeus had zijn twee meest geliefde kinderen naar Grijsloke gestuurd: Apollo en Athena. Op 31 augustus stonden beiden aan de start van de 7 km-wedstrijd, met de respectievelijke borstnummers 1998 en 1999. Apollo in zijn gouden kleed, met lier en boog en pijlenkoker. Athena in volle wapenrusting, gehelmd, met schild en speer en op de borst de kop van Medusa.
Goden zijn geen partij voor de mensen. Amper tien minuten na het startschot verscheen Athena reeds in de laatste rechte lijn die leidt naar de aankomst, dáár had Apollo zowat vijftig meter achterstand. De eerste stervelingen volgden op vele minuten… Er ging een schokgolf doorheen de massa toeschouwers aan de aankomst. Er was ongeloof.
En óf het spannend werd! Apollo naderde immers zienderogen op zijn tegenstandster. Toen hij, op amper een paar honderd meter vóór de aankomst, Athena dreigde in te halen, deed zij met haar speer de zonnegod struikelen, hetgeen haar weer een tiental meters voorsprong opleverde. Apollo aarzelde nu niet meer om ook zíjn wapen te gebruiken. Lopende nam de “van-verre-treffende” een pijl uit zijn koker en spande de boog. Athena werd in de rug getroffen. Ze slaakte een door merg en been snijdende schreeuw, deinsde even achteruit, zag hoe Apollo haar voorbijsnelde…
Hoewel gewond – waar zij gewond was vertoonde haar wit kleed een grote rode vlek – herpakte ze zich vliegensvlug, zoals alleen goden dat kunnen. Terwijl Apollo, zegezeker en triomfantelijk zwaaiend met zijn boog, op de eindmeet afstevende, voelde hij opeens de scherpe punt van Athena’s speer, die zijn hals doorboorde. Apollo stuikte nu zwaar gewond ten gronde. En weer stroomde het bloed de Grijslokeberg naar beneden, zoals in de tijd van de messenvechters…
Het publiek sidderde. Athena zegevierde. En niemand die er ook maar over dacht haar te diskwalificeren, want dat weet men in Grijsloke ondertussen wel: de goden strijden met ál hun middelen en ze hebben hun eigen wetten.
Een sterveling zou het niet overleefd hebben. Apollo echter krabbelde overeind, briesend als een leeuw van woede en pijn, aanroepend zijn vader Zeus en verwensingen uitend aan het adres van zijn halfzuster Athena. Strompelend en uitgeput door het overvloedig bloedverlies, kwam hij over de finish, met een achterstand van hooguit twintig seconden. Beide goden werden in dezelfde hulde betrokken; beiden kregen een grote lauwerkrans. De verblufte toeschouwers keken al uit naar de strijd die de stervelingen te leveren hadden, op minuten achterstand.
(komende week verschijnen op deze blog een paar foto’s van Grijslokes godenloop, alsook een paar nabeschouwingen)
De ontstaansgeschiedenis van de Panatheneïsche Spelen.
De stichter van de Panatheneïsche Spelen was Erichtonios, de legendarische koning van Athene. Erichtonios was een kind van de aardgodin Gaia en van de god Hephaistos. Het zaad van de god van de smeden was in de aarde terechtgekomen na een onhandige en mislukte poging om zijn halfzuster Athena te verkrachten. Er wordt beweerd dat een stamp van Athena tegen Hephaistos’ onderbuik de zaadlozing heeft veroorzaakt, zodat terecht kan gezegd worden dat Athena de hand – zeg maar: de voet – heeft gehad in het ontstaan van Erichtonios. Het kind had een slangenstaart en Gaia schonk het aan Athena omdat zij tenslotte degene was die door Hephaistos als de moeder was bedoeld (deze geschiedenis wordt uitgebreid verteld in verhaal nr. 5). Met zeer veel toewijding bemoeide Athena zich met Erichtonios’ opvoeding, alsof het haar bloedeigen kind was. Deze Erichtonios werd later koning van Athene. Hij verfraaide de stad en met de hulp van de godin bouwde hij de eerste renwagen en bracht hij de mensen bij hoe ze zilver moesten bewerken en munten slaan. Het mooiste geschenk echter dat hij de stad Athene schonk, waren de grootse feesten ter ere van de godin: de Panathenaien. Deze feesten werden rond het midden van de 6e eeuw v.C., onder de tiran Peisistratos, hervormd en voortaan gehouden om de vier jaar, in de periode juli-augustus. De festiviteiten duurden verscheidene dagen. Ze bestonden in hoofdzaak uit allerlei ceremoniën ter ere van de godin Athena (processie, offerplechtigheden) alsook wedstrijden (de “Panatheneïsche Spelen”). Deze laatste bestonden uit lopen, hoog- en verspringen, discuswerpen, worstelen en boksen. Er waren ook paardenwedstrijden alsook wedstrijden in muziek, zang en dans. Voor de winnaars was er een olijfkrans, maar ook geldprijzen en waardevolle prijzen in natura.
(deze medaille werd uitgereikt aan alle finishers van Dwars door Grijsloke 1995)
De medaille stelt de godin Pallas Athena voor, beschermgodin van de stad Athene. De jonge godin staat erop afgebeeld, in de palaistra, als patrones van de competitiesport, leunend op haar speer en met op het hoofd de bekende helm. Dit beeld, 45 cm hoog, van de nadenkende, melancholische godin, werd in 1888 gevonden op de Akropolis: een reliefsteen uit Parisch marmer. Het bevindt zich thans in het Akropolismuseum van Athene.
In Athene werden ter ere van de godin jaarlijks belangrijke feesten gehouden, de Panathenaien, alsook Spelen (zij het geen “Panhelleense”), nl. de Panatheneische Spelen. In deze stad evenwel werden in 1896 de eerste moderne Olympische Spelen gehouden, in een prachtig marmeren stadion dat voor die gelegenheid werd opgericht, op de plaats waar in de klassieke tijd de Panatheneische Spelen werden gehouden. In welke mate de Spelen uiteindelijk de hele wereld veroverd hebben, is genoegzaam bekend…
Deze medaille bevat in de rand twee symbolen, die de overgang naar de moderne Spelen verbeelden:
(1) De vijf Olympische ringen, die oorspronkelijk de vijf disciplines symboliseren waaruit bij de oude Grieken de Olympische vijfkamp bestond (lopen, discuswerpen, speerwerpen, vérspringen en worstelen), maar ook wel aanzien worden als symbool voor de vijf werelddelen en voor de vijf kalenderjaren die de periode tussen twee opeenvolgende Olympische Spelen bestrijkt.
(2) De fakkel, waarmee om de vier jaar het Olympisch vuur overgebracht wordt van Olympia naar de plaats waar de Spelen gehouden worden.
Na de dood van koning Oidipous volgde zijn zoon Etheokles hem op als heerser over de stad Thebe. Dezes broer Polyneikes, die vond dat hij evenveel rechten op de troon kon laten gelden als Etheokles, verzamelde zes dappere helden uit de streek van Argos rond zich, en samen trokken deze Zeven, aan het hoofd van een klein leger, op tegen Thebe (zie verhaal nr. 34). De tocht van de “Zeven tegen Thebe” liep over Nemea. Aan de kant van de weg zagen ze daar een jonge vrouw. het was Hypsipyle, gewezen koningin van Lemnos, naar Nemea verbannen (zie verhaal nr. 48), waar ze als kindermeisje in dienst stond van koning Lykourgos. Ze droeg ’s konings zoon, de jonge prins Opheltes, die aan haar zorgen was toevertrouwd, in de armen. Eén van de krijgers – met name Amphiaraos – vroeg haar of er in de buurt een bron was om hun dorst te lessen. Bereidwillig zette Hypsipyle het kind neer in het gras en toonde de mannen de weg naar een heldere waterbron. Heel even slechts had ze het kind uit het oog verloren – want de bron was vlakbij – doch in die korte tijdspanne was een slang het prinsje genaderd, had het in de wurggreep genomen en doodgebeten (deze geschiedenis wordt uitgebreid verteld in verhaal nr. 35).
Amphiaraos, die zichzelf verantwoordelijk achtte voor dit drama, organiseerde rouwplechtigheden voor Opheltes en liet deze gepaard gaan met Spelen, alzo de woede van Lykourgos koelend en het leven van de hulpvaardige Hypsipyle sparend. Dit was de oorsprong van de Nemeische Spelen. Deze Spelen waren dus ingesteld door Amphiaraos en ter ere van Zeus, om bij de oppergod verzoening af te smeken voor deze zware onoplettendheid, die tot de dood van Opheltes had geleid. De Spelen zouden uitgroeien tot een tweejaarlijks evenement: ze grepen plaats het jaar na de Olympische Spelen en het jaar voor de volgende Olympische Spelen. De beroemdste atleten namen eraan deel. Nooit zouden ze hun rouwkarakter verliezen: steeds liepen de scheidsrechters in rouwkleren gehuld en van muziekwedstrijden is er in Nemea nooit sprake geweest.
’t Was enige tijd later – de Nemeische Spelen stonden nog in hun kinderschoenen – dat een reusachtige leeuw de streek van Nemea terroriseerde door mensen en vee te doden. Het eerste van de beroemde twaalf werken van Herakles bestond erin die leeuw te doden (zie verhaal nr. 39). Het geweldige beest bleek bestand te zijn tegen de pijlen van Herakles. Daarom joeg de held hem in zijn hol en ging hem daar te lijf met zijn fabelachtige spierkracht. Na de leeuw gewurgd te hebben, begaf hij zich naar de aan gang zijnde Spelen van Nemea. De inwoners van de stad huldigden hem als held en bevrijder. De Nemeische Spelen zouden voortaan ook de Spelen van Herakles zijn…
(deze medaille werd uitgereikt aan alle finishers van Dwars door Grijsloke, anno 1994)
Model voor deze medaille is het beeld van Herakles dat de oostelijke gevel van de Aphaia-tempel op het eiland Aigina sierde. Het dateert van omstreeks 485 v.C. en het bevindt zich thans in Muenchen, in de Glyptotheek. Het is 64 cm. hoog en vervaardigd uit Parisch marmer. het stelt de held voor in half gehurkte, half geknielde houding, terwijl hij zijn boog spant tegen de Stymphalische vogels, bij het zesde van zijn beroemde Twaalf Werken. Dit was de boog zonder dewelke de Grieken de oorlog tegen Troje nooit hadden kunnen winnen.
Op Herakles’ hoofd bevindt zich de kop van de leeuw die hij, toen hij nog een knaap was, doodde op de Kithaironberg.
In de rand (1) wordt het prinsje Opheltes afgebeeld, zoontje van de Nemeische koning Lykourgos, dat doodgebeten werd door een slang en te wiens nagedachtenis de Nemeische Spelen – typische rouwspelen – werden ingesteld door de Argivische waarzegger-held Amphiaraos, één van de “Zeven tegen Thebe”. Pas later kwamen de Spelen in het teken van Herakles te staan.
Zeus was verliefd op zijn nicht Leto. Teneinde deze “affaire” voor zijn echtgenote Hera verborgen te houden veranderde hij zichzelf en zijn geliefde nicht in een kwartel. Leto werd zwanger. Hera had ondertussen alles al lang in de gaten en zij gaf de slang Pythoon, die een zoon was van moeder Aarde, opdracht Leto te achtervolgen doorheen heel Griekenland, opdat zij nergens een plaatsje zou kunnen vinden om in rust en vrede te baren. uiteindelijk kwam Leto, nog steeds in de gedaante van een kwartel, in de zee terecht, zoekend naar een eiland waar vze haar kinderen – ze was immers zwanger van een tweeling – zou kunnen ter wereld brengen. maar geen enkel eiland wilde haar opnemen, uit schrik voor Hera. uiteindelijk kreeg ze toch gastvrijheid op een klein drijvend eilandje: Delos.
De god Poseidon bleef niet ongevoelig voor de daad van menslievendheid vanwege het kleine eilandje en als dank ankerde hij Delos met zijn drietand vast aan de zeebodem, opdat het voortaan niet langer zou hoeven te zwerven over de wateren. Leto had ondertussen haar normale gedaante teruggekregen, maar Hera onttrok haar aan de aandacht van Eileithuia, de helpster in barensnood. En zo duurden de weeën van Leto negen lange dagen… tot Zeus uiteindelijk zijn dochter Iris naar Eileithuia stuurde teneinde haar naar Delos te brengen. Zo geschiedde, en tegen het einde van de negende dag baarde Leto, in de schaduw van een dadelpalm, haar tweeling, Artemis en Apollo. Toen deze laatste ter wereld kwam, spreidde een gouden zonnegloed zich over Delos. Een nieuwe god was geboren. De godin Themis bracht het kind goddelijke drank en dito voedsel: nectar en ambrozijn – daarvan groeien goden snel! En zo kwam het dat Apollo, de vierde dag na zijn geboorte reeds, pijl en boog nam en zich naar Centraal-Griekenland begaf om er de slang Pythoon te doden, die zijn moeder Leto het leven zo zuur had gemaakt. Hij vond de slang op de flanken van de Parnassosberg, doch Pythoon slaagde er nog in te vluchten naar Delphi, de oralelplaats van zijn moeder Gaia. In Delphi, aan de rand van een rotsspleet en in de nabijheid van een heilige bron, schoot Apollo de slang dood met één van zijn nooit falende pijlen. Maar Gaia, de grote aardgodin, klaagde deze moord op haar zoon aan bij de oppergod. Teneinde de toorn van Zeus af te wenden, stichtte Apollo in Delphi, in de buurt van de orakelplaats, de Pythische Spelen, ter nagedachtenis van Pythoon. Terzelfdertijd maakte Apollo zich meester van het orakel en hij verkondigde dat hij door middel van dit orakel te allen tijde de wil van zijn vader zou kenbaar maken.
(deze medaille werd uitgereikt aan alle finishers van Dwars door Grijsloke, anno 1993)
De medaille stelt de god Apollo voor zoals hij er moet uitgezien hebben toen hij, nog een knaap zijnde, de slang Python doodde. Deze Apollo is een verjongde versie van de Apollo van het westelijk fronton van de grote Zeus-tempel in Olympia. De hele beeldengroep van dit westelijk fronton bevindt zich thans in het museum van Olympia in een grote zaal waar ook de beeldengroep van het oostelijk fronton (de wagenren van Pelops tegen Oinomaios voorstellend) is ondergebracht. Alle beelden van de tempelfrontons, vervaardigd uit Parisch marmer, werden nagenoeg gaaf teruggevonden. De architect van de tempel zelf is Iktinos van Elis; de maker van de beeldhouwwerken evenwel is onbekend.
Het Apollo-beeld is 3,30 meter hoog. Het stelt de knappe god voor, die als een soort scheidsrechter optreedt in het gevecht tussen de Kentauren en de Lapithen. Rechtstaand strekt hij in een zegenend gebaar de rechter arm uit over de strijdenden. dit gebaar moet de orde herstellen en het veroordeelt het brute geweld van de dronken Kentauren, die als genodigden op de bruiloft van de Lapithen-koning Peritoos, voor zware “ongeregeldheden” zorgden.
Aan de linker kant (1) van de medaille is de lier afgebeeld, onafscheidelijk attribuut van Apollo, god van de Schone Kunsten. Muziek en dichtkunst waren overigens een onderdeel van de Pytische Spelen.
Aan de rechter kant (2) van de medaille zien we de slang, dodelijk getroffen door één van Apollo’s pijlen. Dit was de wraak van de jonge god voor het leed dat Python zijn moeder Leto had aangedaan.
In verhaal nummer 12 (d.d. 5.6.2007) kunnen we lezen dat Sisyphos, koning van Korinthe, de Isthmische Spelen stichtte ter nagedachtenis van het knaapje Melikertes, dat samen met zijn moeder Ino op een erbarmelijke wijze om het leven gekomen was.
Zoals de Olympische Spelen definitief van de grond kwamen nadat de held Herakles ze had opgedragen aan zijn vader Zeus, zo ook kregen de Isthmische Spelen een flinke duw in de rug toen een andere held, Theseus, ze opdroeg aan de god Poseidon, wiens zoon hij beweerde te zijn. Alleszins had de grote god van de zee Theseus bijgestaan toen deze kamp leverde tegen de boosaardige en wrede reus Sinis, die de streek van de Isthmos (de landengte bij Korinthe) tiranniseerde.. Alles over Theseus en over het verloop van zijn strijd tegen Sinis kunt u lezen in de verhalen 59 tot en met 63. Het zal u niet verwonderen dat Theseus glansrijk de overwinning behaalde en als een held werd onthaald in Isthmia, waar op dat ogenblik de Spelen aan de gang waren. Er werd besloten dat de Isthmische Spelen voortaan ter ere van Theseus en Poseidon zouden gehouden worden en in het teken zouden staan van Theseus’ overwinning op Sinis. Deze Spelen vonden plaats in het tweede en het vierde jaar van elke olympiade, eens in de twee jaar dus.
Gedurende verscheidene eeuwen was de belangstelling voor de Isthmische Spelen bijzonder groot. Waarschijnlijk waren zij, na de Olympische, de belangrijkste van alle Spelen in het Oude Griekenland. Op het gebied van de paardenrennen kwamen zij op de eerste plaats. Niet te verwonderen: Poseidon was niet alleen de god van de zee maar ook de god van de paarden…
Vanaf de derde eeuw n.C. begon het succes van de Isthmische Spelen echter snel te tanen. En tot op heden is er geen Baron de Coubertin opgestaan om ze van onder het stof te halen, of beter, van onder de zes meter dikke aardlaag die het antieke stadion in Isthmia bedekt… (een foto van deze locatie volgt later, ter gelegenheid van onze “mythologische reis door Griekenland”, à la Pausanias).
(deze medaille werd uitgereikt aan alle finishers van Dwars door Grijsloke, anno 1992)
Model voor de medaille is de kop van het beroemde beeld van de zeegod Poseidon, dat gevonden werd in de zee bij Kaap Artemision (aan de N.-kust van het eiland Euboia) in het jaar 1928. Het dateert van omstreeks 455 v.C. en het wordt toegeschreven aan de beeldhouwer Kalamis. Het bevindt zich thans in Athene in het Archeologisch Museum. Dit prachtig beeld, 2,09 m. hoog en geheel vervaardigd in brons, stelt de machtige Poseidon voor, die op het punt staat om met de rechter arm zijn drietand naar een tegenstander te slingeren. De krans die het goddelijk hoofd tooit is er een van dennentakjes, symbool van de overwinning in de Isthmische Spelen.
Aan de rechter kant van de medaille (1) wordt de drietand van Poseidon afgebeeld. In zijn woede stootte de zeegod zijn drietand dwars door de Akropolis van Athene en met deze zelfde drietand zette hij het drijvend eilandje Delos vast aan de zeebodem, opdat Leto er haar goddelijke tweeling Apollo en Artyemis zou kunnen baren.
Aan de linker kant van de medaille wordt de kleine Melikertes afgebeeld met een dolfijn. Ten gevolge van de waanzin van zijn ouders was het kind te pletter gestort in de Saronische Golf. Een dolfijn bracht zijn lijkje aan land in Isthmia, bij de landengte van Korinthe, alwaar koning Sisyphos (die een oom was van Melikertes) te zijner nagedachtenis de Isthmische Spelen stichtte, ook om verzoening af te smeken voor zoveel misdadigheid in zijn familie. De grote geschiedschrijver Pausanias maakt gewag van een standbeeld, van goud en ivoor, Melikertes voorstellend, op de rug van een dolfijn.
In 1992 kwamen een aantal Griekse goden (en niet van de geringsten!) naar Grijsloke ter gelegenheid van de Gapersstoet.
Vooraan op de foto herkennen wij Aphrodite, de godin van de liefde. In haar rechter hand draagt zij de brandende fakkel van de hartstocht. Achter haar: zestien jonge maagden, die een kleed dragen dat zij geweven hebben voor de oppergodin Hera.
Daarachter (op de voorlaatste rij) defileren vijf Griekse goden. V.l.n.r.
Zeus, de oppergod, met bliksem en staf, tekenen van zijn macht en waardigheid:
Poseidon, god van de zee, met de drietand:
Apollo, god van de schone kunsten, de geneeskunst en de vergelding, met boog en lier:
Herakles, de grootste Griekse held (na zijn dood opgenomen onder de goden) met leeuwenhuid en knots:
Athena, godin van wijsheid, wetenschappen en krijgskunst, met helm, speer en schild:
Helemaal achteraan zien we vier atleten, die elk één van de “atletiekdisciplines” voorstellen, die tijdens de antieke Spelen werden beoefend. Het zijn v.l.n.r.: de discuswerper, de vèrspringer, de speerwerper, de hardloper:
Over Pelops, die als stichter van de oude Olympische Spelen wordt beschouwd, en over de onverkwikkelijke gebeurtenissen die aan de stichting van die Spelen ten grondslag lagen, kan men lezen in de verhalen 16 (over Tantalos) en 17 (over Pelops). Het waren dus rouwspelen die ook dienden om verzoening af te smeken voor de wraakroepende misdaad die Pelops had gepleegd, namelijk de moord op Myrtillos.
Terloops weze vermeld dat Pelops’ echtgenote Hippodameia bij dat alles niet wilde achterblijven. Op haar beurt organiseerde zij Spelen, ter ere van Hera, tot wie zij gebeden had en die ze nu wilde danken voor de goede afloop van de wagenren (zie nr. 17). In feite ging het om een loopwedstrijd voor maagden, zestien in getal en van verschillende leeftijden. Vooraan startten de jongsten, achteraan de oudsten. Ze liepen in korte rokjes die ongeveer tot aan de knieën reikten, en de rechter schouder, evenals de rechter borst ontbloot. Hun wedstrijd werd op hetzelfde Olympisch stadion gelopen als de wedstrijd van de mannen; de afstand die de vrouwen dienden af te leggen was echter een zesde korter. De winnares kreeg een olijfkrans en een deel van de koe die aan Hera geofferd werd. Tevens kreeg ze de toelating een beeld van zichzelf, met inscriptie van haar naam, aan te brengen in Hera’s tempel.
(Heraloopster, bronzen beeldje)
De Spelen van Pelops hadden aanvankelijk nog maar weinig te betekenen. Enkele decennia later zouden ze nieuw leven ingeblazen worden door Herakles, nadat deze een van zijn beroemde twaalf werken ten uitvoer had gebracht: het reinigen van de stallen van Augias, de koning van Elis. Deze was een zoon van Helios, de zonnegod. Zijn stallen herbergden drieduizend runderen en waren sedert dertig jaar niet meer schoongemaakt. Toen Herakles de opdracht tot een goed einde had gebracht (zie verhaal nr. 52) weigerde Augias hem de overeengekomen beloning. Hierdoor in woede ontstoken doodde Herakles de koning en verwoestte de streek van Elis. Hij spaarde Olympia omdat zijn vader Zeus daar de bescherming over droeg. Als dank voor zijn overwinning op Augias gaf Herakles de Olympische Spelen van Pelops een nieuw elan, op de heilige grond van zijn vader. Hij bepaalde de lengte van de looppiste op 192,27 meter, zijnde zeshonderd maal de lengte van zijn voet. Aan het einde van de looppiste plantte hij olijfbomen. Van olijftakken vlocht Herakles een krans ten behoeve van de Olympische winnaars.
Maar weer ging de belangstelling voor de Spelen achteruit. in het begin van de 9e eeuw v.C. betekenden ze nog weinig. In die tijd ging het slecht in Griekenland. Zo stond het land, ten jare 884 v.C., aan de rand van de afgrond. Men dacht enkel nog aan oorlogvoeren. De onophoudende strijd tussen Athene en Sparta had de ekonomie verlamd en bovendien heerste er een pestepidemie die talloze slachtoffers eiste. De anders zo druk bezochte Griekse havens lagen stil. De kooplieden uit het Oosten en het Westen meden het land vanwege de vreselijke ziekte waartegen de geneeskunde machteloos stond. Alleen de oppergod Zeus kon bij machte zijn het tij te doen keren! Men smeekte Zeus dan ook om mededogen en men bracht offers om de opperste godheid gunstig te stemmen, doch tevergeefs. Tot de wijze koning Iphitos van Elis besloot het orakel van Apollo te raadplegen. En ziehier hoe de woorden van de Delphische Pythia door Apollo’s priesters werden geinterpreteerd: “Zeus is vertoornd omdat de Grieken alleen nog maar denken aan oorlogvoeren, omdat zij het doden van de tegenstrever verkiezen boven de sportieve strijd, omdat zij de Spelen verloochend hebben… Aan koning Iphitos beveelt Zeus onmiddellijk de Olympische Spelen in ere te herstellen”. Zo geschiedde. Hetzelfde jaar nog werden de in verval geraakte Spelen officieel heropgericht door een verdrag tussen de koningen Iphitos van Elis, Lykourgos van Sparta en Kleosthenes van Pisa, zoals blijkt uit een inscriptie op een bronzen discus uit de tempel van Hera te Olympia. In dit verdrag werd gesteld: “Olympia is een heilige plaats. Wie dit oord met de wapens durft betreden wordt als heiligschenner beschouwd”.
De Olympische Spelen waren nu pas goed van start gegaan. Hun successtory zou bijna twaalf eeuwen duren! In 776 v.C. doken ze, ontdaan van hun mythologische sluiers, voorgoed op in de geschiedenis: van toen af werden de namen van de Olympische winnaars immers opgetekend zodat ze voor het nageslacht bekend zijn gebleven. In 394 n.C. maakte de christelijke keizer Theodosius definitief een einde aan de “heidense” Olympische Spelen.
Definitief? Wel neen: in 1896 was er Pierre de Coubertin!
(deze medaille werd uitgereikt aan alle finishers van Dwars door Grijsloke, anno 1991) (cf. foto van de medaille, onderaan)
Model voor de medaille is een muntstuk uit de periode van keizer Hadrianus (2e eeuw n.C.). Let op de olijfkrans die het goddelijk hoofd tooit, symbool van de Olympische overwinning. Op de achterkant van het muntstuk was de tronende Zeus afgebeeld. In het Numismatisch Museum van Athene bevinden zich nog talrijke andere muntstukken met afbeeldingen van de gekranste kop van de oppergod. Deze bronzen en zilveren muntstukken zijn in hoofdzaak afkomstig uit Elis, een landstreek in het N.W. van de Peloponnesos, waar o.a. Olympia gelegen is. De meeste dateren uit de 4e eeuw vóór Christus. Waarschijnlijk zijn het copieën van het kolossale beeld van Zeus dat zich bevond in de grote Zeus-tempel in het heiligdom van Olympia. Het werd vervaardigd door de beroemde Phidias in de tweede helft van de 5e eeuw v.C. Dit indrukwekkend beeld gold in de oudheid als één van de zeven wereldwonderen. Het was meer dan twaalf meter hoog, uit hout vervaardigd en helemaal belegd met goud en ivoor; het is helaas niet bewaard gebleven.
Aan de linker kant van de medaille (1) wordt de bliksem afgebeeld, die Zeus in de hand houdt als symbool van zijn almacht. Met deze bliksem slingerde Zeus zijn misdadige zoon Tantalos naar de hel. Dezes zoon, Pelops, zou aan de basis liggen van de Olympische Spelen.
Aan de rechter kant van de medaille (2) zit een mannetje achter een wagenwiel, met ervoor een paard. Dit stelt Myrtillos voor, de wagenmenner van koning Oinomaos van Pisa (het latere Olympia), die de wagen van zijn meester saboteert. Pelops had Oinomaos uitgedaagd tot een wagenren. De inzet van de wedstrijd was Hippodameia, Oinomaos’ dochter. Pelops won, dank zij de sabotagedaad van Myrtillos. Deze laatste werd evenwel op een laffe manier gedood door Pelops. Naderhand stichtte Pelops de Olympische Spelen, ter nagedachtenis van Myrtillos en ter ere van Zeus en om bij de oppergod verzoening af te smeken voor zijn zware misdaad. De afgebeelde scène wordt ontleend aan het machtige complex van gebeeldhouwde figuren dat de oostelijke gevel van de Zeus-tempel in Olympia sierde. Deze beeldhouwwerken dateren van ongeveer 460 v.C. en het geheel is op ’t ogenblik te bewonderen in het museum van Olympia (cf. foto onderaan).
1. Het logo van "Dwars door Grijsloke" met de kapel. 2. Reklamefolder van de stratenloop anno 2006 met op de voorgrond de kapel. 3. De vijf medailles van "Grijslokes Olympiade". 4. Het boek "Grijslokes Olympiade" (op de cover: Koroibos, de eerste geregistreerde winnaar op de Olympische Spelen, in 776 v.C.).
Grijsloke is een piepklein dorpje, amper 78 hectare (0,78 km²) groot, in een uithoek van de Vlaamse Ardennen. Eertijds, vóór de fusie van de gemeenten in de jaren ’70, was het nochtans een volwaardige gemeente, met een burgemeester en schepenen en dies meer, zij het met slechts een paar honderd inwoners. Met voorsprong de kleinste gemeente, qua oppervlakte, die er in ons land ooit is geweest. De officiële naam van dat minuscuul stukje vaderland was eigenlijk Gijzelbrechtegem, maar iedereen noemde het “Grijsloke”, hetgeen – zoals goede bronnen ons leren – de oorspronkelijke naam zou geweest zijn. Vele honderden jaren geleden is daar ene heilige Chrysoleus de streek komen kerstenen en hij heeft er verblijf gehouden: de woonplaats van Chrysoleus dus, Chrysoleilocus, later verbasterd tot Grijsloke.
In 1981 kwam iemand op ’t idee om een jaarlijkse stratenloop te organiseren in het dorp op de heuvel: Dwars door Grijsloke. Dat er ’t eerste jaar reeds zeshonderd deelnemers waren en bij de tiende aflevering in 1990 al meer dan tweeduizend vonden ze in Grijsloke een wonder. Omdat er, zoals voor elk wonder, geen rationele verklaring voor te vinden was, en omdat men het Onze-Lieve-Vrouw kapelletje van de Grijslokeberg in het logo van Dwars door Grijsloke had opgenomen, verklaarden sommige gelovige Grijslokenaars dit succes als een tweede mirakel van de Heilige Maagd. De bouw van het kapelletje was er namelijk gekomen kort na de eerste wereldoorlog, naar aanleiding van het eerste mirakel: het dorp was onbeschadigd uit de oorlog gekomen! Anderen beeldden zich in dat de Olympische goden, die zich sedert de afschaffing van de oude Olympische spelen in 392 n.C. in alle bescheidenheid op de Olymposberg hadden teruggetrokken, hier de hand in hadden. Stilaan geraakten meer en meer leden van het organiserend comité ervan overtuigd dat Zeus en compagnie het in Grijsloke opnamen voor de Olympische sport nummer één. En in de jaren die volgden ging men in Grijsloke, net als in het antieke Hellas, eer betuigen aan de Griekse goden. Grijslokes Olympiade was geboren: een periode die zich uitstrekt van 1991 tot 1995, met nog een naspel in 1996.
Het hoofdthema van Grijslokes Olympiade is de herdenking van de Oude Spelen via vijf speciaal ontworpen medailles, ten behoeve van de deelnemers aan de stratenloop. Het hoogtepunt evenwel was de rondreis op het Griekse vasteland, waarbij door de Loopclub Grijsloke de antieke Spelen werden overgedaan op de oude Griekse stadia, waarbij ook mythologische taferelen werden vertolkt op de authentieke plaatsen en waarbij tenslotte een aantal klassieke Griekse drama’s werden nagespeeld in de antieke theaters.
In het boek “Grijslokes Olympiade”, dat in 1997 verscheen, staan volgende belangrijke data opgetekend:
776 v. C.:Koroibos uit Elis is de eerste geregistreerde winnaar op de Spelen van Olympia: hij wint er de enige wedstrijd, de stadionloop over 192 m.
720 v. C.:Akanthos uit Sparta wint op de Spelen van Olympia de dolichosloop, d.i. de eerste lange-afstandloop over 12 stadiën. Hij verliest hierbij zijn lendedoek en naar aanleiding van dit feit zullen de atleten in Olympia voortaan naakt lopen.
490 v.C.:Pheidippides, een hopliet uit het leger van Miltiades, loopt van Marathon naar Athene om er de melding te brengen van de overwinning van de Grieken tegen de Perzen in de vlakte van Marathon. Dit feit is de aanleiding tot de marathonloop van de moderne Olympische Spelen.
393: De laatste Olympische Spelen van de oude tijd. Eén jaar later kondigt de Romeinse keizer Theodosius de afschaffing van de Olympische Spelen af.
1896: Onder impuls van baron de Coubertin worden in Athene de eerste Olympische Spelen van de moderne tijd gehouden. De Griek Spiridon Louis wint de marathon.
1981: In Grijsloke, deelgemeente van Anzegem, wordt de eerste stratenloop “Dwars door Grijsloke” gehouden.
1991: Het eerste jaar van “Grijslokes Olympiade” (1991-1996), die in het teken staat van de mythologische oorsprong van de Panhelleense Spelen. Dit jaar worden de Olympische Spelen herdacht.
1992: In Grijsloke worden de Isthmische Spelen herdacht. In het voorjaar komen vijf Griekse goden naar Anzegem ter gelegenheid van de vierjaarlijkse gapersstoet.
1993: De Pythische Spelen worden herdacht.
1994: De Panhelleense Spelen van Loopclub Grijsloke in Griekenland. In Grijsloke worden de Nemeïsche spelen herdacht.
1995: De Panatheneïsche Spelen worden herdacht.
1996: Ten tweede male komen de goden naar Grijsloke: Pallas Athena en Apollo nemen in hoogsteigen persoon deel aan de 16e Dwars door Grijsloke en behalen er een verpletterende overwinning.
1997: Het boek “Grijslokes Olympiade” rolt van de pers.
En anno 2009? Dwars door Grijsloke is er nog steeds. Iedere laatste zaterdag van augustus. Maar de Olympische vlam brandt niet meer in Grijsloke. Wie voelt zich geroepen om ze terug te brengen?
Grijslokes Olympiade en in de eerste plaats de reis van 1994 zullen gedurende het nieuwe schooljaar het onderwerp uitmaken van deze weblog.
Op een zonnig zuiders eiland, meer dan drieduizend jaar geleden, stoeien drie jeugdige nimfen. Die onbezorgde touwtje-springende meisjes zou iedereen gelukkig prijzen, maar ze zijn het allerminst. Beklagenswaardig vinden zij hun toestand op dit eenzame eiland. Behalve zijzelf en de tovergodin Kirke woont hier niemand. De voorbije jaren is er nog wel wat afwisseling geweest: regelmatig was er nieuws van de oorlog in Troje, hetwelk zij vernamen via de radio. Maar sedert de oorlog ten einde is brengt de radio enkel nog saaie jankerige muziek en slechts nu en dan zien ze een verdwaald schip in de verte. Zelden meert er iemand aan op het eiland, ofschoon er een haventje is. Het haventje is in de buurt van het paleis van Kirke en als er al eens een vreemdeling het eiland betreedt wordt hij door de godin angstvallig aan het oog van de nimfen onttrokken. Gedurende een korte of langere tijd amuseert Kirke zich dan met de vreemdeling. Ze speelt spelletjes met hem, en als ze moegespeeld is, tovert ze hem om tot een of ander dier. Verscheidene dieren bevolken het eiland, allemaal omgetoverde verdwaalde reizigers, vaak schipbreukelingen, die de nimfen enkel in hun dierlijke gedaante te zien krijgen. Het heerlijke klimaat en de vele zongerijpte vruchten – druiven, peren, bananen, vijgen, sinaasappelen – kunnen de nimfen niet langer bekoren. Waar zij naar verlangen is een man. Een man? Zij weten niet eens hoe een man er uitziet, buiten enige theoretische noties uit de lessen in biologie. En Kirke, die dwarsboomt alleen maar hun verlangens. Kirke is, naar men zegt, de dochter van de zonnegod Helios. Zij is onsterfelijk. En de nimfen? Zijn zíj sterfelijk? Ze weten het zelf niet. Het kan hen eigenlijk ook niet schelen. Wat hebben ze aan het eeuwig leven, een leven zonder man? Een man! Zij krijgen rillingen in de buik, als ze alleen nog maar aan een man denken… Maar nu moeten ze even van het toneel. Kirke zou immers boos kunnen zijn omdat zij zo lang wegblijven….
Nu betreedt een man het toneel. Hij lijkt uitgeput. Het is geen jonge knaap meer, maar hij is duidelijk nog in de volle kracht van zijn leven. Zijn kleren hangen als lompen om zijn lichaam. Maar ondanks zijn gehavende toestand straalt de man kracht uit en adel. Het is niemand minder dan Odysseus, koning van Ithaka, die op de terugweg is van Troje naar zijn geboortegrond. Hij wenkt zijn drie kompanen, die eveneens fel toegetakeld zijn en met wonden overdekt. Van de vele strijders die Odysseus naar Troje vergezeld hebben zijn zij de enige nog overgeblevenen. Het grootste deel is gesneuveld in de oorlog. Een ander deel werd gedood tijdens de terugtocht door de bewoners van het eiland Ismaros, de Kykonen. Dat was hun eigen schuld: ze hadden maar niet moeten plunderen op het eiland en de vrouwen van de Kykonen niet moeten verkrachten. Ook op het eiland van de éénogige reuzen zijn nog vele van de overblijvende strijdmakkers omgekomen in het hol van Polyphemos, alwaar zij tot voedsel dienden voor de mensenetende cycloop. En toen ze voorbij het eiland van de Laystrigonen voeren, zijn hun schepen door de bevolking – eveneens reuzen – bekogeld met grote rotsblokken, zodat alle overblijvende mannen, op vier na, alsook de overblijvende schepen, op één na, ten onder zijn gegaan. Geen wonder dat Odysseus’ gezellen met een bang hart dit eiland betreden. Odysseus moedigt hen aan: op dit klein lieflijk eiland hebben zij niets te vrezen. Dit eiland lijkt wel onbewoond. Hier zijn ongetwijfeld geen woeste krijgers, geen mensenetende reuzen, geen mooie vrouwen die hun het heimwee naar huis kunnen doen vergeten… Dwazen, denkt Odysseus, als dit laatste een zucht van ontgoocheling ontlokt bij zijn drie makkers. Geen van de vier schipbreukelingen heeft zin om lang op dit eiland te vertoeven, maar de duisternis begint in te vallen en ze zullen alvast de komende nacht hier moeten doorbrengen. Morgenochtend zullen ze proberen hun gestrand schip weer zeewaardig te maken. Odysseus legt zich te ruste onder een boom. Zijn makkers verlaten het toneel: zij vinden het veiliger vannacht op het schip te slapen…
Odysseus ligt weldra te snurken als een varkentje. In het halfdonker nadert een sombere gestalte. Hij schudt Odysseus wakker. Deze laatste schrikt hevig en wil met zijn mes de vreemde indringer te lijf gaan. Maar deze ontwijkt en maakt zich bekend: hij is de god Hermes. Hij komt in opdracht van de oppergod Zeus en van de godin Athena. Hij vertelt Odysseus dat hij zich op het eiland Aiaia bevindt. Het eiland wordt bewoond door de godin Kirke en drie nimfen. Kirke is de dochter van de zonnegod Helios en zeer bedreven in de kunst van het toveren. Odysseus kan er van op aan dat ze zal proberen hem in haar netten te strikken. Met alle tovermiddelen waarover ze beschikt – en ook met haar charme – zal ze proberen hem vrouw en kind, familie en vaderland te doen vergeten, en hem vast te houden op het eiland. Hermes herinnert Odysseus aan wat hem en zijn makkers tijdens hun terugreis overkomen is op het eiland van de Lotofagen, de lotuseters. Diegenen die van de lotusplant gegeten hadden, vergaten outer en heerd en wensten niets liever dan op het eiland te blijven. Gelukkig waren het er maar enkelen en met geweld konden ze weer naar de schepen gebracht worden. Een dergelijk gevaar hoeft Odysseus op dit eiland niet te lopen. Hermes heeft een plant bij zich. Als Odysseus die op staande voet opeet, met wortel en al, dan zal hij voor altijd bestand zijn tegen alle listen en tovertruken van Kirke. Terwijl Hermes zich reeds verwijdert, roept Odysseus nog woorden van dank na en belooft hem een mooi offer te brengen als hij eenmaal in zijn vaderland zal teruggekeerd zijn. De plant die de god hem gegeven heeft is gauw verorberd. Ze heeft evenwel een bittere nasmaak en die spoelt Odysseus weg met een slok wijn uit de veldfles die nog om zijn middel bengelt. Hij prijst de wijn, een restant van de twaalf dozijn flessen die hij op het eiland Ismaros gekregen heeft van een priester, nadat hij hem het leven had gespaard. Die wijn heeft tenslotte ook zíjn leven en dat van verscheidene van zijn makkers gered op het eiland van de cyclopen. Ze hebben er de cycloop Polyphemos immers zo stomdronken mee gemaakt dat hij in een zeer diepe slaap viel. In zijn slaap brandden ze zijn enig oog uit, hetgeen hen in de gelegenheid stelde te ontsnappen. Odysseus neemt er nog een slaappil bovenop en in minder dan geen tijd ligt hij weer te snurken.
Bij het eerste morgenlicht verschijnen de nimfen weer ten tonele. Ze horen een vreemd geknor. Een varken? Ze schrikken geen klein beetje als ze Odysseus opmerken, die nog steeds zwaar snurkend, “in Morfeus’ armen" ligt. Hun nieuwsgierigheid overwint de vrees en ze onderzoeken dit vreemde wezen. Hun vermoeden wordt bewaarheid: dankzij hetgeen ze zich nog herinneren uit de lessen van biologie komen ze tot de conclusie dat ze wel degelijk met een man te doen hebben. Wat moeten ze met hem aanvangen? Zullen ze hem verstoppen? Of moeten ze hem niet eerst wakker maken? Ja, wat doe je zoal met een man? Ze proberen van alles: zijn neus dichtknijpen, zijn voetzolen kietelen, aan zijn oren trekken, hem kussen op de mond. Kussen, ja, dat lijkt hen wel wat. Het lijkt wel dat hij niet wakker te krijgen is. Ze moeten dit melden aan Kirke. Maar die zal hem natuurlijk weer voor zichzelf houden en hem na een tijdje misschien veranderen in een of ander dier. Hem verbergen op een geheime plaats lijkt hun een goed idee. Terwijl ze hem verslepen horen ze plots de stem van Kirke. Verschrikt laten ze de nog steeds slapende Odysseus vallen en ze gaan zich verbergen achter een struik, vanwaar ze met spanning zullen afloeren wat komen gaat…
Kirke verschijnt ten tonele. Odysseus is wakker geschoten door de val. Kirke herkent hem. Ze is in feite niet verwonderd hem hier te ontmoeten: het orakel had het haar voorspeld. Odysseus vertelt haar zijn wedervaren bij de Kykonen en bij de Lotofagen. Schijnheilig keurt Kirke de “truuk met de lotusplant” af. Ze huivert als hij zijn realistisch verhaal doet over de cycloop Polyphemos, die dagelijks twee van Odysseus' mannen nuttigde als ontbijt, nadat hij met de blote handen het hoofd van hun romp had afgerukt. En groot is haar bewondering voor de list waarmee de held met zijn overblijvende gezellen aan de éénogige reus wist te ontsnappen. Deze knappe man met zijn gespierde zongebruinde torso doet Kirke’s bloed sneller stromen. Ze kan het niet laten hem over de stoere borst te strelen en ze smeekt hem verder te gaan met zijn verhaal. En Odysseus vertelt over hun ervaringen bij de god Aiolos op het eiland der winden. Aiolos had hun een zak meegegeven waarin alle stormwinden gevangen zaten, behalve die ene gunstige wind, die hen huiswaarts zou brengen. Maar toen ze hun thuishaven Ithaka bijna bereikt hadden, openden zijn makkers de zak, denkende dat in de zak kostbare geschenken zaten die Aiolos had meegegeven. Alle kwade stormwinden ontsnapten en joegen hun schepen weer de ruime zee in zodat ze tenslotte weer belandden op het eiland van Aiolos. Deze laatste was niet bereid hen een tweede maal te helpen. Ze werden nu voortgejaagd langsheen het eiland van de woeste Laystrigonen die hun schepen bekogelden met rotsblokken. Dit ene op Kirke’s eiland gestrande schip en nog drie overlevende medestrijders is alles wat er overblijft van de eens zo fiere vlootexpeditie dieten strijde trok tegen Troje.Kirke hangt aan zijn lippen, figuurlijk en – bijna – ook letterlijk. Ze vraagt waar de metgezellen zijn en of Odysseus hen wil halen en over een uur op dezelfde plaats terugkomen: ondertussen zal ze haar nimfen opdracht geven een lekkere maaltijd klaar te maken. De nimfen hebben, verstopt in het struikgewas, alles gadegeslagen en ze fluisteren elkander toe met veelbetekenende gebaren…
Kirke roept de nimfen. Ze verwondert zich er over dat ze vrijwel onmiddellijk opdagen. Stonden ze te spioneren? Neen, zeggen de nimfen, we kwamen toevallig aangewandeld. Kirke zegt dat er een heel belangrijk man aangespoeld is op hun eiland en ze vertelt hen in ’t kort een en ander over Odysseus. Uit de reacties van de nimfen is duidelijk af te leiden dat ze gespioneerd hebben, doch in haar enthousiasme merkt Kirke dat niet. Ze draagt de nimfen op een maaltijd te bereiden, voor acht personen. De nimfen gaan gehoorzaam die opdracht vervullen, buiten de scène. Kirke haalt ondertussen een tas te voorschijn met allerhande toverpoeders. Voor Odysseus reserveert ze een aphrodisiacum. Voor zijn makkers wordt het een metamorfose-poeder. Ze zal hen alle drie in een dier veranderen: hetwelk, daar heeft de toeschouwer – of de lezer – nog even het raden naar.
De vier mannen zijn precies een uur weggeweest. En kijk, daar zijn ze terug en… met hongerige magen. De nimfen komen het eten opdienen: een heerlijke maaltijd in open lucht. Allen gaan aan tafel, nadat Kirke ieder zijn plaats heeft toegebleven. Op een listige manier weet de godin aller aandacht af te leiden, teneinde ongezien de toverpoeders in het eten van de gasten te kunnen strooien. Even dreigt Odysseus zich van bord te vergissen, maar Kirke weet dit nog net op tijd te verhinderen. Er wordt wijn gedronken en er wordt getoast op van alles en nog wat. Met de strijdmakkers van Odysseus raken de nimfen in een geestdriftig gesprek, dat we op zijn minst vriendschappelijk kunnennoemen. Pas hebben de drie mannen het eten verorberd of ze voelen zich onwel. Kirke stelt voor dat ze zich even te ruste begeven en ze gebiedt de nimfen ondertussen het dessert klaar te maken. Nu Kirke met Odysseus alleen op de scène is, vraagt ze hem nog eens te vertellen over zijn wedervaren bij de cycloop, tot in de details… Het verwondert haar dat Odysseus, ondanks het snelwerkend aphrodisiacum, zich nog steeds afstandelijk gedraagt. Ze trekt haar stoute schoenen aan en vraagt hem op de man af of hij haar dan niet aantrekkelijk vindt, of hij nog geen “klein beetje liefde” voor haar begint te voelen. Haar “gezeur” schijnt Odysseus alleen maar te irriteren… Tot plots een luid geknor opstijgt. Drie varkens komen het podium oplopen. Geleidelijk merkt Odysseus, aan allerlei tekenen, dat de drie varkens in feite zijn vrienden zijn, die door de toverkunsten van Kirke in deze beklagenswaardige toestand zijn gebracht. De tovenares wil eerst ontkennen dat ze daar voor iets tussen zit, maar uiteindelijk geeft ze haar wandaad toch toe. Ze probeert het echter zo uit te leggen dat ze het gedaan heeft uit liefde voor hem, Odysseus. Deze laatste voelt enkel afkeer voor Kirke en voor haar snode daad, en plots wordt hij dermate overweldigd door woede, dat hij zich niet kan beheersen, en Kirke, hoezeer ze hem ook smeekt, met zijn dolk te lijf gaat. Haar bloed vloeit rijkelijk en ze stort levenloos ten gronde neer…
De nimfen stormen de scène op, in paniek. Ze hebben Kirke’s geschreeuw gehoord. Tot hun afgrijzen zien ze Kirke liggen, levenloos, met bloed besmeurd – Odysseus is in geen velden of wegen meer te bespeuren. Zou ze dood zijn? Het moet haast wel, want ze beweegt niet meer, ze ademt niet meer… De nimfen heffen een klaaglied aan. Tot de drie varkens, knorrend en snuffelend het podium komen oprennen. De nimfen begrijpen wat er aan de hand is: de drie varkens, dat zijn de drie makkers van Odysseus, door hun meesteres op een meedogenloze wijze omgetoverd. Alles wordt hen nu duidelijk: Odysseus heeft zich gewroken op Kirke, even meedogenloos. En ze hadden nog zo hun hoop gesteld op deze drie mannen! Een man voor elk van hen. Ze knuffelen de varkens. Deze begrijpen ieder woord dat tot hen gesproken wordt, doch ze kunnen enkel antwoorden met een geknor. Het verdriet van de nimfen verandert in afkeer voor de dode. Dát plezier heeft Kirke hen weer eens niet gegund! De drie vrouwen luchten hun hart en al hun opgekropte grieven komen naar boven. Ze betreuren niet langer Kirke’s dood, tenzij om één enkele reden: zíj alleen was in staat geweest de drie mannen hun menselijke gedaante terug te geven. Nu zullen ze als varkens verder moeten ronddolen. En wat zullen ze nu met Kirke doen? Begraven of verbranden? Daar willen ze nog eventjes over nadenken. Eerst zullen ze de varkens meenemen naar hun woning voor een extra verzorging: lekkere truffels, een bussel vers stro. De dieren lijken zich het gezelschap en het geknuffel van de nimfen te laten welgevallen…
Nu er niemand meer in haar nabijheid is, wordt Kirke “wakker”. Ze was niet dood, ze heeft maar net gedaan alsof! Nu weet ze dus meteen hoe haar nimfen over haar denken, die dwaze wezens die niet eens weten dat een godin niet sterven kán! Ha, ze willen haar begraven of haar toevertrouwen aan het vuur, háár, een godin, een onsterfelijke! Plots hoort ze zware voetstappen. Dat moet Odysseus zijn, denkt ze. Ze gaat weer roerloos liggen, voor dood. Odysseus ziet er verward uit. Vertwijfeld heeft hij een wijle op het eiland rondgedoold tot zijn geweten hem weer drijft naar de plaats des onheils. Behoedzaam nadert hij tot de roerloze Kirke. Tranen van spijt vloeien over zijn wangen. Ze ligt daar zo rustig, zo sereen, zo mooi. Odysseus begint haar best aantrekkelijk te vinden. O, was ze nu maar niet dood. Hij zou haar ongetwijfeld hebben kunnen beminnen, met haar de liefde bedrijven, zoals ze van hem verlangt. Hij zou best een tijdje bij haar op het eiland hebben willen vertoeven als ze bereid zou geweest zijn, in ruil voor dat oponthoud, zijn makkers de menselijke gedaante terug te geven. Hij prevelt haar dat alles toe, in het besef nochtans dat zijn woorden tevergeefs zijn. Maar, droomt hij? De dood gewaande komt langzaam rechtop. Ze heeft de woorden van Odysseus goed in haar oren geknoopt en haar hart popelt van vreugde. Hoe is het mogelijk dat Odysseus, de listige, niet eens weet dat goden en godinnen niet kúnnen sterven en dat zij de eeuwige jeugd bezitten? Dat goden weliswaar onderhevig zijn aan ziekte, dat godenkunnen bloeden, pijn lijden en genot, vreugde en verdriet ervaren, net zoals de mensen, maar desalniettemin onsterfelijk zijn? Hij is dus bereid haar te beminnen en een tijdje bij haar te blijven? Maar, hoe lang is “een tijdje”? Een maand, zegt Odysseus. Twaalf jaar, zegt Kirke. Ze komen uiteindelijk overeen dat hij een vol jaar op het eiland zal blijven. Odysseus bekent haar dat hij haar wel degelijk aantrekkelijk vindt en tedere gevoelens heeft voor haar. Maar langer dan een jaar zal hij het niet kunnen uithouden: daarvoor is de drang naar zijn geboortegrond té groot. Ze omhelzen elkander. Til mij op met je sterke armen, zegt Kirke, en draag me naar mijn paleis, naar mijn zacht hemelbed, en laat mij genieten van je stoer lichaam. Odysseus laat het zich geen twee maal zeggen…
Enkele dagen zijn voorbijgegaan. Odysseus zit op een boomstronk. Eén van de zijn betoverde makkers komt hem gezelschap houden. Aanvankelijk weet hij niet met wie van de drie hij te doen heeft. Hij komt er achter dat het Eurylochus is, zij het met enige moeite. Want al begrijpt het varken Eurylochus alles, de gave van de spraak is hij verloren, net als de twee andere makkers. Toch komt Odysseus een en ander te weten over de gemoedstoestand van zijn makkers, door het stellen van accurate vragen, dewelke beantwoord worden door een klagend of opgewekt geknor, of door een bevestigend geknik, hetzij ontkennend schudden met het hoofd. Over hun behandeling op het eiland hebben zij niet te klagen. Aan eten en drinken ontbreekt het hen niet, aan vers stro evenmin. Ze worden door de nimfen vertroeteld. Elk van de drie nimfen draagt zorg voor één van hen. Omdat zij anders moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, hebben de nimfen hen een lintje rond de staart gebonden. Eurylochus toont zijn lintje met een zekere fierheid: een roze… Odysseus drukt er zijn leedwezen over uit dat zij in die dierlijke gedaante moeten rondlopen, maar troost hen met het vooruitzicht dat zij over een jaar hun menselijke gedaante zullen terugkrijgen: Kirke heeft het hem beloofd. Dan zullen ze meteen weer koers zetten naar hun vaderland. Een vol jaar: Eurylochus laat een lamentabel geknor horen. Wat weerhoudt Kirke om hen nu reeds opnieuw om te toveren? Als Odysseus onder ede belooft dat hij haar een vol jaar gezelschap zal houden. Op die manier zou dat jaar op Aiaia ook voor hen draaglijk zijn. Ja, waarom eigenlijk niet, vraagt Odysseus zich af. Hij belooft Eurylochus dat hij het haar zal vragen….
De nimf die Eurylochus onder haar hoede heeft, is naar hem op zoek. Ze vindt hem hier bij Odysseus. Ze maakte zich al ongerust over hem. Zijn etensbak is reeds gevuld. Eurylochus gaat gewillig mee: hij kwispelt zelf met zijn staartje. Even later betreedt Kirke de scène. Ze komt bij Odysseus op de schoot zitten. Ze is lief en aanhalig. Ze vraagt hem of hij het naar zijn zin heeft bij haar op het eiland en of ze wat voor hem kan doen. Odysseus ruikt zijn kans: hij smeekt haar zijn makkers hun vroegere gedaante terug te geven. Over een jaar, antwoordt ze beslist. Als ze het nu reeds doet loopt ze immers de kans dat de heren toch vroeger vertrekken. En als we nu op ons erewoord beloven dat we niet eerder weggaan, vraagt Odysseus. Kirke beweert dat de eed van een sterveling waardeloos is. En wij zouden u wél moeten geloven op uw woord, replikeert Odysseus. Niet zómaar op mijn woord, zegt Kirke. Om u gerust te stellen zal ik hierbij een plechtige eed afleggen. Ik zal zweren, bij de Styx, de rivier van de onderwereld, en voor Zeus, onze oppergod, dat ik uw mannen hun menselijk lichaam zal terug bezorgen en dat ik hen en uzelf in vrede van hier zal laten vertrekken, van zodra één jaar zal verstreken zijn. Ze voegt de daad bij het woord en ze doet de dure eed waar goden zich nimmer kunnen aan onttrekken: ze zweert bij de Styx, en ze roept daarbij de oppergod tot getuige. Mijn vrienden worden op die wijze, geheel onschuldig, wel héél zwaar gestraft, moppert Odysseus. Maar Kirke lacht zijn grieven weg. Over een jaartje zal hun kwelling voorbij zijn en een jaartje is gauw om. Oneindig veel groter en eeuwigdurend zal háár kwelling zijn, vanaf het ogenblik dat ze definitief afscheid zal moeten nemen van hem, haar geliefde Odysseus. Onze held laat zich door die woorden overtuigen en hij komt weer helemaal in de ban van Kirke. Ze liggen weer in elkanders armen als het doek dichtgaat.
DEEL2.
Driehonderdvijfenzestig dagen zijn voorbijgegaan. Morgen mag Odysseus het eiland verlaten – ’t is een schrikkeljaar – en krijgen zijn makkers hun ware gedaante terug. Geknield zit Kirke vóór hem. Ze heeft haar hoofd in zijn schoot gelegd en ze weent overvloedige tranen van verdriet. Ze zal hem niet beletten het eiland te verlaten, maar ze smeekt hem te blijven, uit vrije wil, en haar niet voor altijd ongelukkig te maken. Hij is toch gelukkig geweest met haar? Ze heeft het hem toch altijd naar de zin gemaakt? Odysseus kan dat niet ontkennen, maar toch wil hij vertrekken. Hij wil zijn echtgenote Penelope terugzien, die nu reeds elf lange jaren trouw op hem wacht. Hij wil opnieuw zijn geboortegrond Ithaca betreden en heersen over zijn land. Hij wil zijn ouders terugzien en zijn opgroeiende zoon Telemachus die nog een peuter was toen hijzelf naar Troje afreisde. Kirke antwoordt dat zij uit goede bron vernomen heeft – goden vernemen altijd alles uit goede bron – dat behalve zijn naaste familie niemand op Ithaca nog gelooft dat hun koning nog in leven is. Dat zijn paleis vol mannen zit die naar de hand van zijn vrouw dingen. Penelope is tot op heden weliswaar nog niet bezweken voor haar vrijers, maar dat zal ze alleszins geen negen jaar meer uithouden. Negen jaar? O ja, dat vergeet ze nog te zeggen, en dat heeft ze ook uit goede bron, zó lang zal nog het nog duren vooraleer hij uiteindelijk zwaar gehavend zijn geboortegrond zal kunnen betreden. Penelope zal dan reeds een oude vrouw zijn, een vrouw die niet meer in staat zal zijn aan alle verlangens van een man te voldoen. Terwijl zijzelf, Kirke, nimmer haar jeugdige frisheid zal verliezen, omdat zij mag genieten van de eeuwige jeugd, het voorrecht van alle onsterfelijken. Als hij toch nog voor haar wil kiezen, wil ze hem beloven dat ze altijd voor hem klaar zal staan en dat ze tot zijn laatste levensdag aan zijn vurigste verlangens zal voldoen. Maar Odysseus blijft onvermurwbaar. Voor Kirke zal er dus niets anders opzitten dan haar gasten te laten vertrekken. Maar eerst moet Odysseus nog een belangrijke opdracht vervullen. Dat is haar medegedeeld door de oppergod zelve: een beslissing die genomen is door Zeus in samenspraak met de god Poseidon en alle andere goden van de Olympos. Vooraleer hij met zijn makkers het eiland mag verlaten, moet hij eerst een bezoek brengen aan de onderwereld…
Konden de goden nu echt niets beters verzinnen, vraagt Odysseus zich af. Heeft hij misschien nog niet genoeg geleden? En hoe moet hij daarheen, naar de onderwereld? Mogen zijn vrienden hem vergezellen? Neen, dat mogen ze niet. Slechts vier stervelingen hebben ooit de onderwereld betreden: Orpheus, Herakles, Theseus en dezes vriend Perithoös. Deze laatste is nooit meer onder de levenden teruggekeerd en Theseus heeft er een deel van zijn achterwerk achtergelaten. Odysseus dient deze opdracht eerder te beschouwen als een gunst, die de goden slechts aan zéér weinig stervelingen verlenen. Hoe hij het rijk van Hades vinden zal? De god Hermes, die ook de doden begeleidt naar de onderwereld, zal hem er heen brengen. Kirke belt Hermes op met een mobiele telefoon. Odysseus is verbaasd over dit wonderbare communicatiemiddel. Kirke legt hem uit dat dit toestel ooit eens gemeengoed zal worden bij de stervelingen. Maar dat zal nog meer dan drieduizend jaar duren. Nu is het nog een voorrecht van de goden, net als zovele andere voorrechten. Maar al die voorrechten van de goden zullen hun uiteindelijk door de mens ontfutseld worden, behalve twee: de onsterfelijkheid en de eeuwige jeugd. Met het vermeerderen van hun bezit en hun kennis zullen de mensen evenwel niet gelukkiger worden. Wel in tegendeel. Immers: zijn de goden gelukkig?
Lang zal Hermes niet onderweg zijn, zegt Kirke. Het dunkt haar dat ze hem al hoort aankomen. Ze zal zich nu verwijderen om een offer te gaan brengen aan de goden in naam van Odysseus, haar teergeliefde Odysseus. Het bloed van het offerdier zal ze Odysseus meegeven, want hij zal het verse offerbloed nodig hebben om het te drinken te geven aan de schimmen van de afgestorvenen, opdat zij in staat zouden zijn tot hem te spreken. Daar is Hermes al. Hij legt uit welke de weg is die zij zullen volgen naar de Hades. Met Odysseus’ enig overgebleven schip zullen ze afvaren. De Noordenwind zal hen in de goede richting sturen, tot aan het einde van de Oceaan. Daar zullen ze aanmeren, aan een woest strand, vol rotsen en begroeid met wilgen en populieren, het woud van Persephone, de godin van de onderwereld. Daar bevindt zich een grote rots. Via een spleet in die rots zullen ze afdalen naar een ondergrondse rivier, de Dodenrivier. De veerman Charon zal hen, zonder vragen te stellen, naar de overkant van de rivier brengen, naar het dodenrijk. Dan zullen ze tot bij de poort van de Hades komen. Deze wordt bewaakt door Kerberos, de vreselijke hellehond met de drie koppen. Maar dank zij het gezelschap van Hermes zal Odysseus geen tegenstand ondervinden van de hond. Zo zullen ze dan binnentreden in het rijk der schimmen. Daar zal Odysseus eerst met de ziener Teiresias moeten spreken, zegt Hermes. Hij immers is de enige in het rijk der doden die hem te woord zal staan zonder eerst van het offerbloed gedronken te hebben. Odysseus mag overigens niemand van het offerbloed laten drinken zonder eerst met Teiresias gesproken te hebben. Teiresias is de enige dode in de onderwereld die tegelijk ook levend is, ofschoon hij voor eeuwig gevangen zit in het rijk der doden. Na met Teiresias gesproken te hebben, zal Odysseus zich een korte wijle met de schimmen kunnen onderhouden, nadat het bloed hun tongen zal losgemaakt hebben.
Kirke verschijnt weer op de scène. Ze heeft een dier geslacht en brengt het offerbloed. Ze heeft ook een fles melk, een pot honing, een fles wijn en een fles water bij. Odysseus moet de vier flessen in de aangegeven volgorde storten als plengoffer voor de goden, zodra hij het rijk der schimmen heeft betreden. Ze geeft Odysseus ook nog een fles “oude klare” voor Teiresias en een muntstuk van twee euro voor de veerman. Ga nu, Odysseus, zegt ze, man van mijn hart, doe zoals de goden u bevelen en laat u begeleiden door Hermes. Ik zal u hier opwachten samen met de nimfen en uw drie makkers, die ik ondertussen hun ware gedaante zal teruggeven. Met het vlees van het geofferd dier zullen wij dan allen samen een lekker afscheidsmaal nuttigen. Ga nu… Huilend keert ze zich om. Hermes en Odysseus verlaten de scène: ze begeven zich op weg naar de onderwereld.
Odysseus en Hermes doen behoedzaam hun intrede in het duistere rijk der doden. Odysseus verheugt zich over het feit dat de tocht zo voorspoedig verlopen is. Er staat een grote teil en op aanraden van Hermes doet Odysseus daarin nu zijn plengoffer voor de doden, in volgorde: melk, honing, wijn en water. Allerlei duistere schimmen komen nu opdagen, aangetrokken door de geur van het offerbloed dat Odysseus bij zich heeft. Maar daar komt Teiresias reeds aangetreden. Hij jaagt de schimmen weg. Dan komt hij met uitgestoken handen op Odysseus toe en hij drukt zijn bewondering uit voor hem: als ziener, ofschoon blind zijnde, heeft hij onze moedige held onmiddellijk herkend. Hij stelt zich voor als de blinde ziener van Thebe, die een o zo belangrijke rol gespeeld heeft in het verhaal van de vervloekte koning Oidipous. Hij verklaart waarom hij de enige afgestorvene in het rijk der doden is die zijn menselijk lichaam en zijn menselijk verstand behouden heeft. Toch moet hij op tijd en stond een slok bloed drinken om zijn geest en zijn lichaam op peil te houden. Hij drinkt dan ook van het offerbloed dat Odysseus bij zich heeft. De smaak bevalt hem niet en zijn oog valt op de fles oude klare. Hij vraagt Odysseus of hij ook daar een slok mag van drinken, teneinde de slechte bloedsmaak weg te spoelen. Odysseus overhandigt Teiresias de fles – ze was trouwens voor hem bestemd – en Teiresias drinkt ze half leeg. Dat maakt bij hem de tong wat losser en hij doet het verhaal van zijn ruzie met de oppergodin Hera, tevens gemalin van Zeus, waarbij zij hem met blindheid heeft geslagen. Hij had namelijk als scheidsrechter moeten optreden bij een meningsverschil tussen Zeus en zijn gade: ze waren het er niet over eens wie er bij de geslachtelijke gemeenschap het meeste genot ervaart, de man of de vrouw. Omdat Teiresias zelf zeven jaar lang vrouw was geweest, was hij de geschikte persoon om die vraag te beantwoorden. Er was geen twijfel mogelijk: de vrouw is het die het meeste genot ervaart, en wel tien maal zoveel als de man. Hera, verbolgen omdat nu de waarheid aan het licht gekomen was, heeft Teiresias toen het licht uit de ogen ontnomen. Zeus, die deze handicap niet ongedaan kon maken, heeft hem vervolgens de gave van de helderziendheid geschonken, ter compensatie. Het verhaal dat zijn blindheid een straf zou zijn hem opgelegd door de godin Athena, omdat hij haar eens naakt zou gezien hebben, doet hij af als… een mythe. En nu, zegt Teiresias, laat ik u een stonde alleen met de doden. Ze zullen op het offerbloed afkomen. Odysseus moet hen ervan laten drinken: dat zal hun dode geest een poosje verhelderen en hun tongen losmaken, voor even. Maar vooraleer het dodenrijk te verlaten moet hij zich nogmaals onderhouden met Teiresias. De ziener is immers de enige die hem de nodige richtlijnen kan geven, die hij strikt dient op te volgen, wil hij een kans maken om nog ooit zijn geboortegrond te bereiken.
Pas heeft de ziener zich teruggetrokken of de schimmen komen weer naderbij. Odysseus herkent de schim van zijn moeder, Antikleia. Toen hij Ithaka verliet was ze nog in leven… Ontroerd wil Odysseus haar omhelzen, maar dat lukt niet: zij is maar een schaduw. Hij reikt haar de karaf met het offerbloed. Ze neemt het gretig aan en drinkt ervan. Nu pas herkent ze haar zoon. Mijn lieve rampzalige jongen, zegt ze, hoe ben jij hier verzeild geraakt, hoe en waar heeft de dood jou verrast? Odysseus legt haar de reden van zijn bezoek aan het dodenrijk uit en dat hijzelf nog steeds tot de levenden behoort. En dan vraagt hijof zijn vader nog in leven is en hoe zijn dierbare echtgenote Penelope het stelt en zijn zoon Telemachos, en hoe zijzelf de dood heeft gevonden. Antikleia bekent dat ze, overmand door verdriet, zelf voor de dood heeft gekozen. Haar man, Laërtes, heeft het koninklijk paleis verlaten en kwijnt nu in stilte weg op het platteland. Hij zal ongetwijfeld nog in leven zijn, want zijn schim heeft ze in dit dodenrijk nog niet ontwaard. Het vorstelijk huis van Odysseus zit vol vrijers, mannen die dingen naar de gunsten van Penelope en de troon. Ze proberen haar ervan te overtuigen dat Odysseus toch nooit meer terugkeert, dat hij reeds lang gesneuveld is. Maar Penelope wijst hen allen af. Ze weeft een kleed voor haar schoonvader Laërtes. Pas als het weefstuk af is, wil ze over hun voorstellen nadenken. Maar ’s nachts haalt ze weer uit wat ze overdag geweven heeft. Ondertussen hebben de vrijers zich in Odysseus’ paleis genesteld en ze houden er goede sier en verbrassen zijn fortuin. En Telemachos? Het kind is opgegroeid tot een flinke knaap, die weldra een steun zal zijn voor zijn moeder tegen de opdringerige vrijers. Lijkt hij op mij, wil Odysseus nog weten, is hij schrander? Maar zijn moeder antwoordt al niet meer. Langzaam verwijdert haar schim zich en vervaagt. Odysseus wil haar nog achterna lopen en haar nog eens in zijn armen sluiten, maar Hermes houdt hem tegen. Het heeft geen zin, het effect van het offerbloed is ten einde…
Een sombere figuur komt opdagen uit de nevelen: Agamemnon. Niets in zijn houding herinnert aan de machtige opperbevelhebber van het Griekse leger, die hij tijdens zijn leven is geweest. Hoe is hij de dood ingegaan? Niet in de oorlog zelf, dat is zeker. Odysseus herinnert zich immers maar al te goed hoe de trotse Agamemnon, met de Trojaanse prinses Cassandra als oorlogsbuit, de terugtocht naar Griekenland heeft aangevangen. De schim drinkt van het offerbloed en herkent Odysseus terstond. Niet op het slagveld ben ik gesneuveld en ook niet op zee ben ik ten onder gegaan, zegt Agamemnon, maar wel in mijn eigen huis. De dag zelf nog van zijn thuiskomst werd hij op een laffe manier vermoord door zijn eigen vrouw Klutaimnestra en diens minnaar Aigistos. Gruwelijk afgeslacht, vooraleer hij de gelegenheid had zijn zoon Orestes terug te zien en hem in zijn armen te sluiten. Hoe zeer benijdt hij Odysseus, de dappere sluwe held, die zich kan verheugen in het bezit van een lieve trouwe echtgenote! Hij wil van Odysseus vernemen wat de reden is van zijn bezoek aan de onderwereld en of hij misschien iets vernomen heeft over zijn zoon Orestes. Maar Odysseus krijgt niet de kans om te antwoorden. Daar verwijdert de schim van Agamemnon zich al: de kracht van het bloed is uitgewerkt…
In de plaats verschijnt nu Achilles, de grootste van alle Griekse helden in de oorlog van Troje, gesneuveld door toedoen van Paris die een dodelijk pijl in zijn hiel schoot, zijn enige kwetsbare plek. Zelfs de schim van Achilles is nog indrukwekkend. Ook op hem mist het offerbloed zijn uitwerking niet. Hij verlangt te weten hoe zijn zoon Neoptolemos het stelt en hij prijst Odysseus gelukkig dat hij nog tot het rijk der levenden behoort. Honderdduizend keer liever zou ik op de aarde willen wonen als de meest onbeduidende knecht van het allerkleinste keuterboertje, dan hier in de onderwereld op de hoogste troon te zitten!
En dan is het de beurt aan de schim van Ajax, door zijn eigen zwaard omgekomen in Troje. Na de dood van Achilles heeft Ajax zichzelf het leven benomen, uit wanhoop en verbittering omdat Achilles’ wapenrustig niet hem, maar Odysseus ten deel viel. Ook hier valt de confrontatie met Odysseus hem te hard: zodra hij Odysseus heeft herkend wendt hij de blik af en verdwijnt.
Odysseus drukt er zijn spijt over uit dat hij zich Achilles’ wapenrusting zelf heeft toegeëigend. Hij ziet nog allerlei schimmen voorbij trekken en hij begint het benauwd te krijgen in dit dodenrijk. Laten we van hier vertrekken, zegt hij tot Hermes. Maar eerst moet hij Teiresias nog spreken. Hermes roept zachtjes de naam van Teiresias, tot de ziener weer ten tonele verschijnt. Teiresias legt uit wat in feite de voornaamste reden is van Odysseus' opgelegd bezoek aan de onderwereld: richtlijnen voor de verdere terugreis naar Ithaca. Eerst zal Odysseus met zijn makkers voorbij het eiland der Sirenen dienen te varen. De Sirenen zijn aantrekkelijke jonge vrouwen, aan wier gezang nooit enig zeevaarder heeft kunnen weerstaan. Wee hem die zich door hen laat verlokken. Kirke zal hen bijenwas meegeven, waarmee ze hun oren voor het Sirenengezang kunnen afstoppen. Eenmaal het eiland van de Sirenen voorbij zullen ze doorheen een zeeëngte moeten varen. Ze zullener belaagd worden door Scylla en Charybdis: de ene een vreselijk zeemonster, de andere een alles verzwelgende draaikolk. Eenmaal hier voorbij zullen ze in rustiger wateren terechtkomen, in de buurt van het eiland waar de zonnegod Helios zijn prachtige kudden hoedt. Als ze hun handen van het vee afhouden, wacht hen een behouden thuiskomst. Zoniet… Teiresias steekt een dreigende vinger in de lucht. Hij heeft gezegd…
Laten we nu de terugweg naar Aiaia aanvangen, zegt Hermes.
***
Vandaag is er feest op Aiaia. De makkers van Odysseus hebben hun menselijke gedaante teruggekregen. Samen met Kirke en de nimfen wachten zij op de terugkeer van hun koning uit de onderwereld. Daarna zullen ze eindelijk, na een vol jaar oponthoud op het eiland, hun tocht naar hun thuisland Ithaka verder zetten. Kirke hecht eraan dit afscheid, hoe zwaar het haar ook moge vallen, een feestelijk tintje te geven. We zien een gedekte tafel en er is muziek, taart en drank en… varken aan ’t spit. De nimfen schikken de tafel en brengen overal versieringen aan. Kirke komt haastig op: vlug meisjes, zopas heeft Hermes een SMS gestuurd waarin hij laat weten dat Odysseus over weinige ogenblikken zal terug zijn. Zo geschiedt. Kirke verwelkomt hem en deelt mee dat er nu een afscheidsmaal volgt: met pijn in ’t hart, maar goden mogen niet ondankbaar zijn! Ze heeft, zoals beloofd, de makkers weer omgetoverd. Ze draagt de nimfen op hen te gaan halen. In een mum van tijd zijn ze daar terug, vergezeld door Polites en Perimedes. Ze zien er gaaf en gezond uit, beter zelfs dan voorheen. Eurylochus is er nog niet. Die voelt zich wat minder goed en is nog even op zijn bed blijven liggen. Na een emotionele begroeting tussen Odysseus en de twee makkers, nodigt Kirke hen aan tafel. Ze eten en drinken smakelijk. Er wordt een toast uitgebracht en een liedje gezongen. De nimfen tonen zich zeer behulpzaam…
Het vlees is lekker, zegt Odysseus. Welk vlees is het? Varkensvlees! Odysseus vraagt of er varkens gekweekt worden op Aiaia. Waarop Kirke fijntjes antwoordt: we hoeven ze niet te kweken, af en toe toveren we wel eens een aangespoelde drenkeling om… Odysseus realiseert zich dat het wel eens Eurylochus zou kunnen zijn die ze aan ’t opeten zijn. Omdat Kirke geen ondubbelzinnig antwoord geeft op zijn vraag en doordat zijn zinnen een beetje verdwaasd zijn door de drank, meent hij plots een gruwelijke ontdekking gedaan te hebben: hij heeft zijn vriend, Eurylochus opgegeten! Odysseus is in alle staten. Hij kan zich niet langer beheersen. Hij vliegt Kirke naar de keel en poogt haar te wurgen. Zij roept om hulp. De anderen proberen haar ter hulp te komen, maar dat lukt hen maar met moeite. Kirke blijft bewegingsloos liggen. Terwijl Odysseus staat uit te hijgen, zitten de nimfen geknield naast haar te wenen. En dan… komt de godin voorzichtig rechtop. Ze hijgt en betast haar pijnlijke hals. Ze verwijt Odysseus zijn ongelovigheid tegenover de goden. Had ze immers niet gezworen dat ze alle drie de makkers hun menselijke gedaante zou teruggeven? Op haar bevel wordt Eurylochus, levend en wel, te voorschijn gehaald. Odysseus valt zijn doodgewaande trouwe vriend in de armen en vraagt vergiffenis aan de godin. Deze blijft kalm en waardig. IJskoud deelt ze hem mee dat de goden beslist hadden de zwerftocht van tien jaar die ze voor hem voorzien hadden, aanzienlijk in te korten, daar ze van oordeel waren dat hij al genoeg geleden had. Beslist hádden… Maar op die beslissing zouden ze terugkeren indien Odysseus’ vertrouwen in de goden niet onwankelbaar mocht blijken. Om die reden heeft ze hem op de proef gesteld en… hij heeft haar vertrouwen beschaamd! Zo spreken nu de goden, door Kirkes mond:
“Na uw bezoek aan het eiland van de god Helios zult gij, als straf voor uw wantrouwen, geen kalme zee aantreffen. Gij zult schipbreuk lijden en helemaal alleen aanspoelen op het eiland Ogygia, waar Kalypso leeft, de godin met het lang golvend haar. Negen jaar lang zult gij haar moeten dienen en ook in bed zult gij haar moeten behagen. Zij zal u, meestal tegen uw zin, dwingen tot de meest bizarre intimiteiten. Na negen jaar zal zij u laten vertrekken, op een vlot dat zij u zal laten maken van aaneengebonden boomstammen en waarmee gij nog veel stormgeweld zult moeten doorstaan. Meer dood dan levend zult gij tenslotte een vreedzame kust bereiken. Vanaf dat ogenblik zullen de goden u weer gunstig gezind zijn”.
Geslagen aanhoort Odysseus Kirkes woorden en zij vervolgt:
“Ga nu. Verdwijn uit mijn ogen, vooraleer mijn liefde voor u omslaat in haat. Ach, wat liggen die twee dicht bij elkaar. Zeker bij de vrouw, het weze dan nog een godin”.
Kirke wendt zich af en verdwijnt van de scène, samen met de nimfen die haar troostend omringen. Odysseus staat perplex. Zwijgend nemen zijn makkers hem mee.
***
Bijna negen jaren zijn voorbijgegaan. We vinden Odysseus terug, gezeten op de knieën en met een vrouwenschort om de lenden. Hij is bezig met de vloer te schrobben, onder het toeziend oog van de godin Kalypso. Ruw bejegent ze de gedweeë Odysseus, als een slaaf. Ze zal hem weldra laten vertrekken van deze plaats, van het eiland Ogygia, maar dan moet hij wel onderdanig zijn en haar in alles gehoorzamen, tot de laatste snik. Want dit alles hebben de goden zo beschikt en ’t zou jammer zijn als zij zich nogmaals tegen hem moesten keren, nu een goede afloop nabij is. Ze haalt een reusachtige mand te voorschijn, vol wasgoed. Nadat de vloer geschrobd is, moet Odysseus de was ophangen, terwijl Kalypso boodschappen gaat doen. Eenmaal alleen mijmert Odysseus – zijn slapen zijn grijs geworden – over hoe alles verlopen is na het verblijf op het eiland van Kirke…
Op een kalme zee voeren zij eerst voorbij het eiland van de Sirenen. Eurylochus, Polites en Perimedes hadden hun oren dichtgestopt met was, die Kirke hen had meegegeven, in een potje. Odysseus, in zijn nieuwsgierigheid om die heerlijke gezangen tóch te aanhoren, had zijn oren vrij gelaten en hij had zijn makkers bevolen hem vast te binden aan de mast van het schip en de touwen in geen geval te lossen zolang het eiland van de Sirenen niet uit het zicht zou zijn verdwenen. Dit bleek een goede zet geweest te zijn van de slimme Odysseus, want hij zou beslist bezweken zijn voor de lokzang van de Sirenen. Hierna bereikten zij al gauw de zee-engte, waar aan de ene oever het vervaarlijk reuzengroot monster Scylla zat, terwijl aan de andere kant van de zee-engte de vreselijke draaikolk Charybdis zich bevond. Zoals Theiresias hen had aangeraden, voeren zij zeer snel door, rakelings langsheen de romp van het monster, dat niet lenig en snel genoeg was om hen daar met zijn wijd opengesperde muil te grijpen. Op die manier bleven zij ook buiten het bereik van Charybdis. Een paar uur later meerden zij aan op een rustig zonovergoten eiland, waar prachtig vee liep te grazen. Het was het eiland van de zonnegod Helios en het vee mocht in geen geval geslacht worden, hoe hongerig hun magen ook waren, hoezeer ook zij alle vier snakten naar een stuk lekker gebraden vlees. Odysseus liet zijn makkers zweren dat zij het vee onaangeroerd zouden laten, maar pas had hij hen uit het oog verloren of zij mopperden: wat verschil maakt het of wij omkomen door de wraak van de goden of hier creperen van de honger? En zij slachtten een vette koe en deden zich te goed. Met volle magen en overladen door verwijten van Odysseus verlieten zij het eiland van de zonnegod, vrezend de wraak der goden. En die liet niet lang op zich wachten. Er stak een storm op van veertien Beaufort, zoals er nog nooit een was geweest en er ook nooit meer een zou komen… Het schip waarmee zij voeren, sloeg aan gruizelementen. De drie makkers kwamen om. En Odysseus? Als bij wonder kon hij zich redden door zich vast te klampen aan een losgeslagen stuk van de boeg van het schip, en zich aldus drijvende te houden. En zo kwam uit wat door Kirke was voorzegd: hier, op het eiland Ogygia is hij aangespoeld, het eiland van Kalypso…
Kalypso verschijnt even op het toneel. Ze deelt mee dat zopas de definitieve beslissing is gevallen: morgenvroeg mag Odysseus het eiland verlaten, op het vlot dat hijzelf gemaakt heeft. Het zal beslist geen plezierreisje worden. Hij zal eerst nog dagen de speelbal zijn van de wilde golven en tenslotte zal hij in bewusteloze toestand geworpen worden op de woeste kust van het eiland Kerkyra. Daar zal de lieve, van prille jeugd overvloeiende koningsdochter Nausikaä hem vinden en hem brengen naar het paleis van haar vader. Hij zal er zijn levensverhaal vertellen voor al de notabelen van het eiland en allen zullen hem eren en hem met een comfortabel schip terugbrengen naar zijn vaderland Ithaka. Daar zal hij af te rekenen hebben met de talrijken die naar de hand van zijn vrouw Penelope dingen. Maar geen nood: de goden vinden dat hij nu genoeg geleden heeft. Vanaf dat ogenblik staan ze aan zíjn kant. Met hun hulp en die van zijn zoon Telemachos zal hij de aanbidders van zijn vrouw één voor één doden met zijn pijlen. Tenslotte zal hij Penelope na twintig jaar afwezigheid weer in zijn armen kunnen sluiten.
Na deze goddelijke beslissing over het lot van Odysseus medegedeeld te hebben, haalt Kalypso een zweep van onder haar gordel te voorschijn en stapt dreigend op Odysseus af. Ze verwijt hem dat hij nog niet eens begonnen is met het ophangen van de was. Ze vindt het vermakelijk te zien hoe Odysseus ineenkrimpt van de schrik: vele mannen immers vinden het juist leuk om door een vrouw met de zweep geslagen te worden. Hij krijgt nog precies een kwartier en als hij dan niet klaar is met zijn werk, zal hij er van lusten! Haar lach, als ze het toneel verlaat, doet denken aan die van de heks in het verhaal van Sneeuwwitje...
Gedwee en met een zucht hangt Odysseus de was op: een paar beddenlakens, een paar handdoeken en vooral een indrukwekkende hoeveelheid ondergoed van Kalypso. Hij maakt er bedenkingen bij. Hoezeer heeft ze hem negen jaar lang vernederd, vooral op gebied van sex! In ’t begin ging het nog, maar ze ging steeds meer en meer van hem eisen. Er kwam SM van en de sexspelletjes werden hoe langer hoe ingewikkelder. Odysseus huivert nog als hij aan sommige nummertjes denkt. Neem nu de “cinquant-neuf”. Neen, dat zal hij maar liever niet beschrijven. Al die jaren heeft hij zich onderworpen aan de talloze vernederingen teneinde de goden niet te ontstemmen, omdat het der goden wil was. Maar morgen zal hij van al die ellende verlost zijn!
Hij hangt net het laatste kledingstuk op, als Kalypso weer verschijnt. Ze is gekleed in een zeer sexy nauwsluitend lederen pak, de zweep in aanslag. Nog één keer zal hij haar van dienst moeten zijn. Ruw duwt ze hem voor zich uit. Odysseus smeekt haar: niet de cinquante-neuf, alstublieft. O neen, zegt Kalypso schamper, ik leer je wel een ander nummer. Ze zal hem de quarante-neuf leren, en oefenen zál hij, desnoods de hele nacht, tot hij het nummer helemaal onder de knie heeft. Daarbij vergeleken is de cinquante-neuf kinderspel!...
Hopelijk geniet u, net als ik, van een welverdiende vakantie. Na de vakantie gaan we de Griekse mythologie op een andere manier aanpakken, nl. via een reisverhaal (geïllustreerd met foto's), in navolging van de Griekse schrijver Pausanias. Op 1 augustus a.s. verschijnt op deze blog nog een bewerking voor toneel (maar nog zonder dialogen) van het verhaal over de omzwervingen van Odysseus: "Odysseus op Aiaia". Vakantielectuur... Bye, Kris Vansteenbrugge, www.bloggen.be/pierpont
Keyx was de zoon van Hesperos, de Avondster, die een zoon was van Eos, de Dageraad. Hij was getrouwd met Alkyone, een dochter van Aiolos, de god van de Winden. Liefde en trouw was voor de beide echtelieden het hoogste gebod. Alkyone was dan ook zeer bedroefd toen Keyx haar vertelde dat hij dringend een lange reis moest ondernemen. Zij was doodsbang dat haar echtgenoot iets zou overkomen op zee, dat hij zou omkomen in een storm. Zij smeekte hem af te zien van de reis of haar mee te nemen, opdat zij niet gedurende lange tijd zijn aanwezigheid zou hoeven te missen en in angst te leven. Tevergeefs. De opdracht was te belangrijk en Keyx wilde zijn geliefde vrouw niet blootstellen aan de gevaren van de zee. Hij verzekerde haar dat hij spoedig behouden zou thuiskomen.
Ziek van verdriet bad Alkyone die nacht, alleen in haar kille bed, tot de godin Hera, dat ze haar man zou beschermen en hem veilig zou laten thuiskomen. Had zij een voorgevoel? Had het Noodlot dit zo beschikt? Het schip van Keyx kwam in een storm terecht, die aanzwol tot een orkaan: de hele bemanning werd overboord geslingerd en allen kwamen om in de woeste zee. Voor Keyx de geest gaf, gingen zijn gedachten naar zijn geliefde Alkyone. Hij was blij dat zij nu tenminste veilig zat in hun huis aan de kust. Hij smeekte de goden dat ze zijn dode lichaam zouden laten aanspoelen op die kust opdat zij het nog eens liefdevol zou kunnen omarmen alvorens het te begraven…
Hera, de beschermster van het echtelijk geluk, voelde dat zij tekort geschoten was. Ze begaf zich naar Hypnos, de god van de slaap, met het verzoek Alkyones leed te verzachten. Hypnos speelde deze opdracht door naar zijn zoon Morpheus. Deze bezocht Alkyone tijdens haar slaap. Hij had de gedaante van haar echtgenoot aangenomen: een drenkeling, lijkbleek, met doorweekte en gescheurde klederen, het lichaam met wonden overdekt. Alkyone begreep wat er gebeurd was. Woorden waren overbodig. Ze sprong op van haar bed en ze wilde de geliefde dode vastgrijpen en omhelzen, maar hij was niet meer van vlees en bloed, hij was nog slechts een schim, waar haar handen geen vat op hadden.
Uitzinnig van verdriet rende Alkyone nu in de richting van de zee. Wezenloos staarde ze voor zich uit naar de wrede donkere zee, die haar het levensgeluk had ontnomen. Toen het dag begon te worden zag zij in de verte een lichaam komen aandrijven. Smachtend stak ze haar armen uit: “Keyx, mijn teergeliefde Keyx!” En ziet, er geschiedde een wonder: als door vleugels gedragen zweefde haar lichaam naar de drenkeling toe. De goden hadden haar veranderd in een prachtige vogel, een ijsvogel – die in ’t Engels “kingfisher” wordt genoemd. Ze streek neer op de borst van de geliefde. Op ’t ogenblik dat ze hem met haar vleugels wilde omarmen steeg deze op uit het water: door zoveel liefde bewogen, hadden de goden ook hém veranderd in een ijsvogel!
Keyx en Alkyone beminden elkander nu verder zoals vogels dat doen. Ze paarden als vogels, en zoals de ijsvogels ook nu nog doen, broedde Alkyone haar eieren uit in de winterperiode. En haar vader Aiolos houdt in die periode alle winden in toom, zodat zij in alle rust kan verder broeden.
Gravure uit "De Metamorphosen" van Ovidius, boek VIII, Amsterdam 1703
’t Was in de tijd dat de goden plachten neer te dalen op aarde om na te gaan hoe de stervelingen het stelden. Op een dag had de oppergod Zeus zich voorgenomen om de gastvrijheid en de naastenliefde van de mensen te testen. Samen met zijn zoon, de god Hermes, begaf hij zich naar de aarde – beiden in mensengedaante en gehuld in armoedige klederen. Teneinde de mensen op de proef te stellen klopten zij aan bij iedere woning die zij tegenkwamen, met de bedoeling te bedelen om voedsel en onderdak voor de nacht. Maar alle deuren bleven gesloten. Dit bedroefde de oppergod zeer en het wekte zijn woede op:
- Ik zal dit onbarmhartige, ongastvrije mensenras uitroeien, zo sprak hij in zijn toorn.
- Laten we nog éénmaal onze kans wagen, stelde Hermes voor, daar in dat kleine huisje met het strooien dak.
Het was inderdaad een schamel huisje, een hutje, waar zij een laatste maal aanklopten. Maar er woonden lieve vriendelijke mensen: een bejaard echtpaar, Philemon en Baukis. Ze lieten de goden binnen in hun nederige woning en onthaalden hen allerhartelijkst. Een gemakkelijke zitplaats werd klaargemaakt bij de haard en er werd gezorgd voor eenlauw voetbad voor de vermoeide gasten. Het vrouwtje Baukis spande zich in om met de karige mondvoorraad die in het huisje aanwezig was, een lekkere maaltijd te bereiden: vijgen, noten, druiven, kaas en… de gerookte ham die de oudjes bewaarden voor heel bijzondere gelegenheden. Ondertussen deed Philemon zijn best om de vreemdelingen op hun gemak te stellen met een aangenaam gesprek. Ook de enige kruik wijn waarover hij beschikte werd bovengehaald.
Philemon en Baukis verontschuldigden zich dat zij niets beters te bieden hadden, maar het vervulde hun oude hart met vreugde toen zij zagen hoe het eten in de smaak bleek te vallen en evenzeer de wijn. De wijn? Zou die ene kruik wijn wel toereikend zijn? vroeg Philemon zich beangstigd af. Toen de glazen leeg waren, schonk hij een tweede maal in, en een derde maal, en een vierde maal, maar… de kruik bleef steeds even vol. Toen besefte Philemon dat een wonder zich aan ’t voltrekken was. Vol ontzag keek hij nu zijn hoge gasten aan en door emotie overmand, sprak hij met bevende stem:
- U beiden zijt onsterfelijke goden, nietwaar? Alleen goden zijn in staat om zo’n wonder te verrichten.
De goden lachten fijntjes en ze knikten bevestigend. Daarop knielden Philemon en Baukis in opperste verering neder voor de goden en ze verontschuldigden zich omdat ze hen geen rijkelijker maal hadden kunnen voorzetten. Toen sprak Zeus:
- Vreest niet, goede lieden. Uw gastvrijheid en uw godsvrucht zullen beloond worden. Maar dat zal er mij niet van weerhouden al die anderen, waar wij te vergeefs hebben aangeklopt, te vernietigen. Komt mee naar gindse heuvel. Daar zal ik u een teken geven van mijn almacht.
Toen zij de top van de heuvel bereikt hadden en achterom keken zagen de oudjes hoe de hele vlakte waar zij gewoond hadden, overstroomd was. Geen gebouw was nog te bekennen, tenzij, op de plaats waar hun huisje gestaan had, een schitterende tempel met gouden dak en witte marmeren zuilen, die oprees boven het wateroppervlak.
- En nu moogt ge een wens doen, sprak Zeus. Wat ge ook begeert, uw wens zal in vervullig gaan.
Na een kort overleg onder elkander, formuleerden Philemon en Baukis deze wens:
- Laat ons dienaren zijn van de goden in die schitterende tempel, tot aan het einde van ons leven. En laat alstublieft dat einde voor ons beiden op hetzelfde uur komen, opdat wij niet de pijn zouden moeten ervaren het graf van de ander te moeten bezoeken.
De goden lieten de wens in vervulling gaan en het bejaarde koppel leefde nog ettelijke jaren gelukkig als bedienaars van de tempel van Zeus. Tot zij op een dag, in de buurt van de tempel, hand in hand stonden te mijmeren over hun gelukkig levenseinde. Philemon zag hoe de armen van Baukis veranderden in takken, hoe er bladeren groeiden aan die takken en op haar hoofd en hoe zij tenslotte helemaal veranderde in een boom. En tezelfdertijd zag Baukis hoe zich bij Philemon hetzelfde proces voltrok. Beiden schoten wortel en werden alzo in de grond verankerd, dicht bij hun tempel en met hun kruinen in elkaar verstrengeld. Baukis was een lindeboom geworden, Philemon een stoere eik.
Ligt deze mythe aan de basis van het feit dat de poort bij de oprit van menig boerenerf geflankeerd wordt door twee statige bomen, een linde en een eik? En heeft deze mythe ook niet te maken met de gastvrijheid van het Griekse volk? Iedere vreemdeling zou wel eens een god kunnen zijn, als sterveling vermomd…
< Sophokles. Tekening van Jan Bauwens, Vlaams filosoof en auteur van talloze filosofische teksten en verhalen, all-round kunstenaar en uiterst begaafd portrettekenaar. Honderden van zijn portretten zijn te bewonderen opwww.bloggen.be/portretten. De tekening onderaan dit verhaal “De apotheose van Homeros” is eveneens van zijn hand.
Hoe het verder verlopen is? Precies zoals het door de goden beschikt was. De thuisvaart was voorspoedig. Alles wees erop dat de vloek die over het huis der Atriden hing tot een einde was gekomen. Orestes beklom de troon van Mykene. Hij trouwde met zijn nicht Harmonia, de dochter van Menelaos en Helena, waardoor hij weldra ook mocht heersen over Sparta. Pylades trouwde met Orestes’ zuster Elektra en hij volgde zijn vader Strophios op als koning in Phokis. Het beeld van de Taurische Artemis kreeg een plaats in een tempel in een heiligdom dat te harer ere werd opgericht in Brauron (nu Vravrona) aan de oostkust van Attica. Iphigineia bleef er tot het einde van haar dagen als priesteres. Haar graf bevindt zich in de buurt van de tempel.
En verder? Niets meer. Wilt u weten hoe het verder ging met de nakomelingen van Orestes of met die van andere beroemde koningshuizen zoals Athene of Delphi, dan moet ik u helaas teleurstellen. Hier houdt het dus op. Zoals elk verhaal ooit eens ten einde loopt? Want deze verhalen zijn toch pure fantasie, zonder enig verband met de werkelijkheid? Niet helemaal! Akkoord, de verhalen over de goden behoren tot het rijk der mythen, tot het rijk der sprookjes als u wilt. Maar de verhalen over de helden – Herakles, Achilles, Theseus, Oedipous, Perseus, Odysseus, Jason, Agamemnon en zovele anderen – zijn goed gedefinieerd qua plaats en tijd. Het zijn sagen, verhalen dus met een historische achtergrond. De verhalen spelen zich af in de 14e en de 13e eeuw v.C., toen de Mykeense cultuur zijn hoogtepunt had bereikt. Dat was de cultuur van de Achaeërs, zijnde de nomadenvolkeren die rond 2000 v.C. centraal Griekenland waren binnengetrokken en er zich blijvend hadden gevestigd in stedelijke nederzettingen, die uitgroeiden tot machtige stadstaten. De Achaeërs waren een zeevarend en handeldrijvend volk. Ze breidden hun handelsactiviteiten uit naar het Oosten (de eilanden van de Egeïsche Zee, de kusten van Klein-Azië), het Zuiden (Kreta) en het Westen (o.a. Sicilië). Economisch en cultureel ging het de Achaeërs voor de wind. Omdat de “Achaeërs” van Mykene in de 14e en de 13e eeuw v.C. het voortouw namen, spreekt men van de “Mykeense cultuur”, die o.a. gekenmerkt is door kolossale burchten met zeer dikke versterkte muren – de zogenaamde “Mykeense burchten”. De muren werden “cyclopische muren” genoemd omdat men zich niet kon voorstellen dat ze door mensenhanden gebouwd waren.
Na de Trojaanse oorlog evenwel raakte die Mykeense cultuur zeer snel in verval. De oorzaak was de inval van vreemde volkeren van overzee, maar vooral vanuit de noordelijk gelegen Balkanstreken, de Doriërs. De Achaeïsche bevolking werd gedeeltelijk uitgemoord, hun steden werden verwoest, de economie en de politieke en sociale structuren kenden een catastrofale achteruitgang. Het was het begin van drie donkere eeuwen. Op het einde van de 10e eeuw v.C. waren er weer tekenen van heropleving. Allerlei nieuwe stedelijke nederzettingen, die zich hadden gevestigd in de buurt van de oude steden uit de “Mykeense periode”, werden sterker door toename van de bevolking en door economische groei: Argos, Thebe, Sparta, Korinthe en vooral Athene. De herinnering aan de roemrijke Mykeense tijd was gebleven, via mondelinge overlevering. Het lijdt geen twijfel dat de heldendaden uit die tijd ondertussen fel waren aangedikt. Door de ontwikkeling van het schrift begonnen dichters de verhalen neer te schrijven: de oudsten zijn Homeros (Ilias en Odyssee) en Hesiodos (Theogonie). In een latere tijd, toen Athene voorgoed het voortouw had genomen, en voornamelijk tijdens “de gouden eeuw van Perikles” (5e en begin 4e eeuw v.C) zijn die verhalen eveneens tot ons gekomen door o.a. een trio van tragedieschrijvers – Aeschylos, Sophokles, Euripides – en een trio van wijsgeren – Socrates, Plato, Aristoteles. Onder de vele anderen vermeld ik er nog slechts één, uit een veel latere periode, nl. uit de 2e eeuw n.C. Het is Pausanias, een aardrijkskundige en schrijver van reisverhalen. Door zijn lijvige reisgids van het antieke Griekenland heb ik mij laten leiden bij de voorbereiding van de “mythologische reis door Griekenland” die wij met de Loopclub Grijsloke hebben ondernomen in 1994 en waaraan ik u laat deelnemen na de grote vakantie…
Maar eerst wil ik u nog vergasten op twee verhaaltjes, sprookjes eigenlijk, die ik niet heb kunnen inpassen in mijn “systematische reeks” verhalen: “Philemon en Baukis”(nr. 129) en “Keyx en Alkyone” (nr. 130).
< ruïne van de tempel van Artemis in Brauron (Vravrona); onderaan vergroot weergegeven.
Thoas, de koning van Tauris was ongeduldig geworden. Waar bleven de vreemdelingen zo lang? Waarom waren zij niet reeds geofferd? Met enkele van zijn dienaren begaf de koning zich naar de tempel. Toen hij deze wilde betreden, trad Iphigineia naar buiten met, in haar armen, het beeld van de godin. De koning was daardoor zeer verwonderd en op de vraag wat dit alles te betekenen had, antwoordde Iphigineia zelfverzekerd:
- De godin is niet bereid dit offer te aanvaarden. Deze vreemdelingen hebben té zware misdaden op hun geweten: het zijn moordenaars! Eén van hen is zelfs een moedermoordenaar. Eerst moeten de beide mannen ritueel gezuiverd worden. Dat kan niet in de tempel geschieden en het wordt ongetwijfeld een moeilijke en langdurige klus. Ik zal hen meenemen naar de kust en hen reinigen met het water van de zee. Laat hen door uw dienaren boeien en hen daarheen begeleiden. Geef ondertussen opdracht aan alle inwoners van Tauris om binnen de muren van de stad te blijven.
De koning had het volste vertrouwen in zijn priesteres. Orestes en Pylades werden naar de kust gebracht, naar een plaats die Iphigineia had aangewezen. Het was de plaats waar in een diepe grot het schip met de vijftig roeiers lag, dat beiden naar Tauris had gebracht…
In geen tijd waren Thoas’ mannen overmeesterd en gekneveld achtergelaten. Het schip zette in allerijl koers naar Griekenland. Orestes, Pylades, Iphigineia en het beeld van Artemis waren op weg naar het land waar zij thuishoorden!
Het was pas uren later dat het tot de koning doordrong dat hij in het ootje genomen was. Hij wilde onmiddellijk een gewapende macht op de been brengen en de achtervolging inzetten, toen Athena in haar goddelijke gedaante voor hem verscheen.
- Doe geen moeite, zo sprak zij. Wat nu geschiedt is volgens de wil van de goden. Zij hebben beslist dat Iphigineia en de twee vreemdelingen, waarvan de ene haar broer is, terugkeren naar Griekenland, samen met het beeld van Artemis. Het beeld van de Taurische Artemis zal een plaats krijgen in een heiligdom dat zal opgericht worden aan de oostkust van Attica. Ook daar zal Iphigineia dienst doen als priesteres.
En Thoas, die een zeer godvrezend man was, legde zich neer bij de beschikking door de goden en hij staakte de achtervolging.
< Agamemnon wil zijn dochter Iphigineia offeren aan de goden, maar in laatste instantie redt de godin Artemis het meisje van de dood, waarna ze haar meeneemt naar het verre Tauris om er te fungeren als tempelpriesteres (scène gespeeld door leden van Loopclub Grijsloke tijdens de “mythologische reis” in 1994); foto onderaan vergroot weergegeven.
De tempel van Artemis in Tauris leek wel een versterkte burcht. Zouden Orestes en Pylades erin slagen onopgemerkt in die tempel binnen te dringen en er het beeld van de godin te stelen? Een vrijwel onmogelijke taak…
Toen de twee jongemannen in de buurt van de tempel gekomen waren, gebeurde er iets vreemds. Orestes viel plots ten prooi aan een enorme angstaanval. Zaten de wraakgodinnen hier voor iets tussen? Bleven zij hem achtervolgen tot in dit verre land? In een naderende kudde schapen meende hij vijanden te herkennen, die hem wilden doden. Orestes trok zijn zwaard en ging de dieren te lijf. Hij doodde er vele. Herders slaagden erin hem te overmeesteren en brachten hem voor koning Thoas, samen met zijn vriend Pylades. De koning beval dat beiden aan de godin Artemis dienden geofferd te worden. Zoals gebruikelijk was, zouden zij eerst door de priesteres Iphigineia allerlei inwijdingsriten moeten ondergaan, alvorens naar de slachtbank geleid te worden.
Toen de priesteres vernam dat de vreemdelingen uit Griekenland afkomstig waren, vroeg zij dat men haar even met hen alleen zou laten. Uit welke streek zij kwamen? Uit Mykene! Iphigineia verbleekte: de twee jongemannen die zij op de dood moest voorbereiden, waren afkomstig uit haar eigen geboortestad!
- Ook mijn wieg stond eens in de streek van Argos, zo sprak zei. Vertel mij dan over het koningshuis van Mykene. Gij zult ongetwijfeld weten dat de koning, Agamemnon, de Griekse troepen heeft geleid in de strijd tegen Troje. Vertel mij hoe het hem vergaan is.
Orestes antwoordde haar:
- Agamemnon is dood! Vermoord door zijn echtgenote Klytaimnestra, bij zijn thuiskomst uit Troje!
- En Klytaimnestra? Werd zij voor haar misdaad gestraft?
Toen nam Pylades het woord:
- Ook zij werd gedood, door haar zoon Orestes, uit wraak.
Het werd Iphigineia even te machtig. Een ogenblik wendde ze het hoofd af. Toen vroeg ze:
- En Orestes zelf? Is hij in leven?
En weer was het Pylades die antwoordde:
- Orestes leeft, alsook zijn zuster Elektra. Een andere zuster werd door haar vader, voor de afreis naar Troje, naar de slachtbank geleid, op verzoek van de goden. Maar de godin Artemis zou haar in laatste instantie gered hebben en meegenomen naar een ver land.
Nu wenste de priesteres het niet langer geheim te houden voor de jongelingen:
- Die andere zuster, waar gij het over hebt, ben ik, Iphigineia.
Ze stonden als aan de grond genageld en niet in staat één woord uit te brengen. Maar Iphigineia ging verder:
- Eén van u kan ik redden van een gewisse dood. Als hij bereid is een door mij geschreven brief mee te nemen naar Mykene en hem te laten bezorgen aan mijn broeder, Orestes.
Ze verwijderde zich even en kwam toen terug met in haar hand de brief. Pylades stapte naar haar toe, rukte haar de brief uit de hand en gaf hem aan zijn vriend.
- Ziedaar, zo sprak hij, de opdracht is vervuld! Hij is uw broeder, Orestes!
Iphigineia’s eerste reactie was er een van wantrouwen. Maar toen Orestes haar allerlei bijzonderheden vertelde over hoe de vertrekken van het paleis van Mykene er uitzagen, waar ze samen waren opgegroeid, verzwond haar ongeloof en een immense vreugde doorzinderde haar lichaam. Broer en zus hadden elkaar teruggevonden. Ze vielen in elkaars armen. Tranen van geluk stroomden rijkelijk. Maar hoe lang zou dit geluk duren? De slachtbank stond reeds klaar…
< tekening van Heinrich Fuessli (onderaan vergroot weergegeven)
Gevolg gevend aan de opdracht van Apollo, begaf Orestes zich, vergezeld van zijn trouwe vriend Pylades, en nog steeds opgejaagd door de Erinyen, naar de stad van de godin Athena. Deze had alle eerbiedwaardige en rechtschapen Atheners bijeen geroepen, op de Areopagos, een heuvel niet ver van de Akropolis. Deze heuvel was gewijd aan de oorlogsgod Ares en dankt daaraan zijn naam. Hier zou in alle eerlijkheid rechtgesproken worden over Orestes. De godin wachtte de beschuldigde op aan de poorten van de stad en ze leidde hem naar de heuvel, alwaar zij de rechtbank zou voorzitten. Het waren de Erinyen, de Wraakgodinnen, die de rol van aanklager op zich namen. De beschuldiging luidde “moedermoord”, een onverzoenlijke daad, waarvoor zij de zwaarst mogelijke straf eisten. Apollo zelf nam de verdediging op zich: Orestes had gehandeld zoals de goden hem via het orakel hadden ingegeven! De god eiste de vrijspraak. Orestes zelf verklaarde dat hij tijdens zijn daad niet de bedoeling had gehad zijn moeder te doden, doch enkel de moordenaars van zijn vader…
Athena deelde toen steentjes uit aan de juryleden. Aan ieder jurylid een wit steentje en een zwart. Wie Orestes schuldig oordeelde aan moedermoord diende zijn zwart steentje in een urne te werpen. Wie daarentegen van Orestes’ onschuld overtuigd was, deponeerde het wit steentje. Bij het tellen van de steentjes bleken er precies evenveel witte als zwarte in de urne te zitten. Athena besloot dan maar, als voorzitster van de rechtbank, zelf de knoop door te hakken, zoals dat heden ten dage nog steeds gebeurt bij de zogenaamde “staking van stemmen”. Zij besliste tot de vrijspraak. De Erinyen voelden zich door deze uitspraak diep beledigd. Ze vervloekten de stad en dreigden haar inwoners te treffen met hun wraak. Toen kwam Apollo tussenbeide. Hij beloofde hun een heiligdom in de stad. Daar konden de Erinyen mee leven. Ze kregen een tempel op de Akropolis en waren voortaan de stad gunstig gezind en ze kregen de naam “Eumenides”, de welwillenden.
Gezuiverd en als vrij man verliet Orestes, met Pylades, de stad Athene. Hij begaf zich nu nogmaals naar Delfi om Apollo te danken in zijn tempel. Daar wachtte hem evenwel nog een opdracht. Ziehier hoe de priesteres van Apollo tot hem sprak:
- Het is de wil van de god dat gij u begeeft naar Tauris, het schiereiland aan de Zwarte Zee. Daar wordt de godin Artemis, Apollo’s tweelingzuster, vereerd. In een tempel, aan haar gewijd, staat een beeld van de godin. Dat beeld stond eertijds in Griekenland. Op een raadselachtige wijze is het in Tauris terechtgekomen. Daarheen, door toedoen van Artemis, is ook uw zuster Iphigineia gegaan, toen uw vader haar door een uitspraak van het orakel diende te offeren (zie verhaal nr. 82). Daar werkt ze nu als priesteres in dienst van de godin. Gruwelijk is de taak die daar op haar schouders rust. De Tauriërs hebben de gewoonte alle vreemdelingen die hun land betreden, te offeren aan Artemis. Ze worden door sterke mannen gegrepen, naar de slachtbank gesleurd en dan door Iphigineia eigenhandig gedood met het zwaard. Nu zeg ik u wat u te doen staat: begeef u naar Tauris, dring binnen in de tempel, bemachtig het beeld van de godin en breng het terug naar Griekenland!
Orestes en Pylades begaven zich meteen weer op weg.
Orestes, Elektra en Pylades begaven zich nu naar het koninklijk paleis. Klutaimnestra, die zich alleen in het paleis bevond, schrok toen ze Elektra zag in het gezelschap van de twee jongemannen. Vastberaden grepen dezen haar beet en sleurden haar naar de badkamer, waar Agamemnon de dood had gevonden door de hand van zijn echtgenote en haar minnaar. Haar hulpgeroep en smeekbeden waren tevergeefs: zonder mededogen plantte Orestes zijn zwaard in zijn moeders hart…
Niet veel later verscheen Aigistos in het paleis. Het nieuws van Orestes’ dood was hem ter ore gekomen en daarom was hij vroeger dan gepland huiswaarts gekeerd, ongeduldig als hij was om bevestiging te krijgen van de “blijde tijding”. De eerste persoon die hij ontmoette was Elektra.
- Is het waar wat men mij onderweg verteld heeft, dat uw broeder Orestes gestorven is?
- Het is helaas waar, antwoordde Elektra met terneergeslagen blik en een bibberende stem. Zopas hebben twee boden uit Phokis zijn lijk hier binnen gebracht.
- Toon mij snel in welke kamer het lijk zich bevindt, sprak Aigistos, zodat ik mij ervan kan vergewissendat gij de waarheid spreekt.
Elektra nam hem mee naar de badkamer, alwaar het dode lichaam van Klutaimnestra nog rustte. Orestes en Pylades hadden het bedekt met een wit laken.
- Onder dit laken bevindt zich het ontzielde lichaam van mijn geliefde broeder voor wie gij zo beducht waart, sprak Elektra nu heel plechtig. Neem zelf het laken weg en ge zult zien dat ik de waarheid spreek.
Gretig greep Aigistos het laken en wat hij zag, vervulde hem met afgrijzen. Toen hij Orestes’ zwaard op hem zag afkomen, wist hij dat ook voor hem het einde gekomen was. Twee stoten van het zwaard maakten een einde aan zijn leven…
Nu Orestes ten tweede male had toegeslagenkwam er een waas voor zijn ogen en hij zag grijnzende, afschuwelijke gedaanten op zich afkomen. Het waren de Erinyen of wraakgodinnen: oude vrouwen met lange,scherpe tanden en klauwen. Doorheen hun haren waren slangen gevlochten met opengesperde muilen. Ze droegen lansen waarrond eveneens kwaadaardige slangen zich kronkelden. De Erinyen waren in feite dochters van Ouranos. Ze waren ontstaan nadat dezedoor zijn zoon Kronos was ontmand (zie verhaal nr. 1). Uit de bloeddruppels die op de aarde terechtkwamen, dit isin de schoot van moeder Gaia, was het dat deze afzichtelijke wrekende wezens ontstonden. Terloops weze hier vermeld dat uit dat bloed van Ouranos ook nog de Giganten ontstonden, een geslacht van reuzen.
Gegrepen door een panische angst,rende Orestes naar buiten, in een poging om de kwelgeesten te ontvluchten. Maar waar hij zich ook wendde, de wraakgodinnen lieten hem niet met rust. Tenslotte besefte hij dat Apollo zijn enige redding betekende. Samen met Pylades begaf hij zich naar Delfi, naar het heiligdom van de god. De Erinyen bleven hem achtervolgen tot aan de poorten van Apollo’s tempel, maar de tempel zelf durfden zij niet betreden. Ziehier hoe de god tot hem sprak:
- In eer en geweten hebt gij gehandeld, Orestes. Begeef u van hier naar Athene, de heilige stad van mijn zuster. Daar zal een rechtvaardig oordeel over u geveld worden.
< Orestes en Pylades (fresco uit Pompei, in het Nationaal Museum van Napels) onderaan vergroot weergegeven
Jaren waren voorbijgegaan. Op een dag meldde een bode uit Phokis zich aan bij het koninklijk paleis van Mykene. Aigistos was afwezig en Klutaimnestra aanhoorde ’s mans droevige boodschap:
- Uw zoon Orestes is dood. Tijdens de heilige Spelen in Delfi, ter ere van Apollo, is Orestes van zijn renwagen gestort met het fatale gevolg.
Voor Klutaimnestra was dit allerminst een droevige boodschap. Ze slaagde er zelfs niet in haar blijdschap te verhullen, ook niet toen ze dit meldde aan haar dochters.
Voor Elektra was het alsof haar wereld instortte. Haar geliefde broer, op wie ze al haar hoop had gesteld om de laffe moord op haar vader Agamemnon te wreken, was dood! In haar wanhoop nam ze echter een kloek besluit: zelf zou zij de wrekende daad ten uitvoer brengen, eigenhandig en alleen. Op de hulp van haar jongere zus hoefde ze niet te rekenen: die was uit ander hout gesneden.
Vastberaden begaf Elektra zich naar het graf van Agamemnon. Ze legde er een bos bloemen neer en terzelfdertijd zwoer ze dat zijn dood niet ongewroken zou blijven. Ondertussen waren twee jongemannen tot het graf genaderd. Eén van hen droeg in zijn handen een urne. Ze begroetten Elektra en ze stelden zich voor als gezanten van Strophios, koning van Phokis. Of zij behoorde tot de naaste familie van Agamemnon?
- Ik ben Agamemnons oudste dochter, Elektra.
- Dan hebben wij slecht nieuws voor u. Uw broeder Orestes is helaas niet meer. Zijn as bevindt zich in deze urne. Ons werd opgedragen dit stoffelijk overschot te brengen naar het graf van Agamemnon.
- Het is dan toch waar, weeklaagde Elektra. Ik had dit rampzalig nieuws reeds vernomen. Even had ik gehoopt dat het bericht dat mij ter ore was gekomen, vals en leugenachtig was. Maar het is dus toch de wrede waarheid. O, mijn geliefde vader, dat àl die rampen ons moeten overkomen!
Gelijk een hoopje ellende zonk ze neer op het graf. Een hartverscheurend toneel. Eén van de mannen kwam nu dicht bij haar, boog zich voorover en sprak:
- Het is niet waar! Uw broeder Orestes leeft! Deze urne is leeg: kijk maar!
Hij gooide de urne aan stukken op de grond.
- Waar is mijn broeder dan? vroeg zij met stokkende stem.
- Hij staat voor u! Ikzelf ben Orestes, uw broeder!
Als aan de grond genageld staarde ze hem aan, vol ongeloof.
- Mocht gij aan mijn woorden twijfelen: zie dit litteken op mijn rechterarm, als bewijs.
Snikkend vielen broer en zuster elkaar in de armen. De andere jongeman, die Pylades was, aanschouwde dit ontroerend tafereel van op enige afstand: zijn hart ontbrandde in liefde voor die knappe dappere Elektra.
Ze vroeg waartoe al die komedie nodig was geweest. Om beter het plan te kunnen voorbereiden, het plan van de wraak! Heden nog zou het gebeuren: broer en zus zouden de handen in elkaar slaan en samen de moord op hun vader wreken!...
Uit dit boek (Grijslokes Olympiade, 1997, pag. 111) komt de foto bij verhaal nr. 122. Door twee leden van “Loopclub Grijsloke”(Trui Declercq en Johan Dhaenens) wordt de moord uitgebeeld, door Klutaimnestra gepleegd op haar echtgenoot Agamemnon. Deze scène werd gespeeld tijdens de historische “mythologische reis van Loopclub Grijsloke” in 1994, in de burcht van Mykene, op de plaats waar zich de badkamer bevond, alwaar de moord écht heeft plaatsgevonden.
Wie stuurt een tekening? i.v.m. één van deze mythologische verhalen... ... naar kris.vansteenbrugge@skynet.be De mooiste worden gepubliceerd. Vermeld je naam en die van je school+klas.