Ik dacht dat ik droomde, toen ze mij het verhaal vertelde, maar ik had het mis: alles wat ze vertelde zou wel eens kunnen kloppen. Luistert goed.
Dezer dagen loopt er op die natuurzender op TV een docu over vulkanologie. Een vrouwelijke geologe heeft namelijk een nieuwe theorie gelanceerd, welke zegt dat lava niet uit het binnenste van de aarde komt, maar gewoon uit de oppervlakkige lagen. De zogenaamde 'tektonische platen' waaruit de aardkorst bestaat, schuren voortdurend tegen elkander en dat veroorzaakt een enorme druk, een enorme hitte ook, die het gesteente doet smelten. Dat gesmolten gesteente — lava dus — spuit er hier en daar uit, en zo zien wij onze vulkanen aan het werk.
Zoals gezegd, geloven geologen of aardbodemkundigen dat lava uit het binnenste van de aarde komt. Op grond van de analyse van lava, denken zij te weten waaruit de kern van de aarde samengesteld is, en hoe het er daar 'uitziet'. Maar als de dame van de documentaire het bij het rechte eind heeft, slaan de geologen die bal sinds oudsher dus flink mis.
Het zou dan best kunnen dat de tekeningetjes van de aardkern, die wij zelfs in kinderboeken kunnen terugvinden, larie en apekool zijn. Is de aardkern een hete lavabrij met in het centrum een metalen bol ingevolge een bijzonder hoge druk? Voor hetzelfde geld kan men straks wetenschappelijk beweren dat het centrum van de aarde hol is, koel en droog, en dat daar mensen wonen: een soort mollenmensen.
En waar zouden die dan vandaan moeten komen? — zo zal men zich warempel afvragen, en terecht. Maar ook hierop zal de nieuwe wetenschap wel antwoorden weten te geven. Gelooft de mens sinds oudsher immers niet dat er na dit leven nog een leven komt? Een ietwat vager, mistiger en donkerder bestaan, maar toch.
Mythen en sagen uit veel oudere culturen gewagen van de Hades, wat wil zeggen: de onderwereld. Na de dood, zo beweren zij, wordt de mens naar de Hades gebracht. Hij moet een tocht maken over de Styx — een onderaardse rivier — waarbij hij geholpen wordt door een veerman met zijn vlot, en zo komt hij tenslotte in die onderwereld terecht. De grote dichter Dante zou indertijd de onderwereld hebben bezocht, en hij zou er ook zijn uit teruggekeerd. Volgens zijn verslag krijgt men er toegang toe via een holte in de aarde, gelegen ergens in een duister woud. Maar ik heb nog een ander verslag gehoord, en wel uit de eerste hand...
Ik had een huis gebouwd met daarin een diepe kelder. Niet voor de opslag van de wijn, zoals sommigen zullen denken, maar voor de koelte. Het klimaat verandert snel, en wanneer we straks temperaturen van veertig graden en meer krijgen in de zomer, en misschien ook in de winter, moeten we ergens heen kunnen, om af te koelen. En, oordeel zelf: wat kan er nu meer koelte bieden dan een diepe kelder?
Het huis was af, en dus ook de kelder en, al was het nog steeds niet stikkend warm, ik wilde dan toch al eens van mijn kelder gaan genieten, en dus daalde ik erin af, langs de ontelbare trappen, op het ritme van de echo van mijn stappen, tot helemaal beneden. Ik had een kaars meegenomen, en ook een bril, want het is uiteraard altijd donker op die plaatsen waar geen licht bij kan! Ook een stoel had ik meegenomen, en een krant, alsook één enkele fles met oude wijn. Kwestie van de tijd te doden, want ik was van plan er een etmaal te verblijven, en dit teneinde aan de lijve te kunnen ervaren hoe het er was en waarmee rekening diende gehouden te worden bij het in orde maken van die bijzondere plaats tegen de tijd van de verschroeiende zomers.
Ik weet niet hoelang ik daar al verbleef, want de tijd lijkt wel stil te staan als er helemaal geen geluiden zijn behalve deze die men zelf maakt, maar ik herinner mij dat ik tenminste gedurende enkele ogenblikken moet ingedut geweest zijn, toen een geluid dat ik niet zelf had voortgebracht, mij plotseling wekte.
Eerst dacht ik dat iemand anders — al zou ik echt niet weten wie — de trappen afdaalde en in mijn richting kwam, maar ik had het mis: de geluiden, niettemin ze weergalmden in de hoge gewelven, kwamen niet uit de richting van de trappen. Ik moest eventjes zoeken, nam dus mijn kaars, liep wat in het rond, en dan merkte ik het, tot mijn afgrijzen, wat er aan de hand was.
De vloer van mijn kelder bewoog lichtjes. De tegels kwamen los te zitten, ze gingen op en neer, alsof daar een mol aan het werk was. Ik schrok uiteraard maar, in de overtuiging dat ik het onschuldige en blinde diertje weldra kon begroeten, boog ik mij over de plek in kwestie, en sloeg de bewegingen gade — van niet te dicht ook, om de werkzaamheden niet te verstoren en de bezoeker niet op te schrikken.
Enkele tegels werden gewoon losgeslagen, klapten op en kantelden opzij. Daaronder bolde de aarde op, echt zoals dat waarneembaar is in de tuin waar een mol aan het werk is. Maar dit moest wel een bijzonder groot en krachtig exemplaar zijn, zo bedacht ik na enkele ogenblikken, gezien de hoeveelheid aarde die hier eensklaps werd omgewoeld.
Nog steeds in de overtuiging dat er niets kon zijn om angst voor te hebben, ging ik dan toch enkele passen achteruit — zoals ik zei: om het dier niet weg te jagen als het opdook — ik zette mijn kaars op de vloer en plaatste er de krant voor, zodat ook de vlam niet voor verschrikkingen kon zorgen. Maar wat zag mijn oog? Een hand!
Uit de vloer van mijn diepe kelder stak plotseling een hand uit. Ze was vies en vuil, zwart van de aarde, en tastte in de leegte van de kelderruimte rond, en dan over de vloer. Vervolgens werden ook een voorarm zichtbaar en een mouw. Kleuren waren uiteraard niet te onderscheiden, omwille van de duisternis en ook omwille van de aarde waarmee het tentakel in kwestie was besmeurd. En dan, eensklaps, was daar een tweede hand, een tweede arm ook, en plots... een hoofd!
De handen wreven in de ogen, die lichtten op, de mond opende zich en het... 'wezen', zal ik maar zeggen, keek mij aan en riep mij onverhoeds toe vanuit een quasi tandenloze mond:
"Maar blijf daar niet zo werkeloos zitten! Kom naar hier en help mij een handje! Ziet ge dan niet dat ik aan het sukkelen ben! Of zit ge daar te slapen misschien!"
Het gevoel van ontzetting en verbazing dat zich van mij meester had gemaakt, week wonder boven wonder voor het plicht- en schuldgevoel dat deze woorden ineens in mij teweeg brachten. De verontwaardigde toon van het bevel zal daar ook wel voor iets tussen gezeten hebben... maar ik haastte mij dus naar het... 'gat', zal ik maar zeggen, en na een kortstondige aarzeling greep ik met de beide handen, de... 'handen', zal ik maar zeggen, van het wezen vast, en trok eraan uit alle macht.
Een mengeling van tegenstrijdige gevoelens en gedachten volgde daarop, zoals elkeen wel zal begrijpen, en ik ben er nog niet helemaal uit, en kan dus ook nog niet alles op een rijtje zetten en het rustig gaan vertellen... Laat ik dus volstaan met een poging tot een beknopte weergave van de dingen...
Het wezen dat aldus uit de aarde was gekomen, was inderdaad een mens — het was meer bepaald een vrouw; een vrouw van jaren al. Ik bood haar de stoel aan, want zij was buiten adem van het klimmen, of moet ik zeggen van het 'wroeten'... zij was zowaar een echte wroetvrouw... en ik gaf haar ook te drinken van de fles met wijn, wat zij niet afsloeg. Omdat zij wees naar het gat waaruit zij opgeklommen was, ging ik dat dus eventjes van naderbij bekijken, terwijl zij, intussen languit op de stoel gezeten zoals iemand die pas een heel eind hard gelopen heeft, zuchtend dronk.
Het gat leek wel een tunnel, en ik meende iets te zien van licht, daar beneden, al ben ik niet heel zeker, want heel lang durfde ik mijn ogen niet de kost te geven, het leek mij te riskant. Daarna vertelde het besje mij dat "zij wel allen zouden volgen", en haar woorden verontrustten me in die mate dat ik niet naar hun betekenis durfde te vragen. Haar verhaal was wat onsamenhangend, en het ging ongeveer als volgt.
Zij was gestorven in achttienhondervijfentwintig, zo vertelde ze, en ook deed ze een hele familiehistorie uit de doeken, die ik de lezer hier bespaar. Maar zij was dus gestorven en begraven op het 'karkhof' — zij zegde dus 'karkhof' maar uiteraard bedoelde zij 'kerkhof' — zoals iedereen — althans in die tijd — begraven werd. Na de dood en de begrafenis, zo vertelde zij, kwam ze tot de ontdekking dat het nog niet gedaan was. De manier waarop ze mij dat zegde, imponeerde mij, maar ik kan het nu niet herhalen want ik ben nog te verward, zoals u vast en zeker zult begrijpen. Alvast werd het mij duidelijk hoe geschrokken zij wel moet geweest zijn toen zij dus abrupt moet zijn gewekt uit de waan van de eeuwige rust waarnaar zij zo te horen steeds vurig had verlangd. Zij werd daaruit gewekt door een 'gewroet', jawel, van iemand die haar ergens van onderuit 'wekte' en haar aanspoorde om mee 'af te dalen'. Af te dalen naar nog dieper dan het graf dus.
Ze beschreef mij de verwondering waarmee zij vaststelde dat zij de ander volgde naar 'beneden'... en aldus uiteindelijk terecht kwam in wat zij ook de 'onderwereld' placht te noemen.
"Het is niet zoals men het zich misschien zou voorstellen", zo ging zij verder, haastig pratend alsof haar tijd alsnog beperkt was: "Het is ook hol daar, daar beneden, ja, hol is het daar, en groot", zo zei ze, en haar ogen draaiden rond terwijl ze aldus sprak, ze tolden rond...
Ik werd er zelf draaierig van. De beschrijvingen kan ik nu niet weergeven, dat is voor een andere keer, als de rust zal weergekeerd zijn. Maar hoe het afliep, in mijn kelder, dat wil ik wel nog kwijt.
Toen zij dus haar verhaal gedaan had, en de flas wijn — zij zegde 'flas', maar uiteraard bedoelde zij 'fles', telkenmale ze mij toeriep: "geef mij die flas nog eens"... — toen dus de fles tot op de bodem leeg was, en de kaars nog slechts een stompje, hielp ik haar gedwee weer in het gat. Zij zegde geen gedag, alsof haar weggaan helemaal niet definitief was, en misschien was het dat ook niet, want had zij niet iets verteld van een “terugkeer met zijn allen”? Hoe dan ook, ik hielp haar in het gat en heb daarna, volgens haar eigen instructies en op haar herhaaldelijke aandringen, de aarde heel goed aangestampt, de tegels op hun plaats gelegd en de voegen tussen de tegels mooi gevuld, zodat van haar bezoek wel niets meer zou te merken zijn voor al wie deze kelder ooit betreden. Vertellen zou ik niet aan anderen wat hier gebeurd is in dit ene uur waarop de tijd wel stille leek te staan omdat het zo stil was dat alleen de eigen geluiden konden worden gehoord en verder niets meer. Neen, ik zou het aan geen mens vertellen, op tijd en stond zal men het allemaal wel zien, hoe de zaken lopen, hier op aarde: op de korst, en ook daaronder, waar dus een hele wereld, een onderwereld schuilgaat, die op de dag des oordeels weer naar boven komen zal. Uitgerekend op de dag dat alle mensen diepe kelders graven zullen om daarin weg te kruipen en zo te ontkomen aan de hitte van de zon.
2. De toren
Mijn nieuwe huis was nog niet helemaal ingericht, maar toch al comfortabel genoeg om in te wonen. Het was een bakstenen huis, een huis met ruwe bakstenen en hoge muren, voorzien ook van een torentje, en in dat torentje had ik voorlopig een kleine slaapkamer ingericht voor mezelf. Omdat er geen lift was, alleen trappen, diende ik elke avond weer de talloze verdiepingen op eigen kracht naar boven te klauteren vooraleer ik me kon te rusten leggen. Maar die dagelijkse inspanningen welke ik bij voorkeur leverde bij het zakken van de rode zon, bleven niet onbeloond. In het slaapvertrekje, onder de pannen, waren vier schietgaten voorzien — voor elke windstreek één. Deze waren vooralsnog niet beglaasd, zodat het daar een weinig tochtte, maar dat deerde mij niet in het minst, daar het zomer was, en de nachten mild waren, en soms zelfs zwoel.
Wie ooit een torentje in de zomer heeft bewoond, of er tenminste heeft geslapen, zal weten dat, op de een of andere manier, de geuren van de bloemen des velds des avonds opklimmen langs de muren, om dan samen te komen op het hoogste punt dat zij bereiken kunnen. Het moet een natuurwet zijn die daar voor zorgt, zoals het ook een wet is die maakt dat confituur- en honingpotten, na de oogst en de bereiding, op mooie rijtjes op de schappen van een keukenkast geplaatst, niettemin zij bij het deksel heel vakkundig afgesloten werden, klef worden aan de bodem, zodat men zich genoopt weet om regelmatig de kast te reinigen van de suikerige brij die deze wintervoorraad telkenjare nalaat als bij testament. Maar wij weten weinig af van deze en nog vele andere wetten, totdat we dan bijvoorbeeld eens het voorrecht genieten mogen om de nacht in zo'n torentje door te brengen.
De verrukkelijke bloemengeuren kwamen mij al op de trappen tegemoet, en tegen de tijd dat ik helemaal boven was, hadden ze mij zo dronken gemaakt, dat ik van geluk sprak daar geen grote ramen te hebben gepland, doch schietgaten, zo smal dat zelfs de zatste mens ter wereld er niet doorheen kon vallen. Maar misschien ook was ik gewoon dronken van de trappen, die immers wenteltrappen waren, zoals elkeen, ongeacht of die ooit een torentje heeft beklommen, wel zal verstaan.
Een brandtrap, ja, die was er ook: die is immers verplichtend vanwege de verzekeringspolis, zoals men weet, en de brandtrap van dit torentje, dat in de polis als het ware aanspraak maakte op een eigen paragraaf, liep, zoals men dat meteen kan raden en begrijpen, eveneens wentelend en in spiraalvorm langs de buitengevel van de toren. Naar omhoog, of naar beneden — naar gelang men het bekijkt.
De bloemen die, zoals men weet, hun eigen geuren volgen — en überhaupt seringen doen dat — waren na weinige dagen aldus mede langs de 'buitentrap' — zoals ik de brandtrap maar liever noem — naar de spits van de toren toe geklommen. Niettemin zij in geen tijd de treden van de trap geheel omwonden hadden en zij aldus een gevaar vormden in geval van nood, kortwiekte ik ze niet, en ik hoefde zulks ook niet te doen, aangezien de paragraaf waarvan hoger sprake, dit detail volstrekt over het hoofd had willen zien. De buitentrap voldeed aan alle eisen, en over mogelijke begroeiingen door seringen die een vluchtweg naar beneden fel konden bemoeilijken, werd met geen woord gerept.
Ik moet ook nog vermelden dat ik nooit alleen was in mijn torentje — of moet ik het mijn 'slaapvertrek' noemen — aangezien in de nokken van het dak, en dus onder de zware pannen, in de spits van het torentje zelf, een grote, witte uil zijn intrek had genomen. Ik dorst niet te kijken of hij aldaar een nest aan 't bouwen was en ook had ik nog geen kennis van zijn gebeurlijke gade, maar dit terdege inspecteren deed ik niet teneinde mijn uitgelezen gezelschap in die eenzame en hoge top niet te verjagen. Bovendien paste de uil bij de bril die ik altijd bij me had, en vanzelfsprekend bij de kaars, niettemin de tocht telkens weer verhinderde dat zij langer dan enkele ogenblikken kon blijven branden. Maar aangezien men gewoonlijk slaapt met de ogen dicht, viel deze geringe tekortkoming allerminst als een belemmering van het comfort te catalogeren.
Het was juni, een warme juninacht was het, en de hele omgeving was die avond in een ietwat bevreemdende stilte gehuld geweest, alsof door de dieren in de wijde omtrek, die gewoonlijk allerlei geluiden maakten, een maansverduistering werd verwacht, ofwel een zeldzame stand der sterren, een komeet of nog een ander natuurverschijnsel waarvoor het menselijk oog in de loop van zijn beschaving volkomen blind geworden was. Zoals gewoonlijk kwam ik ook die avond helemaal dronken in mijn torentje aan, ik keek nog een keer, beurtelings, door elk van de vier schietgaten, die eigenlijk vooralsnog windgaten waren, liet mij dan vallen in het stro, en verdween in een diepe, of moet ik zeggen: in een hoge slaap.
Het was mijn uil die mij wekte, midden in de nacht. Het bijna geruisloze klappen van zijn enorme vleugels, deed mij de ogen opslaan en nog zag ik zijn silhouet tegen een windgat afsteken en hem dan koers zetten, de diepblauwe nachtelijke hemel in, met een herhaalde roep die stilaan wegstierf over de, zoals ik bij het opstaan merkte, volkomen met een witte nevel overdekte velden, diep beneden.
Kort daarna merkte ik ook wat er gaande was. Immers, een gehoor dat in nachtelijke stilten heel ver speuren kan, vooral wanneer het zich op torenhoge hoogten bevindt, daar de geluiden net zoals de geuren immer klimmen, viel ook mij te beurt, en zo werd ik het ritmische zuchten gewaar van een wezen dat — ik zweer dat mijn oren mijn niet bedrogen — omheen de toren leek te zweven.
Nu eens aan de noordelijke kant, hoorde ik het, en dan weer in het zuiden, en ik verplaatste mij van gat naar gat om alles goed te kunnen volgen. Ik wist dat ik mij niet vergiste: de geluiden, klaarblijkelijk op de cadans van vermoeide stappen, kwamen heel gauw naderbij. En ja, dat moet ik nog vertellen: dat er in het torenkamertje een deurtje was, uiteraard: hoe anders kon men in geval van nood de buitentrap bereiken! Een eikenhouten deurtje was het, dat niet hoger dan tot de heupen kwam, en met een klink alleen maar aan de binnenkant, wat ook volkomen met de bedoeling ervan strookte. Weliswaar, ik opende het deurtje nooit, omdat het aanzicht van de diepten zelfs aan onverschrokken lieden de kriebels zou bezorgen. Het poortje gaf uit op de wenteltrap die zich langs de gevel om het torentje slingerde, en wat ik ook nog niet vertelde: die wenteltrap was eigenlijk bijzonder smal, niet breder dan de heupen van een mens, en verstoken ook van leuning en van balustrade.
Iemand begaf zich langs de buitentrap mijn torentje naar boven: mijn nauwkeurige en angstvallige observaties lieten mij niet de keuze om een andere dan deze conclusie te trekken. En weldra hoorde ik de zuchten heel dichtbij, aan de noordelijke kant, en dan in het oosten, aan de zuidkant, in het westen... Ik kromp ineen, telde mee de stappen die het deurtje naderden, en telde dan de zeven harde en opdringerige slagen van ongetwijfeld bikkelharde kneukels tegen het eikenhout van het torenpoortje dat nooit openging.
Ik bedacht hoe gevaarlijk het wel was om daar te staan, hoe glad ook met al die seringen die nu tot helemaal boven reikten en hoe vervaard een wezen wel moest zijn om deze tocht te maken, ongetwijfeld volslagen dronken van de bloemengeur. Medelijden overwon mijn angst, en ik greep naar de deurklink, maakte het slot open, trok het deurtje tot op een kier, en zag toen de met een bloemenweelde overdekte vrouw...
Ik opende het deurtje en zij dook terstond naar binnen, met de walmen die haar begeleidden. Snel sloot ik het deurtje, graaide naar de kaars, de lucifers, en maakte licht.
Zij zeeg zuchtend neerwaarts op de plankenvloer:
"Kent ge mij niet meer misschien?", zo bracht zij er onverwijld en wat verwijtend uit, en aan haar stem wist ik onmiddellijk wie zij was — geen twijfel mogelijk — en mijn bloed stolde in mijn keel. Mijn laatste greintje hoop dat ik mij nu wel vergissen zou, verdween in 't niets toen zij aan haar vraag meteen een mij welbekend 'bevel' toevoegde:
"Geef mij eerst eens die flas wijn! Vooruit, want ik heb grote dorst!"
3. Het nachtelijk gesprek
Natuurlijk had ik wijn, daar: een grote kartonnen Aldi-krat had ik er heen gesjouwd, om de dorst te lessen na het klimmen, alsook twee bekertjes van puur kristal. Niet dat ik twee monden hebben zou, maar een mens weet maar nooit waar zoiets goed voor zijn kan. Ik durf te wedden dat zelfs de woestijnvaders indertijd twee bekertjes met zich droegen, want gasten zijn er overal, genood of ongenood, en wie kan beweren dat hij nooit dorst heeft? Wie kan een dorstige te drinken weigeren? Zelfs wie na ontelbare verkrachtingen en moorden het schavot beklimmen moet, mag nog eens drinken, ja, die krijgt zelfs een heel galgenmaal.
Gulzig verzwolg zij de ene beker na de andere van het druivensap, en al die tijd praatte zij niet, doch zuchtte zij enkel tussen de slokken door, zoals een zomers kind dat, in de hitte moe gespeeld, naar binnen in de koelte komt gelopen en dan aan het drinken gaat: water, glas na glas, met niet ingehouden keelgeluiden die de opperste deugd van het zich laven luidruchtig beamen.
Intussen keek ik wat angstig door de gaten in de diepten. Wat verlaten voelde ik mij, nu mijn witte uil het hazenpad gekozen had en onverwijld de nacht was ingedoken. Ik hoorde hem niet roepen in de verten, en ook alle dieren bleven in de wijde omtrek stil. Alleen de krekels en de torren schuurden met hun flinterdunne schilden tegen elkander en vulden op die vele duizenden eeuwen oude en bijzonder kunstzinnige wijze, de beker van de nacht met het meest nostalgische van alle liederen dat, niettemin elk schepsel het van bij zijn geboorte tot aan zijn stervensuur kan horen, gewoonlijk slechts het onderbewuste beroert: alleen op die schaarse eenzame momenten dringt het door tot het wakkere oor en horen wij dit lied als was het voor het eerst, en verstillen we erbij, en denken we vol weemoed aan die ontelbare kleine en onschuldige wezentjes die wij gewoon zijn te vertrappelen, maar die in alle bescheidenheid in feite de fundamenten leggen en in stand houden van onze zielen zelf. Zij begeleiden ons, en troosten, ook als alle hoop vergaan is en als het allang niet meer redelijk is om van iemand nog enige troost te verwachten.
"Dank u", sprak zij plots, haast fluisterend, en het schijnsel van de vlam van de kaars lag nu op haar met strepen aarde overdekt gezicht. Zij was nog steeds omkranst met het welig bebloemde lover en zij geleek op een godin uit lang verzwonden epen. Zij glimlachte warempel en haar donkergele, haast goudkleurige tanden glansden in de nu zachtjes doorheen de schietgaten in mijn torenkamertje naar binnen sijpelende nacht. Zij had mij bij de glimlach eventjes aangekeken met haar diepe ogen die wellicht de klaarte van de dag niet meer verdragen konden en die, gerust gesteld door deze grote duisternis die alles overheerste, een moment oplichtten.
Ik besloot te wachten tot zij rustig was en overwoog bij mezelf of ik haar zou vragen wat zij dan zoeken kwam, maar tegelijk bedacht ik dat ik dit in feite moeilijk vragen kon, want het betekende zoveel als het voorzichtige verzoek om zich terug te trekken, om dus terug te kruipen in dat gat, daar in die diepe kelder, terwijl ik het tenslotte wellicht was geweest die haar gewekt had uit haar slaap van eeuwen. Mensen staan er niet bij stil, maar er zijn meer werelden, boven en onder de aarde: wij reppen er nooit van, alsof zij inderdaad ook niet bestonden, en in alle ijver voeden wij ook de gedachte dat zij niet bestaan, tenzij in sprookjes, vertellingen en sagen. Angstvallig voorkomen wij dat zij ooit ons pad zullen kruisen, en wij doen dit door ons te houden aan de niet geschreven regels die de orde dienen van het leven, het voor- en achter-leven inbegrepen, het leven op de aarde en dat van daarboven en daaronder. Daarom ook handelen wij zoals wij handelen: wij maken onze kelders niet te diep, en onze torens niet te hoog; wij houden maat in dat alles omdat wij de grenzen willen respecteren die vooraf gegeven zijn en waarbinnen meestal een sereen bestaan voor ons is weggelegd sinds het begin der tijden. Soms echter kan het wel gebeuren dat wij gulzig worden, of vreesachtig, terwijl wij nochtans weten dat deze ondeugden slechte gidsen op het pad des levens zijn: weg brengen zij ons van dat pad, en zo meteen zijn we vergleden in de diepten, worden wij door winden die als wenteltrappen naar de hemel draaien meegezogen over de wolkenschepen heen, of komen wij terecht in vreemde wateren welke slechts weinigen geheel doorzwemmen kunnen zonder van hun nat geheel doordrenkt te worden en te moeten druipen voor de rest van hun bestaan.
Ik bedacht dat ik mijn kelder inderdaad te diep gegraven had, dat ik dit beslist had moeten laten, maar nu er helemaal geen weg terug meer was, bleef mij geen andere uitweg meer dan de gevolgen van die betreurenswaardige vermetelheid met veel geduld te dragen. Ik keek het schepsel aan dat ik gewekt had uit haar diepe slaap, ik keek haar aan met nu bedeesde ogen, en ik begreep dat zij terug zou blijven komen, van heel onderaan mijn huis tot boven in mijn toren, en dan weer het gat in waaruit zij bij het vallen van de nacht weer op zou duiken. Kon ik plannen maken om de gangen van dit vreemde wezen eenmaal en voorgoed te fnuiken?
"Ik denk dat ik nu maar eens ga", sprak ze, na niets gezegd te hebben. Zij wankelde bij het opstaan, ik bood haar nog de binnentrap aan maar zij weigerde: met een ruk trok ze bij de klink het poortje open en zij dook naar buiten.
4. Intermezzo
Duiken is een sport die heel wat oefening vraagt. De meest edele tak van deze sport is wel het parelduiken. Ooit maakte een groot schrijver over een parelduiker een verhaal. Een parelduiker vist een grote parel op, en hij is op slag rijk. Edoch die rijkdom brengt hem geen geluk. Uiteindelijk duikt de parel weer het water in.
En zij, zij dook de diepten in waaruit zij was gekomen. Neen, vallen deed zij niet want behalve misschien een witte uil die onraad rook, waren er geen engelen te bekennen om haar op te vangen. Zij liep gezwind de trappen af, in snelheid, en ik keek haar door beurtelings elk van de vier schietgaten na, totdat zij een stip geworden was die verdween onder de nevels. De sterren blonken aan het firmament, de verten bleven stil en het werd fris nu, in mijn toren. Ik draaide de verwarming ietwat hoger.
Hemel, toren, firmament. Witte uil in stille verten. Hemel, toren, firmament. En uiteindelijk vond ik de slaap.
Wie ooit in een hoge toren heeft geslapen, weet dat dromen opklimmen uit het binnenste van de aarde. Geen lava zit daar en geen metalen bol: de aarde, zij is vanbinnen hol. Alle graven komen in die holte uit, waar wij verzamelen na het leven op de korst. Geen hel is daar en ook geen duivel: het midden van de aarde is gewoon een bel, een bel met lucht en hier en daar wat water. Langs de muren sijpelt het water in de grote holte van de aarde, en in het midden is een bron waaruit de dromen komen.
Fris was ik allerminst in de morgen die volgde op die nare nacht. Ik joeg mij door het trappenhuis naar helemaal beneden, wilde mijn diepe kelder daar gaan inspecteren, doch verloor op mijn traject een schakel uit mijn DNA, zodat ik ter bestemming kwam in de gedaante van een mol die zien en spreken kon. En hier eindigt het vierde deel van dit verhaal — zoals men zien kan: kort, en zonder al te veel omhaal.
5. Eenrichtingsverkeer
"Ge kunt er niet in", zei ze: "Ge moet eerst dood zijn, en neerliggen in een graf, dat is de enige weg. Hierlangs kunt ge er niet in!"
Ik onderbrak mijn geniepige poging, klauterde het gat weer uit, trok ook haar naar boven tot in mijn kelder, en klopte het zand wat van mijn kleren af. Onmiddellijk greep zij weer naar de fles, dit keer zonder ook maar iets te vragen, en ze zette de tuit ervan aan haar smalle lippen, sloeg het hoofd achterover, de fles ondersteboven, en liet de wijn door haar keelgaten stromen. Wij weten weliswaar dat een mens slechts één keelgat heeft, edoch de huig bedriegt het zicht en het is licht gezegd dat twee dan beter klinkt.
Toen ik haar een poos beteuterd aangekeken had, gaf zij een uitleg, of wat daarvoor moest doorgaan:
"Ge kunt er echt niet in op die manier", zo herhaalde ze belerend: "het is heus niet zo simpel als ge misschien denkt."
Ze wachtte blijkbaar op mijn vraag, en ik zei:
"Een gat is dan toch zeker wel een gat!? Gij komt eruit, ge kruipt erin... en ik, zo zegt ge, ik kan er niet geraken?! Dat begrijp ik niet, het spijt me..."
"Ge ziet het niet zoals het is", zo ging ze verder: "Dit is niet zomaar een gat, ook al heeft het er alle schijn van; maar gij zoudt beter moeten weten: schijn bedriegt, is dat niet zo?"
Ik stond sprakeloos.
Ze nam nog een slokje en ging door:
"Het is een soort van... eenrichtingsverkeer", zei ze, duidelijk ontevreden met haar eigen uitleg, en ik zag haar ogen zoeken naar een andere.
"Die gaten, bedoelt ge?", zo vroeg ik.
"Tja...", zo aarzelde zij, "die gaten niet zozeer... de weg, bedoel ik... ja, de weg."
Diep haalde zij adem, ik beluisterde het borrelend geluid dat uit haar longen opsteeg.
"Ge komt er alleen maar via het graf", herhaalde ze, "maar eens ge er zijt, is de doorgang vrij. In de beide richtingen. Begrijpt ge?"
Ik begreep het niet, doch knikte eens teneinde haar nu niet te onderbreken. Het leek mij immers dat wat zij nu vertellen zou, iets heel nieuw was, iets dat geen mens nog had gehoord.
"Vergelijk het met een vogel", zei ze, en ik zag dat zij nu een beeld gevonden had dat mij misschien kon helpen te verstaan wat zij bedoelde.
"De luchten zijn ontoegankelijk voor mensen, is het niet?"
Ze keek mij onderzoekend aan: "Om de luchten te kunnen betreden, wat wij gewoonlijk 'vliegen' noemen, moet ge eerst een vogel zijn. En eenmaal ge een vogel zijt, kunt ge ook vliegen. Maar niet alleen vliegen, ziet ge: een vogel kan nog altijd naar de begane grond terug, begrijpt ge?"
Ik knikte, want dit kon ik wel verstaan. En toen ze niets meer zei, lanceerde ik mijn vraag:
"Bedoelt ge nu dat de doden, als het hen belieft, kunnen terugkeren naar..."
"De korst!", zo vervolledigde ze mijn zin. "Dat hebt ge goed gesnopen!"
Haar vergelijking had ik misschien wel gesnopen, maar nog steeds begreep ik niet waar het allemaal op sloeg. Zij merkte dat blijkbaar en daarom ging zij met haar uitleg door.
"Neem bijvoorbeeld water", zei ze: "water vloeit altijd naar beneden. Water kan niet opstijgen, nietwaar? Om op te kunnen stijgen, moet het eerst verdampen. Het water sterft dan, en gaat vervolgens op, als damp. Het kan weer regen worden, als dat zo uitkomt, maar dan kan het vanzelfsprekend wéér verdampen, ziet ge? De zaak is alleen dat de cyclus ooit een eerste keer moet zijn begonnen!"
"Neen, ik zie het niet", antwoordde ik.
"Het is nochtans eenvoudig", zei ze: "Kijk...", en weer greep ze naar de fles en nam een flinke slok.
"Om terug te kunnen keren naar de korst, moet ge eerst een keer gestorven zijn, één enkele keer, verstaat ge wel? Precies zoals dat water: water kan pas naar beneden komen als het eerst een eerste keer is opgestegen in de vorm van damp. Ja, pas dan kan het gaan regenen, en daarna kan het uiteraard weer verdampen, weer gaan regenen, en zo kan dat dan blijven duren. Maar dat lukt niet zonder die allereerste keer, ziet ge?"
"Is dat niet evident?", wierp ik op.
Ze spreidde nu een schaterlach tentoon en het goud van haar tanden deed mijn hele kelder oplichten: "Evident", herhaalde ze luidkeels, en dan nogmaals, maar dit keer haast fluisterend: "evident..."
Ze keek mij nu doordringend aan: "Ik weet wel hoe gij denkt", zei ze, en toen sloeg zij de blik neer en zij leek te verzinken in diepe gepeinzens.
Had ik iets verkeerd gezegd? Snapte ik het niet en had ik daarvan dan blijk gegeven? Ik deed een poging, terwijl zij wel afwezig leek, om wat zij gezegd had nogmaals door te denken.
Water kan pas terugkomen naar beneden als het eerst een keer is opgestegen in de vorm van damp. Ja, dat had ik heel goed verstaan. Verdampen is dan sterven, om het zo te zeggen. Eenmaal gestorven, kan men dus terugkeren... naar de korst. Om dan opnieuw te sterven en terug te keren. Maar zij maakte er nu een punt van dat dit proces, die cyclus eigenlijk, pas mogelijk wordt als men eerst een eerste keer verdampt, of dus gestorven is. Dit alles kwam mij voor als evident, maar het deed haar lachen toen ik dat zo zegde. Nu, wat betreft het water, leek het mij alvast evident dat dit eerst een eerste keer moest zijn verdampt vooraleer het in de vorm van regen terug kon komen, dan weer verdampen kon, weer regen worden en zo verder. Wat kon zij dan bedoelen?
Op dat moment keek zij weer op, en sprak:
"Het is evident, ja. Maar dat is de zaak niet, ziet ge. De zaak is dat ge dit pas evident gaat vinden als het eerst een eerste keer met u gebeurd is, verstaat ge dat? Zolang ge niet gestorven zijt, wéét ge immers niet dat ge, eenmaal dood, gewoon terug kunt komen."
Ik schrok.
"Ja, gij weet het nu natuurlijk wel, omdat ik het u gezegd heb... maar stel eens dat ik niets gezegd had: had ge mij dan niet gehouden voor een levende, zonder meer?" En zij lachte weer heel breed twee rijen grote, gele tanden bloot.
"Maar... gij komt uit de grond!", zei ik.
Ze liet me niet de gelegenheid om mijn zin af te maken en riep in protest:
"Ja, ja, natuurlijk, ik kom uit de grond, mijnheer! En zie mij hier nu staan! Maar dat is uw schuld, niet de mijne! Ik zou nooit zo hoog zijn gaan wroeten, indien gij niet zo'n diepe kelder had! Gij hebt veel en veel te diep gegraven! En geef nu niet de schuld aan mij!"
Ik wist meteen dat ik een gevoelige snaar had geraakt, en ik boog het hoofd, dorst niet meer op te kijken. Het was dus eigenlijk... een ongelukje: ik had niet hoeven te weten wat ik nu wel wist.
"Er is nu niets meer aan te doen", zei ze nu droog: "ge zult er moeten mee leren leven."
Ik keek haar aan, zij had iets dreigends in haar blik, en sprak:
"En denk nu maar niet dat ik u verder met rust zal laten, want dat zoudt gij wel willen, nietwaar? Dat ik terug kruip in dat gat, en er nooit en nooit meer uit kom, niet?"
Ik antwoordde niet, ik sloeg alleen de blik neer.
"Wie de aarde omwoelt, zal het leven wekken!", zei ze, veelbetekenend: "En het leven dat gewekt werd, dat zal nooit meer slapen!"
Verstond ik haar goed, of bedoelde zij de dood terwijl zij nochtans zei 'het leven'?
Eén enkele misstap, zo begreep ik, kan volstaan voor het openen van de wereld van de dubbele bodems. En in tegenstelling tot de doos van Pandora, gaat deze wereld nooit meer dicht. Eenrichtingsverkeer, het is niet anders.
Zij stond op, de fles was immers leeg, en zij begaf zich naar het gat. Deze keer hield ik het voor geheel onbetamelijk om haar 'ondergang' aan te zien, en ik wendde mijn blik af. Edoch, uitvergroot in reuzenvormen toonden de muren van mijn kelder mij meedogenloos het trieste schaduwspel van heel haar wroeten, en het duurde, totdat het stil was weer, en helemaal verlaten. Ik nam de kaars, klom de ontelbare trappen op, recht naar de korst, en zette dan koers naar de top van mijn toren. De nacht was al gevallen toen ik boven aankwam, de dieren zwegen en er was geen maan te zien. Gauw kneep ik de vlam dood en ik begroef me in het stro.
6. De intrek in het nieuwe huis
De rust keerde ten slotte weer, de zomer bloeide open en mijn huis geraakte af. Mijn vrouw die, zoals ik nog niet eerder heb verteld, een bijzonder fragiel wezen is — zij is dun als een riet, breekbaar als een vaas van porselein, en haar huid heeft de kleur van blanke marmer — was al die tijd bij haar moeder gaan logeren en, nu op het bouwwerk de mei was gestoken, bracht haar moeder haar terug, zodat zij op inspectie kon, om alles in te richten, om de aanschaf van huisraad te plannen en nog vele andere dingen meer in orde te brengen. Blij was Lotte met het huis, en zij ging in het tuintje staan, keek van daaruit naar het torentje op, en dwaalde uren door de salons waarover ik nog niet vertelde dat ik ze al had volgestouwd met mijn beelden.
Ik vertelde nog niet dat ik beeldhouwer ben. Ik leerde de stiel toen ik nog kind was, van een oudere dorpsgenoot die in arduin kapte, en soms ook in marmer. Hij maakte monumenten en hij leefde er ook van, meestal dan van grafstenen en gedenkplaten, ornamenten voor stadhuizen, stijlvolle inscripties voor naamplaatjes van notarissen en hoogwaardigheidsbekleders, maar ook nu en dan kapte hij een echt, levensgroot beeld.
De beeldhouwersstiel is geen lachertje: stenen zijn voor ons het goud der aarde, maar zij zijn even vaak een nachtmerrie, bijvoorbeeld als de tijd dringt en een bestelling dient te worden afgeleverd, terwijl nu eens de monnikskapspier en dan weer het polsgewricht, omzwachteld als zij zeer vaak zijn, de veeleisende arbeid bemoeilijken. Maar al bij al is het een zegen als men dat kan doen waarvoor men denkt in de wieg gelegd te zijn. Het was trouwens de bijzonder hoge opbrengst van een marmeren beeldengroep geweest, waaraan ik vele jaren had gewerkt, die ons had toegelaten om dit huis te bouwen. Geheel onverhoopt eigenlijk, want tot op het ogenblik van het plotselinge, buitenlandse en bovendien nog anonieme bod, konden wij met moeite eten.
Maar het kan verkeren, en zo zag ons stulpje er nu uit als een kasteel. De voltooiing van dit oeuvre, dat, in alle bescheidenheid, dan toch ook de naam van beeldhouwwerk verdiende, viel dus samen met de intrede van deze allermooiste zomer zoals wij er in tijden geen meer hadden beleefd. En op de wangen van mijn vrouw verscheen zowaar een blos — haar moeder merkte het als eerste op, en het was een gebeurtenis die ons, onzeglijk meer nog dan het huis, tot een intiem geluk stemde.
De ganse dag versjouwde ik beelden, en dit in gevolge de instructies die op de inspectie volgden: de engeltjes verhuisden van de inkomsthall naar de slaapvertrekken en de getrouwe kopie van de David van Michelangelo — weliswaar op halve grootte — kwam, herdoopt tot golem die dit pand bewaken moest, in onze hall te staan; het halfverheven stuk dat de muzen verbeeldde, moest naar de salon, waar ook de vleugel prijkte, die zij dagelijks zou bespelen als zij niet te bed lag, en de beeltenis van Maria kreeg een plaats voorlopig in de keuken. En toen de avond viel, stond ook het huisraad op zijn plaats: de kasten en de tafels en de stoelen, het grote bed, waar zij helaas toch heel veel van haar tijd spenderen zou, het bureau en de ontelbare andere zaken. Wanneer haar moeder ons tenslotte alle geluk wensend verliet, waren wij alleen: ik, bezweet, en zij, met nog die roze blos op haar tedere, blanke wangen.
Wij waren gaan zitten in het tuintje, het was nog steeds zwoel, op de tafel stonden een karaf met appelsap en twee hoge glazen, en daar lag ook een donkerblauwe druiventros te glimmen in het maanlicht. Zo zwijgend zittend genoten we van het uitzicht op ons huis, en zij vertelde welke plannen zij nog had, totdat zij, zichtbaar heel vermoeid, vroeg dat ik haar naar bed zou dragen.
De nacht was diep en veel mystieker nog dan hij tot dan toe, met haar, altijd was geweest. Wij dreven urenlang op immense schepen door de tijd en, met de streling van de eerste augustuswinden, kwamen nimfen ons vervoegen in de lakens van satijn, terwijl wij hoorden hoe in ’t veld de saters dansten en de halfgoden met hun boden die waren afgedaald omdat een gulle en tevreden hand de hemelpoorten had geopend. Ja, het was een regendans die ons een uur lang met friste overspoelde en die de moeiten van de dag wegnam en ons de zegen gaf. En zo sliepen wij, als waren wij slechts één en ’t zelfde wezen, een reusachtig gat in een nieuwe en wederom goddelijke dag.
Een kleine correctie is hier op haar plaats: niet wij sliepen een gat in de dag, maar wel ikzelf deed dat. Want toen ik bij het ontwaken mijn ogen ontsloot, verwarmd al door de stralen van een hoge en vlammende voormiddagzon die door de open ramen met haar licht de witte beddenlakens in een vuurzee hulde, terwijl een welriekende tocht door mijn bezwete haren wuifde, merkte ik dat ik niet mijn vrouw doch een kussen omhelsde: zij moet zich bijzonder gezond hebben gevoeld, want zij was blijkbaar al een hele tijd op. Ja, ik ontwaarde nu ook de geur van sterke koffie, ik rekte en strekte me, liep naar de belendende salon, liet me achter de vleugel glijden en ontlokte aan de voorzichtige snaren de eerste zinnen van Perfect Day, al vol verwachting oogluikend de blik gericht op de keukendeur waar zij nu wel zou verschijnen om mij in dit spel der muzen bij te staan.
Maar zij kwam niet. Ik speelde het lied tot daar waar ik het kende, zoals ik het van haar geleerd had, en om niet in stilte te vervallen, herbegon ik, tot ik weer beland was op diezelfde plaats. Ik hield op, luisterde, maar hoorde geen geluiden.
Verschrikt veerde ik recht, spoedde me naar de keuken, waar inderdaad verse koffie stond te wachten in een kan, opende vervolgens de deur van de badkamer, die er nog onbetreden bij lag, dan de tuin in, het huis om, ik riep haar naam: “Lotte!”, riep ik, “Waar ben je? Lotte?”, toen ik plotseling aan de kelder denken moest.
Ik brak twee tenen zonder het te voelen toen ik mij rap naar binnen spoedde over de brede marmeren trap en met een ruk de deur van de kelder opentrok.
Voor mij stond zij, zichtbaar verschrokken: vanwege mijn onrust, maar er was nog iets anders aan de hand, de blos op haar wangen was vergaan, groot stonden haar ogen.
“Lotte!” Ik drukte haar in mijn armen, wilde haar naar de keuken brengen, maar ze duwde mij plotseling van zich af, want zij had dringend iets te zeggen, en zij wees, nog steeds sprakeloos, met een lange, dunne, bengelende arm over de duizend stenen trappen die, als een klavier van alleen maar zwarte toetsen, in de afgrond van de kelder gleden.
“Lotte! Je bent toch niet naar beneden geweest!?”
Toen viel zij flauw, ik droeg haar naar het bed, vreesde het ergste en liet een dokter komen. Zij ijlde wat, doch er was geen gevaar.
“Zij mag geen trappen doen”, vertelde mij de dokter. “Het is verleidelijk natuurlijk, in jullie nieuwe huis… maar dat vraagt teveel van haar krachten, zij is niet gemaakt voor klauteren en klimmen… Mag ik u overigens gelukwensen met de nieuwe ‘stulp’…”, zo lachte hij, en hij klopte me bemoedigend op de schouder.
“Ik heb haar iets gegeven om te rusten, heb nu maar geen angst, meteen wordt zij weer wakker. En zeg haar dat ze ’t kalmpjes aan moet doen… Ik zal morgen nog eens komen kijken.”
Haar moeder was er intussen ook. Op haar beurt stelde ze mij gerust.
“Zo is zij nu eenmaal”, zei ze, op de toon waarop oudere moeders over hun kinderen spreken: “te zwak voor al die slommer, maar welke vrouw zou zich kunnen intomen… bekijk toch eens dat huis! Een droom is het, een droom…”
Zij ging bij het bed weg, schouwde door de ramen, over de met zon overgoten velden. Ik merkte hoe zij er spijt van had niet meer zo jong te zijn, maar toen zij haar nu zalig slapende dochter daar weer zag liggen, bracht ze haar beide handen naar haar mond om het geluk te verbergen dat zij voelde in haar plaats, en waarvoor zij zich onnodig schaamde.
Ze schrankte de tulpen die ze had meegebracht in een kristallen vaas, streek de gordijnen glad en drong er op aan dat ik nu wat zou eten.
“Je hebt gisteren een zware dag gehad, jongen”, zei ze: “er is geen reden tot ongerustheid, kijk, ze wordt al wakker… Lotte?”
Ik hield haar hand vast, haar oogleden waren nog zwaar, blijkbaar van de inspuiting, maar de verschrikking van eventjes geleden was geheel verdwenen en had nu plaats gemaakt voor een zalige lach.
Ze wees nu naar het venster, naar de tuin:
“Daar moet een gele parasol komen”, zei ze, “geel met witte strepen…” Haar ogen draaiden naar het plafond, dan keek ze mij weer aan: “Een luchter hier…”, zo wees ze, en toen viel ze weer in slaap, glimlachend als een engel.
7. De duivel in de aardkern
Toen Lotte tenslotte vredig sliep en toen haar moeder was weggegaan, sloot ik de vensters en de deuren van het huis goed af, en haastte me naar de kelder. Zo opgewonden was ik, dat ik me onderweg bezeerde aan de scherpe, stenen trappen, en toen ik uiteindelijk beneden arriveerde, tastte ik naar mijn kaars en naar de lucifers, maakte licht, maar schrok me haast een ongeluk: op de stoel bij het tafeltje zat inderdaad… de vrouw uit het gat.
Het leek alsof ze mij al een tijdje opwachtte, ze had iets onheilspellends in haar blik, ze zat daar blijkbaar al geruime tijd.
“Wat hebt ge met mijn vrouw gedaan?", bracht ik eruit. Het hol lag open en een soort nevel leek eruit op te stijgen en hij verspreidde zich in de kelderruimte, leek traag over de vloer te kruipen, en voelde koud aan, aan de voeten en de enkels.
“Hoe is het met uw vrouw?”, zo vroeg ze, geheel onbeschaamd en tot mijn woede.
“Laat haar er buiten!”, beval ik, en ik voelde dat ik kwaad werd, en dat mijn boosheid mij dreigde te overmeesteren.
Zij lachte alleen maar.
“Moge de duivel u halen!”, beet ik van me af.
Toen ging zij overeind zitten, ze legde haar magere knokkels op de tafel: “De duivel, zegt gij? Denkt gij misschien dat de duivel niet bestaat? Zeg dat drie keer, en hij staat hier!”
“Scheer u weg!”, zei ik, “Kruip terug in uw hol en kom nooit meer terug! Ik zal u dat trouwens onmogelijk maken. Morgen vul ik deze hele kelder op met beton!”
Ik meende het, maar weer schokschouderde ze: “Dat zal niet van een leien dakje lopen, beste vriend! Zijt gij gelovig? Ja toch?” Ze leek mij uitdagend aan vanuit nu welhaast zwarte ogen.
“Wat heeft dat ermee te maken?”, wierp ik tegen, en tot mijn angst stelde ik vast dat ik haar niet gewoonweg kon negeren: “Gij hoort hier niet te zijn, en gij hoort mij zeker niet te ondervragen!”
Ze leunde nu weer rustig achteruit, ze wist dat ze mijn nieuwsgierigheid weer had gewekt, en dat ik weten wilde wat ze in het schild voerde.
“Jaja”, ging ze zelfzeker door, “de duivel is er mee gemoeid!”
“Praat uit de middeleeuwen!”, antwoordde ik: “er bestaan geen duivels; het kwaad is niets anders dan een tekort aan het goede!”
Dit waren de woorden van Sint-Augustinus, de grote kerkvader; hij leek me persoonlijk ter hulp te komen; en wat kon zij hier nog tegen inbrengen, dat kreng uit de hel?
“Augustinus heeft het bij het verkeerde eind”, zei ze koel.
“O, ja? Augustinus is een kerkvader”, antwoordde ik zelfzeker: “als hij het fout heeft, dan is de kerk feilbaar, en dan heeft het geloof er gelegen!”
“Het katholieke geloof, bedoelt gij”, zo repliceerde ze nog rapper dan rap: “maar dat heeft er allang gelegen!”
Ik schrok, zag haar zelfzekere blik, ze wachtte tot ik met hijgen ophield. Dan ging ze weer voorover leunen: “Het is trouwens in dat verband dat ik hier ben”, verklaarde ze.
Wist zij dat ik geboeid was door theologie? Ik wilde alvast weten wat ze zeggen zou. Een mens maakt het niet elke dag mee dat een gedrocht uit een gat uit de aarde kruipt om hem de les te komen spellen. Ik zou niet aarzelen om de kelder vol te gieten met beton, maar ik wilde haar eerst aan het woord laten, ik wilde weten wat ze dan te zeggen had. Daar kon ik tenslotte niets mee misdoen, bedacht ik.
“Ik kom u het bewijs leveren dat de duivel echt bestaat”, zei ze tenslotte. “Gij zijt toch gelovig, niet? Hoe kunt ge dan geloven in God, en niet in de duivel? Hoort toe en zeg daarna wat gij ook maar zeggen wilt, maar hoort eerst toe!”
“Ge krijgt vijf minuten”, zei ik, en ik hoorde dat mijn stem beefde.
Ze ging nu opstaan, begon te wandelen over de hele breedte van de kelder, alsmaar heen en terug, van muur naar muur. Deze dans die haar woorden begeleidde, was als een ruimtelijke vertolking van wat er in haar woorden schuilging: de gang van muur naar muur, het niet meer kunnen ontsnappen, het fatale dilemma, het raadsel, dat zich door een gat in mijn keldervloer naar boven had gewerkt en dat zou blijven, ook al vulde ik hem morgen op met honderden tonnen harde beton.
“Gij weet”, zei ze, “dat het christendom de godsdienst van de vergeving is? Mag ik u eraan herinneren dat Christus zelf komaf maakt met het joodse principe van de wraak… een oog voor een oog, een tand voor een tand?"
Waar stuurde zij op aan? Blijkbaar verwachtte zij geen antwoord van mijnentwege; zij ging gewoon door: “Als gij, amateur-theoloogje, daar al eens hebt over nagedacht… dan zult ge ook wel inzien, zo mag ik wel aannemen, dat het christendom zijn bestaansreden zelf aan niets anders ontleent dan... aan het wraakprincipe, toch?”
Toen ze dat zegde, liep ze met de rug naar mij gekeerd naar de tegenover liggende muur toe en draaide dan met een ruk het hoofd: “God zendt zijn Zoon om te betalen voor onze zonden: Hij komt onze schuld vereffenen!”, sprak ze streng, en ze benadrukte de woorden ‘betalen’ en ‘vereffenen’ zo sterk dat telkenmale haar stem oversloeg en pijn deed aan de oren.
Ze bracht me in de war, ze ging te snel, maar ze pauzeerde niet.
“De vraag is natuurlijk aan wie die 'schuld' van ons vereffend dient te worden. En luister nu goed!”
Ze hield halt: “Indien we mogen aannemen dat het christendom vrij is van tegenspraak, dan moeten we natuurlijk ook beamen dat onze schuldeiser niet God zelf kan zijn, nietwaar? God immers is het vergevingsprincipe toegedaan!”
“Dat weet ik allemaal”, zei ik geprikkeld. Ze liet mij niet de tijd en ging door.
“Dat weet gij? Dan weet gij ook dat het bij de duivel is dat wij in het krijt staan”, zei ze: “Christus betaalt met zijn kruisdood een schuld van ons terug aan de duivel. Zo staan wij op onze beurt bij Christus in het krijt. Maar de eigenlijke schuldeiser is de duivel! Ja, Christus is vergevingsgezind… als we zijn offer maar erkennen…” Ze keek mij nu recht in de ogen: “Het christendom is ondenkbaar zonder de duivel!”
Wat zei ze nu!?
“Uw Augustinus slaat de bal mis”, zo zette ze haar dans voort: “de kerkvader heeft er gelegen, en zo ook de kerk zelf: het kwaad is niet zomaar een tekort aan het goede, het is de duivel in hoogsteigen persoon! Hij is het die genoegdoening eist!”
Ik stond als aan de grond genageld. Ze draaide zich naar mij toe en sprak, terwijl ze zich gedwee in de richting van het gat begaf en aan haar afdaling begon: “Uw vrouw is wakker. Ga nu maar terug naar boven, haast u… en tot morgen! Ik heb morgen trouwens iets heel belangrijks met u te bespreken. Klokslag twaalf uur. Maak maar dat ge er zijt!”
Ik bleef staan toekijken tot ze helemaal in het gat verdwenen was, stampte haastig de aarde aan en legde de tegels op… de wonde. Ik blies de kaars uit, strompelde moeizaam de trappen naar boven, duwde de kelderdeur open en werd verblind door het licht dat in zijn schittering dit alles plotseling al leek herleid te hebben tot alleen maar een nare droom uit een heel ver verleden.
8. Lotte’s droom
Ik sloot de kelderdeur, ging kijken of Lotte nog sliep, en toen ik me daarvan vergewist had, besloot ik om het smeedijzeren slot waarmee de poort bij de ingang van het huis werd opgesierd, maar dat verder geen dienst deed, daar weg te halen en het op de deur van de kelder te bevestigen. De klus was in geen uur geklaard. Ik vergrendelde de kelderdeur met de zware sleutel, en besloot die te verbergen helemaal boven in mijn torentje. Ik hing hem daar meer bepaald op aan een ketting in de nok van het spitsdak, vlak onder het nest van mijn witte uil die zich aan mijn werkzaamheden niet in het minst leek te storen. Toen ik mij echter weer naar beneden wilde begeven, riep hij — mijn uil — en plots had ik het gevoel dat hij me attent wilde maken op iets. Ik keerde terug, keek op, wachtte, en hoorde hem opnieuw roepen.
Een uil is een dom beest, wat de legenden ook mogen beweren. Maar als men zich aangesproken weet door de roep van een uil, of van eender welk beest, dan is het niettemin goed om daar aandacht aan te besteden. Zo althans heeft me ooit eens iemand verteld die veel van dieren hield en hij heeft ook gelijk, zij het zonder zelf goed te weten waarom. De menselijke geest werkt namelijk voor een groot deel nog primitief; wij projecteren onze gedachten voortdurend in wat we zien en horen en zo zijn wij eigenlijk buiksprekers die van zichzelf niet weten hoe goed ze deze kunst beheersen. De meeste mensen zijn hyperrealisten en zij negeren dit bijgevolg volkomen. Maar op die manier verwerpen ze hun eigen ingevingen, die echter wel een reden hebben van bestaan.
Toen dit door me heen ging, begreep ik ook meteen wat mij te doen stond. Ik nam niet de binnentrap naar beneden, maar ik maakte het kleine, smalle buitendeurtje open, vermande mij, en daalde op handen en voeten af langs de buitentrap. Toen ik ongeveer een tiental treden gevorderd was, wrikte ik een trede los, en ik wierp die in de diepte. Nadat ik naar de doffe plof geluisterd had, klom ik weer naar boven, kroop door de smalle opening de toren in, en maakte het eikenhouten deurtje weer op slot. Via de binnentrap haastte ik me vervolgens naar beneden.
Lotte zat op de rand van het grote bed, toen ik de slaapkamer betrad, en haar grote ogen keken in mijn richting, wijd en loom nog van de slaap, en ze zei iets dat ik niet meteen verstaan kon, want haar stem klonk zwak. Ik ging naar haar toe, ging naast haar op het bed zitten, en nam haar handen in de mijne.
“Wat was dat?”, zo vroeg ze angstig: “Ik heb een slag gehoord, het was alsof er een bom insloeg, heel dichtbij.”
“Rustig maar”, troostte ik haar, “dat was ikzelf; ik moet nog een en ander opknappen aan het huis. Vind je het niet mooi dan? Je bent nog niet goed wakker, Lotte. Ga je nog wat rusten, of zal ik koffie voor ons zetten?”
“Ik heb een nare droom gehad”, zei ze, en ze keek me diep in de ogen.
“Dromen zijn bedrog”, suste ik, en ik betrapte mezelf erop hoe ik tot haar praatte zoals men tot een kind praat.
Maar Lotte was geen kind, zij was een bijzonder verstandige vrouw. En ik herinnerde mij nu plots hoe, op de avond van onze bruiloft, een vriend van me die haar toen voor het eerst zag, me bij zich riep en, alsof hij me een geheim wilde toefluisteren, typeerde hij haar in zijn eigen, wat bizarre maar niet kwaad bedoelde woorden, als... ‘een vrouw met kelders in haar geest’.
“Maar deze droom leek gruwelijk echt”, zo ging zij ineens door: “Wat heeft de dokter mij ingespoten?”
“Een kalmeermiddel... Wacht, het ampul moet hier nog ergens liggen, ik zoek het eventjes...”
“Laat maar”, zei ze, “het is al goed... Ik heb trek in koffie. Laten we naar de keuken gaan.”
Ik zocht haar sloffen, maar zij wilde er niet in en zei, terwijl een lach verscheen op haar gezicht, even liefelijk als de zonnestralen na een frisse regenbui: “Ik draag liever dit marmeren schoeisel! Het is lichter dan lucht, en het is zo koel aan de voetzolen. Dat doet goed met die hitte...”
Ik zette koffie en zij praatte almaar door, wat niet haar gewoonte was, maar zij was wellicht nog opgewonden vanwege de beslommeringen met het nieuwe huis, het zou wat tijd vragen om tot rust te komen.
“Goed dat je eraan gedacht hebt”, zei ze.
“Wat bedoel je, Lotte?”
“De hitte, wat anders?”, antwoordde ze.
“Ja, marmer geeft koelte”, beaamde ik, en ik moest denken aan de ‘blauwestenen’ die mijn leermeester me nog had leren kappen: hij stamde nog uit de tijd dat er geen koelkasten bestonden om lijken in te bewaren.
“En de kelder”, zei ze plots: “dat je eraan gedacht hebt om een kelder te graven; wat is er nu koeler dan een kelder, in geval van grote hitte...”
“Die zullen we zeker niet nodig hebben!” Ik ontnam haar aldus het woord: “We kunnen ook in het torentje gaan zitten als het warm is!”
“Het torentje?”, vroeg ze verwonderd: “Is het daar dan koel?”
“In het torentje is er altijd wind”, lachte ik, “met een tochtgat gericht op elke windstreek, is dat de meest natuurlijke ventilator die iemand zich maar kon bedenken!”
Ze ging plots opstaan, wandelde naar het raam, en keek naar buiten langs de gevel omhoog. Doorheen het keukenraam kon men het torentje immers nog gedeeltelijk zien.
“Het doet me terugdenken aan het sprookjesboek uit mijn kindertijd”, zei ze, en ze kwam weer naar haar stoel toe en ging zitten.
Ik schonk koffie in, met een geutje room en een klontje suiker.
“De gebroeders Grimm”, zuchtte ze, “verlucht met tekeningen van Anton Pieck! Zwart en wit, koffie en room...”
Ze dronk van haar koffie; ze leek nu wakkerder geworden en kreeg weer wat kleur.
“Je hebt het slot vervangen?”, zo merkte ze plotseling op: “het slot van de kelderdeur? Is dat niet het slot van de poort?”
“Vind je het niet goed?”, vroeg ik.
“Toch wel”, zei ze, “maar wat doen we dan met de poort?”
“We vinden wel een ander slot voor de poort”, zei ik: “ik vond het niet zo passen...”
“Over de kelder heb ik gedroomd!”, zei ze, “nu weet ik het plots weer!”
“En voel je je nu weer beter, Lotte?”, zo trachtte ik haar op andere gedachten te brengen.
“Ik voel me gewoon goed”, zei ze, “maar jij ziet er anders wel wat vermoeid uit.”
“Maak je toch geen zorgen”, zei ik: “nog heel even en we zijn door de hele rompslomp heen.”
“Ik droomde dat ik afdaalde in de kelder”, ging ze door.
Ik keek haar aan en wachtte.
“Maar verder herinner ik me niets... Wat gaan we vanmiddag allemaal doen?”
“Straks komt je moeder terug”, zei ik: “jullie kunnen misschien bloemen halen voor de tuin. En vanavond...”
“Vanavond vroeg naar bed!”, zei ze, “het was al dagenlang veel te laat... en dat is echt zonde als de ochtenden hier zo stralend zijn. Heb je de nevelen gezien deze morgen?” Zij ging geheel in haar dromen op.
De dag verliep zoals gepland. Voor de avond kwam de dokter nog even langs. Ik vertelde hem dat Lotte nog ongewoon spraakzaam was, en hij besloot haar nog een inspuiting te geven: dat zou haar een rustige nacht verzekeren. Ze stemde ermee in, en we gingen slapen met de zon.
Bezweet werd ik wakker op de slagen van ver afgelegen kerkklokken, en ik telde de slagen mee, en op de twaalfde slag schoot het me plotseling te binnen: ik had een afspraak in de kelder!
9. De opdracht
Het was baldonker en stil nu, na de twaalf, verre klokslagen. Ze leken uit een andere wereld te komen, een wereld waar alles lichter leek dan het in feite was, een droom van kinderlijke onschuld nog, en ik keek naar Lotte’s slapende gezicht, door een gele manestraal beschenen. Ook zij toefde nog in die wereld van de verre klokken — een wereld die nu genadeloos was weggetrokken, en die mij alleen achterliet. Zo dicht was ik bij haar dat ik haar stille adem horen kon, maar het drong plotseling tot me door dat voor mij haar wereld onbereikbaarder was geworden dan de sterren die de maan omkringelden. Mijn wereld was nu deze kleverige nacht, de nu haast twee-dimensioneel geworden ruimte waarin ik ter nauwer nood bewegen kon. En ik stond op, in een wereld die zij niet kende en ook niet kennen mocht. En ik was stil om haar niet te wekken, hield mijn adem in totdat ik bij het bed weg was, en liep dan naar buiten, naar de toren, wrong mij als een slang door de spiralen van de wenteltrap tot onder de nok, en maakte de sleutel van de kelder van zijn haakje los, kwam naar beneden, liep op de toppen van mijn tenen doorheen de slaapkamer naar de keuken, stak de sleutel in het slot, draaide het voorzichtig om, opende de zware deur en keek in de diepten van het zwarte, stenen klavier van trappen waar ik overheen moest lopen zonder de pijnlijke toetsen aan te roeren, teneinde geen snaren te doen trillen die tot in de andere wereld hoorbaar zouden zijn. La-kruis, sol-kruis, fa-kruis, en dan was er een kleine lacune. Re-kruis, do-kruis, weer een lacune. Licht waren nog deze tonen van het allerhoogste octaaf, maar dat bleef niet duren. La-kruis, sol-kruis, fa-kruis — een lacune, eventjes rust — re-kruis, do-kruis — een lacune. Halverwege klonken mijn stappen luider; aan mijn voetzolen voelden de stenen nu pijnlijk koud aan; in de lagere octaven weerklonk de holte van de kelder, en ook de diepte van het zwarte gat kon ik nu horen, en ook zien.
Voorzichtigheid was mij geraden hier, want de zwaarste snaren zijn de eerste die gaan resoneren; zij dragen zeer complexe klanken, vanwege de manier waarop ze samengesteld zijn, want het zijn geen kabeltjes, zoals de hoge, tinnen tonen, boven: het zijn stangen waar omheen zich koperdraden in spiraalvorm slingeren zoals stengels van klimop rond palen, en die lijken op hun beurt weer getorst, of was dat alleen maar een indruk ingevolge de volstrekte afwezigheid van enig licht?
Ik haalde de kaars uit mijn pyjamabroekzak, en de lucifers, en toen ik er eentje aanstreek, leek het wel alsof een raket werd gelanceerd, zo luid scheurde het vuur door de stilte, en ik kon het gat al zien, en ook het plekje met de tafel en de stoel, waar zij al op mij zat te wachten.
“Wat is het dat ge van mij wilt?”, zo nam ik het initiatief, en ik bevruchtte met de vlam van de lucifer de wiek van de witte kaars en daalde verder af. De treden voor mijn voeten glansden, duizendpoten ritsten weg tussen de spleten, dobberende schaduwen bevolkten de gewelven van deze onderwereld en, naarmate ik haar naderbij kwam, zag ik hoe haar schaduw in grootte toenam en hij leek zich achter haar te verheffen als een monsterlijke hond die immer op haar paste.
“Ik wil het op een akkoord gooien met u”, zo zei ze plotseling heel kalm.
Ik plaatste de kaars op het tafeltje, en zag dat zij zich al wijn had ingeschonken: zij leek hier thuis, de kelder was van haar.
“Wat wilt gij dan?”, vroeg ik: “en maak het kort, want ik heb niet veel tijd.”
Het viel mij op dat zij heel triest keek nu, alsof zij hier al een tijdlang zat, en had nagedacht over dingen waar ik niets van af wist en die ik liever ook niet wilde weten.
“Ik wil dat gij voor mij een beeld houwt”, zei ze.
Ik schrok, want ik zag dat zij het meende. En ik wist niet hoe ik me nu voelen moest, want elkeen zal begrijpen dat een kunstenaar de neiging heeft om zich vereerd te voelen als iemand, ongeacht wie, een beroep op hem doet.
Op dat moment wierp zij met een luide smak vol metalen geluiden, een beurs op tafel; de beurs scheurde open, en uit de scheur, rolden enkele gouden munten.
“Dat is wat ik had meegenomen in mijn graf”, sprak ze: “Je kunt het niet weigeren. Het is genoeg geld om een kerk mee te bouwen.”
Ik stond perplex.
“Je vraagt je af wat ik wil dat je kapt?”
Ik antwoordde niet en kon ook geen enkele beweging maken.
“Mijn portret”, zei ze: “van kop tot teen, op ware grootte.”
Toen viel mijn oog op de enorme steen, middenin de kelderruimte. Ruim twee kubiek arduin was het. Ik nam de kaars en ging de steen inspecteren met mijn handen. Hij leek van prima kwaliteit.
“Hoe hebt gij... dat hierheen gebracht?”, zo bracht ik er tenslotte uit.
“Er zijn ook beitels en hamers”, zei ze: “en wijn!”
Ik keek rond, zag tot mijn verbazing dat de vloer bezaaid was met gerief. Ik ging knielen, onderzocht het werkmateriaal, zag dat het minstens een eeuw oud, maar oerdegelijk werktuig was. En langs de muur stonden op een rij wel zeven wijnvaten.
“En stel dat ik er op inga”, zei ik na een poosje: “wat ga je dan doen met je ... portret?”
“Wat had gij gedacht?”, antwoordde ze.
Ik haalde mijn schouders op, keek naar het gat, dat veel te smal was, en ook de kelderdeur was veel te smal voor deze steen, en ik herhaalde mijn vraag: “Hoe hebt gij die steen hierheen gebracht?”
“Als het daar de tijd voor is, zal ik u meer vertellen”, zei ze: “Ik wil dat ge er meteen aan begint!”
Ik duizelde. Dit was onmogelijk. Gesteld dat ik hier op in ging... Lotte werd meteen gewekt!
“Het maakt veel te veel lawaai”, zei ik, “ik kan het niet doen, dat ziet ge nu toch ook; Lotte slaapt! En het is hier trouwens veel te donker... het onmogelijke verlangt ge van mij! Dit is niet redelijk!”
“Maak u maar geen zorgen”, zei ze kort, en ze ging opstaan: “Neem uw beitels ter hand!”
Als een volleerd model liet ze de lompen van haar lichaam glijden en beklom gezwind de tafel, nam in minder dan een oogwenk een pose aan die mij wel beviel, en verroerde geen vin meer. Alleen haar ogen waren nu op mij gericht en dit bevel kon ik niet langer negeren.
Ik bedacht dat er geen uitweg meer was, dat ze mij in haar macht had, en dat elk uur dat ik zou talmen, deze foltering alleen maar langer maakte. Ja, ik begreep dat ik er alle belang bij had om gewoon op haar wensen in te gaan, en maar meteen te beginnen. Hoe rapper het beeld af was, des te rapper kon ik deze nachtmerrie vergeten. Voorwaar, voor het eerst zag ik een eind komen aan dit macabere spel, en ik besloot mijn uiterste best te doen om dit werkstuk binnen de kortste keren af te krijgen. En zo ging ik aan de slag.
Ik kapte tot de morgen, zweette en leste mijn dorst met haar wijn. Als ik voelde dat de zon zou opstaan, haastte ik mij naar boven, bracht eerst de sleutel naar het torentje terug en begaf me te bed met steeds dezelfde weerkerende angst dat Lotte bij het ontwaken op den duur van mijn vermoeidheid lucht zou krijgen. Maar tegelijk ook koesterde ik de hoop dat, eens deze klus geklaard, de rust terug zou keren die de bedreiging van dat vervloekte schepsel ons ontnomen had.
10. De leegte en de beelden
Het werd hoogzomer, en warm. De tuin rondom het huis had al in volle bloei gestaan, het grasperk was een weelde en uit de seringen die zich omheen de toren slingerden, sproten grote, roze bloemkelken met lange, dunne stuifmeeldraden en een stamper die veel weg had van een overdadig grote klepel die als een tong uit de naar zuurstof snakkende muil van zijn klok bengelt. Dank zij de schaduw van de boompjes en de hagen in de tuin die vrachten vogelnesten borgen, en ook dank zij de marmeren vloeren, zuilen en beelden, bleef het draaglijk in de kamers waar wij woonden, en repte mijn vrouw niet van de gebeurlijke koelte van de kelder. Maar de hitte hield niet af: elke dag weer klom de zon hoger, en als zij op haar hoogste punt aankwam, was het alsof zij zich concentreerde op haar nu enig resterende taak: de hitte van de dag voordien evenaren en er nog een graadje bovenop doen. Pas als die taak volbracht was, zette ze haar koers langzaam verder door een verschroeiende middag, en pas nadat zij des avonds als een reusachtige, fel rood gekleurde eierdooier op de verre kim was uitgelopen, en tenslotte nog eens de hemel tot een caleidoscoop van kleuren had in brand gestoken als om zo aan te kondigen dat zij er weldra terug zou zijn met vernieuwde krachten, werd het donker, en kwam er enige verkoeling.
Het marmer was warempel onze redding. Wie niet met stenen leeft, die kan het niet begrijpen, maar stenen herbergen oerkrachten die geen mens doorgrondt. De ‘blauwesteen’, bijvoorbeeld, kan een kilte uitstralen gedurende vele dagen, en daar komen geen elektrische motoren aan te pas. Hij koelt een ganse kamer af en gaat daarmee door als alle ventilatoren het allang hebben laten afweten. Het blijft een raadsel waar hij die koelte dan vandaan haalt en hoe hij ze opslaat, want veel meer koelte bezit hij dan een blok ijs van dezelfde grootte: het ijs zal gauw smelten, en het smeltwater zal ten slotte warm worden en kleverig, maar de blauwesteen smelt allerminst en hij blijft verfrissend koud. Op dezelfde manier kan hij ook warmte opslaan, en functioneren als een generator. In feite werkt sinds het begin der tijden onze aarde zelf op die manier als een verzachter van zowel de koudste winters als de heetste zomers. Mijn leermeester-beeldhouwer vertelde me ooit dat de krachten die de atomen van een simpele kei samenhouden, zouden volstaan om er een ganse stad mee op te bouwen, ofwel mee te vernietigen. Hij was geen geleerde en, net zoals hij, heb ik altijd geprobeerd om me ver af te houden van de geleerdheid die weliswaar de nieuwsgierigheid kortstondig kan bevredigen, maar die een mens tenslotte geen goed kan doen, omdat zij hem herhaaldelijk en voor telkens weer een veel te lange poos buiten zichzelf hijst. Godgeleerdheid mag, zei hij, maar alle andere geleerdheid dient tot niets meer van zodra je uit een steen een beeld moet halen: je moet je steen leren kennen, en je moet weten waar het beeld zit. Dan moet je krachten verzamelen en kappen, en dat is harde labeur. En je moet lieflijk kappen, zonder het beeld ook maar te schrammen; kappen totdat het er is, zodat ook ieder ander het kan zien, het beeld. En zo heb ik het ook altijd begrepen: niet de geleerdheid maar wel het zien is van belang. Wij, mensen die in stenen houwen, beschouwen de ganse aarde als onze grondstof. Zij lijkt vormeloos en zonder doel, maar naarmate de jaren voorbij gaan, en wij een inzicht krijgen in de vergankelijkheid der dingen, leren wij ook zien hoe het de machtige aarde is die een bijna eindeloos leger aan prachtige, onvergankelijke beelden in zich draagt. Zij is een moeder aan wie wij het kroost dienen te ontfutselen die onze enige toekomst is, en onze enige hoop. Als de beschavingen allang vergaan zullen zijn onder de hitte van de zon, als orkanen al ’s mensens maaksels uiteen zullen hebben geblazen, en als de golven van de woeste zee de laatste sporen van mens en dier ter land zullen hebben uitgewist zoals ze dat ook dagelijks doen op het geribbelde zandstrand, dan zullen tenminste nog de beelden overblijven als de enige, grote getuigen van wat eens was. Zij weerstaan immers aan de hitte van de zon en voor de felle winden buigen zij niet; een zondvloed kan hen hooguit polijsten. Een mensenleven houdt misschien honderd jaar stand, maar een dodenakker blijft overeind. Het snel veranderlijke mensdom en het dierenrijk houden duizend jaar stand, of misschien tienduizend, of wel honderdduizend jaar. Maar de beelden zullen voor altijd blijven, net zoals de sterren aan de hemel. Misschien zullen zij verdwijnen op de nachtelijke bodem van diepe oceanen, onder zandstormen die bergen verplaatsen of onder de hitte van vulkanische as; maar altijd zullen zij heropstaan, net zoals de sterren, die immers ook onzichtbaar worden in de klaarte van de dag, om elke nacht her op te duiken en hun oude plaatsen opnieuw in te nemen. Het is voorwaar de edele taak van de beeldhouwer om al wat is en wat van nature vergaat, op te tillen uit zijn sterfelijkheid en het neer te planten in de velden van de eeuwigheid, waar ook de goden vertoeven. Het is een harde weg, doch er is geen andere. Elk kind verlaat de warme en veilige baarmoeder en wordt overgeleverd aan een heel wat minder vriendelijke buitenwereld, maar als het dat weigerde te doen, dan zou het ook nooit leven. Net zo dient elke mens het vlees te verlaten en zijn soelaas te zoeken in de steen: wie aan deze wet verzaakt, kan zich nimmer vereeuwigen en zal uiteindelijk zonder enig spoor na te laten, gewoon vergaan. Er zijn wroetvrouwen die de foetussen op het droge helpen, om geboren te worden en kunnen voort te leven. En er zijn wroetvrouwen die de mensen helpen om herboren te worden in de wereld van de stenen, die de eeuwigheid is. Kijk naar de aarde, de zon en de sterren; beschouw het oneindige, onvergankelijke heelal: het is groots en eeuwig, en het zal nooit vergaan, want het is van steen!
Naarmate het werk aan ‘het beeld’ vorderde, waren het deze beschouwingen die mij vrede gaven, en ook begrip. Al gauw haatte ik mijn model niet langer, omdat ik mij kon indenken wat voor een zware last een mens te torsen heeft die voor eeuwig begraven zal blijven zonder een spoor te hebben achtergelaten. Wetende dat uitgerekend het stenen beeld de ultieme kans geeft aan een mens om aan de fatale vergankelijkheid neen te zeggen, kon het ten slotte niet als verwonderlijk bestempeld worden dat zelfs een dode er voor opstond uit zijn, of haar, graf. De mens wil gebeeldhouwd worden, om precies dezelfde reden waarom hij ook geboren wilde worden: er is gewoon geen weg terug.
En er kwam een dag dat mijn model zichzelf zowaar in het beeld al zag verschijnen. Zij liep er omheen, het aandachtig bekijkend vanuit alle mogelijke hoeken. Zij zegde weliswaar niets, omdat ik haar dat ten strengste verboden had: een kunstenaar die zich laat adviseren, is immers een verloren kunstenaar, want het commentaar van de toeschouwer doodt de wording van het werk even trefzeker als het roofdier zijn prooi. Het zijn wetten waarvan de waarheid sinds oudsher in de sterren staat geschreven. En toen zij zo om het werk heen wandelde, achtte ze het ogenblik gekomen om mij te vertellen wat er uiteindelijk met het beeld diende te gebeuren.
“Weet je vrouw al dat gij hier ’s nachts komt kappen?”, vroeg ze plots. Had ze mijn gedachten geraden en wist ze veel meer dan wat een mens gewoonlijk kan weten?
“Ik heb haar verteld dat ik hier aan een werkstuk bezig ben”, antwoordde ik naar waarheid. “Ik heb haar verteld dat ik de kelder een tijdlang zal blijven gebruiken als atelier. Maar ik wil niet dat ze meer weet dan dat!”
“Daar hebt ge goed aan gedaan”, beaamde ze. “Maar wat doet ge dan als ze u vraagt waarom ze geen model moet staan? Want dat heeft zij u beslist al gevraagd, is het niet?”
“Dat zijn uw zaken niet”, beet ik van me af: “Gij hebt ermee ingestemd dat ik uw beeld kap en dat ge ons in ruil daarvoor verder met rust zult laten, en aan die overeenkomst hebt gij u ook te houden; wees blij dat ik er ben op in gegaan! Binnen enkele weken zal het werk voltooid zijn, en dan kunt ge met uw steen voorgoed verdwijnen in dat gat daar!”
Zij leek niet akkoord. Ze keek immers niet naar het gat, maar ze spotte met mijn woorden: “Ge denkt toch niet dat ik mijn beeld heb laten kappen om het dan te gaan begraven? Ha! Volstaat het dan niet dat ik zelf weer voor eeuwig en drie dagen in mijn graf zal kruipen? Neen, neen; geen sprake van: het beeld gaat die richting uit en geen andere!”
Toen ze dat zei, wees haar lange, dunne en als een lat gestrekte arm naar boven waar de trap uitgaf op de kelderdeur. Haar blik was op de kelderdeur gericht, seconden lang, en ik begreep dat ook die wens van haar nu in vervulling gaan zou. Had zij zich al een plaats bereid tussen de andere beelden in ons huis?
***
Mijn vrouw speelde Perfect Day maar ik greep haar bij de polsen en lichtte haar vingers van de toetsen: “Nu even niet”, verontschuldigde ik me: “ik ben moe van het werk, laten we wat buiten in de tuin gaan zitten en genieten van de stilte.”
En daar viel ik in het gras in slaap, die avond, en ik zweette, maar het was niet van de hitte dat ik zweette: mijn zweet was klam en koortsig, en ik drukte mijn hoofd tegen de aarde aan, en luisterde, terwijl ik sliep en droomde, naar wat er omging in de grote buik waarop wij wonen.
Hol was hij vanbinnen, leeg en hol; en de aarde, de stenen en het water waren slechts een dunne korst over een immense leegte die slechts de leegte van het firmament weerspiegelde. Wat zich op de korst afspeelde, was alleen maar een fragiele dans, bleek en tenger, zoals het lichaam van de vrouw die ik beminde. En nu hoorde ik geluiden binnen in de trommel van de aarde: gezangen waren het, zoals de mensheid zich die herinnert van de historische schepen geladen met geketende slaven. En van de boottrekkers van de Wolga, van de vaartuigen volgestouwd met onze krankzinnigen, die de zee werden in gestuurd, op reis naar nergens. De klaagliederen zwollen aan, en geleidelijk kon ik ook horen dat zij uit woorden bestonden: het waren klaaglijke kwatrijnen, bittere weeklachten, loze uitroepen en ook, af en toe, luide angstschreeuwen. De geluiden van de schimmen, zoals men ze ook horen kan op de dodenakkers wanneer, doorheen de duisternis, gure winden langs de arduinen busten blazen, en langs de scherpe sneden van de randen van de harde zerken die de graven bekleden. Daar is het dat componisten hun inspiratie halen: in de wind die de stenen aan het fluiten maakt, in het magere residu van klanken dat nog aan het eeuwige gevecht van de elementen kleeft. Uit dit oor dat zo ter aarde rust, en zich vol laat lopen met de wanhoop van de doden, scheppen de dichters met hun edele lepels de verzen die de boekdrukkunst doen bloeien. En het was alsof ik door de aarde heen zeeg, en zelf terecht kwam in de grote holte, waar de verdedigers van de hoop een heuse zon hadden opgehangen, vervaardigd uit een bol van pek die in vuur en vlam was gezet, en een heuse maan ook, en zelfs sterren, uit armzalige glasscherven vervaardigd. Ik herinner me nog dat daar beneden een streng verbod gold om het heilige te schenden en om de dingen bij hun naam te noemen, aangezien zulks aan de verdoemden de allerlaatste hoop ontnemen zou.
Toen ik helemaal nat van het zweet en met koorts wakker werd, verblijdde het mij slechts matig dat ik dit alleen maar had gedroomd: de overstap van deze bloementuin naar ginder onder, is en blijft hoe dan ook onze allergrootste zekerheid, en slechts een geringe tijdspanne waarvan wij de omvang niet eens kennen, scheidt ons van het onderland. Op een dag zal ik het beeld hebben gekapt, en dan zal zij voorgoed verdwijnen — zo bedacht ik. Maar dat ‘voorgoed’ betekende slechts een relatief geringe tijd, misschien niet eens een uur. Alleen zij durfde het te denken: dat wij weldra gezellen zouden zijn, daar beneden. Wezens met als enig mogelijk overblijvende referentie: het beeld dat ergens van ons overbleef.
Mijn vrouw hield mij een beker voor met helder water; ik nam hem aan en dronk hem tot op de bodem leeg. Het koele water stroomde begeleid door allerlei onbestemde geluiden door de holten van mijn buik, en ik boerde.
11. Het onweer
Die nacht ging ik niet naar de kelder. In het grote bed lag naast mij Lotte op haar rug. Zij sliep. Ikzelf lag op de rand en bekeek aandachtig de silhouet van haar magere maar welgevormde lichaam. Met op de achtergrond het nachtraam en het schijnsel van de maan, leek heel haar wezen nu te zijn herleid tot een blanke golf in de duisternis. De haren waar de maan in speelde, het bolle voorhoofd waarop kleine zweetdruppeltjes parelden, de smalle, rechte neus, de dunne lippen en de ronde kin. De welving van de ranke hals, de sleutelbenen. En dan haar borsten, klein maar verrukkelijk volmaakt van vorm. Ik volgde de blanke lijnen eenmaal, andermaal, een derde keer. Toen viel mijn blik plots op de welving van haar buik.
Onder haar borsten welfde de lijn op van haar buik, en zij was zoals een golf die opbolde om krachten en volume te verzamelen vooraleer haar hoogste top te bereiken en dan als een gevaarte te pletter te slaan op het strand van haar heupen. Ik keek naar deze wonderbare welving, en toen zag ik ineens een plotselinge, kortstondige beweging.
Ik schrok, ging rechtop zitten, keek naar haar gezicht dat als van een levenloze leek want het was alsof zij niet meer ademde. Ik vestigde mijn blik weer op de welving en zag het nu nog een keer: er was beweging in haar buik! Stil legde ik mijn hand op haar buik, en wachtte. Eerst was er niets, maar dan kon ik het voelen: een schokkende beweging. Het was zoals een geklop dat zich op de regelmaat van versmaten herhaalde, een zacht gehamer dat mij aan mijn werk deed denken, alsof daarbinnen in die holte, een beeldhouwer bezig was met hamers van vlees en met pezige beitels die nauwelijks geluid maakten. Op dat ogenblik ontsloot zij haar ogen en zij keek mij aan.
"Moet je niet werken vannacht?", klonk haar zwakke stem. "Ik dacht net dat ik je hoorde kappen..."
Ik wendde mijn ogen van de hare af, keek naar haar buik en keek haar dan weer glimlachend aan.
"Het is een meisje", zei ze, "ik kan het voelen." En zij leek weer in slaap te vallen.
Ik ging opstaan en liep naar de keuken, schonk me een glas vol water en dronk, ging bij het raam staan, zag het torentje dat als verlicht door duizend lampionnen in de zwarte nachthemel boorde.
Ik opende het raam, stapte door het raam naar buiten, blootsvoets in het frisse gras. Een kikker sprong voor mijn voeten en dook het vijvertje in; ik zag zijn helgroene harnas verdwijnen tussen een weelde van kleurige salamanders; een goudvis sprong boven het wateroppervlak uit en verdween even snel weer met een zachte plons. De muziek van krekels was te horen en in de verten sloeg de kerkklok eenmaal.
Ik wandelde om het huis heen, door het gras, en toen ik helemaal rondgegaan was, begon ik aan een tweede ronde, nu op een wat grotere afstand, en ik herhaalde dat een derde keer, een vierde keer. Mijn wandeling beschreef zodoende een spiraal, en toen ik me al op een heel eind lopen van het huis vandaan bevond, ging ik neerzitten in de velden, en beschouwde ik de woning die daar verlaten in de vlakte stond, onder een met sterren bezaaide nachthemel, het hele sprookjesachtige tafereel beschenen door een heldere maan.
Uit het torentje zag ik ineens mijn witte uil vertrekken; hij zette koers in de tegengestelde richting en verdween achter de bomen. Een sluier van wolken bedekte langzaamaan de maan en in geen tijd werd het donker en ook frisser. Aan de einder was er een lichtflits en vele tellen later kon ik een zacht gebulder horen, alsof daar bommen werden neergegooid. Er stak een briesje op, het voelde koud aan, en na een poos ging het echt waaien. De lichtflitsen herhaalden zich en ze volgden elkaar steeds sneller op, telkens achternagezeten door nu aanzwellend gedonder. Niet langer waren de sterren nu te zien: in geen tijd was de hemel dichtgemetseld met wolken die in een steeds wildere vaart voorbijdreven; de bomen aan de einder bogen diep ter aarde.
Als men dit spektakel beschrijven zou aan iemand die nooit een onweer had gezien, hij zou het wellicht niet geloven, ofwel zou hij denken aan iets bovennatuurlijks. Wij spreken over de natuur als wij verschijnselen meemaken die wij kennen, omdat ze zich voordoen met een zekere regelmaat. Verschijnselen die wat zeldzamer zijn, kunnen ons doen schrikken, zoals tornado's, die in onze streken vooralsnog heel uitzonderlijk zijn, en die bomen uitrukken en mensen, vee en huizen als door een riet opzuigen naar boven. Hoe zeldzamer verschijnselen zijn, hoe sneller zij ook worden geboekstaafd als bovennatuurlijk. Maar op de keper beschouwd is de verwachting dat zich geen andere fenomenen voordoen dan deze die om de haverklap optreden, en die wij bijgevolg ook kennen, een bijzonder naïeve en kortzichtige verwachting.
Er zijn verschijnselen die we mogelijkerwijze slechts één enkele keer zullen zien, zoals een volledige zonsverduistering of het voorbijtrekken van een staartster. Een mensenleven duurt tenslotte niet heel lang vergeleken bij de tijdperken die de natuur zelf moet doorlopen, en die zelfs niet in lichtjaren uitdrukbaar zijn. Daarbij vergeleken is zelfs het hele mensdom slechts een flits. Zoals er fenomenen bestaan die slechts eens in een mensenleven opduiken, zo ook zijn er verschijnselen die zich pas na vijfhonderd jaar herhalen, of gebeurtenissen die zich eens per lichtjaar voordoen, of ook nog: gebeurtenissen die uniek zijn.
De planeten draaien rond de zon, en rond vele planeten draaien manen. De zonnen vormen melkwegstelsels, en die melkwegstelsels vormen op hun beurt weer grotere gehelen die in een enorme kosmische dans betrokken zijn, waarvan wij de bewegingen niet kunnen raden. Er zijn rondgaande bewegingen en spiralen, slingerbewegingen, botsingen en ontploffingen, uitwasemingen, kolken, gedaanteveranderingen, aantrekkings- en afstotingsverschijnselen, allemaal in een wirwar door elkaar.
Wat gebeurt er wanneer ééns in de zoveel lichtjaren alle planeten zich toevallig plotseling op één as gaan bevinden? Of wanneer eens in de zoveel triljoenen lichtjaren, alle zonnen samen een kring gaan vormen in de kosmos? Een kring, een rij, een teken, zoals ook de watermoleculen dat lijken te doen in een ijskristal? Want het toeval eist dat dit ooit gebeuren zal, alleen al omdat, in de oneindigheid van de tijd, ooit alle sterrenstanden zullen worden ingenomen die ook mogelijk zijn. Als de tijd maar lang genoeg blijft duren, zal al het mogelijke zich ook voordoen, en niet eenmaal, doch een oneindig aantal keren. De natuur is altijd bovennatuurlijk.
Het was beginnen te regenen en de strakke wind werd kil; daarom haastte ik me terug, toen, terwijl ik bijna op mijn bestemming aankwam, plotseling het hele huis gehuld werd in een helle gloed.
Voor mij zag ik de bliksem loodrecht als een staaf neervallen op het torentje, gelijktijdig met een slag die de grond deed daveren. Al wie het ooit heeft zien bliksemen, weet dat in dat ogenblik van licht meer klaarte is dan in een met zon overgoten zomerdag, maar dit keer was er zoveel licht en straling dat men door alles heen kon kijken. Het hele gebeuren voltrok zich weliswaar in slechts één enkel ogenblik, maar door die helle klaarte brandde het beeld zich helder en ook tot in de geringste details op het netvlies vast.
Ik zag het huis, het torentje, de schitterende sleutel bengelend onder de nok, de binnenste en de buitenste wenteltrap waarin nu ook heel duidelijk het gat van de ontbrekende trede was te zien zoals een gebit waaraan een tand ontbrak, en ik zag ook alle kamers van het huis, doorheen de muren. Het bed zag ik, en Lotte, liggend op het bed, met haar gewelfde buik, en in de buik, het kind dat wij verwachtten. Ik zag de kelderdeur, het slot, de zwarte trappen, ondergronds naar beneden, en het arduinen beeld en, naast het beeld: de vrouw, het gat, de tunnel onder het gat en ook de reusachtige holte in de diepte. Ik zag het allemaal in één enkele flits en het zou me nog dagenlang bijblijven, ik kon het herbekijken, analyseren, en ondervragen want het was niet van mijn netvlies te wissen.
Ik spoedde me naar binnen, stond te druipen bij het bed, maande Lotte, die was opgeschrikt door de helse donderkap, tot kalmte aan, en sloot alle deuren en ramen.
In het donker van de kamer, in het warme bed, beluisterden wij samen het oorverdovende spektakel van eerst zich tegen de vensterruiten spijtende pijpenstelen en dan aan scherven gaande hagel. Ik weet niet hoe het ijs binnen geraakte, maar het sloeg plots ook her en der tegen het marmer van de vloer aan diggelen, en wat verschrikt keken wij het aan, alleen maar wachtend totdat de storm zou luwen. Maar de regen hield aan en werd zelfs heviger. Geen druppels waren dit nog, maar wel een stroom van water, alsof de hemelsluizen, zoals men dat soms zegt, nu eens en voorgoed geopend waren.
Telkenmale als de bliksem oplichtte, toonde hij ons hoe het met de wereld omheen het huis was gesteld, en tot onze verwondering zagen we hoe de akkers in geen tijd hadden plaatsgemaakt voor een heuse zee waarop her en der wild zwaaiende boomkruinen boven de golven uit staken. Het huis dat wij bewoonden leek nu wel een schip, en toen wij uiteindelijk het eerste water over de vloer van de kamer zagen stromen, hield het met regenen op en keerde als in een enkel ogenblik de rust terug.
Het gedruis van het onweer was nu geweken, toen ik plots zag dat de kelderdeur wijd open stond. Ik liep er heen, de kelder stond tot de rand vol met water, en uit het water stak een arm. Ik greep de arm, hees wat om redding smeekte, op en kantelde uit alle kracht het gevaarte in de keuken naar binnen: daar stond het beeld!
Onmiddellijk trok het water zich terug; het was alsof de zwarte trappen oprezen uit de stroom, en in het aanhoudende licht van de bliksemschichten zagen mijn vrouw en ik hoe al dat water aan het tollen ging en, zoals water dat in een rioolput verdwijnt, eensklaps en begeleid door een luid geslurp werd ingeslikt door het gulzige gat in de diepte.
12. Een vreemd verslag
De volgende dag trachtten we het slib wat op te ruimen. Er bereikten ons berichten van het noodweer in de rest van het land, maar we hadden niet de tijd voor ook maar iets anders dan opruimen. Eigenlijk was de schade aan ons have en goed, zeer beperkt gebleven. En die avond maakte ik het haardvuur aan en we dronken rode wijn, mijn vrouw en ik, terwijl we ons verwarmden.
Terwijl we zo rustig in de vlammen keken, begon Lotte te spreken over haar angst met betrekking tot het weer, en over het veranderende klimaat. Net op dat ogenblik zweefde doorheen een openstaand raam, in een brede bocht, onze witte uil in de kamer naar binnen, en hij ging zitten boven op mijn nieuw beeld dat we daar voorlopig een plaats hadden gegeven.
“Het wordt warmer, dat is waar”, zei ik, “maar ze vertellen ook dat nu de Golfstroom stilvalt.”
“Dat klopt”, antwoordde Lotte: “Ik las er onlangs iets over: in de laatste tien jaar zou die stroom dertig percent aan kracht hebben ingeboet: smeltwater is zoet, dus minder zwaar, zodat het niet naar beneden zakt, en zo wordt de draaiende beweging van de golfstroom gestopt. De Golfstroom voert immers warm water uit de tropen aan in de bovenlagen, terwijl koud en dus zwaarder water via de onderlagen wordt teruggevoerd. Als die stroming zou stilvallen, dan zouden we hier Siberische winters tegemoet gaan.”
“Het reguleert allemaal zichzelf”, zo kwam plotseling onze uil tussenbeide: “Die dingen hebben altijd bestaan.”
“Heb jij dan ook teevee gekeken?” lachte Lotte.
“Ik ben mij vanmorgen een rat gaan vangen in de kelder”, antwoordde de uil: “dat gat zit vol met ratten, en...”
“Welk gat?”, schrok Lotte.
“Het gat waar doorheen het water weggetrokken is”, stelde ik haar gerust: “maar let niet teveel op wat hij zegt, want hij fabuleert er maar op los!”
“Dat denk ik niet”, sprak de uil, op zijn teen getrapt: “en ik kan u zelfs wat aardigheden vertellen over dat gat! Natuurlijk, als het u niet interesseert... ben ik zo weer weg!”
“Neen, neen, blijf zitten en vertel!”, antwoordde Lotte. De vrouwelijke nieuwsgierigheid was nu voorgoed gewekt.
De uil schraapte zijn keel: “Ik ben het gat ingedoken”, zei hij, “en ik ben naar de onderwereld gevlogen...”
Ik maakte mijn lach, maar Lotte stootte mij tegen de elleboog: “Laat hem toch vertellen!”
“Er was een conferentie aan de gang”, sprak hij, “en er viel heel wat uit op te steken!”
“Vertel maar, jongen”, zei Lotte.
“De zaak is”, zo sprak de uil, “dat iedereen zich zorgen maakt over het klimaat, terwijl er helemaal niets aan de hand is. Althans niet met het klimaat...”
“Vertel!”, herhaalde Lotte, “En breng mij een deken”, beval ze mij nu.
Terwijl ik naar de slaapkamer liep, een deken halen, ging de uil plaatsnemen op de leuning van Lotte’s zetel, en hij begon. Hij sprak net zoals een kind doet dat een en ander aan zijn moeder kwijt wil. Maar niet als een gewoon kind sprak hij: hij geleek op een alwetend kind, een kind dat er om bekend staat veel meer te weten dan voor een kind betaamt, en dat daarom aandacht krijgt, zo nu en dan, en ook gekoesterd wordt op een bijzondere manier. Ik vond de uil wel grappig, maar van zijn gepraat geloofde ik geen zier. Dit zeer in tegenstelling tot mijn vrouw, die bereid leek om alles te slikken wat hij haar op de mouw kwam spelden.
Ik duffelde Lotte warmpjes in, schonk onze glazen nog eens vol, ging zitten en luisterde gedwee mee naar wat de vogel te vertellen had.
“Je moet je eens goed voorstellen”, zei hij: “de systematische optekeningen van het weer gebeuren pas een goede honderd of tweehonderd jaar.”
“Heel nauwkeurig ben je wel niet”, lachte ik, maar nu hij bij haar een luisterend oor gevonden had, stoorde hij zich niet aan mijn opmerkingen.
“Over het verre verleden weten we niets, behalve dan wat men zoal afleidt uit interpretaties van afzettingen in ijs en in aardlagen. Edoch, wat zijn die waard?”
“De geologie werkt heel nauwkeurig”, probeerde ik nogmaals, maar ik maakte geen indruk, noch op hem, noch op Lotte, en meneer praatte ongestoord verder.
“We weten al zo weinig over de feitengeschiedenis”, sprak hij, “wat zouden we dan kunnen weten over de geschiedenis van het weer!”
Lotte knikte beamend terwijl ze het beest met haar slanke handen door de witte veren streelde.
“En dan nog”, ging hij verder, zijn kopke nu schuin houdend: “gesteld dat er een grote klimaatsverandering bezig was: kon menselijk gedrag daarvan de oorzaak zijn? Ha, mensen zijn dieren die zichzelf fel overschatten! Reken maar na: één vulkaanuitbarsting brengt meer stof in de atmosfeer dan alle fabrieksschouwen samen dat kunnen in een periode van een ganse eeuw!”
“Warempel”, prevelde mijn vrouw.
“En hoeveel atoomexplosies zijn er op de zon, vergeleken bij die atoomproefjes hier? Elke poging tot vergelijking is gewoon belachelijk!”
“Mij maken ze toch ook niet wijs dat auto's en vliegtuigen hiervoor verantwoordelijk zijn”, wendde Lotte zich nu tot mij: “Plaatselijk, en tijdelijk, dat is zeker; maar blijvend?! Ik geloof het niet! Hoe wijd is de hemel niet!”
“De menselijke activiteit is verwaarloosbaar vergeleken bij de natuurlijke”, sprak de uil: “Zou men niet veeleer geloven dat er iets fout was met de zon dan met de atmosfeer? Of dat terroristen, of politici, atoombommen onder de Noordpool deden ontploffen?”
“Waanzin”, zei ik.
“Haha”, lachte de uil: “waar is al dat verdwenen Russisch plutonium dan naartoe, denk je? En een atoombom is niet zo groot meer, weet je: hij kon hier gemakkelijk als beeldhouwwerkje in de kamer prijken! En even gemakkelijk wordt hij opgeborgen in een onooglijk schuitje!”
“Zelfmoordcommando’s zijn er anders wel genoeg”, waarschuwde mijn vrouw.
“Zeer zeker”, beaamde de uil: “en wie zal zo’n transport dan detecteren?”
“Het zou best kunnen”, prevelde Lotte.
“Ach”, zei ik: “hou toch op met die onzin: met de moderne satellieten kan men onze kranten meelezen!”
“Maar Bin Laden vinden kunnen ze niet!”, sprak de uil: “Mens en dier staan machteloos, zowel tegenover de natuur als tegenover terreur!”
“Herinnert jij je dat dan niet”, richtte Lotte zich weer tot mij: “dat enkele weken na de grote tsunami radioactieve vaten aanspoelden op de kusten van de ‘hoorn van Afrika’?”
“Maar Lotte toch: er spoelen dagelijks vaten aan, op alle stranden ter wereld!”, trachtte ik haar tot rede te brengen.
“Tienduizenden mensen werden erdoor besmet”, hield ze vol: “velen stierven onmiddellijk!”
“Inderdaad”, zo bevestigde de uil haar woorden: “Maar het bijzondere is dit: het voorval kwam één keer in het nieuws; daags nadien was het al vergeten. Maar de feiten trekken zich van die vergetelheid niets aan!”
“Dat is echt belachelijk”, zei ik: “Beweer je nu echt dat die tsunami door atoombommen op gang werd gebracht? Bommen in zee gedropt door terroristen?”
“Het is wel een feit dat Bin Laden topwetenschappers in zijn dienst heeft”, zei Lotte.
“Kijk eens”, zei de uil: “tot enkele maanden geleden bleven de Amerikanen beweren dat er niets aan de hand was met het milieu, en nu ineens is iedereen zeker dat het wel zo is, omdat een politieker het zo gezegd heeft: is dat niet zeer bedenkelijk? Trouwens, niemand doet er echt iets aan, nietwaar? Denk maar aan dat verdrag daar, dat het opkopen van vuile lucht mogelijk maakt: zegt dat dan niet genoeg?”
“En wat is er volgens u dan aan de hand?”, wierp ik tegen.
De uil zette zich schrap: “Ik verkondig geen eigen meningen”, zo riep hij ons tot de orde: “ik kan alleen vertellen wat ik zopas gehoord heb op de conferentie.”
“Vertel het ons”, zei Lotte.
“Sinds kort....”, zo begon de uil nu op een ernstige toon, “heeft het Westen een groot gebrek aan grondstoffen en aan energie. De reden is dat China nu alles opmaakt. Het land van de rijzende zon heeft onlangs verdragen gesloten met Afrika voor de komende honderd jaar. Inderdaad, alle Afrikaanse grondstoffen gaan sinds kort naar China, dat een grote bouwwerf is geworden, met steden die de goden doen duizelen. In ruil geeft China aan Afrika daadwerkelijke steun: het helpt het zwarte continent heropbouwen! En, geef toe: dat is eens wat anders dan de negerslavernij en de ingevoerde dictators! Het wordt uit het nieuws gehouden, maar het gebeurt wel echt. En de olie, waar omheen die oorlogen in het Midden-Oosten allemaal draaien: die krijgen we hier niet meer, dat sprookje is voorgoed afgelopen! Ook in Zuid-Amerika, waar de States gingen aankloppen voor biobrandstof uit maïs, vangt men bot. En wat kan wie een tekort aan olie heeft, nog meer doen dan het verbruik ervan aan anderen trachten te verbieden? Want daar gaat het over in die nieuwe verdragen: aan anderen die wél energie hebben, het verbruik ervan verbieden! Die strategie is trouwens niet nieuw...”
“Het is waar”, zo gaf ik hem gelijk, “dat wij niet alles weten: het volk werd altijd al in de doeken gedaan. Maar nu overdrijf je toch een beetje.”
“Het zijn geen meningen van mij”, herhaalde de uil: “al wat ik zeg, komt uit de conferentie!” En hij stak voorwaar een poot op en zwoer plechtig met twee van zijn tenen.
“Vind je het trouwens niet vreemd”, zo ging hij door, “dat nu plotseling iedereen zegt dat er wat scheelt met het klimaat en dat we allemaal moeten inbinden? En men haalt er de heilige wetenschappen bij, zo zonder dat er nieuwe uitvindingen gebeurd zijn, terwijl amper enkele maanden geleden nog beweerd werd, óók met de wetenschappen, dat er helemaal niets abnormaals aan de hand was! Vind jij dat niet een heel klein beetje ongeloofwaardig? Ik ben een uil, maar ik moet u bekennen, dat ik al heel hartelijk heb moeten lachen met jullie wetenschappen en geleerden!”
“Goed dan, en wat zeggen ze op de... conferentie?”
“Dat dit gewoon een strategie is!”
“Een strategie begot!”, schreeuwde Lotte: “Een strategie van wie, en waarom?”
“Vroeger kreeg men mensen in het gareel met de fabel van de hel”, zo sprak de uil, “het hele rechtssysteem kon draaien op de eed, want wie meineed pleegde, ging recht naar de hel. Maar nu niemand nog gelooft, wordt een nieuwe religie gepromoot: de ‘new-age’, de religie van het milieu!”
“Daar zit iets in”, zei Lotte, “zou dat misschien verklaren waarom katholieken zo kwaad zijn op die ‘new-age’? Er werden al onzachte encyclieken gewijd aan dit nieuwe geloof...”
“Zeer juist”, beaamde de uil: “Niemand durft die nieuwe religie nog tegen te spreken, net zoals men ooit stilletjes zweeg en zweette als de hel ter sprake kwam. Maar... het zijn fabeltjes!”
“Je ontkent toch niet dat het nu warmer wordt!?”, maakte ik me kwaad.
“Het wordt wat warmer nu, de jongste maanden, in Noord-Europa, dat is waar”, zo gaf de uil toe: “Maar dat is pas enkele maanden, hooguit jaren het geval, en wie zegt dat dit blijft duren?”
“De poolkappen en de gletsjers smelten”, wierp ik op.
“Ook dat is waar”, bekende de uil, “maar wie zegt dat dit geen bewuste ingrepen zijn van de mens? Of gewoon cyclische verschijnselendie altijd hebben bestaan, en die nu zeer overtrokken worden? Trouwens, het weer is altijd grillig geweest: in de eeuw van Brueghel waren de winters hier vreselijk koud, zoals op zijn schilderijen nog te zien is. Tweeduizend jaar geleden kon Caesar door de Noodzee naar Engeland waden, en nog een paar millennia eerder lag Brugge aan de kust! Ooit waren er zonsverduisteringen door vulkaanstof, en was het jarenlang overal nacht; er waren inslagen van reusachtige kometen die het leven grondig wijzigden, en wat al niet meer! Maar dat is allemaal natuurlijk. De natuur is grondig abnormaal, en daar kunnen Kyoto-verdragen en andere milieupacten niets aan veranderen: hooguit getuigen die van een belachelijke zelfoverschatting van de mens, gekoppeld aan een politiek opportunisme. Ha, hoe belachelijk hebben de weersdeskundigen, de professoren, de politici en de media zich niet gemaakt, in die plotselinge 'omslag' der meningen! En pas op: waar ze enkele maanden geleden nog ‘wetenschappelijk’ bewezen dat er niets aan de hand was, daar bewijzen ze nu schaamteloos met dezelfde vlag der ‘wetenschappelijkheid’ dat het einde der tijden is ingeluid!”
“’t Is toch wel waar”, zei Lotte. “Maar nu word ik moe, ik wil slapen.”
We wensten de uil een goede nacht en hij maakte ons zijn wederwensen over en hij zette koers doorheen het raam en verdween in een dicht wolkendek. Ik ging nog eventjes bij het venster staan, en keek over de velden die er wat belabberd bij lagen. Morgen zou de zon weer schijnen uit alle kracht, alles zou in geen tijd weer opdrogen, en het zou alras zijn alsof er nooit een onweer was geweest. Zo snel wist de natuur haar eigen sporen uit, en aan wie er niet zelf bij was, kan men met geen woorden kwijt wat er gebeurde.
13. De uittreding
Die nacht had ik een vreemde droom. Ik droomde dat ik wakker werd. Het was, wat men noemt, een 'lucide' droom — het soort van droom waar de arts en schrijver, Frederik van Eeden, bijzonder veel aandacht aan wijdde — want terwijl ik opstond uit bed, wist ik dat ik alleen maar droomde, en dat mijn opstaan onecht was.
Het was weliswaar onecht, en zo voelde ik ergens nog dat ik verder sliep, maar het was tegelijk in zekere zin ook echt, want ik voelde dat een deel van mezelf, dat even wezenlijk was als het slapende deel, ook echt aan het opstaan was.
Ik had ook heel sterk het gevoel dat ik vrij kon kiezen wie ik zou zijn: ofwel diegene die rustig verder sliep, ofwel diegene die opstond. Verplaatste ik me in diegene die nog lag te slapen, dan voelde ik dat deze slaap geheel ondiep was: het was een slaap vergelijkbaar met de slaap die je hebt als je ergens in den vreemde vertoeft: je bent bijvoorbeeld met vakantie en je hebt een hotelletje gevonden, je bent moe en je slaapt wel in, maar je bent niet thuis, je kent de nachtelijke geluiden daar niet en je blijft waakzaam, als was je een gans. Zoals men weet, slapen ganzen altijd met één oog open, en sinds oudsher zijn ze daarom ideale wakers: zo waarschuwden zij de Romeinen bij de aanval van het Galliërs op het Capitool. En zo ook was mijn slaap een ganzenslaap, een waakzame slaap.
Ik had makkelijk het bevel kunnen geven aan mijn ogen om open te gaan, en dan was ik ook meteen wakker geweest, maar ik deed het niet, omdat ik heel goed besefte dat dan die helft van mezelf die aan het opstaan was, als een zeepbel uit elkaar zou spatten. Maar even goed kon ik me dus verplaatsen in diegene die aan het opstaan was, en dat deed ik ook, en wel om de heel eenvoudige reden dat dit mij de meest interessante keuze leek.
Ik was dus noch volkomen in slaap, noch wakker, en ik werd gewaar dat de mogelijkheid om me aldus in twee te splitsen, er was, omdat ik de wakkerheid en de slaap verdeelde over die twee helften van mezelf, die ik tegelijk geworden was. Elk van die helften was immers voor de helft wakker en voor de andere helft slapende, en zodoende bestond ik op de keper beschouwd slechts één maal, want twee keer half. Wij weten immers allang dat ons bestaan volkomen met ons bewustzijn samenvalt, en er is geen enkele reden te verzinnen waarom dit bewustzijn zich niet zou kunnen opsplitsen van zodra de belemmering van het vleselijke lichaam buiten spel staat, hetgeen gedurende de slaap het geval is.
Het was me dus duidelijk dat het openen van mijn ogen, maar ook het maken van de geringste, bewuste beweging, het bestaan van mijn lichaam onmiddellijk in mijn bewustzijn zou brengen, zodat het meteen ook alle bewustzijn voor zichzelf zou opeisen, wat het einde van de opstaande helft zou betekenen.
Men dient nu ook te weten dat die helft die opstaat, niet het lichaam is, en ook niet een helft daarvan: het zal dus nooit kunnen voorvallen dat het opstaande lichaam wakker wordt in gevolge zijn bewegingen, hoe heftig die ook zijn, en dat het slapende lichaam dan als een zeepbel zou imploderen, zodat men zich dan plotseling zou bevinden rechtopstaand naast het bed, of ergens rondzwevend onder het plafond, of nog veel verder, want het opstaande lichaam kan zich met het maken van zwembewegingen zeer ver verplaatsen door de luchten, zoals elkeen die wat vertrouwd is met de droom wel heel goed weet.
Het opstaande lichaam zal dus nooit gewekt worden, tenzij men aan het slaapwandelen is: in dat bijzondere geval, denkt men dat men slaapt, en dat het stuk dat opstaat, niet echt opstaat. De slaapwandelaar vergist zich dus, terwijl hij zich meestal toch van zijn vergissing bewust blijft: hij weet dat hij bijvoorbeeld niet kan vliegen, en ook zal hij geen gevaarlijke dingen doen. Hij weet dat hij uiteindelijk moet terugkeren naar bed. In feite is de slaapwandelaar een dromer die zich schromelijk vergist in zijn pogingen om lucide te dromen. Wie daarentegen een geslaagde lucide droom heeft, weet tevens dat hij niet slaapwandelt en dat het lichaam waarmee hij zich verplaatst, niet zijn echte, stoffelijke lichaam is.
Verder dient men te weten dat het 'lichaam' waarmee de lucide dromer uit zijn slaap opstaat, of tenminste half opstaat, evenmin een schijnlichaam is, en dus niet zomaar een gedroomd lichaam. Het lichaam waarmee de lucide dromer opstaat, kan zich immers verplaatsen naar andere kamers, en het kan zelfs heel ver buitenshuis gaan vertoeven, en daar echte observaties doen. Iemand die lucide gedroomd heeft, is principieel in staat om bij hetontwaken te vertellen waar hij is geweest, wat hij heeft zien gebeuren en wat hij gehoord heeft. Een lucide dromer kan bij wijze van spreken verslag uitbrengen van een nachtelijke vergadering welke tijdens zijn slaap aan de gang was op twintig kilometer van zijn bed vandaan. Een slaapwandelaar zou dit in sommige gevallen eveneens kunnen presteren, maar het is zeer onwaarschijnlijk dat hij dit doet, omdat het slaapwandelen bijna altijd gevolgd wordt door een totaal geheugenverlies. Wie niet vertrouwd is met lucide dromen, zal niet weten wat hiermee allemaal wordt bedoeld, maar hij hoeft zich ook verder geen zorgen daarover te maken, daar elke mens op tijd en stond wordt ingelicht over de zaken waarover hij ingelicht dient te zijn.
Het 'lichaam' dat tijdens een lucide droom opstaat uit de slaap, is dus niet het vleselijke lichaam, maar het is ook geen gedroomd lichaam, want het kan waarnemingen doen en het kan zich het waargenomene later ook tamelijk goed herinneren. Hoe dat 'lichaam' dat dan klaarspeelt, weet geen mens. Men zou zich dat lichaam misschien wel het beste kunnen voorstellen als een soort 'kopie' van het vleselijke lichaam, of een schaduw ervan, maar dan een schaduw die niet helemaal egaal zwart is, doch een waarin nog wat van de kleur van het origineel te bekennen valt, zij het in veel fletsere tinten. En er is nog iets aan de hand dat gezegd moet worden.
De wereld waarin het reizende lichaam zich verplaatst, is de stoffelijke wereld waarin zich het echte, vleselijke, slapende lichaam bevindt, maar hij lijkt dat niet: de wereld van de zich op reis begevende 'helft', lijkt slechts een afdruk van de oorspronkelijke. Let op: die wereld is geen gedroomde wereld; hij is geen product van de slapende dromer; hij bestaat wel degelijk onafhankelijk van de dromer. Maar hij lijkt onecht omdat de zich tijdens de slaap verplaatsende 'helft' in feite onstoffelijk is: het onstoffelijke heeft geen greep op het stoffelijke zoals het stoffelijke greep heeft op het stoffelijke, en zo krijgt het onstoffelijke lichaam een indruk van onechtheid wanneer het door de stoffelijke wereld reist. Dat dit alles zo in elkaar zit, hoeft ons trouwens niet te verwonderen. Over het echte lichaam in wakkere toestand weten we namelijk ook dat het slechts dat gedeelte van de stoffelijke wereld kan ontwaren dat het ook kent: wat men niet kent, kan men niet zien; men ziet wel 'iets', maar bij een gebrek aan kennis blijft het geziene volstrekt onbepaald, en zo zal bijvoorbeeld een boek door een analfabeet alleen maar benut worden om er een tafel met een te korte vierde poot mee in evenwicht te brengen, zoals schrijvers uit verre landen dat al hebben gezegd: het wezenlijke van het boek — de tekens, de taal en het verhaal — ontgaat hem volkomen.
Ik stond dus op terwijl ik sliep, er goed op lettende dat ik mijn ogen niet opende en dat ik geen bewegingen maakte, terwijl ik mij met mijn opstaande lichaam vrij door de ruimte bewoog. Echt vrij is men natuurlijk nooit, als men uittreedt, want er blijft nog iets van de stoffelijkheid kleven aan datgene wat tenslotte allerminst van stof is, en men voelt nog de inwerking van bijvoorbeeld de zwaartekracht. Op de keper beschouwd is dat gevoel volkomen vals, edoch het valt niet anders te overwinnen dan door het maken van de specifieke bewegingen waarvan hoger sprake: het uittredende lichaam ziet zich genoodzaakt om zich in schoolslag van de begane grond te verheffen. Dat is weliswaar vermoeiend voor de armen, en vaak ook is de lucht niet dik genoeg om zich tegen af te duwen, maar de ervaren 'zwemmer' weet dat het ineens veel beter kan beginnen te gaan. Men moet eerst een welbepaalde hoogte bereikt hebben, vooraleer het vliegen om zeggens moeiteloos wordt, zodat men zich wel eens verbeelden kan dat men vanaf dat moment als het ware boven op de benedenlaag van de lucht begint te drijven.
Ik heb hier het gemene woord "uittreden" gebruikt, maar eigenlijk deed ik dat tegen mijn zin, want het is in feite geen uittreding wat zich voltrekt als men lucide droomt en opstaat, alleen al omdat een helft van jezelf in het slapende lichaam blijft vertoeven en, zoals gezegd, ben en blijf je je daar op elk ogenblik van de 'droom' ook heel goed van bewust. Beter dan de term "uittreding" lijkt mij daarom de term "opsplitsing", al geeft ook dàt woord niet exact weer wat er gebeurt. Immers, een echte opsplitsing is hier niet gaande; het lichaam wordt immers niet opgesplitst, het blijft geheel, en in één stuk blijft het ook in bed liggen. Alleen de geest wordt opgedeeld. En dan nog: een eigenlijke opdeling is dat ook weer niet, want men bevindt zich slechts op één plaats tegelijk, niettemin men zich in staat acht om in geen tijd van de ene naar de andere plaats te verspringen: van het rondvliegende 'lichaam' naar het echte lichaam in bed, en andersom. Overigens is er niemand die aangaande deze dingen over "opsplitsing" spreekt, terwijl iedereen wel on-ge-veer weet wat er bedoeld wordt met een "uittreding". Met enige tegenzin doch noodgedwongen, zal ik die term hier dus blijven gebruiken.
Ik was opgestaan, had me met schoolslagbewegingen tot boven op de onderste luchtlaag gewerkt, en dreef nu, wat op adem komend, pal onder het plafond in de kamer rond, neerkijkend op het bed waarin mijn echtgenote en ikzelf lagen te slapen. Niettemin ik gemakkelijk doorheen de ruiten had kunnen vliegen, richtte ik me naar het openstaande raam, en werkte me met een enkele felle, zijwaartse slag van mijn beide armen naar buiten.
De nachtlucht deed me goed; ik voelde me bevrijd, en de angst dat ik mezelf beneden in bed zou wekken, verdween meteen, zodat ik nu zorgeloos kon zweven. Na nog enkele krachtige en onverhoopt efficiënte bewegingen, torende ik boven mijn torentje uit, en zag ik hoe mijn uil mij vanuit een van de tochtgaten zat na te kijken, echter volstrekt onaandachtig en ongeïnteresseerd, zoals iemand naar een voorbijdrijvende wolk kijkt, of naar een vliegtuig, onbereikbaar hoog in de lucht. En terwijl ik steeds hoger klom, en al tussen de donkergrijze nachtwolken was beland, gebeurde er iets geheel onverwacht.
14. De verwisseling
Ik zweefde tussen de nachtwolken, de uil beneden verdween uit mijn zicht, en plotseling kreeg ik iets in de gaten dat heel fel mijn aandacht trok: ik zag een licht.
Aanvankelijk dacht ik aan de maan, maar het licht dat ik zag, was veel te fel om van de maan afkomstig te kunnen zijn: het maanlicht is een weerkaatsing van een bijzonder klein gedeelte van het licht van de zon, en ik heb me er altijd over verwonderd dat de maan desondanks zo fel kan schijnen, maar dit licht was veel en veel feller dan de schijn die zelfs de helderste volle maan ten beste kan geven. Hoewel ik de lichtbron zelf niet kon ontwaren, achtte ik het niet anders mogelijk dan dat dit licht rechtstreeks uit zijn bron viel: het bleek namelijk doorheen een koker te vallen — een koker welke als het ware zichzelf doorheen de wolken boorde, en die er uitzag als een tunnel. Men zou hier kunnen denken aan de slurf van een draaikolk, maar dan wel binnenstebuiten gedraaid: de slurf die in het geval van een draaikolk uit donkere wolken bestaat, bestond hier uit een lichtend gat in het donkere wolkendek.
Het verschijnsel was één zaak, een andere zaak was dat ik er niet zonder meer getuige van was, want ik voelde steeds heftiger hoe mijn zweefvlucht door de nabijheid van de tunnel werd verstoord, in die zin dat ik op een onweerstaanbare wijze naar de ‘mond’ van die koker werd toe gezogen. Dit gevoel ging gepaard met een lichte paniek, daar ik meteen ook vaststelde de controle over de besturing van mij vlucht volledig te verliezen.
Men moet mij goed begrijpen als ik nu zeg dat mij plotseling de neiging bekoorde om terug te keren naar mijn slapende lichaam beneden: ik wist immers heel goed dat ik droomde, dat ik “uitgetreden” of “opgesplitst” was, dat ik niét slaapwandelde, en dat het maken van een kleine beweging — zoals het eventjes knipperen met de ogen — zou volstaan om een eind te maken aan dit geheel onverwachte gebeuren, en gewoon wakker te worden, in bed, naast Lotte. Ik had een ogenblik die neiging en het scheelde ook niet veel of ik had er bijna reflexmatig aan toegegeven, toen ik deze vreemde toestand in ogenschouw nam, geconcentreerd overdacht en mij... bedacht. De nieuwsgierigheid haalde het op de vrees, die ik na mijn abrupte beslissing weliswaar nog heel goed voelde, maar tegelijk ook voelde ik mij in staat om deze vrees te trotseren, althans voorlopig. Ik gebruikte dus al mijn krachten om het ogenblik van “terugkeer” uit te stellen.
Men zal mij ook begrijpen als ik zeg dat dit proces gepaard ging met een toename van spanning: het weerstaan aan het wakker worden resulteerde in een toename van vrees, die langzamerhand overging in een stoutmoedigheid die iets ongeoorloofds had, niettemin hier vanzelfsprekend geen geschreven wetten golden, maar dit leek mij nu eenmaal een uitzonderlijke gelegenheid om een soort van kennis op te doen die nergens anders vergaard kon worden, en bovendien zou deze gelegenheid zich misschien nooit meer herhalen. Men moet het ijzer smeden terwijl het heet is, men moet de luciditeit bewaren terwijl zij er is, en vrees is ten slotte een irrationeel ding dat ons wellicht vaker afhoudt van ontdekkingen dan van gevaren. Maar er is meer.
Tegelijk met de spanning, nam ook de luciditeit toe. Ja, op een gegeven ogenblik voelde ik mij zo wakker geworden, dat zich iets totaal nieuw voordeed: ik wist zeer zeker dat de luciditeit die mij nu te beurt viel van een zodanige sterkte was, dat ik voortaan gemakkelijk had kunnen switchen van het slapende lichaam in bed naar het zwevende lichaam buiten.
Met dat laatste bedoel ik zeer zeker dat ik mij ervan bewust werd dat zich een wezenlijke verandering had voorgedaan in mijn bestaan zelf: terwijl in ‘normale’ omstandigheden in een lucide droom, het zwaartepunt van de geest bij het fysieke lichaam blijft, dat slaapt, en waar men altijd weer naartoe kan door gewoon eventjes met de ogen te knipperen, werd dat zwaartepunt, precies ingevolge die toegenomen luciditeit die er kwam door de stijgende spanning, nu duidelijk verlegd naar de uitgetreden “lichaamsschaduw”, die meteen dreigde zich met het stoffelijke lichaam te verwisselen — als ik het zo mag zeggen — en een kleine, doch vrijwillige “toegeving” van mijnentwege had ook volstaan om die verwisseling zich te laten voltrekken. In dat geval zou het maken van een geringe beweging geresulteerd hebben in het wakker worden... niet van het lichaam in bed, maar van dit zwevende “schaduwbeeld”, dat dan vanzelfsprekend niet langer de schaduw zou zijn van het eerste, maar net andersom: het lichaam in bed zou veranderen in een schaduw van het zwevende lichaam. En wat nu alles nog gecompliceerder maakte, tot mijn ineens bijzonder grote angst, was het plotselinge inzicht dat ik voortaan in het onvermogen verkeerde om nog terug te keren. Immers: indien ik nu met mijn ogen had geknipperd of indien ik enige andere, kleine beweging had gemaakt, dan had de gevreesde verwisseling zich vanzelfsprekend ook effectief voltrokken, aangezien het zwaartepunt niet langer bij het slapende lichaam beneden lag, doch bij dit zwevende lijf in de lucht!
En ziedaar de reden voor de plotselinge willoosheid waaraan ik mij nu had te onderwerpen. De geringste beweging van mijn wil — zoveel was mij nu duidelijk — had het einde van mijn bestaan op aarde betekend. En terwijl ik dit alles overdacht, hing ik daar tussen hemel en aarde: mijn huis steeds kleiner en onbeduidender achter de wolken wegglijdend, en de trechter boven mij steeds dichter bij, het licht dat eruit viel, steeds klaarder, steeds beter voelbaar.
Het licht had iets dat verwarmend werkte en dat ook bijna onweerstaanbaar was. Op eigen kracht zou ik er zo door opgeslorpt geweest zijn. Het was Lotte die mij uiteindelijk terughaalde, en zo heb ik geleerd dat wij, mensen, ook op aarde onderling verbonden zijn op meer manieren dan alleen maar met lichamen, gebaren en woorden. Edoch, voor ik uiteindelijk terugging, was ik getuige van nog een hoogst spectaculair gebeuren waarvan ik nog steeds niet kan beoordelen wat het dan precies was.
15. De terugkeer
Ik hing daar, en ik hield me koest, zoals gezegd omdat ik wist dat ik op de drempel stond van een gans andere wereld — om het zacht uit te drukken. Dit alles was de verantwoordelijkheid van mezelf en van niemand anders, want in feite had ik toegegeven aan de verleiding om de weliswaar schijnbaar uit het niets opgedoken tunnel van licht, van naderbij te gaan bekijken; als een gevolg van deze vermetele beslissing was de spanning in mezelf danig gaan stijgen dat het zwaartepunt van mijn eigenlijke "zelfgevoel" zich had weggetrokken uit het lichaam beneden in het bed en zich had verplaatst naar het lichaam in de lucht waarmee ik was "uitgetreden". Zoals men weet, is het bewustzijn identiek aan de angst. Andermaal: uittredingen gebeuren tijdens lucide dromen, en ze maken dat men tegelijk het slapende en het uitgetreden lichaam is; omdat men eigenlijk in het fysieke, slapende lichaam verblijft, terwijl het uittredende deel in feite slechts een afschaduwing daarvan is, wordt het slapende lichaam onbeweeglijk gehouden teneinde de uittreding niet abrupt ongedaan te maken en het uitgetreden lichaam te laten verdwijnen; maar nu het zwaartepunt van mijn gewaarwording zich duidelijk naar het uitgetreden lichaam had verplaatst, zou het maken van een beweging niet het ontwaken van het fysieke lichaam in bed, en het afbreken van de uittreding tot gevolg hebben gehad, maar wel zou dit geresulteerd hebben in mijn volledige eenwording met het uitgetreden lichaam, terwijl aan het bestaan van het fysieke lichaam abrupt een eind zou komen; naar ik met steeds groter wordende zekerheid vermoedde, was dit het gebeuren dat in de gangbare taal omschreven wordt als het intreden van de dood.
De lichtpijp die nu schuins boven mij hing, zoog — dat kon ik heel duidelijk gewaar worden. Ze zoog de lucht naar zich toe, en ook alles wat zich in de lucht bevond. Zo werd ik een frisse wind gewaar die mijn pyjama deed wapperen zoals een vlag aan een stok, en gelukkig voelde ik mezelf nog zoals de vlaggenstok die, niettemin sidderend in de wind, nog op de een of andere manier was vastgeankerd in de aarde. Ik wist tevens dat deze verankering niet veel betekende: één ogenblik van verstrooidheid, en ik werd meegezogen; ik moest mijn lichaam, mijn gedachten en vooral mijn wil 'onbeweeglijk' houden. Vraag me niet hoe ik het deed, maar ik deed het, en dat kon voorlopig volstaan; het was het enige wat op dat vreemde moment van indringende angst en verrukking nog telde.
De holte van licht zoog de lucht om me heen op, en ik zag hoe donkere nachtwolken koers zetten daarheen: terwijl ze langs me heen dreven, leken ze slecht zachtjes voort te varen zoals trage schepen op een langzame stroom. Maar het debiet van die stroom leek wat verderop plotseling toe te nemen en te veranderen in een echte waterval, of tenminste een 'luchtval', en ik zag die wolkenmassa's accelereren en steeds kleiner worden, wat me ineens bewust maakte van de enorme afstand die er moet geweest zijn tussen mezelf en de lichtpijp: die pijp was blijkbaar onnoemelijk veel groter dan ik eerst had ingeschat, en als zij geen licht had uitgestraald, dan had ik beslist gedacht aan wat men zich tegenwoordig zoal voorstelt als men hoort spreken over een 'zwart gat'.
Het is een bekend verschijnsel dat onze ogen ons bedriegen, zoals trouwens ook onze andere zintuigen dat doen, en ons verstand: zolang we ons in een vertrouwde omgeving bevinden, is de kans op gezichtsbedrog relatief gering, maar eens we die vertrouwde omgeving verlaten hebben, en we dingen zien die we dan pas voor het eerst zien, hebben we eigenlijk geen poot meer om op te staan. Onze ogen kunnen ons geen idee geven van de grootte van de maan en de zon. Zij kunnen ons niets vertellen over de afstanden tussen de sterren. Zij weten niet dat de waarneming van het firmament, welke vreemd genoeg enkel in de volstrekte duisternis van de nacht mogelijk is, in feite een kijk is in een verafgelegen verleden. Voor het heelal, zoals het momenteel bestaat — als het al bestaat -, zijn onze ogen volslagen blind. Wij zien wat heel nabij en vertrouwd is, maar voor al het andere zijn wij volstrekt blind. En wat daar tussenin ligt, zien onze ogen op een uitermate vertekende manier. Onze ogen hebben hulpmiddelen nodig, instrumenten. En zo waren de bewegingen van de wolken die naar de pijp werden toe gezogen, mijn kijkinstrumenten van dat ogenblik: zonder het spektakel van de opwaarts tollende wolken die zich met een voortdurend toenemende snelheid naar de pijp toe bewogen en die daarbij steeds kleiner werden, totdat ze als het ware oplosten nog vooraleer ze de mond van de trechter hadden bereikt, had ik niet het minste idee gehad van de enorme afstand die me nog van de lichtpijp scheidde, en van de reusachtige afmetingen van die tunnel. Ik heb zelf nooit in een vliegtuig gereisd maar ik weet dat, gezien vanuit een vliegtuig, een stad er kan uitzien als een minuscuul vlekje. Als mijn vluchtige berekeningen enigszins klopten, dan moest de tunnel die boven het nachtlandschap gaapte, zelfs groter zijn dan een gans continent. En terwijl dergelijke gedachten door me heen gingen, gebeurde het.
Het gebeurde in één enkel moment, en in dat moment gebeurde er zoveel, dat het moeilijk is er iets over te verhalen.
Het moment waarover ik spreek, is niet zomaar een moment uit een oneindige reeks van momenten die samen de stroom van de tijd zouden vormen: ons tijdsbegrip is immers een groot misverstand. Het is niet zo, dat de tijd een duur heeft en dat wij er over heen glijden, of hij over ons: dat is allemaal slechts schijn en bedrog. Het bestaan — of het leven — is op de keper beschouwd slechts één enkel moment en niet meer maar ook niet minder dan dat. Er is weliswaar de geboorte, er is de groei, de ontwikkeling, de fysieke aftakeling — maar al die zaken vormen slechts het raster en de voorbereiding van dat ene moment: zij zijn het nest dat wordt geweven en waarin ten slotte het ei wordt gelegd. Dit kan misschien nog het beste worden vergeleken met een muziekstuk — bijvoorbeeld: de Auferstehung van Gustav Mahler.
De Auferstehung is een groot symfonisch werk dat het beste van de mensheid opeist en bundelt. Vooreerst komt Mahler niet uit het niets: hij is de zoon van een rijke, eeuwenoude cultuurtraditie, een burger van het wondere Wenen in de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw, de bezetene van zijn geliefde Alma, de sterveling die aan Weltschmerz lijdt en die het leed met de wil tot de opstanding identificeert. De opvoering van de Auferstehung vereist het kruin van de musici, elk op het toppunt van hun kunnen, en zoveel andere zaken meer, ook dingen waarvan geen mens ooit weet zal hebben.
Het staat buiten kijf dat de Auferstehung tijd en geduld vergt, meer dan wat dan ook. Maar precies daarom is dit werk niet iets dat begint, een duur heeft, en dan weer eindigt: met die attributen zou de schoonheid alleen maar beledigd worden. Het oeuvre bestaat geheel buiten de tijd. Weliswaar, het wordt uitgevoerd, heruitgevoerd of grijsgedraaid; en elke uitvoering kent, net zoals elk leven, een begin, een verloop en een einde. Maar het werk is er pas ten volle als de uitvoering ten einde is en de stilte intreedt. Het applaus hoeft zelfs niet verboden te worden, evenmin trouwens als begrafenisrituelen dienen verboden te worden: deze dingen hebben immers geen impact op wat er werkelijk gebeurt. Het werk vult de stilte en hernieuwt ze. De stilte heeft zich met het werk geladen en zij draagt het mee — geheel buiten de tijd. De tijd heeft zijn taak volbracht: het vergankelijke werd geofferd aan de eeuwigheid en het moment van de dood zelf heeft het werk verzegeld. Het vergankelijke werd getransformeerd tot wat nooit meer kan vergaan. Het moment van de dood is het moment van het leven. En in dat moment treedt de Waarheid naar binnen in het bestaan. In het licht van de Waarheid smelt al de rest als sneeuw voor de zon. De tijd houdt op waar de eeuwigheid begint, en het is alsof hij er nooit was, want de duur der dingen is een fantoom voor de eeuwigheid.
Het moment waarover ik nu spreek, verdraagt echter geen gesprek, want de dood treedt in van zodra het moment daar is. Ik heb het moment niet ontmoet, want ik ben teruggekeerd. Maar het komt mij soms voor dat ik een verre schaduw daarvan ontwaard heb in de angst die mij toen in zijn greep had. Het is allerminst leuk om vertellen, terwijl het zelfs niet verteld kan worden. Wat verteld wordt, verhult slechts andermaal wat ook aan mijn oog onttrokken bleef.
Toen het moment leek te naderen, en de angst ten top steeg, brak er een duel uit, dat ik niet anders kan typeren dan als een strijd tussen twee geladen polen: een kortsluiting. Het gevecht tussen het fysieke lichaam beneden in het bed en het uitgetreden lijf dat daar nu belachelijk door de ijle nachtlucht dreef, leek een gevecht om een ziel die blijkbaar moest kiezen of ze al dan niet terug wilde keren. Maar hoe benard de situatie ook was en hoe groot ook de angst om niet meer terug te zullen keren: in tegenstelling tot wat ik mij allemaal had ingebeeld, bleek mijn lot ten slotte helemaal niet afhankelijk van een gebeurlijke wilsbeslissing; er werd daarentegen gevochten om mijn ziel — gevochten, ja, en wel door krachten waarmee ikzelf niets te maken had en waarvan ik het bestaan tot op dat ogenblik ook helemaal niet had vermoed. Want terwijl de nu fel oplichtende pijp boven mij heel snel naderbij leek te komen, zodat ik vreesde erdoor opgeslorpt te zullen worden, zag ik tot mijn ontzetting hoe, beneden in de schaduwen van de nachtelijke aarde en precies op de plek waar mijn huis zich bevond, zich de aarde opende, en het gat dat zich bevond beneden in mijn diepe kelder, nu zichtbaar werd, breed gaapte, op zijn beurt een wervelwind teweegbracht die een luchtstroom veroorzaakte, blijkbaar tegengesteld aan de stroom die van de lichtende tunnel uitging. En toen het oog van de orkaan boven mij, dit zag, hield hij met zuigen op, raasde met geweld door naar de plek loodrecht boven het gat in de aarde, en in geen tijd ontketende zich tussen de beide gaten iets wat ik gemakshalve een strijd noem, een gevecht tussen licht en duisternis, een onweer vol van stalen bliksemschichten en oorverdovend dondergebulder. Of was het een uitwisseling van watercolonnes, ijs en winden? Ik weet het niet.
Dit alles duurde niet bijzonder lang maar, wat mezelf betreft, net lang genoeg. Onder mij zag ik plotseling Lotte vliegen: ze wenkte mij, ik dook naar haar toe en we zweefden hand in hand langsheen ons huis en dan via het openstaande raam naar binnen, recht het bed in. We trokken de lakens over onze hoofden om van dit alles niets meer te hoeven zien. Hand in hand werden we de daarop volgende ochtend samen wakker. We spraken niet over het gebeuren, maar elk van ons kon vaststellen dat de voorbije nacht niet het minste spoor had nagelaten.
In de dagen die volgden, was er een blijde vrede in het huis. Ik besteedde mijn tijd aan de afwerking van het arduinen beeld dat sprekend op Lotte begon te gelijken, en ik haatte het niet langer omdat ik nu begreep dat ook Lotte en ikzelf van de aarde waren, dat de koele duisternis de onze was, dat er in de hemel niets te zoeken viel en dat het licht slechts vuur was dat de ogen bekoorde, maar uiteindelijk vermoeide en blind maakte. En toen het beeld was afgewerkt, verjoeg ik de witte uil en sloopte ik de toren, en op de plaats waar de toren had gestaan, bouwde ik een diepe waterput.
Vaak daalden wij ’s avonds in de kelder af, mijn vrouw en ik, langs de klavieren trappen vol duistere muziek. En in de kelder was het ook dat onze eerste en enig geborene het levenslicht zag. De wroetvrouw hielp bij het ter wereld komen van onze dochter die aan Lotte jammer genoeg het leven kostte, en zij nam Lotte ook naar de onderwereld mee. En toen zij haar plaats had ingenomen, verhuisde ik naar de kelder, voorgoed.
16. Werkelijkheid en fantasie
De lezer zou zich nu kunnen afvragen of dit alles nog wel geloofwaardig is, en misschien heeft hij er zelfs allang de brui aan gegeven. Ik doel met “ongeloofwaardigheid” allerminst op de spectaculaire gebeurtenissen in de luchten en onder de grond: deze fantasieën zijn immers geoorloofd in verhalen, zodanig zelfs dat, ook als zij enigszins spottend aan de man worden gebracht, ze geloofwaardig blijven: de lezer zal eerder geneigd zijn te geloven dat de schrijver zijn stiel niet kent ofwel gek is, dan aan te nemen dat hij met de fantasie de spot drijft. Ik doel dus niet op het fantastische. Ik doel wel op de zaken van het ‘gevoel’, en eigenlijk eerder op de praktische zaken. Hoe immers kon een verslaggever, tevens betrokken partij in zijn verhaal, op een geloofwaardige manier aan de man brengen — en dat in enkele haastige bijzinnetjes — dat zijn vrouw een kind kreeg, dat ze helaas in het kraambed stierf, en door een wezen dat eerder uit een gat in de grond in zijn diepe kelder was opgedoken, meegenomen werd? En verder: dat dit wezen de plaats innam van zijn vrouw, en dat hij uiteindelijk voorgoed zijn intrek in die kelder nam? Kwam de moeder van Lotte niet kijken wat er scheelde? Werd het overlijden niet bekend gemaakt? Moest de ikfiguur niet eten, zich wassen en zijn behoeften doen? Kwam er geen post welke diende beantwoord te worden en die, als zij onbeantwoord bleef, het bezoek van een vertegenwoordiger van de wet tot gevolg zou hebben?
Zoals gezegd: onderaardse werelden en lichtpijpen zo groot als continenten die door de nachtluchten dwalen zijn geoorloofd, want de natuurwetten mogen geschonden worden, maar het aan de laars lappen van de ‘sociale’ wetten is en blijft ook in de ‘literatuur’ taboe. We mogen dromen, en we mogen denken dat we kunnen vliegen, we mogen de natuur binnenste buiten keren, maar zich een wereld voorstellen zonder belastinginspectie, politie, maatschappelijke en morele orde en andere dergelijke dingen meer, is volstrekt uit den boze. De lezer volgt niet meer: niet omdat Lotte door het onderaardse wezen wordt meegenomen en zelfs niet omdat de hele geschiedenis rond het jammerlijke overlijden veronachtzaamd wordt, maar gewoon omdat hij zich afvraagt wat er dan met de post gebeurt, met de rekeningen en met de administratie.
Welnu, ik kan de lezer bij dezer gerust stellen met de mededeling dat de wereld op het moment van het gebeuren er niet uitziet zoals de wereld er ‘normaal’ zou moeten uitzien. Het verhaal speelt zich af in een wereld die in grote chaos verkeert. Het heeft weinig belang om hieromtrent details te vertellen, temeer daar die nu echt niet terzake doen. Er waren, er zijn, of er zullen ooit heus plaatsen zijn op de wereld, waar zich dergelijke vragen welke wij ons spontaan stellen, ofwel niet gesteld worden, ofwel op de een of andere manier worden uitgesteld. Toen Adolf Hitler met zijn trouwe medewerkers massaal joden, zigeuners en homo’s met goederentreinen naar concentratiekampen transporteerde, om hen daar eerst dwangarbeid te laten verrichten en hen vervolgens met vele duizendtallen tegelijk te vergassen, waren er ook alom brieven die onbeantwoord bleven, verdwijningen die niemand begreep en belastingen die niet werden betaald, maar toch jammerde niemand dat deze ongeoorloofde “onregelmatigheden” de auteur van dit alles ongeloofwaardig maakte — integendeel. En dit was zelfs geen fantasie: het gebeurde echt. Het zonnewonder in Portugal, waarvan, volgens bepaalde bronnen in de toenmalige berichtgeving, vele duizenden mensen getuige waren, en dat een ongelooflijke overschrijding van de natuurwetten betrof, kreeg minder weerklank dan een ordinair zomers muziekfestival ergens in een wei, omdat de officiële macht van het moment het loochende. Om precies dezelfde reden werd de milieubeweging als een sekte beschouwd zolang er geen toppolitici waren die zich het onderwerp toeeigenden. Toen ten tijde van de Tsjernobylramp de schapen in Schotland massaal van hun poten vielen en onze klinieken plotseling vol lagen met lymfeklierkankerpatiënten, was er schijnbaar niemand die er aan dacht dit aan de ramp toe te schrijven, eenvoudigweg omdat het niet aldus bevestigd werd van officiële zijde: daar klonk het dat we veilig waren voor ‘de wolk’ en nog klinkt het dat er niets bewezen is. Op dezelfde manier hield men de Indiërs voor de gek ten tijde van de ramp in Bhopal, en men blijft dat alom doen met onverminderd succes. Het is een waarheid als een koe dat een mensenmassa nu eenmaal niet tot nadenken in staat is of tot het trekken van conclusies: zolang er geen leider opstaat die van op het preekgestoelte verwoordt wat iedereen allang vermoedt en wat niemand durft te zeggen, blijft de waarheid aan het oog van iedereen onttrokken, en voor hetzelfde geld worden vanaf hetzelfde preekgestoelte leugens verkocht waartegen niemand durft te protesteren. En zo is het eigenlijk geen wonder dat Socrates, ooit de braafste en ijverigste man van Athene, de gifbeker moest drinken; dat Christus, zoon Gods en vredestichter, gekruisigd werd; dat kerken in de naam van deze vredestichter oorlogen goedkeuren en voeren, waarheidszoekers en wetenschappers verbranden, volkeren uitmoorden, de slavernij goedpraten, en vandaag veroordelingen blijven uitspreken en zich bovendien weer als de ethische maatstaf willen gaan profileren. Als niemand ging opstaan, en het ook niet zegde, dan wisten wij ook niet dat de autootjes waarmee wij rijden, en ook al die andere moderne automaten, aan de meesten onder ons veel meer tijd kosten dan ze ons laten besparen, dat onderwijs heel vaak verworden is tot een bedrieglijk marktproduct dat de ontwikkeling van kinderen in hoge mate schaadt, dat de geneeskunde vaak meer ziekten veroorzaakt dan ze er geneest, en dat de toren van Babel geen sprookje is maar een nu alles beheersende werkelijkheid. Als niemand het ons eerst van op de preekstoel toeroept dat dit niet zo is, dan blijven wij geloven dat een leven van afstompend bandwerk in ongezonde fabrieken en in uitputtende ploegenstelsels, gelijk is aan rijkdom. Geen eeuw geleden verlangden de arbeiders naar een eind aan hun lijden en, met de nieuwe techniek in het verschiet, riepen enkele ‘visionairen’ onder hen uit: “Wat een zegen: straks zullen machines ons bevrijden van deze hel!” Maar vandaag bijt de ene de andere de strot af om een job te bemachtigen, ook al gaat het om karwijtjes die niet alleen onnuttig maar bovendien schadelijk zijn en die nauwelijks of zelfs helemaal niet worden verloond: het ‘werk’ veranderde van een waar schrikbeeld naar het meest begeerde marktproduct — andermaal: enkel en alleen omdat het ons aldus van op het preekgestoelte werd voorgezegd. Ikzelf pleit niet tegen de arbeid; ik wil wel opmerken dat onverloond werk niet als werk wordt erkend, zoals ook enkel wat geld kost, wordt begeerd. De waanzin heeft de wereld in haar macht — het is weliswaar nooit anders geweest, alleen zijn de proporties nu een heel klein beetje ‘fantastisch’ geworden.
Wat hier van tel is, u hebt het al geraden: naarmate de kritiek op de werkelijke gang van zaken steeds moeilijker of zelfs onmogelijker wordt, neemt de kritiek op de fantasie steeds meer toe, en dat is in feite een ware tragedie: een kind mag niet meer dromen, het dient zich te onderwerpen aan ‘werkelijkheidsonderricht’. Spelen is verboden, tenzij binnen de grenzen van een voorgeprogrammeerd (computer)spel dat elke creativiteit op voorhand bant. Het leren werd herleid tot de training van het toepassen van vooraf bepaalde, door de autoriteiten voorgeschreven programma’s. Er is zelfs de succesvolle poging om het spel zelf helemaal uit te schakelen, namelijk door het voor te spelen op TV, waar volwassenen, die zich als kinderen voordoen, een voorgeprogrammeerd en bestudeerd, politiek correct spel spelen waar kinderen enkel nog kunnen naar kijken. Die kinderen komen niet meer in aanraking met aarde, met bloemen en met insecten, en gaan bijgevolg al gauw lijden aan soms levensbedreigende allergieën, waartegen de geneeskunde echter de fantastische en grotendeels door de ziekenfondsen terugbetaalde oplossingen biedt van de giftige astmapompjes en de suïcideverwekkende tranquillizers. De kinderen spelen niet meer, en bewegen dus ook niet meer, zodat het soepele, gespierde lichaam en de acrobatieën voorgoed tot een ver verleden gaan behoren, en meer dan de helft van de kinderen aan gevaarlijke en afzichtelijke vormen van obesitas zijn gaan lijden. Maar ook volwassenen mogen niet meer fantaseren — zij kunnen het niet meer, en als zij schertsen, dan apen zij angstvallig alleen de voorgeprogrammeerde schertsen van de televisie na; zij vereenzelvigen het hebben van fantasie warempel met waanzin, terwijl eigenlijk precies het omgekeerde het geval is. Is men werkelijk vergeten dat waar de fantasie de pas wordt afgesneden, de waanzin onherroepelijk het roer zal overnemen? Of laten wij het ons welgevallen dat vreemden bepalen wat wij mogen fantaseren en wat niet? De geschiedenis heeft alvast aan het licht gebracht dat kritiek op de fantasie altijd uitgaat van perverse en moordende, waanzinnige systemen: Hitler sprak over “ontaarde kunst”, en ook fundamentalisten vallen het liefst de fantasie aan: zij willen immers dat hun waanzin ernstig wordt genomen!
17. Requiem aeternam
Ons verhaal ging van start met die vulkanologe, die niét gefantaseerd is maar die echt bestaat, en die de geologen flink te denken geeft: ze zou wel eens gelijk kunnen hebben waar ze zegt dat lava niet uit het middelpunt der aarde komt, maar uit de oppervlakkige lagen, als een gevolg van de wrijvingen tussen de tektonische platen die immers een enorme druk en zeer hoge temperaturen teweeg brengen, welke de stenen uiteindelijk doen smelten. Men heeft in de wetenschappelijke middens altijd beweerd dat de aardkern wellicht een metalen bal is, maar voor hetzelfde geld is het daar gewoon hol en fris, en is het de plaats waar de doden afdalen — een plaats sinds oudsher beschreven in sagen en mythen alom ter wereld, als de onderwereld of de Hades.
Mythen vertellen ons vaak de waarheid, en waar wij ze vooralsnog niet verstaan, is enige reserve niet onverstandig. Om hier maar één enkel voorbeeld te geven (dat wordt aangehaald door een Vlaamse romancier, dramaturg en arts): Zeus bedreef de liefde met Semele. Zeus was vermomd, want niemand kan de schittering van de oppergod aanschouwen en in leven blijven (dat wordt trouwens ook over Jahweh gezegd). Edoch, Semele ontlokte aan Zeus de belofte hem eens in zijn echte gedaante te mogen zien. Toen die belofte werd ingelost, en Semele terstond verging, realiseerde Zeus zich dat hij bij haar een kind had verwekt. Snel haalde hij nog per keizersnede de foetus uit de baarmoeder van de vrouw, en plantte die in, in de binnenkant van zijn dij. Uit de dij van Zeus werd alzo Dionysos geboren. En wat blijkt? Volgens de huidige wetenschappen bevat de dij van de man genoeg "fijnmazig weefsel" om er een foetus te laten in ontwikkelen; het is voorwaar de uitverkoren plaats voor een alternatieve dracht!
Het mag dan waar zijn dat slechts weinigen ooit uit het dodenrijk zijn teruggekeerd: dat ze dat doen, is niettemin niet onmogelijk. De vrouw die ikzelf ontmoette, en die zich geheel onverwacht als een mol naar boven werkte uit de vloer van de diepe kelder die ik had gebouwd om er met mijn gezin te gaan schuilen voor de zon in de hete zomermaanden, kan weliswaar een leugenares geweest zijn. Het is immers heel goed mogelijk dat zij haar verhaal verzon, en dat zij zich daar alleen maar had ingegraven om mij aan het schrikken te brengen en om mij enkele dingen op de mouw te spelden. Maar het is mijn gezond verstand dat mij zegt dat die veronderstelling zeer onwaarschijnlijk is, en het gezond verstand dient men te volgen — tenminste als men wil ontsnappen aan de treurige lotgevallen van de ontelbaren die dat ooit weigerden te doen.
Dat het inderdaad zo was, dat de vrouw uit de onderwereld kwam, lijkt mij aannemelijk, maar dat houdt nog niet in dat alles wat zij zegde, ook waar zou zijn. Ik heb heel wat mensen deze fout tegen de logica zien maken, soms met dramatische afloop. Zo zijn er mensen die de kaarten leggen, en die, via de kaarten, de geesten laten spreken. Zij doen voorspellingen, zo menen zij, en zij geloven soms ook echt dat het de geesten zijn die hun vragen beantwoorden. Onder hen zijn er beslist heel wat leugenaars en bedriegers, die deze oude stiel alleen maar beoefenen omdat ze er brood in zien en ook beleg. Het is genoeglijk bekend dat met kaartlezen veel makkelijker en ook veel meer geld te verdienen valt dan met hard werken: als men tegenwoordig op geldelijk gewin uit is, is het een grote vergissing om bijvoorbeeld ingenieur te gaan worden of arts: een speelhol of een bureau van sterrenwichelarij brengt, indien goed georganiseerd, heel wat meer op. Maar er zijn onder de kaartlezers beslist ook mensen die eerlijk zijn en die het allemaal goed menen. Het is voor die mensen dat we hier spreken, en het is over de vergissing die zij vaak maken en niet zien, dat hier iets dient gezegd te worden.
Gesteld immers, dat zij inderdaad met geesten te maken hebben, als zij kaartlezen en vragen stellen, blijkt maar al te vaak dat ze die geesten ook klakkeloos geloven. Maar wie garandeert ons dat de geesten van de doden plotseling in heiligen zijn veranderd die nooit meer liegen? Wie durft zo'n onzin te beweren? Het is veel aannemelijker dat ook geesten kunnen liegen, en bovendien is er een theorie die de thesis ondersteunt dat, als zij spreken, zij ook meestal helemaal geen carte blanche verdienen. Die theorie zegt namelijk dat de doden jaloers zijn op de levenden, en dat de levenden daarom voor de doden op hun hoede moeten zijn. Het is trouwens genoeglijk bekend dat de begrafenisrituelen, die nu stilaan veronachtzaamd worden, zijn zoals ze zijn omwille van de zelfbescherming der levenden: de dode wordt in een kist gestopt en die wordt goed dichtgetimmerd opdat hij of zij er nooit meer uit zou kunnen. De diepte van de put en de tombe van arduin of marmer zijn extra veiligheidsmaatregelen daar bovenop. Vroeger ging men met de lijkkist ook enkele keren rond het huis van de dode, alvorens hem te begraven, teneinde hem aldus te desoriënteren, en te vermijden dat hij de weg terug zou vinden. De gezangen en de gebeden waaraan op begrafenissen zoveel aandacht en zorg wordt besteed, hebben in oorsprong slechts tot doel de dode "in slaap" te wiegen:
Requiem aeternam, dona eis, Domine.
Et lux perpetua luceat eis -
aldus luiden de eerste verzen van de dodenmis of de dodenbezwering, en zij betekenen:
Geef hen de eeuwige rust, Heer,
En moge het eeuwige licht hen altijd verlichten.
Doden mogen immers niet onrustig zijn, want dan keren zij terug, en zij moeten tot in de eeuwigheid verlicht worden, opdat zij niet zouden terugverlangen naar het aardse licht.
Ik had dus alle redenen om aan te nemen dat de vrouw inderdaad uit de binnenkant van de aarde kwam, maar of ook de rest van haar verhaal waarheid was, viel nog te bezien. Dat de doden aan de onderkant van hun grafput gewekt worden uit de verdwazing waarin ze ingevolge de dodenmis met al haar rituelen beland zijn, en zo verder naar de aardkern worden geloodst, leek mij niet onmogelijk, en het leek me zelfs een logische verklaring voor het feit dat die vrouw tenslotte opdook uit een hol in de grond: zij moest daar ooit via de ene of andere weg geraakt zijn. Verder is het ook niet onwaar dat wij soms veel dieper boren dan goed voor ons is, en dat wij zodoende moeilijkheden veroorzaken die vermeden hadden kunnen worden door gewoon maat te houden. Onze torens zijn te hoog, en ook de vluchten die wij door de hemelen maken, worden sinds Ikaros door de autochtone hemelbewoners niet bijzonder geapprecieerd. Hetzelfde geldt dus voor de putten die wij delven en de diepten die wij zo nodig willen gaan verkennen: in al deze zaken veronachtzamen wij steeds vaker de aloude deugd van de matigheid, en dan moeten we het ook bekopen. Zelf had ik nog een excuus, geloof ik, daar wij dan toch een schuilplaats moesten hebben tegen de zon die de jongste jaren zo fel aan het branden is gegaan, maar al bij al gaan wij hier meestal in de fout. Een mens moet geen slapende honden wekken, maar vaak doet hij niet liever dan van dit gevaarlijke spel zijn hobby maken, en dan wordt hij vanzelfsprekend algauw gebeten.
Soms denkt men: ach, het is maar een beet! Een flinke beet weliswaar, maar ze zal wel genezen, en morgen is alles weer zoals voorheen! — Fout! Er zijn beten die genezen, maar er zijn ook beten die wonden nalaten die, eenmaal geboren, een eigen leven opeisen. Ze herleiden zowaar diegene die gebeten wordt tot hun bloedeigen moeder, en ten gevolge daarvan weten zij ook de gebetene als het ware binnenstebuiten te keren: in het perspectief van het 'kind', dat immers de oogappel van zijn moeder is, is de gebetene niet langer een zelfstandige, positieve entiteit: hij werd herleid tot een hap uit het geheel, dat wil zeggen: tot een negativiteit, een leegte of een tekort. Wie verwond wordt, verwordt daarom ook tot een wonde, en de pijn is slechts zijn eigen deel en valt door geen buitenstaander te begrijpen als die buitenstaander niet op zijn beurt gebeten is. De pijn is een gevoel verwant aan de gevoelens van het moederschap: deze gevoelens worden erkend en ook gerespecteerd, maar uiteindelijk worden zij door geen derden gedeeld.
De pijn is ook met het bewustzijn verwant: ik geloof ten stelligste dat er zonder de pijn, geen bewustzijn mogelijk is. Een wezen wordt pas gewekt uit zijn zalige dromen, als het zich bezeert, als het wordt gepijnigd, of als er gevaar dreigt dat pijn aankondigt. Zolang dat niet het geval is, doet een levend wezen, eender hetwelk, niets liever dan slapen. Op grond hiervan zou men kunnen beweren dat planten de allergelukkigsten onder de levende wezens zijn, tenminste als mocht aangenomen worden dat zij niet kunnen lijden, maar hun bestaan wordt nog in zaligheid overtroffen door dat van de stenen. We hebben trouwens reeds verhaald dat de mens er uiteindelijk naar streeft om (weer?) van steen te worden, en dat hij desnoods zelfs opstaat uit zijn diepe graf, om te bekomen dat een beeld van hem wordt gekapt. De hele ontwikkelingsgeschiedenis van het leven heeft daarom iets meelijwekkends, zoals ook de activiteit van Sysiphus. Enorme, epen overspannende inspanningen getroosten zich de stenen om te kunnen kiemen, om zich los te kunnen maken van de aarde en daar een korte tijd op rond te dansen — zelfs een godheid zou zich deze inspanningen niet willen getroosten. En dan verlangen de aldus te voorschijn gekomen wezens (die tevens wezen zijn) algauw helemaal niets anders meer dan weer één te worden met de aarde, en van steen te zijn, te rusten, en nooit meer op te staan.
Maar deze hele geschiedenis heeft een bijzonder kenmerk: wij kunnen ze onmogelijk verhaasten! Eens van start gegaan, blijkt het proces dat in gang is gezet, volgens een welbepaald patroon te verlopen, en onkenbare, innerlijke, driften zorgen er ook voor dat wij van stap naar stap gaan en geen trede overslaan van de gehele reis. En alles heeft zijn tijd in die geschiedenis, die niet verhaast kan worden: de reiziger wordt reeds van bij de aanvang van zijn tocht met een onnoemelijke heimwee vervuld en soms brengt hem de nostalgie naar duizelingwekkende hoogten of zij stort hem in afgrondelijke diepten. Maar hij kan helaas niet meer terug, hij zit gevangen in de wereld, in zijn lijf, en in zijn tijd waarvan de minuten en soms zelfs de seconden voort-kruipen als het pijn doet, of waarin de dagen en de jaren zoals ether vervluchtigen als hij daarentegen wenst te blijven. Er is geen terugkeer dan de voortgang, die uiteindelijk met de terugkeer samenvalt. En ik begreep dat zij me zegde dat ik er niet in kon, in die pijp die naar het midden van de aarde boorde, omdat dit niet de juiste weg was. Soms beelden wij ons in dat de weg naar een doel er helemaal niet toe doet, en dan willen wij de gemakkelijkste weg gaan: de weg die zo kort mogelijk is, om bij dat doel te kunnen zijn. Hoe enorm echter is deze vergissing, en hoe onvergeeflijk ook! Want er is geen ander doel dan de weg erheen, en kijk maar: al wie zijn doel denkt te hebben bereikt, die rust daar niet, doch streeft onmiddellijk weer een ander doel na. Daarom zijn mensen heel vaak mensen op de vlucht: zij leven niet, zij stellen het leven alleen maar uit: ik ben er nog niet, denken ze, nog heel even, en dan ben ik er! Maar o wee! Op die manier doen zij niets dan vluchten en lopen zij spoken na, hun korte leven lang. De snelheid, waarmee wij de tijd denken te beheersen, is precies datgene wat ons uiteindelijk alle tijd ontneemt.
Een bijkomend gegeven dat fundamenteel is om de eeuwige vlucht te verzekeren, is nu onze woonst, ons huis. Wie al eens een zweefvlieg aan het werk heeft gezien, weet dat zij opereert vanuit steeds één en hetzelfde, vaste punt in de lucht: zij hangt daar, nauwelijks van plaats veranderend, en schiet nu eens uit in die richting, dan weer in een andere. Maar na elke "uithaal", keert zij keurig naar haar eigen plekje terug, van waaruit zij de omgeving nauwkeurig observeert, en dat haar ultieme referentiepunt is, haar uitvalsbasis, haar oriëntatiebasis. Dat zij onophoudelijk aan het vluchten kan blijven gaan, heeft zij nu precies aan het onderhouden van deze uitvalsbasis te danken: het is geen huis, het is zelfs geen nest; het is gewoon een bepaald punt in de leegte van de lucht.
Een zweefvlieg is slechts een vlieg, een verwaarloosbaar 'dingetje' in het oneindige uitspansel. Maar gedurende het korte leven dat haar beschoren is, is een welbepaald territorium absoluut het hare, en dat heeft een historische betekenis. De ganse lucht, het water, de aarde, kortom alles wat leven dragen kan, wordt van bij het begin van de schepping continu bezet, beheerd, bewaakt, in de gaten gehouden en onderhouden, door allerlei diertjes en planten, insecten, micro-organismen, bacteriën, schimmels, virussen en zelfs zandkorrels, atomen, neutronen... En uiteraard ook door mensen. Het referentiepunt van een mens, is zijn thuis, in zijn huis: dat is zijn uitvalsbasis, waar hij meestal slaapt, waar hij zijn vrouw bewaart en zijn kinderen, waar zijn auto staat geparkeerd, waar zijn computer vastligt aan het net, en waar hij elektriciteit aftapt, gas en water, en zijn afval in de riool laat lopen. Zijn woonst bindt de mens aan de aarde vast en herinnert hem eraan dat hij in feite niet zo mobiel is als hij wel wensen kon: hij is daarentegen zoals een boom, geplant in de aarde, op een stuk grond dat hopelijk niet te nat wordt en ook niet te droog, en hij kan er nauwelijks los van komen. In dat huis wordt hij geboren en daar sterft hij ook, naar dat huis keert hij altijd weer terug, vanuit dat huis houdt hij de omgeving in de gaten, bewaakt hij het stukje van de kosmos dat voor een poos aan hem is toevertrouwd.
De torens die hij aan zijn huis bouwt, en de kelders, zijn in feite slechts antennen: het huis staat immers op de grens van de aarde met de hemel, waarop ook hij zelf zich gewoonlijk het merendeel van zijn levenstijd beweegt. En het is goed om iets te weten over de dingen die deze grens vormen, zijnde: de hemel en de aarde. Het is goed om een antenne naar boven te richten, en een andere naar beneden, zoals het ook goed is dat de zweefvlieg nu eens in deze richting uitschiet en dan weer in een andere. Veel hoeft men niet te weten over de hemel en de aarde, want alles is bij voorbaat al geregeld door hogere machten die wij niet verstaan. Wij dienen net genoeg te weten om onszelf te handhaven, en daarmee is de kous ook af. Maar dat belet niet dat door onnauwkeurigheden dingen opduiken ofwel nederdalen waar we niet hebben om gevraagd, die niet in onze wereld passen, of die ons zelfs kunnen verleiden om het huis uit te gaan en verder te gaan zoeken. En in dat laatste geval hebben ze bij ons een drang doen ontstaan die ongewoon is, en die men misschien nog het beste typeren kan als een ziekte. De getroffene verdwaalt dan uit zijn natuurlijk biotoop, niet vermoedend hoe gevaarlijk dit kan zijn, en dat dit hem van zijn wortels en daarmee ook van zijn leven kan beroven. Hij loopt schimmen na, die hem bekoren, en belandt in werelden die niet de zijne zijn, in territoria welke aan andere wezens toebehoren en waarin hij, zonder het te beseffen, niet meer is dan een prooi. Welke vogel maalt er om de kroost van de dikke moederkrekel die hij naar binnen schrokt? Welke kat likt niet met vervoering het bloed uit het vlees op van de vogel die zij gezwind en lenig ving? De natuur kent geen mededogen met wie zich buiten het eigen terrein begeven en het gevaarlijke pad van het onbekende opgaan. Het veronachtzamen van de grenzen die de voorvaderen hebben gesteld omdat zij door een hogere hand werden bedisseld en beslist, is geen vermetelheid die zonder gevolgen kan blijven. Schriele wezens, mager en bleek, uitgemergeld en krakend, vel over been, kunnen leven en zelfs goed en lang leven, als zij maar in de eigen omgeving gedijen. Maar wee de sterken en de overmoedigen die zich begeven naar daar waar zij niet thuis horen: wezens waarvan zij het bestaan zelfs niet konden vermoeden, storten zich op hen en peuzelen de lekkernijen feestelijk op! Ach, hoe verlangde ik naar het licht, nu ik mij had opgesloten in deze kelder! Ik schreeuwde vaak de naam van Lotte, doch de klavieren trappen lachten mij uit en verder bleef het stil en donker. En de vrouw uit het hol: zij was er nu ook vandoor met mijn dochter, recht door de trechter, niettemin zij het was die mij had gezegd dat dit de goede weg niet was! Het stond mij zo tegen dat ik op een bepaald moment besloot om dit steeds warriger wordende gedeelte dat mij zo bezwaarde, weg te knippen uit de film van mijn bestaan. Ik wist dat het mogelijk was dit te doen, maar het was wel een laatste noodoplossing. Immers, eens wij beginnen te knippen aan wat echt is, snijden we tegelijk ook in ons eigen vel. Want dan vervalt het bestaan ook naar het niveau van de film, en het "echte" is dan nimmer terug te vinden.
18. De overgang
De duisternis, de vreemde koelte, het stompje van de kaars, de tafel en de stoel, de trappen langs de zwarte wand, de vloer met in het midden het gat dat daar eeuwig opgevroet lag en waaruit zij nu en dan eens naar boven kwam met een kruik water, wat bitter brood en weinig woorden. Ik weet niet hoelang ik daar gezeten had, maar toen ik op een keer in een kruik die tot de rand gevuld was, mijn spiegelbeeld bekeek, dacht ik weer aan 'boven', en bij de eerste gelegenheid die zich voordeed, zegde ik haar dat ik besloten had om de kelder te verlaten.
"En waar zoudt ge dan wel heen trekken?", vroeg ze spottend, en ze ging met de rug tegen de wand leunen, de armen gekruist voor de borst:
"Dat ge mij wilt achterlaten, kan mij echt niet deren — alleen: er is niets meer daar boven!"
En dan liet ze de armen zakken, kwam bij me aan de tafel zitten, keek een lange tijd naar het stompje van de kaars, en dan in mijn ogen:
"Het is gedaan", zei ze, en ze knikte, keek beurtelings in mijn rechter en mijn linker oog, en stond dan weer op, begon te ijsberen, bleef dan weer een lange tijd als aan de grond genageld staan, het gezicht afgewend.
Zocht zij naar woorden?
"Geloof me vrij", zei ze: "dit is de beste plaats waar ge kunt zijn. En hoe minder ik u vertel, des te beter is dat voor u."
Ze draaide haar gezicht nu naar mij toe, wachtte klaarblijkelijk tot ik iets zeggen zou, en ik antwoordde haar:
"Als gij nu in uw hol verdwijnt, ga ik naar boven. Ik weet trouwens niet eens waar gij uithangt, daar beneden. Ik zit hier maar te wachten, en er gebeurt niets. Waar is mijn dochter trouwens?"
"Ik heb u al gezegd dat ik daarover niet wil praten", zei ze: "het is trouwens ook mijn dochter, en beneden is het voor haar veel beter. Ik heb u trouwens iets meegebracht van beneden, kijk..."
Ze haalde een donkergrijze vod uit een zak van haar lompige schort en legde die op tafel. Aan het geluid dat daarmee gepaard ging, begreep ik dat er iets in die vod gewikkeld lag, wellicht iets van hout, aan de holle toon te horen. Zij keek ernaar, keek mij vervolgens aan en wachtte. Ik besloot het niet open te maken in haar bijzijn. Ik wachtte totdat zij weer weg zou gaan.
"Weet ge echt nog altijd niet wat er gebeurd is?", vroeg ze plots.
Het was nu ineens alsof die woorden iets bij me wakker maakten, en ik voelde een duizeling door me heen gaan. Wat bedoelde ze? Waarom trouwens bleef ik gedwee in deze kelder zitten, in het donker, in de ijzige stilte, beroofd van alles wat mij eens zo dierbaar was?
Toen ik opkeek, was ze al weg. Ik bekeek het stuk vod op tafel, maar raakte het niet aan. Mijn blik dwaalde over de klavieren trappen, en vanbinnen hoorde ik nu in de verten van mijn hoofd heel duidelijk het begin van een mij niet onbekend lied dat echter verdween van zodra ik het meende te horen.
Ik groef in herinneringen waarover een duistere waas dreef. Ik zag het huis met de tuin daar rond, maar het leek alleen maar een prent te zijn, een stilstaand, levenloos beeld.
Toen ik jong was, en bij de steenkapper werkte, waar ik mijn stiel leerde, spraken wij niet veel. Maar soms, heel zelden, als we bezig waren aan een zerk of aan een kruis, of als we namen van doden in het marmer beitelden, begon hij te vertellen over het leven en de dood en wat daar mee te maken had. Ik antwoordde nooit, en dat verwachtte hij ook niet; hij vond het blijkbaar genoeg dat ik gewoon luisterde. Op een keer vertelde hij me dat hij in zijn jonge jaren gestudeerd had in een verre stad. Een nonkel van hem was pastoor geweest en had zijn kap over de haag gegooid voor de meid, met wie hij dan naar den vreemde was getrokken om nooit meer terug te keren. Er kwam alleen een brief, na amper enkele weken: de nonkel was dood, en wat meer was: hij bleek hem een klein fortuintje nagelaten te hebben, samen met de wens dat hij het geld gebruikte om te gaan studeren. Hij mocht alles studeren, zo stond er in de brief: alles wat hij maar wilde. Alleen moest hij erop toezien dat hij niet zijn ziel aan de duivel verkocht, zoals die nonkel zelf beweerde gedaan te hebben: "Ik heb mijn ziel tenslotte teruggeëist", zo stond er naar zijn zeggen in de brief: "maar de duivel heeft zijn rechten, en nu ga ik dood."
Na dat verhaal had ik willen vragen aan de steenkapper wat hij dan gestudeerd had, maar omdat ik hem nog nooit een vraag had gesteld, deed ik dat toen ook niet, en ik wachtte totdat hijzelf meer zou zeggen. Maar hij zegde niets over zijn studies. Hij sprak alleen over het leven en de dood en wat daarmee te maken had. En op een keer ging hij zitten op een steen die pas half af was, en vertelde hij me het volgende verhaal.
Wij zijn wezens, zei hij, die beweren dat zij geboren zijn en eens zullen sterven. Met andere woorden: wezens die beweren dat ze leven. Maar daar is natuurlijk niets van aan. Niemand weet uit zichzelf dat hij geboren is, en niemand komt zijn eigen dood ooit tegen. Bijgevolg weet ook niemand uit zichzelf dat hij leeft. Hij gelooft het alleen maar, omdat hij ook gelooft wat anderen hem zeggen over geboren worden en sterven. Uiteraard is het zo dat men anderen kan zien geboren worden en kan zien vertrekken, maar als men beter toekijkt, dan moet men toegeven dat men helemaal niets van dat alles ziet. Neem nu iemand die geboren wordt. Een kind komt uit de moederbuik, krijgt een tik tegen zijn achterste en begint te ademen. De navelstreng wordt doorgesneden. Het kind wordt in de armen van de moeder gelegd. En een verpleegster noteert de geboortedatum en voortaan wordt beweerd dat de persoon in kwestie op die datum is beginnen te bestaan. Onzin toch? Bestond het kind immers niet al in de baarmoeder? En wordt een vrouw niet met haar eierenkrans geboren? Toegegeven: ontwikkeld is het allemaal nog niet op dat moment, maar het is niettemin niet niets, en alles komt eruit voort. Een mens wordt niet geboren: niet op zijn geboortedatum, niet op de dag dat zijn moeder of zijn grootmoeder werd geboren, en niet tienduizend jaren eerder. Wie bestaat, is er op de een of andere manier altijd al geweest, punt uit. En de dood dan? Men neemt aan dat men een ander kan zien sterven. Hij of zij houdt op met ademen, en wordt als zijnde dood beschouwd. Precies dezelfde onzin als met de geboorte! Er is geen enkele zinnige reden waarom een kind niet zou bestaan totdat het de eerste keer geademd heeft. Waarom dan zou iemand van zodra hij of zij niet meer ademt, dood zijn? En wie zegt dat deze "ademstilstand", die goed vaststelbaar is, niet veeleer tijdelijk is?
Ik weet het, zo ging hij verder, dat een lichaam dat niet meer ademt, en dat wij een lijk noemen, stilaan vergaat. Trouwens net zoals een pasgeborene geleidelijk de vormen van de foetus die hij eens was, achter zich laat, en heel geleidelijk een nieuw lichaam ontwikkelt, aangepast aan een heel nieuwe omgeving. Wie durft nu te beweren dat het proces waarin dit nieuwe lichaam op zijn beurt vergaat, niet gepaard gaat met de groei van weer een ander lichaam, aangepast aan een nieuwe wereld, die wij vanzelfsprekend nog niet kunnen zien omdat we ons nog in de huidige bevinden? Wie durft dat te beweren alsof het evangelie was?
Trouwens, zo ging hij verder: de overgangen van de ene wereld naar de andere, die gepaard gaan met de overgangen van het ene lichaam naar het andere, gebeuren heel geleidelijk. Ze gebeuren zo geleidelijk dat men ze nauwelijks bij zichzelf kan merken. Uiteraard: bij anderen zien wij het wel: wij zien drachtige moeders, kleine kinderen, volwassenen, ouderlingen en doden. Maar voor onszelf gaat het zo traag, dat het ons vrijwel volledig ontgaat. Wij zijn twaalf jaar of zo, als we plots merken: hé, ik besta! En we zijn vijftig — sommigen veel jonger, anderen veel ouder — als we denken: ik ga dood! Maar de verandering sluipt door ons heen, en plots is ze onmiskenbaar geworden. Wij zijn zoals kruiken die gevuld worden en opnieuw leeggemaakt: alleen als we vol zijn en als we weer leeg zijn, voelen we iets, maar terwijl wij voller en leger worden, merken wij de veranderingen niet eens op. En de overgang van het ene leven naar het andere, begint van zodra we er zijn: de foetus groeit al volop naar de vorm die nodig is in het leven buiten de baarmoeder, en zo ook groeit het lichaam een leven lang toe naar zijn nieuwe vorm die bij de volgende wereld past. Is het niet zo dat het lichaam zich moe maakt en pijnigt, dat het als het ware zichzelf helemaal opgebruikt totdat het weg is? En wat komt er in de plaats? Wat groeit er in ons, tijdens dit leven?
Toen de steenkapper dit verteld had, zegde hij niets meer. Zijn verhaal eindigde op een vraag, maar het was een vraag die niet onoplosbaar was: een vraag waarop elkeen het antwoord in zichzelf kon vinden. En dan vertelde hij nog iets bijzonders, iets dat me nu te binnen viel, en dat ik nooit voordien goed had kunnen verstaan.
Alleen bij het vol zijn van de kruik en bij het leeg zijn, voelt men iets, zo had hij gezegd. Maar dat gevoel is enigszins verwarrend, want een mens blijft steeds zichzelf, hoezeer hij ook verandert, en hij is aan zichzelf gehecht en wil met niemand ruilen. Vraag dat maar aan een stervende, zei hij: of hij ruilen wil met een ander die in de fleur is van zijn leven? Hij wil niet! Hij wil zichzelf blijven! En omdat een mens zichzelf blijft, voelt hij de veranderingen niet waaraan hij onderhevig is, want hij valt ermee samen. En als hij verandert, dan denkt hij dat het zijn omgeving is die verandert, zijn wereld, en niet hijzelf. Precies zoals iemand die wakker wordt, het gevoel heeft dat zijn droom onecht wordt terwijl hij er even voordien nog zo sterk in geloofde, zo vergaat het ons ook als we sterven. Wie in de overgang is naar de volgende wereld, krijgt het gevoel dat het de wereld zelf is die sterft, of die aan het verdwijnen is.
Daar staat ge van te kijken, niet? — zo had de steenkapper het gezegd: maar het kan niet anders gaan dan zo. En dat kan wel verwarrend zijn. Velen geraken in verwarring wanneer zij op het punt staan om deze wereld voor de volgende in te ruilen, en de mensen die hen begeleiden, geloven dat de stervenden hun verstand verliezen als zij vreemde dingen beginnen te zeggen en te doen. Maar niets is minder waar: als men goed luistert naar de woorden van een stervende, dan kan men soms voelen wat er met hem of haar gebeurt. Wie deze wereld verlaat, komt daarom in verwarring. Hij wil terug naar zijn moeder, of hij herkent zijn eigen naasten niet meer, hij praat met wezens die men niet kan zien, en waarvan men gelooft dat ze inbeeldingen zijn die niet echt bestaan, of hij weet niet dat hij te bed ligt, en hij waant zich op andere plaatsen. Ja, de overgang kan lastig zijn, maar geloof me: het is de enige weg. En als ge daar ooit terecht komt, geloof me vrij: ge wilt weg, edoch waar zoudt ge nog heen kunnen trekken? Want het is dan gewoon gedaan! Geloof me vrij, zei hij: de plaats waar je bent, is dan de beste plaats waar je kunt zijn. En hoe minder er over verteld wordt, hoe beter voor uzelf!
En toen haalde hij een stuk vod te voorschijn uit een zak van zijn steenkapperskiel, en legde die als een geschenk voor me neer op de zerk. Het maakte een licht, hol geluid, zodat ik vermoedde dat het van hout was, wat erin zat, maar ik besloot niet te kijken wat het was, ik besloot te wachten totdat hij zou zijn weggegaan.
19. Perfect Day
Aandachtig keek ik om me heen. Als dit niet een kelder was, wat was het dan dat ik voor een kelder hield? En had ik hem niet zelf gebouwd? Het kon niet zijn dat ik mij dit alleen maar verbeeldde. En ik bekeek de tafel waarop nog steeds die vod lag met dat ding erin, dat zij had achtergelaten. Ik keek naar de vloer, naar het gat in het midden ervan, en ik ging opstaan, wandelde naar het gat toe, en keek. Het was zwart als pek. Ik liep terug naar de tafel, nam het kaarsstompje op dat blijkbaar eeuwig brandde, nam het mee naar het gat en hield het er boven, maar nog kon ik niets zien. Ik plaatste de kaars neer, nam de lucifers, streek er eentje aan en liet hem in de diepte vallen. Hij doofde van zodra hij amper een meter diep was. Ik nam wat aarde in mijn handen, liet ze neervallen in het gat en luisterde, doch hoorde niets. Ik maakte speeksel en spuwde, luisterde aandachtig, en na ongeveer twee tellen geloofde ik iets te horen, al heel ver weg. Ik keek om me heen, liep terug naar de tafel, nam de vod op met het ding erin, keek niet wat het was, en gooide het zo het gat in.
Niets. Ik zag noch hoorde ook maar iets. Geen plof, geen plons, helemaal niets. Daarop besloot ik me zelf in het gat te laten zakken.
Er moesten immers trappen zijn: hoe anders kwam zij naar boven? Steunde zij niet moeizaam op de randen van de put als zij eruit wilde of er weer in? Ik wist nu wel met zekerheid dat, als er trappen waren, ze niet loodrecht onder de opening van het gat konden liggen, maar wel ergens terzijde. Maakte zij geen vreemde bewegingen telkens wanneer zij naar boven kwam of weer verdween? En er moest ook een luik zijn, dat zij dicht kon schuiven van beneden, een steen of een blok, want soms kon ik het gat weer dichtmaken en de aarde aanstampen. Deed zij niet meer de moeite om het luik te gebruiken? Of wilde zij dat ik naar beneden ging, dat ik haar volgde, dat ik haar verbod overtrad?
Ik knielde en tastte met de volle lengte van mijn arm in het gat rond. En had ik het niet geraden: een wandladder! Mijn hand omgreep de ijzeren staven van een wandladder! Ik tastte, voelde de koude buizen die wat oneffen waren van het roest, herkende de vormen van de smalle brandladder die men alom aan de gevels van gebouwen ziet, bij de hoge nooduitgangen. Ik ging weer opstaan, zelfverzekerd sedert lange tijd, stopte de lucifers in mijn zak, blies de kaars uit en stopte die bij de lucifers. Maar toen ik op het punt stond om in die volstrekte duisternis af te dalen in de diepte, viel er een streep van hel wit licht in mijn ogen.
Ik keek op, geheel ongelovig. Ik keek op langs de klavieren trappen naar de kelderdeur daarboven, die veranderd was in een helle, witte rechthoek, een portaal dat aan de zijkanten fel aangevreten was door het licht, als scheen daar een verblindende zon. Het beeld kwam tevoorschijn samen met een gekriep van scharnieren, dat zo verlossend klonk als een beker helder water bij grote dorst. Eerst geloofde ik mijn ogen niet. Zuchtend kwam ik de put weer uit, mijn blik aan het witte vlak geketend, alsof het had kunnen verdwijnen als ik het ook maar een ogenblik uit mijn vizier verloor. Ik duizelde, strompelde naar de eerste treden van de trap toe, beklom hem op handen en voeten, want ik geloofde dat ik nu heel voorzichtig diende te zijn, en de ogen niet mocht afwenden van het schitterende deurgat. Lotte en onze dochter? Zij waren beslist in leven! Ik moest hen halen, maar eerst die deur! Eerst zekerheid!
Fa-kruis, sol-kruis, la-kruis, en dan een leemte. Hier moest ik een wat grotere stap nemen, maar ik deed het met plezier en belandde op do-kruis. De laagste octaven eerst. En ik dacht: straks komen de middelste octaven, dan de hoogste tonen, en als ik die hoor, ben ik al helemaal boven, en zijn wij eigenlijk gered. Van do-kruis kroop ik behoedzaam naar re-kruis. Dan was er weer een lacune. Ik keek niet, doch deed alles op den tast, omdat ik mijn blik niet afwenden wilde van de verlossende deur. Fa-kruis, ja, daar was ik nu, dan hoorde ik feilloos; dan sol-kruis, la-kruis en weer een lacune. En zo kroop ik, voorzichtig als een schuw insect, over de octaven van het machtige klavier van trappentreden. De onderste, zwaarste snaren trilden nog na — zij zouden blijven natrillen totdat ik helemaal boven was — en de klanken vermengden zich onderling tot een kakafonie die mij deed duizelen. Ik ben immers heel gevoelig voor klanken: niettemin de steenkappersdoofheid mij al enkele jaren in haar greep had gekregen, bleef ik een fijn gevoel bewaren voor harmonieën en voor disharmonieën, voor consonanten en voor dissonanten — zoals men ze noemt. Het steenkappen heeft mij echter geleerd dat die zaken heel relatief zijn en veel met gewenning te maken hebben. Wie niet in steen kapt, die weet ook niet dat elke tik een gloednieuw akkoord vormt dat boordevol is van zogenaamde consonanten en dissonanten. Musici hebben moeten vechten voor de erkenning van de terts als consonant. Toen het tijdperk van de dissonanten aanbrak, en alle taboes overwonnen leken, keerde men terug naar de eenvoudige kwart, naar het octaaf, en tenslotte naar het enkelvoudige geluid dat zijn begeleiding in de omgeving zoekt en ook vindt, en tot meetrillen dwingt. Elk geluid maakt bij zijn geboorte de ganse kosmos tot zijn eigen klankkast. Alles trilt altijd met alles mee, maar wij zijn daaraan gewend geraakt, en daarom horen wij dat niet meer — tenzij we blind zijn. Nu ik verblind was door het schrille lichtvlak dat ik tot geen prijs uit het oog wilde verliezen, zag ik minder nog dan in de duisternis waarin ik tijdloze tijden lang had verkeerd, en ontdekte ik nieuwheden in de geluiden die mij naar boven loodsten, naar het licht toe, en naar de vrijheid der geluiden. Niet de duisternis maar de stilte is het ergste kwaad dat een mens kan overkomen. Een leven lang zoeken wij naar stilte en wij werken ons krom om heel even op een plaats te kunnen zijn waar bijna niets te horen is, behalve dan de zang van krekels, het roepen van een uil of het klateren van een waterbeekje. Wij weten niet hoe oorverdovend stilte wel kan zijn, en hoe ondraaglijk. Men zegt dat astronauten die door de ruimte zweven, alleen maar last hebben van de stilte. Hoezeer wij ook naar de stilte verlangen in ons leven: zij is doods en ketenend; alleen in de geluiden is er heil. Musici beweren soms dat zij de stilte boven elke vorm van muziek verkiezen, maar wat zij eigenlijk bedoelen is iets heel anders: zij willen rust, en de stilte is pas goed met mondjesmaat — zij is net zoals het vasten. Van een teveel aan stilte gaat men dood.
Do-kruis: deze noot — of toon — was noch hoog noch laag, hij klonk warm en vriendelijk zoals alleen do-kruis kan klinken. Sommigen ontkennen dat een mens een absoluut gehoor heeft, maar ik weet dat elke toon uniek is en zijn eigen wereld heeft. Men gaat van bepaalde tonen houden, en van andere houdt men minder, ofwel helemaal niet, en elke mens heeft zo zijn voorkeuren — wellicht geldt dat ook, en misschien in een nog grotere mate, voor bepaalde dieren. Soms verandert die persoonlijke voorkeur in de loop van het leven, bijvoorbeeld omdat de gemoedsgesteltenis verandert, of ook nog omdat het gehoor aftakelt. In mijn kindertijd hield ik het meeste van de allerhoogste en de allerlaagste tonen: het piepen van vleermuizen kon mij bekoren, het getikkel van een triangel en het geluid van de kleine belletjes die aan de teugels van de paarden en aan de riemen van de koeien hingen, of die we als kinderen meedroegen in de jaarlijkse processie. De schreeuw van meeuwen: dat zijn schitterende akkoorden die met de intredende doofheid echter herleid worden tot bijna lompe kreten. Het geroffel van de donder in de verten, lang vooraleer een onweer opstak, en het bulderen van de donder onmiddellijk na een heel nabije blikseminslag die, zoals men weet, ook zelf een heel specifiek geluid voortbrengt: tjak! Of het slaan met een stok tegen een grote, metalen waskuip in de boomgaard, midden in de zomer, als de krekels fluiten en de zwaluwen piepen.
Re-kruis, een lacune, fa-kruis, sol-kruis, la-kruis — niet te snel! Niet te snel! Do-kruis weer, en nu waren we al in de hogere octaven beland, en nog kon men het zinderen van de allerlaagste klanken horen, en de hogere snaren trilden al een tijdje mee met het geheel en zij leken wel te smeken om, op hun beurt en hoe eerder hoe liever, aangeslagen te worden. Re-kruis, een leemte, even rust: het vlak was zo verblindend dat het nu leek alsof het licht begon te zingen. Niet te snel! Niet te snel! En een herinnering van op de schoolbanken lang geleden, remde mij af en bracht me tot bedaren: Orpheus en Euridice!
De geliefde van Orpheus, Euridice, werd gebeten door een adder en stierf. Zij verhuisde naar de onderwereld. Orpheus’ klaagzang wekte het medelijden van de goden en zij stonden hem toe om af te dalen naar de onderwereld en daar zijn geliefde Euridice terug te halen. Er was één voorwaarde verbonden aan deze uitzonderlijke toegeving: de hele weg terug mocht hij niet naar haar omkijken; hij moest gewis wachten totdat ze weer helemaal boven waren. Orpheus liep dus voorop, het was een lange, bange tocht, en achter hem volgde hem zijn Euridice. En toen ze bijna helemaal boven waren... wierp hij een snelle blik achter zich. O, noodlot! Daar verzwond zijn geliefde nu voor eeuwig in de diepten!
Fa-kruis dus, bezonnen, en dan sol-kruis: dit waren al de hoge tonen van de korte, dunne snaren welke hard gespannen staan. Lange snaren kunnen nooit zo gespannen staan als korte: zij zouden het immers begeven. Lange kabels dienen los te hangen, en zij kunnen ook geen rechten vormen. Als zij krimpen door de vorst, dan breken zij, lang vooraleer zij rechte lijnen zijn. Met de korte snaartjes gaat het anders in zijn werk: zij gelijken wel op de staafjes van een xylofoon, die niet opgespannen hoeven te worden omdat ze hard zijn uit zichzelf. Of op de belletjes, op de triangel, gelijken ze. En hunmuziek benadert al de muziek van het kappen, want het kappen gebeurt eigenlijk op het gehoor: het dient een lied te zijn, met de juiste noten en in de goede maat: als men daar een muzikale fout maakt, dan kapt men ook een stukje weg dat daar had moeten blijven, en dat is voorwaar een ramp.
En plotseling dacht ik weer aan Lotte: zou ik er niet beter aan doen haar nu direct te halen? Waarom was er niet de minste drang in mij om terug te keren naar de put?! Zij kon niet dood zijn, dat wist ik nu heel zeker. En op dat moment realiseerde ik mij ineens dat Lotte met de kleine boven was!
De steenkappersdoofheid speelde mij parten, maar nu kon ik haar duidelijk bezig horen aan de vleugel in de living: zij speelde Perfect Day! Ja, dat was Lotte met Perfect Day! En ik waagde een sprongetje terug naar de fa-kruis die ik net gepasseerd was teneinde haar met deze toon te begeleiden. Dit kelderse trappenklavier klonk immers zwaarder en zwoeler dan de zangerige, lichte vleugel, en hun klanken, zo merkte ik nu, consoneerden wonderwel! En van de fa-kruis sprong ik neerwaarts, over de lacune heen en ook over de re-kruis, terug naar de do-kruis, teneinde met deze noot het schone lied van een perfecte bas te voorzien. Ik moest nu het ritme volgen, concentreerde me op de maat, maakte me klaar om bij de eerste slag weer klaar te zijn, dan moest ik immers ergens op een sol-kruis zien te belanden, het had geen belang of ik die opwaarts vinden zou ofwel neerwaarts, maar deze neerwaarts leek mij het minste risicovol, ik hield me dus klaar en sprong, ondertussen bedenkend dat zij het wel zou horen nu, dat zij wel stilaan zou doorhebben dat ik het was, haar echtgenoot, die de trap naar boven kwam, en die van pure blijdschap draalde... Maar tijdens die sprong... realiseerde ik me dat het niet de sol-kruis was die ik hebben moest, doch de sol zelf en... die noot ontbrak op mijn klavier, mijn trappenklavier, mijn klavieren trappen, mijn treden die allemaal eender kruisen zijn, allemaal om te zwarter...
20. Elisabeth
De nakende Koningin Elisabethwedstrijd is er de oorzaak van dat ik in klavieren ben gaan denken, en mogen de goden mij dat vergeven, het is een zwak, ik weet het, het is misschien wel mijn grootste zwak, maar ik kan het echt niet helpen. Mijn geheugen wordt heel slecht: is het om de drie jaar of is het om de vier jaar dat de piano aan de beurt is? Ik heb, wat een geluk, nog geen wedstrijd moeten missen sinds ik luisteren en kijken kan. Vraag mij niet naar namen of naar stukken, want ik ben een leek in 't vak, en wat zijn namen, als men ze niet nodig heeft? Wat telt is dit, dat dan toch eens om de drie of vier jaar een mens wordt vervuld van schoonheid en van hoop. Ja, zelfs al heeft men een slechte gezondheid, staat men vermoeid op, en moet men door zijn dagen heen klauteren, bijna zoals een vis in de takken van een boom, en kampt men met een korte adem, spierzwakte, een troebel zicht en allerlei andere kwalen aan de oppervlakte en vanbinnen waar de darmen liggen: in die korte tijdspanne van een tiental dagen — hoeveel zijn het er? Mijn geheugen wordt zeer slecht — in die korte tijd gaat alles vanzelf op een hoger toerental draaien.
Het bloed, gestremd en donker geworden door tijden van lugubere onzin, gaat weer stromen; de aderen worden wijd als wouden, de migraine wijkt en het licht gaat aan onder het schedeldak, het gehoor verbetert, alsof het zijn scherphorendheid heeft opgespaard voor deze gezegende stonden, de stramme spieren en pezen maken plaats voor een plots wonderbare soepelheid die aan zal houden tot de ganse plechtigheid is afgelopen. Koningsgezind ben ik echt niet, maar Elisabeth... zij was een helderziende godin!
Er zijn rellen in Frankrijk, jongeren steken weer auto's in de fik, en wat verderop schamen de oude Ieren zich niet om voor de camera's te poseren met hun geharnaste posturen, stinkend van de haat. Weer elders omgorden jongeren, nog kinderen en vaak ook frêle vrouwen, het lijf dat voor heel andere dingen was bestemd, met bommen, omdat het hen zo geleerd wordt in hun scholen. Kinderen verliezen hun onderste ledematen tijdens het onschuldige spel wanneer zij op onze granaten trappen, en ook hun broers, ouders en grootjes, die hen eigenlijk verhalen hoorden te vertellen van Duizend en één nacht. Stokoude maar niettemin vlugvoetige pausen die doen denken aan de bejaarde Grootinquisiteur van Dostojevski, die soms heel goed gokte, reizen naar landen die bijvoorbeeld Brazilië heten, om daar de Christus te veroordelen die zich niet meer in de Roomse praal herkennen kan, en zodoende exporteren ze die Ierse toestanden naar streken die ook om deze vorm van kolonisatie niet hebben gevraagd. Deze en nog veel en veel meer ellende is het nieuws van elke dag over de ganse aarde... totdat daar, eens in de zoveel jaren, weer die door God zelf gezegende dagen zijn!
Kerstmis is een santaklaus-karnaval geworden met blote borsten en pasteitjes van ganzenleverkoek, en de klokken van Rome luiden allang niet meer omdat lentevliegreisjes beter renderen — zelfs de herdenking van de doden heeft plaats gemaakt voor een eigen soort van karnaval. De geaborteerden worden al helemaal niet meer herdacht, daar zij niet in een graf belanden doch in een ordinaire vuilnisbak. Of is het een witte, plastic emmer, waarvan de inhoud dan zedig door een afvoerpijp gespoeld wordt, die alles netjes mixt vooraleer het de riool in gaat? Of wordt dat verbrand, tegenwoordig, en omgezet in alleen maar wat geurhinder, dewelke dan idealisten op de been brengt in de wijk, die handtekeningen verzamelen welke enkele seconden van de uitzendtijd opeisen? Allochtonen — en herinneren wij ons eenmaal Günter Walraff met zijn "Ganz Unten" — allochtonen, werkzaam in de beerbuizen onder onze steden, waar ook de ratten wonen — onnoemelijk veel groter dan dat van de stedelingen is hun getal — vinden soms nog een botje dat aan de messen van de mixer is ontsnapt: zij nemen het op in hun verweerde handen, spoelen er de zwarte drek van af, brengen het thuis en vragen aan Allah waarom Hij dit perse moest dulden. Weten zij niet dat dit het tijdperk van de satan is dat, zoals voorspeld in de Schrifturen, eens zou komen, en dat recht zou praten wat krom is, en krom wat recht is? Want alle dingen, en ook deze zaken, hebben hun tijd, en hun tijd zitten ze ook uit, totdat hun tijd op is en niet eerder.
Desondanks is er om de zoveel jaren die schitterende oase waar onze getormenteerde, stervende zielen drinken kunnen: o, Elisabethwedstrijd! Verlossende beker! Onverhoopte vernieuwer van de hoop! Zweetdoek van Veronica! Onderstutter van het zware kruis! Barmhartige Samaritaan!
Ik weet het, niet alle zielen kunnen zich hieraan laven: velen hebben honger, lijden kou of drogen gewoon uit, lang voor ze de leeftijd bereiken dat men normaal gesproken noten leert te lezen en ivoren toetsen verlangt te beroeren. Maar het leed van de engelen die voor deze stonden van vervoering uitverkoren zijn, is misschien niet geringer dan dat van hen die beriberi hebben of H.I.V. Hun leerschool is warempel als een ziekte die zij meedragen van kindsbeen af, met wonden die elk uur verzorging eisen: valse noten, kapotspringende snaren, een boterham minder voor een bescheiden eigen instrument, en vader en moeder die bijklussen voor het wonder dat eens geschieden zal. Wie wil het dorre lijden ook maar zién, dat duizenden zich op de hals halen om die acrobatie te ontwikkelen die vereist is om ten gehore te brengen wat de Machten en de Tronen ons influisteren willen? Wie kan de frustraties ondergaan die jonge kinderen moeten dragen voor het met zwarte noten bedrukte blad op de pupiter, op dat simpele bakje dat warempel op een doodskist gelijkt, en waarin snaren staan gespannen, geduldig wachtend op een melodie die over een wereld ver buiten dit tranendal vertelt?
Maar het leven is een wonder: in elk kind kiemt een kracht die de elementen doet verstarren, en de jongeling die uitgedost aan de vleugel plaats neemt in de Elisabethfeestzaal, bij het zwart-witte gebit der toetsen, met handen van het zuiverste bloed doorstroomd, warm en gespannen, de aders hevig kloppend, het aangezicht veredeld door tonen die uit continenten komen die ver achter de verste sterren rusten... daar gaat hij van start!
Het is slechts een bakje, gelijkend op een kist waarin men de doden opbaart, overspannen met een reeks van snaren. Gemakshalve worden de snaren met hamertjes aangeslagen, die in verbinding staan met een overzichtelijk geheel van toetsen, het klavier genaamd. Als een kat per ongeluk in de snarenbak geraakt, hoort men alleen wat storende geluiden, zoals die eveneens hoorbaar zijn bij het doen van de afwas, als de potten en de pannen en de vorken en de messen met elkander aan het praten gaan en kletteren. En dit 'onding', dit simpele 'bakje', dit kan voorwaar de stem zijn van de Intelligenties. Het kan, mits een leven zich bereid verklaart het offer van zichzelf te brengen. En ook dat wordt op scholen aangeleerd aan kinderen. Het zijn beslist andere scholen dan de hoger genoemde, die alleen onzeggelijke treurnis doen wassen onder ons.
Soms denk ik dat het menszijn een ziekte is die overwonnen dient te worden. En dat wij vechten moeten om te ontkomen aan het vlees en aan het vel dat bindt en strikt en lam maakt. Branden moet het hier vanbinnen, een ware oorlog dient te worden ontketend tegen de geesten die alleen maar houden van verderf, verdoving en verstrooiing. Snijden moet men zichzelf durven doen, in het eigen luie vlees, dat alleen met de eigen stokslagen te temmen valt. Geen ogenblik mag men wegzinken in de zoete slaap van zogezegde zaligheid die deze naam niet waardig is en die alleen verdierlijkt, uitroeit wat wil opstaan en kortwiekt wat vleugels krijgen moet. Want een mens verschilt tenslotte niet zo heel veel van een plant die, eens de lentezon haar aandacht heeft getrokken, in kiemen uitbarst, haar twijgen ontvouwt, haar lange vingers uitstrekt, en bloesems doet ontploffen tegen het helblauw van nog frisse, ongeparfumeerde luchten.
Zo ook klinken de handen van de jonge pianist die opstaat uit het graf des mensdoms, hierbij de hand gereikt door Machtige Wezens uit het hoge firmament die hem van de partituur voorzien waarop zij nooit gehoorde Namen hebben neergeschreven die enkel onze zielen lezen mogen.
En zie die jonge handen dansen, verlangen, lijden en bekoren! Het zwarte bakje is voorwaar veranderd in een reusachtige smaragd, een altaar. En in het mensenoffer dat gebracht wordt, smeken wij onze eigen verzuchtingen mee te mogen geven. De tonen klimmen op, alle wezens tooien nu hun pracht, de tonen knielen, verheffen zich, de tonen staan! Extase, o, wilde extase. Dionysos! Faun en Syrinx!
21. Pan
Het zwarte bakje wordt een altaar, de klanken wassen, de handen worden eindelijk handen, in slierten sleurt de musicus de gezangen uit de hoge golven van de stroom die door de hemelen raast en bergt ze in zijn palmen; vingers vlugger dan vinken openen kisten vol schitterende ringen die de ontelbare huwelijken bezegelen die nu gesloten worden onder de klanken. Het deksel van de donkere kist opent zich en uit de diepten verrijst hij ten hemel: de mens in zijn allerbeste doen. Een glans, alles overschijnend met een warm en helder licht, schildert voor het oog dat wij vanbinnen dragen en dat nu door het zich verwonderende oor geopend werd: de hoop.
Hoog rijst hij op uit de kerkers van een wereld waar altijd die verzuchting heeft geheerst die niemand slaap noch rust gunt. Over immer tellende en hertellende klavieren tanden klimt met mateloze snelheid de wondere welving op, en zij hijst die kracht naar boven die beneden in het ruggenmerg van alle wezens huist; zij doet de wervels ratelen in haar opwaartse dans en spint de witte waas omheen de zenuwstrengen welke ons beschermen moet tegen de onmiddellijke aanschouwing van de levende god. O, extase! Daar gaan de handen, legers van vingers, duizelingwekkende hoogten in; zij trekken de armen achter zich aan, de borst, de lendenen, de kalken ribben en de nu gestrekte knieën, het hoofd dat zich in de nek gooit en rolt, het schedeldak dat er nu af gaat en... nimfen! Nimfen die dansen in groenende dalen!
Syrinx, een nimf, oogappel van de faun, Pan: zij vlucht voor de bosgeest, smeekt de goden om bescherming, en haar gebed wordt zowaar verhoord: zij verandert in een rietstengel. Pan, bedroefd, buigt zich over het riet, neemt het in zijn handen en snijdt daaruit een fluit. Zijn lot is nu bezegeld: hij zet zijn geliefde aan de smart van zijn lippen, zijn klacht weerklinkt door de groenende dalen. O, noodlot dat moet zijn om tot dit lied te komen! Zwarte doodsman zonder wie geen opstanding ademen kan!
En daar lag ik dan, helemaal beneden aan de trappen met gebroken wervels en gekneusde ribben en donker bloed dat alom uit de wonden gutst'. En ik zag nu dat ook uit de diepe aarden put het bloed naar boven stroomde, en grote bellen dreven op de stroom die stroperig de keldervloer bedekte en deed glanzen zoals het ijs glanst aan de polen in hun eeuwigdurende nachten. Als ijs voelde het arduin aan van de treden, als blauwesteen in dodenhuizen, en uit wat zopas nog het verblindende deurgat was, daalde nu de stank af van de dood die eertijds enkel door de tomben en de zerken waarde.
Opkijken durfde ik haast niet: "Wat heb ik u gezegd dan!", riep zij in woede, optornend uit haar slijkerige gat, geheel bebloed en zo ook in een donkerroze schijn, met op haar arm, als een madonna, het kind, en aan haar voeten het lijk van Lotte, drijvend tussen dode ratten. Zij had een vlot bij zich, en sleepte mij daar op, en stuurde het naar de kelderdeur toe terwijl het bloederige water in de catacombe steeg, net zoals iemand het bloed stijgt naar het hoofd. En ik concentreerde mij, trachtte mij te herinneren wat dit zijn mocht, viste met een kazige memorie vol met gaten naar de woorden die nog her en der lagen verspreid: wat kon het dan wel zijn, dat ik nu aanschouwen moest, en waar was ik, als dit alles slechts de schaduw was van iets heel anders?
22. De kelders
Maar hoe komt iemand erbij, zo kunt u zich warempel afvragen, om een kelderruimte te beschrijven en haar duisternis, en stank, en stilte, alsook haar angsten en verlangens? Hoe onwerkelijk is dat en hoe ongeloofwaardig: een lege, dorre kelderruimte!?
Edoch, moet men niet opmerken dat de kelderruimte in feite het centrale thema is van de wereld in de jongste jaren? Komt de catacombe niet naar boven als uit de wereld alle waarheid wordt verjaagd en als het kalf het Kind vervolgt en doodslaat, nog voor dit het levenslicht mag zien? In het 'verhaal' van de kleine meisjes die verdwenen, verdwijnen en helaas ook nog verdwijnen zullen, draait het allemaal om kelders. Wij zien ze niet, de kelders, tenzij na afloop in de 'plot', maar het zijn wel de ruimten waarin alles gebeurt wat er gebeurt in de lange dagen en jaren dat ouders en zij die meevoelen met hen, zich afvragen wat er dan gaande is. En waren het geen kelders waarin de fundamentalisten zich verschansten toen het bommen regende op Afghanistan? Is de dictator van Irak zich niet gaan verschuilen in een smalle pijp onder de grond toen hij gezocht werd door miljoenen militairen? Verschanste Hitler zich niet in een kelder, een versterkte bunker, toen zijn rijk ten onder ging, en haastte Bush zich na de aanval op de torens niet naar de schuilkelders van Alaska? Ik zeg u: naarmate de torens steeds hoger worden, worden de kelders steeds dieper.
Talloze bedrijven van gerenommeerde kelderbouwers zijn als paddenstoelen uit de grond gerezen van zodra de dreiging van de atoombom ons ter ore kwam, en ook de zozeer geprezen onderzeeërs zijn een soort van kelders, waar een oorverdovende stilte heerst, en angst ook, en onzekerheid voor wat er boven het oppervlak aan het gebeuren is. Zelfs de bemande ruimtetuigen zijn een vorm van kelderruimten bovengronds, zo hoog echter dat het er weer donker wordt, en de zon er tot niets meer dient: zij is een stip geworden op het zwarte vlak. Wij zien er nauwelijks iets van, maar alom ter wereld wordt het bestuur over de toekomstige wereld voorbereid in onvoorstelbaar grote kelders, die in feite de hoofdkwartieren van de toekomstige regeringen zijn. Uitgerekend van onder de grond zullen zij elkaar bestoken totdat van de hele prachtige schepping niets meer overblijft, en het naar boven komen zal er niet meer inzitten, tenzij in de vorm dan van een pijp die als een regenworm boven het aardoppervlak zal komen loeren, met daarin een soort van webcam die zal speuren naar het licht, dat echter mét de lucht voorgoed verdwenen zal zijn. Want als er geen dampkring is, dan is er ook geen licht, hoezeer de zon ook schijnt, tenzij het schijnsel dat weerkaatsen zal op de metalen platen van het harnas waarin men zich dan dient voort te bewegen, haast zoals een vis in de takken van de bomen. En de ganse aarde zal herleid zijn tot een kelder, en zij zal er uitzien zoals nu de maan: zonder licht, zonder lucht, zonder leven en zonder hoop. De leugenachtige verzuchtingen om de ruimte in te trekken en de beweringen dat daar onze toekomst ligt, zijn zonder meer afschuwelijk. Zij vragen zich niet af of zij enigszins geloofwaardig zijn: ze willen alleen zichzelf verkopen, want met het geloof in deze fletse fabels staat of valt de inning van steeds hogere taksen voor het militair materiaal en de oorlogen van een handvol grootheidswaanzinnigen die elk geloven dat uitgerekend zij geroepen zijn om deze wereld te besturen. Kelders: de toekomst is aan de kelders.
In kelders worden vandaag massaal mensen verscheept die geloven dat hen na een lange en nachtelijke tocht het beloofde land wacht. Zij hebben hard gewroet, gespaard, en lieten hun geboortegrond, ouders, broers en zussen, vrouw en kinderen achter, want bij malafide wolven kochten zij een grote reis naar het paradijs, welke verlopen zou via kelders: kelders van vrachtschepen en gammele schuiten, telkens door lange en zeezieke nachten, kelders van vrachtwagens en dobberende boten, of kelders in vliegtuigmotoren waar men niet meer ademen kan en waar het vriest tot 30 graden en meer onder nul. De kelders van de pijpen onder het kanaal, de kelders van de nachttreinen, en die van de gevangenissen, de kelders ook waarvan zij tenslotte niets afweten: zij weten niet meer of ze op zee vertoeven of op de sporen, op snelwegen of in de lucht. En kou lijden zij in de kelders: kou en honger en heimwee en spijt. En als ze dan op hun bestemming komen, en het zijn er honderden, duizenden, tienduizenden... miljoenen mensen zijn het! — Als ze arriveren, is er helemaal geen paradijs: er zijn dan alleen maar weer nieuwe kelders.
Jonge vrouwen, na een transport van weken, verkleumd en uitgehongerd en door elkaar geschud, belanden niet in het land van belofte: zij komen in de kelders van de gedwongen prostitutie terecht. In nachtelijke steden, achter betonnen gevels, in grauwe huizen, altijd des nachts om niet gezien te worden, tellen zij de dagen af, nog altijd hopend, alsof er een deur was aan hun kelder: een deur waarachter het licht scheen van de zo lang geleden eigen zon. Vrouwen, jongens en mannen komen terecht in de fabriekskelders van het zwartwerk waar alleen enkele grauwe dekens liggen tussen de machines waaraan zij zestien uren slijten van hun dagen waarin nimmer het licht schijnt. Zij herverpakken consumptieproducten of zij sorteren groenten en fruit, zij kleven etiketten met versheidsdata en ook biolabels op allerlei waren in dozen, bokalen en flessen. En zij doen dat omdat zij geloven dat zij aldus eerst hun reis, die naar men hen zegde duurder bleek dan eerst vermoed, terugbetalen moeten, waarna hen beterschap werd beloofd, en echt werk, zoals zij het hebben horen vertellen of hebben gezien op leugenachtige feuilletons uit Hollywood. Of zij komen terecht, geheel onvoorbereid, op gevaarlijke bouwwerven van onderaannemers die zich in zwarte wagens voortbewegen, in helikopters en in privé-jets, tussen Monaco, Moskou, New York en Madrid. Als zij van de stellingen vallen, dan wordt hun lijk waar geen haan naar kraaien zal, netjes ingepakt, in een bad met zuur tot haast niets meer gereduceerd, en dan meegegeven met een of ander vaartuig, om tenslotte te verdwijnen op de bodem van een diepe zee, zo ver weg van huis, van moeder, en van de hele wachtende familie die elke ochtend ontwaakt met die droom van eindelijk een beetje geld, wat beter eten en een woonst voor de kinderen.
Of zij komen terecht in een kelder waar zij op lange banken wachten totdat ze aan de beurt zijn: een vriendelijke vrouw komt hen dan halen, de ene na de andere. Zij geloven warempel dat zij ingeschreven worden en dat zij dra naar huis zullen kunnen bellen met het bericht dat alles naar wens is verlopen, dat ze nu als volwaardig burger zijn erkend, en dat weldra de ganse familie mag overkomen. Dat is wat zij geloven, maar, o vreselijk noodlot: zij hebben hun bank nog maar net verlaten en zijn de deur naar binnen gegaan en dan nog enkele geluidsdempende deuren en gangen verder, of zij moeten op een bank gaan liggen voor een zogeheten hygiënisch onderzoek, krijgen een spuit toegediend, worden opengereten en helemaal leeggehaald. Eén enkel gezond orgaan brengt op de hedendaagse zwarte markt algauw een klein fortuintje op. Naar het afval zal nooit een haan kraaien.
23. Waanzin
De beet genas, maar niet zonder littekens. Het bloeden hield op en er kwam een donkere korst op de plaats waar de tanden zich in het vlees hadden geboord. Zo daalde het vlot waarop ik lag, het bloed trok weg uit de kelder en verdween weer in het gat. Op de vloer kwam een korst; ze droogde op en toen zij helemaal droog was, pelde wat aan de grond was blijven plakken eraf. Het donkerrode, haast zwarte laagje, leek te krimpen, en zo kwamen er kleine barstjes in, en zij vormden, over de vloer, nu een menigte aan krimpende vlekjes waarvan algauw de randen tijdens het krimpen omkrulden, zodat ze los kwamen van de vloer. Telkens wanneer het laatste stukje waarmee zo'n vlekje nog aan de vloer kleefde, poederdroog geworden was, niet meer kleefde, en de vloer losliet, sprong het schilfertje eventjes omhoog, wat mij deed denken aan een insect. Het sprong op met een lichte tik en viel dan dood ter aarde. Miljoenen schilfertjes maakten op deze wijze een sprongetje, dat ook hun laatste was: het begon met eentje, en dan enkelen, en tenslotte was er een echt festijn van opwippende schilfertjes en geleek de keldervloer op een braadpan waarop maïs lag te poffen. Het geluid dat daarbij werd voortgebracht was als dat van een verlossende regenbui na een tijdloze periode van grote hitte. Na een poos verminderde deze activiteit en hield het allemaal op. En dan stak er een wind op, een vreemde wind, en al deze restanten van de korst werden als het ware opgezogen door het gat, waarin ze ook verdwenen.
Daarop keek ik verwonderd om me heen, en maakte ik de bedenking dat het ganse bloederige scenario een koortsdroom was geweest die zich in mijn hoofd had afgespeeld. De keldervloer was droog, de wonde van de beet genezen, de korst eraf gevallen en het resterende poeder weggeblazen door de wind. En de hond die ik gewekt had, en die mij gebeten had, leek nu in slaap gevallen: hij lag languit op de keldervloer, bewoog niet meer en ademde rustig. Mijn troebel zicht verbeterde en de kelder leek zijn normale proporties terug te krijgen. Het leek alsof het plafond naar beneden kwam, ofwel alsof de vloer nu opsteeg, en de muren naar het centrum toe verschoven, waar ik ook zat. Ik bedacht dat ik nu misschien gewoon kon opstaan en mij langs de trap naar boven kon bewegen: daar zou Lotte mij begroeten; ze zou vragen of de kelder nu in orde was. Ik zou antwoorden met een knikje. Dan zou ik me naar de living toe begeven, en daar zou ik vervolgens vaststellen dat er geen sprake was van een arduinen beeld, omdat er ook geen sprake was van een opdracht, of van een vrouw die uit een gat in de vloer van de kelder was naar boven geklauterd. Ik zou me klaar en duidelijk realiseren dat alles wat door mijn geest was heen gevloten alleen maar het gevolg was van het simpele feit dat ik te hoog geboord had in de luchten en te diep gegraven in de grond. Er was geen gat in de vloer van de kelder: daar bevonden zich slechts enkele slordig gemetselde tegels. Er was geen holte in het midden van de aarde waar de doden werden naartoe geleid via de onderkant van hun graven: dat was alleen maar een bizarre leugen van een ingebeeld en volstrekt onbestaand wezen. Het was beslist niet zo dat de mens er naar verlangde om van steen te worden, en dat hij er alles voor over had om vereeuwigd te zijn in een marmeren of een arduinen beeld: de mens was daarentegen bestemd voor de opstanding en voor het eeuwig leven.
Onderaardse werelden en lichtpijpen zo groot als continenten die door de nachtluchten dwalen, bestonden niet, en evenmin bestonden er kelders waarin gaten uitmondden die naar de holte middenin de aarde liepen. Adolf Hitler was een door zieke geesten volslagen gefantaseerde figuur, en indien iemand met die naam ooit had bestaan, dan had hij ook geen mens ooit een haar gekrenkt: politieke leiders geven immers altijd het goede voorbeeld. Hoe ziek moet een geest niet zijn om zich in te beelden dat er ooit monsters leefden die duizenden families, onschuldige mensen, mannen, vrouwen en kinderen, met goederentreinen naar bijzondere kampen brachten om hen daar massaal te vergassen! Hoe ziek moet een hoofd niet zijn om slechts deze gedachte als een fantastische mogelijkheid binnen te laten? Moet men niet stapelgek zijn om te geloven in een zonnewonder dat de wetten van de natuur gewoon naast zich neerlegt? Paranoïde moet men zijn om te veronderstellen dat burgers door de overheid bewust onwetend worden gehouden als een wolk naderbij komt met gevaarlijk radioactief stof dat kleine kinderen kan doden en dat bij duizenden kanker en dood verwekt! Echt zot moet men zijn om te geloven dat zo'n wolken ook maar kunnen bestaan! Nooit zijn er samenlevingen geweest die hun grootste wijsgeren ter dood brachten, en al wie niét aan achtervolgingswaanzin lijdt zal het bevestigen dat Socrates en Christus altijd en door iedereen geëerd werden, dat standbeelden voor hen werden opgericht alom ter wereld en dat dichters de goedheid bezongen welke zij belichaamden, in aandoenlijke verzen en verhalen. Kijk maar rond, zo zeggen de historici: na duizenden jaren zijn ze nog steeds overal onder ons! Wie het nieuws verspreidt dat auto's ons last bezorgen in plaats van comfort, en dat vooruitgang achteruitgang is, die is gevaarlijk! Wie beweert dat scholen winkels zijn, en artsen handelaars, die is gevaarlijk! En welk een perversiteit moet er niet broeden in de hoofden die bedisselen dat wat geld kost van geen waarde kan zijn, en dat het allerbelangrijkste gratis is? Wie durft daar de fantasie te propageren en het vrije spel van kinderen? Wie is het? Ach, er zijn zelfs krankzinnigen die uitbazuinen dat er heden mensen massaal naar kelders worden gebracht om daar als slaven en slavinnen te werken totdat ze erbij vallen, of dat zij voor hun organen worden afgeslacht! Die steenkapper beweert dat, zegt gij? Die zerkenhouwer daar, die ook vertelt dat er al leven is voor de geboorte, en dat het leven gewoon doorgaat als de laatste adem uitgeblazen is?
Ik dacht weer aan de steenkapper die mij de stiel ooit had geleerd. Velen geraken in verwarring op het einde, zo had hij gezegd: het lijkt alsof zij hun verstand verliezen en alsof zij spreken met wezens die er helemaal niet zijn. In het doodsbed wanen zij zich op andere plaatsen, heel ver weg, en soms op plaatsen die helemaal niet bestaan. Soms wanen ze zich in een ver verleden, en willen zij terug naar het huis waar zij geboren zijn, bij moeder, en zij willen dat terwijl dat huis al jaren is gesloopt en moeder allang is begraven. Of zij spreken alsof zij in de toekomst stonden, en zeggen zaken die niemand weten kan omdat ze nog niet zijn gebeurd.
En toen keek ik voor me uit, en zag ik daar op het tafelblad die vod liggen die hij toentertijd voor me als een geschenk op de zerk had neergelegd, en dat klonk zoals van hout, en dat ik al die jaren nog niet had aangeraakt. Hoorde ik boven Lotte niet spelen van Perfect Day? Of was het de Elisabethwedstrijd die van start ging op de televisie? Ik moest opstaan nu, de trappen naar boven, en in het licht treden van een ongetwijfeld weeral schitterende zomerdag!
24. De faun
Ik ging opstaan en liep naar voren met in de linker hand het stompje van de kaars. Ik bekeek de trap aandachtig, ging voor de onderste trede staan, bekeek alle treden, de ene na de andere en van beneden tot boven, zodat mijn blik bij de deur kwam, de kelderdeur, en in de kelderdeur zag ik een witte stip: het sleutelgat. Het sleutelgat leek groter dan het was, aangevreten door het klare licht, en het leek dat ik al de insecten kon horen zoemen in de tuin, dat ik al de bloemen ruiken kon, en ook de bijenwas, die de meubels in de heldere kamers glanzen deed en geuren. Heldere huiskamers waren lang geleden nu, zij leken wel verdwenen van de wereld sinds de tijd dat er nog stilte sprak en dat de nachten donker bleven, en dat er spoken waarden door het duister van de schoven, de bedspreien en de ledikanten. In de boomgaard had men dan gezeten met zijn allen bij de haag, en verhalen werden opgedist uit nog veel vroegere tijden. Nog helderder waren de huiskamers in die tijden, en hun ramen gaven uit op lange tuinen met appellover in de lente en seringen, hommels die niet ophielden met zingen en bessen die gegeten werden bij het wild aan even eindeloze tafels. Zo donker als het leven hier was, zo helder was het ook aan de andere kant van de deur: hier waarde de adem van de dood en ginder sliepen, uitgestrekt op witte beddenlakens, nimfen.
Een faun zat er in de vod die mijn rechterhand omklemde: een houten faun, ik wist het zonder ooit te kijken, en ik bedacht dat als men zich een vraag stelt, men gewoon moet wachten totdat zij zichzelf oplost. Het antwoord was nu overbodig, en dat was warempel een besparing van adem en van lange uitleg die de rust verstoort. Een eikenhouten faun had de oude steenkapper ooit gebeiteld uit een langzaam door de oostenwinden uitgedroogde stam ener feeërieke boom uit een lang vergane tuin die in die tijden bloeide die nog vol waren van heldere huiskamers en van lang vergeten goden. De faun had op een kleine kast gestaan — misschien was het wel zijn eerste werkstuk — in een donkere kamerhoek, en bijna niemand had hem ooit bekeken, aangesproken of ook maar iets gevraagd. Daarom ook was het goed dat hij uit hout was uitgesneden en niet uit vlees gewassen of uit de stof waaruit faunen die bewegen kunnen zijn gemaakt. Misschien, als ik hem uit de lompen wikkelde, zou de bijzondere lucht die deze kelder vulde hem wel behagen, en zou hij verleid worden om hem in te ademen. Hij zou opstaan bij de eerste klanken van het onwezenlijke lied dat Claude Debussy aan zijn verschijning wijdde, en dat Lotte nu speelde op het klavier daarboven; hij zou zijn lendenen uitstrekken en zich rekken, opkijken naar de trap, naar boven, en hij zou de trap betreden, zich als een hazewind naar boven spoeden en verdwijnen in de hete middag.
Achter de rug van Lotte was hij gaan staan, helemaal onopgemerkt. Achter de waas van het witte kleed dat haast haar huid niet raakte, fijn als spinrag was en, niettemin sneeuwwit, nu rozig kleurde door de tinten van haar bleek doorbloede, droge poederhuid, doorschijnend zoals spoken ook doorschijnend zijn, en nimfen, elfen, feeën. Wij weten immers niet dat deze half-wezens onze paden kruisen en zich doorheen de dagen weven die wij alleen de onze wanen, dat zij onze huiskamers mee bewonen, ons de woorden uit de mond ontfutselen, zich gaan nestelen in het spel van onze vingers als wij het klavier betasten en dat zij onze stem verbeteren als wij de mond openen om een lied aan te heffen. In de nacht, als de slaap ons half weggenomen heeft uit wat betastbaar is en breekbaar, balsemen zij de huiden van de dromers met een elixir dat zij, samen met de bijen en nog andere naarstige insecten uit witte en roze bloemknoppen destilleren, teneinde op die heel kunstige manier zich met de vorm van onze gestalten te kunnen bekleden en in onze tuinen rond te kunnen dansen. Eigenlijk zijn wij, mensen, slechts de brute grondstof van de nimfen en de faunen, en heeft de wereld die wij voor hen geheel onwetend prepareren, veel verder reikende einders dan onze vlezige ogen schouwen kunnen.
Achter de rug van Lotte stond de faun terwijl zij speelde, haar hoofd was ijl en bleek, en zij werd door hem bedroomd zonder het te weten. Haar lange, dunne vingers gleden door de mazen van plotseling ingenieus verzonnen akkoorden, en nieuwe klanken uit een sprookjeswereld vermengden zich met haar afwezige spel. Hij bewoog niet en hij raakte haar niet aan, alsof ook hij zelf van spinrag was, bekleed met enkel adem, en geduldig wachtte hij totdat de vervoering intrad en zij, dronken van de klanken, opsteeg uit haar lijf en, even later, als een luchtige libel, door de tuinen dreef en over 't water. De snaren trilden maar heel even toen zijn gestalte er langsheen schoof, Lotte achterna, naar buiten doorheen open ramen, en de gordijnen draaiden in een onverwachte zucht van de broeierige winden.
Zij werd zijn aanwezigheid plotseling gewaar, keek om en zag nog net hoe hij verdween achter de stoere eik waarvan de takken zich in de diepe waterput hadden genesteld en waarin sinds het begin der tijden tortels woonden. Ze klampte zich aan haar eigen dunne kleren vast uit onmacht, haar kleine voetjes zetten het op een draf en door het fijne, groene gras joeg zich haar tedere gestalte. Eerst was zij nog geprikkeld en geamuseerd, maar dra barstte het hijgen los, haar ranke borst ging heel snel op en neer, paniek ontstal haar de wilde ademteugen en zweetdruppels braken uit de aders in het marmer van haar huid.
Hij maakte zich smal om achter de helderhouten stam te kunnen verdwijnen, en zo beklom hij omzichtig het gebeente van de boom totdat zijn edele contouren in de wilde lentekruin van bla'ren en van bloemen helemaal verdwenen. Waar is hij nu? — dacht zij; zij keek naar boven, liep omheen de ronde ruimte van de eik die in de beslotenheid van zijn haag aan takken hem onzichtbaar maakte die haar met de oeroude jagersblik der wellustige bosgoden begeerde. Angst omkringelde haar zwakke hart dat hotsebotsend nu haast stremde, struikelde, en hoge, schrille klanken opstiet uit haar borst. De haren dansten wild en warrig om haar tronie heen waarin nu t' allen kante de bevreesde ogen wipten en verschoten, als was haar hoofd een kooi vol dartele kanaries. Haar jurken hees zij met de toppen van haar smalle vingertjes op om alzo sneller te kunnen lopen, en terwijl zij danig rende langs de oevers van de vijver ten aanschouwe van de schuwe, gouden vissen, kruiste een minuscule, stoute elf die 't spel gevolgd had plots haar pad en deed haar vallen. Scheuren deed haar zijden kleed, en halfnaakt haastte ze zich weer rechtop, een schichtige blik naar achteren werpend. De faun: geruisloos was hij vanuit de kruin het water ingedoken; zij hield hem voorwaar voor een grote vis en zag niet hoe hij onder de leliebladen door, in 't zachte, stille, troebele water naar haar toe zwom, die bij de oever knielde en die, in de waan dat hij verdwenen was, zich spiegelde in de vijver. Als een dolfijn dook eensklaps zijn figuur uit een versplinterende waterspiegel voor haar aanschijn op: zijn vinnen hieven zich zijopwaarts, veranderden terstond in gespierd gestrekte armen en negen zich voorwaarts naar haar toe om haar vanuit een vreemde dronkenschap te grijpen; zijn staart betrad de oever in de vorm van naakte benen en zo hees hij zich aan wal, stortte zich op haar, die vluchtte, kon nog net haar zoete voeten grijpen en, zoals een felgekleurde salamander in levensnood de staart afwerpt, zo wierp zij haastig haar sandalen af en snelde verder door het gras.
25. De Panfluit
Vanuit de kelder kon ik raden wat daarboven allemaal gebeurde, in het licht waarvan ikzelf verstoken was, en heimwee vulde de plek waar eens mijn hart gezeten had. Nu het lichtje van mijn kaars al helemaal doofde, keek ik met grote ogen rond onder het schedeldak: ik had daar weer een weinig klaarte, en klom, in de kelder van mijn schedel, de lastige treden op, totdat ik bij de kelderdeur gekomen was, de sleutel diep in 't sleutelgat naar binnen dreef, en draaide.
Wijd openden zich de deuren van mijn schedel, en ik sprong.
Ik trad de keuken binnen, zag dat zich de faun te goed gedaan had bij de voorraadkasten met de spijzen; de stoelen stonden wijd verspreid of lagen omgekanteld op hun zij. Over de vloer lag als het pezige bolster van een dure vrucht die slechts eens per eeuw ontbolsteren en bloeien kan, het kleed van Lotte. De beddenlakens weggegleden tot halverwege van het ledikant, en plassen diepe, rode wijn over het marmer. Wat verder in de geborduurde zijden kussens, een vuurrood glimmende appel aan welker beide zijden een beet ontbrak.
Ik spoedde mij naar 't venster, gooide de luiken met de glasramen taferelen open en klom de wilde tuin in waar ik me verschuilde achter een rozenstruik vol doornen kronen. Van daar uit keek ik rond in de immense, lege tuin.
Lotte! Daar vloog Lotte! Gezwind als een insect vloog zij in haar naaktheid van boom naar boom, haar borsten raakten de bloesems even aan en de knoppen op de rozelaars volgden haar vlucht en ontsloten zich wijdopen. En achter haar aan, de wilde faun met bokkensprongen door de takken. Zij lachte hoog en paniekerig, slaakte nu en dan een schrille gil, zo te zien tot groot jolijt van de sater. Maar nu verging het lachen haar: hij had haar haast te pakken en zij moest zowaar naar adem snakken en met de laatste teugen van haar stem perste ze er een gebed uit tot de goden, schreeuwde om asiel en, lieve hemel: zij viel! Zij viel!
Net op het moment dat hij op haar toe sprong, de bronstige faun, al klaar om haar tot zich te nemen, verzwond haar gestalte eensklaps in het niets. Of was het niet het niets, en werd haar menselijke gedaante voorwaar verwisseld voor deze van een lange, ranke rietstengel? Dat is gebeurd: een engel had voor haar gezorgd, en haar gebed was nu verhoord: hij kon haar niet meer onteren.
De faun verstilde, keek ongelovig in de richting van de grond, zijn ogen zochten haastig door het gras, hij vond de nimf wiens lijf niet meer van bloed en aders was, tilde haar op en hield haar nieuwe gestalte tegen 't licht, ging knielen, boog zijn kop ter aarde, jankte bitter, en het duurde uren voor hij weer bedaarde. En dan, ik zag het glinsteren in de zon: zijn mes! Hij kantelde het tegen 't riet, en sneed, en sneed, en grote tranen rolden van zijn ingevallen wangen. En dikwijls hield hij met snijden op en gooide zich ter aarde, herbegon, en sneed tenslotte uit de ranke lijnen van zijn buit, een rieten fluit.
Hij knielde, weerloos voor de goden, stond weer op en bracht het instrument tot bij de rode, ronde lippen van zijn o, zo dorstige mond, en blies een hete adem door haar nieuwe leden [n.v.d.a.: hier zou, in de plaats van "nieuwe leden" uiteraard het veel beter rijmende "smalle kont" kunnen worden ingevuld, edoch wegens het gevaar dat alzo de lachlust wordt gewekt en de betovering opgeheven, houden wij het maar zoals het gewis nu is]. Een melancholisch lied weerklonk. De gouden vissen in de vijver die het hoorden, doken weg onder de blanke lelies en de kruinen van de grote eiken lieten als georchestreerd de helft van al hun bla'ren los. Het gras trok geel in een grote kring omheen 't gebeuren en zelfs de zon verborg zich achter wolkenslierten, en heel gauw werd het die dag avond en rees een grote, ronde maan op boven 't bos, die beter paste bij dit jammerlijke schouwspel. En het silhouet van de faun waarde eenzaam door de schaduwen van de struiken, sterke armen droegen de gewichtloosheid der eeuwige geliefde en hij blies en blies, tot al zijn adem op was, en dan nog bleef hij met zijn droevige, nachtelijke spel doorgaan, en alle dieren in de wijde omtrek bleven stil en wezenloos luisteren.
26. De tartaros
Waarom doen zij dat, de goden? Waarom laten zij de mooie Syrinx veranderen in een riet, precies op het moment dat Pan haar grijpen zal, en dat uit dit toch geheel natuurlijke, dartele spel, een liefde zou worden geboren die alle schepselen zou doen knielen en verstillen? Waarom regelen zij het zo dat Euridice omkijkt, precies op het moment dat Orpheus al het licht van de dag gelooft te zien en een einde aan de lange pijp? Voor hem was nochtans een uitzondering gemaakt die zonder voorgaande was, omwille van zijn citerspel dat de schepselen op de aarde en ook de goden bekoorde en betoverde: in de hemel en tevens in de onderaarde — maar het mocht niet baten. Waarom rolt de steen van Sisyphus weer naar beneden van zodra hij de top van de berg heeft bereikt? Waarom wijkt het water weer van de monden van al die dorstige zielen, net op het moment dat het hen tot aan de lippen komt? Waarom steekt plots een wind op wanneer zij, hongerig, het fruit dat hen boven de hoofden wuift, plukken willen, zodat de takken wijken? Waarom wordt ons een rotsblok boven het hoofd gehangen, dat elk moment kan vallen, of een zwaard? Waarom anders, dan omdat wij in de Tartaros leven, dat het vreselijkste gebied is van de Hades: het centrum van de hel!
Toen onze allereerste voorouders, Adam en Eva, werden geschapen, verbleven zij in het Aards Paradijs: een plaats van volstrekt harmonie, door niets ooit te overtreffen. Zij genoten de totale vrijheid, alleen was daar nog die kleine clausule van de Schepper: van alle vruchten van alle bomen moogt gij eten, behalve van die boom daar, die de boom is van de kennis van goed en kwaad. Geen probleem, zo zou men denken: oneindig is immers het getal van de bomen in het paradijs, en zij zouden warempel nooit ofte nimmer kaalgevreten worden door het oergelukkige tweetal, zodat de nood om van de verboden vruchten te eten, zich zelfs nooit opperen zou. En ineens komt daar een slang bij Eva — wie was dat beest dan, daar het zo welbespraakt was? — en zij zegt: "Eva, waarom eet gij ook niet eens van de appelen van die boom daar; kijk eens wat een mooie vruchten toch?"
Zeg mij, is het dan niet de Godheid die deze slang geschapen heeft, daar Hij dan toch van alle wezens, zonder ook maar een enkele uitzondering, de enige, ware Schepper is?
De slang heeft zich tegen Hem gekeerd, zegt gij? Zij had de vrijheid ook om dat te doen, en die vrijheid was het die onze Schepper had geschapen, en die zich nu keerde tegen Hem, of beter: tegen zijn schepsel, de mens, en dus tegen ons? Heeft de Schepper dan niet de kiem van het verderf geschapen? Heeft onze Schepper dan niet de kiem van ons verderf geschapen? Wie anders immers kon dat doen, dan Hij alleen?
Maar dat is nu precies de vrijheid — zo kunt gij antwoorden: zij kan wie haar bezit, vergoddelijken, maar zij kan dat alleen als zij haar bezitter ook ten gronde richten kan — er is gewoon geen alternatief!
Goed dan, maar waarom schiep de Godheid dan ook de boom? Had Hij ons niet met vrijheid kunnen begiftigen, zonder dat Hij perse een boom moest planten, en een clausule moest uitvaardigen met dat strenge verbod, waarop de doodstraf stond, om ooit daarvan te eten?
Neen, zo zegt gij — en terecht — dat kon Hij niet doen. Vrijheid immers bestaat niet als er ook niet tenminste één verbod bestaat, zodat wij kunnen kiezen om het al dan niet te volgen. Had onze Schepper dan een verbod kunnen bedenken dat minder last veroorzaakte dan dit: het verbod om te eten van vruchten die men om te leven ook helemaal niet nodig had? Nog veel minimaler was trouwens dit verbod: de verboden vruchten waren immers niet alleen onnodig, zij waren bovendien bijzonder schadelijk, dodelijk zelfs! Voorwaar, een onschuldiger verbod had Hij beslist niet kunnen bedenken! Het klinkt zoals dit: "Gij zijt vrij, en gij moogt alles doen, behalve uitgerekend datgene wat gij uiteraard en vanzelfsprekend ook nooit kunt wensen te doen!" En de slang? Ook zij was vrij en ongehoorzaam. En haar verboden vrucht... was de mens!
Maar wat is die Vrijheid dan, zo vragen zich alle wezens af die van dit 'spel' getuigen: wat is er dan zo bijzonder aan, dat zij het risico rechtvaardigt, het allergrootste risico dat men zich maar bedenken kan: dat men in plaats van hemels te leven, zo regelrecht de dood ingaat? Ja: wat is de Vrijheid? Of, eerder nog: wie zijn wij, dat wij ons nooit vrij genoeg weten, dat wij het laatste uit de kan willen, en dat wij daarom ook datgene willen kunnen willen, dat wij nooit kunnen willen?
Wie in 's hemelsnaam wil er nu het kwaad? Het kwaad is uitgerekend datgene wat men niet wil! Ja, dat is de definitie zelf van het kwaad: het kwaad kan gebeuren, maar niemand kan het willen. Verveelt een mens zich dan, dat hij op een bepaald moment zou zeggen: "Ik heb nu alles wat ik ooit gewild heb, behalve dan één zaak: datgene wat ik niet gewild heb. Laat ik nu dus, om de verveling te verdrijven, ook datgene willen wat ik niet wil, want pas dan heb ik het echt allemaal gehad!"
Het is zuivere logica, dames en heren: een gebrek aan het vermogen om logisch te redenen! Immers, als men tevens datgene wil wat men absoluut wil vermijden, dan is het meer dan duidelijk dat deze 'supplementaire wil' — die eigenlijk geen 'wil' is, maar slechts een 'gril' — alles wat men zich al uitgekozen had, weer onmiddellijk teniet doet! Een heel onschuldig voorbeeld...
Als iemand in een heel groot restaurant belandt, en hij wordt daar vergast op een eindeloze keuze van spijzen waarmee hij zijn beperkte maag mag vullen — en let op: de maag moet nu eenmaal beperkt zijn, want anders geraakt zij nooit vol en is de zo gegeerde verzadiging onmogelijk! — dan kan hij alleen maar kiezen... als hij welbepaalde spijzen niet kiest, en andere weer wel. Wie aan het kiezen gaat en zich, voor zichzelf, laten we zeggen, tien gangen heeft toebedacht, die zal toch zeker niet zeggen: "En nu nog, als toetje, ook al de rest daarbij!" Neen, dat zal hij zeker niet zeggen: dat zou zijn disgenoten alleen maar aan het lachen brengen! "Maar pas toch op!", zo zouden ze zich tot de gulzigaard wenden: "Maar pas toch op mijn beste vriend, want kijk: nu is uw kar zo overvol, en de winkel zo leeg, dat ge alles terug op zijn plaats moogt zetten, en dat ge nu met kiezen moet herbeginnen! En dat met een al rammelde maag! hoe vreselijk dom van u! En moeten wij dan op u wachten, al die tijd?" En de slokop, warempel: hij plaatst alles mooi terug, de anderen helpen hem hierbij, want ook zij hebben nu reuzenhonger van het lange wachten, en dan, als hij gekozen heeft, tien gangen,... weerklinkt het warempel weer van: "Maar neen toch! Kijk! Nu doet hij het wéér!"
De vraag dus, wat dan de vrijheid is, of beter: wie wij zelf zijn — daar blijkt dat wij er niet mee om kunnen — kan zodoende alleen een enigszins laconiek antwoord verdragen: wij zijn voorwaar wezens met een bijzonder hinderlijk gebrek, en dat gebrek is uitgerekend het tekort dat we net niet mochten hebben om ook maar enigszins onszelf te kunnen zijn. Zo bijzonder trefzeker hinderlijk is dat gebrek, dat het ons aan het lachen zou maken... ware het niet dat het onze dood betekende! En wie gaat dan aan het lachen? Want, geachte lezer, u zelf gelooft toch ook niet dat deze allergrilligste grap niet meer is dan een speling van het lot?
De aarde met haar dampkring kan een speling zijn van het lot, en zij die zich de meest verstandigen noemen onder ons, geloven ook dat dit zo is. Het leven op de aarde, kan een speling zijn van het lot, en weer zijn het die verstandigsten onder ons, die dat zo bedisseld hebben. De mens die opstaat onder de dieren... kan een speling zijn van het lot — ja, dat kan men nog steeds verteren! Maar dat gebrek dan, dat ongehoord laconieke gebrek dat ons aan het brullen zou maken: een speling van het lot?!
Volstrekt ondenkbaar! Zoals trouwens al de Oude Grieken wisten! Was het niet van hen dat wij alles leerden dat wij heden menen te weten? De Grieken: zij geloofden dat op de Olympos goden leven, die zich vervelen, en die deze verveling trachten te verdrijven met een subliem vermaak: zij lachen ons, mensen, vierkant uit! Zijn zij het dan niet die ervoor zorgen dat onze torens niet hoger worden zonder dat we ook onze kelders dieper moeten graven? Gezien van op de Olympos, leven wij voorwaar in het holst van de hel!
27. Wondere wonden
Andermaal: lachen de goden dan met ons? Is de mens het speeltje van de Hemelse, Aardse en Helse Heersers waarmee zij hun verveling te lijf gaan? De onsterfelijkheid duurt immers lang!
Ikzelf alvast, weiger het om dit te geloven. Die uitleg is namelijk veel te simpel voor een tragedie die tot achter de verste sterren reikt en tot in de veel te diepe kelders van onze arme ziel. In een middeleeuwse kathedraal, die de bundels van de zonnestralen filtert met historische taferelen van glasraam uit de Schriften; waar, zoals in de stoet van het Eschaton zelf, rijen mansgrote eikenhouten heiligenbeelden prijken; waar de ganse geschiedenis van het mensdom van bij het Begin der Schepping tot op het Laatste Oordeel staat afgebeeld op reusachtige doeken van de hand van Rubens en Van Eyck — in zo'n omgeving past ook geen altaar uit plastic. De uitleg bij het Griekse noodlot is verzonnen door een variant van een of andere Monty Pythonfreak, en zeker niet aan mij besteed. De echte reden waarom de goden de mooie Syrinx op het cruciale moment doen veranderen in een riet, kan nimmer zo banaal zijn.
Deze tijden lijken te houden van de banaliteit, maar eigenlijk is ook dat een groteske leugen: zij vrezen alleen maar de banaliteit, of zij verlangen ernaar — wat trouwens precies hetzelfde is, want vrees en verlangen zijn, zoals de wijzen het zeggen, de keerzijden van eenzelfde munt — maar met de liefde hebben zij slechts heel weinig te maken. Immers, indien alles banaal was, dan waren die — nogmaals — veel te diepe kelders van onze arme zielen dat ook, en dan hoefden wij helemaal niets te vrezen. Ook onze dromen waren dan banaal: de zogenaamde nachtmerries, welke onze lichamen uitputten als wij niet waken kunnen omdat dan de slaap ons in zijn macht heeft; en de demonen die ze bevolken en die ons naar het leven staan: zij waren dan allemaal banaal. Hoe graag geloven wij niet dat dromen puur bedrog zijn, en dagelijks sterken wij elkaar in deze vreemde overtuiging, en wij zeggen, de ene tot de andere: "Wat heb ik toch vreemd gedroomd, vannacht! Ik droomde dat ik dood was, en toen lag ik in mijn graf, en ik ademde niet meer, totdat ik plotseling gewekt werd door een gekras vanonder aan mijn lijkkist: een benige hand greep mij bij de enkels vast en sleurde mij nog dieper naar beneden, doorheen een lange, smalle pijp ging het, en toen..." Maar zoveel hebben wij van onze nare droom nog niet verteld, of daar is het antwoord al: een luid en schijnbaar bevrijdend gelach, gevolgd door het alom bekende rijmpje: "Dromen zijn gewis bedrog!" Ja, wij spotten met de droom: des morgens, als hij weerloos is, werpen wij hem schijnbaar heldhaftig van ons af, en doen wij naarstig verder, en zo steunen wij elkanders leugens en laat zich de waarheid nimmer aan ons kennen — des morgens als hij weerloos is. En zo willen wij het ook: wij, mensen, die niet de leugen maar des te meer de waarheid vrezen. Daarom banaliseren wij haar: naarstig, nauwgezet en lacherig, maar met een lach die heel en al gemaakt is en geprepareerd. Wij hebben immers afgesproken dat wij om het Ware lachen, en dat wij hen de das omdoen die verraad durven te plegen aan de heilige leugen. Niets immers wekt zozeer de toorn van de satan dan de belediging van het kalf, dat niets en niemand is, en precies daarom voor belediging zo vatbaar.
Is het dan onmogelijk dat Pan de liefelijke Syrinx tot zich neemt en, zodoende, terecht komt in een zeer bijzonder, groenend dal van alleen maar gelukzalige verzuchtingen en smachten? Geen bosgeesten doch ware heiligen zijn het die dit liefelijke dal bezingen, en ik neem lukraak een vers van San Juan de la Cruz, en bedien mij hierbij dankbaar van de vertalingen in de Carmelitana-uitgave van 1980 [Gent; vers 14; de tweede vertaling]:
Mijn welbeminde, het bergland,
De dichtbeboste, eenzame valleien,
Eilanden, nooit geweten,
De ruisende rivieren,
De fluistring van de strelenzachte winden.
De ziel spreekt tot het bergland en tot de valleien, waarmee zij voelbaar is bevriend, die zij van ganser harte ook bemint, maar meer nog bemint ze Hem, haar Bruidegom, over wie ze aan het landschap vraagt [vers 4; de eerste vertaling]:
O zegt mij, kwamen door uw groen zijn schreden?
En is het niet op precies dezelfde wijze dat Pan zich tot de Syrinx richt, zoals de Panfluit is gaan heten? Stelt hij haar met zijn lied niets eens, en andermaal, en steeds weer opnieuw diezelfde vraag? Bespeelt hij haar niet zoals de heilige dichter van het Kruis, de landschappen van zijn half-dromen bespeelt, in het haast pijnigende besef dat Diegene die aldus wordt gezocht, nog veel verder reikt dan tot waar al de pracht, waarvan hun muziek mag spreken, dragen kan?
Door te veranderen in een riet, is Syrinx zelf symbool geworden van Iets nog zoveel hogers, dat zonder deze wonderbare metamorfose warempel voor immer geheel onzichtbaar zou gebleven zijn! Zonder de tragische metamorfose hadden wij geen weet van Dat waarvoor alle aardse einders veel te eng zijn. Deze tragische ingrepen die een wig slaan in ons bestaan en die ons zo diep verwonden: zij zijn voorwaar de stem van de Godheid zelf!
28. Wreed is het lot
Toen kwam ik tot mezelf: ik zat nog steeds in die kelder, aan het tafeltje zat ik, en recht tegenover mij stond zij, onbeweeglijk, ik weet niet hoe lang al, schijnbaar te wachten totdat ik tot mezelf gekomen was.
“En nu wil ik eruit!”, zei ik, en nu meende ik het ook.
“Ik hou u niet tegen”, antwoordde ze onmiddellijk: “Ga maar, ge zult wel zien!”, en ze draaide zich om en wandelde tot bij het gat, liep er enkele keren omheen en keek mij van ginds weer aan: “Wel? Waarop wacht ge dan!?”
“Ik wacht op uw zegen”, zei ik.
Ze begreep wat ik zegde en ook begreep ze waarom ik dat zegde. Ze kwam naar me toe, heel ernstig keek ze nu:
“Ge wilt die trap daar op en door die kelderdeur naar boven, is het niet?”
“Dat ben ik inderdaad van plan”, zei ik, “en geef me nu uw zegen.”
“Het is niet zo dat ik u mijn zegeningen wil onthouden”, zei ze: “ik zou u maar al te graag zegenen! De zaak is alleen dat dit nu eenmaal onmogelijk is.”
“Zeg het gewoon”, zei ik, “en ik zal tevreden zijn, en dankbaar bovendien!”
“Ge begrijpt het nog niet”, zei ze; en ge zult het nooit begrijpen. Moet ge echt eerst met uw kop tegen de muur lopen?”
“Ik begrijp het inderdaad niet”, zei ik, “leg het me dan uit!”
“Uitleggen”, zei ze, en haar stem klonk haast wanhopig: “Verwijt me straks niet dat ik niet geprobeerd heb om u te sparen”, waarschuwde ze me: “Maar goed, zie ik nu wel dat ge vastberaden zijt, en dat het geen zin meer heeft u de waarheid te onthouden...”
“Iedereen verlangt de waarheid te kennen”, repliceerde ik: “Hoe kan het in ’s hemelsnaam goed zijn iemand de waarheid te onthouden!?”
“De waarheid is niet altijd leuk”, zei ze.
“Het deert mij niet”, zei ik.
“Als ik het zeg, zult ge het mij eeuwig kwalijk nemen”, antwoordde ze, “maar ik zal het u zeggen, de tijd is er trouwens rijp voor, ik zie dat er geen alternatief meer is...”
“Spreek op”, beval ik: “ik ben het gewoon zat!”
Zij nam de beker, liep naar het zevende en laatste wijnvat, en liet hem daar vol lopen. Ze zette hem aan haar lippen en dronk hem in één teug leeg. Het vocht liep dwars door haar heen en droop langs haar magere benen naar beneden. Ze ging terzijde staan van de plas die ze achtergelaten had en ze begon te spreken.
“Wat denkt gij dat er nog is, achter die deur daar?”, vroeg ze, wijzend naar de kelderdeur boven de trap. “Gij zijt er nooit geweest!” Ze draaide eens om haar eigen as, keek mij weer aan, haast medelijdend, en dan ging ze met praten door.
“Niets dan alleen maar uw verbeelding”, zo zei ze: “dat is wat er achter die deur is; anders niets, echt niet!”
Ze wachtte nu eventjes, ik zag dat ze haar woorden woog.
“Ik had dat het liefst zo gehouden”, ging ze verder: “dat was tenslotte het beste voor u. Nu verplicht ge mij dat ik u ook nog van dat enig overblijvende beroof... maar het weze zo, dat is nu eenmaal het noodlot...”
Ze liep weer naar het vat toe, vulde de beker op, kwam er mee naar mij toe: “Drink!”, beval ze: “Dit is het enige wat de pijn nog kan verzachten nu. Vooruit, neem vast en drink!”
Ik nam de beker, zette hem aan mijn lippen, en dronk van de wijn. Ik voelde een beneveling, al van bij de eerste slok, wellicht omdat ik lang niet meer gegeten had, en toen ik hem aan haar wilde teruggeven, drong ze erop aan dat ik hem tot op de bodem leeg zou drinken, en dat deed ik, heel gewillig, omdat ik zag dat ze nu eerlijk met me was.
“Ge verbeeldt u allerlei zaken, achter die deur daar”, zo ging ze nu verder, en ze sprak wat vlotter, het zou immers minder hard aankomen nu ik beneveld was — dat was wat ze gewis dacht.
“Ik verwijt u niet dat ge dat doet”, zei ze, “het is het beste wat men doen kan, als men van niets weet, geloof me vrij: niet is zoeter dan een mens zijn eigen fantasie. Dat is de reden waarom ik u heb willen tegenhouden om hier weg te gaan. Maar als ge straks langs die trap zult gaan, en die deur zult openmaken, dan zult ge het ook zien: er is helemaal niets achter die deur. Als ge dat wilt, dan kunt ge nu gaan kijken!”
Ik aarzelde en zei: “Niets, dat is wel heel weinig: wat moet ik me daarbij voorstellen?”
“Ga kijken!”, zei ze.
“Neen”, sputterde ik tegen: “ge kunt het mij nu maar beter vertellen. Misschien hebt ge gelijk, en is het te pijnlijk voor mijn ogen. Als ge het mij vertelt, dan kan ik nog altijd denken dat ge mij beliegt. Ik kan dat nog denken totdat ik zelf ga kijken. En misschien blijkt dat dan wel zo te zijn...”
“Zoals ge wilt”, zei ze gelaten, en weer ging ze wijn tappen en dronk zelf. Het leek een regenbui onder haar kleed.
“Ge moet u voorstellen”, zei ze, dat er achter die deur alleen maar een muur is. En achter de muur dan? Ja, ik zie het u al vragen, nietwaar... Wel, het is zoals een muur waaraan geen einde komt. Kunt ge u dat voorstellen? Neen? Nu, goed dan, dan zal ik het u verklappen, maar...” Ze liep weer naar het vat, tapte de beker vol, bracht hem mij en wachtte totdat ik hem leeggedronken had vooraleer met spreken verder te gaan.
“Alles”, zei ze, “is vol. Snapt gij dat? Gij stelt u een ruimte voor, nietwaar? Een oneindige ruimte, met hier en daar een planeet, een maan, een ster... en zonnen die dat alles verlichten, is het niet? Ja, dat is een mooie voorstelling; een bijzonder vernuftige voorstelling is dat! Geniaal is de menselijke geest als het om zelfbedrog gaat! Echt geniaal! Hoe vrij zouden wij niet zijn als het allemaal inderdaad ook was zoals wij het ons voorstelden! Maar helaas: wreed is het lot! Er is geen lege ruimte met hier en daar een planeet: het is net andersom!”
“Hoezo, andersom?”, bracht ik er moeizaam uit, maar ze lachte niet.
“Alles is vol”, zei ze nogmaals: “Vol, snapt ge? Alles is vol, met hier en daar een hol.” En ze wachtte een poos om mij de tijd te geven mij een voorstelling hiervan te maken.
“Ziet ge nu in”, vroeg ze, “dat het hier nog het beste is? Hier, in deze kelder? Ja, dit is een van de holen in... het niets! En dat daar...”, en ze wees nu naar het gat waaruit ze steeds weer opdook en waarin ze telkens ook verdween: “dat is een pijp naar weer een ander hol. Er zijn meerdere holen, maar niet zoveel als ge nu misschien wel denkt. Sommige doden leven hier al duizenden jaren, en ge kunt begrijpen dat ook zij weetgierig zijn. Ze hebben een groot aantal holen intussen tamelijk nauwkeurig in kaart gebracht, en met de grootste waarschijnlijkheid kan worden gezegd dat het aantal holen eindig is, dat er geen holen kunnen bijgemaakt worden, en dat er geen uitweg mogelijk is uit de holen, tenzij dan de pijpen die naar de andere holen leiden. Verstaat gij dat goed?”
Ik duizelde, ik trachtte het mij voor te stellen, verwisselde in gedachten wat vol en hol was in het uitspansel, en zag voor mijn geestesoog een oneindige uitgestrekte rots, met hier en daar holen, waarvan sommige onderling verbonden waren met pijpen en andere weer niet. Ik begreep ook meteen dat het onmogelijk was om holen bij te maken. Ja, dat was theoretisch mogelijk, maar alles wat op de ene plaats werd weggekapt, moest op een andere plaats weer iets dat hol was, vol maken. Het was iets zoals een wet van behoud van massa.
“Dat is fout”, zei ik.
“Hoezo fout?”, sprak ze snel.
“De aantrekkingskracht”, wist ik: “als het klopte wat gij nu vertelde, dan zouden wij op de muren kunnen lopen, en over het plafond!”
Ze lachte kort: “En wie zegt dat het niet kan? Probeer het!”
“Na u”, zei ik, en mijn woorden waren nog niet koud of ze stapte gezwind naar de muur toe, plantte een voet ertegen en beklom ze, liep enkele kringetjes over het plafond en kwam dan, zo ondersteboven, in mijn richting gestapt: “Wel dan? Zijt ge nu overtuigd? Anders probeert ge het zelf maar!”
Ik huiverde, dacht na, probeerde nog te redden wat er te redden viel, en zei: “Dat is een gemene truc van u! Ik weet dat ge liegt. Waarom anders is hier... een trap!?”
Weer lachte ze, en de liep de muur af en dan weer wandelde ze over de vloer om me beter in de ogen te kunnen kijken, want ze wist dat ik het niet meteen zou proberen om haar na te doen, ze wist dat ik angst had voor de waarheid: “Mensen maken soms trappen om zichzelf ervan te overtuigen dat er een ‘boven’ is en een ‘beneden’”, zei ze kalm, “maar loop nu die trap zelf maar eens op... of af... ’t is maar zoals ge het bekijkt, dan zult ge wel gewaar worden dat het in de beide richtingen eender aanvoelt. Ja, die trap, dàt is een truc”, zei ze: “een truc van de geest. Zo gaat ge gemakkelijker geloven dat er zwaartekracht is, dat er volle planeten zijn, en daarbuiten: een oneindige, vrije ruimte!”
Ik durfde het niet te proberen. Ik trachtte me te herinneren hoe het gevoeld had, al die keren dat ik de trap was op gelopen, en ik herinnerde mij nu met grote vrees, dat het inderdaad bijzonder weinig moeite had gekost om de treden op te lopen, maar toen schoot mij nog iets te binnen, en ik zei: “Ik ben eens van de trap gevallen. Hoe legt ge dat dan uit?”
“Ge kunt beter dan dat!”, verweet ze me: “Er is geen enkele reden waarom ge niet meer zoudt kunnen vallen! Stel eens een ernstige vraag!”
Ik probeerde na te denken, het duizelde in mijn hoofd.
“Een troost”, zei ze plots, “is misschien dat het uiteindelijk niet veel verschil uitmaakt... ik bedoel: uw fantastische voorstelling van de wereld, tegenover de werkelijkheid zoals hij is.”
Nu begreep ik haar echt niet en ik fronste de wenkbrauwen.
“Ge kunt niet vliegen, nietwaar?”, lachte ze: “Of datgene wat gij de ruimte noemt, nu hol is ofwel vol, maakt bijna helemaal niets meer uit. Mocht er een ruimte zijn, en mochten wij ons er volledig vrij kunnen doorheen bewegen... dat zou wat anders zijn: dan was de “ruimte” inderdaad één immens hol, met hier en daar... een steen, of een planeet. Maar zoals de kaarten nu liggen...”
“Ik fantaseer mij vliegtuigen, en raketten”, zei ik kalm.
“Jaja, dat weet ik”, antwoordde ze, “dat zijn dan die pijpen, nietwaar, die nu en dan, hier en daar worden geboord, met genoeg moeite overigens!”
Ik kon haar niet tegenspreken. Mijn fantasie had me om de een of andere reden, die niet langer verzonnen kon zijn, niet toegelaten dat ik me de ruimte voorstelde als naar willekeur te betreden, of te bevliegen. En toen dacht ik aan het licht, en ik stelde haar de vraag:
“Wat dan gezegd van het licht? In mijn wereld schijnt er door de ruimte namelijk een zon, en die verlicht alles, overal. Hoe legt ge dat uit?”
“Gij kunt veel beter dan dat!”, verweet ze me weer: “Natuurlijk moet ge ook het licht en het donker verwisselen! Hol wordt vol, vol wordt hol, licht wordt duisternis en duisternis wordt licht. Is dat nu zo moeilijk?”
“Bovendien”, ging ze verder, “die zon van u, schijnt alleen onder uw schedeldak. Waaraan anders is de klaarte van de ogen dan te wijten, denkt ge? Maar ik moet nu gaan, ik laat u alleen, en ge zijt vrij om mij op leugens te betrappen!” Toen ze dat ten afscheid zei, maakte ze een gebaar in de richting van de kelderdeur, als om te zeggen: “Ge hoeft maar de trap op te gaan en de deur te openen om u te vergewissen van het feit dat ik niet lieg!”
Ze verdween in het gat, ik was alleen, voelde me dronken, maar deed nog een poging om me een voorstelling te maken van wat ze me allemaal had uitgelegd, vooraleer de daad bij het woord te voegen en effectief op te staan en uit de kelder weg te gaan.
En hoe langer ik nadacht, hoe meer ik ervan overtuigd geraakte dat ze gelijk moest hebben. En vooral deze gedachte boezemde me angst in: dat het inderdaad helemaal niets uitmaakte of de ruimte nu hol was of vol, want zelfs als ze hol was, zoals ik het me altijd had voorgesteld, bleef het een feit dat wij als het ware tegen de aarde kleven, als zaten wij inderdaad gevangen in holen. En om pijpen te boren, moesten wij ons inderdaad hard inspannen. En, inderdaad: ook het licht in de luchten baatte ons niet, daar wij eigenlijk geen licht kunnen zien tenzij daar waar het op de aarde schijnt, of op een vermeende maan, op een ster, of op nog een ander voorwerp.
Ik ging nu opstaan van mijn stoel, wankelde eventjes, zocht het evenwicht terug, trad naar de muur toe en zette mijn rechter voet er tegen. En moest ik nu niet ineens denken aan de uittredingen in mijn dromen: hoe moeilijk was het immers niet om in de droom te vliegen, alleen omdat men zich al dromend nog steeds in de stoffelijke wereld waant. Als ik mij nu maar hard genoeg concentreerde, zo begreep ik nu ineens, dan kon ik de muren gewoon oplopen!
29. Slot
Maar dan. Dan plotseling weerklinkt, ginder boven achter de kelderdeur, de vleugel: een faun speelt drie bewegingen uit Igor Stravinsky’s Petrouchka. En misschien beeld ik het mij alleen maar in, zoals de onderwereld het mij wil laten geloven, maar ik zeg u:
Laat dit allemaal onecht zijn, verbeelding en louter fantasie! Laat dit zich afspelen in de diepe, zwarte kelders onder de lugubere schedeldaken, op de fantasmagorische klavieren van de onderwereld! Laat dit dan puur verbeelding zijn en sprookje! Ik zeg u:
Indien er, ginder achter de kelderdeur, een wereld had bestaan, met echte ruimten en echt zonlicht en met al die andere zaken - dan zou uitgerekend dit zijn bestaan rechtvaardigen: dat hij, tenslotte, door al zijn echtheid heen, al was het slechts één enkele keer, Stravinsky’s Petrouchka liet dansen in de edele vingers van een sprookjesachtige bosgeest!