Welkom beste blogbezoekers,
wij zijn Davy en Jürgen Moerman. We zijn broers en beiden zijn we lid van de wandelclub WSJV Nacht van Vlaanderen Torhout bij Aktivia. We wandelen zowel korte als lange afstandswandeltochten in West-of Oost-Vlaanderen. Geregeld zullen we proberen hier een verslag en foto's te plaatsen van wandeltochten waar we aan deelnamen (Niet alle tochten zullen aan bod kunnen komen). Tips en reacties hierop zijn altijd van harte welkom.
Groetjes, Davy en Jürgen!
Voormezele werd reeds vermeld in 774 als parochie van het bisdom Terwaan. Later werd het een abdijparochie. Die augustijnerabdij werd gebouwd in 1068, door ene Isaac, heer van Voormezele. Ruim 700 jaar later werd de abdij, tijdens de Franse revolutie, volledig verwoest en later nooit meer heropgebouwd. Vóór de verwoesting die de eerste wereldoorlog met zich meebracht, telde de Ieperse deelgemeente 4 kastelen. Eén ervan in de buurt van de startzaal, tenminste als we de naam van het zaaltje, Kasteelwal, mogen geloven. We kozen er voor de 21 kilometer. Al onmiddellijk kregen we onverhard voor de voeten geschoven met de leuke Schaapsdreef, die we moesten delen met een mountainbiketocht, die ons trouwens een groot deel van de tocht zou vergezellen. De veldweg leidde langs een militair kerkhof naar een brede baan bij het gehucht St.-Elooi, waar een kanon de gruwel van de eerste wereldoorlog doet herinneren evenals een oude krater, een wonde geslagen tijdens de befaamde mijnenslag van 1917. Even verder verlaten we de tweevaksbaan en stapten via een rustig weggetje richting het golfterrein bij De Palingbeek. Even oppassen voor eventueel overvliegende golfballen om het provinciaal domein binnen te treden. Het grootste West-Vlaamse provinciedomein ontwikkelde zich langs de sleuf van de Oude Vaart, die Ieper en de Leie in Komen moest verbinden, maar door een onwillige ondergrond op een economische catastrofe uitdraaide. Een prachtige, maar zeer korte doorsteek door het domein stuurde ons over de parking naar een leuk graspad. Het pad liep uit in het Molenbos, waar we de bladeren op de bospaden even leuk mochten laten ritselen. Een tweevaksbaan maakte een einde aan onze boswandeling en duwde ons naar een betonpaadje over de spoorlijn om Zillebeke binnen te duiken. De eerste controle, na ruim 7 kilometer, vonden we in de plaatselijke fuifzaal, wat best letterlijk te nemen valt, want een heleboel mensen zijn er in de weer om de fuif van 's avonds voor te bereiden. We verlieten de zaal voor een plaatselijke lus. Enkele wegeltjes voerden ons het centrum terug uit om onze weg te vervolgen via wat rustige weggetjes. We maakten een wijde boog rond Hill 62 (evenwel zonder naaktmodel) via het Maple Copse Cemetery om via de traditionele koeienweides de Gasthuisbossen te doorkruisen. Opnieuw namen rustige wegen het heft in handen om ons voorbij die andere heuvel, Hill 60, te laten wandelen. Over de spoorweg vonden we weer onze tweevaksbaan die ons de latere starters oppikten voor een stukje dubbelwandelen naar de controle, na een lusje die absoluut niet de mogelijkheden van de omgeving benutte. Het zijn zotten die werken, dus verlieten we snel de zaal die nog altijd in volle opbouw was. Via de boorden van Zillebekevijver stapten we vlug de Verdronken Weiden binnen. Dit open, moerassig gebied aan de voet van de Ieperse vestingmuren werd bij oorlogsdreiging strategisch onder water gezet, tegenwoordig doet het gebied dienst als wacht-en spaarbekken voor drinkwaterwinning. Het spaarbekken heeft een oppervlakte van 13,5 hectare en kan 420 miljoen liter water bevatten. Zalige graspaden stuurden ons op de dijk rond het bekken om te eindigen op een drukke weg. Na deze gedwarst te hebben, kruisten we ook de spoorweg om voorbij de legerkazerne te stappen. Een poos verder verlieten we de tweevaksbaan om het Bijlanderpad te bewandelen. Zo wandelen we voorbij Voormezele om via een vrij onnodig extra ommetje het dorp terug binnen te draaien om de aankomst te bereiken na een vrij aangename herfstwandeling.
Blijkbaar is de onderstaande tekst niet volledig verschenen op de blog. Het verslag is evenwel volledig gemaakt. Ik probeer dit zo snel mogelijk op te lossen. Foto's zijn wel al te bezichtigen door, zoals gewoonlijk, op de foto te klikken.
Dank voor uw begrip!!!
Het probleem is voorlopig opgelost door het verslag in 2 delen te posten. Let wel: het tweede deel staat boven het eerste deel.
Hier werden we opnieuw verwacht na een lus van exact 10 kilometer. Aan de overzijde van de Maas prijkt de Rocher Bayard, een losstaande rots die zijn naam dankt aan de legende van het Ros Beiaard en de vier heemskinderen. We verlieten de oevers en gingen nog maar eens de spoorweg dwarsen om vervolgens onder de gigantische Viaduc Charlemagne heen te stappen via een steil oplopend tegelpad. Vervolgens daalden we terug af naar de spoorweg, die wat verder via een prachtige stalen viaduct de Maas dwarst. Het viaduct dateert uit de periode 1896 tot 1898 en werd op dezelfde manier geconstrueerd als de Eifeltoren. Het was een van de eerste van dit type in België. Het pad bleef dalen tot aan een rustige wegje naast het in onbruik geraakte enkelspoor tussen Dinant en Givet, dat we even verder kruisten. We bevonden ons nu terug aan de Maas, die we opnieuw dwarsten via een sluizencomplex. Voor ons staat het bevallige kerkje van Anseremme. Het plaatsje ligt aan de samenvloeiing van de rivieren de Lesse en de Maas. Even verder dwarsten we dan ook de Lesse om de splitsing te bereiken. We kozen voor de eerste maal en kregen meteen een nieuwe klim voor de voeten geschoven. Aanvankelijk werden we op het smalle pad nog wat geholpen door wat trapjes om stilaan naar een kalme weg te trekken die we een gans eind mochten volgen. In ruil voor de vele zweetdruppels kregen we wel overweldigende landschapszichten aangeboden. De klim bleef stevig "vals plat" tot aan de rand van de gemeente Dréhance, ettelijke kilometers verderop. We bevonden ons ondertussen ruimschoots boven het Viaduc Charlemagne, dus moesten we terug afdalen om in de grasberm de drukke N97 te volgen. Niet veel verder stonden we boven op het viaduct, die zo'n 100 meter boven de Maas uitsteekt. De constructie werd gebouwd tussen 1979 en 1981 en overspant de vallei over een lengte van 642 meter en is de grootste van België. Aan de overkant van de brug verlieten we de gewestweg opnieuw om onder het viaduct heen te stappen en via een drukbeklant tuincentrum terug Neffe binnen te dalen en aan de boorden van de Maas onze controle terug te vinden (km 22,2). Nu volgde een heel eind dubbelwandelen tot aan de splitsing aan de Lesse, waar we in het water enkele zalmforellen spotten. Deze keer mochten we de Maas volgen, nog eens onder het Viaduc Charlemagne door, om even voor de Rocher Bayard de rivier te verlaten. Een wegje leidde naar een schitterend smal bospad, die ons met heel wat onvervalste haarspeldbochten, de laatste van 4 grote côtes liet beklimmen. Als we uiteindelijk de top van de Alpe d'Huez-imitatie bereiken, zijn we terug op het plateau van Herbuchenne. Na nog wat straatjes stappen we er opnieuw onze eerste controle binnen. De afsluitende 2,5 kilometer begonnen we met een 2de stukje dubbelwandelen tot aan de splitsing ter hoogte van het Parc Mont Fat waarna een prachtige afdaling door een bos ons afzette in Dinant. Nog enkele stadstraatjes scheidden er ons van de aankomst van de tocht. De schitterende tocht bezegelden we in de startzaal uiteraard met een blonde Leffe en een bord spaghetti.
Werken aan het spoor zorgden ervoor dat de trein met 22 minuten vertraging Brussel-Noord binnenliep. Onze aansluitende trein was ondertussen al vertrokken, waardoor we een uur later dan verwacht onze bestemming bereikten. Dinant is een klein, toeristisch stadje, aan de boorden van de Maas, even voorbij de samenvloeiing met de Lesse. Het is de geboortestad van Dominique Pire (oprichter Vredeseilanden en winnaar Nobelprijs voor de Vrede) en Adolphe Sax (uitvinder van de saxofoon). In het plaatselijke casino konden we ons inschrijven voor de 30 kilometer. We verlieten de startzaal langs de Maas, maar mochten deze al snel verlaten. Het ging meteen naar een bijzonder steile klim, Montagne de la Croix. De oude toegangsweg naar Dinant is het vertrekpunt van de bedevaartsweg van Notre-Dame de Foy en afgebakend met kleine nisjes met heiligenbeeldjes. De lange klim met stijgingspercentages tot ruim 21 procent leidde ons naar Herbuchenne, een gehucht aan de achterkant van de Citadel van Dinant, waar we na 1,5 kilometer een eerste keer onze remmen mochten dichtknijpen na een opwarmer van formaat. Na de controle ging het rustig dalend naar het Parc Mont Fat. Het verloederde pretpark met een grottencomplex, leidde ons naar de achteringang van de Citadel. We draaiden echter de andere kant uit en daalden verder af tot een brede baan. Deze liep terug bergop naar een rustig weggetje die even uitzicht bood op een steengroeve, waarna een smal bospad, langs een dreigende afgrond, ons helemaal tot in Leffe bracht. Even verder stapten we voorbij de abdij, wereldberoemd omwille van het bier die ernaar vernoemd werd. De abdij werd in 1152 gesticht door de Norbertijnen van Floreffe, die in 1240 de brouwerij van Saint-Médart aan de overkant van de Maas in handen kregen. De brouwerij werd overgeheveld naar de abdij zelf. De abdij verloor in 1496 het eigendomsrecht op de brouwerij, die werd verpacht. De abdij werd uiteindelijk opgeheven in 1796. Het brouwen werd er volgehouden tot 1809. In 1952 werd herbegonnen met de brouw in Overijse, om 25 jaar later te verhuizen naar Mont-Saint-Guibert. Voorbij de abdij stapten we naar de Maas die we dwarsten via een sluizencomplex. We mochten vervolgens een tijdlang langs de oever van de machtige rivier flaneren, om via een tunneltje onder de spoorweg Bouvignes-sur-Meuse binnen te stappen voor de tweede controle (km 7,2). Bouvignes werd voor het eerst vermeld in de 7de eeuw. De plaats, die stadsrechten had, werd in 1176 met stadsmuren versterkt. Het was sedert de 13de eeuw verbonden in een hevige strijd met het naburige Dinant, waarvan het nu een deelgemeente is. Die rivaliteit had alles te maken met het zogenaamde Dinanderie, een verzamelnaam voor allerlei geelkoperen kunstvoorwerpen en vooral de industriële productie ervan. Hoog boven het plaatsje torende het kasteel van Crèvecœur, die een belangrijke rol speelde in de vijandigheden. Reeds op het einde van de 11de eeuw liet Godfried van Namen er een vesting bouwen, die door diens zoon later uitgebouwd en verstevigd zou worden. In 1554 werden beide steden geplunderd door het Franse leger van Hendrik II, waarna van het kasteel enkel ruines overbleven. Het dankt zijn naam aan de volgende legende: In de strijd tegen Hendrik II zouden drie ridders het kasteel tot het uiterste verdedigd hebben, wetende dat hun echtgenoten in de burchttoren angstig toekeken. Maar de drie helden sneuvelden in de strijd. Daarop grepen hun dappere vrouwen zelf naar de wapens en wierpen zich met de moed der wanhoop in de strijd. Maar het was tevergeefs… Toen zij zagen dat alles verloren was, verschansten de Dames van Crèvecœur zich in de burchttoren. Zij trokken lange, witte gewaden aan, klommen op de borstwering, en sprongen hand in hand en zonder verpinken naar beneden. We vervolgden onze weg door een prachtig steegje die ons afzette bij een volgende lange klim. We stapten naar een plateau, die we even verder inruilden voor een afdaling door een bos. Heel even komen we op een wegje terecht, waarna we een steil oplopend bospad kozen. Een korte klim deze keer, want even verder ging het weer in zacht dalende lijn door het bos richting de rand van Dinant. Af en toe steekt een boomwortel of een stuk rots uit, waardoor het best opletten geblazen is om niet verrast te worden. Uiteindelijk liep het smalle pad uit op een weg boven het station. De stad binnentreden doen we echter niet. Een volgend weggetje stuurde ons licht omhoog, met een prachtig panorama over Dinant en de Maasvallei. We vervolgden onze weg door een volgende schitterende bosdoorsteek. Als we ook deze verteerd hadden, mochten we de sporen dwarsen en Neffe binnenwandelen om in de plaatselijke parochiezaal een 3de stempel in ontvangst te nemen.
Hier werden we opnieuw verwacht na een lus van exact 10 kilometer. Aan de overzijde van de Maas prijkt de Rocher Bayard, een losstaande rots die zijn naam dankt aan de legende van het Ros Beiaard en de vier heemskinderen. We verlieten de oevers en gingen nog maar eens de spoorweg dwarsen om vervolgens onder de gigantische Viaduc Charlemagne heen te stappen via een steil oplopend tegelpad. Vervolgens daalden we terug af naar de spoorweg, die wat verder via een prachtige stalen viaduct de Maas dwarst. Het viaduct dateert uit de periode 1896 tot 1898 en werd op dezelfde manier geconstrueerd als de Eifeltoren. Het was een van de eerste van dit type in België. Het pad bleef dalen tot aan een rustige wegje naast het in onbruik geraakte enkelspoor tussen Dinant en Givet, dat we even verder kruisten. We bevonden ons nu terug aan de Maas, die we opnieuw dwarsten via een sluizencomplex. Voor ons staat het bevallige kerkje van Anseremme. Het plaatsje ligt aan de samenvloeiing van de rivieren de Lesse en de Maas. Even verder dwarsten we dan ook de Lesse om de splitsing te bereiken. We kozen voor de eerste maal en kregen meteen een nieuwe klim voor de voeten geschoven. Aanvankelijk werden we op het smalle pad nog wat geholpen door wat trapjes om stilaan naar een kalme weg te trekken die we een gans eind mochten volgen. In ruil voor de vele zweetdruppels kregen we wel overweldigende landschapszichten aangeboden. De klim bleef stevig "vals plat" tot aan de rand van de gemeente Dréhance, ettelijke kilometers verderop. We bevonden ons ondertussen ruimschoots boven het Viaduc Charlemagne, dus moesten we terug afdalen om in de grasberm de drukke N97 te volgen. Niet veel verder stonden we boven op het viaduct, die zo'n 100 meter boven de Maas uitsteekt. De constructie werd gebouwd tussen 1979 en 1981 en overspant de vallei over een lengte van 642 meter en is de grootste van België. Aan de overkant van de brug verlieten we de gewestweg opnieuw om onder het viaduct heen te stappen en via een drukbeklant tuincentrum terug Neffe binnen te dalen en aan de boorden van de Maas onze controle terug te vinden (km 22,2). Nu volgde een heel eind dubbelwandelen tot aan de splitsing aan de Lesse, waar we in het water enkele zalmforellen spotten. Deze keer mochten we de Maas volgen, nog eens onder het Viaduc Charlemagne door, om even voor de Rocher Bayard de rivier te verlaten. Een wegje leidde naar een schitterend smal bospad, die ons met heel wat onvervalste haarspeldbochten, de laatste van 4 grote côtes liet beklimmen. Als we uiteindelijk de top van de Alpe d'Huez-imitatie bereiken, zijn we terug op het plateau van Herbuchenne. Na nog wat straatjes stappen we er opnieuw onze eerste controle binnen. De afsluitende 2,5 kilometer begonnen we met een 2de stukje dubbelwandelen tot aan de splitsing ter hoogte van het Parc Mont Fat waarna een prachtige afdaling door een bos ons afzette in Dinant. Nog enkele stadstraatjes scheidden er ons van de aankomst van de tocht. De schitterende tocht bezegelden we in de startzaal uiteraard met een blonde Leffe en een bord spaghetti.
Wandelen langs enkele pittoreske hoekjes van Torhout zoals het domein Ravenhof en het Moereveldpad. Gratis jenever of frisdrank op een nieuwe locatie!!! Tweede tocht voor de winterserie.
Startplaats: Zaal Club de B, 's Gravenwinkelstraat, Torhout Inschrijfgeld: € 1,50 Ledenkorting: € 0,40
Station op 300 meter E403/A17 afrit 10 Torhout, marspijlen volgen
Het is herfst, de zon krijgt het steeds moeilijker om vroeg op te staan en bomen vechten krampachtig tegen regen en wind om hun verkleurde bladeren zo lang mogelijk te behouden. Het ideale moment voor onze wandelclub om uit de zomerslaap te ontwaken en met een aantal eigen organisaties het herfstoffensief in te luiden. De eerste in rij is de Groenhovebostocht, die zoals de naam al doet vermoeden het Groenhovebos en zijn ruime omgeving zou verkennen. Vanop de wijk Maria-Assumpta in het noorden van onze sparrestede vertrokken we voor het parcours van 22 kilometer. Een kalme tweevaksbaan leidde ons weg van de wijk in de richting van Ruddervoorde. Na een poos zorgen 2 opeenvolgende splitsingen voor afscheiding. De eerste maal werden we verder gestuurd om even voor de E403 een rustig straatje in te draaien, die ons tot aan het Plaisiersbos leidde. Het 28 hectare grote bos, die genoemd werd naar de opvallende boswachter August Plaisier, is een restant van het 'Veldt', een uitloper van het grote Bulskampveld. Op een unieke manier werden we over de bospaden geleid, ongetwijfeld één van de mooiste doorsteken door dit bosdomein. De paden brachten ons naar een dreef aan de rand van het bos. Een rustige weg leidde verder naar een volgende tweevaksbaan, waarlangs we snel terug Maria-Assumpta binnen waar we in de startzaal ook de eerste controle vonden. De zaal is ondertussen al aardig volgelopen. Na de controle volgde een stuk dubbelwandelen tot aan de dubbele splitsing. Nu draaiden we rechtsaf om via een zanderig brokkenpad de Groenhovevallei af te dalen. Het pad loopt tot aan de ventweg naast de afrit, die we volgden naar een tunneltje onder het op-en afrittencomplex. Aan de andere kant van de afrit ging het nu naar de Regenbeekweg, om het lot wat te tarten blijkbaar want even verder begint het inderdaad te regenen. Aanvankelijk vangt het bladerdek van het Groenhovebos, dat we ondertussen zijn binnen getreden, de druppels op. Een bospad langs een prachtig heideveldje voerde ons naar het Grote Vinkenpad, die we volgden langs een akker. Als het wat harder begint te regenen, blijkt onze dekmantel onvoldoende en moesten we onze paraplu weer eens nat maken. We vervolgden onze weg naar de Spookwegel, een boswegel die langs de rand van het bos loopt. Het stilaan gladder wordende, smalle pad bracht ons naar de andere kant van het bos, waar een rustig wegje ons op sleeptouw nam weg van Groenhove. Na het dwarsen van een drukke baan draaiden we de Poperboswegel in. Het smalle dolomietpad leidde ons naar de achterkant van het Lindenhof, een schoolhoeve. Een tweede keer dwarsten we de drukke baan om vervolgens de controle te bereiken (km 14,1). Enkele rustige wegen leidden ons nu opnieuw naar het Groenhovebos. Net voor we het bos binnenstappen, passeerden we de restanten van een V1-lanceerbasis uit de tweede wereldoorlog. Het 100 hectare grote bos was oorspronkelijk nat heidegebied dat op het einde van de 19de eeuw werd bebost om aan de toenemende vraag voor brandhout te voldoen. In de buurt van de vijvers stapten we het nieuw aangelegde joggingpad op, die hier een krakkemikkig asfaltpaadje vervangt. Door het bos ging het naar de Torendreef, waarlangs we even verder het onbetwiste hoogtepunt binnen stapten. Het klooster Virgo Fidelis werd omstreeks 1955 gebouwd als bezinnings-en vormingscentrum voor religieuzen van West-Vlaanderen. Vanaf het voorjaar van 2010 wordt het bosdomein rond de kloostergebouwen opengezet voor het grote publiek. Wij kregen echter nu al de avant-premiere voor onze voeten geschoven. Een eekhoorn raapt er zorgvuldig z'n wintervoorraad bijeen, terwijl we langs een boskapel een resem schitterende paadjes opzoeken langs een brede beek. Met stijgende verbazing bewonderden we de schoonheid van de tot nu toe verborgen gebleven natuurparel. Hopelijk wordt dit door het grote publiek straks niet plat gelopen. Langs een betonnen vijver stapten we stilaan terug naar een bekendere dreef in het domein, die ons de uitgang aanwees. Een brede, rustige straat leidde ons terug naar de schoolhoeve, waar we dit keer de voorkant te zien kregen om naar de controle terug te stappen. De laatste 3 kilometer zouden we nu inzetten via enkele wijkdoorsteekjes door de Rivierenwijk en de Kunstenaarswijk, zo genoemd omdat de straatnamen in die wijken naar rivieren of kunstenaars verwijzen. Deze leidden ons stilaan naar de licht oplopende Keibergstraat om via een tweevaksbaan terug naar de aankomst te stappen.
De "superstunt" van een winkelketen ( € 8,99 voor een heen-en terugreis tussen 2 treinstations) komt ons goed gelegen en is het ideale excuus om eens wat verder gelegen wandelingen aan te doen. De eerste in de rij is Welkenraedt. Gelegen net ten noorden van de Ardennen maakt het deel uit van het Land van Herve. Het kleine stadje is een echt grensgeval, het ligt pal op de taalgrens tussen het Franstalige deel van ons land en de Duitstalige Oostkantons, het stuk land dat de Duitsers na de eerste wereldoorlog dienden af te staan als oorlogsschadevergoeding. In dit deel zouden we dan ook het grootste deel van een prachtige, 42 kilometer lange zwerftocht afleggen. Al meteen nadat we de plaatselijk sportaccomodatie achter ons gelaten hadden, mochten we onze paraplu een eerste keer openvouwen. Dwars door enkele wijkjes maakten we onopvallend de overgang naar het aangrenzende Herbesthal, een klein gehucht van Lontzen. Snel doorkruisen we het kleine plaatsje om aan de voet van een spoorwegberm de eerste prachtige vergezichten voor ons te zien ontrollen. Ondertussen is het al weer gestopt met regenen en trekken we verder tot waar we onder de sporen heen schuiven. Rustige straatjes voerden ons verder naar de eerste controle in een tentje na een dikke 4 kilometer stappen. Na de controle ging het, langs een pracht van een kapel, via enkele kalme straatjes naar de overbrugging van een spoorweg en de E40. Aan de overzijde stapten we in licht dalende lijn naar het eerste, echte onverhard. Een veldweg liet ons stevig opklimmen om boven een steengroeve uit te komen, van waaruit we schitterende vergezichten konden bewonderen van de Ardeense hellingen. We bleven de goed begaanbare veldweg volgen tot waar een koeienoversteek het pad omgetoverd had in een dikke paplaag, die niet te ontwijken was. Met de nodige bokkensprongen en andere gekke manoeuvres probeerden we de schade aan lijf en leden (vooral broek en schoenen dan)nog enigszins te beperken. Het karrenspoor bleef echter bedekt met een laagje modder bedekt. Een stukje asfalt liet ons even de schade opmeten om vervolgens een volgende onverhard in te draaien, die in dalende lijn op Kettenis aanstuurde. Een deelgemeente van Eupen die we binnenwandelen langs het Slot Liberme, een 16de eeuws kasteeltje. We vervolgden onze weg langs een voor rioleringswerken opengebroken straat om het dorp te doorkruisen. We daalden af tot aan een spoorweg die we dwarsten om aan de andere kant een volgend stempeltje in ontvangst te nemen (km 10,5). Ettelijke honderden meters na de controle doken we, via Katharinenbusch, het Hertogenwald binnen. Dit is een groot, Ardens woud die deel uitmaakt van het Natuurpark Hoge Venen-Eifel en ligt ten noorden van de eigenlijke Hoge Venen. Een unieke boswandeling begon aanvankelijk met wat statige dreven om via modderige stroken over te gaan in een ware slalomkoers tussen de bomen en beekoversteekjes. Uiteindelijk vonden we opnieuw een lange dreef die ons schijnbaar naar de uitgang van het bos leidde, we keerden echter om en mochten onze lange bostocht gewoon verder zetten om een tweede keer aan de sporen terecht te komen. Als na het dwarsen ervan de overige wandelaars afdraaiden op de 30 kilometer, bleven we als allerlaatste over op de grootste afstand. Via een geïmproviseerd bruggetje zoeken we een pracht van een bospad op, waar talloze zaailingen van de naaldbomen trachten wortel te schieten. Het blijft genieten van het herfstverkleurde bos tot een smal poortje ons toegang verschaft tot een weidedoorsteek waar we ons tussen de verse koeienvlaaien bevonden. Een tweede poortje zette ons op weg naar de volgende controle (km 16,4). Het volgende tussenstuk van 7 kilometer vatten we aan met een doortocht door de gemeente Raeren. Een tweevaksbaan liet ons aanvankelijk afdalen waarna een stevige klim volgde, die ons naar enkele smalle asfaltpaadjes leidde. Een nieuwbouwwijk maakte duidelijk dat de Belgen hier ook met een baksteen in de maag geboren zijn. Uiteindelijk ruilden we de bebouwing in voor een magnifiek stukje weidewandelen. Het ene smalle poortje na het andere volgden mekaar op. Af en toe moesten we wat duwen en trekken om ons door de nauwe doorgangetjes te wrikken. De herkauwende koeien hadden blijkbaar al genoeg wandelaars zien passeren om ons nog van enige aandacht te verschaffen, afgezonderd van enkelen die hun kop draaiden. Sommige gingen dan ook ostentatief op ons pad staan. Stilaan ging het terug naar Raeren waar we nu het historische centrum van het oude pottenbakkersdorp aandeden. Zo stapten we voorbij het Haus Raeren naar de Burg Raeren. De waterburcht is het oudste oorspronkelijke gebouw in het dorp, de woontoren werd in de 14de eeuw gebouwd en rond 1583 qua omvang verdubbeld. Het gebouw biedt nu plaats aan het plaatselijk pottenbakkersmuseum. We verlieten terug de gemeente om opnieuw op een unieke manier door de weides verder te trekken naar Eynatten, een deelgemeente van Raeren, waar we in het schooltje de controle vonden. Het gezang van een medewerkster leidde ons zodanig af dat we even verder aan de kerk een pijltje over het hoofd zagen en enkele honderden meters extra aflegden. Terug op het goede spoor leidde een leuk grindwegje ons achter het plaatselijke winkelcomplex naar een drukke baan die ons terug over de E40 zette. Die enkele honderden meters drukke baan zouden achteraf als het enige zwakke punt van de tocht kunnen aangeduid worden. Opnieuw begon het te regenen. Een serieuze plensbui deze keer, die de aansluitende, zalige bospaadjes omtoverde tot neerstromende beekjes waarbij we onze voeten niet droog zouden kunnen houden. Ondanks de regen blijft het genieten terwijl we door een bos naar de volgende controle stapten in de koffer van een auto die geparkeerd staat aan enkele visvijvers in Hauset (km 28). Na de controle wandelden we verder door het mooie bos om zicht te krijgen op de hogesnelheidslijn. We vervolgden onze weg over een open vlakte waar de sporen van de treinverbinding tussen Luik en Aaken in een tunnel onderdoor loopt. We lieten het bos achter ons en werden, in een heel wijde boog, rond Walhorn gestuurd die beneden in het dal lag te lonken. Vanop de open plekken kregen we weer prachtige vergezichten over het landschap waar hevig dreigende wolken over heen sluimerden, op zoek naar het ideale plekje om hun lading hemelvocht te lossen. Prachtige stroken onverhard, de een al vettiger dan de andere, leidden ons stilaan dichter bij het kleine dorpje. Samen met de 21 en 30 kilometer, waar zich blijkbaar ook al geen wandelaars meer op bevinden, stapten we langs het voetbalveld en een tweede steengroeve, waar dolomiet uitgehouwen wordt, naar de zesde controle. Schitterende veldwegen leidden ons door de open vlakten naar een brug over de hogesnelheidslijn, die ondertussen al verbroederd is met de parallel lopende E40. We dwarsten beiden om vervolgens enkele karrensporen te volgen naar een hoogte waar we opnieuw verbluffende vergezichten mochten bewonderen. Een vrij druk bereden weggetje daalde nu af tot Rabotrath, waar we meteen terug van wegdraaiden door de oude mijnsite te beklimmen. De mijn bestond reeds in de 15de eeuw, maar tot de 17de eeuw werd ze eerder sporadisch ontgonnen. Van 1739 tot 1770 werd de mijn op meer systematisch wijze geëxploiteerd, er werden zo'n 50 tot 60 gangen gegraven waaruit 3.500 ton zink-,ijzer-en looderts gedolven werd. Vandaag heeft de natuur weer de overhand genomen, er groeit een specifieke "zinkflora", planten die zich aangepast hebben aan de zware metalen die zich in de grond bevinden. Een prachtige dreef leidde ons naar een volgende spoorweg, die we zouden dwarsen door via een ploeterbadje naar een verlaten brugje te klimmen. Over de brug blijft het ploeteren op het onverhard tot het pad tussen 2 metershoge rotswanden kruipt. We verlaten het onverhard langs een kasteeltje en stapten naar het kerkje van Lontzen, die we al snel terug achter ons lieten. Alweer mogen we onverhard verder over modderstroken die ons stilaan naar de laatste controle zouden leiden op een kleine 2 kilometer van het einde. Meteen na de controle kregen we Welkenraedt al in het vizier, dan denk je uit te mogen bollen. Maar daar dacht deze parcoursmeester anders over. De pijltjes stuurden ons door een boerderijtje, om naar een laatste weidedoorsteek geleid te worden. Het tegelpad even verder was waarschijnlijk een iets te makkelijke oplossing. Al snel bevonden we ons nu terug tussen de huizen om naar de sporthal te stappen. Klokslag 17 uur, het sluitingsuur, stapten we de zaal binnen na één van de mooiste tochten dit jaar die we afrondden met een overheerlijk avondmaal vooraleer de lange terugreis aan te vatten.
Door omstandigheden ben ik genoodzaakt om trein en bus te combineren om de startplaats te bereiken, van de enige tocht in West-en Oost-Vlaanderen (samen met een euraudax in Ieper). Deze is gelegen in het O.-L.-Vrouwecollege Male in St.-Kruis, van waaruit we op pad trekken voor een tocht van uiteindelijk 26 kilometer die, enkele schoonheidsfoutjes niet te na gesproken, best aangenaam uitviel. Meteen na de start werden we naar een drukke invalsweg geleid, die we even volgden. Wat verder draaiend we een asfaltbaantje in, die uitliep in het Ryckeveldebos. Onmiddellijk worden aangename bospaden onder onze voeten geschoven om tot aan het kasteel van Ryckevelde te stappen. Het neogotische kasteel werd voltooid in 1929 door een baron en werd tot 1946 bewoond door de familie. Tegenwoordig bied het onderdak aan een Europees vormings-en informatiecentrum. We wandelden naast het kasteel terug het bos in via een leuk kronkelend bospad. Enkele dreven voerden ons nu verder tussen de bomen naar de eerste controle in een autogarage. Ook de tweede controle was in deze garage, dus mochten we een lusje wandelen. Langs een drukke baan leidden de pijlen ons richting Sijsele om voorbij het militaire domein te stappen. De horizon vulde zich terug met de bomen van het Ryckeveldebos, 120 hectare waarvan een stuk tot het militair domein behoort. We zouden nu een ganse tijd de rand van dit bosdomein aftasten via enkele kasseistroken. Slechts enkele schaarse glimpen konden we opvangen van het kasteel Ten Torre, die goed verstopt zat tussen de bomen. Het kasteel werd gebouwd rond 1845 op de grondvesten van een vroeger jachtpaviljoen. In 1895 werd het verbouwd tot een imposant waterkasteel midden in een parkdomein. Als we uiteindelijk aan een herenwoning en een boerderij belandden, doken we opnieuw dieper het bos in. De herenwoning en boerderij werden in eind 16de eeuw gebouwd door een edelman. Enkele bospaden leidden ons voorbij een militair oefendomein voor brandblusoefeningen, waarvan blijkbaar geen foto's mogen genomen worden. Een regel waar we ons dan ook braaf aan houden, we willen immers geen ruzie met het leger ! Wat verder passeerden we de oude noodlandingsbaan met de oudste boom van de streek, Dikke Bertha. Aan de andere kant van de weg bevindt zich de Schobbejakshoogte. Het 6 hectare grote natuurreservaat omvat één van de laatste overblijfselen van een lange, smalle stuifzandrug in het noorden van Oost-en West-Vlaanderen. De ontstaangeschiedenis ervan gaat terug tot de laatste ijstijd. De naam duidt op een reliëfrijk terrein waar dieven, struikrovers en andere 'schobbejakken' hun toevlucht zochten. Voorbij het natuurgebied ging het naar de oude spoorwegbedding tussen Brugge en Maldegem, die we helemaal volgen tot aan onze controle (km 11,3). Na de controle steken we onmiddellijk de drukke baan over om via een grindbaantje naar een kort bosdoorsteekje te trekken. Na het bosje splitsten de afstanden en gingen wij samen met de 18 kilometer naar een lang graspad aan de rand van Sijsele. Na het graspad mochten we enkele wijken doorkruisen om vrij inspiratieloos een fietspad naast een tweevaksbaan te volgen tot in Vivenkapelle. Een schijnbaar recent heraangelegde asfaltbaan nam het er over en leidde ons weer weg van de kerktoren. Plots nam een leuk graspaadje naast een beek ons mee naar een brede baan die we dwarsten om vervolgens polderwegen te volgen tot aan een tentje waar de derde controle plaats vond. Het blad met de afstanden gaf hier aan dat we een lusje mochten lopen van zo'n 5 kilometer naar de...derde controle. De splitsing na de controle liet ons afdraaien tussen een groep populieren, die ons begeleidden naar het kasteel De Spijker. De kasteelsite gaat terug tot in de vroege Middeleeuwen. Het huidige kasteel dateert uit 1870-1873 en werd gebouwd in opdracht van de toenmalige burgemeester van St.-Kruis. Het ontwerp van het kasteel in neorenaissancestijl was van de hand van de Brugse architect Pierre Buyck. Enkele aangename stroken onverhard leidden ons naar het Zuidervaartje. Jammer, maar de parcoursmeester koos ervoor om een straatje te volgen op de ene oever terwijl er op de andere een onverhard pad voor het grijpen ligt zonder grote ingrepen aan het parcours. We schoven steeds dichter bij Damme tot een weg ons voorbij de drukke activiteiten rond een paardenmanege stuurde. De lange polderwegen leidden nu traag maar zeker naar de laatste 3 kilometer. Zowat een kilometertje voorbij de controle stapten we voorbij nog maar eens een kasteel. Dit keer het kasteel Rooigem. Het kasteel deed, in de 18de eeuw, dienst als buitenverblijf van de Brugse bisschoppen. Het domein werd in 1720 opgekocht door Hendrik van Susteren, bisschop van Brugge, die het versterkte kasteeltje liet verbouwen tot landhuis. Ook zijn opvolgers verfraaiden het kasteel en de tuin. Voorbij het kasteel konden we echt beginnen uitbollen in de straten van de villawijk waarin de aankomst gelegen is.
Het is kil en donker als we in alle vroegte de trein opstappen die ons, na overstappen in Brugge en Gent-Sint-Pieters, af zou zetten in Melle. In het fraaie optrekje van het plaatselijk College Paters Jozefieten konden we terecht voor een prachtige, 50 kilometerlange zwerftocht door het historische Land van Rhode, de streek gelegen ten zuidoosten van Gent. Voor 5 euro konden we er bovendien genieten van een uiterst ruime bevoorrading. De aanvangskilometers van onze tocht zouden letterlijk in de kiem gesmoord worden door nevelige mist die als een deken over het landschap zweefde. Meteen dwarsten we de drukke Brusselsesteenweg om een betonbaantje te betreden die ons naar de spoorweg leidde. Even volgden we de voet van de berm om uiteindelijk onder de sporen door te duiken. De vooralsnog schuchtere pogingen van de zon om de mist op te ruimen zorgden voor magnifieke tafereeltjes als we op pad gaan naar het kasteel van Kwatrecht. We stapten in een ruime boog rond het eigendom van kunstenaar Wim Delvoye (die van de getatoeëerde varkens) langs de eerste, leuke bosdreven. Over rustige wegen vervolgden we nu onze weg tot we terug onder een spoorweg en een eind verder ook onder de autosnelweg door stapten. Een veldweg langs een boomkwekerijveld leidde ons Gontrode binnen, waar we even mochten rondzwerven om vervolgens via een schitterende aaneenschakeling van karrensporen naar een brede betonweg te stappen waarlangs we Lemberge binnen rolden. Nog even een ommetje rond de dorpskern om langs de kerk naar het schooltje te wandelen en onze eerste controle te bereiken (km 8,6). Na het aangeboden rijsttaartje moesten we even op onze stappen terug keren, om aan de overzijde van de kerk een smal dolomietpaadje op te draaien. Het witte grind leidde ons naar een schattige kasseistrook die heel wat verder uitliep op een brede steenweg. Ondertussen was de zon er in geslaagd de mist te doen oplossen en kregen we een bijwijlen warme, zomerse herfstdag. Aan de andere kant van de brede baan stapten we al snel een prachtige dreef in die ons aanvankelijk langs de rand van het Gentbos liet wandelen. We betreden het bos uiteindelijk toch via een graswegel. We kregen in het Gentbos een zeldzaam mooie bosdoorsteek. Smalle bospaden worden er afgewisseld met statige dreven en een prachtige bosvijver, allemaal samengepakt op een kluitje van amper 22 hectare. Na het verlaten van het bos, dat stilaan zijn zomerjasje inruilt voor een kleurrijk herfstexemplaar, kregen we de opvallende, barokke kerktoren van ons volgende stapdoel reeds in het vizier. Bottelare zouden we bereiken na nog even wat veldwegen gevolgd te hebben. Onder de kerktoren vonden we in een klein, volks caféetje onze tweede stempel en een appel (km 15,1). De volgende 5,2 kilometer zouden ons tot tegen Munte brengen. Heel even ging het door de dorpskern van Bottelare om deze achter ons te laten via een overtocht van een akker. Spoedig volgden we de brede N444 die we inruilden voor een krakkemikkig asfaltbaantje. Het baantje liep dood op het Nerenbos waar we rechttoe, rechtaan doorliepen via een paar leuke bosdreven naar het andere uiteinde van het bos. Enkele rustige weggetjes voerden ons nu mee naar de ingang van een volgende boszone, het Bruinbos. Hier kregen we de kans om het bos wat ruimer te ontdekken via de slingerende paadjes die prachtig tussen de bomen door kronkelden. Genietend bereikten we ook hier de bosuitgang. Niet veel verder stapten we nu een kleurrijk privétuintje binnen, voor nog een stempeltje en een flesje sportdrank. Na de controle konden we meteen terug het bos induiken. Deze bosdoorsteek zou ons afzetten aan een heuvelrug waarmee we nu zowat de rest van de tocht zouden blijven flirten. De brede N444 die we nu een tijdje mochten volgen, stuurde ons een eerste keer de hoogte op om er te genieten van een prachtig zicht op de lager gelegen omgeving. Ontelbaar veel bunkers sieren (of ontsieren, het is maar hoe je het bekijkt!) de flanken. Drooggezwierde veldwegels, met af en toe een centimeters dikke laag stofzand leidden ons nu op een bijzonder prettige manier over de heuvelrug richting Makkegem waar we in de kinderboerderij 't Bakkershof nog eens onze controlekaart mochten opdiepen en samen met de stempel ook een bonnetje in ontvangst namen. Deze ruilden we snel in voor een dikke, overheerlijke pannenkoek die we smakelijk opaten op het zonnige terras. (km 25) Zalig toeven is het er, maar de plicht roept. 6,9 kilometer moesten nu worden afgelegd om onze volgende stempelbeloning te verdienen. De tocht gaat op zijn zelfde elan verder door weer voor stoffige veldwegen te kiezen. We werden afgezet op een kasseistrookje die opklimt tot aan de Prinsenmolen op het grondgebied Baaigem. We verlieten het kasseitje echter om na een ommetje de tot woning omgebouwde korenmolen vanuit een andere richting te bestormen. Langs de molen stapten we een lange veldweg op die ons op een schitterende manier tot op een betonbaantje voerde, waar we het spoor even bijster raakten. Blijken we dwars door een boerderij te moeten, om na nog wat stof te vreten Munte te bereiken. Een langgerekte betonbaan bracht ons tot aan de kerk waarlangs we een nauw paadje kozen die ons naar de Christoforusgemeenschap bracht. Het betreft hier sociaaltherapeutische woon-en werkgemeenschap voor volwassenen met een mentale beperking. We konden er stempelen en een suikerwafel binnenspelen. Een lang stuk onverhard leidde het volgende tussenstuk in waarbij de pijltjes ons over rustig glooiende betonbaantjes stuurden tussen wat behuizing tot we via een graswegel een schitterend natuurgebied betraden. In het natuurgebied vloeien de Kerkesbeek en de Molenbeek samen wat, samen met toenemende bebouwing en verharding, regelmatig tot overstromingen leidde. Om dit op te lossen werd er een wachtbekken uitgebouwd, dat stilaan tot een prachtig natuurgebied uitgroeide. Dwars door het overstromingsgebied wandelden we tot tegen de spoorweg, die we volgden tot aan de achterkant van het stationnetje van Moortsele, waar we nog eens het gebied binnen doken en dit keer naar een goed verscholen kasteel bewandelden. Onze neuzen wezen nu resoluut een wijkje in, waar we op een oprit nog eens de benen konden laten rusten (km 37,9). Nog 13,9 kilometer scheidden ons van de aankomst. Een smal paadje zette ons op weg voor een ommetje rond het dorp om naast de kerk en het gemeentehuis, dat werd omgebouwd tot erfgoedhuis, naar een beekje te stappen. Op een ronduit prachtige manier volgden we de oevers van het beekje dat even verder uitmondde op een vervallen watermolen. We waren ondertussen weer tot tegen de spoorweg genaderd en mochten dus nog eens de andere kant ervan gaan opzoeken. Een smal strookje onverhard voerde ons langs een vers geploegde akker richting Landskouter. We zouden het dorpje, met Romaans kerkje, slechts heel even aantikken om terug naar de spoorweg te stappen en resoluut richting Lemberge te kiezen, dat we via een volgende onverharde strook binnen wandelden. In het schooltje van vanmorgen mochten we nu een belegd broodje afhalen. Slimme zet van de organisator, want zo konden we een fond leggen voor wat komen zou, de brouwerij. Een licht dalende veldweg leidde ons langs het proefstation van Lemberge naar een asfaltwegje tussen een bos en de rand van Gontrode. We draaiden af naar het station van Gontrode om even verder een smal kerkwegeltje te bewandelen om het dorpje voorbij de kerk opnieuw te verlaten. Een volgende veldwegel brengt ons weer dichter bij de sporen en de brug onder de autosnelweg waar we 's morgens ook passeerden. De watertoren komt in zicht en als we onder een schitterend bruggencomplex doorgestapt waren, ging het naar de Bassins van Melle. Een smal paadje tussen een beekje en de afsluiting van een drukbeklant speelplein liet ons jammer genoeg weinig zicht op de 2 waterplassen. Uiteindelijk bereikten we de achterkant van brouwerij Huyghe, nog even een ommetje maken en we konden ons het aangeboden Delirium-biertje laten smaken. Meteen ook het officieuze einde van de tocht, want we hebben nog slechts 800 meter af te leggen langs de Brusselsesteenweg tot aan de aankomst. Onze eerste deelname aan deze tocht heeft alvast een meer dan aangename nasmaak opgeleverd. Klik op de foto voor méér foto's!!!
Hasselt, hoofdstad van de smaak en van de provincie Limburg, was tevens de bestemming van de tweede busreis dit jaar. De volgestouwde bus werd, na een kleine 3 uur onderweg, geledigd aan de startzaal. Sommigen kozen voor een kortere afstand om nadien het openluchtmuseum van Bokrijk te kunnen bezoeken. Wij echter kozen voor de schitterende natuurwandeling van een kleine 30 kilometer. Een smal asfaltwegeltje leidde ons meteen rond een speelpleintje naar een kort stukje weg. Aan het volgende kruispunt draaiden we rechtsaf, niet de kruisende weg op, maar wel een leuk, parallel lopend bospad waar we tussen de naaldbomen mochten slalommen. Enkele aansluitende stroken onverhard stuurden ons richting spoorweg die we even volgden. Net voor dat de slagbomen zich sluiten dwarsten we de sporen, het groepje clubgenoten die ons tot nu toe vergezelden bleef verweesd achter bij de gesloten overweg. We volgden weer wat verharde ondergrond, al duurde dit niet lang. De pijltjes stuurden ons opnieuw zo'n bospaadje naast een baantje naar de ingang van het Natuureducatief Centrum Kiewit. In het 100 hectare grote natuurpark met een 19de eeuws herenhuis en Engelse tuin, stapten we naar een vijver die heel wat van zijn water verdampt zag de afgelopen zomer. De vijver werd op verzoek van de kasteelheer, in de 17de eeuw, uitgegraven door plaatselijke boeren in ruil voor een haring. Even verder kregen we een eerste splitsing voorgeschoteld. Prachtige vlonderpaden stuurden ons door het begrazingsgebied van het natuurcentrum, terwijl de Galloway-runderen meer oog hadden voor het malse gras. We voegden ons, na een prachtig ommetje, terug bij de kortere afstanden en trokken samen verder naar een magnifieke weidedoorsteek. Aan de andere kant doken we opnieuw het bos in, ondertussen zijn we op grondgebied Genk. De bospaden leidden naar een vijver, 1 van de vele die we nu zouden passeren. Het vijvercomplex in het provinciaal domein Bokrijk maakt deel uit van De Wijers, een gebied waarin zich maar liefst 1.175 vijvers bevinden, samen goed voor 700 hectare wateroppervlakte, en uiteraard een waar vogelparadijs is. De eerste vijvers ontstonden al vanaf de 13de eeuw, toen bestaande vennen werden uitgediept voor veen-en turfwinning waardoor wijers, vijvers voor viskweek, ontstonden. Jammer genoeg was een mooie witte reiger te snel voor mijn fototoestel. Op een ronduit schitterende manier wandelden we, na een volgende splitsing, over de bospaadjes aan de rand van de vijvers naar de eerste controle, in zowat het eerste gebouw dat we tegenkwamen, na 7,2 prachtige kilometers. Het gaat opnieuw verder langs de vijvers totdat we het domein mochten verlaten. Enkele leuke dreven voerden ons richting de eerste tekenen van beschaving sinds de start. Een tijd lang zouden we nu aan de rand van de Zonhovense wijk Termolen wandelen. Een zweefvliegtuigje verraadde de nabijheid van een vliegveldje. Een zanderig bospaadje tussen het bos en een industriebedrijf eindigde op een drukker kruispunt waar we voor een licht golvend fietspad door het bos kozen die ons op zijn beurt afzette op een bredere weg. Deze volgt de oostelijke rand van het 550 hectare grote provinciaal domein Bokrijk waar we na een tijdje dan ook terug binnenstapten, langs het natuurreservaat Het Wik. Dit natuurgebied heeft een oppervlakte van 110 hectare en bestaat uit 19 vijvers, die ongeveer de helft van de oppervlakte beslaan. De rest van het reservaat bestaat uit bos. Een weggetje voerde ons nu naar het arboretum van Bokrijk waar we in Het Groene Huis de volgende controle vonden (km 15,2). Het 18 hectare grote arboretum kan prat gaan op de collectie hulst (de grootste Europese referentiecollectie) en de nationale bamboecollectie. De aanleg werd gestart in 1965. Het provinciaal natuurcentrum Het Groene Huis bevindt zich in het arboretum. In deze controle werden we nog een tweede keer verwacht na een lus van 7,5 kilometer. We stapten door de bomen-en struikenverzameling naar een asfaltbaantje die door het provinciaal domein leidde. Niet veel verder konden we het dartele spel van enkele eekhoorntjes aanschouwen terwijl ze onverschrokken van de ene tak naar de volgende boom sprongen, een schouwspel die we wel uren zouden kunnen volgen. Maar we moesten verder. De asfaltstrook leidde ons door het bos verder naar de kalme omgeving van de grootste openluchtspeeltuin van België. We volgden de rand van de geur-en kleurentuin om vervolgens naar de oude toegangspoort van het overbekende openluchtmuseum te stappen. Dit gebouw dateert uit 1774 en is afkomstig uit Heers. In het openluchtmuseum staan een 140-tal authentieke, historische gebouwen voornamelijk uit de late 17de tot einde 19de eeuw. We draaiden net niet volledig rond de rotonde voor de toegang om een breed fietspad te bereiken die we volgden. Na een tijdje konden we opnieuw leuke bospaden kiezen die ons uiteindelijk afzetten op een volgend vrijliggend fietspad langs een drukkere weg. Aan de andere kant draaiden we na een tijdje het Eikbos in waarvan de bospaden ons opnieuw langs Het Wik leidden en zo verder naar de controle. De laatste 7,2 kilometer brachten ons direct naar het kasteel van Bokrijk. De familie Maris-Vanhese liet in 1890 het vervallen woongedeelte van een oude abdij afbreken en bouwde in plaats een neo-classicistisch kasteel die ze echter niet konden voltooien. Zes jaar later verkochten ze het kasteel en domein aan graaf de Meeus die het kasteel verder afwerkte. Langs het openluchtmuseum wandelden we nu terug naar de toegangspoort die we net ook passeerden. Een pracht van een dreef voerde ons verder langs de rand van de historische huizencollectie naar de vijvers van eerder. We liepen zowaar tegen de eerste controle, een tweede keer stempelen hoefde er vreemd genoeg niet. Nog eens een bospad langs een vijver voerde ons, na het korte ommetje, terug naar de dreef van daarnet waar we nu de andere kant op gingen naar de spoorweg. De sporen mochten we opnieuw dwarsen ter hoogte van het petieterige Bokrijkse stationnetje. We gingen nu even door een wijkje om een volgende boszone te bereiken. Enkele smalle paadjes leidden naar een brede dreef die uiteindelijk recht op de aankomstzaal uitgaf, waar de eerder aangekomen clubgenoten buiten een waar ontvangstcomité gevormd hadden. Als uiteindelijk ook de museumbende terug de zaal bereikte, konden we terug huiswaarts keren na een zeer geslaagde dag. Klik op de foto voor méér foto's!!!
De textieltrekkers organiseerden voor de 15de keer hun Prutsketochten die voor de gelegenheid tot de provinciale sport-voor-allen wandeldag uitgeroepen. De Anzegemse deelgemeente Vichte werd genoemd naar de Vichtebeek, die door de gemeente stroomt. Wij stapten er de "vichtig" kilometer. Meteen na de start ging het naar een brede steenweg, die we dwarsten om via een betonpaadje langs een beek een wijkje binnen te stappen. Aan de eerste splitsing kregen we een appel aangeboden en werden we alleen op pad gestuurd. De pijltjes stuurden ons, via enkele wijkstraatjes, dwars door een klein moestuintje langs een beek. We stapten via het gehucht Knok en de Wijnsberg naar een brede weg, die we snel dwarsten en een smal paadje indraaiden. Landelijke wegen namen ons nu op sleeptouw naar een spoorwegovergang waarna we naar een eerste onverhard stapten, die ons naar de rand van Ingooigem leidde. Enkele tegelpaden slingerden zich een weg naar de eerste controle na 6,4 kilometer, die we bereikten onder begeleiding van een luid balkende ezel. De zwaarbewolkte hemel liet af en toe wat miezerige regen neerdwarrelen. We werden, na de controle, voorbij de ezel naar de kerk van de gemeente geleid. Tegen de kerk liggen 2 praalgraven. De ene is het graf van de priester-dichter Hugo Verriest. De andere is dat van de Vlaamse schrijver Stijn Streuvels. De man schreef onder andere 'De vlaschaard' en 'De teleurgang van de waterhoek' en 'Prutske', waarin hij schrijft over de grote en kleine avonturen van zijn eigen kleuterdochter Dina aan het einde van de eerste wereldoorlog. Voorbij de kerk stapten we naar een brede weg die we zouden volgen tot aan het 'Lijsternest'. Streuvels kwam, na zijn huwelijk in 1905, in deze villa wonen en zou er 60 jaar lang voor zijn pen leven tot aan zijn dood in 1969. Naast het huidige provinciaal museum vertrok een licht dalende veldweg die ons zou afzetten aan de voet van de Tiegemberg. Enkele smalle stroken onverhard leidden naar de fruitgaarden op de flank van de heuvel, waarrond we nu een hele poos zouden blijven draaien. De stevige glooiingen lieten we achter ons langs een voetbalveldje en daalden af naar een volgende brede weg. Aan de andere kant van de weg leidden de pijltjes naar een lang tegelpad die ons naar de controle in Tiegem bracht. (km 13,9) We vervolgden onze weg via een volgend geplaveid paadje die ons naar wat rustige straatjes leidde. Deze brachten ons, door de velden, naar de rand van Anzegem. De rand die we heel even volgden langs een tegelpad, die ons tot tegen de spoorweg bracht. Even verder dwarsten we de sporen en klommen via een smal pad naar de kerk van Gijzelbrechtegem. De dorpskern is zowat vergroeid met de stationsbuurt van Anzegem. De deelgemeente van Anzegem wordt in de volksmond ook wel Grijsloke genoemd. Aan de voet van de kerk vonden we onze volgende controle. (km 19,5) In zaal De Kleine Kluis werden we nog een tweede keer verwacht. Een tegelpad daalde opnieuw af tot aan dezelfde spoorwegovergang van daarnet. Even verder volgden 2 splitsingen elkaar snel op. Bij de 1ste verliet de 35 km ons, de 2de splitsing liet de 50 kmstappers kiezen tussen een 1ste maal en 2de maal. De 1ste keer nam een leuk graspad ons mee langs de spoorweg naar een volgende overweg. We dwarsten opnieuw de sporen en klommen opnieuw de helling op. Enkele karrensporen leidden ons naar het Bouvelobos. Het bosdomein bood ons een schitterende doorsteek over de golvende bospaden, bezaaid met talrijke mierennesten. Als we uiteindelijk het bos opnieuw verlieten nam een natuurstrook ons mee naar een volgende bosje die we snel doorkruisten. Een aansluitende veldweg ging geleidelijk over in een kasseiwegje om uit te lopen op een asfaltje. Nog maar eens een tegelpad zette ons op weg om in een ruime boog naar de controle terug te stappen na 28,4 kilometer. Het volgende tussenstuk van 8,6 kilometer begon met een stukje dubbelwandelen tot aan de splitsing. De 2de keer kozen we een tegelpad die ons naar de Hoeve Ter Beeck. De historische hoeve was eertijds een omwald Tempelierskasteel. De Orde van de Tempeliers of Tempelorde was een katholieke monnikenorde die ten tijde van de kruistochten een Heilige Oorlog tegen de moslims voerde in het Heilige Land. Rustige wegen, af en toe doorspekt met een strook onverhard, voerden ons naar de kasseistenen van de Varent, een gekende kasseistrook uit onder andere de Ronde van Vlaanderen. Na de bonkige stenen volgden we opnieuw een hele tijd asfaltbaantjes die ons naar het tegelpad leidden om naar de controle in Tiegem terug te stappen. Na het dwarsen van een brede weg kropen we door een wijkje naar een sterk dalend tegelpad die ons opnieuw naar de voet van de Tiegemberg leidde. Een bijwijlen steil tegelpad liet ons nu opklauteren naar de top van de 85 meter hoge puist, waarna we via een tweevaksbaan terug een eindje afdaalden naar de ingang van het St.-Arnolduspark. We mochten een lusje maken langs de boskapel en rond een vijver in het park die genoemd werd naar de heilige Arnold van Soissons. De man trad in 1070 toe tot de St.-Medardusabdij te Soissons waarvan hij, in 1077, tot abt werd verkozen. Vier jaar later werd hij, zeer tegen zijn zin, tot bisschop van Soissons gewijd. Omstreeks 1083 werd hij door de toenmalige paus op vredesmissie door Vlaanderen gestuurd. Hij stichtte de St.-Pietersabdij in Oudenburg om even later bij een volgende vredesmissie te sterven. De man is patroonheilige van bierbrouwers en herbergiers, omwille van de volgende legende: bij het uitbreken van een zeer besmettelijke ziekte raadde hij de mensen aan om bier te drinken in plaats van besmet water. Niets aan de hand zou je denken, ware het niet dat de snoodaard zelf bierbrouwer was. Na het verlaten van het park stapten we naar een tegelpad die ons door een diep dal voerde om opnieuw naar de top te klimmen. Nu daalden we definitief de heuvel af en stapten via enkele veldwegen terug naar Ingooigem voor de volgende controle (km 43,7). Na de controle werden we naar een pleintje gestuurd met een standbeeld van Schellebelle, een personage uit 'De vlaschaard'. We dwarsten nog eens een brede weg, terwijl het kortstondig begon te regenen, om naar een tegelpad te leidden. Rustige wegen brachten ons tot aan de parking van een welbekend shoppingcenter om vervolgens naar een tunneltje die ons onder de spoorweg door Vichte terug binnen te stappen. Langs de achterkant van het Oude Kasteel van Vichte wandelden we nu naar de laatste controle (km 48). Het ging nu snel naar het 2,5 hectare grote kasteeldomein Beukenhof voor een ommetje door het park. We verlieten het domein en liepen even verder de Brouwerij Verhaeghe binnen waar we een gratis Duchesse de Bourgogne voorgeschoteld kregen. Na het zurige biertje wandelden we door wat wijkstraatjes terug naar de aankomstzaal. Klik op de foto voor méér foto's!!!
Met als blikvangers het Plaisiersbos, een vernieuwde doortocht door het kloosterdomein Virgo Fidelis en uiteraard het Groenhovebos. Starttocht van de winterserie
Door wegenwerken was de traditionele startplaats van de koninginnetocht van de super 7, in Westouter, niet bereikbaar. Dus moesten de Heuvellandstappers noodgedwongen uitwijken naar Dranouter. Ze lieten het echter niet aan hun hart komen en stippelden een schitterend parcours uit over de vele hellingen die de streek telt. Gezegend met een zalig wandelweertje maakten ze er een prachtige wandeldag van. Het is nog donker, als we verrijkt met een controlekaart en 7 bevoorradingsbonnen, ons op gang trokken. Voorbij de kerk ging het naar een langzaam dalende weg die ons na een heel eindje afzette op het eerste onverhard van de dag. De duistere paadjes leidden ons door de Douvevallei over de landsgrens. De pijltjes lieten ons aanvankelijk nog wat spelenderwijs hoger opklimmen totdat we naast het Britse militaire kerkhof een bos indoken. Gedaan met de inlooptijd, de eerste zware beklimming van de Zwarteberg wachtte ons op. Het is nog vroeg op de morgen en de parcoursbouwer toonde nog wat medeleven door op de top ons een eerste keer te laten rusten in het Parc Départemental Marguerite Yourcenar na 6,7 kilometer. Wat omhoog gaat, moet ook terug naar beneden. Met een rotvaart doken we opnieuw de Mont Noir af langs de vijvers van L'etang des Trois Fontaines, om even verder meteen weer de omschakeling te maken en terug naar boven te klauteren. We belandden, na heel wat gehijg, uiteindelijk op een brede weg om alweer de afdaling in te zetten. Na even de stille baan gevolgd te hebben, werden we tussen enkele struiken gestuurd en kregen we een prachtige zicht op wat nog komen zou, de Mont des Cats. Het zou echter nog heel wat stappen kosten vooraleer we deze klepper zouden mogen bestormen. We daalden verder onverhard af tot aan een volgende tweevaksbaan. Heel even nam de autoluwe weg ons mee om ons op een magnifiek graspad te droppen die geruime tijd de boorden van een patattenveld aftastte en ons zienderogen dichter bij de imposante verschijning van de Katsberg bracht. Een volgende, onverharde strook leidde ons echter naar de piepkleine gemeente Berthen. Berthen, gelegen in de schaduw van de Katsberg, telt ongeveer 500 inwoners verspreid over iets meer dan 5 vierkante kilometer. In een zaaltje, met de toepasselijke naam Rust'hof, mogen we nog eens onze controlekaart opdiepen (km 12,4). De volgende 7 kilometer beloofden een zware dobber te worden met een snelle opeenvolging van maar liefst 4 stevige klimmen. Voorbij de kerk stapten we naar enkele visvijvers, waarnaast een onverhard paadje meteen de eerste klim inluidde. Het stevig oplopende brokkenpad leidde ons naar een splitsing waar we de eerste keer linksaf gestuurd werden. We klommen nu verhard verder de Mont Kokereel op. De naam van de 112 meter hoge heuvel is een afgeleide van het Franse woord querelle, wat ruzie of twist betekent en verwijst naar een ruzie die op de flanken moet uitgevochten zijn. Eens we de top bereiken en even kunnen uitpuffen, is het genieten van de uitgestrekte vergezichten die zich voor ons ontrollen. Via een veldweg daalden we af om beneden onmiddellijk de volgende helling aan te snijden. Dit keer mochten we een gevecht leveren met de Boeschepeberg. Deze 131 meter hoge aanwas van de Katsberg is genaamd naar de gemeente aan de voet. We klimmen gestaag naar de top om die al snel terug te verlaten en terug naar het dal te zakken. Na een kort ommetje zochten de pijlen een magnifieke holle wegel op, die ons een tweede keer met de Boeschepeberg liet kennismaken. Het is puur genieten van de prachtige bospaden die ons de heuvel steeds hoger lieten bestijgen. Na een korte afdaling belandden we aan de voet van de Mont des Cats, amper bekomen van de vorige bergen. We werden, op een schitterende manier, door het bos naar de top van de 164 meter hoge getuigenheuvel gestuurd, waar we gelukkig nog eens konden uitblazen. In tegenstelling tot de voorgaande jaren hoeven we hier geen tweede keer terug te komen, maar mogen meteen de terugweg inzetten. Dit lukt echter niet zonder enkele keren op en neer langs de steile flanken geleid te worden tot we op de antenne op de top stoten en de definitieve afdaling richting Berthen in te zetten. De parcoursmaker kon blijkbaar nog een leuke verrassing uit z'n mouw schudden, want plots stuurden de pijlen ons over een bewerkte akker naar een prachtig graspad, die ons afzette randje Berthen. Halfweg onze tocht werd het stilaan duidelijk dat de parcoursmeester een bijzonder zware editie heeft klaargestoomd. Een eindje dubbelwandelen voerde ons terug naar de eerdere splitsing waar we nu rechtsaf gingen. We daalden even af om vervolgens langs een hoppeveld opnieuw op te klimmen naar de herberg 't Hommelhof. Een karrenspoor leidde ons nu terug richting de grens, waar we de oevers van een beek een eindje als leidraad nemen om een prachtig lusje te maken tot tegen Westouter. Het dorp laten we echter letterlijk links liggen om terug te keren naar de Zwarteberg voor de derde beklimming. Een prachtige holle wegel leidde ons door een bos naar de controle op de heuvelflank (km 34,1). De 152 meter hoge heuvel werd vernoemd naar de familie De Zwarte, die de berg in hun bezit hadden in de 13de en 14de eeuw. Op de Franse flank staat de villa van de ouders van de schrijfster Marguerite Yourcenar. Het gebouw doet nu dienst voor schrijvers die zich enkele maanden willen terugtrekken en inspiratie opdoen. Na de controle werden we de beboste flank opgestuurd waar we even mochten rond dartelen tot we plots de steile helling afgejaagd werden. Een schitterende opeenvolging van trappen, houten bruggetjes en onverharde paden stuurden ons door de Douvevallei. De Douvebeek ontspringt op de flanken van de Vidaigneberg en stroomt oostwaarts tot de monding in de Leie, 17 kilometer verder. Rond de beek beheert het Agentschap voor Natuur en Bos de bestaande bosjes en zet armere landbouwgronden om in een gemengd loofhoutbos. De lange, onverharde stroken zetten ons uiteindelijk af in Loker, waar we na 39,9 kilometer nog eens mochten stempelen. Van hieruit werden we weggestuurd voor een solo-lus, enkel voor de 50 kmstappers. Na een ommetje door de gemeente, werden we naar de Rodeberg gestuurd waarvan we de eerste klim meteen mochten aanvatten. Een smal pad liep steeds steiler omhoog naar een drukke weg op de top. Snel dwarsten we deze en stapten er voorbij de O.-L.-V. van Lourdesgrot. De grot op de Rodeberg werd gebouwd in 1873, in opdracht van pastoor Louis Nollet, nadat die terug gekomen was van een Lourdesreis. Bedoeling was om van de grot een West-Vlaamse versie van Oostakker te maken. De pijlen leidden ons voorbij de grot naar een volgende afdaling. Nu volgde een tijdlang draaien en keren tot we uiteindelijk in het jonge bosplantsoen terecht kwamen die ons naar de voet van het Hellegatbos bracht. Nu kregen we een tweede beklimming van de Rodeberg te verwerken. De bospaden met roetsjbaan-neigingen namen ons geleidelijk aan hoger in het bos en op de heuvelflank. Als we eindelijk boven denken te zijn, liet de sadistische parcoursbouwer ons opnieuw een eind de heuvelflank af om terug te kunnen beginnen aan de klim. De beenspieren beginnen stilaan aan te voelen alsof ze elk moment uit elkaar kunnen scheuren. Als we opnieuw de drukke weg bereiken, is nog niet alle klimwerk voorbij. Aan de andere kant van de weg volgde namelijk nog de Baneberg. Moeizaam klauterden we de laatste van de grote hellingen op. Aan de Lijstermolen op de top vatten we uiteindelijk de lange afdaling aan die ons terug naar Loker zou voeren, waar we onze brandende kuiten konden blussen met het aangeboden Tongerlo-abdijbier. Nog 3,5 kilometer scheidden ons nu van de aankomst. Van uitbollen is echter nog lang geen sprake. We wandelden opnieuw naar de splitsing waar we een rustig weggetje indraaiden. Deze leidde ons even verder naar een tweevaksbaan, die we even moesten duldden om tot bij het Eeuwenhout-natuurgebied te wandelen. Een pad bezaaid met stenen stuurde ons opnieuw de Douvevallei in, om er zowat rechtsomkeer te maken en via prachtige bospaden de helling terug te beklimmen. Even na het verlaten van het natuurgebied stapten we Dranouter terug binnen, waar we konden afstempelen en ons zuurverdiende Super 7-pakket afhalen. Klik op de foto voor méér foto's!!!
Traditioneel is de omgeving rond Ieper het toneel voor de laatste dag van de 4daagse van de Ijzer, door professionele activiteiten de enige dag waar we aan konden deelnemen. Dit jaar trok het parcours noordwaarts via St.-Jan richting de Langemark-Poelkapelse dorpskern St.-Juliaan. Vervolgens ging het naar Langemark zelf, waar we een ommetje maakten naar het Duitse Soldatenfriedhof. De oude spoorwegbedding leidde ons daarna naar Boezinge Sas, waar we het Kanaal Ieper-Ijzer mochten volgen tot aan Steenstraete. De volgende brede, drukke weg stuurde ons, voorbij het monument voor de slachtoffers van de eerste gifgasaanval die hier plaatsvond, naar Zuidschote. Een dorpje dat we snel doorkruisten om naar Boezinge te trekken. Ons genuttigde middagmaal konden we er doorspoelen met een hommelbier uit de Brouwerij Het Sas. Nadat we het straatfeest dat er spontaan ontstaan was achtergelaten hadden, ging het terug naar het eerder genoemde kanaal dat Ieper met de Ijzer verbindt. We volgden dit kanaal nu helemaal tot in Ieper, waar we via enkele brede straten naar de aankomst stapten op de parking van de alomgekende weefgetouwenfabrikant Picanol. Klik op de foto voor méér foto's van de wandeling, het slotdefilé en de après walk!!!
Elk jaar organiseert WSV Beernem op 15 augustus hun gelijknamige Internationale 15 augustustocht. Naar eigen zeggen, de bosrijkste tocht van de provincie. De start hiervan vond plaats in de sporthal van het psychiatrisch centrum St.-Amandus. De instelling werd opgericht in 1928 en omvat twee delen: het psychiatrisch ziekenhuis die plaats biedt aan 470 mensen en het psychiatrisch verzorgingstehuis in Torhout waar 174 mensen terecht kunnen. Na het inschrijven konden we op weg voor 35 kilometer. Eens de ruime sporthal verlaten, werden we het psychiatrisch centrum ingestuuurd. We wandelden naar de boerderij, waar we na enkele honderden meters onze controlekaart opnieuw mochten opdiepen om een koekje in ruil te krijgen. We stapten verder en volgden enkele asfaltbaantjes tussen de verschillende woonblokken om naar de rand van het domein te wandelen. Even gingen we buiten het domein om wat verder de eerste bosstroken onder de voeten geschoven te krijgen. Smalle bospaadjes kronkelden ons rond een klein kerkhofje om ons uiteindelijk af te zetten op een grindbaantje. Even voorbij een serrecomplex pikten we terug enkele kortere afstanden op, die ons net na de boerderij hadden verlaten. Een kortgemaaide graswegel leidde ons in een wijde boog door een schapenweide om ons af te zetten aan de rand van het provinciaal domein Lippensgoed-Bulskampveld. Een vlonderpad liet ons even boven de nochtans droge bosgrond zweven en leidde ons naar een prachtig, paarsbloeiend heideveldje. Een beperkte herinnering aan wat ooit het grootste heidegebied van het Graafschap Vlaanderen was. Bulskampveld vormde eertijds de kern van een heidegebied die zich uitstrekte van Torhout tot Aalter. Vanaf de 18de eeuw werd dit gebied ontgonnen voor landbouwgebruik. De meest schrale gronden werden bebost. De naam dateert van 1149 en zou afkomstig zijn van het Germaanse 'bulnas kampa' : het veld van stieren. We vervolgden onze weg via prachtige dreven om naar de kasteelhoeve te stappen waar een rustpost was ingericht na 5 kilometer. In de vroegere stallingen van de hoeve is nu het vogelopvangcentrum ingericht, waar zieke en gekwetste vogels verzorgd worden en voorbereid worden om terug in de vrije natuur gelaten te worden. Even verder staat het kasteel Bulskampveld. De eerste heer van Bulskampveld, Lambert Malfait, liet rond 1800 zijn hoeve tot kasteel verbouwen. Later ging het eigendom over naar de familie de Meeus, die er in 1887 het huidige neogotische kasteel liet optrekken. Vanaf 1904 werd het kasteel betrokken door de familie Lippens die het omliggende domein de allures gaf van een landgoed, die in 1970 uiteindelijk aangekocht werd door de provincie. In de kelder van het onlangs gerenoveerde kasteel is tegenwoordig een bezoekerscentrum ingericht. Opnieuw namen zalige, schaduwrijke bospaden ons mee door het 320 hectare grote, afwisselende bosgebied om ons naar Hertsberge te leiden. Asfaltbaantjes stuurden ons, tussen de villa's door, naar de kerk van de Oostkampse deelgemeente. De jonge gemeente kwam pas in 1919 tot stand toen delen van Ruddervoorde, Oostkamp en Wingene werden samengevoegd. In het parochiezaaltje aan de voet vonden we de eerste, echte controle na ruim 8 kilometer. Na het afstempelen werden we een lange, rechte bosstraat opgestuurd die ons tot aan een poel bracht. Even verder herinnerde een vergeten pijltje er ons aan dat we hier ook met de Nacht van West-Vlaanderen passeerden. Lijkt al een eeuwigheid geleden. We doken terug het provinciedomein in, waar boswerkzaamheden het pad danig overhoop had gehaald. Een lange dreef voerde ons naar een open vlakte waarna we een heideveld mochten doorkruisen, waar een loden zon de temperatuur serieus de hoogte in jaagde. We waren dan ook blij als we terug de lommer van de bomen konden opzoeken om verder te stappen door het uitgestrekte bos. Een smal pad leidde ons tussen de velden van een heidekwekerij naar de volgende controle in de loods van diezelfde kwekerij. 15 kilometer hadden we ondertussen op de teller staan. We dwarsten, na de controle, de drukke baan tussen Beernem en Wingene, en belandden onmiddellijk in een volgende bosdomein. Dit keer mochten we de Vagevuurbossen bewandelen. De naam van dit 220 hectare grote domeinbos is afkomstig van de Vagevuurkapel die in de jaren zestig werd gebouwd. Het bos vormt samen met het aanpalende Lippensgoed-Bulskampveld het grootste openbaar boscomplex van West-Vlaanderen met 540 hectare. We slalommen wat tussen de verschillende bosdreven om naar de voet van de Hendriksberg te stappen. We bleven op het vlakke en vervolgden onze weg over enkele bosstroken tot we de Beukendreef bereikten. Een vreemde naam voor de lange, rechte straat die volledig afgezoomd is met eikenbomen. We werden rond een klein bosje gestuurd naar een grote, open vlakte waar de zonnestralen weer onverbiddelijk branden. Een lange stofpad bracht ons terug aan de rand van het bos waarna we naar het St.-Pietersveld gebracht werden. Dit oude heidegebied behoorde eeuwenlang toe aan de Gentse St.-Pietersabdij. In 1836 werd hier op een domein van 127 hectare een suikerfabriek opgericht, wat door de zandige ondergrond geen succes bood. Tussen de jaren 1840-1850 steeg het aantal jeugdige delinquenten in de gevangenissen totdat er beslist werd dat de jongeren apart opgesloten moesten worden. In 1849 werd hiervoor Ecole de Réforme de Ruysselede, de huidige Gemeenschapsinstelling voor Bijzondere Jeugdbijstand De Zande. Een asfaltbaan bracht ons tot aan de Succursale, een bijhuis gebouwd in 1854 om de succesvolle matrozenopleiding in onder te brengen. Na de opheffing van de matrozenopleiding in 1913 werden in dit gebouw bedelende of landlopende kinderen onder de 11 jaar opgevangen. In de volksmond sprak men dan ook over de 'suekerzaole' of suikerzaal. We werden op een krakkemikkig kasseiwegje gezet die we nog even verlieten voor een ommetje rond een weide, om uiteindelijk naar de controle in De Zande te stappen na ruim 21 kilometer. Nu mochten we beginnen aan onze solo van een dikke 6 kilometer. Al snel keerden we terug naar de Vagevuurbossen waar enkele dreven ons tot op een grindwegel bracht die we even volgden. Een volgend bospad stuurde ons naar een asfaltbaantje waar een heen-pijltje verraadde dat we hier nog eens zouden passeren. Na een kort lusje over enkele dreven stonden we inderdaad terug op het weggetje die ons naar de drukke baan tussen Beernem en Ruiselede bracht. Aan de overkant ging het terug verder om via enkele rustige wegen aan de achterkant van de instelling te belandden. Enkele stoffige onverhardjes brachten ons uiteindelijk terug aan de controlepost. Na de controle ging het langs de Scheepsput. Op een weide werd een schip gebouwd voor de matrozenopleiding. Nadien werd de aarde rond de driemaster weggegraven en deed het dienst als schoolschip. In het begin van de 20ste eeuw echter deemsterde de belangstelling voor de opleiding weg en het schip takelde af tot het in 1913 volledig ontmanteld werd. Nu doet de vijver dienst als zwem-en visvijver. De asfaltbaantjes voerden ons vervolgens langs het OC Wingene, een opvangcentrum voor mensen zonder papieren. Al snel doken we opnieuw de Vagevuurbossen in. De afwisselende bospaden stuurden ons opnieuw naar de Hendriksberg, een met naaldbomen beboste landduin. Via een zwak stijgend paadje klommen we nu wel naar de top. We vervolgden onze weg om weer te kunnen genieten van de opeenvolgende bospaden die ons afzetten aan een drukke weg waar enkele seingevers ons naar de overkant hielpen waar we over een parking terug het Lippensgoed-Bulskampveld indoken waar we na een tijdje de laatste kilometer passeerden. Even volgden we een rechte dreef om via een smal paadje tussen de braamstruiken naar een weggetje te stappen. Na het dwarsen vonden we even verder de sporthal en de aankomst na een schitterende tocht. Klik op de foto voor méér foto's!!!
Eindelijk konden we eens een 50 kilometertocht wandelen aan de kust. Meer zelfs, de organisatoren van dienst, de Keignaerttrippers en de Int. 2daagse Blankenberge, tekenden een parcours uit van net geen 53 kilometer, met maar liefst 11 rustposten, tussen de treinstations van de tweede drukste kustbestemmingen. Wij namen de trein naar Oostende. De badstad dankt zijn naam aan een langwerpig eiland voor de kust waar aan het 'Oost ende' een kleine nederzetting was van schaapsherders en vissers. In het westen van het eiland lag Westende en halverwege Middelkerke. Na even zoeken in het Oostendse stationsgebouw blijken de medewerkers van de hier voorziene inschrijving nog niet aanwezig. Deze zouden pas rond 8 uur, 3 kwartier na ons, aankomen. Dan maar meteen vertrekken. We verlieten het station en liepen even langs de tramsporen naar de grauwe De Smet De Naeyerbruggen. We stapten onder de bruggen door om na een klein ommetje langs de rand van het Maria Hendrikapark naar de bovenkant van het bruggencomplex te wandelen. Het eerste deel werd aangelegd tussen 1903 en 1905 en overspant de treinsporen, het tweede,bouwjaar 1902-1903, is een draaibrug die het vlotdok overbrugt. Het beschermde monument wordt in de volksmond ook wel, wat oneerbiedig,'Tettenbrug' genoemd, naar de bronzen engelenbeelden met ontblote borst die de brug sierden voor de eerste wereldoorlog. De weg over de bruggen is enkele jaren geleden afgesloten en omgevormd tot parking, de tram maakt wel nog gebruik van de bruggen. Na het dwarsen van de bruggen vervolgden we onze weg door de haven om naar de brede N34 te stappen. Na nog een tweetal watergeulen gedwarst te hebben, werden we afgezet in de Opex-wijk. In deze wijk vonden we in zaal Sluisvliet de eerste controle. We hadden 2,5 kilometer op de teller en trokken, na het kopen van een inschrijfkaart, meteen verder. Na het verlaten van het zaaltje ging het terug naar de vrij kalme N34. We mochten deze een heel eind volgen tot aan de voet van een watertoren. De 35 meter hoge toren werd gebouwd tussen 1930 en 1935 en heeft een waterreservoir van 600 kubieke meter. Na het dwarsen van de weg en de gelijklopende tramsporen nam een weggetje ons mee naar de vissershaven. We werden afgezet aan het Visserijdok, waar we enkele prachtige vissersboten konden bewonderen. Het dok leidde ons naar de Lange Nelle, de blauw en wit geschilderde vuurtoren. Even voorbij de toren draaiden we een betonnen dijk op, met zicht op zee enerzijds en enkele bunkers uit de Atlantikwal aan de andere kant. Aan het einde van deze Spinoladijk kregen we een korte, maar stevige klim met stijgingspercentage van 19 procent voorgeschoteld. Een smal, lang tegelpad leidde ons nu door de duinen naar Bredene. Deze badplaats is beroemd omwille van zijn naaktstrand. Bredene is ook uniek omdat het de enige gemeente is die geen zeedijk heeft, maar een ononderbroken duinenrij. Na een heel eind van deze duinen bewandeld te hebben via het tegelpad bereikten we een fiets-en voetgangersbrug die ons over de Koninklijke Baan zou zetten. Bij Moeder Lambik, een tea-room, was een volgende rustpost. Stempelen was er niet nodig vertelde een bord aan de deur. We werden meteen terug naar de blauwe brug geleid die ons terug over de drukke weg bracht. Opnieuw stapten we het duinenpad op die ons nu opnieuw een heel eind zou meenemen tot we plots een tunneltje vonden die ons onder de N34 door naar een asfaltpaadje stuurde. Het kronkelende baantje volgde de drukke kustbaan door een bomenrijke grasstrook en leidde ons uiteindelijk Vosseslag binnen. Dit is een gehucht bij De Haan waarvan de bebouwing een stuk doorloopt op het grondgebied van Bredene. Na het volgen van een fietspad naast een weggetje bereikten we de volgende controle in een caféetje. We hadden er ondertussen 11 kilometer opzitten. In de controle werden we er op gewezen dat er geen pijltjes in het volgende bos zouden hangen door strenge reglementering. De GR-tekens waren het voorziene vervangmiddel. We keken echter raar op als we in het Duinbos Klemskerke toch pijlen zagen hangen van de organiserende club. De duinbossen werden oorspronkelijk aangelegd als schermbos om de achterliggende, vruchtbare poldergronden te beschermen tegen overstuiving. De eerste bebossingen in De Haan gebeurden omstreeks 1838, zonder veel resultaat. In 1920 werden ongeveer 150 hectare duinbos aan het beheer van het toenmalige Waters en Bossen toevertrouwd. Tegenwoordig zijn de bossen eigendom van het Vlaams gewest. Leuke bospaden leidden ons door het overwegend naaldbos tot bij een enorme versie van een klappoort die ons terug de beschaving binnenduwde. Als we even verder een pleintje bereikten, werd als snel duidelijk dat ook de toeristen hun bed verlaten hadden. In de buurt van het pleintje staat het art-nouveau-tramstation die in 1902 werd gebouwd op de plaats van een ander tramstation. Het diende als tussenstop voor de stoomtramlijn tussen Oostende en Blankenberge die voor het eerst reed in 1886. We ruilden het plein, waar men bezig was met de restanten op te ruimen van het feest Trammelant daags voordien, in voor een ontzettend drukke winkelstraat. Slalommend tussen de toeristen door geraakten we in wat rustigere straatjes die ons naar de St.-Monicakerk voerden en de controlepost aan de voet ervan. Op papier weer 2,5 kilometer dichter bij Blankenberge, een afstand die we toch sterk durven betwijfelen. Vanaf hier nam het Blankenbergse deel van de organisatie het over. We lieten het kleine kerkpleintje achter om via een weg naast de kustbaan naar een volgende watertoren te stappen. Even voorbij de toren dwarsten we de drukke Koninklijke Baan en bewandelden een weg aan de rand van de Concessie, een villawijk in Belle-Epoquestijl uit het begin van de vorige eeuw. De echte Belle-Epoquevilla kregen we niet te zien, want al snel werden we een mulle zandstrook opgestuurd die ons schitterend door de duinen op het strand afzette. Een bordje wees ons erop dat we het strand moesten volgen tot in Wenduine. Achter ons konden we nog altijd de silhouetten van Oostende zien staan. Heel wat dichter zagen we een kunstwerk van Beaufort 03, Le vent souffle ou il veut. Dit zijn honderd vlaggenmasten met daaraan kleurrijke windhanen, die de indruk van een bos moet opwekken. Wij zochten het harde zand op, waar we door de vloed geen natte voeten hoefden te vrezen. Aan een kleine strandtaverne kozen we voor een dijkje die ons tot aan de Spioenkop, de tweede hoogste duin van de kust. Deze hoefden we niet te beklimmen, we draaiden echter de zeedijk van Wenduine op. Even verder stond de Wenduinse reus, Pol de Kruwer. De reus werd gebouwd in 1973, naar aanleiding van de eerste reuzenfeesten. Hij werd gebouwd naar het evenbeeld van een echte mens. We mochten even de zeedijk volgen om een eindje verder via een dwarsstraatje af te dalen naar de kustbaan. Enkele straatjes verder bereikten we het Marktplein waar we de medewerkers hun controlepost, na een dikke 19 kilometer, op het terras van een café hadden ingericht. Na de controle werden we terug gestuurd naar de zeedijk die we nu tot aan het andere uiteinde mochten volgen. Onderweg kwam een fanfare ons tegemoet met, op enige afstand, de reus van daarnet. Aangekomen aan het einde van de zeedijk stapten we terug het strand op die we nu ettelijke kilometers mochten volgen tot aan de Blankenbergse havengeul. We verlieten er het strand en stapten er rond de haven tot aan de Paravang. Dit is een kleurrijk windscherm uit 1908 in Belle-Epoquestijl met een Oosters tintje met aan de ene kant zicht op de jachthaven en aan de andere zicht op het Leopoldpark. Even voorbij het windscherm stapten we opnieuw de zeedijk op. Deze keer mochten we deze verlaten via een trap die ons een winkelstraat in leidde. De lange, rechte straat leidde ons voorbij een volgend kunstwerk van Beaufort03, The Façade. De felomstreden voorgevel die door de kunstenaar tot krot is omgevormd. Even voorbij het kunstwerk belandden we op het plein voor het station, waar een rommelmarkt aan de gang was. Aangezien de volgende controle in het station gelegen was, moesten we ons door de mensenmassa proberen te murwen. De controle in het station was ook meteen het keerpunt van onze tocht. De terugweg zetten we in met enkele drukke wegen door Blankenberge om een kort ommetje te maken en terug even de jachthaven te bereiken. Een rustige weg nam het hier over en bracht ons tot aan een houten trap die we beklommen. Het aansluitende schelpenpad achter de duinen, die een mooi zicht bood op de achterliggende polders, bracht ons helemaal terug tot in Wenduine, waar we dwars door een wijk naar de controle op het marktplein gestuurd werden. 30 kilometer hadden we er hier ondertussen opzitten. Over het Heldenplein werden we via een drukke weg even de polders ingeleid. De betonwegen leidden ons een wijkje binnen waarna we een tweede verkenning van de Duinbossen konden aanvatten. De tarmacjes slingerden zich geruime tijd door de lommer van de bomen. Het golvende bos spuwde ons uiteindelijk opnieuw uit aan de rand van De Haan. Om een stuk dubbelwandelen te vermijden stuurden de pijlen ons door enkele straten om via een andere zijde naar de controle te stappen in de parochiezaal na een tussenstuk van 6 kilometer. Opnieuw trokken we op pad, dit keer voor wat het saaiste stuk zou blijken. Brede betonwegen lieten ons een ruime bocht lopen weg van de kust, door de vlakke polders om naar de controle te stappen in Vosseslag. Na deze controle bleef het nog een tijdje vrij inspiratieloos doorlopen tussen de vele toeristenwoningen tot we uiteindelijk Bredene binnendoken. We passeerden er de Visserskapel. Tussen 1710 en 1715 werd op deze plaats een O.L.Vrouwebeeld in een kapelletje op een staak geplaatst. In 1717 werd een houten kapel gebouwd die echter door weer en wind en een aantal inbraken aftakelde en uiteindelijk in 1736 vervangen werd door de huidige stenen kapel. De kapel was een geliefde bedevaartsplaats van de Vlaamse vissers. In 1982 werd de visserskapel beschermd als monument. Samen met zijn onmiddellijke omgeving vormt de kapel ook een beschermd dorpsgezicht. En even voorbij de kapel doken we 't Paelsteenveld in, een toeristisch recreatiepark. De paden in het park leidden voorbij een wel heel druk bezet petanqueveld naar de heerlijk bloeiende Dahliatuin. Even verder vonden we opnieuw onze rustpost bij Moeder Lambik. De laatste 7 kilometer zijn ingezet als we het toeristische deel van Bredene doorkruisen. We kregen weer zo'n brede berm naast de Koninklijke Baan voorgeschoteld die we na een tijdje konden inruilen voor een wijk die ons meteen ook Oostende terug liet binnen lopen. We bleven wat wijkstraatjes volgen om uiteindelijk aan de rand van de Spuikom te belandden. Deze waterplas werd gegraven achter de haven om bij laagwaterstand te laten leeglopen door de haven en zo het overtollige slib mee te spoelen. De kracht van de kom bleek te hevig en de Spuikom werd nooit voor z'n eigenlijke doel gebruikt. Nu vormt de put een ideale plaats voor watersporters en worden er oesters gekweekt. We volgden de rand en vonden even verder onze laatste controle waar we ons wandelboekje ook meteen lieten afstempelen. Nog zo'n 3 kilometer uitbollen tot aan het station van Oostende. Even mochten we nog terug naar de Spuikom om vervolgens een drukke verkeersas te dwarsen en aan de andere kant even te volgen. Over een havengeul stapten we een eindje verder een tunnel in die ons onder de spoorweg door leidde. We bevonden ons nu bij het ziekenhuis AZ Damiaan, die blijkbaar nog niet voldoende capaciteit heeft en dus aan het bijbouwen is. Even voorbij het ziekenhuis mochten we het Maria-Hendrikapark bezoeken. We volgden geruime tijd de oevers van een prachtige vijver om vervolgens via een zacht oplopende helling het 'Bosje', zoals het park ook wel genoemd wordt, weer te verlaten. Een mooi aangelegde esplanade nam ons nu op sleeptouw tot aan de jachthaven voor het Oostendse station. Een rood licht hield ons een hele tijd op. Als we ondertussen even wat rond keken, zagen we enkele ratten op zoek naar eten in het midden van het stadscentrum. Na een hele poos wachten konden we terug verder en volgden de jachthaven tot in het station waar we meteen op de trein konden stappen na een zeer afwisselende tocht. Klik op de foto voor méér foto's!!!
Aan de rand van Het Zoute in Knokke-Heist ligt het wijkje Zevenkote. In de 19de eeuw werden hier een aantal kleine boerderijtjes gebouwd, tegenwoordig is het een villawijk gelegen op de grens tussen de duinen en de polders. Vanuit het gemeentelijke schooltje trokken we op pad voor 32 kilometer tijdens de zomerversie van de Zwintocht (Er bestaat ook een wintereditie.) Na het verlaten van de speelplaats van het schooltje werden we meteen door een bosje een onverhard paadje opgestuurd. De smalle strook bracht ons, langs hoog opschietende maïs naar een grindoprit even verder. Deze zette ons af aan een weg die we dwarsten om aan de andere kant verder te stappen naar een klein bosje, waarna we een landweg opdraaiden. Het pad leidde ons voorbij een waterzuiveringsstation. De Compagnie Het Zoute liet deze bouwen in 1929 op de site van het Bernardusfort, een verschansing voor het Fort St.-Paulus, die hiervoor moest wijken. Daarmee is het de oudste van België. We werden vervolgens naar een lange weg geleid. Deze volgt het traject van de oude St.-Paulusdijk. In 1627 werd het Fort St.-Paulus gebouwd en werd tevens een dijk aangelegd tussen dit fort en het Fort St.-Isabella, met daarnaast een dijkgracht die fungeert als vaarweg tussen beide forten. Door de St.-Paulusdijk ontstaat ook, zij het onbedoeld, de Oude Hazegraspolder. In 1784-1785 werden ook de resterende Hazegrasschorren ingepolderd en onstaat de Nieuwe Hazegraspolder. Het fietspad naast de kasseiweg leidde ons voorbij de Hazegrashoeve, door het uitgestrekte polderlandschap naar een smal betonnen baantje. Blijkt dit een oude trambedding te zijn die Het Zoute via de wijk Oosthoek met het Nederlandse Retranchement verbond. Het Canadese leger gebruikte deze verbinding om Knokke te bevrijden van de Duitse bezetting tijdens de tweede wereldoorlog. Voorbij enkele bunkers bereikten we een steenweg. Aan het eind van de lange, rechte weg prijkte de molen van Retranchement, waar we dan ook heen gingen. De lange polderweg zette ons over de grens af aan de rand van de deelgemeente van Sluis. We lieten de kortere afstanden, over de Hickmanbrug, Retranchement binnenduiken. Zelf gingen we langs een kanaaltje naar een fietspad waar we nog even flirten met de grenspalen om een eind verder het kanaal te dwarsen en de oude zeedijk op te stappen. Via enkele dijken zakten ook wij nu af naar Retranchement waar we in de oude gemeenteschool, na een dikke 8 kilometer een eerste stempeltje konden afhalen. Van hieruit werden we op pad gestuurd voor een ruime polderlus van 7,6 kilometer. We verlieten de gemeente voorbij de open standerdmolen met de originele naam, Molen te Retranchement. Deze graanmolen werd gebouwd in 1643 en moest in 1818 heropgebouwd worden. In 1944 liep de molen zware oorlogsschade op en werd in 1948 gerestaureerd. Even voorbij de molen doken we, via een klappoortje, een natuurgebied in die we moesten delen met enkele koeien. Het natuurgebiedje maakt deel uit van de wallen van Retranchement. Het verdedigingsbolwerk stamt uit de Tachtigjarige Oorlog. Destijds is het opgeworpen op aanwijzing van prins Maurits om de Zwingeul te verdedigen tegen de Spanjaarden. Gedurende de Tachtigjarige Oorlog woonden er alleen soldaten. Later groeide het complex uit tot een gewoon dorp. Het 27 hectare grote wallencomplex Retranchement is nu een aaneenschakeling van kleine landschapselementen. Een volgend klappoortje leidde ons terug uit de weide en bracht ons op een wegje. We vervolgden nu onze weg door de weidse vlakte over een aaneenschakeling van lange stukken steenslag en kortere afstanden over verharde weggetjes. Langs één van de steenslagweggetjes amuseerden, misschien wel honderden, vlinders zich op de talrijk bloeiende distels. Een stenen bruggetje zette ons over een grachtje en even verder stapten we Retranchement binnen waar we, na een stukje dubbelwandelen, opnieuw de controle betraden. Enkele centrumstraatjes leidden ons naar een gracht die we over een houten brug dwarsten. De gracht vloeit even verder in een kanaal die we over een schelpenpad volgen tot aan een volgend brugje. Het afwateringskanaal werd tussen 1870 en 1875 met de hand gegraven om het overtollige water van de polders, bij eb, af te voeren naar de zeeWe dwarsten een brede weg en stapten naar Zomerdorp Het Zwin, een bungalowpark. Voorbij dit vakantiedorp volgden we een klinkerpad aan de voet van een dichtbegroeide duingordel. Een kudde Schotse Hooglanders, een rundersoort die de poldervlakte begrazen, lag uit te rusten in de schaduw van enkele bomen en struiken. Een eindje voorbij de kudde stapten we over enkele veeroosters, waardoor we ons even in de weide van de beesten met imposante horens bevonden. Aan het eind van het klinkerpad stapten we over op een grindbaantje die ons tot aan het kanaaltje van eerder leidde, waarlangs we Cadzand-bad binnenwandelden. Opnieuw leidde een brug ons naar de overkant. We volgden het kanaal tot aan een sas, waar de sluuswachter over de Noordzee staart. We lieten de man rustig z'n gang gaan en volgden een pad, dit keer boven op de duinen met zicht op zee. We volgden het pad, geteisterd door de vele lieveheersbeestjes, tot aan het strandpaviljoen De Zeemeeuw, voor de volgende controle na 21 kilometer. Meteen na de controle vervolgden we onze weg over het duinenpad. Een eind verder kregen we, ter hoogte van een grenspaal, een prachtig zicht over Het Zwin. Het oudste natuurreservaat van België is opgebouwd rond de Zwingeul. Deze geul is de belangrijkste oorzaak van de Middeleeuwse bloei van de steden Brugge en Damme. Na de geleidelijke verzanding van de geul verdween het economisch belang stilaan. In 1952 besliste graaf Leon Lippens, als directeur van Compagnie Het Zoute, om Het Zwin om te vormen tot natuurreservaat. Nu vormt de geul een 150 hectare groot vogelparadijs, waarvan er 25 hectare op Nederlands grondgebied. We wandelden nu geruime tijd op de dijk rond één van de drukste internationale vogelluchthavens. Uiteindelijk daalden we de dijk af om aan de voet van de hoge berm verder te stappen. In een enorm drukke mengeling van wandelaars en fietsers stapten we nu via de Internationale Dijk definitief België terug binnen te stappen. Het schelpenpad zette ons op de toegangsweg naar de ingang van Het Zwin. Wij volgden het wegje echter in de andere richting om naar de laatste controle, nog eens 4,5 kilometer verder. We keerden even op onze stappen terug om via een fietspad naar de Zwinbosjes te stappen. We volgden de betonbaantjes door het gevarieerde duingebied tot we op het uiteinde van de Knokse zeedijk stuitten. Een laatste blik op Het Zwin en we stapten nu over de zeedijk, met nog een klein ommetje via een trapje, richting Het Zoute. Lang zouden we de befaamde villawijk niet bezoeken, want al snel draaiden we terug de Zwinbosjes in. Een vlonderpad leidde ons terug naar wat meer beschaving. Voorbij de Vlindertuin en het Oosthoekplein stapten we naar het Koningsbos die we heel snel doorkruisten om de aankomst te bereiken na een meer dan aangename wandeling. Klik op de foto voor méér foto's!!!
We trokken richting Zonnebeke, waar we bij de Drevetrotters 32 km wandelden op hun Zomertocht . De oudste vermelding van Zonnebeke dateert van rond 1072, toen nog als Sinnebeke. In 1914 vluchtte de ganse bevolking voor de oorlog en werd de gemeente volledig verwoest. In de jaren 1920-1930 werd Zonnebeke opnieuw opgebouwd. Meteen werden we de wijk naast de startzaal ingestuurd voor het eerste tussenstuk van 6,4 kilometer. Via enkele wijkstraten stapten we richting het kasteelpark. Het kasteel is gelegen op het domein van de vroegere Augustijnenabdij en werd heropgetrokken, na de eerste wereldoorlog, door de familie Iweins in Normandische stijl. We wandelden door het 10 hectare grote park om via een andere uitgang terug naar enkele straatjes gestuurd te worden. Al snel liep het nu naar een oude spoorwegbedding die Ieper verbond met Roeselare en die we nu geruime tijd volgden. Een netjes gestileerde groep jongeren uit Groot-Brittannië kwamen ons ter hoogte van Thames Farm vergezellen, ze werden door hun begeleiders tot een stevig tempo aangemaand. Af en toe liepen er enkele van hen om terug wat meer vooraan in de groep post te vatten. Even verder draaiden ze af richting het Tyne Cot Cemetery, wij bleven nog een tijdje het rode pad van de spoorwegbedding volgen en passeerden zo nog een restantje van de verdwenen spoorlijn. Als we uiteindelijk aan een brede weg kwamen, draaiden we terug om via een veldweggetje naar een lap asfalt te stappen die ons richting Passendale voerde. Passendale is uiteraard bekend om de kaas die naar de gemeente vernoemd is, en hier sinds 1932 vervaardigd wordt en om de 'Slag van Passendale' tijdens de eerste wereldoorlog, één van de bloedigste veldslagen aller tijden. Enkele wijkstraatjes voerden ons naar het plaatselijke OC Passchendaele waar we een eerste stempeltje konden afhalen. Via enkele straatjes bereikten we de rand van de gemeente, waarna enkele licht golvende wegen ons de Goudberg lieten beklimmen. Op de flanken van deze glooiing sloeg Filips van Artevelde in 1382 zijn kampen op, om tegen het Franse leger te strijden tijdens de Slag van Westrozebeke en waarbij hij om het leven zou komen. Nadat we de top bereikt hadden, daalden we opnieuw af via een lange, steeds wat smaller wordende veldweg met lang gras. Als we deze na een tijd verlaten, namen landelijke wegen ons mee naar het volgende dorp, Poelkapelle. In deze deelgemeente van Langemark-Poelkapelle werd tijdens een veldslag gedurende de eerste wereldoorlog een Duits regiment bijna volledig van de kaart geveegd, van de 870 soldaten overleefden er amper 70, waaronder de jonge Adolf Hitler. We volgden nog even een weg aan de rand van de gemeente om een eindje verder naar het ontmoetingscentrum te stappen voor de volgende controle na een tussenstuk van 6,6 kilometer. Van hieruit kregen we, de wandelaars van de 32 kilometer, een lus van 7,6 kilometer voorgeschoteld. Voorbij de kerk werden we, over een drukke weg, naar een in aanleg zijnde straat gestuurd die ons meenam. Voorbij een landbouwersgezin die bezig was met de oogst van de courgettes (en dus niet aan het staken) werden we naar een drukke, brede weg gestuurd die we te lang moesten volgen om het leuk te vinden. De weg bracht ons door het gehucht Treurniet, waar eertijds een Duits soldatenkerkhof lag. Kort na de oorlog echter werden de meeste kleine Duitse begraafplaatsen opgedoekt en de gesneuvelden samen gevoegd op een groter kerkhof. Na een hele poos de brede weg geduld te hebben, mochten we weer wat smallere exemplaren gaan opzoeken. Deze voerden ons steeds verder van de Poelkapelse kerktoren naar een volgende spoorwegbedding, dit keer die tussen Kortemark en Boezinge. Als we het rode wandel-en fietspad opdraaiden, kregen we ook meteen de stevige wind pal op de neus. Na een tijdje veranderde het rode pad in blauwgrijze steentjes, waarvan zowat de helft na enkele stappen al in je schoenen verzeild is geraakt. Typisch voor zo'n opgedoekte spoorwegbedding. Als de robuste kerktoren van Langemark in zicht kwam, verlieten we de oude verbindingsas en stuurden de pijltjes ons op een zo kort mogelijke manier terug richting Poelkapelle. De rustige wegen zetten ons af op een drukkere invalsweg die ons even verder naar de rotonde bracht met het monument voor Georges Guynemer. Dit was een Franse gevechtspiloot die tal van Duitse vliegtuigen wist neer te halen. Op 11 september 1917 steeg hij voor het laatst op, hij zou nabij Poelkapelle de dood vinden. Onder de kerktoren stapten we terug naar het OC voor de volgende controle. Na de controle ging het opnieuw over rustige, landelijke wegen verder richting de Steenakkermolen die we enkel in de verte konden zien. We stapten naar een lange, onverharde strook die ons terug afzette op wat kalme weggetjes. Voorbij het Couchyhof, een hoeve daterend uit de eerste helft van de 20ste eeuw, werden we nog eens losgelaten op een brokkenpad die ons na een ommetje tussen de velden op een brede weg zette. Even verder bereikten we de laatste controle van de dag in een hoeve. Nog 4 kilometer te gaan. Meteen na de controle stapten we langs het Nieuw-Zeelands Monument op 's Graventafel. 's Graventafel is een van de oudste plaatsaanduidingen van Passendale. Reeds in 1710 werd de aanwezigheid van een molen vermeld. Deze brandde in 1914 volledig uit tijdens hevige gevechten. We draaiden een volgend weggetje in en kregen nu geruime tijd het indrukwekkende Tyne Cot Cemetery in het vizier. Samen met de kortere afstanden die ons terug vergezelden stapten we nu voorbij het oude station van Zonnebeke, die nu omgevormd is tot brandweerkazerne. Een lang betonnen fietspad bracht ons naar een rotonde waarna we via nog een rustige weg naar de aankomst stapten na een tocht die perfect de tijd van het jaar weergeeft, komkommertijd. Klik op de foto voor meer foto's!!!