|
1943- 1944.
De commandobunker.
In tegenstelling tot de geschutbunkers is deze bunker om camouflagereden grotendeels ingegraven en onder zand gebracht. De commandobunker is van het type R610 voor een versterkte compagnie. Het type is de kleinste in de soort van commandobunkers. Van dit type werden er 74 exemplaren langs de Atlantische muur gebouwd. Hij is gebouwd in “Baustärke B” wat betekent dat de muren een dikte van 2 meter hebben.
Hij draagt de benaming Ost-W 049-361 waarbij het laatste getal staat voor het bunkernummer. Hij is toegankelijk en bezit in de meeste lokalen zijn originele gasdichte en bepantserde binnendeuren van het type 19P7 (Gasschütztür für Innenräume 0.80 x 1.70 m, 185 kg.).
Ook de originele muurbekleding (herakliet platen en –isolatie) is nog aanwezig. De klampen voor de bevestiging van kaartpanelen zijn nog op de muren en onderaan de muren zijn de contactdozen voor de transmissie aanwezig.
Talrijke technische muurinscripties zijn nog goed te lezen. Aan de ingang zijn nog sporen van de geel/groene camouflagekleuren en een deel van de inscriptie St zijn nog zichtbaar.
De vermelding St. aan de ingangen van de bunkers werd vanaf 1944 voor de gehele Atlantikwall verplicht. De belangrijkste reden was dat het, omwille van de uitgebreide camouflage, voor soldaten niet altijd duidelijk was of de bunker veilig was bij luchtaanvallen. Dit teken gaf de soldaten de zekerheid dat de bunker bomvrij was.
De bunker valt grofweg in twee delen onder te verdelen. In het rechter gedeelte ( situatie op Schlieffen ) situeert zich het woongedeelte voor de troepen en de onderofficieren. Deze laatste weliswaar in een afzonderlijke ruimte. Die ruimte werd binnen de grote leefruimte gecreëerd door het optrekken van houten scheidingswanden. De bunker had een capaciteit van ca 12 man.
Het linker gedeelte van de bunker kan omschreven worden als de werkruimte. Buiten de kamer voor de commandant bevond er zich een telexkamer met slaapplaats voor de bediener, een radiokamer en een kaartenkamer of planruimte.
De beide ingangen van de bunker werden beschermd door een Eingangsverteitigung dit is een schietvenster met een getrapte vorm, dat groter werd naar buiten toe. Zo bekwam men een schietveld van 40 °. Het eigenlijke schietgat werd beschermd door een pantserschild van 40 mm dik. De houten bekisting werd veelal niet uit de vorm verwijderd, de aanwezigheid van dit hout zorgde ervoor dat de kogels in het hout werden opgevangen en op die manier in het schietgat konden afketsen. Bij deze bunker is het hout nog duidelijk aanwezig.
Zoals bij alle Atlantikwall ontwerpen werd ook deze bunker 1, 60 m in het landschap verzonken, dit bood een optimalere bescherming en maakte camouflage makkelijker. Een nadeel van het verzinken van het bouwsel in het landschap is natuurlijk het binnen stromen van water ( of in gevechts-situaties brandbare vloeistoffen ). Om dit te vermijden werd een 20 cm hoge drempel aangemaakt.
Onder de oostelijke ingang bevindt zich een waterput. Op deze put was een pomp aangesloten die moest dienen om zich, bij een gasaanval te ontsmetten, voor het betreden van de bunker.
De geschutbunkers van het type R611.
Dit type bunkers werd zeer frequent gebouwd in België en Noord – Frankrijk. Langs de Atlantische muur werden er in totaal 88 exemplaren van dit bunker type R611 gebouwd. Hiervan werden er oorspronkelijk vier geschutsbunkers op de Veldbatterij Adinkerke opgetrokken. Deze bunker was dusdanig ontworpen dat alle, door de Duitse troepen, gebruikte artilleriestukken erin konden geplaatst worden.
Van de bestaande bunkers zijn er (tussen 1962 en 1965), één tot op de fundering en een tweede voor 2/3 door de firma Florizoone uit Nieuwpoort afgebroken. Twee bunkers zijn enkel aan de buitenzijde licht beschadigd maar nog zo goed als intact. Het meest oostelijke exemplaar is uitgerust met een Tobrukstand. Het westelijke exemplaar bevat nog sporen van de originele camouflagebeschildering.
Bunker 358 bezit nog de originele sparhouten buitendeuren die naarmate de oorlog vorderde en de grondstoffen schaarser werd meer en meer geplaatst werden in plaats van de stalen deur met codering 753 P 03 (Stahltür 2,5 m x 2,0m zweiflugelig, gassicher ).
Gezien de massale recuperatie van ijzer en staal die na de tweede wereldoorlog in alle bunkers langs de kust gebeurde is het een uitzondering dat we de ijzeren klimijzers die toegang geven tot de Tobrukstand en de hulzenkelder nog aantreffen evenzo voor het originele ventilatiesysteem dat nog binnenin de gevechtsruimte van bunker 358 aanwezig is. Dit zorgde voor de verwijdering van de schadelijke kruitdampen na het schieten.
Onder de gevechtsruimte is er een hulzenkamer met als doel het vermijden van valpartijen door afgevuurde hulzen die gloeiend op de vloer van de gevechtspost terecht kwamen en het willen verwijderen van gassen en onverbrande kruitresten. De toegang tot die ruimte, was afgesloten met een Niedergangsklappe en bevindt zich in de hoek van het Kampfraum. De hulzen konden via een trechtervormige “ Hülseinwurf “ in het raum gegooid worden.
We kunnen de R 611 omschrijven als een vrij volledige bunker, daarmee bedoelen we dat de bedieners van de stukken ook logeerden in de bunker zelf en dus vlot bij de stukken konden komen tijdens gevechtssituaties. De bunker beschikt over een Bereitschaftsraum of leefruimte voor negen personen die gasdicht kon afgesloten worden en waar volgens de normen elke persoon een ruimte van 2m² toegekend kreeg. Binnenin de leefruimte zijn de buizen die het ventilatiesysteem vormden nog aanwezig en vertonen nog de resten van de oorspronkelijke blauwe verf.
De inrichting van de bunker was net als de bouwwijze gestandaardiseerd. Dit houdt in dat kasten, stoelen, bedden, tafels in vrijwel iedere bunker van hetzelfde type identiek waren. Naast de leefruimte beschikten de bunkers eveneens over een beperkte munitieopslag. In twee aparte kamers werden de granaten en hulzen bewaard, afhankelijk van het kaliber telkens een honderdtal stuks. Evenals bij de eerder besproken R 610 is ook hier een Eingangsverteitigung aanwezig. Hoewel het hier gaat om een geschutsbunker kon men de verblijfruimte gasdicht afsluiten.
Uit een luchtfoto van 1948 blijkt dat de stelling door een hoge prikkeldraadversperring omringd was.
Als aanvulling op de bestaande toegangswegen van het kasteel legde men twee nieuwe betonwegen aan om de bunkers op het wegennet aan te sluiten.. Deze zijn bewaard, maar grotendeels overgroeid. De eerste betonweg liep vanaf de Cabourweg naar de tweede bunker vanuit het westen. De tweede betonweg vertrok vanaf de centrale dreef richting de meest noordelijke geschutbunker.
In dit geheel ontbreken de vuurgeleidingspost en de munitiedepots. Eerstgenoemde was ondergebracht in de kerktoren van Adinkerke. De munitie werd opgeslagen in de kelders en de paardenstallen van het kasteel.
De schietstand
Bij het steunpunt hoorde ook een schietstand, aangelegd in het zuidoostelijke deel van het domein. Deze constructie, met een totale lengte van 250 m is opgebouwd uit twee evenwijdige bermen met daartussen een brede greppel. Het geheel is volgens ooggetuigen in 1941 met de hand gegraven door Franse krijgsgevangenenen. Er werd gevuurd in de richting van de waterwinningsgebouwen. Het geheel zou met sparrenhout zijn afgezet. De nog bewaarde schietkuil is aangelegd aan het westelijke uiteinde.
De typologie en de ligging van deze schietstand blijven intrigeren. Als type valt ze buiten de gangbare vorm en ook de inplanting valt op al was het maar omdat het geheel aansluit bij de dieperliggende greppel bij het pompstation. Het vermoeden bestaat dan ook dat het geheel een dubbelfunctie had en eveneens voor de watercaptatie werd gebruik.
De granaatstand
Gesitueerd tussen de Veldstraat en het kasteel zijn nog resten van een granaatstand bewaard.
De loopgraaf
De loopgraaf, een 100 m evenwijdig met de centrale dreef, hoort waarschijnlijk bij het bunkercomplex van de Tweede Wereldoorlog. De graaf verbond de zuidelijke schuilbunker uit de Eerste Wereldoorlog met het steunpunt.
De ingrepen bij het beleg van Duinkerke (6 september 1944 – 10 mei 1945)
De Duitse bezetter bouwde de haven van Duinkerke vanaf 19 januari 1944 tot vesting uit. De belegering van de vesting startte met de omsingelingsbeweging door de 1ste Canadeese leger op 6 september 1944. Het beleg uitgevoerd door de FFI (Forces Françaises de l’Intérieur) en Tsjechische Pantsereenheden onder leiding van generaal A. Liska, liep vast. Pas na de wapenstilstand op 8 mei 1945 gaven de Duitse troepen zich op 9 -10 mei over.
Bij de belegering van Duinkerke namen de Tsjechische troepen stellingen in op het Cabourdomein. Langs de toegangsweg, ter hoogte van boorput 14 is nog een uitgraving te zien, die plaats bod aan een kanonstelling voor de belegering van de havenstad.
Het is niet uitgesloten dat de noordelijke dienstweg – althans voor het meest oostelijke gedeelte - eveneens tot deze periode teruggaat.
Regelbau Type 610 = Gefechtsstand für eine verstärkte kompanie oder für batterieoffiziere
|