Op 31 maart hebben Lidewij, Toine en Beewee een rendez-vous met
Mattanja en André op Louis Armstrong International Airport in New
Orleans. Dan is Bradley's Circus compleet in Amerika. Nou ja, op Opa na
dan. Maar we zullen compleet genoeg zijn om in
Louisiana, Mississippi, Alabama, Georgia en South Carolina een maand
lang uit onze dakken te gaan. Compleet.
Of en hoe dat gaat lukken? We beloven niet dat je dat allemaal in dit
blog zult kunnen lezen, maar we gaan een poging doen.
Van
Leland, Mississippi naar Augusta, South-Carolina is een lange
autorit. Desondanks is de stemming opperbest. Tijdens onze eerste
stop, in Starkeville, MS – dicht bij de grens met Alabama, worden
we aangezien voor slachtoffers van de vrij forse brand die er
blijkbaar 's nachts heeft gewoed. De zalvend sprekende christelijke
weldoeners die een free lunch for the victims of the fire
georganiseerd hebben worden waarschijnlijk misleid door hoe Toine
eruitziet. Toine draagt tijdens lange autoritten bij voorkeur zijn
pyjamabroek, een T-shirt en sokken en neemt tijdens eet- en
plaspauzes niet de moeite om schoenen aan te trekken. Was ik en
weldoener geweest, zou hij mij ook misleid hebben.
's
Avonds laat, na een reis van ruim twaalf uur komen we aan bij het
riante huis van Mary en Les in Beech Island, op de grens van Georgia
en South-Carolina, vlak bij Augusta. Dit logeeradres hebben we te
danken aan Earl die Mary al van jongs af aan kent en eigenlijk nog
steeds verliefd op haar is. Les werkt als dokter (kinderorthopeed) in
het ziekenhuis van Augusta, wat een vrij drukke baan is, waardoor we
hem tijdens ons verblijf hier maar een paar keer kort zullen zien.
Mary heeft geen betaalde baan, maar ik geloof onbedoeld wel een soort
honden- en kattenopvang: vier honden en een stuk of acht katten lopen
er rond op hun erf. Mary heeft zinnige opvattingen over hoe Amerika
'gered' kan worden, waarbij 'meer geld en aandacht voor goede
educatie voor iedereen' een sleutelrol vervult. Op de auto's van Les
en Mary zijn 'I support Obama'-stickers geplakt en Mary houdt
tegendemonstraties bij republikeinse Tea Parties, onder meer door
antwoordkaartjes uit te delen waarop de Tea Partyists hun
handtekening kunnen zetten onder een tekst met de strekking “YES!
I'm willing to give up all my social benefits in return for a tax
reduction!” Misschien komt het door het pijpje wiet dat Mary me
aanbiedt, maar ik raak ervan overtuigd dat welgestelde leftwingers
als Mary en Les de hoop van deze natie zijn.
19
april
Het
leuke aan 's nachts in het donker ergens aankomen is de verrassing
die de volgende morgen biedt: hoe ziet de omgeving waar je bent er
bij daglicht uit? Het huis van Les en Mary staat op een terrein van
een acre of zes (2,4 ha) waar veel natuur gewoon natuur is gelaten.
Er vliegen vogeltjes rond die je in Nederland alleen in volières
ziet, er is een bamboebosje met bamboe van wel vijf meter hoog, er
staan bomen in een zee van hoog gras – naar mijn idee zal het
paradijs er ongeveer zo uitzien.
We
gaan naar Augusta om te lunchen – zonder Toine, die een wandeling
van onbedoeld vierenhalf uur maakt. 's Avonds hangen we rond op de
porch en luisteren naar Mary die honderduit vertelt over haar vrij
wilde verleden. Op
zeker moment komt vriend Bill even langs om iets af te geven. Bill
blijkt mede-eigenaar van een oude watermolen, een paar mijl verderop.
“We should go there tomorrow”, stelt Mary voor.
20
april
De
oude watermolen staat midden in een loofbos, is bedekt met een laagje
geel stuifmeel en ziet er wat vervallen uit. Toch wijzen
levensmiddelen, matrassen en tafels binnen erop dat hier geregeld
mensen komen. Mary vertelt dat er hier zelfs ooit een huwelijk is
gesloten en zelfs ik kan me voorstellen dat dat een zeer romantische
aangelegenheid moet zijn geweest. We maken een vuurtje, verkennen de
natuur (Lidewij ziet een slang zwemmen die een giftige water moccasin
blijkt te zijn en vindt een leeg huis van een schildpad), Mary leert
ons uit te kijken voor een liefelijk ogend driebladig plantje dat
'poison ivy' heet en pijnlijke blaren kan veroorzaken en we proberen
akoestisch een beetje te repeteren. 's Avonds hangen we rond op de
porch bij Les en Mary en zijn domweg gelukkig in Beech Island.
21
april
Eigenlijk
wilde ik een cajon voor Earl kopen als bedankje voor het lenen van
z'n drumstel, maar hij heeft aangegeven dat hij dan liever nieuwe
slagvellen voor de Gretsch wil. Aan het eind van de ochtend gaan we
naar Augusta en kopen bij een leuke muziekwinkel de drumheads, nieuwe
gitaarkabels en capodasters. Ook gaan we een paar pawn shops
(lommerds) binnen, waar men werkelijk van alles kan kopen. Ik loop
tegen een laag snaredrumstatiefje aan dat wel eens uitstekend
geschikt kan blijken te zijn om m'n diepe marching snare drum die ik
thuis heb op te zetten. Mattanja krijgt als we op het punt staan om
naar Charleston, South-Carolina af te reizen bericht van John Snyder
dat we kunnen opnemen in de Dockside Studio, en wel tijdens deze
trip. Daarvoor zullen onze terugvluchten gewijzigd moeten worden, en
Toine, Lidewij en ik zullen onze bazen en collega's thuis moeten
vragen of dat kan. En het kan! We kunnen de laatste dag van april en
de eerste twee dagen van mei gratis (!) terecht in de Dockside Studio
in Maurice, om er onder leiding van John Snyder (die zijn tijd ook
gratis ter beschikking zal stellen!) veertien nummers op te nemen.
Voor Lidewij en Toine zullen twee nieuwe vluchten geboekt moeten
worden, en ook het verzetten van de vluchten van André,
Mattanja en mij kost geld, maar we zijn het er unaniem over eens dat
we dat overhebben voor een dergelijke once-in-a-lifetime-opportunity.
Lidewij en Toine zullen de derde mei gaan vliegen, Mattanja en André
vliegen op zeven mei en ik vlieg op tien mei terug. Fucking hell! We
gaan in Amerika een plaat opnemen!!
's
Middags vertrekken we naar Charleston, waar we door het
tijdzoneverschil tussen Georgia en South-Carolina bijna te laat
aankomen bij Fiery Ron's Home Team BBQ restaurant waar we 's avonds
zullen spelen. Is het optreden voor ons doen maar matig van
kwaliteit, toch krijgen we goede reacties. We ontmoeten Gary Edwin,
onze South-Carolina-boeker, en Kendall, een half verlamde
afro-amerikaan met een kunstarm, die zich ontpopt als roadie. Na het
optreden blijven we niet al te lang hangen, omdat we nog moeten
inchecken bij het motelachtige logement waar we de nacht zullen
doorbrengen.
Als ik buiten een laatste peuk voor 't slapengaan sta te
roken, raak ik in gesprek met de 42-jarige nachtwaakster die even een
rookpauze aan het nemen is. Ze blijkt een trotse oma van twee jongens
(8 en 2 jaar) en als ze verneemt dat ik uit Europa kom, zegt ze:
“This year's vacation I think about going to Prague. I love to go
to strange places”.
22
april
Opa
is jarig! Mattanja en André feliciteren hem telefonisch als we
bij Bubba Gump Shrimp Co. Restaurant zitten te wachten tot onze
brunch geserveerd wordt. In het restaurant gaat alles
Forrest-Gump-stijl. Op iedere tafel staat bijvoorbeeld een
flip-over-bordje. Als je een serveerster/ober nodig hebt, zet je het
bordje zo, dat de tekst 'Stop Forrest Stop' zichtbaar is. Is alles
naar wens, dan zet je het bordje op... precies. Het eten wordt
geserveerd op een stuk vetvrij papier dat bedrukt is als een krant,
met nieuwsberichtjes die verwijzen naar de avonturen die Forrest in
de film beleeft. En natuurlijk zijn garnalen het hoofdbestanddeel van
het merendeel van de gerechten op de kaart.
Voor
we bij het Forrest Gump themarestaurant terecht kwamen, bracht onze
zoektocht naar brunch ons bij een (deels openlucht)museum waar de
geschiedenis van de Amerikaanse oorlogen werd getoond. In de baai lag
een vliegdekschip waaraan je via een lange loopbrug een bezoek kon
brengen, er was een Vietnam-basiskamp nagebouwd, er waren
vitrinekasten waarin troepenbewegingen uit de Amerikaanse
Burgeroorlog werden weergegeven... Heel interessant allemaal, maar
niet als je honger hebt.
Na
de brunch rijden we naar 't strand bij Folly Beach. Lidewij en André
wagen zich in de oceaan, Mattanja leest een boek op het strand, Toine
leest een boek in de schaduw onder de vispier, en ik kijk op een
bankje in de schaduw naar de Amerikaanse badgasten en het
beachvolleybal. Daarna wandelen we over de vispier, waar om de zoveel
meter iemand, meestal een man, met een of meer hengels staat te
vissen. Aan het eind van de pier is een achthoekig overdekt houten
bouwsel waar ik een tijdje sta te kijken naar een dikke man die een
vis vangt, om die, lieve dierenvrienden, vervolgens levend en wel in
een plastic zak in zijn koelbox te stoppen. Ik vraag me af of mensen
zoiets ook zouden doen als vissen konden gillen.
Aan
het eind van de middag rijden we drie uur noordwaarts naar Florence,
waar we inchecken bij het Hilton Garden Inn, een groot en luxe hotel
dat Gary Erwin voor ons geboekt heeft. Helaas voor André en
mijzelf ligt het hotel aan de rand van de stad – heeft Florence
eigenlijk wel een centrum? – waar eigenlijk geen nachtelijk vertier
te vinden is. Onze zoektocht naar bier en gezelligheid blijkt
uiteindelijk niet meer dan een plezierige avondandeling te worden,
waarna we naar onze hotelkamers gaan. André deelt zijn kamer
met Lidewij, ik de mijne met Toine. Mattanja, de lichtste slaper van
ons allen, ligt alleen in een kamer. Toine ligt languit op z'n bed
tv te kijken, en hoewel ik me voorneem om nog wat
blog-bijwerkzaamheden te verrichten, kijk ik de rest van de avond
gezellig tv met hem mee.
23
april
Op
een bordje bij de toegangsweg waarlangs wij het terrein van Francis
Marion University oprijden staat “smoke free campus”. Toine,
Lidewij en ik besluiten ons daar niets van aan te trekken, al komt
Lidewij erachter dat je op een fikse boete kan rekenen als de
campuspolitie je betrapt op roken – waar dan ook op het terrein.
We
parkeren de bus bij een gazon waarop een stuk of twintig tafels staan
met stoelen eromheen. Aan de rand van het gazon is een overdekt
podiumpje gebouwd. We spelen vandaag in het kader van een
benefietproject van het een of ander. Gary stelt voor dat ik niet
mijn hele drumstel opbouw, maar daar voel ik weinig voor. Ik
verzeker hem dat we vandaag sowieso allemaal met een heel beschaafd
geluidsvolume zullen spelen, en dat lijkt hem enigszins gerust te
stellen. Maar voor Gary is dit optreden veel spannender dan voor ons.
Hij heeft ons hier weggezet zonder eigenlijk precies te weten wat
voor 'n bandje hij in de kuip heeft.
Gary
Edwin is als pianist bekend onder zijn artiestennaam Shrimp City Slim
en kan met muziekmaken in zijn levensonderhoud voorzien. Hij doet in
juni een korte tour door Europa en speelt ook een paar keer in
Nederland: op 11 juni in Cafe Duke in Maastricht, en twee dagen later
in Music Club Woetsjtok in Brunssum. Behalve pianist is Gary
organisator van de jaarlijkse (dit jaar voor de twintigste keer)
Lowcountry Blues Bash, een festival dat zich in diverse
horeca-etablissementen in Charleston afspeelt. “Nou weet ik waar
hij me aan doet denken!” zegt André als Gary aaan komt
lopen. “Aan zo'n maffia-figuur, zo'n wise guy. Let maar op, straks
zegt 'ie nog 'Ah, fockin' foggettaboudit'...”
Als
de catering de liflafhapjes heeft afgeleverd en de (vrijwel zonder
uitzondering welgestelde) bezoekers gearriveerd zijn, beginnen we aan
het cocktailste optreden van deze tour. Gary is na afloop opgelucht
en blij dat we zo'n fijne beschaafde show hebben afgeleverd. Mattanja
is ook blij: “Als we zachtjes spelen, dan kan ik tenminste echt
zingen.”
24
april
Constante
regendreiging heeft de organisatie van het Art's Alive/International
Festival (ook weer op de campus van Francis Marion University) doen
besluiten om ons optreden naar een binnenlocatie te verplaatsen, en
wel naar het theaterzaaltje van de universiteit. Terwijl ik zo
zachtjes mogelijk achter de coulissen mijn drumstel sta op te bouwen,
kijk ik met een half oog naar de Maya-indiaan op het podium die in
vol ornaat het publiek in woord, zang en dans inzicht verschaft in de
Maya-indianencultuur. Het theatertje heeft een uitstekende akoestiek
en net als gisteren is met name Mattanja na het optreden heel blij
vanwege de beperkte decibelproductie tijdens de show, maar ook ik
vond het kicken dat ik op het podium hoorde dat zelfs het
allerzachtste tikje op de spanrand van een trommel tot achter in de
zaal goed te horen was.
Het
laatste officiële optreden van deze tour hebben we 's avonds in
een rare eet-, drink-, whatevertent die Creek Ratz heet. Het podium
is een plek voor de glazen wand waarachter de keuken zich bevindt, en
tijdens de eerste set komt de manager een paar keer vragen of we
alsjeblieft wat zachter willen spelen, omdat het personeel in de
keuken elkaar schijnbaar niet kan verstaan. Dit optreden is in het kader van de Pee Dee Blues Bash die Gary dit jaar voor de tweede keer in Florence organiseert, maar veel mensen lijken dat niet te
weten en zien ons 'toevallig' in het voorbijlopen, op weg naar een
tafeltje om te dineren, of naar het vrijgezellenfeestje op de eerste
verdieping. Het handjevol toeschouwers dat er wel speciaal voor ons
is, vindt het optreden geweldig. “Vooral toen jullie ondanks de
waarschuwingen van die manager later toch volledig losgingen (hee,
het was ons laatste optreden, mogen wij ook even) – man, that was
awesome!” zegt Daniel, een van de vier werkelijk superenthousiaste
toeschouwers die na ieder nummer applaudisseren alsof hun handen in
de fik staan. En als we tegen sluitingstijd onze spullen ingeladen
hebben, komen er ook diverse personeelsleden naar ons toe met
complimenten en verzoeken om gesigneerde cd's en T-shirts.
Gary
wijst ons op een ander optreden in het kader van de Blues Bash, dat
in een bar plaatsvindt op loopafstand van ons hotel. En zo zitten we
niet veel later in Indigo Joe's te kijken en te luisteren naar Randy
McAllister, een Texaanse zanger/drummer/mondharpist met vuur in zijn
ziel, die begeleid wordt door Texas Slim op gitaar en een bassist
wiens naam me even ontschoten is. De vier enthousiastelingen die ons
in de Creek Ratz gezien hebben en Gary zijn er ook, en als even later
Toine en Lidewij met Randy meejammen is het feest compleet en is het
compleet feest.
25
april
Na
dertien uur cruise control bereiken we New Orleans en rijden we
rechtstreeks naar Frenchmen Street, waar we in een zaaltje dat d.b.a.
heet het laatste deel van de show van Grayson Capps en the
Stompknockers zien. Ook van het optreden erna, waar twee indianen in
uitbundig veren-ornaat deel van uitmaken, genieten we collectief.
Earl is er, we dansen, drinken en zijn uitgelaten: we hebben onze
toer volbracht!
“Welcome
home!” jubelen Elyse en Roger als we later die nacht met Grayson en
zijn bassist Christian op Cambronne Street het lichtblauwe huis
binnenstappen. En inderdaad: het voelt echt een beetje als
thuiskomen.
Wat
in Louisiana 'gemiddeld lenteweer' heet, zou in Nederland 'warm
zomerweer' genoemd worden. Vandaag is het een graad of 27 C, en als
ik zometeen klaar ben met het intypen van de afgelopen dagen in
steekwoorden (in godsnaam: wanneer ga ik dat allemaal kunnen
uitwerken?), zal ik Lidewij achterna duiken in het zwembad van Scott
en Beth. Lidewij heeft al een paar keer verrukt uitgeroepen dat het
water heeeerlijk is, en het valt me iedere keer zwaarder om de
verleiding te weerstaan dat aan den lijve te gaan ervaren. Ik ben
vergeten om mijn Speedo (jazeker, ik ben in het bezit van en heuse
zwembroek) mee te nemen, maar de hippe boxershort die ik wel bij me
heb, blijkt ook uitstekend geschikt om in te zwemmen.
Het
voor het eerst dat we spelen voor een publiek dat vrijwel zonder
uitzondering gekleed is in sportkleren, compleet met rugnummers. We
staan op een podium buiten voor Happy's Irish Pub, waar de start en
finish waren van Happy's 5k Run: zo'n honderdvijftig mensen hebben
zojuist vijf kilometer hardgelopen door de binnenstad van Baton
Rouge. Blijkbaar zijn ze nog lang niet moe, want zodra we begonnen
zijn met spelen, verandert de straat in een dansende mensenzee. Er
vormt zich zowaar een dansende-mensen-cirkel waarbinnen de grootste
showoffs om beurten laten zien welke hippe dance moves ze beheersen.
Op zeker moment springt Mattanja van het podium en steelt de show
door een dansje te doen in de 'pit'.
Na
afloop is met name Scott erg blij met het succesvolle optreden, want
de eigenaar van Happy's had zich vooraf hardop afgevraagd of het wel
zo'n goed idee was om ons op het buitenpodium te laten spelen.
“You've proven him wrong!” jubelt Scott.
Na
het laatste nummer, 'Hate to see you go', verbeeld ik me dat ik
ergens in het publiek 'Nog-een-liedje, nog-een-liedje' hoor
scanderen. Nederlands in Baton Rouge? Dat kan bijna niet... Maar ook
Lidewij heeft het gehoord, en als even later Kim en Joris naar ons
toe komen, blijkt dat we niet gehallucineerd hebben. Kim en Joris
zijn zeven jaar geleden van Nederland naar Louisiana geëmigreerd,
maar spreken nog steeds Nederlands, zij het dat zeven jaar voldoende
blijkt om een Amerikaanse tongval te ontwikkelen. Beiden, allebei
ergens in de dertig, zijn als biologen betrokken bij het onderzoek
naar het behoud van de ecologie van de wetlands, in combinatie met de
strijd tegen stormachtige overstromingen. Met Kim en Joris beleven we
die avond een plezierig optreden van Chubby Carrier and the Bayou
Swamp Band in Happy's Land, de binnenplaats waar wij gisteren
speelden.
11
april
Nadat
we bij Scott en Beth zijn vergast op een home made crawfish boil, die
bereid wordt door Brock, Joe en nog een paar vrienden van de familie
(crawfish boils zijn, net als barbecues, sociale evenementjes bij
uitstek), vertrekken we in de middag naar Lafayette. We slapen
vannacht in de Blue Moon Saloon, al had het weinig gescheeld of we
hadden bij een spirituele jongen genaamd Clint thuis in een tipi in
zijn tuin gelegen.
In
de zeven jaar dat de Artmosphere bestaat is het nog nooit voorgekomen
dat de eigenaresse hoogstpersoonlijk aan de band komt vragen om nog
een paar nummers meer te spelen terwijl het al twaalf uur is geweest.
De plaatselijke wet schrijft voor dat er na middernacht geen
live-muziek meer gespeeld mag worden. Vanavond besluit eigenaresse
Berry om burgerlijk ongehoorzaam te zijn. “Jullie zijn vrij laat
begonnen en bovendien vind ik jullie zoooo goed! So what the heck,
play some more!” Berry,
het volgende nummer is speciaal voor jou.
Na
het optreden raakt Mattanja aan de praat met een fotograaf, Cully
Firmin, die een imposante staat van dienst heeft en het niet erg
vindt om daar veel en lang over te praten. Hij nodigt ons uit voor de
lunch morgen. Ook ontmoeten we Dave Peyton, een Ierse muzikant, die
ons uitnodigt om morgen te komen kijken in de studio waar hij de
afgelopen weken een plaat heeft opgenomen. En zo hebben we opeens een
drukke vrije dag morgen, want iemand heeft ons ook nog het aanbod
gedaan om alligators te gaan kijken...
Toine
en André besluiten aan het eind van de avond met Berry en haar
vriendin Heidi mee te gaan naar Berry's place voor een soort van
after party, en ze kunnen ook bij Berry blijven slapen, waardoor
Mattanja, Lidewij en ik ons bij de Blue Moon lekker luxe te rusten
kunnen leggen: alle drie afzonderlijk in een eigen bed!
12
april
Cully
heeft ons meegenomen naar een restaurant waar, zo zegt hij, toeristen
normaal gesproken niet snel komen. Ook Berry en Heidi worden door hem
uitgenodigd, en Cully staat erop dat hij, en hij alleen, de rekening
betaalt. Waar hebben we het toch allemaal aan te danken?
We
besluiten het 'alligators kijken' uit te stellen tot later (see you
later...) en rijden naar Maurice, Louisiana, naar het adres dat Dave
Peyton ons telefonisch heeft doorgegeven. De gps stuurt ons naar een
landelijk gebied even ten zuiden van Lafayette, weliswaar naar de
goede straat, maar naar het verkeerde huis. Na wat gezoek stellen we
vast dat we bij de poort in de lange houten schutting moeten zijn –
de poort met het bord erbij waarop staat 'Positively no admittance'.
We rijden een landgoedje op met rechts een mansion, recht voor ons
een huis met een zwembad erbij en bij het houten gebouw links staat
Dave naar ons te wenken. Daar is Dockside Studio.
“Ik
zal jullie eerst rondleiden door de studio”, zegt Dave, “en
daarna zal ik jullie voorstellen aan de eigenaar, Steve Nails. Okee?”
We worden langs een imposante mengtafel van misschien wel vier meter
breed geleid, lopen dan een grote opnameruimte binnen en zien langs
de wanden een aantal geluiddichte cabines met glazen deuren. Her en
der aan de wanden hangen foto's en posters van artiesten die hier
ooit een (soms zelfs een Grammy Award winnende) plaat opgenomen
hebben: B.B. King, Junior Wells, Dire Straits, Dr. John... Hoe gaaf
zou het zijn om hier ooit nog eens een cd op te nemen!
Dan
gaat Dave ons voor, een houten trap op naar de eerste verdieping. We
zien een keuken, vier chic ingerichte slaapkamers, een badkamer en
gaan dan, overweldigd door de grandeur van deze plek, op het ruime
balkon zitten dat uitkijkt over de Vermillion River die vijftig meter
verderop langs het landgoedje stroomt. Diep zuchten.
“O
look”, zegt Dave, “here comes Steve”. Over het verharde pad dat
van de poolhouse naar de studio loopt komt met vrij hoge snelheid een
man in een elektrische rolstoel aangehobbeld. We wentelen de
sierlijke ijzeren trap naast het balkon af en stellen ons even later
aan hem voor. Steve was vroeger onder meer een tijdje gitarist bij de
Coasters (Yakety yek, don't come back), kocht in 1990 voor $ 400.000
(!) het landgoedje met een deel van de financiële regeling die
hij ontving na het zware auto-ongeluk waarbij hij z'n nek brak en met
verlamde benen en handen in een rolstoel belandde, en bouwde er de
studio. “First I did the rocking”, lacht Steve, “now I'm doing
the rolling”. Oja, en hij vertelt ook nog dat hij leukemie heeft
gehad, maar daarvan is genezen door westerse en oosterse geneeswijzen
te combineren. Allemachtig...
Als
we willen kunnen we vannacht blijven logeren in de slaapkamers boven
de studio. Lang hoeven we daar niet over na te denken. “Kom”,
zegt Steve, “ga mee naar het huis, dan zal ik jullie voorstellen
aan m'n vrouw”. Ze heet eigenlijk Cezanne, maar meestal wordt ze
Wish genoemd. Ook ontmoeten we Annie, die de persoonlijke verzorgster
van Steve is, al verklaart ze haar relatie tot de familie met: “I'm
here to get Steve his pizza's”.
'Wa
Wee's on the river' heet de merkwaardige bar waar Dave ons 's avonds
mee naartoe neemt. Een laag gebouwtje bij de rivier, plat dak, een
parkeerterreintje van geel stoffig zand ervoor: het ziet eruit als
zo'n bar waar in films lynchpartijen worden bekokstoofd, of, zoals
Lidewij zegt: zo'n plaats waar je een ontmoeting hebt met een
huurmoordenaar. De inrichting van Wa Wee's is vrij elementair:
schaars verlicht, betonnen vloer, een bar, een paar tafels en
stoeltjes, twee flipperkasten, een pooltafel, een jukebox en een
gangetje naar een tweede ruimte met nog een pooltafel en een
tafelvoetbalspel. De locals aan de bar kijken even naar ons om als we
binnenkomen, maar richten hun aandacht al vrij snel weer op elkaar.
Als een van hen, een mooi blond meisje met een spijkerbroek zonder
pijpen, over de jukebox geleund staat, is het plaatje van de typische
Amerikaanse bar in the country compleet.
Mattanja
speelt een spelletje pool met een lokale jongen, die het aanvankelijk
nodig schijnt te vinden om haar biljartles te geven, maar daar
wijselijk mee ophoudt als Mattanja beheerst en vastberaden van hem
wint. Ze zegt: “En dan te bedenken dat ik eigenlijk pas goed kan
poolen als ik dronken ben”. Die avond wint ze nog veel spelletjes.
Het
is een bijzonder genoeglijke avond. Ik ontmoet een jongen die Henry
heet. We raken aan de praat over de bij tankstations en tabakswinkels
legaal verkrijgbare geestverruimers waar Brock me in Baton Rouge over
verteld heeft. De middelen worden verkocht onder benamingen als
'Voodoo' en 'Serenity Now', kosten naar verluidt tussen de dertig en
zestig dollar per gram en zouden een milde high teweegbrengen. “When
it's legal”, zegt Henry, “don't trust it, man. It's crap, and
expensive crap too. I can bring you some real good shit for much
less, if you want to.” Ik vraag wat hij bedoelt. Goeie wiet,
bedoelt hij. Een gram voor vijf dollar, bedoelt hij. “Five bucks?
I'm your man!”
Een
minuut of twintig later komt Henry de bar door een zijdeur weer
binnen. “Is het gelukt?”, vraag ik. “Niet helemaal”, zegt
hij, “maar ik heb wel wat kunnen regelen... Kom.” Hij gaat me
voor naar het overdekte terras aan de zijkant van de bar. Op de tafel
ligt iets dat in het schemerdonker nog het meest lijkt op peukjes van
shaggies. “Hey man, daar ga ik echt geen vijf dollar voor betalen
hoor”. Nee nee, dat hoeft ook niet. “Just smoke with me”.
Het
gammele bouwseltje waarvan ik de rook even later sta te inhaleren
heeft naar alle waarschijnlijkheid niet het minste verruimende effect
op mijn geest en ik antwoord dan ook nee als Henry vraagt of ik al
iets merk. Er komt een jongen naar buiten. “Hey Bob”, zegt Henry,
“this guy's a smoker too!” O echt, zegt Bob vrij afgemeten, dan
zal ik 'm e's wat laten proeven. Er is iets aan Bob dat me een
onplezierig gevoel geeft. En dat komt niet enkel door z'n mild
militante uiterlijk. Bobs ogen hebben, zelfs als hij lacht, iets
hatelijks. We praten terwijl Bob een joint bouwt. M'n lijf laat me
weten dat de sigarettepeukjes van Henry toch meer dan gewone peukjes
waren, en als Bob op een zeker moment stelt dat Amerika inderdaad een
geweldig land is – op de huidige president na, besef ik dat ik niet
al te veel van Bob's bouwsel moet roken en dat het bijna tijd is om
weer eens naar binnen te gaan.
Gaandeweg
de avond wordt het almaar aannemelijker dat er in Wa Wee's
daadwerkelijk wel eens een lynchpartij is voorbereid. Toine zegt, na
met een paar mannen aan de bar te hebben gesproken: “Wow, ze noemen
niggers hier dus gewoon niggers, hè!” En tussen de muntjes
en plectra die op het bovenblad van de bar in een dikke laag
epoxyhars ingebed liggen bevindt zich een plastic fiche met een
hakenkruis erop. Hmm... De jukebox bevat evenwel ook afro-amerikaanse
artiesten. Het lijkt me een goed moment om te gaan dansen als Etta
James begint te zingen. 'Something's got a hold on me, oh it must be
love'. Niemand zal het zien, maar deze dans is eigenlijk een
protestdemonstratie.
De
avond verloopt rustig. Tussen de Budweisers door proeven we
jello-shots (felgekleurde gelatinepuddinkjes met veel alcohol erin)
en 'Ierse' shotjes (ik geloof whisky en Bailey's) en worden we
vrolijker en uitgelatener. Dave Peyton veroorzaakt een bijna-barfight
door een leeg bierflesje op de grond kapot te gooien ('Ierse
traditie'), en als iedereen is buitengeveegd, krijgen Mattanja en
Toine op de geelstoffige parkeerplaats de gelegenheid om met een paar
redneck-pistolen een gat in de hemel te schieten.
Welcome
to Wa Wee's on the river.
13
april
“So
y'all be playing at Banks Street Bar in New Orleans tonight?”
vraagt Steve als we afscheid nemen. Ja. “Then I'll call my friend
John Snyder, who lives down there and who is a really good producer
to go there check y'all out. Maybe he'll wanna do a record with you
guys.” John Snyder blijkt platen van onder meer Etta James te
hebben geproduceerd en heeft tientallen Grammy-genomineerde albums
geproduceerd waarvan er vijf daadwerkelijk een Grammy hebben
gewonnen.
“Shit
man! We gaan misschien een plaat opnemen in een kickass studio met
een producer die vijf platen van mijn idool heeft geproduceerd!”
jubelt Mattanja in de auto op weg naar Baton Rouge. “How fat is
that?!” We rijden via Scott in Baton Rouge naar New Orleans, omdat
we een paar vergeten zaken moeten ophalen. Het collectieve jubelen
vult de gehuurde Ford tot in de airbags. De aankondiging op
radiostation WWOZ, dat Bradley's Circus tonight live at the Banks
Street Bar zal spelen, draagt daar alleen maar aan bij.
We
rijden rechtstreeks naar Banks Street, waar André vroeg in de
avond bijna flauwvalt als Mattanja hem vertelt dat ze zojuist
telefonisch van Wish (vrouw van 'Dockside' Steve) heeft vernomen dat
de acteurs Scarlet Johansson en Ryan Reynolds vanavond misschien ook
naar ons optreden komen kijken. Scarlet en Ryan zien we niet, maar
wel Roger, Elyse, Stacey, Tiffany, Kevin, Jeremy, Jeanine en nog een
stel mensen die we ook met Pasen bij Roger en Elyse hebben gezien.
Zelfs Charles en z'n vriendin (de vrienden van tipische Clint in
Lafayette) zijn er... and they're all dancing to our music!
John
Snyder, de producer, is er ook, maar die danst niet. Die luistert en
kijkt alleen maar heel aandachtig naar het optreden. Na afloop laat
hij doorschemeren dat 'ie mischien wel 'iets' met ons wil doen. Hij
zal ons volgende week nog wel bellen. Hoewel we allemaal een
'wat-zou-het-gaaf-zijn-als-we-hier-een-plaat-zouden-kunnen-opnemen-maar-hee-eerst-zien-dan-geloven-gevoel'
hebben, domineert toch een mild-euforisch gevoel de rest van de
avond.
De
band die na ons speelt, speelt hard, en jaagt daarmee eigenlijk het
voltallige publiek naar buiten. Lidewij gaat in op de uitnodiging om
een paar nummers mee te spelen, maar ze is eigenlijk nauwelijks te
horen. “Shit man”, zegt ze na afloop, “ik stond op m'n hardst!”
We
drinken tequila met Johan and Chris, twee leuke jongens van de
tattooshop waar Toine z'n arm heeft laten volprikken en rijden dan
naar het huis van Jeanine and Jeremy, waar we vannacht kunnen
logeren.
14
april
Nadat
we rond het middaguur zijn wakker geworden, wat met Jeremy in de tuin
gezeten en gekletst hebben, gebruncht hebben met Jeremy en Earl bij
de Oak Street Bar, rijden we naar Elyse, waar we extra kleren
ophalen. Vandaag zullen we Louisiana verlaten en pas over tien dagen
terug zijn. De
reis naar Leland, Mississippi duurt ruim zes uur. Onderweg proberen
André en Toine een regionale delicatesse: pickled pig lips.
Jawel, lieve dierenvrienden: varkenslippen in 't zuur. Rond
elf uur 's avonds komen we aan bij Randy Magee en z'n vrouw Deborah.
Gedurende ons verblijf in Mississippi zullen zij in hun caravan naast
het huis slapen, zodat wij het huis tot onze beschikking hebben.
Hadden we het in Louisiana al vastgesteld, ook in Mississippi is
sprake van de legendarische zuidelijke gastvrijheid.
15
april
We
moeten spelen in een soort zalencentrum bij de zee. De mensen die er
rondlopen kijken stuk voor stuk boos en haatdragend. Ons optreden
wordt stilgelegd. “You guys go home and fast! Y'all playing
niggermusic and we don't like no niggers round here!” Terwijl we
staan te wachten tot de bus er is, bouwt André een toren van
mijn trommels met de statievenkist bovenop. Die valt eraf en breekt
open. Dan lopen we op een duinweg en er komt ons een stel
afro-amerikanen tegemoet. Een bruin meisje lacht naar me en spreidt
uitnodigend haar armen. Een knuffel! Niets lijkt me beter om het
afschuwelijke gevoel te verdrijven dat die van blinde haat vervulde
mensen me zojuist gegeven hebben. Maar als ik het meisje dicht
genaderd ben, verandert haar lachende gezicht in eenzelfde hatelijke
boze grimas en terwijl ze me bruusk wegduwt snauwt ze: “Wha'd ya
think, fuckin' white ass motherfucka? Get ya fuckin' pale ass outta
here!” Aan
de ontbijttafel blijkt dat André en Mattanja vannacht ook een
kwaaie droom hebben gehad...
Randy
neemt ons mee naar het Highway 61 Blues Museum waarvan hij een van de
curatoren is. We krijgen een rondleiding door het kleine museum dat
afgeladen volhangt met foto's van grote en minder grote blueslegendes
die in Mississippi geleefd hebben, er staan vitrinekasten vol
instrumenten en andere parafernalia en Randy geeft een kleine
demonstratie op de 'diddley-bow' (die ook wel 'jitterbug' genoemd
wordt), een eensnarig gitaartje met een sigarenkistje als klankkast.
Ze hebben zelfs de poster opgehangen van het benefietfestival in
Mill, waaraan we onze optredens hier in Mississippi in feite te
danken hebben! Dan komt Anne Martin van WXVT tv, een lokaal
televisiestation, langs. Ze interviewt ons en we spelen akoestisch
een liedje. We're gonna be on tonight's news show!
We
krijgen T-shirts en petjes van het museum, waarna Randy ons meeneemt
naar een begraafplaats aan de oude highway 10, waar onder meer de
godfather van de deltablues, Charlie Patton, is begraven. De
begraafplaats is letterlijk een dodenakkertje: een desolaat, stoffig
veldje zonder enige omheining, waarop één enkele boom
staat, vlak naast een paar golfplaten loodsen waarin landbouwmachines
geparkeerd staan. Veel van de grafstenen zijn scheefgezakt,
omgevallen en gebarsten en de tekst die er ooit is ingebeiteld is
vaak nauwelijks meer te lezen. Toch wordt de begraafplaats nog steeds
gebruikt, want her en der zijn ook stenen van vrij recente datum te
zien, er staan zelfs een paar driepoten met kransen en linten erop.
's
Middags al begint Randy aan het avondmaal: drunk chicken. Drunk
chicken, lieve dierenvrienden, is een hele kip die rechtop met een
halfvol blikje bier in haar cloaca geduwd drie uur lang in de rook
van smeulende hickory (soort notenhout) gerookt wordt. Het blikje
bier is bedoeld om de kip ook van binnen sappig en mals te houden.
Terwijl de kip aan het slow cooken is, haalt Randy de 84-jarige
blueszanger/gitarist Eddie Cusic op. Cusic maakte tot in de jaren
zestig muziek, maar stopte toen hij er niet langer genoeg geld mee
verdiende om z'n gezin te onderhouden. We interviewen Eddie Cusic en
hij is bereid om een paar liedjes te zingen. Gaaf.
's
Avonds hopen we dat we het interview van vanmorgen op televisie
kunnen zien, maar het wordt blijkbaar toch niet uitgezonden. Na de
drunk chicken (de anderen zeggen dat 'ie heerlijk smaakte, ik heb het
toch maar bij het speciaal voor mij gerookte stuk zalm gehouden)
rijden we naar Greenville, waar we in de Wallnut Street Bar zullen
spelen. Er is weinig publiek, maar veel enthousiasme. Halverwege de
eerste set zien we op het enorme televisiescherm tegenover het podium
onszelf geïnterviewd worden, en ik kan wel zeggen dat dat een
vrij bijzondere ervaring is. In
de pauze worden we gewezen op de aanwezigheid van Calep Emphrey, de
man die ruim dertig jaar lang de drummer van B.B. King was. Het
verhaal gaat dat B.B. King meer en meer problemen kreeg met het
buitensporige alcoholgebruik van zijn drummer, maar het vanwege
Caleps lange staat van dienst niet over zijn hart kon krijgen hem te
ontslaan. Toen Calep echter op een avond na een optreden op z'n
hotelkamer het bad liet vollopen en vervolgens in slaap viel,
waardoor er tot op een paar onderliggende verdiepingen voor zo'n
250.000 dollar waterschade ontstond, was dat voor B.B. King de
druppel die het bad deed overlopen. Calep werd ontslagen. We
stellen ons voor aan Calep, en hij vraagt of hij een paar nummers mee
mag drummen. Daar hoeven we niet lang over na te denken. Welke
nummers wil hij spelen? “Whatever”, zegt Calep, “I play
anything.” Als hij het podium beklimt, zeg ik: “I like this! You
do the work, I get payed!” Calep slaat hard, en naar mijn idee
vrij lomp, maar volgt moeiteloos de cues die Mattanja geeft als er
een break gespeeld moet worden of als een nummer eindigt. Hij speelt
drie nummers mee en de toeschouwers gaan uit hun dakken.
Een
van de mensen in het publiek is de zangeres/pianiste Eden Brent, die
we na afloop ontmoeten. Ze won een aantal prijzen, tourt regelmatig
overal in de wereld en drinkt veel. We zullen haar misschien kort
kunnen ontmoeten als zij en wij beiden eind mei in Puurs, België
op het Duvelblues Festival spelen (wij moeten na ons optreden vrij
snel weg om 's avonds in Laren, Gelderland te spelen in het
voorprogramma van de nieuwe band van Hendrik-Jan Lovink (die van
Jovink en de Voederbietels en van de Zwarte Cross).
16
april
Terwijl
Dré en Mattanja aan het hardlopen zijn, relaxen Toine, Lidewij
en ik bij 't zwembad in de tuin van Randy en Deborah. 's Avonds
reizen we naar Clarksdale, waar we bij Pete's Grill zullen spelen. De
Organgrinders, een bluesband uit Wisconsin, speelt voor ons, en ze
zijn leuk, al is de geluidskwaliteit ronduit slecht. Drummer JB (wat
is dat toch met drummers die een afkorting als naam hebben?) vindt 't
geen probleem dat ik op z'n kit speel en ook kunnen we hun
zanginstallatie gebruiken. Maar het ligt niet alleen daaraan dat het
optreden hier in Clarksdale de boeken in zal gaan als het slechtste
van deze tour. Pete's
Grill is een betonnen ruimte waarin niets staat of hangt dat enige
geluidsabsorberende kwaliteit heeft. Alles kaatst van muren, vloer en
plafond terug en de zanginstallatie is niet in staat tot het
produceren van een fatsoenlijk zanggeluid. Het leidt tot zoveel
onderlinge frustratie en irritatie dat we in de pauze buiten op de
stoep heel onprofessioneel staan te bekvechten waar iedereen bij is.
En al spelen we in de tweede set zo zachtjes mogelijk, veel beter
wordt het er allemaal niet van. Lidewij
en André jammen later op de avond nog een paar nummers mee met
de Organgrinders, waarna we naar Leland terugrijden. In de auto barst
de bom nogmaals. André schreeuwt wat hij op z'n hart heeft,
Lidewij slaat bijna het portierraam uit de bus, Mattanja concentreert
zich zwijgend op het autorijden, Toine doet of 'ie slaapt en ik staar
vrij wezenloos naar de strepen op het asfalt die door de koplampen
uit de duisternis getrokken worden.
17
april
De
donkere wolk die gisteravond boven het Circus hing, lijkt
weggetrokken te zijn. Gelukkig maar, want vandaag spelen we op het
Juke Joint Festival in Clarksdale en daar ben ik al ruim voor de tour
begon naar aan het uitkijken. Hoewel we pas vanmiddag om vijf uur
zullen spelen, vertrekken we aan het eind van de ochtend al naar
Clarksdale. Het is allemaal volkomen anders dan ik me had
voorgesteld. Er is geen festivalterrein met verschillende podia –
alles speelt zich af in de straten en clubs in Clarksdale zelf. We
hebben wat moeite met het vinden van het het Rock 'n' Roll and Blues
Heritage Museum waar we zullen spelen, omdat we een verkeerd adres
gekregen hebben. Maar met wat hulp van het Visitors Centre belanden
we uiteindelijk toch bij het museum van Theo Dasbach, een Nederlander
die zeven jaar geleden naar Amerika geëmigreerd is, nadat hij
z'n baan bij een bank had opgezegd en z'n huis in Friesland had
verkocht. Theo woont in Memphis, maar heeft in Clarksdale een oud
bedrijfspand gekocht waarin hij z'n bluesmuseum (dat hij overigens
ook in Friesland al had) inrichtte.
We
maken 's middags een gezellig festival mee met veel goede muziek,
lekker eten en bier, en zijn getuige van heuse pig races. Lieve
dierenvrienden, dat klinkt echt veel akeliger dan het is. We hebben
hier namelijk te maken met schattige kleine zwarte zwijntjes die al
van bigs af aan weten dat ze racevarkentjes zullen worden, ze worden
zeer liefdevol behandeld en ze lijken zelfs wel aardigheid te hebben
in hun werk, dat bestaat uit dribbelen over een met zaagsel bedekt
ovalen parcours van een meter of tien lengte. Ieder zwijntje heeft
een gekleurd rugdekje aan en het publiek mag gokken welk zwijntje het
ovaaltje het snelst ronddribbelt. (Of het er ook zo diervriendelijk
aan toe gaat bij de show waar aapjes op honden rondrijden
(hi-lá-risch!) kan ik jullie niet zeggen, want die show was op
donderdag toen wij in Greenville waren.)
Ons
optreden op de stoep voor het museum van Theo gaat heeel erg goed,
ondanks dat Mattanja haar stem gisteren in Pete's Grill behoorlijk
schor en rafelig heeft gezongen. Gaandeweg de show groeit het aantal
toeschouwers gestaag, er wordt uitbundig geapplaudisseerd en ook
Theo, die aanvankelijk wat sceptisch leek over het Nederlandse
bluesbandje waarvan hij eigenlijk nog nooit gehoord had, vindt 't
geweldig. Nog lang erna krijgen we op verschillende plekken in
Clarksdale, zelfs 's avonds nog in de leuke hippe club Ground Zero
(mede-eigenaar: Morgan Freeman), van allerlei mensen complimenten.
We
lopen naar een tent die 'Soul Kitchen' heet, waar Lidewij, André
en Toine zich binnenwringen om een glimp van het optreden van David
'Honeyboy' Edwards op te vangen. Mattanja en ik hebben geen zin om
ons in het stampvolle zaaltje te proppen en komen in onze zoektocht
naar een hapje eten terecht in Gound Zero, een grote zaal waar eten
wordt geserveerd terwijl op het podium een band staat te spelen.
Toine is een beetje moe en loopt van de Soul Kitchen terug naar het
bluesmuseum, André en Lidewij komen naar Ground Zero. We eten
wat, zien een erg fijne band, 'The Reverend Peyton's Big Damn
Band', en Mattanja ontmoet een
leuke jongen. De
band na de Big Damn Band is lang zo leuk niet, vinden Lidewij, Dré
en ik. Mattanja vindt op diti moment elke band leuk. “Wij gaan
Toine en de bus halen”, roepen we in haar oor. “Da's goed, dan
blijf ik nog even hier.” Als we de bus bij Ground Zero parkeren,
blijkt Mattanja nog steeds binnen. “Ik ga haar wel even halen”,
zegt Dré. Drie kwartier later is hij terug. “Weet je hoe
groot die tent is?” verontschuldigt hij zijn lange wegblijven. “En
okee, ik heb misschien ook nog een of twee biertjes gedronken.” Hm.
“En waar is Mattanja?” “Die komt er aan.” Een kwartier
wachten later vind ik het welletjes. Ik ga Ground Zero binnen en vind
Mattanja op dezelfde plek waar we haar en de leuke jongen een uur en
een kwartier eerder hebben achtergelaten. Als was ik de vader en zij
de puberdochter pak ik haar hand en beveel dat we gaan. “Hebben
jullie telefoonnummers en e-mailadressen uitgewisseld? Goed. Let's
go.” Mattanja stamelt dat wij toch ook nog even binnen zouden
komen? Nee, we staan al een dik uur op je te wachten. Nadat ze de
leuke jongen een afscheidsknuffel heeft gegeven, laat ze zich als een
mak lammetje meevoeren. God, wat ben ik blij dat ik geen kinderen
heb.
Bradley's Circus krijgt golden opportunity in de schoot geworpen!
Hoe we bij de Dockside Studio in Maurice, Louisiana verzeild zijn geraakt, leest u binnenkort op dit blog, maar feit is dat we onze tour met een paar dagen moeten verlengen, omdat we het aanbod hebben gekregen om er op 30 april en 1 en 2 mei voor een habbekrats een cd op te nemen. De studio, waar legendarische artiesten als B.B. King, Bruce Springsteen, Dire Straits, Junior Wells en vele anderen hebben opgenomen, stelt ons gratis studiotijd ter beschikking. Ook de producer, John Snyder (hij produceerde onder meer albums voor Etta James en Chet Baker en won vijf Grammy Awards) wil ons gratis van dienst zijn. Zelfs het verblijf in Maurice, in de vier uitstekend geoutilleerde slaapkamers boven de Dockside Studio, zal volkomen gratis zijn. De enige kosten die voor onze rekening komen, zijn de kosten van de opnametechnicus. De master van de opnamen zal eigendom blijven van Bradley's Circus.
Niet alleen zal de cd-opname in de legendarische studio van ex-Coasters-gitarist Steve Nails een enorme toegevoegde waarde geven aan het curriculum vitae van Bradley's Circus, de spin off in de vorm van een contract bij een Amerikaans platenlabel -- de naam van Alligator Records is al genoemd -- is evenmin denkbeeldig.
Gevraagd naar de reden waarom Bradley's Circus vrijwel voor niets een cd bij de Dockside Studio mag opnemen, antwoordt producer John Snyder: "We believe in you guys. We don't have to get rich from you. We ARE rich already."
Voordat
we naar Lafayette vertrekken voor een optreden in de Blue Moon
Saloon, rijden we langs het filiaal van Budget om de huurperiode van
de bus te verlengen. Toen Mattanja eind vorige maand de bus ging
huren, bleek haar credit card onvoldoende krediet te verlenen om het
ding meteen voor een maand ineens te huren. Hoewel Toine aanvankelijk
redelijk rigide is over het gebruik van de zijne (“Deze credit card
is van Cons en mij samen en die ga ik uitsluitend gebruiken voor
noodgevallen”), weten we hem te overtuigen van het feit dat het
niet kunnen huren van een bus vrijwel onmiddellijk leidt tot een
noodgeval en gaat hij akkoord, nadat hem verzekerd is dat de band het
geld onmiddellijk terug naar hem zal overmaken.
De
Blue Moon Saloon blijkt een hostel met daarachter een café-achtige
houten schuur. Door een misverstand kunnen we niet alle vijf in het
hostel overnachten, maar worden vier van ons ingecheckt bij een motel
van TraveLodge, een paar mijl verderop. Mattanja zal in de Blue Moon
logeren.
Ons
voorprogramma is een lokale band, The Viatones, die me verrassen met
een cover van ELO's Mister Blue Sky. Ik mag het drumstel van de
Viatones gebruiken, een samenstel van verschillende (meest mij
onbekende merken), dat met de snare en de bekkens van Earl evenzogoed
voldoende fatsoenlijk klinkt. De 24' bassdrum draagt daar zeker aan
bij. Na afloop veel positieve reacties en toezeggingen dat men er
zondag (vandaag is het donderdag) weer bij zal zijn, als we ons
tweede en laatste optreden in Lafayette hebben; maar dan in een tent
die Artmosphere heet en letterlijk op een steenworp afstand van de
Blue Moon ligt.
09
april
We
moeten tot 11 uur wachten voor we bij het Libanese restaurant in de
buurt van de TraveLodge terecht kunnen voor een kop koffie. Op de
menukaart zie ik dat ze hier falafel serveren, en ik besluit ermee te
ontbijten. Dan halen we Mattanja op bij de Blue Moon en gaan op weg
naar Baton Rouge, een uurtje rijden van Lafayette. De anderen hebben
nog niet ontbeten, dus besluiten we, vooral vanwege de naam, te
stoppen bij Fat Albert's Family Restaurant.
Fat
Albert's blijkt een van de ranzigste tenten van Louisiana te zijn. De
anderen bestellen iets gefrituurds, ik houd het bij een kop koffie.
Te laat kom ik erachter dat Fat Albert's met een soort
reïntegratieprogramma voor
geestelijk uitgedaagde mensen werkt, want als me ddoor de
projectleidster vanachter de toonbank wordt toegeroepen dat m'n
koffie klaar is, spring ik op en huppel als een blije hond naar de
counter, vooral om uiting aan mijn enthousiasme te geven. Maar
voordat deprojectleidster me de koffie overhandigt, kijkt ze me aan
met een misprijzende blik en zegt: “Don't you think that's kinda
brave in here?” Meteen besef ik dat ik iets verkeerd heb gedaan en
stamel: “Euhhh, I don't know...? Euhhh, sorry...?” De
projectleidster doet er, op een afgemeten 'Hmm' na, verder het
zwijgen toe. Ja, wist ik veel?
In
Baton Rouge worden we hartelijk verwelkomd in de riante bungalow (met
zwembad in de tuin) van Beth en Scott. Scott, de boeker die onze
optredens in Louisiana geregeld heeft. Ook hier geldt: mi casa es su
casa. We ontmoeten KC, de nogal dikke 13-jarige jongste zoon uit
Beth's eerdere huwelijk en Joplin, een klein enthousiast hondje.
Later die middag maken we kennis met Beth en de zeven maanden oude
dochter van haar en Scott, Zoe.
Die
avond spelen we in het centrum van Baton Rouge achter Happy's Irish
Pub op de binnenplaats, die Happy's Land gedoopt is. Scott regelt de
PA en het geluid, en dat doet hij beslist niet onaardig. De tweede
set deze avond spelen we voor een man of tien, maar tijdens de derde
set begint de binnenplaats weer behoorlijk vol te lopen.
Wat
is er toch met Toine vandaag? Hij maakt een wat nerveuze indruk...
Ach natuurlijk! Hij gaat vanavond een tatoeage laten zetten! Gisteren
is hij met Lidewij, nadat ze een vergeefse poging hadden gedaan om
een praise-gospel-halleluja-afro-american kerkdienst bij te wonen,
naar tattooshop Uptown Tattoo geweest om het ontwerp te bespreken. En
vandaag geeft Toine ons de hele dag door updates van het aantal uren
en minuten tot het Uur U, vanavond om zes uur. We maken een wandeling
in Audubon Park, waar Lidewij en Mattanja hun leven en de
continuïteit van onze tour op het spel zetten door in een
vierhonderd jaar oude boom te klimmen die bekend staat als de Tree of
Life. “Nog drie uur, jongens”, zegt Toine. We genieten van de
flora en de fauna in het park: bomen met hun wortels in het water,
eekhoorntjes, ibissen, joggers... “Nog anderhalf uur, jongens”,
zegt Toine. We wandelen nog wat, maken foto's, schieten wat
filmbeelden, tot Toine met een vrij hoog stemmetje zegt: “Nou
jongens, ik denk dat we maar eens moeten gaan, want ik heb om zes uur
een afspraak!”
Bij
de tattooshop wordt nog druk aan het ontwerp gewerkt. Maar het
blijken vakmensen, de jongens van Uptown Tattoo. Toine heeft ze een
idee gegeven van wat hij wil door een grote rechthoek met daarachter
een stokpoppetje te schetsen, en de tattoo-artiest heeft dat weten te
vertalen in een supercoole afbeelding van een contrabas die bespeeld
wordt door een sigaretrokend skelet. In de ruim drie uur die nodig
zijn om de afbeelding in kleur op zijn linkerarm te prikken, gaan
André en Mattanja een stuk rennen en drinken Lidewij en ik een
paar biertjes in een nabijgelegen café, meer precies op het
terras van dat café, omdat het binnen afgeladen vol zit met
Amerikaanse basketbalfans die een belangrijke match kijken op een van
de zes televisieschermen die her en der hangen. Als Mattanja en, iets
later, André (die een ander trainingsschema volgt) terug zijn,
eten we wat, drinken we wat, en nemen we regelmatig even een kijkje
bij Toine, die zichtbaar steeds duidelijker ondervindt dat het niet
echt plezierig is om drie uur lang intensief in je bovenarm geprikt
te worden.
Later
die avond zien we een goeie maar niettemin vrij saaie band in de
Maple Leaf (die bar op kruipafstand van Elyse en Roger), en ik vind
het vandaag lang niet zo gezellig als twee dagen geleden, toen Jason
Ricci hier speelde. De boiled crawfish die in de pauze over een lange
tafel wordt uitgestort, verandert daar weinig aan.
06
april
Elyse
'was not really pleased' toen ze hoorde wat we vandaag gedaan hebben.
Een vorige week geboekt optreden in Uncle Earl's in Baton Rouge is
gecancelled wegens Spring Break Holiday, waardoor we een extra vrije
dag hebben. Dat geeft ons alle tijd om nog wat meer siteseeing in New
Orleans te doen. We gaan naar het graf van de legendarische voodoo
queen Marie Laveau. Mattanja heeft op internet gelezen dat er
verschillende manieren zijn om de geest van Marie te vragen om een
hartewens in vervulling te laten gaan. Een van de manieren is het
tekenen van drie kruizen op de zijkant van het graf met rood krijt.
De
graven op deze begraafplaats zien er vrijwel allemaal uit als kleine
vervallen transformatorhuisjes. In een gebied waar overstromingen
eerder regel dan uitzondering zijn, worden de doden bovengronds
begraven. Blijkbaar trekken veel mensen zich niets aan van het bord
bij de ingang van de begraafplaats, waarop staat dat het ten
strengste verboden is om aan, op of in de graven te zitten. Het graf
van Marie Laveau is volgekalkt met talloze kruizen. Erop en erbij
liggen uiteenlopende 'offers': schelpjes, muntjes,
mardigras-kralenkettingen, verlepte bloemetjes, lippenstiften,
kohlpotloden, sigaretten, plectrums, tampons... Want ook dat is
onderdeel van het ritueel: een klein kadootje om de geest van Marie
gunstig te stemmen. Hardop spreken we de collectieve wens uit dat
Bradley's Circus nog lang gelukkig en succesvol zal blijven, waarna
we onze kadootjes neerleggen (ik een zelfgedraaide sigaret).
Als
we Elyse daar 's avonds verslag van doen, vindt ze dat we toch
eigenlijk gewoon ordinaire grafschenners zijn geweest. Niet lang
daarna gaan we, met enig schaamrose op de kaken, te bed. Maar als ik
na ga hoeveel geluk en succes we tot nu toe hebben (en zoals later
zal blijken nog zullen hebben), dan heeft Marie Laveau onze gebeden
toch verhoord.
07
april
Van
de lichte irritatie onderling in de opnameruimte van radio WWOZ in
New Orleans is op de radio gelukkig niets terug te horen (beluister
de opnamen die Kim in een andere entry heeft ge-upload – dank je
wel Kim!). Direct na de uitzending wordt Mattanja opgebeld door een
radiostation in California, dat ons gehoord heeft en per se onze cd
toegestuurd wil krijgen. Als we buiten, op de stoep voor het gebouw
waarin WWOZ gevestigd is, met de instrumenten staan te wachten op
André die de bus aan 't halen is, worden we gecomplimenteerd
door een oudere dame die het gebouw binnengaat: “I heard you guys
on the radio! That was awesome!”
Aan
het eind van de middag gaan Lidewij en Toine naar downtown New
Orleans, in de hoop nog wat mee te kunnen pikken van het French
Quarter Festival. Dat blijkt al afgelopen, maar in de tijd die ze
vervolgens op Frenchmen Street doorbrengen vermaken ze zich prima, zo
blijkt later uit hun verhalen.
André
en ik pakken om een uur of negen de streetcar naar Bourbon Street,
Mattanja blijft 'thuis' (maar zal later op de avond nog even in de
Maple Leaf gaan kijken). Bourbon Street heeft 's avonds een volkomen
andere sfeer dan overdag. Maakt de straat bij daglicht een vrij
rustige, misschien zelfs naar saaiheid neigende indruk, 's avonds
doet Bourbon Street meer denken aan de binnenstad van Tilburg tijdens
de kermis, maar dan in het kwadraat. Veel neonverlichting, een
kakofonie van muziek en mensen, hotdogstalletjes, karaokebars, en
allemaal mensen met dezelfde missie: feestvieren. Voor verschillende
etablissementen staan jongens met kartonnen borden waarop teksten als
'titties and whiskey', maar we drinken eerst een paar biertjes in
Lafitte's Blacksmith, naar verluidt de oudste bar van Amerika, waar
we aan de half tot bar verbouwde vleugel gaan zitten bij de
zangeres/pianiste, een blonde, rap van de tongriem gesneden dame van
in de vijftig, die zo'n beetje elk liedje speelt en zingt dat je
vraagt, zolang je maar een paar dollar in de tip jar stopt. Ze kent
'Walking After Midnight'!
Dan
hebben we genoeg op voor de volgende stap. De club die we binnengaan
is leeg, op de schaarsgeklede meisjes die er werken na. Zodra ze ons
zien zijn ze verliefd op ons, wij zijn hun langverwachte prinsen op
het witte paard en onze lichamen zijn het lekkerste dat ze ooit
gezien hebben. Het is ons onmiddellijk duidelijk: deze meisjes
verstaan hun vak. Een rossig meisje met een prachtig lijf drapeert
zich vakkundig om me heen, zegt dat ze Shelly heet en vraagt
donkerbruin verleidelijk waar ik zin in heb. Naar waarheid zeg ik dat
ik zin heb in een biertje. Bier? Nee, dat serveren ze hier niet. Wel
sterke drank. Tequila? Sure! Weldra staan zij, ik, André en
twee afro-amerikaanse meisjes die om hem heen kronkelen aan een
barretje, waarachter een ambachtelijk afstandelijke jongen vijf
tequila's inschenkt – in plastic bekers. “Cash payment please.”
Alsof ik het dagelijks doe, reken ik zestig dollar af. Nadat de
tokillya's collectief geshot zijn, richt André z'n aandacht op
zijn meisjes, en ik geef een afwezigheid-door-beneveling voor, zodat
ik aan een tafeltje kan gaan zitten; een rol die me verrassend
makkelijk afgaat. Rosse Shelly bestijgt het podiumpje en danst een
vakbekwame paaldans, ik rook een peuk, veins interesse voor de
inrichting van de bar en probeer ondertussen zo niet-gebiologeerd
mogelijk naar haar te kijken. Als ze uitgedanst is en haar
kledingstukjes bij elkaar geraapt heeft, loopt ze nadrukkelijk
nonchalant voorbij en vraagt of ik het leuk vond. O jes, very mutsj!
Joer awsum! Joer kwaait uh proffesjonal, probeer ik haar te
complimenteren. Zag ik verbazing? Ze richt zich op, knipoogt en wiegt
weg. Ik ovepeins waar ik ben totdat Shelly terug komt: “So whad'ya
think? We go upstairs for a bit? Your friend's there...” Geld
geven voor seks – het is niet echt mijn ding. “Ehmmm.... nèh...
doe maar not, I'm fine... I'll just wait for him here...” Ze
lacht nog altijd bijzonder verleidelijk, maar kijkt nu rechtstreeks
terug in m'n ogen. We schieten simultaan in de lach. Dan zegt ze: “So
how 'bout a lil something for the dance?” Och! Sure! Sorry! Ik trek
m'n portemonnee, haal er met moeite vijf dollar uit en geef haar die.
Zij heeft ondertussen in één professionele blik
vastgesteld dat ik inderdaad pas mee naar boven kan als ik eerst nog
even bij een ATM langs ben geweest. Exit Shelly.
'Dré
is dus boven voor een lapdance. Naar het mooie meisje dat nu aan de beurt is om de
chromen paal op het podium op te geilen durf ik niet te kijken, omdat
ik de vijf dollar die ik nog heb graag straks wil gebruiken voor een
biertje ergens anders. Geregeld komt een mooi duur meisje vragen of
het goed met me gaat. “Yeah, I'm fine, thanks for asking...” Ze
worden hier waarschijnlijk helemaal gek van mijn constante gegrijns.
Dan
is André weer beneden en gaan we 'een bandje kijken'. Op een
podium tussen de beide ingangen van de bar die we binnengaan staat
een energieke band opzwepende mellowpunk te spelen en hee! daar is
Dré met bier! Een goed humeur is het halve werk. Volop
bijdragend aan de uitbundige sfeer zien we een heel mooi lichtbruin
meisje rondlopen met een rekje vol buisjes met kleurrijk vocht. “You
want to try one?” roept ze als ze binnen schreeuwafstand is. “What
is it?” gillen we terug. Ze noemt een naam waarin het woord 'shot'
duidelijk herkenbaar weerklinkt. Een shot? Waarom ook niet we zijn
nou toch hier! Voor vijf dollar pakt ze een reageerbuisje uit het
rekje, tongt de onderkant, neemt het dan in haar mond, maant me
woordeloos tot ontvankelijkheid en giet het buisje leeg op m'n tong.
Godallemachtig, wat vind ik haar mooi! We raken aan de praat en
lachen totdat zij beseft dat ze eigenlijk shotjes moet verkopen en
zich wegbaant tussen de dansende lijven.
Nog
een paar keer komt ze terug, wisselen we een paar glazen zoenen voor
dollars, en praten we nog wat. Als we besluiten om weer e's elders te
gaan kijken, vraag ik: “Can I just hug you for a sec?” Dat mag.
En ik zweer dat het niet alleen aan mij ligt dat die hug aanmerkelijk
langer duurt dan 'just a sec'.
The
alcohol is kickin' in... De hectiek van Bourbon Street dringt niet
langer ten volle door tot alle vijf mijn zinnen, maar wordt
geabsorbeerd door de roeswolk die als een gewatteerde transparante
slaapzak om me heen hangt. “WHOOOH! Heel even binnen kijken!”
roept Dré als we een Afro-amerikaanse duremeisjesbar passeren.
“Ik wacht wel even hier”, geloof ik dat ik zeg. Dré
dartelt naar binnen en ik kijk grijnzend rond, totdat de slaapzak
bruusk opengeritst wordt door een vrij onvriendelijk uit zijn ogen
kijkende Afro-amerikaan van meer dan gemiddelde grootte. Het is een
van de proppers van de club. “You go in there!” blaft hij. “No
thanks, I'm fine...” Dat vindt de insmijter niet het goede
antwoord. “Your friend's in there – you go in there!”
commandeert hij. “No really”, wauwel ik, “I'll just wait for
him here”. Op de een of andere manier breng ik het slechtste in de
man naar boven. Hij schreeuwt: “Go in there!!”, grijpt de boord
van m'n T-shirt en begint me naar binnen sleuren. “No man!” roep
ik, “I REALLY don't wanna go in there, man!” en verzet me. Opeens
heeft m'n T-shirt een V-hals die doorloopt tot aan m'n navel. Een
paar collega's van de propper trekken hem bij me vandaan, terwijl een
andere Afro-amerikaan een arm om m'n schouder slaat en zegt: “Come
on man, let's get you out of here. Apparently you piss him off. Let's
grab a beer overthere.”
“Wha'd
I do to piss him off?” vraag ik mijn redder terwijl ik een grote
slok bier neem en terugdenk aan de grote bruine man die zich probeert
los te worstelen uit de greep van z'n collega's, me met haatgevulde
ogen aankijkt en allerlei dingen roept die met m'n moeder te maken
hebben. “I don't know, man”, schudt m'n redder z'n hoofd, “you
just pissed him off, that's all.”
Ondertussen krijgt André een lapdance en, als het op afrekenen aankomt,
klappen. Een lapdance blijkt vrij prijzig. Daarna houden we het
voor gezien op Bourbon Street en zitten we niet veel later met een
gescheurd T-shirt, gloeiende wangen en platte portemonnees in de
streetcar terug naar Cambronne Street. O what a night!
Als
we 's morgens om een uur of elf bij Roger en Elyse op de back porch
zitten wakker te worden, komt Earl Maddox op bezoek. Earl is een
wonderlijke mens. Soms is hij acteur (hij had onder meer een rol in
'Friendship One', een episode uit Star Trek Voyager, helaas is hij
onherkenbaar vermomd als een Uxali), soms is hij drummer, soms is hij
klusjesman, soms is hij tuinman. Earl zit vol met woeste verhalen,
die hij met veel flair vertelt. Zoals het verhaal over de keer dat
hij zonder rijbewijs en z'n pickup vol guns en rifles langs een
politiecontrole moest, maar probreemloos verder mocht rijden omdat
hij een 'ELVIS 1'-kentekenplaat op de voorkant van z'n auto
geschroefd had. “The officer said that a guy with an elvis tag on
his car just had to be a true American!”
Op
Frenchmen Street 's avonds herkent Mattanja een jongen die ze een
paar jaar terug op het gypsyfestival in Tilburg heeft ontmoet. We
praten even met hem, kijken en luisteren naar een paar bandjes in
verschillende cafeetjes en besluiten naar de Maple Leaf Bar op Oak
Street te gaan, waar Jason Ricci, een jonge openlijk homoseksuele
mondharmonicaspeler nieuwe stijl uit Kansas met z'n band New Blood
speelt. Na het optreden ontmoeten we Jason back stage, in de tuin van
de Maple Leaf. De manier waarop hij orakelt over freemasonry,
religie, pentagrammen en aanverwante zaken doet vermoeden dat hij
niet alleen veel mentholsigaretten rookt. Evenzogoed steelt hij m'n
hart en ik ik vraag of ik 'm mag zoenen. Dat mag.
04
april
Vandaag
vieren we Pasen bij Elyse en Roger. Ze hebben een stel vrienden en
familieleden uitgenodigd, wat andermaal een antropologisch hoogtepunt
oplevert. De vrouwen dragen rijkversierde hoeden, de kinderen zijn
door hun moeders in hun 'sundays best' gestoken, de mannen gaan
danwel netjes casual, dan wel bontgekleurd gekleed – met als
absolute summum Elyses schoonbroer Joe, een Vietnamveteraan met een
regenboog T-shirt, shorts en felrose steunkousen. Terwijl de kinderen
de tientallen slecht verstopte, met snoep gevulde plastic eieren in
de voortuin aan het verzamelen zijn in grote plastic zakken, zitten
een aantal volwassenen in de achtertuin in Hoochie Mama's Voodoo
Pleasure Lounge gezellig pure pijpjes wiet te roken.
Bradley's circus LIVE @ WWOZ New Orleans Radio April 4th 2010
BRADLEY'S CIRCUS live op de radio in New Orleans. WWOZ! Grappig is het begin van het eerste nummer: Beware of the bear. Some wicked voodoo-power takes over and dries out Mattanja's vocal power! Enjoy...
Het is klaarlichte dag, volop zon hier op tien
kilometer hoogte en vooruit, het uitzicht mag dan al anderhalf uur niet
wezenlijk veranderd zijn, maar hoe vaak krijg je als gewone mens de kans om de
wolken van boven te bekijken? Toch heeft de purser, of was het de captain zelf,
zojuist de passagiers bij de raampjes gevraagd om de blindering omlaag te
schuiven, 'want het is collectieve rusttijd'. Zoals het zojuist collectieve
lunchtijd was. De pasta (no meat) was geloof ik net zo zout als de chicken die
Lidewij en Toine op hebben. Zometeen begint, hoop ik, de collectieve rookpauze.
Maar dat gaat niet gebeuren. Nog minstens zes uur vliegen, en ik kan niet eens
naar de wolken onder me kijken, me voorstellend dat ik die allemaal zelf heb
uitgeblazen...
Lidewij, Toine en ik komen in Philadelphia
probleemloos door de douane en door de security check. Tot twee keer toe
probleemloos door de security check, want op Philadelphia Airport kennen ze
geen rookruimtes. Om te roken moet je het vliegveld verlaten, en dus moet je
bij het betreden van het vliegveld weer door de security check. Dat betekent:
schoenen uit, riemen af, alles uit je zakken, laptops uit de bagage, door het
detectiepoortje en dan alles weer aan, om en in doen. Omdat het nog een uur of
drie duurt voor het vliegtuig naar New Orleans vertrekt, slenteren we wat langs
de talloze eet-, drink- en snuisterijenwinkeltjes die het vliegveld rijk is, en
gaan uiteindelijk in de wachtruimte bij 'onze' gate zitten. Daar verzamelt zich
ook een groep Duitsers, van wie enkele een instrument tevoorschijn halen.
Weldra weerklinken in de wachtruimte een banjo, een trompet, een viool, een
snaartrom en een trombone, die samen een soort NewOrleansJazz opleveren. Iemand
zet er een geel bord bij waarop staat: 'Auf geht's nach New Orleans'. Wat ik
vrees, blijkt uit te komen: ook in het vliegtuig halen ze op een zeker moment
hun instrumenten voor de dag om een paar liedjes te gaan spelen. Even lijkt God
daar een stokje voor te steken in de vorm van enige turbulentie (iedereen
zitten en riemen vast), maar als de captain een kwartier later het sein
'veilig' geeft, komen de saints alsnog marching in...
's avonds, New Orleans
“We're just happy we can show you our city”,
verklaren Elyse en Roger hun gastvrijheid. Ze zijn ons komen ophalen van het
vliegveld, omdat Mattanja en André een duo-gig in Baton Rouge hebben. We zullen
de komende dagen logeren in hun huis aan Cambronne Street in New Orleans, waar
informele vriendelijkheid is verheven tot een kunstvorm. Een kunstvorm die, als
het aan Elyse ligt, rijkelijk versierd wordt met glitterpoeder in alle kleuren
van de regenboog, zoals ze dat ook gedaan heeft met de talloze schoenen, hoeden
en petten die je overal in hun huis tegenkomt.
Het huis doet een beetje denken aan Pippi
Langkous' Villa Kakelbont. Het is van hout, lichtblauw met lila blinderingen,
heeft een veranda aan de straatkant en een serre aan de achterkant. In de
achtertuin heeft huisvriend Earl (wiens Gretsch drumstel ik deze maand mag
lenen) van Katrina's wrakhout een soort tuinhuis gebouwd dat 'Hoochie Mama's
Voodoo Pleasure Lounge' is gedoopt. En uiteraard is Hoochie Mama de nickname
van Elyse.
“Ik weet 't niet”, zegt Elyse als ik haar
vraag of zij en Roger eigenlijk gewoon nog hippies zijn. “De hippies horen echt
bij de jaren zestig, en toen was ik nog een klein meisje.” (Elyse vierde een
week geleden haar vijftigste verjaardag.) “Roger is vijf jaar ouder dan ik, en
die was wel een hippie. But why do you ask?”
“Nou ja, ehm... Roger draagt, als hij niet
hoeft te werken (hij doet iets met Unix-systemen), bij voorkeur veelkleurige
T-shirts, jij hult je ook in levendige kleuren, jullie huis is niet echt
conservatief ingericht, jullie lijken me 'free spirits' bij uitstek... Need I
go on?”
“I see”, lacht Elyse. “Ja, we zijn
waarschijnlijk wel een beetje anders dan de gemiddelde Amerikaan, maar we zijn
beslist geen uitzonderingen in New Orleans. Deze stad kent relatief veel
'freaks'.”
“Wacht even: zou je jezelf dus een freak
noemen?”
“Ja”, zegt Elyse zonder aarzelen. Na een korte
pauze gaat ze verder: “Well, hippies, freaks... We're just born in New Orleans.
Period.”
En daarom kleden Elyse en Roger zich in hun
vrije tijd alsof het alle dagen feest is. Maar wacht: het IS hier in New
Orleans in feite ook alle dagen feest. De clubs in de stad – en die zitten niet
alleen in Frenchmen Street en Bourbon Street – hebben zeven dagen in de week
live muziek, soms zelfs wel twee bands op een avond, en de muziekfestivals zijn
niet op de vingers van een hand te tellen. 'Laisse Les Bon Temps Rouler' is
meer dan een slogan, het is een mission statement.
01 april
Mattanja en André zijn ongeveer net zo blij om
ons te zien als wij hen. Ze zijn gisteravond pas thuis gekomen toen wij al in
bed lagen, dus we zien elkaar deze ochtend pas. We zingen Happy Birthday voor
Lidewij en 's middags gaan we met de gehuurde, luxe Ford-bus naar ons eerste
optreden in St.Francisville, zo'n twee uur rijden van New Orleans. Net als in
New Orleans worden we ook in St. Francisville bijzonder gastvrij onthaald. “You're
not in America, you're in Louisiana”, had Elyse vanmorgen gezegd, en ik begin
te begrijpen wat ze daarmee bedoelt. We logeren in een van de oudste motels in
Amerika, gebouwd in de jaren dertig, toen de populariteit van de auto in een
groeispurt zat: houten huisjes met ieder een eigen overkapping waar de auto
onder geparkeerd kan worden. “Als ze niet verhuurd zijn, kunnen jullie hier
altijd gratis overnachten”, zegt Kevin, de uitbater van het dertig meter
verderop gelegen Magnolia Café waar we 's avonds zullen spelen. We maken kennis
met Scott, die de optredens in Louisiana zo'n beetje geregeld heeft en worden
in Magnolia vergast op de legendarische crawfish boil – rivierkreeftjes die
(levend, lieve dierenvrienden) gekookt worden in een heerlijk pittige soep.
Het eerste optreden gaat wat stroef. Wennen
aan de instrumenten en een maand niet samen gespeeld hebben maken het allemaal
wat roestig, maar van het publiek (een man of twintig) krijgen we na afloop
lovende reacties, wat ook blijkt uit de aandacht voor onze T-shirts en cd's.
Na het optreden hebben we het gezellig met
Kevin, z'n vriendin Lina, Scott en een paar mensen die zijn blijven hangen. Met
name Toine neemt het 'mingeling with the locals' vrij serieus. Ik leer dat ik
een 'pescetarian' ben, omdat ik geen vlees, maar wel vis eet. Later die avond
nemen Kevin en Lina ons mee naar de Blue Room, een bar waar veel dronken locals
rondhangen. Een antropologisch paradijsje.
In de Blue Room, die overigens eerder een
donkerbruine indruk maakt, raak ik aan de praat met Lina. Ze vertelt me over
haar relatie met Kevin – ze zijn niet getrouwd en zij zal dat ook nooit meer
doen: na twee gestrande huwelijken heeft ze haar les geleerd– en over haar kinderen, met name over
haar oudste dochter die op 39-jarige leeftijd is overleden aan kanker.
02 april
Nadat we door Lina en Kevin zijn meegenomen op
een kleine 'gator-tour' (we hebben overigens geen alligators gezien) nemen we
afscheid. Op de valreep laat Lina me een oud rooduitgeslagen fotootje zien van
een mooi meisje. “Look,my new
friend”, zegt ze, “this was my oldest.”
Op ons gemakje rijden we naar Hammond, waar
ons tweede, en naar later blijken zal ook ons derde optreden zal plaatshebben.
Onderweg kijk ik m'n ogen uit: bomen in het water, hele stukken weg die op
palen over moerasland voeren, schildpadden, Amerikaanse auto's (veel pickups!)
en hun inzittenden... veel herken ik uit films, maar in het echt ziet het er
toch anders uit.
Ons tweede optreden is buiten op een goed
geoutilleerd podium, vlak (echt, vijf meter of zo) voor de spoorbaan. Op
hetzelfde parkeerterreintje worden hotrods, oldtimers en andere extreme auto's
tentoongesteld. De bedoeling van dit evenementje is dat de mensen op
vrijdagavond in Hammond City blijven hangen.
Het podiumgeluid is erg goed. Halverwege onze
show komt er een goederentrein voorbij. En een goederentrein in Amerika is, net
als veel andere dingen hier, groot. En lang. En luid. Omdat André een gebroken
snaar aan het vervangen is, heeft Mattanja een liedje ingezet op haar akoestische
gitaar, maar dat wordt volledig overstemd door de trein. Dan is André klaar en
zet Mattanja 'Folsom Prison Blues' in – het nummer begint met 'I hear the train
coming', vandaar. Het optreden verloopt, in tegenstelling tot dat van gisteren,
bijzonder soepel. Niet alleen krijgen we na afloop complimenten over ons
improvisatietalent tijdens het passeren van de trein, ook worden we gevraagd om
later die avond nog een uurtje te spelen in Cate Street Pub, een café dat
tegenover het parkeerterreintje ligt. Ons derde optreden! M'n drumstel hoef ik
daar niet op te zetten, omdat ik mag spelen op de Rogers uit 1963 van de andere
band die er die avond zal spelen: de driemanscoverband Detective Fish. Het
optreden gaat goed, en na afloop is me één ding duidelijk: ik wil ook een
Rogers uit 1963!