I want to see a glimpse of confusion in your habits
After many years of teaching art, trouble-addict Bob Roes interrupted his job at age 36 and chose to cultivate his restless search about what, how and why to paint.
His great taste for change and doubt leads him constantly wandering between his intense monumental abstract canvasses and his razor sharp cynic figurative paintings.
More and more Bob shows an integrated isolation facing an overexposed world which drives him slowly but certainly to the edges of what is considered to be normal society.
In some very productive moments he seems to have found a way of painting his ideas in a natural and typical style with economical but precise strokes in Pruissian Blue.
After having burned most of his old work as a purification of the mind, he was great at exposing nothing for years while patiently stocking his ideas in the cellar of his mind.
Doubt vanished in his work and his paintings appear nowadays as a résumé of his contemplation with numerous uncommon thoughts and visions. Maybe you can share some.
Kempen artistiek
Bob Roes
Terug naar het rustpunt van het schilderen
“Ik ben al zowat twintig jaar aan het schilderen,“ zegt Bob Roes (° 1969 in Turnhout), “en nu heb ik eindelijk de twijfel overwonnen, weet ik waar ik mee bezig ben en wil ik er voluit voor gaan.”
Zo een tien jaar geleden vernietigde Bob Roes zijn volledig oeuvre abstracte werken vanuit een gevoel van teleurstelling omdat hij in deze stijl niet ten volle gestalte kon geven aan wat hij eigenlijk wou meedelen. Gelukkig had hij toen nog niet zo heel veel tentoongesteld, zodat hij nog niet echt gecatalogiseerd, of moet ik schrijven ‘gestigmatiseerd’, was als abstracte kunstenaar. Na die beslissing heeft Bob een hele tijd niet geschilderd. Aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen volgde hij edelsmeedkunst en videokunst. “Het was een twijfelend zoeken naar een medium om me uit te drukken,” zegt hij. Juwelen bleken niet echt zijn ding want dat vond hij te ‘louter decoratief’. En video was voor hem een ‘te vluchtig medium’. Op zijn queeste naar een uiterst individuele expressie kreeg hij meer en meer voeling met het werk van Gerhard Richter, Marcel Duchamp, de vroege Andy Warhol, Luc Tuymans, Michaël Borremans en onze Turnhoutenaar Hans op de Beeck.
Pruisisch blauw
“En zo,” zegt Bob, “keerde ik terug naar het rustpunt van het schilderen.” Hij ontwikkelde een zeer persoonlijke figuratieve stijl waarbij vooral het Pruisisch blauw als kleur overheerst. “Ik hou gewoon van die kleur,” zegt Roes, “vooral omdat het tegelijkertijd een heel afstandelijke, maar ook uitermate intieme sfeer oproept.” En dat vind ik nu net de grote kracht van zijn werk. De kunst van Roes is paradoxaal. Hij vertrekt vanuit een vluchtig moment dat hij plukt uit de overrompelende veelheid van beelden die ons vanuit elk medium bestoken: een moment uit de geschiedenis, een foto, een filmfragment, een gebeurtenis op straat… en dan bewerkt hij dat beeld tot een rustpunt waarbij nagedacht en geïnterpreteerd kan worden. Niets is wat het lijkt, een beeld uit zijn context wordt heerlijk polyinterpretabel.
De onmacht van de macht
Het centrale thema in het werk van Roes is (on)macht. “Het is een thema dat me al heel lang intrigeert,“ zegt Roes, “misschien wel omdat ik de zoon ben van een beroepsmilitair.” In zijn werk wil hij onze (natuurlijke?) neiging naar controle en macht over onze leefwereld analyseren. “In dat opzicht zijn er eigenlijk drie invalshoeken die mijn werk bepalen,” zegt Roes: “Eén: de manier waarop mensen met macht omgaan tout court. Twee: de fascinatie van de mens (als onderdaan) voor de machthebber; drie: het ridiculiseren van de machtspositie.”
Deze visie resulteert in een boeiende herinterpretatie van de realiteit waarbij je als toeschouwer niet alleen geconfronteerd wordt met ‘bekende’ machthebbers, maar ook met je eigen verlangen om je leefwereld te controleren en te beheersen. De tentoonstelling ‘Feint’ is helemaal aan dit thema gewijd (zie Xpose in dit nummer voor concrete info).
Hermetische kunst
Het werk van Roes is niet echt bijzonder toegankelijk en daar is hij zich wel degelijk van bewust. “Ik weet dat ik met mijn werk geen groot publiek bereik,” zegt hij. “Mijn schilderijen hang je niet zomaar in je salon thuis. Het zijn vooral de onderwerpen die mensen afschrikken: terrorisme, gangsters, dictators,… maar ook voyeurisme.” Anderzijds zijn de werken technisch wel van hoge kwaliteit en is het meer dan de moeite om het spel van de beeldinterpretatie te spelen. Het werk van Roes is boeiend en veelbelovend.
Bob Roes is een kunstenaar waar we nog zullen van horen en hopelijk van zien!
Voor meer info: www.bloggen.be/bobroes/
Tekst en foto’s: John Dondeyne
A lot of paint on canvas
underground-art slowly crawling to the surface of this overheated-planet
Twee zwart-witfoto’s van de zee waarop telkens dezelfde raadselachtige geometrische figuur – een romboïde – verschijnt: dit subtiele werkje dat 94 jaar geleden aan het brein van Marcel Duchamp ontsproot, vormde de inspiratiebron voor het land art project dat Bob Roes samen met Kris de Hoon van vzw de tweede helft ontwierp voor het Turnhoutse Begijnhof. Ter gelegenheid van Turnhout Cultuurstad 2012 vervaardigden ze naar het idee van Roes 94 levensgrote romboïdes van wit gepoederlakt metaal, die op de historische site zullen worden opgesteld. Ze balanceren, zweven bijna boven de groenaanleg, waarin dus nauwelijks moest worden ingegrepen.
De strakke figuren contrasteren met de vloeiende vormen van de barokkerk, maar anderzijds gaan ze ook probleemloos in het landschap op. Hun lijnen die de leegte vangen, lijken de witte, geometrische raamkozijnen van de begijnhuisjes te weerspiegelen en hun piramidale vorm refereert aan het spirituele karakter van de plaats. Net als de menhir – die oeroude bewaker van gewijde plaatsen – roepen ze puur door hun verticaliteit de dimensie van het sacrale op. Maar in tegenstelling tot hun archaïsche voorgangers lijken deze moderne menhirs elke vorm van zwaarte te ontstijgen. Ze hebben zelfs iets immaterieels: Roes mag Duchamps romboïde dan wel een driedimensionale vorm hebben gegeven, maar het mathematische lijnenspel, dat verschuift wanneer de toeschouwer zich verplaatst, lijkt nog steeds met de tweedimensionaliteit te flirten. Ook dit is een knipoog naar Duchamp, die zelf volop met perspectief en dimensies speelde. Denken we maar aan zijn Large Glass (1915-1923), het glasraam vol geometrische personages waarin hij naar eigen zeggen de onzichtbare vierde dimensie, tijd, probeerde af te beelden.
Ook de romboïdes van Roes lijken iets te willen tonen dat zich aan het gewone oog onttrekt. De sculpturen zijn niet meer dan hun eigen minimale silhouet, en brengen daardoor ook een ruimtelijke leegte in beeld. Bijna zijn het geen objecten meer, maar geesten van objecten. Dat spelen met het lege silhouet vinden we ook in de schilderijen van Roes terug: dingen en personages gaan vaak op in het kille licht dat hen als een grillig aura omgeeft. Zo zijn bijvoorbeeld de Katholic Series (2011) , die gebaseerd zijn op de omgeving van het Turnhoutse Begijnhof op meer dan één niveau aan het project van de romboïdes verwant. Doeken als The Winner en Christening Robe tonen uitgestald kantwerk van de begijnen: kledingstukken zonder lichaam erin, die echter in hun helle witte tinten spookachtig lijken op te leven.
Bij de romboïdes speelt echter nog een ander element mee dat het werk van Roes typeert: een onderkoelde maar amusante vorm van absurdisme. De manshoge uitvoering van de romboïdes (180 cm) zorgt er immers voor dat de toeschouwer deze geometrische skeletten bijna niet anders kan benaderen dan als quasi-menselijke personages. Wie wil, kan er bij een wandeling door het Begijnhof de schimmen van het verleden in herkennen, die in deze moderne gedaante naar hun oude woonst zijn teruggekeerd.
Nadia Sels
Toon Tersas : wie bezit nog werk van deze vergeten kunstenaar?
Geboren in Weert, Limburg als Antoon Keersmaekers werkte hij onder de naam Toon Tersas in Mol (B) als autodidact. Zijn intrigerende oeuvre is tot op heden vrijwel onbekend gebleven.
Gedurende de jaren zestig en zeventig voerde Toon Tersas in zijn schilderijen, aquarellen en vele geschilderde en getekende dagboeken een artistieke dialoog met de massa-media. Hij verwerkte teksten en beelden uit de politieke actualiteit, de kunstwereld, de reclame en de literatuur in zijn kunst. Er zijn in het werk van Tersas overeenkomsten aan te treffen met de verworvenheden van kunstbewegingen zoals pop-art, dada en de collagisten, maar zijn vertragende teken- en schildertechniek staat in schril contrast met de snelle productie- en consumptiemethodes van de massamedia
Op het eerste gezicht lijken zijn kunstwerken misschien niet meer dan schilderkundige kopieën van een bladspiegel van een krant of tijdschrift, maar bij nader inzien blijkt de na- geschilderde originele tekst gaandeweg over te lopen in persoonlijk commentaar op velerlei actuele gebeurtenissen uit zijn tijd. Alles is met grote zorg neergeschreven, getekend, gecombineerd, veranderd en becommentarieerd. Uitingen van de tijdgeest verstrengelen zich met persoonlijke invalshoeken. “Schrijven is tekenen” zei Tersas en als een middeleeuwse kopiist wijst hij ons op de ongerijmdheden tussen het gebeuren en de weergave ervan.
foto’s van Frederik Beyens
door Tina Ameel
Frederik Beyens’ foto’s van kamers en ruimtes zijn altijd onaf, afgesneden. In beeld verschijnen enkel een hoek, een zijmuur, een stuk plafond, een
gedeelte van de vloer. Maar een kamer overschouwen we veeleer in zijn geheel dan deeltje per deeltje.
Het is een nieuw, fragmentarisch kijken dat een bevreemdend effect heeft. Een peertje blijkt op onafgewerkte manier vastgemaakt aan een wit pla-
fond. Iets heeft ergens jarenlang aan de muur gehangen en een vlek achtergelaten op het behang. Die vertrouwde kamer, dat alledaagse beeld
blijkt onregelmatigheden te verbergen die normaalgezien aan onze blik ontsnappen.
Zo ongewoon is het alledaagse waarop de onderwerpen in beeld worden gebracht. Beyens focust op een onderdeel, een zijde ervan die we uit
eigen beweging nooit zo grondig zouden bestuderen.
De foto’s stralen daardoor iets eenzaams en verlaten uit, want ze brengen plaatsen in beeld waar geen mens lijkt te komen, plaatsen die niemand
waardig acht om te bekijken of bij stil te staan. Het zijn de randen, de marges van op het eerste zicht banale ruimtes. Maar precies daar tonen deze
ruimtes hun eigenaardige, vaak onkenbare karakter. Pas in details, vanuit ongewone invalshoeken wordt duidelijk hoe gelaagd deze plekken zijn,
hoeveel verhalen schuilgaan achter hun façades.
Zoveel van wat we zien, zien we eigenlijk niet echt.
We stellen ons geen vragen, kijken niet verder dan onze neus lang is, letterlijk en figuurlijk. Maar
Beyens doet ons kijken naar de voeten van mensen terwijl ze aan het dansen zijn (zouden de bewegingen wel overeenkomen met die van de rest
van het lichaam?), naar de drempel van een biechtstoel (de kleuren van marmeren voet, roze gordijntje en bordeau kniesteun vloeken met elkaar),
naar drie lampen op een rijtje waarvan twee scheef, eentje recht opgehangen zijn aan een houten muur (een bedoeld patroon?).
De fotograaf brengt aan het licht hoe oppervlakkig en achteloos onze dagelijkse blik op de dingen eigenlijk is. Niet alleen hebben we zelden oog
voor detail, ook kijken we meestal recht voor ons uit. Beyens doet dat niet: de camera is vaak naar boven of beneden, in kikker- of vogelperspectief
gericht. Het zijn de gezichtspunten die we doorgaans niet innemen, blikken op plekken waar we geen aandacht aan besteden, in de veronderstelling
dat we toch al weten wat er te zien zal zijn.
Beelden die vragen stellen
Een foto toont een hoek van een kamer onder het dak. De schuine muur blijkt de rechte muur in een curve te raken, naar boven toe is ze gekromd. Merkte
iemand dit ooit op, is het de bedoeling, is het dak slecht geplaatst? Onder de bocht is ook een grote vlek te zien, uitgelopen en donker. Hoe is die er geko-
men, welk ongelukje verbergt ze?
Die muur met de gescheurde poster van Kermit de Kikker erop zouden we elke dag kunnen passeren. Maar zouden we ons ooit afvragen waarom de affiche
er hangt? Wie ze er gehangen heeft, wie ze gescheurd heeft, waarom niemand ze weghaalt? En is dat wel Kermit? Dat toilet gebruiken we misschien dagelijks.
Maar waarom is het schuin in een hoek geplaatst, en niet loodrecht op de muur?
We vermoeden geen mysteries bij het alledaagse, geen verborgen sporen waar we de afkomst misschien niet van weten. Toch is onze realiteit doorspekt met
onregelmatigheden die we niet kunnen uitleggen. Door niet op zoek te gaan naar die barsten, willen we ons beeld van de werkelijkheid logisch en sluitend
houden, want wat we niet zien, hoeven we niet te vatten of te duiden. De latente verhalen die daardoor onbesproken en onverteld blijven, legt Beyens vast
op zijn foto’s.
Blik op unheimlich
Zo komt het unheimliche, het onverklaarbare, het op het eerste zicht onzichtbare in alledaagse beelden naar boven. Doodgewone zaken worden daardoor
soms nog moeilijk herkenbaar. Dit zou mijn slaapkamer kunnen zijn, de garage waar ik mijn auto parkeer, het kantoor waar ik werk, maar gefotografeerd op een
plek waar ik nog nooit gekeken heb.
De foto’s zijn scherp en blinken uit in vreemde, schreeuwerige kleuren en vaak vloekende kleurcombinaties. Ze zijn met helle flitsen belicht, bijna overbelicht,
waardoor de kleuren gesatureerd lijken, en nog feller tonen dan hoe we ze in werkelijkheid zouden zien. Als je iets aandacht geeft, lijken Beyens’ beelden te
zeggen, wordt het van zichzelf opvallend.
According to Ernst Mach, the distinction between sensation and judgment was based on introspection. Optical illusions, however, provided an interesting challenge for the philosophy of psychology. "The expression 'sense-illusion' proves that we are not yet fully conscious, or at least have not yet deemed it necessary to incorporate the fact into our ordinary language, that the senses represent things neither wrongly nor correctly. All that can be truly said of the sense-organs is, that, under different circumstances they produce different sensations and perceptions. As these 'circumstances' now are extremely various in character, being partly external (inherent in the objects), and partly internal (inherent in the sensory organs), and partly interior (having their activity in the central organs), it can sometimes appear, when we only notice the external circumstances, as if the organ acted differently under the same conditions. And it is customary to call the unusual effects, deceptions or illusions." The Analysis of Sensations, London, 1897.
Martin Douven (1898-1973), een selfmadeschilder uit Leopoldsburg, begon in 1928 met de verkoop van eigen schilderijtjes. Later leidde hij zijn kinderen en anderen op in het schilderen aan de lopende band. Na de oorlog groeide zijn onderneming uit tot een schilderijen- én lijstenfabriek met tweehonderd werknemers en een wereldwijde export
Als jongen zat Jef Geys op school met een zoon van Douven, en zo kreeg hij de kans om de fabriek te zien werken. Eind jaren vijftig, toen hij al kunstenaar en leraar was, kreeg hij via zijn schoonvader toevallig een schilderijtje van Douvens werkplaats in handen. Dit doek (een meertje en twee zwaantjes) werd het uitgangspunt van onderzoek naar krachtlijnen in schilderijen: wat maakt een beeld 'aantrekkelijk', en voor wie en hoe?
Zo ontstond een reeks zwarte schilderijen waarop Geys de zwaartepunten geometrisch markeerde.
Hier begon ook zijn onderzoek naar allerlei aspecten van het schilderen zelf: drager, materiaal, helpers en handtekening...
Dit alles vormt, uitgaande van Martin Douven, het onderwerp van deze tentoonstelling.
Turnhout cultuurstad 2012
Kunstencentrum ‘de tweede helft’ plaatst binnen het culturele jaar 94 romboïdes in het Begijnhof. Een vorige tentoonstelling met slechts enkele romboïdes bewees reeds een sterke visuele kracht. Vandaar het idee om het aantal ruimschoots te vermenigvuldigen naar 94 voor een nog grotere impact. Het getal verwijst naar het jaar 1918 toen Marcel Duchamp dit curieus werkje bedacht.
Wij kozen voor het Begijnhof omdat het contrast tussen de strakke geometrische vormen en het historisch decor de visuele beleving versterken. fotosimulaties: Ed Leenders
“Salvation can be found in the illusion of indifference.” in de Tweede Helft, vernissage 7 mei 2011
Tom Woestenborghs
“Salvation can be found in the illusion of involvement.”
In Verbeke foundation, vernissage 1 mei 2011.
“Salvation can be found in the illusion of indifference.”
in de Tweede Helft, vernissage 7 mei 2011.
Cabaretier Freek de Jonge zei ooit in verband met het engagement van de kunstenaar: “Als het goed gaat in een land, heeft een kunstenaar de taak om te ontregelen en vragen te stellen. Als het niet goed gaat, moet de kunstenaar hoop bieden en troosten.” Beide houden een engagement in. Maar kan je hierin een hiërarchie aanbrengen? Is het eerste engagement hoger dan het tweede? In een tijd waarin het maatschappelijk draagvlak voor de kunstensector opnieuw verkleint, lijkt het er op dat kunstenaars zelf opnieuw duidelijker stelling innemen. Maar is dit het engagement dat de kunstenaar moet nemen? Kunstcriticus Rutger Pontzen van de Nederlandse Volkskrant stelt dat kritisch geëngageerde kunstenaars eigenlijk niet bestaan: engagement wil iets bereiken en de maatschappij veranderen terwijl kunst gewoon ís.
In mei gaan er twee tentoonstellingen open met werk van Tom Woestenborghs. Op 1 mei gaat het eerste luik van start in de Verbeke Foundation in Kemzeke: “Salvation can be found in the illusion of involvement.” Vervolgens gaat op 7 mei dan het tweede luik van start in De Tweede Helft in Turnhout: “Salvation can be found in the illusion of indifference.”
De keuze voor een tweeluik is niet toevallig. De titels verschillen maar met één woord van elkaar. Involvement staat tegenover Indifference. Het lijken elkaars tegengestelden te zijn. Maar door tweemaal het woord ‘illusion’ toe te voegen wordt die tegenstelling geneutraliseerd en is ze al veel minder groot dan ze op het eerste gezicht lijkt. De twee tentoonstellingen laten ons de dualiteit van Woestenborghs’ werk zien. De evenwichtsoefening die hij in zijn kunst en in zijn leven telkens opnieuw tot een goed einde moet brengen. Engagement tegenover onverschilligheid. Beiden zijn nodig, maar tot op welke hoogte? Als kunstenaar weeg je steeds af hoe ver je betrokkenheid bij een onderwerp kan gaan. Is vormelijkheid voor de kunstenaar onverschilligheid? Zit het engagement met andere woorden in de onderwerpen? Of is de vormelijkheid en het uitpuren ervan net het engagement dat de kunstenaar moet nemen?
In zijn eerder werk had Woestenborghs de neiging om zaken helemaal uit te benen. Zo werkte hij bijvoorbeeld een jaar lang aan één thema : de ‘ongestoord bezoek’-ruimte in de gevangenis. Zijn recent werk is directer. Woestenborghs vertrekt tegenwoordig van fotomateriaal dat van uiteenlopende oorsprong kan zijn. Zijn interesse gaat hierbij vooral uit naar de kleine dingen die het leven boeiend kunnen maken. Na zijn opleiding in de schilderkunst evolueerde Woestenborghs naar het maken van maquettes en installaties. Dat werden uiteindelijk video-installaties. Maar recent zette hij dus de stap richting lichtbakken. Hierbij gaat hij als volgt te werk: hij maakt zwarte stift tekeningen op een opaal plexiplaat die hij vervolgens 2-zijdig bekleeft met stukjes transparante folie. Zijn hoofdmateriaal wordt het licht. Deze werkwijze verschilt uiteindelijk niet erg van het maken van een schilderij, zij het dat het opbouwen van het beeld bewuster en meer vanuit een analyse gebeurt. Die hele weg heeft de kunstenaar dus afgelegd om uiteindelijk opnieuw schilderkunstige ingrepen te doen. Zijn recent werk krijgt duidelijk een meer esthetisch vertrekpunt, maar ook nu gaat Woestenborghs sociale en politieke statements niet uit de weg. tekst: Annelies Nagels
Matthieu Ronsse, A small image of a performance by a NY straight edge hardcoreband of the eighties painted with oil on a piece of dibound, basically a part of a piece by kris martin called 'one second', 2005. Oil on dibound, 30 x 24 cm. Courtesy Hoet Bekaert Gallery, Ghent. Photo: Alistair Overbruck, Cologne.
Game of boxing oil on canvas 2011 20x30 cm the small format emphasizes the ridiculous act of the fight, the energy of the opponents evaporates in the dark, miniscule tableau while our eye keeps enough distance to minimalize the whole effort.
Schilderkunst is niet dood, in dit boek een mooi divers overzicht met werk van mijn favorieten : Eric Fischl, Georg Baselitz, Gerhard Richter, Martin Kippenberger, Michaël Borremans, Luc Tuymans, Neo Rauch, Vija Celmins...
Na een succesvolle start met de tentoonstelling van Marie Snauwaert, gaat binnenkort alweer de tweede tentoonstelling van start in ‘de Tweede Helft’. Deze keer wordt het een dubbeltentoonstelling van twee Aziatische kunstenaars die in Antwerpen wonen.
Hou Chien Cheng is afkomstig uit Taiwan en werkt aan een doctoraat aan de Academie van Gent. Zijn werk werd onlangs nog geselecteerd voor de canvascollectie in Bozar. Cheng bestudeert in zijn werk hoe we door te lezen niet alleen informatie doorkrijgen, maar deze meteen ook interpreteren op basis van persoonlijke ervaringen. De handeling van het lezen bekijkt hij erg ruim: hij bestudeert tevens hoe wij lichaamstaal ‘lezen’, hoe we proberen om op allerlei manieren uit te drukken wie wij zijn en hoe anderen dit eigenlijk nooit ten volle kunnen ‘lezen’.
De Koreaanse Sim Cha Chi maakt intimistische kleine beeldhouwwerken en tekeningen waarbij ze vooral aandacht heeft voor de plasticiteit van het oppervlak. Ze confronteert vormen die slechts subtiel van elkaar verschillen. Ze toont ook tekeningen van kinderlichamen waarvan delen ontbreken. Bij Sim Cha Chi nemen het kind en de kindertijd een centrale plaats in in haar werk omdat het een periode is waarin het menselijk bestaan het meest kwetsbaar is en waarin de basis gelegd wordt voor het verdere leven.
De twee kunstenaars hebben samen gekozen voor de titel ‘Soup-per’. Deze verwijst naar het Engelse woord voor soep. In de hele Aziatische wereld neemt eten een veel prominentere plaats in in de communicatie tussen mensen dan in onze Westerse maatschappij.
Turnhout krijgt opnieuw een galerie die radicaal kiest voor jonge hedendaagse kunst. De naam van de galerie ‘De Tweede Helft’ is een verwijzing naar de locatie waarin de galerie zich bevindt, namelijk het ontwerpburo Atelier 20+03 waarin de galerie dus letterlijk de tweede helft van de ruimte inneemt. Dat deze naam ook de titel is van het boek waarin Ad de Visser op een heldere en niet van humor gespeende manier het verhaal vertelt van de beeldende kunst van de laatste vijftig jaar, voegt er nog een extra dimensie aan toe.
Marie Snauwaert: “They say it doesn’t hurt”
van zaterdag 18 september 2010 t.e.m. zondag 31 oktober 2010
Opening : zaterdag 18 september om 19.30 uur
Marie Snauwaert (°1979) is de eerste die in ‘De Tweede Helft’ tentoon stelt. De jonge kunstenares werd in Turnhout geboren en bracht hier ook haar jeugd door, maar momenteel woont ze in Gent. Marie Snauwaert studeerde in 2008 af aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten (HISK) dat de laatste jaren heel wat opkomende talenten in de kunstwereld lanceerde. Daarvoor al studeerde Marie fotografie aan de Gentse Academie.
In haar kunst vertrekt Marie van haar eigen observaties, vaak van kleine alledaagse dingen. Ze wordt geïnspireerd door het menselijk gedrag en de intermenselijke relaties. Het medelijden, de verbazing of de irritatie die ze voelt wanneer ze bepaalde zaken observeert zetten haar aan het werk. Het onbetekenende moment tussendoor, waarop je denkt dat niemand je ziet, dat moment interesseert haar, het vertelt iets over jou en over degene die jou gadeslaat.
In ‘De Tweede Helft’ gaat Marie aan de slag met de ruimte zelf. Ze doet dit op zo’n manier dat je als kijker gedwongen wordt om bepaalde posities in te nemen (letterlijk). Ze stuurt jouw ervaring van de ruimte. Daarnaast toont ze ook recente foto’s en videowerk waarin je haar scherp observatievermogen kunt zien. Op de avond van de opening nodigt Snauwaert operazangeres Katrine Druyts uit. Deze docente zang aan het conservatorium van Antwerpen is ook afkomstig uit Turnhout. De openingsavond is dus een echte aanrader.
In de nabije toekomst nodigt ‘De Tweede Helft’ ook nog Evelien Gysen uit, Tom Woestenborghs en komt er een dubbeltentoonstelling van twee Aziatische kunstenaars, Sim Cha Chi en Hou Chien Cheng. Meer informatie over ‘De Tweede Helft” en “Atelier 20+03” is te vinden op HYPERLINK http://www.twintigplusnuldrie.be www.twintigplusnuldrie.be.
Openingsuren: donderdag, vrijdag en zondag van 13.30 tot 16.30 uur, of op afspraak.
Nog in de diepvriezer, hopelijk in 2012 eruit: een project ism Kris de Hoon en vzw de Tweede Helft, 100 romboïdes die het historische landschap kleuren in de beslotenheid van dit culturele erfgoed. De moderne geometrische stalen vormen zullen contrasteren maar ook symbioseren in dit kader. Twee vergeten foto's van 6 op 6 cm van Duchamp vormden de inspiratiebron tot een echt uit te voeren werk.Duchamp tekende met potlood een piramide en z'n spiegelbeeld op 2 foto's met zeezicht. Door stereoscopische glazen schijnen deze figuren te drijven op de zee. Een gedrukte reproduktie was bijgevoegd bij The Box in a Valise in 1941. Het originele werkje bevindt zich nu in het MoMa New York.
TOM LIEKENS
Menschen, Tiere, Sensationen
Tot 1 augustus kan je in de Warande een tentoonstelling bezoeken van de jonge schilder Tom Liekens. De laatste tento voor de verbouwingen van de exporuimte, zeer aan te bevelen.
Friet met mosselen en een schaakbord, wat moet een mens nog meer....
(Het bord is verkeerd geplaatst, Duchamp haalde dit grapje ook uit op een van z'n laatste foto's)
Vic Gentils werd opgeleid als schilder maar is vooral bekend om zijn geassembleerde sculpturen. Hij beeldhouwt of snijdt zijn vormen niet zelf, maar stelt ze samen uit gevonden onderdelen, veelal in hout: houten lijsten, piano-onderdelen, meubelornamenten. Of een megagroot schaakspel voor de liefhebbers...
Pastis is een aperitief op basis van steranijs en kruidenextracten, dat met name in Frankrijk populair werd na het verbod op absint. Het alcoholpercentage ligt tussen de 40% en 45%. Voor consumptie wordt er koud water aan toegevoegd, waarbij de karakteristieke troebeling ontstaat.
Het Provençaalse woord pastis betekent zoiets als mengsel. De drank pastis vindt zijn oorsprong in de haven van Marseille, en de kruiden van het land weten zich er in verenigd met de kruiden en specerijen uit het Oosten (zoethout, anijs).
oil on canvas 2008 100x100
Guido van der Werve : Kings Gambit Accepted, the Number of Stars in the Sky & Waiting for an Earthquake
Kunstenaar Guido van der Werve maakt korte films, waarin hij vaak zelf de hoofdrol speelt. Zijn nieuwste film, het 42 minuten durende Nummer twaalf vormt daarop geen uitzondering. Hoewel een rol spelen misschien een verkeerde omschrijving is. Hij loopt door het gekreukelde landschap van de St. Andreas breuklijn in Califonië, hij beklimt de desolate vulkaan Mount St. Helens in de Amerikaanse staat Washington en hij speelt een partij schaak in de Marshall Chess Club in Manhattan.
De film draait volgens Van der Werve ‘om drie onoplosbare oneindigheidsvraagstukken’ die in de drie scènes aan de beurt komen, ‘het romantische koningsgambiet, het stemmen van een piano, en het tellen van de sterren aan de hemel.’ Het schaken vormt de leidraad door het geheel. Nadat de schaakclub uit het gezicht is verdwenen blijven de zetten van de partij ook tijdens de andere scènes in beeld verschijnen.
Romantiek
Romantisch is de associatie die je krijgt bij Nummer Twaalf. Man in eenzaam landschap, hebben we daar niet Caspar David Friedrich, de grootmeester van de Duitse romantische schilderkunst? En het koningsgambiet doet je denken aan de negentiende eeuw, de meest romantische periode van het schaakspel.
Speciaal voor deze film bouwde Guido van der Werve een schaakpiano. Onder het schaakbord is een mechaniek aangebracht, waardoor elk van de 64 velden tegelijkertijd dienst doet als pianotoets. Iedere zet produceert een noot, de partij vormt een compositie die dient als filmmuziek. Het doet denken aan de partij die Jan Timman en Hans Ree ooit speelden, naar een idee van John Cage. Daar vormde het indrukken van de schaakklok de compositie.
Belgisch surrealisme op z'n best: Mariën en Magritte
Marcel Mariën was pas zeventien jaar oud toen hij in 1937 kennis maakte met Magritte. Hij had alles om de schilder te bekoren: zijn jeugd, zijn enthousiasme voor het surrealisme dat hij pas had ontdekt, zijn briljante geest. Hij was schrijver en maakte collages waarin hij woorden en beelden vermengde. De twee kunstenaars konden het meteen met elkaar vinden, en al gauw behoorde Mariën tot de vriendenkring van de schilder en nam hij deel aan de activiteiten van de surrealistische groep. In 1943 publiceerde hij de eerste monografie over Magritte. Zij schreven samen de anonieme pamfletten L’Imbécile, L’Emmerdeur en L’Enculeur (1946). De vriendschap bekoelde in 1954, toen Mariën het driemaandelijkse tijdschrift Les Lèvres nues uitbracht. De meningsverschillen met Magritte, die sinds 1952 La Carte d’après nature publiceerde, werden al te duidelijk en ten slotte liepen hun wegen uiteen. In 1962 verspreidde Mariën een zogezegd pamflet van Magritte, Grande Baisse (Forse koersval), een vlijmscherpe farce waarin de schilder, meegesleept door zijn succes, een uitverkoop van zijn schilderijen aankondigde. Daarmee was hun vriendschap definitief ten einde.
Cage raakte bevriend met Marcel Duchamp, Duchamp was een zeer fanatiek schaker (vrienden spraken erover dat hij zijn schaakpartij nodig had zoals een baby de fles) en was door zijn dagelijkse training en zijn studies van de partijen van schaakmeesters op een professioneel niveau geraakt. Klassieke openingen waren niet aan hem besteed: hij probeerde zichzelf zo weinig mogelijk te herhalen.
In 1968, toen Duchamp aan het einde van zijn leven was, speelden de twee een schaakpartij die onderdeel was van een performance van Cage, genaamd 'Reunion'. Hierbij fungeerde een elektronisch geprepareerd schaakbord als mengpaneel voor de elektronische input die geleverd werd door verschillende musici (vandaar 'reunie'). Bij elke zet werd het kanaal van een artiest aan- of uitgezet. Ze speelden totdat de musici een voor een waren weggegaan. Cage won.
Dat gebeurde overigens niet vaak: Cage, die het spel pas een tijdje daarvoor van Duchamp had geleerd, speelde heel slecht. Duchamp vroeg hem ook veelvuldig of hij ooit wel eens speelde om te winnen. Dat was niet zo. Waarom zou je ook moeten winnen, als Zen-Boeddhist?
Foto boven: v.l.n.r. Cage, Duchamp en diens vrouw Teeny (Alexina);
Misverstand
Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed
waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
die je met een handvol hopeloze idioten deelt,
een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt
en 's nachts - een heelkunst is het niet.
De kamer blijft een kamer, het bed een bed.
Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets
wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.
---------------------------------------
uit: 'Zwart als kaviaar', 2001.
Dinsdag 4 juli 1989 valt een MIG 29 op een woning in Bellegem waar net een student ligt te slapen na een examen. Het is 11 u lokale tijd .Het prototype had motorpech gekregen boven de Baltische Zee, waarna de piloot zijn schietstoel gebruikte. om onbekende reden sloeg de motor terug aan en zette het toestel richting westen, naar de Doornikserijksweg in Bellegem.
Oil on canvas 50x70 2009