Foto
Websites
  • EVA
  • Arnon Grunberg
  • The Montgolfier Brothers
  • Sigur Ros
  • Iron and Wine
  • Motek
  • The National
  • The Notwist
    Archief per maand
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 02-2012
  • 09-2011
  • 04-2011
  • 12-2010
  • 09-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
    blog vir

    25-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    25 maart 2008

    Hugo Claus is dood. En niet zomaar dood. Hij is geëuthanaseerd. Of beter: hij liet zich euthanaseren. Of misschien: hij deed zich euthanaseren. Hij gaf die opdracht. Hij zei: ik wil dit ellendige leven in dit lamentabele lijf niet meer. En omdat anderen vonden dat hij recht van spreken had, kreeg hij zijn zin.

     

    Kardinaal Danneels zegt hierover het volgende: “Door zomaar uit het leven te stappen, antwoordt men niet op het probleem van lijden en dood. Men loopt er in een boog om heen en omzeilt het. Omzeilen is geen heldendaad, geen voer voor frontpaginanieuws.”

     

    Stel je voor dat Danneels had gezegd: “Als Claus uit het leven wil stappen, dan is dat zijn volste recht. Als hij het leven maar niets vindt, dan juich ik het toe dat hij er zich van bevrijdt.” Daar zouden we pas raar van opgekeken hebben. Voor veel gelovigen zou het hebben geleken alsof Danneels met volle kracht een fluim in het gezicht van God spoog. Als God de enige is die over leven en dood mag beslissen, dan zou het van hoogmoed getuigen daar zelf in te beslissen.

     

    Als ik op dit punt gekomen ben, rijzen er onvermijdelijk een aantal vragen in me op. Ik krijg er zelden antwoord op, en het zou me verbazen als dat te maken had met het feit dat ik bijna nooit naar eucharistievieringen ga:

    a.       Als God de schepper van alle leven is, waarom heeft hij ons dat zo geschapen dat we de mogelijkheid hebben om onszelf en anderen te doden? Waarom bevinden de aan- en uitknop zich niet enkel in de hemel?

    b.      Als God ons die mogelijkheid heeft gegeven omdat hij op die manier objectiever kan oordelen over onze goedheid, maakt dat van hem dan geen sadistische God? Waarom zouden wij moeten lijden om de hemel te mogen betreden? Wat voor eer valt daarmee te verdienen?

     

    Ik wil niet geloven in een God die menselijk leed beschouwt als de lakmoesproef om na te gaan of iemand het waard is zijn rijk te betreden. Ik vind dat een gevaarlijke god, een irrationele god, een willekeurige god, en ook: een god die zelf nooit geleden heeft. Van zo’n god negeer ik adviezen over hoe ik mijn leed moet dragen, zoals ik niet luister naar beleggingsadviezen van daklozen.

     

    Hoe komt het dat zo’n godsdienst zoveel aanhang kende, en dat er zelfs nu nog betrekkelijk veel intelligente mensen haar blijven verdedigen? Toevallig las ik vanochtend, toen ik een banaan met speculoospasta zat te eten (ja, J., banaan met speculoospasta), in een oude Eos (januari 2007) een lezersbrief van Jos Mees uit Mortsel. Daarin staat:

     

    Misschien heeft het iets te maken met een darwinistisch principe: overlevingsdrang. Het lichaam en dus ook het brein is ingesteld op overleven. Alle religies hebben, voor zover ik weet, als lokkertje een of andere vorm van overleven na de fysische dood en dat verklaart misschien hun succes. Een ander punt is dat het brein ons soms bedreigt en oplossingen zoekt voor problemen die ons anders gek zouden maken. Er zijn zaken die we liever niet willen weten. Niet iedereen kan leven met de idee dat als de hardware in ons brein het laat afweten, de software die al jaren opgebouwd werd, gewoon verloren gaat. We troosten ons dan misschien met de idee dat er een opperwezen is dat back-ups heeft die later kunnen teruggezet worden. En dat ook zal doen als we ons aan de voorschriften houden.

     

    Claus heeft zich niet aan de voorschriften gehouden en mag het dus wel vergeten: zijn back-ups worden bij het groothuisvuil gezet. En hier is het belerende vingertje voor iedereen die met hetzelfde idee speelt als Claus: doe het niet, laat je software niet verloren gaan, loop niet het risico dat je voorgoed verdwijnt. Lijd.

     

    Of lees er nog eens Darwin op na en bepaal zelf wanneer het genoeg is geweest.


    >> Reageer (3)
    21-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    21 maart 2008

    Maart, juni, september en december: het zijn de maanden waarvan ik op de 21ste verrukt wakker schrik zoals ik vroeger wakker schrok op die zeer korte en zeer lange zaterdagen waarop ik J. zou zien, en me op mijn andere zij draaide om alleen te zijn met mijn gedachten. Kom maar op, dacht ik dan, overval me maar, haal maar je sterkste wapens boven en je lafste trucs. Terg me maar, door dagen zo uit te rekken dat ik er het einde niet meer van zie, of ze zo kort te maken dat ze voorbij zijn in een vingerknip. Het kon me niet schelen; de trein die ik zou nemen wachtte wel op mij, en de hele rit lang kon ik me voorstellingen maken en alleen dat al volstond.

     

    Het wordt altijd maar vroeger licht, en het licht valt door de gordijnen naar binnen en haalt me moeiteloos uit mijn slaap. De eerste seconden zie ik nog de schaduwen uit mijn dromen en ik wil ze de kamer uit gillen, maar zodra ik rechtop ga zitten in het bed, lossen ze op. 5:14 zegt de wekker. Of: 6:07. Er is nog tijd om te gaan liggen en ze terug te roepen, de lange schaduwen met hun rare talen. Ik tel die tijd af, maar ik haal de honderd nooit, want als ze komen, draait de wereld een kwartslag en gelden andere wetten. Geen zwaartekracht of wet van de traagheid. Ik ben zo licht dat het ondraaglijk wordt en als ik niet met mijn beide voeten in de kniehoge modder vastzat, zou ik sneller zijn dan mijn eigen licht.

    Iemand slaat zijn vuist door het raam tussen mij en die wereld, en in het versplinterde glas zie ik eerst de kamer die nu zo licht is dat je de details op de kleren in de kast ziet, en daarna por ik J. wakker want de wekker moet af. 7:10 is het nu; ik heb precies 50 minuten om de slaap uit mijn ogen te wrijven, mijn honger te stillen en de geur van de lakens van mijn gezicht te wassen. Het is lente, ook dat nog. Vandaag is de dag die niet lang en niet kort is, het vrolijke zusje van 21 september, de modaalste dag, de triviaalste dag, maar zo ziet het er niet naar uit: de regen gutst naar beneden en als ik het keukenraam open, waait een krachtige windstoot de waakvlam bijna uit.

     

    Ik trotseer diezelfde wind, maar opgewekter word ik er niet van. Mijn broek kleeft aan mijn benen en ik merk dat mijn schoenen bijna verzadigd zijn; straks voel ik er de regen doorheen en dan duurt het niet lang meer voor ik het gevoel heb dat ik met blote voeten in een ondergelopen weide loop. Maar het kan erger; ik heb mijn handschoenen en muts aan de kapstok laten hangen en dus vriezen mijn vingers en oren er bijna af.

     

    Maar het kan me niet deren. De eindspurt is al ingezet. Voor ik het weet word ik wakker en zie ik dat de allerlangste dag al in de gordijnen hangt. Ik kleed me aan, ik loop naar buiten, de zon schijnt recht in mijn gezicht en aan de overkant van de straat wandelt Derrida met een kapotte paraplu. En ik roep: “Hé, Derrida, hierheen, hier moet je zijn, weet je dan niet dat ik al die jaren op je gewacht heb.” En dan draait Derrida zich om en glimlacht. En hij zegt iets wat ik niet versta, maar dat verhaal hebben we al gehad.

     

    Er zijn geen betere verhalen dan dat verhaal.

     


    >> Reageer (0)
    09-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    9 maart 2008

     

    Daarnet heb ik de ramen gelapt. Ze waren vuil, dacht ik. Toen ik in de weer was met mijn spons, merkte ik dat ‘vuil’ een understatement was. Na elk raam dat ik schoonmaakte, kapte ik een halve emmer ongelooflijk smerig, zwart, vettig water weg. Wat er overblijft van uitlaatgassen als je de lucht wegneemt.

     

    Ik vind dat het niet aan mij is om die ramen te lappen. Tenslotte ben ik het niet die elke dag met een auto rondsjees, onder wat voor excuus dan ook. Vandaar dat ik voorstel dat iedereen die regelmatig (lees: meer dan een keer per week) de auto neemt, mijn ramen komt lappen. Een keer per maand volstaat, ik wil gerust een beurtrol opstellen. Inschrijven via dit blog. Wie in een 4x4 rijdt, mag 16 keer zoveel komen.

    >> Reageer (6)
    07-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    7 maart 2008

    Hoewel ik geen enkele Latijnse zin meer kan vertalen, of het zou om een uitdrukking moeten gaan die iedereen wel eens gebruikt (cogito ergo sum, nec plus ultra, sine quod non), heb ik zes jaar lang Latijn gehad. Mijn ouders vonden dat wel een geschikte richting voor mij, toen ik elf was. Ik kan me niet herinneren voor mijn veertiende zelfstandig te hebben gedacht, dus zat ik op 1 september 1992 in 1A1, een klas vol leerlingen van wie de ouders hetzelfde hadden gedacht.

    In 2A7 kwam daar ook nog eens Grieks bij. Grieks vond ik wel leuk, vooral door het andere schrift, want voor de rest leek het op Latijn.

    In 3.1 viel Grieks weer weg, want in het derde jaar waren er te weinig leerlingen die Grieks verder wilden volgen.

    Voor ik naar de derde graad ging, heb ik lang nagedacht over de vraag of ik Latijn zou blijven volgen. Die naamvallen kwamen me toen redelijk de strot uit. In de teksten die we moesten vertalen viel ook geen moer te beleven.

    Maar ondanks al die bezwaren belandde ik in 5.2d of lawie-acht, zoals ik en mijn twee klasgenoten de richting noemden. We waren maar met drie, ja, door de vreemde combinatie die Latijn met acht uur wiskunde bleek te zijn. Het volgende jaar waren ze nog met 2, toen kwamen de matrices mijn strot uit en was ik niet te beroerd van richting te veranderen. 6.3c was een richting vol Latinisten die aan 6 uur wiskunde genoeg hadden. Ik vervoegde hen, maar niet van harte. De wiskunde was aan de makkelijke kant, maar dat kwam doordat ik een ander tempo gewoon was. Ik maalde er ook niet om. Ik keek tijdens de lessen wiskunde heel veel naar F., die schuin voor me zat. Maar tijdens Latijn zat ik vooraan.

     

    In Latijn deden we een heel jaar lang maar één iets. Teksten vertalen. Over oorlogen. En als we geluk hadden over verliefdheid. Ik kon een handvol woorden vertalen, en dat was het. Wat ik in die richting deed, wist ik niet. Ik bakte er elke dag minder van. En de ramp was: de leerkracht Latijn duidde ons aan om een Latijnse zin te vertalen. Eén moment van onoplettendheid en hup, je had het vlaggen. En die Latijnse zinnen waren geen 1, geen 2, zelfs geen 3 regels lang. Neen, het ging om volzinnen van 12 pagina's die je tot op 47 vlakken kon ontleden.

    Ik wou niet vertalen. Ik wou het niet in september en ik wou het niet in juni, en ook in al die maanden die daartussen lagen ging ik nog liever naar de tandarts dan dat ik moest vertalen in Latijn. Maar ik had mijn trucjes. Mijn trucjes waren mijn reddingsboei. Ik ben erin geslaagd dat hele schooljaar maar drie keer te vertalen. Drie! Terwijl het klasgemiddelde toch rond de 60 gelegen moet hebben (bijna 1 keer per les).
    Als er vertaald moest worden, ging de leerkracht op de trede staan, hij riep 'vertalen!' en begon nerveus in zijn handen te klappen. Dat deed hij al-tijd. En er was nooit iemand die spontaan voorstelde een stuk te vertalen. Iedereen boog zich zeer diep over de tekst en vermeed oogcontact. Maar dat werkte niet, had ik het jaar daarvoor ingezien. Ik had een ander plan.

     

    Ik liet mijn metalen lat vallen (wat een kabaal!), ik begon heel uitvoerig mijn neus te snuiten, ik maakte mijn balpen kapot zodat er overal inkt op spatte, ik zette een hoestbui van anderhalve minuut in, ik begon in mijn rugzak te rommelen of ik stelde een vraag aan mijn buurmens. Dat was het arsenaal trucjes dat ik had bedacht en het wérkte. Als ik ze allezes had doorlopen, begon ik weer van vooraf aan: lat, zakdoek, balpen, hoestbui, rugzak, buurmens. En weer opnieuw. En dan was de les ineens gedaan en haalde ik opgelucht adem. 

     

    Gisteren in de Franse les deed ik het ineens ook. Ik schrok me een aap. Er moest een stuk gelezen worden met heel veel getallen, en daar had ik geen zin in. Ik begon in mijn rugzak te rommelen. Daarna was het hek van de dam. Telkens de docent vroeg wie wou lezen, haalde ik een van mijn trucjes boven. Het was een neurose. Ik wou ermee stoppen en vragen of ik mocht lezen, maar het lukte niet. Ik was ineens weer zeventien jaar. 

     

    Ik vraag me af of het vanaf nu altijd zo zal gaan. Tijdens de grammatica-oefeningen heb ik totnogtoe altijd ontzettend goed meegewerkt, maar stel je voor dat het virus zich uitbreidt. Lat, zakdoek, balpen, hoestbui, rugzak, buurmens (in dit geval J.). Dan kan ik maar beter stoppen.

    Soms kan opnieuw zeventien jaar zijn toeslaan als een ziekte die je dacht met heel veel medicamenten onder controle te hebben.

    >> Reageer (3)


    E-mij


    Gastenboek


    Er was bij enkele omstaanders een vorm van gefrons, dat wel. Maar niet overdreven en niet op grote schaal.
    De concurrenten
  • J.
  • E.
  • L., de jonge vrijgezel
  • L., het meisje
  • N.
  • K.
  • J.,J. en J.
  • J., de broer van K.


  • Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!