Foto
Websites
  • EVA
  • Arnon Grunberg
  • The Montgolfier Brothers
  • Sigur Ros
  • Iron and Wine
  • Motek
  • The National
  • The Notwist
    Archief per maand
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 02-2012
  • 09-2011
  • 04-2011
  • 12-2010
  • 09-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
    blog vir

    15-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    15 januari 2008

    Ik had weinig geslapen. Omzeggens niets. De wind floot in de kieren van ons appartement dat er elke dag valer en kleiner begon uit te zien. Ik had niets gegeten, alleen drie glazen rode wijn gedronken om te kalmeren. Wat een halfuur hielp, en daarna niet meer. Ik lag te luisteren naar de harde, hoge fluittoon van de wind die door de kieren, spleten en gaten van ons appartement gierde. Mijn oordopjes bleven niet zitten. Ik piekerde, ik vroeg me af wat er was gebeurd dat ik er mijn slaap voor liet. En wat er nog zou volgen. Ik moest nog 17 uur wachten. Misschien langer. Tegen de ochtend schoot ik verward wakker. Ik mocht nog een uur blijven liggen terwijl J. een douche nam, maar ik lag een uur te denken: ik moet opstaan, deze dag beginnen, afleiding zoeken, verhinderen dat ik mijn te korte nagels nog verder afbijt en daarna aan mijn lippen begin.

     

    We waren te laat. Ik was te versuft om me zorgen te maken om de snelheidswijzer die meer dan 140 km/u aanduidde. Toen ik de powerpointpresentatie wou opstarten, meldde mijn computer dat er een fout was en hij de presentatie niet kon lezen. Ik probeerde het opnieuw. Weer niets. En opnieuw. Niets. Toen kwamen A. en M. binnen. Ik wist niet eens dat A. mee ging zijn. Ik dacht: hier sta ik dan, de eerste keer dat ze komen kijken naar een lezing en ik krijg de juiste presentatie niet open.

     

    In de auto op weg naar Brussel was ik doodongerust dat ik mijn normale, vrij rustige tempo van nadenken niet meer terug zou kunnen halen. Paniekgedachten tuimelden door mijn hoofd. Mijn mond was kurkdroog en ik dacht aan stookolie. Gitzwarte, dikke stookolie. In het begin hielp het heel lang en geconcentreerd aan stookolie te denken. Maar ook dat ging voorbij.

     

    Het is raar dat je je hele leven denkt: wat maakt het uit, we zullen er met een huurhuis of -appartement ook wel geraken, ons plezier zal er niet minder om zijn en onze zorgen niet groter. En dan plots merk je dat je in je hele leven nog niet zo zenuwachtig geweest bent, en dat gewoon omdat iemand anders meer zou kunnen bieden dan jij. Het is absurd, het is grotesk, en toch is het zo. Ik kan me erover schamen, ik kan er misschien dus ook beter over zwijgen, en toch is het zo.

     

    Ik kom thuis, ik eet een hap, ik denk: ik heb geen honger en ik kijk om de 7,5 seconden op mijn horloge. Het wordt 19u00. Ik neem nog een hap en ik vraag aan J. of we zelf niet moeten bellen. Wacht nog 5 minuten, zegt J. Het worden hele lange minuten. Ik vraag me af of J. ook zo zenuwachtig is. Moeilijk te zeggen, hij straalt dezelfde kalmte uit als altijd. Ik daarentegen tik mijn vingers in de knoop op het houten tafelblad. J. zegt: glimlach eens. Maar hoe ik ook probeer, ik glimlach niet.

     

    De telefoon gaat. Het is 19u10.

     

    We zijn een minuut later en J. ontkurkt de champagnefles die al 4 maanden koud staat in de frigo. En ja, dat is dan blij zijn, opgelucht zijn, verbaasd zijn, gelukkig zijn, bijna niet weten welke woorden van toepassing zijn en zeggen: ik ben nog wel één keer gelukkiger geweest, ja, één keer.

     

    Dus: vanaf 1 september tik ik de teksten voor deze blog niet meer in in de K.A.-laan 53 in G., maar in de K.-straat 56 in K.-L. Een heleboel afkortingen. Wie het liever wat concreter heeft: de foto die bij deze post staat, is een foto van de tuin die bij het huis hoort dat binnenkort van ons is.


    >> Reageer (4)
    09-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    9 januari 2008

    In het boek dat ik aan het lezen ben, staat onderaan p.175 en bovenaan p.176:

     

    Het leven geeft geen zier om het individu. In een poging zich niet door het leven te laten uitvlakken verkiest het individu soms om te verongelukken in de liefde. Het zoekt bestemming in een unieke en grootse liefde en liefst nog in een onbeantwoorde liefde, want alleen in de onbeantwoorde liefde ga je werkelijk uit de bocht en krijgt je lot het explosieve, vlammende allure van een onvergetelijke crash… De onbeantwoorde liefde is de rit die nooit wordt uitgereden, het verhaal dat nooit ter wereld komt maar wordt afgebroken voor het verslappen kan tot een banale allemansgeschiedenis…

     

    Ik denk dat ik dit bedoelde toen ik in september 2004 dit schreef:

     

    it’s the same all over. ik kan geen enkele van die momenten terughalen. ik zou me eruit willen sleuren, roepen: kijk, kijk dan toch, me die foto van jou tonen, me hard in het gezicht slaan, zeggen dat ik moet ophouden met huilen, me troosten, er is een vorm van troost nu, een foto waarop je staat en waar ik altijd afschuwelijk ziek van genot en jaloezie van word. me daar dus uitsleuren en me hier zetten, me gebieden dat ik moet geloven dat het kan. het is niet altijd hetzelfde.

     

    Die foto, die heb ik nog altijd. Hij zit in Lolita, samen met een lege verpakking van kauwgum waarop geschreven staat: over vlees, over meelzakken, over rechtlijnigheid in de dood van de creativiteit, over de verrechtsing van de norm, over gebrekkigheid, over het gevaar van hoop. Dat waren onderwerpen waar ik toen dringend een tekst over moest schrijven. Maar ik schreef niet veel in die tijd. Er zit ook een naamkaartje in waarop staat ‘Bart D’haenens, Katholieke Hogeschool Sint-Lievens’. Ik ken die Bart D’haenens niet. En dan dus die foto. Er staat een datum geprint op de achterkant: 04/12/01. Op de voorkant staat J. en hij kijkt naar iets wat buiten de lens ligt. Hij lacht een beetje. Hij draagt een blauw hemd en een zwarte jas en zijn haar zit in een staartje. Op de achtergrond staat een soort tekentafel die rechtopstaat, iets wat architecten gebruiken. Ik kende J. toen nog niet. Hij ziet eruit als iemand waar ik mijn slaap voor zou laten. Dat deed ik ook, alleen waren we toen al enkele jaren later. Maar niet dat ik dat zoveel jaren later zou doen, maar dat ik J. toen nog niet kende is nu van belang. Wat ik voel als ik naar die foto kijk, is niet de opluchting dat alles uiteindelijk goed is gekomen, is niet het geluk dat hij nu bij mij woont. Het is jaloezie. Het is de jaloezie die ik als zestienjarige voelde, continu, zonder directe aanleiding, zonder hoop op beterschap. Het is de jaloezie waar ik mee opstond en mee ging slapen. Het is de jaloezie die gevoed werd door alle momenten waarop ik S. of een van zijn klonen met een ander zag staan keuvelen, op de speelplaats, in een fuifzaal, op straat. Het is het feit dat ik toen mijn lippen kon kapotbijten van jaloezie.

     

    Ik kan geen enkele van die momenten terughalen om me te troosten en te zeggen dat het uiteindelijk wel goed zou komen. Maar bovenop die jaloezie en dat sentimentele zelfmedelijden (en misschien een zweem leedvermaak) voelde ik nog iets anders. In die onbeantwoorde liefde ging ik werkelijk uit de bocht en kreeg mijn lot het explosieve, vlammende allure van een onvergetelijke crash. Ik plagieer dit niet omdat ik me nu benadeeld voel met mijn beantwoorde liefde. Ik plagieer dit omdat ik geloof in een oorzakelijk verband. Zonder het explosieve allure van mijn vroeger onbeantwoorde liefdes zou ik dit niet tikken, en ik zou die foto van J. gewoon in het fotoboek geplakt hebben, waar hij volgens virs neurotische drang tot opgeruimdheid thuishoort. Maar ik laat hem zitten in Lolita (Lolita, mijn levenslicht, mijn lendenvuur.) en om het halfjaar sta ik me toe ernaar te kijken. Me een beetje ziek te voelen worden omdat het zo leuk is eraan te kunnen genezen. (Daar is de gek uit het grapje weer.)

     

    Ik denk niet dat Yves Petry het zo bedoeld heeft. Hij bedoelde er waarschijnlijk mee dat gelijk welke liefde vroeg of laat een allemansgeschiedenis wordt, een afkooksel van de verwachtingen in het begin. Hij ziet eruit als iemand die er zo over denkt. (Er staat een foto op de achterkant van het boek en hij heeft wiskunde en filosofie gestudeerd.) Maar ik weiger dat te geloven. Ik zal er niet aan toegeven. Dus berg ik die foto, de kauwgumverpakking en Bart D’haenens weer op waar ze werkelijk thuishoren en begin ik deze dag. 

    >> Reageer (0)
    05-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    5 januari 2008

    Ik denk dat ik mijn kwaadheid kwijt ben.
    Ik denk dat anderen daar blij om zullen zijn, maar ik allerminst.
    Ik wou dat ik er kwaad om kon worden maar ik zit maar wat te suffen met 'Dance Party in the Balkans' van Alaska in Winter zéér, ja zéér luid.

    >> Reageer (2)
    01-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    1 januari 2008

    Stel dat je bij je geboorte de keuze krijgt: leven of in een coma gebracht worden waarin je 100% gelukkig bent. Wat kies je dan?

     

    Daarover hielden we vrijdagavond een uitgebreide discussie. De anderen zonder enige remmingen, ik voortdurend gehinderd door de koppijn waar ik nu al een maand last van heb. Het bleek een hele opgave de premisse aan te nemen; bestaat 100% geluk? Hoe kan je gelukkig zijn als je nooit ongelukkig bent? Gaat dat soort geluk niet snel vervelen? Neen, want dit hypothetische geluk is puur en onversneden. Er is geen plaats voor verveling of gewenning.

     

    Dan nog bleek het geen eenvoudige keuze. Na wat heen-en-weer-geargumenteer leek de vraag hierop neer te komen: wat primeert, de drang naar geluk of de drang te leven? Evolutionair bekeken lijkt geluk toch vooral een middel om onze drang te leven in stand te houden. Een peppil, een zoethoudertje, lokaas. Maar evolutionair bekeken zijn het waarschijnlijk onze genen die ons sturen, en niet andersom. Zou het dan niet kunnen dat voor ons geleidelijk aan de drang naar geluk is beginnen primeren op de drang te (over)leven?

     

    Hoe primitiever de levensvorm, hoe gebrekkiger de beleving van geluk. Voor genen kan geluk onmogelijk de belangrijkste drijfveer zijn, want ze hebben geen zintuigen om geluk waar te nemen en geen bloedbanen om de endorfines, serotonines, adrenalines en dopamines doorheen te leiden. Ze zijn dus zo geprogrammeerd dat ze in eerste instantie willen overleven. De mens blijkt al snel een goede gastheer, want die ontwikkelt zoveel verstand dat hij de andere diersoorten ver achter zich kan laten qua overlevingskansen. Het enige probleem is dat hij door die fiks toegenomen overlevingskansen zo verwend is geworden dat hij zich steeds meer is gaan toeleggen op een aangename invulling van dat moment tussen geboorte en dood. Hij wil van het begin tot het einde genieten. Dat wil hij na verloop van tijd zo graag dat die stimulans is gaan primeren op een veel primitievere drijfveer: de wil te overleven.

     

    Daar zitten onze genen nu, gevangen in een lichaam dat bereid is zich te zelfmoorden als dat geluk niet snel in dichte drommen op ons af komt gevlogen. Want is dat niet zo? Wie zou de trekker niet overhalen met de absolute zekerheid dat er geen greintje geluk meer op hem ligt te wachten? Of is het louter toeval dat de mensen vroeger vrijwel nooit zelfmoord pleegden, en dat het nu doodsoorzaak nummer één is bij de groep tussen 25 en 40?

     

    Is dat erg? Moeten we uit medelijden met onze genen wat meer doorheen de zure appel van verveling, onrust en onverschilligheid leren bijten? Onlangs hoorde ik een man van vijftig op TV praten over zijn geloof. Ik denk dat hij gelukkig was, die man. Hij had een god gevonden die van hem de verantwoordelijkheid had overgenomen zelf op zoek te gaan naar een reden om te leven. Hij ging naar de mis en bad. Zijn genen zaten gebeiteld natuurlijk. Van zijn god mocht hij helemaal geen zelfmoord plegen, uit eerbied voor het leven.

     

    Ik zou die pil kiezen. Om te beginnen loop ik niet hoog op met genen. Ze zijn egoïstisch en ontzien niets en niemand. Ten tweede kan het me niet schelen dat we zo zijn geëvolueerd dat we geluk meer zijn beginnen appreciëren dat het leven zelf. Het is niet beter of slechter.

     

    En toch voel ik me ook ongemakkelijk als ik toegeef dat ik die pil zou nemen. Het voelt een beetje als verraad. Maar als ik er nog dieper over nadenk, is het eigenlijk verraad ten opzichte van iets waar ik in de grond geen waarde aan hecht: uiteindelijke toevalligheid, het fluisterstemmetje van een god waarin ik niet geloof en de schreeuw van die genen waar ik tot mijn dood aan vastzit.

    >> Reageer (6)


    E-mij


    Gastenboek


    Er was bij enkele omstaanders een vorm van gefrons, dat wel. Maar niet overdreven en niet op grote schaal.
    De concurrenten
  • J.
  • E.
  • L., de jonge vrijgezel
  • L., het meisje
  • N.
  • K.
  • J.,J. en J.
  • J., de broer van K.


  • Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!