Vreemde vrouw - muziek: L. De Munck
In een verre stad, een vreemde vrouw -
nog nooit had ik zo’n vreemde vrouw gezien.
Haar blik was zacht, haar huid rein, haar nagels waren nagelfijn,
mannen zwierven om haar heen, durfden, durfden niet, in het schemergebied
van vraag en aanbod, lach, zwier, super hot.
In een verre stad, een vreemde vrouw,
nog nooit had ik zo’n vrouw gezien.
Haar hand rustte in haar lende, niemand die haar kende,
haar rok zwaaide om haar heen, ze danste gans alleen, en ze blies rijst
naar een vallende ster - geluk, mijlenver.
En de aarde draaide om haar as,
alsof er nooit een vrouw was geweest, maar een geest,
rond haar zag je rozen bloeien,
rond haar zag je sterren stoeien,
schoonheid verblindde, verdween, herrees.
schoonheid verblindde, verdween, herrees.
Een bruid van de zon, die de nacht overwon,
lichtjaren speelden in haar haren,
op haar dijen zag je bijen vrijen, en vlinders landden op haar borsten,
want schoonheid was haar zorg niet, neen: dat was het gebied
tussen vraag en bod, de wending van het lot.
Ach, vreemde vrouwen zijn altijd mooi - mooier dan zij die je kent,
het is schoonheid die went, maar zij...
zij danste en pronkte, ze zong en ze lonkte:
“Hé toi mon gars, hé viens et vas, l’amour sans rides, l’amour sans vide,
l’amour en trance, l’amour qui danse...”
En de aarde draaide om haar as,
alsof er nooit een vrouw was geweest, maar een geest,
rond haar zag je rozen bloeien,
rond haar zag je sterren stoeien,
schoonheid verblindde, verdween, herrees.
schoonheid verblindde, verdween, herrees.
En ze verdween in de nacht,
in mijn droom, heel zacht,
in mijn droom, heel zacht,
in een verre stad, vreemde vrouw,
ik hou van jou.
Windekind - muziek: L. De Munck

De wind stuift door de wolken, jaagt schimmen over zee,
hij laat baren kolken, neemt ‘t windekind mee.
hij wervelt rond haar, stijgt, daalt en hij landt,
zij wentelt zich maar wat gedwee in het zand.
De wind streelt haar wangen, sluw en subtiel,
hij brandt van verlangen, teistert haar ziel,
hij raadt haar gedachten, fluistert zijn lied
van hoge tonen of zachte, zij zingt mee of niet.
Want zij: zij speelt met vuur, verbijt haar tranen en pijn,
wil geen windekind meer zijn, zij speelt met vuur,
voor de wind is zij zijn hoer, zij speelt met vuur…
De wind zoekt andere oorden, bepaalt grimmig haar lot,
hij stuwt haar voort, speelt een beetje voor god,
hij zit in haar rokken, blaast ze omhoog,
de wind wil gokken, flirt met een regenboog
En als hij gaat liggen onder dansende muggen,
zet zij vermetel de stap: trekt naar de stad,
laat pooiers ronddraaien, passie oplaaien,
ze weet wat een man wil, ‘t wordt windstil -
enfant du vent se rend dans les brûmes vers les femmes qui fûment -
geen kind dat de wind temt, zijn wetten schendt,
ze heeft een date met het heelal, en vooral:
ze is stuurloos, stuurloos aan wal…
De wind stuift door wolken, jaagt schimmen over zee,
hij laat baren kolken, neemt ‘t windekind mee,
hij raadt haar gedachten, fluistert zijn lied
van hoge tonen of zachte, zij zingt mee of niet.
Want zij: zij speelt met vuur, verbijt haar tranen en pijn,
wil geen windekind meer zijn, zij speelt met vuur,
voor de wind blijft zij zijn hoer, zij speelt met vuur!
Uitgebracht door DOE-produkties op de verzamel-cd Ode aan Antwerpen:
Parel aan 't Scheld - muziek: R. Bergeys

Ik hou van mijn stad, mijn stad aan de kaaien, in straatjes, op pleinen verlier ik mijn ziel, mijn levenspad loopt langs de vesten en ruien, langs leien en lanen, van Berchem tot ‘t Kiel klinkt mijn lied, lied van de zwerver, op de Melkmarkt, de Meir, de boulevard, de stad luistert mee, ze laat haar drijven schuchter maar fier en geluk, geluk is nooit ver...
Antwerpen, ge zijt mijn juweel,
gekuist en geblonken met uw hart van fluweel,
Antwerpen, stad aan de stroom,
parel aan ’t Scheld, prinses zonder kroon,
dat zult gij altijd blijven, dat zijt gij altijd geweest,
dat zult gij altijd blijven, dat zijt gij altijd geweest.
Ik hou van mijn stad, mijn stad aan het water,
haar boten, haar dokken, haar schipperskwartier,
haar kerken en beelden van vroeger en later,
haar markten en plaatsen, als avonturier
trek ik er rond met noten en woorden,
en hier en daar een gedicht,
de kathedraal zingt mee met de toren:
ze strelen de wolken in liefde, liefde op zicht...
Antwerpen, ge zijt mijn juweel,...
Ik hou van mijn stad, mijn stad en haar mensen,
Sinjoren en vreemden samen als troef,
Antwerpen, stad, stad zonder grenzen,
straat zonder haat met ne glimlach op proef,
in elk van ons zit ook ne zwerver,
die doolt en die zingt, van ’t Zuid tot de Dam,
de stad luistert mee, voelt woorden kerven,
van liefde, van passie, een eeuwige vlam.
Antwerpen, ge zijt mijn juweel,...
In de voorstelling Land van klei mocht geen blues ontbreken.
Steenbakkerblues - muziek: L. De Munck

Waar de huizen van de rijken in een onbestemde droom wel luchtkastelen lijken en verdwijnen in de stoom van boten en van treinen, ze glijden met hun vracht, ze rollen en ze deinen almaar dieper in de nacht.
Waar het lot de arme luizen geen gram geluk toestaat,
waar de schaduw van de huizen rimpels trekt op hun gelaat,
daar start om half zeven - een hond jaagt nog op een poes -
het ritme van het leven, in een steenbakkerblues.
Een klik-klak van twee stenen baart een wolk oranje stof,
wat gruis op lemen benen, dan een doffe plof,
een blik die nog traag verstijft: kijk, God jaagt de blues uit zijn lijf!
Waar de schouwen bomen lijken in een maanlandschap van klei,
waar de raven breed neerstrijken en de herfst begint in mei,
waar de hitte van de ovens het leven voorbestemt -
met veel te veel geboren, en liefde onbekend.
Een klik-klak van twee stenen baart een wolk oranje stof...
|